<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>41                               Vitaliteit en kritische massa
                            Strategie voor de natuur- en technische wetenschappen
augustus 1999
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
tel 070 - 363 9922
fax 070 - 360 8992
e-mail: secretariaat@AWT.nl
http://www.awt.nl/
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                                                Inhoud
Samenvatting                                                     5
Inleiding                                                        9
1.    Onderwijs                                                  11
1.1   Ontwikkeling studentenaantallen                            12
1.2   Afstemming instroom en opleidingscapaciteit                24
1.3   Conclusie                                                  31
2.    Onderzoek                                                  35
2.1   Behoefte aan β-onderzoek gerelateerd aan het onderwijs     35
2.2   Maatschappelijke behoefte aan β-onderzoek                  38
2.3   Conclusie                                                  43
3.    Aanbevelingen                                              45
3.1   Toekomstig aantal zelfstandige opleidingslocaties          45
3.2   Varianten voor concentratie                                47
3.3   Routes die tot concentratie leiden                         49
3.4   Reorganisatiebudget                                        51
Bijlage 1     Adviesaanvraag                                     53
Bijlage 2     Internationale vergelijking van onderwijsdeelname  55
                                                          A W T A D V I E S 4 1      3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>4 A W T A D V I E S 4 1</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                                                     Samenvatting
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft de AWT om
advies gevraagd over een te voeren strategie ten aanzien van het natuurweten-
schappelijke en het technische onderwijs en onderzoek aan de Nederlandse
universiteiten; zie bijlage 1.
Ontwikkeling studentenaantallen
Doorgaans wordt in sombere termen over de toekomst van het geheel van
deze vakgebieden gesproken, waarbij wordt gewezen op het afnemende aantal
studenten in deze  hierna als β aan te duiden  vakgebieden. In andere lan-
den zou de belangstelling veel groter zijn.
    In beide stellingnamen is er sprake van vooroordelen die aanwijsbaar
genuanceerd kunnen worden.
    De afgelopen dertig jaar is de belangstelling voor β-studies niet gedaald;
zowel bij de mannen als bij de vrouwen is het percentage studenten dat voor
een β-opleiding kiest al decennia lang opmerkelijk constant. De belangstel-
ling voor een β-opleiding is bij de vrouwen wel substantieel lager dan bij de
mannen. Aangezien het wetenschappelijk onderwijs de afgelopen 25 jaar
hoofdzakelijk is gegroeid vanwege de grotere toeloop van vrouwen, is het rela-
tieve aandeel van de β-opleidingen in het totaal van opleidingen gedaald. In
absolute zin is het aantal β-studenten tot het begin van de jaren negentig toe-
genomen. De daling die sindsdien is opgetreden, vloeit voort uit demografi-
sche ontwikkelingen; het aantal achttienjarigen is in minder dan tien jaar tijd
met een kwart gedaald.
    Vergeleken met andere landen neemt Nederland een middenpositie in wat
betreft de belangstelling voor β-studies.
    Dit neemt niet weg dat zich binnen het β-domein een aantal zorgelijke
ontwikkelingen voordoen.
Binnen het β-domein zijn de afgelopen decennia grote verschuivingen opge-
treden. In de jaren tachtig is het relatieve aandeel van de instroom naar de
technische wetenschappen gegroeid ten koste van de natuurweten-
schappelijke opleidingen. In de jaren negentig is binnen de natuurweten-
schappen een verschuiving opgetreden van de exacte wetenschappen naar de
levenswetenschappen. Daarnaast zijn er nieuwe opleidingen ingericht, zoals
de informatica. Deze veranderingen in de studiekeuze sluit aan bij de behoef-
ten vanuit de arbeidsmarkt.
     Al deze ontwikkelingen samen hebben wel geleid tot een daling van de
instroom bij met name de wiskunde, natuurkunde en scheikunde bij de zes
algemene universiteiten, en in mindere mate bij de technische universiteiten.
Deze ontwikkeling is, zeker als die doorzet, zorgelijk. Enerzijds is deze terug-
gang verontrustend voor de continuiteit van de industrie, anderzijds leidt het
tot inefficienties in de betrokken opleidingen. De Raad verwacht geen specta-
culaire effecten van grootscheepse inspanningen van de overheid om de ver-
schuivende belangstelling te keren; daarvoor zijn de onderliggende verande-
                                                              A W T   A D V I E S 4 1           5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  ringen te structureel van aard. Hij pleit voor verbreding van de opleidingen
  zodat die beter aansluiten bij de behoeften van de arbeidsmarkt en de aantrek-
  kingskracht op studenten vergroten. Daarnaast moet zijns inziens ook de β-
  component in de α- en γ-opleidingen worden versterkt.
      Op enkele terreinen is de situatie echter zo zorgelijk dat specifieke aan-
  dacht nodig is. Dat geldt met name voor de lage instroom voor de wiskunde.
  In veel wetenschapsgebieden neemt het belang van de wiskunde als onder-
  steunende discipline toe. Daarvoor zijn binnen allerlei disciplines mensen
  nodig met een wiskundige scholing terwijl binnen de wiskunde zelf een
  steeds breder toepassingsgebied bestreken moet worden. Er is verder een nij-
  pend en maatschappelijk niet te accepteren tekort aan leraren in de exacte
  vakken.
  Concentratie
  Vanuit onderwijsoogpunt acht de Raad het ongewenst om voor de wiskunde,
  fysica en chemie complete, eigenstandige opleidingen aan alle algemene uni-
  versiteiten te handhaven. Het is een inefficiënte benutting van middelen. De
  huidige situatie is ook niet effectief; er is gemiddeld per universiteit een te
  gering potentieel om ruimte te scheppen voor vernieuwingen in het onder-
  wijs.
      Een concentratie, of op zijn minst een bestuurlijke centralisatie, is ook
  gewenst voor het onderzoek. Over het geheel genomen is de kwaliteit van het
  onderzoek zeker goed te noemen, maar als totaal is het systeem te kwetsbaar
  om de hoge kwaliteit in de toekomst vast te kunnen houden. Door de versnip-
  pering is er onvoldoende mogelijkheid om nieuwe ontwikkelingen adequaat
  op te pakken en is de internationale zichtbaarheid te gering.
      De Raad concludeert derhalve dat de huidige verkaveling over zes algeme-
  ne en drie technische universiteiten een majeure verandering vereist, gericht
  op een centralisatie en concentratie van de bestaande onderwijs- en onder-
  zoekscapaciteit. De Raad hanteert als richtsnoer tenminste een halvering van
  het aantal zelfstandige β-opleidingen bij de algemene universiteiten. De
  inrichting van de capaciteit zou in samenhang met de drie technische univer-
  siteiten en de landbouwuniversiteit uitgewerkt moeten worden. Ook het
  onderzoek bij de para-universitaire instituten moet in beschouwing worden
  genomen. Als ijkpunt kan de ETH-Zürich worden genomen; een universiteit
  in een klein land, die het gehele terrein van de technische en natuurweten-
  schappen bestrijkt en mede als gevolg van de geconcentreerde inzet van de
  Zwitserse onderzoeksmiddelen tot de top van de mondiale wetenschap
  behoort.
  De conclusie dat een rigoureuze concentratie nodig is, wordt gevolgd door de
  vraag hoe die concentratie bereikt kan worden. De Raad adviseert de Minister
  om de dat-conclusie over te nemen en de hoe-vraag in eerste instantie bij de uni-
  versiteiten neer te leggen. Die terugkoppeling naar de universiteiten is mede
  van belang omdat verschillende universiteiten al besprekingen voeren over
  onderlinge uitwisseling en toelevering, in samenhang met het belang van β-
  vakken voor andere opleidingen. Doordat dit proces nu vooral door lokale
  overwegingen wordt aangestuurd, zal het totaal tot minder concentratie lei-
  den dan vanuit nationale optiek nodig is. De lat moet hoger worden gelegd.
  Om de universiteiten tot een hogere sprong aan te zetten, zou de Minister de
6 A W T    A D V I E S  4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>universiteiten moeten verzoeken om met een voorstel te komen dat leidt tot
een effectieve en efficiënte concentratie van het β-onderwijs en -onderzoek.
Eerst als langs deze weg het gewenste doel niet bereikbaar blijkt, zou de
Minister met maatregelen van bovenaf moeten ingrijpen. Voorstellen die tot
het beoogde doel leiden, vereisen een reorganisatiebudget teneinde de veran-
deringen met de noodzakelijke snelheid te kunnen realiseren.
                                                             A W T   A D V I E S 4 1 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>8 A W T A D V I E S 4 1</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                                                                                       Inleiding
De minister van OCenW heeft de Adviesraad voor het Wetenschaps- en
Technologiebeleid (AWT) advies gevraagd over een te voeren strategie voor de
toekomstige inrichting van het onderwijs en het onderzoek op het gebied van
de technische en natuurwetenschappen.1 In dit advies zal de Raad deze gebie-
den samen als β-disciplines aanduiden; gelet op de strekking van de advies-
aanvraag ligt de nadruk bij het universitaire deel van het β-domein.2
Als belangrijke aanleiding voor de adviesaanvraag noemt de Minister het rap-
port van de commissie-Verruijt.3 Dit rapport luidt de alarmklok over de lage
instroom van studenten naar de universitaire β-opleidingen. De commissie
wijst daarin op een achterstand in β-belangstelling van ons land ten opzichte
van het buitenland. Om de instroom te vergroten, pleit de commissie onder
andere voor betere voorlichting en voor een aanpassing van de studiefinan-
ciering. Gegeven de lage instroom wordt de mogelijkheid genoemd van con-
centratie; enerzijds door bestaande opleidingen binnen één universiteit te
clusteren, anderzijds via allianties van studierichtingen, die op meerdere uni-
versiteiten bestaan, tot profilering van onderwijs en onderzoek te komen.
Daarnaast pleit de commissie voor een vijfjarig curriculum en voor een betere
aansluiting van de opleiding op de maatschappelijke behoefte; in het commis-
sierapport neemt de analyse van de behoefte evenwel geen eigen plaats in.
De Raad beziet de vraag van de Minister zowel vanuit het oogpunt van het
onderwijs als vanuit het onderzoek. Hoofdstuk 1 gaat over de onderwijsaspec-
ten. Het accent ligt daar op de ontwikkeling in studentenaantallen in relatie
tot de opleidingscapaciteit. In hoofdstuk 2 wordt nader ingegaan op de onder-
zoeksaspecten. Het accent ligt daar op de vraag of het universitaire onder-
zoekssysteem goed is toegerust om in te spelen op de veranderingen in de ken-
nisbehoefte. In hoofdstuk 3 formuleert de Raad aanbevelingen om de in de
hoofdstukken 1 en 2 geschetste problemen op te lossen.
    1 Zie bijlage 1 voor de tekst van de adviesaanvraag.
    2 In dit advies gebruikt de Raad de aanduiding bbb voor de disciplines die in Nederland vallen
      binnen de HOOP-gebieden Natuur en Techniek. Grosso modo gaat het bij Natuur om de wis
      kunde, informatica en natuurwetenschappen van de algemene universiteiten en bij Techniek
      om de ingenieursopleidingen van de Technische Universiteiten.
    3 Wetenschap en Techniek. Welvaart en Welzijn, Commissie Toekomst Natuur- en Technische
      Wetenschappen, KNAW. Amsterdam, mei 1997.
                                                                           A W T     A D V I E S   4 1         9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>10 A W T A D V I E S 4 1</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Discussies over het natuurwetenschappelijk en technisch onderwijs en onder-
zoek staan veelal in het teken van tekorten. Er circuleren alarmerende gelui-
                                                                                                  1
                                                                                                 Onderwijs
den: zowel vanuit internationaal als historisch perspectief zou er sprake zijn
van een dramatisch lage instroom van studenten naar β-opleidingen. Dit
beeld is zeer kernachtig verwoord in het reeds genoemde rapport-Verruijt: In
Duitsland, bijvoorbeeld, studeert een op de vijf studenten een technische wetenschap, in
Nederland is dat slechts een op de zestien. Dit afwijkende patroon is op zichzelf al veront-
rustend, maar de grootste zorg is dat het verschil met andere landen niet wordt ingelopen.
Integendeel, het aantal studenten is in Nederland de laatste decennia sterk gestegen maar
deze groei is in de β-sector achtergebleven.
Om na te gaan of en hoe Nederland zou kunnen leren van andere landen die
kennelijk een betere voedingsbodem voor β-studies bieden, is de Raad nader
ingegaan op de situatie in het buitenland. Daarbij komt hij tot de conclusie
dat de verschillen niet extreem zijn; vergeleken met andere landen is
Nederland een middenmoter wat betreft het percentage β-studenten.
Vergeleken met eerdere decennia is de belangstelling voor het totaal van de β-
studies niet veel veranderd, althans niet als wordt gecorrigeerd naar verschil-
len in studiekeuze tussen mannen en vrouwen en indien rekening wordt
gehouden met de demografische ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zal de
Raad beide conclusies nader onderbouwen.
Het feit dat de totale instroom naar β-studies niet sterk is veranderd, betekent
niet dat binnen het β-domein geen opvallende veranderingen zijn opgetreden.
De afgelopen decennia hebben zich opmerkelijke verschuivingen voorgedaan.
In de jaren tachtig trad een verschuiving op van de natuurwetenschappelijke
naar de technische opleidingen en in de jaren negentig is binnen de natuurwe-
tenschappen een verschuiving opgetreden van de exacte vakken naar de
levenswetenschappen. Verder is de inrichting van nieuwe studierichtingen,
zoals de informatica, ten koste gegaan van de instroom naar de bestaande
opleidingen. Deze verschuivingen hebben met name voor de wiskunde, fysica
en chemie een cumulatief effect gehad, met als gevolg dat de totale instroom
naar deze vakgebieden nu aanmerkelijk lager is dan vroeger. Per opleidingslo-
catie is de instroom van studenten sterk verminderd in vergelijking met enke-
le decennia geleden. Dat geldt in het bijzonder voor de opleidingen die de zes
algemene universiteiten op deze vakgebieden verzorgen; vergeleken met de
jaren zeventig is de gemiddelde instroom bij die universiteiten voor de exacte
richtingen  fysica, chemie, wiskunde en informatica  gehalveerd.
Het opleidingenaanbod bij de universiteiten heeft de genoemde verschuivin-
gen niet of nauwelijks gevolgd; het huidige aanbod aan opleidingen is nog
sterk geënt op de opleidingsvraag van enkele decennia geleden. De Raad acht
het de hoogste tijd om het aanbod aan onderwijs af te stemmen op de veran-
                                                                      A W T     A D V I E S  4 1        11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                           derde omstandigheden. In de twee navolgende paragrafen zal hij deze stel-
                           lingname nader toelichten.
1.1
Ontwikkeling Studentenaantallen
                            Het is een wijdverspreid beeld dat het aantal β-studenten in Nederland daalt
                           en dat ons land daarbij in negatieve zin afwijkt van het buitenland. De Raad
                           gaat eerst kort in op de vergelijking met het buitenland om vervolgens uitge-
                           breider stil te staan bij de historische veranderingen in eigen land.
                           1.1.1              Internationale vergelijking
                           De commissie-Verruijt becijfert dat in Duitsland naar verhouding driemaal
                           zoveel studenten in het hoger onderwijs voor een technische opleiding kiezen
                           als in Nederland; 1:5 resp 1:16. Deze typering is ontleend aan een publicatie
                           van het CBS4, waarin voor Nederland het totale hoger onderwijs wordt
                           beschouwd, dus zowel het WO als het HBO. Deze CBS-cijfers stroken niet met
Nederland niet achter op   de feitelijke situatie. Aan de Nederlandse universiteiten volgt ruim 14% van de
Duitsland wat betreft      studenten een technische opleiding; ofwel één op zeven. In het HBO is het
aantal studenten techniek  aandeel van de techniek groter; daar studeert één op de vijf studenten tech-
                           niek. Tellen we het HBO en WO samen, dan staat in Nederland ongeveer 18%
                           van de studenten bij een technische opleiding ingeschreven, hetgeen niet veel
                           verschilt met de Duitse score van 1:5.
                           De door de commissie-Verruijt en het CBS genoemde percentages blijken te
                           zijn ontleend aan cijfers van de UNESCO. De Raad constateert dat in die cijfers
in vergelijking met andere het technisch gedeelte van het HBO niet bij techniek is ondergebracht; in de
landen kent Nederland veel teller komt bij techniek alleen het WO-gedeelte voor terwijl het totale WO en
technische en minder       HBO in de noemer staan. Aangezien het HBO ongeveer tweemaal zoveel stu-
natuurwetenschappelijke    denten techniek heeft als het WO wordt voor Nederland tweederde van de
studenten                  techniekstudenten in het hoger onderwijs niet meegeteld. Daarmee is het ver-
                           schil van een factor drie met Duitsland verklaard. In bijlage 2 gaat de Raad
                           nader in op vergelijkingen met andere landen. Daarbij komt hij tot de con-
                               4 Kennis en Economie 1996, CBS. Heerlen, Voorburg, 1996.
12                         A W T     A D V I E S     4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>clusie dat de percentages techniekstudenten binnen de Nederlandse en Duitse
universiteiten nagenoeg gelijk zijn. De natuurwetenschappelijke opleidingen
in Duitsland trekken bijna de helft meer studenten dan in Nederland.5 In ver-
gelijking met andere Europese landen lijken de Nederlandse studenten
gemiddeld meer voor techniek te kiezen en minder voor natuur-
wetenschappelijke opleidingen. Voor het totaal betekent dit dat Nederland
gemiddeld scoort wat betreft het percentage universitaire studenten dat een β-
opleiding volgt.
1.1.2 Historische vergelijking
Gelet op de strekking van de adviesaanvraag richt de Raad zich vooral op het
WO. De ontwikkeling van het aantal universitaire β-studenten moet worden
beschouwd tegen de achtergrond van het totale aantal studenten in het WO.
Ontwikkeling van het aantal b-studenten in het WO
Afbeelding 1 laat zien dat de studentenpopulatie na de oorlog sterk is geste-
gen. Die stijging duurde tot het eind van de jaren tachtig. In het begin van de
jaren negentig trad een daling op die hoofdzakelijk door demografische ont-
wikkelingen is bepaald.
    De ontwikkeling in de studentenpopulatie vormt de som van de ontwikke-
ling bij mannen en die bij vrouwen. Afbeelding 1 laat zien dat het aantal man-
nelijke studenten sinds 1970 min of meer stabiel is. De groei van de studenten-
populatie is sindsdien vrijwel volledig te danken aan de toegenomen partici-
patie van vrouwen; daar is het verzadigingspunt omstreeks 1990 opgetreden,
ongeveer twintig jaar later dan bij de mannen.
