<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>35                                                                     Prioriteiten 1998
                          beleidsadvies naar aanleiding van de verkenningen uit de periode 1996-1998
juni 1998
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
tel 070 - 363 9922
fax 070 - 360 8992
e-mail: secretariaat@AWT.nl
http://www.awt.nl/
                                                     A W T A D V I E S 3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>A W T A D V I E S 3 5</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Inhoud
Advies
Samenvatting                                                       5
1.    Inleiding                                                    7
2.    Reikwijdte van dit advies                                    7
3.    Consequenties voor de overheid                               8
      3.1       Overheid in rol van initiator                      9
      3.2       Stimuleringsprogrammas                            12
Bijlagen
Samenvattingen van verkenningsrapporten;                           17
de teksten zijn afkomstig uit de desbetreffende publicaties
 1.   Geen toekomst zonder informatica,
      Toekomstverkenning Informatica 1996-2005                     17
 2.   Ruimte voor Aardwetenschappen,
      Toekomstverkenning aardwetenschappelijk
      onderzoek                                                    23
 3.   Advies revalidatieonderzoek                                  27
 4.   De kennisraffinaderij: cognitiewetenschappen in
      Nederland                                                    29
 5.   Toekomst banen van ruimtetechnologie                         33
 6.   Biologie: het leven centraal                                 37
 7.   Deelprogrammas onderzoekprogramma Duurzame
      Technologische Ontwikkeling                                  41
 8.   TechnologieRadar                                             43
 9.   Medical Technology Assessment                                45
10.   Agrosector                                                   49
11.   Vissector                                                    51
12.   Groene ruimte                                                53
Lijst van afkortingen                                              57
                                                            A W T A D V I E S 3 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>4 A W T A D V I E S 3 5</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                                                   Samenvatting
De AWT heeft de verkenningen die in de periode 1996 - 1998 zijn verricht naar
ontwikkelingen op verschillende wetenschapsterreinen, bezien op de mogelij-
ke gevolgen ervan voor het overheidsbeleid. Deze focus geeft uiteraard maar
een beperkt zicht op het effect dat verkenningen hebben. De verkenningen
hebben namelijk een grotere doelgroep dan alleen de overheid; zij bieden een
spiegel en een stimulans voor onderzoekers, onderzoekinstellingen, gebrui-
kers etc.
De verkenningen die de AWT in zijn beschouwing heeft betrokken, staan
opgesomd in tabel 1; het gaat om enkele, nog door de OCV geïnitieerde ver-
kenningen (Informatica, Aardwetenschappen, Cognitiewetenschappen,
Ruimtetechnologie en Biologie), enkele verkenningen van de RGO
(Revalidatieonderzoek en Medical Technology Assessment), de NRLO
(Agrosector, Vissector en Groene Ruimte) en DTO, alsook de Technologie-
Radar van het Ministerie van EZ.
       Voor de Aardwetenschappen en de Biologie ziet de Raad thans geen aan-
leiding voor additioneel overheidsbeleid. De verkenning Revalidatie-onder-
zoek pleit voor een stimuleringsactie; het Ministerie van VWS heeft hier
inmiddels toe besloten. De verkenning Medical Technology Assessment
onderstreept de noodzaak voor een betere coördinatie van het onderzoek en
de verspreiding van de onderzoeksresultaten onder de medische professie; de
overheid neemt thans initiatieven daartoe.
       DTO heeft, op basis van een inspirerende benadering, een aantal concre-
te projecten uitgevoerd op het gebied van duurzame technologieontwikke-
ling. De Raad meent dat de DTO-aanpak mogelijkheden biedt voor verkennin-
gen op andere terreinen.
       De NRLO heeft een meerjarig verkenningentraject recent afgesloten met
de publicatie van een serie verkenningsrapporten. De AWT ziet geen aanlei-
ding tot inhoudelijk commentaar. Hij constateert dat de NRLO sterk is gericht
op het creëren van draagvlak en hij verwacht dan ook dat het veld zich mede
laat leiden door de resultaten van de NRLO-verkenningen. Een aantal voor-
stellen van NRLO vereist wel een actieve inzet van de overheid, met name van
het Ministerie van LNV. De AWT acht de door de NRLO gedane voorstellen
voldoende uitdagend en vernieuwend om te bepleiten ze een serieuze kans te
geven.
       De TechnologieRadar krijgt reeds een vervolg onder regie van de
Ministeries van EZ en OCenW. Ook de Raad zal er een vervolg aan geven door
op enkele, nog nader te bepalen terreinen, waaronder informatie- en commu-
nicatietechnologie (ICT), nadere verkenningen uit te voeren.
       De Raad beveelt ten aanzien van twee gebieden aan extra middelen voor
onderzoek binnen het NWO-kader vrij te maken. Dat betreft in de eerste
plaats het interdisciplinaire gebied van de Cognitiewetenschappen, waarvoor
een stimuleringsprogramma gewenst is. Een tweede vakgebied dat extra mid-
delen behoeft, is de Informatica dat, gegeven het belang van dat vakgebied en
                                                            A W T   A D V I E S 3 5           5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  de omvang van het huidige NWO-budget, een groter deel van het regulaire
  NWO-budget verdient.
  Aan de verkenning Ruimtetechnologie zal de Raad apart aandacht besteden in
  een binnenkort uit te brengen advies over het Nederlandse ruimtevaartbeleid.
6 A W T   A D V I E S 3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                                                                                                           Advies
1.     Inleiding
De Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) is gevraagd
ten behoeve van het Wetenschapsbudget 1999 een beleidsadvies uit te brengen
over de verkenningen die in de periode 1996 - 1998 zijn verricht naar ontwik-
kelingen op verschillende wetenschapsterreinen. Dat betreft de verkenningen
die door de voormalige Overlegcommissie Verkenningen (OCV) zijn geïni-
tieerd en zijn gepubliceerd na het verschijnen van het eindrapport van de OCV
in juni 1996. De AWT is gevraagd in haar beleidsadvisering ook de verken-
ningsrapporten te betrekken die door de sectorraden en andere relevante par-
tijen zijn uitgebracht.
2.     Reikwijdte van dit advies
De AWT legt zich in dit advies belangrijke beperkingen op. Hij gaat namelijk
alleen in op de mogelijke gevolgen van de verkenningen voor het overheidsbe-
leid. Hij onderkent dat de meeste verkenningen meer doelgroepen voor ogen
hebben. De overheid is veelal niet de enige die wordt aangesproken. Een
belangrijke functie van verkennen is het prikkelen van betrokkenen, zowel
aan de aanbodzijde als aan de vraagzijde, om buiten bestaande kaders te den-
ken. Dit is gebeurd door allerlei betrokkenen in het verkenningenproces te
betrekken en hen indringend uit te nodigen na te denken over de mogelijke
en wenselijke toekomst van het gebied waarop ze actief zijn. Daarnaast wor-
den de vruchten van dat denkproces en de verkenningsresultaten onder de
aandacht van zo veel mogelijk betrokkenen gebracht. Een verkenning is daar-
mee een spiegel voor het betreffende gebied. De AWT acht een dergelijke
functie van verkenningen uitermate belangrijk; hij verwacht dat allerlei par-
tijen hun voordeel zullen doen met bedoelde verkenningen. Zoals gezegd zal
hij zich in dit advies concentreren op de mogelijke consequenties van de ver-
kenningen voor het overheidsbeleid terzake.
Deze optiek impliceert dat de AWT zich in dit advies kan beperken tot die ver-
kenningen die zich richten tot de overheid als betrokkene, dan wel een maat-
schappelijk wenselijk perspectief schetsen dat zonder overheidsinitiatieven
niet zal worden gerealiseerd. Gegeven de vraag aan de AWT zijn advies te rich-
ten op die verkenningen die zijn verschenen na het eindadvies1 van de OCV is
het uiteindelijk een beperkt aantal verkenningen dat de AWT in zijn beschou-
wing heeft betrokken. Tabel 1 somt deze verkenningen op. Bijlage 1 geeft een
korte samenvatting van de belangrijkste resultaten van deze verkenningen.
1 OCV, Een vitaal kennissysteem; Nederlands onderzoek in toekomstig perspectief; Amsterdam, juni 1996.
                                                                                A W T    A D V I E S   3 5      7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  Buiten de genoemde verkenningen zijn er de laatste twee jaar meer rapporten
  verschenen die als een verkenning zouden kunnen worden opgevat. De Raad
  heeft die om uiteenlopende redenen niet in zijn beschouwing betrokken. Dat
  kan bijvoorbeeld zijn omdat het een rapport betreft dat een nadere invulling
  geeft van een stimuleringsprogramma waartoe reeds is besloten; dat is het
  geval met het rapport Leven in verscheidenheid, een advies van de Raad voor
  het Milieu- en Natuuronderzoek (RMNO) en de Nationale Raad voor
  Landbouwkundig Onderzoek (NRLO) voor het stimuleringsprogramma
  Biodiversiteit.2 In een ander geval kan het zijn omdat een rapport nog maar
  zeer onlangs is verschenen en er onvoldoende tijd was voor de AWT om zich
  in de problematiek te verdiepen; dat is het geval met het advies van de Raad
  voor Gezondheidsonderzoek (RGO) over Orphan Drugs dat in mei jl. in druk
  is verschenen.3
  Tabel 1. Verkenningsrapporten die in de periode juni 1996 - mei 1998 zijn
  gepubliceerd.
  Onderwerp                Verkenningsinstantie       Uitgegeven door          Publicatiedatum
  Informatica              verkenningscommissie       OCV                      september 1996
  Aardwetenschappen        verkenningscommissie       OCV/KNAW                 december 1996
  Revalidatieonderzoek     RGO                        RGO                      februari 1997
  Cognitiewetenschappen    verkenningscommissie       OCV                      maart 1997
  Ruimtetechnologie        verkenningscommissie       AWT                      augustus 1997
  Biologie                 verkenningscommissie       KNAW                     november 1997
  Duurzame Technolo-
     gische Ontwikkeling   stuurgroep DTO             stuurgroep DTO           december 1997
  Techn0logieRadar         Rand Europe en
                              Coopers&Lybrand         EZ                       maart 1998
  Medical Technology
     Assessment (deel 1)   RGO                        RGO                      maart 1998
  Agrosector               NRLO                       NRLO                     mei 1998
  Vissector                NRLO                       NRLO                     mei 1998
  Groene ruimte            NRLO                       NRLO                     mei 1998
  3.      Consequenties voor de overheid
  De AWT ziet in principe drie mogelijke soorten gevolgtrekkingen voor de
  overheid uit de verkenningen:
  a.      het stimuleren van nieuwe ontwikkelingen en/of kennistransfer door
  middel van het bij elkaar brengen van allerlei betrokkenen op een specifiek
  gebied, het stimuleren van nieuwe allianties en dergelijke (elders wel
  genoemd de overheid als makelaar, public consultant, initiator etc.);
  b.      het selectief inzetten van middelen voor onderzoek naar themas die
  extra stimulering verdienen (ook wel prioriteiten genoemd);
  c.      structurele aanpassingen van de kennisinfrastructuur. Het gaat dan om
  gewenste aanpassingen die zonder interventie van de overheid niet tot stand
  zullen komen.
  2 RMNO nr. 127/NRLO nr. 97/19, Leven in verscheidenheid, augustus 1997. Advies van RMNO en NRLO
  voor het stimuleringsprogramma Biodiversiteit.
  3 RGO-advies nr. 16, Orphan Drugs (weesgeneesmiddelen); Rijswijk, mei 1998.
8 A W T       A D V I E S   3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>De gevolgtrekkingen kunnen zowel het overheidsbeleid voor de eigen institu-
ten betreffen, alsook de door de overheid gesubsidieerde instituten.
De AWT is gevraagd een advies uit te brengen met het oog op het in het
komend najaar uit te brengen Wetenschapsbudget 1999. Binnen dit kader ziet
de Raad voor een aantal van de hiervoor genoemde verkenningen geen aanlei-
ding om de overheid te adviseren tot veranderingen in haar beleid. Het betreft
de verkenningen Aardwetenschappen, Revalidatieonderzoek, Biologie en
Medical Technology Assessment. De verkenningen Aardwetenschappen en
Biologie bevatten interessante informatie voor betrokkenen. De Raad ver-
wacht dat betrokkenen bij het desbetreffende gebied met die verkenningen
hun voordeel doen. Ze geven echter, in de ogen van de Raad, geen aanleiding
voor de overheid tot specifieke acties. Ten aanzien van het Revalidatie-onder-
zoek is inmiddels besloten tot aparte stimuleringsacties en worden de beno-
digde gelden daartoe vrijgemaakt. Over het RGO-advies Medical Technology
Assessment deel 1 heeft de overheid inmiddels de aanbeveling om tot betere
coördinatie en kennisverspreiding te komen, overgenomen.
De verkenning Ruimtetechnologie is een apart verhaal. De AWT bereidt een
apart advies voor over het ruimtevaartbeleid, waarbij wordt voortgebouwd op
de verkenning. Het advies heeft tot doel een bijdrage te leveren aan een her-
oriëntatie op het ruimtevaartbeleid, mede naar aanleiding van de verandering
dienaangaande op het Europese vlak. De verkenning Ruimtetechnologie blijft
in het onderhavige advies verder buiten beschouwing.
De andere verkenningen geven volgens de AWT wel aanleiding tot beleidsver-
anderingen. Kijkend naar de hiervoor genoemde soorten gevolgtrekkingen
voor het overheidsbeleid, meent hij dat de overheid zowel wat betreft zijn rol
als initiator, als bij het vaststellen van prioriteiten, gevolgen moet verbinden
aan bedoelde verkenningen. De beschouwde verkenningen geven de Raad
thans geen aanleiding om structurele aanpassingen in de kennisinfrastruc-
tuur te bepleiten.
      De verkenningen van DTO, NRLO en de TechnologieRadar kunnen
nieuwe impulsen geven aan de rol van de overheid als initiator. De verkennin-
gen Informatica en Cognitiewetenschappen geven volgens de Raad aanleiding
voor de overheid om in het onderzoeksstimuleringsbeleid tot nadere priorite-
ring te komen.
3.1. Overheid in rol van initiator
Naast de algemene taak van de overheid om via regelgeving en subsidiëring
nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken, heeft de overheid op bepaalde ter-
reinen een specifieke, eigen verantwoordelijkheid. De AWT doelt hier op spe-
cifieke onderwerpen van staatszorg alsook op de verantwoordelijkheid van de
overheid voor een duurzame samenleving. Laatstgenoemde taak zal niet in
eerste instantie gestalte moeten krijgen in het presenteren van blauwdrukken,
maar in het stimuleren van betrokkenen om te komen tot (nieuwe) benaderin-
gen van (bestaande) problemen. Juist hier heeft de overheid een rol als initia-
tor, als stimulator van nieuwe allianties tussen betrokkenen. Het zijn bij uit-
stek de verkenningen van DTO, NRLO en de TechnologieRadar die hiervoor
aanknopingspunten bieden.
                                                                A W T   A D V I E S 3 5 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>     DTO-activiteiten
     Het programma Duurzame Technologische Ontwikkeling (DTO) is weliswaar
     geen verkenning in eigenlijke zin. De Raad meent echter dat het DTO-pro-
     gramma in een beschouwing over verkenningen niet mag ontbreken. In de
     DTO-publicaties worden experimenten, ontwerpen en concrete mogelijkhe-
     den beschreven die de duurzaamheidstoets kunnen doorstaan, en waarvoor
     ook een draagvlak bestaat om ze uit te voeren. Qua thematiek is duurzame
     technologische ontwikkeling zodanig van maatschappelijk belang dat voort-
     durend nieuwe initiatieven, ook van overheidszijde, op zijn plaats zijn.
           In methodologisch opzicht valt veel van DTO te leren. Het is binnen het
     DTO-programma vruchtbaar gebleken om vanuit de toekomst terug te den-
     ken in plaats van uit het heden te extrapoleren. De mogelijkheden die er
     waren om ideeën verder te ontwikkelen en te beproeven in samenwerkings-
     verbanden die tot die tijd niet bestonden en waaraan niet gedacht was, heeft
     inspirerende resultaten opgeleverd. Daarom herhaalt de Raad graag, in de
     woorden van DTO, de vijf gouden regels die de DTO-werkwijze, toegespitst
     op de ontwikkeling van duurzame technologie, in essentie weergeven:
   - ontwikkel een visie op duurzaamheid;
   - ga vanuit de toekomst op weg;
   - samenwerking is essentieel;
   - zorg voor draagvlak;
   - een goed eindresultaat vergt inspirerend projectleiderschap.
