<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>43                            Halfslachtige wetenschap
                            Onderbenutting van vrouwelijk potentieel
                             als existentieel probleem voor academia
januari 2000
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
tel 070 - 363 9922
fax 070 - 360 8992
e-mail: secretariaat@AWT.nl
http://www.awt.nl/
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                                                   Inhoud
Samenvatting                                                         5
1.    Inleiding                                                      11
2.    Analyse                                                        15
      2.1      Kwantitatieve gegevens over ondervertegen-
               woordiging van vrouwen                                15
      2.2      Het problematische van ondervertegenwoordiging
               van vrouwen                                           17
      2.3      Drie gangbare verklaringen voor de
               ondervertegenwoordiging                               19
3.    De rol van de overheid en aanbevelingen                        29
      3.1      Argumentatie voor overheidsbeleid                     29
      3.2      Aanbevelingen gericht aan de overheid                 31
Bijlage: Enkele kwantitatieve gegevens                               39
                                                     A W T - a d v i e s n r . 4 3       3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                                                      Samenvatting
De minister van OCenW heeft de AWT advies gevraagd over de gewenste
stimuleringsmaatregelen om meer vrouwen te laten participeren in het
Nederlandse onderzoek. De Raad richt zich in dit advies vooral op de situatie
en de te nemen maatregelen in universiteiten en de para-universitaire organi-
saties (NWO en KNAW), vanuit de overweging dat de minister van OCenW ten
aanzien van deze organisaties een speciale verantwoordelijkheid heeft.
Stand van zaken rond de thematiek vrouwen in de wetenschap is dat inmid-
dels de helft van de afgestudeerden vrouw is. De samenstelling van de weten-
schappelijke staf is daarentegen nog zeer scheef voor wat betreft het aandeel
mannen en vrouwen. De ondervertegenwoordiging van vrouwen neemt sterk
toe met het stijgen op de carrièreladder. Eind 1998 was 41,5% van de aios
vrouw, 21,2% van de UDs, 7,8% van de UHDs en 5,4% van de hoogleraren. De
Nederlandse universiteiten en para-universitaire onderzoeksinstituten zijn
niet uniek wat betreft de ondervertegenwoordiging van vrouwen. Een soort-
gelijk beeld kan in andere landen worden opgetekend. In internationaal ver-
gelijkend perspectief zit Nederland echter in de achterhoede van West-
Europese landen.
H e t p ro b l e m a t i s ch e va n o n d e r ve r t e g e nwo o r d i g i n g
van vrouwen in academia
De Raad spreekt zijn zorg uit over de bestaande en voortdurende onder-
vertegenwoordiging van vrouwen in academia. Hij ziet dit als een existentieel
probleem voor de wetenschapsinstellingen zelf, en niet alleen als een kwestie
van onbillijkheid jegens de vrouwen die het betreft.
    De wetenschapsinstellingen zullen in de nabije toekomst in toenemende
mate behoefte hebben aan jong talent teneinde de vele openvallende posities
binnen universiteiten op niveau te kunnen vervullen. Zeker in een krappe
arbeidsmarkt kunnen de instellingen het zich eenvoudigweg niet veroorloven
het vrouwelijk potentieel te veronachtzamen. Teneinde de concurrentieslag
om het schaarse talent op de arbeidsmarkt te kunnen aangaan, moeten univer-
siteiten zich bezinnen op hetgeen vrouwen aantrekt of juist afstoot en op
maatregelen om vrouwelijk talent binnen te halen en te houden.
    Naast deze arbeidsmarktgerelateerde overwegingen is de Raad van mening
dat een grotere diversiteit in personele samenstelling van de wetenschappelij-
ke staf positief bijdraagt aan de kwaliteit van wetenschap. Dit geldt zowel
voor het onderwijs als het onderzoek. In het onderwijs komt een divers
samengestelde staf tegemoet aan verschillende begeleidingsbehoeften en het
biedt een divers samengestelde studentenpopulatie meerdere rolmodellen.
Diversiteit in personele samenstelling, en daarmee een diversiteit aan erva-
rings- en belevingswerelden, kan tevens leiden tot vernieuwende onderzoeks-
vraagstellingen en -benaderingen. De wetenschapsinstellingen doen zichzelf
tekort als zij zich deze diversiteit in personele samenstelling van de staf ont-
zeggen.
                                                         A W T - a d v i e s n r . 4 3            5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  Ve r k l a r i n g e n v o o r o n d e r v e r t e g e n w o o r d i g i n g v a n
  vrouwen in academia
  Om gerichte aanbevelingen te kunnen doen, is inzicht nodig in de verklaren-
  de factoren voor de ondervertegenwoordiging van vrouwen in academia. De
  Raad onderkent allereerst dat historisch-culturele factoren hier een rol spelen.
  Nederland heeft  meer dan andere landen  een traditie van mannelijk kost-
  winnerschap, neergeslagen in o.a. de hoogte van lonen, in belastingwetgeving
  en in sociale zekerheidsvoorzieningen. De in het verleden sterk uitgedragen
  moraal en ideaalbeeld van mannelijk kostwinnerschap heeft zeker ook zijn
  uitwerking gehad op de arbeidsdeelname van vrouwen binnen academia.
  Hiernaast kan echter worden gewezen op een aantal specifieke factoren van
  belang voor de situatie binnen academia. De Raad heeft drie mogelijke
  wetenschapsspecifieke verklaringen aan nadere beschouwing onderworpen.
  Verklaring 1: Het is een kwestie van tijd ....
  Een mogelijke verklaring voor de huidige ondervertegenwoordiging van
  vrouwen in academia is dat vrouwen pas later in groten getale zijn gaan stude-
  ren en dat het een kwestie van tijd is voordat de toenemende aantallen vrou-
  welijke afgestudeerden naar evenredigheid instromen in academia en vervol-
  gens doorstromen naar hogere wetenschappelijke functies. Ongetwijfeld zal
  de grotere stroom van vrouwelijke afgestudeerden leiden tot een verdere groei
  van het aantal vrouwen in de verschillende wetenschappelijke functies. De
  Raad merkt echter op dat de feitelijke realisatie van de doorstroom van het
  sterk toegenomen aandeel vrouwen onder de afgestudeerden naar (hogere)
  wetenschappelijke staffuncties, achter blijft bij wat verwacht zou kunnen
  worden.
      In het afgelopen decennium is het percentage vrouwen in de verschillende
  wetenschappelijke functies weliswaar toegenomen, maar deze groei is minder
  dan verwacht zou mogen worden op basis van het sterk gestegen aandeel
  vrouwen onder de afgestudeerden en daarmee de sterke groei van de pool
  waaruit vrouwelijke wetenschappers geworven kunnen worden. In die zin
  kan zelfs gesproken worden van een relatieve versterking in plaats van een
  verzwakking van de ondervertegenwoordiging van vrouwen, met name op de
  hogere functies. Van een inhaalslag, om in het verleden opgelopen achterstan-
  den weg te werken, is in ieder geval geen sprake. Ook in de jongere leeftijdsco-
  horten blijft de ondervertegenwoordiging van vrouwen, met name in de hoge-
  re functies, voortbestaan. Zo blijken vrouwelijke wetenschappers  ook in de
  jongere leeftijdscohorten  twee tot drie maal minder vaak hoogleraar of UHD
  te worden dan hun mannelijke collegas.
      De Raad concludeert dat de ondervertegenwoordiging van vrouwen niet
  alleen een probleem is van aantallen beschikbare vrouwen en dus van geduld.
  Er speelt meer.
  Verklaring 2: Vrouwen kiezen minder vaak onvoorwaardelijk voor een wetenschappelijke
  carrière
  Een andere mogelijke verklaring voor de ondervertegenwoordiging van vrou-
  wen in academia is dat  met name vanwege moederschap en zorgtaken 
  vrouwen zelf de keuze maken om zich niet volledig te geven voor de weten-
  schap. Logisch gevolg is dan een vermindering van hun carrièrekansen. Met
  name het resulterend verschil in wetenschappelijke output is cruciaal, omdat
  het aantal publicaties een grote rol speelt in de beoordeling van individuele
6 A W T - a d v i e s    n r . 4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>wetenschappers, ook bij benoemingen. In empirische onderzoeken is aange-
toond dat moederschap als zodanig geen invloed heeft op de productiviteit.
Vrouwelijke wetenschappers met kinderen zijn niet minder gemotiveerd voor
of toegewijd aan hun werk; wel is het zo dat ze  vaker dan mannen  in deel-
tijd werken. Het verschil in wetenschappelijke output tussen mannelijke en
vrouwelijke wetenschappers op een gelijk functieniveau verdwijnt als wordt
gecorrigeerd voor de omvang van de aanstelling. Met een dergelijke correctie-
factor wordt bij de beoordeling en bevordering van individuele wetenschap-
pers echter weinig rekening gehouden. Werken in deeltijd en de invloed die
dit heeft op de totale wetenschappelijke output pakt zodoende problematisch
uit voor vrouwen in de wetenschap.
     Ook de verschillen in aanstellingsomvang en bijgevolg output, vormen
echter geen afdoende verklaring voor loopbaanverschillen tussen mannen en
vrouwen. Ook wanneer vrouwen eenzelfde opleiding hebben gevolgd als hun
mannelijke collegas, ze even oud zijn, gelijke werkervaring hebben, evenveel
publiceren en fulltime werken, leidt dit bij hen niet in dezelfde mate tot ver-
betering van hun positie. Loopbaanverschillen blijken niet uitsluitend terug
te voeren op strikt meritocratische criteria.
Verklaring 3: Belemmeringen gerelateerd aan het wetenschapssysteem zelf
Een derde mogelijke verklaring voor de ondervertegenwoordiging van vrou-
wen in academia betreft de werking van wetenschapssysteem zelf. Vrouwen
hebben  meer dan mannen  moeite met de individualistische, op concurren-
tie gebaseerde werkcultuur in wetenschapsinstellingen en met de bestaande
eendimensionele opvatting over wetenschappelijke kwaliteit. Dit wordt veelal
genoemd als reden waarom vrouwen zich minder thuis voelen in academia,
met gevolgen voor motivatie, zelfvertrouwen en vertrek uit de wetenschap.
Vrouwelijke wetenschappers blijken daarnaast vaker uitgesloten te zijn van
informele netwerken die van groot belang zijn bij de overdracht van informa-
tie, bij loopbaanbegeleiding en bij positieverdeling. Tevens blijkt binnen
academia sprake van subtiele uitsluitings- en ongelijke behandelingspraktij-
ken. De cumulatie van vele kleine beslissingen met slechts een geringe
gender-bias, heeft grote gevolgen voor de positie van vrouwelijke wetenschap-
pers op de langere termijn.
Conclusie
De Raad concludeert dat de huidige ondervertegenwoordiging van vrouwen
in academia niet alleen te verklaren is uit het gebrek aan vrouwelijk potentieel
in het verleden of de mindere inzet van vrouwen (in tijd gemeten) voor de
wetenschap. Er speelt meer. Allerlei min of meer subtiele mechanismen in het
wetenschapssysteem zelf resulteren in een persistente ondervertegenwoordi-
ging van vrouwen. Nog steeds, en dat geldt al jaren, hebben mannelijke
wetenschappers meer kans door te stromen naar hogere functies dan hun
vrouwelijke collegas. Ingrijpende veranderingen zijn nodig om de situatie
structureel te verbeteren.
De rol van de overheid
De Raad is van mening dat de ondervertegenwoordiging van vrouwen een
probleem voor de wetenschapsinstellingen zélf is. Hij vindt dan ook dat in
eerste instantie de  in grote mate autonome wetenschapsinstellingen zélf 
                                                            A W T - a d v i e s n r . 4 3 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  beleidsmaatregelen moeten nemen, toegesneden op de lokale situatie en pas-
  send bij het strategisch beleid van de instelling. De AWT is verheugd dat in
  ieder geval op bestuurlijk topniveau de urgentie wordt gevoeld en het
  bestuurlijk draagvlak aanwezig is om daadwerkelijk verbeteringen tot stand
  te brengen. Maar de Raad ziet ook voor overheid een rol, vanwege de volgen-
  de drie redenen.
  1.     Een principiële reden: Het is onacceptabel dat in het (publiekgefinancierde)
         wetenschapssysteem uitsluitingsmechanismen in werking zijn, waar-
         door vrouwen in veel mindere mate dan mannen deel (kunnen) nemen
         aan de wetenschapsbeoefening. Deelname van vrouwen is niet alleen een
         democratisch grondrecht, maar is tevens vanwege de enorme betekenis
         van wetenschap en technologie in onze samenleving noodzakelijk om de
         diversiteit aan wetenschappelijke vraagstellingen en invalshoeken te ver-
         groten zodat beter op de veelsoortige maatschappelijke behoeftes en uit-
         dagingen kan worden ingespeeld.
  2.     Een economische reden: Wetenschaps- en technologieontwikkeling is van
         groot belang voor de Nederlandse kenniseconomie. Niet alleen de uni-
         versiteiten zelf, maar ook de Nederlandse samenleving doet zichzelf
         tekort door het potentieel aan vrouwelijk talent niet optimaal te benut-
         ten.
  3.     Een tempogebonden reden: De toename van het aandeel vrouwen in
         wetenschappelijke functies verloopt te traag gezien de sterke groei van
         de pool van vrouwelijke academici waaruit gerekruteerd kan worden.
         Aanvullend overheidsbeleid is gerechtvaardigd en noodzakelijk om een
         versnelling tot stand te brengen.
  Aanbevelingen
  De Raad is van mening dat de overheid vooral een stimulerende rol op zich
  dient te nemen, gericht op positieve ondersteuning en versnelling van beleids-
  processen in de instellingen zelf. Concreet stelt de Raad het volgende voor:
  - Agenderen  bij voortduring en expliciet  van de ondervertegenwoordi-
      ging van vrouwen. In het kader van de verantwoordingsrelatie tussen de
      minister van OCenW en de afzonderlijke instellingen dienen de instellin-
      gen aangesproken te worden op streefcijfers hieromtrent, bij voorkeur ook
      wat betreft nieuwe aanstellingen. Gezien de bestaande en voortbestaande
      ondervertegenwoordiging van vrouwen acht de Raad het krachtig aanspre-
      ken van de instellingen op dit punt van groot belang.
  - Stimuleren van het opzetten van een  tijdelijk  expertisecentrum dat
      faciliterende activiteiten voor zijn rekening neemt, ter ondersteuning van
      beleidsprocessen in de instellingen. Taak van dit expertisecentrum is het
      (laten) uitvoeren van studies, zorgdragen voor beschikbaarheid van kwan-
      titatieve gegevens nodig voor het opstellen van streefcijfers en benchmar-
      king, identificeren en verspreiden van good practice voorbeelden van beleids-
      maatregelen, zorgdragen voor kennis- en ervaringsoverdracht.
  - Invoeren van speciale stimuleringsmaatregelen om de ondervertegen-
      woordiging van vrouwen te verminderen. De Raad stelt voor de financiële
      slagkracht van het recent gestarte ASPASIA-programma  gericht op sti-
      mulering van de doorstroom van vrouwelijke UDs naar UHD-posities  te
      vergroten. Daarnaast pleit de Raad voor het instellen van een aparte stimu-
      leringsmaatregel gericht op het vergroten van het aantal vrouwelijke
8 A W T - a d v i e s    n r .  4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>    hoogleraren: Verwey-Jonker-plaatsen. Gezien de zwaarwegendheid van
    het probleem acht de Raad dergelijk gericht overheidsstimuleringsbeleid
    wenselijk.
-   Hanteren van taakstellende afspraken over de deelname van vrouwen aan
    algemene onderzoeksstimuleringsfondsen.
-   Entameren van een discussie over een breder begrip van kwaliteit van
    wetenschap. Waar nu de nadruk sterk ligt op wetenschapsinhoudelijke cri-
    teria als bijdrage aan de wetenschap, is ook aandacht gewenst voor de bij-
    drage aan de maatschappelijke ontwikkeling en het inspelen op maat-
    schappelijke vragen en behoeftes. Doel hiervan is better use of science, maar
    de veronderstelling is dat hiermee tegelijkertijd, als neveneffect, het wer-
    ken binnen academia voor vrouwen meer aantrekkelijk wordt.
De Raad vindt een overheidsrol met gebruik van strafmaatregelen bijvoor-
beeld in de bekostigingssfeer niet op zijn plaats, mede vanwege de gebleken
bereidheid op bestuurlijk topniveau om het aandeel vrouwen in de weten-
schap te vergroten. De instellingen dienen het in hen gestelde vertrouwen
echter wel waar te maken. De Raad acht het van belang om voldoende druk op
de ketel te houden. Hij beveelt de Minister daarom aan om over vijf jaar ter-
dege te evalueren of de situatie structureel is verbeterd. Indien dit niet het
geval is, dient de overheid alsnog sanctionerende maatregelen te overwegen.