De beide seksen vertonen een duidelijk verschil in studiekeuze. Vrouwen kie-
zen in het wetenschappelijk onderwijs minder voor β-opleidingen dan man-
nen: resp. 13% en 34%; deze percentages zijn al jaren constant met een band-
breedte van ongeveer 1%. Het gevolg van deze verschillen in voorkeur is dat                          interesse van studenten
met de stijging van het aantal vrouwelijke studenten het β-aandeel in de tota-                              voor β afgelopen
le studentenpopulatie is gedaald. Het gaat dus om een relatieve daling voor de                         decennia niet gedaald
β-opleidingen; in absolute zin steeg het aantal β-studenten tot 1985 en bleef
daarna enkele jaren stabiel. Omstreeks 1990 trad een daling op die voortvloeit
uit het feit dat tussen het eind van de jaren tachtig en het midden van de jaren
negentig het aantal achttienjarigen met ruim een kwart is gedaald, zoals
afbeelding 2 laat zien.
    5 Voor een goede vergelijking moeten overeenkomstige pakketten opleidingen worden
      beschouwd. Om Duitsland met Nederland te kunnen vergelijken, moet in beide landen land-
      bouw bij techniek worden geteld en moet technische bestuurskunde buiten beschouwing
      blijven. Duitse statistieken maken geen onderscheid tussen technische en niet-technische
      opleidingen in de exacte vakken, zodat het onderwijs op het gebied van de wiskunde, fysica
      en chemie van de TUs moet worden ingedeeld bij Natuur en niet bij Techniek. Die indeling
      volgend, kiest in Nederland 12% en in Duitsland 13% van de studenten een technische oplei-
      ding. Voor de natuurwetenschappelijke opleidingen telt Nederland 12% van de studenten en
      Duitsland 17%. Zie verder bijlage 2.
                                                                          A W T      A D V I E S 4 1                     13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>   Afbeelding 1: aantal WO-studenten naar geslacht
   Bron: CBS. Tot 1990: het onderwijs vanaf 1950, CBS, Den Haag, 1992.
   Vanaf 1990: Jaarboek Onderwijs 1998, CBS, Voorburg/Heerlen, september 1998.
   Afbeelding 2: aantal 18-jarigen en aantal eerstejaars
   Bron: NIDI (aantal 18-jarigen) en CBS (aantal eerstejaars).
   De laatste 10 jaar is het aantal 18-jarigen ongeveer 5% hoger dan het aantal kin-
   deren dat 18 jaar daarvoor levend ter wereld kwam. Bij de prognose van het
   aantal 18-jarigen is uitgegaan van een gelijkblijvend immigratie-overschot.
14 A W T    A D V I E S   4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Momenteel neemt het aantal 18-jarigen weer toe, hetgeen de recente stijging
in het aantal β-studenten verklaart.
    Dat vrouwen veel minder belangstelling voor β-opleidingen hebben dan
mannen is geen typisch Nederlands verschijnsel. Binnen Noordwest-Europa
en de Angelsaksische landen volgen tweemaal zoveel mannen als vrouwen een
natuurwetenschappelijke opleiding terwijl in de techniek het aantal manne-
lijke studenten ongeveer vijfmaal zo groot is als het aantal vrouwen. Deze cij-
fers verschillen niet veel van de Nederlandse situatie, zoals in bijlage 2 nader
wordt toegelicht.
De Raad concludeert dat de ontwikkeling van het aantal β-studenten de afge-
lopen decennia weinig van doen heeft met een verandering in opleidingskeu-                                       relatieve daling van
zes. Los van algemene demografische ontwikkelingen zijn de veranderingen                                          β vanwege toename
volledig te verklaren uit de toename van vrouwelijke studenten. Vrouwen kie-                                   vrouwelijke studenten
zen minder voor β-studies dan mannen; voor beide seksen is de β-voorkeur al
enkele decennia opmerkelijk stabiel.
Ontwikkeling naar deelgebied
Uit de internationale vergelijking komt naar voren dat de Nederlandse β-stu-
dent naar verhouding vaak voor een technische opleiding kiest. Ook in verge-
lijking met enkele decennia geleden is de huidige belangstelling van de
Nederlandse β-student relatief sterk op de techniek gericht. Anders gezegd, er
is een substantiële verandering opgetreden in de studiekeuze van de universi-
taire β-studenten. De laatste dertig jaar is het aantal β-studenten bij de alge-
mene universiteiten (AUs) opmerkelijk constant, hetgeen betekent dat de
groei die het β-domein in absolute zin heeft doorgemaakt volledig bij de tech-
nische universiteiten (TUs) terecht is gekomen.6 Deze relatieve verschuiving
ten gunste van de techniek manifesteerde zich zowel bij de mannen als bij de
vrouwen. Bij de mannelijke β-studenten steeg het aandeel van de TUs sinds                                     verschuiving binnen β
1980 van 60 naar 70%. Bij de vrouwen was de stijging nog veel sterker; van 20                             van ‘natuur’naar ‘techniek’
naar 50%.
    De relatieve verschuiving van Natuur naar Techniek wordt nog pregnanter
als het HBO in de beschouwing wordt meegenomen. Het HBO kende tot het
midden van de jaren tachtig een groei die gelijk opging met die van het WO.
Vanaf het moment dat de groei van het WO teneinde is, heeft de groei bij het
technisch HBO zich versneld, zoals afbeelding 3 laat zien.
     6 Sinds 1975 bedraagt de totale instroom naar bbb-opleidingen aan de algemene universiteiten
       gemiddeld 2550 eerstejaars met een bandbreedte van slechts 200 studenten. In 1975 lag het
       aantal eerstejaars bij de technische richtingen iets boven het aantal bbb-studenten bij de
       AUs; 2882 tegenover 2603. Vanaf dat moment treedt een sterke stijging op bij de TUs met als
       hoogtepunt 5571 eerstejaars in 1989; bijna een verdubbeling ten opzichte van 1975. Daarna is
       er sprake van een daling naar bijna 4000 eerstejaars in 1996; een afname die nagenoeg over
       eenkomt met de daling van het aantal 18-jarigen. Sinds 1996 is het aantal eerstejaars Techniek
       licht gestegen tot bijna 4500 eerstejaars in 1998 hetgeen eveneens correspondeert met de groei
       van het aantal 18-jarigen.
                                                                               A W T    A D V I E S   4 1                        15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                    Afbeelding 3: studenten Natuur & Techniek; WO & HBO
                    bron: CBS.
                    Het β-domein bij de AUs - ofwel het HOOP-gebied Natuur - is te verdelen in
                    drie categorieën: de exacte wetenschappen (wiskunde, informatica, fysica en
                    chemie), de levenswetenschappen (biologie, farmacie) en de overige richtingen
                    (o.a. aardwetenschappen). De hiervoor gesignaleerde constante toestroom
                    naar de algemene universiteiten blijkt samengesteld te zijn uit een groep van
verschuiving binnen groeiers en krimpers. Binnen de AUs is in de jaren negentig sprake van krimp
‘natuur’van ‘exact’ bij de exacte richtingen en groei bij de levenswetenschappen. Die krimp en
naar ‘leven’        groei komt scherp naar voren bij het aantal eerstejaars7; in 1990 telden de AUs
                    tweemaal zoveel eerstejaars voor opleidingen op het gebied van de exacte
                    wetenschappen als voor de levenswetenschappelijke opleidingen, terwijl in
                    1998 de instroom voor beide groepen ongeveer gelijk was. Zie verder afbeel-
                    ding 4.
                        7 De cijfers over eerstejaars hebben in dit advies steeds betrekking op de december- tellingen
                           van het CBS voor de categorie 1e-jaars-studenten WO-Nederland. Aangezien recente
                           publicaties ontbreken, zijn de cijfers in dit advies ontleend aan de archieven van het CBS. De
                           laatste publicatie met gedetailleerde cijfers over de onderwijsdeelname dateert uit 1995:
                           Hoger Onderwijs in Cijfers 1995, detailtabellen, ministerie van OCenW. Sindsdien publiceert de
                           VSNU cijfers over de deelname aan onderwijs, maar dat is beperkt tot de grofmazige
                           indeling in HOOP-gebieden.
16                  A W T      A D V I E S     4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Afbeelding 4: verdeling 1e-jaars bètas binnen AUs
exacte en levenswetenschappen.
bron: CBS.
Exact omvat wiskunde, infomatica, fysica, sterrenkunde en chemie.
Leven omvat farmacie en biologie.
De verschuiving van Natuur naar Techniek gedurende de jaren tachtig en de
verschuiving in de jaren negentig binnen de natuurwetenschappen van Exact                   resultaat: sterke
naar Leven hebben met elkaar gemeen dat ze hebben geleid tot een daling van          daling instroom ‘exact’
de totale instroom bij de exacte opleidingen van de AUs, te weten de wiskun-
de, fysica, chemie en informatica. Van deze richtingen heeft de informatica
een groei doorgemaakt, hetgeen betekent dat bij de drie eerstgenoemde disci-
plines de instroom van studenten sterker is gedaald.
                                                            A W T    A D V I E S 4 1                     17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>   Voorbeelden van verschuivende β-instroom
   De in de hoofdtekst vermelde verschuivingen binnen het β-domein worden
   goed geïllustreerd door verschuivingen tussen een aantal verwante opleidin-
   gen.
   De verschuiving van Natuur naar Techniek gedurende de jaren tachtig treedt
   pregnant naar voren bij de fysica en de chemie, studies die zowel door de alge-
   mene als de technische universiteiten worden verzorgd. Het aandeel van de
   AUs is in de jaren tachtig sterk gedaald, zoals afbeelding 5 laat zien. Tot
   omstreeks 1980 koos bijna tweederde van de studenten fysica en chemie voor
   een algemene universiteit terwijl dat aandeel aan het begin van de jaren
   negentig tot ongeveer de helft is gedaald. In de jaren negentig steeg het aan-
   deel van de AUs bij de fysica en chemie weer. Die relatieve groei leidde echter
   niet tot een toename in absolute zin doordat het totale aantal eerstejaars aan
   de TUs en AUs voor de chemie en fysica in de jaren negentig sterk daalde. De
   daling houdt verband met de groei van de informatica en de levensweten-
   schappen.
   De verschuiving van de exacte naar de levenswetenschappen gedurende de
   jaren negentig vloeit mede voort uit de opkomst van de medische biologie.
   Dat de verschuiving verder gaat dan de aantrekkingskracht van een nieuwe
   opleiding kan worden afgeleid uit de verdeling van het aantal studenten in
   twee verwante vakgebieden binnen de algemene universiteiten; de chemie
   (exact) en de farmacie (leven). Gemiddeld trokken deze opleidingen de laatste
   vijftien jaar samen ongeveer 740 eerstejaars. Tot het begin van de jaren
   negentig kozen driemaal zoveel studenten voor de chemie als voor de farma-
   cie terwijl er nu bij farmacie meer eerstejaars zijn dan bij de chemie, zoals uit
   afbeelding 6 valt af te lezen.
   Binnen de exacte wetenschappen heeft een verschuiving plaatsgevonden ten
   gunste van de informatica. De totale instroom bij de algemene universiteiten
   voor de opleidingen op het gebied van de wiskunde, fysica en informatica ligt
   de laatste twee decennia meestal rond de 900 eerstejaars. Uit afbeelding 7
   blijkt dat er uitschieters naar boven en beneden zijn. Het meest opvallende is
   echter de onderlinge verschuiving tussen deze studierichtingen; het aandeel
   van de informatica is gestaag gegroeid van 30% in 1982 naar bijna 60% in 1998.
   Er zijn binnen het β-domein meer richtingen die kampen met een dalende
   instroom, maar die dalingen zijn veelal terug te voeren op demografische fac-
   toren. Dat geldt bijvoorbeeld in grote lijnen voor de totale instroom bij de
   technische wetenschappen. Voor sommige gebieden is de instroom sterker
   gedaald, zoals bij de werktuigbouw en de elektrotechniek waar gedurende de
   jaren negentig het aantal eerstejaars met ongeveer 40% terugliep, aanmerke-
   lijk meer dan op grond van demografische ontwikkelingen verwacht zou
   mogen worden. Voor de lucht- en ruimtevaart en voor industrieel ontwerpen
   is de instroom in die periode niet of nauwelijks gedaald. Tellen we de vier
   genoemde technische richtingen samen, dan spoort de totale daling met de
   demografische ontwikkelingen
18 A W T     A D V I E S  4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Afbeelding 5: eerstejaars fysica en chemie
             (verdeling tussen TU en AU)
                                                                 bron: CBS
Afbeelding 6: eerstejaars farmacie en chemie
             (verdeling van eerstejaars binnen AU)
                                                                bron: CBS
Afbeelding 7:wiskunde, informatica en fysica
             verdeling van eerstejaars binnen AU
                                                                bron: CBS
                                                     A W T   A D V I E S     4 1   19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                          De groei van de TUs ten koste van de AUs valt moeilijk te verklaren uit ver-
                          schillen in opleidingsduur en studiefinanciering. Als er al een correlatie
                          bestaat, is die negatief. Zo was de groei van de technische fysica en chemie ten
                          koste van de fysica en chemie bij de AUs het sterkst in de periode tussen de
5-jarige studie geen      invoering van de tweefasenstructuur en de invoering van de tempobeurs en de
garantie grotere instroom vijfjarige opleidingen bij de TUs. Sinds de invoering van die vijfjarige studies
                          hebben de TUs een deel van hun relatieve voorsprong prijsgegeven. In dit
                          licht bezien valt niet te verwachten dat de verschuivingen worden tegen-
                          gegaan met de invoering van vijfjarige β-opleidingen bij de AUs.
                          Gevolgen daling studenten bij exacte wetenschappen
                          De verschuivingen binnen het β-domein hebben, zoals hiervoor uiteengezet,
                          geleid tot een dalende instroom bij de exacte wetenschappen t.w. chemie, fysi-
                          ca en wiskunde. Deze daling leidt bij een gelijkblijvend aantal opleidingen tot
                          een verdunning van de instroom per opleidingslocatie. Die verdunning wordt
                          versterkt doordat de instroom thans over meer opleidingen wordt verdeeld
                          dan twintig jaar geleden.8 De gemiddelde instroom per opleidingslocatie is
                          ook laag in vergelijking met de technische varianten van deze opleidingen. De
                          technische en algemene universiteiten trekken voor de fysica en de chemie de
                          laatste jaren ongeveer evenveel eerstejaars aan, maar bij de algemene universi-
er zijn veel opleidingen  teiten is de instroom over tweemaal zoveel instellingen verdeeld. Daar komt
voor weinig studenten     nog bij dat de algemene universiteiten de studenten over meer verschillende
                          opleidingen verdelen; naast de wiskunde, fysica en chemie kunnen eerstejaars
                          ook kiezen voor farmacochemie en sterrenkunde alsmede een βγ-getinte oplei-
                          ding natuurwetenschappen en bestuur & beleid. In totaal kunnen eerstejaars
                          op deze gebieden kiezen uit 24 opleidingen. Samen met de twee technische
                          richtingen van de RU Groningen bieden de zes algemene universiteiten 26
                          opleidingen aan op het gebied van de wiskunde, fysica en chemie. Per 1 decem-
                          ber 1998 stonden voor al deze opleidingen in totaal 741 eerstejaars ingeschre-
                          ven; tabel 1 toont de verdeling over de opleidingen.
                          Vaak bestaat er binnen één instelling veel overlap tussen verschillende oplei-
                          dingen. Dat geldt zeker voor de opleidingen als scheikunde en farmacochemie
                           die in de statistieken beide tot de chemie worden gerekend  en voor de
                          natuur- en sterrenkunde  die in de statistieken tot de fysica worden gere-
                          kend. Maar dat alles neemt niet weg dat de instroom per opleiding laag is. Het
                          is allesbehalve een uitzondering dat de AUs per β-opleiding minder dan der-
                          tig eerstejaars hebben. In feite is er slechts één opleiding met meer dan hon-
                          derd eerstejaars, de fysica in Utrecht, en dan alleen bij een grofmazige inde-
                          ling waarbij sterrenkunde en NWBB (natuurwetenschappen en bestuur &
                          beleid) bij de fysica zijn ondergebracht.
                               8 Tussen 1980 en 1995 steeg het totaal aantal WO-opleidingen binnen het HOOP-gebied
                                 Natuur van 45 naar 74. Met die groei genereerde dit gebied tweederde van de totale groei van
                                 het aantal universitaire opleidingen; dat aantal steeg van 410 naar 453 opleidingen.
                                 Bron: Hoger Onderwijs in Cijfers 1996, OCenW. Den Haag, mei 1996.
                                 Sindsdien zijn de opleidingen geclusterd, maar dat doet aan de verhoudingen niets af.
20                        A W T      A D V I E S    4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Elk van de AUs heeft voor de fysica en chemie minstens tien leerstoelen
beschikbaar, zoals tabel 2 laat zien. Bij de wiskunde zijn de aantallen iets
lager, maar grosso modo blijken per instelling voor de wiskunde, fysica en
chemie samen minimaal ongeveer dertig leerstoelen nodig. De VU en de KUN
tellen dat aantal terwijl de UL en de UvA ruim veertig leerstoelen hebben.
Utrecht en Groningen bestrijken met ruim zestig hoogleraren een relatief
breed spectrum binnen de betrokken disciplines.9 Zie verder tabel 2.
 TABEL1: 1e-jaars wiskunde, fysica en chemie verdeeld over AUs (1998)
                              TOTAAL         UU       RUG      UvA      UL VU KUN
 TOTAAL                           741         206      146       135      96        80        78
 Wiskunde                          101         27       23        11     14         7       19
 Fysica
    Natuurkunde                    175         50      29         31      22      22        21
     Sterrenkunde                   48           12     10        10      16         -       -
    Techn. natuurk.                 24            -     24         -        -        -       -
    NWBB *)                         40          40        -        -        -         -       -
 Chemie
    Scheikunde                      312         77       42       83      44       28       38
    Farmacochemie                    23           -        -         -       -     23
    Techn. scheik.                    18          -      18          -        -       -       -
 Bron: CBS (decembertellingen). *) Natuurwetenschappen en bestuur & beleid
 TABEL 2; hoogleraren (fte) in de wiskunde , fysica en chemie bij de AUs
(tussen haakjes aantal eerstejaars per hoogleraar)
                              TOTAAL         UU       RUG      UvA      UL       VU        KUN
 TOTAAL                       265 (2,6)     62 (2,7)  60 (2,4) 43 (3,1) 42 (2,3) 31 (2,6) 28 (2,8)
 Wiskunde                     54 (1,9)      12 (2,3)  10 (2,4) 8 (1,3)  9 (1,6) 10 (0,7)   5 (3,5)
 Fysica                       110 (2,2)      27 (2,3) 27 (2,4) 17 (2,4) 19 (2,0) 10 (2,1)  11 (2,0)
 Chemie                       101 (3,1)      23 (3,3) 24 (2,5) 18 (4,7) 15 (3,0) 11 (2,6)  12 (3,3)
Bron: Tabel 1 voor eerstejaars; exclusief NWBB (UU)
De gegevens over hoogleraren (inclusief deeltijdhoogleraren) zijn ontleend
aan de meest recente onderwijsvisitaties; afronding op gehele ftes.
