<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Cultureel erfgoed en Wetenschapsbeoefening
de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
drs L.M.L.H.A. Hermans en
dr F. van der Ploeg
Postbus 25000
2700 LZ Zoetermeer
Advies Cultureel erfgoed en wetenschapsbeoefening
Zeer geachte Minister en Staatssecretaris,
Hierbij bieden de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid en de Raad voor Cultuur u
het advies aan inzake cultureel erfgoed en wetenschapsbeoefening. De Raden hopen hiermee een
bijdrage te leveren aan zowel het wetenschapsbeleid als het cultuurbeleid voor de komende periode.
Met de meeste hoogachting,
          Namens de Adviesraad voor het Wetenschaps-                        Namens de Raad voor
          en Technologiebeleid                                              Cultuur
          prof.dr.ir B.P.Th. Veltman                                        J. Jessurun
          Voorzitter                                                        Voorzitter
                                                                            dr J.A. Brandenbarg
          dr A. van Heeringen                                               Algemeen secretaris
          Algemeen secretaris
Cultureel erfgoed en Wetenschapsbeoefening
Inleiding
In december 1997 vroegen de toenmalige minister van OCenW en de toenmalige staatssecretaris van
Cultuur aan de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) en de Raad voor
Cultuur advies over het wetenschappelijk onderzoek in de sector van het cultureel erfgoed (zie de
bijlage voor de adviesaanvraag). In deze sector wordt onderzoek gedaan door de universiteiten, para-
universitaire instituten, musea, archieven, wetenschappelijke bibliotheken, rijksdiensten en instellingen
op de terreinen van monumentenzorg en oudheidkundig bodemonderzoek.
De bewindslieden hebben naar mogelijkheden gevraagd om het onderzoek bij culturele instellingen en
dat bij universiteiten beter op elkaar af te stemmen, de onderlinge samenwerking te bevorderen en zo
de kwaliteit van het onderzoek te versterken. Dit doel is zowel vanuit het oogpunt van
wetenschapsbeleid als van cultuurbeleid van groot belang; reden waarom een gezamenlijk advies van
de AWT en de Raad voor Cultuur is gevraagd. De Raden hebben zich bij de beantwoording van deze
adviesaanvraag met name geconcentreerd op de vraag hoe de samenhang en de samenwerking bij
dat onderzoek kunnen worden bevorderd.
Voorgeschiedenis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>In 1993 vond bij de behandeling van de Wet Verzelfstandiging Museale Diensten in de Tweede Kamer
een discussie plaats over de onderzoektaak van de musea. De Kamer toonde zich bezorgd over de
vraag of deze taak - en de bekostiging ervan - bij de verzelfstandiging wel gewaarborgd zou blijven. In
vervolg op het eveneens in 1993 verschenen rapport van de Verkenningscommissie
Kunstgeschiedenis betreffende het universitaire onderzoek werd door de minister van WVC een
externe commissie ingesteld - de commissie Wetenschap en Cultuurbeheer -, die de aard en omvang
van het wetenschappelijk onderzoek bij de culturele, rijksgesubsidieerde (niet-universitaire)
instellingen in beeld moest brengen. Belangrijkste conclusie uit het rapport van deze commissie was
dat de wetenschappelijke contacten van de cultuurinstellingen met collega-instellingen en
universiteiten incidenteel waren en sterk persoonsgebonden. Bij veel instellingen bestond behoefte
aan meer betrokkenheid van universitaire onderzoekers bij het eigen onderzoek.
De toenmalige Raad voor het Cultuurbeheer bracht in 1994 advies uit over het commissierapport en
zette daarin zijn visie uiteen op de rol van het wetenschappelijk onderzoek binnen de sector van het
cultureel erfgoed. De belangrijkste elementen van dit advies hebben hun geldigheid behouden en
worden door de AWT en de Raad voor Cultuur nog steeds onderschreven; het voorliggende advies
moge hiervan getuigen.
Recente ontwikkelingen
Voor de actualisering van de relatie tussen de wetenschapsbeoefening door cultuurinstellingen en
wetenschapsinstellingen moeten tenslotte nog enkele recente ontwikkelingen genoemd worden, die
van belang zijn:
        het ontstaan van een aantal landelijke onderzoekscholen vanuit de universiteiten, waarin ook
         cultuurinstellingen participeren;
        de vorming van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, waardoor cultuur-
         en wetenschapsbeleid weer tot de verantwoordelijkheid van één minister zijn gaan behoren;
        de afronding van de verzelfstandiging van de Rijksmusea.
Deze ontwikkelingen maakten een heroriëntatie op de juistheid van het beeld noodzakelijk. Daartoe
werd in de zomer van 1998 in opdracht van de AWT en de Raad voor Cultuur een inventarisatie
uitgevoerd. Deze bestond uit een schriftelijke enquête en een interview-ronde langs een dertigtal
personen en instellingen op het terrein van het cultureel erfgoed. Uit het onderzoeksrapport, waarin de
resultaten van de enquête en de interviews verwerkt zijn, wordt duidelijk dat de verzelfstandiging van
de cultuurinstellingen het onderzoek onder druk heeft gezet. Ook het universitair onderzoek kampt met
capaciteitsproblemen. Hierdoor worden drempels opgeworpen voor versterking van de samenwerking
tussen universiteiten en cultuurinstellingen. Er vindt, aldus het rapport, samenwerking plaats, maar
deze blijft incidenteel en veelal persoonsgebonden, ondanks de vorming van de onderzoekscholen.
Meer programmatische en institutionele samenwerking bij onderzoek wordt door de meeste
betrokkenen als gewenst ervaren. Los van de extra middelen die men hiervoor meent nodig te
hebben, zou volgens de rapporteurs die samenwerking versterkt kunnen worden door het instellen
van een centraal overlegorgaan. De AWT en de Raad voor Cultuur zullen bij de resultaten van deze
inventarisatie kanttekeningen plaatsen, eigen bevindingen naar voren brengen en hieraan
gezamenlijke conclusies verbinden. Dat is het onderwerp van de volgende hoofdstukken.
1. Plaats en functie van het onderzoek in de sector cultureel erfgoed
De adviesaanvraag is door de AWT en de Raad voor Cultuur beschouwd vanuit de opvatting dat
wetenschappelijk onderzoek een wezenlijke zaak is voor de instellingen op het terrein van het
cultureel erfgoed. Onderzoek is in het algemeen echter geen kerntaak voor deze instellingen. Maar
om de kerntaken - verwerven, behouden en beheren, presenteren - op een goede en verantwoorde
manier te kunnen vervullen is explorerend, ondersteunend en verdiepend onderzoek onmisbaar.
