<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>44                          Investeren in onderzoek
april 2000
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
tel 070 - 363 9922
fax 070 - 360 8992
e-mail: secretariaat@AWT.nl
http://www.awt.nl/
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                                               Inhoud
Samenvatting                                          5
1.  Inleiding                                         9
    1.1 Adviesaanvraag                                9
    1.2 Ontwikkelingen in het overheidsbeleid         9
    1.3 Scope van dit advies                         10
2.  Onderzoeksstimuleringsbeleid                     11
    2.1 Aansluiting vraag en aanbod                  11
    2.2 Vernieuwing                                  14
3.  Bekostiging van grote onderzoeksfaciliteiten     15
    3.1 Ontwikkeling in het overheidsbeleid          15
    3.2 Aanbevelingen                                18
                                                 A W T - a d v i e s n r . 4 4      3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                                                        Samenvatting
De Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) is
gevraagd te adviseren over de inrichting en bekostiging van grote onderzoeks-
faciliteiten. Het gaat in dit advies niet om de vraag in welke onderzoeksfacili-
teiten moet worden geïnvesteerd, maar om de onderliggende investerings-
filosofie van de overheid.
De Raad meent dat het overheidsbeleid voor grote faciliteiten niet los kan
worden gezien van het algemene wetenschaps- en technologiebeleid.
Faciliteiten zijn geen doel maar middel. Om die reden concentreert dit advies
zich op de vraag waar prioriteiten moeten liggen in het onderzoeksstimule-
ringsbeleid van de overheid. Vervolgens wordt bezien wat de consequenties
zijn voor het beleid ten aanzien van grote faciliteiten.
Onderzoeksstimuleringsbeleid
De Raad constateert een actuele bereidheid bij de overheid tot extra investe-
ringen in de kennisinfrastructuur. Hij is er geen voorstander van om eventu-
ele extra investeringen ongeclausuleerd te besteden aan verhoging van de
reguliere budgetten van de publieke kennisinstellingen. Hij pleit ervoor om
additionele middelen gericht in te zetten om structurele knelpunten te verhel-
pen. Hij ziet twee belangrijke knelpunten:
- de aansluiting van het nationale onderzoekspotentieel op de sociale en
    economische behoeften van onze samenleving;
- de ruimte voor geheel nieuwe onderzoekslijnen.
Aansluiting vraag en aanbod van kennis
De aansluiting tussen vraag en aanbod kan naar de mening van de Raad niet
geheel aan het marktmechanisme worden overgelaten. Dat zou leiden tot een
maatschappelijk gezien ongewenste onderinvestering in bijvoorbeeld het fun-
damenteel-strategische onderzoek. Hij ziet een belangrijke rol voor de over-
heid in het zichtbaar maken van de sociale en economische kennisbehoeften
en het stimuleren van onderzoek op die terreinen. De overheid speelt hierin al
vele jaren een actieve rol via allerlei stimuleringsprogrammas. Het algemene
beeld hierbij is dat het veelal gaat om relatief kleine investeringsimpulsen
over een breed scala van onderwerpen. Het is thans wenselijk om op een aan-
tal welgekozen terreinen een echte vuist te maken. Zulke krachtige impulsen
zijn moeilijk zo niet onmogelijk te realiseren binnen het reguliere bekosti-
gings- en stimuleringsinstrumentarium. Het is mede vanuit dat oogpunt dat
de Raad het ICES-KIS-instrument als een welkome aanvulling ziet op het
reguliere instrumentarium.
                                                           A W T - a d v i e s n r . 4 4           5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  Het ICES-KIS-instrument is reeds tweemaal eerder ingezet; momenteel wor-
  den de voorbereidingen getroffen voor de derde ronde. Tegen de achtergrond
  van de ervaringen van de eerste twee rondes, doet de Raad enkele aanbevelin-
  gen voor de nieuwe ronde:
  - In de vorige rondes is nadrukkelijk publiek-private samenwerking cen-
      traal gesteld. Echter, niet voor alle maatschappelijk relevante onderwer-
      pen is een publiek-private samenwerking mogelijk. De Raad pleit voor een
      verruiming van het concept van samenwerking met inbegrip van publiek-
      publieke samenwerking, dat wil zeggen samenwerking tussen de (semi-)
      overheid als vragende partij en de publieke onderzoeksinstellingen. Als de
      kracht van het ICES-KIS-instrument ziet de Raad de interactie tussen vra-
      gers en aanbieders van kennis, o.a. blijkend uit de financiële betrokken-
      heid van beide partijen. De vrager kan een private, maar zou ook een
      publieke partij kunnen zijn.
