<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                   33
  Onschatbare rijkdom aan kennis
                     Financiële verslaglegging en innovatief vermogen van ondernemingen
maart 1998
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
Tel. 070 - 3639922
Fax. 070 - 3608992
e-mail: secretariaat@AWT.nl
http://www.awt.nl/
                                                  A W T - A D V I E S 3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>ii A W T - A D V I E S 3 3</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                                                     Inhoud
Advies
1.   Inleiding                                                        1
2.   Enkele begrippen                                                 2
3.   Koppeling financiële verslaglegging en innovatief vermogen       3
4.   Conclusie                                                        4
Bijlage
     Inleiding                                                        7
1.   Immateriële activa                                               9
     1.1 De Nederlandse wet en internationale richtlijnen             9
     1.2 Wat zijn immateriële activa?                                 11
     1.3 Het toenemend belang van immateriële activa                  12
     1.4 Activeren van immateriële activa: pro en contra              15
     1.5 Human Resource Accounting                                    17
     1.6 R&D en rechten van intellectueel eigendom                    23
2.   Alternatieven van externe verslaglegging                         29
     2.1 Meettechnieken                                               30
     2.2 Drie kennis-activa: de organisatie, het personeel en
                        de marktpositie                               31
     2.3 Vier voorbeeldbedrijven                                      34
     2.4 Het geringe succes van de alternatieve benaderingen          37
                                                             A W T - A D V I E S 3 3      iii
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>iv A W T - A D V I E S 3 3</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                                                      Advies
1.     Inleiding
Dit advies is uitgebracht op verzoek van de Minister van Economische Zaken.
De adviesaanvraag luidt: Aan de AWT is gevraagd om - bij voorkeur vanuit
internationaal perspectief - inzicht te verschaffen in de regels en procedures
die ten grondslag liggen aan de financiële waardering en verslaglegging en
welke belemmeringen dat oplevert voor het opnemen van immateriële activa
in die verslaglegging en of, en zo ja hoe, de overheid de belemmeringen kan
wegnemen. Het AWT-advies zou daarmee het fundament kunnen leggen voor
een herziening van genoemde regels en procedures, die de grondslagen van de
financiële verslaglegging kennisvriendelijker maakt en het innovatievermo-
gen van bedrijven vergroot.
De achtergrond voor de adviesaanvraag is als volgt door de Minister verwoord:
Het belang van immateriële investeringen (scholing, onderwijs, training,
software etc.) neemt met het kennisintensiever worden van de economie toe.
Het menselijk kapitaal van een onderneming bepaalt in toenemende mate de
economische prestaties van die onderneming. Opmerkelijk is echter dat deze
immateriële investeringen nauwelijks worden meegenomen in de huidige
financiële verslaglegging van bedrijven (hooguit in de factor goodwill). In
de huidige systematiek worden uitgaven aan scholing, onderwijs, training,
software etc. als kosten beschouwd en niet als investeringen. Op die manier
geeft de financiële verslaglegging een onvolledig beeld van het innovatie-
potentieel van bedrijven.
       De financiële verslaglegging vormt echter wel de basis waarop financiële
instellingen besluiten om al dan niet risicodragend kapitaal aan de desbe-
treffende onderneming te verstrekken.
       Probleem is dat kennisintensieve innoverende jonge ondernemingen die
veel investeren in R&D, opleiding en scholing van personeel en software de
beschikbaarheid van extern risicodragend financieel kapitaal als een belang-
rijke bottleneck ervaren voor het vergroten van de innovatie-inspanningen.
De huidige smalle grondslagen voor de financiële waardering en verslagleg-
ging belemmeren dus de investeringen in immateriële activa, wat ten koste
gaat van het innovatievermogen en de expansie van vooral jonge, snelgroeien-
de ondernemingen.
De adviesaanvraag vraagt om feitelijke informatie over de huidige stand van
zaken op genoemd onderwerp. De Raad verwijst hiervoor naar de bijlage bij
dit advies. Hij beperkt zich in de hoofdtekst tot de beantwoording van de
vraag of een herziening nodig is van de regels en procedures om de financiële
verslaglegging kennisvriendelijker te maken.
                                                              A W T - A D V I E S 3 3      1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  2.     Enkele begrippen
  In de adviesaanvraag worden enkele belangrijke trefwoorden genoemd:
  immateriële activa, verslaglegging van deze activa in de jaarrekeningen van
  ondernemingen, de wettelijke belemmeringen, en het internationaal vergelij-
  kend perspectief. Hieronder wordt kort op deze begrippen ingegaan. In de bij-
  lage behorend bij dit advies, worden deze onderwerpen uitgebreider behan-
  deld.
  Immateriële vaste activa
  Immateriële vaste activa zijn aanwijsbare, separeerbare, niet-fysieke bedrijfs-
  middelen, zoals kosten van R&D, kosten van verwerving ter zake van rechten
  van intellectueel eigendom (octrooien en licenties), kosten van goodwill die
  van derden is verkregen en dergelijke. Gesproken wordt over vaste activa als
  zij in de toekomst opbrengsten voor de onderneming zullen opleveren.
  Immateriële investeringen kunnen onder bepaalde voorwaarden worden geac-
  tiveerd (op de balans gezet en over meerdere jaren afgeschreven) als ze
  opbrengsten opleveren over een periode die langer is dan het boekjaar.
         Naast de vlottende activa (debiteuren, voorraden) en de financiële vaste
  activa (deelnemingen en/of beleggingen) staan vooral de materiële vaste activa
  op de balans van een onderneming: terreinen, gebouwen, machines en appara-
  tuur. De immateriële vaste activa worden in de regel beschouwd als een rest-
  categorie, namelijk niet-fysiek en niet tot de financiële vaste activa behorend.
  De (impliciete) vraag van de Minister van EZ is of die restcategorie in een ken-
  nissamenleving inmiddels niet zodanig omvangrijk is geworden, dat eerder
  over een hoofdcategorie gesproken zou moeten worden.
  Verslaglegging
  Over investeringen kan op diverse manieren verslag worden gedaan. De interne
  verslaglegging wijkt sterk af van de externe verslaglegging. In het eerste geval
  wordt door de bedrijfsleiding, maar ook door bijvoorbeeld banken bij krediet-
  verlening, gebruik gemaakt van financiële gegevens en andere indicatoren die
  niet in de externe verslaglegging staan; het gaat hier veelal om concurrentie-
  gevoelige informatie.
         Naast de interne verslaglegging is er voor met name bvs en nvs het
  externe jaarverslag, waaronder de jaarrekening. De jaarrekening omvat de
  balans en de winst- en verliesrekening. Het jaarverslag bevat voorts een
  beschrijving van de gang van zaken in het afgelopen jaar, van de te volgen
  strategie en van de vooruitzichten. Verder kan in het jaarverslag extra infor-
  matie vermeld staan betreffende milieu- en personeelsbeleid, innovatiebeleid
  en dergelijke.
         Bij de balans wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de fiscale
  balans, die ten grondslag ligt aan de berekening van de vennootschapsbelas-
  ting, en anderzijds de commerciële balans, die voor andere doeleinden wordt
  opgesteld (met name ter informering van de aandeelhouders en andere stake-
  holders). De fiscale balans wordt nooit gepubliceerd en is voor de hier aan de
  orde zijnde problematiek dan ook niet relevant. In de meeste Europese landen
  vloeit de fiscale balans voort uit de commerciële balans; in Nederland en het
  Verenigd Koninkrijk, alsook in de Verenigde Staten, is de wettelijke band tus-
  sen de twee balansen echter minder sterk, waardoor de mogelijkheden voor
  activering en afschrijving van immateriële investeringen ruimer zijn, zij het
2 A W T - A D V I E S    3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>dat de voorwaarden per land meer of minder stringent kunnen zijn.
De Nederlandse wet
De wetgeving inzake de jaarrekening en het jaarverslag is vermeld onder Titel
9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De wet is in 1984 in werking getreden en
verving de Wet op de Jaarrekening van Ondernemingen uit 1971. De nieuwe
wet werd bij de totstandkoming ervan ook wel de Aanpassingswet 4e EG-Richtlijn
genoemd; daarmee werd aangegeven dat de Nederlandse wet werd aangepast
in het licht van het streven naar meer harmonisatie binnen de EU. Een eventu-
ele wetswijziging zal derhalve in EU-perspectief dienen te worden bezien.
       Bij de interpretatie van de Nederlandse wet spelen de richtlijnen en
beschouwingen van de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ) een belangrijke
rol. Internationaal wordt deze rol gespeeld door het International Accounting
Standards Committee (IASC). Voor de (inter)nationale richtlijnen en adviezen
verwijst de Raad naar de bijlage.
3.     Koppeling financiële verslaglegging en innovatief
       vermogen
In de adviesaanvraag wordt een indirect verband gelegd tussen het kennis-
vriendelijker maken van de financiële verslaglegging en het innovatief vermo-
gen. Daar wordt immers gesteld dat de financiële verslaglegging de basis
vormt waarop financiële instellingen besluiten om al dan niet risico-dragend
kapitaal aan de desbetreffende onderneming te verstrekken. De Raad zet bij
deze (indirecte) koppeling een groot vraagteken.
Natuurlijk is het voor veel bedrijven van groot belang toegang te hebben tot
extern kapitaal om hun groeipotenties te verwezenlijken. De Raad meent ech-
ter dat de weg hiertoe niet moet worden gezocht in het kennisvriendelijker
maken van de financiële verslaglegging via regels en procedures met het oog
op het op de balans opnemen van immateriële activa. Het is moeilijk zo niet
onmogelijk uitvoerbaar, en het is ook niet nodig.
Dat het moeilijk zo niet onmogelijk uitvoerbaar is, is in verschillende studies
beargumenteerd en toegelicht. In de bijlage bij dit advies zijn enkele studies
naar voren gehaald die er op wijzen dat het waarderen van immateriële activa
zeer moeilijk uitvoerbaar is en soms zelfs onmogelijk. Er kleven zeer serieuze
praktische bezwaren aan de waardebepaling van immateriële activa. Er zijn
geen adequate methoden beschikbaar; bijgevolg blijft het giswerk met, bij for-
malisering, alle juridische complicaties van dien. Het is volgens de Raad dan
ook terecht dat de Nederlandse wet in dezen zeer stringente voorwaarden ver-
bindt aan het opnemen van immateriële vaste activa op de balans. Er zijn ook
principiële bezwaren met name wat betreft het op de balans activeren van
human capital: werknemers zijn nu eenmaal geen bezit van de onderneming en
kunnen - met hun kennis - de onderneming verlaten. De Raad wil hier met
name refereren aan de OESO-studie (1996) die wijst op de praktische en princi-
piële bezwaren; ook de recente KPMG-studie (1996) komt tot de conclusie dat
het activeren van human resources op de balans van ondernemingen niet reëel is.
De Raad sluit zich bij de conclusies van deze studies aan.
                                                              A W T - A D V I E S 3 3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  Het is ook niet nodig. Bij het beschikbaar stellen van risico-kapitaal gaat het
  om verwachtingen over toekomstige groei. Deze groeipotenties zijn niet vast
  te leggen via uniforme regels en procedures. Ieder bedrijf moet op zijn eigen
  manier de weg zien te vinden naar de kapitaalverschaffers. Financiële analis-
  ten, participatiemaatschappijen, banken en institutionele beleggers blijken
  heel goed in staat te zijn de waarde van in een bedrijf aanwezige kennis en
  deskundigheid te beoordelen. De kapitaalverschaffers hebben ook hun eigen
  methoden om groeipotenties in te schatten. De aansluiting tussen vragers en
  aanbieders van risicokapitaal kan altijd verbeterd worden. Formele regels en
  procedures voor de financiële verslaglegging helpen hierbij niet.
  Dit laat onverlet dat bedrijven zelf - om uiteenlopende redenen - zowel voor
  intern als extern gebruik, allerlei alternatieve methoden en technieken ont-
  wikkelen om hun kennispotentie te kwantificeren. In de bijlage bij dit advies
  staan daarvan voorbeelden. Het is aan de ondernemingen zelf om desgewenst
  hiertoe initiatieven te ontwikkelen. De Raad ziet hier echter geen rol wegge-
  legd voor de overheid.
  4.    Conclusie
  De Raad acht het terecht dat de Nederlandse wet inzake de jaarrekening zeer
  stringente eisen stelt aan het opnemen van immateriële vaste activa op de
  balans. Hij beveelt geen herziening aan van de regels en procedures om de
  externe financiële verslaglegging en verantwoording kennisvriendelijker te
  maken. Op het terrein van het ontwikkelen van alternatieve methoden voor
  het kwantificeren van het kennispotentieel van ondernemingen ziet de Raad
  geen rol weggelegd voor de overheid.
  Aldus vastgesteld te Den Haag, 6 maart 1998
  Dr.ir. H.L. Beckers
  voorzitter
  Dr. A. van Heeringen
  secretaris
4 A W T - A D V I E S  3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                        Bijlage
A W T - A D V I E S 3 3       5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>6 A W T - A D V I E S 3 3</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                                                                          Inleiding
  Deze bijlage gaat over de mogelijkheden om de waarde van kennis in onder-
  nemingen als een bezit te meten. Hierbij zijn minstens drie vragen aan de
  orde:
- wat is kennis?
- is de kennis eigendom van de onderneming?
- hoe kan de waarde van de kennis gemeten worden?
  Kennis
  Hier wordt voor een pragmatische aanpak gekozen. Er wordt geen poging
  gedaan via allerlei onderscheidingen (data, informatie, kennis, wijsheid) het
  begrip kennis nader af te bakenen. Dit is ondoenlijk, te meer omdat er
  naast expliciete kennis - kennis die overdraagbaar en in principe meetbaar
  is - ook nog eens impliciete kennis (tacit knowledge) is: ervaringskennis die
  niet in handboeken ligt opgeslagen.
