<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                          32
                            Het nut van de grote
                  technologische instituten
februari 1998
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
Tel. 070 - 3639922
Fax. 070 - 3608992
e-mail: secretariaat@AWT.nl
                                  A W T - A D V I E S 3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>A W T - A D V I E S 3 2</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                                                   Inhoud
Samenvatting                                                        v
1. Inleiding                                                        1
2. Het belang van de gtis voor overheid en bedrijfsleven           5
       2.1 Veranderingen in de marktsegmenten van de gtis          6
       2.2 Hoe kijken de doelgroepen tegen de gtis aan?            8
       2.3 Conclusie                                                12
3. Overheidsbeleid ten aanzien van het gti-stelsel                  15
       3.1 Motieven van de overheid om kennisontwikkeling te
                 subsidiëren                                        15
       3.2 Positie gtis in de kennisketen                          18
       3.3 De financiële betrokkenheid van de overheid              23
       3.4 Het beoordelingskader                                    24
       3.5 Conclusie                                                29
4. Overheidsbeleid ten aanzien van de afzonderlijke gtis           31
       4.1 Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR)        31
       4.2 Energieonderzoekcentrum Nederland (ECN)                  34
       4.3 Waterloopkundig Laboratorium (WL)                        38
       4.4 Grondmechanica Delft (GD)                                41
       4.5 Maritiem Research Instituut Nederland (MARIN)            44
Bijlage 1        Adviesaanvrage                                     47
Bijlage 2        Lijst van gesprekspartners                         53
                                                           A W T - A D V I E S 3 2      iii
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>iv A W T - A D V I E S 3 2</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                                       Samenvatting
  Het advies heeft betrekking op de positie van de grote technologische institu-
  ten - de zogenoemde gtis - binnen de Nederlandse kennisinfrastructuur. Ter
  voorbereiding op dit advies is gesproken met een zeventigtal mensen uit de
  omgeving van de gtis en vergelijkbare instellingen in het buitenland.
  De gtis maken deel uit van de publieke kennisinfrastructuur en doen onder-
  zoek en advieswerk voor zowel de overheid als het bedrijfsleven. De overheid
  geeft de gtis jaarlijks subsidie om hun missie te kunnen uitvoeren. De totale
  omzet van de gtis bedroeg in 1996  400 miljoen. Het gaat om de volgende
  instituten (gerangschikt naar omzet):
- NLR (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium; omzet  139 mln.);
- ECN (Energieonderzoek Centrum Nederland; omzet  130 mln.);
- WL (Waterloopkundig Laboratorium; omzet  64 mln.);
- GD (Grondmechanica Delft; omzet  35 mln.);
- MARIN (Maritiem Research Instituut Nederland; omzet  34 mln.).
  Deze samenvatting volgt niet de opbouw van het advies, maar concentreert
  zich op de beantwoording van de vragen zoals die aan de Raad zijn gesteld 1.
  Die vragen zijn in de adviesaanvraag onder vier themas gerubriceerd:
1 De betekenis van de gtis als schakels tussen fundamenteel onderzoek ener-
  zijds en de toepassingen anderzijds;
2 De internationale context;
3 Samenwerking en concurrentie;
4 De verantwoordelijkheid van de overheid en de vormgeving daarvan via de
  bestuurlijk-financiële relaties.
  De Raad zal op elk van deze themas apart ingaan, zij het dat hij thema 1
  en 3 in samenhang zal bespreken.
x De betekenis van de gtis als schakels tussen fundamenteel onderzoek ener-
  zijds en de toepassingen anderzijds (vraag 1).
x Samenwerking en concurrentie (vraag 3)
  In de adviesaanvraag staat vermeld dat in de thans gangbare visie de gtis een
  schakelfunctie vervullen tussen de instellingen voor fundamenteel onderzoek
  en de toepassingssectoren. Het is duidelijk dat de gtis niet als enige die schak-
  elfunctie kunnen en willen vervullen. In de praktijk bestaat een grote diversi-
  teit aan organisaties - publieke en private - die aan bedoelde interactie vorm
  geven. In de private sector geven steeds meer bedrijven - waaronder de grote
  ingenieursbureaus - in toenemende mate gestalte aan een eigen onderzoek- en
  ontwikkelbeleid; zij schuiven als het ware vanuit de praktijk op in de richting
  van R&D. In de publieke sector is bijvoorbeeld te constateren dat universitei
  1 Zie bijlage 1 voor de tekst van de adviesaanvraag.
                                                                A W T - A D V I E S  3 2 v
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>   ten in toenemende mate zelf verbindingen leggen tussen het fundamentele
   onderzoek en de toepassingsgebieden. De schakelfunctie van gtis komt dus
   als het ware van twee kanten onder druk te staan, zowel vanuit de hoek van
   het fundamentele onderzoek als vanuit de toepassingssectoren.
   De gtis hebben in de praktijk ook maar in beperkte mate als schakel gefun-
   geerd tussen het fundamentele onderzoek en de toepassingssectoren.
   De instituten onderhouden in het algemeen maar zeer beperkte relaties met
   de universiteiten. Vaak hebben ze daar ook niet veel te halen; het feit dat
   de gtis er zijn, heeft de universiteiten minder mogelijkheden gegeven zich
   op die gti-gebieden te ontwikkelen. De gtis zijn sterk gericht op eigen
   technologie-ontwikkeling. Mede gestimuleerd door de overheid, gaan de
   instituten momenteel in toenemende mate ook de commerciële markt op.
   Als gevolg hiervan komen de mogelijkheden tot schakelen verder onder
   druk te staan. Instituten die hun kennis te gelde (moeten) maken, hebben
   van nature de neiging om op de eigen kennis te gaan zitten; dat is immers
   hun bron van inkomsten. De geraadpleegde bedrijven signaleren die tendens
   ook bij de gtis. Daarnaast komt door het commercieel-gaan van de instituten
   hun specialistische diepgang in gevaar. Die diepgang is, zo is de ervaring in de
   praktijk, niet uit commerciële opdrachten te financieren; dat is tenslotte ook
   de reden voor overheidssubsidie.
   De gtis hebben een taak die breder is dan het schakelen in enge zin, zoals
   hiervoor bedoeld. Ze hebben eigen technologie-ontwikkelingsprogrammas
   en beschikken verder over grote onderzoekfaciliteiten. De Raad heeft zich
   in eerste instantie georiënteerd bij de doelgroepen van de gtis. Hoe ervaart
   men daar het belang van de gtis? Leveren deze een meerwaarde door de
   kennisintensiteit van de betrokken doelgroepen te verhogen? Bij die vraag
   maakt de Raad een onderscheid tussen de overheid en het bedrijfsleven.
         De gesprekspartners uit het bedrijfsleven achten de bijdrage van de gtis
   aan de verhoging van de kennisintensiteit binnen hun sector, gering; de
   bijdrage bestaat overwegend uit het uitvoeren van metingen en testen.
   Een aantal bedrijven voelt zich zelfs in zijn eigen ontwikkeling geremd door
   de concurrentie van de (gesubsidieerde) gtis
         Vanuit de overheid is het beeld anders. Op een aantal gebieden heeft de
   overheid ervoor gekozen om voor haar behoefte aan kennis en expertise te
   leunen op de gtis. De aansluiting van de kennis bij de gtis op de behoefte
   bij de overheid is algemeen gesproken redelijk tot goed.
   De Raad trekt uit bovenstaande observaties de conclusie dat de positie van
   de gtis opnieuw moet worden doordacht. De missies van de gtis zijn nu
   zodanig geformuleerd, dat ze zonder uitzondering in de gehele kennisketen
   actief kunnen zijn, van het fundamentele onderzoek tot en met het opdracht-
   onderzoek en het advieswerk voor de markt. Volgens de Raad is een
   specifiekere taakstelling van de gtis noodzakelijk, waarbij overigens de
   positie van de afzonderlijke gtis kan verschillen. Zijns inziens moet een
   keuze gemaakt worden. Òf een gti positioneert zich als een instituut dat
   primair is gericht op onderzoek i.c. het ontwikkelen van nieuwe kennis en
   technologie op zijn terrein; de Raad zou zon instituut willen typeren als
   een taakorganisatie. Òf een gti positioneert zich als een instituut dat er primair
vi A W T - A D V I E S    3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>  op is gericht om, zoveel als mogelijk op basis van bestaande kennis,
  in te spelen op de behoeften van zijn afnemers; de Raad zou zon instituut
  willen typeren als een marktorganisatie. De onderscheiden activiteiten vereisen
  andere mensen en andere culturen. Natuurlijk is in de praktijk de situatie niet
  zwart-wit en zijn de demarcatielijnen niet scherp te trekken. Maar de Raad
  meent wel dat het leidmotief voor een instituut het één òf het ander moet zijn.
  Pogingen om beide culturen binnen één onderzoekgroep te verenigen, blijken
  in de praktijk zeer moeilijk realiseerbaar te zijn. De gesignaleerde kritiek ten
  aanzien van de verschillende gtis illustreert dat. Het is uiteraard denkbaar dat
  een instituut zich opsplitst in verschillende eenheden, een eenheid die zich als
  taakorganisatie positioneert en een eenheid die zich als marktorganisatie posi-
  tioneert. Maar dan komt de vraag naar voren of dat vanuit macro-oogpunt
  efficiënt is.
  Gtis die zich als taakorganisatie positioneren, hebben tot taak nieuwe kennis
  en technologieën te ontwikkelen. Hun relatie met de markt ligt niet in het zelf
  commercieel gaan, maar in onderzoeksamenwerkingsrelaties met bedrijven
  en andere (markt)organisaties. De Raad pleit ervoor deze gtis via een structu-
  rele samenwerking - wellicht zelfs fusies - dicht bij de universiteiten te zetten.
  Voor gtis die zich als marktorganisatie positioneren, vormt kennistransfer het
  hart van de activiteiten. Deze gtis hebben tot taak in te spelen op de behoef-
  ten van de klant; dat kan zowel de overheid als het bedrijfsleven zijn. Het is de
  missie van deze gtis om zoveel als mogelijk contractonderzoek te verrichten,
  uiteraard binnen de randvoorwaarde dat oneigenlijke concurrentie met priva-
  te partijen vermeden moet worden. De voeding krijgt zon instituut maar in
  beperkte mate van de eigen technologie-ontwikkeling. Die voeding zal vooral
  plaatsvinden via mobiliteit onder de medewerkers en door samen te werken
  met andere, fundamenteel-strategische onderzoekinstituten zoals de universi-
  teiten en de gtis die zich als taakorganisatie positioneren.
x De internationale context (vraag 2)
  Voor gtis als taakorganisatie is volgens de Raad alleen plaats op gebieden die
  expliciet onderwerp van staatszorg zijn, zoals veiligheid, milieu, infrastruc-
  tuur en defensie. Alleen op onderwerpen van staatszorg heeft de overheid een
  expliciete, eigen verantwoordelijkheid voor de kennis- en technologie-ont-
  wikkeling. Op deze gebieden zijn de commerciële belangen in het algemeen
  (nog) niet groot, hetgeen perspectieven biedt op vergaande vormen van
  samenwerking en taakverdeling tussen verschillende landen. Dit vindt nog
  maar in zeer beperkte mate plaats; vaak willen landen toch een eigen insti-
  tuut. De Raad adviseert de overheid om bij de institutionele onderbrenging
  van het door haar gewenste onderzoek zich veel explicieter te oriënteren op
  mogelijkheden tot samenwerking met andere landen, met name de EU-lan-
  den. Binnen het kader van de Europese Unie zijn grote efficiëntievoordelen te
  behalen door nauwere samenwerking en taakverdeling tussen de verschillen-
  de lidstaten. Aangezien het uit de aard der zaak niet voor de hand ligt dat de
  betrokken gtis hiertoe zelf met initiatieven komen, moet de overheid in
  dezen steeds het voortouw nemen.
  De gtis die zich als marktorganisatie positioneren, zijn volgens de Raad in
  eerste instantie zelf verantwoordelijk voor hun internationale samenwerking.
                                                                  A W T - A D V I E S 3 2 vii
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>       Internationalisering van het werkterrein moet voor deze instituten geen doel
       op zich zelf zijn. Het doel van deze door de Nederlandse overheid gesubsi-
       dieerde instituten ligt uiteindelijk immers in de ondersteuning van
       Nederlandse marktpartijen. Het is primair aan deze gtis zelf om te beoorde-
       len of dit doel wordt gediend met activiteiten voor buitenlandse partijen. Zo
       is het bijvoorbeeld goed denkbaar dat een instituut van die buitenlandse
       markt zoveel sterker wordt, dat uiteindelijk de Nederlandse partijen beter
       kunnen worden bediend. Of dat ook werkelijk zo uitpakt, zal moeten blijken
       uit de mate waarin het instituut opdrachten van Nederlandse klanten weet te
       verwerven. Op dat punt moet de overheid de subsidiëring van het instituut
       uiteindelijk ook beoordelen.
     x De verantwoordelijkheid van de overheid en de vormgeving daarvan via de
       bestuurlijk-financiële relaties (vraag 4)
       De missies van de gtis zijn vastgelegd in overleg met de overheid. De
       instituten krijgen daarbij een bepaalde taak mee en de overheid verstrekt
       subsidie voor de uitvoering van die taak. Daarbij kan het gaan om subsidie
       om op bepaalde gebieden nieuwe kennis en technologieën te ontwikkelen.
       Bij de gtis gaat het hier vooral om gebieden die de overheid beschouwt als
       onderwerpen van staatszorg. De overheid kan de subsidie ook verstrekken
       om een instituut in staat te stellen adequaat in te spelen op de directe
       marktbehoeften. Het gaat hierbij in het algemeen om de financiering van
       het achtergrondonderzoek en om de aanschaf en het onderhoud van grote
       onderzoekfaciliteiten.
       Welke taak de overheid ook formuleert, in alle gevallen moet de subsidie
       groot genoeg zijn om de opgedragen taak daadwerkelijk uit te kunnen
       voeren. De Raad constateert dat dit in de praktijk niet altijd het geval is. De
       overheid geeft de instituten soms taken zonder voldoende financiering, met
       als gevolg dat de overheid de desbetreffende gtis in feite dwingt een deel
       van de financiering van het betrokken onderzoek en van de bijbehorende
       faciliteiten elders te realiseren. In theorie lijkt dit mooi; immers, wat is er
       tegen als anderen meebetalen? In de praktijk blijkt de onderfinanciering
       evenwel vaak verkeerd uit te pakken. Als gevolg van de noodzaak om
       zoveel mogelijk geld op de commerciële markt binnen te halen, treedt
       oneigenlijke concurrentie op met andere partijen, zowel private ondernemin-
       gen als andere gtis en TNO. De noodzaak om de overheidssubsidies
       aan te vullen, drijft de gtis weg van het funderende onderzoek waarvoor
       ze in feite zijn opgericht en vermindert de bereidheid om de met publieke
       middelen opgebouwde kennis met anderen te delen. Kortom, met zon
       subsidiebeleid ondermijnt de overheid de eigenlijke doelstelling van de gtis
       en bijgevolg op termijn hun bestaansrecht.
       De Raad meent dat de overheid een duidelijk geëxpliciteerd beoordelingska-
       der voor de instituten moet formuleren. De invulling zal verschillend moeten
       zijn voor de twee soorten gtis die de Raad hiervoor heeft onderscheiden,
       te weten de taak- en de marktgerichte instituten.
viii   A W T - A D V I E S    3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Voor de gtis die zich als marktorganisatie positioneren, is het finale toetsings-
criterium de mate waarin die instituten erin slagen om opdrachten van
Nederlandse marktpartijen te verwerven. De ervaring in de markt (van
overheid en bedrijfsleven) leert dat op vele gebieden zon missie zonder
subsidie niet adequaat is te volbrengen. De marktpartijen blijken in het
algemeen namelijk niet bereid c.q. in staat om de voor die missie benodigde
basiscondities (technology readiness) te betalen. Vanuit macroperspectief
is het echter wel van belang dat de kennisinfrastructuur zodanig is toegerust
dat de markt op een adequate wijze kan worden bediend. Dat geeft de
rechtvaardiging voor overheidssubsidie voor achtergrondonderzoek en de
beschikbaarheid van (grote) onderzoekfaciliteiten. De verantwoordelijkheid
voor de besteding van deze subsidie (missiesubsidie) ligt in eerste instantie
bij de instituten zelf. In zijn strategisch plan moet een gti de overheid duide-
lijk maken hoe het de subsidie wil besteden en welke doeleinden het
daarmee te zijner tijd in de markt wil bereiken. De overheid moet beoordelen
of die activiteiten binnen de missie van het instituut vallen. Ze zal de
instituten uiteindelijk op de geëxpliciteerde doeleinden moeten afrekenen.
De overheid heeft daarbij de taak om op grond van efficiëntie-overwegingen
te beoordelen of voor vervulling van de betrokken missie een zelfstandig
instituut gewenst is. Mogelijkheden van samenwerking c.q. fusering met
andere marktorganisaties, zoals bijvoorbeeld TNO, moeten volgens de Raad
een expliciet punt van aandacht zijn.
Voor de gtis die zich als taakorganisatie positioneren, is een andere invulling
van het beoordelingskader gewenst. Deze instituten hebben tot taak om op
specifieke gebieden nieuwe kennis en technologieën te ontwikkelen. In de
ogen van de Raad is overheidssubsidie in deze zin alleen te rechtvaardigen als
het gebieden betreft die expliciet onderwerp van staatszorg zijn. Het primaat
voor het onderzoekprogramma van deze instituten moet bij de overheid lig-
gen. De overheid moet aangeven wat ze wil, welk soort onderzoek voor subsi-
die in aanmerking komt, wat de doelstellingen zijn en onder welke condities
derden hiervan mogen profiteren. Periodieke beoordeling van de subsidies op
genoemde aspecten is uiteraard nodig. Bij de keuze van de overheid om op
specifieke gebieden kennis- en technologie-ontwikkeling via een gti te subsi-
diëren, moet expliciet worden meegenomen of een structurele samenwerking
c.q. fusering met een (technische) universiteit wenselijk en mogelijk is.
De Raad heeft vanuit bovenstaande visie aanbevelingen gedaan voor het
overheidsbeleid ten aanzien van de afzonderlijke gtis.
Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR)
De overheid is direct (luchtvaartveiligheid en de luchtverkeersbegeleiding)
of indirect (vliegtuigbouw en ruimtevaart, twee sectoren die internationaal
worden gekenmerkt door een grote overheidsbemoeienis) de voornaamste
speler voor het NLR. Deze sterke overheidsbetrokkenheid heeft voor het
NLR tot recent een relatief stabiele omgeving opgeleverd. Dit is nu sterk
aan het veranderen. De overheid is, mede gedwongen door externe omstan-
digheden als het verdwijnen van Fokker en de discussie rond ESA, zich
momenteel aan het heroriënteren op de steunverlening op deze gebieden.
                                                                 A W T - A D V I E S 3 2 ix
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>  Afhankelijk van de concrete invulling die gekozen wordt, moeten hieruit de
  consequenties getrokken worden voor de aard en omvang van de activiteiten
  van het NLR.
  Duidelijk is dat op alle terreinen waarop het NLR actief is, de overheidsbetrok-
  kenheid verschuift van het nationale naar het internationale niveau.
  Ook binnen het bedrijfsleven is een dergelijke verschuiving zichtbaar vanwe-
  ge de concentratie in grotere eenheden. Deze ontwikkelingen maken een
  concentratie van de onderzoekinfrastructuur op Europese schaal onvermijde-
  lijk. Volgens de Raad moet de overheid op deze internationalisering
  anticiperen door structurele samenwerkingsverbanden tussen de betrokken
  onderzoeksinstituten te stimuleren. Afstemming en verdeling van taken met
  buitenlandse instellingen vormt voor het NLR de enige kans om op termijn
  binnen deze door de overheden (lees: grote landen) gedomineerde terreinen
  te overleven. De Ministers van EZ en VenW hebben hiervoor de primaire
  verantwoordelijkheid; zij moeten hierbij dan ook een sturende rol spelen.
  Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN)
  De missie van het ECN is in de loop van de tijd sterk verbreed; van een
  onderzoekcentrum voor atoomenergie naar een algemeen energie-instituut
  dat zich richt op lange- termijnonderzoek en middellange-termijnontwikke-
  ling alsmede de daaruit voortvloeiende korte-termijndienstverlening en
  -kennistransfer. Het ECN beweegt zich in toenemende mate op de commercië-
  le markt, ook voor het meer korte termijn, toegepaste onderzoek. De Raad
  juicht deze ontwikkeling niet toe. Een adequate invulling van deze brede mis-
  sie vergt substantiële investeringen in de opbouw van een eenheid die zich als
  een marktorganisatie kan positioneren. Vanuit macro-oogpunt acht de Raad
  dit niet efficiënt. Dit kan beter worden overgelaten aan organisaties die daar-
  voor al goed zijn geëquipeerd. Het is effectiever en efficiënter om tot structu-
  rele samenwerkingsrelaties te komen. Waar commercialisering mogelijk is,
  moeten de activiteiten van het ECN worden afgesplitst; die activiteiten kun-
  nen worden overgeheveld naar bijvoorbeeld TNO of het bedrijfsleven. De
  Raad meent dat het ECN, àls er behoefte is aan een zelfstandig energie-onder-
  zoeksinstituut, een taakorganisatie moet zijn, met een lange-termijngericht
  onderzoekprogramma.
  De Raad heeft het niet als zijn taak gezien de afzonderlijke programma-
  onderdelen van de gtis op al hun merites te beoordelen. Wat betreft het ECN
  is die beoordeling primair een taak van de Minister van EZ die verantwoorde-
  lijk is voor een duurzame energievoorziening in ons land. Hij moet dan ook
  de hoofdlijnen van het onderzoekprogramma van het ECN vaststellen. De
  Raad acht het van belang dat de Minister van EZ op korte termijn een afwe-
  ging maakt van het belang van het brandstofcellenonderzoek (29% van de
  omzet) en het nucleaire onderzoek (25% van de omzet). Bij deze afweging
  moet met name worden gelet op het belang dat dit onderzoek (nog) heeft voor
  het Nederlandse bedrijfsleven. Daarnaast acht de Raad het nodig dat expliciet
  wordt bezien of de stralingstechnologische dienstverlening (22% van de
  omzet) nog wel binnen de missie past van een gesubsidieerd onderzoekinsti-
  tuut als het ECN. Als deze onderdelen van het ECN-activiteitenpakket niet
  meer of in substantieel mindere mate noodzakelijk zijn, of kunnen worden
x A W T - A D V I E S   3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>afgestoten, dan dringt de vraag zich op of het ECN als zelfstandig instituut
moet blijven bestaan.
Waterloopkundig Laboratorium (WL)
Het WL is van oorsprong een waterloopkundig laboratorium waarvan de
missie in de loop van de tijd is verbreed tot een instituut voor waterbeheers-
en waterkwaliteitsonderzoek. Als het WL op deze gebieden de commerciële
markt opgaat, zal het concurreren met TNO en met private partijen, zoals
ingenieursbureaus. Een uitdijende missie-opvatting met een noodzakelijker-
wijs bredere opbouw van expertise, acht de Raad om die reden dan ook
onwenselijk. De Raad bepleit voor het WL een positie als taakorganisatie met
als taak het doen van onderzoek op waterloopkundig gebied. Het WL moet
zich in de ogen van de Raad dan ook onthouden van marktactiviteiten - ont-
wikkel- en advieswerk - waar private partijen een goed alternatief kunnen bie-
den. Weliswaar is de marktvraag in toenemende mate multidisciplinair van
aard, maar daarin kan worden voorzien door anderen, waaronder het bedrijfs-
leven, die vervolgens het WL kunnen inschakelen voor waterloopkundig
onderzoek. De weg is die van samenwerking, niet die van concurrentie.