     De Raad is van mening dat de DTO-aanpak mogelijkheden biedt voor verken-
     ningsactiviteiten op andere terreinen.
     TechnologieRadar
     Een andere exercitie die nadere aandacht verdient, is de TechnologieRadar.
     Rand-Europe en Coopers&Lybrand hebben in opdracht van het Ministerie van
     Economische Zaken (EZ) de technologische behoeften van het Nederlandse
     bedrijfsleven geïnventariseerd. Deze inventarisatie bouwt voort op A
     Technology Map for Dutch Business4, die in opdracht van VNO-NCW door
     Arthur D. Little is opgesteld. De TechnologieRadar heeft geleid tot een lijst
     van technologieën, waarvan de 15 belangrijkste nader zijn verkend op de vraag
     in hoeverre de bestaande kennisinfrastructuur goed staat opgesteld om op die
     behoeften in te spelen.
           De TechnologieRadar pretendeert niet het antwoord op deze vragen te
     geven. Integendeel, het pretendeert informatie aan te dragen die de discussie
     tussen bedrijfsleven en kennisinfrastructuur over technologienoden en
     gewenst kennisaanbod een stap verder kan brengen. De Minister van EZ heeft
     te kennen gegeven de discussie te willen voortzetten op een aantal nog nader
     te bepalen themas, met als uiteindelijk doel het rendement op investeringen
     in kennis in Nederland te vergroten.
           TechnologieRadar is daarmee een begin. Niet op alle aangereikte the-
     mas is het nodig onder regie van een overheidsinstantie verdere stappen te
     ondernemen.
     4 Arthur D. Little, A Technology Map for Dutch Business, executive summary en appendix; Rotterdam,
     1996.
10   A W T     A D V I E S      3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Met de aangedragen informatie kunnen zowel bedrijven zelf alsook kennisin-
stituten hun voordeel doen. Voor een aantal sectoren komt uit de
TechnologieRadar een mismatch tussen technologievraag en kennisaanbod
naar voren. De Raad is gaarne bereid een bijdrage te leveren om de afstand tus-
sen technologievraag en -aanbod te verkleinen. Hij neemt zich voor zich met
name te richten op de technologieën die liggen op het gebied van de informa-
tie- en communicatietechnologie (ICT). Die zijn evident van belang voor de
toekomst van ons land.
NRLO-verkenningen
De NRLO heeft in mei jl. een grootschalig verkenningenproject afgerond, uit-
mondend in een Kennis- en Innovatieagenda die inspeelt op de ambities voor
de 21e eeuw. Die ambities betreffen respectievelijk de agrosector, de vissector
en de groene ruimte.
De NRLO heeft bij zijn verkenningen een groot aantal mensen betrokken
onder andere door hen te laten deelnemen in tal van workshops, door hen uit
te nodigen essays te schrijven, en dergelijke. Bij de 10 voorstellen die de NRLO
doet voor de Agrosector is per voorstel aangegeven wat het draagvlak voor het
betreffende voorstel bij de stakeholders is. Dat draagvlak is voor alle voorstel-
len groot tot zeer groot.
       Voor een belangrijk deel kunnen de voorstellen door en binnen de
bestaande kennisinfrastructuur worden opgepakt. De landbouwkennisin-
frastructuur wordt thans herzien en mondt uit in een nieuwe opzet, voorlopig
Kenniscentrum Wageningen (KCW) genoemd. Gezien het daarvoor bestaande
draagvlak zal ongetwijfeld een aantal voorstellen dat in het verkenningspro-
ces is opgekomen door het KCW met voortvarendheid worden opgepakt. Voor
een aantal voorstellen is dat niet te verwachten. Dat betreft voorstellen voor
het starten van zogenaamde innovatieprogrammas (voor de onderwerpen
milieugerichte systeeminnovaties, ketens & logistiek, diergezondheidsstrate-
gieën en geïntegreerde veehouderijsystemen). Het beoogde resultaat zijn sys-
teeminnovaties, die gaandeweg worden gevonden en beproefd. Dergelijke sys-
teeminnovaties komen niet vanzelf tot stand. Ze vragen om enthousiaste trek-
kers en makelaars naar het voorbeeld van DTO. Ze vragen bovendien een
andere vorm van betrokkenheid van de overheid dan de traditionele: de over-
heid moet ruimte geven voor een innovatieprogramma, dat gaandeweg vorm
krijgt en waarbij tijdens de uitvoering pas duidelijk wordt welke partijen bij
het programma moeten worden betrokken. Het Ministerie van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij (LNV) wordt door NRLO aangesproken om dit soort
programmas mogelijk te maken. De Raad acht de door de NRLO gesuggereer-
de aanpakken voldoende uitdagend en vernieuwend om te bepleiten ze een
serieuze kans te geven.
De Raad is benieuwd naar de reactie van het Ministerie van LNV op de NRLO-
verkenningen, die naar verluidt dit najaar in het LNV-kennisbeleidsplan zal
worden gepubliceerd. De analyse en voorzet die door de NRLO is gegeven,
vraagt om een serieuze behandeling. Dat betreft niet alleen de toekomstver-
kenning van de Agrosector, maar ook die van de Vissector en de Groene ruim-
te. Per aanbeveling zou door het departement van LNV moeten worden aange-
                                                              A W T    A D V I E S 3 5 11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>   geven in hoeverre zij die opportuun acht en welke consequenties zij daaraan
   verbindt.
   Bij de implementatie van de verschillende NRLO-voorstellen wil de Raad op
   het volgende wijzen: in de NRLO-verkenningsrapporten staan op verschillen-
   de plaatsen signalen dat veel meer gebruik zou moeten worden gemaakt van
   de mogelijkheden buiten de landbouwsector om de innovatie binnen de land-
   bouwsector te bevorderen. Ook tijdens de verschillende door de NRLO georga-
   niseerde bijeenkomsten is in verschillende toonaarden bepleit de blik meer
   naar buiten te richten. Maar het verschil tussen belijdenis en daad blijkt hier
   bij herhaling groot. Vanuit het Ministerie van LNV is derhalve voortdurende
   actie geboden om prikkels te geven in de richting van het landbouwkennissys-
   teem om alert te zijn op het kennisaanbod buiten de landbouw.
   3.2 Stimuleringsprogrammas
   De Raad heeft de verkenningsrapporten bezien op de vraag welke rapporten
   aanleiding geven de minister voor te stellen een deel van de vrijvallende en
   nog niet bestemde NWO-middelen te bestemmen voor een specifiek onder-
   zoekprogramma. In zijn ogen springt er één onderwerp uit, namelijk de
   Cognitiewetenschappen. Een tweede gebied, de Informatica, verdient ook
   nadere stimulering, maar die kan wellicht gerealiseerd worden via interne
   reallocatie bij NWO. De Raad licht dit toe.
   Cognitiewetenschappen
   De verkenningscommissie Cognitiewetenschappen heeft in haar eindrapport
   De kennisraffinaderij: cognitiewetenschappen in Nederland een aantal concrete aan-
   bevelingen gedaan om het cognitieonderzoek in Nederland te bevorderen.5
          De Raad beschouwt de Cognitiewetenschappen als een zeer belangrijk
   gebied dat binnen de Nederlandse kennisinfrastructuur nog onvoldoende is
   verankerd. Dat is ongetwijfeld het gevolg van het interdisciplinaire karakter
   van dit vakgebied. De Raad ziet hier een belangrijke rol weggelegd voor NWO
   (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek). NWO kent
   thans geen natuurlijk aanspreekpunt voor de cognitiewetenschappen; de ver-
   schillende onderdelen worden nu vanuit verschillende gebieden bediend:
   NWO Medische Wetenschappen houdt zich bezig met neurowetenschappen,
   NWO Gedrag- en Maatschappijwetenschappen met psychonomie en de apart
   georganiseerde onderwijskunde met onderwijstechnologie. Een NWO-door-
   snijdend en integrerend initiatief, waarbij alle relevante disciplines in samen-
   hang worden benut, acht de Raad zeer gewenst. De commissie heeft voorstel-
   len in deze richting gedaan.
          De Raad lijkt een extra stimulering voor Cognitiewetenschappen zeker
   opportuun. Hij beveelt de minister aan een deel van de bij NWO vrijkomende
   middelen te bestemmen voor cognitieonderzoek. Het moet in principe gaan
   om tijdelijke stimulering. Na een aantal jaren moet expliciet worden bekeken
   in hoeverre de beoogde doelstellingen zijn gerealiseerd.
   5 OCV, Verkenningscommissie Cognitiewetenschappen, De kennisraffinaderij; cognitiewetenschappen in
   Nederland; Amsterdam, maart 1997.
12 A W T      A D V I E S  3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Informatica
De verkenningscommissie schetst in haar rapport Geen toekomst zonder informa-
tica een beeld van de ontwikkelingen en onderzoekmogelijkheden.6 Dat beeld
is eind 1997 door SION (de NWO-stichting Informatica Onderzoek Nederland)
nader uitgewerkt in een onderzoekagenda. Zij schat dat daarvoor  30 miljoen
nodig is, te besteden in een periode van vijf jaar. De huidige beschikbare fond-
sen belopen circa de helft hiervan.
       De Raad acht een ruimere financiering van het informatica-onderzoek
binnen NWO op zijn plaats.De informatica is in de nieuwe indeling van de
gebiedsbesturen bij NWO, samen met fysica, astronomie, wiskunde onder één
gebiedsbestuur gebracht. Het lijkt niet onredelijk om binnen dit brede gebied
via reallocatie middelen over te hevelen naar informatica. Dat is gegeven het
evidente belang van de informatica zelfs zeer wenselijk.
       De analyse die in het kader van de TechnologieRadar is gemaakt, laat
zien dat de relatie tussen universitaire onderzoekers en gebruikers te wensen
overlaat. Dat moet een belangrijk punt van aandacht blijven, zeker gezien de
grote economische belangen die zijn verbonden aan het informatica-gerela-
teerde bedrijfsleven. De Raad is van plan in zijn hiervoor genoemde voorne-
men tot een verkenning op dit gebied daarop nader in te gaan.
Aldus vastgesteld te Den Haag, 24 juni 1998.
Dr.ir. H.L. Beckers
voorzitter
Dr. A. van Heeringen
secretaris
6 OCV, Verkenningscommissie Informatica, Geen toekomst zonder informatica. Toekomstverkenning 1996-
2005; Amsterdam, juni 1996.
                                                                            A W T     A D V I E S   3 5 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>14 A W T A D V I E S 3 5</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                      Bijlagen
A W T A D V I E S 3 5        15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>16 A W T A D V I E S 3 5</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                       Geen toekomst zonder informatica, Toekomstverkenning Informatica 1996-2005
                                                                                                        1
1. Doelstelling
Deze verkenning heeft tot doel inzicht te verschaffen in de vraag welk infor-
matica-onderzoek voor Nederland in de komende 10 jaar van strategisch
belang is.1 Het gestelde doel wordt bereikt door een toekomstbeeld te schet-
sen, een onderzoekskader te formuleren en beleidsadviezen voor realisatie te
geven.
2. Afbakening
In deze verkenning is uitgegaan van de volgende omschrijving van het vakge-
bied informatica: Informatica is de wetenschap die zich bezighoudt met de
theorieën, methoden en technieken voor het voortbrengen en in stand houden
van informatiesystemen, met nadruk op de architectuur en de softwarecom-
ponenten van zulke systemen.
       Het sleutelwoord in deze omschrijving is de term informatiesysteem
(IS). In deze verkenning heeft IS een ruimere dan gebruikelijke betekenis
gekregen; de definitie is zo ruim dat bijvoorbeeld digitale telefooncentrales,
vluchtsimulatoren en Internet in deze verkenning ook als informatiesysteem
beschouwd worden.
3. Informatica in de maatschappij van de toekomst
In deze verkenning zal ingegaan worden op de functies die IS vervullen in
onze toekomstige maatschappij, de wijze waarop IS in de toekomst ontwik-
keld en geëxploiteerd worden en de rol die ons land daarin vervult.
Functies van IS in de toekomst
Om zicht te krijgen op de maatschappelijke veranderingen ten gevolge van IT-
ontwikkelingen, worden de volgende soorten toepassingen onderscheiden:
besturing en ondersteuning van bedrijfsprocessen, besturing van apparaten,
informatieverwerking als primair proces, ondersteuning van informatiewer-
kers en edutainment2.
       Informatiesystemen hebben de bedrijfsvoering in alle sectoren en op
allerlei niveaus fundamenteel veranderd en dit proces zal zich in de komende
jaren voortzetten. In deze verkenning worden 14 belangrijke veranderingsge-
bieden aangegeven die alle sectoren van de maatschappij raken.
1 OCV, Verkenningscommissie Informatica, Geen toekomst zonder informatica. Toekomstverkenning 1996-
2005; Amsterdam, juni 1996.
2 Het gecombineerde gebied van educatie en entertainment.
                                                                            A W T      A D V I E S  3 5  17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>     Voortbrengen en in stand houden van IS in de toekomst
     In deze verkenning worden de volgende typen software onderscheiden:
   - specifieke applicaties (software voor één specifieke bedrijfssituatie; maat-
     werk);
   - embedded software (software ingebouwd in apparaten voor de besturing
     ervan of voor de verhoging van het bedieningsgemak);
   - generieke applicaties (softwarepakketten);
   - componenten (bouwstenen die gebruikt worden om applicaties samen te stel-
     len);
   - hulpmiddelen (software voor het ontwikkelen van andere software).
     Aandacht wordt geschonken aan de vraag waar wordt software gemaakt?
     Specifieke applicaties worden gemaakt door een softwarehuis of eigen infor-
     matiseringsafdeling die optreedt als softwareaannemer; generieke applicaties,
     hulpmiddelen en componenten worden gemaakt door een softwarehuis dat
     optreedt als softwarefabriek. Er zijn diverse voorbeelden van softwareaanne-
     mers die zich transformeren naar softwarefabrieken.
     Informatica is volop in beweging. Veel inspanningen zijn gericht op verbete-
     ring van effectiviteit en efficiëntie van het ontwikkelingsproces (de specifica-
     tie- en constructiefase). Bij de constructie kunnen de volgende ontwikkelme-
     thodes worden onderscheiden:
   - programmeermethode: software wordt ontwikkeld op de traditionele wijze
     met behulp van derde en vierde generatie programmeertalen vanuit specifica-
     ties;
   - genereermethode: uit specificaties wordt de software automatisch gegene-
     reerd;
   - assembleermethode: systemen worden geassembleerd uit componenten tot
     één geheel en programmeren wordt grotendeels vervangen door assembleren;
   - configureermethode: generieke applicaties worden geconfigureerd ten behoe-
     ve van een specifiek takenpakket; programmeren wordt grotendeels vervan-
     gen door configureren.
     Er is een trend waarneembaar om specifieke applicaties en embedded software
     volgens één van de drie laatste ontwikkelmethoden te ontwikkelen. Deze drie
     methoden zullen vermoedelijk naar elkaar toe groeien.
     Scenarios voor de rol van Nederland
     Voor de rol die Nederland rond het jaar 2005 zal spelen bij het voortbrengen
     en in stand houden van IS zijn diverse scenarios denkbaar. De scenarios mar-
     keren als het ware de hoekpunten van een veelhoek, waarbinnen ons land een
     positie zal krijgen. Twee factoren spelen een dominante rol in de scenarios:
     de economische ontwikkeling en de kosten van arbeid.
           De volgende vier scenarios worden onderscheiden: Nederland als uitbe-
     stedingsland (I), Nederland als doe-het-zelf land (II), Nederland als handels-
     en integratieland (III) en Nederland softwareland (IV).
     Het derde scenario (Nederland als handels- en integratieland) lijkt het meest
     realistisch. In dat scenario bloeit onze economie en wordt er uitsluitend hoog-
     waardige arbeid verricht. Onder de mondiale concurrentiedruk wordt men
18   A W T     A D V I E S    3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>  gedwongen om de efficiency te verhogen en de arbeidskosten te verlagen.