         Bij kennis in ondernemingen, wordt vaak gedacht aan harde kennis,
  bijvoorbeeld in de vorm van R&D. Maar de uitgaven voor R&D vormen maar
  een deel van de totale uitgaven aan kennis. Voor Nederland als geheel (over-
  heid, bedrijven en burgers) heeft het CPB voor het jaar 1992 alle immateriële
  investeringen op een rijtje gezet:
  De uitgaven voor R&D maken dus ca. 16,5% van de totale immateriële investe-
  ringen uit. De uitgaven voor onderwijs (incl. bedrijfsopleidingen) zijn veel
  hoger. Ook de uitgaven voor marketing (zachte kennis) liggen op een hoog
  niveau.
                                                                   A W T - A D V I E S 3 3        7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>        De immateriële investeringen vormen 55% van de totale materiële inves-
  teringen (in 1992: 114,25 miljard). In deze bijlage ligt het accent op twee vor-
  men van kennis: de kennis van de werknemers en de kennis opgeslagen in
  R&D, intellectueel eigendom en software. Later in de bijlage komen ook ande-
  re vormen van kennis, met name marktkennis, aan de orde.
  Kennis als bezit van een onderneming
  De bezittingen (activa) van een onderneming staan op de balans. In de
  Nederlandse wet (Titel 9 Boek 2 BW inzake jaarrekening, jaarverslag en
  overige gegevens) ontbreekt echter een definitie van een bezit (actief). Wèl
  wordt in de wet een opsomming van de verschillende activa gegeven, zoals
  gebouwen, machines, voorraden en dergelijke. In hoofdstuk 1 wordt nader
  ingegaan op de immateriële activa en de vraag of opleidingskosten, R&D-uitga-
  ven en intellectueel eigendom hieronder kunnen vallen. Het zal duidelijk zijn
  dat vooral de kennis van de werknemers moeilijk als een actief kan worden
  beschouwd; immers, werknemers kunnen de onderneming verlaten en hun
  kennis meenemen.
  Het meten van het kennisbezit
  Bij het meten van het kennisbezit van een onderneming doet zich het pro-
  bleem voor dat soms de waarde niet bekend is. Wanneer een onderneming
  een licentie heeft, dan is daarvoor een prijs betaald die richtinggevend is
  voor de waarde. Maar wanneer een onderneming zelf een uitvinding heeft
  gedaan en hierop een octrooi heeft, hoe moet de waarde van dat octrooi
  dan gemeten worden? Bij immateriële activa is het dus van belang of het
  actief zelf is opgebouwd of is ingekocht. Hoofdstuk 1 gaat verder in op
  deze problematiek.
        Het op de balans zetten van het kennisbezit is een manier om inzicht te
  krijgen in de kennis die is opgeslagen in een onderneming, maar er zijn ook
  alternatieven. In de bijlage van het jaarverslag zou een onderneming bijvoor-
  beeld indicatoren kunnen opnemen over de opgebouwde/ingekochte
  kennis. In hoofdstuk 2 wordt hierop verder ingegaan.
8 A W T - A D V I E S    3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                   Immateriële
In dit hoofdstuk wordt na een positiebepaling van de Nederlandse wetge-
ving in internationaal verband (par. 1) het begrip immateriële activa afgeba-
                                                                                        1
                                                                                        activa
kend (par. 2). Vervolgens wordt ingegaan op het belang van het activeren van
immateriële bezittingen op de balans (par. 3). Aansluitend (in par. 4) komen
de voor- en tegenargumenten aan bod wat betreft de praktische en principiële
(on)mogelijkheden.
      Na deze inleidende paragrafen wordt dieper ingegaan op de (inter)natio-
nale wetgeving inzake jaarrekeningen. De waardering van human resources
wordt apart behandeld (in par. 5) vanwege het feit dat de kennis van werkne-
mers niet tot het bezit van een onderneming kan worden gerekend. Daarna
(in par. 6) worden de immateriële activa behandeld die vanuit de optiek van
de AWT relevant zijn (m.n. R&D en intellectueel eigendom).
                       De     Nederlandse                wet
De Nederlandse wet, (inter)nationale richtlijnen en commentaren
                                                                en    internationale
In dit hoofdstuk komen diverse officiële bronnen ter sprake. Zij worden
                                                                                          1.1
                                                                                         richtlijnen
kortheidshalve aangeduid met: de Nederlandse wet, het IASC, IAS 9, E50,
RJ-richtlijn, en RJ-beschouwing.
                                                                A W T - A D V I E S 3 3            9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>           Het International Accounting Standards Committee (IASC) heeft in
   1989 zijn Framework for the Preparation and Presentation of Financial Statements uit-
   gegeven. De Raad voor de Jaarverslaggeving heeft dit document vertaald
   onder de titel Ontwerp-Stramien voor de opstelling en vormgeving van financiële over-
   zichten. Gemakshalve wordt met de aanduiding IASC naar deze documenten
   verwezen. In de IAS 9 heeft het IASC de verwerking van onderzoeks- en ont-
   wikkelingskosten (R&D) geregeld. Betreffende de overige immateriële activa
   heeft het IASC een proposed International Accounting Standard Intangible Assets,
   Exposure Draft E50 (1995) gepubliceerd; deze publicatie wordt voortaan aan-
   geduid als E50. In augustus 1997 is de E50 vervangen door de E60; hierin zijn
   de E50 en de IAS 9 geïntegreerd. Verder is gebruik gemaakt van enkele
   beschouwingen over en commentaren bij de Nederlandse wet1.
   De Nederlandse wet in EU-verband
   De Nederlandse wet is op 1 januari 1984 in werking getreden en verving de
   Wet op de Jaarrekening van Ondernemingen (WJO) uit 1971. De nieuwe
   wet werd bij de totstandkoming ervan ook wel de Aanpassingswet 4e EG-Richtlijn
   genoemd. De nieuwe Nederlandse wet is inderdaad geïnitieerd door de
   Europese Gemeenschap. Dit moge duidelijk maken dat een eventueel nodig
   geachte herziening van de regels en procedures, waarover in de
   EZ-adviesaanvraag wordt gesproken, met de lidstaten van de EU afgestemd
   moet worden.
           Artikel 362 van de Nederlandse wet lijkt echter voor multinationale
   ondernemingen uitwijkmogelijkheden te bieden. Lid 1 van dat artikel luidt:
   De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer
   als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord
   oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede
   voor zover de aard van de jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en
   de liquiditeit van de rechtspersoon. Indien de internationale vertakking van
   zijn groep dit rechtvaardigt kan de rechtspersoon de jaarrekening opstellen
   naar de normen die in het maatschappelijk verkeer in een van de andere lid-
   staten van de Europese Gemeenschappen als aanvaardbaar worden beschouwd
   en het in de eerste volzin bedoelde inzicht geven. Indien de rechtspersoon van
   deze mogelijkheid gebruik maakt wordt door hem hiervan in de toelichting
   melding gemaakt.
           In de praktijk blijkt deze ontsnappingsclausule een dode letter te zijn.
   Een Nederlandse dochteronderneming van een in de EU gevestigde moeder-
   maatschappij mag de regels van een andere lidstaat toepassen indien voldaan
   wordt aan de eis dat het in de eerste volzin bedoelde inzicht wordt gegeven.
   Het commentaar van Burgert, Timmermans en Joosten (zie voetnoot 1) is dat
   men in Artikel 362 lid 1 in de eerste plaats een erkenning kan vinden van de
   voortgeschreden harmonisatie van de jaarrekeningenregelen in de EEG. Die
   1 Prof.mr.drs. H. Beckman, Het nieuwe jaarrekeningenrecht; Titel 9 Boek 2 BW; Deventer/Rotterdam:
   Kluwer Bedrijfswetenschappen i.s.m. Moret Ernst & Young, 1990. Drs. A. De Bos RA en prof.drs. F.
   Krens, Immateriële vaste activa, in: M.N. Hoogendoorn (Red.), J. Klaassen en F. Krens, Externe ver-
   slaggeving in theorie en praktijk; 1997, p. 299-335. Prof.drs. R. Burgert RA, prof.mr. C.W.A.
   Timmermans, mr. H.F.J. Joosten, De jaarrekening nieuwe stijl; Deel 2 - Commentaar op de artikelen 360-414
   boek 2 BW en de artikelen 999-1002 Rv; Alphen a/d Rijn: Samsom H.D. Tjeenk Willink, 1990. Dr. F.G.
   Volmer RA en drs. F.A.M.J. Faas, Externe verslaggeving nieuwe stijl; Boekel: InterFaas onderzoek en
   advies, 1994.
10 A W T - A D V I E S           3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>  erkenning, schrijven zij, is echter aan een nationale voorwaarde verbonden:
  die andere normen moeten het zelfde inzicht geven als de Nederlandse nor-
  men! Wat met de ene hand wordt gegeven, wordt met de andere teruggeno-
  men. Het valt overigens niet te ontkennen dat het jaarrekeningenrecht in de
  lidstaten uiteenloopt door de verschillende manieren waarop van de in de
  Richtlijnen geboden opties is gebruik gemaakt, terwijl de Richtlijnen belang-
  rijke aspecten (belastingen, vreemde valuta) in het geheel niet regelen. Voorts
  heeft de moeizame discussie, die aan de totstandkoming van de Richtlijnen is
  voorafgegaan, wel aangetoond dat de achterliggende nationale normen soms
  sterk uiteenlopen. Aan de eis van hetzelfde inzicht zal dus zelden kunnen
  worden voldaan.
                                                                  Wat     zijn
  De term immateriële activa wordt kortheidshalve gebruikt, maar is strikt
  genomen niet correct; er dient gesproken te worden over de immateriële
                                                                                              1.2
                                                                                     immateriële activa?
  vaste activa. In de Nederlandse wet worden de activa namelijk onderscheiden
  in vaste en vlottende activa, al naar gelang zij zijn bestemd om de uitoefening
  van de werkzaamheid van de rechtspersoon al of niet duurzaam te dienen.
  Onder de vlottende activa vallen: voorraden, vorderingen, effecten en liquide
  middelen. Vaste activa onderscheiden zich doordat ze duurzaam een bijdra-
  ge leveren aan het bedrijfsresultaat. Het begrip duurzaam is niet helemaal
  duidelijk; het valt niet samen met het begrip omlooptijd, omdat onder de
  vlottende activa ook vorderingen kunnen verschijnen, die een langere looptijd
  hebben dan één jaar. Hoe dan ook, de vaste activa worden geacht ook in de
  toekomst een bijdrage aan het bedrijfsresultaat te leveren. Dit is in verband
  met de immateriële (vaste) activa een belangrijke eis. Kunnen de R&D-uitga-
  ven bijvoorbeeld direct aan één productiecyclus worden toegeschreven - en
  moeten ze derhalve direct ten laste van de winst- en verliesrekening worden
  gebracht - of genereren de R&D-uitgaven naar verwachting (ook) opbrengsten
  in de toekomst - en kunnen ze derhalve worden geactiveerd en dus afgeschre-
  ven?
        Onder de vaste activa vallen de immateriële vaste activa, de materiële
  vaste activa en de financiële vaste activa. De materiële activa zijn bedrijfsge-
  bouwen en -terreinen, machines en installaties en dergelijke. Op de
  financiële vaste activa (bijvoorbeeld deelnemingen in groepsmaatschappijen)
  wordt hier niet nader ingegaan.
        In de Nederlandse wet wordt geen definitie van immateriële vaste activa
  gegeven; er ontbreekt zelfs een definitie van het begrip actief. Wèl wordt
  een opsomming gegeven van mogelijke immateriële vaste activa:
a kosten die verband houden met de oprichting en met de uitgifte van aande-
  len;
b kosten van onderzoek en ontwikkeling (R&D);
c kosten van verwerving ter zake van concessies, vergunningen en rechten van
  intellectueel eigendom;
d  kosten van goodwill die van derden is verkregen;
e vooruitbetalingen op immateriële vaste activa.
                                                                 A W T - A D V I E S  3 3             11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                  Deze lijst is niet limitatief; ook andere posten, zoals uitgaven voor bedrijfsop-
                  leidingen, zouden onder de immateriële activa kunnen vallen. Van belang
                  is daarom een definitie van een immaterieel actief. Het IASC definieert
                  immateriële vaste activa als volgt: Immateriële vaste activa zijn te identifice-
                  ren niet-fysieke activa, die niet tot de financiële vaste activa worden
                  gerekend, en welke:
                - door een onderneming worden beheerd ten behoeve van het voortbrengen van
                  goederen en diensten, verhuur en administratieve doeleinden; en
                - waarvan de verwachting is dat zij meerdere perioden meegaan.
                  De twee criteria zijn ook op materiële activa van toepassing, dus het enige
                  verschil tussen materiële en immateriële vaste activa schuilt in de gedaante2.
                  De RJ-richtlijn en de RJ-beschouwing sluiten hierbij aan: onder immateriële
                  vaste activa worden begrepen die vaste activa welke niet stoffelijk van aard
                  zijn en evenmin onder de financiële vaste activa kunnen worden begrepen.
                         Zoals gezegd ontbreekt in de Nederlandse wet een definitie van een
                  actief, maar volgens het IASC en de RJ is een actief een uit gebeurtenissen
                  in het verleden voortgekomen, door de onderneming beheerd middel, waaruit
                  in de toekomst naar verwachting economische voordelen naar de onderne-
                  ming zullen vloeien. Vaste activa worden ingedeeld naar hun gedaante:
                  materieel (fysiek) en immaterieel of financieel (niet-fysiek). Immateriële
                  activa worden beschouwd als een restcategorie, namelijk niet-fysiek en niet
                  tot de financiële vaste activa behorend.
                         De vraag is echter of die restcategorie in een kennissamenleving inmid-
                  dels niet zodanig omvangrijk is geworden, dat eerder over een hoofdcatego-
                  rie gesproken zou moeten worden. Over deze vraag handelt de volgende
                  paragraaf.
1.3
Het toenemend belang         van        immateriële                     activa
                  De jaarrekening (balans + winst- en verliesrekening en de toelichting) van veel
                  ondernemingen geeft onvoldoende informatie over hun waarde en de toe-
                  komst. Bij beursgenoteerde ondernemingen wijkt het eigen vermogen vaak
                  sterk af van de beurswaarde (aantal aandelen x koers). Dat is niet verwonder-
                  lijk, want de jaarrekening is retrospectief, terwijl de beurswaarde de toe-
                  komstverwachtingen van de beleggers weerspiegelt. Niettemin wordt er
                  gezocht naar indicatoren die meer informatie geven.