De Raad meent dat de Minister van VenW meer duidelijkheid moet verschaf-
fen over de overheidsbehoefte aan externe onderzoekcapaciteit en
expertise. Het gaat daarbij in de eerste plaats om de taakverdeling tussen
Rijkswaterstaat en het WL. Met een helderder taakverdeling is belangrijke
efficiency-winst te behalen. Na die afbakening kan de vraag worden beant-
woord naar de rol van de fysieke onderzoekfaciliteiten bij het WL. Daarbij
zal ook gelet moeten worden op de samenwerkingsmogelijkheden c.q.
taakverdeling met vergelijkbare instituten in Europa.
Binnen het zogenaamde Delftse cluster worden momenteel aanzetten
gegeven tot een nauwere samenwerking van een aantal Delftse onderzoekin-
stituten die actief zijn in de GWW-sector (Grond-, Weg- en Waterbouw).
Volgens de Raad zijn er goede mogelijkheden tot structurele samenwerking
c.q. fusie tussen het WL, waarvan de omvang en de aard van de werkzaamhe-
den moet zijn aangepast aan die van bedoelde taakorganisatie, en
de faculteit civiele techniek van de TU Delft. De overheid moet het voortouw
nemen om die mogelijkheden nader te exploreren en in te vullen.
Grondmechanica Delft (GD)
GD staat voor de strategische beslissing om ofwel de breedte in te gaan,
om op die wijze in te spelen op de multidisciplinaire behoeften vanuit de
markt, ofwel om de diepte in te gaan en te investeren in nieuwe kennis,
methoden en technieken. Realisatie van beide opties gaat de huidige span-
kracht van het instituut verre te boven.
       De overheid is een belangrijke commerciële klant op de bouwmarkt en
uit dien hoofde is subsidie voor het funderende onderzoek goed te verdedi-
gen. Het is in eerste instantie de Minister van VenW die de behoefte aan
kennis bepaalt en de financiële ruimte daarbij vaststelt. De Raad adviseert
de Minister van VenW om GD te positioneren als taakorganisatie die onder-
zoek doet op het gebied van de grondmechanica. Hierbij past geen opdracht
aan GD om de continuïteit te bevechten op de commerciële markt.
Bij deze taakstelling komt het zwaartepunt bij het onderzoek te liggen en
                                                              A W T - A D V I E S 3 2 xi
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>    niet bij het ontwerp- en advieswerk. Dat laatste kan in toenemende mate
    gebeuren door de private sector, in het bijzonder de ingenieursbureauss.
    De private sector kan de voeding vanuit de fundamenteel-strategische hoek
    (onder andere) bij GD halen en GD kan de voeding vanuit de praktijk halen
    door samenwerkingsverbanden met ingenieursbureaus aan te gaan. Dus
    geen concurrentie maar samenwerking.
    De positionering van GD als taakorganisatie geeft ook een goede basis voor
    samenwerking binnen het zogenoemde Delftse cluster. Zoals de Raad ook
    ten aanzien van het WL heeft bepleit, adviseert hij voor GD te komen tot
    structurele samenwerking c.q. fusering met de TU Delft.
    Maritiem Research Instituut Nederland (MARIN)
    De maritieme sector is geen specifiek onderwerp van staatszorg. De Raad
    ziet dan ook geen reden voor een speciale behandeling van die sector binnen
    het meer algemene technologie-ondersteuningsbeleid. Dat laat onverlet dat de
    overheid om haar moverende redenen kan besluiten om voor een specifieke
    sector speciale stimuleringsmaatregelen te nemen. Zo heeft de overheid
    onlangs besloten om de continuering van de activiteiten van het instituut te
    waarborgen door  100 mln beschikbaar te stellen voor de vernieuwing van de
    onderzoekfaciliteiten. Gegeven die keuze, adviseert hij voor het MARIN een
    positie als marktorganisatie volgens de termen die hij in dit advies heeft toe-
    gelicht. De missie van het instituut is dan het inspelen op de bestaande vragen
    van de maritieme markt. Het instituut zal hiervoor enige subsidie moeten
    hebben voor het benodigde achtergrondonderzoek en voor de faciliteiten.
    Het instituut is van oudsher gericht op de scheepsbouw, waarbij in de loop
    van de tijd de off-shore industrie als belangrijke doelgroep is bijgekomen.
    Het instituut ziet voor de toekomst als belangrijke doelgroep de rederijen.
    Deze doelgroep vraagt bij uitstek om een geïntegreerde benadering, waarbij,
    naast technische aspecten, ook veiligheids-, energie- en milieuaspecten
    moeten worden meegenomen. Deze gewenste verbreding, die bij het MARIN
    in belangrijke mate nog moet worden opgebouwd, sluit goed aan bij de
    kennis en expertise die bij TNO aanwezig is. De Raad bepleit om die reden
    dan ook een nadere studie naar de mogelijkheid om het MARIN onder de
    TNO-koepel te brengen. Zon onderbrenging maakt het instituut ook minder
    kwetsbaar voor (conjuncturele) veranderingen in de markt. De Raad meent
    dat de beslissing over de noodzakelijke omvang van de missiesubsidie voor
    het MARIN eerst goed kan worden gemaakt als de hier voorgestelde optie
    nader is geëxploreerd.
xii A W T - A D V I E S  3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>  De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW) heeft -
  mede namens de Minister van Economische Zaken (EZ) en de Minister van
                                                                                                           Inleiding
                                                                                                                     1
                                                                                                           de adviesaanvraag
  Verkeer en Waterstaat (VenW) - de Adviesraad voor het Wetenschaps- en
  Technologiebeleid (AWT) advies gevraagd over de positie van de gtis en
  de bestuurlijke en financiële relaties van de overheid met de gtis als onder-
  deel van de publieke kennisinfrastructuur. (zie bijlage 1 voor de adviesaan-
  vraag). De grote technologische instituten (gtis) vormen een verzameling van
  vijf verschillende onderzoekinstituten: het Energieonderzoek Centrum
  Nederland (ECN), Grondmechanica Delft (GD), het Maritiem Research
  Instituut Nederland (MARIN), het Nationaal Lucht- en
  Ruimtevaartlaboratorium (NLR) en het Waterloopkundig Laboratorium (WL).
  Deze instituten zijn een onderdeel van de zogenoemde publieke kennisin-
  frastructuur: onderzoekinstituten die (mede) gesubsidieerd worden door de
  overheid. De publieke kennisinfrastructuur kent een scala aan onderzoekin-
  stituten: (para-)universitaire instituten, ambtelijke onderzoekinstituten
  (zoals de specialistische diensten van Rijkswaterstaat), planbureaus (zoals
  het CPB en het SCP) en instituten met een onderzoektaak op afstand van
  de overheid (KNMI, TNO e.d). In de laatstgenoemde categorie vallen ook de
  grote technologische instituten. Ze hebben als gemeenschappelijk kenmerk
  dat ze alle op afstand van de overheid onderzoek verrichten, voor overheid
  en bedrijfsleven, met een sterk technisch accent en een voor hun terrein
  belangrijke grote fysieke onderzoekfaciliteit beheren.
  Vier vragen zijn de Raad expliciet voorgelegd:
1 hoe kijkt de Raad aan tegen de betekenis van de gtis als schakels tussen fun-
  damenteel onderzoek enerzijds en toepassingen anderzijds;
2 hoe ziet de Raad de posities van de gtis in internationale context;
3 hoe kan volgens de Raad synergie en afstemming tussen de gtis en andere
  kennisinstellingen worden bevorderd en hoe kan ervoor gezorgd worden dat
  de gtis voldoende basiskennis behouden om in te kunnen spelen op de markt-
  vraag;
4 hoe zou volgens de Raad de overheidsverantwoordelijkheid ten aanzien van
  de gtis bestuurlijk en financieel moeten worden ingevuld.
  Deze vragen zijn niet nieuw. Reeds in 1984 stelden dezelfde ministeries                                  de vragen zijn niet nieuw
  vergelijkbare vragen aan de toenmalige Raad van Advies voor het
  Wetenschapsbeleid (RAWB), waarop de RAWB (één van de voorgangers van de
  AWT) in maart 1985 reageerde met een advies2. De Minister van Onderwijs
  en Wetenschappen gaf in 1984, mede namens zijn ambtsgenoten van EZ
  en VenW, de problematiek rond de gtis als volgt weer:
  2 Advies inzake de grote technologische instituten, RAWB-publicatie 42. Den Haag, 1985.
                                                                                    A W T - A D V I E S 3 2                          1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                       Steeds duidelijker blijkt dat deze gtis en hun omgeving sterk in beweging zijn. In algeme-
                       ne zin gesproken hebben deze instituten te maken met het afkalven van traditionele mark-
                       ten en werkterreinen, met belangrijke wijzigingen in de technologiegebieden waarop zij
                       zich richten en met een terughoudender opstelling van de overheid ten aanzien van finan-
                       ciering. Daaruit vloeien vraagstukken voort van financiële aard -onder meer terzake van
                       de bekostiging van grote faciliteiten -, van inhoudelijke heroriëntatie en vernieuwing en
                       van aanpassing van opbouw en omvang van het personeelsbestand.
                       Voorts wordt steeds dringender de vraag gesteld, hoe de gtis, nu alom de noodzaak van
                       technologische vernieuwing van het bedrijfsleven wordt erkend, de Nederlandse bedrijven
                       daarbij intensiever kunnen ondersteunen.
                       Kort daarna, in 1987, werd naar aanleiding van een rapport van de OESO
                       advies gevraagd aan de RAWB over het missiepatroon van alle (circa 130) niet-
                       universitaire onderzoekinstituten in Nederland. Gezien het belang van de
                       gtis in dat geheel werd op verzoek van de minister een interim-advies uitge-
                       bracht over het missiepatroon van de gtis3.
                       Deze aandacht in de jaren 80 voor de gtis heeft uiteindelijk geleid tot een
                       herbezinning op de missies - met name wat betreft de marktgerichtheid van
                       de gtis - en een herstructurering van de relatie van de overheid met de gtis.
                       Inmiddels zijn we tien jaar verder en afgezien van een voortzetting van de
                       ontwikkelingen die al in de tachtiger jaren zichtbaar was, is er aan de vraag-
                       stelling rond de gtis - getuige de hierboven genoemde vier adviesvragen - niet
                       erg veel veranderd.
                       In het onderhavige advies neemt de Raad de vijf grote technologische institu-
                       ten als aandachtspunt. De vraag of wellicht andere instituten, met andere mis-
                       sies, voor ons land relevanter zouden zijn, valt buiten het kader van dit advies.
                       De centrale vraag in dit advies is de rol die de gtis zouden moeten spelen -
                       afzonderlijk, in onderlinge samenhang en in relatie tot andere instituten in
                       Nederland en in de EU -, en de consequenties hiervan voor het overheidsbe-
                       leid.
  externe consultaties Ter voorbereiding van dit advies is uiteraard gesproken met de directies van
                       de vijf gtis. Daarnaast is gesproken met een vijftigtal mensen uit de omgeving
                       van de instituten (zie bijlage 2 voor de lijst van geïnterviewden). Deze mensen
                       zijn bijna allen geselecteerd uit de kring van de grootste klanten van de gtis
                       zoals die, op verzoek van de Raad, door de instituten zelf zijn aangegeven. De
                       geselecteerde groep dekt het overgrote deel van de door de gtis bereikte doel-
                       groepen en als collectief zijn zij uit dien hoofde in staat een goed zicht te heb-
                       ben op het werk en het feitelijke nut van de activiteiten van de instituten.
                       Om een beeld te verkrijgen van de situatie in het buitenland is TNO/STB
                       gevraagd om voor een drietal sectoren (energie, lucht- en ruimtevaart en mari-
                       tieme technologie) de situatie van met gtis vergelijkbare instituten in 10
                       Europese landen te beschrijven.
                       3 Advies over het missiepatroon van de grote technologische instituten, RAWB-publicatie 59. Den Haag, 1987.
2                      A W T - A D V I E S          3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Deze studie is onder de titel Strategic Position of Technology Research Organisations
in Europe: Energy, Aerospace and Marine Technology4 verschenen in de serie
Achtergrondstudies van de AWT.
In hoofdstuk 2 geeft de Raad in algemene termen - dus niet gespecificeerd                                    opbouw van het advies
naar de afzonderlijke instituten - zijn bevindingen aangaande de meerwaarde
van de gtis zoals ervaren door de doelgroepen. In hoofdstuk 3 trekt de
Raad hieruit zijn conclusies voor het overheidsbeleid ten aanzien van het
gti-stelsel. Hoofdstuk 4 spitst deze algemene conclusies toe op de afzonderlij-
ke instituten.
4 The Strategic Position of Technology Research Organisations in Europe: Energy, Aerospace and Marine
Technology, AWT-achtergrondstudie nr. 11. Den Haag, februari 1998.
                                                                                      A W T - A D V I E S 3 2                      3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>4 A W T - A D V I E S 3 2</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>       Het              belang van de gti’s voor
                   overheid en bedrijfsleven
De gtis zijn onderzoekinstituten die op afstand staan van de overheid, maar
wel subsidie van de overheid ontvangen. In de thans gangbare visie zijn de
                                                                                                 2
                                                                                      instituten ontvangen voor hun
                                                                                      taak overheidssubsidie
gtis schakels tussen het fundamentele onderzoek en de sectoren waarin toe-
passingen centraal staan. In zijn algemeenheid verwacht de overheid dat de
gtis een specifieke bijdrage leveren aan de verhoging van de kennisintensiteit
van de sector waarin zij opereren. Zij hebben alle één of meer grote, en voor
Nederland unieke, faciliteiten onder beheer. Deze faciliteiten zijn via aparte
investeringssubsidies door de overheid gefinancierd. Voorts ontvangen zij van
het meest betrokken departement jaarlijks een bijdrage - een basissubsidie -
voor het onderzoek ten behoeve van hun missie. Voor het overige halen de
gtis hun omzet uit onderzoek- en ontwikkelingsopdrachten en uit advies-,
test- en ingenieursdiensten voor opdrachtgevers uit de overheid en de private
sector.
Het overheidsbeleid ten aanzien van de gtis is de laatste jaren gericht op het       overheid stimuleert instituten
vergroten van het aandeel van de private markt in de omzet. Hierbij speelden          de markt op te gaan
en spelen twee overwegingen een rol: enerzijds het vergroten van het maat-
schappelijk rendement van de ontwikkelde kennis, anderzijds het compense-
ren van de afnemende bijdragen van de overheid. Geconstateerd kan worden
dat de instituten deze ruimte ook hebben genomen, de ene meer de andere
minder.
De omzet van de 5 gtis tezamen is momenteel circa  400 mln. per jaar. De            subsidies en marktomzet
instituten geven zelf op een totaal aan subsidies van circa  85 mln. te
ontvangen; de rest is dan de markt. Dit marktbegrip wordt door hen ruim
gedefinieerd: hieronder vallen ook allerlei doelsubsidies van verschillende
departementen en subsidies van de EU. Deze omzetbedragen zouden echter
vanuit een nauwere definitie van markt - in de zin van concrete opdrachten
van gebruikers van onderzoeksresultaten en adviesdiensten - ook onder de
term subsidie kunnen vallen. Duidelijk is wel dat de instituten in financiële
zin in belangrijke mate afhankelijk zijn van de publieke sector.
ECN, NLR en WL zijn voor hun omzet in zeer belangrijke mate, direct of
indirect, afhankelijk van de overheid. Voor de twee andere instituten, GD
en het MARIN, is dit beduidend minder, zij het dat met name voor GD veel
van hun klanten weer afhankelijk zijn van de overheid als opdrachtgever.
                                                               A W T - A D V I E S 3 2                              5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                              Tabel 1.         GTIs: omvang en herkomst middelen (1996)
2.1
Veranderingen           in   de   marktsegmenten                       van     de   gti’s
                              De vijf gtis zijn alle 40 jaar of langer geleden opgericht, elk met een
                              specifiek marktsegment als doelgroep: het WL voor het waterloopkundig
                              onderzoek ten behoeve van de grote waterbouwkundige projecten; GD voor
                              onderzoek aangaande het bouwen in, op en met grond; het ECN (voorheen:
                              RCN, Reactor Centrum Nederland) voor de atoomenergie en de toepassing
                              daarvan, in het bijzonder ten behoeve van een op te zetten nucleaire
                              industrie; het MARIN voor het hydrodynamische en nautische onderzoek, in
                              het bijzonder voor het maritieme bedrijfsleven; het NLR voor de
                              onderzoekingen op het gebied van de luchtvaart en later ook de
                              ruimtevaart.
  doelgroepen van instituten  De omgeving waarin de instituten opereren is in de loop der jaren sterk
            sterk gewijzigd   gewijzigd. Dit betreft zowel hun traditionele marktsegmenten als de relatie
                              met de overheid. De instituten hebben op de veranderingen geanticipeerd
                              en gereageerd. In grote lijnen zijn de volgende ontwikkelingen te schetsen:
6                             A W T - A D V I E S    3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN)
Toen in het midden van de jaren 70 duidelijk werd dat in Nederland een
nucleaire industrie niet van de grond kwam en ook de kernenergie-optie aan
belang inboette, heeft het ECN zich ontwikkeld tot een meer algemeen
energie-onderzoekinstituut. Het werkterrein heeft zich verbreed tot met
name fossiele brandstoffen en duurzame energie, inclusief de daaraan verbon-
den milieu-aspecten. Daarnaast doet het instituut energiebeleidsstudies. Het
ECN heeft conform zijn huidige missie (uit 1996) tot taak het doen van lange-
termijnonderzoek en middellange-termijnontwikkeling op energiegebied als-
mede de daaruit voortvloeiende korte-termijndienstverlening en kennistrans-
fer. Onder dit laatste rekent het instituut nadrukkelijk ook het Midden en
Kleinbedrijf.
Maritiem Research Instituut Nederland (MARIN)
Het traditionele marktsegment is sterk gewijzigd. De grote scheepsbouw is
in Nederland gedecimeerd. Het instituut heeft zich mede daardoor sterk op
de internationale markt gericht. Verder is de off-shore industrie een
belangrijke klant geworden. Daarnaast ziet het instituut voor de toekomst
als belangrijke doelgroep de rederijen; het zijn namelijk de rederijen die
nadere eisen stellen aan de scheepsbouw als gevolg van milieu-,
veiligheids-, en (energie)efficiency-aspecten. Deze markt vereist een breder
aanbod van expertise dan het instituut traditioneel beschikbaar heeft.
Grondmechanica Delft (GD)
Het instituut ziet zich op zijn traditionele marktsegment in toenemende
mate geconfronteerd met een zich sterk ontwikkelende private sector, met
name de grote ingenieursbureaus, die een deel van de taken van het instituut
(kunnen) overnemen. Het instituut is doende zijn werkterrein te verbreden in
de richting van het ondergronds bouwen en de geomilieutechnologie.
Waterloopkundig Laboratorium (WL)
Een belangrijke verandering in het traditionele marktsegment is het aflopen
van de Deltawerken. Als gevolg daarvan is de vraag vanuit Rijkswaterstaat
(RWS) op dit gebied drastisch afgenomen. Het instituut is doende zijn
expertise voor andere dan de traditionele doelgroepen in te zetten
(mathematische stromingsmodellen voor de industrie), alsook zijn activiteiten
te verbreden naar het terrein van het waterbeheer waaronder ook de
kwaliteits- en milieuaspecten.
Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR)
Het traditionele marktsegment van het NLR is in vergelijking met de andere
gtis tot voor kort het meest stabiel gebleven. Dit dankzij de continue
(financiële) ondersteuning van de overheid op het gebied van de lucht- en
ruimtevaart. Een in belang toenemende markt voor het instituut is de
mathematische modellering ten behoeve van verkeersbegeleidingssystemen.
Recentelijk is met het wegvallen van de zelfscheppende vliegtuigbouw in ons
land (Fokker) wel een drastische verandering in het marktsegment opgetre-
den. Mede als gevolg hiervan bezint de overheid zich momenteel op haar
ondersteuning van de vliegtuigbouwsector in ons land. Het Kabinet heeft in
december jl. kenbaar gemaakt een voorstander te zijn van een deelname van
                                                              A W T - A D V I E S 3 2 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                                    de Nederlandse industrie aan de ontwikkeling van het nieuwe megavliegtuig
                                    door het Airbus-consortium.
2.2
Hoe    kijken         de    doelgroepen                tegen
                                    Externe oriëntatieronde
                                                                    de  gti’s     aan?
                                    Ter voorbereiding van dit advies is gesproken met circa 40 personen uit de
   vragen aan de doelgroepen
                     van de gti's   doelgroepen van de vijf gtis. De hoofdvraag was of de gtis een specifieke
                                    bijdrage leveren aan de vergroting van de kennisintensiteit van de
                                    desbetreffende sector (overheid en niet-overheid), het punt dat expliciet in
                                    de adviesaanvraag als doelstelling voor de gtis is genoemd. Ook is gevraagd of
                                    het voor het leveren van die specifieke bijdrage noodzakelijk is dat de gtis de
                                    speciale positie in de kennisinfrastructuur hebben die ze op dit moment inne-
                                    men. Daarnaast is gevraagd naar het al of niet bestaan van oneigenlijke con-
                                    currentie.
  mogelijke bijdragen van gti's     Het verhogen van de kennisintensiteit is een hooggegrepen doelstelling.
                                    Het gaat er dan immers niet alleen om dat de gtis kennis leveren die als
                                    state-of-the-art wordt beschouwd, zoals die óók door allerlei ándere
                                    organisaties (publiek of privaat) geleverd kan worden. Het gaat om een
                                    meerwaarde die de gtis moeten kunnen leveren. Die meerwaarde kan
                                    onder andere blijken uit:
                                  - het uitvoeren van onderzoek- en ontwikkelingswerk voor opdrachtgevers, dat
                                    door andere partijen niet of niet adequaat kan worden uitgevoerd;
                                  - het uitvoeren van adviesopdrachten voor eindgebruikers die door andere aan-
                                    bieders in de sector niet kunnen worden geleverd;
                                  - het actief overdragen van nieuwe kennis aan ingenieursbureaus opdat zij
                                    voortdurend de laatste ontwikkelingen, technieken en gegevens in hun
                                    opdrachtuitvoering voor bedrijfsleven en overheid kunnen inzetten, en tege-
                                    lijkertijd mogelijk een kennisvoorsprong kunnen opbouwen ten opzichte van
                                    de buitenlandse concurrentie;
                                  - het bedenken, ontwikkelen en overdragen van bruikbare innovaties die de
                                    concurrentiepositie van de sector of van een individuele (eind)gebruiker of
                                    intermediair (ingenieursbureau) verbeteren.
