<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>30         Reactie op ontwerp-HOOP 1998
november 1997
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
Tel. 070 - 3639922
Fax 070 - 3608992
e-mail Secretariaat@AWT.nl
URL: http://www.awt.nl/
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
              Samenvatting                                3
              1.   De tegenstrijdigheden in het beleid    6
              2.   Rolverdeling instellingen en overheid  8
              3.   Nadere invulling overheidsrol         10
              4.   Beoordeling van kwaliteit             15
              5.   NWO-1 en NWO-2; en de ƒ 500 mln       18
                 AWT-advies nr. 30                        2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Samenvatting
             Het ontwerp-HOOP 1998 laat een aantal tegenstrijdigheden in het hoger-
             onderwijsbeleid van de overheid zien. Enerzijds wordt in het overheidsbeleid de
             zelfstandigheid van de universiteiten en hogescholen vooropgesteld; de instel-
             lingen moeten zelfstandig hun kwaliteit en maatschappelijke opdracht waarma-
             ken. Anderzijds komt de praktijk van dat beleid erop neer dat de Minister van
             OCenW met een reeks procesgerichte voorstellen komt, terwijl de mogelijkhe-
             den voor sturing op output  wat zou passen in een relatie met zelfstandige
             instellingen  uiterst beperkt zijn. Daarbij zijn de mogelijkheden voor de instel-
             lingen om zelfstandig te opereren ook beperkt; ze zijn aan regels gebonden wat
             betreft selectie, studieduur, hoogte van de collegegelden en de inrichting van
             hun bestuur.
                  De toonzetting van het ontwerp-HOOP is gericht op de dialoog. De minister
             doet suggesties en wil afspraken maken, maar de instellingen spreken over een
             toenemende ‘regelzucht’. Er lijkt een ‘zij/wij’-cultuur te zijn. Er wordt vertrouwen
             uitgesproken, maar in de praktijk lijkt daar weinig van terecht te komen.
             Naar een heldere rolverdeling
             Het bovenstaande is geen aanklacht. De tegenstrijdigheden zijn te herleiden tot
             een onduidelijke rolverdeling tussen de minister en de instellingen. Doelstelling-
             en van overheidsbeleid en de financiële beleidsinstrumenten lopen door elkaar,
             waardoor onduidelijk is wie voor wat verantwoordelijk is. De Adviesraad voor
             het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) doet in dit advies een voorstel
             voor een heldere rolverdeling.
             Universiteiten en hogescholen
             De hoofdtaak van de universiteiten en hogescholen is het opleiden van men-
             sen. De maatschappelijke behoefte aan afgestudeerden staat centraal. Hier
             dienen de instellingen op aangesproken te worden. De instellingen moeten
             volgens de Raad op hun output gefinancierd worden. Voor de universiteiten
             geldt als bijzonderheid dat zij ten behoeve van hun hoofdtaak onderzoek doen,
             maar dit onderzoek is een input voor het academisch gehalte van het universi-
             tair onderwijs; de output zijn de afgestudeerden.
                  Universiteiten doen niet alleen onderzoek ten behoeve van het onderwijs,
             maar het onderzoek wordt ook verricht voor derden (opdrachtonderzoek) en
             voor de maatschappij in het algemeen. Wat dat laatste aangaat, is het aan de
             universiteiten om op maatschappelijke signalen te reageren en deze te vertalen
             in (nieuwe) onderzoekthema’s; dit komt het onderwijs ten goede, zowel in de
             eerste als in de tweede fase. Toch is het mogelijk dat ‘de maatschappij’ bij
             monde van de overheid het universitair onderzoek in bepaalde richtingen wil
             bijsturen. Dit dient volgens de Raad via aparte stimuleringsgelden te gebeuren,
             want dan pas is duidelijk waarop de universiteiten worden aangesproken: op
             hun opleidingstaak of op de onderzoeksresultaten waar de maatschappij in de
             toekomst behoefte aan zal hebben.
             NWO
             De tweede geldstroom die door NWO over universitaire onderzoekers en groe-
             pen wordt verdeeld, heeft als criterium kwaliteit; bij STW speelt ook utiliteit een
             rol. Doel is de universiteiten ‘een worst’ voor te houden, waardoor de beste
             onderzoekers in landelijke competitie naar meer middelen kunnen meedingen.
             De Raad meent dat het aandeel van de tweede geldstroom in de totale onder-
             zoekscapaciteit (excl. de derde geldstroom) grosso modo 20% zou moeten zijn;
             niet te groot (want excellentie is schaars) en niet te klein (want excellente
             AWT-advies nr. 30                                                                   3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>onderzoekers moeten een redelijke kans op honorering van hun aanvragen
hebben). Daarbij dient gelet te worden op een evenwichtige verdeling van de
tweede geldstroom over de wetenschapsgebieden, in de zin dat elk gebied een
relatief gelijke impuls krijgt.
     NWO kan nog een tweede functie vervullen, namelijk als agentschap voor
het verdelen van aparte onderzoeksfondsen die door de overheid (OCenW en
andere departementen) zijn geoormerkt voor specifieke onderzoeksterreinen.
Deze functie van NWO moet echter strikt gescheiden zijn van de eerste, anders
is onduidelijk waarop de indieners van aanvragen worden beoordeeld en te-
vens weten de geldschieters dan niet zeker of hun doelstellingen worden be-
reikt. De Raad spreekt over een NWO-1 (de tweede geldstroom ter stimulering
van de kwaliteit) en een NWO-2 (een aparte geldstroom ter stimulering van
specifieke onderzoeksterreinen en de prioriteiten van het wetenschapsbeleid).
NWO-1 en NWO-2 zijn dus twee aparte geldstromen, maar NWO als organisa-
tie moet volgens de Raad één blijven. De beoordelingsprocedures van NWO-1
en NWO-2 zijn echter verschillend.
OCenW
De universiteiten en hogescholen zouden volgens de Raad periodiek strategi-
sche plannen moeten maken, waarin zij hun opleidingenaanbod opnemen en
de kosten ervan. In het geval van de universiteiten vallen ook de kosten van het
(vrije) onderzoek hieronder; momenteel vindt de bekostiging van dat onderzoek
via de eerste geldstroom plaats, maar het onderzoek vormt als input voor het
onderwijs een onlosmakelijk onderdeel van de totale kostenpost onderwijs. De
plannen behoeven de goedkeuring van de minister, die zich daarbij baseert op
de beoordelingen van de onderwijskwaliteit en het succes van de output (de
mate waarin afgestudeerden/gepromoveerden een bij hun niveau passende
positie op de arbeidsmarkt vinden). De bekostiging van de hogescholen en
universiteiten zou in belangrijke mate op de output gebaseerd moeten zijn; dit
principe behoeft nog wel nadere uitwerking.
     De minister bekostigt verder NWO. De middelen voor NWO-1 (de tweede
geldstroom) worden door NWO over de gebiedsbesturen verdeeld, waarbij de
minister een aanwijzingsbevoegdheid behoort te hebben. De middelen voor
NWO-2 kan de minister mede op basis van verkenningen aan NWO toekennen.
De minister stelt in het ontwerp-HOOP dat hij ƒ 500 mln. vanuit de eerste
geldstroom naar NWO wil overhevelen. De Raad bepleit dat de verkleining van
de eerste geldstroom niet ten koste mag gaan van wetenschapsgebieden i.c.
faculteiten die veel studenten/promovendi maar relatief weinig onderzoeksca-
paciteit hebben. Voorts beveelt de Raad aan van het over te hevelen bedrag ca
ƒ 250 mln. aan de NWO-1 functie te besteden; daarmee komt het aandeel van
NWO-1 in de totale onderzoekscapaciteit van de universiteiten (excl. derde
geldstroom) op ca. 20%. De rest van de ƒ 500 mln. zou geleidelijk naar NWO-2
overgeheveld kunnen worden onder de voorwaarde dat uit tussentijdse evalua-
ties blijkt dat via deze weg de prioriteiten van het wetenschapsbeleid op ade-
quate wijze kunnen worden bediend.