                                                         A W T - a d v i e s   n r . 4 3 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>10 A W T - a d v i e s n r . 4 3</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft de Adviesraad
voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) advies gevraagd over de
                                                                                               1
                                                                                               Inleiding
gewenste stimuleringsmaatregelen om meer vrouwen te laten participeren in
het Nederlandse onderzoek. De precieze tekst uit het AWT-werkprogramma
1999 luidt als volgt:
      Aanleiding
      Het aantal academisch geschoolde vrouwen dat een loopbaan in het wetenschappe-
      lijk onderzoek kiest, of daarvoor in aanmerking komt, is vergeleken met hun man-
      nelijke collega-afgestudeerden in Nederland relatief laag. Verhoudingsgewijs zelfs
      nog lager dan in een aantal ons omringende landen. Dit geldt zowel voor de sector
      van het door de overheid gefinancierde onderzoek, als voor het privaatgefinancierde
      onderzoek.
      Tegen de achtergrond van een dreigend tekort aan talentrijke mensen in het weten-
      schappelijke onderzoek in een toenemend aantal onderzoeksgebieden, vormt dit een
      serieuze handicap en mogelijke onderbenutting van talent. Ervaring van veel onder-
      zoekorganisaties tot nu toe is dat gebruikelijke emancipatiemaatregelen bij weten-
      schappelijke carrières weinig resultaten opleveren.
      Adviesvraag
      Welke maatregelen zijn nodig om vrouwen meer kansen te bieden in de wetenschap,
      respectievelijk vrouwen te interesseren voor een wetenschappelijke loopbaan. Hoe
      kan de overheid het nemen van deze maatregelen bevorderen?
De Raad richt zich in dit advies vooral op de situatie en de te nemen maatrege-
len in universiteiten en de para-universitaire organisaties (NWO en KNAW),
vanuit de overweging dat de minister van OCenW ten aanzien van deze orga-
nisaties een speciale verantwoordelijkheid heeft. Het advies gaat derhalve niet
in op gewenste stimuleringsmaatregelen in het privaatgefinancierde onder-
zoek.
Een eerste reflectie bij de adviesvraag
Op zich is de constatering dat er weinig vrouwen in academia werken  in per-
centages van het totaal en ook in verhouding tot het aantal afgestudeerden 
geen nieuws, evenmin als de constatering in de adviesvraag dat de gebruikelij-
ke emancipatiemaatregelen onvoldoende resultaten opleveren. De onderverte-
genwoordiging van vrouwen in academia is een punt van aandacht dat al
vanaf begin jaren zeventig op de agenda staat, zowel bij het ministerie van
OCenW als bij de afzonderlijke instellingen. Waarom dan nu een aparte
adviesvraag en advies?
    Een eerste, concreet benoembare aanleiding voor het opnieuw naar voren
halen van de thematiek Vrouwen in de wetenschap is gelegen in een artikel
gepubliceerd in Nature (Wennerås/Wold 1997) getiteld Nepotism and sexism
in peer- review. In dit artikel tonen de schrijfsters aan  kwantitatief onder-
bouwd  dat bij de selectie van persoonsgebonden onderzoeksbeurzen van de
                                                                A W T - a d v i e s  n r . 4 3         11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                            Zweedse Medische Onderzoeksraad vrouwen qua wetenschappelijke compe-
                            tentie (gemeten in aantal en kwaliteit van publicaties) twee keer zo goed moe-
                            ten zijn als mannen om te kunnen rekenen op eenzelfde waardering. Dit
                            duidt op ongelijke kansen voor vrouwen tegenover mannen in de wetenschap.
                            Deze publicatie heeft veel opschudding veroorzaakt, ook in Nederland. In
                            hoeverre worden vrouwen inderdaad door de werking van het wetenschappe-
                            lijk kwaliteitssysteem achtergesteld? De concrete actie die hieruit is voortge-
                            vloeid, is een onderzoek in opdracht van het ministerie van OCenW naar de
                            rol van sekse bij de toekenning van enige NWO- en KNAW-subsidies.1
                                Ten tweede kan in meer algemene zin worden gewezen op een omslag in
                            het denken over de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de wetenschap:
                            dit wordt niet meer alleen gezien als een kwestie van onbillijkheid jegens de
ondervertegenwoordiging van vrouwen die het betreft, maar steeds meer als een existentieel probleem voor
vrouwen, een existentieel   de wetenschapsbeoefening en van de wetenschapsinstellingen zelf. Deze
probleem voor de wetenschap opvatting komt ook naar voren in de tekst van de adviesvraag, waar wordt
                            gesproken over de ondervertegenwoordiging van vrouwen als een serieuze
                            handicap en een mogelijke onderbenutting van talent. De conferentie over
                            Vrouwen in de wetenschap (12 oktober 1999, georganiseerd door de AWT,
                            KNAW, NWO en VSNU) kenmerkte zich door een gelijkluidende toonzetting.
                            Het probleem van de ondervertegenwoordiging van vrouwen in academia
                            lijkt te verschuiven van een individueel vrouwenprobleem, gerelateerd aan
                            rechtvaardigheidsgronden waaraan via emancipatiebeleid gewerkt kan wor-
                            den, naar een organisatieprobleem, gerelateerd aan kwaliteitsargumenten.
                            Deze omslag impliceert dat de ondervertegenwoordiging van vrouwen steeds
                            meer raakt aan de kern van het wetenschapssysteem. Beleidsmaatregelen en
                            oplossingen dienen aan die kern gerelateerd te zijn.
                            In dit advies beziet de Raad de vraag van de Minister nadrukkelijk vanuit het
                            perspectief van ondervertegenwoordiging van vrouwen in academia als pro-
                            bleem voor de wetenschap zelf. In hoofdstuk 2 staat de analyse van het vraag-
                            stuk centraal. Hier wordt nader beargumenteerd waarom de ondervertegen-
                            woordiging van vrouwen in academia een probleem is voor de wetenschapsin-
                            stellingen zelf, alsmede op welke wijze een complex van factoren bijdraagt
                                1 M.L.M. Brouns (1999), De kwaliteit van het oordeel. Een onderzoek naar sekse en beoordelingssystemen
                                   van NWO en KNAW. Utrecht: Nederlands Genootschap Vrouwenstudies (NGV). Belangrijke
                                   bevinding van deze studie is dat vrouwelijke aanvragers van NWO- en KNAW-subsidies niet
                                    zoals in het Zweedse onderzoek  duidelijk achtergesteld worden. Wel zijn flinke verschil-
                                   len tussen wetenschapsgebieden vastgesteld: in sommige disciplines zijn vrouwen zeker suc-
                                   cesvol en ontvangen ze zelfs een bonus; in andere is hun positie veel moeizamer en is wel-
                                   licht toch sprake van impliciete discriminatie gerelateerd aan de toegekende wetenschappelij-
                                   ke competentie van de aanvraagsters. Los van de beoordeling van aanvragen, is een andere
                                   belangrijke conclusie dat voor alle onderzochte subsidievormen geldt dat bijzonder weinig
                                   vrouwen een aanvraag indienen (en derhalve ook in absolute aantallen weinig in aanmerking
                                   komen voor subsidietoekenning). Tevens is het zo dat momenteel bijzonder weinig vrouwen
                                   zijn betrokken bij de beoordeling van onderzoek en subsidieaanvragen.
12                          A W T - a d v i e s      n r .  4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>aan de voortbestaande ondervertegenwoordiging van vrouwen in de weten-
schap. De Raad maakt daarbij gebruik van een in opdracht van de AWT uitge-
voerde achtergrondstudie.2
    Hoofdstuk 3 bevat de aanbevelingen van de Raad om te komen tot een gro-
tere benutting van vrouwelijk talent in academia. Deze aanbevelingen zijn
mede geïnspireerd door de discussies tijdens de door de AWT, KNAW, NWO
en VSNU georganiseerde conferentie over Vrouwen in de wetenschap d.d.
12 oktober 1999.3
    2 Mineke Bosch (red.) 1999. In het hart van de wetenschap. Naar E-quality en diversiteit in de
      universiteit. AWT-achtergrondstudie nr. 15. Den Haag: SDU.
    3 In het verslag van de conferentie zijn  naast de plenaire inleidingen  de discussies uit de
      verschillende deelsessies en daaruit voortgekomen mogelijke concrete beleidsacties weergege-
      ven. Zie Verslag van de conferentie Vrouwen in de wetenschap d.d. 12 oktober 1999, AWT 2000.
                                                                         A W T - a d v i e s       n r . 4 3 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>14 A W T - a d v i e s n r . 4 3</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Nederlandse universiteiten en para-universitaire onderzoeksinstituten kam-
pen met een brain drain van academisch geschoolde vrouwen die hun weten-
                                                                                                                    2  Analyse
                                                                                                          vrouwelijk talent gaat verloren
schappelijke carrière niet verder willen vervolgen of daartoe de kans niet krij-                            voor wetenschapsbeoefening
gen. Zij verlaten universiteiten en onderzoeksinstituten en maken de overstap
naar een carrière elders. Op deze wijze gaat  schaars  talent verloren voor de
wetenschapsbeoefening.
         Kw a n t i t a t i ev e g e g e v e n s ov e r o n d e r v e r t e g e nw o o r d i g i n g va n v ro u w e n
Deze  zorgwekkende  constatering kan worden onderbouwd aan de hand
van kwantitatieve gegevens. De Raad volstaat hier met een korte schets van
                                                                                                                      2.1
enkele kerngegevens. In bijlage 1 is een nadere cijfermatige onderbouwing te
vinden.4
Vanaf de jaren zeventig is het percentage vrouwen onder de studenten snel
toegenomen. Inmiddels is bijna de helft van de afgestudeerden vrouw. De                               ondervertegenwoordiging sterker
samenstelling van de wetenschappelijke staf is daarentegen nog zeer scheef                                     naarmate functie hoger is
voor wat betreft het aandeel mannen en vrouwen (zie afbeelding 1).
Afbeelding 1: Percentage mannen en vrouwen onder afgestudeerden en in verschillende
                 wetenschappelijke functies in 1998
     Bron:       CBS (afgestudeerden) en WOPI 1999, VSNU (wetenschappelijk perso-
                 neel).
   4 In het advies en de bijlage wordt vooral ingegaan op de situatie bij universiteiten en slechts
     marginaal op die bij NWO en KNAW. Achterliggende reden is dat voor de universiteiten rele-
     vant cijfermateriaal voorhanden is (WOPI-gegevens), voor NWO en KNAW veel minder.
                                                                      A W T - a d v i e s       n r . 4 3                              15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>situatie in de loop van de      Sinds 1990 is het aandeel vrouwen in de diverse functiecategorieën gegroeid.
tijd niet veel veranderd        Dit is op zich zelf een verheugende ontwikkeling. Bezien over een langere
                                periode, is de stijging echter betrekkelijk gering. Per ultimo 1998 wijkt het
                                aandeel vrouwelijke UHDs en hoogleraren samen percentueel maar weinig af
                                van dat in 1970 (zie afbeelding 2).
                                Afbeelding 2: Percentage vrouwen onder afgestudeerden en in verschillende weten-
                                                schappelijke functies, periode 1970-1998
                                       Bron:    Cijfers 1970 en 1980 uit A. Hawkins & G. Noordenbos, Blokkades in het
                                                doorstromen van vrouwen naar functies aan de universiteit. In U&H,
                                                jrg. 36, mei 1990.
                                                Cijfers 1983 en 1985 uit Feiten en Cijfers, ministerie van OCenW.
                                                Overige cijfers uit WOPI, jaargang 1992 t/m 1999, VSNU
                                       NB:      De cijfers voor 1970 en 1980 zijn in aantal personen, de cijfers voor de
                                                overige jaren in fte.
                                De Nederlandse universiteiten en para-universitaire onderzoeksinstituten
                                zijn niet uniek wat betreft de ondervertegenwoordiging van vrouwen. Ook in
                                andere sectoren van de Nederlandse arbeidsmarkt en in andere West-Europese
                                landen neemt het aantal vrouwen sterk af naarmate men hoger op de carrière-
                                ladder komt. Toch moet worden opgemerkt dat de situatie bij de Nederlandse
Nederland in vergelijking met   universiteiten ernstiger is dan elders. In internationaal vergelijkend perspec-
andere landen in de achterhoede tief zit Nederland in de achterhoede van West- Europese landen. En binnen de
                                Nederlandse context bezien is het percentage vrouwen op hogere functies bin-
                                nen universiteiten laag in vergelijking met andere sectoren in de semi-publie-
                                ke sector waar veel academici werken, zoals bijv. de rechterlijke macht, de
                                HBO-sector en de rijksoverheid. De vergelijking met het bedrijfsleven levert
                                een divers beeld op. Een bedrijf als KPN bijv. heeft verhoudingsgewijs twee
                                keer zoveel vrouwen op hogere functies als universiteiten. In vergelijking met
                                een aantal andere grote bedrijven als ING of Unilever lopen universiteiten
                                daarentegen niet opvallend uit de pas.
16                              A W T - a d v i e s   n r .  4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>De Raad spreekt zijn zorg uit over de bestaande en voortdurende
ondervertegen woordiging van vrouwen in academia. In dit hoofdstuk gaat de
Raad allereerst in op de vraag waarom die ondervertegenwoordiging proble-
matisch is (§ 2.2). Aansluitend wordt ingegaan op bepalende factoren voor de
totstandkoming en het voortbestaan van die ondervertegenwoordiging (§ 2.3).
Zoals aangegeven, ziet de AWT de ondervertegenwoordiging van vrouwen in
academia niet alleen als een onbillijkheid jegens vrouwelijke wetenschapsbe-
                                                                                                  2.2
                  H e t p ro b l e m a t i s ch e va n o n d e r ve r t e g e nwo o r d i g i n g va n v ro u we n
oefenaren, maar vooral ook als een existentieel probleem voor de weten-
schapsinstellingen zelf.
De wetenschapsinstellingen zullen in de nabije toekomst in toenemende mate
behoefte hebben aan jong talent teneinde de vele openvallende posities bin-
nen universiteiten op niveau te kunnen vervullen. Zeker in een krappe
arbeidsmarkt kunnen de instellingen het zich eenvoudigweg niet veroorloven
het vrouwelijk potentieel te veronachtzamen. Voor het aantrekken en binnen-                   vrouwelijk potentieel is
houden van dit vrouwelijke potentieel zijn universiteiten dubbel in het                  hard nodig, zeker in krappe
nadeel: een universitaire loopbaan blijkt  in vergelijking met het werken in                            arbeidsmarkt
andere arbeidsorganisaties  voor velen geen aanlokkelijk perspectief, hetgeen
in versterkte mate voor vrouwen lijkt te gelden. Een herbezinning op de con-
currentiepositie van universiteiten op de arbeidsmarkt, specifiek ten aanzien
van het vrouwelijk potentieel, is des te dwingender aangezien veel concurren-
ten op die arbeidsmarkt expliciet trachten een aantrekkelijkere werkgever
voor vrouwen te zijn. Teneinde de concurrentieslag om het schaarse talent op                concurrentieslag aangaan
de arbeidsmarkt te kunnen aangaan, moeten universiteiten zich bezinnen op                          om schaars talent
hetgeen vrouwen aantrekt of juist afstoot en op maatregelen om vrouwelijk
talent binnen te halen en te houden. Deze zorg wordt inmiddels breed
gedeeld door de betrokken partijen in academia (KNAW, NWO en VSNU), zo
kwam duidelijk naar voren tijdens de eerder genoemde conferentie van 12
oktober 1999.
Naast deze arbeidsmarktgerelateerde overwegingen wil de Raad ook wijzen                       diversiteit in personele
op wetenschapskwalitatieve overwegingen. In de voor de AWT uitgevoerde                 samenstelling draagt positief
achtergrondstudie In het hart van de wetenschap wordt aannemelijk gemaakt dat           bij aan kwaliteit wetenschap
een zekere diversiteit in personele samenstelling van de wetenschappelijke
staf positief bijdraagt aan de kwaliteit van wetenschap. Dit geldt zowel voor
het onderwijs als voor het onderzoek. In het onderwijs komt een divers
samengestelde staf tegemoet aan verschillende begeleidingsbehoeften en het
biedt een divers samengestelde studentenpopulatie meerdere rolmodellen. De
geschiedenis van de wetenschap laat zien dat diversiteit in personele samen-
stelling tevens kan leiden tot vernieuwende onderzoeksvraagstellingen en
-benaderingen. Ook wetenschappers nemen hun eigen ervarings- en bele-
vingswerelden mee in hun werk en deze ervaringswerelden werken  bewust
dan wel onbewust  door in de manier waarop naar bepaalde onderzoeksthe-
mas wordt gekeken en de vragen die men zich daarbij stelt. Vrouwen hebben
deels andere ervarings- en belevingswerelden dan mannen. Individuele erva-
ringen
                                                         A W T - a d v i e s n r . 4 3                             17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>   hebben zo hun invloed op wetenschappelijk onderzoek.5 Dit geldt niet alleen
   voor de maatschappij- en cultuurwetenschappen, maar tevens voor de natuur-
   en levenswetenschappen. In kader 1 staan enkele voorbeelden hiervan.