                                    Deze eis van een meerwaarde brengt met zich mee dat het ontbreken van
                                    die meerwaarde geenszins uitsluit dat de gtis kwalitatief goed en bruikbaar
                                    werk afleveren. Een oordeel over de bijdrage van de gtis hangt dus af van
                                    het soort eisen en verwachtingen dat wordt gesteld.
                                    In het vervolg van deze paragraaf heeft de Raad het beeld verwoord zoals
                                    dat uit de oriëntatieronde naar voren is gekomen. Het betreft een beeld
                                    over het gti-stelstel in het algemeen. In Hoofdstuk 4 gaat de Raad nader in
                                    op het beeld ten aanzien van de afzonderlijke gtis.
                                    Kennisniveau van de gtis
       overheid: kennisniveau       Meerdere gesprekspartners, vooral komend uit de overheid, geven aan de
          bij gti's hoger dan in    theoretische onderbouwing en diepgang van de gtis hoger in te schatten
                  private sector    dan die van eventuele commerciële concurrenten. Uit het bedrijfsleven komt
8                                   A W T - A D V I E S   3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>duidelijk als opinie naar voren dat het kennisniveau van de gtis goed                   bedrijfsleven: kennisniveau bij
vergelijkbaar is met dat van andere publieke en private kennisorganisaties               gti's is niet uitzonderlijk goed
die op een bepaald gebied specialistische kennis hebben opgebouwd; de gtis              en onvoldoende praktisch
springen er niet bovenuit. De kwaliteit van de specialistische kennis en exper-          gericht
tise van de gtis wordt als goed bestempeld. Maar het bedrijfsleven ervaart die
kennis niet altijd als voldoende praktisch gericht, in de zin van het toepasbaar
zijn in een commerciële omgeving.
      Echter, op de vakgebieden die voor de sector van belang zijn en die
binnen de missies van de gtis liggen, zijn er regelmatig ook kennisachterstan-
den te bespeuren. Dat is voor een deel toe te schrijven aan een geringe markt-
gevoeligheid. Voor een ander deel ligt de verklaring in het feit dat de gtis -
met name het WL en het MARIN - de opbouw van hun expertise sterk hebben
geconcentreerd rondom hun grote faciliteiten. Dit heeft tot gevolg gehad dat
die gtis bij de ontwikkeling van mathematische modellen een achterstand
hebben opgelopen. Deze is inmiddels ingelopen. Op dit moment zou zich ech-               belang van fysieke faciliteiten
ter opnieuw hetzelfde kunnen voordoen. De mathematische modellen zijn, in                neemt af ten gunste van
de ogen van vele van de gesprekspartners, inmiddels zo goed geworden dat                 veldproeven
voor de verdere ontwikkeling ervan in toenemende mate validatie aan de hand
van veldproeven noodzakelijk zijn; voor modelproeven in de golfgoten,
sleeptanks of van grondmechanische proefopstellingen zal in hun ogen
minder plaats nodig zijn. Deze ontwikkeling terug naar het veld zal het
belang voor de toekomst van de fysieke faciliteiten mede beïnvloeden.
Een verschil tussen commerciële kennisaanbieders (ingenieursbureaus),
gespecialiseerde industrie en de gtis is wl de wijze waarop hun
specialistische kennis tot stand is gekomen en wordt onderhouden. Bij de
ingenieursbureaus en de industrie is dat primair de veelheid en de breedte
van de uitgevoerde opdrachten, waaruit veel praktijkkennis wordt
opgedaan, aangevuld met eigen toegepast onderzoek. Bij de gtis gebeurt
dat primair door middel van onderzoek-, ontwikkelings- en innovatieve
opdrachten van de overheid. Voor de overheid is juist ook die
onderzoekcultuur een belangrijk element in de bijdrage die de gtis aan de
overheid leveren.
      Zoals de Raad hiervoor al aangaf, heeft de overheid de gtis vervolgens            verbreding van gti's brengt
wel sterk gestimuleerd om een groter deel van hun omzet op de                            diepgang in gevaar
commerciële markt te verkrijgen. Dit heeft bij alle gtis geleid tot een
verbreding van het aandachtsgebied. Deze verbreding lijkt niet alleen de
problematiek van de (oneigenlijke) concurrentie te vergroten. Ook de positie
als erkend specialist, met de daarbij behorende diepgang van kennis, komt
in gevaar, omdat de aandacht en de middelen over een breder front moeten
worden verdeeld.
Bijdrage aan de sector
Er is voor alle gtis een groot verschil in de bijdrage die zij leveren aan de           bijdrage gti's aan overheid
kennisbehoefte van de overheid enerzijds en het bedrijfsleven anderzijds.                substantieel en deels
Voor de relevante onderdelen van de overheid is die bijdrage aan de                      onvervangbaar
kennisintensiteit overal substantieel en deels onvervangbaar. De aansluiting
van de kennisontwikkeling door de gtis op de vraag van de overheid lijkt in
het algemeen ook redelijk tot goed. Uitzondering daarop is de bredere vraag
van de overheid naar een beleidsondersteunende en -ontwikkelende rol.
                                                                  A W T - A D V I E S 3 2                               9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                  Vanuit de technologische achtergrond en cultuur vormt de aansluiting op
                                  die ontwikkeling in de vraag een groot probleem voor de gtis.
             de bijdrage aan het  In die gevallen waarin het bedrijfsleven aangeeft dat er een bijdrage is van
   bedrijfsleven ligt m.n. in de  de gtis, is deze steeds van een veel beperktere dimensie. Het belang voor
 sfeer van het meten en testen    het bedrijfsleven van de bij de gtis plaatsvindende technologie-ontwikkeling
                                  wordt als gering gekenmerkt. De bijdrage aan het bedrijfsleven bestaat over-
                                  wegend uit het uitvoeren van metingen en het verrichten van (test)activitei-
                                  ten, gebruikmakend van de bij de gtis aanwezige faciliteiten. Deze bijdragen
                                  zijn zonder meer van belang voor dat bedrijfsleven. Er zijn voor deze bijdrage
                                  van de gtis in het algemeen echter alternatieven beschikbaar, in Nederland of
                                  in de omliggende landen, hoe lastig dat in bepaalde gevallen ook zou zijn op
                                  het praktische vlak. Zo zijn er in Europa windtunnels in overvloed, en sleep-
                                  tanks, centrifuges en fysieke waterloopkundige modellen zijn ook beschik-
                                  baar in de met de gtis vergelijkbare instituten in het buitenland5; deze facili-
                                  teiten zijn veelal ook adequaat voor de vragen vanuit het bedrijfsleven.
                                  Nederlandse bedrijven maken feitelijk ook reeds gebruik van deze faciliteiten
                                  in het buitenland.
            .... en aan de goede  Een andersoortige bijdrage van de gtis aan het bedrijfsleven komt tot stand
       naamsbekendheid in het     via de goede naam die zij hebben in het buitenland. Bij het dingen naar bui-
                      buitenland  tenlandse opdrachten kan daardoor de aanwezigheid van een gti in het aan-
                                  biedende consortium een pluspunt zijn. Dit kan echter in zijn tegendeel
                                  omslaan wanneer een gti, als consequentie van toenemende eigen activiteiten
                                  op de internationale markt, ervoor kiest deel uit te maken van een buitenlands
                                  consortium dat in internationale aanbestedingen als concurrent optreedt van
                                  Nederlandse bedrijven; een situatie die zich bij één van de gesprekspartners
                                  daadwerkelijk heeft voorgedaan.
       gti's leveren slechts een  Op de vraag of de gtis innovaties voortbrengen die voor het bedrijfsleven
geringe bijdrage aan verhoging    bruikbaar zijn dan wel bruikbare nieuwe ideeën en inzichten aandragen,
      kennisintensiteit van het   vond geen van de gesprekspartners het gemakkelijk voorbeelden te
                    bedrijfsleven bedenken. Het bestaan van een specifieke schakelfunctie voor de gtis -
                                  tussen fundamenteel onderzoek en toepassingen - is uit de gesprekken niet
                                  naar voren gekomen. Alles tezamen genomen is, onder verwijzing naar de
                                  omschrijving zoals die hiervoor is gegeven, de meerwaarde van de gtis aan
                                  de verhoging van de kennisintensiteit van het bedrijfsleven in hun sectoren,
                                  zeer klein gebleken.
                                  Positie in de kennisinfrastructuur
  bedrijfsleven waardeert gti's   Er zijn geen aantoonbare verschillen gebleken tussen de dienstverlening
 boven universiteiten vanwege     door de gtis en die door TNO. De gtis hebben, net als TNO, het voordeel
      inhoudelijke continuïteit   van inhoudelijke continuïteit; daardoor zijn er goede en zakelijke afspraken
                                  te maken. Met de technische universiteiten (TUs) zijn er wel enkele
                                  verschillen; daar wordt door de afnemers het ontbreken van inhoudelijke
                                  continuïteit als een belangrijke beperking gezien voor de aard van de relaties
                                  5 The Strategic Position of Technology Research Organisations in Europe: Energy, Aerospace and Marine
                                  Technology, AWT-achtergrondstudie nr. 11. Den Haag, januari 1998.
10                                A W T - A D V I E S           3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>die kunnen worden aangegaan. Hoogleraren verleggen hun interesse doordat
ze nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen volgen en opgebouwde
expertise kan snel weer verdwijnen doordat veel onderzoekwordt gedaan door
tijdelijke onderzoekers (aios en oios). Inhoudelijke continuïteit op specifieke
gebieden is daardoor niet verzekerd. Dat maakt het plaatsen van vervolgop-
drachten soms moeilijk.
Daarentegen wordt door het bedrijfsleven, met name dan de ingenieursbu-                                        .... maar ervaart de gti's wel
reaus, de TUs als toegankelijker ervaren dan de gtis. De ingenieursbureaus                                  als minder toegankelijk
zien sommige gtis als concurrent en ervaren van die zijde ook een terughou-
dendheid bij het delen van kennis en kunde. De TUs worden daarentegen
door de ingenieursbureaus niet als concurrent gezien en ervaren. Daardoor
ervaren de ingenieursbureaus in hun relaties met de TUs veelal meer open-
heid dan in de relaties met de gtis.
In de rondgang zijn geen argumenten gehoord die bij uitstek de zelfstandige,                                   geen bezwaar tegen eventueel
op zichzelf staande positie van de gtis rechtvaardigen. De gtis zouden                                       opgaan van gti's` in grotere
eventueel onderdeel kunnen uitmaken van andere kennisorganisaties zonder                                       verbanden
dat afbreuk zou worden gedaan aan hun bijdrage aan hun sectoren, zij het
dat de gti-functie zeker niet integraal door de overheid zelf kan worden
vervuld omdat soms onafhankelijke contra-expertise wenselijk is. Van de zijde
van het bedrijfsleven is gewezen op de goede naam die bepaalde instituten in
het buitenland hebben, een punt dat hiervoor al is vermeld.
       Is enerzijds een zelfstandige positie van de gtis niet altijd nodig - men                              .... integendeel, dat kan
ziet geen voordelen -, anderzijds zijn er voorbeelden genoemd van hoe de                                       overlap vermijden en besparen
onafhankelijke positie van de gtis juist nadelige gevolgen kan hebben. Het                                    op overhead
gaat dan om slechte relaties met de rest van de kennisinfrastructuur, het
bestaan van overlappingen in aandachtsgebieden en onnodige dubbelingen
in apparatuur en een kostenverhogende administratieve overhead die in elk
van de gtis vanwege de onafhankelijke positie aangehouden moet worden.
Oneigenlijke concurrentie
Voor bijna alle gtis geldt dat er, volgens de omschrijving die de commissie                                   bedrijven ervaren gti's soms
Cohen6 daarvoor hanteert, in een of andere vorm sprake is van oneigenlijke                                     als oneigenlijke concurrenten
concurrentie met private partijen. Oneigenlijk betekent hier dat de private
partijen de gtis ervaren als gesubsidieerde concurrenten, of dat de
overheid gtis bevoordeelt, bijvoorbeeld door onderzoekopdrachten bij
voorkeur bij zijn eigen gti te plaatsen, of doordat de overheid eist dat
testen en metingen bij een gti plaatsvinden. Over alle instituten, met
uitzondering van het MARIN, heeft de Raad hierover klachten vernomen.
De situatie verschilt uiteraard per instituut, maar de in gang zijnde
verbreding van de gtis zal deze problematiek over de gehele linie wel
verder vergroten.
6 Eindrapport Werkgroep Markt en Overheid; Project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteiten. Den
Haag, 20 februari 1997.
                                                                                  A W T - A D V I E S       3 2                            11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                                    Kennisverspreiding
.... en menen dat de gti's soms     Het actief opereren van de gtis op de commerciële markt impliceert in de
 op hun kennis zitten i.p.v. het    meeste gevallen het aangaan van concurrentie met andere partijen die zich
                  te verspreiden    op dezelfde markt begeven. Hoe meer druk er op de gtis komt om op de
                                    markt hun brood te verdienen des te belangrijker wordt het een
                                    concurrentievoorsprong te hebben op de overige aanbieders. Het hebben van
                                    meer kennis of betere faciliteiten kan zon concurrentievoordeel opleveren.
                                    Teneinde hun marktpositie te versterken hebben de gtis dus baat bij het vast-
                                    houden van de ontwikkelde kennis. Het gevolg kan zijn dat een gti zich niet
                                    erg zal inspannen om de ontwikkelde kennis of software zo snel mogelijk
                                    onder een brede doelgroep te verspreiden. Dit staat op gespannen voet met de
                                    taak van een, mede met publieke middelen gefinancierde, gti kennis te ver-
                                    spreiden en te delen. Verschillende gesprekspartners geven aan dat dit dilem-
                                    ma zich in de praktijk ook daadwerkelijk voordoet.
                                    Verbreding missies
   verbreding van de gti's roept    De commerciële markt vraagt steeds meer om integrale oplossingen, een
                  spanningen op     totaalaanpak. Daarvoor moeten vele disciplines in combinatie met elkaar
                                    worden ingezet. Dat is een belangrijke drijfveer achter de schaalvergroting
                                    en de netwerkvorming die zich in de wereld van de ingenieursbureaus
                                    voltrekt. Om aan de nieuwe vraag uit de markt te kunnen voldoen, zijn op
                                    dit moment bijna alle gtis eveneens bezig met verbreding van hun kennis-
                                    aanbod. Vanuit de doelgroepen van de gtis wordt gewezen op de
                                    spanningen die hier mogelijk uit voortvloeien:
                                  - Verbreding zou ten koste kunnen gaan van (de diepgang in) het specialisme,
                                    of van de voeding van het toegepaste onderzoek vanuit het fundamenteel-
                                    strategisch onderzoek.
                                  - Door hun beperkte omvang zullen de gtis niet in alle disciplines topkwaliteit
                                    kunnen leveren. De cultuur van de gtis is ook niet gericht op het opnemen en
                                    ontwikkelen van de meer maatschappijgerichte disciplines die bij een inte-
                                    graalaanpak mede aan de orde zijn.
                                  - Door verbreding van het aanbod gaan de gtis meer de richting op van ingeni-
                                    eursbureaus en wordt het eerstgenoemde punt versterkt. Ook het aantal priva-
                                    te aanbieders waarmee wordt geconcurreerd, zal door een uitbreiding van de
                                    aandachtsgebieden groter worden.
2.3
Conclusie
                                    De grote technologische instituten hebben tot taak hun, mede dankzij
                                    subsidies opgebouwde, kennis en kunde ten nutte te laten komen van de
                                    samenleving. Het gaat hier zowel om de overheid als om het bedrijfsleven,
                                    zij het dat het belang van deze doelgroepen voor de afzonderlijke gtis
                                    verschillend is.
          bedrijven hebben geen           Door de geraadpleegde bedrijven wordt de meerwaarde van de gtis voor
 bezwaar tegen het gti-concept      hen van betrekkelijk belang geacht. Het is niet zozeer de gti-functie - het doen
     maar wel tegen het feitelijk   van onderzoek op voor de samenleving relevante gebieden - die wordt bekriti-
       functioneren van de gti's    seerd alswel de wijze waarop deze gestalte krijgt in het feitelijk functioneren
                                    van de gtis. De bijdrage van de gtis aan de kennisintensiteit van de in de des-
                                    betreffende sector actieve private partijen is algemeen gesproken niet groot.
12                                  A W T - A D V I E S  3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>De bijdrage aan het bedrijfsleven bestaat overwegend uit het uitvoeren van
metingen en het verrichten van testactiviteiten. Het bedrijfsleven ervaart in
toenemende mate bepaalde activiteiten van de gtis als oneigenlijke concur-
rentie.
       Vanuit de overheid is het beeld anders. Dit is mede te verklaren doordat                         de aansluiting tussen de
de overheid verschillende rollen heeft ten aanzien van de gtis: soms de rol                            kennis bij de gti's en de
als subsidiegever en soms als opdrachtgever. Op een aantal gebieden heeft                               behoefte van de overheid is
de overheid ervoor gekozen om voor haar behoefte aan kennis en expertise                                goed
te leunen op de gtis. De aansluiting van de kennis bij de gtis op de behoefte
bij de overheid lijkt algemeen gesproken redelijk tot goed.
De Raad trekt uit de signalen vanuit de doelgroepen van de gtis de                                     de Raad trekt de conclusie
conclusie dat er grote vraagtekens te zetten zijn bij (de ontwikkeling van)                             dat de positie van de gti's
het bestaande gti-stelsel. Met het oog op het belang van het commerciële                                opnieuw moet worden
bedrijfsleven, zijn er grote vraagtekens te zetten bij het voortbestaan van                             doordacht
deze gtis in deze omvang7. De rechtvaardiging voor de publieke middelen
die nu naar de gtis gaan, zal vooral moeten worden gevonden in de
behoeften die de overheid zelf heeft. Het is derhalve primair de overheid die
moet aangeven wat zij voor haar behoeften nodig heeft. De overheid draait
op dit moment, direct of indirect, ook op voor het leeuwendeel van de
financiering van de instituten, als subsidiegever en als opdrachtgever. Voor
de rechtvaardiging van deze geldstromen wordt echter vaak ook gewezen
op het belang dat niet-overheidspartijen hebben bij deze gesubsidieerde
activiteiten. Zon soort belang blijkt in de praktijk niet al te groot te zijn.
       De Raad vreest dat bij ongewijzigd beleid de hiervoor genoemde
problemen zich in de toekomst nog pregnanter zullen manifesteren. Hij is
dan ook van mening dat de positie van de gtis fundamenteel moet worden
doordacht. De basisvraag moet opnieuw worden gesteld: waar zijn de
instituten eigenlijk voor? In het volgende hoofdstuk zal de Raad deze vraag
in zijn algemeenheid beantwoorden. In het slothoofdstuk geeft hij de
consequenties van zijn analyse aan voor de vijf gtis afzonderlijk.
7 De Raad spreekt hier bewust over het commerciële bedrijfsleven, omdat er ook bedrijfssectoren zijn
die niet in een commerciële markt opereren, maar in een sterk gesubsidieerde markt; voorbeelden
hiervan zijn de vliegtuigbouw en de ruimtevaartsector. De overheid kan natuurlijk om haar mover-
ende redenen een bepaalde sector in stand willen houden; subsidie voor een gti kan dan een indirecte
wijze zijn van subsidiering van die sector.
                                                                             A W T - A D V I E S     3 2                            13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>14 A W T - A D V I E S 3 2</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>           Overheidsbeleid ten aanzien
                                                van het gti-stelsel
  De rol die de vijf gtis zouden kunnen spelen, is sterk afhankelijk van de
  keuze die de overheid maakt; zonder subsidies kunnen deze instituten hun
                                                                                                   3
  huidige activiteiten niet continueren. De overheid speelt dus een cruciale rol
  ten aanzien van de huidige positie en de toekomst van de gtis.
  De Raad is, mede op grond van zijn consultatieronde, van mening dat de                problemen rond de gti's te
  problemen rond de gtis, zoals aangeduid in het voorgaande hoofdstuk, in              wijten aan onhelderheid in wat
  belangrijke mate te wijten zijn aan onvoldoende helderheid in wat de                  de overheid van de instituten
  overheid van deze instituten verlangt. Hij meent dat meer helderheid nodig            verlangt
  is wat betreft:
1 de motieven op grond waarvan subsidie wordt verstrekt;
  Die motieven zullen mede moeten bepalen:
2 de positie die het instituut geacht wordt in te nemen in de kennisketen;
3 de financiële betrokkenheid van de overheid;
4 het beoordelingskader.
  De Raad zal deze punten hierna in algemene zin toelichten; in hoofdstuk 4
  zal hij ze nader toespitsen op de afzonderlijke gtis.
                         Motieven         van      de     overheid
  Centraal staat hier de vraag waarom de overheid de gtis zou moeten
  subsidiëren. Strikt genomen zijn de gtis maar een middel om
                                                                            om
                                                                                                    3.1
                                                                                    kennisontwikkeling
                                                                                              te subsidiëren
                                                                                        gti's geen doel maar middel
  kennisontwikkeling en kennistransfer te stimuleren. De overheid heeft ook
  andere mogelijkheden, zoals landelijke onderzoekprogrammas, kopen op
  de private markt, technologische topinstituten en dergelijke. De vraag naar
  de motieven voor overheidssubsidie moet dan ook in een bredere context
  worden geplaatst: welke beweegredenen heeft de overheid om
  kennisontwikkeling en kennisverspreiding te stimuleren? Daarop
  aansluitend volgt de vraag welke rol de gtis kunnen spelen.
  De motieven van de overheid om kennisontwikkeling te stimuleren, zijn                 motieven voor overheid om
  naar hun aard te onderscheiden in:                                                    kennisontwikkeling te
- kennis voor eigen behoefte;                                                           stimuleren
- kennis ten behoeve van derden, waaronder het bedrijfsleven en semi-over-
  heidsorganisaties;
- kennis ten behoeve van de opleiding van mensen;
- culturele overwegingen.
  De laatste twee motieven spelen met name een rol bij de financiering van
  de universiteiten en de para-universitaire instituten; ze blijven hier vooreerst
  buiten beschouwing en komen in beeld wanneer de samenwerking tussen
  gtis en universiteiten, en daarmee de eventuele opleidingsrol van de gtis,
                                                                A W T - A D V I E S  3 2                           15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                                 ter sprake komt. In het kader van de gti-problematiek gaat het vooral om de
                                 twee eerstgenoemde motieven.