Samenhang tussen bekostiging, kwaliteit en maatschappelij-
ke behoefte
Enerzijds worden in het ontwerp-HOOP doelstellingen met elkaar vermengd
(zie boven), anderzijds worden zaken los van elkaar behandeld, terwijl er vol-
gens de Raad samenhang moet zijn; hij doelt hier op de kwaliteit van het onder-
wijs en de maatschappelijke behoefte aan afgestudeerden en gepromoveerden
en de consequenties hiervan voor de bekostiging. Momenteel worden de oplei-
dingen en het universitair onderzoek apart op kwaliteit beoordeeld. De Raad
ziet hiervoor geen noodzaak. De instellingen dienen onafhankelijk te worden
beoordeeld op hun geleverde prestaties. De visitatiecommissies zouden daar-
om het onderwijs moeten beoordelen en bij de universiteiten ook het onder-
AWT-advies nr. 30                                                              4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>zoek. Niet alleen dient gelet te worden op de kwaliteit van het onderwijs, maar
vooral ook op het succes van de afgestudeerden op de arbeidsmarkt. De resul-
taten van de visitaties zouden gevolgen moeten hebben voor de bekostiging.
Daarvoor is een Raad voor Accreditatie nodig. De AWT geeft de voorkeur aan
een raad die zowel de HBO- als de WO-opleidingen voor een bepaalde periode
accrediteert, zij het dat het onderscheid tussen hogescholen en universiteiten
gehandhaafd moet blijven. Nadere uitwerking is nog nodig.
Consequenties van verzelfstandiging en outputfinanciering
Wanneer hogescholen en universiteiten worden afgerekend op hun output,
moeten ze de zeggenschap hebben over de daarvoor benodigde input: de
instroom en doorstroom van studenten (en wat de universiteiten betreft ook de
inzet van onderzoek). Dat betekent dat de instellingen hun instroom moeten
mogen selecteren. Met selectie bedoelt de Raad niet ‘afwijzen of aannemen’,
maar ‘doorverwijzen’; de juiste persoon op het juiste moment op de juiste stu-
dieplek.
    Een tweede consequentie van verzelfstandiging en outputfinanciering is dat
de hogescholen en universiteiten meer vrijheid moeten krijgen om, afhankelijk
van de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, variaties in studieduur aan te breng-
en. Nu mogen ze dat al, zij het onder bepaalde voorwaarden. Dat is begrijpelijk,
omdat de visitaties geen gevolgen voor de bekostiging hebben. Maar wanneer
de instellingen weten dat zij hun accreditatie kunnen kwijtraken, is ‘wildgroei’
niet te verwachten. Wèl zal er meer differentiatie optreden, waarbij variatie in
studieduur eerder regel dan, zoals momenteel, uitzondering is.
    Een derde consequentie heeft betrekking op de studiefinanciering. Momen-
teel bepaalt de lengte van de studiefinanciering de studieduur. Deze koppeling
dient volgens de Raad ongedaan gemaakt te worden, anders zal variatie in
studieduur onnodig worden ingeperkt.
AWT-advies nr. 30                                                                5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>1. De tegenstrijdigheden in het beleid
                      Het ontwerp Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1998 (HOOP 1998) dat
                      Minister Ritzen afgelopen Prinsjesdag heeft uitgebracht, heeft de Adviesraad
                      voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) nog eens doen beseffen
                      welke tegenstrijdigheden er bestaan in het overheidsbeleid voor het hoger
                      onderwijs.
                          Enerzijds is het streven er voortdurend op gericht om de "zelfstandigheid
                      van de instellingen te vergroten met het oog op versterking van de kwaliteit, het
                      vernieuwend vermogen alsmede de maatschappelijke gerichtheid van het
                      bestel van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs"1, anderzijds komt de
                      minister met tal van procesgerichte voorstellen en verzoeken om de kwaliteit en
                      maatschappelijke gerichtheid te versterken.
                          De Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW)
                      geeft de minister echter nauwelijks instrumenten om de instellingen te sturen op
                      basis van hun output; desondanks is hij voortdurend bezig via additionele
                      wetgeving en convenanten te regelen dat hij een vinger achter de deur van
                      hogescholen en universiteiten krijgt.
                          De instellingen hebben weliswaar een grote mate van zelfstandigheid, maar
                      die wordt op belangrijke onderdelen wettelijk ingeperkt.2 Die zelfstandigheid
                      wordt ook ingeperkt omdat de universiteiten de rekening van het door de minis-
                      ter gewenst beleid niet bij hem kunnen indienen: verreweg de meeste beleidsin-
                      dicaties moeten vanuit de lump sum worden bekostigd.
                      Ooit stond in het beleidsjargon rondom het HOOP het woord ‘dialoog’ centraal.
                      Dat woord wordt nu niet gebezigd. De toon van het HOOP is daarentegen zeer
                      dialoog-gericht. De minister doet suggesties en stelt voor afspraken te maken
                      over door hem gesignaleerde problemen. Dat beeld van een dialoog-gerichte
                      minister wordt door de aangesproken instellingen, blijkens reacties in de pers,
                      niet gedeeld. Integendeel, de HBO-Raad spreekt van een plan dat "een zelfge-
                      noegzame sfeer en een toenemende regelzucht" ademt. HBO-Raad en VSNU
                      verwijzen naar eerder gemaakte afspraken, waarmee het HOOP in strijd is.
                          Ook de dialoog tussen verschillende onderdelen van de overheid lijkt niet
                      vlekkeloos te verlopen. De Raad doelt daarmee op de passage die in het
                      HOOP wordt gewijd aan de vorming van het KennisCentrum Wageningen
                      (KCW). Het verbaast de Raad dat de beleidsvoorbereiding en besluitvorming
                      om een internationaal gerenommeerd landbouwkundig kenniscentrum te vor-
                      men, dat stoelt op de gefuseerde poten van de Landbouwuniversiteit en de
                      Dienst Landbouwkundig Onderzoek, geheel zijn losgekoppeld van de planpro-
                      cedures van het HOOP. Nu lijkt de Minister van LNV, los van het beleid voor de
                      andere universiteiten, een eigen beleid te ontwikkelen. Zonder een oordeel uit
                      te spreken over de inhoud van de plannen om een KCW te vormen, is de Raad
                      van mening dat de beleidsvorming rondom het KCW niet moet worden losge-
                      zien van de beleidsaspecten die voor het gehele hoger onderwijs gelden.
                      De Raad neemt waar dat in de dialoog tussen minister en instellingen de be-
                      schikbare energie niet wordt besteed aan de hoofdopgaven en problemen van
                      het hoger onderwijs. Er lijkt meer sprake van een zij-wij-cultuur, waar de instel-
                      lingen reactief zijn en uit zijn op het accommoderen van min of meer losstaande
                      voorstellen van de minister, dan dat er een gevoel van gezamenlijke verant-
                      woordelijkheid bestaat waarbij een ieder zijn rol heeft in het bereiken van geza-
                      menlijke doelen.
                          Wat de Raad betreft had het ontwerp-HOOP meer het accent moeten leg-
                      gen op de hoofdopgaven van het hoger onderwijs. Het HOOP draagt weliswaar
                      AWT-advies nr. 30                                                                  6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>veel thema’s aan maar sommige hebben betrekking op onderwerpen die wel-
licht beter aan de instellingen zelf kunnen worden overgelaten. Dat vraagt
uiteraard vertrouwen. Dat vertrouwen wordt enerzijds door de overheid uitge-
sproken, maar anderzijds wordt er door diezelfde overheid bij voortduring aan
getwijfeld.
Deze bovengenoemde tegenstrijdigheden zijn volgens de Raad te herleiden tot
een onduidelijke rolverdeling tussen de minister en de instellingen. De doelstel-
lingen van het overheidsbeleid (verzelfstandiging, kwaliteit, beantwoording aan
maatschappelijke behoeften) en het beleidsinstrumentarium sporen niet met
elkaar, waardoor onduidelijk is wie voor wat verantwoordelijk is. Analyse en
kritiseren is één, het doen van constructieve aanbevelingen en het schetsen
van oplossingsrichtingen twee. De Raad neemt de uitdaging aan om te schet-
sen hoe hij de bestuurlijke relaties tussen overheid en instellingen voor hoger
onderwijs zou willen vorm geven. Daarnaast zal hij apart ingaan op de voorstel-
len die de minister doet ten aanzien van NWO en de aangekondigde wetswijzi-
ging.