Dat onderzoek gebeurt met verschillende disciplinaire invalshoeken en doelstellingen, en door
cultuurinstellingen en wetenschappelijke kennisinstellingen worden daarbij verschillende accenten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>gelegd.
Allereerst kan vanuit de doelstellingen van het onderzoek een onderscheid worden gemaakt tussen
objectgebonden onderzoek en thematisch onderzoek. De Raden vinden het zinniger om over objecten
en objectgebonden onderzoek te spreken dan over collecties en collectiegebonden onderzoek;
objecten kunnen roerend zijn (kunstvoorwerpen, documenten e.d.) of onroerend (monumenten en
archeologische vindplaatsen). Bij objectgebonden onderzoek spelen diverse vragen een rol: wat is
cultureel erfgoed en welke culturele waarde heeft de materiële neerslag van het verleden op grond
waarvan het object beschermd en behouden moet worden? Voorts valt onder objectgebonden
onderzoek het beschrijven van objecten, de relatie met andere objecten, de herkomst, de
veranderingen die objecten in de loop der tijden hebben doorgemaakt dan wel de veranderingen die
bewust zijn aangebracht, en dergelijke.
Naast objectgebonden onderzoek vindt er thematisch onderzoek plaats. Met thematisch onderzoek
wordt samenhang tussen objecten aangebracht. Die samenhang, welke de collecties van afzonderlijke
cultuurinstellingen kan overstijgen, kan in tijd en ruimte worden gezien. Het kan dan gaan om
verwante objecten uit een bepaalde periode (watertorens uit het begin van deze eeuw),
kunstvoorwerpen van diverse tijdgenoten (De Stijl), verschillende kunststromingen in de tijd gezien of
de relatie tussen objecten en maatschappelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld kleding en kledinggedrag,
de briefwisseling van een staatsman met vertegenwoordigers van uiteenlopende organisaties e.d.).
Het onderzoek - objectgebonden of thematisch - kan vanuit verschillende disciplines worden verricht:
bijvoorbeeld kunstgeschiedenis, archiefwetenschap, archeologie, etnologie en volkskunde,
bouwgeschiedenis, cultuur- en maatschappijwetenschappen, natuurwetenschappen. Het hele
spectrum aan wetenschapsgebieden - alfa, bèta en gamma - richt zich dus op de sector van het
cultureel erfgoed. Daarbij zijn wel accentverschillen. Zo is het natuurwetenschappelijk onderzoek
meestal objectgebonden. Dergelijk onderzoek is nodig voor opsporing, behoud, beheer en
bescherming van cultureel erfgoed en heeft mede betrekking op materiaalanalyse, datering en
conserverings- en restauratietechnieken. Daarnaast wordt vanuit de natuurwetenschappen door het
bestuderen van natuurhistorische collecties bijvoorbeeld ook een bijdrage geleverd aan onze kennis
omtrent de biodiversiteit. Verder kan ook gedacht worden aan de historische studie van
wetenschappelijke instrumenten en technische voorwerpen.
Als het om de studie van cultureel erfgoed gaat, wordt meestal aan de inbreng van de alfa-
wetenschappen gedacht. Maar naast de technische en natuurwetenschappen zijn de sociale
wetenschappen evenzeer van betekenis, in het bijzonder bij thematisch onderzoek. Hierboven is als
voorbeeld het onderzoek naar ‘kleding en kledinggedrag’ genoemd. In het verzamelen en bestuderen
van kostuums en kleding zijn enkele musea gespecialiseerd, terwijl er (universitaire) sociale
wetenschappers zijn die vooral het kledinggedrag bestuderen.
Uit het voorgaande moge blijken dat het onderzoek op het terrein van het cultureel erfgoed niet alleen
met verschillende doelstellingen (objectgebonden of thematisch) en vanuit diverse disciplinaire
invalshoeken wordt verricht, maar dat er ook samenwerkingsmogelijkheden zijn: tussen onderzoekers
die zich op objecten richten en onderzoekers die zich voor bepaalde thema’s interesseren, en tussen
beoefenaren van verschillende vakgebieden. Bij samenwerking spelen ook de verschillen tussen de
instellingen die zich met onderzoek bezighouden, een rol. Een derde indeling - naast die wat betreft
het doel van onderzoek (objectgebonden of thematisch) en naar discipline - is die naar institutie.
Hierbij zijn twee groepen van instellingen te onderscheiden: de instellingen op het terrein van het
cultureel erfgoed (archieven, musea, instellingen voor oudheidkundig bodemonderzoek en
monumentenzorg) en de wetenschappelijke kennisinstellingen (universiteiten, para-universitaire
onderzoekinstituten, zoals het FOM-instituut Amolf, en andere onderzoekinstituten, zoals TNO).
Deze twee groepen instellingen leggen verschillende accenten in het onderzoek. Hierbij dient
aangetekend te worden dat de wetenschappelijke kennisinstellingen onderzoek als kerntaak hebben,
terwijl de cultuurinstellingen onderzoek doen ter ondersteuning en uitvoering van hun kerntaken. De
verschillen tussen de instellingen zijn uitgewerkt in het onderstaande operationele referentiekader dat
door de AWT en de Raad voor Cultuur is ontwikkeld. Dit kader, dat door het veld in grote lijnen wordt
herkend, geeft ten aanzien van de verschillende typen onderzoek inzicht bij wie (wetenschappelijke
kennisinstelling/cultuurinstelling) het accent ligt bij de uitoefening van de onderzoektaak.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Operationeel referentiekader
         Doel                              Primaire                             Primaire
         wetenschappelijke                 verantwoordelijkh                    verantwoordelijkh
         activiteit                        eid wetenschaps-                     eid cultureel
                                           instellingen                         erfgoed-
                                                                                instellingen
         onderwijs/opleiding                        +                                    ⇐
         cultuurwaardenstelle              bij enkele                                    +
         nd onderzoek                      universitaire
         (objectgebonden)                  musea, herbaria
                                           en andere
                                           collecties
         onderzoek cultureel                        +                                    +
         erf-goed (bredere
         zin)
         behoud en beheer                           ⇒                                    +
         publieksfunctie                            ⇒                                    +
         wetenschappelijk                           +                                    ⇐
         debat
         maatschappelijk                            +                                    +
         debat
         onderzoek naar                                                                  ⇐
         management van
         instellingen                               +
         onderzoek t.b.v.                           +                                    +
         cultuurbeleid
Het teken + betekent ‘ja’; ⇒ en ⇐ geven aan dat de activiteit zijdelings, eventueel in wisselwerking
wordt verricht.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Bovenstaand referentiekader moet niet zwart-wit worden opgevat. Uiteraard zijn er, per sector,
onderdelen van gebieden waar de accentverschillen anders liggen. Zo verrichten het Nederlands
Audiovisueel Archief en het Filmmuseum het merendeel van het film- en tv-gerichte onderzoek. De
universitaire onderzoekscapaciteit op dit terrein is gering. Hetzelfde kan gezegd worden voor het
oudheidkundig bodemonderzoek waar de ROB een prominente positie inneemt. Ook zijn er culturele
instellingen die wel degelijk een bijdrage leveren aan het wetenschappelijke debat. De beide
participanten hebben hier geen monopolie, maar in het referentiekader zijn de accenten weergegeven
en nuanceringen weggelaten.