                                 3.1.1 De eigen behoeften van de overheid
         de overheid heeft soms  Net als elke organisatie heeft de overheid behoefte aan kennis en expertise
    behoefte aan expertise van   om haar taak naar behoren te vervullen. Net als bij elke organisatie speelt
                          buiten ook bij de overheid daarbij de vraag van make or buy: wordt in de expertise
                                 zelf voorzien of wordt deze van buiten gehaald? De overheid kan voor veel
                                 van haar behoeften aan kennis en expertise terecht bij private marktpartijen;
                                 de vele opdrachten van de overheid aan de private advies- en
                                 onderzoekbureaus getuigen hiervan. Soms is dit niet goed mogelijk en moet
                                 de overheid eigen voorzieningen treffen, al of niet op afstand van de
                                 overheid. Overwegingen aangaande continuïteit in de voorziening en
                                 onafhankelijkheid van de ingewonnen expertise spelen hierbij een rol. Soms
                                 is het onwenselijk om de voor de overheid noodzakelijke expertise op te
                                 bouwen bij een private partij; het gaat dan veelal om unieke kennis en
                                 deskundigheid waarmee die private partij dan een monopoliepositie
                                 opbouwt met alle gevaren van dien8. Er zijn kortom legitieme gronden voor
                                 de overheid om in specifieke gevallen subsidie te verlenen aan niet-private
                                 instanties om in haar behoefte aan kennis en expertise te voorzien. De gtis
                                 en ook de planbureaus (bijvoorbeeld het CPB) en departementale
                                 onderzoekinstituten (bijvoorbeeld het RIVM) vervullen een expertise rol
                                 voor de overheid. Bij de gtis vervullen bijvoorbeeld het WL en GD een
                                 expertiserol voor Rijkswaterstaat, het NLR vervult een dergelijke rol voor de
                                 Rijksluchtvaartdienst en de Koninklijke Luchtmacht, en het ECN voor het
                                 Ministerie van EZ op het gebied van het energiebeleid.
 .... ze is op onderwerpen van   De overheid heeft op bepaalde terreinen, de zogenoemde onderwerpen van
   staatszorg verantwoordelijk   staatszorg, een eigen verantwoordelijkheid. Voorbeelden zijn de
              voor lange termijn verantwoordelijkheid van de overheid op het gebied van de waterstaat,
             kennisontwikkeling  defensie, gezondheid, onderwijs, en milieu. Op die terreinen is zij ook als
                                 eerste verantwoordelijk voor de lange-termijnkennisontwikkeling. Vanuit dit
                                 oogpunt spelen bij de gtis vooral het WL en GD, met hun onderzoek op het
                                 aandachtsgebied van Rijkswaterstaat, een belangrijke rol.
     .... en daarnaast wil ze op De verantwoordelijkheid van de overheid voor de kennisontwikkeling gaat
               enkele specifieke verder dan alleen die terreinen die expliciet aan de overheidszorg zijn
      technologieën of thema's   toevertrouwd. De overheid heeft in meer algemene zin een
           onderzoek stimuleren  verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van de samenleving op lange
                                 termijn. Uit dien hoofde is het legitiem dat de overheid specifieke
                                 technologieën of onderzoek naar maatschappelijke themas wil stimuleren.
                                 Dit kan niet altijd alleen aan private partijen worden overgelaten. Als die
                                 kennisontwikkeling al interessant kan zijn voor andere doelgroepen,
                                 bijvoorbeeld in de private sector, dan is private financiering soms niet
                                 mogelijk. De potentiële doelgroepen bestaan mogelijk nog niet, en zo ze op
                                 8 De eerder genoemde Commissie-Cohen gaat op deze problematiek uitgebreid in.
16                               A W T - A D V I E S    3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>een zeker moment al te benoemen zijn, brengt de lengte en de onzekerheid
van het ontwikkeltraject met zich mee dat financiering op louterbedrijfseco-
nomische gronden (nog) niet verantwoord is. De meest pregnante voorbeelden
hiervan binnen de gtis liggen op energiegebied. Een voorbeeld uit het verle-
den zijn de investeringen in nucleaire technologie (via het Reactor Centrum
Nederland) met het oog op een te ontwikkelen nucleaire industrie; deze is in
Nederland uiteindelijk niet van de grond gekomen. Een recenter voorbeeld
zijn de investeringen van de overheid in de ontwikkeling van brandstofcellen
bij het ECN. De overweging van de overheid hierbij is dat brandstofcellen een
belangrijke rol kunnen gaan spelen voor een duurzame energievoorziening
maar dat de markt nog niet bereid is de ontwikkeling van deze cellen te finan-
cieren.
Er kunnen dus goede gronden zijn voor de overheid om onderzoek bij de                                   keuze voor 'eigen' instituut
gtis te subsidiëren; niet alleen met het oog op nieuwe technologieën die                               mag competitie niet in de weg
nog niet marktrijp zijn, maar ook om er zeker van te zijn dat van de                                    staan
opgebouwde expertise in gevallen van beleidskeuzes of calamiteiten direct
gebruik kan worden gemaakt. De keuze voor een eigen instituut als een
gti kan echter conserverend uitwerken. Het is begrijpelijk dat, eenmaal
gekozen voor een eigen instituut, de neiging zal bestaan dit instituut aan
de gang te houden. Dit kan betekenen dat een instituut opdrachten krijgt
die wellicht vanuit efficiency-overwegingen beter elders - in Nederland of in
het buitenland - hadden kunnen worden geplaatst.
3.1.2 Ondersteuning kennisbehoeften van derden
De AWT heeft in zijn advies Technologiebeleid en Economische Structuur9 betoogd                         de overheid heeft ook een taak
dat de overheid een legitieme rol heeft te vervullen bij kennisontwikkeling                             in het stimuleren van kennis
voor derden, waaronder het bedrijfsleven. Die derden hebben veelal een rela-                            die ze zelf niet nodig heeft
tief korte tijdhorizon, hetgeen bedrijfseconomisch gezien zeer goed is te ver-
dedigen. De risicos van de investeringen zijn immers groot en het is onzeker
wanneer en hoe lang de investeringen tot opbrengsten zullen leiden die vol-
doende rendement opleveren. Hierdoor krijgen investeringen in kennisont-
wikkeling met een (middel)lange-termijnperspectief relatief weinig aandacht.
Vanuit de optiek van een duurzame samenleving is dat onwenselijk met het
oog op de werkgelegenheid, de concurrentiekracht, het milieu, de veiligheid,
de volksgezondheid en de leefbaarheid. De overheid heeft een verantwoorde-
lijkheid voor de ontwikkeling van de samenleving op lange termijn. Uit dien
hoofde is een stimulering door de overheid van kennisontwikkeling ten
behoeve van derden goed te rechtvaardigen.
De overheid hanteert een scala aan instrumenten om die kennisontwikkeling                               .... ze kan dit op vele manier
te stimuleren. Ze subsidieert hiertoe zowel de vraag- als de aanbodkant, dat                            doen, o.a. door subsidies aan
wil zeggen, zowel het bedrijfsleven (de vragende partij) als de onderzoekinsti-                         gti's
tuten (de aanbodkant). Zo geeft de overheid directe financiële steun aan
bedrijven voor innovatief onderzoek. Daarnaast zijn er allerlei
9 Technologiebeleid en economische structuur, AWT-advies nr. 16. Den Haag, april 1998.
                                                                                 A W T - A D V I E S 3 2                             17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                                    onderzoekstimuleringsprogrammas op specifieke gebieden, bijvoorbeeld
                                    milieu. Indirecte steun wordt gegeven met subsidies aan een groot aantal
                                    onderzoekinstituten zoals TNO. Ook de ondersteuning van de gtis wordt
                                    door de overheid mede gerechtvaardigd vanuit het belang van deze instituten
                                    voor de private markt. Dit komt het meest duidelijk naar voren bij het NLR en
                                    MARIN, aangezien deze instituten bij uitstek ten behoeve van een bestaande
                                    industriële sector in het leven zijn geroepen, maar ook de andere gtis worden
                                    mede op deze gronden gesubsidieerd.
                                    Conclusie
                   motieven voor    De Raad constateert dat de motieven op grond waarvan de overheid een gti
overheidsfinanciering van gti's     subsidieert, lang niet altijd helder zijn geëxpliciteerd. Ook is niet helder
 zijn niet duidelijk; de missies    onder welke condities onderzoek aan derden beschikbaar kan worden
 van de instituten daardoor te      gesteld. De motieven komen veelal indirect tot uiting in de missieformulering
                 weinig specifiek   van het instituut die in het algemeen weinig specifiek is, in de zin dat weinig
                                    wordt uitgesloten. Dit heeft in de praktijk tot gevolg dat de instituten de hun
                                    geboden ruimte ook benutten. De consequenties hiervan zijn vanuit macro-
                                    oogpunt niet altijd positief:
                                  - een onheldere positionering van een instituut in de kennisketen kan ertoe lei-
                                    den dat het instituut zich op de gehele kennisketen wil bewegen, van het meer
                                    fundamenteelgerichte, lange-termijnonderzoek tot en met het toepassingsge-
                                    richte, korte-termijnonderzoek en advieswerk. In de praktijk blijkt zon com-
                                    binatie een effectief opereren niet te bevorderen. De Raad gaat hier in de vol-
                                    gende paragraaf van dit hoofdstuk nader op in;
                                  - onhelderheid over wat de overheid subsidieert ten behoeve van haar eigen
                                    behoeften en wat ten behoeve van derden leidt tot verwarring over de (wense-
                                    lijke) inhoudelijke en financiële betrokkenheid van de overheid bij het onder-
                                    zoek; de Raad gaat hier in paragraaf 3 nader op in. De onhelderheid in de
                                    motieven voor subsidiering maakt het ook moeilijk om tot een goed beoorde-
                                    lingskader te komen; dit zal de Raad in paragraaf 4 toelichten.
3.2
Positie         gti’s     in   de    kennisketen
                                    De missies van de gtis impliceren in feite een hybride-functie. Ze hebben
                                    tot taak om op hun terrein onderzoek te doen - nieuwe kennis en
   de gti's hebben twee taken:
           onderzoek doen en de     technologieën ontwikkelen - en de resultaten zo mogelijk marktrijp te
           resultaten vermarkten    maken in de zin van in de praktijk toepasbaar. Daarnaast bieden de
                                    missiestatements de ruimte om kennis en technologieën ook daadwerkelijk
                                    zelf uit te baten op de commerciële markt. Voor de gtis heeft de afgelopen
                                    jaren deze laatste taak aan belang gewonnen. Ze zijn hiertoe mede aangezet
                                    door de overheid. Hierbij spelen voor de overheid zowel bezuinigingsoverwe-
                                    gingen - de markt kan op die manier een deel van de kosten voor de gtis voor
                                    haar rekening nemen - alsook rendementsoverwegingen - de ontwikkelde
                                    kennis kan op die manier breder worden benut. Hiervoor is al gewezen op
                                    enkele, mogelijk negatieve, gevolgen van deze ontwikkeling in de zin van
    .... kan dit wel samengaan?     oneigenlijke concurrentie met private partijen en de afnemende bereidheid
                                    om de ontwikkelde kennis en technologieën met derden te delen. Daarnaast
                                    heeft de Raad ernstige twijfel of deze dubbelfunctie in de praktijk wel effectief
                                    kan uitwerken. Hij zal dit laatste punt in deze paragraaf nader toelichten,
18                                  A W T - A D V I E S   3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>mede refererend aan de ervaringen die in de afgelopen decennia in het
bedrijfsleven zijn opgedaan met R&D.
Ervaringen in het bedrijfsleven
Sinds de tijd dat R&D zijn intrede deed in het bedrijfsleven, bestaat er de
spanning tussen belofte en verwachting. Men verwacht dat R&D tot
nieuwe, bruikbare resultaten leidt, maar de belofte van R&D voegt zich
moeilijk naar de eisen van het management om grip te krijgen op de
risicos, de bruikbaarheid van de resultaten en de termijn waarop de
resultaten geboekt kunnen worden.
      Die spanning is nooit verdwenen, maar in de loop der tijd heeft men            opsplitsing tussen technology
geleerd er beter mee om te gaan. Een gerichte en systematische                       push en market pull
ondersteuning van R&D op enige schaal in het bedrijfsleven heeft rond de             onderzoeksgroepen
eeuwwisseling plaatsgevonden bij een aantal grote bedrijven, met General
Electric voorop. Die bedrijven kozen voor een eigen R&D-laboratorium. In
het begin nam het management een afwachtende houding aan in de
veronderstelling dat men een broedende kip met gouden eieren niet moet
storen. Later ging men ertoe over de R&D-activiteiten te onderscheiden in
enerzijds het fundamenteel-strategisch onderzoek (technology push) en
anderzijds het toepassingsgericht ontwikkelingswerk met het oog op de
directe behoeften van de business units (market pull). De verschillende
soorten activiteiten werden ook organisatorisch gescheiden. Dezelfde
ontwikkeling is ook te zien bij de bedrijven die niet, zoals bij General
Electric in het verleden, gestart zijn met eigen R&D-laboratoria, maar die
begonnen zijn met toepassingsgericht ontwikkelingswerk waarbij in de loop
van de tijd de ambitie zich heeft gevoegd te komen tot een eigen
technologie-ontwikkeling. Ook daar ziet men dat bij een substantiële
omvang de verschillende activiteiten worden opgesplitst.
      Zoals gezegd, de ontwikkeling is gegaan in een opsplitsing van de R&D-         .... verschillen tussen die
activiteiten in eenheden met een technology push karakter en eenheden                groepen zit in focus en
met een market pull karakter. De technology push eenheden hebben tot                 tijdhorizon
taak nieuwe technologieën te ontwikkelen, los van de huidige behoeften
van de business units. De market pull eenheden hebben tot taak hun
technologische kennis en expertise in te zetten ten behoeve van de bestaande
behoeften van de business units. Natuurlijk, eerstgenoemde instituten
hebben bij het ontwikkelen van nieuwe technologieën uiteindelijk ook
commerciële exploitatie op het oog, en laatstgenoemde instituten doen ook
aan technologie-ontwikkeling. De verschillen zitten echter in focus en tijdho-
rizon. Bij de technology push eenheden is de focus op het ontwikkelen van
nieuwe technologieën; of en wanneer commerciële exploitatie mogelijk is, is
niet vooraf te zeggen. Bij de market pull eenheden is de focus gericht op het
ondersteunen van de business units met kennis en expertise; veelal gaat het
om toegepast onderzoek en ontwikkelingswerk met een beperkte tijdhorizon
wat betreft de commercialisering.
      De organisatorische scheiding is aangebracht omdat de onderscheiden            .... en in de onderzoekcultuur
activiteiten verschillende onderzoekculturen en verschillende attitudes van
de daar werkzame mensen vereisen. De ervaring heeft geleerd dat als de
onderscheiden activiteiten zijn samengevoegd in één eenheid, één van die
activiteiten niet goed uit verf kan komen. Het verschil zit niet alleen in de
instelling van de onderzoeker, die kan zich in de loop van de tijd wijzigen;
                                                              A W T - A D V I E S 3 2                            19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                                er zijn veel onderzoekers die meegroeien met een ontwikkeling van een
                                door hen ontwikkelde technologie. Het verschil steekt dieper en heeft te
                                maken met de onderzoekcultuur in een organisatie. In het ene geval is de
                                cultuur - met de daarbij behorende attitudes van onderzoekers, de
                                waardering en beoordeling - een gedrevenheid om een nieuwe technologie
                                te ontwikkelen die te zijner tijd commercieel te exploiteren is. In het andere
                                geval is de cultuur een dienende en moeten de onderzoekers zich inleven in
                                en de taal spreken van de in de markt opererende business units; daar
                                worden ze uiteindelijk op afgerekend. Een instituut dat beide taken heeft,
                                zal òf worden gedomineerd door de marktcultuur, en bijgevolg de
                                technologie push verwaarlozen, òf het zal worden gedomineerd door de
                                technologie push cultuur en bijgevolg niet goed kunnen inspelen op de
                                behoeften van de business units. De praktijk heeft geleerd dat een instituut
                                heel moeilijk beide culturen tegelijkertijd kan koesteren.
        de interactie tussen de Uiteraard wordt voortdurend gezocht naar goede mogelijkheden van
    groepen gebeurt op basis    interactie tussen de onderscheiden R&D-groepen. Zoals benadrukt, de
                        van het oplossing wordt niet gezocht in het op één hoop gooien van de
 customer/contractor-principe   verschillende activiteiten, maar in het uitbaten van de verschillen. De
                                zoektocht gaat in de richting van het zogenoemde customer/contractor-prin-
                                cipe. Onder erkenning van de verschillen tussen beide soorten
                                activiteiten worden afspraken gemaakt over beïnvloeding over en weer. Dit
                                gaat soms wel, soms niet gepaard met financiële ondersteuning over en
                                weer; soms co-financiert de ene groep een project bij een andere groep,
                                soms beperkt het zich tot samenspraak. In de praktijk betekent dit meestal
                                dat een groep binnen de R&D-organisatie van een (groot) bedrijf een klein
                                deel van het budget vrij te besteden heeft en dat het overgrote deel van de
                                activiteiten mede wordt gestuurd door potentiële afnemers van de
                                resultaten, waarbij, afhankelijk van de aard van het project, ook
                                medefinanciering door die anderen plaatsvindt. De situatie is uiteraard niet
                                statisch. Omstandigheden en mogelijkheden wisselen voortdurend. Dit
                                noodzaakt tot steeds nieuwe herrangschikkingen, soms op ad hoc basis
                                (tijdelijke task forces bestaande uit mensen met verschillende thuisbases),
                                soms structureel (opsplitsingen of fuseringen van R&D-eenheden). Het blijft
                                evenwel essentieel, zo leert de ervaring, om de technology push en market
                                pull eenheden in structureel-organisatorische zin gescheiden te houden.
                                Consequenties voor de gtis
       een gti moet zich òf als Op een vergelijkbare wijze moet, zo meent de Raad, ook een duidelijke
 taak- òf als marktorganisatie  positie worden gekozen voor een gti. Een gti moet zich positioneren, òf als
                   positioneren een instituut dat op zijn terrein nieuwe kennis en technologie ontwikkelt
                                (technology push), òf als een instituut dat als opdracht heeft om zoveel als
                                mogelijk op basis van bestaande kennis, in te spelen op de behoeften van
                                zijn afnemers (market pull). Gebruikmakend van de terminologie van de
                                commissie-Cohen10, zou de Raad in het eerste geval een gti willen
                                karakteriseren als een taakorganisatie, in het tweede geval als een
                                marktorganisatie.
                                10 zie voetnoot 5.
20                              A W T - A D V I E S   3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>      Uiteraard is het onderscheid niet zwart-wit en zijn de demarcatielijnen         als taakorganisatie heeft een
niet scherp te trekken. Een keuze voor een gti als taakorganisatie - met als          gti de taak om nieuwe kennis
taak het ontwikkelen van nieuwe kennis en technologieën - wil niet zeggen             en technologie te ontwikkelen
dat zon instituut geen rekening moet houden met (mogelijke) gebruikers.
Het doel is uiteraard om een technologie te ontwikkelen die te zijner tijd
ook daadwerkelijk voor de marktpartijen relevant is - het gaat niet om lart
pour lart - en het is mede hierom dat de (potentiele) marktpartijen invloed
moeten kunnen hebben op de activiteiten. Dit kan zeer wel betekenen dat
naast de overheid ook het bedrijfsleven financieel participeert in de kennis-
en technologie-ontwikkeling bij het instituut.
      Een keuze voor een gti als marktorganisatie wil niet zeggen dat zon            als marktorganisatie heeft een
instituut geen eigen technologie-ontwikkeling kan doen. Zon gti moet in              gti de opdracht om in te
staat zijn om ook in de toekomst zijn markt op adequate wijze te bedienen.            spelen op de behoeften van
Daartoe moet zon instituut de gelegenheid hebben zich op zijn                        zijn afnemers
kennisgebied te ontwikkelen om zodoende ook klaar te staan voor de
vragen van morgen (technology readiness). Het verschil zit in focus en
drijfveer van de onderzoekers en als gevolg daarvan de onderzoekcultuur;
in het ene geval is de focus het ontwikkelen van nieuwe kennis en
technologieën, in het andere geval is de focus het inspelen op de
bestaande behoeften van een klantenkring. In de praktijk zal dit, in grove
termen gesproken, betekenen dat de verdeling in activiteiten tussen eigen
technologie-ontwikkeling en inspelen op de bestaande behoeften van de
klanten voor het ene instituut 80%-20% is en voor het andere 20%-80%.
Zoals gezegd, de situatie is niet zwart-wit, maar de combinatie van beide
culturen in één instituut op een gelijkwaardige basis blijkt in de praktijk niet
goed te kunnen werken. Een keuze is nodig, omdat anders de ene of de
andere functie niet goed uit de verf kan komen.
Het is denkbaar dat een gti met een dubbele missie zich opsplitst in twee             gti kan taak- en
eenheden: een eenheid met een technology push cultuur en één met een                  marktactiviteiten apart
market pull cultuur. De vraag is of dit vanuit macro-oogpunt een efficiënte           organiseren; maar is dat
oplossing is. Een technology push instituut kan in vergelijking met een               efficiënt?
market pull instituut in het algemeen volstaan met een beperkter scala aan
kennis en expertise. Bij een technology push instituut gaat het in eerste
instantie om het ontwikkelen van een technologie - kan het wel? - en ligt
bijgevolg het accent in sterke mate op technische expertises. Een market
pull instituut zal zich in hoofdzaak laten leiden door de implementatiemoge-
lijkheden in de markt - wat wil de afnemer? - hetgeen naast technische kennis
en kunde, ook kennis van en inzicht in de afnemer vereist; de onderzoekers
moeten zich inleven in de klant met inbegrip van alle aspecten die aan com-
merciële implementatie verbonden zijn, zoals productietechnische aspecten,
vormgeving, economische-, veiligheids- en milieuaspecten e.d. De Raad acht
het algemeen gesproken niet efficiënt dat iedere gti afzonderlijk deze brede
kennis en expertise in huis haalt. Zijns inziens is dan ook de vraag aan de orde
of de market pull activiteiten niet beter aan derden kunnen worden overgela-
ten, waarbij dan onder andere TNO in beeld komt. De Raad gaat hierop verder
in in paragraaf 3.4.
                                                               A W T - A D V I E S 3 2                           21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                                 Kennistransfer
                                 Als vanuit effectiviteits- en efficiency-overwegingen een cesuur bij gtis
                                 wenselijk is tussen taakorganisaties en marktorganisaties, is vervolgens de
                                 vraag aan de orde hoe de kennistransfer naar de gebruiker - het uiteindelijke
                                 doel van alle onderzoekactiviteiten van de gtis - het beste kan verlopen.
      voor marktorganisaties is        Voor de gtis die zich als marktorganisatie positioneren, vormt
   kennistransfer naar de klant  kennistransfer het hart van hun activiteiten. Zij hebben de opdracht om
    het hart van de activiteiten direct voor de markt te werken. Het is hun missie zoveel als mogelijk
                                 contractonderzoek te verrichten, uiteraard binnen randvoorwaarden die
                                 oneigenlijke concurrentie met private partijen moet verhinderen; de Raad
                                 gaat hierop nader in in paragraaf 3.4. De voeding krijgt zon instituut
                                 maar in beperkte mate van de eigen technologie-ontwikkeling, maar zal met
                                 name moeten plaatsvinden door mobiliteit onder de medewerkers en het
                                 aangaan van samenwerkingsrelaties met fundamenteel-strategische
                                 onderzoekinstituten als de universiteiten en de andere gtis.
          voor taakorganisaties        Voor de gtis die zich als taakorganisatie positioneren ligt dit anders.
 geschiedt kennistransfer door   Deze instituten hebben tot taak om op hun terrein onderzoek te doen
    samenwerkingsrelaties met    teneinde nieuwe kennis en technologieën te ontwikkelen. Bedoelde
           organisaties die van  instituten moeten in de ogen van de Raad niet de commerciële weg op in
 'vermarkten' verstand hebben    die zin dat deze instituten hun kennis en expertise inzetten om te proberen
                                 op de commerciële marktvragen in te spelen. De kennistransfer zal met
                                 name moeten plaatsvinden door samenwerkingsrelaties aan te gaan met
                                 organisaties die zich hebben gespecialiseerd in het vermarkten van kennis
                                 en technologieën; dit kunnen private partijen zijn, waaronder met name de
                                 ingenieursbureaus, maar ook de gtis die zich als marktorganisatie
                                 gepositioneerd hebben. Als bij de gtis die zich als taakorganisatie hebben
                                 gepositioneerd, kennis of technologie zodanig is ontwikkeld dat ze
                                 marktrijp is, dan moeten de daaraan verbonden activiteiten in principe
                                 worden afgestoten. Dit kan op allerlei manieren en is afhankelijk van de
                                 concrete situatie. Het is denkbaar dat de activiteit wordt afgesplitst en als
                                 zelfstandige commerciële eenheid wordt voortgezet. Het kan ook zinvol zijn
                                 die commerciële activiteit over te dragen aan een instituut met een
                                 marktgedreven missie. Veelal zal afsplitsing van een commerciële activiteit
                                 tevens betekenen dat mensen mee verhuizen, omdat kennis toch vooral
                                 zit in de hoofden van mensen. Een dergelijke ontwikkeling is vergelijkbaar
                                 met wat ook in het grote bedrijfsleven met enige regelmaat zichtbaar is: de
                                 researchers in de bedrijfslaboratoria die aan de basis hebben gestaan van
                                 een technologie die in de toepassingsfase komt, verhuizen vaak met hun
                                 technologie mee in de toegepaste richting binnen (of buiten) het bedrijf.
