<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>38                          Hoofdlijnen Innovatiebeleid
mei 1999
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
tel 070 - 363 9922
fax 070 - 360 8992
e-mail: secretariaat@AWT.nl
http://www.awt.nl/
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                                                    Inhoud
Samenvatting                                                       5
1. Inleiding                                                      11
2. Het innovatiesysteem                                          13
    2.1 Systeembenadering                                        13
    2.2 Veranderingen in het innovatiesysteem                  13
    2.3 Zwakke plekken in het innovatiesysteem                 15
3. Innovatiebeleid                                               17
    3.1 Meer aandacht voor innovatief klimaat                  17
    3.2 Publieke kennisinstituten: heldere missies en
        aanspreken op eigen verantwoordelijkheid                 22
    3.3 Subsidies meer richten op het funderend onderzoek van
        waaruit nieuwe bedrijvigheid kan ontstaan                23
Bijlage: adviesaanvraag                                          27
                                                      A W T - a d v i e s n r . 3 8      3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                                                                 Samenvatting
  De Raad zal de conclusies en aanbevelingen uit dit advies groeperen rond de
  specifieke aandachtspunten die zijn gegeven in de adviesaanvraag over het
  innovatiebeleid in een systeembenadering (zie bijlage).
  Vraag 1
  Is de Raad van mening dat de genoemde verbreding van een systeembenadering in plaats
  van een benadering gebaseerd op marktimperfecties tot fundamentele veranderingen in
  het innovatiebeleid moet leiden, en zo ja, hoe dienen die veranderingen te worden gecon-
  cretiseerd?
  Innoveren  het met economisch succes naar de markt brengen van nieuwe,
  verbeterde of meer concurrerende producten, processen of diensten  hangt
  van vele factoren af. Het gehele samenstel en samenspel van factoren  hier
  kortheidshalve het innovatiesysteem genoemd  bepaalt de mogelijkheden tot
  innoveren. Het beleid moet dit geheel van factoren, inclusief de veranderin-
  gen in de tijd, in ogenschouw nemen.
  Het innovatiebeleid heeft in de loop van de tijd zijn huidige vorm gekregen
  vooral door het steeds weer toevoegen van nieuwe maatregelen. Deze incre-
  mentele benadering  voor elk probleem weer een nieuwe maatregel  leidt
  niet noodzakelijkerwijs tot een optimale situatie. De Raad meent dat een her-
  oriëntatie wenselijk is. Steeds duidelijker komt naar voren dat de drijfveren en
  mogelijkheden tot innoveren sterk afhankelijk zijn van een innovatiecultuur,
  die mede wordt bepaald door factoren die traditioneel buiten het gezichtsveld
  van het technologiebeleid liggen. Daarnaast is de Raad van mening dat de
  terechte wens van de overheid om het door haar gefinancierde onderzoek ten
  nutte te laten zijn van de maatschappij, heeft geleid tot een situatie waarin de
  aandacht van de overheid zelf teveel is gericht op het stimuleren van onder-
  zoekstoepassingen die van belang zijn voor anderen. Dit ten koste van de aan-
  dacht voor de taken waarvoor de overheid bij uitstek zelf verantwoordelijk-
  heid draagt: het onderwijs en het funderende onderzoek. Gechargeerd
  gezegd: de overheid zit nogal eens op de stoel van anderen ten koste van haar
  eigen taken. Deze vermenging van verantwoordelijkheden is in de ogen van
  de Raad niet effectief.
       Tegen deze achtergrond komt de Raad tot zijn aanbeveling om het innova-
  tiebeleid te concentreren op de volgende drie hoofdthemas:
- het stimuleren van een innovatiecultuur en -klimaat;
- publieke kennisinstituten: heldere missies en aanspreken op eigen verant-
  woordelijkheid;
- subsidies meer richten op het funderend onderzoek van waaruit nieuwe
  bedrijvigheid kan ontstaan.
                                                                  A W T - a d v i e s   n r . 3 8           5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>    Het stimuleren van een innovatiecultuur en -klimaat
    De innovatiekracht van een land is gedeeltelijk een cultuurkwestie; verande-
    ringen daarin zijn een zaak van lange adem. Daarnaast is het innovatief kli-
    maat  de omgeving waarin mensen en bedrijven opereren  sterk bepalend
    voor de drijfveren en mogelijkheden tot innoveren. Dit klimaat wordt mede
    bepaald door politieke en economische factoren waarop de overheid wel direct
    invloed heeft. De Raad doelt hierbij niet in eerste instantie op subsidiebeleid,
    maar op het wegnemen van onnodige hobbels en het stimuleren van een
    omgeving die succes beloont.
        De Raad heeft niet de pretentie om alle dimensies van een innovatieve cul-
    tuur en een innovatief klimaat in kaart te brengen. Hij beperkt zich tot enkele
    belangrijke items.
  - Het onderwijs speelt bij het stimuleren van een innovatiecultuur een cruciale
    rol als leverancier van goed opgeleide mensen. De Raad meent dat de ambi-
    tie moet zijn dat ons land het beste onderwijs ter wereld heeft. Dit vereist ade-
    quate aandacht, met inbegrip van geld, van de overheid. Prioriteiten stellend
    bij een gegeven overheidsbudget, kiest de Raad voor investering in onderwijs
    boven het huidige subsidiëren van allerlei toepassingsgericht onderzoek. Hij
    heeft hierbij het gehele onderwijssysteem op het oog, van hoog tot laag, met
    een stip voor het beroepsonderwijs.
        Binnen het onderwijs moet speciale aandacht zijn voor het stimuleren van
    talent, creativiteit en ondernemerschap. Gelet op zijn aandachtsgebied,
    beperkt de Raad zijn observaties tot het hoger onderwijs. Hij ziet dit onder-
    wijs als een belangrijke voedingsbodem voor nieuwe, hoogwaardige werkgele-
    genheid. Dit potentieel wordt nog onvoldoende benut. Het klimaat binnen de
    instellingen is voor (potentiële) starters nog onvoldoende stimulerend en uit-
    dagend. De Raad pleit ervoor dat de instellingen een expliciet en actief star-
    tersbeleid ontwikkelen. Onderdeel hiervan is onderwijs in aspecten van het
    ondernemerschap alsmede het faciliteren van starters in hun aanloopfase.
  - In de aanloopfase ervaren vele potentiële starters een financieringsprobleem;
    dit geldt met name voor starters in de technische sfeer waar een idee eerst nog
    op zijn uitvoerbaarheid moet worden getoetst. In die fase zijn de risicos moei-
    lijk in te schatten en is de financieringsbehoefte vaak te klein om interessant
    te zijn voor venture capitalists. De Raad pleit ervoor dat instellingen uit eigen
    middelen een budget reserveren om hun eigen mensen financieel en anders-
    zins te ondersteunen. Ter vergroting van de financiële mogelijkheden van de
    instellingen pleit de Raad voor een nationaal fonds, dat als matching fonds
    optreedt: dit fonds participeert na een globale toetsing met hetzelfde bedrag
    dat de instelling zelf fourneert. Na een periode van 1 à 2 jaar moet het duide-
    lijk zijn of een idee levensvatbaar is, dan moeten private financiers in willen
    springen.
  - De Raad constateert dat veel wet- en regelgeving van de overheid effect heb-
    ben, bedoeld of onbedoeld, op het innovatief vermogen van het bedrijfsleven.
    Op zijn minst moet er voor worden gewaakt, dat de wet- en regelgeving, opge-
    zet vanuit andere oogmerken dan innovatiebevordering, ongewenste negatie-
    ve gevolgen hebben voor het innovatief vermogen. Hij pleit vanuit dat oog-
    punt voor een innovatie-effectrapportage voor de bestaande en voor de nieuwe
    wet- en regelgeving. EZ heeft hier als coördinerend ministerie voor het tech-
    nologiebeleid een initiërende rol.
6   A W T - a d v i e s   n r . 3 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>- Een belangrijke voorwaarde voor een innovatief klimaat is het versterken van
  de concurrentie tussen bedrijven. De overheid heeft hier de afgelopen paar
  jaren een belangrijke stimulans gegeven in het mededingingsbeleid. Dit
  beleid mag echter niet resulteren in onnodige beperkingen aan samenwerking
  tussen bedrijven op R&D-gebied (consortiavorming). De Raad pleit voor toege-
  sneden richtlijnen in dezen, zodat bedrijven weten waar ze aan toe zijn.