  Hierdoor worden nieuwe IS in gebruik genomen die met moderne technieken
  zijn ontwikkeld. Nederland wordt een centrum voor softwareintegratie en
  wereldwijde handel in componenten, hulpmiddelen en generieke applicaties.
  Deze handel verloopt grotendeels via de elektronische snelwegen, maar de
  regie van deze handel is onder onze controle. Wij hebben een vooraanstaande
  positie in het specificeren, testen, genereren, assembleren en configureren: er
  is veel informaticaonderzoek nodig om dit scenario te kunnen realiseren.3
  4. Onderzoek voor de toekomst
  Wetenschappelijk onderzoek in de informatica kan in twee soorten verdeeld
  worden: autonoom onderzoek en strategisch onderzoek. Dit onderscheid mag
  niet verward worden met de verdeling in fundamenteel en toegepast onder-
  zoek: strategisch onderzoek kan wel degelijk fundamenteel zijn en autonoom
  onderzoek kan wel degelijk toegepast worden. Autonoom onderzoek is vooral
  gericht op beantwoording van vragen die de grondslagen van het vakgebied
  betreffen en die gegenereerd worden uit de wetenschapsbeoefening zelf.
  Strategisch onderzoek is gericht op het beantwoorden van vragen die direct de
  toepassing van het vakgebied betreffen, dus het voortbrengen en in stand
  houden van IS. Zonder autonoom onderzoek is strategisch onderzoek niet
  mogelijk. In deze verkenning beperken wij ons tot strategisch onderzoek,
  omdat de praktijk hierbij mede de agenda moet kunnen bepalen. Het
  autonoom onderzoek moet men niet van hogerhand willen sturen, omdat de
  vraagstellingen uit de wetenschapsbeoefening zelf voortkomen.
  Om tot een onderzoekskader te komen heeft de commissie uit het toekomst-
  beeld de volgende zes onderzoeksgebieden gedistilleerd: software-enginee-
  ring (1), data- en kennissystemen (2), interactie (3), computer- en netwerksyste-
  men (4), algoritmiek (5) en fundamenten (6). De geselecteerde onderzoeksge-
  bieden hangen nauw met elkaar samen en de beschikbare middelen zullen op
  een evenwichtige wijze tussen deze gebieden verdeeld moeten worden om het
  gewenste scenario te kunnen realiseren.3
  5. Beleidsadviezen
  De adviezen hebben betrekking op het informatica-onderzoek, het onderwijs
  en op kennisuitwisseling tussen software-industrie en onderzoeks- en onder-
  wijsinstituten.
  Informatica-onderzoek
- Voor zowel autonoom als strategisch onderzoek dient voldoende ruimte te
  bestaan; de commissie is van mening dat een structurele verdeling van
  beschikbare middelen tussen deze twee onderzoeksvormen noodzakelijk is.
- Vanwege het economische belang zou Nederland zich in ieder geval moeten
  richten op de realisering van het derde scenario; het is voor onze nationale
  3 De inmiddels opgeheven NWO-Stichting Informatica-onderzoek in Nederland heeft in oktober
  1997 een Nationale Onderzoekagenda Informatica gepubliceerd. Daarin worden de door de
  Verkenningscommissie geïdentificeerde onderzoekvelden nader uitgewerkt.
                                                                         A W T     A D V I E S 3 5 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>     economie van cruciaal belang dat wij een software-industrie hebben die inter-
     nationaal gezien tot de eredivisie behoort, juist ook omdat het een schone,
     technologisch hoogwaardige en kennisintensieve industrie is en dus uitste-
     kend realiseerbaar is in ons land. Daarnaast verkeert de informatisering van
     de maatschappij nog in het beginstadium en is het van groot belang dat wij
     dit proces zelf mede vormgeven.
   - De inspanningen ten behoeve van strategisch onderzoek moeten worden ver-
     sterkt. Dit vereist uitbreiding van de financiële middelen voor informatica-
     onderzoek. Daarnaast moet voor dit onderzoek een nationale agenda worden
     opgesteld binnen het door de commissie voorgestelde Onderzoekskader
     Informatica 1996-2005. Deze agenda dient door de wetenschap, het bedrijfsle-
     ven en de overheid gezamenlijk opgesteld te worden. Uitgangspunt daarbij
     moet zijn dat alleen onderzoek wordt uitgevoerd waarvoor voldoende kriti-
     sche massa is. De eerste jaren verdient het aanbeveling de agenda samen te
     stellen binnen het in deze verkenning gegeven Onderzoekskader Informatica
     1996-2005.
   - Informatica-onderzoek heeft naast theorievorming sterke behoefte aan een
     experimentele component. Experimenteel onderzoek is aan de universiteiten
     sterk onderbelicht en er zijn onvoldoende laboratoriumfaciliteiten. Hier zou
     naar de mening van de commissie structureel verandering in moeten komen,
     zowel met betrekking tot de faciliteiten als de attitude van de onderzoekers.
   - Het belang van multidisciplinariteit wordt steeds groter, immers informatici
     ontwikkelen informatiesystemen voor en met personen uit andere disciplines.
     Naast het bevorderen van communicatieve vaardigheden is onderzoek naar
     effectieve methoden en technieken voor de gewenste communicatie, zoals
     informatie-analyse en kennisacquisitie, wenselijk.
   - Het is geen goede zaak dat los van de informaticadiscipline, verschillende
     informaticavarianten binnen andere disciplines zijn ontstaan; het verdient
     aanbeveling om alle informaticavarianten per onderwijsinstelling te coördine-
     ren en waar mogelijk, te integreren.
   - De meest gekwalificeerde onderzoekers besteden een te groot deel van hun
     beschikbare tijd aan de organisatie rondom het onderzoekswerk, waardoor zij
     zelf onvoldoende aan het feitelijk uitvoeren van onderzoek toekomen. Deze
     onbalans moet hersteld worden, onder andere door het kritisch beschouwen
     van de verschillende, elkaar soms overlappende, subsidieregelingen.
   - Als het al wenselijk is om naast universiteiten topinstituten op te richten, zal
     er zeker één voor informatica opgericht moeten worden. De commissie is van
     mening om in een dergelijke situatie de bestaande onderzoeksinstituten te
     laten uitgroeien tot topinstituten in plaats van weer nieuwe instituten te creë-
     ren.
     Onderwijs
   - Een essentiële voorwaarde voor een goede software-industrie is dat er goed
     informatica-onderwijs is op de twee niveaus: voortgezet en hoger onderwijs.
     In het huidige onderwijs is de integratie tussen deze twee niveaus zwak en
     speelt met name het onderwijs aan niet-informatici onvoldoende in op de
     behoeften en de moderne technische mogelijkheden.
   - Het toekomstige informaticaonderwijs moet gericht zijn op de stimulering
     van de volgende drie soorten informaticavaardigheden:
     -     alledaagse informatica: het vermogen om beschikbare IS te gebruiken;
20   A W T    A D V I E S  3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>  -     toegepaste informatica: het vermogen om een bedrijfsgerichte applicatie
  te specificeren en het vermogen om met behulp van moderne tools te constru-
  eren door assemblage of configuratie;
  -     specialistische informatica: het vermogen om alle soorten software en
  nieuwe methoden en technieken te ontwikkelen en het vermogen om in mul-
  tidisciplinaire teams te opereren.
  Kennisuitwisseling
- Om de informatici in de praktijk de meest actuele stand van zaken van de
  informatica bij te brengen, zou het hoger onderwijs beter gestructureerd
  nascholingsonderwijs moeten gaan verzorgen. Dit heeft als gunstig nevenef-
  fect dat het hoger onderwijs beter geïnformeerd blijft over de behoeften uit de
  praktijk.
- Om de drempel voor ondernemende informatici te verlagen zou er meer ven-
  ture capital moeten worden aangeboden om jonge innovatieve softwareonder-
  nemingen een reële kans te geven. Het opzetten van een nationale investe-
  ringsbank ter bevordering van innovatieve softwarefabricage is hierbij een
  goede oplossing.
- Om de band met de praktijk groter te maken zouden alle informaticaopleidin-
  gen voorzien moeten zijn van adviesraden bestaande uit vertegenwoordigers
  uit de industrie die het curriculum periodiek toetsen aan de praktijkwensen.
- Bevorderd moet worden dat de industrie een belangrijk deel van zijn informa-
  tica-onderzoek uitbesteedt aan universiteiten en andere hoogwaardige ken-
  nisinstituten via contractonderzoek (outsourcing). Hierdoor zullen de onder-
  zoekers geïnspireerd worden door de praktijk en zullen de toepassers de
  beschikking krijgen over de modernste technologie. De overheid zou dit door
  middel van economische prikkels moeten bevorderen.
                                                              A W T   A D V I E S 3 5 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>22 A W T A D V I E S 3 5</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>             Ruimte voor Aardwetenschappen, Toekomstverkenning aardwetenschappelijk onderzoek
                                                                                                       2
  In dit rapport zijn steeds per hoofdstuk samenvattingen of conclusies en aan-
  bevelingen weergegeven.1 In deze samenvatting worden de belangrijkste
  aspecten naar voren gehaald en wordt afgesloten met enkele algemene over-
  wegingen.
  Aardwetenschappelijk onderzoek is gericht op processen en verschijnselen in
  de geosfeer, de hydrosfeer en de atmosfeer. Binnen ieder van deze drie sferen
  onderscheidt de Verkenningscommissie Aardwetenschappen (VCA) vier toe-
  passingsgebieden, namelijk de aardse bestaansbronnen, de aardse ruimte, het
  aards milieu en aardse risicos.
  Onafhankelijk van de toekomstige ontwikkeling van de maatschappij zal een
  aantal onderwerpen voor toekomstig aardwetenschappelijk onderzoek van
  belang zijn.
         Deze onderwerpen, die alle vallen binnen de eerder genoemde toepas-
  singsgebieden zijn:
  Algemeen:
- Fundamenteel onderzoek aan het Systeem Aarde
- Data-acquisitie en monitoring
- Onderzoek betreffende mogelijkheden, begrenzingen en toepassingen van
  kwantitatief modelleren
  Specifiek:
- Ondergrondse infrastructuur
- Energie
- Klimaat
- Water
- Milieu
- Veiligheid
- Landbouw en voedselvoorziening
  Deze onderwerpen zijn naar de mening van de VCA alle van mondiale beteke-
  nis. Enkele kunnen alleen in mondiaal verband bestudeerd worden, al hebben
  de resultaten direct nationale betekenis (klimaat bijvoorbeeld). Andere ken-
  nen heel specifiek nationale sectoren (zoet water), al vormen zij een onderdeel
  van een veel wijder mondiaal probleem. Zij kunnen echter op nationale of ten-
  minste Europese schaal op specifieke aspecten bestudeerd worden. Dit kan op
  zijn beurt leiden tot kennis die zich uitstekend voor export leent, daarmee
  ook langs die weg een bijdrage leverend aan het bruto nationaal product
  (BNP).
  1 OCV, Verkenningscommissie Aardwetenschappen, Ruimte voor Aardwetenschappen. Toekomstverkenning
  aardwetenschappelijk onderzoek; Amsterdam, december 1996.
                                                                         A W T      A D V I E S    3 5  23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>   In het rapport worden op deze gebieden een aantal concrete voorbeelden
   genoemd van maatschappelijke problemen die in de nabije toekomst voor de
   ontwikkeling van Nederland (en in een aantal gevallen ook ver daarbuiten)
   een grote rol zullen spelen. Hoe ook de politieke besluitvorming omtrent deze
   projecten zal uitvallen, zeker is dat het om uiterst kostbare projecten gaat,
   waarvoor aardwetenschappelijke onderbouwing noodzakelijk zal zijn. De
   totale kosten zullen, verdeeld over een aantal jaren, in de tientallen miljarden
   guldens lopen. De totale jaarlijkse uitgaven aan publiek aardwetenschappelijk
   onderzoek in Nederland liggen in de orde van 270 miljoen gulden per jaar.
   Gezien de enorme economische belangen die hier op het spel staan, kan een
   toename van de vraag naar aardwetenschappelijke onderzoekresultaten ver-
   wacht worden en is een grotere financiële ondersteuning van het aardweten-
   schappelijk onderzoek vereist. Een uitbreiding van fondsen uit de zogenaam-
   de tweede geldstroom is daartoe een mogelijkheid, zonder dat overigens de
   eerste-geldstroombronnen worden aangetast. Deze laatste zijn een absolute
   noodzaak om de zo noodzakelijke onderzoekinfrastructuur op voldoende
   sterkte te handhaven en om (met behulp van risicodragende promotieonder-
   zoeken) nieuwe velden van onderzoek te exploreren.
   Zonder de eerste geldstroom is een goede inpassing van tweede- en ook derde-
   geldstroomonderzoek niet mogelijk. De Onderzoekvisitatiecommissie
   Aardwetenschappen heeft er terecht op gewezen, dat door de bezuinigingen
   in het afgelopen decennium op het universitaire eerste-geldstroomonderzoek
   een ondergrens is bereikt.
   Het publiek gefinancierde aardwetenschappelijke onderzoek speelt zich af
   aan de universiteiten en para-universitaire instituten en aan publieke onder-
   zoekinstellingen. Bij de universiteiten hebben over een lange reeks van jaren
   reorganisaties en concentraties plaatsgevonden. In dit opzicht hebben de
   aardwetenschappen zelfs voorop gelopen; een significante compensatie voor
   het uitblijven van extra gelden kan dan ook niet in verdere concentratie wor-
   den gevonden.
   Van de meest recente datum is de instelling van de zes onderzoekscholen,
   waarin vrijwel al het universitaire aardwetenschappelijk onderzoek is onder-
   gebracht. Het universitair onderzoek is in de komende jaren meer gebaat bij
   consolidatie dan bij weer nieuwe reorganisatie(s). Slechts voor enkele groepen
   doet de VCA aanbevelingen tot enige verandering van inpassing, c.q. samen-
   voeging met het oogmerk de nationale inbedding en/of de internationale posi-
   tie van deze groepen te versterken. Pas bij en na de evaluatie van de eerste vijf-
   jaarlijkse periode van de onderzoekscholen, zou de mogelijkheid van reductie
   van het aantal scholen moeten worden bekeken.
   Gelet op het bovenstaande dient de herkenbaarheid van het aardwetenschap-
   pelijk onderzoek te worden vergroot. De beroepsverenigingen dienen daartoe
   de handen ineen te slaan, in nauw overleg met de Akademie Raad voor de
   Aardwetenschappen (ARA) en NWO Stichting Geologisch, Oceanografisch en
   Atmosferisch Onderzoek (GOA). Dit is een lange-termijnactiviteit die zorgvul-
   dige planning en coördinatie vereist. Een goed georganiseerde en gecoördi-
   neerde aanpak zou voor een juist begrip van de noodzaak en waarde van aard-
24 A W T    A D V I E S 3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>  wetenschappelijk onderzoek bij beleidsmakers, politici en het algemene
  publiek van groot belang kunnen zijn.
  Ook het toegepast aardwetenschappelijke onderzoek en advisering - in het bij-
  zonder dat betreffende de geosfeer - wordt gereorganiseerd. Dit op basis van
  de onderzoeken van de Stuurgroep Van Engelshoven (1995). De transparantie
  en efficiëntie van de publieke kennisinfrastructuur op het gebied van de geo-
  wetenschappen wordt door de vorming van het Nederlands Instituut voor
  Toegepaste Geowetenschappen (NITG-TNO) sterk verbeterd.
  De VCA is een warm voorstander van het opstellen van een nationaal docen-
  tenplan voor de aardwetenschappen. Het biedt de mogelijkheid schaarse mid-
  delen optimaal te besteden en versterkt de positie bij het aanvragen van extra
  middelen. Waar mogelijk moet onderzoek worden ingepast in grote, interna-
  tionale wetenschappelijke programmas. Gelet op de bescheiden mogelijkhe-
  den van een klein land, zijn grote beperkingen in die deelname noodzakelijk.