  - De Raad pleit voor heldere en open procedures en passende aandacht voor
      de wetenschappelijke potenties van de projecten. In vergelijking met de
      vorige rondes zijn belangrijke verbeteringen mogelijk en wenselijk. De
      inrichting van het keuzeproces in een 3-fasentraject is een goede benade-
      ring: een eerste groslijst van de interessante themas die leven in het veld;
      een selectie om vanuit de groslijst tot een shortlist te komen; en een open
      tender per geselecteerd thema van de shortlist. Het moet duidelijk zijn wie
      voor welke stap verantwoordelijk is. De verantwoordelijkheid voor de
      procesregie en de inhoudelijke verantwoordelijkheid moeten gescheiden
      blijven. De keuze voor de themas uit de groslijst die op de shortlist komen,
      is uiteindelijk een politieke keuze en dus de verantwoordelijkheid van het
      Kabinet. De keuze welke projecten binnen de geselecteerde themas wor-
      den verkozen, moet zijn inziens door onafhankelijke deskundigen gebeu-
      ren.
  Vernieuwing
  De Raad heeft in eerdere adviezen gepleit voor meer ruimte in het vigerende
  systeem voor nieuwe onderzoekslijnen: onderzoek buiten de gangbare paden,
  onderzoek op nieuwe of nog onvoldoende ontwikkelde gebieden. Met genoe-
  gen constateert hij dat dit pleidooi weerklank heeft gevonden, gezien de voor-
  zet die is gedaan door KNAW, NWO en VSNU voor een vernieuwingsimpuls.
  De Raad beveelt aan om eventuele extra middelen voor het onderzoek niet in
  te zetten via een ongeclausuleerde verhoging van de reguliere eerste of tweede
  geldstroom, maar specifiek voor vergroting van het vernieuwingsimpuls. Hij
  pleit ervoor om die impuls met name te benutten voor die gebieden die tot nu
  toe bij NWO onderbedeeld zijn, te weten het onderzoek binnen de alfa- en
  gammawetenschappen en voor het onderzoek dat ligt op het grensgebied tus-
  sen disciplines, het zgn. interdisciplinaire onderzoek.
  Bekostiging van grote onderzoeksfaciliteiten
  De overheid bekostigde in het verleden de kennisinstellingen via aparte bud-
  getten voor exploitatie- en investeringsuitgaven. In dat stramien had de over-
  heid behoefte aan een investeringsbeleid. In de loop van de tijd is de rol van de
  overheid veranderd. De kennisinstellingen hebben de ruimte gekregen voor
6 A W T -    a d v i e s n r . 4 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>integraal management waarbij zij zelf verantwoordelijk zijn voor de verdeling
van de middelen over de verschillende productiemiddelen. De consequentie
hiervan is dat de overheid geen eigenstandig, integraal investeringsbeleid
meer behoeft te voeren. De overheid bekostigt de instelling voor een bepaalde
taak en het komt er nu op aan dat de overheid de instellingen op hun presta-
ties beoordeelt en daaruit daadwerkelijk financiële consequenties trekt.
Dit laat onverlet dat er bij tijd en wijle investeringsbehoeften zijn die de
financiële draagkracht van de instellingen te boven gaan. Voor dergelijke
incidentele behoeften moet er een mogelijkheid zijn een beroep te doen op de
overheid.
    De Raad is van mening dat bij de toewijzing van extra middelen van de
overheid voor dergelijke onderzoeksfaciliteiten dezelfde criteria een rol moe-
ten spelen als die hiervoor zijn verwoord bij het onderzoeksstimulerings-
beleid: in hoeverre dragen de faciliteiten bij aan een verbetering van de aan-
sluiting tussen vraag en aanbod van kennis, en/of in hoeverre dragen de facili-
teiten bij aan het stimuleren van nieuwe onderzoekslijnen. Bij elke beslissing
moet expliciet de vraag naar internationale samenwerking en co-financiering
aan de orde zijn.