-      Fysica inclusief sterrenkunde en technische natuurkunde (RUG).
-      Chemie inclusief farmacochemie (VU) en technische scheikunde (RUG)
    9 Een minimum van tien hoogleraren per opleidingslocatie valt voor de fysica en chemie te
      beredeneren op inhoudelijke gronden. Voor een complete opleiding zijn docenten uit
      verschillende specialismen nodig. Het gaat hierbij zowel om de inhoud (kernfysica naast vas-
      testoffysica en organische naast anorganische chemie, e.d.) als om het verschil tussen theoreti-
      sche, experimentele en/of technische invalshoeken.
                                                                              A W T      A D V I E S   4 1 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                             De lage instroom impliceert dat er per hoogleraar zeer weinig eerstejaars zijn,
                             waarvan nog een flink deel afvalt (uitval bij Natuur momenteel ca. 30% en bij
bij ‘exact’zijn er gemiddeld Techniek ca. 40%). Tabel 2 laat zien dat er voor de chemie, fysica en wiskunde
minder dan 3 eerstejaars     in 1998 slechts één opleidingslocatie was met meer dan vier eerstejaars per
per hoogleraar               leerstoel. De drie exacte richtingen samennemend, had elk van de zes AUs
                             een instroom van twee à drie eerstejaars per hoogleraar. De lage instroom
                             wordt niet veroorzaakt door een tijdelijke teruggang; de meeste opleidingslo-
                             caties kampen al geruime tijd met een lage instroom, zoals afbeelding 8 illus-
                             treert.
22                           A W T    A D V I E S 4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Afbeelding 8: aantal eerstejaars wiskunde, fysica en chemie bij AUs
       U-Utrecht                                               U-Leiden
       Uv-Amsterdam                                            KU-Nijmegen
       RU-Groningen                                             VU-Amsterdam
   Bron: CBS
   De fysica is inclusief sterrenkunde en technische natuurkunde van de RUG.
   Bij de Universiteit Utrecht is ook de opleiding natuurwetenschap & bestuur &
   beleid meegerekend.
   Bij de chemie is de farmacochemie en de technische scheikunde van de RUG
   meegeteld.
                                                           A W T  A D V I E S 4 1 23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>1.2
Afstemming instroom en opleidingscapaciteit
                              De Raad acht de huidige situatie - een krimpende instroom bij de exacte
                              wetenschappen versnipperd over de verschillende opleidingen van de algeme-
                              ne universiteiten - als blijvende situatie onwenselijk. Het is niet alleen ineffi-
versnippering                 ciënt maar het is ook niet effectief. De universiteiten hebben onvoldoende
is niet efficiënt ...         armslag om adequaat in te spelen op nieuwe ontwikkelingen om zodoende
                              het hoge niveau van de opleidingen te handhaven en waar mogelijk te verho-
                              gen. Immers, als gevolg van de lage instroom hebben enkele universiteiten
                              voor de afzonderlijke opleidingen het aantal hoogleraren al teruggebracht tot
                              het minimum dat nodig is voor het onderwijs op de afzonderlijke specialis-
... en beperkt ruimte         men zodat weinig potentieel beschikbaar is voor onderwijs binnen nieuwe
voor vernieuwing              vakgebieden. Anders gezegd, de voor vernieuwing noodzakelijke kritische
                              massa ontbreekt nu op veel plaatsen.
                                    Om de efficiëntie en effectiviteit te verbeteren, moet de instroom per
                              opleidingslocatie worden verhoogd. Daartoe zijn twee mogelijkheden denk-
                              baar: verhoging van de totale instroom en reductie van het aantal opleidings-
                              locaties. In hoofdstuk 3 gaat de Raad op de laatste mogelijkheid in. In deze
                              paragraaf beperkt hij zich tot de mogelijkheden om de instroom te vergroten.
                              1.2.1            Aanpassing van de instroom
                              De commissie-Verruijt legde veel nadruk op vergroting van het aantal β-stu-
                              denten. Gegeven de stabilisatie van het totale aantal eerstejaars impliceert
                              zon toename dat studenten overgehaald moeten worden om van andere (niet-
tekorten worden teveel bezien β-)studies af te zien. Met dit pleidooi staat de commissie-Verruijt zeker niet
van universitair aanbod ...   alleen. De vraag of zon verschuiving gewenst is, wordt in de waarneming van
                              de Raad voornamelijk beantwoord vanuit het universitaire aanbod en weinig
                              vanuit een afweging van de maatschappelijke behoefte aan afgestudeerde
                              bètas in relatie tot de vraag naar andere academici.
                              Tekorten aan hoger opgeleiden
                              In de maatschappij bestaat een grote behoefte aan hoog opgeleide mensen.
                              Die behoefte is de laatste decennia fors gestegen. De conjuncturele toestand
... maar tekorten β ’s niet   van de economie speelt hierbij een rol, maar de relatief grote vraag naar hoger
groter dan bij andere         opgeleiden lijkt niet alleen verklaard te kunnen worden door de huidige
disciplines                   hoogconjunctuur. De factor kennis wordt steeds belangrijker; hierbij gaat het
                              niet alleen om kennis die via het reguliere onderwijs is verkregen, maar ook
                              om kennis die bij de beroepsuitoefening wordt opgedaan. Om tot een leven
                              lang leren in staat te kunnen zijn, zal de ondergrond goed moeten zijn. Gelet
                              op de behoefte van de arbeidsmarkt verwacht men in het algemeen een tekort
                              aan mensen waarbij die ondergrond in het HBO en WO is gevormd.
                              In algemene zin blijkt er weinig grond te bestaan voor de stelling dat de vraag
                              van de maatschappij naar universitaire β-afgestudeerden wezenlijk groter is
                              dan die naar afgestudeerden in andere disciplines. Dat was niet zo in de tijd
                              van laagconjunctuur, het is niet zo in de huidige hoogconjunctuur en het zijn
24                            A W T     A D V I E S  4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>ook niet de verwachtingen voor de nabije toekomst (zie het kader over de
arbeidsmarktpositie).
    Arbeidsmarktpositie
    Laagconjunctuur
    De arbeidsmarktpositie ten tijde van de laagconjunctuur is kernachtig weergegeven in Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren
    1996, editie 1996 van het NOWT, Het Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie, CWTS en MERIT,
    Leiden/Maastricht 1996). De cijfers uit dit rapport zijn gebaseerd op de situatie in november 1993. Toen bedroeg de werk-
    loosheid onder technische wetenschappers 3,9% van de beroepsgroep tegenover 5,1% gemiddeld voor alle academici. De eco-
    nomen (4,1%) en juristen (2,9%) scoorden vergelijkbaar of beter dan de technici. De natuurwetenschappers hadden eind 1993
    met een geregistreerde werkloosheid van 7,4% een relatief zwakke positie op de arbeidsmarkt; alleen de aaa-wetenschappers
    scoorden slechter (10,0%). De slechte score van de natuurwetenschappers wordt in de hand gewerkt door de hoge werkloos-
    heid onder biologen (9,1%), maar ook fysici (6,1%) en chemici (6,2%) hadden in 1993 een zwakkere arbeidsmarktpositie dan de
    gemiddelde academicus (5,1%). Opmerkelijk is dat fysici en chemici slechter scoren dan elke afzonderlijke technische rich-
    ting. Binnen de techniek valt vooral de sterke positie op van enkele zachtere richtingen, zoals civiele techniek (0,9%) en
    bouwkunde (2,7%).
    Hoogconjunctuur
    De arbeidsmarktpositie in de huidige tijd van hoogconjunctuur is in kaart gebracht door het SEO in samenwerking met
    Elsevier (Goede studies, beste banen, Elsevier special, juni 1999). De beste arbeidsmarktpositie hebben de technische bedrijfs-
    kundigen gevolgd door de informatici. De top vijf wordt volgemaakt door econometristen en tandartsen. Over het algemeen
    vonden afgestudeerden sneller een baan dan ten tijde van het vorige onderzoek. Dat geldt voor 35 van de 40 onderzochte
    (clusters van) opleidingen. Uitzonderingen zijn twee α-richtingen (engels en geschiedenis) en drie β-richtingen (natuurkun-
    de, technische natuurkunde en technische wiskunde). Opmerkelijke verbeteringen in de arbeidsmarktpositie worden gesig-
    naleerd voor verschillende γ-richtingen.
           Het algemene beeld uit het SEO/Elsevier onderzoek is dat bij de niet-technisch opgeleide bèta's sprake is van een rela-
    tief hoge werkloosheid. Ook gemeten naar inkomen en baantevredenheid scoren de afgestudeerde bètas van de algemene
    universiteiten niet hoog. Relatief slecht is de situatie onder de fysici die zowel bij het werkloosheidspercentage en -duur als-
    mede bij de hoogte van het salaris tot de tien slechtst bedeelde groepen horen. De wiskundigen behoren op deze punten ner-
    gens tot de tien slechtste, maar ook niet tot de tien beste. Chemici vinden relatief snel een baan (top tien), maar verdienen
    weinig en zijn relatief ontevreden over die baan (in beide gevallen bij laatste tien).
    Toekomst
    Wat betreft de toekomst verwacht het ROA, het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, dat elke twee jaar de
    arbeidsmarktperspectieven in kaart brengt voor de dan komende vier jaar een toenemend tekort aan arbeidskrachten met
    een opleiding op het niveau van HBO en WO. (De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2002, Researchcentrum voor
    Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA). Maastricht, oktober 1997. De WO-opleidingen met de beste arbeidsmarktperspectieven
    liggen volgens het ROA zowel binnen het β-domein (informatica, bouwkunde en civiele techniek) als daarbuiten (bedrijfs-
    kunde, accountancy en tandheelkunde). Opmerkelijk is dat de grootste tekorten  afgezien van de informatica  meer bin-
    nen de zachte delen dan binnen de harde delen van het β-domein worden verwacht. De grootste knelpunten verwacht het
    ROA binnen de zakelijke dienstverlening, waar voor vijf van de zes genoemde WO-gebieden zeer grote knelpunten worden
    verwacht. Voor de industrie signaleert het ROA slechts voor één opleidingsgebied een zeer groot knelpunt; de toestroom
    vanuit het MBO/LLW procestechniek zou zeer laag zijn in relatie tot de behoefte binnen de basischemie.
                                                                         A W T     A D V I E S 4 1                                25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                                Voor een betere positie op de arbeidsmarkt hoeven studenten geen β-oplei-
                                ding te kiezen ten koste van een andere (niet-β)opleiding; de bètas vinden
                                niet sneller werk en ontvangen geen hoger salaris dan afgestudeerden in veel
                                andere gebieden. Dat geldt ook voor vakgebieden waar de instroom de laatste
                                decennia sterk is gedaald; ondanks het dalende aantal afgestudeerden hebben
                                wiskundigen, chemici en fysici geen sterkere arbeidsmarktpositie dan de
arbeidsmarkt voor Bèta’s        gemiddelde academicus. Vergeleken met de technische opleiding is de
niet beter dan voor             arbeidsmarktpositie zelfs relatief slecht. Anders gezegd, de verschuivingen
andere groepen                  van de instroom van eerstejaars van Natuur naar Techniek sluit aan bij de
                                behoefte vanuit de arbeidsmarkt. Dat arbeidsmarktperspectieven voor β-oplei-
                                dingen een rol spelen, kan afgeleid worden aan het feit dat de sterke daling
                                van de instroom naar de chemie rond 1990 samenviel met de slechte positie
                                van afgestudeerden en gepromoveerde chemici op de toenmalige arbeids-
                                markt. In de jaren zeventig deed zich voor de chemie al een vergelijkbare situ-
                                atie voor.
                                      In de huidige tijd van hoogconjunctuur hebben chemici een betere
                                arbeidsmarktpositie dan enkele jaren geleden, maar niet beter dan het huidige
                                gemiddelde voor alle academici. Fysici hebben minder last van schommelin-
                                gen in de conjunctuur, maar dat leidt niet tot een structureel sterke positie op
                                de arbeidsmarkt. Integendeel, afgaande op de arbeidsmarktstatistieken heb-
                                ben fysici al geruime tijd een relatief slechte arbeidsmarktpositie. Deze bene-
                                den-gemiddelde score is des te opmerkelijker gelet op het feit dat deze oplei-
                                dingen gemiddeld goede VWO-scholieren trekken; afgestudeerde fysici blij-
                                ken op het eindexamen VWO gemiddeld de hoogste cijfers gehaald te hebben,
                                zowel voor de β- als voor de α-vakken.10
                                De Raad concludeert dat de situatie op de arbeidsmarkt voor studenten geen
geen reden voor algemene acties extra impuls vormt om exact te kiezen. Er zijn op vrijwel alle gebieden tekor-
om β -instroom te vergroten     ten en de arbeidsmarktperspectieven van afgestudeerde bètas zijn in het alge-
                                meen niet beter dan die van veel andere academici.
                                    10 Goede studies, Beste banen. Elsevier/SEO onderzoek 1998, Bijlage bij Elsevier nr. 20, 16 mei 1998.
                                      Dit onderzoek heeft betrekking op de uitstroom en niet op de instroom. De kans om een oplei
                                      ding in de exacte vakken met succes te kunnen afronden, is over het algemeen kleiner dan de
                                      kans op succes bij andere opleidingen. De verschillen zijn het grootst onder de groep die
                                      gemiddeld een zeven of lager had op het VWO-eindexamen. Voor deze groep is de kans op
                                      een bul bij de exacte vakken half zo groot als bij de levenswetenschappen en de economie.
                                      Bron: P.C. van der Kruit, The recruitment to science and engineering courses in the Netherlands, lezinG
                                      tijdens de zesde jaarvergadering van de European Association of Deans of Science, Parijs,
                                      9 mei 1996.
26                              A W T     A D V I E S        4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Specifieke tekorten
Binnen het β-domein zijn er enkele deelgebieden waar zorgelijke tekorten
speciale aandacht vragen. Dat geldt met name voor het tekort aan informatici,                                behalve voor enkele
een problematiek die de Raad in een eerder advies nader heeft beschreven.11                                 specifieke gebieden:
Daarbij heeft de Raad onder andere gepleit voor een minder eenzijdige inbed-
ding van de informatica in de β-disciplines. De analyse in dit advies over de                                       ... informatica
technische en natuurwetenschappen versterkt dat pleidooi; naarmate er meer
aandacht voor domeinkennis komt, zal de kans toenemen dat kunde oplei-
dingen in de informatica minder in dezelfde vijver vissen als de harde exacte
opleidingen.
Een ander gebied waar aanleiding tot aanzienlijke zorg bestaat, is de lerare-
nopleiding. Voor het voortgezet onderwijs wordt een groot tekort aan leraren
verwacht, met name voor de exacte vakken. De KNAW constateert dat vrijwel
niemand van de afgestudeerde wiskundigen voor het leraarschap in het VWO
kiest.12 Voor chemici en fysici ligt deze situatie niet veel anders. Dergelijke                               ... lerarenopleiding
tekorten bestaan ook voor andere vakken, zoals economie, maar het tekort aan
β-docenten vormt een extra knelpunt omdat het VWO-onderwijs in de wis-,
natuur- en scheikunde een belangrijk voortraject vormt voor alle studies bin-
nen de HOOP-gebieden Natuur en Techniek, alsmede Landbouw en
Gezondheid. Voor de wiskunde strekt die fundering zich ook uit tot andere
HOOP-gebieden; in feite heeft het gehele hoger onderwijs baat bij kwalitatief
goed wiskundeonderwijs in het voortgezet onderwijs.
       De oorzaak voor de geringe belangstelling voor een loopbaan binnen het
VWO-onderwijs moet volgens de Raad eerst en vooral binnen het VWO zelf
worden gezocht; het tekort aan leraren wordt namelijk niet in de eerste plaats
veroorzaakt door het lage percentage studenten dat voor een exacte opleiding
kiest, maar door het lage percentage afgestudeerden dat leraar wordt. Het
onderwijs kan kennelijk niet afdoende concurreren met andere potentiële
werkgevers van afgestudeerde wiskundigen, fysici en chemici. Dit verschil in
concurrentiekracht lijkt vooral met de inhoud van het leraarschap verband te
houden en niet of slechts in zeer beperkte mate met verschillen in salaris. Over
het algemeen ligt het gemiddelde salaris van recent afgestudeerde chemici,
fysici en wiskundigen namelijk niet hoger dan hetgeen gebruikelijk is binnen
het onderwijs.
1.2.2               Aanpassing van de opleidingen
Het feit dat algemeen gesproken de verwachte tekorten aan bètas niet hoger
zijn dan voor andere hoger opgeleiden, neemt niet weg dat de afnemende
interesse bij studenten voor de exacte opleidingen aan de algemene universi-
teiten op termijn nadelige gevolgen zal hebben, niet in het minst vanwege het
belang van deze disciplines voor de andere vakgebieden. Zo is de chemie mede
van belang voor de medische wetenschappen en de fysica voor de technische
    11 De structurele behoefte aan informatici, AWT-advies nr. 31. Den Haag, februari 1998.
    12 De Toekomst van het Wiskundig Onderzoek in Nederland, KNAW. Amsterdam, juni 1999.
                                                                                 A W T      A D V I E S 4 1                    27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                                wetenschappen. Bezien vanuit de optiek van kennis-toeleverende discipline
                                springt vooral wiskunde in het oog. Van oudsher is dit vakgebied van groot
                                belang voor de ontwikkeling van de fysica, maar in steeds meer wetenschaps-
                                gebieden neemt het gebruik van geavanceerde mathematische modellen en
                                bewerkingstechnieken toe. Gelet op deze verbreding van toepassingsgebieden
                                is met name de instroom van eerstejaars wiskunde zorgwekkend laag.
                                De Raad acht om deze reden een stijging van de studentenaantallen voor
                                genoemde gebieden van groot belang. Om dit te stimuleren, is het aangrij-
                                pingspunt tot nu toe vooral gezocht bij de verhoging van de instroom naar de
                                betrokken opleidingen. Dit alles heeft tot nu toe weinig zichtbare resultaten
om instroom te vergroten        opgeleverd; het percentage mannen en vrouwen dat voor een β-opleiding
is ‘marketing’niet voldoende    kiest, is de laatste decennia immers niet veel veranderd en de Raad verwacht
                                voor de toekomst ook weinig succes van die benadering. De ontwikkelingen in
                                de studentenstromen vertonen een zodanig structureel karakter en sluiten
                                zodanig aan bij de perspectieven op de arbeidsmarkt, dat marketing alleen
                                onvoldoende zal uitrichten. Om een grotere instroom te realiseren, zal het
                                aangrijpingspunt bij de inrichting van het onderwijs gelegd moeten worden.
                                De opleidingen moeten inspelen op de veranderende interesse van studenten
                                en afnemers van afgestudeerden. De Raad heeft hierbij twee wegen voor ogen;
                                een verbreding van de β-opleidingen en een versterking van de β-component
                                in het α- en γ-onderwijs.