                  Alternatieve indicatoren
                  Een aantal ondernemingen, waaronder Siemens en Credit Suisse First Boston,
                  gebruiken EVA als alternatieve indicator. De door Stern Stewart & Co. ontwik-
                  kelde EVA staat voor Economic Value Added: het rendement op investeringen
                  minus de totale kapitaalskosten. EVA is een indicator die meer op de toekomst
                  is gericht, want er wordt rekening gehouden met drie factoren: cash flow
                  (winst plus afschrijvingen plus mutaties in voorzieningen), risico, en tijds-
                  2 Niet alle niet-fysieke activa zijn immateriële vaste activa. De financiële vaste activa (deelnemingen
                  en dergelijke) zijn immers ook niet fysiek
12                A W T - A D V I E S         3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>duur. Stern Stewart & Co. claimt dat EVA statistisch gezien 50% van de koers-
wisselingen verklaart.
        C. Boonstra heeft bij Philips het begrip rona ingevoerd: return on net assets.
Bij Deutsche Morgan Grenfell hanteert men een variant van de EVA, namelijk
Cash Return On Capital Invested, ofwel CROCI.3
        Onlangs kondigde M. Tabaksblat aan dat Unilever met een nieuwe indi-
cator zal gaan werken: TSR ofwel Total Shareholder Return4. Niet langer is de
nettowinst de toetssteen - te veel op de korte termijn gericht -, maar het creë-
ren van waarde op lange termijn. Bij de berekening van TSR zal worden uitge-
gaan van de koersstijging van het aandeel Unilever in de voorgaande drie jaar.
In die periode is zes keer dividend uitgekeerd; dit wordt voor de berekening
herbelegd in het aandeel. Het verschil tussen de oude koers en de nieuwe
(inclusief de dividenden) wordt uitgedrukt in een percentage. Het is de bedoe-
ling dat Unilever zijn TSR zal vergelijken met twintig andere vergelijkbare
ondernemingen.
Beurswaarde en eigen vermogen
Het is algemeen bekend dat de waarde van een onderneming niet is af te lezen
aan de jaarrekening. De kloof tussen het op de balans genoteerde eigen vermo-
gen en de beurswaarde wordt almaar groter. In een lezing merkte Keith
Bradley, Professor of International Management van de Open University (UK)
op: Over the past 20 years there has been a significant widening of the gap
between the values of enterprises in corporate balance sheets and investor
assessments of these values. The gap indicates that, on average, roughly 40 per
cent of the market value of large public corporations is missing from the
balance sheet. For knowledge intense companies the percentage of assets mis-
sing from the balance sheet is over 100.5
3 F. Van Empel, Bedrijven waarderen, Elsevier, 3-1-1998, p. 73-74.
4 R. Otten en E. van der Walle, Unilever meet succes aan koers, NRC Handelsblad, 8 november 1997.
5 Keith Bradley, Creating wealth through intellectual capital. Lezing gehouden tijdens de confe-
rentie Increasing Corporate Power through Knowledge Management, 3-4 november 1997 te Londen.
                                                                              A W T - A D V I E S   3 3 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>          Niet alleen kennisintensieve ondernemingen hebben ten opzichte van
   hun balans een hoge beurswaarde, ook merken (Coca-Cola) spelen een
   belangrijke rol [zie kader op de vorige pagina].
          Karl E. Sveiby heeft de verschillen tussen het eigen vermogen en de
   beurswaarde van een groep (Amerikaanse) ondernemingen naar sector
   uitgesplitst6. Daaruit blijkt dat de farmaceutische industrie (veel R&D en
   merknamen) en de voedings- en genotmiddelenindustrie (merknamen) het
   hoogst scoren (beurswaarde meer dan 3,5 keer de boekwaarde). Vóór de high
   tech sectoren (consumentenelectronika en ICT) komen de uitgeverijen,
   tv- en filmproductiebedrijven, en adviesbureaus. Als de immateriële activa,
   de intangible assets, de belangrijkste verklaring vormen voor de kloof tussen
   boek- en koerswaarde - een deel is toe te schrijven aan andere factoren die de
   beursstemming bepalen -, dan is het duidelijk dat die immateriële activa niet
   alleen op kennis betrekking hebben, maar ook op merknamen en een stevige
   marktpositie (Microsoft). Overigens is het verschil tussen beurs- en boekwaar-
   de niet alleen te verklaren door het niet activeren van immateriële activa, maar
   ook door de directe afboeking van gekochte goodwill van het eigen vermogen.
          In een artikel verwijst Hoogendoorn naar een onderzoek naar 149
   Nederlandse beursfondsen7. Bij 35 ondernemingen was de beurswaarde lager
   dan het eigen vermogen, met als uitschieter in 1993 Phoenix Beheer waarvan
   de beurswaarde slechts 46% bedroeg van het eigen vermogen. Bij 44 onderne-
   mingen was de beurswaarde meer dan twee maal het eigen vermogen, met
   Wolters Kluwer als uitschieter (1435%).
   Goodwill
   Tegen het voorgaande zou men kunnen inbrengen, dat alleen naar de
   beursgenoteerde ondernemingen is gekeken en dat eenmansbedrijven, vofs
   en de meeste kleine en middelgrote bvs buiten beschouwing zijn gelaten;
   juist deze ondernemingen vormen de meerderheid8. Dat is waar, maar het
   verschil tussen marktwaarde en boekwaarde is ook bij deze ondernemingsvor-
   men te zien, namelijk wanneer zij worden verkocht c.q. overgenomen.
   Zelden wordt dan een prijs conform de boekwaarde betaald. De meerwaarde
   wordt goodwill genoemd. Dit is in feite een verzamelbegrip, waar de
   immateriële activa een (belangrijk) deel van uitmaken. Het inzicht in de
   werkelijke waarde van een onderneming zou toenemen wanneer van de
   goodwill de aanwijsbare immateriële activa (merknamen, octrooien e.d.)
   zouden worden afgesplitst, zodat een kleinere goodwill als black box zou
   resteren.
   6 Karl E. Sveiby heeft tot voor kort in het Zweeds gepubliceerd. Bovenstaande informatie is ontleend
   aan zijn engelstalige website: http://www2.eis.net.au/ karlerik/IntangAss/MarketValue.html.
   7 M. Hoogendoorn, Aandeelhouderswaarde en jaarrekening, MAB, juli/augustus 1997, p. 334-335.
   Hoogendoorn verwijst naar P.H.A. van Hulsen, Beurswaarde en externe verslaggeving, TBA, mei
   1996, p. 181-192.
   8 Terzijde zij opgemerkt dat de Nederlandse wet (Titel 9 Boek 2 BW inzake jaarrekening, jaarverslag
   en overige gegevens) niet van toepassing is op vofs.
14 A W T - A D V I E S         3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                          Activeren             van     immateriële
  De voorgaande paragraaf liet zien dat er een (enorme) kloof bestaat tussen
                                                                                  activa: pro
                                                                                              1.4
                                                                                              en contra
  de boekwaarde van een onderneming en de werkelijke economische waarde
  (op de beurs of bij overname). Het gevolg is dat ondernemingen die veel in
  kennis en intellectueel kapitaal investeren - maar deze kosten direct afboe-
  ken van de winst- en verliesrekening - een laag bedrijfsresultaat laten zien ten
  opzichte van de marktwaarde, maar een hoog resultaat ten opzichte van het
  eigen vermogen en de activa. De conclusie moet zijn, dat de jaarrekening
  steeds minder informatie geeft.
        Velen zijn van mening dat de financiële en boekhoudkundige instru-
  menten niet langer voldoen. De gebruikte methodes en indicatoren stammen
  nog uit de tijd, waarin welvaart voornamelijk ontstond uit een combinatie
  van kapitaal, materiële activa en arbeid, terwijl volgens de OESO de helft
  van de welvaartsgroei te danken is aan intellectueel kapitaal. Nieuwe instru-
  menten ten behoeve van de externe verslaglegging lijken derhalve
  nodig. Deze zouden idealiter aan de volgende eisen moeten voldoen:
- naast materiële activa rekening houden met immateriële activa;
- in plaats van gebeurtenissen/transacties zou meer aandacht moeten worden
  gegeven aan het waardevormingsproces;
- de huidige jaarrekening is gericht op het verleden; een nieuw stelsel van indi-
  catoren zou meer toekomstgericht moeten zijn;
- naast het huidige accent op kosten, zou een nieuw stelsel informatie moeten
  geven over de vorming van waarde;
- naast financiële informatie, zou een nieuw stelsel ook niet-financiële informa-
  tie moeten kunnen geven.
  In de vorige paragraaf werden enkele alternatieve indicatoren genoemd, met
  name EVA en TSR. Deze indicatoren geven waardevolle informatie. Alfred
  Jackson, director Global Equity Research van Credit Suisse First Boston, merkt
  over EVA op: It leads our analysts to ask the relevant questions about value
  creation. Bij de aankondiging van TSR zei M. Tabaksblat: Winstgroei komt
  niet voldoende overeen met waardecreatie. Zeker niet voor de korte termijn.
  Het is zelfs denkbaar dat eenzijdig nastreven van kortetermijnwinstgroei op
  de lange termijn waarde vernietigt. De economische waarde van een bedrijf
  hangt af van zijn mogelijkheid om een duurzame kasstroom te genereren.
        Hier wordt geen oordeel gegeven over deze en andere alternatieve indi-
  catoren. Wèl schuilt er een gevaar, namelijk dat een enkel cijfer een eigen
  leven gaat leiden. Bradley (voetnoot 5) merkt over EVA op: [...] managers are
  increasingly using EVA as a single performance measure. This is dangerous.
  Why? Because it is similar to replacing all the dials in the cockpit of a Boeing
  747 with just one which unambiguously indicates when things go wrong.
  Although with one dial a pilot would know immediately when things went
  wrong, such a dial could never indicate the underlying problem and so a pilot
  could never take corrective action.
        Zonder ook maar iets te willen afdingen op genoemde indicatoren, zou
  men kunnen stellen dat de mogelijkheden om immateriële activa op de
  balans te zetten [zie par. 5 en par. 6 van dit hoofdstuk], serieuze aandacht
  verdienen. De argumenten pro, die in het voorgaande zijn genoemd, laten
                                                                  A W T - A D V I E S 3 3           15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>     het belang van het vraagstuk zien. In Nederland heeft P. Van Hoesel, directeur
     van het EIM, bij diverse gelegenheden hiervoor gepleit9. Het EIM heeft
     inmiddels enig verkennend onderzoek verricht. Het ligt in de bedoeling dat
     het instituut samen met een aantal grote accountantsbureaus en enkele
     van hun cliënten een pilot study gaat verrichten. Met name de belangstelling
     vanuit de wereld van de accountancy is opvallend. In dit verband is het
     interessant hier te vermelden dat prof.dr. M.N. Hoogendoorn RA van Moret
     Ernst & Young, tevens lid van de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ), onlangs
     een pleidooi heeft gehouden om immateriële activa op de balans te waarderen
     [zie voetnoot 7].
     Tegenargumenten
     Niettemin zijn de meningen verdeeld. Een internationale deskundige op dit
     terrein, Baruch Lev, Philip Bardes Professor of Accounting and Finance at
     New York Universitys Stern School of Business, is in een recent artikel10
     ingegaan op de tegenargumenten:
   1 De opbrengsten van immateriële uitgaven zijn te onzeker om de uitgaven als
     activa te beschouwen.
   2 Het vaststellen van de waarde van immateriële activa is een uiterst subjectieve
     bezigheid.
   3 De kosten van de immateriële posten staan in geen verhouding tot hun werke-
     lijke waarde in het licht van toekomstige opbrengsten.
     Volgens Baruch Lev snijden deze argumenten weinig hout.
             Ad. 1: onzekere opbrengsten. Dit argument wordt veelal door managers
     en financiële analisten naar voren gebracht, maar de investeerders/beleggers
     handelen reeds alsof zij immateriële posten kapitaliseren; zie de enorme ver-
     schillen tussen boek- en beurswaarden.
             Ad. 2: subjectieve waardering. Dit lijkt een steekhoudend argument,
     maar de subjectiviteit is een gevolg van een gebrek aan informatie. Zouden
     managers meer interne informatie aan de kapitaalmarkt verschaffen, dan
     zou het vertrouwen van investeerders toenemen.
             Ad. 3: gebrekkige relatie waardeopbrengsten. De kosten verschillen
     inderdaad van de werkelijke waarde, maar dat geldt ook voor materiële vaste
     activa. Uit onderzoek naar recente acquisities blijkt volgens Lev dat er een
     hoge correlatie is tussen de betaalde prijzen en de cumulatieve R&D van de
     overgenomen ondernemingen. While not identical, capitalized values may
     provide reasonable proxies for fair market values of intangibles.
     Het belang van immateriële uitgaven lijkt onomstreden. Over de wenselijkheid
     om de posten ook daadwerkelijk op de balans te activeren lopen de meningen
     echter uiteen. Dit laat onverlet om naar de mogelijkheden te kijken die de
     Nederlandse wet biedt. In de volgende paragrafen wordt hierop ingegaan.
     Eerst komt de benadering van de Human Resource Accounting (HRA) ter sprake
     9 Zie Bijlage 1, Werken aan de kennissamenleving: verslag van de conferentie van 7 mei 1996 en aan-
     bevelingen, AWT-advies nr. 26, Reactie op het Wetenschapsbudget 1997, oktober 1996, blz. 20.
     10 B. Lev, The Old Rules No Longer Apply: accounting needs new standards for capitalizing intangi-
     bles, ASAP, April 7, 1997.