   Kader 1:          Voorbeelden van de betekenis van genderperspectief op wetenschappelijke
                     vraagstellingen
    In het gezondheidsonderzoek is het lange tijd gewoonte geweest mannen
    als de standaard te beschouwen, op basis waarvan algemene uitspraken wer-
    den gedaan. Zo werden bijv. alleen mannelijke proefpersonen ingezet bij
    onderzoek naar geneesmiddelen bij hart- en vaatziekten. De achterliggende
    reden was, onder meer, kostenbesparing: omdat mannen geen menstruatie
    hebben, hoefde er bij het onderzoek geen rekening te worden gehouden met
    de wisselende resultaten op verschillende momenten van de menstruatiecy-
    clus. Ondanks deze eenzijdige selectie van proefpersonen werden de resulta-
    ten toch als algemeen geldig opgevat. In 1997 ontving Elisabeth Barrett-
    Connor van de Universiteit Utrecht een eredoctoraat voor haar onderzoek
    naar hart- en vaatziekten, waarin zij aantoonde dat de symptomen die wij-
    zen op hartfalen bij vrouwen dikwijls niet worden herkend, omdat het ziek-
    tebeeld en bijbehorende symptomen waren geënt op hoe dit zich manifes-
    teert bij mannen.
    Een voorbeeld uit biologisch-antropologisch onderzoek is Fedigans studie
    van primaten (Fedigan 1998). Zij laat zien dat de keuze voor bepaalde model-
    len of prototypische voorbeelden beïnvloed wordt door bestaande beeldvor-
    ming over mannelijkheid en vrouwelijkheid en op zijn beurt weer bijdraagt
    aan die beeldvorming. In de jaren vijftig is  door de destijds vooral manne-
    lijke onderzoekers  als prototype voor de menselijke voorouder de groep
    savanne-baboons aangewezen, een groep van de meest agressieve primaten,
    waarin de mannetjes de boventoon voeren. Andere, minder agressieve en
    minder patriarchale primaatsoorten, zoals de Bonobos, werden buiten
    beschouwing gelaten. Aldus ontstond een door beeldvorming gekleurd
    begrip van de oorsprong van de menselijke soort, waarin de dominantie van
    mannen naar voren komt als een vanzelfsprekend, in de natuur geworteld
    gegeven. Het geijkte beeld van mannelijke agressiviteit en vrouwelijke pas-
    siviteit werd hiermee bevestigd. Het waren vrouwelijke biologen die wezen
    op de gekleurdheid van dit beeld en onderzoeksgegevens over o.a. de
    Bonobos hebben ingebracht.
   Bron: M. Bosch (1999, Red.). In het hart van de wetenschap, AWT-achtergrondstudie nr. 15.
         Den Haag: SDU.
       5 Uiteraard is het niet zo dat uitsluitend vrouwen op grond van hun deels andere ervarings- en
         belevingswerelden tot bepaalde - andere - vraagstellingen kunnen komen. Het gaat om een
         genderperspectief waarmee naar bepaalde onderzoeksgebieden wordt gekeken.
18 A W T - a d v i e s     n r .   4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>De Raad is van mening dat diversiteit in personeelssamenstelling in het alge-
meen bijdraagt aan de vooruitgang en kwaliteit van de wetenschap. Het
onderkennen van de invloed van individuele factoren (verschillen in erva-
rings- en belevingswerelden) is in dit opzicht geen bron van verstoring, maar
juist een bron van verrijking. De wetenschapsinstellingen doen zichzelf
tekort als zij zich deze diversiteit in personele samenstelling van de staf ont-
zeggen.
De AWT vindt de ondervertegenwoordiging van vrouwen in academia een
existentieel probleem voor de wetenschapsinstellingen. Om gerichte aanbeve-
                                                                                                                      2.3
                        D r i e g a n g b a r e ve r k l a r i n g e n vo o r d e o n d e r ve r t e g e nwo o r d i g i n g
lingen te kunnen doen, is inzicht noodzakelijk in de verklarende factoren
voor de totstandkoming en het voortbestaan van die ondervertegenwoordi-
ging. Drie gangbare verklaringen, specifiek geldend voor de ondervertegen-
woordiging van vrouwen in academia, passeren hier de revue.
Eerst echter nog de interessante vraag waarom de ondervertegenwoordiging                                sterke ondervertegenwoordiging
van vrouwen in Nederlandse universiteiten sterker is dan bij hun West-                                            vrouwen mede vanwege
Europese zusterinstellingen. Het verschil is voor een belangrijk deel te verkla-                          historisch-culturele factoren ...
ren uit specifiek voor Nederland geldende historisch-culturele factoren en
hun doorwerking in academia. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (Sociale
atlas van de vrouw, SCP 1983) wijst erop dat mede onder invloed van de gelden-
de moraal, de kerken en de stijgende welvaart de arbeidsparticipatie van
gehuwde vrouwen in Nederland lange tijd (en nog steeds) lager is dan in ande-
re landen. Nederland heeft  meer dan andere landen  een traditie van kost-
winnerschap, waarbij het inkomen van de man voldoende is of moet zijn om
een heel gezin te onderhouden. Dit ideaalbeeld van kostwinnerschap is neer-
geslagen in de hoogte van lonen, in belastingwetgeving en in sociale zeker-
heidsvoorzieningen. Tot eind jaren zestig gold bovendien een beroepsverbod
voor gehuwde vrouwelijke ambtenaren, en derhalve ook voor universiteiten.
Hoe tot ruim in de jaren zestig de rol van vrouwen in de samenleving werd
gezien, wordt aardig geïllustreerd door adviezen in de wekelijkse rubriek
Margriet weet raad van het gelijknamige vrouwenblad. Nog in 1966 werd een
vrouw, die geld verdiende met arbeid buitenshuis, het volgende geadviseerd:
       Toon u zwakker, uw man moet de leiding nemen. Ik raad u dringend aan, uw energie in te
       tomen. (..) U moet uw man duidelijk maken dat hij de kostwinner is, dat het zijn taak is om
       het gezin te onderhouden. (..) Laat hém de leiding, hoe uw handen ook jeuken. (..) Gaat u door
       op deze manier, dan bent u over een paar jaar een rasechte Kenau en uw man een zielig mis-
       lukt figuur die nooit meer iets presteert, en die naar de pijpen van zijn vrouw danst.
       Bron: Sociale atlas van de vrouw, SCP 1983, p. 1).
Dat een dergelijke, sterk uitgedragen moraal en ideaalbeeld van mannelijk
kostwinnerschap ook zijn uitwerking heeft gehad op de arbeidsdeelname van                                              ...maar er zijn ook
vrouwen binnen academia mag geen verwondering wekken. Hiernaast kan                                     wetenschapsspecifieke oorzaken
echter worden gewezen op een aantal specifieke factoren van belang voor de
situatie binnen academia. De Raad gaat hierna nader in op drie gangbare ver-
klaringen voor de ondervertegenwoordiging van vrouwen in wetenschappelij-
ke posities.
                                                                          A W T - a d v i e s    n r . 4 3                              19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                                 Ve r k l a r i n g 1 : H e t i s e e n k w e s t i e v a n t i j d . . . .
verklaring 1:                    Een mogelijke verklaring voor de huidige ondervertegenwoordiging van
vrouwen ‘in de pijplijn'?        vrouwen in academia is dat vrouwen pas later in groten getale zijn gaan stude-
                                 ren en dat het een kwestie van tijd is voordat de toenemende aantallen vrou-
                                 welijke afgestudeerden naar evenredigheid instromen in academia en vervol-
                                 gens doorstromen naar hogere wetenschappelijke functies. Vrouwen zouden
                                 zogezegd in de pijplijn zitten.
feitelijke realisatie doorstroom Ongetwijfeld zal de grotere stroom van vrouwelijke afgestudeerden leiden tot
vrouwen blijft achter            een verdere groei van het aantal vrouwen in de verschillende wetenschappelij-
bij beschikbaar potentieel       ke functies. Een kanttekening is echter wel op zijn plaats. De feitelijke realisa-
                                 tie van de doorstroom van het sterk toegenomen aandeel vrouwen onder de
                                 afgestudeerden naar (hogere) wetenschappelijke staffuncties blijft achter bij
                                 wat verwacht zou kunnen worden op basis van het beschikbare potentieel. Er
                                 blijken lekken in de pijplijn te zitten.
ook in jonge leeftijdscohorten   Ter illustratie de situatie voor het wetenschappelijk personeel dat eind 1998
sprake van                       jonger dan 45 jaar was. In de periode dat deze groep afstudeerde, was 25 tot
ondervertegenwoordiging          35% van de afgestudeerden vrouw.6 Bij volledig gelijke kansen en condities
vrouwen                          zou verwacht mogen worden dat ook rond de 30% van de diverse wetenschap-
                                 pelijke staf in de leeftijdscategorie tot 45 jaar vrouw is. Dit is echter niet het
                                 geval, zoals tabel 1 laat zien. Van alle UDs jonger dan 45 jaar is 26,1% vrouw,
                                 een percentage dat nog vrij goed in de pas loopt met het potentieel van rond
                                 de 30%. Van alle UHDs en hoogleraren onder de 45 jaar  hetgeen grosso
                                 modo, gezien de vereiste ervaringsjaren, recente benoemingen uit de jaren
                                 negentig zullen zijn  is echter slechts respectievelijk 13,6% en 7,6% vrouw.
                                 Tabel 1:          Man/vrouw verdeling (in percentages) voor diverse wetenschappelijke
                                                   functies, situatie voor wetenschappelijke personeel jonger dan 45 jaar,
                                                   anno 1998
                                                                                                    vrouwen                mannen
                                  m/v-verdeling onder afgestudeerden                                ca. 30%                ca. 70%
                                  in periode dat <45-jarigen studeerden
                                  eind 1998:
                                       totaal aan UDs < 45 jaar                                    26,1%                  74,9%
                                       totaal aan UHDs < 45 jaar                                    13,6%                 86,4%
                                       totaal aan hoogleraren < 45 jaar                               7,6%                 92,4%
                                 Bron:             WOPI 1999, VSNU (wetenschappelijk personeel), en CBS (afge-
                                                   studeerden)
                                     6 Het percentage vrouwen onder de afgestudeerden neemt toe met de tijd. Meer precies geldt
                                       voor degenen die in 1998 44 jaar zijn, dat in hun jaar van afstuderen (rond 1978) zon 23% van
                                       alle afstudeerden vrouw was. Voor degenen die in 1998 bijv. 33 jaar zijn, geldt dat in hun jaar
                                       van afstuderen (rond 1987) zon 36% van de afgestudeerden vrouw was.
20                               A W T - a d v i e s     n r .  4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Dit plaatst de langzame, maar desalniettemin gestage groei van het aandeel
vrouwen in de diverse wetenschappelijke functies sinds de jaren negentig (zie
afbeelding 2) in een ander licht. Er is weliswaar sprake van een zekere groei,
maar  zoals aangetoond in tabel 1  deze groei is minder dan verwacht zou
mogen worden op basis van het sterk gestegen aandeel vrouwen onder de
afgestudeerden en daarmee de sterke groei van de pool waaruit vrouwelijke
wetenschappers geworven kunnen worden. Als de doelstelling is dat op ter-
mijn vrouwen evenredig vertegenwoordigd zijn in de wetenschappelijke staf                                   zelfs relatieve versterking
 evenredig aan hun aandeel in de beschikbare pool ; dat aandeel is nog steeds                           van ondervertegenwoordiging
stijgend en er is dan ook sprake van een moving target  dan is zelfs sprake van
een relatieve versterking in plaats van een afzwakking van de ondervertegen-
woordiging van vrouwen, met name op de hogere functies. Van een inhaalslag
om in het verleden opgelopen achterstanden weg te werken, is in ieder geval
geen sprake. Anders gesteld: universiteiten zijn er tot dusver onvoldoende in                                onvoldoende geprofiteerd
geslaagd te profiteren van de sinds 1970 ingezette sterke groei van het aandeel                                        van sterke groei
vrouwelijke afgestudeerden bij de vervulling van (hogere) wetenschappelijke                                vrouwelijke afgestudeerden
functies.
Een mogelijke verklaring voor de relatief lage percentages vrouwelijke UHDs
en hoogleraren in vergelijking met het aandeel vrouwen onder de afgestudeer-
den, is dat vrouwen  meer dan mannen  de wetenschap verlaten en derhalve
niet tot hogere functies zullen doordringen.7 Los van de vraag waarom vrou-
wen vaker de wetenschap de rug toekeren, is dit maar een deel van de verkla-
ring. Van degenen die wél werkzaam zijn (gebleven) binnen de wetenschap,
blijken vrouwelijke wetenschappers in elk leeftijdscohort twee tot drie keer                               vrouwen worden 2 à 3 keer
minder vaak hoogleraar of UHD te zijn dan mannelijke wetenschappers. Dit is                                 minder vaak hoogleraar of
ook het geval in de jongere leeftijdscohorten. Zo is van al het mannelijk                                             UHD dan mannen
wetenschappelijk personeel (incl. OVWP) tussen 35-39 jaar 4,9% hoogleraar en
9,6% UHD, tegenover respectievelijk 1,2% en 4,5% van al het vrouwelijk weten-
schappelijk personeel in deze leeftijdscategorie. In bijlage 1 wordt dit nader
toegelicht. Constatering is dat ook in de jongere leeftijdscohorten de onder-
vertegenwoordiging van vrouwen, met name in de hogere functies, blijft
voortbestaan.
    7 In de meeste onderzoeken naar loopbaanverschillen tussen vrouwen en mannen richt men
      zich op de survivors, degenen die nog bij de instellingen werkzaam zijn. Vrouwelijke weten-
      schappers blijken echter vaker dan hun mannelijke collegas de universiteit de rug toe te
      keren (Portegijs 1998). Een groter deel van de aangestelde vrouwelijke wetenschappers is al
      vertrokken nog voordat een mogelijke bevordering naar de hogere wetenschappelijke func-
      ties zelfs maar ter sprake kan komen. Mogelijk is het hogere verloop van vrouwen zelfs een
      belangrijker verklaring voor het lage aantal vrouwen op hogere wetenschappelijke functies
      dan een geringere interne doorstroom van vrouwen. Een reden voor die hogere uitstroom is
      ongetwijfeld ook gelegen in een combinatie van de in dit hoofdstuk aangegeven mogelijke
      verklaringen voor de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de wetenschap
                                                                        A W T - a d v i e s    n r . 4 3                             21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>conclusie: niet slechts        De Raad concludeert dat de ondervertegenwoordiging van vrouwen niet
‘een kwestie van tijd'         alleen een probleem is van aantallen beschikbare vrouwen en dus van geduld.
                               Er speelt meer. Bij de verklaring het is een kwestie van tijd wordt uitgegaan
                               van de veronderstelling dat wetenschap volledig meritocratisch is (als vrou-
                               wen goed zijn, komen ze vanzelf naar boven). Juist bij dit puur meritocrati-
                               sche karakter van de wetenschap zijn enkele kanttekeningen te plaatsen (zie
                               verklaring 3).
                               Ve r k l a r i n g 2 : V r o u w e n k i e z e n m i n d e r v a a k
                               o nvo o r wa a r d e l i j k vo o r e e n we t e n s ch a p p e l i j ke
                               carrière
verklaring 2: vrouwen          Een andere mogelijke verklaring voor de ondervertegenwoordiging van vrou-
kiezen minder onvoorwaardelijk wen in academia is dat vrouwen zelf de keuze maken om zich niet volledig te
voor wetenschap?               geven voor de wetenschap. Zij zouden, mede als gevolg van hun op de tradi-
                               tionele vrouwen- en moederrol gerichte socialisatie, minder investeren in hun
                               loopbaan met als logisch gevolg vermindering van hun carrièrekansen.
                               Inderdaad blijken vrouwelijke wetenschappers minder vaak fulltime te wer-
                               ken, minder vaak gepromoveerd te zijn dan hun mannelijke collegas, en ook
                               minder deel te nemen aan congressen en minder te publiceren (Portegijs, o.c.