- De overheid is zelf een belangrijke inkoper van goederen en diensten. EZ heeft
  onlangs opnieuw het innovatief aankoopbeleid van de overheid op de agenda
  gezet. De Raad meent dat zon beleid een stimulerend effect kan hebben op
  het innovatief klimaat.
  Publieke kennisinstituten: heldere missies en aanspreken
  op eigen verantwoordelijkheid
  De overheid bekostigt in belangrijke mate de publieke kennisinstituten zoals
  de universiteiten, de gtis, TNO, e.d. De overheid kent naast de basisfinancie-
  ring van deze instituten een groot aantal instrumenten ter stimulering c.q.
  correctie van de activiteiten van deze instituten. Enkele voorbeelden uit het
  EZ-technologie-instrumentarium: IOPs, MKB-initiatief TNO, Innovatiefonds
  Technologie & Beroepsonderwijs, de makelaarsrol (public consultant). Dit is op
  termijn niet de goede weg. Bijsturen creëert bij de instituten een cultuur van
  kijken naar Den Haag in plaats van naar de eigen doelgroep. De Raad pleit
  voor een meer structurele benadering. De instituten moeten zelf verantwoor-
  delijk worden gesteld voor hun efficiency en effectiviteit, en daarop worden
  beoordeeld en bekostigd. De Raad pleit voor een stramien van strategische
  plannen binnen heldere missies en randvoorwaarden en beoordelingen, incl.
  financiële consequenties, op resultaten.
  Subsidies meer richten op het funderend onderzoek van
  waaruit nieuwe bedrijvigheid kan onstaan
  Het is evident dat onze economie grote baat heeft bij een vitale kennisinfra-
  structuur zowel in de publieke als in de private sector. Uit dien hoofde is een
  subsidiëring van de overheid van die kennisinfrastructuur goed te rechtvaar-
  digen. In de praktijk heeft dit geleid tot een uitgebreid scala aan subsidies
  voor of ten behoeve van bedrijven, met een sterk accent op toegepast onder-
  zoek, kennisdiffusie en advisering.
      De Raad pleit ervoor de subsidies aan of ten behoeve van bedrijven meer te
  richten op het funderend onderzoek op die gebieden van waaruit nieuwe
  bedrijvigheid kan ontstaan. Dit onderzoek komt in toenemende mate in de
  knel. De bedrijven zijn steeds minder geneigd te investeren in het funderende
  onderzoek. De publieke kennisinstituten richten zich steeds meer op de
  markt, met het gevaar dat ze worden meegezogen, weg van het funderende
  onderzoek naar het meer toepassingsgerichte onderzoek. In plaats van in het
  ontstane tekort te voorzien, vergroten de instituten dat tekort. Het funderen-
  de onderzoek is van groot belang voor onze samenleving, zowel in relatie met
  het onderwijs als voor het leggen van een basis voor nieuwe inzichten, techno-
  logieën en bedrijvigheid. Aan wie in de samenleving de revenuen van dit
  onderzoek toevallen is vooraf niet te zeggen; mede om die reden ligt het op de
  weg van de overheid dit onderzoek te subsidiëren, daar heeft de overheid een
  meerwaarde te vervullen.
                                                           A W T - a d v i e s  n r . 3 8 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  OCenW is binnen de overheid de eerst verantwoordelijke voor het bekostigen
  van het fundamentele onderzoek. In zijn advies Hoofdlijnen Wetenschapsbeleid
  heeft de AWT ervoor gepleit binnen dat stramien voldoende ruimte te houden
  voor het echte risicovolle onderzoek. Hij ziet voor EZ met name een rol weg-
  gelegd om de strategische samenwerking in het funderend onderzoek tussen
  universiteiten en bedrijfsleven te versterken. Hij pleit ervoor dat EZ zijn sti-
  muleringsmaatregelen hier meer op richt.
  Vraag 2
  Treden door deze verbreding veranderingen op in de legitimatie van de overheidsinterven-
  ties in het kader van het wetenschaps- en technologiebeleid?
  De focussering die de Raad voor het innovatiebeleid bepleit, is gebaseerd op
  een analyse van het innovatiesysteem zoals dat functioneert en de ontwikke-
  lingen die daar recentelijk in plaatsvinden. Op die gronden komt de Raad tot
  de conclusie dat de overheid zich in haar stimuleringsbeleid meer moet rich-
  ten op die zaken waar de overheid een meerwaarde heeft die de private sector
  niet kan realiseren; deze punten heeft hij hiervoor aangestipt.
       In zijn ogen kan deze lijn resulteren in een flinke opschoning van het
  bestaande arsenaal aan innovatiestimuleringsmaatregelen. Ten eerste ziet de
  Raad in essentie geen taak voor de overheid ter stimulering van toegepast
  onderzoek anders dan op de terreinen waar de overheid zelf verantwoordelijk
  voor is, de zgn. onderwerpen van staatszorg. De private markt heeft zich gros-
  so modo voldoende ontwikkeld om hier haar eigen verantwoordelijkheid te
  nemen. Een aantal stimuleringsmaatregelen kan uit dien hoofde vervallen.
  Ten tweede constateert de Raad dat de overheid vaak op de stoel van de
  publieke kennisinstituten gaat zitten. Dit is, zoals hiervoor gezegd, op ter-
  mijn niet de goede weg. Het stramien moet zijn: heldere missies en randvoor-
  waarden en beoordelen en financieren op resultaat. Veel van deze corrigeren-
  de maatregelen kunnen dan achterwege blijven.
  Vraag 3
  Ziet de Raad in internationaal perspectief onderontwikkelde gebieden binnen het huidige
  Nederlandse innovatiebeleid tegen de achtergrond van voornoemde verbreding?
  De Raad constateert een toenemende interactie tussen de publieke en private
  kennisinfrastructuur. Hij juicht deze interactie van harte toe: het werkt posi-
  tief op de maatschappelijke relevantie van de activiteiten. Dit kan echter ook
  een conserverend effect hebben: bevestiging, uitbouw en verdieping van het
  bestaande. Een relevante vraag is of de kennisinfrastructuur in ons land vol-
  doende is toegerust om een bijdrage te leveren aan de nieuwe bedrijvigheid
  van overmorgen.
       De economische bedrijvigheid is voortdurend in verandering: sommige
  bedrijven groeien, andere krimpen of verdwijnen, nieuwe bedrijven komen.
  Dat is altijd zo geweest en zal altijd wel zo blijven. Er zijn daarbij periodes
  waarvan, vaak pas achteraf, kan worden vastgesteld dat de veranderingen,
  meer dan gemiddeld, structureel en ingrijpend van aard zijn. Momenteel
  maken we, zo meent de Raad, zon periode mee. Er is een aantal nieuwe basis-
  technologieën in ontwikkeling dat, zo meent de Raad, op grote schaal impul-
  sen zal geven aan totaal nieuwe soorten bedrijvigheid.1 Structuurbepalende
8 A W T - a d v i e s    n r . 3 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>basistechnologieën  technologieën die voor jaren de basis bieden voor nieuwe
soorten bedrijvigheid en groei van werkgelegenheid  zijn als fenomeen niet
nieuw; terugkijkend zijn die technologieën eenvoudig te benoemen: water-
kracht, de stoommachine, elektriciteit, elektronica, e.d. Momenteel bieden
digitale technologie en biotechnologie de basistechnologieën voor de komen-
de jaren, zich uitend in nieuwe bedrijvigheid in digitale netwerken, in digita-
le besturingssystemen en in multimedia, in de voedings- en geneesmidde-
lenindustrie, e.d. Niet dat bestaande bedrijven zullen verdwijnen  er zijn nog
steeds bedrijven die gestart zijn met de basistechnologie van 100 jaar ge-
leden  maar de groei van de werkgelegenheid zal vooral in nieuwe bedrijvig-
heid plaatsvinden, geënt op die nieuwe basistechnologieën.