                                                          A W T - a d v i e s n r . 4 4 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>8 A W T - a d v i e s n r . 4 4</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                                                                                   1Inleiding
                                                                                                      1.1
                                                                                                Ad v i e s a a nv r a a g
In het werkprogramma 1999/2000 van de AWT is opgenomen het onderwerp
Grote investeringen in de wetenschap. In de van overheidszijde gegeven toelichting
bij dit onderwerp is gevraagd om een inventarisatie van de grote investerin-
gen die de komende tien à vijftien jaar aan de orde zijn en om aan te geven
welke prioriteiten en posterioriteiten hierbij gehanteerd zouden kunnen wor-
den. In nader overleg met het ministerie van OCenW is de uiteindelijke vraag-                           overheid vraagt
stelling veranderd. De nadruk is verschoven van een inventarisatie naar een                  investeringsfilosofie voor
onderliggende investeringsfilosofie voor de overheid op basis waarvan be-                grote onderzoeksfaciliteiten
slissingen over inrichting en bekostiging van grote onderzoeksfaciliteiten
kunnen worden genomen.
                                                          Ontwikkelingen in het overheidsbeleid
Er heeft in de afgelopen jaren een belangrijke verschuiving plaatsgevonden in
de bemoeienis van de overheid met het onderzoeksbeleid van de publieke
                                                                                                      1.2
onderzoeksinstituten, en bijgevolg met zijn bemoeienis met investeringen in
onderzoeksfaciliteiten.
In het verleden maakte de overheid bij de bekostiging van de onderzoeks-
instellingen een onderscheid tussen exploitatiesubsidies  subsidies die wer-
den onderscheiden in personele en materiële uitgaven  en investeringssubsi-
dies die werden onderscheiden naar apparaten en gebouwen. Voor grote inves-
teringen hanteerde het ministerie van OCenW een eigen subsidieregeling                           in het verleden had de
waarop de onderzoeksinstellingen een beroep konden doen. In dat stramien                   overheid behoefte aan een
had de overheid behoefte aan een eigen investeringsbeleid. De overheid moest                eigen investeringsbeleid...
immers kunnen beoordelen of de voor investeringen geoormerkte middelen
voldoende waren, gelet op de technische ontwikkelingen en behoeften, en
moest zich ook een oordeel vormen over de investeringsvoorstellen.
In de loop van de tijd is de rol van de overheid veranderd. De onderverdeling                       maar door invoering
in verschillende soorten uitgaven heeft in de jaren negentig plaatsgemaakt               van integraal management...
voor een integrale wijze van bekostiging. Dat betekent dat de instellingen zelf
verantwoordelijk zijn voor de wijze waarop zij hun productiemiddelen
inzetten om de beoogde doelen te bereiken. Het ministerie heeft verder haar
eigen subsidiebudget voor grote apparatuurinvesteringen overgedragen aan
NWO. Als gevolg van deze veranderingen zijn de instellingen aan te spreken                    zijn de instituten nu zelf
op hun eigen verantwoordelijkheid. Dit legt de overheid wel de verplichting                     verantwoordelijk voor
op de instellingen voldoende ruimte te geven om zich, ieder binnen zijn                                   investeringen
                                                           A W T - a d v i e s n r . 4 4                                9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                               missie, te ontwikkelen. De Raad is in eerdere adviezen op deze zaken nader
                               ingegaan. Hij zal de knelpunten op dit terrein niet herhalen.