                               1998).
output speelt grote rol bij    Met name het verschil in wetenschappelijke output is cruciaal, omdat het aan-
beoordeling wetenschappers     tal publicaties een steeds grotere rol speelt in de beoordeling van individuele
                               wetenschappers, ook bij benoemingen.8 Dit maakt het van groot belang expli-
                               ciet te kijken naar diverse factoren die mogelijk van invloed zijn op de produc-
                               tiviteit van individuele wetenschappers.9 Met name moederschap en zorgta-
                               ken worden, mede door de veronderstelde samenhang met geringere motiva-
                               tie en beschikbaarheid voor wetenschappelijk werk, veelal gezien als de
                               belangrijkste veroorzakers van een lagere productiviteit van vrouwelijke
                               wetenschappers. Uit empirisch onderzoek blijkt echter dat moederschap als
                               zodanig geen invloed heeft op de productiviteit. Enkele onderzoeken tonen
                               zelfs aan dat moeders, naar rato van hun aanstellingsomvang, meer publice-
                               ren dan (alleenstaande) vrouwen zonder kinderen.
                                   8 Een voorbeeld van de betekenis van aantallen publicaties, en dan met name publicaties in A-
                                      en B-tijdschriften, is dat in sommige gevallen het absolute aantal publicaties wordt gehan-
                                      teerd als criterium voor toelating tot een onderzoeksschool. Medewerkers die in deeltijd wer-
                                      ken worden geacht aan dezelfde publicatienormen te voldoen als fulltimers. Een vrouwelijke,
                                      in deeltijd werkende wetenschapper aan de Universiteit Leiden die op basis van deze norme-
                                      ring niet is toegelaten tot een onderzoeksschool, heeft dit bij de rechter aangeklaagd. (Bron:
                                      De Volkskrant 30-3-1999).
                                   9 Voor een overzicht van literatuur c.q. onderzoeken hieromtrent, zie In het hart van de weten-
                                      schap, M. Bosch c.s. (1999), AWT-Achtergrondstudie nr.15, met name hoofdstuk II.
22                             A W T - a d v i e s       n r .   4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Ook de toewijding aan de wetenschap blijkt voor vrouwen met kinderen niet
anders dan voor vrouwen zonder kinderen.10 De omvang van de aanstelling
resteert zodoende als de belangrijkste verklarende factor voor verschillen in
wetenschappelijke output. En zoals hierboven is geconstateerd, werken vrou-
welijke wetenschappers vaker in deeltijd dan mannelijke.11
Uit empirisch onderzoek blijkt dat het verschil in wetenschappelijke output                                      na correctie op omvang
tussen mannelijke en vrouwelijke wetenschappers die op een gelijk functie-                                   aanstelling geen verschillen
niveau werken, verdwijnt als wordt gecorrigeerd voor de omvang van de aan-                                                    in output...
stelling. Met een dergelijke correctiefactor wordt bij de beoordeling en bevor-
dering van individuele wetenschappers echter weinig rekening gehouden.                                            ...maar bij beoordeling
Werken in deeltijd en de invloed die dit heeft op de totale wetenschappelijke                                              wordt hiermee
output pakt zodoende problematisch uit voor vrouwen in de wetenschap. Dit                                     weinig rekening gehouden
is een belangrijk punt voor individuele vrouwelijke wetenschappers om mee
te nemen in hun afwegingen om al dan niet in deeltijd te gaan werken: als
vrouwen hogerop willen komen in de wetenschap mag van hen ambitie wor-
den verwacht en de bereidheid om daar hard voor te werken. Aan werkgevers-
kant in academia is tegelijkertijd een herbezinning op zijn plaats op de vraag
of terecht zo zwaar op volledige beschikbaarheid ge- en beoordeeld mag wor-
den.
Verschillen in aanstellingsomvang en bijgevolg output, vormen echter geen                                       loopbaanverschillen niet
afdoende verklaring voor loopbaanverschillen tussen mannen en vrouwen.                                   alleen door output te verklaren
Ook wanneer vrouwen eenzelfde opleiding hebben gevolgd als hun mannelij-
ke collegas, ze even oud zijn, gelijke werkervaring hebben, evenveel publice-
ren en fulltime werken, leidt dit bij hen niet in dezelfde mate tot verbetering
van hun positie. Loopbaanverschillen blijken niet uitsluitend terug te voeren
op strikt meritocratische criteria.12
    10 Wel is het waarschijnlijk dat van de wetenschappers met een partner, de vrouwen vaker te
       maken hebben met gebonden mobiliteit. Zij zullen vaker een partner hebben die ook carriè-
       re maakt, en in die gevallen wordt bovendien mogelijk meer rekening gehouden met de
       belangen van zijn loopbaan dan met die van haar. Vrouwen zullen dus minder vaak hun
       woonplaats kunnen kiezen met uitsluitend de belangen van hun eigen loopbaan voor ogen.
    11 Het gegeven dat vrouwelijke wetenschappers een geringere aanstellingsomvang hebben, cor-
       respondeert met de typisch Nederlandse historie rond werkende vrouwen. Zoals eerder geme-
       moreerd is in Nederland - zeker in vergelijking met het buitenland - lange tijd sprake geweest
       van een lage arbeidsparticipatie van vrouwen; daarbij kent Nederland in vergelijking met
       andere landen veel deeltijdwerkers onder vrouwen (deeltijdwerk is in Nederland veel gang-
       baarder dan elders).
    12 Dit betekent niet automatisch dat dan van discriminatie sprake is. Mogelijk verstoren sekse-
       verschillen in ambitie of zelfvertrouwen de relatie tussen human capital en loopbaanverloop,
       bijvoorbeeld doordat vrouwen zich bij voorbaat buiten de competitie plaatsen. Vrouwen zou-
       den passiever, en mannen agressiever, zijn ten aanzien van hun loopbaan (De perceptie van
       de werksituatie door vrouwelijke en mannelijke wetenschappers werkzaam aan universitei-
       ten in Nederland. In E.K. Hicks & G. Noordenbosch (eds) (1990), Is Alma Mater vrouwvriende-
       lijk? Assen: Van Gorcum).
                                                                       A W T - a d v i e s      n r . 4 3                              23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                            Een indicatie hiervoor kan gevonden worden in een analyse van omstreden
                            benoemingen (Verhaar 1991), waaruit naar voren komt dat kwaliteitscriteria
                            bij benoemingen wisselvallig en contextafhankelijk worden gehanteerd en
                            wel zodanig dat de kwaliteiten van mannelijke kandidaten telkens hoger wor-
                            den aangeslagen dan die van de vrouwelijke kandidaten.13 Dit brengt de Raad
                            bij een derde mogelijke verklaring voor de ondervertegenwoordiging van
                            vrouwen in academia.
                            Ve r k l a r i n g 3 : B e l e m m e r i n g e n g e r e l a t e e r d a a n h e t
                            we t e n s ch a p s s y s t e e m ze l f
verklaring 3: werking       De tot dusver besproken twee verklaringen leggen de oorzaak voor de onder-
van het wetenschapssysteem? vertegenwoordiging van vrouwen buiten het wetenschapssysteem als zoda-
                            nig. Of er zijn niet voldoende gekwalificeerde vrouwen beschikbaar, óf ze zet-
                            ten zich in mindere mate (in tijd gemeten) in voor de wetenschap, met als
                            effect dat ze minder publiceren en daardoor minder doorstromen naar hogere
                            functieniveaus. Een derde lijn van verklarende factoren legt, in tegenstelling
                            tot de twee voorgaande verklaringen, juist de nadruk op de werking van het
                            wetenschapssysteem zelf.14
veel vrouwen hebben moeite  Een eerste aandachtspunt daarbij is de werkcultuur in wetenschapsinstellin-
met de werkcultuur          gen. Deze wordt veelal genoemd als reden waarom vrouwen zich minder thuis
in academia....             voelen in academia, met gevolgen voor motivatie, zelfvertrouwen en vertrek
                            uit de wetenschap. Zo blijkt uit onderzoek dat vrouwen, meer dan mannen,
                            moeite hebben met de publish or perish cultuur binnen academia. Verder kun-
                            nen vrouwen zich in vergelijking met mannen minder goed vinden in de bin-
                            nen academia gangbare individualistische, op autonomie en concurrentie
                            gebaseerde omgangsvormen. Portegijs (o.c. 1998) toont echter met empirisch
                            onderzoek aan dat vrouwelijke wetenschappers  althans degenen die binnen
                            de universiteit zijn blijven werken  zich hebben leren schikken in deze cul-
                            tuur en helemaal niet minder gemotiveerd en ambitieus zijn of minder zelf-
                            vertrouwen hebben. Tenslotte speelt beeldvorming een rol, bijv. doordat het
                            beeld van de goede wetenschapper sterk overeenkomt met het stereotiepe
                            beeld van de man.15 Dit werkt voor vrouwen weinig stimulerend en uitnodi-
                            gend.
                                13 Uit dit aangehaalde onderzoek komt naar voren dat kwaliteit niet als onafhankelijke maat-
                                   staf wordt gebruikt, maar dat de verschillende kwaliteiten waarover kandidaten beschikken
                                   onderling worden vergeleken. Deze vergelijking geschiedt echter niet wederkerig of symme-
                                   trisch. In de vergelijking van twee verschillende soorten kwaliteiten (bijv. hoogwaardige
                                   publicatielijst versus leidinggevende ervaring) wordt steeds één tot norm verheven die toets-
                                   steen voor beide kandidaten wordt, en dat blijkt steeds de kwaliteit te zijn waarover de man-
                                   nelijke kandidaat meer beschikt. Wat hij heeft, is nu net bij haar in mindere mate aanwezig.
                                   Wat zij meer heeft, wordt hem niet aangerekend. Zie O. Verhaar (1991). Prima inter pares. Over
                                   de voorkeursbehandeling van vrouwen. Analyse van de argumentatiestrategieën van voor- en tegenstanders
                                   in de openbare discussie over het voorkeursbeleid. Den Haag: Vuga
                                14 Bij de bespreking van dit verklaringspatroon maken we gebruik van het overzicht van verkla-
                                   ringen uit literatuur en empirisch onderzoek, zoals door W. Portegijs in Eerdaags evenredig
                                   (1998) op een rij gezet.
                                15 Zie bijv. A. Smelik (1998). Beelden van vrouwen, mannen en wetenschap. Maastricht: Universiteit
                                   Maastricht.
24                          A W T - a d v i e s        n r .    4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Een tweede aandachtspunt, deels aansluitend bij het bovenstaande betreffen-                                       ...en met de bestaande
de de werkcultuur, is dat vrouwen  vaker dan mannen, zo blijkt uit onder-                                    eendimensionale opvatting
zoek  het grote belang dat in het wetenschapssysteem wordt gehecht aan ab-                                                over kwaliteit
stract theoretisch onderzoek niet delen. Dit is een uitermate wezenlijk punt,
omdat het raakt aan de definitie van wetenschappelijke kwaliteit. Er is reeds
enige tijd een discussie gaande over de vraag of wetenschappelijke kwaliteit
momenteel niet te ééndimensionaal wordt gedefinieerd, namelijk als kwali-
teit in intern-wetenschappelijke zin (i.c. publicaties in A- en B-tijdschriften).
Deze kwaliteitsopvatting gaat samen met een sterke en impliciete hiërarchie
van hetgeen echt belangrijk is binnen universiteiten: onderzoek is belangrij-
ker dan onderwijs, fundamenteel onderzoek is belangrijker dan toegepast of
strategisch onderzoek, en disseminatie van kennis naar het wetenschappelijk
forum is belangrijker dan kennisoverdracht of communicatie naar een breder
veld of specifieke doelgroepen. Deze sterk ééndimensionale opvatting van
kwaliteit werkt op alle punten nadeliger uit voor vrouwen dan voor mannen.
       Een meer pluriforme benadering van wetenschappelijke kwaliteit is
denkbaar: naast de intern-wetenschappelijke relevantie, gaat het dan ook om
de invloed op het openbare debat en op het overheidsbeleid, om de aanslui-
ting bij maatschappelijke behoeften en bij de vragen uit de bedrijfspraktijk,
enzovoort.16 Met zon meer pluriforme opvatting van wetenschappelijke kwa-
liteit zouden vrouwen zich beter op hun plaats voelen en meer tot hun recht
kunnen komen.
       De Raad wijst er overigens op dat nog steeds, vaak sluipenderwijs en
onbedoeld, nieuwe handicaps voor vrouwen in de wetenschap ontstaan. Zo is
de laatste jaren buitenlandse ervaring  met name gedurende een langere
periode in het buitenland hebben gewerkt  als nieuw element toegevoegd
aan selectie- en beoordelingscriteria. Juist dit nieuwe criterium is bezwaarlijk
voor vrouwen, zeker indien zij jonge kinderen hebben. Het bijwonen van een
buitenlands congres levert over het algemeen geen problemen op, maar een
verblijf van een half jaar of meer is vaak onmogelijk.
Een derde aandachtspunt rond de werking van het wetenschapssysteem zelf,                                      vrouwen vaker uitgesloten
betreft de rol die informele netwerken en mentorsystemen spelen bij de over-                                    van informele netwerken
dracht van informatie, bij loopbaanbegeleiding en bij positieverdeling. Uit
onderzoek blijkt dat vrouwelijke wetenschappers vaker uitgesloten zijn van
informele netwerken, meer moeite hebben om als protégé geaccepteerd te wor-
den, en zich minder gestimuleerd voelen om te promoveren, een periode in
het buitenland te werken of naar congressen te gaan. De meer geïsoleerde
positie van vrouwelijke wetenschappers zal deels te maken hebben met het
feit dat zij minder vaak hogere bestuursfuncties bekleden, terwijl deze
belangrijk kunnen zijn voor de opbouw van een netwerk van sociale contac-
ten.
    16 Ook in VSNU-verband speelt deze discussie over de multi-dimensionaliteit van wetenschap-
       pelijke kwaliteit. Zo is in het kader van een reguliere VSNU-onderzoeksvisitatie een metho-
       diek ontwikkeld om de maatschappelijke waarde van onderzoek te incorporeren in de evalu-
       atie (J.B. Spaapen & F.J.M. Wamelink (1999). De evaluatie van universitair onderzoek. Methodiek
       voor het incorporeren van maatschappelijke waarde van onderzoek. Den Haag: NRLO).
                                                                           A W T - a d v i e s      n r . 4 3                         25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                                 Een andere oorzaak kan zijn dat vrouwen, als zij naast hun werk andere ver-
                                 antwoordelijkheden hebben, minder tijd hebben om gelegenheden te bezoe-
                                 ken waar netwerken worden gesmeed. Tenslotte is het ook mogelijk dat vrou-
                                 wen minder vaak worden toegelaten tot belangrijke netwerken.
tevens blijkt sprake van         Een vierde en laatste aandachtspunt betreft een brede range van subtiele vor-
subtiele discriminatiepraktijken men van discriminatie  waarvan degenen die discrimineren zich dit lang niet
                                 altijd bewust zijn  discriminatievormen die ook binnen academia tot de
                                 gangbare dagelijkse praktijken behoren. Spraakmakend in dit verband is een
                                 rapport van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) over de positie
                                 en status van tenured vrouwelijke staf in hun instituut. Dit rapport onthult
                                 subtiele uitsluitings- en ongelijke behandelingspraktijken, zowel wat betreft
                                 salarisniveaus, toewijzing van laboratoriumruimte als deelname aan allerlei
                                 commissies. Het openbaar maken van het rapport en de erkenning door de
                                 president van MIT dat inderdaad sprake is van subtiele discriminatiepraktij-
                                 ken heeft veel aandacht gekregen in de wetenschapswereld.17 Ook uit ander
                                 empirisch onderzoek blijkt dat stereotiepe denkbeelden inderdaad de beoor-
                                 deling van vrouwelijke wetenschappers en hun werk negatief beïnvloeden,
                                 met als gevolg een geringere kans om goede faciliteiten, mooie projecten en
                                 voldoende fondsen te verwerven, en meer in het algemeen om als beste uit de
                                 bus te komen. Het gaat hierbij om stereotiepe denkbeelden, zoals bijvoor-
                                 beeld de idee dat vrouwen nu eenmaal graag in kleine laboratoria werken, of
                                 de mening van superieuren dat vrouwen met kinderen zich minder kunnen
                                 en zullen inzetten voor hun wetenschappelijk werk, hetgeen op voorhand
                                 hun houding ten opzichte van die vrouwen beïnvloedt. Op zich lijken de sub-
                                 tiele vormen van discriminatie, die veelal spelen bij kleine beslissingen, alle
cumulatie van kleine             ophef nauwelijks waard. Men dient zich echter te realiseren  zoals de voorzit-
factoren heeft grote gevolgen    ter van NWO, dr. R. van Duinen, aangaf in zijn afsluitende speech tijdens de
                                 conferentie Vrouwen in de wetenschap  dat iedere wetenschappelijke carriè-
                                 re stoelt op vele van dergelijke kleine beslissingen. De cumulatie van al die
                                 kleine beslissingen, ook wanneer telkens maar in geringe mate sprake is
                                 (geweest) van een gender bias, heeft dan wel degelijk grote effecten op langere
                                 termijn.