  Van belang bij de afweging is vooral de kwaliteit van de deelnemende
  Nederlandse groepen. Daarnaast moeten mogelijkheden tot internationale
  samenwerkingen anders dan in het kader van internationale programmas
  ook in financieel opzicht worden gehandhaafd en gestimuleerd. In het huidi-
  ge tijdsgewricht bestaat een sterke tendens universitair onderzoek door de
  vraag te laten sturen. Met oog voor de positieve aspecten van dit type onder-
  zoek, pleit de VCA ervoor dat daarnaast het curiosity driven onderzoek - pri-
  maire doelstelling van universitair onderzoek - voldoende ruimte wordt gebo-
  den; zonder dat zou op termijn ook het strategisch onderzoek zijn fundamen-
  ten gaan ontberen.
  Het onderzoek, zoals dat aan de aanbodzijde vorm heeft gekregen in de
  onderzoekscholen, vaak mede in samenwerking met andere (gedeeltelijk)
  publiek gefinancierde onderzoekinstellingen, sluit goed aan op de vragen die
  vanuit de maatschappij worden gesteld. Van belang voor de toekomst is een
  goede afstemming van universitair, en publiek en industrieel gefinancierd
  buiten-universitair onderzoek. Gelet op de talrijke relaties die er bestaan,
  heeft de VCA geen zorg over de mogelijkheden hiertoe.
  Het gehele veld overziende kan ter afronding worden gezegd, dat naar de
  mening van de VCA
- in de komende 5 à 15 jaar een relatieve verschuiving van aandacht zal optreden
  van aardse bestaansbronnen naar aardse ruimte, aards milieu en aardse risi-
  cos;
- de mogelijkheden voor curiosity driven onderzoek moet worden gehand-
  haafd en zelfs uitgebreid om op termijn ook het strategisch- en toegepast
  onderzoek verantwoord te kunnen blijven uitvoeren;
- onderzoek over de volle breedte van de aardwetenschappelijke disciplines in
  stand moet worden gehouden om de Nederlandse positie in dit veld ook in de
  toekomst te garanderen, zij het dat binnen disciplines uiteraard keuzen nodig
  zijn.
  Tenslotte: bij het maken van toekomstige keuzen voor publiek gefinancierde
  onderzoekthemas dient - naast de bestaande kwaliteitscriteria - een aantal
                                                               A W T    A D V I E S 3 5 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>     algemene criteria steeds mee in beschouwing te worden genomen. De hieron-
     der vermelde criteria staan zeker niet in volgorde van toe- of afnemend
     belang; van geval tot geval kunnen één of enkele der criteria meer of minder
     doorslaggevend zijn:
   - het belang van het onderzoek vanuit wetenschappelijk perspectief;
   - het belang van het onderzoek in de samenhang van het totale Nederlandse
     aardwetenschappelijk onderzoek;
   - het belang van het onderzoek voor het opleiden van academici op het terrein
     van de aardwetenschappen en als element van cultuuroverdracht;
   - de mate van inbedding van het onderzoek in internationale programmas;
   - de mogelijkheid van toepassing van het betreffende aardwetenschappelijk
     onderzoek voor een op duurzaamheid gerichte ontwikkeling van het
     Koninkrijk der Nederlanden (Nederland en de delen in het Caraïbisch gebied);
   - het economische belang van het onderzoek voor het Nederlandse bedrijfsle-
     ven;
   - het perspectief van toepassing op het betreffende aardwetenschappelijk
     onderzoek buiten Nederland, onder andere in ontwikkelingslanden, eveneens
     aansluitend bij het streven naar duurzame ontwikkeling;
   - de bijdrage die het onderzoek kan leveren aan het oplossen van maatschappe-
     lijke problemen.
     De VCA constateert, dat het huidige publiek gefinancierde onderzoek aan de
     criteria voldoet. Bovendien laten recent verschenen visitatierapporten zien,
     dat het Nederlandse aardwetenschappelijke onderzoek naar internationale
     maatstaven in kwalitatief opzicht als voldoende tot excellent wordt gekarakte-
     riseerd. Naar de mening van de VCA zal bij toekomstige toetsing als hierboven
     omschreven de ARA een nuttige rol kunnen vervullen.
26   A W T     A D V I E S 3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                                                                                                         3
                                                                                    Advies revalidatieonderzoek
In dit advies over revalidatieonderzoek wordt in het bijzonder aandacht
besteed aan vraagstukken van infrastructurele aard.1 Daarnaast gaat het
advies in op enkele themas in het revalidatieonderzoek, waarvoor deels
infrastructurele aanbevelingen worden gegeven. De adviesaanvraag, mede
voortgekomen uit het advies Brede Analyse Gezondheidsonderzoek deel 1 van
de Raad, omvatte als kernvraag hoe het revalidatieonderzoek tot ontwikkeling
gebracht zou kunnen worden en wat de gewenste infrastructuur daarvoor is.
In het veld zijn de afgelopen jaren belangrijke ontwikkelingen in gang gezet
die beogen meer samenhang in het onderzoek te brengen. Er is gestreefd naar
afstemming van dit advies op deze ontwikkelingen.
Revalidatieonderzoek is in dit advies breed opgevat. Bij de omschrijving is uit-
gegaan van het concept van de International Classification of Impairments,
Disabilities and Handicaps. De kern wordt omschreven als al het onderzoek dat
gericht is op vermindering van (dreigende) blijvende lichamelijke en cognitie-
ve stoornissen, beperkingen en handicaps ten gevolge van een ziekte, aange-
boren afwijking of trauma. Het functioneren van de patiënt staat hierin cen-
traal. Essentieel is dat in het onderzoek de verbinding gelegd wordt tussen
stoornissen, beperkingen en/of handicaps.
      Belangrijke bijdragen aan revalidatieonderzoek worden behalve door
revalidatiegeneeskunde geleverd door technische wetenschapen, gedragswe-
tenschappen en bewegingswetenschappen. Het onderzoekterrein wordt der-
halve beschreven in deze vier deelterreinen en in een vijfde deelterrein dat
domeinoverstijgend is.
      De grenzen van het revalidatieonderzoek zijn niet scherp te geven.
Binnen bijvoorbeeld de technische wetenschappen of andere medische disci-
plines dan revalidatiegeneeskunde kan onderzoek plaatsvinden dat raakt aan
het domein van het revalidatieonderzoek. Dit onderzoek wordt hier aange-
duid met revalidatierelevant onderzoek.
Ter voorbereiding van het advies is een inventarisatie gemaakt van het huidi-
ge revalidatieonderzoek in ons land. Aan ruim negentig onderzoekgroepen is
gevraagd naar de hoofdlijnen van het onderzoek, de omvang en financiering,
samenwerkingsverbanden en knelpunten.
      Opvallende resultaten zijn onder meer de versnippering van het onder-
zoek, de onvoldoende kritische massa van de huidige drie universitaire vak-
groepen revalidatiegeneeskunde, een voor dit belangrijke terrein te klein aan-
tal hoogleraren, de ruimtelijke en bestuurlijke scheiding tussen revalidatiein-
stellingen en academische centra, waardoor een structurele werkplaats voor
revalidatieonderzoek ontbreekt, en het ontbreken van structurele financiële
1 RGO-advies nr. 14, Advies Revalidatieonderzoek, februari 1997.
                                                                 A W T A D V I E S 3 5                      27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>   middelen voor onderzoek in revalidatie-instellingen. Een algemeen knelpunt
   tenslotte is de gebrekkige implementatie van onderzoekresultaten.
   Een centrale aanbeveling in het advies is dat het revalidatieonderzoek gebun-
   deld zou moeten worden in een beperkt aantal kernen met een taakverdeling
   en zo scherp mogelijk omschreven missies. Gezien de bestaande situatie advi-
   seert de Raad zes kernen te ontwikkelen en op termijn, in een proces van ver-
   dere concentratie, te komen tot een kleiner aantal, bij voorkeur in een onder-
   zoekschool. Andere infrastructurele aanbevelingen betreffen de academise-
   ring van revalidatieinstellingen, de opleiding van wetenschappelijke onder-
   zoekers en de implementatie van kennis.
         De Raad beveelt tevens aan de ontwikkeling die het veld zelf in gang
   heeft gezet te ondersteunen met een proces van landelijke strategieontwikke-
   ling zoals omschreven in het advies Brede Analyse Gezondheidsonderzoek
   deel 3. De inhoudelijke elementen voor deze strategieontwikkeling zijn de
   themas die het veld geformuleerd heeft (herstel van loopvaardigheid na een
   CVA, functionele prognose, mobiliteitsherstel bij dwarslaesie, chronische lage
   rugpijn en revalidatie-technische hulpmiddelen), en drie onderzoekterreinen
   die verder ontwikkeld moeten worden: cognitieve revalidatie, revalidatie van
   ouderen en kinderrevalidatie.
         De Raad adviseert op korte termijn een programmacommissie
   Revalidatieonderzoek in te stellen die de verantwoordelijkheid krijgt voor de
   onderzoekprogrammering en tevens een stimulerende rol moet vervullen bij
   onder meer het tot stand komen van het beperkte aantal kernen. De commis-
   sie zou ondergebracht moeten worden bij ZorgOnderzoek Nederland, in
   nauwe samenwerking met het Gebied Medische Wetenschappen van NWO.
   De Raad acht een bedrag van in totaal 30 miljoen gulden voor een periode van
   8 jaar noodzakelijk om het terrein tot ontwikkeling te brengen. Aanbevolen
   wordt een groeimodel te hanteren: te beginnen in 1997 met 2 miljoen gulden.
   Medefinanciering door andere betrokkenen is daarbij van essentiële beteke-
   nis. In dit kader is het van veel belang dat de Vereniging van Revalidatie
   Instellingen in Nederland onlangs heeft besloten een deel van het budget van
   de instellingen te bestemmen voor onderzoek.
28 A W T    A D V I E S  3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                                                                                                       4
                                                  De kennisraffinaderij: cognitiewetenschappen in Nederland
De cognitiewetenschappen1 vormen een federatief verband van disciplines
met een gemeenschappelijke onderzoeksagenda: de studie van de wijze waar-
op kennis wordt verworven en verwerkt. Daaronder vallen alle vormen van
waarneming, geheugen, aandacht, taal, motoriek, sociale cognitie en emoties.
De belangrijkste disciplines binnen de cognitiewetenschappen zijn psycholo-
gie, neurowetenschap, linguïstiek en artificiële intelligentie.
In onze huidige kennis-intensieve samenleving wordt in onvoldoende mate
rekening gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van de mechanis-
men voor kennisverwerving en -opslag die voor de mens kenmerkend zijn. De
cognitiewetenschappen kunnen een brugfunctie vervullen tussen het expo-
nentieel toegenomen kennisaanbod en de mens als kennisverwerker.
De plaatsen van contact tussen mensen en machines - de interfaces - nemen in
onze samenleving in aantal, variëteit en complexiteit snel toe. Dit vergroot de
mogelijkheden kennis effectief in te zetten, maar het gevaar van fouten, soms
met ingrijpende consequenties, neemt navenant toe. Deze combinatie van
potenties en risicos laat zich aanwijzen in alle maatschappelijke sectoren
waarin nieuwe informatie- en communicatietechnologie een rol speelt: in
onderwijs en wetenschap, recht en politiek, gezondheidszorg, industrie,
dienstverlening, informatievoorziening, transport etcetera. Beleid dat rich-
ting wil geven aan informatiseringsprocessen moet berusten op inzicht in de
verhouding tussen mensen als natuurlijke en computers als artificiële infor-
matieverwerkende systemen.
Kennisuitwisseling wordt in toenemende mate geautomatiseerd. De commu-
nicatie tussen mensen en kennissystemen zal zich in de toekomst nog aan-
zienlijk intensiveren. Hoe mens en machine met elkaar communiceren is voor
bedrijfsleven en overheid een onderwerp dat hoog op de agenda staat. De cog-
nitiewetenschappen zijn bij uitstek in staat adviezen te geven om de commu-
nicatie tussen mens en machine te optimaliseren.
Het aanzien van de Westerse wereld is de laatste eeuw ingrijpend veranderd
door de vrijwel onbeperkte mogelijkheden van kennisopslag en -reproductie.
Kennis is de belangrijkste vorm van kapitaal geworden. De bijbehorende pro-
blemen zijn die van kennisbeheer en navigatie. Hoe vindt de mens met zijn
cognitieve beperkingen in geheugen en kundes zijn weg door dit kennisland-
schap?
1 OCV, Verkenningscommissie Cognitiewetenschappen, De kennisraffinaderij; cognitiewetenschappen in
Nederland; Amsterdam, maart 1997
                                                                          A W T       A D V I E S  3 5  29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>     Deze centrale vraag wordt vaak over het hoofd gezien in bijvoorbeeld automa-
     tiseringsprojecten. De cognitiewetenschappen kunnen een bijdrage aan het
     kennismanagement leveren door expliciet de cognitieve architectuur van de
     mens als centrale factor in de navigatie in rekening te brengen (zie Aanbe-
     veling 4).
     Gezondheid en onderwijs zijn centrale terreinen voor de kwaliteit van leven.
     Met name de cognitieve neurowetenschap opent nieuwe perspectieven om de
     gevolgen va hersenaandoeningen zo minimaal mogelijk te laten zijn. Tevens
     kunnen de cognitiewetenschappen bijdragen aan de optimalisering van slim-
     me prothesen om handicaps als gevolg van een hersenbeschadiging te com-
     penseren. In het onderwijs in onze multiculturele samenleving is het essen-
     tieel de cognitiewetenschappelijke inzichten over taal, rekenen, probleemop-
     lossen, aandacht en geheugen te betrekken bij de ontwikkeling van curricula
     in het onderwijs. De bijdragen van de cognitiewetenschappen in het algemeen
     en de cognitieve neurowetenschap in het bijzonder aan de kwaliteit van leven
     zouden bij een juist beleid aanzienlijk kunnen worden uitgebreid (zie
     Aanbevelingen 1,2,5,7).
     Aanbevelingen
     Rekening houdend met de prioriteiten voor strategisch onderzoek die de rege-
     ring blijkens het Wetenschapsbudget 1997 voor de komende vijf tot acht jaar
     voor ogen staan, doet de Verkenningscommissie Cognitiewetenschappen
     zeven aanbevelingen.
     1.    Facilitair Centrum voor neurocognitief onderzoek
     De commissie beveelt aan een Facilitair Centrum voor neurocognitief onder-
     zoek in te stellen. De commissie stelt voor deze faciliteit voor een beperkt
     tarief beschikbaar te stellen voor de uitvoering van door wetenschappelijke
     onderzoekorganisaties inhoudelijk goedgekeurde projecten. Op deze wijze
     wordt voorkomen dat voor NWO-subsidieaanvragen op dit gebied grote mate-
     riële hulpkredieten beschikbaar moeten worden gesteld.
     2.    Bevordering van grensverleggend onderzoek en maatschappelijk gebruik van onder-
     zoekresultaten
     Als ernst wordt gemaakt met het voornemen multidisciplinair onderzoek
     extra te ondersteunen, dan zijn de cognitiewetenschappen bij uitstek een ter-
     rein waar zulke extra steun een groot positief gevolg zal hebben. Hieraan kan
     op verschillende manieren invulling gegeven worden.
   a De samenwerking tussen cognitieonderzoekers en de coördinatie van het
     onderzoek ondervindt in de huidige beleidsstructuren hinder. De commissie
     pleit ervoor dat bij de wijzigingen in de organisatie van het onderzoek reke-
     ning wordt gehouden met het grensoverschrijdend karakter van veel cognitie-
     wetenschappelijk onderzoek. Indien NWO zou overgaan tot de instelling van
     adviesraden, zoals aanbevolen door de Commissie Rinnooy Kan, dan ligt de
     instelling van een Raad voor het Cognitieonderzoek zeer voor de hand.
   b De commissie pleit ervoor de opleiding in de cognitiewetenschappen als regel
     te doen geschieden in het kader van bovenbouwstudies. Daarbij dient aan de
     inhoud van de noodzakelijke basisvakken de nodige aandacht besteed te wor-
30   A W T     A D V I E S  3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>  den. De commissie beveelt de instelling aan van een werkgroep ad hoc die bin-
  nen zes maanden advies uitbrengt over het gewenste niveau (eindtermen)
  waarop deze basisvakken tijdens of na de onderbouw dienen te worden aange-
  bracht.
c De cognitieve neurowetenschap heeft in ons land nog onvoldoende infrastruc-
  turele inbedding aan universiteiten gekregen. Een tweetal maatregelen wordt
  voorgesteld om de vereiste stimulans aan dit gebied van de cognitieweten-
  schappen te verschaffen: (i) De instelling van een of meerdere leerstoelen in de
  cognitieve neurowetenschap. (ii) De instelling van een commissie met door de
  KNAW aan te wijzen vertegenwoordigers van de cognitieve neurowetenschap
  die in samenspraak met het Ministerie van OCenW, de zorgverzekeraars en
  andere maatschappelijke belanghebbenden een investerings- en subsidiefonds
  voor fundamenteel neurocognitief onderzoek opzet.