                                Verbreding van de β-opleidingen
                                Van oudsher vormt het universitaire onderwijs, met name binnen de
                                natuurwetenschappen, een voorbereiding op een loopbaan in het wetenschap-
                                pelijk onderzoek. De behoefte bij de industriële R&D ligt thans veel minder in
                                het verlengde van de academische tradities dan vroeger; het accent ligt veel
                                meer bij het ontwerpen dan bij het onderzoek, zoals de Raad in een eerder
                                advies heeft geconstateerd.13
                                       De beroepspraktijk binnen de industrie is voor afgestudeerde bètas ech-
                                ter breder dan de R&D-laboratoria. Het gaat ook om functies in de productie
in opleiding naast diepte       en marketing en buiten de industrie vragen ingenieursbureaus om afgestu-
ook aandacht voor               deerden met specifieke b-kennis. De grootste knelpunten in deze b-gerelateer-
kennisuitwisselingsvaardigheden de beroepspraktijk hebben niet primair betrekking op de kwantiteit maar op
                                de kwaliteit van de afgestudeerde bètas. In een eerder advies is de Raad expli-
                                cieter op die kwalitatieve eisen ingegaan.14 Samengevat luidde de conclusie
                                dat een afgestudeerde naast een gedegen vakkennis ook moet beschikken over
                                vaardigheden om de eigen kennis uit te kunnen wisselen met andere specialis-
                                ten, binnen en vooral ook buiten het eigen vakgebied.
                                    13 Technici en onderzoekers; kwaliteit en kwantiteit, AWT-advies nr. 11. Den Haag, december 1992.
                                    14 Wisselwerking tussen harde en zachte kennis, AWT-advies nr. 29. Den Haag, oktober 1997.
28                              A W T     A D V I E S      4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Uit deze korte schets van de behoefte blijkt dat de arbeidsmarkt niet zozeer
vraagt dat meer studenten door de specialistische op academisch onderzoek
gerichte mal worden gevormd, maar dat ze anders worden opgeleid. De oplei-
dingen moeten eveneens worden gericht op het leren benutten van monodis-
ciplinaire kennis ten behoeve van multidisciplinaire samenwerking.
Naarmate studenten beter worden voorbereid op de multidisciplinaire
beroepspraktijk, zullen zij voor werkgevers aantrekkelijker worden. In het
kielzog van die versterking van de arbeidsmarktpositie is het wellicht ook
mogelijk om de geslonken vakgebieden weer te laten groeien. Anders gezegd,
ook vanuit de optiek van vergroting van de instroom lijkt het noodzakelijk
om de opleidingen te verbreden. Omdat vrouwen nog weinig voor β-opleidin-
gen kiezen, levert aansluiting bij de interesse van vrouwen de meeste perspec-
tieven op een grotere instroom.
      Om die bredere inzetbaarheid te kunnen realiseren, kan niet worden vol-
staan met een cursus uit het domein van de α- en γ-wetenschappen. Er is een
integratie nodig; voor een deel lijken opleidingen volledig opnieuw ontwor-
pen te moeten worden. Naast de vakinhoudelijke aspecten zal vooral nadruk
gelegd moeten worden op het ontwikkelen van het vermogen tot systeemden-
ken met behulp van mathematische modellen.
De behoefte aan beter inzetbare bètas vindt gehoor bij de universiteiten. De
TUs hebben de behoefte vanuit de industriële R&D naar ontwerpende techni-
ci beantwoord met de tweejarige ontwerpersopleidingen en met een sterker
accent op het ontwerpen in de eerste fase. De vraag naar breder inzetbare
bètas buiten het domein van onderzoek en ontwikkeling vindt momenteel bij
de AUs gehoor. Bij de invulling van de vijfjarige cursusduur voor de β-oplei-
dingen worden drie verschillende varianten ontwikkeld; naast de onderzoeks-
variant zijn dat de maatschappelijke variant en de leraren/communicatieva-
riant. De Raad is echter allesbehalve gerust dat deze veranderingen voldoen             De invulling van de
aan de eis kennis in de diepte, vaardig in de breedte. In de waarneming van        5-jarige opleiding lijkt
de Raad vertonen veel van de nieuwe onderzoeksvarianten sterke gelijkenis                  geen verbetering
met de bestaande opleidingen zodat deze varianten de studenten nauwelijks
bredere vaardigheden zullen aanleren dan thans het geval is. Die verbreding
beogen de universiteiten nadrukkelijker met de maatschappelijke varianten,
maar daarbij is de omvang van het natuurwetenschappelijk deel zodanig gere-
duceerd dat de diepgang aan β-kennis geweld wordt aangedaan. De Raad acht
het niet uitgesloten dat geen van beide varianten voldoet aan de eisen die de
maatschappij thans stelt aan breder inzetbare bètas.
                                                               A W T A D V I E S 4 1                    29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                                       Doordat de maatschappelijke variant voor een belangrijk deel geschei-
                                den is van de onderzoeksvariant leidt de huidige ontwikkeling bovendien tot
                                een verdere daling van het aantal studenten per opleiding. Met de derde (lera-
                                ren/communicatie)variant leidt dit alles ertoe dat het huidige aantal opleidin-
                                gen met een factor twee tot drie toeneemt. Om studenten ruimte te gunnen
 ... maar leidt wel tot         voor een specialisatie zullen per afstudeervariant meerdere verbijzonderingen
een verdere versnippering       nodig zijn. Rekening houdend met de voortijdige uitstroom kan deze ontwik-
                                keling uitmonden in een 1:1 situatie: het aantal studiepaden komt overeen met
                                het jaarlijkse aantal afgestudeerden.15
                                De verlenging van de studieduur voor β-opleidingen is mede ingegeven door
                                de wens om meer studenten voor een β-opleiding te interesseren alsmede om
                                een betere afstemming tussen opleiding en arbeidsmarkt te realiseren. De
                                Raad betwijfelt ten zeerste of deze doelstellingen via drie verschillende varian-
                                ten worden bereikt. Hij vreest dat door de sterke groei van het aantal studie-
                                paden het overzicht verdwijnt. Dit verzwakt de arbeidsmarktpositie van afge-
                                studeerde bètas; veel werkgevers klagen nu al over ondoorzichtigheid in een
                                overdaad aan opleidingen, met name ook binnen het β-domein. Aangezien de
... en zal niet tot een grotere arbeidsmarktpositie van veel afgestudeerde bètas nu niet overdadig sterk is
instroom leiden                  dat geldt met name voor de opleidingen waarvoor thans de verschillende
                                varianten worden ontwikkeld  is het twijfelachtig of de vermenigvuldiging
                                van het aantal studiepaden tot een duurzame verhoging van de instroom zal
                                leiden. Maar ook los van de kansen op de arbeidsmarkt is het twijfelachtig of
                                de toename van het aantal afstudeerpaden tot een grotere instroom van eerste-
                                jaars zal leiden. Zelfs voor studentendecanen in het VWO wordt het welhaast
                                ondoenlijk om een totaalbeeld te vormen, met als gevolg dat zij steeds moeilij-
                                ker de weg kunnen wijzen aan middelbare scholieren die het spoor bijster
                                raken in de doolhof van universitaire β-opleidingen.
                                    15 Tussen verschillende opleidingen bestaat de nodige overlap, en niet voor elke opleiding
                                       zullen vele afstudeerspecialisaties nodig zijn. Zo kan sterrenkunde gezien worden als specia-
                                       lisatie binnen de fysica. Daar staat echter tegenover dat voor veel andere opleidingen relatief
                                       veel afstudeerspecialisaties nodig zijn; op het gebied van de fysica gaat het bijvoorbeeld
                                       om experimentele en theoretische richtingen op meerdere gebieden, zoals vastestoffysica,
                                       hoge energiefysica, kernfysica en de biofysica. Meerdere specialisatierichtingen zijn ook
                                       nodig voor de lerarenvariant (bijvoorbeeld educatief lesmateriaal, didactische werkvormen,
                                       practica, computeronderwijs, audio-visueel onderwijs) en voor de maatschappelijke variant
                                       (wijsgerige reflectie, bestuurskunde, management, economie, wetenschapsleer). De gedachte
                                       dat bij deze varianten gebruik gemaakt kan worden van onderwijs dat voor de studenten uit
                                       andere gebieden reeds beschikbaar is, acht de Raad riskant. In dat geval ontstaat een combi-
                                       natie van major en minor onderwijs dat weinig onderlinge synergie vertoont en neigt naar
                                       een propedeuse-stapeling.
30                              A W T      A D V I E S     4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>β-kennis binnen α- en γ-domeinen
Zoals gezegd, houdt de verbreding van de arbeidsmarkt voor bètas verband
met de behoefte aan mensen die in systemen kunnen denken en kunnen wer-
ken met mathematische modellen. Dit betekent echter niet dat alle bètas sys-
teemdenkers worden en het betekent evenmin dat systeemdenken alleen via
β-opleidingen geleerd kan worden. Naarmate het beter lukt om systeemden-
ken te leren aan studenten binnen de α- en vooral γ-disciplines zal de kloof
tussen vraag naar en aanbod van β-talent kleiner worden. Dit vraagt in veel                               versterk β -component
gevallen om een mathematisering van de α- en γ-opleidingen. Zon ontwik-                                in α - en γ -opleidingen
keling zal zeker niet over de gehele linie van de α- en γ-disciplines gewenst
zijn, maar in veel gevallen biedt een versterking van het mathematische gehal-
te grote voordelen.
 Die voordelen houden niet alleen verband met de maatschappelijke behoefte
aan β-talent, maar vloeien ook voort uit ontwikkelingen binnen de betrokken
wetenschapsgebieden. Mede als gevolg van de opkomst van de informatie-
technologie zijn er namelijk steeds meer gebieden waar een substantieel deel
van het onderzoek zich leent voor modelmatige analyses. Voor de ontwik-
keling van en het werken met die modellen is het van belang dat tenminste
een deel van de studenten op het gebied van de α- en γ-wetenschappen
beschikt over β-kennis en -inzichten. Voor de verdere ontwikkeling van α- en
γ-disciplines is het derhalve van groot belang dat een deel van het β-talent na
het VWO-examen kiest voor een α- of γ-studie waarin de β-interesse geculti-
veerd wordt. Men vergelijke de econometrie, die zonder instroom van wiskun-
dig talent niet tot wasdom gekomen zou zijn.
Aangezien de verschuivingen in de opleidingskeuze van β-studenten tamelijk
                                                                                                              1.3  Conclusie
structureel lijken, valt het niet te verwachten dat studierichtingen die uit de
belangstelling zijn geraakt de komende jaren weer spectaculair zullen groei-
en.16 Maar zelfs als die verwachting onjuist is en er bijvoorbeeld een verdubbe-
ling zou optreden, dan blijft bij veel van de opleidingen sprake van een klein
aantal studenten per opleidingslocatie. Ter vergelijking: de twee opleidingen
bouwkunde telden in 1998 samen meer eerstejaars dan alle in tabel 1 genoem-
de opleidingen samen. De Delftse opleidingen Lucht- & Ruimtevaart,
Industrieel Ontwerpen en Civiele Techniek hebben elk evenveel of meer eer-
stejaars dan de elf in tabel 1 genoemde opleidingen bij de KUN, VU en UL de
drie kleinste algemene universiteiten samen.
    16 Ook in veel andere landen wordt momenteel melding gemaakt van een sterke daling van het
       aantal studenten in de exacte opleidingen. Zo wordt in Duitsland voor de periode 1997-2004
       bij de fysica en chemie een teruggang verwacht tot ongeveer eenderde van de huidige
       Instroom; voor de biologie wordt geen teruggang verwacht. (Bron: Germany faces graduate
       shortage as students turn away, Annette Kloboucek, Nature, 6 augustus 1998).
       De ETH-Zürich zou momenteel de enige Duitssprekende universiteit zijn waar het aantal
       studenten fysica niet daalt. In Zwitserland springt vooral de daling bij de chemie in het oog;
       in dat onderwijsgebied zijn er inmiddels meer promovendi dan studenten.
                                                                              A W T     A D V I E S   4 1                      31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                         De relatief grote omvang van de genoemde technische opleidingen vloeit
                         voort uit de concentratie; de totale opleidingscapaciteit voor deze gebieden is
                         geheel of grotendeels binnen één universiteit geconcentreerd.
                         De daling in studentenaantallen treedt sterk op de voorgrond bij de wiskun-
                         de, fysica en chemie  de β-opleidingen die over het grootste aantal universi-
versnippering is         teiten zijn verspreid. Dat geldt in het bijzonder voor de algemene universitei-
niet efficiënt ...       ten waar momenteel gemiddeld minder dan drie eerstejaars per hoogleraar
                         worden ingeschreven. Vanuit onderwijsoogpunt acht de Raad het ongewenst
                         om voor de wiskunde, fysica en chemie eigenstandige opleidingen aan alle
                         algemene universiteiten te handhaven. Het is een inefficiënte benutting van
                         middelen. En de huidige situatie is ook niet effectief; mede vanwege de lage
                         instroom is er gemiddeld per universiteit te weinig potentieel om ruimte te
                         scheppen voor verbreding in het onderwijs. Die verbreding is mede nodig om
                         te kunnen komen tot een goed herkenbaar onderwijsproduct dat (beter) aan-
                         sluit bij de talenten en de interesses van de huidige generatie scholieren jon-
                         gens en vooral ook meisjes en dat voor afgestudeerden resulteert in een rela-
                         tief goede positie op de arbeidsmarkt. Een grotere concentratie geeft boven-
                         dien een grotere herkenbaarheid, hetgeen op zichzelf al de instroom ten
                         goede kan komen.
                               De noodzakelijke verbreding mag niet ten koste gaan van de eveneens
                         noodzakelijke diepgang binnen het betrokken β-domein. Om diepgaande
                         kennis te combineren met een brede inzetbaarheid zullen veel β-opleidingen
                         drastisch vernieuwd moeten worden. Voor de technische universiteiten is de
... en biedt onvoldoende noodzaak tot die vernieuwing benadrukt door Berkhout.17. Om kwaliteit in
ruimte voor vernieuwing  de breedte en in de diepte te kunnen combineren, acht Berkhout - naast spe-
                         cialisten in de mono-disciplines - hoogleraren nodig die langs multidiscipli-
                         naire dwarsverbanden kunnen werken. Anders gezegd, verbreding op het
                         noodzakelijk hoge niveau vergt meer hoogleraren dan het aantal specialisten
                         voor het onderwijs in de verschillende basisvakken. Bij de algemene universi-
                         teiten is het aantal hoogleraren bij de exacte vakken teruggebracht tot het
                         minimum aantal specialisatierichtingen, zodat daar nauwelijks of geen ruim-
                         te bestaat voor een geïntegreerde verbreding van het onderwijs.
                         Naast ruimte voor vernieuwing in de breedte hebben universiteiten ook ruim-
                         te nodig voor de ontwikkeling van nieuwe opleidingen. Vanwege de toename
                         van het aantal studenten kon de opkomst van nieuwe vakgebieden in het ver-
                         leden uit de groei worden gefinancierd; de ruimte voor het onderwijs binnen
                         de technische wetenschappen en de informatica is geschapen uit de groei van
                         het wetenschappelijk onderwijs. Nu de groei van het WO voorbij is, zullen
                         nieuwe gebieden moeten groeien ten koste van bestaande; binnen de wiskun-
                         de, fysica en chemie ontbreekt die ruimte bij de afzonderlijke instellingen
                         doordat het aantal leerstoelen veelal tot het minimum is teruggebracht.
                             17 A.J. Berkhout, De universiteit van de 21e eeuw. Multidisciplinaire wetenschap in een flexibele netwerk
                               organisatie, Wetenschap, Technologie en Samenleving, juni 1999.
32                       A W T     A D V I E S     4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>De Raad concludeert dat een vermindering van het aantal zelfstandige                               verminder aantal
opleidingslocaties dringend gewenst is. In hoofdstuk 3 gaat hij nader in op de      zelfstandige opleidinsgslocaties
vraag hoe zon centralisatie c.q. concentratie in het onderwijs bereikt zou kun-
nen worden.
                                                             A W T    A D V I E S 4 1                           33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>34 A W T A D V I E S 4 1</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Het bèta-onderzoek bij de universiteiten - het terrein waar de Raad zich in dit
advies toe beperkt - is algemeen gesproken van hoog niveau. Dit blijkt uit de
                                                                                                                     2
                                                                                                                Onderzoek
verschillende visitatierapporten. In de 1998-editie van het Observatorium is
het aldus verwoord:18 op bèta-gebied behoort Nederland tot de top-naties met een cita-
tie-impact die ruim boven het wereldgemiddelde ligt.
        Dat Nederland op natuurwetenschappelijk gebied tot de top-naties
behoort, beschouwt de Raad niet als een luxe maar als noodzaak om ook in de
volgende eeuw een eigen rol te kunnen spelen bij de verdere ontwikkeling van
de kennissamenleving. Centraal daarbij is de vraag of het universitaire kennis-
systeem goed is opgesteld om met dynamiek en impact te kunnen inspelen op
de veranderingen in de behoeften van die kennissamenleving. Die verande-
rende behoeften komen onder meer tot uiting in de vraag naar opgeleiden. De
Raad acht de verwevenheid van onderzoek en onderwijs bij de universiteiten
een groot goed; onderzoek schept een effectieve omgeving voor de academi-
sche vorming van studenten. De veranderingen in de onderwijsvraag, zoals in
het vorige hoofdstuk geschetst, moeten vanuit dat oogpunt ook consequenties
hebben voor het onderzoek. In §2.1 wordt hierop nader ingegaan. Daarnaast
heeft de maatschappij behoefte aan bèta-onderzoek. De maatschappij verlangt
van de universiteiten de dynamiek om op nieuwe ontwikkelingen adequaat in
te spelen. In §2.2 gaat de Raad in op de consequenties hiervan voor het univer-
sitaire onderzoekssysteem.
                                                                                                                      2.1
                                     B e h o e ft e a a n β- o n d e r z o e k g e r e l a t e e r d a a n h e t o n d e r w i j s
Het aanbod aan opleidingen draagt nog sterke sporen uit de jaren zeventig en
tachtig toen de instroom in de exacte richtingen van de algemene universitei-
ten een factor twee hoger lag dan thans. Doordat het aantal opleidingen niet is
verminderd maar is toegenomen, is de gemiddelde instroom per opleidingslo-
catie gedaald tot minder dan drie eerstejaars per hoogleraar. Dat deze situatie
niet gecontinueerd kan worden, is in het vorige hoofdstuk betoogd. Dat de
verdunning - ondanks de hoge kosten per student - zich in de geconstateerde
mate heeft kunnen voortdoen, vloeit in belangrijke mate voort uit de manier                              verdeling van onderzoeksgeld
waarop het universitaire onderwijs en onderzoek worden bekostigd. De verde-                                         over universiteiten is
ling van de beschikbare middelen over de universiteiten is in slechts zeer                                                   gefixeerd op
beperkte mate afhankelijk van de ontwikkeling in studentenaantallen; de ver-                                    situatie uit jaren tachtig
deelsleutel voor het overgrote deel van de middelen is gefixeerd op basis van
de situatie uit het begin van de jaren tachtig. Doordat de exacte wetenschap-
pen toen een grote instroom van studenten kenden en daar veel onderzoek                                      ... dit werkt consoliderend
werd gedaan, zijn daar thans nog steeds de middelen aanwezig om een dure
     18 Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren 1998. Het Nederlandse Observatorium van Wetenschap
        en Technologie (NOWT), CWTS/MERIT. Leiden/Maastricht, mei 1998.