16   A W T - A D V I E S         3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>  (par. 5). Dit is een lastig vraagstuk, maar het staat internationaal (OESO, EU)
  sterk in de belangstelling. Het leek erop dat HRA als een academische kwestie
  terzijde moest worden geschoven, maar dankzij de groeiende aandacht voor
  immateriële activa in het algemeen (par. 6) - waarvan de human resources een
  onderdeel zijn -, alsmede de internationale discussie over knowledge manage-
  ment, kan het HRA-debat in een stroomversnelling komen.
                                                                    Human
  De benadering van de Human Resource Accounting (HRA) bestaat al minstens
  25 jaar. De beweging begon als een academisch vraagstuk en leek, tot voor
                                                                                             1.5
                                                                                   Resource Accounting
  kort, als zodanig van het toneel te verdwijnen.
         Het American Accounting Associations Committee on Human Resource
  Accounting omschreef in 1973 HRA als: the process of identifying and
  measuring data about human resources and communicating this information
  to interested parties11. Investeringen in personeel (werving, selectie, HRM,
  opleidingen) worden in de regel direct ten laste van het bedrijfsresultaat
  gebracht, wat deflattering van het resultaat betekent. HRA wordt gekenmerkt
  door enerzijds de verdeling van de investeringen in arbeid over meerdere
  perioden dan alleen het boekjaar en anderzijds de waardering op basis van
  toekomstige opbrengsten.
         Aan HRA zijn zowel praktische als principiële bezwaren verbonden. De
  praktische bezwaren hebben betrekking op het meten van de waarde van
  de kennis van werknemers. Het principiële bezwaar is dat werknemers
  geen bezit van een onderneming zijn en derhalve niet als activa kunnen
  worden beschouwd.
  Praktische en principiële bezwaren
  Met de HRA-benadering wordt geprobeerd twee vragen te beantwoorden:
1 Wat is de verwachte waarde van de bijdrage die een werknemer (of groep van
  werknemers) aan de onderneming zal leveren?
2 Hoe hoog is de kans dat een werknemer bij een onderneming blijft werken?
  Of men vraag 1 nu probeert te beantwoorden op basis van historische kosten,
  vervangingswaarde, opportunity costs, salariskosten of gecorrigeerde arbeids-
  kosten, het meetprobleem blijft praktisch niet te overbruggen. De kosten van
  werving, selecteren, trainen, inwerken en opleidingen zijn redelijk in kaart te
  brengen - dat geldt ook voor de materiële vaste activa, zoals gebouwen en
  machines -, maar de toekomstige opbrengsten over meerdere jaren zijn nau-
  welijks te schatten. Een gebouw of machine heeft een bepaalde (economische)
  levensduur. Over de afschrijvingsduur zijn daarom redelijke afspraken te
  maken. Maar hoe lang gaat de kennis van een werknemer mee? Daar komt bij
  dat werkervaring een niet geringe rol speelt. In steeds meer gevallen is (hoog-
  gekwalificeerd) werken een vorm van leren. Wanneer houdt dat werkend leren
  op en slaat het om in routine? Verder speelt het probleem van de separeerbaar-
  heid; een eis die aan activa wordt gesteld. De bijdrage van een werknemer aan
  11 Volmer en Faas, op. cit. [voetnoot 1], p. 275.
                                                                  A W T - A D V I E S 3 3           17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>     een onderneming is namelijk het resultaat van zowel persoons- als organisa-
     tiekenmerken. Door de toenemende verwevenheid van mens en techniek - bij-
     voorbeeld op het terrein van ICT - is moeilijk vast te stellen aan wie c.q. waar-
     aan de bijdrage moet worden toegeschreven: aan de persoon die er (eventueel
     dankzij een cursus) mee overweg kan of aan de hard- en sofware?
             De tweede vraag - hoe hoog is de kans dat een werknemer bij een onder-
     neming blijft? - is praktisch te beantwoorden. Men kan, eventueel uitgesplitst
     naar functiecategorieën, het gemiddelde personeelsverloop vaststellen en
     daarmee de levensduur van het actief human resource bepalen. Die levens-
     duur kan door loyaliteit verlengd worden, mede dankzij de arbeidsvreugde
     (HRM), salarisverhoging, tantièmes, aandelen/opties en bonussen. Maar het
     principiële probleem blijft overeind: een werknemer is geen bezit (actief) van
     een onderneming. Dat geldt zeker voor Nederland waar iemand gemiddeld
     negen keer in het werkzame leven van baan verandert (in de VS zes keer)12.
             De aanhangers van HRA proberen de waarde van mensen als actief
     meetbaar te maken. Hun gelijk schuilt erin dat de uitgaven aan human
     resources ondernemingen inderdaad op lange termijn voordelen brengen.
     Toch leiden de praktische en principiële bezwaren ertoe dat de uitgaven als
     kosten en niet als investeringen worden beschouwd; reden waarom HRA
     lange tijd als academische Spielerei werd gezien. Onlangs kwam daar echter
     verandering in, mede door toedoen van de OESO en de EU.
     Aandacht voor HRA van OESO en EU
     In 1996 bracht het secretariaat van de OESO een rapport uit waarin HRA -
     herdoopt als Human Resource Costing and Accounting (HRCA) - serieus tegen het
     licht werd gehouden13. Dit rapport lag ten grondslag aan een OESO-seminar
     in datzelfde jaar. Uit het rapport en het seminar kwamen enkele belangrijke
     conclusies naar voren:
   - Het activeren van menselijke kennis op de balans van een onderneming stuit
     op praktische en principiële bezwaren14.
   - Een alternatief voor activering is om in een bijlage bij het jaarverslag informa-
     tie op te nemen over het intellectueel kapitaal van een onderneming. Die
     informatie zou andere dan alleen financiële indicatoren kunnen omvatten.
     Eveneens in 1996 publiceerde de Europese Commissie een Witboek over
     hetzelfde onderwerp15. Één van de doelstellingen in dit Witboek luidde:
     treat capital investment and investment in training on an equal basis.
     Opmerkelijk is dat hierbij zowel over de private als over de publieke investerin-
     gen wordt gesproken. Ook de Europese Commissie meent dat de scholingsuit-
     12 Interview met F. Goldschmeding, bestuursvoorzitter van Randstand, in De Financiële Telegraaf, 29
     maart 1996.
     13 OECD, Measuring What People Know: Human Capital Accounting for the Knowledge Economy; Parijs, 1996.
     Het rapport is van de hand van Riel Miller van het OESO-secretariaat.
     14 Alleen voetbalclubs konden hun human resources dankzij het transfer-systeem op de balans zetten,
     maar sinds het arrest van het Europese Hof inzake de affaire Bosman komt daar een einde aan. Top-
     voetballers verdienen nog steeds hoge salarissen, maar zijn in principe vrij om te gaan en te spelen
     waar zij willen.
     15 European Commission, Teaching and Learning: Towards the Learning Society; Luxembourg, 1996.
18   A W T - A D V I E S       3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>gaven door ondernemingen op de balans gewaardeerd zouden moeten wor-
den, maar of en hoe dat kan gebeuren, is niet aangegeven.
KPMG-studie
In Nederland heeft de Minister van OCenW de aandacht gevestigd op de
investeringen in menselijk kapitaal. In een recent gehouden toespraak zei
minister J. Ritzen: We zullen ernaar toe moeten dat menselijk kapitaal op
de balans van zowel bedrijven als de staatshuishouding een plaats krijgt.16
Ook minister Ritzen spreekt over de private en publieke investeringen.
        Het Ministerie van OCenW heeft aan het Bureau voor Economische
Argumentatie (BEA), onderdeel van KPMG, opdracht gegeven een onderzoek
te doen naar de mogelijkheden van een kennisbalans. In het KPMG/BEA-rap-
port wordt geconcludeerd dat het activeren van kennis en human resources op
de balans van ondernemingen niet reëel is17. Daarbij worden dezelfde bezwa-
ren aangevoerd als die in het begin van deze paragraaf zijn genoemd. Toch
zijn er volgens KPMG/BEA alternatieven buiten de jaarrekening. Hiermee
sluit het rapport aan bij de tweede optie van de OESO: ondernemingen zou-
den in een bijlage van hun jaarverslag informatie kunnen opnemen over hun
investeringen in menselijk kapitaal. In het KPMG/BEA-rapport worden vijf
ondernemingen als voorbeeld genoemd: KPMG, Albert Heijn, AEG, KEMA en
Skandia. Deze voorbeelden worden hieronder samengevat. Alleen het voor-
beeld van Skandia wordt hier buiten beschouwing gelaten, omdat de aanpak
van deze Zweedse verzekeringsmaatschappij vanwege de bredere strekking
aparte aandacht verdient; zie hoofdstuk 2.
        KPMG zelf gebruikt een methode die inzicht biedt in het functioneren
van individuele medewerkers en het belang van investeringen in het verbete-
ren van dat functioneren. De methode is een instrument voor intern HRM.
Voor elk van de vier onderscheiden functiegroepen, van directeur tot en met
junior adviseur, zijn zes competenties geformuleerd: klantgerichtheid, markt-
gerichtheid, mensgerichtheid, resultaatgerichtheid, persoonlijke effectiviteit,
en professionaliteit. KPMG-medewerkers worden op deze zes competenties
beoordeeld (van A= functioneert boven de gestelde eisen tot en met
D= functioneert niet volgens de gestelde eisen). Op basis van deze Scorecard
wordt een personal development plan vastgesteld, waaruit scholings- en
trainingsprogrammas voortvloeien. Ook in andere organisaties wordt een
soortgelijke aanpak gevolgd. Met name bij de Rijksoverheid is het gebruike-
lijk gestructureerde beoordelingsgesprekken (het geven van een cijfer) af te
wisselen met functioneringsgesprekken waarin scholings- en trainingsbehoef-
ten een belangrijk onderwerp zijn. Vanuit de optiek van HRA is een nadeel
van deze en vergelijkbare benaderingen, dat ze een intern HRM-instrument
zijn. Van externe verslaglegging is geen sprake.
        Albert Heijn heeft twee medewerkers onderzoek laten doen naar het ren-
dement van de opleidingen van afdelingsmanagers. Het onderzoek is uitge-
mond in een proefschrift en is te beschouwen als een geslaagde poging om de
16 Investeren in mensen; toespraak van minister J. Ritzen ter gelegenheid van het regionale kennisde-
bat Leren te leren; de ontwikkeling van menselijk kapitaal; Universiteit Maastricht, 20 januari
1997.
17 KPMG Bureau voor Economische Argumentatie, Kennis in balans; Amsterdam: Max Goote
Kenniscentrum voor Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie, juli 1996.
                                                                               A W T - A D V I E S    3 3 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>   investeringen in scholing zowel intern als extern te verantwoorden. Hetzelfde
   geldt voor een soortgelijk onderzoek van AEG naar de kosten en baten van de
   duale beroepsopleidingen. In Duitsland bestaat nauwelijks voltijds beroeps-
   onderwijs; de leerlingen werken onder begeleiding van een Meister bij een
   Lehrbetrieb en volgen op school in deeltijd theoretisch onderwijs. Interessant
   aan het AEG-onderzoek is dat naast de meetbare kosten (loonkosten leerlin-
   gen, begeleiding e.d.) en de baten (productieve arbeid van de leerlingen,
   besparingen op werving, selectie en inwerkkosten e.d.) ook niet gekwantifi-
   ceerde baten zijn meegenomen (minimalisering van niet-functionerend perso-
   neel en de kosten van personeelsverloop, alsmede het imago van de onderne-
   ming als Lehrbetrieb).
          Een bijzonder experiment is de kennisbalans van KEMA. Daarin wordt
   onderscheid gemaakt tussen expliciete kennis (schriftelijk vastgelegd en insti-
   tutioneel verankerd in de organisatie door middel van procedures, databases
   e.d.) en impliciete kennis (het kennen en kunnen van het personeel).
   Expliciete kennis is eigendom van KEMA, de impliciete kennis (tacit knowledge)
   berust bij de medewerkers. In de kennisbalans is gepoogd de economische
   waarde van de twee kennissoorten vast te leggen. Het betreft een experiment,
   dat wil zeggen: KEMA heeft een pilot group van slechts 10 werknemers geselec-
   teerd en met vragenlijsten en vraaggesprekken informatie verzameld; de in-
   formatie is vervolgens geëxtrapoleerd naar alle werknemers van KEMA (in
   1994: 1.000). De verzamelde informatie had betrekking op 4 meetpunten: 1) de
   (opleidings)tijd die nodig is om binnen KEMA als volgroeid expert te kunnen
   functioneren; 2) het aantal mensen in een team dat over vergelijkbare kennis
   beschikt; 3) de mate waarin kennis wordt uitgewisseld/gedeeld binnen een
   team, en 4) de halfwaardetijd van kennis.
          Bij de extrapolatie van de informatie van de 10 medewerkers naar het
   voltallige personeel zijn enkele veronderstellingen gehanteerd: nieuwe mede-
   werkers worden na 2 jaar productief, nieuwe medewerkers zijn na 5 jaar
   expert en derhalve is de jaarlijkse afschrijving van de kennis 20%, de restwaar-
   de van de afgeschreven expertkennis is nihil, en de kennisvoorraad wordt
   voortdurend op peil gehouden (met andere woorden, na afschrijving van het
   actief kennis wordt een reserve aangelegd). Opmerkelijk resultaat van deze
   exercitie is dat de aldus berekende waarde van de KEMA-kennis hoger is dan
   die van de materiële activa op de 1994-balans van KEMA, namelijk 700 mijoen
   gulden. De helft daarvan bestaat uit expliciete kennis (eigendom van KEMA),
   de andere helft is de impliciete kennis van de medewerkers. De expliciete
   KEMA kennis bestaat voor het overgrote deel uit ervaring belichaamd in rap-
   porten, een zeer klein deel uit ervaring opgedaan buiten KEMA en ongeveer
   30% uit ervaring opgedaan binnen KEMA. De impliciete kennis van de mede-
   werkers bestaat voor ongeveer een kwart uit de vooropleiding, een zeer klein
   gedeelte uit know-how als gevolg van training, een groter gedeelte uit erva-
   ring opgedaan buiten KEMA, en circa de helft uit ervaring opgedaan binnen
   KEMA. Bij elkaar opgeteld laten de deelbalansen een interessant fenomeen
   zien: ca. 35% van de KEMA-kennis ligt opgeslagen in interne rapporten18 en
   18 Ook bij organisatie-adviesbureau Berenschot wordt veel waarde gehecht aan een expertsysteem
   bestaande uit een database van rapporten, waaruit de adviseurs kunnen putten. Zie het interview
   met drs. R.H.P.W. Kottman, voorzitter Berenschot Groep, in: Ton Langendorff, De kunst van het
   innoveren: combineren van zachte en harde kennis; 20 ondernemers aan het woord; Den Haag: SDU [AWT-
   achtergrondstudie nr. 10], oktober 1997.
