<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>   Wisselwerking tussen
 'zachte' en 'harde' kennis
benutting van - en -kennis in van oudsher -
             dominante sectoren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>inhoudsopgave
              Samenvatting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3
              1.     Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5
              2.     Kern van het probleem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6
              3.     De universitaire opleiding: vraag en aanbod . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
                     3.1    De vraag naar universitair geschoolden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
                     3.2    De universitaire opleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
              4.     - en -onderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
                     4.1    Cultuurstudies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
                     4.2    Keuze en gedrag . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
              5.     Conclusies en aanbevelingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
                     5.1    Universitaire opleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
                     5.2    - en -onderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
              Bijlage 1     Adviesaanvrage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
              Bijlage 2     Lijst van gesprekspartners . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
                  AWT-advies nr. 29                                                                                                  2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Samenvatting
             De beroepspraktijk van hoger geschoolden kenmerkt zich door veelzijdige
             problemen die zich niet laten oplossen door een aanpak vanuit één discipline of
             vakspecialisme. Men moet al dan niet in teamverband samenwerken met
             specialisten binnen en buiten het eigen vakgebied. Het is aan de organisaties
             om de kennis van de individuele werknemers zo te combineren dat het totaal
             meer is dan de som der delen. De mate waarin overheidsorganisaties en
             bedrijven de meerwaarde van het totaal weten uit te buiten, bepaalt in
             belangrijke mate hun effectiviteit en concurrentiekracht. Bij dat totaal gaat het
             niet alleen om wisselwerking tussen aanpalende kennisgebieden, zoals tussen
             twee technische subspecialismen, maar vooral ook om de benutting van kennis
             over de grenzen van // -domeinen. De absorptie van -kennis in de 'zachte'
             sector lijkt in de dagelijkse praktijk eenvoudiger te verlopen dan de opname van
             - en -kennis in de 'harde' sector. Mede op basis van die waarneming
             concentreert het advies zich op de benutting van - en -kennis in van oudsher
             -dominante sectoren.
             Om na te gaan welke knelpunten in de praktijk op de voorgrond treden bij de
             combinatie van // -kennis, heeft de Raad gesproken met ruim honderd
             mensen, zowel uit het bedrijfsleven en de overheid als uit de publieke
             kennisinfrastructuur. Deze gesprekspartners zijn werkzaam binnen zowel de
             'harde' als de 'zachte' sectoren en vakgebieden. De overgrote meerderheid van
             hen zag als kern van het probleem niet een gebrek aan productie van (nieuwe)
             / -kennis, maar een onderbenutting van reeds bestaande kennis. Als oorzaak
             daarvoor werd het hoger onderwijs genoemd; studenten ontwikkelen
             onvoldoende gevoeligheid voor bijdragen uit andere dan hun eigen vakgebied
             en worden te weinig getraind in het communiceren met mensen buiten het
             eigen specialisme. In de gesprekken werden ook bepaalde leemtes in de
             kennisontwikkeling op het gebied van de - en -wetenschappen gesignaleerd,
             maar de lacunes op dat gebied werden algemeen ondergeschikt geacht aan de
             tekortkomingen in de opleidingen
             Onderwijs
             Om een bijdrage te kunnen leveren aan de oplossing van veelzijdige problemen
             uit de dagelijkse beroepspraktijk, moet elk individu naast een gedegen
             vakkennis beschikken over vaardigheden om de eigen kennis uit te kunnen
             wisselen met andere specialisten, binnen en vooral ook buiten het eigen
             vakgebied. Daar ligt het belangrijkste knelpunt; tijdens de opleiding komt de
             ontwikkeling van die vaardigheden veel te weinig aan bod. Dit gebrek aan
             communicatieve vaardigheden geldt algemeen voor afgestudeerden uit het
             hoger onderwijs. De tekortkomingen worden echter het sterkst gevoeld bij
             mensen met een universitaire opleiding; niet omdat zij smaller worden opgeleid
             dan HBO-studenten maar omdat bij uitstek van academici een brede
             inzetbaarheid wordt verwacht.
                  Lag in het verleden het toekomstperspectief voor veel afgestudeerden in
             het onderzoek, momenteel vindt de overgrote meerderheid van de studenten
             werk buiten het onderzoeksysteem. Desondanks zijn veel universitaire
             opleidingen nog steeds sterk gericht op het opleiden van onderzoekers. De
             Raad concludeert hieruit dat het universitaire onderwijs aan een herziening toe
             is. Hij acht het niet de taak van de overheid om zo'n herziening inhoudelijk te
             sturen; de universiteiten zijn daar in eerste instantie zelf voor verantwoordelijk.
             Het aangrijpingspunt voor de overheid zou bij de financiering van de
             universiteiten moeten liggen. De Raad pleit er voor om de kwaliteitsbeoordeling
             en bijgevolg de financiering van de universiteiten mede te (laten) baseren op de
             kwaliteit van de arbeidsmarktpositie van hun afgestudeerden. Naarmate de
             AWT-advies nr. 29                                                                 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>(kwaliteit van de) arbeidsmarktpositie van afgestudeerden zwaarder weegt in
de kwaliteitsbeoordelingen, zullen universiteiten vanzelf initiatieven nemen die
leiden tot een bredere inzetbaarheid van afgestudeerden in het gecombineerde
// -kennisveld. Mogelijke initiatieven liggen volgens de Raad onder andere
op het gebied van stages en probleemgestuurd onderwijs.
     Een beoordeling op output heeft als noodzakelijk complement dat de
universiteiten de vrijheid krijgen hun beleid daar ook op af te stemmen. Volgens
de Raad moet dat leiden tot (meer) vrijheid bij de regulering van de instroom en
bij de vaststelling van de studieduur.
Onderzoek
In het onderhavige advies is de vraag aan de orde in hoeverre sprake is van
leemtes in het - en -onderzoek, bezien vanuit de behoefte binnen van
oudsher -dominante sectoren. Op basis van zijn analyse komt de Raad tot drie
noties:
.    er is een sterke behoefte aan kennis van vreemde culturen;
.    er is een sterke behoefte aan kennis van en inzicht in het keuzeproces en
     het gedrag van mensen;
.    binnen de - en -wetenschappen staat de belangstelling voor de rol van
     de natuurwetenschappen en techniek in de samenleving niet in verhouding
     tot het belang van die rol en de daaruit voortvloeiende principiële vragen.
De behoefte aan kennis over vreemde culturen ligt meer in de consultancy-
sfeer dan direct in de sfeer van het onderzoek. Er vindt op het terrein van
vreemde culturen al veel onderzoek plaats; de overheid ondersteunt ook in
directe zin een aantal instituten op dit terrein. De Raad pleit er voor dat de
overheid haar directe financiële ondersteuning mede afhankelijk stelt van de
mate waarin deze instituten daadwerkelijk voorzien in de maatschappelijke
behoefte aan kennis en opgeleiden.
     Bij de twee laatstgenoemde punten ligt het knelpunt met name in het
fundamenteel-strategische onderzoek; dat komt op de genoemde gebieden
onvoldoende van de grond. Deze leemtes op het gebied van het fundamenteel-
strategisch onderzoek kunnen niet los worden gezien van de inrichting van de
kennisinfrastructuur. De (mede) publiek-gefinancierde instellingen zijn vanuit
// -perspectief verkokerd, terwijl veel fundamenteel-strategisch onderzoek
gericht op maatschappelijke problemen om een multidisciplinaire aanpak
vraagt. Dat geldt zeker voor vraagstukken met een belangrijke / -dimensie.
De universiteiten bestrijken weliswaar een breed terrein aan disciplines, maar
daar is het afzonderlijke onderzoek traditioneel langs monodisciplinaire lijnen
georganiseerd. Om tot het gewenste onderzoek te kunnen komen, stelt de
Raad voor om NWO hierin een expliciete de taak te geven. NWO zou zich
onder andere moeten ontwikkelen tot een agentschap ten behoeve van
fundamenteel-strategisch onderzoek dat nodig is voor lange-termijnoplossingen
van maatschappelijke problemen. De Raad pleit hiermee in eerste instantie niet
voor extra middelen, maar voor een andere benutting van de middelen die
verschillende vakdepartementen thans aan onderzoek besteden. Een
substantieel deel van het onderzoek dat de departementen laten uitvoeren, zou
dus beter via de agentschapfunctie van NWO verdeeld kunnen worden.
AWT-advies nr. 29                                                                4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>1. Inleiding
             De Minister van OCenW heeft samen met zijn collega van EZ de AWT advies
             gevraagd over 'de nieuwe perspectieven in de vraag naar en de bijdrage van
             de - en -wetenschappen'.1 Deze formulering kan zo breed worden opgevat
             dat het de vraag omvat naar het belang van de - en -wetenschappen voor de
             maatschappij in het algemeen. Dit is echter niet de achtergrond van de
             adviesaanvraag. In de nadere toelichting bij de aanvraag wordt de nadruk
             gelegd op sociaal- en geesteswetenschappelijk onderzoek en -kennis ten
             behoeve van die sectoren van de maatschappij waarvoor vroeger voornamelijk
             technisch- en natuurwetenschappelijk onderzoek werd gevraagd en gebruikt.
                   Dat de - en -wetenschappen een belang op zich hebben, los van de
             mogelijke bijdrage aan de van oudsher -dominante sectoren, is evident. Dat is
             echter niet het onderwerp van dit advies. Het feit dat in dit advies de nadruk ligt
             op mogelijkheden om 'zachte' kennis te benutten in 'harde' sectoren, betekent
             niet dat andersom benutting van 'harde' kennis in 'zachte' sectoren geen
             sprake van een vruchtbare interactie kan zijn. Integendeel, in veel 'zachte'
             sectoren wordt 'harde' kennis met succes toegepast, zoals bijvoorbeeld bij
             toepassingen van informatietechnologie in de dienstensector. Het lijkt er op dat
             absorptie van -kennis in de 'zachte' sector in de dagelijkse praktijk
             eenvoudiger verloopt dan de opname van - en -kennis in de 'harde' sector.
             Zo beschouwd is het terecht dat de adviesaanvraag zich bij de benutting van -
             , -, en -kennis concentreert op de 'harde' sectoren van de maatschappij.
             Volgens beide ministers groeit binnen -georiënteerde gebieden van het
             bedrijfsleven en de overheid de behoefte aan kennis uit de maatschappij- en
             gedragswetenschappen (het -gebied) en uit de geesteswetenschappen (het -
             gebied). Alleen met technisch vernuft redt men het niet. Dat het uiteindelijke
             succes van organisaties in de 'harde' sectoren in belangrijke mate wordt
             bepaald door de benutting van 'zachte' kennis, wordt geïllustreerd in een
             recente achtergrondstudie van de Raad.2 De centrale vraag van dit advies
             luidt: waar liggen de knelpunten en wat kan daar aan worden gedaan.
             Om een nader beeld van die knelpunten te krijgen, is een honderdtal
             gesprekken gevoerd met mensen uit het bedrijfsleven, de overheid en de
             publieke kennisinfrastructuur.3 De gesprekspartners kwamen zowel uit de
             'harde' als de 'zachte' vakgebieden en sectoren. Om het belang van de
             combinatie van verschillende soorten kennis nader te illustreren, is een
             twintigtal interviews met mensen uit het bedrijfsleven gebundeld in de reeds
             genoemde achtergrondstudie. De Raad hoopt dat velen inspiratie kunnen
             putten uit de ervaringen van deze mensen.
             AWT-advies nr. 29                                                                 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>2. Kern van het probleem
                         Zoals in de inleiding is aangegeven, heeft de Raad zich primair gericht op van
                         oudsher -dominante sectoren. Uit zijn rondgang langs bedrijven, overheids-
                         organisaties en de publieke kennisinfrastructuur is gebleken dat het belang van
                         de (potentiële) bijdragen van - en -wetenschappen aan bedoelde sectoren
                         algemeen wordt onderkend. De conclusie, dat onvoldoende gebruik wordt
                         gemaakt van die bijdrage, wordt ook breed gedragen. Het probleem spitst zich
                         derhalve toe op de vraag hoe de bedoelde interactie kan worden verbeterd.
                              Zoals uit de lijst met gesprekspartners blijkt, betrof de raadpleging een zeer
                         diverse groep mensen, zowel wat betreft opleiding als werkomgeving. Het heeft
                         de Raad gefrappeerd dat ondanks deze verscheidenheid uit de interviews een
                         consistent en breed gedragen beeld naar voren komt. De kern van het
                         probleem ligt niet in een gebrek aan / -kennis. Natuurlijk, er zijn
                         probleemgebieden gesignaleerd die om extra / -onderzoek vragen de Raad
                         komt daar verderop nog op terug maar er is al veel kennis beschikbaar en het
                         onderzoeksysteem genereert een continue productie van (nieuwe) kennis. De
                         knelpunten spitsen zich eerst en vooral toe op de benutting van de bestaande
                         kennis. Waarom wordt in de 'harde' sectoren de reeds beschikbare 'zachte'
                         kennis onvoldoende benut?