1.3
Scope van dit advies
                               De consequentie van dit proces naar het integrale instituutsmanagement en
                               verantwoording op basis van resultaten is, dat de overheid geen eigenstandig
consequentie: geen onder-
zoeksfaciliteitenbeleid nodig  integraal investeringsbeleid hoeft te voeren. De overheid komt vooral in beeld
...wel incidenteel bijspringen als het gaat om investeringen in faciliteiten die dermate kostbaar zijn dat ze
bij zeer grote investeringen   redelijkerwijs niet uit de reguliere budgetten van de instellingen te bekosti-
                               gen zijn.
grote investeringen zijn       De Raad is van mening dat het overheidsbeleid voor die grote onderzoeks-
geen doel maar middel          faciliteiten niet los kan worden gezien van het algemene wetenschaps- en
                               technologiebeleid. Faciliteiten zijn geen doel maar middel. Beslissingen over
                               de bekostiging van grote onderzoeksfaciliteiten moeten passen in het algeme-
                               ne onderzoeksstimuleringsbeleid van de overheid. Het is immers onwenselijk
                               om grote investeringen te doen in niet-prioritaire gebieden. En als een gebied
                               prioriteit heeft, is daarmee tevens de vraag aan de orde welke onderzoeksfaci-
daarom eerst de vraag:         liteiten daarbij nodig zijn en hoe deze te onderhouden. Om die reden concen-
waar liggen de prioriteiten?   treert dit advies zich eerst op de vraag waar de prioriteiten moeten liggen in
                               het onderzoeksstimuleringsbeleid van de overheid, voorzover dat valt buiten
                               het stramien van de reguliere bekostiging van de onderzoeksinstituten.
                               Vervolgens wordt bezien wat de consequenties zijn voor het beleid ten aan-
daarna consequenties bezien    zien van die grote faciliteiten. In aansluiting op de adviesaanvrage  zie hier-
voor grote investeringen       voor de inleiding  beperkt de Raad zich hier tot de vraag welke rol de over-
                               heid in het besluitvormingsproces heeft te vervullen. De vraag welke concrete
                               grote investeringen de komende periode aan de orde zijn, valt buiten de scope
                               van dit advies. Desgewenst is de Raad bereid hierover nader te adviseren.
                               In dit advies gaat de Raad niet in op de rol van de EU in het onderzoeksstimu-
                               leringsbeleid. Recent is een nota verschenen van de EU-commissie1 waarin de
                               contouren van het EU-onderzoeksbeleid worden geschetst. De Raad komt bin-
                               nenkort met een aparte reactie op deze nota, waarin tevens de toekomst van
                               het Kaderprogramma aan de orde komt.
                               Een kader voor het stimuleringsbeleid van de overheid op onderzoeksgebied
                               is op dit moment actueel gelet op de mogelijkheid en de bereidheid van de
                               overheid tot extra investeringen in de kennisinfrastructuur. Vele partijen die-
                               nen zich aan om deze investeringen te incasseren. De Raad wil met dit advies
                               handreikingen bieden voor een maatschappelijk effectieve besteding van die
                               extra middelen.
                                   1 Towards a European research area, Commission of the European Communities. Brussel, januari
                                      2000.
10                             A W T -    a d v i e s    n r .   4 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                            Onderzoeksstimuleringsbeleid
Internationaal is er een toenemende competitie om talent en om onderzoeks-
resultaten maatschappelijk en economisch uit te baten . Het is voor de maat-
                                                                                                 2
schappelijke en economische ontwikkeling van ons land van groot belang in
deze competitie mee te doen. In vele landen vindt een intensivering plaats van
de investeringen in onderzoek. Voor de landen in Europa is de noodzaak des
te dwingender gelet op de opgelopen achterstand ten opzichte van de VS en
Japan.2 Ons land kan hier niet achterblijven.
De Raad is er geen voorstander van om eventuele extra investeringen onge-
clausuleerd te besteden aan verhoging van reguliere budgetten van de publie-                  extra geld niet inzetten
ke kennisinstellingen. Ongetwijfeld zullen vele betrokkenen in het veld hier-                voor verhoging reguliere
voor pleiten, ieder voor zijn eigen budget. De huidige situatie rond onze                                   budgetten
publieke kennisinfrastructuur kent echter enige belangrijke, structurele knel-
punten. Die worden niet verholpen door een verhoging van de bestaande,
reguliere budgetten onder handhaving van de vigerende randvoorwaarden en
condities. De Raad pleit ervoor om de additionele middelen gericht in te zet-
ten om de structurele knelpunten te verhelpen.