  3.    De ontwikkeling van de cognitiewetenschappen
  De ontwikkeling van de cognitiewetenschappen reflecteert een snelle over-
  gang van het klassieke beeld van de alfa- en gammawetenschappen naar een
  exacte en instrumenteel geavanceerde vorm van wetenschapsbeoefening. In
  plaats van een onnodig grote zorg over het gebrek aan interesse voor exacte
  wetenschappelijke opleidingen in de gebruikelijke zin verdient het, naar het
  oordeel van de commissie, sterk de voorkeur een onderzoek in te stellen naar
  de wijze waarop van het exacte aspect van de cognitiewetenschappen beter
  kan worden geprofiteerd.
  4.    Kennis en deprivatie
  De introductie van nieuwe informatiserings- en communicatietechnologie
  leidt tot nieuwe vraagstukken op het vlak van beheersing en beïnvloeding van
  gedrag. Deze hebben in een kennisintensieve samenleving vooral met toegang
  tot informatie te maken. De cognitiewetenschappen kunnen een wezenlijke
  bijdrage aan de menselijke keuzevrijheid leveren door belemmerende factoren
  in toegang te verminderen of op te heffen. Dit vergt onderzoek naar (i) inter-
  faces die beter aansluiten bij de cognitieve mogelijkheden en beperkingen van
  gebruikers, (ii) de mogelijkheden kennis en informatie hanteerbare proporties
  te geven en (iii) de optimale didactische methoden voor de training van nieu-
  we technieken. De veelvuldige gesignaleerde dreiging van een nieuwe klasse
  van gedepriveerden geeft intensief onderzoek naar de omgang met informa-
  tietechnologie het karakter van een democratische imperatief.
  5.    Ontwikkeling van menselijk kapitaal
  De cognitiewetenschappen hebben op het terrein van onderwijs een zeer
  belangrijke inbreng. De commissie beveelt aan dat uitdrukkelijk meer aan-
  dacht wordt besteed aan onderwijstechnologische aspecten en dat bij de ont-
  wikkeling van het lange- termijnonderzoeksprogramma hiermee terdege
  rekening wordt gehouden. Deze onderzoeksprojecten dienen niet alleen op
  universitair en hoger beroepsonderwijs gericht te zijn. In een multiculturele
  samenleving is een centrale opgave de verschillende etnische en talige achter-
  gronden alsmede de verschillen in cognitieve ontwikkeling in rekening te
  brengen bij het realiseren van de onderwijsdoelen op de basisschool. De daar-
  over in de cognitiewetenschappen aanwezige inzichten worden thans onvol-
  doende effectief aangewend. De commissie adviseert de Minister van OCenW
                                                               A W T    A D V I E S 3 5 31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>   een permanent expertisecentrum in te stellen waarin de wetenschappelijke
   kennis uit de cognitiewetenschappen en de ervaringen in het onderwijsveld
   gebundeld worden.
   6.    Ontwikkeling van een informatie- en communicatiestructuur ten behoeve van de
   dienstensector en de productinnovatie
   De meeste succesvolle toepassingen op het gebied van automatisering en
   bedieningsgemak van bedrijfsmatige processen zijn geïntroduceerd en ont-
   wikkeld vanuit cognitiewetenschappelijk perspectief. Behoudens voor de soft-
   wareontwikkeling wordt aandacht gevraagd voor besliskunde en Mens-
   Machine Interactie (MMI). De commissie meent dat de cognitieve ergonomie,
   waaronder begrepen de psychologische besliskunde en de MMI, traditioneel
   een zeer belangrijke positie in het geheel van de cognitiewetenschappen in
   Nederland inneemt. Deze positie dient behouden en versterkt te worden. De
   commissie stelt vast dat van het onderzoekspotentieel niet optimaal gebruik
   gemaakt wordt. Een op het afnemersveld gerichte inspanning om de moge-
   lijkheden beter zichtbaar en de weg naar de onderzoekers beter begaanbaar te
   maken, vraagt om de instelling van een onafhankelijk landelijk agentschap.
   Dit agentschap zou actief moeten speuren naar manifeste en latente behoeften
   bij de vraagzijde.
   7.    Kwaliteit van leven
   Cognitiewetenschappelijk onderzoek richt zich onder meer op verouderings-
   processen, de diagnose en behandeling van dysfuncties en het ontwikkelen
   van slimme prothesen (hulpmiddelen voor spraak, zien, motoriek, etc.).
   Daarnaast is er aandacht voor de kwaliteit van activiteiten - wonen, werken,
   recreëren - die mensen in het dagelijks leven verrichten en die een onafschei-
   delijk onderdeel vormen van wat met aanduidt met kwaliteit van leven.
   Hiertoe behoren onderzoekingen op het gebied van stress, de effecten van
   lawaai, toxische substanties, etc. Daarnaast bieden de cognitiewetenschappen
   nieuwe mogelijkheden voor de aanpak van maatschappelijke prioriteiten
   zoals de drugsproblematiek of de acculturatie van migranten. De commissie
   beveelt aan dat in nationaal verband en onder auspiciën van NWO een pro-
   gramma wordt ontwikkeld dat de bijdragen coördineert die de cognitieweten-
   schappen aan het thema kwaliteit van leven kunnen leveren.
32 A W T    A D V I E S    3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                                                                                                 5
                                                                                   Toekomst banen van ruimtetechnologie
Telecommunicatie, navigatie en transport, research van de kosmos en van de
planeet Aarde zijn voor een aanzienlijk deel en door essentiële schakels afhan-
kelijk van ruimtetechnologie. Dit geldt eveneens voor het beheer van ecologi-
sche systemen, exploitatie van natuurlijke hulpbronnen, de controle op inter-
nationale verdragen, de zorg voor water en voedsel, voor milieu, oceanen, kli-
maat en voor vele aspecten, natuurlijk en anthropogeen, van global change.
Zonder ruimtetechnologie is goed rentmeesterschap van systeem Aarde
onmogelijk, een vreedzaam samenleven van zes tot tien miljard mensen uitge-
sloten.
Ruimtetechnologie omvat alle technieken en methodieken die noodzakelijk
zijn om systemen in de buitenaardse ruimte te brengen en ze voor (een) speci-
fiek(e) gebruikersdoel(en) te benutten. De onderdelen van deze definitie wor-
den in dit rapport omschreven.1 De Verkenningscommissie Ruimtetechno-
logie (VCRT) heeft dit brede, heterogene terrein, direct-economisch beschei-
den maar beleidsmatig en cultureel gewichtig, verkend en getracht een over-
zicht te krijgen van heden en toekomst, van zijn rol in de wereld en van
Nederlands rol op dit terrein in de toekomst.
Ruimtetechnologie is zo gewoon en zo wijd verbreid dat, net als bij andere
goed werkende infrastructuur, zij ingezet wordt zonder dat de gebruiker zich
van de technische aard en de fysieke omvang bewust is. De VCRT, een half jaar
over dit gebied in gesprek, heeft zich expliciet rekenschap gegeven van ruim-
tetechnologie, haar omvang, reikwijdte, penetratie in het leven van alledag,
van bijdragen aan veiligheid, gezondheid en welzijn, aan aardse kennis en
kosmisch wereldbeeld. Omdat dit alles te veel is om op te noemen, neemt de
Commissie haar toevlucht tot een anekdotische duiding over ons dagelijks
leven met ruimtetechnologie, vandaag en over meer dan twintig jaar.
Conclusie: ruimtetechnologie is een onmisbaar, niet meer weg te denken deel
van de infrastructuur. Het gebruik groeit en verandert, de concurrentie doet
dat ook. Zowel marktpartijen als overheden moeten pro-actief bewegen willen
zij niet achterop raken; de succesvollen doen dat ook.
De context van het Nederlands ruimtetechnologie-beleid is wereldwijd en
Europees. Om concreet te ijken wat wij doen, is het nodig de maat te kennen
van de activiteiten van anderen. In het rapport wordt deze context geschetst,
in vogelvlucht. De bibliografie, met een lijst van web sites, stelt elke lezer in
staat meer informatie te vergaren. Het valt op dat vooral landen die econo-
misch machtig zijn of/en territoriaal groot (USA, Rusland, Japan, China,
Canada, India, Australië, Brazilië en Indonesië) veel op ruimtetechnologie
1 AWT, Verkenningscommissie Ruimtetechnologie, Toekomst banen van ruimtetechnologie; Den Haag,
augustus 1997.
                                                                        A W T       A D V I E S 3 5                 33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>   inzetten. Ook treffend is de Europese samenwerking in ESA, Eumetsat en
   Eutelsat met daarnaast omvangrijke, voor een deel ESA-onafhankelijke, natio-
   nale programmas, met Frankrijk in de voorhoede. Tenslotte ziet men een
   beleidsaanzet voor ruimtetechnologie-gebruik in de Europese Unie.
   Ons land kan niet zonder competentie in de ruimtetechnologie, al was het
   alleen maar om in alle toepassingssectoren een smart buyer te kunnen blijven.
   Maar er zijn veel meer gronden om ambitieus te zijn, gronden die samenhan-
   gen met onze status in Europa en in de wereld, onze politieke en culturele
   doelstellingen die ten nauwste samenhangen met handels- en industriebeleid,
   ons Europabeleid en onze gewilde verantwoordelijkheid voor mondiale zor-
   gen, zowel ecologisch als ten aanzien van landen in ontwikkeling.
   Nederland heeft meer dan proportioneel gepresteerd in veertig jaar ruimte-
   technologie, vooral in het wetenschappelijk gebruik en in de instrumentatie-
   ontwikkeling. Bovendien is er een zeer competente industriële inzet die een
   breed pakket aan hard- en softwareproducten en diensten op de markt brengt.
   Nederland heeft al jaren minder dan proportioneel geïnvesteerd in ruimte-
   technologie, minder dan België en Duitsland, veel minder dan Frankrijk.
   Deze zuinigheid begint zich te wreken, tast de mogelijkheden van de indus-
   trie aan, ondermijnt de technologische instituten, erodeert de voorsprong van
   de wetenschap. Er is een groot potentieel opgebouwd door een volhardende
   inzet en veel creativiteit gedurende veertig jaar. De Commissie acht, met een
   beroep op Kennis in Beweging, nieuw beleid noodzakelijk waarin zowel de
   Nederlandse concurrentiepositie als de macro-economische multiplier van
   ruimtetechnologische bestedingen worden verdisconteerd. Er zijn geweldige
   veranderingen gaande, met een steeds grotere marktwerking als gevolg. Er
   zijn de volgende twintig jaar substantiële investeringen nodig om groot-
   industrie, MKB, kennisinstellingen en onderwijs in staat te stellen op niveau
   hun partij mee te blijven spelen. Mede dankzij het feit dat ESAs grote techno-
   logiecentrum ESTEC in ons land gevestigd is, komt elke extra bestede gulden
   meervoudig terug.
   Om concreet te worden heeft de Commissie de kracht en de zwakte van ons
   ruimtetechnologie-bestel onderzocht. Van daar uit zijn overwegingen gefor-
   muleerd voor wijzigingen in de organisatie en voor de programmering.
   Nederlanders blijken sterk in het combineren van vele soorten kennis en kun-
   den, het houden van keten-overzicht, het interactief betrekken van allerlei sta-
   keholders in een programmatisch patroon. Dit heeft wetenschappelijk veel
   gebracht en een klinkende reputatie opgeleverd. Het heeft ook stimulerend
   gewerkt voor een scala aan industriële ondernemingen en praktische gebrui-
   kersgroepen. Vandaag is een aantal bedrijven in staat concurrerend mee te
   dingen en is de gebruikers competentie veelzijdig en overdraagbaar, ook aan
   allerlei partijen in de tweede en derde wereld.
   Zwak zijn wij in de onderlinge communicatie, waardering en afstemming; de
   bonte verscheidenheid vond haar eenheid niet en mist node één partij die stra-
   tegie across the board ontwikkelt, vasthoudt, bijstelt, implementeert. Mede
   daardoor is de wisselwerking met overheden en politiek vaak ineffectief en is
34 A W T     A D V I E S 3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>  het publieke imago beneden peil. Gegeven de veranderingen in markt- en
  machtsverhoudingen is zon partij echter onontbeerlijk voor een goede toe-
  komst van ons land op dit vitale terrein.
        De Commissie acht vorming van een Ruimtetechnologie Agentschap
  (RTA) op enige afstand van de overheid noodzakelijk. Het RTA moet dan wel
  tanden hebben: bevoegdheid over het hele publieke ruimtetechnologie-bud-
  get, verantwoordelijkheid voor de lange termijn-strategievorming, de coördi-
  natie van alle partijen in het bestel, de nationale vertegenwoordiging in alle
  ter zake doende internationale gremia en een consistente presentatie van het
  veld in het publieke domein van media, politiek en overheid.
  De Commissie ziet een toekomst met meerdere routes, die getoetst moeten
  worden aan criteria als:
1 het traject moet goed aansluiten bij sterke Nederlandse wetenschappelijke
  en/of technische competenties;
2 de te ontwikkelen hard- en software moeten capaciteiten genereren/verster-
  ken die ook commercieel interessant zijn;
3 de te ontwikkelen diensten moeten concurrentiekracht versterken;
4 het stuwende thema moet maatschappelijk aanspreken;
5 er moet sprake zijn van substantiële uitdagingen waar kennisinstellingen hun
  tanden in kunnen zetten en industriën op hun tenen moeten lopen.
  De hoofdroute is een loyaal en stimulerend lidmaatschap van de ESA, met par-
  ticipatie tenminste evenredig aan ons BNP in zowel mandatory als optional
  programmas. Daarnaast en daaraan complementair, ondersteunend of daar-
  van afgeleid een drietal categorieën van andere mogelijkheden:
  Route X: met regelmaat een ESA optioneel programma, of een deel daarvan,
  identificeren dat voor Nederland bijzonder interessant is, zowel qua kansen
  en mogelijkheden, qua thema als qua partners. Nederland neemt in dat pro-
  gramma een onevenredig groot aandeel, b.v. 25%, en vervult in dat (deel)pro-
  gramma een/de leidende rol.
  Route Y: Aanvullend op deelname binnen ESA, en waar nodig buiten de kring
  van alleen ESA-lidstaten, een partnerkring opbouwen om een groot, tien à
  twintig-jarenprogramma uit te voeren.
  Route Z: Naast deelname aan ESA ruimte laten voor nationale programmas
  waarin Nederland kan zorgen dat zijn eigen capaciteiten tot bloei worden
  gebracht. Kleine missies definiëren met een looptijd van 3 à 5 jaar waarin
  Nederland een duidelijk zichtbare rol kan spelen. Voor iedere missie zoeken
  we steeds opnieuw de meest geschikte en gewenste partners.
  In onderwijs en training wordt een aantal maatregelen aanbevolen. Meer
  accent op system engineering op zowel pre- als postdoctoraal niveau, bij de
  TU Delft (Faculteit L&R en TopTech Studies). Een interdisciplinaire samen-
  werking van allerlei ruimtetechnologiegebruikers in de vorm van interacade-
  miale colleges, practica en afstudeerprojecten. Een haalbaarheidsstudie voor
  werk op het gebied van kleine systemen, bijvoorbeeld kleine satellieten, te
  realiseren door samenwerkende universiteiten en bedrijven.