                         Als belangrijkste oorzaak van deze 'onderbenutting' wordt alom gewezen op
                         tekortkomingen in het hoger onderwijs. Om in de praktijk kennis uit
                         verschillende vakgebieden te kunnen combineren en integreren, moet men
                         gevoelig zijn voor mogelijke bijdragen vanuit andere gebieden èn met mensen
                         uit andere vakgebieden kunnen communiceren. Deze vaardigheden worden in
                         de opleiding niet geleerd en getraind. Dat is onterecht aangezien juist voor
                         deze vaardigheden geldt 'jong geleerd, oud gedaan'.
                              De kritiek op de beperkte communicatieve vaardigheden is in grote lijnen
                         van toepassing op afgestudeerden uit het gehele hogere onderwijs, maar de
                         gebreken worden het sterkst toegeschreven aan mensen met een universitaire
                         opleiding. Dit betekent niet zozeer dat academici op communicatief gebied
                         minder onderlegd zijn dan HBO-ers, alswel dat van academici wordt verwacht
                         dat ze breder inzetbaar zijn dan HBO-ers die veel sterker voor een specifiek
                         beroep worden opgeleid. Om deze reden zal de Raad in dit advies zijn
                         aandacht wat betreft het hoger onderwijs in de eerste plaats op de
                         universiteiten richten.
                         Het feit dat met nadruk wordt gewezen op het belang om kennis uit
                         verschillende vakgebieden te combineren, betekent niet dat sprake is van een
                         nieuw fenomeen. Integendeel, binnen bedrijven en overheidsorganisaties is
                         samenwerking         tussen    mensen     met      verschillende    vakinhoudelijke
                         achtergronden altijd al aan de orde van de dag. De noodzaak om kennis uit
                         verschillende disciplines te combineren, is in de praktijk van alledag echter wel
                         urgenter geworden. Die toenemende urgentie houdt verband met
                         technologische ontwikkelingen, mondialisering, individualisering, emancipatie,
                         enzovoort, die de wereld in veel opzichten steeds complexer maken. Om in die
                         complexe       wereld     te   kunnen     handelen,      hebben     bedrijven    en
                         overheidsorganisaties behoefte aan diepgaande, specialistische kennis van
                         relevante deelterreinen alsmede aan mensen die de kennis uit die afzonderlijke
                         gebieden kunnen combineren. Concurrentie dwingt bedrijven en overheid 'alles
                         uit de kast te halen'. Om binnen de van oudsher -dominante sectoren
                         internationaal te kunnen concurreren, moet technologische kennis worden
                         aangevuld, gecombineerd en geïntegreerd met kennis van de markt, van
                         culturen, enzovoort. Als het ooit al mogelijk is geweest om te concurreren op
                         basis van louter technologische kennis, dan ligt die tijd nu ver achter ons.
                         AWT-advies nr. 29                                                                 6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>De toenemende noodzaak om kennis van verschillende vakgebieden te
combineren, staat op gespannen voet met de steeds smaller afgebakende
grenzen van de universitaire opleidingen. De gemiddelde afgestudeerde is nu
smaller opgeleid dan vroeger, terwijl de arbeidsmarkt juist meer om breder
georiënteerde mensen vraagt. Naast dit kwalitatieve probleem is bij de
aansluiting tussen opleiding en arbeidsmarkt ook sprake van een kwantitatief
probleem doordat thans veel meer mensen dan vroeger een universitaire
opleiding volgen. Voor de meeste functies buiten het onderzoeksysteem
rekruteerden marktpartijen vroeger jonge mensen die vervolgens de
gelegenheid kregen om zich gaandeweg in het bedrijf te ontplooien. Deze
praktijkgerichte leerschool was in het algemeen zeer 'multidisciplinair'; langs
deze weg zijn vele topmanagers opgeleid. Tegenwoordig gaat bijna iedereen
met de nodige intellectuele talenten eerst naar het hoger onderwijs alvorens de
arbeidsmarkt op te gaan. Dit betekent dat werkgevers mensen pas op latere
leeftijd kunnen binnenhalen. Deze mensen zijn 'disciplinair' geschoold en niet
getraind om langs een multidisciplinaire weg naar vraagstukken te kijken.
Vroeger ontwikkelden mensen via de interne opleiding en loopbaanontwikkeling
automatisch een bredere blik, terwijl nu nog heel wat moet worden bij- en
afgeleerd.
De Raad gaf hiervoor al aan dat in de rondgang ook leemtes in de / -kennis
naar voren zijn gekomen. Deze leemtes laten zich verrassend eenvoudig
groeperen rond twee hoofdthema's: kennis over keuze en gedrag van mensen
èn kennis van andere culturen.
Resumerend concludeert de Raad dat het probleem met betrekking tot de
benutting van bestaande kennis vooral bij de opleiding van mensen ligt. Wat
voor soort opleidingen is nodig voor een beroepspraktijk waarin wisselwerking
tussen verschillende kennisgebieden op de voorgrond treedt? Hoe verhoudt het
monodisciplinair getinte aanbod van wetenschappelijke kennis en opgeleiden
zich tot de behoefte aan mensen die kennis uit zeer uiteenlopende
vakgebieden kunnen benutten? Moet de opleiding breder en minder diep, of
juist niet? Cruciaal hierbij is de behoefte bij de afnemers van universitair
opgeleiden. In hoofdstuk 3 gaat de Raad hier nader op in.
     In het vierde hoofdstuk gaat de Raad in op de geconstateerde leemtes in
de productie van nieuwe kennis op sociaal- en geesteswetenschappelijk gebied
ten behoeve van de van oudsher -dominante sectoren.
AWT-advies nr. 29                                                             7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>3. De universitaire opleiding: vraag en aanbod
                           Zoals in het vorige hoofdstuk is aangegeven, liggen de grootste problemen bij
                           de benutting van - en -kennis voor de van oudsher -dominante sectoren bij
                           de opleiding van mensen. In dit hoofdstuk gaat de Raad eerst nader in op de
                           vraagzijde: de kwalitatieve behoefte van werkgeverszijde (bedrijven en
                           overheid) aan opgeleiden. Daarna wordt ingegaan op de aanbodszijde: de
                           opleidingssituatie aan de Nederlandse universiteiten.
                           3.1         De vraag naar universitair geschoolden
                           Het is duidelijk dat de behoefte aan universitair geschoolden hier slechts in
                           algemene termen kan worden geduid. Toch meent de Raad dat zo'n globale
                           duiding zinvol is omdat dit richting kan geven aan de verdere vormgeving van
                           de universitaire opleidingen.
                           In het verleden hebben de universiteiten vooral voorzien in de behoefte aan
                           onderzoekers, voor de eigen Nachwuchs en voor het onderzoek in de niet-
                           universitaire sector (overheid, bedrijfsleven). Daarnaast verzorg(d)en de
                           universiteiten een groot aantal opleidingen gericht op de beroepspraktijk buiten
                           het onderzoek. Het betreft hier zowel opleidingen voor specifieke beroepen,
                           zoals arts, apotheker, predikant, ingenieur en leraar, als meer algemeen
                           vormende opleidingen, zoals economie en rechten. Tegenwoordig geldt ook
                           voor de meer onderzoeksgerichte opleidingen dat maar een beperkt gedeelte
                           van de academici een baan in het onderzoek krijgt. Het overgrote deel van de
                           afgestudeerden vindt tegenwoordig emplooi buiten het onderzoek en wordt
                           door bedrijven en overheid aangenomen om hun opgedane kennis,
                           vaardigheden en attitude in te zetten voor het oplossen van problemen die voor
                           hun werkgever relevant zijn. Die problemen vragen veelal op multidisciplinaire
                           oplossingen, terwijl de opleidingen sterk disciplinair zijn gericht, zoals in de
                           volgende paragraaf nader wordt geschetst. De reeds gememoreerde rondgang
                           langs organisaties die afgestudeerden in dienst nemen, was bedoeld om na te
                           gaan in hoeverre het verschil tussen het discipline-gerichte onderwijs en de
                           multidisciplinaire beroepspraktijk als een probleem wordt ervaren. Moet de
                           opleiding anders, minder diep maar breder, of juist niet?
                           Het feit dat in de praktijk veel kennisgebieden gecombineerd moeten worden,
                           betekent niet dat iedereen van alle markten thuis moet zijn. Niet iedereen hoeft
                           alles te kunnen en te weten. Integendeel, in deze tijd van gigantische
                           hoeveelheden informatie is dat voor afzonderlijke individuen onmogelijk.
                           Essentieel is dat mensen tegenwoordig hun eigen kennis met die van anderen
                           kunnen combineren. Of beter gezegd, de betrokken organisatie moet de kennis
                           van de individuen zo kunnen combineren dat het totaal meer is dan de som der
                           delen. De mate waarin bedrijven de meerwaarde van het totaal weten uit te
                           buiten, bepaalt in belangrijke mate hun concurrentiekracht.
                           Dit 'uitbuiten' gebeurt veelal door mensen met verschillende (discipline)
                           achtergronden in een team te laten samenwerken. Wat vraagt dit voor soort
                           mensen? In de praktijk bestaat een team meestal uit een aantal teamleden en
                           een teamleider.
                                Van teamleden wordt verwacht dat ze een eigen bijdrage kunnen leveren
                           aan de bewerking van het probleemgebied en met anderen, uit eigen en andere
                           vakgebieden, kunnen samenwerken. Die eigen bijdrage kan in zeer specifieke
                           inhoudelijke vakdeskundigheid liggen, maar vaak is de specifieke
                           subspecialisatie van ondergeschikt belang. Het gaat veel werkgevers vooral om
                           AWT-advies nr. 29                                                              8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>het ontwikkelde denkkader, om de experimentele vaardigheden, enzovoort, en
veel minder om de inhoudelijke specialisatie. Van de afgestudeerden wordt
verwacht dat zij op genoemde aspecten gedegen zijn opgeleid. Dat betekent
dat zij in de opleiding op een eigen vakgebied ook daadwerkelijk in de diepte
zijn gegaan aanleren en doorleven van een denkdiscipline en tevens
hebben leren samenwerken met mensen uit andere vakgebieden (jong geleerd,
oud gedaan). Door mensen vanuit verschillende vakgebieden samen te laten
werken, ontstaat wisselwerking tussen kennisgebieden, zodat een probleem-
gebied multidisciplinair kan worden bestreken.
     Voor een goed team is meer nodig dan een verzameling 'specialisten'. Om
het totale project te bewaken, is een teamleider nodig; een regisseur die de
breedte overziet. Dit zijn generalisten die in principe geen specialistische
kennis hoeven te hebben; ze moeten kennis en inzichten uit verschillende
disciplines kunnen combineren. Regisseurs hoeven in principe zelf geen
vakinhoudelijk expert te zijn, maar moeten zich de vraagstelling eigen kunnen
maken waar het team voor staat. Vanuit dat overzicht moet de regisseur met
gezag en tact de teamleden kunnen sturen. Deze drie aspecten overzicht,
gezag en tact leert men niet op school maar in de praktijk. Regisseurs kun je
niet opleiden; die moeten in de praktijk 'groeien'. Dit betekent dat zij in een
organisatie moeten komen bovendrijven. Algemeen gesproken gebeurt dit
bovendrijven niet vanzelf; potentiële regisseurs moeten daartoe worden
gestimuleerd. Zeker bij grote bedrijven en veel organisatie-adviesbureaus
bestaat de instroom aan hoger opgeleiden uit mensen die hun specifieke
deskundigheid weten te benutten om (deel)problemen op te lossen. Op basis
van die praktijkervaring groeit een deel van hen door naar een leidinggevende,
coördinerende, integrerende functie. Vaak gaat de doorgroei naar een
leidinggevende functie gepaard met aanvullende scholing op latere leeftijd,
zoals een (gedeeltelijke) MBA-opleiding. Voor de functie van projectleider
zullen werkgevers zich niet primair richten tot recent afgestudeerden.
Niet alle academici gaan binnen bestaande organisaties werken. In
toenemende mate beginnen (ook) academici voor zichzelf. Aangezien het
ondernemerschap bij uitstek om - en -kennis en algemene vaardigheden
vraagt, is de noodzaak tot verbreding van de universitaire opleiding voor
startende ondernemers zo mogelijk nog belangrijker dan hierboven is
geschetst.