AWT-advies nr. 30                                                                7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>2. Rolverdeling instellingen en overheid
                        De bestuurlijke relatie tussen overheid en onderwijsinstellingen moet worden
                        bezien tegen de achtergrond van de wenselijke rolverdeling tussen de overheid
                        enerzijds en de instellingen anderzijds. De Raad acht vanuit dit oogpunt een
                        heldere rolverdeling in het hoger-onderwijsland van groot belang. Hij heeft
                        hierover in eerdere adviezen zijn visie gegeven. In dit hoofdstuk schetst de
                        Raad de hoofdlijnen van de bestuurlijke omgang tussen de minister en de
                        instellingen zoals die hem voor ogen staan. Deze schets vraagt uiteraard om
                        een toelichting. De Raad zal hierop in hoofdstuk 3 uitvoerig ingaan.
                        Instellingen voor hoger onderwijs
                        De universiteiten hebben de opleiding tot academici en onderzoekers tot hoofd-
                        taak. Het verzorgen van opleidingen op academisch niveau impliceert een
                        behoorlijke ruimte voor onderzoek. In beginsel moeten docenten de gelegen-
                        heid hebben voor eigen onderzoek en de studenten moeten vertoeven in een
                        onderzoeksomgeving die kritisch, opbouwend, uitdagend, grenzenverleggend,
                        internationaal concurrerend is, e.d.
                             De universitaire taak 'maatschappelijke dienstverlening' krijgt in de eerste
                        plaats vorm via de afgestudeerden; zij brengen hun kennis, kunde en attitude in
                        hun (latere) werkomgeving ten nutte van de maatschappij. Op die output,
                        namelijk de kwantiteit en kwaliteit van de afgestudeerden moeten de universi-
                        teiten worden aangesproken. Sturing vanuit overwegingen van maatschappelij-
                        ke relevantie moet zijn aangrijpingspunt hebben in die afgestudeerden en in
                        eerste instantie niet in het onderzoek. Dat is, ofschoon belangrijk, toch maar
                        een middel ten behoeve van de opleiding.
                             De universiteiten hebben volgens de wet ook een onderzoekstaak. In de
                        visie van de Raad ligt die in de eerste plaats in het verlengde van het onder-
                        zoek dat de universiteiten verrichten ten behoeve van hun opleidingstaak.
                        Daarnaast is het in bepaalde gevallen denkbaar dat vanuit maatschappelijke
                        overwegingen voor specifieke onderzoeksgebieden extra stimulering wenselijk
                        is, los van de opleidingsvraag. Deze activiteiten vragen dan een aparte finan-
                        ciering, los van de financiering van de opleidingstaak.
                        De hogescholen bedienen een groot deel van de arbeidsmarkt van hoger
                        opgeleiden. Ook zij moeten door de overheid aangesproken (kunnen) worden
                        op de kwaliteit en kwantiteit van hun afgestudeerden. Naast het reguliere on-
                        derwijs hebben de hogescholen een eigen rol in kennisoverdracht. Zij worden
                        geacht nieuwe wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen te vertalen
                        in het onderwijs en hebben via hun onderwijs mogelijkheden op het gebied van
                        maatschappelijke dienstverlening.
                        NWO
                        NWO heeft als taak het stimuleren van het kwalitatief beste onderzoek bij de
                        universiteiten. Zo'n 'worstje' stimuleert de universiteiten tot extra prestaties,
                        geeft de beste groepen extra ruimte, hetgeen een positieve kwaliteitsstimulans
                        is voor de opleidingscapaciteit in ons land. Voor genoemde taak is een budget
                        nodig dat niet te groot is - er is alleen geld voor de allerbesten -, maar ook niet
                        te klein - de besten moeten ook een redelijke kans van slagen hebben.
                             Daarnaast kan NWO als uitvoeringsorganisatie optreden voor partijen,
                        waaronder vakdepartementen, die om hun moverende redenen bepaalde
                        gebieden bij de universiteiten extra willen stimuleren.
                             Het is cruciaal dat voor beide taken een apart budget beschikbaar is: NWO-
                        1 voor de taak ‘het bevorderen van kwaliteit’ en NWO-2 als som van de door
                        AWT-advies nr. 30                                                                   8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>derden beschikbaar gestelde gelden voor specifieke stimuleringsgebieden. Let
wel, geen twee organisaties, maar één met twee gescheiden geldstromen. Een
strikte scheiding tussen NWO-1 en NWO-2-fondsen leidt ertoe dat NWO meer
geloofwaardig wordt voor de verschillende partijen. De onderzoekers die voor
kwaliteit en 'echte wetenschap' gaan, weten dan dat hun voorstellen niet op
maatschappelijke relevantie worden getoetst - iets waar ze bij onvoldoende
scheiding tussen NWO-1 en NWO-2 onzeker over kunnen zijn - en omgekeerd
kunnen de opdrachtgevers van strategisch onderzoek hun scepsis met betrek-
king tot NWO laten varen: velen zouden kunnen vrezen dat NWO slechts
lippendienst verleent aan maatschappelijke relevantie, maar in de praktijk toch
de 'echte wetenschap' laat prevaleren.
      Om de NWO-2-rol goed te kunnen vervullen, is het wel zaak dat NWO
organisatorisch en procedureel de nodige voorzieningen treft, dan wel aanpas-
singen aanbrengt.
VSNU en HBO-Raad
De rol van de VSNU en de HBO-Raad is het behartigen van de belangen van
respectievelijk de universiteiten en de hogescholen. Ook vervullen zij de rol van
werkgeversorganisatie. Het is aan de universiteiten en de hogescholen om te
bepalen in hoeverre zij aan hun branche-organisaties uitvoeringstaken willen
opdragen.
Minister van OCenW
Tegen de achtergrond van de rolverdelingen zoals hiervoor geschetst, ziet de
Raad op hoofdlijnen de volgende taken voor de Minister van OCenW.
      Ten aanzien van de universiteiten zou de minister met iedere universiteit
afzonderlijk afspraken moeten maken over hun opleidingenaanbod inclusief de
daarvoor benodigde onderzoekscapaciteit en de financiering daarvan. De
universiteit legt haar voornemens dienaangaande neer in een strategisch plan
dat de goedkeuring behoeft van de minister, die op basis daarvan de financie-
ring garandeert. Daartoe beoordeelt de minister de plannen van de universitei-
ten in samenhang, rekening houdend met de macro-doelmatigheid en de resul-
taten van beoordelingen van de kwaliteit die door de instellingen wordt gele-
verd. Daarvoor is een onafhankelijke beoordelingsautoriteit nodig. Zo’n instan-
tie bestaat nog niet in Nederland. Mogelijk kunnen bestaande organisaties
daartoe uitgroeien. De Raad gaat daar in hoofdstuk 4 van dit advies nader op
in.
      Ten aanzien van NWO stelt de Minister van OCenW een budget vast voor
de taak het beste onderzoek te financieren (NWO-1), waarbij hij aanwijzingen
kan geven over de verdeling van dit budget over de hoofdgebieden, i.c. de
gebiedsbesturen.
      Onderzoeksgebieden die OCenW, andere vakdepartementen of derden via
NWO speciaal gestimuleerd willen zien, moeten apart worden benoemd en
gefinancierd via NWO-2. NWO-2 is voor de Minister van OCenW het handvat
om de resultaten van verkenningen wat betreft universitair onderzoek te imple-
menteren.
AWT-advies nr. 30                                                                9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>3. Nadere invulling overheidsrol
                          De Raad meent dat de overheid de instellingen moet aanspreken op hun
                          zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Het noodzakelijke complement daar-
                          van is een overheid die duidelijk is in zijn wensen ten aanzien van opleidingen
                          en onderzoek en daaraan bedragen verbindt waarmee ze kunnen worden
                          gerealiseerd. Dat is de essentie van het model zoals geschetst in het vorige
                          hoofdstuk.