                                 Nogmaals, de situatie is niet zwart-wit en ook niet statisch. Voortdurend
                                 vinden ontwikkelingen plaats die nopen tot heroriëntaties, opsplitsingen,
                                 nieuwe samenwerkingsverbanden en dergelijke. Het is in de ogen van de
                                 Raad wel essentieel dat de verschillen tussen taak- en marktorganisaties
                                 niet worden verdoezeld.
                                 Conclusie
                        kortom   De Raad meent dat de gtis een duidelijke positie in de kennisketen moeten
             òf taakorganisatie, innemen, waarbij overigens de positie voor de afzonderlijke gtis kan
            òf marktorganisatie  verschillen. Zijns inziens moet een keuze worden gemaakt: òf een gti
                                 positioneert zich als een instituut dat primair is gericht op het ontwikkelen
22                               A W T - A D V I E S  3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>van nieuwe kennis en technologie en die marktrijp te maken (gti als
taakorganisatie), òf het positioneert zich als een instituut dat er primair op
is gericht in te spelen op de problemen van zijn afnemers (bedrijfsleven en
overheid). De onderscheiden activiteiten vereisen andere mensen en andere
culturen. Natuurlijk is in de praktijk de situatie niet zwart-wit. Maar de Raad
meent wel dat het leidmotief voor een instituut het één of het ander moet
zijn. Proberen beide culturen tegelijk te verenigen in één instituut, blijkt in
de praktijk niet goed te kunnen werken.
                               De     financiële            betrokkenheid
De missies van de instituten zijn vastgelegd in overleg met de overheid. De
instituten krijgen daarmee een bepaalde taak mee. De overheid verstrekt
                                                                                           van     de
                                                                                                     3.3 overheid
                                                                                       de overheid wil wat van
ten behoeve van die taak een subsidie. De subsidie kan betrekking hebben               de instituten
op de taak op bepaalde gebieden nieuwe kennis en technologieën te
ontwikkelen. In het kader van de gtis gaat het hier dan m.n. om gebieden
die de overheid beschouwt als onderwerpen van staatszorg. De subsidie
kan ook zijn bedoeld om een instituut in staat te stellen adequaat op
marktbehoeften in te spelen. Het gaat dan in het algemeen om de
financiering van het achtergrondonderzoek en om de aanschaf en het
onderhoud van grote onderzoekfaciliteiten. In alle gevallen zal de subsidie-
omvang voldoende moeten zijn om de opgedragen taak ook waar te kunnen
maken.
      De Raad constateert dat dit in de praktijk niet altijd het geval is. De          .... dan zal ze er ook voor
overheid geeft de instituten wel een taak mee, maar door onvoldoende                   moeten betalen
financiering dwingt ze de desbetreffende instituten in feite een deel van
de financiering van dit onderzoek en de kosten van bijbehorende faciliteiten
elders te vinden. In theorie lijkt het mooi: wat is er tegen als anderen
meebetalen? In de praktijk blijkt dit evenwel vaak verkeerd uit te werken.
Door de noodzaak zoveel als mogelijk geld op de commerciële markt binnen               .... anders graaft het
te halen ontstaan de problemen zoals aangeduid in het voorgaande                       gti-stelsel zijn eigen graf
hoofdstuk: oneigenlijke concurrentie met andere partijen (private
ondernemingen, onderling en met TNO), het wegdrijven van het instituut
van het funderende onderzoek waartoe het instituut was opgericht, en de
afnemende bereidheid om de met publieke middelen opgebouwde kennis
met anderen te delen. Deze ontwikkelingen ondermijnen de eigenlijke
doelstelling van bedoelde instituten en bijgevolg op termijn hun
bestaansrecht.
Conclusie
De Raad is van mening dat het een illusie is dat de overheid de financiële             financiering overheidswensen
lasten van haar wensen op derden kan afwentelen. Uiteindelijk geldt ook                niet afwentelen op derden
voor een gti: wie betaalt, bepaalt. En de markt zal niet betalen als ze niet
ook bepaalt. Als de overheid vindt dat bepaalde onderzoekactiviteiten,
expertise en faciliteiten nodig zijn, dan zal ze voldoende middelen
beschikbaar moeten stellen om die in stand te houden.
                                                                A W T - A D V I E S 3 2                            23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>3.4
Het    beoordelingskader
                                  De overheid moet helder maken op basis van welke criteria de instituten
                                  zullen worden beoordeeld als de vraag speelt naar de continuering van de
    de overheid moet duidelijk
maken waarop ze de instituten     subsidieverstrekking. De belangrijkste criteria zijn in de ogen van de Raad:
                     beoordeelt - effectiviteit: bereikt het instituut de gestelde doelen en dragen alle
                                  activiteiten daaraan bij;
                                - efficiency: naast de vraag naar de instituutsinterne efficiency - die buiten de
                                  kaders van dit advies valt - is hier vanuit macro-oogpunt de vraag relevant of
                                  de doelstellingen van het instituut wellicht niet efficiënter te bereiken zijn
                                  door nauwe(re) samenwerking of fusies met andere instituten;
                                - internationaal: in hoeverre wordt optimaal gebruik gemaakt van internationale
                                  c.q. Europese samenwerking.
                                  De Raad heeft hiervoor gepleit voor een onderscheid tussen een gti als
                                  taakorganisatie en als marktorganisatie. Hij zal elk van deze criteria nader
                                  toelichten voor beide soorten instituten.
                                  3.4.1 Effectiviteit
 voor gti als marktorganisatie    Centraal staat hier de vraag of het instituut zijn doelstelling ook waarmaakt.
  subsidie afhankelijk van het    Bij een gti dat zich als marktorganisatie positioneert, is de effectiviteitsvraag in
           succes op de markt     principe relatief eenvoudig te beantwoorden: het gaat daar uiteindelijk om de
                                  vraag of het instituut in de praktijk ook voldoende contractresearch vanuit de
                                  markt (overheid en bedrijfsleven) weet te verwerven. Voorzover de instituten
                                  subsidie nodig hebben om blijvend op de markt (overheid en bedrijfsleven) te
                                  opereren, moet niet de overheid als subsidiënt het primaat hebben bij de rich-
                                  tingbepaling van het onderzoek, maar de (commerciële) markt. De verant-
                                  woordelijkheid voor de besteding van de missiesubsidie ligt in de ogen van de
                                  Raad in eerste instantie bij het instituut zelf. Subsidiëring van een instituut
                                  moet afhankelijk worden gesteld van de mate waarin dat instituut met succes
                                  op zijn markt opereert. Het desbetreffende instituut moet in zijn aan de over-
                                  heid te presenteren strategische plan wel aangeven hoe het de subsidie wil
                                  besteden en welke doeleinden het daarmee te zijner tijd in de markt wil
                                  bereiken. De instituten kunnen dan ook later op deze doeleinden worden
                                  afgerekend.
                                         De Raad constateert dat bij de gtis deze of een soortgelijke wijze van
                                  verantwoording zeker nog geen gemeengoed is.
   voor gti als taakorganisatie   Bij de gtis die zich als taakorganisatie positioneren, ligt dit anders. Voor deze
   moet de overheid aangeven      instituten is de doelstelling onderzoek doen teneinde nieuwe kennis en
        welk onderzoek ze wil     technologieën te ontwikkelen en marktrijp te maken. Soms lukt dat, soms
                    financieren   niet. Het is vaak een zaak van lange adem, van grote onzekerheid en/of van
                                  relatief zulke grote investeringen dat op grond van bedrijfseconomische
                                  overwegingen geen (volledige) financiering vanuit de markt kan worden
                                  verwacht. Het is de overheid die, vanuit haar eigen lange-termijnverantwoor-
                                  delijkheid en gehoord hebbende de signalen van de
                                  potentiële doelgroepen van dit onderzoek, uiteindelijk moet beslissen welk
24                                A W T - A D V I E S     3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>  soort onderzoek voor subsidie in aanmerking komt en wat de doelstellingen
  zijn.
         De overheid moet uiteraard periodiek beoordelen in hoeverre                   .... en is periodieke
  continuering van de subsidie wenselijk is. Het kan zijn dat de doelstellingen        beoordeling nodig
  niet (kunnen) worden gehaald en dat het onderzoek dientengevolge moet
  worden stopgezet; het is ook mogelijk dat het onderzoek voldoende markt-
  rijp is en elders kan worden voortgezet op basis van financiering door de
  feitelijke afnemers.
         De Raad constateert dat in veel gevallen deze afwegingen niet helder en
  tijdig worden gemaakt. Het gevolg is dat - het ene uiterste - onderzoek
  soms te lang wordt voortgezet of dat - het andere uiterste - het onderzoek
  volledig marktrijp is en dat oneigenlijke concurrentie ontstaat met private
  partijen.
  3.4.2 Efficiëntie
  Vanuit efficiëntie-oogpunt staat de vraag centraal of de doelstelling van
  een instituut niet efficiënter kan worden bereikt bij een nauwere
  samenwerking of wellicht fusie met andere instituten in de
  kennisinfrastructuur.
  De Raad meent dat de instituten die zich als taakorganisatie positioneren -          een gti als taakorganisatie
  de instituten die kennis- en technologie-ontwikkeling tot hoofdtaak hebben           moet heel dicht tegen
  - in principe heel dicht tegen de universiteiten moeten aanleunen, waarbij           universiteiten aanleunen
  structurele samenwerking en fusie tot de reële opties moeten behoren. Als
  de instituten hun continuïteit niet op de commerciële markt behoeven te
  bevechten, dan ontstaan ook betere mogelijkheden tot samenwerking. De
  samenwerking behoeft zich niet te beperken tot het onderzoek, maar kan
  zich ook uitstrekken op het gebied van de opleiding. De instituten bieden
  met name op technisch gebied hiervoor een goede basis.
         De Raad constateert dat de hier genoemde opties, van structurele
  samenwerking en mogelijk fusie, nog niet bij alle partijen echt goed
  bespreekbaar zijn. Hij komt hier later in dit advies nog op terug.
  Voor de instituten die zich als marktorganisatie positioneren - de instituten        een gti als marktorganisatie
  die tot taak hebben in te spelen op bestaande marktbehoeften - dringt zich           onderbrengen bij TNO?
  bij uitstek de vraag op naar de relatie met TNO. De Raad ziet geen
  principieel onderscheid tussen dit soort gtis en vele TNO-instituten.
  Immers TNO, met uitzondering van de defensiepoot, heeft tot taak in te
  spelen op de vragen van de markt en met zijn kennis en kunde klaar te
  staan (technology readiness). Het is in de ogen van de Raad een kwestie
  van efficiëntie hoe de hier bedoelde gtis zich moeten verhouden tot elkaar
  en tot TNO. Er zijn in zijn ogen in principe sterke argumenten om die
  instituten bij TNO onder te brengen:
- de instituten zoeken, terecht, voortdurend naar nieuwe markten en proberen
  daarbij goed in te spelen op de vragen die in toenemende mate een multidis-
  ciplinair karakter krijgen. Die verbredingen hebben tot consequentie dat de
  instituten elkaar in toenemende mate op de markt tegenkomen; onderbren-
  ging in een koepel maakt het aanmerkelijk eenvoudiger om tot samenwerking
                                                                A W T - A D V I E S 3 2                            25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                                en eventueel herrangschikking te komen;
                              - de flexibiliteit van nauwe instituten om nieuwe markten te betreden, is
                                beperkt. Nieuwe markten vereisen andere dan de traditionele expertises; die
                                nieuwe expertise moet worden opgebouwd en soms moet oude expertise wor-
                                den afgebouwd. Binnen een brede koepel is het veelal eenvoudiger de beno-
                                digde expertise te mobiliseren en kan oude expertise vaak gemakkelijker
                                elders worden ingezet;
                              - nauwe instituten zijn kwetsbaar; als de markt even tegenzit, is Leiden in
                                last. Onderbrenging bij een bredere koepel geeft een vangnet en financiële
                                ruimte voor eventuele heroriëntaties;
                              - de basisfaciliteiten van de instituten convergeren; fysieke modellen gaven de
                                instituten in het verleden een eigenheid, maar, nu in toenemende mate simu-
                                latiemodellen de plaats innemen van fysieke modellen, lopen de benodigde
                                expertises steeds meer parallel;
                              - onderbrenging bij TNO betekent dat de overheid zich niet meer expliciet
                                behoeft bezig te houden met de vraag of voor een specifieke markt onderzoek-
                                subsidie nodig is; dit is in feite ook een oneigenlijke taak van de overheid
                                voorzover het niet om onderwerpen van staatszorg gaat. Het is dan in eerste
                                instantie aan TNO om de subsidiemiddelen in te zetten ten behoeve van door
                                TNO verwachte nieuwe markten.
                                Onderbrenging van instituten bij TNO heeft als voorwaarde een efficiënt
                                georganiseerd TNO: de TNO als een koepel, een soort holding, met de
                                afzonderlijke instituten als business units. De business units moeten een
                                grote mate van zelfstandigheid hebben om adequaat op de
                                marktontwikkelingen te kunnen inspelen. De TNO-koepel spreekt met de
                                instituten taken af, rekent de instituten af op hun resultaten, en kan, waar
                                nodig, tot een gewijzigde ordening van taken en middelen komen tussen de
                                business units. TNO ontwikkelt zich duidelijk ook in deze richting.
                                        De Raad constateert dat de optie om instituten onder de TNO-koepel te
                                brengen, niet bij alle betrokkenen goed bespreekbaar is. In sommige
                                gevallen kan zon optie evenwel een duidelijke meerwaarde bieden. De
                                Raad komt hier later in dit advies nog op terug.
                                Onderbrenging van instituten bij TNO kan uit efficiëntie-overwegingen
                                aanbevelenswaardig zijn, maar het lost niet het probleem op van
                                oneigenlijke concurrentie met private partijen. Dat vraagstuk blijft van
                                belang, ongeacht welke optie gekozen wordt; het speelt in feite voor alle
                                door de overheid gesubsidieerde instituten die de markt op gaan, inclusief
                                TNO. De Commissie-Cohen heeft in een breder verband dit vraagstuk ook
                                aangekaart. In het voorafgaande is de Raad hierop nader ingegaan wat
                                betreft de instituten die zich als taakorganisatie positioneren; in zijn ogen
                                kunnen deze instituten alleen onder strikte voorwaarden de commerciële
 een gti als marktorganisatie   markt betreden. Voor de instituten die zich als marktorganisatie
        moet de markt op ....   positioneren, ligt dat uiteraard anders; zij worden geacht de commerciële
                                markt te betreden. De vraag is wel onder welke voorwaarden. De Raad is
                                hierop nader ingegaan in zijn advies over de relatie overheid-TNO11.
                                11 Advies over de relatie overheid-TNO, AWT-advies no. 21. Den Haag, april 1995.
26                              A W T - A D V I E S            3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Hij heeft daar als stellingname gekozen dat bij voorkeur de subsidiëring van                                .... zo'n instituut moet wel
onderzoek moet plaatsvinden via de vraagzijde c.q. de doelgroep van dit                                     aangeven wat er met de
type onderzoek; de vraagzijde kan dan zelf bepalen waar ze het onderzoek                                    subsidie gebeurt en wat de
het beste kan uitbesteden. In bepaalde gevallen kunnen er kennisgebieden                                    doelstellingen daarbij zijn
zijn die in de toekomst kansen lijken te bieden voor delen van het
Nederlandse bedrijfsleven, maar waarvoor nog geen concrete vraag naar
onderzoek bestaat. In zulke gevallen zijn er argumenten voor enige
aanbodfinanciering om kennisinstellingen in staat te stellen op te
verwachten vragen te anticiperen. De Raad stelde daartoe voor dat TNO in
het periodiek uit te brengen strategisch plan op hoofdlijnen aangeeft
waarvoor de organisatie de basisfinanciering wil benutten, waarbij duidelijk                                .... dit geeft de overheid de
is welke specifieke doelstellingen worden beoogd en hoeveel middelen                                        mogelijkheid de gti's hierop te
daarmee gemoeid zijn. Op deze wijze is het voor de overheid mogelijk de                                     beoordelen
positie van TNO duidelijker te markeren ten opzichte van andere
onderzoekinstituten, alsook TNO later op die doelstellingen af te rekenen.
Tevens geeft dit andere partijen, waaronder de private partijen, inzicht in
welke activiteiten met subsidie worden opgepakt, zodat zij aan de bel                                       .... en stelt de private sector
kunnen trekken als er in hun ogen sprake is van oneerlijke concurrentie.                                    in staat om aan de bel te
 De Raad constateert dat de strategische plannen van de gtis aan derden                                    trekken bij oneigenlijk
nog niet het inzicht bieden zoals hiervoor bepleit.                                                         subsidie-gebruik
3.4.3 Internationaal
Voor de instituten die zich als taakorganisatie positioneren, moet, in de ogen                              voor gti's als taakorganisatie
van de Raad, de hoofdoriëntatie liggen op het door de overheid voor eigen                                   zijn vergaande vormen van
beleidsverantwoordelijkheden gewenste funderende en strategische onder-                                     samenwerking en
zoek en expertise, dus op onderwerpen van staatszorg. Hij ziet anders geen                                  taakverdeling tussen landen
rechtvaardiging voor een overheidssubsidie. Dit impliceert dat de commercië-                                mogelijk
le belangen in het algemeen (nog) niet groot zijn. Immers, waarom zou de
overheid het onderzoek anders moeten subsidieren? Dit betekent dat in prin-
cipe vergaande vormen van samenwerking en taakverdeling tussen landen
mogelijk moeten zijn. Het blijkt dat dit nog maar in zeer beperkte mate
gebeurt; landen willen toch vaak een eigen instituut. De problemen zijn hier
met name van politieke aard. De Raad heeft in het voorgaande aanbevolen dat
de overheid duidelijk zijn behoefte aan funderend en strategisch onderzoek
expliciteert. Hij is van mening dat, bij de keuze van de institutionele onder-
brenging van het onderzoek, de overheid zich expliciet moet oriënteren op de
mogelijkheden van samenwerking met andere landen. Dit kan betekenen dat
dure faciliteiten gezamenlijk worden gebruikt, maar ook dat gestreefd wordt
naar taakverdeling tussen de landen: niet iedereen hoeft alles in eigen land te
doen. De in de inleiding genoemde TNO/STB-studie laat zien dat overal in
Europa met onze gtis vergelijkbare instituten zijn en dat ook daar vragen
(gaan) spelen aangaande de financiering, zodat er een voedingsbodem is voor
samenwerking en taakverdeling. De tijd van supernationalisme - ieder land
wil zoveel als mogelijk alles zelf in huis hebben - is voorbij.
       In zijn advies over het Vijfde Kaderprogramma12 van de EU heeft de
12 Report of the Netherlands position on the Fifth Framework Programma of the EU, AWT-advies nr. 24. Den
Haag, april 1996.
                                                                                   A W T - A D V I E S   3 2                             27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>      .... er kan op dat punt veel  Raad gewezen op de mogelijkheden van Europese samenwerking bij onder-
              meer dan nu gebeurt   zoek op terreinen van staatszorg. Voor het instandhouden van een eigen
                                    kennisinfrastructuur zijn vaak goede gronden aanwezig. Lidstaten kunnen
                                    door hun geografische ligging, bodemgesteldheid, economische en sociale
                                    structuur of demografische opbouw zulke uiteenlopende vraagstukken
                                    hebben, dat samenwerking of taakverdeling op terreinen van onderzoek
                                    nauwelijks winst oplevert. Verder zijn er onderzoeksterreinen, zoals energie
                                    of meteorologie, die in de ene lidstaat tot de staatszorg behoren en in
                                    andere lidstaten zijn geprivatiseerd. Ook kunnen de culturele verschillen of
                                    de verschillen in instituties tussen de lidstaten rechtvaardigen dat er aparte
                                    op maat gesneden onderzoekvoorzieningen blijven bestaan. Echter, er zijn
                                    ook tal van vraagstukken die zo algemeen zijn dat culturele, institutionele
                                    of andere verschillen geen rol van betekenis spelen. Met name op de
                                    gebieden van staatszorg, zoals gezondheid, milieu en infrastructuur, zou
                                    een enorme efficiëntiewinst kunnen worden geboekt als de lidstaten wat
                                    betreft het onderzoek intensief zouden samenwerken en zelfs tot afspraken
                                    over taakverdeling zouden komen. Dit gebeurt nog veel te weinig.
  .... de overheid moet hier het           De Raad heeft niet geconstateerd dat bovenbedoelde efficiëntie-afwegin-
                  voortouw nemen    gen bij het beleid ten aanzien van de gtis een pregnante rol spelen.
                                    Hij meent evenwel dat een internationale invalshoek eerder regel moeten
                                    zijn dan uitzondering, omdat er langs die weg belangrijke besparingen zijn
                                    te behalen. Hij beseft dat zon aanbeveling gemakkelijker te verwoorden is
                                    dan uit te voeren. Maar hij constateert ook dat er altijd krachten zijn die de
                                    vraag naar internationale taakverdeling graag als subvraag en niet als
                                    hoofdvraag zien. Zo is het begrijpelijk dat bestaande instituten wel willen
                                    onderhandelen, maar bij voorkeur vanuit een sterke positie, lees: een brede,
                                    omvangrijke financiële ondersteuning van de nationale overheid. Vandaar
                                    dat de Raad de aanbevelingen hier nog met kracht wil neerzetten.
 een gti's als marktorganisatie     De instituten die zich als marktorganisatie positioneren zijn in de ogen van
   is zelf verantwoordelijk voor    de Raad in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor hun internationale
          zijn internationalisering samenwerking. Het internationaal gaan mag geen doel op zich zelf zijn. Het
                                    doel van deze door de Nederlandse overheid gesubsidieerde instituten is
                                    uiteindelijk toch de ondersteuning van Nederlandse marktpartijen. Het is
                                    primair aan de instituten zelf om te beoordelen of dit doel wordt gediend
                                    met activiteiten voor buitenlandse partijen. Zo is het bijvoorbeeld goed
                                    denkbaar dat een instituut van die buitenlandse markt zoveel sterker wordt,
                                    dat uiteindelijk de Nederlandse partijen beter kunnen worden bediend. Dit
                                    zal dan ook moeten blijken uit de mate waarin het instituut
de overheid toetst uiteindelijk     contractresearch van Nederlandse klanten weet te verwerven. Op dat punt
                 op relevantie voor moet de overheid de subsidiering van het instituut uiteindelijk ook
      Nederlandse marktpartijen     beoordelen.