Conclusie
De Raad concludeert dat er vanuit de vraagzijde een beperkte behoefte bestaat
aan specialistische, disciplinair-opgeleide wetenschappelijke onderzoekers. De
universiteiten zijn bij uitstek de plaats waar deze mensen kunnen worden
opgeleid. Ze vervullen deze taak ook al decennia lang, in het algemeen op een
adequate wijze.
     Daarnaast bestaat er behoefte aan academisch geschoolden die inzetbaar
zijn bij het 'oplossen van problemen'. Voor specifieke gebieden voorzagen de
universiteiten ook in die behoefte via academische beroepsopleidingen tot arts,
ingenieur, enzovoort. In de beroepspraktijk gaat het echter in toenemende mate
om problemen die zich niet beperken tot een bepaalde discipline of
beroepsgroep. Om een bijdrage te kunnen leveren aan de multidisciplinaire
oplossing van brede problemen zijn mensen nodig die diepgang op een
vakgebied paren aan vaardigheden om met mensen uit eigen en andere
vakgebieden samen te werken. De behoefte aan mensen die kennis in de
diepte combineren met vaardigheden in de breedte, heeft zich de afgelopen
decennia steeds sterker gemanifesteerd. De vraag is of het universitaire
opleidingssysteem voor deze arbeidsmarktbehoefte adequaat is toegerust. In
de volgende paragraaf gaat de Raad hierop nader in.
3.2         De universitaire opleiding
AWT-advies nr. 29                                                             9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Relatie tussen onderwijs en onderzoek
De (Nederlandse) universiteiten onderscheiden zich van de andere
onderwijsinstellingen doordat ze zijn opgezet vanuit de gedachte dat onderzoek
en onderwijs een eenheid vormen. Bij het wetenschappelijk onderzoek gaat het
om een constructief-kritische toetsing van bestaande inzichten en om een op
kennisvermeerdering gerichte dialoog op internationaal niveau. Onderzoekers
richten zich hierbij op problemen waarvoor nog geen (goede) oplossingen
bestaan, en daarmee vormt het wetenschappelijk onderzoek een goede
omgeving voor de opleiding van mensen die in hun latere beroepspraktijk een
bijdrage moeten leveren aan de oplossing van steeds nieuwe problemen.
De Raad acht om bovengenoemde reden de koppeling tussen onderwijs en
onderzoek van groot belang; deze band schept een omgeving waar
academische vaardigheden zoals analytisch en synthetiserend vermogen en
creativiteit tot bloei kunnen komen. Maar de koppeling met het onderzoek
houdt ook een gevaar in voor het onderwijs. Als gevolg van die koppeling wordt
de invulling van het onderwijs vaak gestuurd door ontwikkelingen op het gebied
van het wetenschappelijk onderzoek. Binnen de academische wetenschap is in
de loop van de tijd een steeds verdergaande arbeidsdeling opgetreden;
wetenschappers specialiseren zich steeds dieper binnen steeds smaller
wordende kennisdomeinen.4 Afzonderlijke wetenschappers moeten zich in die
specialisatie voegen, omdat het menselijkerwijs onmogelijk is om de
toenemende hoeveelheid wetenschappelijke kennis te kunnen bevatten. Men
moet zich specialiseren om samen met collega's binnen hetzelfde specialisme
de grenzen van het weten te kunnen verleggen. Als die grenzen in de loop van
de tijd verder worden verlegd, zal dat vakgebied zich weer verder splitsen. De
structuur van de wetenschap vertakt zich zodoende als een kale boom.
     Het universitaire onderwijs wordt in grote lijnen gestuurd volgens de lijnen
van vertakte structuur van het onderzoek. Vroeger was zo'n sturing zinvol
omdat universiteiten op vele gebieden van oudsher gericht waren op de
opleiding van onderzoekers. Zoals hiervoor is opgemerkt, vervolgen thans de
meeste afgestudeerden hun loopbaan niet binnen het onderzoek. Ondanks dat
veranderende werkgelegenheidsperspectief zijn de curricula, algemeen
gesproken, nog steeds sterk gericht op de opleiding tot onderzoeker. Sterker
nog, deze focus is de laatste jaren in veel gevallen eerder toe- dan afgenomen.
Van oudsher ligt in de onderzoek-gerichte opleidingen veel nadruk op de
hoeveelheid basiskennis die voor de betrokken discipline nodig is. In het
kielzog van de verkorting van de studieduur is in veel gevallen het aandeel van
de basiskennis in het totale studiepakket eerder groter dan kleiner geworden.
De ruimte voor het ontwikkelen van vaardigheden via practica en
leeronderzoek is naar verhouding sterker ingeperkt dan de ruimte voor
vakinhoudelijke colleges. Ook de mogelijkheden om over de grenzen van het
eigen vakgebied te kijken, zijn kleiner geworden; de vroegere mogelijkheden tot
een bijvak buiten de eigen discipline of zelfs buiten de eigen faculteit, zijn
afgenomen.
De universiteiten zijn zich in toenemende mate bewust van het feit dat de
traditionele, monodisciplinaire opleiding in veel gevallen niet meer adequaat is.
De Raad heeft echter niet de indruk gekregen dat over een breed front goed is
nagedacht over de gevolgen die de steeds diverser wordende arbeidsmarkt zou
moeten hebben voor de academische opleiding. Er is op verschillende plaatsen
binnen de universiteiten wel een aantal ontwikkelingen te bespeuren waarop de
Raad nader in wil gaan.
Multidisciplinaire opleiding
Op verschillende plaatsen binnen de universiteiten zijn zogenoemde
multidisciplinaire opleidingen gestart. De Raad wil hier twee kanttekeningen bij
maken.
AWT-advies nr. 29                                                              10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Zoals in de vorige paragraaf naar voren kwam, wordt van de (universitair)
afgestudeerden een gedegen disciplinaire c.q. vakopleiding verwacht. Vanuit
deze optiek ziet de Raad in het algemeen weinig heil in een multidisciplinaire
opleiding, althans niet in de vorm van een opleiding die gericht is op 'van alles
wat weten' zonder op een enkel terrein een eigen deskundigheid te
ontwikkelen. Voorzover initiële opleidingen gericht zijn op het opleiden van
allrounders, teamleiders, enzovoort, vindt de Raad dat weinig zinvol. Hij acht
het althans niet mogelijk om mensen via het initiële onderwijs voor dergelijke
betrekkingen op te leiden; mensen moeten in zulke functies groeien, zoals in de
vorige paragraaf is aangegeven. De toetssteen voor alle opleidingen is of de
afgestudeerden voldoende startcompetentie hebben voor een positie op de
arbeidsmarkt op het niveau van academicus. Net als alle andere starters op de
arbeidsmarkt moeten ook zij die een multidisciplinaire opleiding volgen over
een flinke dosis specifieke kennis beschikken, althans dat is zeker het geval
binnen organisaties waar vanouds -kennis een centrale rol speelt, zoals in de
industrie, de 'harde' ministeries en een groot deel van de advies- en ingenieurs-
bureaus. Vaak vragen deze organisaties om kennis van techniek, maar het kan
ook kennis buiten de specifieke -sfeer zijn, zoals logistiek, bedrijfseconomie,
arbeidsrecht, Arabische taal en cultuur, enzovoort.
Universiteiten hebben de laatste decennia verschillende (multidisciplinaire)
opleidingen ontwikkeld die zijn gericht op specifieke beroepen. Hierbij rijst de
vraag of altijd sprake is van een wenselijke aanvulling op reeds bestaande
universitaire studierichtingen en HBO-opleidingen ten behoeve van het
betrokken gebied. In een eerder advies heeft de Raad die vraag expliciet
gesteld ten aanzien van de personeelswetenschappen.5 Algemeen gesproken,
meent de Raad dat een (betere) aansluiting tussen universitaire opleiding en
arbeidsmarkt vooral gezocht moet worden in het ontwikkelen van academische
vaardigheden. Onderwijs in een onderzoeksomgeving biedt hiervoor een
uitstekende ambiance. Dit betekent dat universitaire opleidingen moeten
worden gevoed door een samenhangend onderzoeksgebied.
     Met het bovenstaande wil de Raad niets ten nadele zeggen van de
toegespitste opleidingen, maar wel dat de universiteiten daar zeker niet in alle
gevallen de meest geëigende bakermat voor vormen. Bij tenminste een deel
van de op de beroepspraktijk gerichte opleidingen is sprake van een groei van
het HBO die de laatste decennia nog veel sterker is geweest dan die van de
universiteiten die binnen de universiteiten heeft plaatsgevonden. Voorzover
die opleidingen voorzien in een duidelijke maatschappelijke behoefte, lijken de
HBO-instellingen beter toegerust om die beroepsgerichte opleidingen aan te
bieden dan de universiteiten die hun kracht juist moeten zoeken in de
combinatie tussen opleiding en onderzoek.
     De universiteiten zouden de verbetering van de positie van studenten op
de arbeidsmarkt niet primair moeten zoeken in een versmalling van de
opleiding naar een beroepsgroep, maar in een verbreding van de inzetbaarheid
van de afgestudeerden. In die richting worden ook verschillende initiatieven
ondernomen, zoals de Raad hieronder toelicht.
Bi-/interdisciplinaire opleidingen
Zoals hiervoor is opgemerkt, zijn de mogelijkheden tot een verbreding buiten
het eigen vakgebied in Nederland de laatste jaren afgenomen. Thans zijn er
evenwel initiatieven die zouden moeten leiden tot een minder monodisciplinair
getinte opleiding. Een mogelijkheid is de zogenaamde major-minor combinatie
die recentelijk publiekelijk is gepropageerd voor de Universiteit Twente.6 In de
Verenigde Staten is de major-minor combinatie ingeburgerd. Dat geldt met
name voor de engineering waar vaak sprake is van een combinatie van 75%
techniek en 25% studie buiten de techniek.
     Om studenten specifiek voor te bereiden op de multidisciplinaire
beroepspraktijk worden in de VS specifieke programma's ontwikkeld,
bijvoorbeeld op het gebied van technologie en management (T&M). Het MIT
claimt de grootste masters-opleiding op T&M-gebied te verzorgen met een
AWT-advies nr. 29                                                              11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>opleiding waarbij de - en -componenten elkaar in evenwicht houden.
Degenen die deze opleiding afronden, hebben in feite een graad in twee
disciplines behaald doordat in twee vakgebieden een programma ter zwaarte
van de major is gevolgd. Dit betekent dat de T&M-studenten een major-major
programma volgen en per jaar anderhalf keer zo hard of zo lang moeten
werken als 'normale' MIT-studenten met een major-minor opleiding. Om tot de
T&M-studie toegelaten te worden, moet men goede testresultaten hebben op
het gebied van de wiskunde en de taalvaardigheid in het Engels. Voorts moet
men na een bachelor's degree minimaal een jaar werkervaring hebben op het
gebied van de engineering. De opleiding is in feite alleen toegankelijk voor
begaafde studenten met een meer dan gemiddelde werkinzet.7
Het voordeel van een dubbele studie in de vorm van een major-major
combinatie is dat betrokkenen in twee vakgebieden thuis zijn. Zij kunnen op
basis van deze 'dubbele deskundigheid' op een natuurlijke wijze terechtkomen
in de positie van bruggenbouwer, een rol waarin potentiële leidinggevende
talenten een goede voedingsbodem zullen vinden. Maar zo'n dubbele studie is
alleen maar mogelijk voor een zeer beperkt aantal studenten; de grote stroom
moet zich beperken tot één studie. Naast financiële overwegingen speelt hier
ook mee dat de voordelen van de verkregen verbreding geheel of gedeeltelijk
worden geneutraliseerd als de betrokkenen op oudere leeftijd het
arbeidsproces instromen. In dat geval blijven ze nog langer van de
multidisciplinaire praktijkleerschool verstoken. Een (drastische) verlenging van
de studieduur zou derhalve wel eens kunnen leiden tot een verslechtering in
plaats van een verbetering.
     Om actief te zijn op het raakvlak van twee disciplines is het niet altijd nodig
om de beide discipline-studies in de volle omvang te hebben doorlopen. Het is
soms goed mogelijk om met een combinatie van onderdelen van verschillende
studies een nieuwe studierichting te creëren. Tenslotte is de huidige
(sub)discipline-indeling zo gegroeid door de (toevallige) ontwikkelingen in het
onderzoek. Andere indelingen zijn in principe denkbaar. In de praktijk blijkt ook
dat nieuwe disciplines ontstaan, veelal op het raakvlak vanuit twee of meer
'oude' disciplines. Ook hier moet het toetspunt zijn of die studierichting zich tot
een eigen discipline ontwikkelt in de zin van een samenhangend vakgebied.