                          Opleidingen
                          Die gewenste duidelijkheid in rollen ziet de Raad gerealiseerd wanneer de
                          overheid in de eerste plaats met de instellingen voor hoger onderwijs afspraken
                          maakt rondom hun hoofdtaak, namelijk het opleiden van mensen. De eerste
                          geldstroom is hiervoor het exclusieve financieringsmechanisme. Die opleidings-
                          taak in het hoger onderwijs impliceert, zowel voor hogescholen alsook voor
                          universiteiten, dat de instellingen activiteiten kunnen verrichten waarmee zij het
                          onderwijs op peil kunnen houden en de nieuwste inzichten en ontwikkelingen
                          kunnen opdoen, verwerken en vertalen in de curricula.
                          De Minister van Onderwijs moet er op toezien dat de onderwijsinstellingen
                          mensen afleveren die zijn toegerust voor functies waaraan maatschappelijk
                          behoefte is. Dat betekent dat, naast overwegingen over de maatschappelijke
                          betekenis van vorming, ook arbeidsmarktoverwegingen in het geding zijn. Het
                          ontwerp-HOOP geeft alleen blijk van arbeidsmarktoverwegingen voorzover dat
                          input en doorstroming betreft: de minister wijdt terecht passages aan de achter-
                          blijvende deelname van allochtonen aan het hoger onderwijs en de scheefgroei
                          in het aantal vrouwen op hogere posities in het Hoger Onderwijs Systeem.
                          Immers, het betreft hier maatschappelijke ontwikkelingen, die door velen als
                          ongewenst worden beschouwd.3
                                De output van de instellingen van hoger onderwijs blijft in het HOOP echter
                          onbesproken, evenals de veranderende maatschappelijke behoefte aan hoger
                          opgeleiden. Een beschouwing over dat laatste is geen eenvoudige zaak, maar
                          het is opvallend dat, waar de minister vorig jaar in het wetenschapsbudget een
                          beschouwing ten beste gaf over wat hij signaleerde als de maatschappelijke
                          behoefte aan (nieuw) onderzoek, een dergelijke beschouwing over de maat-
                          schappelijke behoefte aan hoger onderwijs in het ontwerp-HOOP ontbreekt. In
                          zo’n beschouwing zou de minister een overzicht kunnen geven van de maat-
                          schappelijke ontwikkelingen die hij waarneemt en waarvan hij vermoedt dat die
                          betekenis hebben voor de vraag naar hoger opgeleiden in zowel kwalitatieve
                          als kwantitatieve zin.4 Vervolgens zou hij in het HOOP moeten aangeven wat hij
                          van de instellingen verwacht dat ze met zijn observaties doen, hoe hij dat gaat
                          toetsen en hoe hij een en ander wil vertalen in de bekostiging.
                          Universitair onderzoek
                          De Raad heeft in een aantal recente adviezen zijn visie op de betekenis van
                          het universitaire onderzoek uiteengezet. Blijkens het ontwerp-HOOP (blz. 92)
                          onderschrijft de minister het advies van de AWT om met de eerste-geldstroom-
                          middelen bestemd voor onderzoek, dàt onderzoek te financieren dat nodig is
                          voor het waarborgen van het wetenschappelijk karakter van het universitaire
                          onderwijs. In één adem stelt de minister echter dat het onderzoek die rol speelt
                          "naast een meer autonome rol gericht op de verdere ontwikkeling van de zuive-
                          re wetenschap" en (alsook op) "het strategisch en toegepast onderzoek, dat
                          georiënteerd is op externe vraagstellingen vanuit de maatschappij". Omdat de
                          AWT-advies nr. 30                                                               10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>minister in algemene zin verantwoordelijk is voor de kwaliteit en doelmatigheid
van het universitair onderzoek, stelt hij "dat het universitair onderzoek periodiek
beoordeeld zal blijven worden op kwaliteit en maatschappelijke relevantie". Dat
behoeft niet noodzakelijk te leiden tot een systeem van aparte onderzoeksbe-
oordelingen, zoals de Raad zal toelichten.
Daarvoor moet eerst worden ingegaan op de vraag wat de functie van universi-
tair onderzoek is. Immers, beantwoording van die vraag bepaalt in belangrijke
mate wie primair verantwoordelijk is voor de aansturing ervan en waarop het
moet worden beoordeeld.
      Vier functies voor universitair onderzoek zijn te onderscheiden:
a. het bieden van een omgeving voor een student die kritisch is, opbouwend,
      uitdagend, grensverleggend en internationaal concurrerend;
b. het verder ontwikkelen van wetenschap en technologie als bijdrage aan het
      mondiale kennisarsenaal, waar een ieder uit kan putten;
c. het gericht opbouwen van kennisverzamelingen op specifieke terreinen die
      maatschappelijk van speciaal belang worden geacht;
d. het toepassen van kennis als bijdrage aan de oplossing van concrete
      problemen.
Deze functies komen op de universitaire werkvloer tezamen. Een professor die
interessant onderzoek voor derden heeft gedaan of dankzij NWO een promo-
vendus heeft kunnen begeleiden, laat die kennis niet in zijn werkkamer achter
wanneer hij de collegezaal betreedt. Maar dat betekent niet dat de verschillen-
de functies in het beleid niet nadrukkelijk zouden moeten worden onderschei-
den. In de visie van de Raad zou de Minister van OCenW zich wat inhoudelijke
aansturing betreft moeten beperken tot onderzoek dat als functie heeft het
opbouwen van kennisverzamelingen op specifieke terreinen die maatschappe-
lijk van speciaal belang worden geacht. De overige functies kan hij overlaten
aan de universiteiten, intermediaire organisaties zoals NWO, en waar het
opdrachtonderzoek betreft, aan de individuele opdrachtgever.
      De opleidingstaak in het hoger onderwijs impliceert, zowel voor hogescho-
len alsook voor universiteiten, dat de instellingen activiteiten kunnen verrichten
waarmee zij het onderwijs op peil kunnen houden en de nieuwste inzichten en
ontwikkelingen kunnen opdoen, verwerken en vertalen in de curricula. De
universitaire opleiding vereist een onderzoeksomgeving, waarin aan de gren-
zen van de wetenschap wordt gewerkt. Het financieren van die onderzoeksom-
geving, die cruciaal is voor het universitaire onderwijs, is voor de Raad een
essentieel onderdeel van de eerste geldstroom; de keuzes van onderzoekthe-
ma’s die daartoe moeten worden gemaakt, moeten dan ook geheel in handen
van de instellingen liggen. De consequentie van deze zienswijze is dat de
minister zich niet in directe zin hoeft te bemoeien met de kwaliteitszorg van het
universitaire onderzoek dat uit de eerste geldstroom wordt gefinancierd.
Wanneer de minister specifieke wensen heeft wat betreft universitair onderzoek
die niet reeds met eerste-geldstroommiddelen binnen het stelsel van hoger
onderwijs worden vervuld, dan moet hij daarvoor in de visie van de Raad een
aparte voorziening treffen, bijvoorbeeld via het instrument van de tweede geld-
stroom, NWO. Die is van oudsher gericht op het bevorderen van de kwaliteit
van de wetenschapsbeoefening en daarmee op de Nederlandse bijdrage aan
het mondiale kennisarsenaal. Sinds recentere datum is NWO ook inzetbaar als
agent voor maatschappelijk gewenst strategisch onderzoek. De Raad komt
hierop in hoofdstuk 5 terug.
Het kennisarsenaal van het HBO
Waar de universiteiten een ruime eerste geldstroom behoeven om al die activi-
teiten te financieren die de basis leggen voor zo goed mogelijk onderwijs, zo
behoeven de HBO’s ook middelen om hun onderwijs op peil te houden en te
vernieuwen. Het HBO ontbeert een structurele additionele financieringsbron om
het onderwijs van nieuwe impulsen te voorzien.
