<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                      34
          Reactie op Strategisch Plan TNO 1999-2002
maart 1998
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
Tel. 070 - 3639922
Fax. 070 - 3608992
e-mail: secretariaat@AWT.nl
http://www.awt.nl/
                              A W T - A D V I E S 3 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>2 A W T - A D V I E S 3 4</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                                                 Inhoud
1. Inleiding                                                      5
2. Beoordelingskader                                              7
   2.1      Uitgangspunten voor het beleid                        8
   2.2      Beoordelingspunten                                    9
3. Reactie op strategienota TNO                                   11
   3.1      Huidige strategienota in vergelijking met de vorige   11
   3.2      Aandachtspunten                                       12
                                                         A W T - A D V I E S 3 4      3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>4 A W T - A D V I E S 3 4</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Op 25 februari jl. heeft TNO haar Strategisch Plan 1999 - 2002 uitgebracht. De
overheid heeft zich verplicht binnen twee maanden haar reactie te geven op
                                                                                                            1
                                                                                                          Inleiding
het plan. Ter voorbereiding van haar reactie heeft de overheid de Adviesraad
voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) gevraagd om zijn licht
over het plan te laten schijnen.
In zijn reactie gaat de Raad eerst nader in op de punten waarop zijns inziens
de overheid het Strategisch Plan zou moeten beoordelen. Hij bouwt hierbij
voort op zijn advies over de relatie overheid-TNO dat in april 1995 is uitge-
bracht in reactie op de toenmalige Strategienota van TNO1, alsook op zijn
recent uitgebrachte advies over de grote technologische instituten (gtis)2.
Daarna geeft de Raad op bedoelde aspecten zijn observaties over de nu voor-
liggende Strategienota van TNO.
1 Advies over de relatie overheid-TNO, AWT-advies nr. 21. Den Haag, april 1995.
2 Het nut van de grote technologische instituten, AWT-advies nr. 32. Den Haag, februari 1998.
                                                                                  A W T - A D V I E S 3 4         5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>6 A W T - A D V I E S 3 4</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                                                            Beoordelingskader
Het onderzoeklandschap is ruwweg op te delen in de publieke en de private
kennisinfrastructuur. Bij de private kennisinfrastructuur ligt het zwaartepunt
                                                                                     2
bij het bedrijfsleven. De publieke kennisinfrastructuur betreft met name de
universiteiten en daarnaast nog een groot scala aan (semi-)publieke onder-
zoekinstituten, waaronder TNO.
De universiteiten hebben een brede missie op onderzoeksgebied, gekoppeld
aan de taak tot het opleiden van een breed spectrum aan academisch gevorm-
den; het desbetreffende onderzoek heeft in het algemeen een sterk fundamen-
teel karakter. De bovenbedoelde niet-universitaire onderzoekinstituten heb-
ben in het algemeen een specifiek, beperkt aandachtsgebied; te denken is hier-
bij aan bijvoorbeeld het NIVEL op het gebied van de eerste-lijngezondheids-
zorg, de gtis en dergelijke. TNO is de enige organisatie zonder enige gebieds-
beperking in zijn missie-statement; TNO kan zich in principe op het gehele
brede spectrum bewegen. Dat TNO deze pretentie ook in belangrijke mate
heeft, wordt geïllustreerd door de onderstreping in het Strategisch Plan van
de nationale rol voor TNO: TNO wordt daar gepositioneerd als de R&D-afde-
ling van de B.V. Nederland. Sommige landen kennen vergelijkbare instituten
als TNO, maar relatief gezien is TNO zeer omvangrijk. Als illustratie: TNO
heeft een personele bezetting van 4400 en streeft naar een personeelsbestand
in 2002 van 5000. Het Fraunhofer Gesellschaft in Duitsland heeft een perso-
neelsbezetting van circa 6100; gecorrigeerd voor defensie is TNO zelfs groter
dan haar Duitse pendant.
       De overheid subsidieert bovengenoemde (semi-)publieke instituten met
daarbij de vaststelling van de respectieve missies. De beoordeling van de over-
heid moet zich in de ogen van de Raad concentreren op de missievervulling en
de besteding van de subsidies.