                                           De Raad heeft niet geconstateerd dat van overheidszijde de hier
                                    aangeroerde problematiek een expliciet punt van aandacht is.
                                    3.4.4 Conclusie
                                    De Raad is van mening dat het beoordelingskader van de overheid voor de
                                    gtis onvoldoende is geëxpliciteerd. Het gevolg is dat toetsing van de
28                                  A W T - A D V I E S  3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>  werkzaamheden van de instituten op basis van effectiviteits- en                         beoordelingskader overheid
  efficiëntievragen onvoldoende plaatsvindt. De Raad heeft geconstateerd                  voor gti's onvoldoende
  dat dientengevolge:                                                                     geëxpliciteerd
- grote, technologiegedreven onderzoekprogrammas niet adequaat worden
  beoordeeld met het oog op hun oorspronkelijke doelstellingen, met als gevaar
  een te automatische continuering van programmas;
- instituten soms activiteiten ontplooien die leiden tot oneigenlijke concurren-
  tie met private marktpartijen die geen subsidie ontvangen;
- de mogelijkheden van structurele samenwerking of wellicht fusie van een gti
  met andere instellingen in de kennisinfrastructuur onvoldoende worden
  benut;
- met name voor de instituten die als hoofdtaak hebben funderend en strate-
  gisch onderzoek te doen op onderwerpen van staatszorg, de mogelijkheden
  van internationale samenwerking en taakverdeling onvoldoende worden
  benut.
  De Raad meent dat de overheid een duidelijk geëxpliciteerd
  beoordelingskader voor de instituten moet formuleren. Dit kader zal
                                                                                                      3.5Conclusie
  verschillend moeten zijn voor de twee soorten instituten die de Raad
  hiervoor heeft onderscheiden.
  Voor de gtis die zich als marktorganisatie positioneren, is het finale
  toetsingscriterium de mate waarin die instituten erin slagen om opdrachten
  van Nederlandse marktpartijen te verwerven. De ervaring in de markt (van
  overheid en bedrijfsleven) leert dat op vele gebieden zon missie zonder
  subsidie niet adequaat is te volbrengen. De marktpartijen blijken in het
  algemeen namelijk niet bereid c.q. in staat om de voor die missie benodigde
  basiscondities (technology readiness) te betalen. Vanuit macro-perspectief
  is het echter wel van belang dat de kennisinfrastructuur zodanig is
  toegerust dat de markt op een adequate wijze kan worden bediend. Dat
  geeft de rechtvaardiging voor overheidssubsidie voor achtergrondonderzoek
  en de beschikbaarheid van (grote) onderzoekfaciliteiten. De subsidie moet
  voldoende zijn om de opgedragen taak ook naar behoren te kunnen
  vervullen. De verantwoordelijkheid voor de besteding van deze subsidie
  (missiesubsidie) ligt in eerste instantie bij de instituten zelf. Het instituut
  moet in zijn aan de overheid te presenteren strategische plan wel aangeven
  hoe het de subsidie wil besteden en welke doeleinden het daarmee te zijner
  tijd in de markt wil bereiken. De overheid kan en moet de instituten dan
  ook op deze doeleinden afrekenen. De overheid heeft daarbij de taak om op
  grond van efficiëntie-overwegingen te beoordelen of voor die
  missievervulling wel een zelfstandig instituut gewenst is. De Raad meent
  dat er in principe sterke argumenten zijn om de gtis die zich als
  marktorganisatie positioneren onder de TNO-koepel te brengen.
  Voor de gtis die zich als taakorganisatie positioneren is een andere
  invulling van het beoordelingskader gewenst. Deze instituten hebben tot
  taak om op specifieke gebieden nieuwe kennis en technologieën te
                                                                   A W T - A D V I E S 3 2                         29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   ontwikkelen en zo mogelijk marktrijp te maken. In de ogen van de Raad is
   overheidssubsidie in deze zin alleen te rechtvaardigen als het gebieden
   betreft die expliciet onderwerpen van staatszorg zijn. Het primaat voor het
   onderzoekprogramma van deze instituten moet bij de overheid liggen. De
   overheid moet aangeven wat ze wil, welk soort onderzoek voor subsidie in
   aanmerking komt, wat de doelstellingen zijn en onder welke condities
   derden hiervan mogen profiteren. Periodieke beoordeling van de subsidies
   op genoemde aspecten is uiteraard nodig. Als de overheid iets wil, dan zal
   ze er ook voor moeten betalen. Bij de keuze van de overheid om op
   specifieke gebieden voor kennis- en technologie-ontwikkeling te
   subsidiëren, moet expliciet worden meegenomen in hoeverre internationale
   samenwerking of taakverdeling mogelijk is. De Raad meent dat bij voorkeur
   het hier bedoelde onderzoek moet plaatsvinden in nauwe samenwerking
   met c.q. binnen de universiteiten.
30 A W T - A D V I E S   3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>        Overheidsbeleid ten aanzien
                  van de afzonderlijke gti’s
In de inleiding heeft de Raad opgemerkt dat de vragen van de ministers
betreffende de gtis niet nieuw zijn. Na tien jaar is er aan de gti-problematiek
                                                                                        4
niet veel veranderd.
      Uit de signalen vanuit de doelgroepen van de gtis heeft de Raad de
conclusie getrokken dat er serieuze problemen zijn rond het functioneren
van de gtis. Hij dringt er bij de overheid, i.c. de Ministers van EZ , VenW
en OCenW, op aan dat beslissingen worden genomen over de punten zoals
aangereikt in dit advies. In het voorgaande hoofdstuk heeft de Raad in
algemene zin observaties gedaan over de situatie rond de gtis en het
overheidsbeleid terzake. Die observaties zijn niet alle in gelijke mate van
toepassing op de afzonderlijke gtis; de situatie van iedere gti is
verschillend. De Raad wil op basis van zijn algemene visie, zoals hiervoor is
gegeven, een aantal observaties maken bij de situatie van elk van de hier
aan de orde zijnde instituten.
Huidige missie
                  Nationaal            Lucht-         en    Ruimtevaartlaboratorium
                                                                                        4.1
                                                                                          (NLR)
Het NLR heeft tot doel een deskundige en hoogwaardige bijdrage te leveren
aan activiteiten op het gebied van lucht- en ruimtevaart en aanverwante
gebieden.
Het NLR zal op onafhankelijke wijze diensten verlenen aan de
voorbereiding, uitvoering en control van het overheidsbeleid, aan het
bedrijfsleven en aan andere organisaties op het gebied waar het NLR
werkzaam is.
                                                                A W T - A D V I E S 3 2      31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>N a t i o n a a l  L u c h t - e n R u i m t e v a a r t l a b o r a t o r i u m ( N L R )
                                         Kerngetallen
                                         NLR; omzet naar herkomst middelen en werkgebied
                                         Bijdrage aan de sector
          NLR vervult cruciale rol       Het NLR werkt zowel voor de overheid als voor het bedrijfsleven. Binnen de
                  voor de overheid       overheidssector gaat het vooral om de Rijksluchtvaartdienst (RLD) en de
                                         Koninklijke Luchtmacht (Klu). De RLD heeft de kennisbasis, die voor het
                                         uitvoeren van haar taak nodig is, ondergebracht bij het NLR. Bij de Klu is
                                         geen sprake van een actieve uitplaatsing van de eigen kennisfunctie, zoals
                                         bij de RLD, maar ook de Klu valt voor zijn benodigde kennis terug op het
                                         NLR. De afnemers van het NLR ervaren het instituut als een echt technisch
                                         instituut; pogingen van het instituut om zich te verbreden naar sociale en
                                         meer beleidsmatige aspecten worden niet als succesvol gezien. Zowel voor
                                         de RLD als voor de Klu vervult het NLR dus een cruciale rol in de
                                         bedrijfsvoering en levert het NLR een bijdrage aan de verhoging van de
                                         kennisintensiteit van beide onderdelen van de overheid.
   eigen kennisontwikkeling bij          Voor de vliegtuigbouw is het NLR in de ogen van het desbetreffende
    NLR heeft nauwelijks geleid          bedrijfsleven nooit een belangrijke kennisbron geweest. Het gebied waarop
   tot belangrijke toepassingen          het NLR inhoudelijk een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de
               in de vliegtuigbouw       vliegtuigbouwsector is het berekenen van belastingen op constructies. Het
                                         eigen onderzoek en ontwikkelingswerk van het NLR heeft in het algemeen
                                         niet geleid tot voor de sector belangrijke, bruikbare toepassingen. Het NLR
32                                       A W T - A D V I E S      3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                                         N a t i o n a a l L u c h t - e n R u i m t e v a a r t l a b o r a t o r i u m ( N L R )
heeft in beperkte mate gefungeerd als faciliteit voor het uitvoeren van de
test- en technologie-ontwikkelingsplannen van het desbetreffende
bedrijfsleven. Recent heeft het NLR de testfaciliteiten van Fokker
overgenomen; samen met de certificeringsexpertise van het NLR
(beschikbaar ten behoeve van de RLD) is dit een potentiële sterkte.
Het NLR is ook van belang voor de luchtvaartsector, zowel op het gebied                    NLR heeft beschermde positie
van de tests en de certificering, alsook voor verkeersbegeleiding                          in de luchtvaartsector
(software). Dit is een sterk door de overheid gedomineerde markt, waar het
NLR een door de overheid beschermde positie heeft. Het is in de praktijk
moeilijk zo niet onmogelijk voor commerciële ingenieursbureaus om in deze
sector te penetreren. Kennistransfer naar die bureaus vindt niet plaats.
Voor de ruimtevaartsector speelt het NLR met name een belangrijke rol bij                  rol NLR voor ruimtevaartsector
de software-ontwikkeling voor dataverwerking, warmtehuishouding van                        belangrijk; NLR is breed, maar
satellieten, mathematische modellen en robotica. Het NLR is verder wel                     nergens uniek
breed in allerlei technische disciplines, maar, mede daardoor, ook nergens
uniek in. Dit in tegenstelling tot TNO/TPD en de SRON, die unieke en voor
de sector onmisbare kwaliteiten hebben in vakgebieden die aanvullend zijn
voor de sector. Door de druk bij het NLR naar meer marktactiviteiten
komen bedrijven het NLR nu ook wel eens tegen als concurrent, in plaats
van als subcontractor.
Conclusie
Veel van de onderzoekactiviteiten van het NLR zijn direct verbonden met de                 de overheid is, direct en
uitvoering van (semi-)overheidstaken, te weten de luchtvaartveiligheid                     indirect, de belangrijkste
(certificering en dergelijke) en de luchtverkeersbegeleiding. Daarnaast is het             speler voor het NLR
NLR actief op de gebieden vliegtuigbouw en ruimtevaart; dit zijn gebieden
die internationaal gekenmerkt worden door sterke overheidsbemoeienis. De
overheid is dus, direct of indirect, de voornaamste speler gelet op de aard
van de gebieden die het NLR bestrijkt.
       Deze sterke overheidsbetrokkenheid heeft voor het NLR tot recent toe                .... dit verschafte voor NLR een
een relatief stabiele omgeving opgeleverd. De markt op het gebied van de                   relatief stabiele omgeving
luchtvaartveiligheid en luchtverkeersbegeleiding is een sterk beschermde
markt. Voor de vliegtuigbouw was steeds, met het oog op het belang van
Fokker, een continue stroom van subsidies beschikbaar. Het
ruimtevaartbeleid van de overheid is de laatste decennia in hoge mate
gericht op participatie in ESA-verband (European Space Agency); het juste
retour principe binnen ESA zorgde voor een stabiele stroom van
onderzoekmiddelen
Het is zeer waarschijnlijk zo niet zeker dat de hiervoor beschreven situatie               .... maar dit gaat veranderen
drastisch zal veranderen. Op al de terreinen waarop het NLR actief is, zal
de verantwoordelijkheid van de overheid (verder) verschuiven van nationaal
naar internationaal niveau, en het op genoemde gebieden actieve                            vliegtuigbouw:
bedrijfsleven zal zich ook in toenemende mate in grotere eenheden                          NLR-activiteiten afhankelijk
concentreren.                                                                              van de mogelijkheden voor
       Deze ontwikkeling komt extra pregnant op ons land af nu Fokker als                  Nederland om te participeren
zelfscheppende vliegtuigbouwer is weggevallen. De mogelijkheden van het                    in Airbus
                                                                  A W T - A D V I E S   3 2                                  33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>E n e r g i e o n d e r z o e k C e n t r u m    N e d e r l a n d   ( E C N )
                                           NLR in de toekomst op het gebied van de vliegtuigbouw hangen sterk af
                                           van de bereidheid van de Nederlandse overheid om op dit gebied te blijven
                                           investeren. Het Kabinet heeft begin december jl. zijn voornemens daarover
                                           kenbaar gemaakt. Het Kabinet kiest voor een substantiële Nederlandse
                                           participatie in het Airbus-programma. Afhankelijk van de concrete invulling
                                           die wordt gekozen, moeten hieruit de consequenties worden getrokken
                                           voor de positie van het NLR.
ruimtevaartgebied: positie NLR                    Ook op het gebied van de ruimtevaart is in Europa veel in beweging. Het
   afhankelijk van ontwikkeling            Nederlandse ruimtevaartbeleid is in belangrijke mate gericht op
                            rond ESA       samenwerking binnen ESA-verband. De discussie in Europa over de
                                           toekomst van ESA noopt ons land tot een herbezinning op het te voeren
                                           ruimtevaartbeleid. De AWT hoopt hier met een voor medio 1998 voorzien
                                           advies over het ruimtevaartonderzoek een inhoudelijke bijdrage aan te
                                           leveren.
  voortbestaan NLR afhankelijk             Deze ontwikkelingen maken een concentratie van de onderzoekinfrastructuur
 van structurele samenwerking              op Europese schaal onvermijdelijk; een punt dat ook onlangs met kracht door
        c.q. taakverdeling tussen          het Duitse DLR (Deutsches Zentrum fr Luft-und Raumfahrt) naar voren is
      onderzoekinstituten in EU            gebracht13. Hierop te anticiperen door middel van een bewust beleid dat is
                                           gericht op structurele samenwerkingsverbanden, afstemming en verdeling
                                           van taken met buitenlandse instellingen, geeft het NLR de enige kans om op
                                           termijn op deze door de overheden (lees: grote landen) gedomineerde terrei-
                                           nen te overleven. De Ministers van EZ en VenW hebben hiervoor de primaire
                                           verantwoordelijkheid; zij moeten hierbij dan ook een sturende rol spelen.
4.2
Energieonderzoek                          Centrum
                                           Huidige missie
                                                               Nederland                (ECN)
                                           Het ECN is een zelfstandige organisatie voor lange-termijnonderzoek en
                                           middellange-termijnontwikkeling op energiegebied alsmede de daaruit
                                           voortvloeiende korte-termijndienstverlening en kennistransfer.
                                           Het ECN richt zijn activiteiten op de behoeften en wensen van bedrijfsleven,
                                           energiesector en overheid om door gerichte kennis- en technologie-ontwikke-
                                           ling en -transfer bij te dragen aan innovatieve oplossingen bij zijn doelgroe-
                                           pen en klanten. Het ECN werkt, met duurzaamheid als leidraad, aan de ont-
                                           wikkeling van een betrouwbare, milieuvriendelijke en kosteneffectieve ener-
                                           giehuishouding en streeft met geselecteerde speerpunten naar internationaal
                                           erkende deskundigheid.
                                           13 Frankfurter Allgemeine van 15 december 1997.
34                                         A W T - A D V I E S     3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                                                     E n e r g i e o n d e r z o e k C e n t r u m N e d e r l a n d ( E C N )
Kerngetallen
ECN; omzet naar herkomst middelen en werkgebied
Bijdrage aan de sector
De overheid, i.c. het Ministerie van Economische Zaken, ziet het ECN als                  overheid hecht belang aan
een essentieel instrument in het kader van zijn energiebeleid. De bijdrage van            ECN-beleidsstudies; ECN is
het ECN is o.a. gelegen in het uitvoeren van energiebeleidsstudies, bijvoor-              daarin niet uniek
beeld in de sfeer van risico-evaluaties voor milieu en mens. Met uitzondering
van de stralingskennis neemt het ECN op dit terrein geen unieke positie in; bij
TNO en KEMA is ook de relevante kennis en expertise beschikbaar.
De overheid gebruikt het ECN ook om nieuwe technologieën te ontwikkelen                   eigen onderzoek van ECN
op het gebied van energievoortbrenging. De overheid subsidieert deze                      heeft geen bijdrage geleverd
technologie-ontwikkeling vanwege haar specifieke verantwoordelijkheid voor                aan innovativiteit bedrijfsleven
een duurzame energievoorziening in ons land. Het betreft nieuwe technolo-
gieën die op termijn van belang kunnen zijn voor de energievoorziening in
ons land, maar die nog in een dusdanig ontwikkelingsstadium verkeren dat
het relevante bedrijfsleven nog niet bereid is de voor de ontwikkeling beno-
digde middelen ter beschikking te stellen. Het doel van deze subsidies is dus
om een innovatieve bijdrage te leveren aan het desbetreffende bedrijfsleven.
                                                                 A W T - A D V I E S   3 2                               35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>E n e r g i e o n d e r z o e k C e n t r u m   N e d e r l a n d  ( E C N )
                                                  De Raad heeft in zijn rondgang langs het bedrijfsleven geen aanwijzin-
                                           gen gevonden dat het onderzoek dat het ECN zelf uitvoert, heeft bijgedragen
                                           tot een vergroting van de innovativiteit van het bedrijfsleven. De kennisont-
                                           wikkeling bij het ECN zelf wordt door hen van marginaal belang geacht.
                                           De beleving is dat de kennisontwikkeling bij het ECN altijd gestuurd is
                                           geweest door de eigen inzichten van het ECN, gesanctioneerd door de
                                           overheid, niet door wat het relevante bedrijfsleven nodig heeft. Dit heeft
                                           telkenmale geresulteerd in kennisontwikkeling op gebieden die geen
                                           relevantie hebben voor de industrie. Er is dus geen sprake van een
                                           brugfunctie. De Programma Advies Raden van het ECN, waarin
                                           vertegenwoordigers van de energiesector en de industrie mogen meepraten
                                           over het basisonderzoek van het ECN, zijn te vrijblijvend omdat er geen
                                           financieel commitment bestaat bij de meepratende leden.
           ECN's bijdrage aan het          De bijdrage van het ECN aan het bedrijfsleven manifesteert zich vooral als
              bedrijfsleven: vooral        leverancier van faciliteiten. Een aantal bedrijven maakt gebruik van de (spin
     leverancier van faciliteiten          offs van de) nucleaire kennis van het ECN. Binnen Nederland is deze kennis
                                           in belangrijke mate uniek, mede als gevolg van de bij het ECN beschikbare
                                           faciliteiten en de vergunningen die nodig zijn om op dit gebied te opereren.
                                           Op onderdelen zijn er echter in ons land ook andere partijen die op nucleair
                                           gebied kennis en expertise hebben, zo is bijvoorbeeld KEMA ook actief op
                                           het gebied van de opslag en verwerking van laag radioactief afval. Bij de
                                           unieke faciliteiten van het ECN gaat het met name om de Hoge Flux
                                           Reactor, de Molybdeen productiefabriek, analyse en testapparatuur en het
                                           gespecialiseerde personeel om deze faciliteiten in te zetten en de resultaten
                                           te interpreteren. Buitenlandse instituten kunnen vergelijkbare diensten
                                           bieden, zij het dat op onderdelen het ECN een voordeelpositie heeft als
                                           gevolg van de regelgeving die transport van radioactieve stoffen over de
                                           landsgrenzen bemoeilijkt.
                                           Conclusie
       ECN niet opschuiven naar            De Raad constateert dat de missie van het ECN zich in de loop van de tijd
             een marktorganisatie          aanmerkelijk heeft verbreed. In de missiestatement uit 1996 staat dat het
                                           ECN een instituut is voor lange-termijnonderzoek en middellange-termijn-
                                           ontwikkeling op energiegebied alsmede de daaruit voortvloeiende
                                           korte-termijndienstverlening en kennistransfer. Het ECN put hieruit de
                                           motivatie om meer en meer de commerciële markt op te gaan, ook voor het
                                           meer korte termijn, toegepaste onderzoek. De Raad juicht deze ontwikkeling
                                           niet toe. Een adequate invulling van deze brede missie vergt substantiële
                                           investeringen in de opbouw van een eenheid die zich als marktorganisatie kan
                                           positioneren. Vanuit macro-oogpunt acht de Raad dit niet doelmatig. Dit kan
                                           beter worden overgelaten aan organisaties die daarvoor al goed zijn geëqui-
                                           peerd. Er zijn al andere instituten, de Raad denkt hier met name aan TNO, die
                                           zich op energiegebied als marktorganisatie profileren. Het is effectiever en effi-
                                           ciënter om waar mogelijk tot structurele samenwerkingsrelaties te komen.
        commerciële activiteiten           Waar commercialisering mogelijk is, moeten de activiteiten van het ECN wor-
           bij voorkeur afsplitsen         den afgesplitst. Die activiteiten kunnen worden overbracht naar TNO of het
                                           bedrijfsleven. De Raad meent dat ls het ECN als zelfstandig energie-onder-
                                           zoekinstituut een plaats heeft in de publieke kennisinfrastructuur, het
36                                         A W T - A D V I E S    3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                                                     E n e r g i e o n d e r z o e k C e n t r u m N e d e r l a n d ( E C N )
een taakorganisatie moet zijn, langs de lijnen zoals die in het advies zijn
geduid, met een onderzoekprogramma met een lange-termijnkarakter.
De Raad pleit ervoor dat de Minister van EZ het primaat heeft bij het                     EZ heeft het primaat voor het
vaststellen van de hoofdlijnen van het onderzoekprogramma van het ECN.                    onderzoekprogramma
Voorzover de minister via subsidie bij het ECN nieuwe energietechnologieën
wil ontwikkelen, betekent dit natuurlijk niet dat hij die keuzes in isolatie
moet maken. Samenspraak met relevante delen van het bedrijfsleven is
natuurlijk nodig om tot verantwoorde keuzes te komen.
Waar mogelijk moet zelfs de eis gesteld worden dat potentiële belanghebben-
den meebetalen; dit zal afhankelijk zijn van de termijn waarop commerciali-
sering wordt verwacht. Waar commercialisering mogelijk is, moeten de activi-
teiten van het ECN worden afgesplitst; die activiteiten kunnen dan worden
overgeheveld naar bijvoorbeeld TNO of naar het bedrijfsleven.