    De vraag is of de kennisinfrastructuur goed is toegerust om voortdurend
op nieuwe ontwikkelingen en mogelijkheden in te spelen. De Raad is daar
niet gerust op. Er zitten sterke conserverende tendensen in het systeem die de
gewenste dynamiek beperken. Dynamiek is nodig: oude activiteiten (onder-
zoekslijnen, -instituten) moeten worden gestopt om zodoende ruimte te
maken voor nieuwe activiteiten. De Raad is hierop voor de buiten-universitai-
re instituten in eerdere adviezen nader ingegaan o.a. in zijn advies over de
grote technologische instituten en in het ruimtevaartadvies. Voor het univer-
sitaire systeem is dynamiek uiteraard ook van groot belang. De universiteiten
zijn bij uitstek de plaatsen om de mogelijkheden van nieuwe ontwikkelingen
en technologieën te exploreren. De verdelende rechtvaardigheid en de ver-
snippering beperken echter de slagkracht van het systeem. De Raad zal bin-
nenkort een advies uitbrengen dat specifieker ingaat op deze problematiek op
het gebied van de natuur- en technische wetenschappen.
    1 Een interessante analyse over dit thema is te vinden in The Economist van 20 februari 1999.
                                                                       A W T - a d v i e s      n r . 3 8 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>10 A W T - a d v i e s n r . 3 8</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>De minister van EZ heeft de AWT gevraagd te adviseren over het te voeren
innovatiebeleid (zie bijlage). De Minister constateert dat het huidige innova-
                                                                                                     1
                                                                                                     Inleiding
tiebeleid sterk gericht is op het opheffen van marktimperfecties. De vraag is of
deze benadering nog de juiste is en of een innovatiebeleid nieuwe stijl, geba-
seerd op een systeembenadering, wenselijk is.
Innovatiebeleid kan zeer breed worden opgevat. In lijn met de adviesaanvraag
beperkt de AWT zich in dit advies tot het beleid van de centrale overheid
gericht op versterking en uitbating van het innovatief vermogen van het
bedrijfsleven, waarbij inbegrepen een betere benutting van de publieke ken-
nisinfrastructuur ten behoeve van innovatie en nieuwe bedrijvigheid. Hier
ligt een groot belang voor de overheid, gelet op de cruciale rol van een innova-
tief bedrijfsleven voor een stabiele lange-termijn economische ontwikkeling
van ons land. Het onderwerp staat internationaal ook sterk in de belangstel-
ling. Innovation has become the industrial religion of the late 20th century. Business sees
it as the key to increasing profits and market share. Governments automatically reach for
it when trying to fix the economy. Around the world, the rhetoric of innovation has
replaced the post-war language of welfare economics, zo begint The Economist zijn spe-
ciale bijdrage over Innovation and Industry.2
De AWT heeft in februari jl. een advies over het wetenschapsbeleid uitge-
bracht.3 Belangrijke noties in dat advies zijn in het onderhavige advies terug
te vinden. Dit is niet verwonderlijk, gelet op de sterke wisselwerking tussen
beide beleidsaandachtsgebieden. In het onderhavige advies gaat de Raad in
hoofdstuk 2 nader in op de vraag naar een innovatiebeleid in een systeembe-
nadering; vanuit zon invalshoek komt hij tot een aantal zwakke plekken in
het innovatiebeleid. In hoofdstuk 3 trekt hij zijn conclusies voor het innova-
tiebeleid.
     2 The Economist van 20 februari 1999.
     3 Hoofdlijnen Wetenschapsbeleid, AWT-advies nr. 37. Den Haag, februari 1999.
                                                                       A W T - a d v i e s n r . 3 8         11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>12 A W T - a d v i e s n r . 3 8</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                                  Het innovatiesysteem
                                                                                                   2 2.1
                                                                                         Systeembenadering
De minister van EZ constateert in de adviesaanvraag dat het huidige innova-
tiebeleid sterk is gericht op het opheffen van marktimperfecties. De centrale
vraag is of deze benadering nog de juiste is en of een innovatiebeleid nieuwe
stijl, gebaseerd op een systeembenadering, wenselijk is.
     Het begrip systeembenadering wordt niet nader gedefinieerd. De Raad
wil in zijn advies niet proberen tot een strakke definitie van dat begrip te
komen. Ook de studies van de OECD, waarin het begrip systeembenadering
centraal staat, geven dit niet. De achtergrond van de adviesaanvraag is echter
wel duidelijk. Innoveren  het met economisch succes naar de markt brengen
van nieuwe, verbeterde of meer concurrerende producten, processen of dien-
sten  hangt af van vele factoren. Het gehele samenstel en samenspel van fac-
toren  hier gemakshalve het innovatiesysteem genoemd  bepalen de moge-
lijkheden tot innoveren. Een innovatiestimuleringsbeleid als optelsom van
maatregelen die elk afzonderlijk zijn gericht op het oplossen van geïsoleerd
gedefinieerde problemen, is dan niet noodzakelijkerwijs optimaal. Het beleid
moet dit geheel van factoren, inclusief hun onderlinge afhankelijkheden, in
ogenschouw nemen.
Het innovatiebeleid is traditioneel een sterk op technologiestimulering
gericht beleid - in het spraakgebruik wordt nog vaak over technologiebeleid
gesproken. De overheid heeft de laatste jaren het innovatiebeleid verbreed.
Meer nadruk is komen te liggen op het economisch benutten van de R&D-
resultaten, op advisering en kennisdiffusie, op het makelen/schakelen om par-
tijen bij elkaar te brengen. Dit heeft geleid tot een woud aan soms niet (meer)
op de behoefte aansluitende regelingen. Daarnaast is er toenemende aandacht
te constateren voor aanpalend beleid zoals de financiering van innovatie, con-
currentiebevordering, onderwijs, e.d.
     De vraag dringt zich op of de optelsom van al deze maatregelen passend is
als gekeken wordt naar het systeem als geheel: is per saldo het beleid voldoen-
de gericht op die factoren die cruciaal zijn voor het innoveren en waaraan de
overheid ook een zinvolle bijdrage kan leveren? Houdt het beleid voldoende
rekening met mogelijke bij-effecten? Zijn er terugkoppelingsmogelijkheden
ingebouwd om het beleid bij te stellen aan veranderende omstandigheden?
Genoemde vragen komen met klem naar voren gelet op de grote veranderin-
gen in het innovatiesysteem. De onderlinge afhankelijkheid van de verschil-
                                                                                                     2.2
                                                       Ve r a n d e r i n g e n i n h e t ‘ i n n o v a t i e s y s t e e m ’
lende partijen die een rol spelen neemt namelijk sterk toe en verandert van
aard. Een korte duiding van enkele relevante ontwikkelingen:
                                                          A W T - a d v i e s  n r . 3 8                                 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>   - De relaties tussen actoren in het economisch veld veranderen structureel. De
     oorzaak is een verandering in consumentengedrag. Consumenten zijn kies-
     keurig en vragen producten en diensten aangepast aan hun wensen; dit veran-
     deringsproces wordt wel aangeduid als een verschuiving van onze economie
     van een aanbod- naar een vraageconomie. Bij deze ketenomkering komt de
     macht meer en meer te liggen bij de eindgebruiker. De verschillende partijen
     in de keten van productie naar eindgebruiker komen daardoor in andere rela-
     ties tot elkaar te staan. Mede dankzij de informatietechnologie is het daadwer-
     kelijk mogelijk om op grote schaal die verandering te realiseren. Dit leidt tot
     andersoortige aansturing van de verschillende partijen in de keten alsook tot
     andere vormen van samenwerking met trefwoorden als consortia, netwerkeco-
     nomi, e.d.
   - Bedrijven en overheden realiseren zich meer en meer dat ze qua kennis niet
     meer selfsupporting kunnen zijn. Integendeel, veel bedrijven kiezen bewust
     voor samenwerking met anderen om zodoende maximaal van ieders sterkte te
     profiteren.
   - Er is een groeiend besef dat onderzoek geen vrijblijvende bezigheid is, maar
     essentieel voor het functioneren van de overheid, het bedrijfsleven en andere
     maatschappelijke organisaties. Academisch onderzoek levert naast nieuwe
     wetenschappelijke inzichten in veel gevallen economische waarde. Mede daar-
     door ontstaat vanuit de maatschappij een toenemende behoefte aan sturing en
     nadruk op de utiliteit van het publiek gefinancierde onderzoek.
   - Deze tendens wordt versterkt doordat de grote industriële bedrijven hun
     eigen, vrije fundamentele onderzoek inkrimpen ten gunste van meer toepas-
     singsgericht onderzoek. Deze bedrijven leunen ter compensatie sterker en
     explicieter op universitair onderzoek. De kwaliteit van dit onderzoek zal uit-
     eindelijk bepalen met welke universiteiten en onderzoeksinstituten relaties
     worden aangegaan. Bedrijven kunnen en zullen zich hierbij niet beperken tot
     de Nederlandse instellingen; ze gaan internationaal grazen op zoek naar de
     top.