Voor de onderzoekinstituten heeft de Raad in zijn gti-advies een onderscheid
gemaakt tussen taak- en marktorganisaties. Een taakorganisatie heeft tot taak
om op haar missiegebied nieuwe kennis en technologie te ontwikkelen, uiter-
aard zo veel als mogelijk in samenspraak met de (beoogde) doelgroepen. Een
marktorganisatie heeft tot taak om zoveel als mogelijk op basis van bestaande
kennis, in te spelen op de behoeften van zijn afnemers; zon instituut moet
wel enige ruimte hebben voor eigen kennisontwikkeling om ook in staat te
zijn in de toekomst op de marktvragen te kunnen inspelen (technology readi-
ness). TNO is vanuit deze optiek een hybride organisatie. Met name TNO-
Defensie is te karakteriseren als een taakorganisatie: het Ministerie van
Defensie ziet TNO-Defensie als zijn huislaboratorium. De beoordeling aan-
gaande de besteding van de doelsubsidie en van de resultaten ligt bij Defensie.
De rest van TNO ziet de Raad als een marktorganisatie; dat deel van TNO
moet uiteindelijk worden beoordeeld op basis van zijn succes op die markt.
                                                             A W T - A D V I E S 3 4  7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>2.1
Uitgangspunten voor het beleid
                      De AWT kiest bij de invulling van het overheidsbeleid ten aanzien van TNO
                      voor de navolgende uitgangspunten:
                    - een onderzoekorganisatie zal nauwelijks kunnen bestaan, wanneer zij uitslui-
                      tend is aangewezen op onderzoekcontracten met opdrachtgevers. De markt is,
                      algemeen gesproken, wel bereid te betalen voor de direct voor haar relevante
                      onderzoekvragen, maar niet om nu te betalen voor strategisch onderzoek dat
                      nodig is om ook in de toekomst adequaat op de marktvraag te kunnen inspe-
                      len. Daarvoor is de tijdhorizon voor de meeste opdrachtgevers te kort: het is te
                      onzeker wanneer de revenuen beschikbaar komen en voor wie. Voor de maat-
                      schappij als geheel gezien is het evenwel van groot belang dat de kennisin-
                      frastructuur ook in de toekomst in staat is om adequaat op de marktvragen te
                      kunnen inspelen. Vandaar dat de overheid een rol heeft in de financiering van
                      dit onderzoek, zodat het instituut ook op de toekomst is voorbereid (technology
                      readiness);
                    - de financiering van zulk strategisch onderzoek moet bij voorkeur gebeuren
                      via de vraagzijde c.q. de doelgroep van dit type onderzoek. Subsidiëring van
                      onderzoek ten behoeve van het bedrijfsleven kan dan ook het beste plaatsvin-
                      den via de bedrijven: financiering van de vraag. De overheid heeft een eigen
                      verantwoordelijkheid voor een op de toekomst gerichte onderzoekcapaciteit
                      die in staat is op de gebieden van staatszorg de vragen van vandaag en morgen
                      op te pakken. De omvang, oriëntatie, taakopdracht en locatie van die onder-
                      zoekcapaciteit zijn ter beoordeling van het desbetreffende vakdepartement;
                    - stimulering van de vraagzijde mag niet gepaard gaan met verplichte winkel-
                      nering bij een specifiek onderzoekinstituut. Het doel is de positie van de ken-
                      nisbehoeftigen te versterken en die moeten dan ook daar terecht kunnen waar
                      ze het beste geholpen worden;
                    - in bepaalde gevallen kunnen er kennisgebieden zijn die in de toekomst kan-
                      sen lijken te bieden voor (delen van) het Nederlandse bedrijfsleven maar waar-
                      voor nog geen concrete vraag naar onderzoek bestaat. In zulke gevallen zijn er
                      argumenten voor enige aanbodfinanciering om kennisinstellingen, waaron-
                      der ook TNO, in staat te stellen nieuwe technologieën en/of nieuwe markten
                      te exploreren. Voorwaarde hierbij is wel dat de aanbodfinanciering uitslui-
                      tend wordt aangewend voor de exploratie van dergelijke met name genoemde
                      activiteiten en dat achteraf verantwoording over de besteding van die midde-
                      len wordt afgelegd.
8                     A W T - A D V I E S   3 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>  De AWT ziet voor de overheid als toetsingselementen voor het Strategisch
                                                                                                                2.2
                                                                                                          Beoordelingspunten
  Plan: de missie-invulling van TNO, alsook de omvang en de besteding van de
  subsidies aan TNO.