                                 Conclusie
                                 Een ieder die zich verdiept in de problematiek van ondervertegenwoordiging
                                 van vrouwen in de wetenschap zal al snel onderkennen dat het gaat om een
                                 complex proces van op elkaar inwerkende factoren. Wat meespeelt of mee kan
                                 spelen betreft een scala aan cultureel-maatschappelijke factoren zoals het
                                 gegeven dat in Nederland vrouwen vaak in deeltijd werken. Het betreft daar-
                                 naast keuzes van individuele wetenschappers alsook een scala aan organisatie-
                                 factoren, waaronder impliciete en vaak onbewuste discriminatie, hetgeen in
                                 zijn cumulerende effecten grote gevolgen heeft. Resultaat is vooralsnog dat
                                 vrouwen sterk ondervertegenwoordigd zijn in academia, met name in de
                                 hogere functies.
                                     17 Zie onder andere Women scientists unite to battle cowboy culture, in Nature, vol. 398, 1 April
                                        1999, p.361; Fault lines, editorial in Science, vol.284, 21 May 1999.
26                               A W T - a d v i e s       n r .    4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>De analyses tonen aan dat de ondervertegenwoordiging van nu niet alleen te                                 persistentie
verklaren is uit het gebrek aan vrouwelijk potentieel in het verleden of de            ondervertegenwoordiging van
mindere inzet van vrouwen (in tijd gemeten) voor de wetenschap. Er speelt                     vrouwen in academia ...
meer. Allerlei meer of minder subtiele mechanismen resulteren in een persis-
tente ondervertegenwoordiging van vrouwen. Gerelateerd aan de sterke groei
van de pool waaruit vrouwelijke wetenschappers gerekruteerd kunnen wor-
den, duiden de cijfers zelfs op een relatieve versterking in plaats van een ver-
zwakking van de ondervertegenwoordiging van vrouwen, met name op de
hogere functies. Van een inhaalslag, om in het verleden opgelopen achterstan-
den weg te werken, is in ieder geval geen sprake. Nog steeds, en dat geldt al
vele jaren, hebben mannen meer kans door te stromen naar hogere functies                    .... vraagt om ingrijpende
dan vrouwen. Dit wijst erop dat er ingrijpende veranderingen nodig zijn om                 veranderingen om situatie
de situatie structureel te verbeteren.                                                       structureel te verbeteren
                                                         A W T - a d v i e s n r . 4 3                              27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>28 A W T - a d v i e s n r . 4 3</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                  De rol van de overheid en aanbevelingen
                                                                                                 3
                                                                  Argumentatie voor overheidsbeleid
                                                                                                   3.1
Pro b l e e m va n d e we t e n s ch a p s i n s t e l l i n g e n z é l f
De ondervertegenwoordiging van vrouwen in academia is een existentieel
probleem voor de wetenschap en voor de wetenschapsinstellingen zélf, zo                        te weinig vrouwen niet
luidt de stellingname van de AWT. De instellingen hebben het vrouwelijk                                   probleem van
potentieel broodnodig, zowel in kwantitatieve zin (krapte op de arbeids-                       individuele vrouwen ...
markt) als in kwalitatieve zin (diversiteit draagt bij aan kwaliteit). De conse-
quentie van deze stellingname is tweeledig:
-     het probleemeigenaarschap verschuift: het gaat om een probleem voor
      de wetenschapsinstellingen als werkgever, niet om een probleem van en                              ...maar van de
      voor de individuele vrouwelijke wetenschappers;                                     wetenschapsinstellingen zélf
-     omdat de ondervertegenwoordiging van vrouwen een probleem voor de
      instellingen zelf is, is het in eerste instantie aan de  in grote mate auto-                    die zijn dan ook
      nome  wetenschapsinstellingen zélf om beleidsmaatregelen te nemen,                        zelf verantwoordelijk
      toegesneden op de lokale situatie en passend bij het strategisch beleid
      van de instelling.
De AWT is verheugd dat deze stellingname  in ieder geval op bestuurlijk top-
niveau  zowel in de universiteiten als bij NWO en de KNAW onderschreven
wordt. De door de AWT, KNAW, NWO en VSNU georganiseerde conferentie
van 12 oktober 1999 over het vraagstuk van de ondervertegenwoordiging van
vrouwen in de wetenschap kenmerkte zich door een krachtige toonzetting en
een duidelijke actiebereidheid. Binnen de instellingen zelf voelt men de
urgentie om daadwerkelijk verbeteringen tot stand te brengen, men is zoe-
kende naar de meest effectieve manieren om dit te kunnen realiseren. Tijdens
de conferentie is een scala aan mogelijke maatregelen op instellingsniveau
bediscussieerd. In kader 2 zijn enkele voorbeelden hiervan opgenomen.
      De AWT constateert mede op basis van de conferentie dat één van de
belangrijkste succesfactoren voor beleid gericht op verbetering van het aan-
deel vrouwen in academia  te weten een overtuigend bestuurlijk draagvlak 
in toenemende mate aanwezig is.
                                                            A W T - a d v i e s n r . 4 3                            29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                     Kader 2:         Enkele mogelijke maatregelen op instellingsniveau, naar voren gebracht
                                      tijdens de conferentie van 12 oktober 1999
                        -         aandacht voor de kwaliteit van de universiteit als werkgever en
                                  daarmee voor de aantrekkelijkheid van een academische carrière,
                                  specifiek voor vrouwen;
                        -         creëren van de benodigde kritische massa aan vrouwen in hogere
                                  posities om effect te kunnen sorteren en invloed te kunnen uitoe-
                                  fenen in discussies over o.a. de definitie van wetenschappelijke
                                  kwaliteit;
                        -         aandacht voor en tegengaan van negatieve cumulatieve effecten
                                  van gender-bias, o.a. door een naar sekse gevarieerde samenstelling
                                  van selectiecommissies te vereisen;
                        -         bij het toekennen van wetenschappelijke status/kwaliteit minder
                                  nadruk leggen op kwantiteit aan publicaties, maar op de kwaliteit
                                  bijv. door kandidaten te vragen hun 5 beste publicaties in te stu-
                                  ren;
                        -         nadrukkelijker voeren van een carrièrebeleid (vergelijkbaar met
                                  de tenure track in de VS) in plaats van een formatiebeleid; dat wil
                                  zeggen mensen bevorderen op basis van hun kwaliteit en poten-
                                  ties en niet pas als er een plek vrijkomt;
                        -         hanteren van streefcijfers specifiek voor nieuwe aanstellingen (en
                                  niet alleen streefcijfers over het hele personeelsbestand), variabel
                                  voor de verschillende vakgebieden al naar gelang beschikbaarheid
                                  van gekwalificeerde vrouwen;
                        -         in de keuze van wetenschappelijke onderzoeksprioriteiten meer
                                  rekening houden met vakgebieden waarin veel vrouwen werk-
                                  zaam zijn.
                     Redenen voor overheidsbeleid
                     Gezien de hierboven ingenomen stellingname, is het de vraag of de overheid,
                     i.c. de minister van OCenW, nog wel een eigen taak heeft op dit vlak. Het is
                     immers vooral aan de autonome instellingen zelf om, redenerend vanuit de
maar ook de overheid instellingsbelangen, gericht acties te ondernemen. De Raad ziet echter drie
heeft een taak       redenen voor overheidsbeleid ten aanzien van het vraagstuk van onderverte-
                     genwoordiging van vrouwen in de wetenschap.
                     1.     Een principiële reden: het is onacceptabel dat in het (publiekgefinancierde)
                            wetenschapssysteem uitsluitingsmechanismen in werking zijn, waar-
                            door vrouwen in veel mindere mate dan mannen deel (kunnen) nemen
                            aan de wetenschapsbeoefening. Deelname van vrouwen aan de weten-
                            schap is niet alleen een democratisch grondrecht. Deelname van vrou-
                            wen is tevens  vanwege de enorme betekenis van wetenschap en techno-
                            logie in onze samenleving  noodzakelijk om de diversiteit aan weten-
                            schappelijke vraagstellingen en invalshoeken te vergroten zodat beter op
                            de veelsoortige maatschappelijke behoeftes en uitdagingen kan worden
                            ingespeeld.
                     2.     Een economische reden: wetenschaps- en technologieontwikkeling is van
                            groot belang voor de Nederlandse kenniseconomie. Niet alleen de uni-
30                   A W T - a d v i e s    n r .  4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>       versiteiten zelf, maar ook de Nederlandse samenleving doet zichzelf
       tekort door het potentieel aan vrouwelijk talent niet optimaal te benut-
       ten.
3.     Een tempogebonden reden: de toename van het aandeel vrouwen in weten-
       schappelijke functies verloopt te traag, zeker gezien de sterke groei van
       de pool van vrouwelijke academici waaruit gerekruteerd kan worden.
       Alhoewel de Raad de lokale beleidsinspanningen ter vergroting van het
       aandeel vrouwen waardeert en wil aanmoedigen, vindt hij dat aanvul-
       lend overheidsbeleid gerechtvaardigd en noodzakelijk is om een versnel-
       ling tot stand te brengen. De maatregelen die vanuit deze achtergrond
       genomen worden, dienen uit de aard van de zaak tijdelijk te zijn.
De Raad is van mening dat ten aanzien van het vraagstuk Vrouwen in de
wetenschap het probleemeigenaarschap en de verantwoordelijkheid voor
                                                                                                    3.2
                                                         A a n b ev e l i n g e n g e r i ch t a a n d e o v e r h e i d
oplossingen c.q. verbeteringen primair bij de wetenschapsinstellingen zelf
ligt. Vanwege de drie hierboven genoemde redenen heeft de overheid echter
wel degelijk een taak te vervullen. De Raad is van mening dat de overheid
vooral een stimulerende rol op zich dient te nemen, gericht op positieve
ondersteuning en versnelling van beleidsprocessen in de instellingen zelf. De
Raad vindt een sanctionerende overheidsrol met gebruik van strafmaatrege-              geen sancties, maar stimuleren
len, bijvoorbeeld in de bekostigingssfeer, niet op zijn plaats. Een dergelijke
sanctionerende benadering doet afbreuk aan het verantwoordelijkheidsge-
voel, de betrokkenheid en het creatieve, probleemoplossend vermogen binnen
de wetenschapsinstellingen zelf. Het draagt het risico in zich dat instellingen
alleen trachten straf te ontlopen in plaats van hun verantwoordelijkheid te
nemen en zelf op zoek te gaan naar zinvolle maatregelen. Hieronder geeft de
Raad aan tot welke zaken het stimulerend overheidsbeleid zich naar zijn
mening dient uit te strekken.
De minimale taak van de overheid is het bij voortduring agenderen van de
ondervertegenwoordiging van vrouwen in de wetenschap. Dit kan gestalte                      onderwerp bij voortduring
krijgen door in de verantwoordingsrelatie tussen de minister van OCenW en                                  agenderen
de afzonderlijke instellingen het thema vrouwen in de wetenschap onder-
werp van gesprek te maken. De instellingen dienen aangesproken en getoetst
te worden op hun voortgang op dit terrein, niet alleen voor wat betreft de aan-
tallen vrouwen in de verschillende functies, maar tevens wat betreft hun
beleidsmatige aandacht voor het wegnemen van barrières en tegengaan van
subtiele discriminatiepraktijken. Gezien de bestaande en voortbestaande
ondervertegenwoordiging van vrouwen acht de Raad het krachtig aanspreken
van de instellingen op dit punt van groot belang.
Cruciaal is het agenderende beleid te versterken door te werken met streefcij-           aanspreken op streefcijfers...
fers. Streefcijfers zijn richtinggevend voor de te behalen resultaten en bieden
concrete aanknopingspunten voor nadere agendering van de thematiek vrou-
wen in de wetenschap in het overleg tussen ministerie en instellingen. De
overheid heeft met de WEV (Wet Evenredige Vertegenwoordiging) reeds een
handvat om instellingen aan te spreken op hun activiteiten en resultaten voor
                                                          A W T - a d v i e s n r . 4 3                              31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                             wat betreft het aandeel vrouwen in hogere functies.
                                    De Raad doet de minister van OCenW de aanbeveling het middel van
                             WEV- rapportages  meer dan nu het geval is  te gebruiken om het gesprek
                             met instellingen aan te gaan. Daarbij dient niet alleen gekeken te worden naar
                             de realisatie van door de instellingen zelf opgestelde streefcijfers, maar ook
                             naar de uitdagendheid van die streefcijfers. De Minister dient  waar nodig 
                             erop aan te dringen de lat hoger te leggen.
...bij voorkeur ook wat             Om de voortgang meer expliciet te maken acht de Raad het wenselijk dat
betreft nieuwe aanstellingen de instellingen vooral ook streefcijfers hanteren voor nieuw aan te stellen
                             wetenschappelijk personeel.18 De huidige bezetting is in principe een gege-
                             ven; het gaat om de veranderingen, dat wil zeggen om de nieuwe benoemin-
                             gen. Juist voor die nieuwe benoemingen zijn gefundeerde streefcijfers te
                             geven. Immers, het potentieel waaruit voor een benoeming in een bepaalde
                             rang en een bepaald wetenschapsgebied kan worden geput, is globaal bekend:
                             het aandeel vrouwen in nieuwe hoogleraarsbenoemingen zou minimaal ver-
                             gelijkbaar moeten zijn met het aandeel vrouwen in de UHD-rangen, het aan-
                             tal nieuwe UHD-benoemingen zou vergelijkbaar moeten zijn met het aandeel
                             vrouwen in de UD-posities, etc. Dit is bij lange na nog niet het geval. Het wer-
                             ken met streefcijfers voor nieuwe benoemingen verhoogt het gevoel van
                             urgentie en de druk binnen de instellingen om bij elke nieuwe aanstelling ter-
                             dege te kijken naar de mogelijkheid een vrouw aan te stellen.
                             De minimale, agenderende invulling van overheidsbeleid dient naar de
                             mening van de Raad te worden aangevuld met diverse andere beleidsmaatre-
                             gelen. De Raad onderscheidt daarbij drie categorieën van verdergaande
                             beleidsmaatregelen, direct en specifiek gericht op verbetering van de positie
                             en het aandeel van vrouwen in de wetenschap:19
                             -      faciliterende beleidsmaatregelen, ter ondersteuning van beleidsproces-
                                    sen in de instellingen;
                             -      speciale stimuleringsmaatregelen voor benoeming van vrouwen;
                             -      taakstellende afspraken inzake toekenning van gelden aan vrouwen uit
                                    algemene onderzoeksstimuleringsfondsen van de overheid.
                                 18 Teneinde beleid te kunnen voeren op het aandeel vrouwen onder de nieuwe aanstellingen (de
                                    eerste afgeleide) en de vorderingen van instellingen op dit punt te kunnen volgen, is inzicht
                                    nodig in personele stromen (instroom, doorstroom naar hogere functies, uitstroom). De door
                                    VSNU gepubliceerde WOPI-gegevens zijn hiervoor niet geschikt; deze geven slechts zicht op
                                    de samenstelling van het universitaire personeelsbestand per ultimo van een jaar, niet op de
                                    veranderingen die gedurende het jaar in die personele samenstelling hebben plaatsgevonden
                                    (i.c. de in-, door- en uitstroom van personeel). Bijhouden van dergelijke stroomgegevens,
                                    zeker binnen de instellingen, is onontbeerlijk voor een goed zicht op de ontwikkelingen.
                                 19 Ter oriëntatie op mogelijke beleidsmaatregelen is een overzicht gemaakt van beleidsmaatre-
                                    gelen die in diverse, met name Europese, landen worden genomen ter stimulering van een
                                    betere vertegenwoordiging van vrouwen in de wetenschap (Vrouwen in de wetenschap, Nederland
                                    in internationaal perspectief, AWT/NWO 1999). Uit dit overzicht komt duidelijk naar voren dat
                                    sommige landen veel meer, en meer samenhangend stimuleringsbeleid voeren om het aan-
                                    deel vrouwen in de wetenschap te vergroten. In zijn aanbevelingen heeft de Raad zich laten
                                    inspireren door het elders gevoerde beleid; in enkele tekstkaders zijn de meest in het oog
                                    springende beleidsacties opgenomen.
32                           A W T - a d v i e s         n r .   4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Naast deze directe beleidsmaatregelen onderscheidt de Raad beleidsmaatrege-
len die meer indirect werken en niet specifiek gericht zijn op de positie van
vrouwen in de wetenschap, maar die juist via de band effect sorteren. De
Raad licht hieronder het scala aan gewenste beleidsmaatregelen toe.