Als de Minister van EZ het primaat heeft bij het vaststellen van het                      .... maar heeft geen strakke
onderzoekprogamma (op hoofdlijnen), zoals de Raad bepleit, dan is een                     beoordelingskaders
noodzakelijk complement dat de minister een duidelijk beoordelingskader
heeft voor besluitvorming omtrent het starten, de voortgang en de
beëindiging van specifieke programma-onderdelen van het ECN. De Raad
heeft niet de indruk gekregen dat dergelijke afwegingen een dominante rol
spelen bij de invulling van het onderzoekprogramma van het ECN. Teveel
wordt nog het primaat bij het opzetten en de voortgang van programmas
bij het instituut zelf gelegd. Zeker op het terrein van het lange-termijnener-
gie-onderzoek - een gebied bij uitstek van internationaal belang -
dient bij de afwegingen expliciet meegenomen te worden wat in ons land
moet gebeuren, wat in samenwerking met derden hier of in het buitenland
kan worden gedaan, en wat berhaupt aan het buitenland kan worden
overgelaten omdat onze (industriële) belangen geen eigen inspanningen
vereisen.
De Raad heeft in het kader van het onderhavige advies het niet als zijn taak              de nucleaire activiteiten
gezien de afzonderlijke programma-onderdelen van de gtis zelf op al hun                  (50%van de omzet) en het
merites te beoordelen. Hij wil evenwel met klem benadrukken dat de in de                  programma fossiele
vorige alinea bepleite heroverweging van onderdelen van het                               brandstoffen (25% van de
onderzoekprogramma van het ECN, zijns inziens bij voorrang het nucleair                   omzet) moeten kritisch
onderzoek en de positie van de stralingstechnologische dienstverlening bij                worden bezien
het ECN (samen circa 50% van de omzet van het instituut) en het
brandstofcellenonderzoek (circa 25% van de omzet) hiervoor in aanmerking
komen. Als deze onderdelen van het programma niet meer of in
substantieel mindere mate noodzakelijk zijn, of kunnen worden afgestoten,
dan dringt zich wel de vraag op naar de continuering van het ECN als een
zelfstandig instituut.
                                                                 A W T - A D V I E S   3 2                               37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>W a t e r l o o p k u n d i g L a b o r a t o r i u m ( W L )
4.3
Waterloopkundig                        Laboratorium
                                          Huidige missie
                                                                     (WL)
                                          Het WL stelt zich ten doel om op internationaal niveau te behoren tot de
                                          topinstituten op het gebied van water, andere vloeistoffen en gassen, zoals
                                          deze voorkomen in natuurlijke systemen en voor menselijk, industrieel en
                                          landbouwkundig gebruik.
                                          Kerngetallen
                                          WL; omzet naar herkomst middelen en werkgebied
                                          Bijdrage aan de sector
   VenW ziet WL als onmisbaar             De overheid, i.c. het Ministerie van VenW, ziet het WL als onmisbaar
                                          onderdeel van Nederland waterland. De aanwezigheid van hoogwaardige
                                          deskundigheid is belangrijk in het kader van internationale overlegsituaties
                                          waarin de Nederlandse overheid participeert. Voorts is het WL voor de over-
                                          heid met name van belang voor complexe vraagstukken met grote maatschap-
                                          pelijke implicaties waarvoor de capaciteit van de specialistische diensten van
38                                         A W T - A D V I E S   3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>                                                                 W a t e r l o o p k u n d i g  L a b o r a t o r i u m ( W L )
Rijkswaterstaat (RWS) zelf ontoereikend is, of waar onafhankelijke
(contra-)expertise wenselijk is. Onder erkenning dat voor de beantwoording
van die vraagstukken een brede expertise moet worden ingezet, verlangt RWS
niet dat het WL alle expertise ook zelf in huis heeft en ook de integratie van           .... maar niet op alle terreinen
kennis vanuit verschillende aspecten voor zijn rekening neemt. Het WL is ook
te klein om op alle relevante gebieden diepgaande expertise te ontwikkelen.
RWS meent in zijn algemeenheid zelf voldoende geëquipeerd te zijn voor de
noodzakelijke integratie van kennis verkregen van gespecialiseerde instituten
als het WL en private ingenieursbureaus. De kracht en de bijdrage van het WL
ligt met name op het gebied van mathematische modellen, hydraulica en de
morfologie van rivieren, en veel minder op het gebied van ecologie, waterkwa-
liteit en de zuivering van water, gebieden waarop het WL zich in toenemende
mate beweegt. Juist op deze gebieden doet de overheid vaak een beroep op
gespecialiseerde ingenieursbureaus.
Ook het bedrijfsleven, met name dan de grote ingenieursbureaus, ziet de                  belang van WL voor
bijdrage van het WL aan het kennisniveau van de totale sector in Nederland               bedrijfsleven ligt m.n. bij
met name via de fysieke modelproeven en de mathematische modellen. De                    fysieke en mathematische
expertise op het gebied van mathematische modellen kan ook van nut zijn                  modellen
voor andere bedrijven, buiten de ingenieursbureaus, zoals blijkt uit de
bijdrage van het WL op de onderliggende theorie voor de snijkopzuigers van
de baggeraars. Het WL probeert nu zijn expertise op het gebied van
mathematische stromingsmodellen te benutten voor de industrie
(industriële stroming). Het WL neemt met deze stromingsmodellen een
vooraanstaande positie in in Nederland, maar heeft internationaal zeker
geen unieke positie; andere instituten, zoals bijvoorbeeld het Danish
Hydraulic Institute, leveren zeker vergelijkbare expertise.
Door de eigen marktactiviteiten van het WL buiten het gebied van zijn                    eigen marktactiviteiten van WL
oorspronkelijke missie (waterloopkundig onderzoek) staat het WL wel in                   leiden tot oneigenlijke
toenemende mate in concurrentie met private ingenieursbureaus. Dit wordt                 concurrentie
door deze bureaus uiteraard ten zeerste betreurd. Zij zien een
gesubsidieerde concurrent als oneigenlijk, en terecht. Daarnaast vrezen zij
dat een verbreding van het WL de verdieping in de weg staat. In hun ogen                 .... staat verdieping bij WL in
is er wel plaats voor een WL, maar kleiner en meer gefocust op research.                 de weg
Zon focussering geeft ook betere mogelijkheden tot samenwerking;
partners in plaats van concurrenten. Nu het WL zich in toenemende mate
richt op eigen marktactiviteiten, ervaren de ingenieursbureaus dat de kennis
onvoldoende toegankelijk is voor hen: het WL wil wel opdrachten krijgen                  .... en beperkt de
maar niet de kennis delen.                                                               kennisverspreiding
Conclusie
Het WL is gestart als waterloopkundig laboratorium, maar heeft momenteel                 uitdijende missie-opvatting
een veel bredere missie. Realisering van deze missie impliceert onder                    ongewenst
andere een verbreding van de expertise in waterbeheers- en
waterkwaliteitsonderzoek. De Raad meent dat als het instituut op deze
gebieden de markt opgaat, het in toenemende mate zal gaan concurreren
met TNO en met private partijen, zoals ingenieursbureaus. Een uitdijende
missie-opvatting met een noodzakelijkerwijs brede opbouw van expertise
acht de Raad mede om die reden dan ook onwenselijk. De Raad bepleit dat
                                                              A W T - A D V I E S     3 2                                 39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>W a t e r l o o p k u n d i g L a b o r a t o r i u m  ( W L )
                     WL primair een       het WL zich primair opstelt als een taakorganisatie met als taak het doen
 taakorganisatie: onderzoek op            van onderzoek op waterloopkundig gebied. Het WL moet zich in de ogen
         waterloopkundig gebied           van de Raad dan ook onthouden van marktactiviteiten - ontwikkel- en
                                          advieswerk - waar private partijen als bijvoorbeeld ingenieursbureaus een
                                          goed alternatief kunnen bieden. Weliswaar is de marktvraag in toenemende
                                          mate multidisciplinair van aard, maar daarin kan worden voorzien door
                                          anderen, waaronder het bedrijfsleven, die vervolgens het WL kunnen
                                          inschakelen voor waterloopkundig onderzoek. Alleen op deze manier -
                                          namelijk als de continuïteit van het instituut niet op de commerciële markt
                                          behoeft te worden bevochten - zal er ook geen neiging ontstaan om de
                                          eigenlijke hoofdtaak te (moeten) veronachtzamen, of op eigen kennis te
                                          gaan zitten en als (gesubsidieerde) concurrent van private partijen op te
      .... geen marktactiviteiten         treden. Het WL moet zich in de ogen van de Raad onthouden van
  waar private sector een goed            marktactiviteiten waar ingenieursbureaus een goed alternatief vormen. De
            alternatief kan bieden        weg is die van samenwerking, niet die van concurrentie.
  RWS moet duidelijk aangeven             Explicitering van de overheidsbehoefte aan externe onderzoekscapaciteit en
          wat hij van WL verlangt         expertise is in het geval van het WL met name een taak van
                         en wat niet      Rijkswaterstaat (RWS). RWS beschikt zelf over grote specialistische
                                          diensten met eigen omvangrijke onderzoekafdelingen en treedt op als
                                          opdrachtgever en als concurrent van het WL. Momenteel is, zo stellen ook
                                          de betrokken partijen, onduidelijk wat RWS zelf wil doen en waar ze op
                                          derden, in Nederland of elders, wil leunen. De Raad heeft de indruk dat
      efficiency-winst te boeken          belangrijke efficiëntiewinst is te boeken als helderheid ontstaat over de
                         door betere      onderlinge taakverdeling tussen RWS en het WL. Hij beveelt de Minister
       taakverdeling WL en RWS            van VenW dan ook aan op korte termijn die helderheid te verschaffen en de
                                          consequenties hiervan ook te trekken, zowel wat betreft de omvang van de
                                          eigen diensten als de omvang en aard van de subsidiëring van het WL.
                                          Afhankelijk van de keuze van RWS voor welke soort expertise men op het
                                          WL wil leunen, zal de vraag moeten worden beantwoord naar de rol van de
                                          fysieke onderzoekfaciliteiten bij het WL. Hierbij moet tevens in de
                                          beschouwing worden betrokken welke samenwerkingsmogelijkheden c.q.
                                          taakverdeling mogelijk is met andere, vergelijkbare instituten in Europa.
                                          Zoals hiervoor al aangegeven, adviseert de Raad voor het WL de positie
                                          van een taakorganisatie - met als taak het doen van onderzoek op
                                          waterloopkundig gebied - en niet die van een marktorganisatie in de termen
                                          zoals eerder gedefinieerd. Zon positie geeft, juist omdat het instituut niet
                                          op de commerciële markt zijn brood behoeft te verdienen, ook goede
                                          mogelijkheden van nauwere samenwerking en betere facility-sharing met
                                          andere instituten, met name de universiteiten. Uiteraard geldt ook hier dat
                                          expliciet moet worden bekeken in hoeverre samenwerking en facility-sharing
                                          met vergelijkbare instituten elders in Europa mogelijk is.
            samenwerking binnen                   De hierboven bedoelde samenwerking komt niet vanzelf tot stand.
  Delftse cluster te vrijblijvend         Expliciete druk van buitenaf is nodig om tot echte taakverdeling,
                                          samenwerking of eventueel fusering te komen. Binnen het zogenaamde
                                          Delftse cluster worden momenteel aanzetten gegeven tot een nauwere
                                          samenwerking van een aantal onderzoekinstituten in Delft die in de GWW-
                                          sector (Grond-, Weg- en Waterbouw) actief zijn. De discussie is naar de
                                          indruk van de Raad momenteel te vrijblijvend. Hij bepleit een actieve druk
40                                         A W T - A D V I E S  3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>                                                                               G r o n d m e c h a n i c a D e l f t  ( G D )
van overheidszijde om te komen tot een structurele samenwerking tussen
het WL, waarvan de omvang en aard van de werkzaamheden moet zijn
aangepast aan de positie van een taakorganisatie, en de Technische
Universiteit Delft (TUD). Bij deze samenwerking moet in zijn ogen ook GD
worden betrokken. Zoals de Raad hierna zal toelichten, bepleit hij ook voor            aard en omvang activiteiten
dat instituut een positie als taakorganisatie, met als consequentie een                van WL aanpassen aan positie
aanpassing van de omvang en de aard van de werkzaamheden van GD die                    als taakorganisatie
daarbij passen. Met name van overheidszijde is als bezwaar tegen het
uitbesteden van onderzoek aan de universiteit aangevoerd dat de
universiteiten een moeilijke partner zijn vanwege het gebrek aan
continuïteit, dit punt is in hoofdstuk 2 ter sprake gekomen. De
universiteiten zijn de laatste jaren echter ook in bestuurlijk opzicht sterk
aan het veranderen, met een steeds sterkere nadruk op
onderzoekprogrammering; sommige van de onderzoekscholen en de
technologische topinstituten zijn hiervan duidelijke voorbeelden. De Raad is
dan ook van mening dat er goede mogelijkheden zijn voor een structurele
samenwerking c.q. fusie tussen het WL, GD en de TUD/civiele techniek. De               WL moet dichter tegen
overheid moet hiertoe het voortouw nemen om de mogelijkheden nader te                  de TUD aan
exploreren en in te vullen. Het opschuiven van WL en GD naar een
taakorganisatie, zonder de noodzaak hun eigen commerciële activiteiten uit
te breiden, biedt op dit punt ook betere mogelijkheden dan nu het geval is.
Huidige missie
Het ontwikkelen en vertalen van nieuwe en specialistische kennis in
                                                                   Grondmechanica
                                                                                                      4.4
                                                                                                       Delft         (GD)
maatschappelijk-relevante praktijktoepassingen op een zodanige wijze dat
de praktijk van de geotechniek en de milieugeotechniek in Nederland op een
internationaal vooraanstaand niveau gewaarborgd is binnen een zodanige
bedrijfseconomische context dat de opgebouwde expertise en de
continuïteit van GD op lange termijn wordt zekergesteld.
                                                               A W T - A D V I E S  3 2                                 41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>G r o n d m e c h a n i c a D e l f t ( G D )
                                         Kerngetallen
                                         GD; omzet naar herkomst middelen en werkgebied
                                         Bijdrage aan de sector
       RWS: GD is de plaats voor         De overheid, i.c. Rijkswaterstaat (RWS), ziet GD als het instituut voor het
                 complexe vragen         meer innovatieve lange-termijnonderzoek vanwege de kwaliteit van de
                                         specialistische kennis en de op wetenschappelijk onderzoek gerichte
                                         cultuur die daarvoor nodig is. GD biedt, mede dankzij de subsidies, de
                                         continuïteit voor de complexere vragen waarvoor onvoldoende draagvlak is
                                         om in de markt de expertise in stand te houden. De TUs zijn in de ogen
                                         van RWS in principe ook in staat deze kennis te genereren, maar het
                                         probleem is daar de continuïteit.
    Bedrijfsleven waardeert het          De kwaliteit van de grondmechanische kennis van GD wordt ook door het
         GD vanwege zijn kennis          bedrijfsleven alom erkend. Veel bedrijven maken dan ook gebruik van de
                                         kennis en expertise bij GD. Van een kennistransfer van GD naar het
                                         bedrijfsleven, waarvan met name de ingenieursbureaus zouden kunnen
                                         profiteren, is echter nauwelijks sprake. Uniek is het kennisaanbod van GD
  .... maar kennistransfer vindt         evenwel niet. Dit was wellicht decennia geleden het geval, sindsdien hebben
                nauwelijks plaats        ook verschillende grote ingenieursbureaus eigen onderzoekactiviteiten op het
42                                       A W T - A D V I E S    3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>                                                                               G r o n d m e c h a n i c a D e l f t ( G D )
gebied van grondmechanica en -dynamica opgezet.
      Het zijn met name deze ingenieursbureaus die GD nu als concurrent                .... en er is sprake van
ervaren. Die concurrentie ervaren zij als oneerlijk omdat in hun ogen sprake           oneigenlijke concurrentie
is, soms expliciet soms impliciet, van verplichte winkelnering bij GD. Ze
doelen hier ten eerste op de neiging bij met name het Ministerie van VenW
onderzoekopdrachten bij voorkeur bij GD uit te besteden; dat ministerie zou
GD nog steeds als huislaboratorium zien, een punt dat binnen RWS ook
wel wordt (h)erkend. Daarnaast verplicht de overheid vaak bedrijven, die
kennis en expertise op grondmechanisch gebied behoeven, met GD zaken
te doen. Wanneer er met de overheid gepraat c.q. onderhandeld moet
worden, bijvoorbeeld in situaties van milieuverontreiniging, kunnen
bedrijven moeilijk om GD heen. De overheid ervaart GD als een niet-commer-
cieel en onafhankelijk instituut en accepteert daarom door GD
aangeleverde gegevens zonder verdere discussie. Bij het uitvoeren van
grote infrastructurele projecten door ingenieursbureaus gebeurt hetzelfde.
Er wordt op aangedrongen c.q geëist dat GD onderaannemer is voor het
grondmechanische deel. Het is voor de private, op gronddynamisch gebied
actieve, ingenieursbureaus zodoende zeer moeilijk om de (semi-)
overheidsmarkt te betreden.
Conclusie
Het aandachtsgebied van het instituut is van oudsher grondmechanica,                   keuze GD: de breedte of
waarbij in het verleden het accent sterk lag op het veldwerk. Voor dit                 de diepte in
veldwerk zijn in toenemende mate allerlei private partijen geëquipeerd, met
name de grote ingenieursbureaus, die in toenemende mate ook zelf
ontwikkelingswerk verrichten. Vanuit de desbetreffende markt komt
evenwel niet de prikkel om ook het fundamentele onderzoek op te pakken;
dat onderzoek kan op termijn substantiële besparingen opleveren met name
voor de klant, maar niet direct voor de betrokken ingenieursbureaus. De
overheid is een belangrijke commerciële klant op de bouwmarkt en uit
dien hoofde is subsidiëring van het funderende onderzoek goed te
verdedigen. GD staat nu voor de strategische beslissing om ofwel de
breedte in te gaan, om op die wijze in te spelen op de multidisciplinaire
behoeften vanuit de markt, ofwel om de diepte in te gaan en te investeren
in nieuwe kennis, methoden en technieken. Beide opties tegelijk realiseren
gaat de huidige spankracht van het instituut verre te boven.
Het is in eerste instantie aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat om             de Raad adviseert de diepte;
aan te geven aan wat voor type instituut van die kant behoefte is en                   GD als taakorganisatie voor
waarvoor dat departement bereid is te financieren. De Raad adviseert GD                grondmechanisch onderzoek
te positioneren als taakorganisatie in de zin van een instituut dat tot taak
heeft onderzoek te doen op het gebied van de grondmechanica. Hierbij past
in zijn ogen niet de opdracht aan het instituut om zijn continuïteit op de
commerciële markt te bevechten. De consequentie hiervan is dat in het
werkprogramma van het instituut het advieswerk een veel minder zwaar
accent zal krijgen dan nu het geval is. Dit sluit uiteraard niet uit dat het
onderzoek soms wordt medegefinancierd door private partijen, integendeel.              .... d.w.z. geen ontwikkel- en
Het zwaartepunt van het werk moet echter op onderzoek liggen, niet op                  advieswerk waar ook de
ontwerp- en advieswerk; dat laatste kan in toenemende mate door de                     private sector in kan voorzien
                                                               A W T - A D V I E S  3 2                                43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>M a r i t i e m R e s e a r c h I n s t i t u u t  N e d e r l a n d  ( M A R I N )
                                          private sector, met name door ingenieursbureaus, zelf gebeuren. De
                                          omvang van het instituut zal aan deze taak moeten worden aangepast. De
                                          private sector kan zijn voeding vanuit de fundamenteel-strategische hoek
                                          bij (onder andere) GD halen en GD kan zijn voeding vanuit de praktijk halen
                                          door samenwerkingsverbanden met ingenieursbureaus aan te gaan. Dus
                                          geen concurrentie maar samenwerking.
            GD moet dichter tegen                 De positionering van GD als taakorganisatie in bovenbedoelde zin geeft
                            TUD aan       ook een goede basis om samenwerking te zoeken; men is dan geen
                                          concurrent van elkaar. De Raad wil hier nog wijzen op wat hij in de vorige
                                          paragraaf (paragraaf 4.3 bij het Waterloopkundig Laboratorium) in verband
                                          met de zogenaamde Delftse cluster heeft gezegd over de mogelijkheden
                                          van structurele samenwerking c.q. fusering tussen het WL, GD en
                                          TUD/civiele techniek.
4.5
Maritiem             Research              Instituut
                                          Huidige missie
                                                                 Nederland          (MARIN)
                                          Het MARIN heeft als missie het streven naar opbouw, toepassing en
                                          verspreiding van hoogwaardige technologische kennis ter versterking van
                                          de concurrentiepositie van de Nederlandse maritieme sector.
                                          Kerngetallen
                                          MARIN; omzet naar herkomst middelen en werkgebied
44                                         A W T - A D V I E S    3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                                              M a r i t i e m R e s e a r c h I n s t i t u u t  N e d e r l a n d ( M A R I N )
Bijdrage aan de sector
Het MARIN werkt zowel voor de overheid als voor het bedrijfsleven. Bij de                  bij de overheid is het m.n. de
overheid is veruit de grootste klant de Koninklijke Marine. De Nederlandse                 Marine die op MARIN leunt
marine ontwerpt zijn schepen zelf en heeft ook nog een eigen scheepswerf.
Het heeft daarvoor zelf veel specialistische kennis met betrekking tot
ontwerp en systeemintegratie in huis. De Marine leunt daarbij op instituten
in de publieke kennisinfrastructuur, te weten op TNO (constructievragen,
akoestiek) en op het MARIN (hydromechanica/voortstuwing). Voor de
Marine is het MARIN de enige partij in Nederland waar het verkennend
onderzoek kan worden uitgezet; de inzet van buitenlandse instituten is voor
de Marine per definitie niet aan de orde: elke marine heeft in eigen land
zijn eigen instituut.
Vanuit de behoefte van het bedrijfsleven gezien, is de kennis van het MARIN                bedrijfsleven acht kennis en
niet uniek. Het MARIN fungeert vooral als uitvoerder van testen van door                   faciliteiten van MARIN niet
anderen ontworpen constructies, veelal routinewerk dat ook bij andere, bui-                uniek
tenlandse instituten met een sleeptank kan worden gedaan. Meer innovatieve
onderzoekopdrachten komen binnen via het Nederlands Instituut voor                         MARIN treedt vooral op als
Maritiem-onderzoek (NIM), een door overheid en bedrijfsleven gefinancierde                 uitvoerder van testen
intermediair. Die progammas zouden soms ook wel in private sector kunnen
worden uitgevoerd, maar het NIM is verplicht het onderzoek te laten uitvoe-
ren in de publieke kennisinfrastructuur, in dit geval vooral MARIN, WL, TUD
en TNO. De kennis van het MARIN wordt door het bedrijfsleven ervaren als
weinig gericht op het oplossen van problemen. Daarvoor is bij het MARIN te
weinig kennis in huis van de bedrijfsprocessen binnen de bedrijven in de sec-
tor (werven, rederijen, offshore) en geen expertise in het vertalen en toepassen
van theoretische kennis naar de commerciële ontwerp- en productiepraktijk.