Wat betreft het universitaire onderzoek is door de Raden vooral gekeken naar groepen die zich
overwegend richten op delen van het cultureel erfgoed, zoals kunsthistorici, archeologen,
(bouw)historici, archiefwetenschappers, letterkundigen, cultureel-antropologen en etnologen. Ook
vanuit de fysica en de chemie worden, zoals is opgemerkt, steeds meer bijdragen geleverd aan het
behoud van voorwerpen van cultureel erfgoed. De Raden hebben echter een grens getrokken bij de
vakgebieden die alleen zijdelings een bijdrage kunnen leveren aan het werk van de instellingen voor
cultureel erfgoed.
1.1 Omvang van het onderzoek
Zoals is geconstateerd, vormt wetenschappelijk onderzoek een wezenlijk element in het cultuurbeleid
van de instellingen. De instellingen op het gebied van het cultureel erfgoed maken derhalve ook deel
uit van de wetenschappelijke infrastructuur. Echter, over de omvang van het onderzoek is weinig
bekend.
De omvang van het universitaire onderzoek wordt in de beschikbare statistieken van het CBS en het
ministerie van OCenW uitgesplitst naar faculteiten of zogenaamde HOOP-gebieden (Natuur,
Techniek, Landbouw, Taal en Cultuur e.d.), maar onbekend is hoeveel onderzoek er aan de
universiteiten wordt gedaan op het gebied van het cultureel erfgoed.
In de adviesaanvraag is een verzoek opgenomen om de werkelijke omvang van het onderzoek bij de
cultuurinstellingen in kaart te brengen. Met name werd gevraagd om een actualisering van de cijfers
die in het rapport van de eerder genoemde commissie Wetenschap en Cultuurbeheer bijeengebracht
zijn. Bij de inventarisatie van de knelpunten die de Raden hebben laten uitvoeren (zie voetnoot 5) is
daarom ook geprobeerd inzicht te verkrijgen in de omvang van het onderzoek. Dat is echter niet
gelukt. Het rapport geeft slechts een indicatie van de huidige stand van zaken bij een beperkt aantal
instellingen en een betrouwbare indicatie van de totale omvang van het onderzoek ontbreekt. De
Raden vinden het overigens ook niet hun primaire taak om een volledige inventarisatie te laten
uitvoeren. Immers, in het Wetenschapsbudget van het ministerie van OCenW wordt telkens een
kwantitatief overzicht gegeven van al het onderzoek dat door de Rijksoverheid wordt gefinancierd.
Waarom in de zogenoemde Totale Onderzoek Financiering (TOF) de sector van het cultureel erfgoed
ontbreekt, ontgaat de Raden. In vroegere jaren bevatte de TOF immers wèl cijfers over het onderzoek
in deze sector. Dat ze er nu niet meer zijn, bevreemdt de Raden, aangezien het hier gaat om
instellingen die nota bene onder verantwoordelijkheid van het ministerie van OCenW vallen. Wel zijn
de Raden het met de bewindslieden erover eens dat het voor het cultuur- en wetenschapsbeleid
belangrijk is dat men een indicatie heeft over de omvang van het onderzoek. Het verdient derhalve
aanbeveling om voortaan cijfers over de omvang het onderzoek door de cultureel erfgoed-instellingen
weer in de TOF op te nemen.
1.2 Kwaliteit van het onderzoek
In de adviesaanvraag wordt ook de kwaliteit van het onderzoek aan de orde gesteld. Het gaat hier niet
om het universitaire onderzoek; dat wordt door visitatiecommissies op kwaliteit beoordeeld. De vraag
richt zich op het onderzoek bij de cultuurinstellingen.
In de Cultuurnota Pantser of ruggengraat is gesignaleerd dat bij de erfgoed-instellingen die onderzoek
verrichten, nog te weinig de kwaliteit van dat onderzoek wordt getoetst aan de hand van de
gebruikelijke criteria voor wetenschappelijk onderzoek. De staatssecretaris verbond daaraan het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>voornemen om de komende periode een dergelijke toets te laten uitvoeren, waarbij bekeken zou
moeten worden of daarvoor de door de VSNU gehanteerde systematiek van visitatiecommissies
gebruikt zou kunnen worden.
Als een instelling speciale onderzoektaken heeft, dan wel als een erkend kenniscentrum wil
functioneren, is beoordeling van de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek zeker van belang. In
sommige musea wordt onderzoek gedaan dat uitstijgt boven het feitelijke objectgebonden onderzoek
en dat een belangrijke bijdrage levert aan het wetenschappelijke debat binnen een vakgebied. Een
goed voorbeeld hiervan is het onderzoek dat gedaan wordt bij Naturalis/Nationaal Natuurhistorisch
Museum. Dergelijk onderzoek zou volgens de AWT en de Raad voor Cultuur wel door universitaire
visitatiecommissies beoordeeld kunnen worden, waardoor ook de samenhang met en de
complementariteit ten opzichte van het universitaire onderzoek zichtbaar wordt. Bij de universitaire
musea, herbaria en sommige andere collecties is dat al usance.
Wanneer de Rijksdiensten op het terrein van het cultureel erfgoed zich in de toekomst ontwikkelen tot
kenniscentra waar onderzoek een substantieel deel van de kerntaken zou uitmaken, zouden ook deze
door visitatiecommissies beoordeeld moeten worden.