  Bij de missie-invulling gaat het om de navolgende aspecten:
- de relatie met de activiteiten van de andere instituten in de publieke
  kennisinfrastructuur: is het vanuit nationaal oogpunt efficiënt dat TNO een
  bepaalde activiteit oppakt of is wellicht een ander instituut een meer geëigen-
  de plaats?
- de relatie met de activiteiten in de private sector; het gaat dan om de vraag
  naar oneigenlijke concurrentie;
- de relatie met het buitenland; in hoeverre dragen de activiteiten buitenslands
  bij aan de missievervulling van het instituut?
  Voor de subsidie-invulling is het goed de verschillende rollen van de overheid
  ten aanzien van de publieke kennisinfrastructuur te onderscheiden:
- als hoeder van de kennisinfrastructuur: het is een taak van de overheid om
  zorg te dragen dat de kennisinfrastructuur in ons land zodanig is dat ade-
  quaat op de vragen vanuit de markt kan worden ingespeeld;
- op bepaalde onderwerpen van staatszorg heeft de overheid een specifieke taak
  ten aanzien van de stimulering van kennisontwikkeling;
- de overheid heeft behoefte aan kennis en expertise ten behoeve van haar eigen
  beleidsuitvoering.
  In de visie van de AWT wordt de eerste rol vormgegeven via de zogenoemde
  basisfinanciering voor TNO, de tweede via de zogenoemde doelfinanciering
  en de derde via opdrachtfinanciering.3
  In het kader van de beoordeling van de strategienota gaat het met name om de
  basis- en doelfinanciering: passen de bestedingen van die subsidies in de mis-
  sie van TNO, en wat wordt beoogd zodat hier te zijner tijd ook op kan worden
  getoetst? De Raad is van mening dat het primaat voor de besteding van de
  basissubsidie bij TNO moet liggen; de overheid toetst op relevantie voor de
  missie, waarbij ze in ogenschouw moet nemen wat elders binnen de kennisin-
  frastructuur al aan kennis en kunde beschikbaar is. Bij de doelsubsidie moet
  het primaat bij de vakdepartementen liggen. Het desbetreffende vakdeparte-
  ment moet aangeven wat er moet gebeuren, wat de doelstellingen zijn en
  waarop te zijner tijd wordt afgerekend.
  3 de behoefte van de overheid aan kennis en expertise op defensiegebied wordt niet gefinancierd met
  opdrachtenonderzoek, maar via de zogenoemde doelfinanciering van defensie.
                                                                             A W T - A D V I E S      3 4                  9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>10 A W T - A D V I E S 3 4</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                             Reactie op strategienota TNO
                                                                                       3
                                                                                       3.1
                                       Huidige strategienota in vergelijking met de vorige
  In zijn hiervoor genoemd advies over de vorige strategienota van TNO heeft
  de AWT toen met instemming kennis genomen van de positiebepaling van
  TNO als een marktgeoriënteerde organisatie. Hij constateerde toen dat de
  consequenties hiervan nog onvoldoende waren terug te vinden in de nota en
  in de (financiële) relatie van de overheid met TNO. Hij onderstreepte dat TNO
  geen doel is maar een middel. Het doel moet zijn een versterking van de ken-
  nisintensiteit van overheid en bedrijfsleven. TNO eiste voor zichzelf in dit
  veld een zeer centrale rol op. De Raad kon die ambitie zeker waarderen, maar
  vond dat zon rol niet verkregen moest worden door een speciale voorkeursbe-
  handeling door de overheid, maar op basis van competitie. Destijds was de
  rode draad van het AWT-advies dat bij de financiering van organisaties als
  TNO de doelgroep van het onderzoek zoveel als mogelijk de besteding van de
  middelen moest bepalen. Hij deed eertijds drie concrete aanbevelingen:
a maak de vakdepartementen expliciet verantwoordelijk voor het strategisch
  onderzoek op de hen regarderende gebieden van staatszorg. De consequentie
  hiervan is dat de departementen niet verplicht zijn een vastgesteld bedrag
  (TNO-doelfinanciering) bij TNO te besteden. De vakdepartementen moeten
  zelf de omvang, de aard van de besteding en de bestemming van het door hen
  gewenste onderzoek bepalen, waarbij TNO een van de gegadigden is;
b verander de bestaande EZ-doelfinanciering van een aanbodfinanciering naar
  een vraagfinanciering: subsidieer bedrijven, wanneer zij strategisch onder-
  zoek uitzetten bij de kennisinfrastructuur. Op die manier komt overheidsgeld
  via het bedrijfsleven bij de kennisinfrastructuur terecht. TNO is dan één van
  de kennisaanbieders;
c laat TNO met betrekking tot de basisfinanciering de besteding daarvan aange-
  ven in een strategisch plan dat vervolgens door de Minister van OCenW moet
  worden goedgekeurd.