Hij ziet twee belangrijke knelpunten:                                                    ...maar richten op verhelpen
- de aansluiting van het onderzoekspotentieel op de maatschappelijke en                        structurele knelpunten
    economische behoeften van onze samenleving;
- de ruimte voor nieuwe onderzoekslijnen.
Het is van belang dat de onderzoeksinfrastructuur in ons land zodanig is
                                                                                                   2.1
                                                                          Aansluiting vraag en aanbod
ingericht dat de verworven kennis aansluit bij de kennisbehoefte en het                    knelpunt nr. 1: aansluiting
absorptievermogen van onze samenleving. Die samenleving is zich meer en                       vraag en aanbod kennis
meer bewust dat wetenschappelijke kennis er toe doet. Naarmate de maat-
schappij verder opschuift naar een kennismaatschappij, zal de maatschappe-
lijke behoefte aan wetenschappelijke kennis toenemen.
In eerste instantie is het systeem zelf verantwoordelijk voor een adequate aan-        systeem zelf verantwoordelijk
sluiting. Zeker met het nu ingezette beleid van de overheid van autonomie                         voor die aansluiting
voor de publieke onderzoeksinstellingen en hen uiteindelijk af te rekenen op
de verwezenlijking van hun doelstellingen, mag verwacht worden dat meer
dan in het verleden ingespeeld wordt op de bestaande maatschappelijke en
economische behoeften in ons land.
Toch kan die aansluiting niet geheel aan het marktmechanisme worden over-                 maar overheid moet vragen
gelaten. Voorzover de instituten de ontwikkelingen in de wetenschaps-                   helpen articuleren en aanbod
                                                                                                           stimuleren
    2 Zie voetnoot 1.
                                                         A W T - a d v i e s n r . 4 4                            11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                             disciplines volgen, geeft dat geen garantie dat het resulterende portfolio aan-
                             sluit op de specifieke behoeften van ons land. Ook van de vraagzijde kan niet
                             verwacht worden dat zij  vanuit maatschappelijk oogpunt bezien  voldoen-
                             de investeren in het voor de Nederlandse maatschappij relevante, fundamen-
                             teel-strategische onderzoek. Die partijen zijn alleen bereid te investeren als er
                             voldoende garanties zijn dat zij kunnen profiteren van de resultaten. Het is
                             echter vooraf lang niet altijd aan te geven of en voor wie de investeringen zul-
                             len renderen. Toch zijn investeringen op specifieke gebieden voor de maat-
                             schappij als geheel van groot belang. Hier ligt in de ogen van de Raad een
                             belangrijke rol voor de overheid met name in het zichtbaar maken van die
                             behoeften en het stimuleren van het onderzoek op die terreinen.
het stimuleringsbeleid is    De overheid speelt deze rol ook al jaren, blijkend uit het brede palet aan sti-
sterk versnipperd            muleringsmaatregelen. Het is hier niet de plaats om al deze maatregelen op
                             hun effectiviteit te beoordelen. Het algemene beeld is wel dat het veelal gaat
                             om relatief kleine investeringsimpulsen over een breed scala van onderwer-
                             pen. Het gevaar hiervan is een zodanige uitsmering van de middelen dat ner-
er is behoefte aan           gens een echte vuist kan worden gemaakt. De Raad is er dan ook een groot
concentratie                 voorstander van om te kiezen voor een aantal onderwerpen  uiteraard onder-
                             werpen die van groot belang zijn voor de maatschappelijke en economische
                             ontwikkeling van onze nationale samenleving  en daar een inspanning te
                             leveren die structureel zoden aan de dijk kan zetten. Op die wijze kan op cru-
                             ciale onderwerpen een kritische massa worden bereikt die internationaal
                             zichtbaar is, aantrekkelijk is voor goede onderzoekers en impact kan hebben
                             op onze eigen maatschappelijke en economische ontwikkeling.