   - De kennismarkt privatiseert en professionaliseert: (semi-)publieke onder-
     zoeksinstituten begeven zich vaker op de markt om hun kennis te verkopen of
     te commercialiseren. Meer private partijen, waaronder ingenieursbureaus,
     houden zich bezig met kennisontwikkeling, kennistransfer en innovatieadvi-
     sering.
   - Deze commercialisering van de kennismarkt stimuleert enerzijds de kennis-
     transfer, anderzijds roept zij ook krachten op die de vrije, open informatieuit-
     wisseling beperken: kennis is immers geld.
   - Er is een toenemende druk tot het formuleren van randvoorwaarden aan het
     onderzoek op grond van ecologische en ethische motieven.
   - De rol van de nationale overheid zal bij een toenemende Europese integratie
     veranderen. Aan de ene kant zal de invloed van Brussel toenemen; de midde-
     len voor innovatiestimulering van de EU zijn sterk gegroeid en de laatste
14   A W T - a d v i e s   n r . 3 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>  jaren is dit EU-beleid opgeschoven van pre-competitief naar competitief
  onderzoek. Aan de andere kant zullen de regios zich sterker willen profileren.
                                                                                         2.3
                                                       Zwakke plekken in het ‘innovatiesysteem’
  Het innovatiestimuleringsbeleid heeft tot doel het versterken en economisch
  uitbaten van het innovatiepotentieel in ons land. Dit beleid moet rekening
  houden met het gehele samenstel en samenspel van factoren en inspelen op de
  ontwikkelingen zoals die plaatsvinden. Vanuit dat oogpunt meent de Raad
  dat het innovatiesysteem een aantal zwakke plekken kent. De belangrijkste,
  waar de overheid ook een eigen verantwoordelijkheid heeft, zijn zijns inziens:
- onvoldoende uitdagend innovatiecultuur en -klimaat;
- aansluiting publieke kennisinstituten op maatschappelijke behoeften;
- samenhang in het overheidsbeleid.
  Hij licht deze observaties nader toe. In het volgende hoofdstuk gaat hij in op
  de consequenties voor het overheidsbeleid.
  Onvoldoende uitdagend innovatiecultuur en -klimaat
  Voor innoveren is een innovatieve cultuur van groot belang. Nederland loopt
  hierin achter op de VS, evenals andere landen op het Europese continent. Het
  accepteren van risicos is in de VS in de cultuur ingebakken. Zon cultuur
  vormt mensen en bepaalt hun houding bij vernieuwing en het nemen van risi-
  cos. Verandering in cultuur is een zaak van lange adem; de overheid heeft
  daarop maar beperkte invloed.
      Naast cultuuraspecten, speelt ook het innovatief klimaat een belangrijke
  rol: het klimaat dat uitdaagt en ruimte laat voor innovaties, dat hobbels weg-
  neemt en succes beloont. Vele factoren bepalen dit klimaat Er zijn ook politie-
  ke en economische factoren die het klimaat mede bepalen. Hier heeft de over-
  heid een eigen verantwoordelijkheid. Het betreft het fiscale regime, de wet- en
  regelgeving in meer algemene zin, het concurrentieklimaat, het onderwijs,
  e.d. Deze beleidsterreinen hebben niet als primair oogmerk het innovatiekli-
  maat, maar hebben daar, vaak indirect, wel grote invloed op. Dit wordt door
  de overheid onvoldoende onderkend. Het gevolg is een niet bedoelde beper-
  king aan de ontplooiing van creativiteit en ondernemingszin.
  Aansluiting publieke kennisinstituten op maatschappelij-
  ke behoeften
  In het innovatiesysteem hebben de publieke kennisinstituten in de ogen van
  de Raad een complementaire rol ten opzichte van de private sector. Het is pri-
  mair aan de private sector om geld op de markt te verdienen. Naast de depar-
  tementale onderzoekinstituten  zoals RIVM, CPB, instituten van Rijks-
  waterstaat en dergelijke, die op onderwerpen van staatszorg als kenniscen-
  trum voor de overheid fungeren  hebben de publieke kennisinstituten m.n.
  tot taak het verzorgen van het onderwijs en het doen van funderend onder-
  zoek. Deze activiteiten zijn van groot maatschappelijk belang. Van de private
  sector kan niet worden verlangd dat zij deze activiteiten in die omvang finan-
  ciert als maatschappelijk wenselijk is. Het is immers vooraf niet precies te zeg-
  gen aan wie de revenuen van deze investeringen toevallen. Mede om die reden
                                                           A W T - a d v i e s n r . 3 8     15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>      ligt het op de weg van de overheid deze activiteiten te bekostigen. De
      publieke kennisinstituten hebben hier een belangrijke taak.
      Uiteraard is het van belang om deze activiteiten in de publieke kennisinsti-
      tuten goed te laten aansluiten op de maatschappelijke behoeften aan opge-
      leiden en onderzoek. De bereidheid over en weer om dit te realiseren is de
      laatste jaren gelukkig sterk groeiende. Een belangrijke drijfveer voor de
      publieke instituten is de mogelijkheid om additionele financiering te ver-
      krijgen. Ze richten zich in toenemende mate op die activiteiten die direct
      geld opleveren, hetzij door financiering van derden te zoeken hetzij door
      zelf de markt op te gaan. Hier is op zichzelf niets op tegen, integendeel,
      mits aan twee voorwaarden is voldaan:
   1. geen verwaarlozing van de eigenlijke missie, uiteraard voorzover nog rele-
      vant;
   2. geen oneigenlijke concurrentie: met subsidie private partijen concurreren.
      Als aan deze randvoorwaarden niet wordt voldaan, wordt aan het systeem
      als geheel sterke afbreuk gedaan. Iedereen richt zich dan op die activiteiten
      die direct geld uit de markt opleveren ten detrimente van eersteklasonder-
      wijs en funderend onderzoek. Op termijn leidt de maatschappij hierdoor
      grote schade. De Raad meent dat er onvoldoende aandacht is bij de overheid
      voor het bewaken van deze randvoorwaarden.
      Afstemming op overheidsniveau
      Alles hangt met alles samen; het kan als dooddoener fungeren, toch zit er
      een grote kern van waarheid in. In de praktijk blijkt ook dat de activiteiten
      van de verschillende departementen, alhoewel meestal niet opgezet met het
      oogmerk innovatie te stimuleren, toch grote invloed hebben op innovatie-
      mogelijkheden. Afstemming vindt in de ogen van de Raad nog onvoldoen-
      de plaats. De noodzaak hiertoe komt steeds pregnanter naar voren.
                                                    Enerzijds is binnen het beleid
      Biotechnologie                                van de afzonderlijke vakdepar-
                                                    tementen sprake van toenemen-
      De ministeries van EZ en OCenW stimu- de specialisatie en concentratie
      leren al jarenlang de biotechnologie met op de kern van het beleid.
      het doel nieuwe bedrijvigheid te creë-        Anderzijds vraagt de aanpak
      ren. Een van de bedrijven is Pharming,        van maatschappelijke vraag-
                                                    stukken om steeds meer geïnte-
      een bedrijf dat met behulp van biotech-
                                                    greerde inspanningen van ver-
      nologie (kloneren van genetisch gemodi-
                                                    schillende partijen, beleidsin-
      ficeerde dieren) orphan drugs wil produce-
                                                    stanties en kennisinstellingen.
      ren. Dit bedrijf wordt nu geconfronteerd
                                                    Het innovatiebeleid kan dan
      met een verbod van het ministerie van
                                                    pas optimaal van de grond
      Landbouw om het kloneren in ons land
                                                    komen, wanneer in een zo
      toe te passen.
                                                    vroeg mogelijk stadium coördi-
                                                    natie tot stand wordt gebracht.
16   A W T - a d v i e s n r . 3 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>  De AWT is van mening dat in het innovatiebeleid de accenten moeten worden
  verlegd. Kijkend naar het innovatiesysteem als geheel en de ontwikkelingen
                                                                                          3
                                                                                     Innovatiebeleid
  daarbinnen, meent hij dat het beleid zich meer moet richten op het verhelpen
  van de zwaktes in het innovatiesysteem zoals hiervoor aangegeven. Juist daar
  kan de overheid een meerwaarde bieden ten opzichte van de private partijen.