  De Raad constateert dat de onderhavige strategienota van TNO op een aantal
  punten duidelijk is opgeschoven in de hierboven bedoelde richting. Zo is nu
  een inzicht gegeven in de besteding van de basisfinanciering en de te bereiken
  doelstellingen. De overheid kan TNO hier te zijner tijd op aanspreken en bij
  het al of niet bereiken van de doelstellingen consequenties trekken wat betreft
  de omvang van de basisfinanciering.
        De Raad constateert ook dat wat betreft de EZ-financiering een verschui-
  ving plaatsvindt van een aanbod- naar een vraagfinanciering. TNO moet het
  belang van de onderwerpen nu bewijzen met co-financiering vanuit bedrij-
  ven. Dit is natuurlijk niet van de een op de andere dag waar te maken, maar
  TNO is, naar de Raad meent, hiermee duidelijk op de goede weg. Het blijft
  echter nog wel een vorm van verplichte winkelnering bij TNO.
                                                               A W T - A D V I E S 3 4   11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                      De Raad heeft verder niet de indruk dat de andere vakdepartementen de
                               rol spelen die hij meent dat ze moeten spelen. De situatie is zeker beter dan
                               vroeger. Aanvankelijk - tot medio jaren 80 - was er geen onderscheid tussen
                               basis- en doelsubsidie; er was één (grote) basissubsidie en de vakdepartemen-
                               ten hadden geen invloed op de besteding van die subsidie. Met de invoering
                               van het doelsubsidiesysteem is de situatie gewijzigd. De vakdepartementen
                               hebben nu de mogelijkheid om via hun doelsubsidie invloed uit te oefenen op
                               de besteding van de middelen. Dit gebeurt ook wel. Maar de Raad meent dat
                               de departementen nog onvoldoende op het vinkentouw zitten wat betreft de
                               doelstellingen van hun doelsubsidies.
                                      De Raad zal op deze punten nader ingaan in de volgende paragraaf.
3.2
A a n d a ch t s p u n t e n
                               Tegen de achtergrond van het bovenstaande wil de Raad de navolgende pun-
                               ten onder de aandacht van de overheid brengen:
                             - omvang basissubsidie,
                             - besteding basis- en doelsubsidie.
                               Omvang basissubsidie
                               Zoals in het voorafgaande reeds is vermeld, zal een onderzoekinstituut moei-
                               lijk, zo niet onmogelijk, kunnen bestaan zonder een vorm van subsidie. De
                               markt laat het op vele terreinen kennelijk (nog) niet toe dat in de kosten voor
                               opdrachtonderzoek ook verdisconteerd wordt de kosten die (in het verleden)
                               zijn gemaakt ten behoeve van de kennisopbouw. Zonder subsidie is het moei-
                               lijk een technology readiness op te bouwen waarmee ook in de toekomst ade-
                               quaat op marktvragen kan worden ingespeeld. Het is wel in het belang van
                               onze samenleving dat zon kennisinfrastructuur beschikbaar is. Vandaar de
                               rechtvaardiging voor enige overheidssubsidie.
                               De basisfinanciering is bedoeld om het instituut in staat te stellen zich op de
                               toekomst voor te bereiden. Het primaat voor de besteding van deze middelen
                               moet bij TNO liggen. TNO moet uiteindelijk ook worden afgerekend op basis
                               van zijn succes op de markt. De overheid moet alleen (vooraf) toetsen of de
                               invulling van de subsidiebesteding valt binnen het missiegebied. Zoals al eer-
                               der is aangegeven, is de missie van TNO niet restrictief; de overheid moet in
                               haar beoordeling van de besteding van de subsidie echter wel in het oog hou-
                               den of een bepaalde invulling wel efficiënt is, gelet op de activiteiten van
                               andere onderzoekinstituten, al of niet in de publieke kennisinfrastructuur.
                               Op die besteding komt de Raad verderop terug.