                             ICES-KIS
dat is moeilijk binnen het   De hiervoor beschreven wijze van aansturing is moeilijk zo niet onmogelijk te
reguliere instrumentarium    realiseren binnen het reguliere bekostigings- en stimuleringsinstrumentari-
                             um. Er zijn andere instrumenten nodig. Het is mede vanuit dat oogpunt dat
                             de Raad het ICES-KIS-instrument als een welkome aanvulling ziet op het
                             reguliere instrumentarium. Dit instrument biedt de mogelijkheid om op een
                             beperkt aantal terreinen een forse investeringsimpuls te geven.
daarom is ICES-KIS een       Bij ICES (Interdepartementale Commissie Economische Structuurversterking)
welkome aanvulling           gaat het om een fonds van tientallen miljarden guldens voor versterking van
                             de economische structuur. Een klein deel van dat fonds is gereserveerd voor
                             versterking van de kennisinfrastructuur (ICES-KIS), te weten ca.  1 miljard
                             voor een periode van 4 jaar. Voor de kennisinfrastructuur is dit evenwel een
                             relatief groot bedrag. Het is daarom van groot belang deze in principe tijdelij-
                             ke impuls  in ieder geval tijdelijk voor de geselecteerde projecten  zo zinvol
                             en zo goed mogelijk in het systeem te injecteren. De Raad heeft met het oog
                             daarop de volgende opmerkingen:
publiek-private samenwerking - Gelet op inbedding van ICES-KIS zal de focus sterk zijn gericht op projec-
geeft meerwaarde                 ten die aanwijsbaar kunnen bijdragen aan versterking van de economische
                                 structuur. Zeker voor die projecten, waarvan aanwijsbare private partijen
                                 zullen gaan profiteren, is terecht gekozen voor een publiek-private samen-
                                 werking van meet af aan: het voorziet in de eerder gesignaleerde behoefte
                                 om de interactie tussen (potentiële) vragers en aanbieders te versterken en
12                           A W T -    a d v i e s n r . 4 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>   het vergroot de kans dat de tijdelijke impuls een structureel effect heeft
   (verankering).
-  In de vorige ICES-rondes is het directe economische nut sterk aangezet.                                           extra aandacht nodig voor
   Uit dien hoofde was het programma bijna exclusief gericht op het stimule-                                                niet-bètacomponent
   ren van het bètaonderzoek. De Raad wijst erop dat juist in relatie tot de
   vertaling van het bètaonderzoek in economische activiteiten, de sociale en
   gedragswetenschappelijke aspecten van cruciaal belang zijn. Dit blijkt o.a.
   uit de verschillende verkenningen die onder auspiciën van de Raad zijn
   c.q. worden uitgevoerd.3 Hij pleit er voor om, onder handhaving van de
   doelstelling, in de programmas ruimte te laten voor die niet-bèta compo-
   nent in het onderzoek.
-  Niet voor alle maatschappelijk belangrijke themas is een directe betrok-                                      geef ook ruimte voor publiek-
   kenheid van private partijen mogelijk. Privaat-publieke financiering is                                              publieke samenwerking
   moeilijk te realiseren als het gaat om onderwerpen van staatszorg, zoals
   criminaliteit of waterbeheer. Dergelijke gebieden raken buiten beeld als
   maatschappelijke bijsturing van het wetenschappelijk onderzoek alleen
   pps-constructies (publiek-publieke samenwerking) mogelijk is. De Raad
   pleit er dan ook voor om binnen ICES-KIS ook ruimte te geven aan projec-
   ten van publiek-publieke samenwerking: samenwerking tussen publieke
   onderzoeksinstituten en publieke partijen die kunnen profiteren van de
   gegenereerde kennis, en die aan een versterking van de economische struc-
   tuur een vruchtbare bodem bieden. Cruciaal in ICES-KIS ziet de Raad de
   interactie tussen vragers en aanbieders van kennis, o.a. blijkend uit de
   financiële betrokkenheid van beide partijen; de vrager kan een
   private, maar ook een publieke partij zijn.