20 A W T - A D V I E S         3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>ca. 40% is ervaringskennis (werken is leren)19. Vooropleiding, extra training
en eerdere werkervaring blijken bij elkaar genomen een gering deel (25%) van
de KEMA-kennisbalans uit te maken. Uiteraard is de KEMA-exercitie om tal
van redenen (kleine pilot-groep van 10 medewerkers, diverse veronderstellin-
gen en waardetoekenningen) aanvechtbaar, maar, zo vertelden de zegslieden
van KEMA aan KPMG/BEA, het interne kennismanagement is er enorm door
gestimuleerd.
De HRA-benadering en alternatieve benaderingen
De term HRA is inmiddels omgedoopt tot HRCA, Human Resource Costing
and Accounting. Recent is een speciaal tijdschrift op de markt verschenen:
het Journal of Human Resource Costing and Accounting.
        Ulf Johanson vergelijkt de HRCA-aanpak met die van de BSC, de Balanced
Scorecard20. BSC is breder; de school beperkt zich niet tot menselijk kapitaal,
maar probeert met (niet-financiële) indicatoren het totale kennis-arsenaal van
een onderneming in kaart te brengen. Het al eerder genoemde
maar niet nader toegelichte voorbeeld van Skandia is een toepassing van
de BSC-methode.; hierop wordt in hoofdstuk 2 verder ingegaan. De BSC-aan-
pak is namelijk wezenlijk anders, maar er zijn ook al tientallen, voornamelijk
Zweedse, ondernemingen die met behulp van BSC verslag doen aan de buiten-
wereld over hun kennisarsenaal; dat laatste kan niet van HR(C)A gezegd wor-
den.
        De HRCA-methode staat te boek als financieel-kwantitatief. BSC staat
voor een alternatieve aanpak, waarin niet-kwantitatieve indicatoren worden
opgenomen. Ulf Johanson citeert de geestelijke vader van BSC, Karl Erik
Sveiby: It is tempting to try to design a measuring system equivalent of
the double entry bookkeeping with money as the common denominator. It
is an established framework with definitions and standards and therefore
common sense. This is precisely the reason why we should break with it.
I believe that the combination of a manufacturing perspective and a financial
focus prevents managers from seeing the new, largely intangible, world
that is emerging. If we measure the new with the tools of the old, we
wont see the new.
        Dit moge waar zijn, maar de HR(C)A-school heeft zijn toevlucht tot
financiële indicatoren genomen om managers te overtuigen van het belang
van HRM. De kennisbalans van KEMA is daar een voorbeeld van; de bereke-
ningen die ten grondslag liggen aan die balans zijn aanvechtbaar, maar
de exercitie heeft wèl het management overtuigd van het belang van HRM.
Ulf Johanson laat twee managers aan het woord: 1) Previously, I only thought
in terms of personnel costs. I think in another way now. What is it worth...
how much may it cost? I have started to look at things in a different light.
19 Op de maatschappelijke overwaardering van cursorisch leren, de onderschatting van werkerva-
ring (werken is leren) en het belang van het erkennen van in de praktijk verworven kwalificaties,
heeft de AWT gewezen in zijn bijdrage aan het kennisdebat. Zie AWT-advies nr.28, Een werkzaam
leven lang leren, juli 1997
20 U. Johanson, Increasing the Transparency of Investments in Intangibles; lezing gehouden op
het congres Changing Workplace Strategies: Achieving Better Outcomes for Enterprises, Workers and Society,
georganiseerd door het Ministerie van Arbeid van Canada in samenwerking met de OESO; Ottawa,
2-3 december 1996.
                                                                                   A W T - A D V I E S     3 3 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>     If we invest in this person - we can get something in return. I hadnt realised
     that before. I only regarded it as a problem. It costs money. En 2) I have
     always thought that personnel are more valuable than machines and now
     HRCA has given us a new tool to work with.
             Managers kunnen met cijfers overweg, niet met vage HRM-verhalen.
     Vandaar dat de HRM-aanhangers met HRA hun gelijk probeerden te krijgen.
     Ulf Johanson: Balance sheet valuation is not a key issue in HRCA; it is merely
     one among several others. Een ander sterk argument is, zo vertelde Larry
     Prusak, Managing Principal van IBM Consulting Group USA, en
     voorzitter van het congres Knowledge Management in Londen (3-4 novem-
     ber 1997): als je het topmanagement wilt overtuigen van HRM en/of HRA, zeg
     dan dat de concurrentie er al mee bezig is. Kortom, als de top er eenmaal in
     gelooft - op grond van cijfermateriaal of uit concurrentieoverwegingen -,
     komen zaken pas echt van de grond21.
     De rol van de overheid
     Wat kan de overheid doen? De OESO, de Europese Commissie en ook
     minister J. Ritzen zien het belang van HR(C)A in. Maar wat kan de overheid
     daaraan bijdragen? In het al eerder genoemde KPMG/BEA-rapport worden
     enkele aanbevelingen gedaan. Een aantal daarvan heeft betrekking op het
     stimuleren van bedrijfsopleidingen (verplichte afdracht voor scholing en fiscale
     maatregelen); deze worden hier buiten beschouwing gelaten, want ze zijn niet
     relevant voor het onderhavige onderwerp (hoe de investeringen in menselijk
     kapitaal, en het rendement daarvan, zichtbaar te maken, al of niet op de
     balans).
   1 Rapportageverplichting
     Een eerste beleidsmogelijkheid is de rapportageverplichting. KPMG/BEA ont-
     leent deze optie aan het Centraal Accoord in Noorwegen waar grotere onder-
     nemingen zich verplicht hebben strategische plannen te presenteren waarin
     de huidige en in de toekomst noodzakelijke competenties van het personeel
     worden aangegeven, alsmede de maatregelen om de ontbrekende competen-
     ties te bereiken. Het betreft hier geen wettelijke verplichting, maar een
     afspraak tussen sociale partners.
             Hierbij kan worden opgemerkt, dat in Nederland al lange tijd bij de
     CAO-onderhandelingen afspraken worden gemaakt over de zogenaamde
     O&O-fondsen voor scholing. Weliswaar hebben de meeste onderhandelingen
     betrekking op een hele bedrijfstak en niet op afzonderlijke ondernemingen,
     toch komt het voor, zoals onlangs in de verzekeringsbranche, dat op basis
     van case studies bepaalde ondernemingen op hun scholingsbeleid worden
     aangesproken22.
             In België bestaat op dit punt wèl een wettelijke verplichting. Eind 1995
     is de Wet houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor
     werkgelegenheid in werking getreden. Ondernemingen zijn verplicht een
     21 In een interview met Exec! zegt Bjorn Wolrath, Chief Executive Skandia AFS: We have a key exe-
     cutive, our director of intellecutal assets [...]. So my role at the beginning was to be a coach, making
     sure that he is moving into the organization in a smooth way [...].
     22 Verzekeraars doen te weinig aan scholing, NRC Handelsblad, 12 december 1997.
22   A W T - A D V I E S         3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>  sociale balans te maken die samen met de jaarrekening wordt opgesteld. De
  sociale balans moet de volgende onderdelen bevatten23:
- staat van de tewerkgestelde personen, inclusief uitzendkrachten;
- personeelsbewegingen tijdens het boekjaar;
- staat over het gebruik van de maatregelen ten gunste van de werkgelegenheid;
- inlichtingen over de opleidingen voor de werknemers tijdens het boekjaar.
2 HR databanken
  In het KPMG/BEA-rapport wordt gepleit voor het inrichten van databanken
  met HR-gegevens. Dergelijke databanken zouden het voor ondernemingen
  mogelijk kunnen maken hun eigen vertrouwelijke informatie te vergelijken
  met het gemiddelde van andere ondernemingen uit hun bedrijfstak.
  KPMG/BEA verwijst naar de Zweedse hoogleraar Ulf Johanson die het initia-
  tief heeft genomen om een dergelijke databank op commerciële basis te star-
  ten. In Nederland zou, zo stelt het KPMG/BEA-rapport, de overheid een soort-
  gelijk initiatief kunnen aanmoedigen door het beschikbaar stellen van een
  startsubsidie.
         Deze mogelijkheid bestaat voor een deel al in Nederland. Het CBS publi-
  ceert gegevens over bedrijfsopleidingen per bedrijfstak en bedrijfsgrootte.
  Individuele ondernemingen kunnen hun eigen inspanningen hieraan spiege-
  len.
         Verder mag hier het initiatief van Prof.dr.ir. M.C.D.P. Weggeman (TUE)
  niet onvermeld blijven. Weggeman heeft een kennismanagementscan
  ontwikkeld. Deze scan meet niet de hoeveelheid kennis binnen een onderne-
  ming, maar de mate waarin een onderneming aan kennismanagement doet.
  Daarbij kunnen de respondenten zelf hun rapportcijfers bepalen. De scan
  omvat 6 onderdelen: vaststellen benodigde kennis, inventariseren beschikbare
  kennis, kennis ontwikkelen, kennis delen, kennis toepassen, en kennis evalu-
  eren. De scan is inmiddels in een aantal organisaties uitgevoerd, maar dit aan-
  tal is nog te klein om daaruit voor een bepaalde branche betrouwbare referen-
  tiewaarden te destilleren. Bij het recente boek van Weggeman24 is een exem-
  plaar van de vragenlijst gevoegd. Degene die een geanonimiseerde versie aan
  Weggeman toestuurt, krijgt in ruil daarvoor de op dat moment bekende
  referentiewaarden.
                                            R&D           en      rechten
  In deze paragraaf wordt ingegaan op de mogelijkheden om R&D en rechten
  van intellectueel eigendom als immateriële vaste activa op de balans op te
                                                                                       van        intellectueel
                                                                                                                1.6
                                                                                                                eigendom
  nemen.
         In de literatuur wordt opgemerkt dat door (beursgenoteerde) onderne-
  mingen een terughoudend beleid wordt gevoerd; zelden worden in de prak-
  tijk de (beperkte) mogelijkheden benut25, behalve bij het activeren van
  23 Zie Riské & Co Bedrijfsrevisoren, Newsletter, 1 oktober 1996.
  24 Mathieu Weggeman, Kennismanagement: inrichting en besturing van kennisintensieve organisaties;
  Schiedam: Scriptum, 1997.
  25 Vergelijk de bijdrage van drs. Dick van Offeren, The Netherlands, in: Pacific Investment
  Research, Inc., Fundamental Analysis Worldwide - Investing and Managing Money in International Capital
  Markets, Volume 4, Western Europe (N-Z), edited by Haksu Kim, 1996.
                                                                                 A W T - A D V I E S     3 3          23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>   uitgaverechten. Toch valt het nogal mee. Uit diverse onderzoekingen, o.a.
   van NIVRA, blijkt dat, afhankelijk van het soort immaterieel vast actief,
   gemiddeld 10% van de beursgenoteerde ondernemingen de mogelijkheden
   gebruiken.
           In andere landen zijn minder mogelijkheden voor het activeren van
   immateriële investeringen. Als een mogelijke verklaring kan gelden, dat in
   landen als Frankrijk, Duitsland en België de wettelijke band tussen de com-
   merciële en de fiscale balans sterker is dan in Nederland (en het VK) of dat de
   eisen strenger zijn (in de VS is bijvoorbeeld het activeren van R&D-kosten ver-
   boden, en daaruit afgeleid vindt geen afschrijving plaats). Anders dan in
   Nederland vloeit in deze landen de fiscale jaarrekening in beginsel uit de com-
   merciële jaarrekening voort, zij het dat er enige correcties dienen plaats te vin-
   den26. Wanneer er een sterkere koppeling bestaat tussen de commerciële en
   de fiscale jaarrekening, hebben ondernemingen er gezien de vennootschaps-
   belasting belang bij immateriële investeringen direct ten laste van het resul-
   taat te brengen; hierdoor zijn de investeringen immers direct fiscaal aftrek-
   baar, terwijl bij activering fiscale aftrekbaarheid pas in latere jaren ontstaat
   (namelijk bij afschrijving).
           Men zou dus kunnen stellen dat Nederland wat betreft de wettelijke
   mogelijkheden voor het opnemen van immateriële vaste activa op de balans
   voorop loopt ten opzichte van de VS en de meeste Europese landen, zij het dat
   de mogelijkheden in Nederland bepaald niet ruim te noemen zijn. Hieronder
   wordt op enkele bijzonderheden van de Nederlandse wet ingegaan. Daarna
   zal aandacht worden besteed aan enkele immateriële vaste activa, te weten
   R&D en rechten van intellectueel eigendom.
   Activering, waardering en afschrijving
   Tussen de Nederlandse wet, de richtlijnen van de Raad voor de
   Jaarverslaggeving (RJ) en die van het IASC bestaan verschillen - zie hieronder -
   maar in grote lijnen zijn enkele conclusies te trekken (zie kader op de volgen-
   de pagina).5
   De Nederlandse wet kent geen criteria voor activering. Wèl zijn er enkele beper-
   kingen. Bijvoorbeeld: zelf ontwikkelde goodwill en rechten van intellectueel
   eigendom mogen niet geactiveerd worden.
           De richtlijnen van de RJ en het IASC stellen stringente voorwaarden.