AWT-advies nr. 30                                                                 11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>       Ten aanzien van de positie die het HBO in de kennisinfrastructuur inneemt,
lijkt er aan overheidszijde een duidelijke onderwaardering te bestaan. De Raad
is desgewenst bereid een nadere studie te wijden aan de relatieve betekenis
van het HBO in de kennisinfrastructuur. Daarbij zal onder andere aandacht
kunnen worden besteed aan de betekenis van de kennisoverdracht van het
HBO naar het MKB voor de Nederlandse economie.
Samenhang tussen maatschappelijke behoefte, kwaliteitszorg en bekostiging
Als de Raad trefwoorden voor een Hoger Onderwijs en OnderzoekPlan zou
kiezen, komt hij uit op de trefwoorden Maatschappelijke behoefte, Beoordeling
en Bekostiging. Die trefwoorden staan nu ook in het HOOP, echter de uitwer-
king die eraan wordt gegeven is niet de uitwerking die de Raad eraan zou
willen geven. Bovendien ontbreekt de samenhang, die zeer wel is aan te breng-
en.
De maatschappelijke relevantie van de universiteiten moet zich primair uiten in
het afleveren van opgeleiden waaraan maatschappelijk behoefte is. De Raad
bepleit dat er een relatie wordt gelegd tussen de bekostiging van de instellingen
voor hoger onderwijs (via de eerste geldstroom) en de maatschappelijke be-
hoefte aan en de kwaliteit van hun afgestudeerden. Momenteel speelt de maat-
schappelijke behoefte en de kwaliteit van afgestudeerden geen rol van beteke-
nis in de bekostigingssystematiek. Kwaliteitsbeoordeling van onderwijs en
onderzoek vindt wel plaats, maar de relatie met de bekostiging wordt veelal niet
gelegd. Daarbij krijgt in het vigerende kwaliteitsbeoordelingssysteem de kwali-
teit van de arbeidsmarktpositie van de afgestudeerden onvoldoende aandacht.
       De techniek van het bekostigen van instellingen mede op basis van het
succes van hun afgestudeerden op de arbeidsmarkt heeft de Raad nog niet
uitgewerkt. Er zijn enkele landen die daar enige ervaring mee hebben en waar-
van mogelijk lering valt te trekken. Desgewenst is hij gaarne bereid om daar-
over te adviseren. In zijn ogen moet in ieder geval het initiatief voor het doen
van voorstellen voor opleidingen en de daarvoor benodigde capaciteit bij de
instellingen liggen. Zij moeten daarbij het perspectief van de afgestudeerden op
de arbeidsmarkt kunnen schetsen.
       Per opleiding zou de minister vervolgens moeten aangeven of hij al of niet
met het voorstel akkoord gaat en welk bedrag hij daar tegenover zet. Wanneer
hij akkoord gaat, committeert de minister zich de opleiding voor die bepaalde
periode te financieren. Omgekeerd verplicht de instelling zich in de overeeng-
ekomen opleidingen studenten op te leiden. Bij de bekostiging hoeft het uit-
gangspunt niet te zijn dat de kosten voor de minister evenredig stijgen dan wel
dalen per afgestudeerde student; een opleiding is immers meer dan de optel-
som van contacturen van docenten met studenten. Uitgangspunt moet wel zijn
dat de kosten die aan de opleiding voor een instelling zijn verbonden, door de
overheid en de collegegelden van de studenten worden gedragen. Daaronder
vallen óók de kosten van overhead, onderzoek en alle activiteiten die noodza-
kelijk zijn om een goed studieprogramma aan te kunnen bieden. De maat-
schappelijke behoefte aan universitair onderzoek hangt in deze zin samen met
de maatschappelijke behoefte aan opgeleiden.
In een dergelijke systematiek past het dat elke opleiding periodiek wordt beoor-
deeld. Die beoordeling moet betrekking hebben op de kwaliteit van de opleiding
waarin meegenomen de arbeidsmarktpositie van de afgestudeerden. De beoor-
deling moet conclusies leveren aangaande de vraag of de opleiding moet
worden gecontinueerd en in welke mate groei of krimp wenselijk is en sugges-
ties bevatten ter verbetering c.q. bijstelling. In de beoordeling van de opleiding
wordt dan tevens het aan de opleiding gekoppelde onderzoek beoordeeld.
Vanuit het perspectief van de minister heeft een aparte beoordeling van het
onderzoek dan weinig nut. In de hier voorgestelde benadering moet de onder-
zoekvisitatie opgaan in de onderwijsvisitatie; onderzoek is immers een integraal
onderdeel van wat de opleiding nodig heeft.
       Aparte beoordeling van onderzoek kan voor een instelling zelf wel zinvol
zijn, omdat dat informatie kan geven voor te maken strategische keuzen of een
AWT-advies nr. 30                                                                 12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>benoemingenbeleid. Het is aan de instelling(en) zelf om hieraan vorm te geven.
Onder voorwaarde dat bij de beoordeling de arbeidsmarktperspectieven worden
betrokken, bestaat er in het hier voorgestelde systeem een sterke prikkel om te
investeren in de kwaliteit van de opleiding en de oriëntatie op de arbeidsmarkt.
Voorts wordt duidelijk wat de kosten voor een opleiding zijn en wat de verschil-
lende instellingen kunnen leveren tegen welke prijs.
      Een ander voordeel kan zijn, dat de minister minder genoodzaakt zal
worden arbeidsmarktfixi vast te stellen; immers de instellingen maken zelf
analyses van de arbeidsmarkt en de employability van hun afgestudeerden.
Negeren van signalen uit de arbeidsmarkt zal aanleiding geven tot problemen
bij de periodieke beoordeling. De Raad gaat in hoofdstuk 4 nader in op het
kwaliteitsbeoordelingssysteem.
Consequenties voor selectie, studieduur en studiefinanciering
Een noodzakelijke consequentie van de hier voorgestelde rolverdeling is dat de
instellingen een veel grotere vrijheid krijgen bij de regulering van instroom.
Immers, wanneer de instellingen worden afgerekend op hun output (zie hierbo-
ven), dan moeten zij zeggenschap krijgen over hun input, de in- en doorstroom
van hun studenten. Van tweeën één: òf de input wordt gefinancierd en de
toegang van eenieder tot een instelling voor hoger onderwijs is vrij, met als
gevolg dat de overheid geen eisen kan stellen aan de output, òf de output wordt
gefinancierd, maar dan moeten de instellingen zelf hun instroom kunnen regu-
leren. Met de capaciteitsfixus hebben ze reeds mogelijkheden de kwantiteit van
de instroom te reguleren, zij het dat arbeidsmarkt-overwegingen daarbij geen
rol spelen. Selectie op specifieke kwaliteiten is in het hoger onderwijs in Neder-
land geen usance, enkele door de minister vastgestelde uitzonderingen daarge-
laten, bijvoorbeeld het kunstonderwijs. Selectie wordt veelal ten onrechte geas-
socieerd met beperking van de toegang. In een verzelfstandigd, en dus gediffe-
rentieerd, stelsel van hoger onderwijs is selectie echter een instrument om de
juiste persoon op de juiste opleidingsplek te krijgen.
Aangezien de behoefte in de markt aan hoger opgeleiden zeer divers is, lijkt het
op zijn minst onwaarschijnlijk dat via een uniforme cursusduur in die behoefte
kan worden voorzien. Vroeger was de opleiding, met name in de -sector, in de
eerste plaats gericht op de opleiding tot onderzoekers; ter voorbereiding op die
betrekkelijk homogene arbeidsmarkt lijkt een uniforme studieduur met een
nadruk op onderzoek een passend stramien. Nu het overgrote deel van de
afgestudeerden niet in het onderzoek terechtkomt, maar een breed scala van
functies vervult, is een herbezinning op de universitaire opleidingen noodzake-
lijk.
      Deze analyse sterkt de Raad in zijn eerdere pleidooi voor een differentiatie
in opleiding, zowel naar inhoud als naar cursus- en studieduur. De recente
voorstellen van de regering bieden op dit punt wel wat meer ruimte dan de
bestaande regelingen doordat, naast de vierjarige opleiding, openingen worden
geboden om opleidingen aan te bieden die een jaar langer of korter duren. Een
afwijking van de 'normale' cursusduur moet aan beperkende randvoorwaarden
voldoen. Variatie wordt zodoende als een uitzondering gezien terwijl het vol-
gens de Raad tot norm verheven zou moeten worden.