1.    Faciliterende beleidsmaatregelen, ter ondersteuning
      en versterking van beleidsprocessen in instellingen
De Raad acht het wenselijk om het agenderend beleid vanuit de overheid te
voeden en te ondersteunen door faciliterende acties. Hij denkt hierbij aan:                           zorgdragen voor en verspreiden
-     het (laten) uitvoeren van studies gericht op het richtinggeven en verster-                              van kennis en ervaring
      ken van beleidsprocessen in de instellingen.20 Het is zaak hierbij niet
      alleen aandacht te schenken aan factoren die van invloed zijn op de
      geringere in- en doorstroom van vrouwen, maar zeker ook aan de -posi-
      tieve- betekenis van gender en diversiteit in wetenschapsbeoefening;
-     het (laten) verzamelen van en zorgdragen voor beschikbaarheid van
      kwantitatieve gegevens over vrouwen in de wetenschap waarmee verge-
      lijkingen en benchmarks gemaakt kunnen worden. Deze kwantitatieve
      gegevens dienen tevens als basis voor het vaststellen van normen voor
      evenredige vertegenwoordiging voor specifieke functieniveaus en vakge-
      bieden;
-     het (laten) identificeren en verspreiden van good practice voorbeelden van
      strategisch human resource-beleid, cultuurveranderingen, e.d.
-     het (laten) organiseren van activiteiten gericht op kennis- en ervarings-
      overdracht, bijv. in de vorm van een landelijk platform of een jaarlijkse
      (vervolg)conferentie over vrouwen in de wetenschap.
De Raad acht het zinvol om  tijdelijk, bijv. voor een periode van 10 jaar  een
expertisecentrum rond Vrouwen in de wetenschap in te stellen om boven-                                          stimuleer opzetten
staande taken en activiteiten uit te voeren. Doelstelling van dit expertisecen-                                    expertisecentrum
trum is het zorgdragen voor, bundelen en verspreiden van kennis en ervaring,
en het bieden van een centraal aanspreekpunt voor de wetenschapsinstellin-
gen. Idealiter komt een dergelijke expertisecentrum op initiatief van de
wetenschapsinstellingen tot stand, het centrum dient tenslotte de instellingen
te ondersteunen. De Raad stelt voor dat de overheid zon initiatief financieel
ondersteunt en spreekt zijn voorkeur uit voor het koppelen van zon centrum
aan een bestaande organisatie. Hij wijst erop dat het Verenigd Koninkrijk een
dergelijke centrale eenheid kent, gezamenlijk ingesteld door de wetenschaps-
instellingen en de overheid. Ter illustratie is in kader 3 weergegeven welke
taken deze eenheid voor zijn rekening neemt.
    20In het verleden zijn in opdracht van de minister van OCenW reeds dergelijke studies uitge-
      voerd, o.a. voor wat betreft het in kaart brengen van belemmerende factoren voor in- en door-
      stroom van vrouwen in academia (Portegijs 1998) en de invloed van sekse bij de beoordelings-
      systemen van NWO en KNAW (Brouns 1999).
                                                                     A W T - a d v i e s      n r . 4 3                           33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>   Kader 3:          Voorbeeld van een expertisecentrum rond vrouwen in de wetenschap:
                     het Athena-project in Engeland
     In Engeland is in 1994 een womens development unit ingesteld binnen
    het Office of Science and Technology (OST). De unit bevordert, stimuleert en
    helpt bij de coördinatie van het werk van de bestaande organisaties actief op
    het terrein van vrouwen in de wetenschap. Deze unit is opgegaan in het in
    maart 1999 gestarte project Athena. Athena is een UK breed project,
    gesteund door alle funding councils en de Committee of Vice Chancellors and
    Principals (CVCP). Doelstelling van Athena is: to facilitate the achievement of
    a 10% improvement in the rate of appointments of women to academic posts
    at all levels by 2003.
    Binnen Athena kunnen 3 lijnen van concrete acties worden onderscheiden:
    1. Verzamelen, analyseren en verspreiden van informatie:
    -          opzetten van een informatie/databank van vrouwen in science, engi-
               neering and technology (SET), bedoeld om identificatie van potentieel
               te vergemakkelijken;
    -          verzamelen/zorgdragen voor kwantitatieve gegevens over vrouwen
               in SET om o.a. vergelijkingen en benchmarks mogelijk te kunnen
               maken;
    -          monitoren van en input leveren voor het verrichten van studies.
    2. Individuele- en organisatieontwikkeling:
    -          partnerships zoeken om trainings- en ontwikkelingsprogrammas
               voor individuen op te zetten, o.a. gericht op het voorzien in mento-
               ren;
    -          daarnaast activiteiten ontplooien om de cultuur en institutionele
               praktijken te veranderen die een negatief effect hebben op de in- en
               doorstroom van vrouwen binnen wetenschapsinstellingen. Athena
               wil samen met wetenschapsinstellingen werken aan het herkennen
               en veranderen van die praktijken, alsmede de identificatie en ver-
               spreiding van good HR practice.
    3. Faciliteren en financieel ondersteunen van initiatieven:
    -          genereren van good practices, deze ontwikkelen en verspreiden.
               Hiertoe is een uitnodiging uitgegaan naar wetenschapsinstellingen
               om projecten in te dienen die met een geringe som geld onder-
               steund kunnen worden. De instellingen dienen te zorgen voor
               gematchte bijdragen (in geld of anderszins) en moeten kunnen aan-
               tonen dat er support en commitment is van hoger bestuurlijk
               niveau. Projecten worden voor 1 jaar gefinancierd. De projectresul-
               taten worden nationaal verspreid, o.a. via een high profile seminar;
    -          agenderen van issues die zo belangrijk zijn dat ze actie op nationaal
               niveau vragen. Athena zal zich in eerste instantie vooral gaan rich-
               ten op mentoring programmas;
    -          opzetten van speciale projecten. Wat reeds is gepland, is een serie
               interviews how did you get there? Deze interviews moeten bijdra-
               gen aan een breder inzicht bij vrouwen die overwegen in de weten-
               schap te gaan werken, van de persoonlijke en professionele issues
               die daarbij (kunnen) spelen.
34 A W T - a d v i e s    n r . 4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>2. Speciale stimuleringsmaatregelen
Gezien de zwaarwegendheid van het probleem acht de Raad ook gericht over-
heidsstimuleringsbeleid ter verbetering van de positie van vrouwen wenselijk.
       Het ASPASIA-programma ter stimulering van de doorstroming van
vrouwelijke UDs naar UHD-posities, recent gestart door NWO en VSNU met
een financiële bijdrage vanuit het ministerie van OCenW, is een voorbeeld van
een dergelijke stimuleringsmaatregel. De Raad merkt op dat ASPASIA welis-
waar een belangrijke signaalfunctie heeft, maar dat de omvang van het pro-
gramma dermate gering is21, dat het niet meer dan een druppel op een gloei-                                    vergroot financiële
ende plaat kan zijn. De Raad beveelt de Minister aan het ASPASIA-programma                                    slagkracht ASPASIA
in omvang uit te breiden door een substantieel hoger budget ter beschikking
te stellen. Gezien de vervangingsvraag als gevolg van een vergrijsd personeels-
bestand is juist nu een dergelijke impuls van groot belang.
Naast een uitbreiding van het ASPASIA-programma pleit de Raad voor het                                       stel ‘Verwey-Jonker'-
instellen van een aparte stimuleringsmaatregel gericht op het vergroten van                                 hoogleraarplaatsen in
het aantal vrouwelijke hoogleraren. In het algemeen is de Raad van mening
dat sturing met additionele fondsen, naast de lump sum-financiering van
wetenschapsinstellingen, niet aanbevelenswaardig is. Hij is echter van
mening dat de zichtbare aanwezigheid van vrouwen op hoogleraarsposities
van een dermate groot belang is, dat dit een extra inspanning rechtvaardigt.
Vrouwelijke hoogleraren bieden een rolmodel voor vrouwelijke studenten en
junior-stafleden waaruit zichtbaar wordt dat het bedrijven van wetenschap
wel degelijk ook voor vrouwen is weggelegd. Daarnaast is een groter aantal
vrouwelijke hoogleraren nodig ter verbreding van de groep waarop een
beroep gedaan kan worden om deel te nemen in besluitvormings-, beoorde-
lings- en selectiecommissies. Kortom, de Raad acht enige kritische massa aan
vrouwelijke hoogleraren  in ieder geval meer dan nu het geval is  noodzake-
lijk. Onder verwijzing naar de Van der Leeuw- hoogleraarsplaatsen ten behoe-
ve van verjonging en daarmee continuïteit in bepaalde vakgebieden, beveelt
de Raad daarom aan Verwey-Jonker hoogleraarsplaatsen te creëren ter ver-
groting van het aantal vrouwelijke hoogleraren.
       Er is een kanttekening te plaatsen bij het instellen van dergelijke speci-
fieke stimuleringsprogrammas. Het kan namelijk zijn dat op deze wijze
vrouwen tot UHD of hoogleraar worden bevorderd, die ook zonder de extra
stimuleringsgelden op die hogere functies zouden zijn benoemd. De Raad is
zich bewust van het mogelijk calculerend effect, waarbij bij wijze van spre-
ken geen vrouw meer tot UHD of hoogleraar wordt benoemd zonder de extra
stimuleringsgelden. Desalniettemin is hij van mening dat de urgentie om
meer vrouwen op hogere wetenschappelijke functies te verkrijgen dermate
groot is, dat dergelijke calculerende effecten op de koop toe moeten worden
genomen.
    21 Het gaat in totaal, over een looptijd van vijf jaar, om ruimte voor de bevordering van 31 vrou-
       welijke UDs naar een UHD-positie, waarbij deze kandidaten tevens in de gelegenheid wor-
       den gesteld een oio of postdoc op hun onderzoekslijn aan te stellen (en te begeleiden). Ter
       adstructie van de druppel op een gloeiende plaat: per ultimo 1998 zijn er in totaal 2623 fte
       UHD aangesteld binnen de universiteiten.
                                                                         A W T - a d v i e s      n r . 4 3                    35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>   Ter inspiratie en adstructie dat dit soort stimuleringsmaatregelen elders niet
   ongebruikelijk is, wijst de Raad op enkele voorbeelden van speciale stimule-
   ringsmaatregelen zoals die in het buitenland zijn genomen (zie kader 4).
   Kader 4:          Voorbeelden van speciale stimuleringsmaatregelen, Denemarken,
                     Duitsland en Zweden
    In Denemarken heeft de regering middelen beschikbaar gesteld voor een
    speciaal onderzoeksprogramma FREJA (Female Researchers in Joint Action).
    Kern hiervan is dat in de periode 1998-2001 78 miljoen DK (ca. 10,5 miljoen
    Euros) extra zal worden bestemd voor vrouwelijke leiders van nieuwe
    onderzoeksprojecten in alle disciplines.
    In Duitsland is voor de periode 1996-2000 720 miljoen DM gealloceerd om
    de participatie van vrouwen in de wetenschap te vergroten, met name in lei-
    dende posities (de 720 miljoen is 20% van de extra middelen die beschikbaar
    zijn voor onderzoek in het kader van het Hochschulonderprogramm II en III).
    Het programma ter verbetering van de participatie van vrouwen omvat scho-
    larships voor dissertaties, postdoc-plaatsen en habilitationsplaatsen (inaugure-
    le dissertaties), teneinde het contingent vrouwen dat gekwalificeerd is voor
    hoogleraarsposities te vergroten. Verder is een deel van het geld geoormerkt
    voor de volgende programmas:
    - coaching programma voor vrouwen die zijn geïdentificeerd als talenten tij-
      dens hun postdoctoraal werk;
    - herintredingsbeurzen: betreft subsidies aan vrouwen die hun carrière heb-
      ben onderbroken (kinderen hebben gekregen). Deze beurzen bieden vrou-
      wen de mogelijkheid hun onderzoeksprestaties en -kwalificaties weer op
      peil te brengen;
    - stand-by association: beurzen voor vrouwelijke wetenschappers die tijdelijk
      uit het onderzoek stappen en elders gaan werken. Dit voorziet in mogelijk-
      heden om toch nog contact te houden met de wetenschap; het omvat deel-
      name aan cursussen en beperkte deelname aan onderzoek;
    In 1997 hebben 10.000 vrouwelijke wetenschappers grants ontvangen gefi-
    nancierd uit het federale programma.
    In Zweden zijn in 1997 32 (extra) posities voor full professors beschikbaar
    gesteld (het zogenaamde Tham-initiatief) via tripartiete financiering van het
    Zweedse ministerie O&W, de Research Councils en de desbetreffende uni-
    versiteit. Een universiteit kon een gekwalificeerde onderzoeker voordragen
    en bij honorering financieren met eenderde uit eigen middelen. Mannen
    mochten aanvragen indienen, maar konden de posities slechts verkrijgen
    wanneer er geen geschikte vrouwelijke kandidaten beschikbaar zouden zijn.
    Het Tham- initiatief omvat tevens de financiering van 73 research assis-
    tant posities (postdocs) en ook de bekostiging van 120 postgraduate stu-
    dentships voor vrouwen. Tevens zijn fondsen beschikbaar gesteld voor visi-
    ting professors (met name in natuur- en technische wetenschappen) van de
    ondervertegenwoordigde sekse uit het buitenland; doel hiervan is het bevor-
    deren van samenwerking op onderwerpen die van belang zijn voor weten-
    schap en industrie. Hoop en verwachting is dat deze visiting professors tevens
    dienen als rolmodel voor jonge Zweedse vrouwelijke studenten (uitstraling
    naar onderwijs en onderzoek).
36 A W T - a d v i e s    n r . 4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>3.     Ta a k s t e l l e n d e a f s p r a k e n i n z a k e t o e k e n n i n g
      van gelden aan vrouwen uit algemene onder-
      zoeksstimuleringsfondsen
De overheid kent, naast de reguliere bekostiging van wetenschapsinstellingen
verschillende additionele onderzoeksstimuleringsfondsen. De Raad pleit voor
het hanteren van taakstellende afspraken over de deelname van vrouwen aan
die regelingen. Concreet denkt de Raad aan afspraken over het aantal te                                  maak afspraken over
benoemen vrouwen bij de Van der Leeuw-hoogleraarsplaatsen, of bij de extra                              deelname vrouwen in
plaatsen die vanwege het Vernieuwingsfonds beschikbaar komen.                                  onderzoeksstimuleringsfondsen
       De Raad wijst erop dat een dergelijke beleidsmaatregel een optie is waar-
mee van overheidswege vrij eenvoudig en direct effect gesorteerd kan worden.
In kader 5 is als voorbeeld weergegeven hoe in Zwitserland een koppeling is
gelegd tussen het Nachwuchsprogramm en de ondervertegenwoordiging van
vrouwen.
Kader 5:         Voorbeeld van hanteren van streefcijfers bij toezegging van additionele
                 fondsen, Zwitserland
  In 1992 nam het Zwitsers parlement maatregelen door geoormerkte finan-
 ciële middelen ter beschikking te stellen voor het creëren van 200 extra posi-
 ties voor wetenschappelijke assistenten en UHDs (Nachwuchsprogramm) om
 slechte carrièreperspectieven van jonge wetenschappers tegen te gaan, ter-
 wijl binnenkort een grote vervangingsvraag komt. Vernieuwend onderdeel
 hiervan was dat één van de criteria voor het vervullen van deze posities
 inhield dat tenminste eenderde van de bij de universiteiten gecreëerde nieu-
 we posten bekleed moest worden door vrouwen.
4. Indirecte beleidsmaatregelen
In het voorafgaande heeft de Raad gepleit voor een diversiteit aan directe
beleidsmaatregelen, gericht op verbetering van het aandeel vrouwen werk-
zaam in academia. Ter afsluiting vraagt de Raad aandacht voor meer indirect
werkende maatregelen, gerelateerd aan een herbezinning op wat onder
wetenschappelijke kwaliteit dient te worden verstaan. De kwaliteitsbeoorde-                              discussie nodig over
ling van het onderwijs en vooral het onderzoek is momenteel sterk ingegeven                           breder kwaliteitsbegrip
door wetenschapsinterne criteria. De overheid, i.c. de vragende partij en
tevens financier van het onderwijs en onderzoek, kan  hetgeen nu niet
gebeurt  in zijn taakstelling aan de instellingen meegeven dat kwaliteit van
onderwijs en onderzoek in breder perspectief bekeken en geleverd dient te
worden. Het hoort bij onderzoek niet uitsluitend te gaan om de wetenschaps-
inhoudelijke criteria als bijdrage aan de wetenschap (af te meten aan o.a. het
aantal A- en B-publicaties), maar ook om bijvoorbeeld de bijdrage aan de
maatschappelijke ontwikkeling en het inspelen op maatschappelijke vragen
en behoeftes.
       In het kader van de verantwoordingsrelatie tussen de Minister en de
afzonderlijke instellingen kunnen universiteiten en onderzoeksinstellingen
worden aangesproken, getoetst en afgerekend op een dergelijke bredere bena-
dering van te leveren kwaliteit. Doel van een en ander is het bewerkstelligen
van better use of science. Door bredere kwaliteitscriteria te benoemen en de
instellingen erop aan te spreken en uiteindelijk ook af te rekenen, wordt
                                                                 A W T - a d v i e s  n r . 4 3                            37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                              echter tegelijkertijd  zo is de veronderstelling  het werken binnen de uni-
                              versiteit meer aantrekkelijk voor vrouwen.