Anders ligt het bij het missiegebonden onderzoek bij de overige cultuurinstellingen. De AWT en Raad
voor Cultuur bevelen de staatssecretaris aan het voornemen om het onderzoek door
visitatiecommissies te laten beoordelen anders uit te voeren. De Raden menen dat het juist is een
belangrijke ‘neventaak’ als het doen van onderzoek niet buiten beschouwing te laten als de staat van
dienst van een cultuurinstelling wordt opgemaakt. Bij de visitatiecommissies wordt echter - per
vakgebied - vooral naar de wetenschappelijke kwaliteit van het onderzoek gekeken, terwijl het
missiegebonden onderzoek van de cultuurinstellingen juist in samenhang met de kerntaken moet
worden beoordeeld. De AWT en de Raad voor Cultuur bevelen de staatssecretaris aan geen aparte
beoordelingscommissies voor het onderzoek als zodanig bij de cultuurinstellingen in het leven te
roepen. De Raden pleiten voor een systeem van periodieke beoordelingen van de inhoudelijke
uitvoering van de missies van de instellingen. Daarin moet de wetenschappelijke kwaliteit, mede
gebaseerd op het verrichten van onderzoek, meegenomen worden. Zulke beoordelingen vormen een
basis voor de staatssecretaris voor zijn (financiële) afspraken met de instellingen.
2. Samenwerking
Het referentiekader uit het vorige hoofdstuk laat zien dat er mogelijkheden voor samenwerking zijn op
de terreinen van onderzoek en onderwijs. Samenwerking past ook bij de missie van de
wetenschappelijke kennisinstellingen om zich maatschappelijk dienstbaar op te stellen. Echter, zo is
het oordeel van de ondervraagde instellingen, veelal is de samenwerking die plaatsvindt
persoonsgebonden en incidenteel. Voor meer structurele samenwerking op institutioneel niveau
zouden de bestaande 'cultuurverschillen' tussen de twee circuits een hinderpaal kunnen vormen; ook
kunnen er te weinig middelen zijn. Het kader laat evenwel zien dat die cultuurverschillen heel natuurlijk
zijn. Juist vanwege die verschillen is samenwerking zinvol.
Samenwerking: verschillende doelen
Samenwerking tussen universiteiten en erfgoed-instellingen is geen doel op zich. Met samenwerking
kunnen verschillende ambities worden gerealiseerd.
Allereerst fungeren de cultuurinstellingen, met name de musea en de archieven, als 'laboratoria' voor
de wetenschap; voor vele onderzoekers zijn ze onmisbaar.
Ten tweede kunnen de cultuurinstellingen een belangrijke bijdrage aan het onderwijs leveren. Zo heeft
de RDMZ met het oog op de verankering van de kennis van monumentenzorg in de universiteiten,
bijzondere leerstoelen bij de TUD, de UU en de UM. Het Rijksmuseum is nauw betrokken bij de
organisatie van een jaarlijkse Summer University met de UvA en de UM. Voorts worden onderzoekers
en studenten begeleid door de medewerkers van de Rijks- en lokale archieven en bijvoorbeeld ook
het Nederlands Audiovisueel Archief.
Een derde motief voor samenwerking kan zijn dat men elkaars werk aanvult. Zo presenteerde het Van
Gogh Museum in 1998 een tentoonstelling, die door studenten was samengesteld uit de collectie van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>het Prentenkabinet van de Leidse Universiteit. Meer in het algemeen leveren universitaire
onderzoekers veelvuldig wetenschappelijke bijdragen aan tentoonstellingscatalogi.
Een vierde, zeer belangrijk, motief voor samenwerking is onderzoek waarvan het belang uitstijgt
boven dat van de afzonderlijke instellingen. Het gaat hier veelal om onderzoek dat voor het behoud
van het cultureel erfgoed van groot nationaal belang is. Zonder extra middelen van derden is dit soort
onderzoek in de regel niet te realiseren. Een voorbeeld is het MOLART-project (Molecular Aspects of
Ageing in Painted Works of Art). MOLART is een vijfjarig multidisciplinair prioriteitsprogramma van
NWO, waarin wordt samengewerkt door een groot aantal organisaties en bedrijven, zoals diverse
Nederlandse musea en een viertal buitenlandse musea, de onderzoekschool Kunstgeschiedenis, het
ICN, Shell Research and Technology Centre, AKZO-NOBEL, het FOM-instituut AMOLF, de Stichting
Restauratie Atelier Limburg, de TUE en de TUD. Het multidisciplinaire project kon mede tot stand
komen omdat binnen NWO afstemming plaatsvond tussen de Gebiedsbesturen
Geesteswetenschappen en Exacte wetenschappen.
Een ander voorbeeld van interdisciplinaire samenwerking met een brede uitstraling is het Rembrandt
Research Project (RRP). Het RRP, dat financieel ondersteund werd door NWO, DSM en de
Universiteit van Amsterdam, is in 1968 gestart met als doel het geschilderde oeuvre van Rembrandt te
onderzoeken. Binnen dit project vindt samenwerking plaats tussen een groot aantal instellingen, zoals
diverse musea in Nederland en in het buitenland, de UvA, het Centraal Laboratorium voor Onderzoek
van Voorwerpen van Kunst en Wetenschap (nu onderdeel van het ICN) en externe experts op het
gebied van natuurwetenschappelijk onderzoek, archiefonderzoek, kostuumonderzoek, schriftkundig
onderzoek, houtbiologisch onderzoek en onderzoek naar tekeningen, onder meer via de Stichting
Restauratie Atelier Limburg, het Institut für Holzbiologie/Universität Hamburg, het Gerechtelijk
Laboratorium en het Rijksprentenkabinet.
Persoonsgebonden en institutionele samenwerking
Zoals gezegd, is veel samenwerking persoonsgebonden en zou, volgens de instellingen, institutionele
samenwerking te weinig voorkomen. Toch zijn er ontwikkelingen die in de goede richting wijzen; de
Raden zullen dit hieronder toelichten.
De persoonsgebonden samenwerking is vaak voor de beleidswereld onzichtbaar, in die zin dat er
geen samenwerkingscontracten zijn getekend of samenwerkingsverbanden een herkenbare naam
dragen. Er wordt door iemand een initiatief genomen en als het klikt gaat men samen verder. Het
verband is meestal tijdelijk. Ook zijn er projecten die door externe financiers worden ondersteund. Zo
heeft de Mondriaan Stichting in 1995 een subsidieregeling in het leven geroepen met als doel de
samenwerking en samenhang in het onderzoek bij universiteiten en kunstmusea te bevorderen. Er
was een aantal redenen voor dit initiatief: bevordering van de wetenschappelijke ontsluiting van
museale collecties, verbetering van de aansluiting tussen de wetenschappelijke studie aan de
universiteiten en de museale praktijk en het stimuleren van de uitgave van interessante
kunsthistorische publicaties. Jaarlijks is een fonds van ongeveer drie ton beschikbaar waaruit twee tot
drie onderzoeken kunnen worden gefinancierd.