Zo'n vakgebied moet afgestudeerden een zodanige basis bieden dat sprake is
van een goede startpositie voor de verdere maatschappelijke carrière.
Probleemgestuurd onderwijs
Verschillende initiatieven die duiden op het groeiende besef om tot bredere
universitaire opleidingen te komen, houden verband met de ontwikkeling van
project- en probleemgestuurd onderwijs.
     Sommige opleidingen zijn van nature probleemoplossend gericht. Zonder
het oplossen van mathematische vraagstukken kan men geen wiskundige
opleiden en zonder het vertalen van teksten leert men geen vreemde taal. Bij
probleemgericht onderwijs denkt de Raad echter niet louter aan problemen
binnen de eigen discipline, maar ook aan vraagstukken die aan de dagelijkse
praktijk zijn ontleend, zodat men leert om de methode van de eigen discipline te
verbinden met die van andere en met het type vraagstukken dat zich in de
latere beroepspraktijk voordoet. Een groot voordeel daarbij is dat niet alleen de
samenhang tussen de vakken duidelijk wordt, maar vooral dat de studenten
leren samenwerken, dat ze onderlinge conflicten leren oplossen, een verslag
moeten schrijven en hun project moeten presenteren. Het lijkt alsof studenten
alleen een discipline leren, maar spelenderwijs leren ze ook allerlei sociale en
communicatieve vaardigheden; vaardigheden die je niet uit de boeken kunt
leren maar die je ontwikkelt via interactie met anderen.
Studieklimaat
Het is natuurlijk niet alleen via het onderwijs dat studenten zich kunnen
verbreden. Vele activiteiten naast de feitelijke studie kunnen van groot belang
zijn. De mogelijkheden hiertoe zijn met de verkorting van de studieduur
AWT-advies nr. 29                                                                 12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>afgenomen.
      Zeker vroeger kreeg de brede vorming van studenten in belangrijke mate
gestalte via een bloeiende studentencultuur met levendige disputen en
drukbezochte studentensociëteiten, via deelname aan een Studium Generale,
door werkzaam te zijn als student-assistent, enzovoort. Verhoudingsgewijs is
de ruimte voor deze 'buitenschoolse' activiteiten afgenomen. Gestimuleerd door
de tempobeurs willen studenten nu veel meer dan vroeger zo snel mogelijk
afstuderen. Dit betekent echter niet dat studenten zich volledig beperken tot de
vakstudie. Veel meer studenten dan vroeger besteden naast de studie tijd aan
een baantje om te kunnen voorzien in de kosten van het levensonderhoud.
      De combinatie van werken en leren acht de Raad van groot belang met het
oog op de bredere vorming. Veel werkgevers blijken deze wijze van
blikverbreding ook zeer op prijs te stellen, vaak meer dan bijvoorbeeld een op
een specifieke beroepspraktijk gericht bijvak aangezien dergelijke kennis later
via bijscholing valt te verkrijgen. Vaak hebben de bijbaantjes echter weinig
raakvlakken met de inhoud van de studie terwijl het niveau van dit werk (te)
vaak ver beneden aankomend academisch of hbo-niveau ligt. Als de opleiding
en het betaalde werk beter op elkaar zouden aansluiten, kan een combinatie
van werken en leren ontstaan die meer bijdraagt aan een verbreding van de
academische vorming. De universiteiten kunnen daartoe zelf ook
mogelijkheden scheppen, bijvoorbeeld via een studentassistentschap. Gezien
het belang dat werkgevers hechten aan een bredere vorming van studenten,
lijkt het ook in hun belang om een aanbod te genereren voor de vraag van
studenten naar betaald werk; het directe voordeel is dat zij in een relatief vroeg
stadium kennis kunnen maken met potentiële arbeidskrachten.
Om de combinatie van werken en leren te bevorderen, is het van belang dat er
ruimte ontstaat om de studieduur flexibeler in te vullen. De overgang van leren
naar werken op academisch niveau verloopt thans voor de voltijdse opleidingen
van 100% leren naar 100% werken. Deze abrupte overgang is zeker niet voor
iedereen en voor elke studierichting de meest gewenste situatie. Als studenten
de verblijfsduur met minder problemen zouden kunnen verlengen, ontstaan
meer mogelijkheden om werken en leren te combineren. Een minder abrupte
overgang tussen leren en werken is ook van belang om ruimte te geven aan
initiatieven gericht op levenslang leren.8
Conclusie
Als louter monodisciplinaire verdieping te smal is en de multidisciplinaire
verbreding niet diep genoeg is, moet de oplossing worden gezocht in een
combinatie van diepte en breedte. Door de studie langer te maken, zal die
combinatie beter te realiseren zijn. Zoals hiervoor is opgemerkt, kan dat in
sommige gevallen nodig zijn om te voorzien in een specifieke behoefte aan
kennis. In zijn algemeenheid biedt deze weg volgens de Raad echter geen
goede oplossing. Niet alleen vanwege de daarmee verbonden opleidingskosten
en de verlenging van de studieduur, maar ook omdat die oplossing niet aansluit
bij de gesignaleerde knelpunten. De kern van het probleem is namelijk niet dat
afgestudeerden onvoldoende kennis hebben van vakgebieden buiten hun eigen
discipline, maar dat ze te weinig vaardigheden hebben ontwikkeld om te
communiceren met specialisten uit andere vakgebieden. Die vaardigheden zijn
essentieel, samen met en niet in plaats van specialistische diepgang op een
bepaald vakgebied.
Specialisatie in de diepte vindt binnen de universiteiten plaats langs de lijnen
van de (bestaande) (sub)discipline-indeling, met allerlei vertakkingen en soms
dwarsverbanden tussen enkele disciplines (interdisciplinariteit). De huidige
(sub)discipline-indeling is niet objectief te rechtvaardigen, maar een resultante
van allerlei (toevallige) ontwikkelingen in het onderzoek. Dat is op zichzelf ook
het probleem niet. De uitdaging ligt in het creëren van een goede omgeving
voor academische vorming. Daarbij gaat het om het stimuleren c.q. aanleren
van analytische, conceptuele, creatieve en communicatieve vermogens.
AWT-advies nr. 29                                                               13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Hiervoor is een constructief-kritische leeromgeving cruciaal. Een discipline,
zoals die is gegroeid, biedt hiertoe in het algemeen de vereiste condities:
internationale peers, congressen, tijdschriften, enzovoort. Om kort te gaan:
universitair geschoolden moeten een opleiding hebben gehad waarbij ze
'ergens' in de diepte hebben moeten gaan in confrontatie met de
wetenschappelijke ontwikkelingen in de wereld. In de bestaande situatie biedt
de (historisch gegroeide) discipline-indeling hiervoor een goed draagvlak.
Om op nieuwe ontwikkelingen te kunnen inspelen, moeten de universiteiten
uiteraard flexibel kunnen opereren, zowel in financieel als in organisatorisch
opzicht. Hier ligt zeker een probleem aangezien de universiteiten in hoofdzaak
langs discipline-lijnen zijn georganiseerd en de financiering in de praktijk ook
voornamelijk langs die lijnen verloopt. Wat betreft het onderwijs vormt de
uniforme studieduur een bijkomend probleem. Het is zeker niet evident dat
binnen de reguliere studieduur bij nieuwe (combinaties van) studierichtingen
eenzelfde niveau van academische vaardigheden is te bereiken als bij de
bestaande, monodisciplinaire opleiding. In sommige gevallen kan een bi- of
interdisciplinaire studie meer tijd vergen om op de onderscheiden onderdelen
voldoende in de diepte te kunnen gaan. Aan de andere kant moet ook bedacht
worden dat het initiële onderwijs een opstap is naar een loopbaan die
tegenwoordig steeds meer wordt gekenmerkt door levenslang leren. De Raad
komt bij de aanbevelingen op deze knelpunten terug.
AWT-advies nr. 29                                                             14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>4. - en -onderzoek
                    In onze maatschappij wordt op grote schaal kennis uit de - en -disciplines
                    toegepast. Die toepassing krijgt gestalte doordat organisaties mensen in dienst
                    nemen met een - of -opleiding, via externe advisering, contractresearch,
                    enzovoort. Het doel van dit hoofdstuk is niet om al het relevante - en -
                    onderzoek te benoemen. Het gaat de Raad hier om geconstateerde leemtes in
                    de productie van - en -kennis bezien vanuit de centrale vraagstelling: de
                    benutting van - en -kennis in van oudsher -dominante sectoren binnen
                    bedrijfsleven en overheid.
                    Uit de eerder genoemde consultatieronde concludeert de Raad dat er veel
                    behoefte bestaat aan kennis van de hedendaagse cultuur, een thematiek waar
                    de Raad in § 4.1 nader op ingaat. De meeste leemtes en knelpunten op het
                    gebied van het - en -onderzoek liggen op het gebied van het gedrag en het
                    keuzeproces van mensen; een onderwerp dat in § 4.2 ter sprake komt.
                    4.1        Cultuurstudies
                    Uit de consultatie-ronde kwam met nadruk de behoefte naar voren aan
                    diepgravend onderzoek naar de hedendaagse cultuur; wat zijn de
                    veranderingen in de normen, waarden en gewoonten, in het gedrag en
                    keuzeproces van mensen. Deze vragen zijn in directe zin van belang voor
                    bedrijven en overheden om hun 'producten' te kunnen verkopen. In § 4.2 gaat
                    de Raad nader in op de behoefte aan kennis met betrekking tot keuze en
                    gedrag. Een specifieke behoefte aan cultuurkennis wordt gesignaleerd bij het
                    internationaal opererende bedrijfsleven. Het gaat hierbij om kennis van andere
                    culturen, zoals later in deze paragraaf wordt toegelicht.
                    Het cultuuronderzoek is in een andere zin ook van groot belang in relatie tot de
                    vraagstelling in dit advies. Natuurwetenschap en techniek vormen een integraal
                    onderdeel van de maatschappij en vormen derhalve een belangrijk domein van
                    het -onderzoek. Reflectie op de rol en consequenties van natuurwetenschap
                    en techniek is niet alleen van belang voor de -wetenschappen zelf, maar zij
                    vormt ook een voorwaarde voor een goede ontwikkeling van de sectoren die in
                    dit advies centraal staan.
                         De Raad heeft de indruk dat de rol van natuurwetenschap en techniek in
                    de hedendaagse cultuur binnen de -wetenschappen relatief weinig
                    belangstelling geniet. De aandacht daarvoor staat in elk geval niet in
                    verhouding tot de plaats van de natuurwetenschappen en de techniek in onze
                    maatschappij en de fundamentele vragen die technologische ontwikkelingen
                    oproepen. Internationaal blijkt dit bijvoorbeeld uit het feit dat in boeken van de
                    toonaangevende Amerikaanse historici over de eigentijdse geschiedenis
                    nauwelijks of geen aandacht wordt geschonken aan de rol van techniek.9 Ook
                    nationaal krijgt de Raad de indruk dat binnen de -wetenschappen betrekkelijk
                    weinig aandacht bestaat voor natuurwetenschap en techniek. Een illustratie
                    hiervoor vormt de ontstaansgeschiedenis van Wetenschap en Samenleving
                    (W&S) aan de Nederlandse universiteiten. Deze W&S-groepen ontstonden in
                    de jaren zeventig aan de -faculteiten en waren gericht op reflectie op de rol
                    van natuurwetenschap en techniek in de samenleving. Situering binnen de -
                    faculteiten is op zich niet vreemd om studenten bewust te maken van / -
                    aspecten van hun vakgebied, maar in de praktijk bleken bijna alle docenten een
                    -opleiding gehad te hebben, hoewel het toch eerst en vooral / -vragen
                    betreft. Ook voor de techniekfilosofie en -geschiedenis geldt dat het onderwijs
                    en het onderzoek vooral aandacht krijgen binnen de technische universiteiten
                    AWT-advies nr. 29                                                               15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>en niet of veel minder binnen de wijsgerige en historische vakgebieden van de
algemene universiteiten. Voor de juridische wetenschappen constateert de
Verkenningscommissie Rechten in haar rapport dat onvoldoende aandacht
wordt besteed aan de interactie tussen de ontwikkelingen op technologisch en
juridisch gebied.10
     Op het gebied van de gezondheidszorg komt de noodzaak van reflectie
met kracht naar voren. De voortgang op -gebied heeft nieuwe technieken
opgeleverd die het leven van de mens kunnen verlengen, maar niet altijd
veraangenamen. Als gevolg van de levensverlenging komt de levens-
beëindiging in een ander perspectief te staan. Ethische discussies over
euthanasie, versterving, enzovoort, kunnen niet los worden gezien van de
benutting van -kennis in de gezondheidszorg. Met het voortschrijden van de
technische mogelijkheden treedt verder een verschuiving op van curatieve naar
preventieve gezondheidszorg. De morele kaders die aansluiten bij de curatieve
vorm van geneeskunde blijken vaak niet van toepassing op de preventieve
geneeskunde. Kaders voor de preventieve geneeskunde blijken op hun beurt
hun betekenis te verliezen bij de voorspellende geneeskunde. Dat
Aidspatiënten curatief behandeld moeten worden, lijkt onbetwist, maar moet
iedere HIV-geïnfecteerde preventief worden behandeld? Bestaat er zoiets als
het recht om niet te weten? En hoe zit het met de (nu nog) gezonde mensen
die tot een risicogroep behoren? Moeten c.q. mogen die ook al preventief
medisch worden benaderd? Hoe ver mag inmenging van buitenaf gaan op de
levensstijl van iemand die geen enkel symptoom van een ziekte heeft?