      In het vigerende systeem is de discussie over de studieduur gekoppeld
aan de kwestie van de studiefinanciering. De Raad acht het ongewenst dat de
studieduur wordt bepaald door de bereidheid van de overheid studenten in hun
onderhoud te financieren. Deze zaken moeten en kunnen worden ontkoppeld.
Of beter, de relatie moet worden omgedraaid; het stelsel van studiefinanciering
moet de veranderingen in het onderwijs kunnen volgen.
AWT-advies nr. 30                                                                13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>4. Beoordeling van kwaliteit
                         Een bezwaar tegen outputfinanciering dat vaak wordt aangevoerd, is dat de
                         instellingen geprikkeld worden die output te verhogen en dat daarbij de kwaliteit
                         van het onderwijs (en onderzoek) in de knel kan komen. Vandaar dat de Raad
                         in dit hoofdstuk wil stil staan bij de beoordeling van de kwaliteit, zowel van het
                         onderwijs als van het onderzoek. Outputfinanciering kan niet worden ingevoerd
                         als niet aan de voorwaarde is voldaan, dat er prikkels in het stelsel van hoger
                         onderwijs worden ingebouwd om geen concessies te doen aan de kwaliteit.
                         Eerste geldstroom
                         In het hierboven gehouden betoog komt nadrukkelijk de behoefte naar voren
                         aan een beoordelingsinstantie die kan worden belast met het beoordelen van
                         de kwaliteit van opleidingen.
                               In de eerste plaats is er behoefte aan een instantie die het eerste fase
                         onderwijs visiteert, of nog beter, accrediteert. Wil dat geloofwaardig gebeuren
                         dan moet dat worden gedaan door een onafhankelijke instantie. De HBO-Raad
                         denkt in dit verband aan de noodzaak van een aparte onafhankelijke Raad voor
                         Accreditatie, die op zijn beurt door een Europese organisatie wordt geaccredi-
                         teerd met het oog op Europese erkenning van opleidingen.
                               De Raad is zeer gecharmeerd van de voorstellen die door de HBO-Raad
                         zijn gedaan om opleidingen voortaan te accrediteren. De grote winst lijkt hem
                         dat accreditering voor een beperkte periode wordt gegeven, en er derhalve een
                         voortdurende prikkel is de kwaliteit en betekenis van de opleiding op peil te
                         houden. De Raad is een voorstander van een directe koppeling tussen accredi-
                         tering en bekostiging. Dat betekent dat de overheid zich zou kunnen beperken
                         tot het (doen) organiseren van de accrediteringen en aan de resultaten conse-
                         quenties te verbinden ten aanzien van de financiering van de instellingen.
                         Voorts kunnen de instellingen worden gestimuleerd met nieuwe opleidingen in
                         te spelen op maatschappelijke behoeften, waartoe de overheid al of niet haar
                         observaties daarover te berde kan brengen.
                               Een dergelijk model lijkt de Raad ook toepasbaar voor het universitaire
                         bestel. De terughoudendheid van de minister ten aanzien van de door de HBO-
                         Raad voorgestane aanpak verbaast de Raad. De argumentatie dat het huidige
                         systeem voldoet, klinkt weliswaar plausibel, maar is voor de Raad weinig over-
                         tuigend, omdat het voorbijgaat aan de winst die is te behalen door kwaliteits-
                         zorg, bekostiging en maatschappelijke behoefte op een heldere wijze met
                         elkaar te verbinden.
                         De visitaties van het universitaire onderwijs worden nu in opdracht en onder
                         regie van de VSNU verricht. Zonder dat de Raad wil stellen dat de huidige
                         praktijk tot misstanden leidt, acht hij het juister dat een onafhankelijke organisa-
                         tie verantwoordelijk is voor de beoordelingen. Voor audits van onderzoek be-
                         staat er in Nederland reeds een dergelijke organisatie, namelijk de KNAW.
                         Maar hier gaat het om de kwaliteit van het onderwijs, waarin de arbeidsmarkt-
                         positie van afgestudeerden moet worden meegenomen. Het ligt dan niet voor
                         de hand de KNAW met die taak te belasten.
                         Een betere mogelijkheid is voor de universitaire onderwijsbeoordelingen aan-
                         sluiting te zoeken bij de op te richten Raad voor (HBO-)accreditatie. Het is
                         evident dat de arbeidsmarktoverwegingen bij die Raad een grote rol zullen
                         spelen. Een voordeel van een dergelijke Raad, die zowel het HBO als de uni-
                         versiteiten bedient, is dat het hoger onderwijs in samenhang wordt beoordeeld.
                         Op de arbeidsmarkt bestaat veelal reeds een dergelijke samenhang; organisa-
                         ties die hoger opgeleiden werven, kennen het opleidingenaanbod en de speci-
                         AWT-advies nr. 30                                                                  14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>fieke kwalificaties van zowel HBO-opgeleiden alsook universitair opgeleiden en
weten welke opgeleide voor welke functie inzetbaar is. De vraag naar de eigen
positie van HBO-abituriënten ten opzichte van de universitaire abituriënten zal
gemakkelijker kunnen worden beantwoord, wanneer de verschillende opleiding-
en vanuit één instantie worden beoordeeld. Een dergelijke raad moet nadrukke-
lijk niet worden gezien als een stap op weg naar een universitair systeem zoals
in Engeland waarin de colleges zijn gepromoveerd tot universities maar in de
praktijk lijken te tenderen naar een ‘vlees noch vis’-opleiding. De beroepsge-
richtheid van het HBO is het waard duidelijk te worden onderscheiden van de
academische gerichtheid van de universiteiten.
      Een nadere analyse over de precieze vormgeving van het beoordelings-
c.q. accreditatiesysteem van het hoger onderwijs is op zijn plaats. De samen-
stelling en de bevoegdheden van een Raad voor Accreditatie moeten goed, bij
voorkeur bij wet, worden geregeld. Met het bovenstaande beoogt de Raad
alleen de contouren te schetsen van een systeem waarin de instellingen voor
hoger onderwijs worden beoordeeld op de parameters die hij bij uitstek van
belang acht. Hij verwacht dat de uitwerking van dit systeem aanzienlijk zal
bijdragen tot een verlaging van de beoordelingslast, waaronder de instellingen
thans gebukt gaan.
Tweede geldstroom
Beoordeling van kwaliteit in de tweede geldstroom behoeft van overheidszijde
geen extra aandacht. Beoordeling van kwaliteit is een kern-element van de
tweede geldstroom. NWO regelt dat zelf. Het is uiteraard wel wenselijk NWO
zelf periodiek te beoordelen; recentelijk is dit ook voor de eerste keer gebeurd.
Derde geldstroom
Beoordeling van de kwaliteit van het derde-geldstroomonderzoek is voor de
Minister van OCenW weinig zinvol. Bij derde-geldstroomonderzoek gaat het er
immers om of de opdrachtgevers tevreden zijn. Wel ziet de Raad reden voor
een ander soort beoordeling, namelijk beantwoording van de vraag of de derde-
geldstroomactiviteiten niet te zeer afbreuk doen aan het klimaat waarin de
hoofdfunctie van de instellingen, namelijk onderwijs, gedijt.
      De minister wijdt aan deze problematiek in het ontwerp-HOOP een passa-
ge onder de titel ‘publiek ondernemerschap’. Hij stelt dat de betrokkenheid van
de samenleving bij onderwijs en onderzoek onlosmakelijk is verbonden met de
toenemende maatschappelijke oriëntatie van universiteiten en hogescholen.
Die betrokkenheid komt tot uiting in een bredere geldstroom naar de instelling-
en.