                                                                               A W T     A D V I E S 4 1                              35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>   verdunning in het onderwijs te bekostigen. Het bekostigingsmodel heeft niet
   alleen een consoliderende werking voor de verdeling tussen de verschillende
   universiteiten, maar ook voor de verdeling over de wetenschapsgebieden.
   De Raad constateert dat de verdeling van de onderzoeksmiddelen de verande-
   ringen aan de onderwijskant niet heeft gevolgd. Hij acht dit wel wenselijk,
   zonder direct voor een volledige koppeling te pleiten, omdat juist in de com-
   binatie van onderwijs en onderzoek de kracht ligt van de universiteit. Ter illu-
   stratie het voorbeeld van het verschil tussen de algemene en de technische uni-
   versiteiten; zie kader.
36 A W T    A D V I E S 4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Illustratie van verschillen in onderwijs- en onderzoeksinspanningen
In 1975 telden beide categorieën universiteiten ongeveer evenveel β-studenten terwijl bij de TUs nu tweemaal
zoveel β-studenten staan ingeschreven. Op onderzoeksgebied geldt die verhouding niet. Integendeel, vanuit
de eerste geldstroom zijn de meeste β-onderzoekers werkzaam binnen de algemene universiteiten. De tweede
geldstroom versterkt die onderlinge verschillen; via NWO zijn er tweemaal zoveel β-onderzoekers werkzaam
binnen de AUs als binnen de TUs. Genormeerd naar studentenaantallen bedraagt het verschil bij de tweede
geldstroom dus een factor vier. Deze verschillen worden voor een belangrijk deel veroorzaakt door het relatief
grote onderzoekscomponent binnen de fysica. Dat geldt met name voor de tweede geldstroom waar de fysica
bij de algemene universiteiten bijna evenveel onderzoekers telt als alle vakgebieden van de technische univer-
siteiten bij elkaar, terwijl de TUs twintig maal zoveel studenten hebben, zoals uit tabel 4 valt af te lezen.
 TABEL 4; aantallen studenten en onderzoekers (1995/1996)
                                                      aantal β-onderzoekers                          aantal β-onderzoekers
         soort                 aantal β-                1e geldstroom                                   2e geldstroom
       universiteit            studenten
                                                      totaal      per 100 studenten                  totaal       per 100 studenten
Technisch                      25108                   1361                   5,4                    401                      1,6
Algemeen                        13157                 1604                   13,2                    887                      7,3
Waarvan Fysica                   1298                   336                  26                      368                     28,4
In feite is het aandeel van de fysica bij de AUs binnen het totale β-onderzoek nog groter dan tabel 4 aangeeft
omdat er op het gebied van de fysica relatief veel middelen gaan naar para-universitaire instituten; deze insti-
tuten zijn niet in tabel 4 opgenomen. In totaal vergt het fysisch onderzoek jaarlijks bijna eenderde deel van het
totale onderzoeksbudget van NWO. Daarnaast heeft meer dan de helft van het overheidsbudget voor interna-
tionale onderzoeksinstellingen betrekking op de fysica.19 Dit betekent dat Nederland bovenop de recht-
streekse financiering van de universiteiten via de eerste geldstroom jaarlijks ongeveer tweehonderd miljoen
gulden besteedt aan onderzoek dat inhoudelijk is gerelateerd aan de fysica bij de AUs. Dat is ongeveer drie
keer zoveel als de tweede geldstroom op het gebied van de Technische Wetenschappen.
       Het feit dat er relatief veel middelen naar het fysisch onderzoek gaan, houdt voor een belangrijk deel ver-
band met dat vakgebied. Als een land mee wil spelen op het gebied van de hoge-energiefysica, zal het een reële
bijdrage moeten leveren aan CERN alsmede een thuisbasis moeten onderhouden. Dit neemt echter niet weg
dat de relatieve omvang in belangrijke mate voortvloeit uit de prioriteiten die in het verleden zijn gesteld.
Tabel 4 illustreert dat het onderzoek de dynamiek op het gebied van het onderwijs niet of slechts ten dele
volgt. Dit betekent niet dat het onderzoek in een één-op-één-relatie met het onderwijs moet staan - de relatie
met het onderwijs vormt immers (slechts) één van de motieven voor het onderzoek - maar de relatie lijkt nu
wel erg zwak te zijn. Die conclusie wordt nog sterker als we de herkomst beschouwen van de middelen voor
onderzoek op het gebied van de technische wetenschappen. Het betrokken (STW) budget is niet voortgekomen
uit een verschuiving binnen de tweede geldstroom maar uit extra middelen, waarvan een belangrijk deel
afkomstig is van het ministerie van Economische Zaken.
    19 In 1998 ging  129.4 miljoen naar internationale instellingen, waarvan bijna  70 miljoen naar instituten op het gebied van de fysica:
        55,5 miljoen naar CERN (hoge energiefysica) en  12,3 miljoen naar ESO (astronomie). De rest ging naar ruimtevaart (ESA  57,2
       miljoen) en moleculaire biologie (EMBL  3,6 miljoen en EMBC  0,8 miljoen). Bron: Observatorium 1998, p. 110.
                                                                        A W T      A D V I E S    4 1                                       37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                                        Zoals gezegd, is de zwakke relatie tussen onderwijs- en onderzoeksvolume in
                                        de hand gewerkt door het bekostigingsmodel dat uitgaat van de jaren tachtig
                                        toen de exacte natuurwetenschappen de boventoon voerden en naar verhou-
                                        ding een groot gedeelte van de β-studenten trokken. Dit op het verleden
                                        gerichte verdelingsmodel beperkt de ruimte voor onderzoek binnen jongere
                                        disciplines, zoals de informatica en de technische wetenschapsgebieden.
                                        Althans dat geldt, zolang binnen vroegere prioriteitsgebieden geen krimp
                                        optreedt die ruimte schept voor groei in nieuwe prioriteitsgebieden. In de pri-
                                        vate sector treden verschuivingen van de natuurwetenschappen naar de tech-
                                        nische wetenschappen in verschillende sectoren veel sterker op de voor-
                                        grond.20
                                              De Raad acht de verwevenheid van onderwijs en onderzoek bij de uni-
                                        versiteiten een groot goed. Vanuit dat oogpunt bepleit hij een verdeling van
verdeling van onderzoeksgeld            onderzoeksmiddelen over de universiteiten die veel sterker dan nu is geba-
meer baseren op                         seerd op de daadwerkelijke onderwijsinspanningen; een punt dat hij recente-
onderwijsinspanningen                   lijk nog beargumenteerd heeft in zijn advies Hoofdlijnen Wetenschapsbeleid. De
                                        doorvoering van een concentratie van het β-onderwijs vormt een natuurlijk
                                        moment voor een herverdeling van de middelen over de verschillende gebie-
                                        den.
2.2
M a a t s ch a p p e l i j k e b e h o e ft e a a n β- o n d e r z o e k
                                        De Raad heeft niet de pretentie de maatschappelijke behoefte aan β-onderzoek
                                        gedetailleerd in kaart te kunnen brengen. Hij concentreert zich op het signa-
                                        leren van twee zijns inziens belangrijke ontwikkelingen in die maatschappe-
                                        lijke behoefte met daaraan gekoppeld de vraag of het (para-)universitaire β-
                                        onderzoek goed staat opgesteld om op deze ontwikkelingen in te spelen. De
                                        twee ontwikkelingen waar de Raad op doelt, zijn:
                                        -     de behoefte om onderzoek binnen nieuwe gebieden te ontplooien;
                                        -     de behoefte aan samenwerking op het gebied van fundamenteel-strate
                                              gisch onderzoek tussen universiteiten en het bedrijfsleven
                                        De eerste ontwikkeling verlangt institutionele en financiële ruimte om nieu-
                                        we ontwikkelingen op te pakken. De tweede ontwikkeling vereist groepen die
                                        van voldoende omvang zijn om internationaal goed zichtbaar te kunnen zijn
                                        en aantrekkelijke partners te kunnen vormen voor samenwerking. Beide ont-
                                        wikkelingen vergen in de ogen van de Raad een grotere concentratie in het
                                        Nederlandse onderzoekslandschap.
                                            20Illustratief is de ontwikkeling bij Philips dat in Nederland veruit de grootste speler is op
                                              R&D-gebied. De naamgeving van het centrale laboratorium, het NatLab in Eindhoven, illu-
                                              streert dat de fysica een belangrijke rol speelde ten tijde van de oprichting van dit laborato-
                                              rium. Dit Natlab is echter geen zuiver natuurkundig laboratorium (meer); niet omdat de
                                              fysica minder belangrijk is dan vroeger, maar omdat er andere belangrijke gebieden zijn
                                              bijgekomen, zoals de informatica en elektronica. Voorzover Philips op het gebied van de
                                              fysica nu behoefte heeft aan kennis vanuit de universiteiten, gaat het vooral om een
                                              combinatie van fysica met informatica en elektronica.
38                                      A W T     A D V I E S      4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>2.2.1              Vernieuwing
Wetenschappelijke vernieuwing is niet alleen van belang voor de verdere ont-
wikkeling van de wetenschap, maar ook voor de concurrentiekracht van het
bedrijfsleven. Dat laatste wordt treffend geïllustreerd door de TechnologieRadar                                maatschappij vraagt aan
van het ministerie van Economische Zaken.21 Deze studie geeft een overzicht                              universiteiten nieuwe gebieden
van de technologiegebieden die het bedrijfsleven nu belangrijk vindt. De                                                   te exploreren
grootste kennisbehoefte ligt op gebieden die enkele decennia geleden niet
bestonden, zoals mechatronica, gen-technologie, en vooral informatietechno-
logie. Dit betekent dat het voor de toekomstige behoefte aan maatschappelijke
kennis van belang is dat er nu kiemen worden gelegd voor gebieden die kun-
nen uitgroeien tot de ICT en de biotechnologie van de volgende eeuw.
Veel vernieuwing begint met iets kleins. Om na te gaan welke factoren bij die
kiemvorming relevant zijn, zijn gesprekken gevoerd met onderzoekers die in
het verleden buiten de toen gebaande paden zijn getreden en daarbij aantoon-
baar succes hebben geboekt. Er zijn ook gesprekken gevoerd met mensen die
nu nieuwe wegen inslaan maar waarvan de geschiedenis als scheidsrechter
zijn werk nog niet heeft kunnen doen. De gesprekken met negen vernieuwers
zijn in een achtergrondstudie gebundeld.22 Vrijwel zonder uitzondering is de
kiem voor de vernieuwing binnen de eerste geldstoom gelegd; een hoogleraar
geloofde in het talent en gaf betrokkene de ruimte om ideeën uit te werken.
Vaak verklaarde de buitenwacht de vernieuwer voor naïef en soms twijfelde de
betrokken hoogleraar ook of de vernieuwer het bij het rechte eind had. Het
geloof in het talent gaf de doorslag.
Via de tweede geldstroom is kiemvormende vernieuwing over het algemeen
moeilijk.23 De criteria voor financiering zijn gebaseerd op kwaliteit en dat is
welhaast per definitie niet aan te tonen bij een kiem. Er zijn geen eigen publi-
caties waarop iemand voort kan borduren en er zijn al helemaal geen citaties.
Binnen de tweede geldstroom bestaat voor kiemvormende vernieuwing in                                           ... daarvoor is de tweede
principe de meeste ruimte binnen de instituten en via de persoonsgebonden                                     geldstroom niet het meest
programmas. De FOM-instituten hebben voldoende omvang om risicos te                                              geëigende instrument
nemen van een mislukte vernieuwing en een Spinoza-laureaat heeft de vrij-
heid een potentiële vernieuwer in zijn of haar team op te nemen. Het nadeel
van de instituten is dat vernieuwing snel tegen de grenzen van het instituut
aanloopt. Bij vernieuwing gaat het naar verhouding vaak om combinaties van
kennis uit twee of meer vakgebieden.
    21 TechnologieRadar, ministerie van Economische Zaken. Den Haag, maart 1998.
    22Dr. V.C.M. Timmerhuis, Ruimte voor vernieuwing. Ervaringen binnen de technische en natuurweten-
       schappen, AWT-achtergrondstudie nr. 14. Den Haag, augustus 1999.
    23Bij de kiemvorming gaat het om de startfase van een nieuw gebied. Als een vernieuwing
       succesvol blijkt, kan het nodig zijn om relatief grote investeringen te doen. Voor deze door-
       start kan de tweede geldstroom wel stimulerend werken. Gebieden die thans voor zon door-
       start in aanmerking kunnen komen, zijn bijvoorbeeld nanotechnologie en bio-informatica.
                                                                               A W T     A D V I E S  4 1                            39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>                            Bij mechatronica bijvoorbeeld gaat het om de combinatie van mechanica en
                            elektronica. Binnen de (brede) universiteiten is de kans groter dat de betrok-
                            ken disciplines al aanwezig zijn dan binnen de (smalle) instituten.24
                             Overigens profiteren de universiteiten nu nog onvoldoende van hun brede
                            kennisportfolio. Het gebeurt bijvoorbeeld te weinig dat bestaande kwaliteit
                            wordt ingezet om nieuwe gebieden te exploreren of dat specialisten op het ene
                            vakgebied in diepgaande aanraking worden gebracht met deskundigen op
                            andere vakgebieden. De universiteiten zouden kunnen leren van de industrie
                            waar roulatie van onderzoekers veel gebruikelijker is. Een bijkomend voor-
                            deel van deze gebiedsgerichte mobiliteit is dat onderzoekers in de regel langer
                            in staat zijn tot een vitale bijdrage aan de wetenschap, zoals de Raad in een
                            eerder advies nader heeft beargumenteerd.25
                            Algemeen is de indruk dat binnen de universiteiten de ruimte voor vernieu-
                            wing nu kleiner is dan vroeger. Dat is niet onlogisch. Aangezien promoties nu
... ruimte voor vernieuwing op jeugdiger leeftijd worden afgerond dan vroeger moet bij vernieuwing meer
binnen de eerste geldstroom gebruik worden gemaakt van vervolgprojecten voor aios en van andere groe-
afgenomen                   pen onderzoekers. Dit geldt zeker voor gebieden waar het vele jaren duurt
                            voordat een dwars idee bewezen of weerlegd is. Dan is de duur van een promo-
                            tieonderzoek en/of een postdoc-aanstelling te kort en moeten (ook) posities
                            van U(H)Ds worden benut. Dat geldt uiteraard ook als iemand van de vaste
                            staf onbetreden paden wil inslaan. Het feit dat het aantal medewerkersplaat-
                            sen rond een leerstoel nu op verschillende vakgebieden zeer klein is, beperkt
                            de mogelijkheden om ruimte te geven aan vernieuwers. De één of twee mede-
                            werkersplaatsen die een hoogleraar heeft, zal hij/zij niet snel beschikbaar stel-
                            len voor iemand die met hart en ziel aan een risicovolle vernieuwing werkt. De
                            kans dat er niets uitkomt is levensgroot, met als gevolg dat de betrokken leer-
                            stoel een aderlating in het aantal publicaties laat zien. Zelfs als de kans op suc-
                            ces wel groot wordt ingeschat, is het risico groot. Het duurt immers geruime
                            tijd voordat een kiem zodanig wortel heeft geschoten dat het via publicaties
                            en citaties kan scoren. De kans dat de kiem tussentijds via visitaties is verstikt,
                            is zeker niet uitgesloten. Naarmate de groep groter is, is het eenvoudiger om
                            een onderzoeker tijdelijk uit de wind te houden. Anders gezegd, een bepaalde
                            kritische massa is noodzakelijk om ruimte te kunnen scheppen voor risicovol-
                            le vernieuwing.
                            2.2.2              Samenwerking
                            Wat betreft de mogelijkheiden voor privaat-publieke samenwerking treden
                            binnen de bedrijfs-R&D belangrijke veranderingen op, zoals de verschuiving
                            van onderzoek naar ontwikkeling.
                                24De nadelen van instituutsvorming die de ontwikkeling van nieuwe gebieden belemmeren,
                                  kunnen zich ook voordoen bij de onderzoekscholen. Als het overgrote deel van het onderzoek
                                  binnen onderzoekscholen is ondergebracht, ontbreken de middelen om nieuwe gebieden te
                                  exploreren.
                                25 Onderzoek is mensenwerk; ruimte voor management van human resources, AWT- advies nr. 22.
                                  Den Haag, juli 1995.
40                          A W T     A D V I E S     4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Over het geheel genomen lijken de Amerikaanse bedrijven het accent bij de
R&D eerder van de R naar de D verschoven te hebben dan Europese onder-
nemingen. Binnen Europa is dit proces het langst zichtbaar in het Verenigd
Koninkrijk. Momenteel treedt deze ontwikkeling ook in andere Europese lan-
den op de voorgrond, zoals in Duitsland waar researchcoördinatoren en porte-
feuillehouders technologie in Raden van Bestuur niet worden opgevolgd of
hun positie zelfs verliezen. Dat is althans het beeld dat ontstaat uit de veran-
deringen die zich voltrekken bij bedrijven als Siemens, Daimler Benz en
Hoechst. In Nederland zijn dergelijke veranderingen de afgelopen jaren op de
voorgrond getreden bij Shell en AkzoNobel.
    Verschuivingen binnen de R&D
    In het tijdschrift Issues in Science and Technology, het periodiek dat onder andere
    wordt verzorgd door de Amerikaanse Academies van wetenschappers en van inge-
    nieurs, is in verschillende edities aandacht geschonken aan de verschuivingen bin-
    nen de bedrijfs-R&D. Geconstateerd wordt (Richard S. Rosenbloom en William J.
    Spencer, The Transformation of Industrial Research, Issues in Science and Technology,
    Spring 1996) dat IBM het R&D-budget in 1993 met 20% reduceerde, met als gevolg
    dat de atmosfeer van de IBM-universiteit verdween. In die periode stond de ruim-
    te voor fundamenteel onderzoek binnen het fameuze Bell-laboratorium onder druk
    vanwege de voortdurende reorganisaties bij AT&T. Het laboratorium van RCA zou
    alleen nog kunnen voortbestaan dankzij een toenemend aantal overheidsopdrach-
    ten.