De betrokken -onderzoekers kunnen en moeten zich niet aan deze vragen
onttrekken, maar het onderzoek naar deze ontwikkelingen behoort zeker ook
een adequate plaats te krijgen binnen de / -wetenschappen. Naarmate
theologen, filosofen, antropologen en andere cultuuronderzoekers meer
fundamenteel onderzoek doen naar de rol van de -wetenschappen, heeft de
betrokkene meer houvast om de -kennis in een breder kader te plaatsen. In
meer algemene zin kan een solidere aandacht voor de rol van technologie in de
hedendaagse cultuur de maatschappelijke en politieke discussies ten goede
komen.
Andere culturen
Een specifieke behoefte aan kennis van andere culturen heeft de Raad
geproefd bij bedrijven die zich sterk op de buitenlandse markt richten. In eigen
land is het vaak al moeilijk genoeg om het gedrag van mensen te doorgronden,
maar over andere volkeren is de cultuurkennis vaak helemaal ontoereikend;
normen, waarden en gewoonten zijn vaak anders dan in eigen land of streek.
     Deze kennisbehoefte leidt echter niet tot een vraag naar fundamenteel-
gericht cultuuronderzoek. Het gaat vooral om een betrekkelijk korte-
termijngerichte behoefte aan kennis die veelal klaar op de plank ligt. Of beter,
die in het hoofd zit van deskundigen op het betrokken terrein. De
kennisbehoefte ligt in de sfeer van consultancy. Voor dat werk is het van belang
dat wetenschappers hun eigen onderzoek kunnen relateren aan de actuele
ontwikkelingen in het betrokken land. Of het onderzoek is gericht op het heden
of het verleden, is in dit verband niet het meest belangrijke.
     Het maatschappelijk belang van cultuurstudies beperkt zich uiteraard niet
tot een adviserende rol van onderzoekers. Belangrijker zijn de mensen die in
dergelijke instituten worden opgeleid. Een bedrijf dat zaken wil doen in
Arabische landen, zal meer baat hebben bij een Arabist in eigen dienst dan bij
een consultant op afstand. De Raad heeft niet gesignaleerd dat de bedrijven op
dat vlak knelpunten ervaren. Aangezien veel ondernemingen het liefst met
lokaal personeel werken, is dat overigens ook niet verwonderlijk. De voorkeur
voor lokaal personeel beperkt zich overigens niet tot buitenlandse vestigingen
van de Nederlandse bedrijven maar geldt ook voor Nederlandse dochters van
buitenlandse moeders.
     In zijn advies over de kennisuitwisseling met Azië is de Raad reeds
uitgebreid ingegaan op het belang van cultuurkennis. 11 Een goede, zo niet de
AWT-advies nr. 29                                                             16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>beste, manier om mensen alert te maken op culturele aspecten, is een
onderdompeling in een ons vreemde cultuur. Via die cross-cultural learning leer
je niet alleen de andere cultuur kennen, maar raak je ook doordrongen van het
feit dat veel dingen die we in eigen land natuurlijk vinden, helemaal niet zo
'normaal' zijn. Mensen die een half jaar in Japan hebben gewerkt, zijn
uitstekend inzetbaar voor uitzending naar Brazilië, zoals werd opgemerkt
tijdens het symposium ter gelegenheid van de terugkeer van de eerste lichting
van het Japan prijswinnaars-programma.
Momenteel worden mede met steun van de overheid initiatieven genomen die
de kennis van verschillende culturen moet versterken. Dat kan betrekking
hebben op culturen die relatief sterk van de Europese verschillen, zoals het
geval is bij het Leidse IIAS, dat zich op Azië richt, en bij het initiatief om tot een
Islam-instituut te komen. Maar er zijn ook initiatieven die gericht zijn op een
verbetering van de kennis van Europese culturen, zoals in het geval van
Duitslandkunde. Via dergelijke gebiedsgerichte instituten kan de kennis over de
cultuur in de meest brede betekenis van het woord van het betrokken
gebied door onderzoekers bijeen worden gebracht en levend worden
gehouden. Dit onderzoek kan en mag zeer specialistisch en fundamenteel zijn.
Maar dat neemt niet weg dat de overheid, zo meent de Raad, haar eigen
directe (financiële) bijdrage expliciet moet toetsen aan de mate waarin
dergelijke instituten voorzien in de maatschappelijke behoefte aan kennis over
de betrokken regio en cultuur. Tot op zekere hoogte is tussen overheid en
bedoelde -instituten een analoge verhouding mogelijk als tussen overheid en
de door haar gefinancierde instituten op technologisch gebied. Deze
technologische instituten worden beoordeeld op de mate waarin zij voorzien in
de kennisbehoefte. Wat betreft de (ook) door de overheid gefinancierde -
instituten zou het succes mede afgemeten kunnen worden aan de mate waarin
derden een beroep doen op de aanwezige expertise, alsook in het aantal
studenten en promovendi dat na hun opleiding werk vindt waarin zij hun kennis
verder kunnen uitdragen.
Conclusie
Binnen de - en -wetenschappen staat de aandacht voor de rol van de
natuurwetenschappen en techniek in de samenleving in geen verhouding tot
het belang van die rol en en daaruit voortvloeiende principiële vragen.
Daarnaast is er behoefte, m.n. vanuit het bedrijfsleven, aan toegespitste kennis
van vreemde culturen. Bij de aanbevelingen schetst de Raad langs welke weg
het benodigde onderzoek gestimuleerd kan worden.
4.2           Keuze en gedrag
Wat betreft de bijdrage van het onderzoek op het gebied van de - en -
gebieden is door de gesprekspartners een leemte gesignaleerd met betrekking
tot het inzicht in het gedrag en het keuzeproces van mensen. Veel bedrijven
hebben behoefte aan inzicht in het consumentengedrag en in de mogelijkheden
dat gedrag te beïnvloeden. Onder de noemer van marketing doen veel
bedrijven aan marktverkenningen waarvan de kosten vaak hoger liggen dan de
uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling. Bij de overheid is die behoefte
minder gearticuleerd althans de uitgaven voor de verwerving van die kennis
zijn gering vergeleken met het bedrijfsleven           maar er bestaat wel een
toenemende behoefte aan inzicht in de beweegredenen van mensen, de
determinanten die hun gedrag bepalen, hun waarden en de veranderingen
daarin, hun bereidheid tot veranderen, enzovoort. Om die kennisbehoefte te
illustreren, geeft de Raad een bloemlezing van de gemaakte kanttekeningen:
*     Welke overwegingen hanteren mensen bij de keuze van een
      vervoermiddel? Welke omstandigheden beïnvloeden die keuze? Wanneer
      zijn zij bereid andere vervoersopties te overwegen?
AWT-advies nr. 29                                                                   17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>*     Hoe gaat de flexibilisering van de arbeid zich ontwikkelen? Zijn mensen
      bereid levenslang te leren, hun employability te vergroten?
*     Er zijn diverse milieu-vriendelijke producten (douchekop, spoelknop voor
      wc, zuinige kranen), maar waarom gaat de consument daar vaak zo
      nonchalant mee om?
*     Wat is het effect van reclame op het koopgedrag van consumenten? En
      van kleur, logo’s en merknamen?
*     Hoe zullen de voedingsgewoonten van mensen gaan veranderen? Zal
      functioneel voedsel aanslaan? Zal men biotechnologische voeding
      accepteren?
*     Willen mensen steeds meer welvaart? Meer en meer, of is het een keer
      genoeg? Waar ligt de grens tussen meer inkomen en meer vrije tijd?
*     Waarom stromen nog zo weinig vrouwen door naar hogere functies?
In het besef dat technologie een noodzakelijke maar geen voldoende
voorwaarde is, wordt veel onderzoek gedaan naar bovengenoemde vragen.
Bedrijven doen onderzoek naar de functie van vormgeving en kleur van
producten; ze ontwikkelen scenario's om de ontwikkeling van de markt te
verkennen; ze ontwikkelen nieuwe 'disciplines' als engineering&contracting en
financial engineering. De eerder genoemde achtergrondstudie (noot 2)
illustreert met verschillende voorbeelden het belang dat veel bedrijven hechten
aan 'zachte' kennis en onderzoek in verband met keuze en gedrag. Bij dit -
onderzoek ligt het accent op korte-termijntoepassingen. Uit bovenstaande
bloemlezing spreekt echter ook een behoefte aan onderzoek gericht op de
lange termijn; dit (fundamenteel-strategische) -onderzoek krijgt thans te weinig
aandacht.
      Ook binnen de overheid wordt het belang van kennis over keuze en gedrag
van mensen onderkend, maar deze kennisbehoefte vertaalt zich nog niet op
grote schaal in een koopkrachtige vraag; dat geldt zowel voor onderzoek
gericht op de lange als op de korte termijn. Deze onderbelichting wordt
cijfermatig geïllustreerd door de verdeling van middelen voor het energie-
onderzoek; er gaat jaarlijks ƒ400 miljoen naar -gericht energie-onderzoek en
slechts ƒ8 miljoen naar -onderzoek.12 Deze verhouding staat in schril contrast
met het belang van gedragswetenschappelijk onderzoek op het gebied van
energie en milieu, zoals ook werd onderstreept door verschillende gespreks-
partners, met name ook door mensen die binnen de overheidssector werkzaam
zijn. Deze opstelling illustreert dat binnen de overheid het besef groeit dat meer
gebruik gemaakt zou moeten worden van sociaal-wetenschappelijke kennis.13
Om de ruimte voor -onderzoek op het gebied van milieuvraagstukken te
vergroten, hebben enkele departementen samen met NWO het initiatief
genomen tot het onderzoeksprogramma GaMiN. Het betreft hier strategisch -
onderzoek op het gebied van natuur en milieu gericht op de langere termijn. De
betrokken departementen zouden GaMiN betalen, maar de daadwerkelijke
financiering blijkt moeizaam te verlopen. Dit illustreert het eerder genoemde
verschijnsel dat de behoefte aan kennis zich binnen de overheid moeilijk
vertaalt in een koopkrachtige vraag.
Conclusie
De Raad trekt uit deze observatie niet de conclusie dat een generiek
stimuleringsbeleid nodig is voor het fundamenteel-strategische onderzoek. Dat
zou te diffuus zijn en daarmee zijn doel voorbij kunnen schieten. Hij is wel van
mening dat onze samenleving op bepaalde probleemgebieden veel baat zou
hebben bij breed opgezette, fundamenteel-strategische onderzoeks-
programma's.
       De overheid zou een belangrijke financier van dit onderzoek moeten zijn.
Het hoeft hierbij niet altijd om extra geld te gaan. Veel departementen
beschikken thans over aanzienlijke onderzoekbudgetten. Met name voor -
vraagstukken wordt het beschikbare geld veelal besteed aan toegepast
onderzoek dat is gericht op de korte termijn. Als sprake is van meer op de
lange termijn gericht strategisch onderzoek, betreft het in de regel sterk
AWT-advies nr. 29                                                               18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>monodisciplinair en/of sector-gericht onderzoek. Deze situatie wordt in de hand
gewerkt door de inrichting van de kennisinfrastructuur die vanuit // -
perspectief sterk verkokerd is. TNO en de GTI's zijn -instituten die te veel
technisch gericht zijn om -aspecten voldoende tot hun recht te kunnen laten
komen. Anderzijds beschikken de -instituten over te weinig technologische
expertise om brede / -vraagstukken volledig te kunnen dekken. Gezien het feit
dat veel maatschappelijke problemen om een multidisciplinaire aanpak vragen
  dit lijkt bij uitstek te gelden voor veel problemen met een zwaar -accent ligt
het niet voor de hand dat een enkel instituut het bedoelde onderzoek volledig
voor zijn rekening neemt. Dat geldt ook voor de universiteiten. Die bestrijken
weliswaar een breed scala aan disciplines, maar daar zijn, gelet op de aard van
hun missie (opleiding) grenzen aan multidisciplinaire wisselwerking. In het
volgende hoofdstuk (§ 5.2) gaat de Raad nader in op de mogelijkheden ter
stimulering van fundamenteel-strategisch onderzoek dat zich niet op voorhand
laat opsluiten binnen de grenzen van de -wetenschappen.