                                                               A W T   A D V I E S 3 5 35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>36 A W T A D V I E S 3 5</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                                                                                                                          6
                                                                                                     Biologie: het leven centraal
  Uitdagingen aan de biologie en aanleiding tot verkenning biologie
  Biologie wordt wel als het vak van de 21e eeuw betiteld en dat zeker niet alleen
  door biologen. Wat de ontwikkelingen ook mogen zijn, duidelijk is wel dat de
  studie van het verschijnsel leven in zijn vele facetten van doorslaggevend
  belang mag worden geacht voor het voortbestaan van de mensheid.
  Er is dan ook een grote behoefte aan biologische kennis en aan inzichten op
  diverse maatschappelijke terreinen. Er wordt onder meer gewezen op een
  duurzame voedselproductie voor een groeiende wereldbevolking; gezondheid
  en welzijn van mens en dier; de milieuproblematiek; natuurbeheer en landin-
  richting; biodiversiteit; en op vraagstukken van ethische aard die kunnen zijn
  verbonden aan (gebruik van resultaten van) biologisch onderzoek en op de
  behoefte aan risico-analyses.
         Mede door deze sterk groeiende belangstelling voor vraagstukken die
  hun oorsprong vinden in de biologie is de vraag opgeworpen, onder meer
  door de (voormalige) Overlegcommissie Verkenningen (OCV), of de biologi-
  sche wetenschap in Nederland voldoende in staat zou zijn om de vaak multi-
  disciplinaire vraagstellingen van de komende decennia tegemoet te treden.
  Mede op basis van deze vraagstelling is na een verkennende fase door de OCV
  en Biologische Raad, waarin de startnotitie van prof.dr.ir. E.A. Goewie een
  centrale rol heeft gespeeld, in juni 1996 de Verkenningscommissie Biologie
  (VCB) ingesteld door de Koninklijke Nederlandse Akademie van
  Wetenschappen, in overeenstemming met de OCV.
  In dit rapport geeft de VCB aan welke ontwikkelingen zich de afgelopen jaren
  in de biologie hebben voorgedaan, waar de maatschappelijke behoeftes liggen
  en welke richting de biologie op zou moeten gaan.1 De commissie besteedt
  ook aandacht aan organisatorische en financiële aspecten, alsmede aan de
  opleiding biologie.
  Dominante ontwikkelingen
  De volgende belangrijke ontwikkelingen treden op de voorgrond:
a Er vindt in toenemende mate integratie plaats van kennis uit verschillende
  organisatieniveaus (van molecuul tot ecosysteem);
b In het biologisch onderzoek wordt in toenemende mate processen bestudeerd,
  waarvoor vaak modelorganismen worden gebruikt; daarmee is de klassieke
  indeling in botanie, zoölogie en microbiologie minder relevant geworden;
c Er is sprake van een toenemende sturing van onderzoek door maatschappelij-
  ke problemen;
d Het biologisch onderzoek kan zich sterk ontplooien door het beschikbaar
  komen van een scala aan nieuwe technologische en methodologi-
  1 KNAW, Verkenningscommissie Biologie, Biologie: het leven centraal, november 1997.
                                                                              A W T   A D V I E S 3 5                        37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>     sche mogelijkheden;
   e Er is meer aandacht voor ethische aspecten in het biologisch onderzoek.
     Multidisciplinaire relaties
     Zoals reeds is aangegeven, is de maatschappelijke behoefte aan biologische
     kennis groot. Mede gezien het type vraagstellingen is veelal multidisciplinair
     onderzoek nodig om oplossingen te kunnen genereren. De biologie kent dan
     ook talloze verbindingen naar vele andere vakgebieden. Zo bestaan er diverse,
     vaak intensieve samenwerkingsverbanden met de volgende vakgebieden:
     Medische wetenschappen/Diergeneeskunde; Landbouwwetenschappen;
     Technische wetenschappen; Aardwetenschappen; Sociale wetenschappen;
     Fysica; Chemie; Wiskunde en Informatica; Economie.
           De VCB concludeert dat deze gebieden elkaar al goed hebben gevonden,
     maar dat de samenwerking met de sociale wetenschappen en economie nog
     versterkt zou moeten worden ten behoeve van terreinen zoals de neuro- en
     gedragswetenschappen en het milieubeheer.
           De samenwerking van de publiek gefinancierde instellingen met het
     bedrijfsleven acht de VCB een goede zaak, mits hierbij voldoende oog is voor
     de verschillende verantwoordelijkheden en missies van de partners.
     Langjarige contacten/contracten en de aanstelling van deeltijd- of bijzondere
     hoogleraren vanuit het bedrijfsleven blijkt in deze relatie wederzijds bevruch-
     tend te kunnen werken.
     Maatschappelijke oriëntatie en kwaliteit van het Nederlandse biologisch onderzoek
     De VCB stelt vast dat het huidige biologisch onderzoek goed aansluit bij het
     vigerende overheidsbeleid. Dit blijkt onder meer uit de oriëntatie op de the-
     mas uit het Wetenschapsbudget 1997; acht van de daarin genoemde zeventien
     themas hebben een belangrijke biologische component waarvoor in
     Nederland onderzoeksexpertise voorhanden is. Het biologisch onderzoek kan
     dan ook een belangrijke bijdrage (blijven) leveren aan deze themas.
           Het is hierbij verheugend dat de kwaliteit van het Nederlandse biologi-
     sche onderzoek bij internationale vergelijkingen, visitaties en competities,
     zoals in het kader van programmas van de Europese Unie, goed tot zelfs
     excellent scoort.
     Hoofdthemas biologisch onderzoek
     Om de overzichtelijkheid van het brede werkveld van de biologie te verbete-
     ren en om recht te doen aan de ontwikkelingen in en rond de biologie,
     rubriceert de VCB het toekomstige biologisch onderzoek in een drietal aan-
     dachtsgebieden of hoofdthemas:
   a Samenhangend functioneren van genen in relatie tot hun omgeving;
   b Fundamentele factoren in de regulatie van biologische systemen;
   c Draagkracht van biologische systemen op diverse schaalniveaus.
     Onder elk van deze aandachtsgebieden valt een aantal deelthemas.
     Een stevig fundament: eerste en tweede geldstroom
     De VCB geeft aan dat als gevolg van reeds jaren doorgevoerde bezuinigingen,
     met name in de eerste geldstroom, er geen gebieden zijn aan te wijzen waarop
     een vermindering van de inspanningen gerealiseerd kan worden zonder grote
     schade te berokkenen aan de onderzoekinfrastructuur, i.c. aan de basis van de
38   A W T     A D V I E S  3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>basisdiscipline biologie.
       Daarentegen behoeft een aantal deelgebieden binnen de biologie wel
versterking. Dit is vooral het gevolg van financiële problemen, waardoor deze
gebieden òf in de knel zijn gekomen, òf zich niet voldoende konden ontwik-
kelen.
       Een versterking van NWO in financiële zin die ten koste zou gaan van de
beschikbare middelen via de eerste geldstroom wijst de VCB om bovenstaande
redenen af. Wel pleit de VCB ervoor dat de geldmiddelen van NWO voor de
biowetenschappen - om historische redenen relatief gering van omvang - wor-
den verruimd.
Onderzoekscholen en para-universitaire instituten
De ontwikkeling van het stelsel van onderzoekscholen heeft volgens de VCB
geleid tot een verdere verbetering van de samenwerking op het gebied van
onderzoek, maar zeker ook tot een verbetering van het tweede fase onderwijs.
De VCB waarschuwt echter voor een mogelijke verstarring van het stelsel
waardoor nieuwe scheidsmuren zouden kunnen ontstaan die de flexibele ont-
wikkeling van onderzoekprogrammas met, noodzakelijkerwijs, wisselende
partners zou kunnen frustreren.
       De VCB acht de geheel of gedeeltelijk biologisch onderzoek verrichtende
para-universitaire instituten van groot belang voor het biologisch onderzoek
in Nederland. Deze zijn bij uitstek in staat om langlopende, multidisciplinai-
re onderzoekprogrammas uit te voeren. Zij spelen reeds een centrale rol bij
verschillende onderzoekscholen en hebben ook als leverancier van
(deeltijd-)hoogleraren een belangrijke functie ten aanzien van de universitei-
ten.
Verbreding van de biologie-opleiding: vijfjarig curriculum
De VCB pleit ervoor om de curriculumduur en dus ook ook de studiefinancie-
ring voor biologie studenten op vijf jaar te brengen. Dit om enerzijds de hui-
dige feitelijke studieduur (gemiddeld ruim 5,5 jaar) meer in overeenstemming
te brengen met de formele curriculumlengte van 4 jaar, anderzijds om enige
ruimte te creëren voor een betere voorbereiding op de arbeidsmarkt, met
name ook voor functies buiten het onderzoek alsook om te leren werken in
multidisciplinaire samenwerkingsverbanden, kortom voor een zekere verbre-
ding van de opleiding.
Profilering: Disciplineplan Biologie
Om de beperkte capaciteit aan de universiteiten zo goed mogelijk in te zetten,
voor onderzoek en onderwijs, en om te voorkomen dat er gaten vallen in de
nationale onderzoekinfrastructuur pleit de VCB voor een bundeling van aan-
wezige expertise en voor een verdergaande taakverdeling tussen de facultei-
ten/afdelingen biologie.
       De nadelige gevolgen van een verdere onderzoeksprofilering voor het
onderwijs, met name het lokaal verdwijnen van expertise op deelgebieden,
zou kunnen worden opgevangen door uitwisseling van docenten tussen
instellingen.
       Als uitvloeisel hiervan beveelt de VCB aan om een nieuwe versie van het
in 1986 uitgebrachte Disciplineplan Biologie te laten opstellen, onder auspi-
ciën van de Biologische Raad.
                                                             A W T   A D V I E S 3 5 39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>40 A W T A D V I E S 3 5</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                       Deelprogramma’s onderzoekprogramma Duurzame Technologische Ontwikkeling
                                                                                                          7
Het interdepartementaal onderzoekprogramma Duurzame Technologische
Ontwikkeling (DTO) bestaat uit vijf deelprogrammas. De resultaten hiervan
zijn in afzonderlijke publicaties beschreven. Het colofon van DTO visie 2040-
1998 vat deze als volgt samen.1
Sleutel Voeden
Spectrum van een duurzame voedselvoorziening
De productie van één kilo varkensvlees kost vier tot vijf kilo ruwvoer. Energie,
grondstoffen en ruimte worden op grote schaal verspild. Ook de productie van
andere voedingsmiddelen verloopt vaak zeer inefficiënt. Nederland heeft veel
kennis op het gebied van intensieve landbouw en biedt daardoor bij uitstek
een proeftuin voor de ontwikkeling van nieuwe eiwithoudende voedingsmid-
delen, efficiënte agrotechnologieën en duurzame vormen van landgebruik.
Sleutel Verplaatsen
Ontwerp van duurzame vervoerssystemen
Vervoer van mensen en goederen kost veel energie en belast het milieu in
meerdere opzichten. Ruimtegebrek veroorzaakt congestie, waardoor de mobi-
liteit steeds verder onder druk komt te staan. Om aan de groeiende mobili-
teitsbehoefte tegemoet te komen, zijn er alternatieven nodig zoals efficiënte
voertuigen, ondergronds goederentransport en een betere vervoersorganisatie
waardoor mensen zich comfortabel en milieuvriendelijk van deur tot deur
kunnen verplaatsen.
Sleutel Water
Modellen van een duurzame waterketen
Drinkwater dat met zorg is bereid, gebruiken we voor een kwart om de wc
door te spoelen. Tegelijk laten we regenwater onbenut in het riool verdwij-
nen. We gebruiken water als onderdeel van ons leefmilieu. Er zijn nieuwe sys-
temen nodig om water vast te houden, efficiënter te gebruiken en met minder
inspanning adequaat te zuiveren.
Sleutel Chemie
Zon en biomassa, bronnen van de toekomst
De beste alternatieven voor het eindige gebruik van fossiele grondstoffen zijn
biomassa en fotovoltaïsche zonne-energie. Hiermee kunnen we methanol
maken, dat als intermediaire stof het beginpunt kan zijn van de energievoor-
ziening en een groene chemie. Voor de sterke Nederlandse chemische sector
liggen hier belangrijke kansen.
1 DTO, DTO Visie 2040-1998 Technologie, Sleutel tot een duurzame welvaart, december 1997.
                                                                                 A W T    A D V I E S 3 5  41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   Sleutel Huisvesten
   Duurzame wijkvernieuwing in Rotterdam
   Een duurzame wijk is een leefbare wijk. Waar bewoners zich betrokken voe-
   len. Een duurzame wijk is ook een wijk waar bewoners de gelegenheid hebben
   om zuinig te zijn met energie, ruimte, drinkwater en materialen. Duurzame
   wijkvernieuwing houdt dus in, dat bestuurders én bewoners gezamenlijk
   plannen maken voor de toekomst. Rotterdam laat zien hoe dat kan en wat dat
   kan opleveren.
42 A W T    A D V I E S 3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                                                                                                          8
                                                                                                TechnologieRadar
  Onderstaande tekst is een compilatie uit de voorwoorden van de verschillende
  delen van TechnologieRadar, Ministerie van Economische Zaken, maart 1998.
  In opdracht van het Ministerie van Economische Zaken hebben RAND Europe
  en Coopers & Lybrand Technology Consultants met ondersteuning van
  Innovation & Technology Management SA een Technology Foresight studie uit-
  gevoerd. De studie, de TechnologieRadar genaamd, had twee hoofddoelen:
1 Vaststellen welke technologiegebieden in de komende 10 jaar waarschijnlijk
  van strategisch belang zullen zijn voor het Nederlandse bedrijfsleven;
2 Onderzoeken of er voldoende kennis wordt opgebouwd op de gebieden die
  van strategisch belang zijn.
  De overheid beoogt met de resultaten van deze studie bij te dragen aan een
  permanente discussie tussen het bedrijfsleven en de publieke onderzoeksge-
  meenschap over de wijze waarop een toereikend niveau van technologie-ont-
  wikkeling kan worden bereikt. De resultaten van de TechnologieRadar zijn
  opgenomen in een hoofdrapport en in vier bijbehorende rapporten.
  Deel 1: Hoofdrapport en Executive Summary. Het hoofdrapport bevat een overzicht
  van het uitgevoerde werk, de verzamelde informatie, de verworven inzichten,
  de onderwerpen die aan de orde zijn gekomen en de conclusies die hieruit zijn
  getrokken.
  Deel 2: Sector Profielen, Technologie-behoefteprofielen van 22 bedrijfssegmenten. Dit
  deel beschrijft de behoefteprofielen van 22 bedrijfssegmenten en is gebaseerd
  op interviews met vertegenwoordigers uit alle bedrijfssegmenten in
  Nederland en op een grondige deskstudie.
  Deel 3: Technologie Profielen, profielen van 15 technologiegebieden. In dit deel wordt
  de kennisontwikkeling vergeleken met de kennisbehoefte in de 15 technolo-
  giegebieden die voor Nederland als strategisch worden beschouwd. Dit rap-
  port is gebaseerd op interviews met technologievragers en technologieaanbie-
  ders in elk van de 15 technologiegebieden.
  Deel 4: Wereldwijde visies op strategische technologieën. Hierin worden de resulta-
  ten gepresenteerd van een literatuuronderzoek waarbij verschillende nationa-
  le Technology Foresight concepten en strategische technologierapporten uit het
  buitenland werden onderzocht. In het kort worden de methoden beschreven
  die zijn gebruikt voor het opstellen van nationale lijsten met strategsiche
  technologieën. Tevens geeft het één integrale lijst van strategische technolo-
  gieën.
  Deel 5: Methodologie. Hierin worden de verschillende stappen beschreven die in
  dit project zijn uitgevoerd, alsmede de methoden en technieken die zijn
  gebruikt voor het vaststellen van strategische technologieën voor Nederland.