      De Raad heeft kennisgenomen van het rapport van de Commissie Cohen,
getiteld ‘Markt en Overheid’. Daar wordt duidelijk geschetst welke spanningen
zich voordoen als de publiek-gefinancierde instellingen diensten verrichten die
ook door private partijen kunnen worden verricht. De commissie keurt, evenals
de Raad, het verschijnsel opdrachtonderwijs en opdrachtonderzoek niet af. Een
waarschuwing is echter wel op zijn plaats. Omdat de hoofdtaak van hogescho-
len en universiteiten het opleiden van mensen is, moet het verrichten van
contractactiviteiten daaraan geen afbreuk doen. Integendeel, ze moeten de
opleidingstaak ondersteunen. Dat lijkt de Raad het juiste criterium. ‘Publiek
Ondernemerschap’ van instellingen voor hoger onderwijs dient derhalve missie-
gericht en niet geldgericht te zijn. De Raad is er niet van overtuigd dat geld
nooit het hoofdcriterium is waarop instellingen voor hoger onderwijs contracten
afsluiten.
Behoedzaamheid in dezen lijkt de Raad meer op zijn plaats dan een verdere
aanmoediging van het - op zich ongelukkig gekozen begrip - Publiek Onderne-
merschap. De maatschappelijke relevantie van de universiteiten komt eerst en
vooral tot uiting in het afleveren van de goede mensen.
AWT-advies nr. 30                                                               15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>5. NWO-1 en NWO-2; en de ƒ 500 mln
                       De minister kondigt in het ontwerp-HOOP aan dat hij een wijziging van de
                       bestaande NWO-wet noodzakelijk acht en zo'n wijziging ook voorbereidt. Dat is
                       voor hem een voorwaarde voor de voorgenomen geleidelijke overheveling van
                       ƒ 500 mln van de eerste naar de tweede geldstroom. Uitgangspunt bij die
                       wetswijziging is dat NWO sturing op kwaliteit en maatschappelijke prioriteiten in
                       de praktijk op eenvoudige en doelmatige wijze kan verwezenlijken. Dat zal
                       onder meer inhouden dat NWO de toedeling van onderzoekgelden kan koppe-
                       len aan de door het kabinet gestelde prioriteiten voor het wetenschapsbeleid.
                       De minister stelt dat de sturing op grond van maatschappelijke prioriteiten in het
                       wetenschapsbeleid van de overheid vooral via de tweede geldstroom plaats
                       moet vinden. Behalve het criterium hoge wetenschappelijke kwaliteit moet
                       volgens hem in de tweede geldstroom ook het criterium van maatschappelijke
                       prioriteit een rol spelen.
                       De Raad is op zich een groot voorstander van de door de minister ingeslagen
                       weg. Een vergroting van de tweede geldstroom, ook als die ten koste gaat van
                       de eerste, heeft hij reeds bij herhaling bepleit. Hij wijst er in dit verband op, dat
                       in vergelijking met veel andere Westerse landen die een duaal financierings-
                       stelsel kennen, de tweede geldstroom die in Nederland wordt ingezet ter bevor-
                       dering van wetenschappelijke kwaliteit, thans zeer bescheiden is. De commis-
                       sie Rinnooy Kan heeft hier destijds ook op gewezen. Een (vergrote) tweede
                       geldstroom biedt vanwege de inter-universitaire competitie, de beste weg voor
                       stimulering van kwaliteit in het onderzoek. Daarbij biedt een tweede geldstroom
                       ook een goed handvat voor de maatschappelijke sturing van het (universitaire)
                       onderzoek. Een overheveling van ƒ 500 mln naar de tweede geldstroom, zoals
                       door de minister voorgesteld, lijkt, mits geleidelijk uitgevoerd, de Raad op zich
                       niet onverantwoord, al wil hij daar wel enkele kanttekeningen bij maken.
                       In de eerste plaats zou de Raad overheveling van de eerste naar de tweede
                       geldstroom niet willen bereiken door alle faculteiten naar rato te (laten) korten.
                       Overeenkomstig zijn uitgangspunt dat met de eerste geldstroom de opleiding in
                       al zijn facetten moet kunnen worden gefinancierd, moet worden bepaald welke
                       kosten thans zijn verbonden met het geleverde onderwijs. Als dat is bepaald,
                       hoe tentatief ook, zal blijken dat sommige faculteiten aanzienlijk meer middelen
                       voor vrij onderzoek ter beschikking hebben dan andere faculteiten. Het ligt voor
                       de hand de faculteiten met weinig studenten en veel mogelijkheden voor onder-
                       zoek aanzienlijk meer aan te spreken op hun bijdrage aan de overheveling dan
                       die faculteiten met veel studenten en weinig onderzoekcapaciteit.
                       Ten tweede wil de Raad aangeven welke doelen met die ƒ 500 mln zouden
                       moeten worden gediend. De minister spreekt bij voortduring over NWO als een
                       instantie die de criteria hoge kwaliteit en maatschappelijke prioriteiten hanteert.
                       Los van de evidenties dat maatschappelijk prioritair onderzoek ook kwaliteit
                       moet hebben en dat kwalitatief hoogstaand onderzoek ook maatschappelijk van
                       belang is, is de Raad van mening dat er tussen die beide criteria een duidelijk
                       verschil bestaat. In de visie van de Raad leiden die criteria voor een tweede
                       geldstroom tot twee afzonderlijke functies, die goed onderscheiden moeten
                       worden.
                       De eerste functie is de klassieke functie ‘bevordering van wetenschappelijke
                       kwaliteit’. De beste onderzoeksgroepen verdienen extra mogelijkheden en
                       steun boven op de eerste geldstroom die is bedoeld voor de financiering van de
                       opleidingstaak en het daarvoor benodigde onderzoek. Het bestaan van een
                       AWT-advies nr. 30                                                                   16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>aparte tweede geldstroom, waar louter op basis van kwaliteit naar gedongen
kan worden, heeft een kwaliteitsbevorderend effect. Instellingen overstijgende
competitie daagt uit tot onderzoeksvoorstellen die zich onderscheiden en daar-
mee bijdragen aan de kwaliteit van een academische omgeving. Door de twee-
de geldstroom gehonoreerde projecten en programma’s hebben in de praktijk
veelal extra status. Deze geldstroom, door de AWT NWO-1 genoemd, en 2-W
door NWO in zijn nota Inspiratie en sturing van wetenschap, moet dus niet te
groot zijn wil het zijn ster-karakter kunnen handhaven; hij moet echter ook niet
te klein zijn, omdat dan over de gehele breedte van het onderzoeksveld in
onvoldoende mate excellente onderzoekers kunnen worden bediend. Een
omvang in de orde van grootte van 20% van het totale universitaire onder-
zoeksbudget lijkt redelijk om de bedoelde functie van NWO te kunnen vervul-
len.
     De tweede functie van de tweede geldstroom is die van agentschap voor
maatschappelijk prioritair strategisch onderzoek en implementator van de
prioriteiten van het wetenschapsbeleid. Dat is dus onderzoek dat nog niet direct
tot concrete toepassingen leidt, maar waarvan wel het gevoelen bestaat dat het
kan leiden tot vergroting van inzicht in maatschappelijke verschijnselen, de
aanpak ervan, of meer zicht geeft op de toepassingsmogelijkheden van nieuwe
wetenschappelijke en/of technologische ontwikkelingen, of dat om (andere)
redenen van algemeen belang gewenst wordt geacht. Kortom, het gaat hier om
kennisvelden waarin vanwege maatschappelijke overwegingen moet worden
geïnvesteerd. Meerjarige onderzoeksprogramma’s kunnen uitstekende instru-
menten zijn voor dergelijke investeringen. Het formuleren van onderzoekspro-
gramma’s en het uitzetten van projecten is een vak apart. Een belangrijke
reden om NWO daarmee te belasten is, dat de doelgroep van onderzoekers
voor het strategische onderzoek grotendeels dezelfde is als de doelgroep waar
NWO mee te maken heeft als het gaat om de honorering van excellent onder-
zoek. De beoordeling van het hier bedoelde strategische onderzoek zal veelal
in anders samengestelde jury’s plaatsvinden vergeleken met de beoordeling
van het ongebonden universitaire onderzoek. De Raad pleit er voor dat NWO
de organisatie van deze taak apart vormgeeft. Hij heeft dat destijds NWO-2
genoemd; NWO heeft het over 2-M. Voor alle duidelijkheid: met NWO-2 bedoelt
de Raad niet een aparte organisatie, maar wel dat die activiteit, gebruikmakend
van dezelfde infrastructuur en gedeeltelijk hetzelfde netwerk, apart wordt geor-
ganiseerd.