Gezien het (economische) belang van een goede benutting van de kennis met
betrekking tot het gedrag en het keuzeproces van mensen, acht de Raad het
gewenst om de kennisinfrastructuur op dat gebied nader in kaart te brengen. Hij
is voornemens om in het kader van zijn verkenningentaak een nadere studie op
dit gebied uit te (laten) voeren. Deze verkenning zal complementair zijn aan die
van de sociale wetenschappen die onder verantwoordelijkheid van de OCV is
uitgevoerd;          die     verkenning     was    primair   gericht   op    de
maatschappijwetenschappen.
AWT-advies nr. 29                                                             19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>5. Conclusies en aanbevelingen
                         Centraal in dit advies staat de vraag naar de mogelijkheden tot een betere
                         benutting van de sociale- en geesteswetenschappen voor vragen c.q. gebieden
                         in van oudsher -dominante sectoren. Voor die benutting is het van belang dat
                         wisselwerking optreedt tussen verschillende kennisgebieden, met name tussen
                         'harde' gebieden (productontwikkeling binnen bedrijven, uitbouw van de fysieke
                         infrastructuur, zoals de aanleg van wegen en tunnels, enzovoort) en 'zachte'
                         gebieden (keuze en gedrag van mensen, het verkennen en ontwikkelen van
                         nieuwe markten, ethische kwesties, enzovoort). Mede op basis van gesprekken
                         met mensen uit de betrokken sectoren van het bedrijfsleven en de overheid
                         concludeert de Raad dat er duidelijke leemtes zijn binnen het / -onderzoek.
                         Het grootste knelpunt ligt echter niet bij de productie van / -onderzoek maar
                         bij de benutting van de bestaande / -kennis. Het grondprobleem hierbij ligt in
                         de opleiding. Studenten worden niet voldoende opgeleid om te communiceren
                         met mensen uit andere disciplines c.q. vakgebieden. Deze tekortkoming geldt
                         met name voor mensen met een universitaire opleiding.
                         5.1         Universitaire opleiding
                         Uitgaande van bovenstaande hoofdconclusie komt de Raad tot de navolgende
                         aanbevelingen en aandachtspunten voor de betrokken actoren.
                         De universiteiten
                         De universitaire opleiding is aan een herziening toe. Traditioneel leiden de
                         universiteiten mensen op langs de (sub)disciplinaire lijnen. Dit is in het
                         algemeen zeer adequaat voor degenen die een loopbaan in het onderzoek
                         vinden. Een groot deel van de afgestudeerden gaat tegenwoordig echter niet
                         verder in het onderzoek, maar komt in allerlei functies terecht waar ze werken
                         aan het oplossen van problemen; problemen die per definitie om een
                         multidisciplinaire aanpak vragen. De Raad heeft sterk de indruk dat de
                         gevolgen van deze verandering voor de opleiding algemeen gesproken niet
                         ten volle zijn doordacht; de studenten worden nog teveel opgeleid vanuit de
                         gedachte dat ze in het onderzoek emplooi zullen vinden.
                         De Raad is van mening dat (ook) mensen met een universitaire opleiding
                         specialisten moeten zijn binnen hun eigen vakgebied. Om verschillende
                         specialistische kennisgbieden met elkaar te verbinden, hoeven specialisten niet
                         thuis te zijn in allerlei verschillende disciplines; dit is in het algemeen gesproken
                         ook onmogelijk. Wat afgestudeerden wel moeten kunnen, is communiceren met
                         mensen uit andere vakgebieden. Deze communicatieve vaardigheden moeten
                         in de opleiding worden getraind. In de opleiding moet daarvoor dan ook ruime
                         gelegenheid bestaan. Een zeer geëigende vorm hiervoor is het probleem- c.q.
                         projectgestuurde onderwijs; op verschillende plaatsen binnen het universitaire
                         systeem is al ervaring met deze onderwijsvorm opgedaan.
                         Om de door de Nederlandse universiteiten geleverde kwaliteit in kaart te
                         brengen, beoordelen visitatiecommissies disciplinegewijs de kwaliteit van het
                         onderwijs en het onderzoek. Aangezien universitair onderzoek in de eerste
                         plaats is bedoeld ter ondersteuning van het onderwijs, zouden onderwijs- en
                         onderzoekvisitaties het beste samengevoegd kunnen worden. Bij deze
                         (onderwijs)visitatie zou naast een beoordeling van de vakinhoudelijke diepgang
                         van de opleiding als tweede en gelijkwaardige component gelet moeten worden
                         op de vaardigheden in de breedte.
                         AWT-advies nr. 29                                                                  20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>De bedrijven
Uit het voorgaande volgt de conclusie dat universiteiten hun aandacht eerst en
vooral zouden moeten richten op het succes van hun afgestudeerden op de
arbeidsmarkt. Om de universiteiten daartoe in staat te stellen, zouden bedrijven
en andere soorten werkgevers aan moeten geven wat zij van afgestudeerden
verwachten en wat thans hun sterke en zwakke kanten zijn. Dat de werkgevers
deze vragen niet eenduidig beantwoorden, hoeft geen bezwaar te zijn.
Integendeel, onderlinge verschillen in voorkeur illustreren de grote differentiatie
in de behoefte aan afgestudeerden.
     Om feedback over de opleidingsbehoefte te geven, moeten werkgevers
van afgestudeerden in gesprek treden met de universiteiten. Voor een deel is
die dialoog op allerlei niveaus al gaande: op topniveau in de universitaire raden
van toezicht, waar leidinggevenden uit het bedrijfsleven zitting in hebben,
alsook op werkniveau. Zeker op werkniveau kan nog een intensievere interactie
plaatsvinden, waarbij de Raad denkt aan combinaties van studie en betaald
werk. De overgang van leren naar werken verloopt thans van 100% leren naar
100% werken; die abrupte overgang is zeker niet voor iedereen en voor elke
studierichting de meest gewenste situatie.
     Hier kan het mes aan twee kanten snijden: studenten kunnen voorzien in
een behoefte aan betaald werk tijdens de studie en bedrijven kunnen
voorkomen dat studenten tijdens de opleiding te veel vervreemden van de
multidisciplinaire beroepspraktijk. Bovendien krijgen bedrijven langs deze weg
de mogelijkheid om potentiele werknemers te 'proeven'.
     Aangezien de beroepspraktijk voor veel academisch geschoolden zeer
divers is, acht de Raad het noodzakelijk dat ook mogelijkheden bestaan tot
werkervaring op gebieden die inhoudelijk verschillen van de studie. Het gaat
om praktijkervaring die bijdraagt aan de ontwikkeling van academische
vaardigheden en niet om een 'kunstje' uit de beroepspraktijk te leren.
De overheid
Als financier van het universitaire onderwijs en onderzoek kan en moet de
overheid eisen stellen aan de doelmatigheid bij de besteding van de
beschikbaar gestelde middelen. De belangrijkste taak van de universiteiten is
het opleiden van mensen. Gezien het multidisciplinaire karakter van de
beroepspraktijk is het moeilijk om de opleidingskwaliteit vast te stellen via
metingen langs (mono)disciplinaire assen. Dergelijke metingen zijn geschikt
voor afgestudeerden die een loopbaan vinden als onderzoeker binnen het
betrokken vakgebied. De overgrote meerderheid van de afgestudeerden vindt
echter werk buiten dat onderzoek. Dit betekent dat onderzoekskwaliteiten op
zichzelf steeds minder beschouwd kunnen worden als een voldoende
voorwaarde voor een adequaat opleidingssysteem. Gegeven de toenemende
diversiteit in soorten functies waarin universitair afgestudeerden terechtkomen,
is een aanpassing nodig van de toetsing of de universiteiten hun missie op
adequate wijze vervullen. Volgens de Raad moet die toetsing veel meer dan
thans het geval is betrekking hebben op de beoordeling van het succes van
afgestudeerden op de arbeidsmarkt.
     Dit vraagt om een andere financiële aansturing van de universiteiten, een
verandering die de Raad eerder heeft samengevat in de uitdrukking 'van
citation index naar alumni index'. Het systeem van visitaties kan een belangrijk
instrument zijn om die alumni-kwaliteit zichtbaar te maken. Zolang de
beoordeling van de universiteiten niet veel nadrukkelijker wordt gericht op de
kwaliteit van de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden, zal het zeer moeilijk
zijn om de in dit advies gesignaleerde knelpunten voortvarend aan te pakken.
De Raad ziet althans geen ander alternatief.
Dat de universiteiten moeten worden afgerekend op basis van de afgeleverde
opleidingskwaliteit, is volgens de Raad evident. Hoe de universiteiten die taak
invullen, is primair de verantwoordelijkheid van de afzonderlijke instellingen.
Anders gezegd, de overheid moet de universiteiten in staat stellen de
opgedragen taak waar te maken. Hierbij passen geen stringente regels over de
AWT-advies nr. 29                                                               21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>manier waarop de universiteiten hun taak uitoefenen; daar zijn de universiteiten
zelf voor verantwoordelijk.
Het bovenstaande uitgangspunt vraagt.14 In het najaar zal dit college ook wel
de commissie Hermans genoemd met het eindadvies komen en in dat licht
gezien is het niet vreemd dat thans van verschillende kanten onder andere
HBO-Raad, VSNU, politieke partijen voorstellen worden ontwikkeld.
     Aangezien het systeem van studiefinanciering veel invloed heeft op de
mogelijkheden om het onderwijs in het licht van dit advies bij te sturen, wil ook
de Raad enkele nadere kanttekeningen plaatsen bij de studiefinanciering. In
zijn ogen moet de studieduur worden overgelaten aan de universiteiten. Dat zal
leiden tot een differentiatie tussen vakgebieden en universiteiten waardoor het
beter mogelijk wordt om adequaat in te spelen op de diverse behoeften van de
arbeidsmarkt. Het is echter allesbehalve evident dat de studiefinanciering deze
differentiatie volgt. Het is goed denkbaar dat de studiefinanciering slechts voor
een beperkt aantal jaren wordt verstrekt en dat de studenten voor de rest van
de studie geheel of gedeeltelijk zijn aangewezen op leningen. De druk van de
studenten en van de markt zullen een goed tegenwicht bieden tegen de
mogelijke neiging bij de universiteiten om studies onnodig lang te maken. Het
argument dat studiefinanciering nodig is omdat anders studenten uit bepaalde
milieus de stap naar de universiteiten niet wagen, acht de Raad niet
overtuigend: de eerste jaren krijgt men wel studiefinanciering en daarna moeten
studenten in staat worden geacht te weten wat ze willen en kunnen. Op basis
van de alsdan overzienbare tijdshorizon moeten zij voor de resterende
studietijd de benodigde financiële middelen kunnen verwerven.
Een noodzakelijk complement aan de beoordeling van de universiteiten op de
geleverde opleidingsprestatie, is volgens de Raad de vrijheid van de
universiteiten om eisen te stellen ten aanzien van de instroom. Deze vrijheid
ontbreekt hen nu. Bij de selectie van de instroom hoeft het zeker niet alleen te
gaan om de cijfers die bij het eindexamen zijn behaald. Een universiteit die zich
tot doel stelt ondernemende academici af te leveren, moet de potentiële
eerstejaars kunnen selecteren op basis van (latente) kwaliteiten op dat gebied.
Instellingen die brede academici willen opleiden, moeten andere
toelatingseisen kunnen stellen dan universiteiten die zich willen concentreren
op de meer traditionele opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker. Als
universiteiten de vrijheid krijgen om aan de poort te selecteren, hoeft dat per
saldo geen afbreuk te doen aan de toegankelijkheid van het hoger onderwijs.
Integendeel, als meer variatie mogelijk is, zal ook de kans toenemen om te
voorzien in maatwerk dat aansluit bij de belangstelling van individuele
studenten.