                               Naast de vraag naar de besteding van de basisfinanciering, is er ook de vraag
                               naar de gewenste omvang van de basissubsidie. Idealiter moet de gevraagde
                               subsidieaanvraag mede beoordeeld worden in het licht van de prestaties uit
                               het verleden: de inzet op de verschillende gebieden, de beoogde doelstellingen
                               en wat daarvan is terechtgekomen. Dit is nu nog niet mogelijk omdat de vori-
                               ge strategienota zon concretisering niet biedt. Met de concretisering zoals nu
                               gegeven in de voorliggende nota, is in de toekomst zon soort toetsing op de
                               effectiviteit van de basissubsidie in principe wel mogelijk.
12                             A W T - A D V I E S    3 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>  In haar strategienota pleit TNO niet voor meer subsidie; ze wil zich inzetten
  om haar marktomzet in de komende periode aanmerkelijk te vergroten zon-
  der extra subsidie. Dat is aan één kant mooi, maar het laat onverlet de vraag of
  de huidige omvang van de subsidie adequaat is. De Raad wil hier de volgende
  opmerkingen bij maken:
- de basisfinanciering voor 2002 is in de nota begroot op  140 mln. per jaar. In
  de jaren tot 1997 is steeds als basisfinanciering opgevoerd een bedrag van circa
   110 mln. per jaar. De laatste jaren is bij dit bedrag  26 mln. per jaar toege-
  voegd voor de zogenoemde uitverdieneffecten: kosten verbonden aan het (ver-
  vroegd) uittreden van personeel. De Raad kan zich goed voorstellen dat voor
  reorganisaties additionele middelen worden verstrekt, maar dat kan geen
  structureel karakter hebben. Het pleidooi voor een basissubsidie van
   140 mln. per jaar is dus in feite een structurele verhoging van de basissubsi-
  die ten behoeve van de kennisontwikkeling. De Raad mist hiertoe een goede
  argumentatie. TNO voert aan dat extra subsidie voor kennisontwikkeling
  nodig is om nieuwe gebieden te betreden en zo de gewenste groei te realise-
  ren. Dit overtuigt de Raad niet. Hij constateert dat het overgrote deel van de
  subsidie wordt gebruikt voor het instandhouden van de kennis op markten
  waarop TNO al actief is. Op deze gebieden - als TNO zich daar een reputatie
  heeft verworven - moet het mogelijk zijn een deel van de middelen voor ken-
  nisopbouw in de contractprijzen te verdisconteren. Dit geeft binnen bestaan-
  de budgetten weer ruimte om nieuwe mogelijkheden te exploiteren;
- de Raad heeft eerder de indruk dat de basissubsidie van  112 mln. per jaar al
  aan de hoge kant is. Hij ziet dit mede in het licht van de subsidiebedragen die
  TNO al langs andere wegen van de overheid krijgt voor het opbouwen van zijn
  kennispotentieel. Dit betreft de doelsubsidies, circa  230 mln. per jaar inclu-
  sief defensie (exclusief defensie is dit  135 mln. per jaar). Maar ook in de
  marktomzet, zoals TNO die in de nota weergeeft, zitten substantiële subsidie-
  bedragen, voor specifieke projecten, van de nationale overheid en van de EU,
  samen ook nog eens circa  50 mln.4 Hij zal dit hierna nader toelichten.
  Het is uit de aard der zaak niet mogelijk om exacte berekeningen te maken die
  eenduidig leiden tot een precies bedrag voor de benodigde subsidie. Te weinig
  subsidie geeft TNO onvoldoende mogelijkheden voor kennisontwikkeling,
  waardoor TNO zich niet meer kan onderscheiden van een ingenieursbureau;
  en daar is TNO niet voor bedoeld. Te veel subsidie houdt TNO te veel van de
  markt weg. TNO is geen taakorganisatie in de zin van de taak eigen technolo-
  gie te ontwikkelen in de verwachting die te zijner tijd te vermarkten; TNO is
  bedoeld als marktorganisatie die moet inspelen op de behoeften van de markt.
         TNO gaat ervan uit dat circa 25% van de omzet beschikbaar moet zijn
  voor kennisontwikkeling. Zon percentage leidt volgens de berekeningen van
  TNO, waarbij de doelsubsidies zijn verdisconteerd, tot een basissubsidie van
   140 mln. per jaar. De Raad wil in eerste instantie die 25% niet betwisten: als
  totaal van de basis- en doelsubsidie voor kennisontwikkeling, klinkt zon
  percentage op voorhand niet onredelijk. Te zijner tijd is, met de gegeven
  4 gegevens op verzoek van de AWT verstrekt door TNO.