  Hij pleit voor een concentratie van het innovatiebeleid op de volgende drie
  hoofdthemas:
- het stimuleren van een innovatiecultuur en -klimaat;
- publieke kennisinstituten: heldere missies en aanspreken op eigen verant-
  woordelijkheid;
- het bekostigen van met name het funderend onderzoek op gebieden van waar-
  uit nieuwe bedrijvigheid kan ontstaan.
  Deze focussering mag wat de Raad betreft ten koste gaan van andere beleids-
  aandachtspunten waarvan vele zijn gericht op het stimuleren van partijen tot
  zaken die in feite hun eigen verantwoordelijkheid zijn. Hij doelt hier m.n. op
  het uitgebreide scala aan subsidieregelingen voor allerlei toepassingsgericht
  onderzoek. Deze terugtrekking uit het financieren van dit onderzoek geldt
  uiteraard niet voor die terreinen waar de overheid zelf verantwoordelijk is, de
  zgn. onderwerpen van staatszorg. Op die terreinen heeft de overheid als
  gebruiker een eigen verantwoordelijkheid voor het bekostigen van toegepast
  onderzoek en de adequate benutting van de onderzoeksresultaten.
  Genoemde themas vereisen een grote mate van afstemming van het beleid
  van de verschillende departementen. De Raad heeft eind vorig jaar in een brief
  aan de Minister-President extra aandacht gevraagd voor deze coördinatie op
  kabinetsniveau. Hij wil dit punt hier nog eens met klem onderstrepen.
                                                                                                    3.1
                                                         M e e r a a n d a ch t v o o r ‘ i n n ov a t i e f k l i m a a t ’
  De Raad heeft niet de pretentie alle relevante factoren van belang voor het
  innovatieve klimaat in kaart te brengen. Hij beperkt zich hier tot enkele zijns
  inziens belangrijke items.
  Onderwijs: koester talent, creativiteit en ondernemer-
  schap
  De kwaliteit van het onderwijs is in ons land gemiddeld van goed niveau; dit
  tonen de OESO-studies op dit terrein aan. Maar dit is op zichzelf niet voldoen-
  de. Onderwijs is de cruciale factor voor een vitale economische bedrijvigheid.
  Ons land kan en mag geen genoegen nemen met een minder dan excellent
  onderwijssysteem.
      Vanuit het oogpunt van een innovatief klimaat pleit de Raad voor meer
  aandacht in het onderwijs voor creativiteit en ondernemerschap. Hij beseft
                                                           A W T - a d v i e s n r .  3 8                              17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>   heel goed dat dit niet met een paar lesuren is in te vullen; het is een zaak die
   vanaf de basisschool moet beginnen. De precieze invulling is uiteraard aan de
   instellingen zelf; nagedacht moet worden over wat de mogelijkheden zijn en
   hoe die te realiseren.
   Gelet op zijn aandachtsgebied, focusseert de Raad zich op het hoger onder-
   wijs. Hij ziet het hoger onderwijssysteem als een belangrijke voedingsbodem
   voor nieuwe, hoogwaardige bedrijvigheid. Dit potentieel wordt nog onvol-
   doende uitgebuit. Hij pleit ervoor dat de instellingen een expliciet startersbe-
   leid voeren. Onderwijs in aspecten van het ondernemerschap moet hiervan
   een onderdeel zijn, bij voorkeur gegeven door mensen met eigen ervaring, als-
   ook het faciliteren van starters in hun aanloopfase.
                                                     Algemeen gesproken heeft de
     Ondernemerschap in het Verenigd                 publieke sector geen taak in het
     Koninkrijk                                      financieren van starters: er zijn
                                                     vele private partijen die daarvoor
     De overheid in het VK heeft recentelijk         goed zijn toegerust en in ruime
     enkele programmas in het leven geroe-          mate middelen beschikbaar heb-
     pen om het ondernemerschap binnen de ben. Het gaat dan niet alleen om
     universiteiten te vergroten. Zo is het          de venture capital fondsen. Er
     University Challengefonds opgezet: in eer-      komen ook steeds meer informal
     ste instantie fl 150 miljoen to support ...     investors ten tonele. De
     the very early stages of turning research out-  Nederlandse Beurs voor
     comes into marketable products, processses and Investeringen in Bedrijven en
     services. Daarnaast is het Science Enterpise    Onder-nemingen (NEBIB) is een
     Challengeprogamma opgezet: fl 90 miljoen initiatief om het aanbod van
     for fostering the commercialisation of research durfkapitaal in contact te bren-
     and new ideas, for scientific entrepreneuria-   gen met de vragers van durfkapi-
     lism and for incorporating the teaching of      taal. Via de zgn. Tante Agaath-rege-
     enterprice into science and engineering curri-  ling stimuleert de overheid ver-
     cula.                                           mogende mensen middelen te
     Bron: Times Higher Education Supplement,        investeren in veelbelovende star-
     30 april 1999.                                  ters. Daarnaast zijn er nog vele,
                                                     meer regionaal gerichte zaai-
   fondsen, soms ook nog beperkt tot een specifiek technologiegebied.
        Een specifiek probleem is echter nog steeds de financiering in de aanloop-
   fase van een start, m.n. voor starters in de technische sfeer, waar een idee eerst
   nog op zijn uitvoerbaarheid moet worden getoetst (proof of principle). In die fase
   zijn de risicos moeilijk in te schatten en de financieringsbehoefte vaak te
   klein om interessant te zijn voor venture capitalists. Ten minste dat leert de
   praktijk in Europa; in de VS blijken de venture capitalists meer bereid starters in
   deze aanloopfase op financieel en managementgebied te ondersteunen.
   Maatschappelijk gezien is het evenwel belangrijk dat ook prille ideeën de
   ruimte krijgen. Er is wel een waaier aan zaaifondsen, veelal gevoed met over-
   heidsgeld (EU, nationaal, regionaal), maar ook die voorzien onvoldoende in de
   hier bedoelde prille (pre-seed) fase.
        In die prille fase moet financiering van dichtbij komen: mensen die ver-
   trouwen hebben in de persoon in kwestie. Niet iedereen heeft zelf een tante
   Agaath. De bestaande zaaifondsen zitten hier te ver vanaf, die komen als het
18 A W T - a d v i e s     n r .  3 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>ware van buiten en hanteren (terecht!) harde criteria voor financiering. Waar
mogelijk is dat uiteraard prima: hoe eerder potentiële ondernemers met de
tucht van de markt in aanraking komen, des te beter. Maar soms zijn de
ideeën daarvoor nog onvoldoende uitgekristalliseerd. STW heeft in een recen-
te notitie ook op dit gat in de financieringsmogelijkheden gewezen. STW pleit
voor een nationaal fonds om in deze behoeften te voorzien. De Raad heeft wel
vraagtekens bij zon invulling. Zon nationaal fonds komt als het ware ook
weer van buitenaf en zal dus harde criteria hanteren voor financiering en
automatisch opschuiven richting projecten met een duidelijk aantoonbare
slaagkans. De beslissing over financiering moet dichter bij huis plaatsvin-
den. De Raad pleit ervoor dat de instellingen van hoger onderwijs zelf midde-
len uit hun budget reserveren om hun eigen mensen financieel en anderszins
te ondersteunen, voor maximaal 1 of 2 jaar; bij voorkeur niet in de vorm van
subsidies maar als voorfinanciering, zodat bij succes de instelling financieel
kan meeprofiteren. Ter vergroting van de financiële mogelijkheden van de
instellingen pleit de Raad voor een nationaal fonds dat als matching fonds
optreedt: dit fonds participeert na een marginale toetsing, m.n. op mogelijke
economisch profijt, met hetzelfde bedrag dat de instelling zelf fourneert. Na
een periode van 1 à 2 jaar moet het duidelijk zijn of een idee levensvatbaar is,
dan moeten private financiers in willen springen. Dit levert tevens de druk op,
om de vleugels breder  ook buiten de regio  uit te slaan.
Een noodzakelijk complement van een expliciet en actief startersbeleid van de
instellingen zijn duidelijke richtlijnen over wat mag en wat niet mag wat
betreft financiële betrokkenheid van de universiteit en van medewerkers bij
bedrijven; dit met het oog op vermijding van onwenselijke gevolgen van
belangenverstrengeling. Het is primair aan de instellingen zelf om hieraan
vorm te geven; toetsing door de desbetreffende Raad van Toezicht is noodza-
kelijk.