Complementair aan een verdere verzelfstandiging van de universiteiten is een
adequaat beoordelings- en financieringssysteem. Op basis van dat systeem
kan de overheid haar (eerste) geldstroom-middelen aan de universiteiten
verstrekken. Zoals gezegd, hebben de universiteiten in de eerste plaats tot taak
academici op te leiden waaraan de arbeidsmarkt behoefte heeft. Dit betekent
dat de universiteiten, meer dan nu het geval is, moeten worden gefinancierd op
basis van hun succes bij de uitvoering van hun primaire taak. Concreet vraagt
dit om een outputfinanciering. Volgens de Raad moet de minister periodiek
afspraken maken met de (afzonderlijke) universiteiten over de gewenste
opleidingen en de prijs die hij daar voor over heeft. Is hij ontevreden over de
gewenste opleidingen, dan spreekt de minister de verantwoordelijke universiteit
daar op aan. De verantwoordelijkheid van de minister, voorzover het de eerste
geldstroom betreft, beperkt zich tot de beoordeling van de macro-doelmatigheid
en de bewaking van de opleidingskwaliteit: voldoet de door hem gefinancierde
opleidingscapaciteit kwantitatief en kwalitatief in de maatschappelijke behoefte
aan afgestudeerden? Visitatiecommissies kunnen bij zo'n beoordeling een
belangrijke rol spelen. In de ogen van de Raad moet zo'n visitatie-systeem
werken onder de verantwoordelijkheid van de minister, die de organisatie zou
AWT-advies nr. 29                                                              22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>kunnen uitbesteden. De huidige situatie, waarin de minister zijn oordeel baseert
op visitaties die door de VSNU worden verzorgd, wringt met de gewenste
helderheid van taken en verantwoordelijkheden. Zoals hiervoor al is bepleit,
moet bij de visitaties het succes van de afgestudeerden op de arbeidsmarkt
een zwaar accent krijgen.
5.2         - en -onderzoek
De Raad is van mening dat binnen de / -wetenschappen de aandacht voor de
rol van de natuurwetenschappen en de techniek in de samenleving zeer gering
is. Deze aandacht staat in geen verhouding tot de rol van deze -gebieden en
met daaruit voortvloeiende principiële vragen.
     Voor het overige signaleert de Raad binnen de 'harde' sectoren geen
speciale wensen met betrekking tot het -onderzoek. Er bestaat wel behoefte
aan -kennis, in het bijzonder kennis van vreemde culturen, binnen en buiten
Europa. Gezien het algemeen gesignaleerde gebrek aan kennis van de meest
gebruikte moderne talen, is verdere methodische bestudering van de meest
efficiënte wijze van verwerving van de kennis van vreemde talen wenselijk.
     Uit de analyse van de Raad komt pregnant naar voren de behoefte aan
fundamenteel-strategisch onderzoek t.a.v. het keuzeproces en gedrag van
mensen; een onderwerp dat vooral valt binnen de -wetenschappen.
De Raad trekt uit deze observaties niet de conclusie dat een generiek
stimuleringsbeleid voor het fundamenteel-strategische onderzoek nodig is. Dat
is hem te diffuus. Een gerichte stimulering op specifieke probleemgebieden
spreekt hem meer aan. De Raad ziet hiertoe mogelijkheden door beter gebruik
te maken van de thans beschikbare onderzoeksbudgetten van de verschillende
departementen. Veel van het uitgezette onderzoek heeft een korte termijn, ad-
hoc karakter. En voorzover het meer fundamenteel-strategisch onderzoek
betreft, is het veelal sterk monodisciplinair en/of sector-gericht. Meer
samenwerking binnen en tussen departementen zou belangrijke winst kunnen
opleveren. De Raad hoopt in de hiervoor reeds aangekondigde verkenning op
het gebied van keuze en gedrag hierop specifieker in te gaan.
     Maatschappelijke probleemgebieden vragen naar hun aard om een
multidisciplinaire benadering. De mogelijkheden om vanuit de departementen
dit onderzoek rechtstreeks bij één of enkele instituten weg te zetten, zijn
beperkt vanwege de vanuit // -perspectief gezien 'verkokerde' inrichting
van de kennisinfrastructuur. Vanuit dit oogpunt pleit de Raad voor een
intermediaire rol van NWO in dezen. NWO heeft ervaring met het stimuleren
van fundamenteel-strategisch onderzoek en ontwikkelt zich in toenemende
mate ook in de ondersteuning van multidisciplinair onderzoek. NWO kan in dit
licht goed als uitvoeringsorganisatie optreden voor het door derden gewenste
(en gefinancierde) fundamenteel-strategische onderzoek op specifieke
gebieden of onderwerpen: de agentschapsrol van NWO.
     Afgezien van de middelen voor de eigen NWO-instituten gaan de middelen
uit de 'traditionele' tweede geldstroom bijna exclusief naar de universiteiten. Dat
is ook terecht; in de ogen van de Raad vormt een kwalitatief hoogstaand
opleidingsniveau het achterliggende hoofdmotief voor de stimulering van het
kwalitatief beste onderzoek. Voor de middelen die NWO vanuit de voorgestelde
agentschapfunctie zou verdelen, gaat het om de stimulering van onderzoek op
specifieke gebieden dat door derden expliciet is gemotiveerd en gefinancierd.
Voor dit 'agentschap-onderzoek' ligt een exclusieve gerichtheid op de
universiteiten niet voor de hand; het is immers heel goed mogelijk dat ook
elders in de kennisinfrastructuur relevant fundamenteel-strategisch onderzoek
op bedoelde terreinen plaatsvindt. Het is daarom van belang dat het
'agentschap-deel' van het NWO-budget ook toegankelijk wordt voor andere
onderzoeksinstituten dan de universiteiten.
AWT-advies nr. 29                                                                23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Aldus vastgesteld te Den Haag, 24 oktober 1997
Dr. G. Zoutendijk
plv. Voorzitter
Dr. A. van Heeringen
secretaris
AWT-advies nr. 29                              24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Bijlage 1 Adviesaanvrage
                       De voorzitter van de AWT
                       dr.ir. H.L. Beckers
                       Javastraat 42
                       2585 AP DEN HAAG
                       ons kenmerk                                          Zoetermeer
                       OWB/NIC 9601.9954                                    september 1996
                       onderwerp
                       adviesaanvraag
                       Zeer geachte heer Beckers,
                       Conform het adviesprogramma 1996, zenden wij u hierbij mede namens mijn
                       ambtgenoot van Economische Zaken de uitgewerkte adviesaanvraag over
                       nieuwe perspectieven in de vraag naar en de bijdragen van de alfa- en
                       gammawetenschappen.
                       De minister van Onderwijs,                           De minister van
                       Cultuur en Wetenschappen                             Economische Zaken
                       (Dr.ir. J.M.M. Ritzen)                               (Dr. G.J. Wijers)
                       Adviesaanvraag aan de AWT over nieuwe perspectieven in de vraag naar
                       en de bijdragen van de alfa- en gammawetenschappen
                       Inleiding
                       Zowel binnen het bedrijfsleven als binnen de overheid wordt de tendens steeds
                       duidelijker zichtbaar dat op terreinen waar in het verleden voornamelijk exact-
                       en technisch-wetenschappelijk onderzoek gevraagd en gebruikt werd, de
                       behoefte groeit aan kennis uit de maatschappij-, gedrags- en
                       geesteswetenschappen. Aan vraagstukken die vroeger werden gedefinieerd als
                       uitsluitend technisch van aard, worden nu ook en in toenemende mate
                       maatschappelijke, psychologische en culturele componenten onderkend. De
                       multidisciplinaire aanpak wint dan ook snel terrein.
                       Bedrijfsleven
                       Voor het bedrijfsleven is onderzoek naar sociale en culturele aspecten van het
                       eigen functioneren niet nieuw. Onderzoek naar organisatiestructuur en -cultuur,
                       de      inpassing    van     nieuwe     technologieën,    het     belang    van
                       arbeidsomstandigheden en arbeidskwalificaties op de prestaties van bedrijven,
                       behoren tot het kennisdomein waarover bedrijven moeten beschikken om te
                       kunnen overleven. De behoefte aan kennis vanuit de sociale en
                       geesteswetenschappen strekt zich nu ook uit tot andere vraagstukken. Ten
                       eerste is de overtuiging gegroeid dat bij de huidige noodzaak van permanente
                       innovatie, die voortkomt uit de hevige concurrentie, een competitief voordeel te
                       vinden is in het ontwikkelen van produkten die aansluiten bij de wensen en
                       smaken van de consument. Dit vergt meedenken over marketing en
                       vormgeving vanaf het begin van het innovatietraject. Bovendien verschuift het
                       AWT-advies nr. 29                                                             25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>produkten- en dienstenpakket van het bedrijfsleven steeds meer van
componenten naar systemen en verder naar systeem-applicaties. Daardoor
verplaatst de kennisbehoefte zich van “hardware” (zoals materiaalkunde en
procestechnologie) via “software” (zoals elektronisch ontwerp, IC-design en
software engineering) naar “human-ware” (interactie tussen mens en machine).
Bedrijven zijn zich steeds meer bewust van de noodzaak om in hun strategie
rekening te houden met de maatschappelijke context waarin zij functioneren.
Dat vraagt ook inzicht in maatschappelijke ontwikkelingen in de taal en de
cultuur van de omgeving waarin het bedrijf opereert (bijvoorbeeld
dochterondernemingen in de V.S. of Zuidoost-Azië, maar evenzeer Duitsland)
of waarmee het bedrijf commerciële relaties onderhoudt (export,
kennisuitwisseling enzovoort).
Deze ontwikkelingen tezamen betekenen dat bij het bedrijfsleven er behoefte
bestaat aan kennis uit de maatschappij-, gedrags- en geesteswetenschappen
die is toegesneden op de vragen van het bedrijfsleven en die vaak in
multidisciplinaire verbanden van exact-wetenschappelijke en technische
specialisten moet worden ingebracht.
Overheid
Ook binnen de overheid manifesteert zich een groeiende vraag naar sociaal- en
geesteswetenschappelijke kennis. Voor een reeks vraagstukken die binnen de
verantwoordelijkheid van de overheid vallen, zoals criminaliteit en de integratie
van minderheden, is de noodzaak van kennis uit de maatschappij-, gedrags- en
geesteswetenschappen vanzelfsprekend. Maar inmiddels blijkt dat
beleidsvragen op terreinen als natuurbeheer, mestbeleid, verkeer en vervoer,
milieu en energie zich niet meer alleen richten op technische vraagstellingen.
Ook de maatschappelijke dynamiek en de menselijke component van dergelijke
beleidsvragen, alsmede de mogelijkheden voor de overheid om in te grijpen zijn
nu van belang geworden. Dat laatste wordt nog versterkt doordat de relatie
tussen burger en overheid zich heeft ontwikkeld in de richting van overreding
en onderhandeling. Dat betekent dat de overheid gedwongen is om
maatschappelijk draagvlak voor haar beleid te zoeken en “maatschappelijke
zelfsturing” te bevorderen. Ook daarvoor is kennis uit de sociale
wetenschappen nodig.
Deze ontwikkelingen worden ook zichtbaar in de verkenningen die de Overleg
Commissie Verkenningen (OCV) de afgelopen jaren heeft laten uitvoeren en
waarover zij in mei 1996 haar eindrapport aan de overheid heeft uitgebracht.
De OCV, die zowel de onderzoekwereld als de gebruikers van onderzoek
(zoals overheid en bedrijfsleven) bij haar verkenningen heeft betrokken,
constateert een groeiende vraag naar multidisciplinair onderzoek, zeker ook in
de vorm van samenwerking tussen beta-onderzoekers en alfa- en gamma-
onderzoekers.
De Commissie van Overleg Sectorraden heeft de Minister van OCenW in juni
1996 aanbevelingen gedaan over hoe belemmeringen voor multi- en
interdisciplinair onderzoek kunnen worden aangepakt.
AWT-advies nr. 29                                                             26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Adviesvragen
Vorenstaande ontwikkelingen leiden tot de volgende adviesvragen aan de
AWT:
1. Voor welk type vraagstukken bij overheid en bedrijfsleven (inclusief
    dienstensector) die tot dusver vooral vanuit een technologische of exact-
    wetenschappelijke invalshoek werden bekeken, is nu en op de middellange
    termijn    kennis      nodig  van    de    maatschappij-,      gedrags-    en
    geesteswetenschappen, al dan niet in multidisciplinair verband in te
    brengen? Welke specifieke terreinen binnen de alfa- en gamma-disciplines
    zijn van belang? Gaat het daarbij om kennis gericht op onmiddellijke
    toepassing of om meer funderend onderzoek?
2. Zijn de gebruikers van dat onderzoek (zoals overheid en bedrijfsleven) zich
    bewust van hun eigen behoefte aan expertise uit het alfa- en gamma-
    onderzoek? Is de onderzoeksgemeenschap zich van die ontwikkeling
    bewust? Zo niet, hoe kan aan beide zijden dat besef worden bevorderd?