                                                                   A W T - A D V I E S 3 4 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>     concretisering in de huidige strategienota in doelstellingen per gebied, toet-
     sing mogelijk en kunnen conclusies getrokken worden voor de omvang en
     besteding in de basissubsidie. Dat is, zoals eerder aangegeven, nu nog niet
     mogelijk.
           De Raad wil nog wel enkele kanttekeningen plaatsen bij de berekenin-
     gen van TNO die hem hebben geleid tot de conclusie dat de basissubsidie aan
     de hoge kant is.
   - TNO neemt in het bedrag voor de kennisontwikkeling niet mee Defensie. De
     Raad heeft er geen bezwaar tegen als de defensiepoot apart wordt gezet als
     zijnde het kennislaboratorium van het Ministerie van Defensie. Maar dan
     moet in zijn ogen die doelsubsidie (circa  100 mln.) ook niet meegenomen
     worden in de omzet waaraan de kennisontwikkeling wordt gerelateerd.
     Correctie op dit punt betekent dat voor 2002 het percentage van de omzet dat
     beschikbaar is voor kennisontwikkeling niet 25% is maar bijna 30%.
   - In de marktomzet is meegenomen een bedrag van circa  50 mln. dat binnen-
     komt als projectgebonden subsidies van de nationale overheid en van de EU.
     Deze subsidie wordt gegeven als van kennisontwikkeling sprake is en moet
     dan ook opgeteld worden bij het subsidiebedrag voor kennisontwikkeling;
     correctie op dit punt maakt dat het percentage in de omzet beschikbaar voor
     (gesubsidieerde) kennisontwikkeling stijgt van bijna 30% naar 35%.
   - De subsidie voor kennisontwikkeling is primair bedoeld ter ondersteuning
     van Nederlandse marktpartijen. Dat wil niet zeggen dat TNO niet de buiten-
     landse markt op zou mogen, maar daarvoor is de subsidie niet bedoeld. Die is
     bedoeld om TNO in staat te stellen Nederlandse marktpartijen te bedienen.
     Het is primair aan TNO zelf om te beoordelen of dit doel wordt gediend met
     activiteiten voor buitenlandse partijen. Zo is het bijvoorbeeld goed denkbaar
     dat een instituut van die buitenlandse markt zoveel sterker wordt, dat uitein-
     delijk de Nederlandse partijen beter kunnen worden bediend. Dit zal dan ook
     moeten blijken uit de mate waarin het instituut contractresearch van
     Nederlandse klanten weet te verwerven. Op dat punt moet de overheid de sub-
     sidiëring van het instituut uiteindelijk ook beoordelen. Vandaar dat de Raad
     de omvang van de vrije ruimte wil bezien in relatie tot de omvang van de bin-
     nenlandse markt. Vanuit deze invalshoek kijkend, is de omvang van de subsi-
     die ten behoeve van kennisontwikkeling in relatie tot de omzet voor
     Nederlandse marktpartijen 43% in 2002 (uitgaande van de door TNO gegeven
     buitenlandse omzet in 2002 van  170 mln.).
     Bovenstaande kanttekeningen leiden de Raad tot de conclusie dat de omvang
     van de subsidie aan TNO aan de hoge kant is. Van instituutszijde wordt vaak
     aangevoerd dat de subsidiebedragen vergelijkbaar moeten zijn met wat bui-
     tenlandse onderzoekinstituten krijgen van hun overheden, anders zou niet
     van eerlijke concurrentie sprake kunnen zijn. Los van de vraag of buitenland-
     se instituten meer subsidie krijgen of niet, spreekt zon argumentatie de Raad
     absoluut niet aan. Concurreren op de buitenlandse markt is geen doel op zich,
     zoals hiervoor is toegelicht; dus dat is geen probleem. Het zou kunnen zijn
     dat buitenlandse instituten, doordat ze zwaarder gesubsidieerd zijn, lagere
     prijzen kunnen berekenen aan Nederlandse klanten dan Nederlandse institu-
     ten. Daar is ook niets mis mee; als belastingbetalers in het buitenland
     Nederlandse marktpartijen indirect willen subsidiëren, dan is daar weinig
     bezwaar tegen.