Ook NWO ondersteunt gezamenlijke projecten, bijvoorbeeld het oudheidkundig (bodem)onderzoek
van de universiteiten en de ROB of het vierjarige project van de universiteiten en de Rijksarchiefdienst
inzake het ontsluiten en registreren van archieven van individuele wetenschappers en
wetenschappelijke instellingen.
Het voorgaande wil geenszins zeggen dat samenwerking op institutioneel niveau ontbreekt. Zo is het
Nederlands Architectuur Instituut met de RUG het J.J.P. Oud-project begonnen. Naturalis ondervindt
geen problemen met institutionele samenwerking; men heeft convenanten gesloten met onder meer
de UL en het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen/TNO, de Universiteit van
Granada en andere universiteiten in het buitenland. Een ander voorbeeld van institutionele
samenwerking is het Mali-project, waarin het Rijksmuseum voor Volkenkunde participeert samen met
de TUE en de overheid (Ontwikkelingssamenwerking).
Internationale samenwerking bij onderzoek op een reguliere en institutionele basis komt niet veel voor.
Daar is wel persoonsgebonden samenwerking. Er zijn projecten, bijvoorbeeld in het kader van de
bilaterale culturele verdragen of de European Science Foundation of via de Nederlandse instituten in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>het buitenland, zoals die in Florence en Caïro, maar samenwerking op grote schaal vindt niet veel
plaats. De betrokkenen zijn van mening dat er geen goed overzicht van internationale fondsen is,
hoewel NWO samen met de KNAW een informatiedienst in Brussel heeft (NEST) en bij SENTER c.q.
EG-Liaison informatie over Europese programma's is te verkrijgen. Weliswaar opereren deze diensten
voornamelijk ten behoeve van de bèta-wetenschappen, maar dat is mede te wijten aan de
omstandigheid dat er vanuit de sector van het cultureel erfgoed weinig vragen aan deze diensten
worden gesteld.
Onderzoekscholen
Volgens de AWT en de Raad voor de Cultuur zijn er tekenen die erop wijzen dat de institutionele
samenwerking toeneemt. Hierbij spelen met name de onderzoekscholen een netwerkvormende en
programmatisch stimulerende rol. Hierop wordt in het volgende kort ingegaan.
De onderzoekscholen vormen niet alleen platforms voor overleg en uitwisseling van informatie, maar
zijn vooral netwerken voor samenwerking in het onderzoek en het opleiden van promovendi. Er zijn
momenteel vijf onderzoekscholen waarin zowel universiteiten als erfgoed-instellingen participeren.
Voor het archiefwezen wordt de opzet van een onderzoekschool onderzocht.
Er is één onderzoekschool op het terrein van de biologie (Biodiversiteit); de overige onderzoekscholen
liggen op het terrein van de cultuurwetenschappen.
In de onderzoekschool Biodiversiteit wordt geparticipeerd door drie universiteiten (UvA, UL, LUW),
Naturalis, het KNAW-instituut Centraal Bureau voor Schimmelcultures en het Expertise Centrum voor
Taxonomische Identificatie.
In het N.W. Posthumus instituut voor economische en sociale geschiedenis participeren tien
universiteiten en het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) van de KNAW.
Voor het werkterrein van de archeologie bestaat de Interuniversitaire Onderzoekschool Archeologie
Nederland, ARCHON. Hieraan wordt deelgenomen door vijf universiteiten en de ROB.
De onderzoekschool CNWS (Centrum Niet-Westerse Studies) van de UL heeft
samenwerkingsovereenkomsten gesloten met onder meer het IISG, het Rijksmuseum van Oudheden,
het Rijksmuseum voor Volkenkunde en het Nederlands Economisch Historisch Archief.
Vooral in de Onderzoekschool Kunstgeschiedenis wordt door veel niet-universitaire instellingen
geparticipeerd. Naast zeven universiteiten wordt deelgenomen door het Rijksmuseum, het Van Gogh
Museum, het NAi en de RDMZ. Verder zijn er nog vijf stedelijke musea die met de onderzoekschool
geassocieerd zijn.
Conclusie
De AWT en de Raad voor de Cultuur stellen vast dat er wel degelijk samenwerking plaatsvindt bij het
onderzoek op het terrein van het cultureel erfgoed - zowel persoonsgebonden als institutioneel en
nationaal en internationaal -, maar dat er volgens de instellingen knelpunten zijn bij de versterking van
de dynamiek in de sector. Meer in het algemeen is duidelijk dat de bekostiging van de onderzoektaak
aandacht behoeft. Daarnaast is er behoefte aan een (of meer) platform(s) voor institutioneel overleg,
coördinatie en afstemming van onderzoek. Hieronder gaan de Raden daarop nader in.
2.1 De onderzoektaak van de cultuurinstellingen
Zowel de wetenschapsinstellingen als de erfgoed-instellingen hebben een onderzoektaak. Bij de
erfgoed-instellingen staat het onderzoek, mede als gevolg van bezuinigingen en de verzelfstandiging,
onder druk. De AWT en de Raad voor Cultuur zijn van mening dat onderzoek een wezenlijk onderdeel
vormt van de activiteiten van de erfgoed-instellingen. De omvang van die onderzoektaak en de
daarvoor beschikbare onderzoekbudgetten verschillen per instelling; er zijn musea met ruime
onderzoekmiddelen, waarmee ook aanvullend onderzoek gedaan kan worden en musea die
nauwelijks mensen voor onderzoek kunnen vrijmaken en alleen het meest noodzakelijke -
missiegebonden - onderzoekwerk kunnen doen. Dit neemt niet weg, dat alle erfgoed-instellingen hun
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>werk niet goed kunnen doen zonder ook verdiepend onderzoek. Hoe hoog de budgetten daarvoor
moeten zijn, moge een punt van discussie zijn, de onderzoektaak zelf is dat niet.