3. Zijn de publieke (universiteiten, para-universitaire instellingen, GTI’s, TNO,
    SCP) en de private (bedrijfslabs, adviesbureaus, sociaal-wetenschappelijke
    onderzoeksbureaus) kennisontwikkelaars in staat om in de toenemende
    vraag naar kennis van mens, maatschappij en cultuur te voldoen? Sluiten
    nu en in de nabije toekomst de vraag naar en het aanbod van alfa- en
    gammakennis en -onderzoekers op elkaar aan? Zo niet, welke
    verbeteringen zijn dan nodig?
4. Vergt het samenwerken van onderzoekers uit de alfa- en gamma-
    disciplines met onderzoekers uit de beta- en technische disciplines
    (multidisciplinariteit) in een bedrijfs- of beleidsomgeving speciale
    vaardigheden en kennis? Zo ja, worden die in de opleidingen geboden?
    Hoe kunnen de gebruikers van dit type onderzoek (bedrijven,
    departementen et cetera) op dit punt een bijdrage leveren (onder meer
    vanuit het perspectief van “kennismanagement”)?
5. Op       welke      terreinen  van     de    mens-,       maatschappij-     en
    geesteswetenschappen die relevant zijn voor bedrijfsleven en overheid
    (voorzover het om beleid gaat waarvoor tot recent voornamelijk technisch
    en exact-wetenschappelijke kennis werd gebruikt) heeft Nederland een
    sterke positie en op welke een zwakke of geen positie. Welke kansen en
    bedreigingen liggen er voor Nederlandse onderzoekorganisaties of -
    bureaus, dan wel onderzoekers, op dit vlak?
AWT-advies nr. 29                                                              27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Bijlage 2 Lijst van gesprekspartners
                         P.J. Aben                      Koninklijke Verenigde Leder
                         Prof.dr. H.P.M. Adriaansens           WRR / Faculteit der Sociale Weten-
                                                               schappen, UU
                         Prof.dr. E.E. Anderson                George Mason University, VS
                         Ir. J.G. Andreae                      Albert Heijn
                         Mw. prof.mr.dr. J.P. Bahlman Centre for Organisational Learning and
                                                        Change, Nijenrode University
                         Dr. P.M. op den Brouw          TWA-Washington
                         R.S. Brugman                          Randstad Dienstengroep Nederland BV
                         Prof.dr.ir. W.E. Bijker               Faculteit der Cultuurwetenschappen, UM
                         Prof.mr. M.J. Cohen                   College van Bestuur, UM
                         Prof.dr. A. Cornelis                  Filosofie- en Kenniscentrum
                         Mr. J.P.H. Donner                     WRR
                         Prof. S.J. Doorman, Msc               Faculteit der Wijsbegeerte en
                                                               Technische Maatschappijweten-
                                                               schappen TUD (emeritus)
                         J.J. Douma                            newMetropolis
                         Drs. G. van Drielen                   College van Bestuur, Hogeschool
                                                               Holland
                         Dr.ir. A.L. Duwaer                    Philips Research
                         Ir. C. Egmond                         NOVEM
                         Dr. S.D. Eikelboom                    Koninklijke Pakhoed NV
                         Mw. prof.dr. C.M. van Eijndhoven      Rathenau Instituut
                         S. van der Feltz               Iglo-Ola/Mora Groep
                         P. Fentener van Vlissingen            SHV Holding NV
                         Dr. H.H. Field                        National Science Foundation, VS
                         J.C. Fischer                          Ericsson Telecommunicatie
                         Mw. ir. P.M. Flipsen                  Arthur D. Little
                         Mw. drs. M.E. van der Fluit           Boer&Croon, Management Consultants
                         N.L. Fortenberry, Sc.D.        National Science Foundation, VS
                         Prof.dr. M.B. Friedman                Columbia University, VS
                         Mw. dr. C. Geysel                     Faculteit der Wiskunde, Informatica,
                                                               Natuur- en Sterrenkunde, UvA
                         Ing. M. Haars                         Rotterdamse Schouwburg
                         Drs. W.A. Haeser                      VROM-raad
                         Dr. A. van Helden                     UNESCO
                         Ir. A.P.H. Hermans                    DG voor Energie, Ministerie van EZ
                         Prof.dr. G.H. Hofstede                Universiteit Maastricht (emeritus)
                         Mw. dr. K.L. Hughes                   Columbia University, VS
                         F.G.M. Hurkmans                       Arthur D. Little
                         J. Jacob                              Curver Group
                         Prof.dr. D. Jacobs                    TNO-STB
                         Ir. M.L.E. Jansen MPA                 Directie Wetenschap en Kennisover-
                                                               dracht, Ministerie van LNV
                         Dr. J.J. de Jong               DG voor Energie, Ministerie van EZ
                         Dr. R. Jonkers                        NOVEM
                         Drs. F. Kaiser                        CSHOB, UT
                         Ir. P. Karsten                        Koninklijke Ten Cate NV
                         Prof.dr. R.G. Kasper                  Columbia University, VS
                         A. de Kaste                           Campina Melkunie
                         Mw. S.C. Kemnitzer                    National Science Foundation, VS
                         Dr. J.P. Kessels                      Dialogue Consultants
                         Drs. J.P. Kieboom                     TWA-Singapore
                         AWT-advies nr. 29                                                          28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Prof.dr. A. Klamer                   Faculteit der Historische en Kunst-
                                     wetenschappen, EUR
Mr.drs. J.H. Koning                  Auping
Drs. E.H. van Kooij                  TWA-Tokio
Drs. R.H.P.W. Kottman         Berenschot Groep B.V.
Prof.dr. A.J.F. Köbben               Faculteit der Sociale Wetenschappen,
                                     RUL (emeritus)
Drs. J.A. Kropman                    ITS, KUN
Ir. C. Kruter                        Hertzberger Architectenburo
Dr.ir. J.M.G. Lankveld               Campina Melkunie
Mr. J.H. Leopold              DHV
Dr. L. Leydesdorff                   Vakgroep Wetenschapsdynamica, UvA
Dr. P.A.M. Maassen                   CSHOB, UT
Dr. E. Mathieu                       Doctoraatsonderwijs, Universiteit van
                                     Antwerpen
Prof.dr. A. van der Meiden           Faculteit der Sociale Wetenschappen,
                                     UU (emeritus)
Mw. D. Merrit                        Columbia University, VS
Prof.dr. M. De Mey                   Universiteit Gent
Drs. M.H. Meijerink                  VSNU
Mw. drs. J. Michael-van der Maaten KPN Research
Drs. P. Minnee                       College van Bestuur, Hogeschool
                                     Holland
Mw. prof.dr. A. Mol                  Faculteit der Wijsbegeerte en
                                     Maatschappijwetenschappen, UT
Drs. G.W. Muller              Commissie Geesteswetenschappen, KNAW
Prof.dr. R. de Neufville             Massachusetts Instute of Technology,
                                     VS
Mr. A. Ooyen                         Campina Melkunie
Dr. L. Panek                         Widener University, VS
Ing. C.J.A. Pannekoek         Libertel BV
Drs. H.J. van der Pasch       Transferbureau, KUN
Dr. J. Peters                        Commissie Geesteswetenschappen,
                                     KNAW / College van Bestuur, KUN
Dr. N.G. Pitts                       National Science Foundation, VS
Dr. J.Th. Ratchford                  George Mason University, VS
E.F.H. Rietmeijer                    College van Bestuur, Hogeschool
                                     Holland
J.A.J. Sanders                       Leolux Meubelfabriek B.V.
Ir. G.H.J. van Schaick               DG Goederenvervoer, Ministerie van
                                     VenW
Th.J.A. Schellekens                  Wehkamp
P.E. Schuddebeurs                    ABB Lummus Global B.V.
Dr. A.G.J. Sedee                     DG Milieubeheer, Ministerie van VROM
Prof.dr. J.C. Siebrand               Sociaal Wetenschappelijke Raad der
                                     KNAW / Faculteit der Economische
                                     Wetenschappen, EUR
J.F. Sistermans                      Akzo Nobel NV
Drs. R.A.M. Stevers                  Hoofdgroep Strategie en Facet (Q),
                                     Ministerie van VenW,
Dr.ir. J. Strating            Stork Engineers & Contractors B.V.
Dr. L. Stronkhorst                   Maatschappij-      en      Gedragsweten-
                                     schappen, NWO
C.J.M. Stutterheim                   CMG
R. Sveda                             National Science Foundation, VS
Dr. C. Terlouw                       Onderwijskundig Centrum, UT
Ing. H. Tolsma                       Technisch Weekblad
Prof.ir. E.J. Tuininga               Faculteit der Natuur- en Sterrenkunde,
                                     VU
AWT-advies nr. 29                                                          29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Prof.dr. W.C. Turkenburg             Vakgroep        Natuurwetenschap      en
                                     Samenleving, UU
Dr.ir. A.P. Verkaik                  Nationale Raad voor Landbouwkundig
                                     Onderzoek
Dr. P. Verweel                       Centrum voor Beleid en Management,
                                     UU
Mw. dr. A. Vollering                 Sociaal Wetenschappelijke Raad der
                                     KNAW
Prof.dr. F. van Vught                College van Bestuur, UT
Prof.dr. W.A. Wagenaar        Sociaal Wetenschappelijke Raad der KNAW /
                              College van Bestuur, RUL
Prof.dr.ir. M.C.D.P. Weggeman        Twijnstra Gudde / Faculteit der
                                     Technische Bedrijfskunde, TUE
Drs. P. Westendorp                   Faculteit Industrieel Ontwerpen, TUD
Dr. J. Willems                       Tijdschrift       voor      Wetenschap,
                                     Technologie & Samenleving
Mw. J.L. Wills                       The Institute for Educational Leadership,
                                     VS
Prof.dr. Ch.J. de Wolff              Maatschappij-       en    Gedragsweten-
                                     schappen, NWO
Mw. dr. A.D. Wolff-Albers            Sociaal Wetenschappelijke Raad der
                                     KNAW / OCV
G. Wijnsma                           WISA
AWT-advies nr. 29                                                          30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>1.Zie bijlage 1 voor de volledige tekst van de adviesaanvraag.
2.Ton Langendorff, De kunst van het innoveren, AWT-achtergrondstudie nr. 10,
Den Haag, oktober 1997.
3.In bijlage 2 worden de mensen genoemd met wis is gesproken.
4.Een specialisatie moet niet worden verward met een monodisciplinair gebied.
Er zijn ook veel multidisciplinaire specialismen, zoals bijvoorbeeld in de
geneeskunde.
5.Advies inzake verkenning personeelswetenschappen, Briefadvies, februari
1994.
6.F.A. van Vught, Academische Vorming. Over Experts en Intellectuelen. Rede
uitgesproken ter gelegenheid van de opening van het academisch jaar 1997-
1998, Universiteit Twente, september 1997.
7.Uit de aangehaalde rede van Van Vught blijkt dat binnen de Universiteit
Twente ook wordt gedacht aan de mogelijkheid van een major-major die zou
kunnen uitmonden in een dubbel doctoraal.
8.Over dit thema heeft de Raad onlangs een advies uitgebracht; Een werkzaam
leven lang leren, AWT-advies nr. 28. Den Haag, juli 1997.
In het Ontwerp HOOP 1998 onderschrijft de minister van OCenW de noodzaak
om binnen het initiële onderwijs meer ruimte te scheppen om werkervaring op
te doen: Ontwerp Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1998, Ministerie van
OCenW, september 1997.
9.Jonathan R. Cole, The Two Cultures Revisited, The BRIDGE, Volume 26,
Numbers 3&4, Fall/Winter 1996, National Academy of Engineering, Washington
DC.
10.Een eigen richting voor het recht... Eindrapport van de verkenningscom-
missie Rechtsgeleerdheid, Overlegcommissie Verkenningen, Amsterdam,
december 1995.
11.Oude wereld, nieuwe kansen.... Kennisuitwisseling met Oost-Azië, AWT-
advies nr. 25, AWT, Den Haag, juni 1996.
12.A.J. Berkhout,. P.F. Wouters en H. Schaffers, Technologie voor de
Maatschappij van Morgen, OCV, Amsterdam 1997.
13.De in de vorige paragraaf genoemde voorbeelden op het gebied van de
gezondheidszorg       duiden    eveneens      op    een   onderbelichting van
gedragswetenschappelijk onderzoek.
14.Bouwstenen voor een toekomstig stelsel van studiefinanciering, College
Toekomst Studiefinanciering, Den Haag, 1997.
AWT-advies nr. 29                                                          31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>