   Allereerst moet de waarschijnlijkheid dat het actief toekomstige economische
   voordelen voor de onderneming zal opleveren, aantoonbaar zijn. Ten
   tweede dient de kostprijs/waarde betrouwbaar vastgesteld te worden. De
   toekomstige voordelen zijn moeilijk vast te stellen, want het betreft een
   niet-fysiek actief, dat in de regel geen alternatieve aanwending heeft en
   niet afzonderlijk is te verkopen. Een immaterieel actief voldoet met andere
   woorden moeilijk aan een gefundeerde verwachting dat er ruimte voor
   26 Beide jaarrekeningen vormen de grondslag voor de winst- en verliesrekening. De commerciële
   jaarrekening van bvs en nvs is bedoeld ter informatie aan externe belanghebbenden, met name de
   aandeelhouders; met de fiscale jaarrekening wordt verantwoording afgelegd aan de fiscus. De fiscus
   stelt in Nederland andere eisen dan de Nederlandse Wet op de Jaarrekening. In de praktijk betekent
   dit, dat de fiscus minder ruimte biedt voor activering van immateriële investeringen dan de wet op
   de jaarrekeningen, zodat in principe de mogelijkheid bestaat dat de investeringen in het ene geval
   (fiscale jaarrekening) direct ten laste van de winst- en verliesrekening worden gebracht en in het
   andere geval (de commerciële jaarrekening) activering en dus afschrijving is toegestaan.
24 A W T - A D V I E S        3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>afschrijving zal bestaan, omdat het vaak niet identificeerbaar en separeerbaar
is. De kostprijs - het IASC gaat van de kostprijs uit, niet de waarde - is moeilijk
vast te stellen, niet zozeer als het actief afzonderlijk verworven is (gekocht) als
wel bij overname van een onderneming (omdat de immateriële activa veelal
een onlosmakelijk deel vormen van de gekochte goodwill) en zeker als het
actief zelf ontwikkeld is.
Voor de waardering van een actief hebben het IASC en de RJ geen voorkeur. In
principe zijn diverse grondslagen toegestaan: historische kostprijs,
vervangingswaarde of directe en indirecte opbrengstwaarde. Maar als het
om immateriële vaste activa gaat, stelt de Nederlandse wet alsook de RJ alleen
de verkrijgings- of vervaardigingsprijs als grondslag voor waardering.
De Nederlandse wet schrijft voor dat de afschrijving afgestemd moet worden op
de gebruiksduur. Voor R&D-kosten geldt specifiek een maximale afschrij-
vingsduur van 5 jaar, evenals, behoudens uitzonderingen, gekochte goodwill.
De RJ volgt de wet. De IAS 9 van het IASC betreffende R&D kent geen termij-
nen voor de afschrijvingsduur. De Financial Accounting Standards Board
(FASB) in de VS verbiedt activering van R&D-investeringen. De E 50 van het
IASC betreffende immateriële vaste activa exclusief R&D stelt een maximale
afschrijvingsduur van 20 jaar vast; uitzonderingen zijn echter mogelijk. De
E60 uit 1997 is soepeler ten aanzien van de maximale afschrijvingsduur dan
de E50: uitgangspunt is de beste schatting van de economische levensduur.
Er wordt echter een weerlegbaar vermoeden gehanteerd dat de economische
levensduur niet langer is dan 20 jaar. Indien een langere levensduur kan wor-
den onderbouwd, mag over deze langere levensduur worden afgeschreven.
                                                                A W T - A D V I E S 3 3 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>   Research & Development (R&D)
   Hier wordt de in het bedrijfsleven gangbare term R&D gebruikt. In de
   Nederlandse wet wordt gesproken over Onderzoek en Ontwikkeling (O&O). In
   de voormalige WBSO (thans Wet vermindering afdracht loonbelasting en
   premie voor de volksverzekeringen) wordt een andere terminologie gehan-
   teerd, namelijk Speur- en Ontwikkelingswerk (S&O), die beperkt is tot
   technisch onderzoek dat in Nederland wordt verricht en gericht is op fysieke
   producten of productieprocessen, sinds kort inclusief bepaalde soorten
   software.
           In de Nederlandse wet wordt nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen
   de twee activiteiten: onderzoek (research) en ontwikkeling (development).
   Onderzoek bestaat uit systematische activiteiten ter verkrijging van nieuwe
   wetenschappelijke kennis en inzichten. Ontwikkeling is de omzetting van
   nieuwe ideeën in plannen of ontwerpen van nieuwe of verbeterde producten
   of processen, voordat een besluit tot commerciële exploitatie wordt genomen;
   met andere woorden, de ontwikkeling houdt op vanaf het moment waarop tot
   productie of gebruik wordt overgegaan. Onder de R&D-kosten kunnen de
   octrooi- en licentiekosten worden opgenomen, maar ze kunnen desgewenst
   ook onder de aparte post rechten van intellectueel eigendom worden gere-
   kend.
           Het onderscheid tussen onderzoek enerzijds en ontwikkeling anderzijds
   is gebruikelijk, maar levert problemen op als de Nederlandse wet wordt
   toegepast27. Immers, voor de R&D-kosten geldt dat de waarschijnlijkheid
   moet worden aangetoond dat de kosten tot toekomstige voordelen zullen
   leiden. De Bos en Krens (zie voetnoot 1) merken in dit verband op:
   [...] aan het begin van het proces zullen de toekomstige voordelen nog onze-
   ker zijn. Naar gelang de activiteiten verder voortgang vinden, zal er meer
   zekerheid worden verkregen omtrent de resultaten en daarmee de economi-
   sche voordelen. Met andere woorden, de voordelen van onderzoek zijn zeer
   onzeker, terwijl de toekomstige opbrengsten van ontwikkeling zekerder
   worden naarmate het proces vordert. Het advies van deskundigen is dat
   over het algemeen met de afschrijving van ontwikkelingskosten gewacht
   kan worden tot het moment dat het actief is uitontwikkeld.
   De Nederlandse wet stelt dat de ontwikkelingskosten mogen worden geacti-
   veerd. De voorwaarde hierbij is dat activering dient te geschieden onder
   gelijktijdige vorming van een wettelijke reserve28. Verder moeten de R&D-
   kosten binnen 5 jaar worden afgeschreven.
   27 In Nederland, maar ook in Frankrijk en Duitsland, mogen kosten in verband met onderzoek noch
   commercieel noch fiscaal worden geactiveerd. Ontwikkelingskosten kunnen in Nederland en Frankrijk
   worden geactiveerd als zij op de balansdatum niet als verloren moeten worden aangemerkt.
   28 De wettelijke reserve is een parkeerpost op de balans; hieruit mag geen winst worden uitge-
   keerd. Weliswaar behoort de reserve tot het eigen vermogen, maar deze is verbonden aan de rechts-
   persoon (de onderneming). Het Nederlandse belastingrecht kent een dergelijke eis tot reserve niet,
   omdat die reserve er slechts toe dient om schuldeisers de zekerheid te bieden dat een bepaald kapi-
   taal niet voor uitkering aan de aandeelhouders wordt gebruikt. In het belastingrecht heeft een der-
   gelijke reserve geen zin.
26 A W T - A D V I E S        3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>  Uit een onderzoek naar 114 beursgenoteerde ondernemingen29 bleek het
  volgende:
- van de 114 onderzochte ondernemingen maakten in 1989 en 1990 50 onderne-
  mingen in het jaarrapport melding van R&D-activiteiten;
- van die 50 verwerkten 31 ondernemingen de R&D-kosten in de jaarrekening;
- 20 daarvan brachten de R&D-kosten direct ten laste van het resultaat, terwijl
  er bij slechts 11 ondernemingen sprake is van activering.
  Ook andere onderzoekingen, o.a. van NIVRA, laten zien, dat activering niet
  op grote schaal voorkomt. Toch vallen de aantallen (10% activeert) reuze mee
  als men let op de strenge eisen. Men zou ook verbaasd kunnen zijn over het
  aantal ondernemingen dat wel R&D-activiteiten verricht, maar deze niet of op
  een andere manier in de jaarrekening verwerkt (19 van de 50).
  Rechten van intellectueel eigendom
  Er zijn vele vormen van rechten van intellectueel eigendom [voortaan: intel-
  lectuele rechten]: concessies, vergunningen van overheidswege, octrooirecht,
  recht op een handelsnaam, merkrecht, auteursrecht, kwekersrecht, recht op
  een tekening of model, licentieovereenkomsten, knowhow-overeenkomsten,
  franchiseovereenkomsten, gebruiksrechten van databanken, abonnementsbe-
  standen, adressenbestanden en dergelijke.
          De argumenten pro en contra activering van intellectuele rechten zijn
  vrijwel dezelfde als die bij immateriële activa in het algemeen worden
  gebruikt. Een belangrijk argument pro is de (gedeeltelijke) oplossing van het
  zogenaamde goodwill-probleem. Dit vraagt om een korte toelichting.
          Bij overnamen van ondernemingen is veelal sprake van goodwill.De
  Nederlandse wet stelt dat de gekochte goodwill in 5 jaar moet worden afge-
  schreven, tenzij deze aan een aanzienlijk langer tijdvak kan worden toegere-
  kend; deze bepaling houdt echter geen beperking in. Bepalend is de economi-
  sche levensduur. Bij een afschrijvingsduur langer dan 5 jaar dienen de rede-
  nen hiervoor te worden vermeld. In de praktijk blijkt dat van deze langere
  afschrijvingsduur gebruik wordt gemaakt; een afschrijvingsduur van 20 of
  zelfs 40 jaar komt voor. In de VS is een maximale afschrijvingsduur van 40
  jaar toegestaan30. [Overigens is goodwill direct afboeken van het eigen vermo-
  gen in de VS verboden, terwijl de Nederlandse wet dit wèl toestaat.]
          In Nederland wordt echter in de praktijk gekochte goodwill meestal
  direct van het eigen vermogen afgeboekt. Daardoor ontstaan goede rentabili-
  teitscijfers, maar een slechtere vermogenspositie. De gedeeltelijke oplossing
  van de verslechterde vermogenspositie (hierboven aangeduid als het goodwill-
  probleem) kan eruit bestaan dat de goodwill wordt gesplitst in intellectuele
  rechten - deze spelen bij overnamen vaak een belangrijke rol - en de rest-
  goodwill. De intellectuele rechten kunnen dus als immateriële activa worden
  afgesplitst en dus afgeschreven, terwijl de rest-goodwill van het eigen vermo-
  gen kan worden afgeboekt. Over deze oplossing bestaat overigens onder des-
  kundigen geen eenstemmigheid.
  29 Gegevens ontleend aan De Bos en Krens [zie voetnoot 1] die verwijzen naar A.N.R.M. Hollander en
  R. Van der Wal, Onderzoek en ontwikkeling, in: M.N. Hoogendoorn en C.D. Knoops (Red.), Jaar In -
  Jaar Uit 6; Groningen, 1992, p. 41-54.
  30 Het IASC is voorstander van een maximale afschrijvingsduur van 20 jaar.
                                                                              A W T - A D V I E S    3 3 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>     Bij intellectuele rechten is het van belang of ze gekocht dan wel zelf verwor-
     ven zijn. Gekochte rechten mogen worden geactiveerd. Maar zelf verworven
     intelltuele rechten mogen dat niet, tenzij ze in de ontwikkelingsfase worden
     opgenomen onder de post onderzoek en ontwikkeling. Het voorwerk van
     uitvinders is dus in principe als immaterieel actief te beschouwen. Wanneer
     echter het intellectuele recht uiteindelijk een bijdrage aan de winst gaat leve-
     ren, is er in feite geen verschil meer met een gekocht intellectueel recht.
     Activering en afschrijven van zelf verworven intellectuele rechten zou dus ver-
     dedigbaar zijn, maar de Nederlandse wet staat dit niet toe.
     De Bos en Krens [zie voetnoot 1] verwijzen naar een drietal onderzoekingen
     onder beursgenoteerde ondernemingen, waaruit blijkt dat gemiddeld 10%
     van de ondernemingen geactiveerd intellectueel eigendom op de balans
     heeft staan. Het gaat met name om concessies, vergunningen en uitgaverech-
     ten, maar ook om software. Op deze laatste post wordt hieronder
     ingegaan.
     Software
     Activering van software hoeft niet per se te leiden tot een immaterieel vast
     actief. Afhankelijk van diverse factoren worden in de praktijk ook andere
     verwerkingsmogelijkheden gebruikt.
           De factoren die op de verwerking van invloed zijn, hebben betrekking
     op:
   - de herkomst (aangekocht of zelf ontwikkeld);
   - de bestemming (eigen gebruik of verkoop resp. gebruiksrecht aan derden);
   - type software (met hardware samenhangende systeemsoftware of hardware-
     onafhankelijke toepassingssoftware, en standaardsoftware of op de individu-
     ele behoeften afgestemde contractsoftware).
     De combinaties van deze factoren leveren verschillende verwerkingsvormen
     op:
   - onderhanden werk (intern in ontwikkeling zijnde contractsoftware voor
     extern gebruik);
   - materiële vaste activa (bijv. aangeschafte systeemsoftware voor intern gebruik);
   - immateriële vaste activa (intern ontwikkelde software voor intern gebruik);
   - immateriële vaste activa in de vorm van intellectueel eigendom (applicatiesoft-
     ware die op contractbasis is aangeschaft).
     De Bos en Krens [zie voetnoot 1] verwijzen naar een onderzoek onder 255
     beursgenoteerde ondernemingen. Daarvan maakten 29 ondernemingen
     melding van software in de jaarrekening (10%). Hiervan brachten 9 onderne-
     mingen de kosten direct ten laste van het resultaat, terwijl 20 hadden
     geactiveerd [8 onder materiële vaste activa en 12 onder immateriële posten
     (waarvan 4 onder onderzoek en ontwikkeling en 8 onder programmatuur)].