                                                                       A W T    A D V I E S 3 5              43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>     De lijst van de 15 belangrijkste strategische technologiegebieden die in deze
     studie voor Nederland zijn geïdentificeerd, bestaat uit (opgesomd in alfabeti-
     sche volgorde):
   - Bioprocestechnologie
   - Composieten
   - Data- en Kennissystemen
   - Energie
   - Gentechnologie
   - Katalyse
   - Mechatronica
   - Multimedia en interactie
   - Oppervlaktebehandelingen
   - Polymeren
   - Procesbeheersing
   - Productieautomatisering
   - Scheidingstechnologie
   - Sensoren en actuatoren
   - Software-engineering
44   A W T     A D V I E S 3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                                                                                                                                  9
                                                                                                           Medical Technology Assessment
In november 1995 verscheen de beleidsbrief Medical Technology Assessment en
doelmatigheid van zorg aan de Tweede Kamer van de Minister van Volksgezond-
heid, Welzijn en Sport. In de beleidsbrief werd de Raad voor Gezondheids-
onderzoek (RGO) gevraagd advies uit te brengen over prioriteiten in medical
technology assessment (MTA) in Nederland, over de wijze waarop de coördinatie
en afstemming van MTA verbeterd zou kunnen worden, en over de haalbaar-
heid en de invulling van een nationaal programma doelmatigheid-onderzoek.
Bij zijn advies diende de Raad rekening te houden met de taken van de
Gezondheidsraad en de Ziekenfondsraad, de betrokkenheid van uitvoerende
onderzoekorganisaties en eindgebruikers van MTA, en bestaande en komende
onderzoekprogrammas. Daarnaast werd de Raad gevraagd bij zijn advies aan-
dacht te besteden aan onderwerpen als de procedure voor de selectie van
onderwerpen voor doelmatigheidonderzoek; de standaardisering van onder-
zoekmethoden en uitkomstmaten; de infrastructuur van MTA; paramedische
en verpleegkundige technologieën; bestaande en eenvoudige medische tech-
nologieën; in het buitenland uitgevoerd MTA; en de maatschappelijke en juri-
disch/ethische aspecten van medische technologieën.
        De Raad heeft ter voorbereiding van zijn advies een commissie ingesteld
bestaande uit een aantal leden en twee externe deskundigen. De commissie
heeft onderscheid gemaakt tussen het MTA-proces enerzijds en het MTA-
onderzoek anderzijds. Onder MTA-proces verstaat de commissie het proces
dat verloopt van signalering van een probleem tot en met de evaluatie van de
aangewezen medische technologie. Van dit gehele proces vormt het MTA-
onderzoek een onderdeel. Het advies van de Raad richt zich vooral op het
MTA-onderzoek en niet op het gehele MTA-proces.
De Raad heeft besloten zijn advies in twee delen uit te brengen.1 In het voor-
liggende deel van het MTA-advies worden de lacunes van het MTA-onderzoek
beschreven die door de vraag- en aanbodzijde worden ervaren. Tevens wordt
een overzicht gegeven van het lopende MTA-onderzoek. Op grond van deze
bevindingen wijst de Raad een aantal onderwerpen op het gebied van MTA-
onderzoek aan die in aanmerking komt voor nadere prioritering. In dit deel
wordt ook kort verslag gedaan van het overleg met een aantal organisaties die
betrokken is bij MTA-onderzoek ten behoeve van de afstemming en coördina-
tie van MTA-onderzoek in Nederland.
        De Raad neemt zich voor in het tweede deel van zijn advies in te gaan op
de in het eerste deel aangewezen onderwerpen en de criteria voor prioritering.
Het tweede deel zal ook een uitwerking bevatten van het voorstel om te
komen tot een platform ter verbetering van de coördinatie en de afstemming
van MTA-onderzoek en van het voorstel om MTA-onderzoek te monitoren,
d.w.z. de ontwikkelingen op dit gebied continu te volgen.
1
  RGO-advies nr. 15, Medical Technology Assessment deel 1; inventarisatie van MTA-onderzoek en een aanzet tot
coördinatie, februari 1998.
                                                                                  A W T       A D V I E S     3 5                    45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>     De commissie heeft haar werkterrein afgebakend door MTA-onderzoek te
     definiëren als wetenschappelijk onderzoek naar een medische voorziening
     en/of een zorgvoorziening waarbij naast de medische effectiviteit één of meer
     andere aspecten (economische, sociaal-culturele, juridische, ethische en orga-
     nisatorische) beoordeeld worden met het oog op besluitvorming inzake de
     kwaliteit en de doelmatigheid van de gezondheidszorg. Ook onderzoek dat
     uitdrukkelijk is gericht op aspecten van kwaliteit van leven wordt tot MTA-
     onderzoek gerekend.
           Om inzicht te verkrijgen in de lacunes in en de behoefte aan MTA-onder-
     zoek heeft de commissie een enquête doen uitgaan naar de instellingen die
     gebruik maken van de resultaten van MTA-onderzoek, in dit advies verder de
     'vraagzijde' genoemd. Een soortgelijke enquête is uitgegaan naar organisa-
     ties die MTA-onderzoek uitvoeren, de 'aanbodzijde' van MTA-onderzoek.
     Overzichten van de door vraag- en aanbodzijde ervaren lacunes in MTA-
     onderzoek en het lopende MTA-onderzoek werden vervolgens ter toetsing en
     bespreking aan een breed forum voorgelegd in een invitational workshop.
     Met behulp van de aldaar gegeven commentaren zijn de gegevens bijgewerkt
     waarna tenslotte alle verzamelde informatie nogmaals is gecontroleerd met
     behulp van de primaire bronnen.
           Voor zijn advies over de verbetering van de coördinatie en afstemming
     van het MTA-onderzoek zijn door de Raad, in aanvulling op het hierboven
     beschreven werk van de commissie MTA, de volgende organisaties bijeenge-
     roepen: Gezondheidsraad, Ziekenfondsraad, Gebied Medische
     Wetenschappen van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk
     Onderzoek (NWO), ZorgOnderzoek Nederland en de Vereniging van
     Academische Ziekenhuizen.
     Op grond van de resultaten van de enquête, de inventarisatie van het MTA-
     onderzoek en de relevante overzichtsrapporten adviseert de Raad:
   1 De volgende onderwerpen te beschouwen als aandachtsgebieden die voor ver-
     dere prioritering in aanmerking komen:
   - MTA-onderzoek naar de economische aspecten van bestaande technologieën
     (vooral die welke zijn genoemd in de door de Gezondheidsraad bewerkte lijst
     van 126 van de Ziekenfondsraad), naar nieuwe technologieën inclusief hulp-
     middelen, en naar geneesmiddelen
   - MTA-onderzoek waarbij naast de effectiviteit (en eventueel de kosten) ook
     andere aspecten worden betrokken, zoals regionale en individuele verschillen
     in zorgverstrekking, complexe zorg, landelijk kwaliteitsbeleid, en de macro-
     economische impact van (nieuwe) medische technologieën en/of zorgtechno-
     logieën.
   - MTA-onderzoek naar preventie en diagnostische procedures.
   - MTA-onderzoek naar verpleegkundige en paramedische zorgvoorzieningen.
   - MTA-onderzoek naar verpleeghuiszorg en de ouderenzorg.
   - MTA-onderzoek naar voorzieningen in de geestelijke gezondheidszorg.
   2 Het onderzoek naar de methodologie van MTA, vooral dat met betrekking tot
     diagnostische technieken, standaardisatie van kostenonderzoek, onderzoek-
     kwaliteit, besliskundige modellen en patiëntenpreferenties, te doen bevorde-
     ren.
   3 Activiteiten ter verbetering van de disseminatie en mogelijkheden tot toepas-
46   A W T    A D V I E S 3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>  sing van de resultaten (implementatie) van MTA-onderzoek in het beleid te
  stimuleren.
  Naar aanleiding van het overleg dat is gevoerd met bovengenoemde organisa-
  ties adviseert de Raad:
1 Ten behoeve van de coördinatie en afstemming van MTA-onderzoek een plat-
  form in te stellen waarin naast de Gezondheidsraad, Ziekenfondsraad,
  Medische Wetenschappen NWO, ZorgOnderzoek Nederland, de Vereniging
  Academische Ziekenhuizen en de Raad voor Gezondheidsonderzoek ook ver-
  tegenwoordigers van de patiënten/consumenten, de beroepsgroep, de verze-
  keraars en de industrie vertegenwoordigd zijn.
2 De taken en de verantwoordelijkheden van dit platform verder uit te doen
  werken.
3 Monitoring van het MTA-onderzoek in Nederland door de RGO te laten
  plaatsvinden.
4 De RGO eenmaal per twee jaar een MTA-advies te laten uitbrengen dat als
  basis kan dienen voor een kaderprogramma MTA.
5 De relatie tussen MTA-onderzoek en doelmatigheidsonderzoek, en de positio-
  nering van de Ontwikkelingsgeneeskunde nader te bezien.
  Wat betreft de overige door de minister gestelde vragen worden in dit deel de
  volgende opmerkingen gemaakt:
1 De ontwikkeling van een wetenschappelijk onderbouwde procedure voor de
  selectie van onderwerpen voor doelmatigheidsonderzoek is voor een belang-
  rijk deel al geschied bij de opstelling en nadere toespitsing van de lijst van 126
  technologieën door de Ziekenfondsraad, respectievelijk de Gezondheidsraad.
  De Raad acht het daarom op dit moment niet doelmatig zelf een dergelijke
  activiteit te ondernemen.
2 De aansluiting bij internationale onderzoeksexpertise vindt reeds plaats door
  individuele onderzoekgroepen en door kennisneming van andere nationale
  rapporten (bijvoorbeeld van het Verenigd Koninkrijk). In dit kader is op te
  merken dat aan de kant van de vraagzijde geen voorbeelden werden genoemd
  waaruit de invloed van buitenlands MTA-onderzoek op het Nederlandse
  beleid bleek. Tot dusver lijkt de invloed van dit onderzoek op het Nederlands
  beleid dus beperkt te zijn geweest.
                                                                A W T    A D V I E S 3 5 47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>48 A W T A D V I E S 3 5</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                                                                                                                10
                                                                                                                Agrosector
  Het rapport geeft de visie van de NRLO op de kennis- en innovatieagenda in
  de komende jaren voor de Nederlandse agrosector in internationale context. 1
  De kennis- en innovatieagenda is geformuleerd tegen de achtergrond van de
  kernopgaven waarvoor de Nederlandse agrosector in de komende jaren staat.
  Als kernopgaven worden in het rapport geschetst:
- de omslag van een reactief naar een actief waardenbeleid; de opgave waarvoor
  de agrosector staat is zich mede verantwoordelijk te voelen voor de ontwikke-
  ling en het behoud van ecologische, culturele, ethische en ruimtelijke waar-
  den;
- de omvorming van agroketens naar responsieve flexibele netwerken, waarin
  naast de agribusiness ook andere sectoren (o.a. transport- en distributiesector,
  non-food industrieën) deelnemen;
- versterking van de internationale marktpositie door meer toegevoegde waarde
  te leveren in de EU-markten, door een groter marktaandeel te verwerven in de
  opkomende groeimarkten (o.a. Oost-Europa, Latijns Amerika, China), en door
  te investeren in lokale markten;
- ontwikkeling van nieuwe allianties tussen burger en agrosector door nieuwe
  samenwerkingsverbanden tussen de uiteenlopende gebruikers van de groene
  ruimte te vormen, en door de productiemethoden in de landbouw af te stem-
  men op de wensen van consumenten en het algemene publiek;
- de totstandbrenging van een pluriforme agrosector, gekenmerkt door veelzij-
  dige relaties met de samenleving, regionale verscheidenheid en diversiteit aan
  bedrijfsvormen.
  Indien de Nederlandse agribusiness de genoemde kernopgaven, en daarmede
  verbonden strategieën, wil realiseren, zijn ingrijpende en complexe vernieu-
  wingen noodzakelijk. In het rapport worden deze aangeduid als systeemin-
  novaties. De ingrijpendheid van de vernieuwingen is gelegen in onder meer
  de volgende omstandigheden:
- het gaat om het ontwerpen en realiseren van nieuwe systemen in plaats van
  verbetering van bestaande systemen; daarbij is een transdisciplinaire aanpak
  voorwaarde voor succes;
- voor het verkennen, ontwerpen en realiseren van systeeminnovaties zijn nieu-
  we innovatie creërende netwerken nodig, waarin heterogene - van binnen en
  buiten de agrosector afkomstige - partijen gezamenlijk actie ontplooien;
- totstandbrengen van systeeminnovaties vraagt van onderzoekers, overheid en
  bedrijfsleven ander gedrag, dan waar men vanuit de historie mee vertrouwd
  is.
  1 NRLO-rapport nr. 98/20, Agrosector, Kennis- en innovatieagenda, Ambities voor de 21e eeuw, mei 1998.
                                                                                    A W T       A D V I E S 3 5        49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   In het het rapport worden tien voorstellen gedaan. De voorstellen beogen de
   Nederlandse agrosector een flinke stap vooruit te brengen bij de ingrijpende
   aanpassingen waarvoor zij staat. De voorstellen zijn voorgelegd aan vooraan-
   staande stakeholders uit bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, overhe-
   den en kennisinstellingen. Daarbij is gebleken dat de voorstellen in belangrij-
   ke mate overeenstemmen met de ambities zoals die bij de stakeholders leven.
   Van de tien voorstellen betreffen er zes kennis-, technologie- en kunde-ont-
   wikkeling ten behoeve van systeeminnovaties. Twee betreffen een nieuw
   opleidingsprogramma. En bij twee gaat het om nieuwe dan wel sterk verbeter-
   de informatievoorziening.
   Onderstaande matrix geeft daarvan een overzicht.
   overzicht voorstellen                                             soort programma
                                                           systeem     opleiding     informatie
                                                           innovatie                 voorziening
   1. Internationaal opleidingscentrum topkader
                 agribusiness
   2. Innovatieprogramme ketens & logistiek
   3. Informatie- en kennisnetwerk nieuwe markten
   4. Innovatieprogramma milieugerichte
                 systeeminnovaties
   5. Sociaalwetenschappelijk netwerk voor landbouw-
                 milieuvraagstukken
   6. Netwerk landbouwmilieu-informatie
   7. innovatieprogramma verbetering landschappelijke
                 kwaliteit door ruimtelijke integratie van
                 landbouwkundige en externe
                 ontwikkelingen
   8. Innovatieprogramma diergezondheidsstrategieën
   9. Opleidingsprogramma beleidsepidemiologen en
                 veterinaire kwaliteitsmanagers
   10. Innovatieprogramma geïntegreerde veehouderij
                 systemen
50 A W T        A D V I E S      3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>                                                                                                                 11
                                                                                                                  Vissector
  De vissector1 omvat het geheel van uiteenlopende activiteiten die nodig zijn
  voor de benutting van aquatische hulpbronnen; niet alleen de visserij en de
  aquacultuur, maar ook de verdere valorisatie in de visketen.
  De toekomst van de vissector hangt in hoge mate af van hoe betrokkenen
  reageren op de volgende ontwikkelingen in haar directe omgeving:
- een wereldwijd toenemende behoefte aan vis als bron van eiwit, vooral in
  dichtbevolkte regios van de wereld;
- een verschuiving van jacht naar visteelt;
- een vooral in koopkrachtige regios toenemende vraag naar vis als gezond en
  licht verteerbaar voedingsmiddel;
- een wereldwijd stagneren en in een aantal regios zelfs dalen van de fysieke
  opbrengsten van de huidige zeevisserij;
- een vooral in dichtbevolkte regios toenemende concurrentie om het gebruik
  van kust- en zeewateren;
- een toenemende zorg over de ecologische impact van het gebruik van aquati-
  sche hulpbronnen;
- een afnemende effectiviteit van top-down overheidsinterventie.
  Deze ingrijpende veranderingen maken strategische keuzen noodzakelijk.
  Maar hoe te kiezen? Daarvoor is geen blauwdruk te geven. Zeker is wel dat er
  géén toekomst is voor een vissector die zich neerlegt bij stagnerende fysieke
  opbrengsten van de jacht op vis; die niet op zoek gaat naar andere mogelijkhe-
  den om te voorzien in de toenemende vraag; die zich bedreigd voelt door
  andere gebruikers van visgronden en door maatschappelijke wensen op het
  gebied van natuur en milieu; die niet actief is en zich afhankelijk opstelt
  tegenover de overheid.
  De Nederlandse vissector en de daarbij betrokkenen hebben die negatieve
  keuze niet gemaakt, integendeel. Tal van lopende initiatieven laten zien dat
  de sector zich terdege rekenschap geeft van de fundamentele veranderingen
  die in haar omgeving gaande zijn. Die initiatieven dienen te worden gesteund,
  maar zijn niet voldoende.