14   A W T - A D V I E S  3 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>  De besteding van de basis- en doelfinanciering
  Drie aspecten verdienen hier de aandacht van de overheid
- is het efficiënt dat de gewenste expertise bij TNO wordt opgebouwd, gelet op
  de expertise die elders binnen de (publieke) kennisinfrastructuur aanwezig is;
- vindt er oneigenlijke concurrentie plaats met de particuliere sector;
- wordt er subsidie gebruikt voor activiteiten ten behoeve van buitenlandse
  opdrachtgevers.
  Wat het laatste punt betreft, kan de Raad hier kort zijn. In het voorafgaande,
  bij de beoordeling van de omvang van de basissubsidie, heeft de Raad aange-
  geven dat er in principe geen bezwaar is als TNO ook buitenslands zijn vleu-
  gels uitstrekt, niet als doel op zich, maar om daardoor sterker te worden en
  bijgevolg de Nederlandse marktpartijen beter te kunnen bedienen. Daar zal
  de omvang van de subsidie uiteindelijk op moeten worden beoordeeld.
  De vraag naar oneigenlijke concurrentie heeft de Raad ook aangeroerd in zijn
  recente gti-advies. Zoals hiervoor al aangegeven, meent hij dat bij voorkeur de
  subsidiëring van onderzoek moet plaatsvinden via de vraagzijde c.q. de doel-
  groep van dit type onderzoek; de vraagzijde kan dan zelf bepalen waar ze het
  onderzoek het beste kan uitbesteden. In bepaalde gevallen kunnen er kennis-
  gebieden zijn die in de toekomst kansen lijken te bieden voor opdrachtonder-
  zoek, maar waarvoor nog geen concrete vraag naar onderzoek bestaat. In
  zulke gevallen zijn er argumenten, zo gaf de Raad hiervoor al aan, voor enige
  aanbodfinanciering om kennisinstellingen in staat te stellen op te verwachten
  vragen te anticiperen (technology readiness). De Raad stelde daartoe voor, dat
  TNO in het periodiek uit te brengen Strategische Plan op hoofdlijnen aangeeft
  waarvoor de organisatie de subsidie wil benutten, waarbij duidelijk is welke
  specifieke doelstellingen worden beoogd en hoeveel middelen daarmee
  gemoeid zijn. Op deze wijze is het voor de overheid mogelijk de positie van
  TNO duidelijker te markeren ten opzichte van andere onderzoekinstituten,
  alsook TNO later op die doelstellingen af te rekenen. Tevens geeft dit andere
  partijen, waaronder de private partijen, inzicht in welke activiteiten met sub-
  sidie worden opgepakt, zodat zij aan de bel kunnen trekken als er in hun ogen
  sprake is van oneerlijke concurrentie.
        De Raad constateert dat TNO een stap heeft gezet in de goede richting
  van grotere inzichtelijkheid bij de besteding van de subsidies en de te berei-
  ken doelstellingen. Het is nu aan de private partijen om op het vinkentouw te
  zitten en te signaleren wanneer van oneigenlijke concurrentie sprake is. De
  overheid kan de besteding te zijner tijd toetsen op de gekwantificeerde doel-
  stellingen en daar de consequenties uit trekken wat betreft de omvang van de
  subsidies. Op dit moment ziet de Raad geen aanleiding om de door TNO voor-
  gestelde verdeling van de basissubsidie over de gebieden ter discussie te stel-
  len.
  De Raad is nog niet gerustgesteld wat betreft de besteding van met name de
  doelsubsidies. In zijn ogen zijn het de vakdepartementen die moeten aange-
  ven wat hun behoeften zijn en de daarvoor beschikbare gelden op de geëigen-
  de plekken wegzetten.
                                                                 A W T - A D V I E S 3 4 15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>   Hij constateert dat wat betreft de EZ-doelfinanciering de besteding meer
   vraaggestuurd is (eis van co-financiering wordt meer en meer opgelegd), maar
   het blijft een zaak van verplichte winkelnering. De Raad meent dat de vraag-
   zijde - in het kader van de EZ-doelfinanciering zijn dit bedrijven - in principe
   moeten kunnen bepalen waar de middelen het beste kunnen worden besteed,
   bij TNO of elders.