28   A W T - A D V I E S    3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                    Alternatieven van externe
In het vorige hoofdstuk werd Karl Erik Sveiby geciteerd: If we measure the
new with the tools of the old, we wont see the new. Het nieuwe is kennis. De
                                                                                  verslaglegging
                                                                                                         2
oude meetinstrumenten zijn geld en materie; kapitaal, grond, gebouwen en
machines, en arbeid. Het nieuwe is steeds meer niet-fysiek. Het levert geld op,
er wordt geld mee verdiend, maar in de boekhouding is de stoffelijke waarde
ervan steeds moeilijker in geld uit te drukken. Als de hoeveelheid materie
(grondstoffen) er steeds minder toe doet en de hoeveelheid informatie toe-
neemt, wordt het belangrijker maar ook moeilijker aan die informatie een eco-
nomische waarde toe te kennen conform boekhoudkundige maatstaven.
       Tijdens de conferentie Increasing Corporate Power through Knowledge
Management, gehouden op 3-4 november 1997 in Londen, gebruikte
Tom Stewart, Senior Editor van Fortune Magazine, de volgende metafoor:
de sleutel31. Vroeger waren sleutels zwaar; sommige (lopers) pasten op vele
sloten. De nieuwere sleutels waren niet alleen lichter, maar werden zodanig
vervaardigd, dat ze op slechts één slot pasten. De hoeveelheid materie
(zwaarte van het materiaal) was afgenomen; de hoeveelheid informatie die
de nieuwe sleutels bevatten - de kartels vormen de deurcode die toegang
verschaft -, was toegenomen. Sleutel en slot waren echter met elkaar
verbonden. Als de sleutel verloren was, moest het slot worden vervangen.
In het London Heathrow Hilton Hotel waar de conferentie werd gehouden,
kregen de gasten een flinterdun kaartje als sleutel met een magneetstrip
waarop de informatie (over het slot) was opgeslagen. Insert, remove and turn.
Minder materie en evenveel informatie. Als de gast het kaartje kwijtraakt,
hoeft niet het slot van de hotelkamer vervangen te worden, maar de
informatie in het sleutelkaartje wordt eenvoudig veranderd. Er zijn nu nog
vele kaartjes in omloop: giromaatpassen, telefoonkaarten - thans verzameld
op één chipper of chipkaart -, creditcards, hotelsleutels, spaarpassen voor Air
Miles, museumjaarkaarten; in portefeuilles zijn hiervoor diverse gleufjes inge-
ruimd. Binnenkort kan al deze informatie op één kaartje worden opgeslagen.
Nog minder materie en nog veel meer informatie.
       Hoe is het toch mogelijk, dat in de externe verslaglegging van onderne-
mingen de financiële verantwoording wordt gericht op materie en men
met de waarde van kennis c.q. informatie geen raad weet? Na de agrarische
revolutie werd een methode gevonden om de waarde van landbouwgrond uit
te drukken. De industriële revolutie leidde na decennialange discussies tussen
wetgevers, ondernemers en accountants tot afspraken over de waardering van
kapitaalgoederen (gebouwen en machines). De aanstormende kennissamenle-
ving laat ons echter met de mond vol tanden staan. De totale immateriële
investeringen in Nederland vormen al meer dan eenderde van alle
investeringen [zie de CPB-cijfers in de inleiding van deze bijlage]. En de
overwegend materiële activa op de balansen van ondernemingen die door het
31 Vergl. ook Thomas A. Stewart, Intellectual Capital: the New Wealth of Organizations, 1997.
                                                                                 A W T - A D V I E S 3 3  29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                 eigen vermogen worden gedekt, vormen grosso modo nog slechts de helft van
                 beurswaarde. Misschien moeten we doorgaan met pogingen om immateriële
                 zaken in geld uit te drukken - zie het vorige hoofdstuk -; de kennisrevolutie
                 wordt niet in één klap door de accountantswereld neergeslagen. Hoogendoorn
                 [voetnoot 7] verwacht rond het jaar 2000 de eerste additionele overzichten waar-
                 in zelfontwikkelde goodwill is geactiveerd, maar het zal z.i. nog wel zon 20
                 jaar duren voordat de wet- en regelgeving opname in de primaire geconsoli-
                 deerde jaarrekening toestaat.
                       In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan andere benaderingen.
                 Wellicht heeft Karl Erik Sveiby gelijk als hij stelt dat het nieuwe (kennis)
                 niet met oude meetinstrumenten (geld) is te waarderen.
                       In het vorige hoofdstuk par. 5 over Human Resource Accounting (HRA)
                 werd een KPMG/BEA-studie besproken. In het rapport werd een vijftal
                 ondernemingen ten voorbeeld gesteld: KPMG (intern HRM-beleid), Albert
                 Heijn en AEG (meten van het rendement van bedrijfsopleidingen), KEMA
                 (financiële kennisbalans) en Skandia. De laatstgenoemde onderneming
                 werd buiten beschouwing gelaten vanwege de afwijkende benadering. In
                 dit hoofdstuk staan de afwijkende benaderingen centraal.
2.1
Meettechnieken
                 Jean Graef noemt in haar boek Measuring Intellectual Capital van het
                 Amerikaanse Montague Instituut 12 technieken om intellectueel kapitaal te
                 meten. Niet alle zijn hier relevant, maar wèl:
               - Relative value: uitgangspunt is niet een kwantitatief doel, maar het proces van
                 kennisvorming (Buckman Laboratories werkt met deze techniek).
               - Balanced Scorecard (BSC): financiële maten worden aangevuld door gegevens
                 over marktkennis, het interne bedrijfsproces en (groeiende) kennis van de
                 werknemers (dit is de techniek waar Skandia mee heeft gewerkt).
               - Subsystem performance: het succes of de vooruitgang van een onderdeel van het
                 intellectueel kapitaal wordt gemeten (zo heeft Dow Chemical de opbrengsten
                 van de octrooien kunnen verbeteren).
               - Benchmarking.
               - Knowledge bank: met deze techniek worden de zaken compleet op hun kop
                 gezet; investeringen in kapitaalgoederen worden niet als activa maar als kos-
                 tenposten beschouwd, terwijl de salarissen niet als kosten maar juist als activa
                 worden behandeld.
               - Brand equity valuation: de economische waarde van een merk wordt gemeten in
                 termen van distributiebereik, vermogen om nieuw gelanceerde producten
                 erin onder te brengen e.d. (er zijn gespecialiseerde bureaus die de merkwaarde
                 kunnen schatten).
               - Colorized reporting: dit is niet zozeer een methode als wel een wijze van rappor-
                 teren; naast de zwart-wit financiële gegevens, wordt additionele informatie
                 gegeven die kleur toevoegt, zoals klanttevredenheid, rendement van scho-
                 ling e.d.
                 Enkele van deze technieken, naast andere, en voorbeelden van ondernemin-
                 gen die ze gebruiken, zullen in de rest van dit hoofdstuk uitgebreider ter
                 sprake komen.
30               A W T - A D V I E S     3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>  Sommige technieken zijn moeilijk toe te passen, omdat er allerlei subjectieve
  veronderstellingen en waardemetingen gemaakt moeten worden. Een een-
  voudig systeemmodel wordt gepresenteerd door Den Hertog en Huizenga32.
  Niet de kennis zelf wordt gemeten, maar de middelen die worden ingezet
  (input), de resultaten die dat oplevert (output) en de stroom tussen input en
  output (doorvoer).
                             de      organisatie,
  Karl Erik Sveiby33 onderscheidt drie intangible assets:
                                                                      het       personeel                       2.2
                                                                                                        Drie kennis-activa:
                                                                                                        en de marktpositie
- Internal structure: deze bestaat uit octrooien, concepten, modellen, computers
  en software, apparatuur, administratieve systemen en dergelijke. Deze activa
  zijn eigendom van de onderneming. Ook de bedrijfscultuur of de sfeer
  behoort tot de interne structuur. In het algemeen zou men hier ook over de
  organisatie kunnen spreken.
- External structure: deze omvat de relaties met de klanten en de toeleveranciers,
  merknamen, en de reputatie of het imago van de onderneming.
- Individual competence: kennis en kunde van het personeel, bedrijfsopleiding,
  ervaring of impliciete kennis, het vermogen om kennis te delen, sociale en
  communicatieve vaardigheden.
  32 Friso den Hertog en Edward Huizenga, De kennisfactor: concurreren als kennisonderneming; Deventer:
  Kluwer Bedrijfsinformatie, 1997, p. 272.
  33 Tenzij andere bronnen in de volgende paragrafen zijn vermeld, is de informatie over het werk van
  Sveiby ontleend aan zijn website http://www.sveiby.com.au, of zijn recente boek The New
  Organizational Wealth: Managing and Measuring Knowledge-Based Assets (San Francisco: Berrett-Koehler,
  1997) of aan zijn lezing Developing a Knowledge Focused Strategy tijdens de conferentie Increasing
  Corporate Power through Knowledge Management te Londen, 3-4 november 1997.
                                                                                 A W T - A D V I E S    3 3             31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>     Initiatieven om de interne structuur, de organisatie, te verbeteren
     Er zijn diverse mogelijkheden om de interne structuur te verbeteren: creëer
     een bedrijfscultuur waarin kennis wordt gedeeld, haal meer uit de bestaande
     kennis, probeer de impliciete kennis (tacit knowledge) expliciet te maken,
     probeer de onzichtbare activa (intangible assets) te meten, ook voor
     interne doeleinden. Van deze mogelijkheden zijn enkele voorbeelden te
     geven.
   - Creëer een bedrijfscultuur waarin kennis wordt gedeeld.
            Het Amerikaanse bedrijf 3M (met 60.000 producten) moedigt werkne-
     mers aan om te leren en risicos te nemen, terwijl van de managers wordt
     verwacht dat zij dit gedrag belonen zonder de revenuen uit het oog te
     verliezen. Analog Devices (VS) probeert de organisatie van een verdedigings-
     cultuur (community of advocates) om te buigen naar een vraagcultuur
     (community of inquires). Het Amerikaanse biotechnologiebedrijf Buckman
     Labs stimuleert kennisdeling door middel van KNetixTM. Dit intranet bevat
     drie onderdelen: [...] e-mail, personal home pages for each employee, and
     seven Forums. Each Forum includes a message bulletin board, a library
     and virtual conference rooms. Employees have access to all CompuServes
     global information services and to the internets World Wide Web.34
     Chaparral Steel (VS) heeft diverse initiatieven genomen: een platte organisatie,
     brede bedrijfsopleidingen, en blue collar workers zijn verantwoordelijk
     voor de contacten met de klanten. Bij Hewlett-Packard worden werknemers
     ondersteund dingen uit te proberen die niet werken. Het Deense Octicon is
     een spaghetti-organisatie; knowledge workers hebben geen vaste functie-
     omschrijving en werken uitsluitend op projectbasis. Bij WM-data (S) zijn
     werkeenheden met meer dan 50 medewerkers verboden.
   - Haal meer uit de bestaande kennis.
            Dow Chemical35 heeft bijna 17.000 van zijn octrooien in een database
     opgeslagen en ze ingedeeld in drie rubrieken: 43% behoorde tot current
     business use (zowel practice, defensive als license), 42% behoorde tot
     potential business use) en 15% had no business interest. Deze aanpak gaat
     ook toegepast worden op bedrijfsgeheimen, handelsnamen en andere
     intangible assets.
   - Probeer impliciete kennis expliciet te maken.
            Bij McKinsey wordt een database aangehouden, waarin de ervaring van
     elke advies-opdracht is opgeslagen, inclusief de namen van de adviseurs die
     eraan gewerkt hebben en reacties van de klanten [vergelijk Berenschot,
     voetnoot 18.]. British Petroleum heeft een communicatienetwerk geïnstalleerd
     bestaande uit video-conferencing, multi-media en e-mail.
   - Probeer de onzichtbare activa ook voor intern gebruik te meten.
            De voorbeelden van Celemi, Skandia en WM-data zullen verderop nog
     nader toegelicht worden. Het Deense PLS-Consult deelt opdrachtgevers in
     naar de mate waarin de adviseurs het meest van de opdrachten hebben
     geleerd. Telia is een Zweeds telecomonderneming en publiceert sinds 1990
     34 Ann Graham and Vincent Pizzo,  Competing on Knowledge: Buckman Laboratories
     International, Knowledge and Process Management, 4 (1997) nr. 1, p. 4-10.
     35 Gordon Petrash, Global Director of Intellectual Asset Management, Dow Chemical, Capitalising
     on Intellectual Assets, lezing gehouden tijdens de conferentie Knowledge Management [zie voet-
     noot 33].
32   A W T - A D V I E S        3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>  jaarlijks een sociale balans waarin de winsten en verliezen van
  personeelskosten worden vermeld, alsook de investeringen in opleidingen.
  Initiatieven om de externe structuur te verbeteren
  Het verbeteren van de externe structuur is een kwestie van geven en nemen.
  Van klanten kan meer kennis worden verkregen en de onderneming
  kan additionele kennis aan de klant geven.
- Haal kennis bij de klanten.
         Benetton (I) slaat dagelijks de verkoopcijfers van de honderden eigen
  boetieks, naar model en maat, op in een database die gekoppeld is aan de
  CAD- en CIM-systemen. Hetzelfde doet National Bicycle (Japan). GE heeft
  sinds 1982 een database waarin alle klachten van klanten zijn opgeslagen.
  Bij Ritz Carlton worden van elk persoonlijk contact met een gast gegevens
  opgeslagen. Deze gegevens, inclusief speciale gastenwensen, wordt uitge-
  draaid op het moment dat de gast weer (ergens) aankomt.
- Geef klanten extra informatie.
         Agro (VS) verkoopt mest en zaden; gegevens over de grond van de boer
  worden gecombineerd met weersvoorspellingen en gewas-informatie en
  deze gegevens worden aan de boer verstrekt.
  Initiatieven om de competenties van het personeel te verhogen
  Het instrument van duale carrières wordt door veel bedrijven gebruikt:
  specialisten kunnen een managementfunctie krijgen en omgekeerd. En
  uiteraard zijn bedrijfsopleidingen een aangewezen middel om de competen-
  ties van het personeel te verhogen.