                              Teneinde een dergelijk meer indirect effect te kunnen sorteren, is een duide-
                              lijk gedefinieerde verantwoordingsrelatie tussen de overheid en de afzonder-
                              lijke instellingen nodig. De minister van OCenW heeft de AWT om advies
                              gevraagd hoe die verantwoordingsrelatie in de constellatie van verder
                              autonoom werkende instellingen nader vorm dient te krijgen. De Raad zal
                              hierover in een later stadium advies uitbrengen. Bij dat advies zal nadrukke-
                              lijk de betekenis c.q. verwachte effecten van de voorgestelde verantwoordings-
                              wijzen voor vrouwen in academia betrokken worden.
                              Afsluiting
                              De Raad constateert dat de ondervertegenwoordiging van vrouwen een exis-
                              tentieel probleem voor universiteiten en para-universitaire instituten is, waar-
                              aan echter tevens grote maatschappelijke belangen verbonden zijn. Hij is ver-
                              heugd dat de urgentie van dit probleem inmiddels binnen de wetenschapsin-
                              stellingen op bestuurlijk topniveau wordt onderkend. De Raad constateert
                              echter dat wetenschapsinstellingen er de afgelopen twintig jaar onvoldoende
                              in zijn geslaagd het sterk toegenomen reservoir aan vrouwelijke academici te
                              benutten voor de vervulling van (hogere) wetenschappelijke functies of hen te
                              interesseren voor een wetenschappelijke loopbaan. Extra aandacht en actie
                              binnen de instellingen voor een verbetering van de positie van vrouwen acht
                              de Raad dan ook onontbeerlijk. Immers, bij ongewijzigd beleid is niet te ver-
                              wachten dat de sterke ondervertegenwoordiging in de toekomst substantieel
                              zal afnemen.
druk op de ketel blijft nodig De Minister kan de universiteiten een steuntje in de rug geven. In het advies
                              doet de Raad hiervoor enkele aanbevelingen. Hij stelt geen sanctionerende
                              maatregelen voor, mede vanwege de gebleken grote bereidheid op het
                              bestuurlijke topniveau om het aantal vrouwen in de wetenschap te vergroten.
                              De instellingen dienen het in hen gestelde vertrouwen echter wel waar te
                              maken. De Raad acht het daarom van belang om voldoende druk op de ketel te
                              houden. Zoals aangegeven kan de Minister dit doen in zijn reguliere overleg
na 5 jaar voortgang           met de instellingen. Cruciaal daarbij is het formuleren en bewaken van doel-
evalueren ...                 stellingen in de vorm van streefcijfers, bij voorkeur voor nieuwe aanstellin-
                              gen. De Raad beveelt de Minister tenslotte aan om over vijf jaar terdege te eva-
... en zo nodig alsnog        lueren of de situatie structureel is verbeterd. Indien dit niet het geval is, dient
sancties overwegen            de overheid alsnog sanctionerende maatregelen te overwegen.
                              Aldus vastgesteld te Den Haag, 20 januari 2000.
                              Dr.ir.B.P.Th. Veltman
                              voorzitter
                              Dr. A. van Heeringen
                              secretaris
38                            A W T - a d v i e s  n r . 4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                                                                                                          Bijlage
                                                                                       Enkele kwantitatieve gegevens
Deze bijlage bevat enkele kwantitatieve gegevens over de ondervertegenwoor-
diging van vrouwen in academia.1 Met deze bijlage wil de Raad drie punten
aantonen c.q. onderbouwen:
-     er is duidelijk sprake van ondervertegenwoordiging van vrouwen;
-     het is niet alleen een kwestie van tijd voordat de sterk toegenomen aan-
      tallen vrouwelijke afgestudeerden naar evenredigheid instromen in aca-
      demia en ook doorstromen naar hogere wetenschappelijke functies. De
      universiteiten blijken voor de vervulling van de hogere wetenschappelij-
      ke functies er tot dusver onvoldoende in te zijn geslaagd de duidelijk
      toegenomen pool van vrouwelijke academici aan te boren.
-     universiteiten verkeren  in vergelijking met zusterinstellingen in het
      buitenland en ook in vergelijking met andere sectoren op de
      Nederlandse arbeidsmarkt  in een achterhoedepositie voor wat betreft
      het aandeel vrouwelijke wetenschappers in hun personeelsbestand.
Bij kwantitatieve gegevens over de ondervertegenwoordiging van vrouwen in
de wetenschap spelen drie aspecten een rol: de deelname van vrouwen aan het
hoger onderwijs is later op gang gekomen dan die van mannen, horizontale
en verticale segregatie. Horizontale segregatie duidt op de onevenredige ver-
deling van aantallen mannen en vrouwen te beginnen bij de studenten over
de verschillende studierichtingen. Verticale segregatie betreft de onevenredige
verdeling van mannen en vrouwen over de diverse wetenschappelijke func-
ties, met sterk afnemende aantallen vrouwen naarmate de functie hoger
wordt. Aan de hand van beschikbaar cijfermateriaal wordt nagegaan in hoe-
verre deze drie aspecten van belang zijn als verklaring voor de ondervertegen-
woordiging van vrouwen in de verschillende rangen van het universitaire
wetenschappelijke personeel.
Sterk toegenomen aandeel vrouwen onder de
afgestudeerden
Sinds de jaren zeventig is het aandeel vrouwen op het totaal aan afgestudeer-
den toegenomen van ongeveer 15% naar nu 50% (zie afbeelding 1).
    1 In deze bijlage wordt vooral ingegaan op de situatie bij universiteiten en slechts marginaal op
      die bij NWO en KNAW. Achterliggende reden is dat voor de universiteiten relevant cijferma-
      teriaal voorhanden is (WOPI-gegevens), voor NWO en KNAW veel minder.
                                                                       A W T - a d v i e s     n r .  4 3         39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   Afbeelding 1: Percentage mannen en vrouwen onder totaal aantal afgestudeerden,
                   periode 1950-1998
    Leeswijzer:    In 1970 was 14% van de afgestudeerden vrouw, in 1995 50%.
    Bron:          CBS
   Dit getalsmatig evenwicht tussen mannelijke en vrouwelijke afgestudeerden
   treedt echter niet over de gehele breedte van disciplines op. Onderscheiden
   naar de zogenoemde HOOP-gebieden vormen soms mannen de meerderheid
   van de afgestudeerden, terwijl er ook gebieden zijn waar het aantal afgestu-
   deerde vrouwen het aantal mannelijke doctorandi al geruime tijd overtreft.
   De twee extremen in dit opzicht zijn enerzijds het HOOP-gebied Techniek,
   waar thans 16% van de afgestudeerden vrouw is, en anderzijds het HOOP-
   gebied Taal&Cultuur, waar 73% van de afgestudeerden vrouw is (zie verder
   afbeelding 2). Conclusie is dat onder mannelijke en vrouwelijke studenten
   duidelijk sprake is van horizontale segregatie.
40 A W T - a d v i e s  n r .  4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Afbeelding 2: Percentage vrouwen onder afgestudeerden en aios per HOOP-gebied,
                   situatie eind 1998
 Leeswijzer:       In het HOOP-gebied Taal&Cultuur is 70,6% van alle afgestudeerden
                   vrouw en 43,6% van alle aios.
 Bron:             CBS (afgestudeerden) en WOPI 1999, VSNU (aios)
De start van een academische carrière:
het aandeel vrouwelijke aios
Gegeven het feit dat inmiddels de helft van de studenten vrouw is, zou
 indien geen sprake zou zijn van horizontale en verticale segregatie  naar
verwachting ook de helft van de aios vrouw kunnen zijn. Het overgrote deel
van de huidige aios is immers recent afgestudeerd. Van een dergelijke evenre-
digheid is niet geheel sprake: eind 1998 is 50% van de studenten vrouw, tegen-
over 41,5% van de aios.2
Het lager percentage vrouwelijke aios wordt vooral veroorzaakt door de ande-
re studievoorkeuren van mannen en vrouwen (i.c. horizontale segregatie), in
combinatie met uiteenlopende ratios van aio-plaatsen op het totaal aan afge-
studeerden: in de β-wetenschappen zijn er verhoudingsgewijs veel meer aio-
plaatsen dan in de α- en γ-wetenschappen. Aangezien vrouwen minder vaak
voor β-opleidingen kiezen, is er een natuurlijke verklaring voor het feit dat bij
    2 Opmerkelijk gegeven is dat het aantal aios in vergelijking met het voorgaande jaar met ca.
      200 is verminderd, terwijl het aantal OVWP met 616 is vermeerderd. Achter deze totaalcijfers
      over alle instellingen gaat een aantal ontwikkelingen schuil, waarvan in dit verband de
      belangrijkste is dat  vanwege krapte op de arbeidsmarkt  promovendi niet als aio worden
      aangesteld, maar in de beter betaalde OVWP-functie. Zo kent de TU Delft bijv. vrijwel geen
      aios meer; eind 1998 nog maar 6. De toename van het aandeel vrouwen in de aio-categorie
       van 37,5% eind 1997 naar 41,5% eind 1998  komt zo in een ander licht te staan.
                                                                      A W T - a d v i e s     n r . 4 3 41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   het totaal aan aios het percentage vrouwen lager ligt dan bij de totale groep
   afgestudeerden.
   Per HOOP-gebied bekeken, blijken de percentages vrouwelijke aios over het
   algemeen maar beperkt af te wijken van het percentage vrouwelijke afgestu-
   deerden in dat HOOP- gebied. In de HOOP-gebieden Landbouw en Techniek
   is het percentage vrouwen onder de aios zelfs iets groter dan onder de afge-
   studeerden (zie afbeelding 2). Significante verschillen (meer dan 10%) tussen
   het aandeel vrouwelijke studenten en aios bestaan er alleen bij de HOOP-
   gebieden Gedrag&Maatschappij en met name bij Taal&Cultuur.3 In deze twee
   HOOP-gebieden lijkt sprake te zijn van een situatie waarbij vrouwen minder
   kansrijk zijn dan mannen om als aio in te stromen en daarmee mogelijk een
   academische carrière te starten. In de overige HOOP-gebieden lijkt hiervan
   geen of slechts beperkt sprake. Conclusie is dat er bij de overgang van afgestu-
   deerden naar aios maar in beperkte mate  in een beperkt aantal weten-
   schapsgebieden  sprake is van onevenredige vertegenwoordiging van vrou-
   wen.
   O n d e r ve r t e g e nwo o r d i g i n g va n v ro u we n i n
   we t e n s ch a p p e l i j ke s t a ff u n c t i e s
   Hoe hoger echter de wetenschappelijke rang, hoe kleiner de kans daarin een
   vrouw aan te treffen. Zoals gezegd, is per ultimo 1998 41,5% van de aios
   vrouw. Bij de universitaire docenten (UDs) ligt dat aandeel bijna een factor
   twee lager: 21,2%. Bij de universitaire hoofddocenten (UHDs) en hoogleraren4
   is respectievelijk 8,2% en 5,4% vrouw.5 Deze percentages verschillen per
   HOOP-gebied, maar voor elk HOOP-gebied geldt dat het percentage vrouwen
   drastisch afneemt naarmate we hoger in de wetenschappelijke hiërarchie
   komen, zoals afbeelding 3 laat zien.
        3 De verschillen in deze twee HOOP-gebieden worden op hun beurt voor een deel veroorzaakt
          door horizontale segregatie binnen deze gebieden, i.c. duidelijke verschillen in studievoor-
          keuren tussen mannen en vrouwen. Zo zijn binnen het HOOP-gebied Taal&Cultuur de theo-
          logie en vooral de wijsbegeerte mannen-studies, terwijl hier juist relatief meer aio-plaatsen
          te vergeven zijn. Rekening houdend met die verschillen in studievoorkeuren tussen mannen
          en vrouwen zou  bij verdere evenredigheid op basis van het aandeel vrouwen onder de afge-
          studeerden  binnen het HOOP-gebied Taal&Cultuur ruim 60% van de aios vrouw moeten
          zijn. In de praktijk ligt dit percentage echter op 44.
        4 Naast het percentage vrouwelijke hoogleraren op het geheel aan hoogleraren, is een interes-
          sant gegeven dat vrouwelijke hoogleraren veel vaker in de lagere salarisschalen zitten dan
          hun mannelijke collegas. Van alle vrouwelijke hoogleraren zit 84% in salarisschaal 15-16 en
          16% in schaal 17 of hoger. Bij de mannelijke hoogleraren ligt dit respectievelijk op 51% en 49%.
       5 Ter vergelijking worden hier de cijfers voor NWO en KNAW weergegeven. Bekeken voor
          beide organisaties samen is in 1998 7,2% van degenen in functiecategorie 13-14 (UHD-niveau)
          vrouw; dit is ongeveer vergelijkbaar met de cijfers van de universiteiten. Daarnaast is bij
          NWO/KNAW 2,2% vrouw van degenen in schaal 15 en hoger (hoogleraarsniveau); hiermee zit-
          ten NWO/KNAW lager dan de universiteiten, waar 5,4% van de hoogleraren vrouw is. Bij de
          NWO/KNAW-cijfers is overigens geen uitsplitsing gemaakt tussen wetenschappelijk perso-
          neel en ondersteunend- of beleidspersoneel.
42 A W T - a d v i e s       n r .   4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Afbeelding 3: Percentage vrouwen in verschillende wetenschappelijke functies weerge-
                geven per HOOP-gebied, situatie eind 1998
 Leeswijzer:    In het HOOP-gebied Taal&Cultuur is 27,2% van alle UDs vrouw, 13,8%
                van alle UHDs en 11,1% van alle hoogleraren.
 Bron:          WOPI 1999, VSNU.
Deze ondervertegenwoordiging van vrouwen in de hogere wetenschappelijke
staffuncties is maar ten dele te wijten aan het geringe aantal vrouwen dat
werkzaam is in universiteiten. Er is wel degelijk een flink contingent vrouwen
in universiteiten  3626 fte ultimo 1998, iets meer dan een vijfde van het totaal
aan wetenschappelijk personeel , maar deze vrouwelijke wetenschappers zijn
veel vaker dan mannelijke wetenschappers te vinden in de lagere functiecate-
gorieën (zie afbeelding 4). Mannen en vrouwen kennen een sterk verschillende
verdeling over de diverse functiecategorieën. Ongeveer een op de drie weten-
schappers is een universitair docent (UD). Dat geldt zowel voor de mannen als
voor de vrouwen. De grote verschillen zijn te vinden in de laagste en hoogste
categorieën wetenschappelijk personeel. Van al het vrouwelijk WP is een
meerderheid (56%) te vinden in de functiecategorie overig WP (OVWP, i.c.
toegevoegd docent en onderzoeker en soms ook promovendi), tegen 30% van
het mannelijk WP. Het mannelijk WP is daarentegen vooral sterk vertegen-
woordigd in de hoogste twee functiecategorieën; ruim een derde (35%) van
hen is UHD of hoogleraar tegen 10% van het vrouwelijk WP.
                                                              A W T - a d v i e s n r . 4 3 43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   Afbeelding 4: Verdeling over verschillende wetenschappelijke functies, voor mannen en
                    vrouwen, situatie eind 1998
    Leeswijzer:     Van al het vrouwelijk WP (100%) is 56,0% OVWP, 34,5% UD, 5,9% UHD
                    en 3,6% hoogleraar. Van al het mannelijk WP (100%) is 27,8% OVWP,
                    36% UD, 18,5% UHD en 17,7% hoogleraar.
    Bron:           WOPI 1999, VSNU.
   Opvallend gegeven is verder dat niet alleen sprake is van een duidelijke onder-
   vertegenwoordiging van vrouwen in de hogere functiecategorieën en overver-
   tegenwoordiging in de OVWP-functie, maar dat vrouwen tevens vaker dan
   mannen een tijdelijke aanstelling hebben. Van alle mannelijke UDs is 10,3%
   in tijdelijke dienst, tegen 16,9% van de vrouwelijke UDs (WOPI 1999, VSNU).
   Ook bij de functiecategorie OVWP geldt dat mannen beduidend vaker een
   vaste aanstelling hebben dan vrouwen (resp. 37,4% van de mannelijke
   OVWPers tegenover 30,4% van de vrouwelijke heeft een vaste aanstelling).
   Deze verschillen in aanstelling maakt de positie van vrouwen in academia er
   niet beter op.
   Een mogelijke verklaring voor de sterk verschillende verdeling van mannen
   en vrouwen over de diverse functiecategorieën kan zijn dat vrouwen later dan
   mannen in groten getale zijn gaan studeren en dus ook later hebben kunnen
   instromen in wetenschappelijke staffuncties. Hier wordt zo meteen op inge-
   gaan. Op deze plaats eerst de bijdrage van de bestaande horizontale segregatie
   (andere verdeling van mannen en vrouwen over de diverse HOOP-gebieden)
   aan die sterk verschillende verdeling van mannen en vrouwen over de diverse
   functiecategorieën.