  Een vissector die ook op langere termijn vitaal wil zijn, zet de groeiende
  marktpotenties en verduurzaming van haar maatschappelijke positie centraal.
  Hiertoe worden de volgende acties bepleit:
  Om de groeiende marktpotenties te benutten:
- stimuleer de visproductie in cultures op land en in kustzones;
  1 Uit: NRLO-rapport nr. 98/18, Vissector, Kennis- en innovatieagenda, Ambities voor de 21e eeuw, mei 1998.
                                                                                    A W T        A D V I E S 3 5        51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   - integreer de ketens voor zeevis, kweekvis en importvis en versterk de afstem-
     ming en samenwerking tussen de verschillende schakels in de visketen;
   - intensiveer de verkenning en ontwikkeling van nieuwe markten en nieuwe
     producten;
   - exploreer de gebruiksmogelijkheden van onbenutte aquatische organismen
     (marificatie).
     Om een duurzame ontwikkeling van de vissector te bewerkstelligen:
   - intensiveer het zoeken naar bestuurlijke arrangementen die de verantwoorde-
     lijkheid voor het beheer van de visgronden zoveel mogelijk bij de sector zelf
     leggen;
   - benut de kansen voor integratie van het gebruik van visgronden en kweekper-
     celen met andere activiteiten in en rond de kustwateren (Coastal Zone
     Management).
     Aan deze acties kunnen kennisinstellingen een belangrijke bijdrage leveren;
     stuk voor stuk zíjn het immers kennisintensieve acties. De opgaven voor de
     kennisinstellingen liggen dan ook geheel in het verlengde van de genoemde
     acties. Een adequate bijdrage van de kennisinstellingen vergt evenwel inhou-
     delijke en organisatorische aanpassingen.
     Het rapport geeft hiertoe de volgende aanbevelingen:
     versterk het onderzoek naar (verdere) valorisatiemogelijkheden van vispro-
     ducten;
   - installeer een innovatiegroep van wetenschappers, technologen en onderne-
     mers die zich exclusief richt op de kansen van marificatie;
   - geef een impuls aan onderzoek, onderwijs en innovaties ter bevordering van
     visteelt op land en in kustzones;
   - versterk de mondiale component in het Nederlandse en Europese vissectoron-
     derzoek;
   - stimuleer interdisciplinair onderzoek naar alternatieve bestuurlijke arrange-
     menten voor het beheer van visbestanden en zorg voor een intensieve betrok-
     kenheid van belanghebbenden;
   - verminder de sterke oriëntatie op biologisch onderzoek naar commerciële vis-
     soorten dat zich beperkt tot de Noordzee en vergroot de fundamentele, inter-
     disciplinaire kennis over mariene ecosystemen, onder andere door een ver-
     sterkte deelname aan internationale onderzoekprogrammas op dit terrein;
   - verbreed de kennis, in onderzoek én onderwijs, ten behoeve van Coastal Zone
     Management door te komen tot een programmatische bundeling van delen
     van de kennisinfrastructuur in Nederland en in andere landen.
52   A W T     A D V I E S 3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>                                                                                                                   12
                                                                                                                  Groene ruimte
  Het landelijk gebied1 is in beweging. In de media, politiek en wetenschap
  wordt een levendig debat gevoerd over ruimtegebruik en de ruimtelijke kwa-
  liteit in ons land, nu en in de toekomst. Het gebruik van de groene ruimte ver-
  vult bij die discussies vaak een sleutelrol. De volgende themas komen daarbij
  telkens naar voren:
- Aan de kwaliteit van de groene ruimte worden steeds hogere eisen gesteld;
  hoe kunnen we daaraan voldoen?
- De economische éénwording van Europa vergroot de economische dynamiek,
  waardoor de druk op de (groene) ruimte van Nederland wordt versterkt.
- Hoe gaan we om met de toenemende verstedelijking, de infrastructuur, de
  groene ruimte, en hoe brengen we die in onderlinge samenhang?
- Hoe kunnen we bodem en water schoon krijgen en houden voor landbouw,
  natuur, recreatie en andere functies?
- Waar kan ruimte worden gevonden voor de landbouw, voor natuur, voor
  recreatie en voor wonen en in hoeverre kunnen die functies worden gecombi-
  neerd?
- In hoeverre kunnen andere economische dragers naast de landbouw in de
  groene ruimte investeren en daarmee bijdragen aan een vitaal platteland?
- Hoe kan de overheid gunstige condities voor ruimtelijke kwaliteit scheppen
  en tegelijk zo veel mogelijk overlaten aan de regio?
  De beleidsagenda voor de groene ruimte wordt in toenemende mate vanuit
  een internationaal perspectief opgesteld. Mede vanuit dat perspectief worden
  als hoofdfunctie van de groene ruimte gezien:
- economische productieruimte voor landbouw en andere sectoren;
- een aantrekkelijke woon- en leefomgeving;
- strategisch voorraden van water(systemen), ruimte, biodiversiteit, landschap
  en cultuurhistorie.
  De komende jaren zal er veel geld worden besteed aan investeringen die de
  infrastructuur moeten verbeteren en uitbreiden. Die staan in het teken van
  een impuls voor de ruimtelijk-economische structuur en een duurzame eco-
  nomische ontwikkeling. Een van de uitdagingen ligt in de aanwending van
  deze ruimtelijke investeringen voor kwaliteitsversterking van de groene ruim-
  te. Uitvoering van de beleidsagenda doet een groot beroep op het innoverend
  vermogen van allen die bij de groene ruimte zijn betrokken. De beleidsopga-
  ven hebben een sterk integratief karaker. Er zal gezocht moeten worden naar
  wegen waarlangs combinaties van functies kunnen worden ontwikkeld en
  afgewogen, groene kwaliteit kan worden versterkt, stad en land en economie
  en ecologie worden verzoend en nieuwe coalities kunnen worden gevormd die
  private en publieke belangen kunnen verenigen.
  1 Uit: NRLO-rapport nr. 98/19, Groene ruimte op de kaart!, Kennis- en innovatieagenda, Ambities voor de 21e
  eeuw, mei 1998.
                                                                                    A W T      A D V I E S    3 5           53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>     Prioritaire kennis- en innovatiethemas
     Overheden, organisaties en allen die nu en in de toekomst actief zijn in de
     groene ruimte staan voor uitdagende innovatieopgaven.
     Het gaat om de volgende vier onderwerpen:
   1 Internationalisering en groene ruimte
     Hoe kan de Nederlandse groene ruimte in de komende decennia zodanig wor-
     den ontwikkeld dat optimaal wordt ingespeeld op de problemen en kansen
     van toenemende internationalisering?
   2 Kwaliteit en leefbaarheid van de multifunctionele groene ruimte
     Hoe kan de kwaliteit en leefbaarheid van de multifunctionele groene ruimte
     worden versterkt, rekening houdend met de grote regionale verscheidenheid?
   3 Interactie tussen stad en land
     Het is in de komende decennia voor publieke en private actoren een belangrij-
     ke opgave om te werken aan nieuwe concepten van samenhang tussen stad en
     land tegen de achtergrond van het geleidelijk loslaten van concentratie van de
     verstedelijking en een minder krachtige positie van de landbouw.
   4 Sturing van processen in de groene ruimte
     Het komende decennium zal bij de ontwikkeling van de groene ruimte
     gezocht worden naar aansturings- en coördinatiemechanismen die passen bij
     nieuwe evenwichten tussen markt, staat en samenleving.
     De kennisinfrastructuur voor de groene ruimte
     Kennisontwikkeling voor de vier genoemde themas stelt hoge eisen aan de
     kennisinfrastructuur. Deze kan aan die eisen op dit moment maar zeer ten
     dele voldoen. Dat heeft te maken met aan de ene kant de specifieke voorwaar-
     den waaraan het onderzoek voor de vier themas moet voldoen en aan de
     andere kant de kenmerken van de huidige kennisinfrastructuur voor de groe-
     ne ruimte. In de tabel staan kort samengevat op welke punten de gewenste
     kennis en de kennisinfrastructuur afwijken van de bestaande.
     Kenmerken                      Nu                    Gewenst
     kennis
     oriëntatie                     sectoraal             integraal
     stad-land                      gescheiden            stad en land
     kennis-innovatie               gescheiden            interactieve kennis
     onderzoek-ontwerp              gescheiden            geïntegreerd
     disciplinaire oriëntatie       monodisciplinair      multi- en interdisciplinair
     kennisinfrastructuur
     identiteit groene ruimte       onduidelijk           duidelijk
     capaciteit                     gering                adequaat
     onderdelen                     gescheiden            verbonden
     aansturing                     verkokerd             geïntegreerd
     rol KCW                        beperkt               krachtige groene partner
     publieke - private kennis      gescheiden            wederzijdse doorstroming
54   A W T     A D V I E S   3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>  De conclusie is dat er een forse spanning bestaat tussen:
- enerzijds de eisen die aan nieuwe kennis en innovatie voor de groene ruimte
  worden gesteld: integraal, integratie van stedelijke en rurale kennis (rubaan),
  interdisciplinair, interactief; en
- anderzijds de kenmerken van de huidige kennisinfrastructuur: versnippering,
  verkokering, stedelijke en rurale kennis gescheiden, weinig diepgang, weinig
  ontwerpgericht, onderzoek en innovatie in gescheiden domeinen.
  Die spanning zou verminderd kunnen worden. Daartoe worden drie voorstel-
  len gedaan.
1 Een impuls voor de groene ruimte: naar een kennis- en innovatienetwerk
  Het onderzoek voor de groene ruimte zou aanzienlijk aan diepgang en rele-
  vantie winnen wanneer er een netwerk zou worden gecreëerd dat de verschil-
  lende onderdelen van de kennis- en innovatie-infrastructuur met elkaar in
  verbinding brengt. Het gaat er daarbij om bruggen te slaan tussen kennis- en
  technologieontwikkeling en innovatieprocessen, tussen stedelijke en rurale
  kennis, tussen onderzoeken en ontwerpen en tussen alpha-, bèta- en gamma-
  kennis.
  Die overbruggingsfunctie zou door een kennis- en innovatienetwerk Groene
  Ruimte goed kunnen worden vervuld. Daarbij zou gebruik kunnen worden
  gemaakt van de werkwijze in en de ervaringen met het netwerk LWI (Land,
  Water, Milieu, Informatietechnologie) dat in het kader van ICES 1 in het leven
  is geroepen.
  Om werkelijk substantie te krijgen zou naar analogie met de financiering van
  het LWI-netwerk gedacht moeten worden aan een rijksaandeel in de orde van
  f 30 mln.
2 Versterking van het Kenniscentrum Wageningen (KCW) als partner in een GR-
  netwerk
  Het KCW dient als partner in een GR-netwerk voldoende kwaliteit en kwanti-
  teit te hebben. Deze zijn nu onvoldoende om de themas die hiervoor werden
  beschreven voldoende af te dekken.
  De capaciteit die wordt ingezet is met name ontoereikend op de volgende drie
  gebieden:
- Onderzoekend ontwerpen is zwak ontwikkeld. Daarmee wordt een werkwijze
  bedoeld waarbij innovatieve ontwerpen voor ruimtegebruik via nader onder-
  zoek op hun oplossend vermogen worden beproefd en waarbij tevens maat-
  schappelijk draagvlak kan worden gepeild en verworven. De mogelijkheden
  van informatie- en communicatietechnologie (ICT) voor participatieve besluit-
  vorming zijn veelbelovend en dienen beter te worden benut.
- Het toegepast beleidswetenschappelijk onderzoek is zwak in het bijzonder
  het onderzoek over de toepassing en toetsing van het interactieve stuurcon-
  cept in praktijksituaties. Dat onderzoek dient enerzijds theoretische voeding
  te krijgen vanuit het strategisch samenwerkingsverband met het fundamen-
  teel wetenschappelijk onderzoek en anderzijds sterk gerelateerd te zijn aan
  praktijksituaties van plattelandsvernieuwing waarin nieuwe vormen van stu-
  ring in relatie tot kennisontwikkeling (joint fact finding) worden beproefd.
- Het onderzoek voor de groene ruimte aan de Landbouwuniversiteit
  Wageningen (LUW) is onder de maat. Het probleem is niet alleen dat de capa-
                                                               A W T   A D V I E S  3 5 55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>     citeit is verdeeld over verschillende onderzoeksinstituten en -scholen maar
     ook is deze kwantitatief ontoereikend om het groene ruimte onderzoek op
     toegepaste instellingen te kunnen voeden met inspirerende wetenschappelij-
     ke inzichten en methoden.
     Naast de uitvoering van stimuleringsprogrammas als hiervoor aangegeven
     zal door het KCW zelf de capaciteit op de drie aangegeven terreinen moeten
     worden versterkt. Daartoe is een substantiële investering in capaciteits- en
     kwaliteitsvergroting op de drie aangegeven gebieden nodig.
            De eerste verantwoordelijkheid om tot versterking te komen ligt bij de
     Raad van Bestuur van het KCW. In samenspraak met LNV zou zij verdere
     voorstellen in deze richting kunnen ontwikkelen.
   3 Regionale kennis- en innovatiecentra voor plattelandsontwikkeling
     Dit derde voorstel om de spanning tussen eisen aan en kenmerken van de ken-
     nisinfrastructuur voor de groene ruimte te verminderen bedoelt een brug te
     slaan tussen kennisgeneratie en innovatie. Voorgesteld wordt om een drietal
     regionale centra in te stellen die de vernieuwing van het platteland kunnen
     ondersteunen en waar interactieve kennisvorming wordt beproefd. Deze cen-
     tra participeren in vernieuwingsprojecten en zij vormen een schakel tussen de
     meer op generieke kennis georiënteerde instituten en universiteiten en de
     actoren met hun ervarings- en gebiedskennis die betrokken zijn bij concrete
     innovatieprojecten op het platteland.
            Het gaat om verschillende typen van informatie en kennis waarover de
     centra dienen te beschikken dan wel via andere kennisinstellingen ter
     beschikkig kunnen stellen. Het gaat om integrale (multisectoraal), multidis-
     ciplinair, ontwerp gerichte, snel inzetbare en gemakkelijk toegankelijke ken-
     nis.
            Voorts dienen de expertisecentra te participeren in projecten waarin met
     nieuwe bestuursvormen wordt geëxperimenteerd. Joint fact finding is het tref-
     woord waarmee dergelijke experimenten en de daarmee verbonden kennis-
     vorming en -uitwisseling wordt aangeduid. In die zin stimuleren zij tevens
     een meer interactieve wijze van kennisontwikkeling bij de kenniscentra.
     De financiering van de expertisecentra zou voor 50% het karakter van een
     basisfinanciering kunnen hebben terwijl de overige 50% gefinancierd kan
     worden vanuit de plattelandsvernieuwingsprojecten waarin de centra partici-
     peren.
56   A W T      A D V I E S 3 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                                                      Lijst van afkortingen
ARA   Akademie Raad voor de Aardwetenschappen
AWT   Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid
BNP   Bruto Nationaal Product
DTO   Duurzame Technologische Ontwikkeling
ESA   European Space Association
ESTEC European Space Research and Technology Centre
EZ    (Ministerie van)Economische Zaken
ICT   informatie- en communicatietechnologie
IS    informatiesysteem
KCW   Kenniscentrum Wageningen
KNAW  Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen
LNV   (Ministerie van) Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
LUW   Landbouwuniversiteit Wageningen
LWI   Land, Water, Milieu, Informatietechnologie
MKB   Midden- en Kleinbedrijf
MMI   Mens-Machine Interactie
MTA   medical technology assessment
NITG  Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen
NRLO  Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek
NWO   Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
OCenW (Ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
OCV   Overlegcommissie Verkenningen
RGO   Raad voor Gezondheidsonderzoek
RMNO  Raad voor het Milieu- en Natuuronderzoek
RTA   Ruimtetechnologie Agentschap
TNO   Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappe-
      lijk onderzoek
VCA   Verkenningscommissie Aardwetenschappen
VCB   Verkenningscommissie Biologie
VCRT  Verkenningscommissie Ruimtetechnologie
VWS   (Ministerie van)Volksgezondheid, Welzijn en Sport
                                                 A W T   A D V I E S 3 5  57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>58 A W T A D V I E S 3 5</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>