         Wat betreft de doelsubsidies van de andere departementen, zou het pri-
   mair moeten gaan om gebieden die de departementen van belang vinden. De
   Raad proeft niet in alle gevallen dat de departementen het primaat bij de
   besteding van de doelfinanciering hebben en, ook als dat wel het geval is,
   afwegen of voor de gewenste expertise-opbouw TNO wel de meest geëigende
   plek is. Zo is het hem bijvoorbeeld onduidelijk waarom TNO met doel-
   subsidiegeld van het Ministerie van VWS gaat investeren in gezondheidseco-
   nomie en infectieziekten. Die onderwerpen staan niet op de lijst met kennis-
   vragen die VWS aan TNO heeft gesteld en het komt de Raad voor dat wellicht
   andere onderzoekinstituten in ons land beter voor die vragen zijn geëqui-
   peerd. Ook is het hem onduidelijk welke doelstellingen het Ministerie van
   LNV voor ogen heeft bij zijn TNO-doelsubsidie van  6.6 mln. per jaar; hoe
   verhoudt het lijstje van kennisvragen aan TNO zich tot de activiteiten die LNV
   financiert bij de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) voor  271 mln.
   per jaar? Doelfinanciering heeft in de ogen van de Raad als functie, het onder-
   zoek op maatschappelijke aandachtsgebieden te stimuleren. Het is dan aan de
   desbetreffende vakdepartementen daarover keuzes te doen en afspraken te
   maken over de omvang en de plaats van het onderzoek. Het lijkt er nu erg op
   dat TNO op een vast bedrag kan rekenen en dat de invulling in belangrijke
   mate ook door TNO wordt bepaald. De oorzaak hiervoor is mede gelegen in
   het feit dat de doelsubsidies bij het Ministerie van OCenW zijn geparkeerd
   zodat de vakdepartementen slechts indirect hun invloed kunnen uitoefenen.
   De Raad acht dit onwenselijk. De doelsubsidiegelden moeten rechtstreeks
   onder de verantwoordelijkheid van de respectieve departementen worden
   gebracht. Die departementen kunnen dan zelf bepalen wat ze willen en waar
   ze de middelen willen besteden. De desbetreffende vakdepartementen moe-
   ten, als doelgroep van het onderzoek, een actievere rol (kunnen) spelen bij de
   besteding van de gelden.
16 A W T - A D V I E S   3 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>  Conclusie
  De Raad meent dat de nu voorliggende strategienota van TNO op belangrijke
  punten een verbetering te zien geeft in vergelijking met de vorige strategieno-
  ta.
  Hij ziet als belangrijkste aandachtspunten voor de reactie van de overheid op
  de nota:
- de omvang van de basissubsidie:
  de Raad meent dat de overheid voor de komende 4-jaars periode de basissubsi-
  die niet moet uitbouwen van  112 mln. naar  140 mln. per jaar, zoals TNO in
  de nota aangeeft. Hij acht de omvang van  112 mln. zelfs aan de hoge kant. Hij
  zegt dit vanuit de overtuiging dat een te omvangrijke subsidie op termijn eer-
  der remmend dan stimulerend uitwerkt op de marktgerichtheid.
  De Raad ziet geen aanleiding om de verdeling van de basissubsidie over de
  gebieden ter discussie te stellen.
- de rol van de vakdepartementen bij de besteding van de doelsubsidies:
  de Raad juicht het toe dat het Ministerie van EZ haar doelsubsidie in toene-
  mende mate wil koppelen aan co-financiering van bedrijven. De Raad acht de
  nu nog bestaande verplichting om de doelsubsidiegelden bij TNO te besteden
  als onwenselijk.
        De Raad heeft sterk de indruk dat de rol van de andere vakdepartemen-
  ten bij de besteding van hun TNO-doelsubsidies nog te vrijblijvend is. Hij
  pleit voor een actieve betrokkenheid van die departementen bij de besteding
  van die doelsubsidies: de departementen moeten aangeven wat ze willen en
  waarom, alsook moet expliciet worden nagegaan of TNO wel de geëigende
  plek is voor dat onderzoek. Hiertoe is het essentieel dat de doelsubsidies, die
  nu bij OCenW zijn ondergebracht, rechtstreeks onder de verantwoordelijk-
  heid van de desbetreffende departementen worden gebracht.
  Aldus vastgesteld te Den Haag, 30 maart 1998.
  Dr.ir. H.L. Beckers
  voorzitter
  Dr. A. van Heeringen
  secretaris
                                                                A W T - A D V I E S 3 4 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>18 A W T - A D V I E S 3 4</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>