Van een substantiële bijdrage aan de innovativiteit en kennisintensiteit van               geringe bijdrage aan verhoging
het bedrijfsleven is geen sprake. Daar waar het MARIN een meerwaarde heeft,                kennisintensiteit van het
dit betreft met name software, is de ervaring dat het MARIN deze kennis te                 bedrijfsleven
lang voor zichzelf houdt; in die zin is er geen sprake van kennistransfer naar
het bedrijfsleven.
Conclusie
De maritieme sector is niet een specifiek onderwerp van staatszorg zoals
dat geldt voor veiligheid, milieu, defensie en dergelijke. Er is in principe dan
ook geen reden voor de overheid voor een speciale behandeling van die
sector binnen het meer algemene technologie-ondersteuningsbeleid.
      Dat laat onverlet dat de overheid vanuit haar algemene
verantwoordelijkheid ter ondersteuning van de technologie-ontwikkeling in
het bedrijfsleven voor een specifieke sector wellicht speciale
stimuleringsmaatregelen kan nemen; het kan dan gaan om het
compenseren van steunmaatregelen die buitenlandse bedrijven krijgen van
hun overheden (het creëren van een level playing field) of om het
financieren van specifieke grote onderzoekfaciliteiten die voor de sector
van belang zijn maar nooit geheel commercieel zijn te exploiteren. Het is
dan een politieke afweging om al of niet deze extra subsidies te
verstrekken. De overheid heeft onlangs besloten de continuering van de
activiteiten van het instituut te waarborgen door middel van het financieren
van de vernieuwing van de onderzoekfaciliteiten (totaal  100 mln.). Voor
                                                               A W T - A D V I E S      3 2                               45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>M a r i t i e m R e s e a r c h I n s t i t u u t N e d e r l a n d  ( M A R I N )
                                          de Raad is deze keuze nu een gegeven.
        MARIN: marktorganisatie           Gegeven de investeringen voor het MARIN waartoe de overheid heeft
                                          besloten, adviseert de Raad voor het MARIN een positie als
                                          marktorganisatie in de termen zoals hij eerder heeft toegelicht. De
                                          hoofdopdracht van het instituut is dan het inspelen op de bestaande vragen
                                          vanuit de markt. Het MARIN zal enige ruimte moeten hebben voor
                                          achtergrondonderzoek om het instituut in staat te stellen ook in de
                                          toekomst de markt op een adequate wijze te kunnen bedienen. De praktijk
                                          leert dat dit achtergrondonderzoek niet volledig te financieren is uit het
                                          opdrachtenonderzoek; een in relatie tot de totale omzet beperkte subsidie
                                          is daarbij noodzakelijk volgens hetzelfde principe zoals dat ook bij TNO
                                          geldt.
           overweeg MARIN onder           Het MARIN is van oudsher gericht op de scheepsbouw, waarbij in de loop
           TNO-koepel te brengen          van de tijd de off-shore industrie als belangrijke doelgroep is opgekomen.
                                          Het instituut ziet voor de toekomst als een belangrijke doelgroep de
                                          rederijen. De scheepsbouwers zelf zijn vooral uitvoerders; het zijn de rederij-
                                          en die de eisen stellen aan de schepen wat betreft veiligheids-, energie- en
                                          milieu-aspecten. Deze doelgroep vraagt bij uitstek een geïntegreerde benade-
                                          ring, waarbij de verschillende aspecten in samenhang moeten worden meege-
                                          nomen. Deze gewenste verbreding, die bij het MARIN in belangrijke mate
                                          nog zou moeten worden opgebouwd, sluit aan bij de kennis en expertise die
                                          binnen TNO aanwezig is. De Raad is dan ook van mening dat er in principe
                                          belangrijke efficiëntiewinst te behalen is als het MARIN onder de TNO-koepel
                                          wordt gebracht; de argumenten die hij hiervoor in algemene zin heeft gege-
                                          ven (zie paragraaf 3.4), zijn zeker op de relatie tussen het MARIN en TNO van
                                          toepassing. Onderbrenging van het MARIN in de TNO-koepel maakt het in
                                          principe mogelijk snel en kosteneffectief nieuwe combinaties van expertise te
                                          maken en zodoende op nieuwe marktontwikkelingen goed te kunnen inspe-
                                          len. Bovendien is het MARIN dan ook minder kwetsbaar voor (conjuncturele)
                                          veranderingen in de markt. De Raad meent dat de beslissing over de noodza-
                                          kelijke omvang van de missiesubsidie voor het MARIN eerst dan goed
                                          gemaakt kan worden als de hier voorgestelde optie, onderbrenging van het
                                          MARIN in de TNO-koepel, nader is geëxploreerd.
                                          Aldus vastgesteld te Den Haag, 27 februari 1998.
                                          Dr.ir. H.L. Beckers
                                          voorzitter
                                          Dr. A. van Heeringen
                                          secretaris
46                                         A W T - A D V I E S   3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>                                                                                                     1
                                                                                                   Bijlage
                                                                                                  Adviesaanvrage
De voorzitter van de Adviesraad
voor Wetenschaps- en Technologiebeleid
Dr.ir. H.L. Beckers
Javastraat 42
2585 AP DEN HAAG
ons kenmerk                                                                        Zoetermeer
OWB/NTM-97003291                                                           27 februari 1997
onderwerp
adviesaanvrage aan de AWT over de
positie van de GTIs
Zoals eerder aangekondigd in de Nota Kennis in Beweging en in de
Voortgangsrapportage Wetenschapsbeleid van september 1995 acht het
kabinet, tegen de achtergrond van de noodzaak van een transparant
onderzoekbestel, nadere aandacht noodzakelijk voor een aantal punten die
met name voor de Grote Technologische Instituten (GTIs)1 van belang
zijn. Daarvoor leg ik, mede namens mijn collegas van EZ en V&W het
navolgende voor advies voor aan uw Raad.
Probleemstelling
De kennisinfrastructuur is sterk in beweging. Zo groeit de behoefte aan
multidisciplinair onderzoek en wordt de time to market steeds korter. Een
meer directe aansluiting tussen het fundamentele en het toegepaste
onderzoek is daardoor gewenst. In de infrastructuur voor toegepast
onderzoek zijn momenteel verschuivingen gaande in de verhoudingen
tussen instituten onderling en die met andere kennisorganisaties. Tevens
is in de afgelopen jaren de noodzakelijke hoogwaardige wetenschappelijke
basis van de instituten voor toegepast onderzoek - voor de financiering
waarvan marktpartijen op grond van hun gerichtheid op korte termijn
rentabiliteit zich niet altijd verantwoordelijk voelen - onder druk komen te
staan.
Dat roept in de eerste plaats de vraag op naar de betekenis van de Grote
Technologische Instituten, waarop deze adviesaanvrage zich richt, als
1 Tot de GTIs worden gerekend: het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium, het
Waterloopkundig Laboratorium, Grondmechanica Delft, het Maritiem Research Instituut
Nederland en het Energieonderzoek Centrum Nederland.
                                                                          A W T - A D V I E S 3 2             47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>   schakel tussen het meer fundamentele onderzoek enerzijds en de
   toepassingssectoren anderzijds. Dit temeer omdat er ook internationaal veel
   gaande is. De vraag kan worden gesteld of wij de positie van de GTIs nog
   wel uitsluitend in nationaal perspectief kunnen bezien.
   Onderzoekinstellingen dienen dynamisch te kunnen reageren op
   ontwikkelingen in de maatschappelijke vraag naar kennis. Inefficiënte
   overlappingen binnen de kennisinfrastructuur dienen daarbij vermeden te
   worden. Samenwerking en synergie dienen uitgangspunt te zijn.
   Overwogen moet worden of niet een zekere mate van marktordening
   moet plaatsvinden, waarbij concurrentie op gezonde basis kan
   plaatsvinden, d.w.z. zonder onnodige overlaps en gericht op samenwerking
   en synergie binnen de infrastructuur. Tot slot is het de vraag op welke
   wijze de overheid - via de departementen - haar verantwoordelijkheid in
   deze ook op langere termijn vorm moet geven in de bestuurlijke en
   financiële relaties met de GTIs en wat bij de laatste de rol is van andere
   gebruikers, m.n. marktpartijen.
   Tegen deze achtergrond wil ik, mede namens mijn ambtgenoten van
   Economische Zaken en Verkeer en Waterstaat, de AWT advies vragen
   inzake de positie van de GTIs en de bestuurlijke en financiële relaties van
   de overheid met de GTIs als onderdeel van de publieke
   kennisinfrastructuur. Het doel van deze adviesaanvrage is het inzicht te
   verbeteren in de voorwaarden die een solide basis voor een dynamische
   publieke kennisinfrastructuur voor toegepast onderzoek garanderen. Daarbij
   worden hanteerbare voorstellen gevraagd om tot een zo effectief mogelijke
   benutting van de beperkte middelen en menskracht te komen.
   Vragen
   Zoals in de geschetste probleemstelling is aangegeven, zijn de volgende
   aspecten te onderscheiden, waarop de vragen die ik aan de AWT zal
   voorleggen zich richten.
   1. De betekenis van de GTIs als schakels tussen fundamenteel onderzoek
      enerzijds en toepassing anderzijds.
   Het kabinetsbeleid is er op gericht het maatschappelijk rendement van
   wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling te vergroten.
   Een versterkte samenwerking over het gehele traject van
   kennisontwikkeling en van onderzoekinstellingen met relevante
   maatschappelijke sectoren is daarvoor wenselijk.
   Niet alleen wordt toenemend maatschappelijke verantwoording gevraagd
   van doelmatige besteding van overheidsmiddelen voor onderzoek,
   tenminste zo belangrijk is, dat deskundigheid uit uiteenlopende disciplines
   wordt gebundeld vanwege het toenemend multidisciplinaire karakter van de
   vraagstukken die voor onderzoek en advies worden voorgelegd. Sterke
   concurrentie en technologische ontwikkelingen maken bovendien dat de
   halfwaardetijd van kennis snel afneemt. De wenselijkheid van een korte lijn
   tussen onderzoeksresultaat en produktontwikkeling kan ertoe leiden dat de
   aandacht voor voeding van het toegepaste onderzoek vanuit het
   fundamenteel-strategische onderzoek verslapt.
   In de kennisinfrastructuur nemen de GTIs een specifieke plaats in. Op hun
48 A W T - A D V I E S     3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>werkterreinen vervullen zij in de thans gangbare visie door het verrichten
van toegepast onderzoek, ontwikkelingswerk en geavanceerde advisering
en door het bieden van grote onderzoekfaciliteiten een schakelfunctie
tussen de instellingen voor fundamenteel onderzoek en de
toepassingssectoren.
Tegen deze achtergrond wordt advies gevraagd over de volgende vragen:
 Hoe kijkt de Raad thans aan tegen de betekenis van de GTIs in het
 algemeen en het concept van de GTIs in het bijzonder als schakels in de
 vergroting van de kennisintensiteit in hun sector? Hoe ziet de AWT de
 gewenste relaties tussen het fundamenteel-strategische onderzoek aan
 de universiteiten en het toegepaste onderzoek in de GTIs enerzijds en
 tussen de GTIs en de markt toepassingen anderzijds?
2. De internationale context.
Internationale ontwikkelingen, concurrentie, schaalvergroting stellen meer
en meer eisen, maar bieden ook steeds meer kansen aan de GTIs. De GTIs
zijn alle actief op de internationale kennismarkt, waarbij in tenminste een
aantal gevallen sprake is van toename van het aandeel van contracten met
buitenlandse partijen in de instituutsinkomsten. Een rol van toenemend
belang wordt daarbij gespeeld door het wetenschaps- en technologiebeleid,
maar ook het mededingingsbeleid, van de Europese Unie. De GTIs moeten
in hun internationale activiteiten vaak optornen tegen gelijksoortige
instituten die zwaar gesubsidieerd worden door hun nationale overheid en
daarom lage prijzen kunnen rekenen. Bovendien is in enkele gevallen, zoals
bijvoorbeeld in het maritieme onderzoek, sprake van beschermde markten.
Om in een dergelijke situatie met succes te kunnen opereren, is zeer hoge
kwaliteit van onderzoek, maar ook faciliteiten vereist. De GTIs slagen er
gemiddeld genomen in op het vereiste hoge niveau te werken.
Een belangrijk punt m.b.t. de internationale context is bilaterale en
multilaterale samenwerking en gezamenlijk investeren in of gebruik maken
van grote faciliteiten. Bij de GTIs is hiervan thans al sprake.
Tegen deze achtergrond worden de volgende vragen aan de AWT
voorgelegd:
 Hoe ziet de AWT de positie van de GTIs in internationale context?
 Welke maatregelen zou de AWT willen voorstellen om deze positie te
 versterken en internationale samenwerking van de GTIs te bevorderen?
3.Samenwerking en concurrentie.
Om de rekenen, aangegeven onder 1, is verdere vergroting van de
doelmatigheid en dynamiek van de kennisinfrastructuur wenselijk, zodanig
dat een stelsel van complementair samenhangende, maar niet onnodig
overlappende, kennisinstellingen resulteert, dat aansluit bij de behoeften
van de vraagkant. Mede op verzoek van de overheid n.a.v. het rapport
Blankert is TNO thans bezig synergie te bevorderen via het opzetten van
kenniscentra en andere samenwerkingsvormen tussen TNO-instituten en
andere centra. Ook ten aanzien van de GTIs kunnen mogelijkheden
bestaan om tot zo nodig vergaande samenwerking met andere instituten en
universiteiten te komen. Ik maak de AWT er daarbij op attent, dat de
minister van EZ, in samenwerking met mij, op het terrein van het energie-
onderzoek een diepgaande analyse heeft laten uitvoeren met het resultaat
                                                               A W T - A D V I E S 3 2 49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>   dat mogelijkheden voor samenwerking op dat terrein thans verkend
   worden. Voorts is in samenspraak met mijn collega van Verkeer en
   Waterstaat overleg gevoerd, ook op ambtelijk niveau, met het WL, GD,
   TUD, en IHE over mogelijkheden voor intensivering van samenwerking en
   synergie in dit Delftse cluster. De resultaten daarvan zal ik z.s.m. aan de
   Raad ter kennis brengen, zodat de Raad die in zijn beschouwingen kan
   betrekken.
   Nationaal en internationaal gezien wordt echter de onderlinge concurrentie
   en die met private partijen heviger, niet alleen doordat behalve de GTIs ook
   andere kennisinstellingen zich sterker op de markt richten, maar ook
   doordat nieuwe aanbod-partijen toetreden tot de kennismarkt. In de sfeer
   van civiele technologie en bouw bijvoorbeeld betreden gemeentelijke
   havenbedrijven, bouwdiensten van bedrijven als NS en (technische)
   universiteiten de kennismarkt, terwijl ook tussen de instituten voor
   toegepast onderzoek en ingenieursbureaus sprake is van concurrentie. Niet
   alle concurrentie is per se negatief. Vermeden dient echter te worden dat
   oneigenlijke concurrentie optreedt (bv. door prijsconcurrentie, mogelijk
   gemaakt door het inzetten van overheidsmiddelen). Ik acht het van belang
   dat uw Raad het advies van de commissie Cohen betreffende het MDW-traject
   markt en overheid in zijn beschouwingen betrekt. Het is belangrijk te
   voorkomen dat onderlinge concurrentie tot fragmentarisering en
   suboptimale schaal van onderzoekcapaciteit en -apparatuur leidt. Hierbij
   speelt tevens het Europese aanbestedingsbeleid een rol. De daarvoor
   geldende regels leiden ook m.b.t. onderzoek, ontwikkeling en geavanceerde
   advisering tot versterking van de concurrentie. Deze ontwikkelingen geven
   aanleiding tot de vraag naar de mogelijkheden van synergie en afstemming.
   Tegen deze achtergronden worden de AWT de volgende vragen
   voorgelegd:
    Op welke wijze zouden processen die kunnen leiden tot meer synergie
    en afstemming tussen de GTIs en de andere kennisinstellingen
    bevorderd kunnen worden? Welke maatregelen wil de AWT tot
    verbetering aanbevelen in de sfeer van de verheldering van missies van
    instituten voor toegepast onderzoek, van tariefstelling of andere relevant
    te achten aspecten? Hoe kan worden bewerkstelligd dat deze
    onderzoekinstellingen vanuit voldoende en steeds actuele basiskennis
    dynamisch kunnen reageren op de marktvraag?
   4. De verantwoordelijkheid van de overheid en de vormgeving daarvan via
      de bestuurlijk-financiële relaties.
   De geschetste ontwikkelingen brengen, in combinatie met de
   departementale bezuinigingen op onderzoek van de afgelopen jaren, met
   zich, dat de GTIs (en zij niet alleen) steeds meer onder druk komen te
   staan, waarbij ten aanzien van het NLR de problematiek is aangescherpt
   door de recent ontstane situatie in het Nederlandse luchtvaartcluster. Zo
   staan zij voor de noodzaak strategische onderzoeksactiviteiten te
   ontplooien om de positie als geavanceerde instituten te behouden en
   daarnaast faciliteiten te onderhouden waarvan de kosten niet of slechts
   deels uit contractinkomsten kunnen worden goedgemaakt. De overheid
   stelt daartoe bedragen t.b.v. investeringen en exploitatie beschikbaar,
50 A W T - A D V I E S    3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>veelal als missiebijdrage of basis- of doelfinanciering.
Er is echter een tendens waarneembaar waarbij tenminste enkele van de
GTIs een voortdurende geleidelijke reële vermindering van missiebijdragen
en/of een investeringsachterstand voor de faciliteiten waarneembaar is.
Tevens wordt met middelen uit het Fonds Economische
Structuurversterking op enkele terreinen gericht geïnvesteerd ten behoeve
van een krachtige kennisinfrastructuur.
Het gaat hier om het bevorderen van kwalitatief hoogwaardig
toepassingsgericht onderzoek dat in sterke mate vraaggericht is, dit mede
gezien in het licht van het regeringsstandpunt inzake MARIN. Tegen deze
achtergrond wordt de AWT de volgende vraag voorgelegd:
 Hoe ziet de AWT de overheidsverantwoordelijkheid voor de GTIs in deze
 context? Wat acht de AWT adequate bestuurlijke en financiële relaties
 tussen overheid en GTIs om deze de nodige continuïteit te verschaffen
 zonder daarmee op termijn een aanbod in stand te houden waarnaar
 geen maatschappelijke vraag (meer) is?
Uw advies ontvang ik graag zo mogelijk nog voor het zomerreces.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
dr.ir. J.M.M. Ritzen
                                                             A W T - A D V I E S 3 2 51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>52 A W T - A D V I E S 3 2</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>                                                         Lijst       van
                                                                                  2
                                                                                Bijlage
                                                                             gesprekspartners
Mrs. C. Amoy               Conseil National du Patronat Francais,
                           Frankrijk
Mrs. K. Andersen, M.Sc.    Confederation of Danish Industries,
                           Denemarken
Prof.dr.ir. F.B.J. Barends Grondmechanica Delft
Dr. B. Baud                Fokker Space
Ir. T. van Beek            Lips B.V.
Ir. G.W. Beetstra          Grondmechanica Delft
Ir. A.R. van Bennekom      RIZA
J. Blok                    Lips B.V.
J.A.M. Elias               Nederlands Instituut voor Maritiem
                           Onderzoek
Dr. D. Goll-Bickmann       German Science Council, Duitsland
Drs. A. de Graaff          NLR
Ir. J.P.P. Groen           Waterloopkundig Laboratorium
Ir. J.F. de Haan           Haskoning
Ir. L. ten Hagen           Damen Shipyards
S. Hakansson               NUTEK, Zweden
W. Hamberger               Eurocontrol
Drs. B.J.M. Hanssen        DG Energie, Ministerie van EZ
Ir. H.J.A. van Helden      KEMA N.V.
S. Hjorth                  NUTEK, Zweden
Dr. H. Höfer               BDI, Duitsland
Ir. P.H.A. Hoogweg         DG Rijkswaterstaat, Ministerie van VenW
Ir. J.C. Huis in t Veld   DHV Beheer
E. Jacobson                NUTEK, Zweden
Ir. A. de Jong             Koninklijke Marine
Prof.dr. J. de Jong        DG Rijkswaterstaat, Ministerie van VenW
Dr. J.J. de Jong           DG Energie, Ministerie van EZ
J. Joussot-Dubien          French High Council for Science and
                            Technology, Frankrijk
Ir. P.J. Keuning           Koninklijke Marine
Ir. B.A. Kleinbloesem      SEP
Ir. G-J. Kramer            FUGRO NV
Ing. P. Lancee             Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.
Ir. J.H. Langendam         Du Pont de Nemours (Nederland) B.V.
Drs.ir. H.J.M. van Leeuwen NIVR
Ir. P.A.M. van Luyt        NOVEM Sittard
Ir. E.I.L.D.G. Margherita  Raad van Bestuur TNO
C. Marking                 Ministry of Industry and Trade, Zweden
Dr. M. Maurer              German Science Council, Duitsland
Dr.eng. C. Modeer          Federation of Swedish Industries, Zweden
                                                     A W T - A D V I E S 3 2               53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>   Mrs. M. Mortberg Backlund Ministry of Industry and Trade, Zweden
   Ing. P.H. Noordenbos      Damen Shipyards
   Ir. E.B.H. Oling          Koninklijke Luchtmacht
   Drs. R.I.J. Olthof        NOVEM Utrecht
   Ir. Th.M. Oostinjen       MARIN
   R. Pagezy                 Conseil National du Patronat Francais,
                             Frankrijk
   B. Palstrom               Confederation of Danish Industries,
                             Denemarken
   Dr. H.J. Pasman           TNO Defensieonderzoek
   Ir. G. Peppink            SEP
   H. Postma, M. Sc.         Hydronamic bv
   Mr. A.M. Rodney           French High Council for Science and
                             Technology, Frankrijk
   Dr.ir. R. Roos            NIVR
   C.A. Ruitenbeek           Fokker Aerostructures B.V.
   Prof.dr. F.W. Saris       ECN
   Mr. C. Schlüter           BDI, Duitsland
   Dr. R.L.J. Scholte        Mallinckrodt Medical B.V.
   J.P.W.M. Smeets           KLM Public Affairs Bureau
   Dr.ir. B.M. Spee          NLR
   Mr. L. Stenberg           NUTEK, Zweden
   Drs. R.W.P. Steur         DG Energie, Ministerie van EZ
   Ir. P. Struijs            Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam
   Dr. J.L.G. Suijker        Philips Lighting B.V.
   Ir. X.J.L. Theunissen     DG Energie, Ministerie van EZ
   R. Thiemann               Waterloopkundig Laboratorium
   A. Vignes                 Ministère de lEnseignement Supérieur et de
                             la Recherche, Frankrijk
   J.L. Vo Van Qui           Ministère de lIndustrie, de la Poste et des
                             Telecom, Frankrijk
   Drs. I. de Vries          TNO Defensieonderzoek
   Mr. J.W. Weck             DG Rijksluchtvaartdienst, Ministerie van
                             VenW
   Ing. J.J. Wentink         Grondmechanica Delft
   Ir. H.N. Wolleswinkel     DG Rijksluchtvaartdienst, Ministerie van
                             VenW
54 A W T - A D V I E S  3 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>