    In reactie op deze schets concludeerde Arno Penziaz van het AT&T-Bell laboratori-
    um dat er een gezondere arbeidsdeling zou zijn ontstaan tussen toegepast en acade-
    misch onderzoek doordat bedrijven dat laatste in toenemende mate aan universitei-
    ten overlaten. Walter L. Robb van General Electric stelde dat de geschetste verschui-
    vingen bedrijven dwingt om op de hoogte te blijven van de kennisontwikkeling
    binnen de universiteiten, zowel de Amerikaanse als de buitenlandse. Daartoe zou-
    den bedrijven financieel betrokken moeten zijn bij universitair onderzoek.
    (Rubriek Forum, Issues in Science and Technology, Summer 1996).
    Deze Amerikaanse geluiden wijzen in de richting van nieuwe perspectieven voor
    universiteiten; bedrijven vinden het belangrijk dat universiteiten tenminste een
    deel van hun vroegere inspanningen op het gebied van onderzoek overnemen en
    zijn daartoe bereid fondsen beschikbaar te stellen. Dat geldt ook voor Nederland
    waar verschillende grote bedrijven de budgetten voor uitbesteding van onderzoek
    hebben verveelvoudigd. Dat de ruimte voor het vrije onderzoek bij Shell is afgeno-
    men en nadrukkelijker wordt geleund op het universitaire onderzoek, wordt
    betoogd door dr. P. Kwant, Group Research Advisor van Shell: Wij doen niet zoveel
    als vroeger aan fundamentele research, de aandacht is meer komen te liggen op toegepast onder-
    zoek. Voor basisresearch gaan we meer te biecht bij universiteiten en instellingen. (Oscar
    Hofman, Steun voor excellent onderzoek, ShellVenster, september/oktober 1998.)
    Bij Unilever is de toenemende uitbesteding van R&D goed zichtbaar in het budget
    voor onderzoek dat buitenshuis wordt uitgevoerd; dat budget is de afgelopen tien
    jaar in relatieve zin vervijfvoudigd van 2,5% naar 12% van de totale R&D.
                                                                              A W T      A D V I E S 4 1 41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>                                   In het kielzog van die verschuiving binnen de bedrijfs-R&D wordt in een aan-
                                   tal sectoren in toenemende mate gezocht naar samenwerking met universitei-
                                   ten (zie kader). Onveranderd blijft dat de middelen die een onderneming voor
                                   R&D inzet een bijdrage moeten leveren aan de concurrentiekracht. Dat geldt
                                   ook voor het onderzoek dat bij derden wordt uitgevoerd. Omdat het bedrijfs-
                                   leven bij deze R&D-samenwerking steeds nadrukkelijker mondiaal kijkt, is in
bedrijven zoeken meer              toenemende mate sprake van een wereldwijde competitie tussen potentiële
samenwerking met universiteiten    samenwerkingspartners. Gezien het relatief grote potentieel aan kennis bij
                                   bedrijven kan deze samenwerking grote voordelen opleveren voor de universi-
                                   teiten. Het is derhalve in het belang van een kwalitatief goed ontwikkelde
                                   publieke kennisinfrastructuur dat Nederlandse universiteiten concurrerend
                                   zijn met buitenlandse zusterinstellingen. Die concurrentiekracht is ook van
                                   belang voor de opleidingen. Universiteiten die via samenwerking met bedrij-
                                   ven hun onderzoekskwaliteit verbreden en verdiepen, bieden studenten een
                                   goede leeromgeving. Als universiteiten goede studenten afleveren, is dat een
                                   gunstige vestigingsvoorwaarde voor bedrijven die op de betrokken gebieden
                                   mensen nodig hebben. Anders gezegd, het is van belang dat juist binnen disci-
                                   plines die veel studenten trekken en/of waar het bedrijfsleven thans actief is,
                                   de omstandigheden voor samenwerking gunstig zijn. Aan de andere kant
                                   moeten bedrijven interne aanspreekpunten hebben voor universitaire onder-
                                   zoekers. Echte samenwerking kan niet tot stand komen zonder pijlers aan
                                   beide zijden.
                                   Voor structurele samenwerkingsrelaties kijken bedrijven niet alleen naar de
... bij voorkeur met universitaire individuele kwaliteit van onderzoekers. De betrokken groep dient voldoende
groepen met voldoende              capaciteit in huis te hebben om internationaal zichtbaar te zijn, met zicht op
kritische massa                    continuïteit en mogelijkheid tot integratie van kennis uit verschillende vakge-
                                   bieden. Kunnen Nederlandse universiteiten in deze opzichten concurreren
                                   met de internationale topinstellingen?
                                   Om die vraag te kunnen beantwoorden, is de analyse uit hoofdstuk 1 van
                                   belang. Daar is geconstateerd dat bij de natuurwetenschappen tussen 1980 en
                                   1995 veel nieuwe opleidingen van start gingen terwijl er nauwelijks of geen
                                   opleiding is gesloten. Er moest iets bij en er kon niets af, zo lijkt het. Als
                                   gevolg van het dalende aantal studenten is de formatie per vakgebied wel
                                   gekrompen, met als gevolg dat op het gebied van de wiskunde, fysica en che-
                                   mie bij de algemene universiteiten gemiddeld 1,6 U(H)Ds per leerstoel
                                   betrokken zijn. De technische universiteiten hebben bij deze vakgebieden
                                   gemiddeld 3,5 U(H)Ds per leerstoel.26
                                         Vanwege het relatief kleine aantal medewerkersplaatsen per leerstoel bij
                                   met name de fysica en de chemie van de algemene universiteiten dringt de
... biedt het universitaire        vraag zich op of de onderzoeksgroepen ieder voor zich voldoende kritische
systeem daartoe de                 massa hebben voor samenwerking. Voor de fysica speelt die vraag al lang van-
mogelijkheid?                      wege de schaal van het academisch onderzoek binnen grote delen van die dis-
                                   cipline. Denk aan CERN.
                                       26Volgens de gegevens uit de meest recente visitatierapporten zijn er voor de wiskunde, fysica
                                         en chemie bij de algemene universiteiten in totaal 265 hoogleraren en 419 U(H)Ds tegenover
                                         121 hoogleraren en 421 U(H)Ds bij de technische universiteiten.
42                                 A W T     A D V I E S    4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Louter beschouwd vanuit het perspectief van de academische wetenschap
treedt schaalgrootte bij de chemie minder op de voorgrond dan bij de fysica,
maar beschouwd vanuit het perspectief op samenwerking met de bedrijfslabo-
ratoria ligt dat anders. Op chemisch gebied heeft de industrie veel behoefte
aan samenwerking met de universiteiten. En aangezien het veelal om grote,
wereldwijd opererende bedrijven gaat, zal de voorkeur uitgaan naar samen-
werking met een concentratie van onderzoeksgroepen die eveneens aan de
maat is. Via onderzoeksscholen is sprake van een gecentraliseerde inzet van
regionaal verspreide groepen, maar de Raad is er allesbehalve zeker van dat
langs die weg op termijn valt te concurreren met de gerenommeerde
Amerikaanse universiteiten als MIT en Stanford, met de Zwitserse ETHs in
Zürich en Lausanne, met Britse universiteiten als Cambridge en Oxford27, of
met grote Scandinavische universiteiten als die van Kopenhagen en Helsinki.
Het universitaire bèta-onderzoek is in Nederland verspreid over veel instellin-
gen die elk een tamelijk breed spectrum van het onderzoek bestrijkt. Dit
                                                                                                                 2.3 Conclusie
resulteert in een totale nullast die groter is dan voor het Nederlandse formaat
efficiënt is. Via een grotere concentratie van het onderzoek kan de feitelijke                      β -onderzoek te veel verspreid
nullast kleiner worden met als gevolg dat een groter deel van de middelen                             over verschillende locaties
kan worden ingezet voor een wetenschappelijke profilering en voor nieuwe
onderzoeksgebieden.
Het onderzoek blijkt onder andere gemeten via visitaties en aan de hand van
citaties over het geheel genomen van heel goede kwaliteit te zijn. De ruimte
voor vernieuwing buiten de bestaande kaders komt echter onder druk te                                        ... daardoor te weinig
staan, terwijl die ruimte essentieel is om kiemen te leggen voor gebieden die                             ruimte voor vernieuwing
de komende twintig jaar tot sleuteltechnologie kunnen uitgroeien. Als gevolg
van de egale verdeling van het onderzoek over relatief veel instellingen is er in
Nederland binnen de afzonderlijke instellingen te weinig ruimte om een
potentiële vernieuwer de vrijheid te geven om risicovolle, onbegane wegen in
te slaan.
      De versnippering heeft eveneens tot gevolg dat er in ons land te weinig
kernen zijn die over voldoende volume beschikken om (in de nabije toekomst)
aantrekkelijk te zijn als samenwerkingspartner van de grote R&D-verrichten-
de bedrijven, die een deel van hun fundamenteel-strategisch onderzoek in
samenwerking met universiteiten (willen) uitvoeren.
    27Eerder is gewezen op Zwitserland dat via een geconcentreerde inzet van middelen een
      universiteit heeft met een budget van 1 miljard Sfr. Cambridge en Oxford komen ook in die
      richting met een totaalbudget van £ 300 miljoen per jaar. Desondanks maken deze instel-
      lingen zich zorgen of ze voldoende kritische massa hebben om de concurrentie met de
      Amerikaanse top-universiteiten te kunnen blijven volhouden.
                                                                           A W T    A D V I E S 4 1                            43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                             Om voldoende ruimte te scheppen voor wetenschappelijke vernieuwing, voor
                             internationale zichtbaarheid en voor samenwerkingsmogelijkheden met het
                             bedrijfsleven is het van groot belang dat binnen het domein van de β-weten-
... en onvoldoende           schappen in Nederland een indikking van de bestaande onderzoekscapaciteit
internationale zichtbaarheid optreedt. Via onderzoekscholen is een bundeling van krachten uit meerdere
                             universiteiten mogelijk, maar via deze geografisch versnipperde centralisatie
                             acht de Raad het moeilijk om op termijn te concurreren met universiteiten die
                             op de betrokken gebieden een factor groter zijn dan de Nederlandse. Vis-à-vis-
                             contacten, bilaterale inspiraties, gemeenschappelijk gebruik van bibliotheek
                             en werkplaats, en de gezamenlijke benutting van kostbare apparatuur zijn
                             wezenlijke winstpunten. Die (geconcentreerde) concurrentiekracht is van
                             belang voor de internationale profilering en de laatste tijd wordt die concen-
                             tratie ook steeds belangrijker voor samenwerking met de industrie die in toe-
                             nemende mate voor het fundamenteel-strategisch onderzoek zijn heil zoekt
                             bij de universiteiten.
44                           A W T    A D V I E S  4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>De internationale academische competitie met zijn belangrijke invloed op de
economische bedrijvigheid vereist een vitaal onderwijs- en onderzoekssys-
                                                                                                                3
                                                                                                     Aanbevelingen
teem. Grosso modo kan de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs en onder-
zoek in de technische en natuurwetenschappelijke vakgebieden een interna-
tionale vergelijking prima doorstaan. Maar vitaliteit is meer dan kwaliteit.
Het systeem moet ook in staat zijn om tijdig nieuwe ontwikkelingen op te
pakken en daarbij zijn internationale zichtbaarheid kunnen handhaven. Dat
alles moet plaatsvinden op een kosteneffectieve manier.
In de voorgaande hoofdstukken is geconcludeerd dat de vitaliteit in de knel
komt doordat zowel het onderwijs als het onderzoek te sterk versnipperd zijn
geraakt om voldoende ruimte te scheppen voor vernieuwing. Dat geldt met
name voor de exacte wetenschappen aan de algemene universiteiten waar de
infrastructuur nog is geënt op de jaren zeventig en tachtig, hoewel de studie-
keuze van studenten en de maatschappelijke behoefte aan kennis sindsdien
sterk zijn veranderd. Dat het onderwijs- en onderzoekssysteem geen tred
heeft gehouden met de veranderingen van de laatste decennia houdt verband
met de wijze van bekostiging. Het budget dat de universiteiten rechtstreeks
van de minister krijgen voor zowel onderwijs als onderzoek is vrijwel volledig
gebaseerd op de situatie aan het begin van de jaren tachtig.
Om te bevorderen dat universiteiten beter kunnen omgaan met veranderende
omstandigheden is een ander bekostigingsmodel gewenst. Recent heeft de                                   verander bekostigingsmodel
Raad bepleit dat zowel het onderzoeksbudget als het onderwijsbudget uit de                                             universiteiten
eerste geldstroom in belangrijke mate worden gekoppeld aan het aantal afge-
studeerde studenten.28
      Voor de technische en vooral de natuurwetenschappelijke gebieden is de
situatie de afgelopen twintig jaar dusdanig scheef gegroeid, dat alleen een wij-
ziging in het bekostigingsmodel onvoldoende zal zijn. Bij de exacte delen van
de algemene universiteiten zijn verdere maatregelen nodig. In dit hoofdstuk
gaat de Raad daar nader op in.
De huidige verdeling van mensen en middelen over een relatief groot aantal
instellingen verdraagt zich binnen belangrijke delen van het β-domein niet
                                                                                                                 3.1
                                               To e k o m s t i g a a n t a l z e l f s t a n d i g e o p l e i d i n g s l o c a t i e s
met de bovengenoemde eisen. De Raad acht de egale uitsplitsing over zes alge-                             meer concentratie nodig in
mene en drie technische universiteiten dermate nadelig dat hij een majeure onderwijs- en onderzoekcapaciteit
verandering bepleit, gericht op een concentratie van de bestaande onderwijs-
en onderzoekscapaciteit.
    28Hoofdlijnen Wetenschapsbeleid, AWT advies nr. 37. Den Haag, februari 1999. Ook de SER pleit
      hiervoor, zie Hoger Onderwijs en Onderzoekplan 2000, SER-advies 99/04, 16 april 1999.
                                                                              A W T      A D V I E S 4 1                            45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>                               Op grond van een globale beschouwing vanuit zowel het onderwijs als het
                              onderzoek valt een indicatie te geven van de orde van grootte waarin het aan-
                              tal zelfstandige en complete opleidingslocaties gereduceerd zou moeten wor-
                              den.
                              -      De huidige β-opleidingscapaciteit kreeg vorm in een tijd dat de instroom
                              van studenten een hoogtepunt kende. De chemie kende een piek omstreeks
                              1970 terwijl rond 1980 de instroom bij de fysica relatief hoog was. In die topja-
                              ren waren er tweemaal zoveel eerstejaars als nu, hetgeen betekent dat er toen
                              jaarlijks gemiddeld ongeveer tweemaal zoveel studenten per hoogleraar afstu-
                              deerden dan thans het geval is. Volgens de Raad was er in de jaren tachtig geen
                              sprake van een te krappe hoogleraar-student relatie, zodat een terugkeer naar
                              de toenmalige getalsverhouding reëel is. Halvering van het aantal zelfstandige
                              opleidingslocaties leidt ertoe dat de gemiddelde instroom per locatie overeen-
                              komt met de vroegere topjaren.
                              -      Voor een niet unieke, zelfstandig levensvatbare opleiding acht de Raad
                              het een vereiste dat gemiddeld tenminste dertig mensen afstuderen.
                              Aangezien per opleidingslocatie minimaal tien leerstoelen nodig blijken te
                              zijn, betekent dit minimum dat gemiddeld bij elke hoogleraar jaarlijks mini-
                              maal drie studenten afstuderen. Gelet op de huidige verdeling van de
                              instroom en rekening houdend met de tussentijdse uitval blijft de meerder-
                              heid van de huidige opleidingen beneden dit minimum van dertig.29 Een hal-
                              vering van het aantal zelfstandige opleidingen voorkomt dat opleidingen
                              structureel beneden dit minimum blijven en het schept ruimte om beduidend
                              boven dit minimum uit te komen.
                              Zo bezien lijkt een halvering nodig van het aantal zelfstandige opleidingsloca-
                              ties op het gebied van de wiskunde, fysica en chemie van de algemene univer-
als richtsnoer: een halvering siteiten. Deze reductie is eerder een ondergrens dan een bovengrens; het
van het aantal zelfstandige   houdt bijvoorbeeld geen rekening met het feit dat binnen de chemie en fysica
opleidinslocaties voor de     big science naar verhouding meer op de voorgrond treedt dan bij de meeste
exacte wetenschappen          andere vakgebieden; gelet op de aard van de fysica en chemie zou de gemid-
                              delde omvang van onderzoeksgroepen eerder boven dan onder het algemeen
                              universitair gemiddelde moeten liggen. En een jaarlijks gemiddelde van drie
                              afgestudeerden per hoogleraar is eerder een lage dan een hoge ondergrens.
                                     De voorgestelde concentratie zal de zichtbaarheid van de toekomstige
                              opleidingslocaties vergroten waardoor de aantrekkingskracht op aankomende
                              studenten zal stijgen. Voor die aantrekkingskracht is naast kwantiteit ook
                              kwaliteit van belang. Om daadwerkelijk meer studenten te laten instromen,
                              acht de Raad het noodzakelijk dat de opleidingen drastisch worden ver-
                              nieuwd aangezien de arbeidsmarkt voor afgestudeerde bètas de laatste decen-
                              nia sterk is veranderd. De voorgestelde vergroting van de afzonderlijke oplei-
                              dingslocaties is noodzakelijk om meer ruimte te scheppen voor vernieuwing
                              van de opleidingen.
                                   29Het aantal eerstejaars per hoogleraar is 2.6 (zie tabel 2). Met een uitvalpercentage van 30%
                                     komt dit neer op 1.8 afgestudeerde per hoogleraar.
46                            A W T     A D V I E S     4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>      Voor het onderzoek sluit concentratie niet uit dat kleine groepen aan
eigen themas werken; dit is en blijft belangrijk omdat kleine groepen stimu-
lerend kunnen zijn voor de creativiteit. Concentratie biedt juist de ruimte om
met kleine groepen nieuwe onderwerpen te exploreren.
In dit advies heeft de Raad zich geconcentreerd op de exacte wetenschappen
van de algemene universiteiten omdat daar de knelpunten het scherpst naar
voren komen. Dat betekent echter niet dat gezocht moet worden naar oploss-                                            reorganisatie bezien in
ingen die zich tot die gebieden beperken. Binnen de algemene universiteiten                                      samenhang met technische
vervagen de scheidslijnen tussen de exacte en de levenswetenschappen. Wat                                             universiteiten en PUI’s
betreft de wiskunde, fysica en chemie vervagen de grenzen tussen de algeme-
ne en de technische universiteiten. Binnen deze vakgebieden krijgen de
wetenschappers aan de algemene universiteiten de laatste jaren steeds meer
oog voor de toepassingsmogelijkheden van hun onderzoek terwijl de techni-
sche wetenschappers steeds meer aandacht (moeten) schenken aan de funde-
rende principes van hun vakgebied.
      Kortom, er is een totaalplan nodig, waarbij naast de exacte wetenschap-
pen van de algemene universiteiten ook de levenswetenschappen en de techni-
sche wetenschappen betrokken moeten worden. Bij dat totaalplan moet ook
het onderzoek binnen de para-universitaire instituten worden meegeno-
men.30
Er zijn verschillende varianten denkbaar die leiden tot een halvering van het
aantal zelfstandige opleidingslocaties.