Samenwerking: wederzijds belang
De AWT en Raad voor Cultuur dringen er bij de minister van OCenW en de staatssecretaris van
Cultuur op aan, dat de wetenschappelijke onderzoektaak van de erfgoed-instellingen niet wordt
aangetast. Vooropgesteld wordt dat de instellingen over voldoende middelen moeten beschikken om
hun onderzoektaak naar behoren te kunnen vervullen. Samenwerking bij onderzoek zal in beginsel uit
de eigen middelen gefinancierd moeten worden. Immers, in veel gevallen hebben zowel de
universiteiten als de erfgoed-instellingen belang bij samenwerking; dan ligt het niet voor de hand dat
daarvoor extra middelen beschikbaar komen. De instellingen zullen zelf keuzes moeten maken. Op de
gevallen waarbij de samenwerking bij onderzoek een belangrijke meerwaarde heeft (bijvoorbeeld op
het gebied van het cultuurbehoud) en daarvoor een extra investering vergt, zal hieronder verder
worden ingegaan.
2.2. Samenwerking vanuit nationaal belang
Er zijn ook vormen van samenwerking bij onderzoek die boven het belang van de afzonderlijke
instellingen uitstijgen. Het eerder genoemde MOLART-project is daarvan een voorbeeld. Dergelijke
projecten vergen aanzienlijke extra investeringen. De AWT en de Raad voor Cultuur zien drie
mogelijkheden om soortgelijke samenwerkingsvormen te stimuleren.
Allereerst kunnen de Rijksdiensten, en ook de onderzoekscholen, initiatieven nemen voor
instituutsoverstijgende samenwerkingsprojecten en -programma's (ook internationaal) en de betrokken
partijen daartoe bijeenbrengen. Vervolgens kunnen de samenwerkingsverbanden zich wenden tot de
staatssecretaris van Cultuur voor co-financiering. Ook kan men voorstellen indienen bij de
onderzoekprogramma's van de EU.
Een tweede mogelijkheid bestaat eruit dat de staatssecretaris zelf besluit bepaalde
onderzoekprogramma's vanuit een nationaal cultureel belang te selecteren en hiervoor middelen
beschikbaar stelt. Deze middelen kunnen geoormerkt aan NWO ter beschikking worden gesteld,
omdat NWO ruime ervaring heeft kwaliteit te honoreren en omdat NWO in staat is verschillende
disciplines bijeen te brengen, zoals het MOLART-project heeft laten zien.
Tot slot kan NWO ook zelf besluiten om interne verschuivingen aan te brengen. Het Meerjarenplan
Gebiedsbestuur Geesteswetenschappen 2001-2004 duidt erop dat NWO inderdaad voornemens is de
samenwerking tussen universiteiten en erfgoed-instellingen te bevorderen. In het plan worden nieuwe
programmatische initiatieven genoemd; de thema's zijn mede gekozen omdat zij zich kunnen lenen
voor multidisciplinaire benadering en samenwerking tussen universiteiten en erfgoed-instellingen. Het
eerste thema is onderzoek naar het behoud van het cultureel erfgoed. Het MOLART-programma valt
hieronder, alsook het in voorbereiding zijnde stimuleringsprogramma Bodemarchief. Een ander
interessant thema omvat een belangrijk onderdeel van dit advies: de kruisbestuiving van
kunsthistorisch universitair onderzoek en het onderzoek dat instellingen in de cultuursector, in het
bijzonder musea, uit hoofde van hun taken verrichten. De AWT en de Raad voor Cultuur zijn verheugd
over de weg die het Gebiedsbestuur Geesteswetenschappen in het Meerjarenplan 2001-2004 heeft
ingeslagen; zij menen dat met het plan de dynamiek in de sector van het cultureel erfgoed een extra
impuls zal krijgen. Een niet onbelangrijke voorwaarde hierbij is dat het Gebiedsbestuur
Geesteswetenschappen steun krijgt van het Algemeen Bestuur van NWO om samenwerking te vinden
met de Gebiedsbesturen Gedrags- en Maatschappijwetenschappen, en Exacte Wetenschappen.
2.3 Subsidieregeling Mondriaan Stichting
Naar aanleiding van de adviesaanvraag is door het ministerie expliciet aandacht gevraagd voor de
eerder genoemde subsidieregeling van de Mondriaan Stichting. De AWT en de Raad voor Cultuur
constateren dat de reacties over deze regeling van instellingen uit het veld enthousiast zijn. Er blijkt
grote behoefte te bestaan aan een dergelijke aanvullende voorziening ter ondersteuning van
gezamenlijke onderzoeksactiviteiten van universiteiten en cultuurinstellingen.
De Raden bevelen aan de regeling van de Mondriaan Stichting te continueren met de kanttekening
dat de regeling uitgebreid zou moeten worden, zodat niet alleen de kunstmusea maar ook musea uit
andere sectoren onderzoekvoorstellen kunnen indienen. Naar de mening van de Raden zou
daarnaast bezien moeten worden of het niet de voorkeur zou genieten dat de regeling wordt
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>ondergebracht bij NWO. Deze overheveling zou de toegankelijkheid en de continuïteit van de regeling
ten goede komen. Bovendien kan hiermee de aansluiting bij de bij NWO reeds bestaande
stimuleringsregelingen en initiatieven voor onderzoek naar cultureel erfgoed worden verbeterd. Ook
zou, gezien het brede veld van wetenschappen dat door NWO wordt bestreken, de regeling kunnen
worden ingezet voor multidisciplinair onderzoek.
2.4 Rijksdiensten als platforms voor overleg en samenwerking
Naast de behoefte aan budgetten voor missiegebonden onderzoek - voldoende ook voor
samenwerking met wetenschapsinstellingen -, en extra middelen om instellingsoverstijgend onderzoek
te doen, wordt in het veld ook het ontbreken van herkenbare platforms als knelpunt gezien.
Dit kan geïllustreerd worden met een voorbeeld op het terrein van de Nederlandse archeologie. Vanaf
1940 tot aan de opheffing van de Monumentenraad in 1990 heeft de Rijkscommissie voor het
Oudheidkundig Bodemonderzoek (RCOB) bestaan. De commissie was in het leven geroepen door het
ministerie van OK&W met het doel als coördinerende instantie op te treden voor de archeologie-
beoefening in Nederland. Eén van de taken van de RCOB was te zorgen voor een goede
samenwerking tussen de instellingen die zich met de archeologie bezig hielden en versnippering van
krachten te voorkomen. In 1961 werd de RCOB een afdeling van de Monumentenraad. Na opheffing
van de Monumentenraad in 1990 werd de RCOB opgenomen in de Raad voor het Cultuurbeheer en
veranderde van naam. De Rijkscommissie voor de Archeologie zette het werk van de RCOB voort en
functioneerde tot de opheffing van de Raad voor het Cultuurbeheer eind 1995. Binnen de Raad voor
Cultuur, de rechtsopvolger van de Raad voor het Cultuurbeheer, bestaat nog een commissie voor
Archeologie & Monumenten, maar deze heeft een andere functie dan de RCOB en de Rijkscommissie
voor de Archeologie destijds.