Algemene wet- en regelgeving: innovatie-effectrapporta-
ges
Er zijn vele voorbeelden te geven van algemene, niet specifiek op innovatie-
bevordering gerichte, wet- en regelgeving die  gewild of ongewild  invloed
hebben op de innovatiekracht van het bedrijfsleven. Te denken is hierbij aan
wet- en regelgeving op milieugebied, faillissementswetgeving, sociale regelge-
ving, het beleid rond aandelenopties, etc. De Raad pleit voor het analyseren
van bestaande en nieuwe wet- en regelgeving op zijn effecten op innovatie,
zgn. innovatie-effectrapportages. Hij meent dat het ministerie van EZ hier een
initiërende rol heeft; de uitvoering van die rapportages kunnen uiteraard wor-
den uitbesteed. Het zal overigens niet altijd eenvoudig zijn om de gevolgen
van wet- en regelgeving voor de innovatiekracht te bepalen, maar zon rappor-
tage dwingt in ieder geval om over de gevolgen voor het innovatief klimaat na
te denken.
                                                         A W T - a d v i e s n r . 3 8 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>    Enkele voorbeelden van effecten van algemene wet- en regelgeving op
    het innovatief klimaat.
    Aandelenopties
    De overheid heeft uit algemene rechtvaardigheidsoverwegingen beslo-
    ten aandelenopties zwaarder te belasten. In de praktijk blijkt dat met
    name startende ondernemingen hiervan grote hinder ondervinden.
    Deze bedrijven hebben vaak niet de financiële middelen om hoogge-
    kwalificeerde mensen een adequaat salaris te betalen. Opties blijken
    een goed middel om zulke mensen aan een bedrijf te binden.
    Optiebelasting vormt in die gevallen een grotebelemmering.
     Auteurswetgeving
    Onlangs heeft het Europese Parlement de concept-Richtlijn
    Auteursrecht in de informatiemaatschappij geamendeerd. Het op
    zichzelf juiste uitgangspunt van de richtlijn  de bescherming van
    piraterij onder meer via Internet  slaat in zijn consequenties door. Zo
    dreigt door de nieuwe richtlijn het lezen, het maken van kopieën en de
    opslag van informatie die op het World Wide Web staat, zonder de toe-
    stemming van de auteur niet meer mogelijk. Wordt de richtlijn in
    deze vorm aanvaard, dan is de auteursrechtelijke uitzondering voor
    het maken van privékopieën niet meer van toepassing op elektroni-
    sche kopieën en komt er een einde aan bestaande vrijheden voor het
    raadplegen van elektronische informatie in bibliotheken. Ook wordt
    het duurzaam bewaren van digitale informatie bemoeilijkt, omdat
    hiervoor de toestemming van  soms honderden  rechthebbenden
    vereist zou zijn. Een en ander zal onvermijdelijk leiden tot een belem-
    mering van de uitwisseling van kennis.
   Uitdagende wet- en regelgeving koppelen aan onder-
   zoeksstimulering
   De overheid stelt terecht eisen aan bedrijven aangaande veiligheid, milieu, en
   dergelijke. De Raad wil hier het zgn. Californische model onder de aandacht
   brengen: tijdig uitdagende wet- en regelgeving aankondigen, eventueel
   gekoppeld aan stimulering van daarop gerichte R&D, om de op termijn gestel-
   de doeleinden te kunnen realiseren. Een concreet doel, waarvan men weet dat
   er een tijdsschaal aan verbonden is, werkt activerend. Momenteel staan wet-
   en regelgeving en stimulering van specifieke ontwikkelingen vaak los van
   elkaar. Ongetwijfeld zal voor veel van deze zaken coördinatie op nationale
   schaal niet voldoende zijn. Veel van de voor ons relevante wet- en regelgeving
   komt immers op internationale, met name Europese, schaal tot stand.
20 A W T - a d v i e s n r . 3 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Concurrentiebevordering, wel met ruimte voor samenwer-
king op onderzoeksgebied
Concurrentie kan innovatie stimuleren. De praktijk, hier en elders, laat zien
dat het wegnemen van beperkingen aan concurrentie enorme impulsen kan
geven aan innovatie en nieuwe bedrijvigheid. De Nederlandse overheid heeft
in de afgelopen jaren bewust een beleid ingezet ter stimulering van concur-
rentie in het bedrijfsleven, o.a. in het mededingingsbeleid. De Raad meent dat
dit beleid niet moet resulteren in onnodige beperkingen aan mogelijkheden
van concurrerende bedrijven om op R&D-gebied samen te werken. Zoals in
het vorige hoofdstuk is benadrukt, zijn bedrijven vaak niet meer bereid of in
staat zelfstandig de voor hun relevante R&D uit te voeren en is samenwerking
met andere bedrijven onontbeerlijk. Beide beleidslijnen  versterking van de
concurrentie en samenwerking op onderzoeksgebied  hoeven niet met elkaar
in tegenspraak te zijn. De Raad pleit voor toegesneden richtlijnen in dezen,
zodat de bedrijven weten waar ze aan toe zijn. Hij beseft dat de praktijk zo
divers is dat niet alles vooraf in eenduidige regelgeving is vast te leggen. Rond
het mededingingsbeleid moet zich nog een jurisprudentie ontwikkelen. Hij
pleit hierbij voor een duidelijk oog voor de noodzaak van samenwerking tus-
sen bedrijven op onderzoeksgebied.4
Innovatief aankoopbeleid
De overheid is een belangrijke inkoper van goederen en diensten. Het ministe-
rie van EZ heeft recent het innovatief aankoopbeleid van de overheid op de
agenda gezet. De Raad meent dat op bepaalde terreinen zon beleid een krach-
tig effect zal hebben op het innovatief klimaat.
    Grote aanbestedingen zijn onderhevig aan EU-richtlijnen. Dit betekent
o.a. dat de aanbestedingen niet beperkt blijven tot Nederlandse bedrijven. Dit
acht de Raad geen reden te proberen deze weg te vermijden, integendeel.
Concurrentie werkt per saldo stimulerend. Bovendien biedt dit beleid, als het
in Europa gemeengoed wordt, ook goede kansen voor Nederlandse bedrijven
op markten in landen die traditioneel sterk beschermd zijn.
    4 De praktijk in het kartelrecht rond de vrijstelling van R&D-samenwerking is in Europa
      anders dan in de VS. In de VS wordt samenwerking soepeler behandeld, zo is de ervaring van
      bedrijven die op beide fronten opereren. Dit vloeit voort uit de algemene kenmerken van het
      Amerikaanse en Europees kartelrecht. In Europa vallen alle relevante overeenkomsten onder
      het verbod van art. 85 (1) tenzij zij onder een groepsvrijstelling vallen of individueel zijn vrij-
      gesteld. In Amerikaans kartelrecht geldt veeleer de rule of reason: men kijkt als het ware naar
      het effect van de samenwerking met inachtneming van; het doel van de R&D-samenwerking,
      de structuur van de industrie, bereik en duur van de samenwerking en de voordelen van de
      samenwerking. Als er geen sprake is van een intent of monopolization of een intent to eliminate
      competitionzal een normale R&D-samenwerking niet snel verboden zijn terwijl naar Europees
      kartelrecht men snel tegen formele grenzen oploopt.
                                                                         A W T - a d v i e s       n r .  3 8 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>3.2
Publieke kennisinstituten:
heldere missies en aanspreken op eigen verantwoordelijkheid
                       De overheid bekostigt in belangrijke mate de publieke kennisinstituten zoals
                       de universiteiten, de gtis, TNO, DLO, e.d. De overheid kent naast de basisbe-
                       kostiging van deze instituten een groot aantal instrumenten ter stimulering
                       van hun activiteiten; enkele voorbeelden uit het EZ-technologie-instrumenta-
                       rium: IOPs, MKB-initiatief TNO, Innovatiefonds Technologie & Beroeps-
                       onderwijs, de makelaarsrol (public consultant). Bijsturen betekent in feite dat
                       EZ op de stoel van de kennisinstituten gaat zitten. Dat is op termijn niet de
                       goede weg. Bijsturen creëert bij de instituten een cultuur van kijken naar Den
                       Haag in plaats van naar de doelgroep.