          Feit is dat er verschillen zijn in functieopbouw tussen de HOOP-gebie-
   den: de HOOP-gebieden Natuur en Techniek kennen een functiepiramide met
   een zeer brede basis van aios en een verhoudingsgewijs smalle opbouw van
   docenten (i.c. UD, UHD en hoogleraar samen); op elke aio zijn er twee docen-
   ten. Bij Taal&Cultuur is de basis van aios verhoudingsgewijs veel geringer en
   zijn er op elke aio zes docenten. In het HOOP-gebied Taal & Cultuur hebben
   degenen die promoveren derhalve meer kans op een vervolg van de universi-
   taire loopbaan; er zijn eenvoudigweg meer docentposities per aio, posities die
   eens in de zoveel tijd vacant zijn. Deze verschillen in functiepiramides tussen
   de HOOP-gebieden dragen echter niet bij aan de verklaring voor de onderver-
   tegenwoordiging van vrouwen in de hogere functies. Immers, juist bij die
   HOOP-gebieden met relatief veel vrouwelijke afgestudeerden maar met
44 A W T - a d v i e s    n r . 4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>weinig aios, is het aantal docenten per aio en daarmee de doorstroomkans
groter. Dit impliceert dat andere krachten in het spel zijn dan de horizontale
segregatie.
O n d e r ve r t e g e nwo o r d i g i n g va n v ro u we n i n
academia: nauwelijks verbetering in de tijd
Tot dusver is ingegaan op de actuele stand van zaken (per ultimo 1998) rond
de ondervertegenwoordiging van vrouwen in universiteiten. Interessant is te
kijken welke ontwikkelingen zich hierbij in de loop van de tijd hebben voor-
gedaan. Afbeelding 5 geeft een overzicht van het aandeel vrouwen in de func-
tiecategorieën UD, UHD en hoogleraar vanaf 1970. Hieruit valt af te lezen dat
het aandeel vrouwen in de UD- functie in de jaren negentig is gestegen van 15
tot nu 21%. Opmerkelijk is dat voor de hogere functies (UHD en hoogleraar
samen bekeken) de situatie sinds 1970 nauwelijks is gewijzigd. Weliswaar is
sprake van een verdubbeling van het percentage vrouwelijke hoogleraren in
de jaren negentig; van 2,6% in 1991 naar 5,4% ultimo 1998. Daar staat echter
tegenover dat het percentage vrouwelijk UHDs in de jaren tachtig een sterke
daling ondergingen nu met 8,2% nog onder het niveau van 1970 zit.6
Afbeelding 5: Percentage vrouwen onder afgestudeerden en in verschillende weten-
                 schappelijke functies, periode 1970-1998
 Leeswijzer:     In 1995 was 50% van de afgestudeerden vrouw, 18,2% van de UDs, 7,1%
                 van de UHDs en 4,2% van de hoogleraren.
 Bron:           CBS (afgestudeerden) en WOPI 1999, VSNU (wetenschappelijk personeel)
    6 Een verklaring hiervoor is gelegen in de uitwerking van de BUWP-operatie; deze heeft in het
      algemeen ongunstiger uitgepakt voor vrouwen dan voor mannen in universiteiten. (Zie G.
      Noordenbos  Dat was niet te voorzien: consequenties van universitaire reorganisaties voor
      de man/vrouw-verdeling, in U&H, 40/3, 1993-94).
                                                                    A W T - a d v i e s      n r . 4 3 45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>   Een plausibele verklaring voor het met de hoogte van de rang afnemend per-
   centage vrouwen, is het feit dat de hoogleraren en UHDs afkomstig zijn uit
   oudere leeftijdscohorten dan de aios. Aangezien het percentage vrouwen
   onder de afgestudeerden de laatste decennia gestaag is gegroeid, is het niet
   vreemd dat er onder de hoogleraren relatief minder vrouwen zijn dan onder
   de aios. Toch verklaart dit slechts gedeeltelijk het kleine aantal vrouwen in de
   hogere wetenschappelijke rangen. Afbeelding 5 laat zien dat tussen 1950 en
   1970 het percentage vrouwelijke afgestudeerden steeds op circa 15% van het
   totaal lag, en daarna fors is gestegen. Het huidige percentage vrouwelijke pro-
   fessoren komt hier echter bij lange na niet in de buurt en ligt een factor twee
   tot drie onder die  sinds jaar en dag  15% vrouwelijke afgestudeerden.
   Dat het geringe aantal afgestudeerde vrouwen in het verleden geen afdoende
   verklaring is voor de bestaande ondervertegenwoordiging van vrouwen in de
   wetenschap, kan ook nog op een andere manier worden aangetoond. Kijkend
   naar de verschillende leeftijdscategorieën blijken vrouwen in elke leeftijds-
   groep minder vaak een hoge wetenschappelijke functie te hebben dan man-
   nen. De kans om in een willekeurige leeftijdscategorie een hoogleraar aan te
   treffen, ligt bij de mannelijke wetenschappers steeds een factor twee tot drie
   hoger dan bij de vrouwelijke wetenschappers. Dit geldt ook voor de jongere
   leeftijdscategorieën (zie afbeelding 6). Zo is van al het mannelijk WP tussen
   35-39 jaar bijvoorbeeld 4,9% hoogleraar en 9,6% UHD, tegenover respectieve-
   lijk 1,2% en 4,5% van al het vrouwelijk WP (WOPI 1999, VSNU).
   Afbeelding 6: Percentage UHDs en hoogleraren op het totaal aan mannelijk c.q. vrou-
                    welijk wetenschappelijk personeel (exclusief aios), uitgesplitst naar leef-
                    tijdscategorie, situatie eind 1998
    Leeswijzer:     Van al het mannelijk WP in de leeftijdscategorie 40-44 jaar is 11,9%
                    hoogleraar en 18,0% UHD. Van al het vrouwelijk WP in deze leeftijdsca-
                    tegorie is 2,0% hoogleraar en 5,5% UHD.
    Bron:           WOPI 1999, VSNU
46 A W T - a d v i e s    n r .  4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Specifiek kijkend naar jonge hoogleraren en UHDs  hetgeen per definitie
recente benoemingen zijn  wordt het beeld bevestigd dat de kansen van
vrouwen niet structureel veranderd zijn. Eind 1998 was er 20 fte hoogleraar
jonger dan 35 jaar; op één na allemaal mannen. Van de 100 fte hoogleraar in de
leeftijdscategorie 35-39 jaar is 8 fte vrouw, de rest man. Eenzelfde patroon is te
zien voor UHDs: van de 41 fte UHDs beneden de 35 jaar is 5 fte vrouw, van de
210 fte UHDs tussen de 35-39 jaar is 30 fte vrouw. Dit betekent dat van de
UHDs en hoogleraren in het leeftijdscohort 35-39 jaar respectievelijk 14,3% en
8,0% vrouw is, terwijl in de periode dat deze  jonge  hoogleraren en UHDs
afstudeerden (ca. 1982-1987) reeds circa 35% van alle afgestudeerden vrouw
was.
Het feit dat de verschillen in wetenschappelijke loopbaan tussen de seksen
voor elke leeftijdscategorie  ook voor de jongste cohorten  in dezelfde orde
van grootte liggen, maakt duidelijk dat die verschillen niet alleen te verklaren
zijn op basis van het lage percentage vrouwelijke studenten in het verleden en
als gevolg daarvan de geringe omvang van de pool aan vrouwelijke weten-
schappers waaruit geworven kan worden. Er lijkt sprake te zijn van structure-
le verschillen in loopbaankansen voor mannelijke en vrouwelijke wetenschap-
pers. Ondanks de forse stijging van het aantal vrouwelijke afgestudeerden in
de laatste twintig jaar, zijn de kansen van individuele vrouwelijke weten-
schappers op een (hogere) wetenschappelijke functie niet toegenomen.
Immers, in elke leeftijdsgroep zijn mannen twee tot drie maal zo veel verte-
genwoordigd in de hogere functies als vrouwen.
De conclusie die hieruit valt te trekken is dat bij ongewijzigd beleid de onder-
vertegenwoordiging van vrouwen in de toekomst niet zal verdwijnen. Het feit
dat  ondanks de sterke groei in studentenaantallen, de toename van vrouwe-
lijke aios en ook in enige mate UDs  het huidige percentage vrouwen onder
de hoogleraren en UHDs ook in de jongste leeftijdscategorieën rond de 10%
ligt, wijst niet op een structurele verbetering van de situatie. Integendeel:
gezien de inmiddels veel grotere pool van vrouwelijke afgestudeerden waaruit
wetenschappelijke staf gerekruteerd kan worden die op zijn beurt kan dienen
als kweekvijver voor hogere functies, duiden deze getallen eerder op een ver-
sterking dan een verzwakking van de verticale segregatie. Anders gesteld: uni-
versiteiten zijn er tot dusver onvoldoende in geslaagd te profiteren van de
sterke groei van het aandeel vrouwelijke afgestudeerden bij de vervulling van
de (hogere) wetenschappelijke functies. Een verhoudingsgewijs laag aantal
vrouwen wordt UD, en de doorstroom van vrouwen van een UD-positie naar
een UHD- of hoogleraarsplaats is zeer onevenredig.
Ve r g e l i j k i n g m e t h e t b u i t e n l a n d
In het voorgaande is ingegaan op de ondervertegenwoordiging van vrouwen
in de Nederlandse academia. Het is echter geen typisch Nederlands fenomeen
dat relatief weinig vrouwen carrière maken in academia. Ook in andere West-
Europese landen neemt het aantal vrouwen op universitaire posities sterk af
naarmate de carrièreladder hoger reikt (zie tabel 1). Wel kan worden opge-
merkt dat de Nederlandse cijfers een nóg schever beeld opleveren dan in de
meeste andere landen. Nederland behoort tot de landen met de laagste per-
centages vrouwen in (hogere) wetenschappelijke functies.
                                                          A W T - a d v i e s n r . 4 3 47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   Tabel 1: Percentage vrouwen in wetenschappelijke functies in diverse landen
                       jaar waar           hoogleraar          UHD                UD
                       gegevens            (of vergelijkbaar (of vergelijkbaar (of vergelijkbaar
                       betrekking op       niveau)             niveau)            niveau)
                       hebben
    Turkije            1996/7              21.5                30.7               28.0
    Finland            1998                18.4
    Portugal           1997                17.0                36.0               44.0
    Frankrijk          1997/8              13.8                34.2
    Spanje             1995/6              13.2                34.9               30.9
    Noorwegen          1997                11.7                27.7               37.6
    Zweden             1997/8              11.0                22.0               45.0
    Italië             1997                11.0                27.0               40.0
    Griekenland        1997/8              9.5                 20.3               30.6
    Engeland (UK)      1996/7              8.5                 18.4               33.3
    IJsland            1996                8.0                 22.0               45.0
    België             1997                7.0                 7.0                18.0
    (Wallonië)
    Denemarken         1997                7.0                 19.0               32.0
    Ierland            1997/8              6.9                  7.5               16.3
    Oostenrijk         1999                6.0                 7.0                12.0
    Duitsland          1998                5.9                 11.3               23.8
    Zwitserland        1996                5.7                 19.2               25.6
    Nederland          1998                5.4                 8.2                21.2
    België             1998                5.1                 10.0               13.1
    (Vlaanderen)
    Australië          1997                14.0                23.0               40.7
    USA                1998                13.8                30.0               43.1
    Canada             1998                12.0
    Nieuw Zeeland      1998                10.4                10.2/23.5          45.5
     Bron:  Science policies in the European Union: promoting excellence through mainstreaming gen-
            der equality, European Commission, Research Directorate-General, ETAN-
            report, 1999, pag. 10.
   Het verhoudingsgewijs lage percentage vrouwen werkzaam in Nederlandse
   academia hangt samen met het feit dat de groei van het aantal vrouwelijke
   studenten in ons land later op gang kwam dan in de meeste andere landen.
   Daarnaast speelt een scala aan historisch-culturele factoren die in hoofdstuk 2
   van het advies zijn aangestipt.
   Ve r g e l i j k i n g m e t a n d e r e s e c t o r e n b i n n e n d e
   Nederlandse arbeidsmarkt
   Naast de vergelijking met het buitenland is het tenslotte ook interessant een
   vergelijking te maken van het aandeel vrouwen in academia met dat in andere
   sectoren op de Nederlandse arbeidsmarkt. Het blijkt dat universiteiten in ver-
   gelijking met overheidssectoren waar veel academici werken aan de lage kant
   scoren voor wat betreft het aandeel vrouwen, zeker in de hogere functies.
   Universiteiten blijven behoorlijk achter bij sectoren als de rijksoverheid,
   gemeenten, HBOs en zeker de rechterlijke macht. Tabel 2 laat dit zien.
48 A W T - a d v i e s     n r .    4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Tabel 2: Percentage vrouwen in hogere functies in diverse overheidssectoren op het totaal
           aantal werkenden in hogere functies, gegevens 1996
 rijk                rechterlijke      gemeenten         HBOs             universiteiten
 (>8.000,-)         macht             (>8.000,-)       (schaal 13 en     (schaal 13 en
                     (>8.000,-)                         hoger)            hoger)
 10,5                33,6              11,9              12,0              6,0
Bron: Voor rijk, rechterlijke macht en gemeenten: Arbeidsmarktrapportage Overheid 1998.
       Ministerie van Binnenlandse Zaken.
       Voor HBOs: Hoger Onderwijs- en Onderzoekplan 1998. Ministerie OCenW.
       Voor universiteiten: WOPI 1997. VSNU.
NB:  8.000,- bruto per maand of meer is in grote lijnen vergelijkbaar met een univer-
       sitaire aanstelling als UHD of hoogleraar (schaal 13 en hoger).
Universiteiten concurreren op de arbeidsmarkt niet alleen met andere over-
heidssectoren maar ook met bedrijven om het schaarse  mannelijk én vrou-
welijk  talent op academisch niveau. Vanuit dit licht is het interessant om te
kijken in hoeverre enkele bedrijven er in slagen vrouwen op hogere functie-
niveaus aan te stellen en te behouden. In tabel 3 staan hierover enkele
gegevens.
Tabel 3: Percentage vrouwen in hogere functies in een aantal bedrijven en binnen uni-
           versiteiten, situatie 1997
                                                schaal 14 en hoger of vergelijkbaar salaris-
                                                niveau
            ABN AMRO                             6%
            ING Nederland                       7%
            Unilever Nederland                  7%
            KPN                                 13%
            Randstad Dienstengroep bv           15%
            KPMG                                11%
            universiteiten (hgl + uhd,          6%
            i.e. schaal 13 en hoger)
Bron: Voor de bedrijven: Evenredig? Nog even niet! Van Doorne-Huiskes c.s. 1998.
       Voor de universiteiten: WOPI 1998. VSNU.
Het aandeel vrouwen op hogere functies binnen universiteiten blijkt verge-
lijkbaar met dat binnen bedrijven als ABN AMRO, ING en Unilever. KPN,
Randstad Dienstengroep en KPMG zijn daarentegen voorbeelden van bedrij-
ven waar een beduidend groter percentage vrouwen in de hogere functies
werkzaam is.
                                                                  A W T - a d v i e s   n r . 4 3 49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   Ter afsluiting is het interessant specifiek nog te kijken naar het aandeel vrou-
   wen op hogere functies binnen het publieke en private onderzoek. Hierover
   zijn in beperkte mate gegevens beschikbaar.
         Een vergelijking van universiteiten met andere publieke en private
   onderzoeksinstellingen moet zich beperken tot wetenschappers werkzaam in
   de HOOP- gebieden Natuur en Techniek. Immers, de publieke Research and
   Development-laboratoria en ook de private onderzoeksinstellingen richten zich
   vooral op natuurwetenschappelijk- en technisch onderzoek. Bij de universitei-
   ten is in de HOOP- gebieden Natuur en Techniek 8% van de UDs, 3% van de
   UHDs en 2% van de hoogleraren vrouw. Die groepen samennemend, is 5,3%
   vrouw. Dat percentage ligt een factor drie lager dan bij TNO, waar 16,4% van
   de academici vrouw is. Bij de industrie bestaan grote verschillen. De research-
   laboratoria van Philips en Shell vertonen een beeld dat sterk lijkt op dat van
   de universiteiten; ongeveer 5% van de onderzoekers is vrouw. Naarmate de
   functie hoger is, neemt het percentage vrouwen af. Het researchlaboratorium
   van DSM scoort flink hoger (19% van de academici is vrouw). Opmerkelijk is
   dat dit percentage bij DSM ook voor de hogere functies geldt. Anders gezegd,
   bij DSM werken relatief veel vrouwen in de research en binnen de research
   treedt geen verticale segregatie op.
50 A W T - a d v i e s n r .  4 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>