De Commissie Geesteswetenschappen van de KNAW stelt in haar jaarverslag 1998 dat het gewenst
is een overlegorgaan in het leven te roepen waarin vertegenwoordigers van verschillende sectoren
van de archeologie zitting hebben: universitaire afdelingen, de ROB, gemeentelijke archeologische
diensten en archeologische opgravingsbedrijven.
Het voorbeeld van de Nederlandse archeologie staat niet op zichzelf. Op het terrein van het cultureel
erfgoed functioneren een aantal centrale instellingen die onderzoek doen of het ondersteunen
daarvan als kerntaak hebben. Het betreft hier met name de vier Rijksdiensten: de Rijksarchiefdienst,
de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), de Rijksdienst voor de
Monumentenzorg (RDMZ) en het Instituut Collectie Nederland (ICN). Daarnaast moeten ook het
Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD), de Koninklijke Bibliotheek en het Nederlands
Architectuurinstituut (NAi) genoemd worden. Deze instellingen bekleden een belangrijke positie in de
wetenschappelijke infrastructuur. Zij vormen, zowel binnen als buiten de sectoren, belangrijke punten
voor overdracht van kennis en zij leggen verbindingen tussen wetenschap en maatschappelijke vraag.
Voor het opzetten van gezamenlijke onderzoekprogramma’s tussen universiteiten en erfgoed-
instellingen dient er naar de mening van de Raden een structuur van samenwerking tot stand te
komen, waarin het onderzoek op het terrein van het cultuurbeheer kan worden ingebed. Op sommige
plaatsen is die structuur al aanwezig, maar zou die nog verder versterkt kunnen worden. Daarbij
kunnen de Rijksdiensten, die zich in het kader van hun nieuwe taakstelling in de toekomst tot
kenniscentra moeten ontwikkelen, een belangrijke rol vervullen. Mede vanwege hun positie midden in
het veld van het cultureel erfgoed en hun betrokkenheid bij de universitaire onderzoekscholen, zijn
deze diensten in de optiek van de AWT en de Raad voor Cultuur bij uitstek geschikt om een
initiërende en coördinerende rol te vervullen bij onderzoeksprojecten, waarbij meerdere partners
betrokken zijn. Zij zouden met andere woorden de gewenste platform-functie kunnen vervullen. Het
terrein van het cultureel erfgoed is te omvangrijk en bovendien te heterogeen om daarbij aan één
centraal platform te denken, wat natuurlijk niet wegneemt dat de Rijksdiensten op bestuurlijk niveau tot
overleg kunnen komen.
Het gaat hier uitdrukkelijk om platform-functies en niet om geldverdelende taken. Het is volgens de
Raden niet de bedoeling dat er extra geld voor onderzoek richting bedoelde platforms c.q.
kenniscentra gaat. De middelen voor instellingsoverstijgende onderzoek-samenwerking worden
toegekend door de staatssecretaris van Cultuur, NWO - eventueel inclusief het onderzoekfonds van
de Mondriaan Stichting -, de fondsen voor internationale samenwerking e.d.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>3. Conclusies en aanbevelingen
1. Onderzoek als hoofdtaak en onderzoek ter ondersteuning van kerntaken
De wetenschappelijke kennisinstellingen hebben onderzoek als hoofdtaak. De cultuurinstellingen doen
onderzoek dat onmisbaar is voor hun kerntaken: verwerven, behouden en beheren, en presenteren
van cultureel erfgoed. Zonder onderzoek is uitvoering van die taken door de instellingen niet mogelijk.
De hoogte van de onderzoekbudgetten voor de cultuurinstellingen moge ter discussie staan, de
onderzoektaak zelf is dat volgens de AWT en de Raad voor Cultuur niet. Daarbij is het volgens de
Raden wel van belang dat de cultuurinstellingen in staat worden gesteld om het missiegebonden
onderzoek naar behoren te kunnen verrichten en, wanneer er wederzijds belang is,
onderzoeksamenwerking aan te gaan met wetenschapsinstellingen. Een beoordeling van de hoogte
van de onderzoekbudgetten valt buiten het bestek van dit advies.
2. Omvang van het onderzoek in de sector Cultureel Erfgoed
De omvang van het universitaire onderzoek op het terrein van het cultureel erfgoed is onbekend,
omdat in de officiële statistieken cijfers worden verzameld per wetenschapsgebied (bijv. Taal en
Cultuur, Letterenfaculteiten etc) en niet per onderzoekthema, zoals dat van het cultureel erfgoed. Ook
is het niet bekend hoeveel onderzoek plaatsvindt binnen de cultuurinstellingen. Volgens de laatste
inventarisatie uit 1990 is de omvang van het wetenschappelijk onderzoek bij de Rijksmusea en
Rijksdiensten voor dat jaar geschat op circa f 20 mln.
In het Wetenschapsbudget is een overzicht - de Totale Onderzoek Financiering (TOF) - opgenomen
van al het onderzoek dat door de Rijksoverheid wordt bekostigd. Sinds enige tijd ontbreekt de sector
Cultureel Erfgoed in de TOF. Het verdient aanbeveling om de omvang van het wetenschappelijk
onderzoek in deze sector weer in de TOF op te nemen.
3. Kwaliteit van het onderzoek
De kwaliteit van het universitair onderzoek wordt door visitatiecommissies beoordeeld. Bij de vraag of
ook de cultuurinstellingen aan deze visitaties zouden moeten deelnemen, is het van belang een
onderscheid aan te brengen tussen de wetenschappelijke cultuurinstellingen en de cultuurinstellingen
die onderzoek doen ter vervulling van hun missie. Voor de laatste groep van instellingen moet de
kwaliteit van het onderzoek in samenhang met de kerntaken worden bekeken. Het verdient daarom
aanbeveling voor de cultuurinstellingen aparte commissies in het leven te roepen die periodiek en per
sector de missies en in samenhang daarmee ook het onderzoek beoordelen. De wetenschappelijke
cultuurinstellingen - wetenschappelijke musea en Rijksdiensten - zouden wèl aan de universitaire
visitaties moeten deelnemen.