                                                                                                                          3.2
                                                                                                 Va r i a n t e n v o o r c o n c e n t r a t i e
-     De bepleite halvering kan worden bereikt als verschillende universitei-
ten elk voor zich een of meer van hun β-opleidingen samenvoegen. Doordat
verschillende universiteiten meerdere (of zelfs alle) β-opleidingen binnen één
faculteit hebben ondergebracht, zal zon samenvoeging betrekkelijk eenvou-
dig zijn. Gelet op de bestuurlijke vindingrijkheid bestaat er een gerede kans
dat zon operatie hoofdzakelijk boekhoudkundig van aard is, zoals het op
papier samenvoegen van scheikunde en farmacie waarbij in de praktijk de
afzonderlijke varianten gehandhaafd blijven. Dergelijke wegen leiden niet tot
duurzame oplossingen voor de gesignaleerde problemen.
-     De bovengeschetste operatie kan verder gaan dan een louter cosmetische
aanpassing en uitmonden in één of meer zwaartepunten in combinatie met
afstoting van andere delen. De ene universiteit houdt chemie over en sluit
fysica, terwijl een andere universiteit voor een omgekeerd profiel kiest. Als
elke universiteit deze weg zou bewandelen, ontstaan overal specialistische β-
eilanden en verdwijnen de verbindende bruggen. Deze variant leidt zodoende
tot een verarming van het totale onderwijsaanbod.
    30De AWT heeft eerder gepleit voor een nauwere koppeling van de para-universitaire instituten
      aan de universiteiten, zie Advies inzake para-universitaire instituten, AWT-advies nr. 20.
      Den Haag, februari 1995.
                                                                                 A W T      A D V I E S   4 1                               47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>         Er zijn ook grote nadelen voor het onderzoek, bijvoorbeeld omdat op de
   raakvlakken van verschillende disciplines opwindende wetenschappelijke
   ontwikkelingen plaatsvinden.
   -     Een gedeelte van de universiteiten zou kunnen opteren voor de bovenge-
   schetste specialisatie terwijl een ander deel kiest voor een β-breed aanbod. Een
   voor de hand liggende invulling is dat de drie kleinste β-universiteiten zich
   specialiseren en dat de drie grootste het huidige opleidingsspectrum behou-
   den. In dit geval leidt het nettoresultaat niet tot een halvering van het aantal
   zelfstandige opleidingslocaties. Halvering wordt bereikt met twee β-brede
   universiteiten en vier instellingen die één specialistsche β-opleiding overhou-
   den.
         Specialisatie zonder brede inbedding in een breder geheel roept vragen
   op naar de voeding vanuit andere vakgebieden. Soms is fysieke scheiding
   mogelijk, maar soms niet.
   -     In plaats van de bovengeschetste 3+3- c.q. 2+4-varianten is halvering
   mogelijk via de 3+0-variant; drie β-brede universiteiten en drie universiteiten
   waar de β-faculteiten volledig verdwijnen of teruggebracht worden tot een
   omvang die nodig is voor dienstverlening aan andere disciplines.
   In de bovengenoemde varianten ligt het accent bij concentratie binnen de alge-
   mene universiteiten, hetgeen betekent dat de huidige scheiding tussen de
   technische en natuurwetenschappen blijft bestaan. Bovendien brengen deze
   varianten hoge transactiekosten met zich mee. Sluiting van complete β-clus-
   ters vraagt om een omvangrijke reservering om de wachtgelden te kunnen
   betalen. Bovendien leiden deze vormen van concentratie tot vernietiging van
   wetenschappelijk kapitaal. Om deze nadelen tenminste gedeeltelijk op te
   kunnen vangen, is het nodig om de onderwijs- en onderzoekscapaciteit van
   alle betrokken universiteiten in samenhang te bezien. De Raad noemt drie
   verschillende mogelijkheden.
   -     Om uiting te geven aan de toenemende interactie tussen de natuur- en
   de technische wetenschappen zouden de hierboven geschetste varianten
   bezien kunnen worden in samenhang met de capaciteit bij de technische uni-
   versiteiten en de para-universitaire instituten. Vooral bij de derde en vierde
   variant schept de uitbreiding van de capaciteit bij de twee of drie overblijven-
   de β-brede algemene universiteiten ruimte voor nieuwe activiteiten in samen-
   werking met de technische universiteiten. Het nadeel van de hoge transactie-
   kosten blijft bij deze uitwerking bestaan.
   -     Een goede mogelijkheid om de omvang van de transactiekosten te beper-
   ken, ziet de Raad in een bestuurlijke centralisatie van opleidingen. Onder
   bestuurlijke centralisatie verstaat de Raad het samenvoegen van verschillende
   opleidingen onder één centraal gezag.
         Voor een deel vinden al ontwikkelingen plaats die kunnen uitmonden in
   een bestuurlijke centralisatie. Er worden voorbereidingen getroffen voor
   samenwerking tussen de beide Amsterdamse universiteiten, tussen Delft en
   Leiden, tussen Utrecht en Wageningen, tussen Nijmegen en Eindhoven. Als
   de gesprekken tussen bijvoorbeeld de universiteiten van Nijmegen en
48 A W T    A D V I E S  4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Eindhoven tot de bestuurlijke centralisatie zouden leiden, zou dat kunnen
betekenen dat er één faculteit komt voor wiskunde en de (technische) natuur-
wetenschappen die (voorlopig) gevestigd blijft in beide steden. Deze centrali-
satie vormt een eerste begin; drastischer stappen zijn nodig om op termijn tot
de door de Raad gepropageerde eindtermen te komen.
-      Naar Amerikaans voorbeeld zou een nieuw systeem voor het universitai-
re onderwijs opgezet kunnen worden, met als belangrijk kenmerk een diffe-
rentiatie tussen graduate en undergraduate opleidingen. Binnen Europa worden
verschillende initiatieven in die richting genomen, mede gestimuleerd door
de zogenoemde Sorbonneverklaring van de vier grote EU-landen.31
Inmiddels heeft dit initiatief een breder vervolg gekregen in de vorm van de
Bolognaverklaring die is ondertekend door 29 Europese landen, waaronder
ook Nederland. In het verlengde van deze verklaringen heeft de
Onderwijsraad gepleit voor het creëren van de mogelijkheid voor het invoeren
van bachelors - masters-graden voor ons land.32
       Indien de bedoelde differentiatie binnen het Nederlandse hoger onder-
wijs wordt doorgevoerd, zou dat een goed aanknopingspunt bieden om de
voorgestelde halvering van het aantal zelfstandige opleidingen te realiseren.
Een mogelijke invulling is dat drie algemene universiteiten een masters-oplei-
ding verzorgen. Bij deze instellingen zou ook het leeuwendeel van het onder-
zoek geconcentreerd moeten worden. De bachelors-opleidingen zouden over
een groter aantal instellingen verspreid kunnen blijven. Ontbrekende deskun-
digheid die voor een volwaardige opleiding nodig is, zou bij andere universi-
teiten ingehuurd kunnen worden.
De bovengenoemde varianten van concentratie, bestuurlijke centralisatie en
differentiatie vertonen overlap. De Raad heeft met de opsomming niet de pre-
                                                                                                                   3.3
                                                                                         Routes die tot concentratie leiden
tentie volledig te zijn. Er zijn ongetwijfeld andere varianten denkbaar. De
vraag welke variant gekozen wordt, staat nu niet voorop. Momenteel gaat het
om de conclusie dat er een majeure reductie van het aantal zelfstandige oplei-
dingen nodig is. De Raad stelt voor dat de minister van OCenW de noodzaak
tot concentratie in het HOOP aankondigt en daarbij zodanige contouren
schetst dat een nadere invulling mogelijk wordt tijdens zijn ambtsperiode.
    31 Joint declaration on harmonisation of the architecture of the European higher education system. By the
       four Ministers in charge for France, Germany, Italy and the United Kingdom. Paris, The
       Sorbonne, May 25, 1998.
    32Hoger onderwijs in internationale context, de Onderwijsraad. Den Haag, 31 mei 1999.
                                                                                       A W T       A D V I E S 4 1       49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>                          Om tot een nadere invulling te komen, zou de minister de universiteiten moe-
                          ten verzoeken om met een voorstel te komen waarmee de problemen als
universiteiten zijn eerst gevolg van de verdunning worden bestreden. Voor een deel vinden al ontwik-
zelf aan zet              kelingen plaats in een of meer van de hierboven geschetste richtingen en tref-
                          fen verschillende universiteiten bilaterale voorbereidingen voor samenwer-
                          king. Deze processen worden vooral door lokale overwegingen aangestuurd
                          en zullen naar verwachting tot minder aanpassing leiden dan vanuit nationale
                          optiek nodig is. De lat moet hoger worden gelegd.
                          Om een hogere sprong te kunnen realiseren, is samenspraak tussen de univer-
                          siteiten nodig. Aangezien de VSNU een taak heeft met betrekking tot het over-
                          stijgende belang van afzonderlijke universiteiten, zou de VSNU een initiëren-
                          de rol kunnen spelen. De Raad stelt voor dat de betrokken universiteiten,
                          onder regie van de VSNU, met een voorstel komen dat het totaal van de tech-
                          nische en natuurwetenschappen bestrijkt.
                          De Raad wil met dit voorstel niet bepleiten dat de VSNU met een totaalplan
                          komt; het zijn de afzonderlijke universiteiten die uiteindelijk met plannen
                          komen, al dan niet in samenwerking met andere universiteiten. De minister
                          van OCenW moet toetsen of de voorstellen leiden tot
                          -     onderwijs- en onderzoeksgroepen die voldoende massa hebben om
                          internationaal goed zichtbaar te zijn en een attractieve partner kunnen vor-
                          men voor internationale samenwerking. Als uitgangspunt bepleit de Raad dat
                          er in Nederland tenminste één universiteit of samenhangend bestuurlijk clus-
                          ter ontstaat waarmee Nederland (op termijn) kan concurreren met internatio-
                          nale top-instellingen. Als referentiepunt kan de ETH-Zürich fungeren, een
                          van de meest toonaangevende onderzoeksuniversiteiten van het Europese vas-
                          teland die wat betreft breedte vergelijkbaar is met de β-delen van een algeme-
                          ne en technische universiteit in Nederland samen, aangevuld met een deel van
                          het onderzoek van de para-universitaire instituten en de gtis;
                          -     onderwijs- en onderzoeksgroepen die met voldoende gewicht nieuwe
                          ontwikkelingen kunnen oppakken. Als uitgangspunt zou de Raad willen noe-
                          men dat bij afzonderlijke opleidingen jaarlijks gemiddeld minstens dertig
                          afgestudeerden moeten uitstromen en dat voor het totaal aan opleidingen op
                          het gebied van de wiskunde, fysica en chemie jaarlijks gemiddeld minstens
                          125 studenten afstuderen. Deze aantallen zou de Raad willen hanteren voor
                          het tweede deel van de doctoraal opleidingen (de afstudeerfase);
                          -     het totale onderwijsaanbod moet een redelijke toegankelijkheid garan-
                          deren wat betreft de geografische spreiding en de keuzemogelijkheden in spe-
                          cialisatierichtingen;
                          -     het geheel moet kosteneffectief zijn.
50                        A W T     A D V I E S 4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Met zijn voorstel om de VSNU in eerste instantie de regie in handen te geven,
beoogt de Raad een solide draagvlak te creëren voor de implementatie van de
concentratie en centralisatie binnen het β-domein. Pas als mocht blijken dat
de universiteiten er gezamenlijk of elk afzonderlijk niet uitkomen, acht de
Raad het opportuun om van bovenaf een voorstel te ontwikkelen. Alsdan zou
een speciale commissie een plan kunnen invullen, aansluitend bij de eindter-
men die de minister in aansluiting op het onderhavige advies formuleert. In
plaats van een aparte commissie zou die taak ook bij de KNAW neergelegd
kunnen worden. Zoals gezegd, die commissie-oplossing is een laatste mid-
del. Als om welke redenen dan ook blijkt dat de regisserende rol niet door de
VSNU vervuld kan worden, zou de minister overleg kunnen voeren met de
voorzitters van de Raden van Toezicht van de betrokken universiteiten om te
bezien hoe het aspect van macro-doelmatigheid vorm kan krijgen in de beste-
ding van de publieke middelen voor de universiteiten. Het is juist die macro-
doelmatigheid die een leidraad moet vormen voor de infrastructuur van het
onderwijs en onderzoek op het gebied van de exacte wetenschappen.
De Raad wil met klem benadrukken dat de voorgestelde concentratie niet mag
leiden tot een reductie van het budget voor het universitaire β-onderwijs en
                                                                                               3.4
                                                                                       Reorganisatiebudget
-onderzoek. Cruciaal is dat Nederland zijn vooraanstaande positie handhaaft
en er binnen de universiteiten ruimte ontstaat om nieuwe ontwikkelingen op
onderwijs- en onderzoekgebied te kunnen oppakken. Daarvoor moeten alle
zeilen worden bijgezet.
Voor de bepleite concentratie acht de Raad op korte termijn wel extra midde-
len nodig zoals ook in het bedrijfsleven gebruikelijk is bij grote reorganisa-
ties. Zonder die middelen zal het moeilijk worden om de noodzakelijke snel-
heid bij de aanpassingen te realiseren. Die snelheid is van belang om gebruik
te kunnen maken van de toenemende mogelijkheden voor samenwerking met                      reorganisatie zonder
grote R&D-verrichtende bedrijven. Snelheid is ook geboden om ervoor te zor-                     extra, tijdelijke
gen dat Nederland een of twee kandidaten heeft voor de kampioensliga van                 middelen duurt te lang
Europese universiteiten. Een derde reden om snelheid te betrachten is dat een
relatief groot gedeelte van de docenten bij de te concentreren vakgebieden
binnen afzienbare tijd met pensioen gaat. Als de concentratie op de golven
van de natuurlijke uitstroom gerealiseerd kan worden, kunnen de totale
transactiekosten beperkt blijven. Of de additionele financiering ook na vol-
tooiïng van de concentratie nodig is, valt nu niet te overzien. Die langetemijn-
vraag hoeft nu ook niet beantwoord te worden.
                                                              A W T    A D V I E S 4 1                       51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>52 A W T A D V I E S 4 1</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>                                                                                       Bijlage 1
Adviesaanvraag
Strategie voor de technische en natuurwetenschappen
Aanleiding
Het advies van de commissie-Verruijt en het OCV-rapport Technologie voor
Morgen onderstrepen nog eens het belang van strategische keuzen voor oplei-
ding en in samenhang daarmee het onderzoek in de technische en natuurwe-
tenschappen. Verbetering van de maatschappelijke relevantie en de weten-
schappelijke kwaliteit vereist een scherpe profilering per instelling, misschien
wel over de grenzen van instellingen heen. De grote variaties in de vraag naar
afgestudeerden op de arbeidsmarkt staat in schrille tegenstelling tot de gerin-
ge beroepsflexibiliteit van afgestudeerden uit de technische en natuurweten-
schappen. De kloof tussen monodisciplinaire opleidingen en de op multidis-
ciplinariteit gerichte beroepseisen vormt een reeds vaak gesignaleerd knel-
punt, dat nog steeds op een goede aanpak wacht. Ook de uitkomsten van ver-
kenningen op diverse terreinen van de technische en natuurwetenschappen
(wiskunde, natuurkunde, chemie, informatica) wijzen er op dat aan het
maken van scherpe keuzen in het onderzoek en het nemen van organisatori-
sche en bestuurlijke maatregelen om deze keuzen ten uitvoer te brengen, niet
te ontkomen valt. Verbetering en profilering van opleiding en onderzoek zal
naar verwachting ook een positieve invloed hebben op de instroom van nieu-
we studenten in deze wetenschapsgebieden. Voor de overheid is verder
belangrijk dat er een adequaat inzicht ontstaat in de wijze waarop een
bestuurlijk draagvlak voor de gewenste veranderingen tot stand kan komen.
Belangrijk is in dit verband na te gaan welke initiatieven universiteiten en
NWO zelf op een aantal terreinen nemen. In het Wetenschapsbudget 1997 is hen
immers expliciet gevraagd actie te ondernemen in vervolg op verkenningen in
de wis- en natuurkunde en de chemie bijvoorbeeld.
Adviesvraag
Voortbouwend op het advies van de commissie-Verruijt en het OCV-rapport
Technologie voor Morgen wordt de AWT gevraagd advies uit brengen over
-     de wijze waarop de maatschappelijke relevantie van natuurwetenschap-
pelijke en technische opleidingen en onderzoek - onder meer naar voren
komend uit verkenningen zoals die van de OCV - kan worden verbeterd;
-     hoe e.e.a. zijn weerslag kan krijgen in profilering en strategievorming
bij de instellingen;
-     de mate waarin en de wijze waarop verdere profilering en versterking
van de maatschappelijke relevantie invloed zal kunnen hebben op de gewens-
te toename van de instroom van studenten in deze wetenschapsgebieden;
-     de wijze waarop een bestuurlijk draagvlak voor verandering en profile-
ring gestalte kan krijgen.
                                                              A W T    A D V I E S 4 1        53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>54 A W T A D V I E S 4 1</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>                                                                                                      Bijlage 2
                                              Internationale vergelijking van onderwijsdeelname
In het advies heeft de Raad geconstateerd dat Nederland niet sterk afwijkt van
andere landen wat betreft de relatieve belangstelling van studenten voor β-
studies en wat betreft de verschillen in voorkeuren tussen mannen en vrou-
wen voor β-opleidingen. In deze bijlage worden beide punten nader toege-
licht.
1. Relatieve belangstelling voor β -studies
Wat betreft de internationale vergelijking van de belangstelling voor β-studies
zijn twee verschillende geluiden te horen. In het HOOP 1998 wordt geschetst
dat Nederland internationaal gezien een middenpositie inneemt.
Daartegenover staan vergelijkingen waarin Nederland zeer sterk achterloopt
bij andere landen wat betreft het aantal β-studenten. Eerst wordt nagegaan
hoe deze verschillen in conclusies over de relatieve β-belangstelling te verkla-
ren zijn. Vervolgens wordt op basis van nationale statistieken een vergelijking
gemaakt tussen Nederland, Duitsland en Zwitserland.
1.1 Vergelijkingen op basis van internationale databanken
Zoals in het advies is geconstateerd, is de relatief geringe β-belangstelling van
de Nederlandse student scherp verwoord door de commissie-Verruijt die
becijferde dat het percentage techniekstudenten in Duitsland een factor drie
hoger ligt dan in ons land. Deze typering is ontleend aan de editie 1996 van de
CBS-publicatie Kennis en Economie. Het CBS heeft voor de internationale verge-
lijking geen eigen gegevens benut maar geput uit de editie 1995 van Hoger
Onderwijs in Cijfers, een publicatie van het ministerie van OCenW.1 De gegevens
over de internationale situatie in deze OCenW-publicatie zijn ontleend aan de
UNESCO. Tegenwoordig zijn (veel) rapporten van de OESO en EUROSTAT
eveneens op de UNESCO-bestanden gebaseerd, met als gevolg dat de door het
CBS gegeven schets over de relatieve belangstelling voor β-opleidingen onder
Nederlandse studenten allesbehalve uniek is.