De grote winst van een onderscheid zoals door de Raad gemaakt, is dat het
voor de onderzoekers duidelijk is wat ervan ze wordt gevraagd en waarop ze
worden afgerekend: in het ene geval is dat wetenschappelijke excellentie, in het
andere geval is dat de bijdrage aan strategische kennisopbouw. In het eerste
geval spelen dan beoordelingsinstrumenten als citation-indices een rol; in het
tweede geval spelen naast uiteraard kwaliteitsbeoordeling de contacten met en
de tevredenheid van de financierende overheidsinstelling en/of ‘kennisgebrui-
kers’ een rol, hoewel die feedback minder duidelijk zal kunnen zijn dan in het
geval van het op de korte termijn gerichte opdrachtonderzoek.
De ƒ 500 mln die de Minister van OCenW wil overhevelen naar NWO zou naar
de mening van de Raad voor ongeveer de helft aan de NWO-1 functie en voor
de andere helft aan de NWO-2 functie moeten worden besteed. Zoals eerder
gesteld lijkt de Raad ca 20% van het universitaire onderzoekbudget adequaat
om de ster-functie van de tweede geldstroom waar te kunnen maken. Het totale
universitaire onderzoeksvolume, exclusief de ƒ 1 mld. derde geldstroom, be-
draagt ca ƒ 3 mld.. Dat betekent dat NWO ca ƒ 600 mln beschikbaar zou moe-
ten hebben om zijn tweede-geldstroomfunctie van kwaliteitsbevordering naar
behoren te kunnen uitoefenen. Van de huidige NWO-middelen heeft ca -
ƒ 300 mln die bestemming. Dat budget blijkt in de praktijk inderdaad onvoldoen-
de om NWO in staat te stellen in alle disciplines die kwaliteitsbevorderende
functie uit te oefenen. Met name in de - en de -wetenschappen is het NWO-
aandeel beperkt. Over het geheel genomen stelt een verdubbeling van het
AWT-advies nr. 30                                                               17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>NWO-1-budget NWO in staat 20% van het universitaire onderzoeksvolume te
financieren, waarbij NWO los van individuele universiteiten kwaliteitscriteria kan
hanteren.
      In het model zoals hier is geschetst, ligt het voor de hand dat NWO de
integrale kosten voor onderzoek dat door haar wordt gefinancierd, voor haar
rekening neemt. De door NWO gefinancierde projekten kunnen uiteraard wel
gebruik maken van de bestaande onderzoekinfrastructuur en faciliteiten. Dat
betekent dat van de universiteiten niet wordt verlangd dat ze uit hun eerste-
geldstroommiddelen vrijmaken ten behoeve van het door NWO gefinancierde
onderzoek, tenzij met de instellingen iets anders wordt overeengekomen.
De NWO-2 middelen zijn bedoeld om gerichter te worden ingezet. Fiattering
van de besteding van deze middelen, voorzover het OCenW-middelen betreft,
moet komen van de Minister van OCenW. In de praktijk meent de Raad dat het
voorstel voor de besteding van NWO moet komen, die hierbij zijn oor te luiste-
ren legt bij allerlei relevante partijen, en zich laat inspireren door de verschillen-
de verkenningen die worden uitgevoerd. De Minister van OCenW kan dan zijn
oordeel geven over de voorzet. Er is dus sprake van additionele financiering
van onderzoek bovenop een systeem dat reeds zelf bezig is zich voortdurend
te oriënteren op de toekomstige kennisbehoefte en behoefte aan opgeleiden.
      Wanneer de overheveling van eerste naar tweede geldstroom plaatsvindt
en ca de helft van de ƒ 500 mln wordt besteed aan de NWO-1-functie, blijft er
ca ƒ 200 tot ƒ 250 mln over voor de NWO-2-functie. De Raad kan thans niet
overzien of dat een redelijk bedrag is om de prioriteiten van het wetenschaps-
beleid mee te financieren. In het Wetenschapsbudget 1997 is op jaarbasis ca
ƒ 20 mln uitgetrokken als stimuleringsmiddelen voor onderzoek dat gelabeld is
als de prioriteiten van het wetenschapsbeleid. Dat bedrag is door velen te
mager gevonden. Het Wetenschapsbudget 1997 beoogt weliswaar ook de
instellingen aan te spreken om de hun verstrekte eerste-geldstroommiddelen in
de door de minister bedoelde zin te besteden. Zoals de Raad reeds eerder
heeft aangegeven, is dat een oneigenlijke, onheldere wijze van beïnvloeden
van de besteding van de eerste geldstroom, voorzover het onderzoeksturing
betreft.
      De beste weg lijkt de Raad te zijn de overheveling naar NWO-2 geleidelijk
te doen plaats vinden en met begeleidend evaluatieonderzoek te volgen of
NWO er in slaagt de NWO-2-functie gestalte te geven en in staat is op een voor
de betrokkenen bevredigende wijze de prioriteiten van het wetenschapsbeleid
te implementeren. Als dat het geval is kan een volgende stap in de overheve-
ling worden gezet.
Tot slot beveelt de Raad, wellicht ten overvloede, de minister aan het boveng-
emaakte onderscheid in de functies van NWO scherp voor ogen te houden bij
de door hem aangekondigde wijziging van de NWO-wet. Een speciaal punt van
aandacht daarbij is de rol die de minister voor zichzelf ziet weggelegd ten
aanzien van de besteding van tweede-geldstroommiddelen. De uitdaging is die
rol zodanig te formuleren dat het begrip ‘sturen op hoofdlijnen’ een herkenbare
en breed geaccepteerde invulling krijgt. Overigens is de Raad uiteraard gaarne
bereid over een voorontwerp van wet en in het bijzonder de gewenste bevoegd-
heden van de minister ten aanzien van NWO te adviseren.
Aldus vastgesteld te Den Haag, 14 november 1997
Dr.ir. H.L. Beckers
voorzitter
AWT-advies nr. 30                                                                   18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Dr. A. van Heeringen
secretaris
1.
Zo staat het in de considerans van de Wet op het Hoger Onderwijs en
Wetenschappelijk Onderzoek (WHW). In het ontwerp-HOOP 1998 wordt het
beeld van hogescholen en universiteiten als zelfstandige organisaties bij
voortduring bevestigd.
2.
In zijn Jaarbeschouwing 1994 heeft de Raad op blz.12 de beperkingen
opgesomd die de WHW aan de instellingen geeft. Sinds die tijd zijn er enkele
aanpassingen ten goede aangebracht. Problematisch blijft zijns inziens het feit
dat de instellingen beperkt blijven in hun mogelijkheden om studenten te
selecteren, gebonden zijn aan door de overheid voorgeschreven studieduren,
niet zelf de prijs van studieprogramma’s kunnen vaststellen, en ondanks de
onlangs tot stand gebrachte modernisering van de universitaire
bestuursstructuur nog voor een belangrijk deel gebonden zijn de interne
organisatie volgens wettelijk voorgeschreven principes in te richten.
3.
De Raad heeft het onderwerp ‘vrouwen in de wetenschap’ op zijn agenda
gezet. Hij komt daar in toekomstige adviezen op terug.
4.
In het HOOP staat een beschouwing over Bèta en Techniek in het hoger
onderwijs, die uitmondt in een oproep aan universiteiten, hogescholen en
bedrijfsleven om met de overheid een gezamenlijk plan van aanpak op te
stellen. De thematiek van bèta en techniek in het hoger onderwijs leent zich
uitstekend voor een behandeling in het HOOP zoals door de Raad is bedoeld.
Inhoudelijk zal de Raad daar nu niet verder op in gaan. Het onderwerp maakt
deel uit van zijn werkprogramma en hij zal daarover in de loop van 1998
adviseren. De Raad zal in zijn advisering de effectiviteit van het door de
minister voorgestane brede gezamenlijke plan van aanpak betrekken.
AWT-advies nr. 30                                                             19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>