                           Het is niet zozeer uit onvrede met de bereikte resultaten, als wel vanuit de
                       noodzaak dat de kennisinfrastructuur in staat moet zijn zich snel aan veran-
                       derende (internationale) omstandigheden te kunnen aanpassen, dat de Raad
                       pleit voor een heroriëntatie van het beleid. Het huidige overheidsbeleid biedt
                       onvoldoende garantie op bedoeld aanpassingsvermogen. Dit is niet zozeer
                       een kwestie van geld of van bekwaamheid van mensen. Het probleem is struc-
                       tureel: de rolverdeling tussen overheid en kennisinstituten is versluierd.
                       Enerzijds bemoeit de overheid zich met zaken die op het bord van de kennis-
                       instituten liggen. Anderzijds laat de overheid zaken op haar beloop waar
                       beleid nodig is. Dit is niet effectief. Het maakt het bovendien moeilijk om de
                       betrokkenen op hun eigen verantwoordelijkheid aan te spreken. Dat is voor
                       een goed functionerend systeem absoluut noodzakelijk, zowel omdat de
                       maatschappij in toenemende mate vraagt om verantwoording van besteding
                       van belastinggeld, alsook omdat dat op zichzelf weer stimulerend werkt naar
                       betrokkenen om op de tenen te lopen.
                       De Raad pleit voor een stramien van strategische plannen binnen heldere mis-
                       sies en randvoorwaarden en bekostiging naar resultaten. Dit vereist een ander
                       overheidsbeleid, niet alleen in instrumentarium maar ook in cultuur.
                       Enerzijds komt de overheid meer op afstand: de instituten zijn immers zelf
                       verantwoordelijk. Anderzijds vereist het voorstel een actieve overheid die dui-
                       delijk maakt wat ze wil bereiken, het toetsingsinstrumentarium ontwikkelt,
                       alsook van zins is om consequenties te trekken uit die toetsing. De hier voor-
                       gestelde weg vraagt om een overheid die zich met de hoofdlijnen bezighoudt
                       en daar scherp en duidelijk over is.
                       Voor een nadere uitwerking verwijst de Raad naar eerdere adviezen: over de
                       grote technologische instituten (gtis)5, en over TNO.6 De toen gegeven analy-
                       ses zijn zijns inziens nog steeds actueel.
                           5 Het nut van de grote technologische instituten, AWT-advies nr. 32. Den Haag, februari 1998.
                           6 Reactie op Strategisch Plan TNO 1999-2000, AWT-advies nr. 34. Den Haag, maart 1998.
22                     A W T - a d v i e s        n r .   3 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                                                                                                   3.3
                                    S u b s i d i e s m e e r r i ch t e n o p h e t f u n d e r e n d o n d e r z o e k
                                            van waaruit nieuwe bedrijvigheid kan ontstaan
Het funderend onderzoek komt in de knel, niet alleen in de private sector,
maar ook in de publieke. De bedrijven zijn steeds minder geneigd te investe-
ren in het fundamentele onderzoek, maar concentreren zich op het op de
markt gerichte onderzoek gekoppeld aan hun core business. De publieke onder-
zoeksinstituten bewegen zich meer en meer op de markt en proberen uit die
markt additionele financiering te verkrijgen. Met uitzondering van enkele
grote bedrijven, ligt de interesse van de markt in het toegepaste onderzoek.
Het gevaar is dat de publieke instituten worden meegezogen, op weg van het
funderend onderzoek naar het toegepaste onderzoek. In plaats van in het ont-
stane tekort te voorzien, vergroten de instituten dat tekort.
    Het funderende onderzoek kan een groot maatschappelijk rendement
hebben. Een belangrijke waarde ligt in combinatie met het onderwijs: onder-
zoek in combinatie met onderwijs biedt een uitstekende ambiance voor het
opleiden van wetenschappelijk getrainde en onafhankelijk denkende mensen.
Daarnaast legt het funderende onderzoek de kiemen voor nieuwe technieken
en innovaties. Wie in de samenleving profiteert van de resultaten van dit
onderzoek, is in het algemeen vooraf niet aan te geven. Juist om die reden
meent de Raad dat de stimulering van funderend onderzoek bij uitstek een
taak is voor de overheid. Niet dat het meer toepassingsgerichte onderzoek niet
belangrijk is  dat is van uitermate groot belang om uiteindelijk economisch
profijt te kunnen trekken van de resultaten van het funderend onderzoek 
maar daar kunnen anderen op worden aangesproken. De private markt heeft
zich grosso modo voldoende ontwikkeld om hierop in te spelen.
De vraag is in welke vorm en onder welke voorwaarden de overheid het funde-
rend onderzoek zou moeten stimuleren. Is een beleid wenselijk van laat dui-
zend bloemen bloeien en kies achteraf of is vooraf een toespitsing op specifie-
ke gebieden nodig, omdat ons land tenslotte niet op alle terreinen met vol-
doende impact aanwezig kan zijn en ook alle terreinen niet even relevant zijn
voor ons land?
    De Raad meent dat deze vragen niet zonder meer met ja of nee zijn te
beantwoorden. Hij maakt een onderscheid tussen de universitaire en de niet-
universitaire sector.
    Voorzover de niet-universitaire instituten  de departementale onderzoek-
instituten, de gtis, TNO, DLO  funderend onderzoek moeten doen, is het
uiteindelijk de overheid die de verantwoordelijkheid neemt voor de keuze van
de gebieden. De Raad heeft deze zienswijze nader toegelicht in zijn eerdere
adviezen over deze instituten.
    De verantwoordelijkheid voor een goede aansluiting van de activiteiten
van de universiteiten op de behoeften van de maatschappij ligt in eerste
instantie bij de universiteiten zelf. De overheid heeft de taak de basisfinancie-
ring van de universiteiten  zowel voor het onderwijs als voor het onderzoek 
te verzorgen. Het ministerie van OCenW is uiteraard de eerst aangewezene
voor de bekostiging van het funderend onderzoek; hij doet dit door middel
                                                          A W T - a d v i e s n r . 3 8                             23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>   van de eerste en tweede geldstroom voor de universiteiten. De primaire doel-
   stelling van dit Ministerie bij de bekostiging van het universitaire onderzoek
   is het bieden van de goede omgeving voor het verzorgen van een wetenschap-
   pelijke opleiding.
       In zijn advies Hoofdlijnen Wetenschapsbeleid is de Raad nader ingegaan op de
   rol van met name het ministerie van OCenW ten aanzien van de universitei-
   ten; hij geeft dit niet opnieuw weer. Hij herhaalt hier wél zijn stellingname
   dat de kracht van de universiteiten ligt in het funderend onderzoek; dat is
   hun stee en daar moeten ze zich op blijven concentreren. Het is uiteraard toe
   te juichen als andere partijen dan de overheid dit onderzoek willen meefinan-
   cieren: dit vergroot de slagkracht van de universiteiten en stimuleert de ken-
   nistransfer.
       In de ogen van de Raad kan het ministerie van EZ een aanvullende rol spe-
   len in het stimuleren en versterken van de interactie tussen de universiteiten
   en het bedrijfsleven met het oog op het stimuleren van nieuwe bedrijvigheid.
   Vanuit maatschappelijk oogpunt gezien, vergen die investeringen veelal een
   omvang die de universiteiten zelf niet kunnen opbrengen. Zij zullen immers
   hun onderzoeksinvesteringen vooral moeten beoordelen in relatie tot hun
   wetenschappelijke opleidings- en onderzoekstaak. Ook van de bedrijven is
   redelijkerwijs niet altijd te verwachten dat zij de financiering van bedoeld
   onderzoek geheel voor hun rekening nemen: de kans van slagen is onzeker en
   de terugverdientijden zijn in het algemeen lang. Toch is het maatschappelijk
   van belang dat in ruime mate geïnvesteerd wordt in gebieden van waaruit
   nieuwe bedrijvigheid kan ontstaan. Het is om die reden dat de Raad hier voor
   EZ een stimulerende rol ziet weggelegd.