    1 De detailtabellen uit deze editie vormen de meest recente complete publicatie over de
       deelname in het Nederlandse HBO en WO. Sinds 1995 wordt de informatie over de deelname
       aan het universitaire onderwijs door de VSNU verspreid. De uitsplitsing naar opleidingen
       blijft beperkt tot de grofmazige indeling in HOOP-gebieden. Om een beeld te krijgen van
       recente ontwikkelingen is voor het advies gebruik gemaakt van (niet-gepubliceerde) cijfers
       van het CBS. In deze bijlage worden de cijfers gebruikt uit de genoemde OCenW-publicatie.
                                                                            A W T     A D V I E S 4 1        55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>   In totaal onderscheidt de UNESCO 18 verschillende vakgebieden, inclusief een
   rest categorie.2 Voor Nederland maakt de UNESCO geen onderscheid tussen
   het HBO en het WO, hetgeen impliceert dat het gehele hoger onderwijs in
   Nederland in beschouwing is genomen. In afbeelding 1 zijn de voor
   Nederland relevante β-gebieden weergegeven. Het linker (zwarte) gedeelte
   van de staven geeft het percentage studenten binnen de categorie technische
   wetenschappen. Voor Nederland is dat minder dan 6% en voor Duitsland 19%;
   het genoemde verschil van een factor 3 heeft betrekking op deze kolom. Als
   we de natuurwetenschappen ook in beschouwing nemen, verandert het beeld
   niet sterk; Duitsland is koploper en Nederland is hekkensluiter.
   Afbeelding 1: verdeling over bèta-gebieden
                     (als percentage van het totaal-hoger onderwijs)
   Bron: Kennis en Economie 1996, CBS 1996
   In Nederland omvatten de categoriën de volgende delen van het β-domein:
   - techniek: ingenieursopleidingen van de technische universiteiten
   - natuur: β-opleidingen van de algemene universiteiten
   - kunstnijverheid: HBO-techniek
       2 Het betreft de gebieden Onderwijs, Gedrag en Religie, Kunst, Recht, Sociale &
         Gedragswetenschappen, Bedrijfskunde & -administratie, Massacommunicatie &
         Documentatie, Huishoudkunde, Dienstverlening, Natuurwetenschappen, Wiskunde &
         Informatica, Medische wetenschappen, Technische wetenschappen, Architectuur, Handel &
         Kunstnijverheid & Industriële planning, Transport & Communicatie, Landbouw & Visserij en
         de categorie Andere. In de grafiek zijn de Natuurwetenschappen en de Wiskunde &
         Informatica samengenomen onder de rubriek Natuur en zijn de Architectuur en de
         Technische wetenschappen tot Techniek gerekend.
56 A W T     A D V I E S    4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Een nadere beschouwing van de UNESCO-statistieken maakt duidelijk dat de
voor Natuur en Techniek genoemde aantallen studenten sporen met de aan-
tallen studenten binnen het universitaire deel van de HOOP-gebieden Natuur
en Techniek. Dit betekent dat het HBO-gedeelte van het HOOP-gebied
Techniek bij een andere categorie is ingedeeld. Raadpleging van de UNESCO-
data leidt tot de conclusie dat HBO-techniek is ondergebracht binnen de cate-
gorie Handel, kunstnijverheid/industriële planning. De naamgeving van die
categorie doet vermoeden dat het veeleer om het economisch gedeelte van het
HBO gaat, maar gelet op de omvang van andere categorieën kan dat niet of
nauwelijks het geval zijn. Voor andere landen is de categorie van de kunstnij-
verheid veel kleiner of zelfs geheel leeg, zoals de figuur laat zien.3
Aangezien het niet mogelijk is binnen de UNESCO-gegevens een onderscheid
te maken tussen het HBO en het WO moeten we de categorie kunstnijverheid
meenemen om voor Nederland een zinnige vergelijking te kunnen maken.
Tellen we de categorieën technische wetenschappen, natuurwetenschappen
en kunstnijverheid samen, dan telt ons land ongeveer 20% β-studenten, het-
geen een middenpositie oplevert. Duitsland blijft met een score van 33%
onveranderd koploper. De conclusie dat Nederland een middenpositie
inneemt, correspondeert met de conclusies uit het HOOP 1998. Daar blijkt de
conclusie getrokken te zijn op basis van nationale vergelijkingen die door het
CSHOB zijn gemaakt.
      In aansluiting op de landenvergelijkingen voor het HOOP heeft het
CSHOB op verzoek van de AWT een nadere vergelijking gemaakt ter voorbe-
reiding op dit advies.4 Ook op basis van de nationale statistieken is het echter
vaak moeilijk om een betrouwbare vergelijking te maken. Daarvoor blijken de
onderwijssystemen te veel van land tot land te verschillen. En wat belangrij-
ker is, de afbakening van de gebieden blijkt allesbehalve eenduidig. Elk land
heeft zo zijn eigen indeling in HOOP-gebieden.
    3 Dat het Nederlandse technisch HBO afwijkend is ingedeeld, is vanuit mondiaal perspectief
      niet geheel onbegrijpelijk. Bij de UNESCO-indeling gaat het namelijk niet om techniek, maar
      om technische wetenschappen. Aangezien het HBO nauwelijks of geen onderzoek doet, gaat
      het daar niet om wetenschappelijk onderwijs. In veel andere landen is het beroepsgerichte
      deel van het Hoger Onderwijs relatief klein of zelfs geheel afwezig. Duitsland en Zwitserland
      hebben wel een technische sector op HBO-niveau, maar de Fachhochschulen lijken veel sterker
      tegen de wetenschap aan te leunen dan de Nederlandse HBOs. Niet alleen vanwege de ruimte
      voor onderzoek, maar ook wat betreft de wetenschappelijke kwalificatie van de docenten; die
      zijn (veel vaker) gepromoveerd en een deel van het docentenkorps draagt de titel van profes
      sor.
    4 Frans Kaiser, Sandra de Lange, Studeren wat (erna)? Interne publicactie, CSHOB, Universiteit
      Twente, juni 1997.
                                                                              A W T    A D V I E S  4 1 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>   1.2 Vergelijking met Duitsland en Zwitserland
   Om toch een beter beeld te krijgen, heeft de Raad ervoor gekozen om
   Nederland te vergelijken met Duitsland. De keuze voor Duitsland is door drie
   overwegingen ingegeven. In de eerste plaats het relatief grote contrast met
   Nederland; als Nederland op β-gebied ergens een afwijking mee vertoont, lijkt
   dat met Duitsland te zijn, gelet op de boventoon die Duitsland volgens afbeel-
   ding 1 op β-gebied voert.
   De tweede overweging betreft de relatief grote overeenkomsten in het onder-
   wijssysteem; beide landen kennen aparte technische universiteiten en in beide
   landen is het hoger beroepsonderwijs relatief sterk ontwikkeld. De derde
   reden betreft de grote mate van detaillering in de Duitse statistieken waardoor
   clusters van disciplines gemaakt kunnen worden die overeenkomen met de
   Nederlandse indeling in HOOP-gebieden.
         Niet in alle internationale vergelijkingen staat Duitsland bovenaan wat
   betreft het percentage β-studenten in een recente schets van de OESO staat
   Duitsland bijvoorbeeld op de tweede plaats achter Finland waar ongeveer 40%
   van de afgestudeerden een β-opleiding heeft5 maar in alle gevallen is wel
   sprake van een relatief hoge score.
         Een vergelijking op basis van nationale statistieken is voor het universi-
   taire deel van het hoger onderwijs beter mogelijk dan voor de hogescholen.
   Daarom beperkt de Raad zich hier tot het universitaire deel.
   Zoals opgemerkt, verschilt de indeling in HOOP-gebieden van land tot
   land. Dat verschil geldt ook voor Nederland en Duitsland. Zo wordt de psy-
   chologie en de pedagogiek in Duitsland samen met de letteren tot de geestes-
   wetenschappen gerekend. De maatschappijwetenschappen worden met de
   rechtswetenschappen in één categorie gebundeld. Deze verschillen in afbake-
   ning treden ook op binnen de technische en natuurwetenschappen. Algemeen
   gesproken worden in de Duitse statistieken meer vakgebieden tot het β-
   domein gerekend dan in Nederland het geval is, waarmee de verschillen die
   uit de afbeelding spreken voor een deel verklaard zijn. Zo worden vakken als
   econometrie en ruimtewetenschappen in Duitsland bij de wiskunde en
   natuurwetenschappen geteld terwijl ze in Nederland buiten het HOOP-gebied
   Natuur vallen. Ook vallen grote delen van het Nederlandse HOOP-gebied
   Landbouw in Duitsland onder Techniek.
       5 Education at a Glance, OECD Indicators 1998, OESO. Parijs,1998 (p. 194). De Finse score lijkt niet
         geheel los gezien te kunnen worden van de wijze van selectie. In Finland hanteren universi-
         teiten toelatingseisen; de kans op toelating is bij techniek driemaal zo hoog als bij niet-β-
         vakken; 75% tegenover 25%. Bij de vooraanmeldingen ligt het accent veel minder bij β-rich-
         tingen; van het totaal aantal aanmeldingen heeft ongeveer 15% betrekking op de natuurwe-
         tenschappen en 8% op techniek. De cijfers over de aanmeldingen bevatten dubbeltellingen
         doordat studenten zich bij meerdere universiteiten en studierichtingen kunnen aanmelden.
         Het lijkt waarschijnlijk dat de neiging tot dubbele aanmelding toeneemt naarmate de kans
         om te slagen daalt. Dit zou kunnen betekenen dat Finland bij een volledig vrije studiekeuze
         minder afwijkt van hetgeen in andere landen gebruikelijk is.
         Bron: Finnish Universities 1997. Ministry of Education, Helsinki, Finland 1997.
58 A W T     A D V I E S      4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>Daar staat tegenover dat in Duitsland een vak als technische bestuurskunde -
met een aandeel van 10% een middelgroot vakgebied binnen de Nederlandse
TUs, vergelijkbaar met de omvang van de technische fysica en met de chemi-
sche technologie - ontbreekt in de sector Techniek.
      Een specifiek punt betreft de afbakening tussen Techniek en Natuur. In
Nederland worden de ingenieursopleidingen op het gebied van de wiskunde,
informatica, fysica en chemie bij het HOOP-gebied Techniek geteld, terwijl
deze vakgebieden in Duitsland niet voorkomen binnen het domein van de
technische wetenschappen. Ook in andere landen lijken fysica en chemie vol-
ledig tot de natuurwetenschappen gerekend te worden, ook als het gaat om
opleidingen aan technische instellingen. De afwijkende indeling van
Nederland houdt verband met de tweedeling tussen algemene en technische
universiteiten. In veel landen bestaan geen aparte technische universiteiten,
en als dat wel het geval is, zoals in Duitsland, bestrijken ze een veel breder ter-
rein van de β-wetenschappen; ze verzorgen veelal opleidingen over het gehele
spectrum van de natuurwetenschappen, inclusief de theoretische delen daar-
van. Aangezien het niet mogelijk is op basis van de Duitse statistieken een
onderscheid te maken tussen de algemene en technische varianten, zijn voor
de onderlinge vergelijking de opleidingen van de Nederlandse TUs op het
gebied van de wiskunde, informatica, fysica en chemie bij het HOOP-gebied
Natuur geteld. Als we de gebieden aldus afbakenen, is ook een vergelijking
mogelijk met Zwitserland waar de indeling sterk lijkt op die van Duitsland.
Als we de grootste gemene deler van het β-onderwijs vergelijken, komen de
Duitse universiteiten op 30% β-studenten en de Nederlandse op 24%.6
De tabel bevestigt daarmee dat Nederland in vergelijking met Duitsland rela-
tief weinig β-studenten heeft, maar het verschil is kleiner dan de afbeelding
suggereert, en bedraagt zeker geen factor drie. Aangezien Duitsland in verge-
lijking met andere landen relatief veel β-studenten telt, lijkt het niet onwaar-
schijnlijk dat de verschillen met andere landen kleiner zijn dan uit de tabel
naar voren komt. Zoals gezegd, zijn dergelijke vergelijkingen vaak moeilijk te
maken. Een land dat wat betref het onderwijssysteem relatief sterk op
Nederland en Duitsland lijkt, is Zwitserland. Ook dat land kent een tweede-
ling tussen algemene en technische universiteiten en tussen universitair en
hoger beroepsonderwijs, zij het dat de Fachhochshulen naar verhouding kleiner
zijn dan de Nederlandse HBOs. In de tabel scoort Zwitserland met 26% tussen
Nederland en Duitsland.
    6 Aangezien in Duitsland de gemiddelde studieduur relatief lang is zeker ook voor β- studies
      kan het feitelijke verschil nog wel kleiner zijn.
                                                                         A W T      A D V I E S  4 1 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>   Tabel 1:         Belangstelling β-studies in Nederland, Duitsland en
                    Zwitserland, als % aantal universitaire studenten
   Studierichting                         Nederland          Duitsland         Zwitserland
   Wiskunde en Informatica                     3,0               5,5            3,0
   Natuur- en sterrenkunde                     1,9               2,8            2,3
   Scheikunde                                  2,7               2,8            1,5
   Farmacie                                    1,0               1,1            1,5
   Biologie                                    2,1               3,5           5,5
   Geologie                                    0,8               1,1            1,1
   Overige Natuurwet.                          0,2               0,2           0,0
   Totaal Natuur                              11,8              17,0           15,0
   Landbouw                                    3,0               1,8            1,1
   Bouwkunde                                   2,0               1,5           2,8
   Civiele techniek                            1,0               2,3           1,0
   Elektrotechniek                             1,4               2,6           1,8
   Werktuigbouw                                1,9               3,9           1,8
   Overige techniek                            2,5               1,0           2,3
   Totaal Techniek
         (inclusief Landbouw)                  11,9             13,1          10,8
   Totaal % β-studenten                       23,6              30,1          25,8
   Bronnen:
   Nederland: Hoger Onderwijs in Cijfers 1995, detailtabellen, ministerie van OCenW.
   Duitsland: Studierende an Hochshulen, Wintersemester 1994/1995, Statistisches
   Bundesamt.
   Zwitserland: Studierende an den schweizerischen Hochschulen, Bundesamt für Statistik,
   1997/1998.
   2. Relatieve belangstelling van vrouwen voor β -studies
   Het CSHOB heeft in de gememoreerde studie ook gekeken naar de arbeids-
   marktpositie van afgestudeerden en het percentage vrouwen bij de verschil-
   lende studierichtingen. Wat betreft de arbeidsmarkt zijn nog moeilijker ver-
   gelijkingen te maken dan bij de verdeling over de studierichtingen. Vaak wor-
   den geen gebiedsgerichte cijfers verzameld en als dat zo is, is sprake van zoda-
   nige indelingen dat het zeer moeilijk is om op basis van de gegevens de situ-
   atie in Nederland te vergelijken met die in andere landen. Wat betreft de deel-
   name van vrouwen gelden in principe dezelfde problemen als bij de vergelij-
   king van de relatieve omvang van de verschillende studierichtingen. Hier vor-
   men verschillen in afbakening van vakgebieden echter een minder groot pro-
   bleem; of men bijvoorbeeld econometrie nu wel of niet bij de wiskunde telt,
   zal niet tot grote verschillen leiden in het percentage vrouwen in de wiskunde.
60 A W T     A D V I E S   4 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre> Tabel 2: percentage vrouwelijke studenten
           vergelijking tussen landen en vakgebieden
                 NL   gem. D    Vlaan-     F     UK    Australië Zweden Japan
                                deren
geesteswet.      66   64    62      62     73      60      68        59      67
kunst            55   59    59      46            59                 63       66
natuurwet        34   35    32      36     38    38        39       36        23
techniek         15    17   15      17     30     16        14       21        7
landbouw         35   39    48      33           46        33                34
gezondheid       69   62    48       67          59        72        78      47
economie         38   38     33     48     52    18         41
rechten          51   46     43     49                      45
sociale wet.     72   47     64     63           49                   36     22
onderwijs        69   66     57      75          67         72               57
TOTAAL           48    46    41     52           45          53       55     32
Bron: CSHOB
In de derde kolom is het rekenkundig gemiddelde gegeven van percentages in
de verschillende landen waar voor het betrokken gebied gegevens beschikbaar
zijn. Nederland is bij de berekening van het gemiddelde niet meegeteld.
Uit tabel 2 blijkt dat studies die in Nederland relatief veel vrouwen trekken,
elders veelal ook een relatief hoge belangstelling van vrouwen kennen.
Anderzijds zijn studies waarvoor zich in Nederland weinig vrouwen inschrij-
ven, zoals de technische wetenschappen, ook in het buitenland weinig popu-
lair bij vrouwen. Nederland en vier van de zeven andere landen wijken niet
significant af van het gemiddelde. Uitschieters zijn Frankrijk met een zeer
hoge en Japan met een zeer lage instroom van vrouwen in de technische oplei-
dingen. Bij Japan kan dat verschil verband houden met de totaal andere cul-
tuur, alsmede met de sterk afwijkende inrichting van het Hoger Onderwijs.
Een afwijkende inrichting van het hoger onderwijs zou ook een rol kunnen
spelen bij de relatief hoge percentage vrouwelijke techniek-studenten in
Frankrijk. In Frankrijk staan niet de universiteiten maar de grandes ecoles op
het hoogste opleidingsniveau. Vanwege die afwijkende inrichting van het
hoger onderwijs is ook het middelbaar onderwijs anders ingericht. Overigens
mag uit de tabel niet zonder meer worden geconcludeerd dat Frankrijk feite-
lijk ook hoog scoort; in elk geval past de kanttekening dat de Franse indeling
in vakgebieden zodanig afwijkt, dat verschillen in gebiedsindeling een rol
kunnen spelen.
       Uit tabel 2 komt naar voren dat de Nederlandse score wat betreft het per-
centage vrouwen binnen de technische en natuurwetenschappen weinig ver-
schilt van hetgeen in de meeste andere landen gebruikelijk is. Er zijn welis-
waar verschillen naar boven en beneden, maar die zijn zo klein dat afwijkende
gebiedsindelingen de oorzaak zijn. Als voor Duitsland en Nederland de corre-
sponderende gebiedsindeling uit tabel 1 wordt toegepast, zijn de percentages
vrouwelijke studenten in beide landen bijna tot op de eerste decimaal iden-
tiek. Bij Natuur bestaat in Duitsland 32,9% van de studenten uit vrouwen,
tegenover 32,8% in Nederland. Bij Techniek is in beide landen 16,1% van de
studenten vrouw.
                                                                A W T    A D V I E S 4 1 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>62 A W T A D V I E S 4 1</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>