4. Samenwerking tussen wetenschaps- en cultuurinstellingen
Er vindt samenwerking plaats tussen wetenschaps- en cultuurinstellingen, maar deze is volgens de
betrokkenen vooral incidenteel en persoonsgebonden. Bij programmatische en institutionele
samenwerking - ook internationaal - zijn volgens de ondervraagde instellingen twee knelpunten: de
geringe hoeveelheid middelen voor onderzoek en het ontbreken van platforms voor overleg,
coördinatie en afstemming van onderzoek.
- Samenwerking bij wederzijds belang
Samenwerking - bilateraal, tussen personen en instituties - op het gebied van onderzoek behoort in
principe uit de eigen middelen van de instellingen gefinancierd te worden. Immers, als instellingen of
personen voordeel zien in samenwerking, zal de meerwaarde moeten opwegen tegen het alleen op
eigen weg verdergaan. Samenwerking vraagt derhalve om het maken van keuzes: blijft men doen
waar men mee bezig is of stopt men bepaalde activiteiten teneinde met de daarmee vrijkomende tijd
en middelen nieuwe activiteiten - in samenwerking met anderen - te ontplooien? Voorwaarde voor het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>maken van dergelijke keuzes is dat de instellingen over voldoende middelen voor het missiegebonden
onderzoek beschikken. Vooral bij de cultuurinstellingen, die onderzoek doen ter ondersteuning van
hun kerntaken, is het van belang dat ze van overheidswege over een budget beschikken dat
voldoende ruimte biedt voor het doen van missiegebonden onderzoek. De mogelijkheden voor
samenwerking tussen wetenschaps- en cultuurinstellingen vallen of staan met de hoeveelheid
beschikbare middelen voor eigen onderzoek. Wie niets heeft, heeft niets te bieden. Dat geldt zeker
voor de cultuurinstellingen, maar ook voor delen van het universitaire onderzoek.
- Internationale samenwerking
Onderzoeksamenwerking op internationaal en institutioneel/programmatisch niveau komt niet veel
voor. Dat wordt door de betrokken instellingen geweten aan een tekort aan fondsen. De AWT en de
Raad voor Cultuur menen echter dat er voldoende fondsen zijn; alleen is de voorlichting vooral gericht
op de bèta-wetenschappen. Wanneer de cultuurinstellingen - samen met de universiteiten,
onderzoekscholen, onderzoekinstituten, en Rijksdiensten - vaker een beroep zouden doen op de
agentschappen voor internationale onderzoeksamenwerking (NEST van NWO en KNAW, en EG-
Liaison van SENTER), dan zouden nieuwe wegen geopend kunnen worden.
- Samenwerking vanuit nationaal belang
Er zijn vormen van onderzoeksamenwerking die boven het belang van de afzonderlijke instellingen
uitstijgen. Voorbeelden hiervan zijn het MOLART-project en het Rembrandt Research Project.
Dergelijke projecten overstijgen niet alleen de grenzen van de instellingen, maar ook die van
disciplines. De AWT en de Raad voor Cultuur zien drie mogelijkheden om instituutsoverstijgende (en
multidisciplinaire) samenwerking te stimuleren. Allereerst kan ‘het veld’ zichzelf organiseren, met
projectvoorstellen komen en ‘aankloppen’ bij de staatssecretaris voor co-financiering. Ten tweede kan
de staatssecretaris zelf keuzes voor onderzoekthema’s maken en hiervoor middelen geoormerkt aan
NWO ter beschikking stellen. Tot slot kan NWO verschuivingen aanbrengen binnen het budget. Het
Meerjarenplan Gebiedsbestuur Geesteswetenschappen 2001-2004 duidt erop dat NWO inderdaad
voornemens is de samenwerking tussen wetenschaps- en cultuurinstellingen te bevorderen. De AWT
en de Raad voor Cultuur zijn verheugd over de weg die NWO heeft ingeslagen. In het bijzonder
stellen de Raden de samenwerking tussen de Gebiedsbesturen binnen NWO - exacte en
geesteswetenschappen - op prijs.
- Kenniscentra als platforms voor overleg
Er is volgens de meeste van de ondervraagde instellingen behoefte aan platforms voor overleg,
afstemming en initiatieven voor onderzoeksamenwerking. De AWT en de Raad voor Cultuur menen
dat op dit gebied geen overheidsingrijpen nodig is. De initiatieven zullen bottom-up moeten komen.
Hierbij kunnen de onderzoekscholen een rol spelen, maar zeer zeker ook de Rijksdiensten als deze
zich in de toekomst ontwikkelen tot kenniscentra. Het gaat hier nadrukkelijk om platforms voor overleg
en niet om extra geld voor nieuwe gremia. Doel van de platforms is partijen bijeen te brengen,
voorstellen voor onderzoeksamenwerking te formuleren, en externe geldbronnen aan te boren.
5. Mondriaan Stichting
De Mondriaan Stichting heeft een regeling ter bevordering van het kunsthistorisch onderzoek in
kunstmusea en de onderzoeksamenwerking tussen kunstmusea en universiteiten. Er blijkt grote
behoefte te bestaan aan een dergelijke aanvullende voorziening. De AWT en de Raad voor Cultuur
bevelen aan de regeling te continueren met de kanttekeningen dat ten eerste ook andere musea dan
alleen de kunstmusea voorstellen voor onderzoeksamenwerking moeten kunnen indienen, en ten
tweede dat de regeling beter naar NWO overgeheveld zou kunnen worden teneinde de
toegankelijkheid en de continuïteit van de regeling te bevorderen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Lijst van afkortingen
AMOLF FOM-instituut voor Atoom- en Molecuulfysica
ARCHON        Onderzoekschool Archeologie Nederland
AWT           Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid
CNWS Onderzoekschool Centrum Niet-Westerse Studies
FOM           Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie
HOOP Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan
ICN           Instituut Collectie Nederland
IISG          Internationaal Instituut Sociale Geschiedenis
KNAW Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen
MOLART        Molecular Aspects of Ageing in Painted Works of Art
NAi           Nederlands Architectuurinstituut
NWO           Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
RCOB          Rijkscommissie voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek
RDMZ Rijksdienst voor de Monumentenzorg
RKD           Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie
ROB           Rijksbureau voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek
RRP           Rembrandt Research Project
RUG           Rijksuniversiteit Groningen
TOF           Totale Onderzoek Financiering
TUD           Technische Universiteit Delft
TUE           Technische Universiteit Eindhoven
UL            Universiteit Leiden
UM            Universiteit Maastricht
UU            Universiteit Utrecht
UvA           Universiteit van Amsterdam
VSNU          Vereniging van Nederlandse Universiteiten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>