       Gelet op het bovenstaande, is de Raad een groot voorstander van de weg
   zoals die is ingeslagen met de technologische topinstituten (ttis): instituten
   voor funderend onderzoek waar naast de publieke ook private partijen meefi-
   nancieren; uiteraard onverlet latend dat iedere afzonderlijke tti regelmatig op
   zijn eigen merites beoordeeld moet worden. Het ministerie van Economische
   Zaken heeft in de startfase een stimulerende rol gespeeld. De Raad ziet ook in
   de toekomst een rol voor EZ in het stimuleren van samenwerking tussen uni-
   versiteiten en het bedrijfsleven, zodat snel en adequaat op de voorliggende
   kansen kan worden ingespeeld. Hij pleit wel voor een minder starre en min-
   der opgetuigde procedure dan die bij de ttis het geval was. Dus niet één keer
   in de zoveel jaar een ronde waar enkele instituten worden uitgekozen, maar
   een stimuleringssubsidie voor funderend onderzoek waar consortia van
   bedrijven samen met onderdelen van de publieke kennisinfrastructuur (een
   publiek-private samenwerking) een beroep op kunnen doen, wanneer de
   behoefte en de mogelijkheden daar zijn, zonder beperkingen wat betreft de
   gebiedskeuze. Dit geeft ook betere mogelijkheden aan consortia van kleinere
   bedrijven alsook aan bedrijven die traditioneel minder onderzoeksgericht
   zijn.
       De gelden voor deze stimuleringsmaatregel kunnen in de ogen van de
   Raad gevonden worden door het verminderen van subsidies gericht op het sti-
   muleren van allerlei toegepast onderzoek; de private markt heeft zich grosso
   modo voldoende ontwikkeld om hier zelf toe in staat te zijn. De laatste catego-
   rie betreft tientallen regelingen met honderden miljoenen guldens die veelal
   via SENTER en NOVEM worden verdeeld.
24 A W T - a d v i e s  n r . 3 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Het voert te ver, in het kader van dit advies over de hoofdlijnen van het inno-
vatiebeleid, hier nader aan te geven welke subsidies met hoeveel kunnen wor-
den verminderd of gestopt. Een nadere invulling moet gebaseerd zijn op
gedegen evaluatiestudies naar de effectiviteit van de regelingen. Dit gaat ver-
der dan de vraag of de subsidies goed zijn besteed  de vraag waartoe veel eva-
luatiestudies zich beperken. Zulke studies vereisen ook meer dan de begun-
stigde bedrijven te vragen of de subsidie zinvol was. Deze bedrijven hebben in
het algemeen als doel om zoveel als mogelijk van de beschikbare subsidies te
profiteren; van hun standpunt uit gezien begrijpelijk. Subsidies zijn echter
geen doel maar middel. Bij de effectiviteitsvraag gaat het om de vraag of de
doelstellingen van de subsidieregelingen zijn bereikt mede dankzij die rege-
lingen. De AWT is bereid op dit punt nader te adviseren.
Bovenstaand pleidooi voor een opschuiving van de subsidiestroom richting
het funderend onderzoek, is geen pleidooi om alle subsidies voor toepassings-
gericht onderzoek af te schaffen. Er zijn goede argumenten om in bepaalde
gevallen subsidies te handhaven, ook als ze niet specifiek op het funderend
onderzoek zijn gericht. In de eerste plaats betreft dit subsidies voor gebieden
waar de overheid zelf de primaire verantwoordelijkheid draagt  de zgn.
onderwerpen van staatszorg.
    Het tweede argument betreft de positie van het MKB. Bovenstaande grote
lijn veronderstelt dat de verschillende partijen voldoende alert zijn om op de
geboden mogelijkheden in te springen. In de praktijk is dit niet altijd het
geval. De Raad vreest dat vele middelgrote en kleine bedrijven, met name het
technologievolgende MKB, uit zichzelf onvoldoende aansluiting zoeken met
de (publieke) kennisinfrastructuur; het zou niet zo moeten zijn  de bedrijven
doen zichzelf uiteindelijk te kort  het is echter wel de praktijk. Voor de ken-
nisinstellingen is het bovendien eenvoudiger relaties aan te gaan met een paar
grote klanten dan met een groot aantal kleine klanten. Dit is een gevaar
zowel bij het onderzoek als bij het onderwijs. Voor de opleidingen vereist de
introductie van duaal leren grotere betrokkenheid van het bedrijfsleven; voor
die gebieden waar de vraag naar afgestudeerden het aanbod verre overtreft
zoals bij de informatici, dreigt het MKB achter het net te vissen. De prijs van
natuurlijke selectie doordat de bedrijven die niet vernieuwen zullen verdwij-
nen, is maatschappelijk hoog. Om die reden pleit de Raad voor het vooralsnog
instandhouden van een aantal stimuleringsmaatregelen specifiek gericht op
het MKB. Op termijn mag verwacht worden dat de publieke kennisinstellin-
gen zelf hun markt, waaronder het MKB, actiever gaan benaderen, zeker als
de overheid op dat punt expliciete doelstellingen aan de instituten meegeeft
en daarop ook beoordeelt en bekostigt.
    Het derde argument betreft de internationale beleidsconcurrentie. Een
belangrijke overweging bij het subsidiëren van onderzoek bij bedrijven is het
zgn. level playing field: de omvang van de ondersteuning in ons land moet in
principe vergelijkbaar zijn met die in andere landen. Het is mede om die
reden dat de Raad continuering van de WBSO bepleit. Het geeft bedrijven een
ondersteuning in hun R&D die in andere landen, al of niet in die vorm, ook
wordt gegeven. Het voordeel van deze regeling is het generieke karakter en de
relatief geringe uitvoeringskosten. De beleidsinspanningen om binnen
Europa tot meer harmonisatie van subsidiëring en regelgeving te komen, zou
er toe kunnen leiden dat op enig moment de in Nederland vigerende regeling
                                                          A W T - a d v i e s n r . 3 8 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>   niet meer te motiveren is vanuit level playing field. Het blijft zaak voortdurend
   het Nederlandse ondersteuningsregime in vergelijking met relevante buiten-
   landen te analyseren. Dat is bij uitstek een verantwoordelijkheid van de
   minister van EZ.
   Aldus vastgesteld te Den Haag, 31 mei 1999.
   Dr.ir. B.P.Th. Veltman
   voorzitter
   Dr. A. van Heeringen
   secretaris
26 A W T - a d v i e s n r . 3 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                                                                   Bijlage: Adviesaanvraag
   Innovatiebeleid in een systeembenadering
   Aanleiding
   Innovatiebeleid wordt in toenemende mate gebaseerd op een systeembenade-
   ring, waarbij de optimale coherentie tussen de elementen van het nationaal
   innovatiesysteem centraal staat. Dit in tegenstelling tot het traditionele tech-
   nologiebeleid, dat zich meer richtte op het opheffen van marktimperfecties
   (zie OECD-rapport, Technology, Productivity and Job Creation, pag. 21 box 3). Een
   belangrijke oorzaak hiervan is dat de productiefactor kennis in steeds sterkere
   mate het concurrentievermogen van economieën gaat bepalen. Deze verbre-
   ding kan consequenties hebben voor de legitimatie van de overheidsinterven-
   tie, het domein van het Innovatiebeleid en het type instrumentarium. Waar
   het traditionele technologiebeleid zich vooral bediende van financiële instru-
   menten zien we dat bij het Innovatiebeleid nieuwe stijl daarnaast niet-finan-
   ciële instrumenten steeds belangrijker worden. Overheden trachten het
   gedrag van ondernemingen en kennisinstellingen mede te beïnvloeden door
   het benadrukken van kennisdiffusie (voorlichting- en adviesstructuur, best-
   practices-benadering, benchmarking en het aanbieden van strategische informa-
   tie (de public consultant-rol) etc.). Tevens valt te constateren dat Innovatiebeleid
   steeds meer raakvlakken krijgt met het wetenschaps- en onderwijsbeleid, het
   industriebeleid, het financieel beleid, etc.
   Adviesvraag
   Mogelijke vragen:
1. Is de Raad van mening dat de genoemde verbreding van een systeembenade-
   ring in plaats van een benadering gebaseerd op marktimperfecties tot funda-
   mentele veranderingen in het Innovatiebeleid moeten leiden, en zo ja, hoe
   dienen die veranderingen te worden geconcretiseerd?
2. Treden door deze verbreding veranderingen op in de legitimatie van de over-
   heidsinterventies in het kader van het wetenschaps- en technologiebeleid?
3. Ziet de Raad in internationaal perspectief onderontwikkelde gebieden binnen
   het huidige Nederlandse Innovatiebeleid tegen de achtergrond van voor-
   noemde verbreding?
                                                                A W T - a d v i e s n r . 3 8 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>28 A W T - a d v i e s n r . 3 8</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>