         Een andere mogelijkheid is: creëer een micro-omgeving voor de transfer
  van impliciete kennis. Zo worden interviews en grote artikelen bij een
  Zweeds zakenblad door teams van senioren en junioren geschreven. Bij
  Hewlett-Packard wordt in open kantoortuinen gewerkt36. Bij Honda en ande-
  re Japanse ondernemingen krijgen medewerkers meer informatie dan ze voor
  hun taak nodig hebben; zo ontstaat een gevoel van medeverantwoordelijkheid
  en kunnen innovatieve oplossingen uit onverwachte hoeken komen. Xerox
  heeft comfortabele plekken waar medewerkers met een zekere regelmaat
  elkaar kunnen ontmoeten, de distributed coffee pot. Hetzelfde heeft Nestlé
  in zijn R&D-laboratorium in Zwitserland gedaan, maar tijdens een middagbe-
  zoek bleken de koffiecorners telkens verlaten.
  Wat, zo kan men zich afvragen, heeft deze lange opsomming met het meten
  van kennis te maken? De genoemde initiatieven kunnen vermeld worden in
  een bijlage bij het jaarverslag; de ermee gemoeide kosten kunnen daarbij
  genoemd worden. Ook is het denkbaar dat de resultaten van de initiatieven
  aangeduid worden. Zo vertelde Robert Buckman, vice-voorzitter van de Board
  van Buckman Laboratories, tijdens het al eerder genoemde congres
  Knowledge Management [zie voetnoot 33] over het beleid ter
  stimulering van kennisdeling: Our Global Knowledge Sharing has allowed
  us to increase the percentage of our sales that are from products that are
  less than five years old from 14 percent in 1987 to 34.6 percent in 1996.
  36 Vergelijk het interview met Cor Stutterheim, executive chairman CMG, in Langendorff, op. cit
  [voetnoot 18].
                                                                            A W T - A D V I E S   3 3 33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>2.3
Vier voorbeeldbedrijven
                  IBM
                  De ondernemingen die in hun externe verslaglegging aandacht besteden aan
                  indicatoren van kennisactiva, werken niet allemaal met de driedeling van
                  Sveiby (intern, extern, personeel). Amerikaanse bedrijven werken vooral met
                  de Balanced Scorecard, een methode ontwikkeld door Kaplan en Norton37, al
                  maakt ABB Sweden er ook gebruik van. Een voorbeeld is IBM dat een
                  Intellectual Capital Management (ICM) executive sorecard publiceert in de bijlage
                  van het jaarverslag38.
                  WM-data
                  WM-data is een Zweeds adviesbureau voor IT-toepassingen. Het heeft een
                  monitoring systeem ontwikkeld waarin de belangrijkste intangible assets in
                  de tijd worden gevolgd. De indicatoren staan in het jaarverslag vermeld.
                         Centraal staat de Revenu Creating Person (RCP). De RCPs zijn de consul-
                  tants en de stafmedewerkers die direct met de klant samenwerken. Niet-RCPs
                  zijn de administratieve medewerkers. Het aandeel van de niet-RCPs mag niet
                  hoger zijn dan 10%. Dit is de eerste indicator. Sinds 1991, toen het aandeel
                  niet-RCP op 10% lag, is dit aandeel gedaald tot ca. 9%.
                  37 R. Kaplan and D. Norton, The Balanced Scorecard; Harvard Business Press, 1996.
                  38 Barbara Smith, Chief Knowledge Officer IBM Global Services, Creating and Sustaining a
                  Knowledge Sharing Culture at IBM, lezing gehouden tijdens het in voetnoot 33 genoemde congres
                  Knowledge Management.
34                A W T - A D V I E S      3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>         Een tweede indicator is de staff turnover; het personeelsverloop. Deze
  moet binnen een bandbreedte van 7-10% liggen. Tot 1993 lag deze indicator
  daaronder, maar in 1995 was het maximum van 10% bereikt.
         WM-data neemt veel jonge mensen van de universiteit aan om te voorko-
  men dat de modale leeftijd - de norm is 34 jaar - niet te hoog wordt. De
  laatste twee jaar is het aantal junioren (rookies) enorm toegenomen en is
  de senioriteit van de staf - de derde indicator - nu eigenlijk te laag; de
  balans tussen productieve senioren en minder productieve rookies is te
  ver doorgeschoten naar de junioren.
         Junioren zijn in de door snelle ontwikkelingen gekenmerkte IT-wereld
  echter ook een aanwinst, want zij brengen veel nieuwe kennis mee. Het aantal
  ervaringsjaren in de IT-branche - de vierde indicator - zegt iets over de mate
  waarin nieuwe kennis WM-data binnenkomt. De helft van de staf heeft min-
  der dan 10 jaar IT-ervaring.
         De laatste indicator is de toegevoegde waarde en de winst per RCP. De
  toegevoegde waarde per RCP is nauwelijks met 1% toegenomen. De bijdrage
  aan de winst is gegroeid van SEK 101.000 per RCP in 1991 naar SEK 137.000 in
  1995.
  Celemi
  Het voorbeeld van WM-data laat zien, dat voor een inzicht in de intangible
  assets niet per se een zeer groot aantal indicatoren nodig is. Celemi, een
  Zweeds trainingsinstituut (the power of learning) gaat een stap verder.
  Het volgt de driedeling van Sveiby: our customers (external structure), our
  organization (internal structure), our people (competence). De Celemi
  Intangible Assets Monitor is nu twee keer gepubliceerd. Op de volgende
  pagina is de monitor van 1996 opgenomen39.
  Skandia
  Skandia is een multinationale bank- en verzekeringsmaatschappij en staat
  genoteerd in de Fortune-500. De 5 werkmaatschappijen zijn: American Skandia,
  Skandiabanken, Skandia Life UK Group, Dial, en Skandialink. De onderne-
  ming combineert de aanpak van Sveiby met die van de Balanced Scorecard van
  Kaplan en Norton.
  De driedeling van Sveiby wordt als volgt vertaald:
- external structure = customer focus (how do we look to our customers?);
- internal structure = process focus (what business processes are the value drivers?);
- competence = human focus (are we able to sustain learning and improvement?).
  Hieraan worden nog twee invalshoeken toegevoegd:
- financial focus (how do we look to our shareholders?);
- renewal focus (R&D, IT-uitgaven, bedrijfsopleidingen).
  39 Celemi, Intangible Assets Monitor 1996; Malmö,1997.
                                                                         A W T - A D V I E S 3 3 35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   Omdat Skandia uit vijf verschillende werkmaatschappijen bestaat, is elke
   focus niet uniform ingevuld; de indicatoren kunnen verschillen. De gegevens
   uit de Skandia Navigator over diverse jaren worden als bijlage bij de jaarversla-
   gen gevoegd; ze zijn ook via internet te raadplegen40.
           Een compilatie van de indicatoren van de werkmaatschappijen levert de
   Intellectual Capital Index voor Skandia als geheel. Deze index wijkt in zoverre af
   van andere indices - zoals EVA en TSR die in hoofdstuk 1 par. 3 ter sprake kwa-
   men -, dat de index geen cijfer op zichzelf is, maar is samengesteld uit de
   diverse indicatoren, zodat bij veranderingen van de index de onderliggende
   factoren kunnen worden blootgelegd. De index is de IC-IndexTM; deze is ont-
   wikkeld door Johan en Göran Roos van Intellectual Capital Services Ltd41.
   40 Intelligent enterprising; Intellectual Capital Supplement to Skandia's 6-month Interim Report 1997.
   Zie ook http://www.skandia.se.
   41 Zie The International Knowledge Management Newsletter, november 1997, p. 9-10. Intellectual Capital
   Services is bereikbaar via http://www.intcap.com. De IC-Index wordt uitgebreid toegelicht in: J.
   Roos et al., Intellectual Capital: navigating in the new business landscape, 1997.
36 A W T - A D V I E S           3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                   Het       geringe              succes          van
  Onbekend is of de BSC-aanpak in de VS op een brede steun van de onderne-
                                                                             de     alternatieve
                                                                                                        2.4
                                                                                                      benaderingen
  mingen kan rekenen. Als voorbeeld is de ICM executive scorecard van IBM
  genoemd. Verder zijn er diverse andere bedrijven die op een of andere
  manier - intern dan wel ook extern - verslag doen over hun kennismanage-
  ment en de resultaten daarvan, al of niet in kwantitatieve indicatoren vervat:
  GE, Netscape, Agro, Frito-Lay, Dow Chemical, Steelcase, 3M, Analog
  Devices, Boeing, Buckman Labs, Chaparral Steel, Ford, Hewlett-Packard,
  Xerox.
         In Japan voeren vele ondernemingen kennismanagement. National
  Bicycle Industrial Company, Honda en Matsushita zijn slechts enkele
  voorbeelden, maar volgens Nonaka en Takeuchi is de Japanse cultuur veel
  meer gericht op het management van tacit knowledge dan Westerse
  ondernemingen42. Of Japanse ondernemingen ook actief zijn op het terrein
  van het meten van hun kennisarsenaal is onbekend.
         Ook ondernemingen in Europa doen aan kennismanagement; sommige
  maken een kennisbalans, zoals KEMA in Nederland [zie hoofdstuk 1 par. 5]
  en andere gebruiken indicatoren van één of meer van hun immateriële
  investeringen: Albert Heijn, AEG, Benetton, Outokumppu (SF), Oticon (DK),
  British Petroleum, PLS-Consult (DK), Telia (S), Pfizer (CH), Affaersvaerlden (S).
         En dan zijn er nog meer dan 40 Zweedse ondernemingen die de aanpak
  van Sveiby volgen: waaronder Skandia AFS, WM-data, KREAB, Jacobsson
  & Widmark, Lindebergs, Ångpanneföreningen ÅF, Bohlin & Strömberg,
  Celemi, Komrev en FFNS Awapatent. In 1993 heeft de Swedish Council for Service
  Industries een advies uitgebracht, waarin ondernemingen werden
  opgeroepen om in hun jaarverslagen indicatoren op te nemen over hun
  kennisarsenaal c.q. menselijk kapitaal. Aan dit advies werd weinig gehoor
  gegeven. Hiervoor zijn drie redenen aan te wijzen:
- Veel managers/ondernemers zien er weinig heil in. Financiële analisten zijn
  niet gewend dergelijke indicatoren op hun waarde te schatten, dus waarom
  zouden ondernemingen hier moeite in steken? Bovendien zien weinig
  managers het nut van dergelijke indicatoren in voor intern gebruik (kennis-
  management).
- De tweede reden is precies omgekeerd aan de vorige: indicatoren over bijvoor-
  beeld opleidingen, R&D, marktkennis e.d. vormen concurrentiegevoelige
  informatie die men liever niet naar buiten brengt.
- En tenslotte is er betrekkelijk weinig ervaring met kennisindicatoren in jaar-
  verslagen. Skandia en WM-data zijn eigenlijk de enige ondernemingen die
  over enige jaren ervaring beschikken. Dit vormt het bekende gevangenendi-
  lemma; niemand begint eraan omdat anderen er geen ervaring mee hebben
  opgedaan en omdat niemand eraan begint zal er ook geen ervaring ontstaan.
  42 I. Nonaka and H. Takeuchi, The Knowledge-Creating Company: How Japanese Companies Create the
  Dynamics of Innovation; New York: Oxford U.P., 1995.
                                                                              A W T - A D V I E S 3 3           37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   It takes two to tango
   In hoofdstuk 1 par. 5 over Human Resource Accounting (HRA) werd opgemerkt dat
   er een relatie bestaat tussen HRA en HRM. Wat komt eerst: HRM of HRA? Wil
   men het topmanagement overtuigen van de noodzaak van HRM, dan kan het
   nuttig zijn cijfers (HRA) te produceren. Kortom, eerst HRA en dan HRM.
   Maar dit werkt niet altijd. De cijfers kunnen als subjectief of irrelevant terzij-
   de geschoven worden. Maar hoe het management dán te overtuigen van het
   belang van HRM? [Dan volgt HRA bijna als vanzelf.]
          Dit probleem doet zich ook voor bij het introduceren van concepten
   zoals Balanced Scorecard (BSC), Intangible Assets Monitor (WM-data en Celemi),
   KNetix (Dow Chemical), Business Navigator en IC-Index (Skandia). Wat komt
   eerst: de overtuiging aan kennismanagement te doen of het meten van kennis?
   In Zweden heeft - waarschijnlijk mede dankzij een bedrijfscultuur die relatief
   ontvankelijk is voor zachte niet-meetbare maar belangrijke succesfactoren,
   zoals kennisuitwisseling, motivatie, inzet, overleg e.d. - het simulatiespel
   Tango een katalyserende rol gespeeld.
          Tango - Latijns voor ik raak aan - neemt een dag of twee dagen in beslag
   en is bedoeld voor 12 tot 24 deelnemers. Het al eerder genoemde trainingsin-
   stituut Celemi zorgt voor de begeleiding. De deelnemers worden ingedeeld in
   4 bedrijven - Alfa, Beta, Delta en Epsilon; er mogen fusies worden aangegaan -
   , die met elkaar in concurrentie gaan om klanten en sleutelwerknemers. Er
   worden balansen opgemaakt - met materiële èn immateriële vaste activa - en
   de resultaten worden in geld (M) uitgedrukt. De concurrentieslag duurt 7
   jaar.
          In het introductiejaar (1995) is Tango bij 100 ondernemingen in 10
   landen gespeeld. De volgende bedrijven in Nederland hebben eraan deelgeno-
   men: Coopers & Lybrand, ETIS Group, Robeco, Roccade, en Randstad.
          Tom Stewart zag de belevenissen van een groep medewerkers van Price
   Waterhouse in Dallas: If [...] knowledge is the thesis and cash the antithesis,
   whats the synthesis? It seemed to lie in challenging projects, which built
   knowledge faster than training or R&D. Though the skills thus created could,
   and did, walk out the door, demanding work also helped to keep people by
   lifting image and morale - not to mention income. [...] The game is aptly
   named. It takes two to tango: customers and employees, tangible and
   intangibles, short term and long term, profitability and investment. If one
   tries to bend the other to its will, both end up in a heap on the floor.43
   43 Thomas A. Stewart, The Dance Steps Get Trickier All the Time, Fortune, 26 mei 1997.
38 A W T - A D V I E S     3 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>