-  De hiervoor genoemde doelstelling van een blijvende structuurversterking                                               nodig zijn heldere en
   schept verplichtingen bij de keuze van de projecten. Het is van groot                                                       open procedures
   belang dat de eenmalige impuls ook daadwerkelijk resulteert in een blij-
   vende versterking van de interactie tussen kennisvragers en -aanbieders op
   voor de economie van ons land bij uitstek relevante terreinen. Vanuit dat
   oogpunt pleit de Raad voor open en heldere procedures; partijen in het
   veld moeten weten wat de mogelijkheden zijn, waar de prioriteiten liggen,
   wie uiteindelijk beoordeelt en wat de beoordelingscriteria zijn. De nu
   voorgenomen inrichting van het keuzeproces in 3 fasen voldoet in principe
   aan die voorwaarden: een eerste groslijst van interessante themas die
   leven in het veld; een selectie om vanuit de groslijst tot een shortlist te
   komen; en een tender per geselecteerd thema van de shortlist.
Twee kanttekeningen:
1. De Raad meent dat duidelijk moet zijn wie voor welke stap verantwoorde-
   lijk is. Ten eerste beveelt hij aan een onderscheid te maken tussen de ver-
   3 De Raad wijst hier op:
      - Gedragswetenschappen in context. Essays over beleidsrelevantie en wetenschappelijke uitdagingen,
        (AWT-achtergrondstudie nr. 16. Den Haag, oktober 1999.) verschenen in het kader van de
        verkenning Gedragswetenschappen.
      - Bouwen op kennis (AWT-achtergrondstudie nr. 17. Den Haag, maart 2000.) van de verken-
        ningsommissie Bouw en
      - op het binnenkort te verschijnen rapport van de verkenningscommissie Water.
                                                                             A W T - a d v i e s        n r . 4 4                          13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                                  antwoordelijkheid voor de procesregie en de inhoudelijke verantwoorde-
                                  lijkheid; deze twee moeten gescheiden blijven. De keuze van de themas
                                  uit de groslijst die op de shortlist komen, is in de ogen van de Raad een ver-
                                  antwoordelijkheid van het Kabinet, dat zich hierbij kan laten adviseren.
                                  De keuze welke projecten binnen de geselecteerde themas worden verko-
                                  zen moet zijns inziens door onafhankelijke deskundigen gebeuren.
                                  Vermeden moet worden dat daar politieke belangen gaan overheersen. Die
                                  belangen moeten een rol spelen in de keuzes voor de shortlist.
                              2. De Raad pleit ervoor om bij de keuze leidend tot de shortlist naast de econo-
                                  mische potenties van de themas ook de wetenschappelijke aspecten mee te
                                  laten wegen; het gaat om de beschikbaarheid van een adequaat weten-
                                  schappelijk en technologisch potentieel en om de vooruitzichten op een
                                  verankering in de kennisinfrastructuur. De Raad is bereid om in dat keu-
                                  zeproces de overheid van advies te dienen.
2.2
Ve r n i e u w i n g
                              Een versterking van de koppeling van vraag en aanbod van onderzoek, zoals
                              hiervoor bepleit, laat onverlet dat er ruimte moet blijven voor vernieuwend
                              onderzoek: onderzoek waar nog geen aanwijsbare partijen direct voordeel van
                              zullen hebben, maar dat toch de kiem kan leggen voor nieuwe wetenschappe-
                              lijke ontwikkelingen en op termijn kan leiden tot versterking van de maat-
                              schappelijke, culturele of economische basis van onze samenleving.
                              De universiteiten hebben hier een belangrijke rol.
knelpunt nr. 2: weinig ruimte Een belangrijk knelpunt in het vigerende systeem ziet de Raad in de te
voor nieuwe onderzoekslijnen  beperkte ruimte voor het vernieuwende onderzoek. Het huidige geldverde-
                              lingsmechanisme is in belangrijke mate langs disciplinaire lijnen vormgege-
                              ven en het kent een sterke nadruk op het stimuleren van bewezen kwaliteit.
                              De Raad heeft eerder geconstateerd4 dat deze ontwikkeling het gevaar in zich
                              houdt van onvoldoende ruimte voor geheel nieuwe onderzoekslijnen: onder-
                              zoek buiten de gangbare paden, onderzoek op nieuwe of nog onvoldoende
                              ontwikkelde gebieden. Hij pleitte toen voor extra aandacht voor dit vernieu-
                              wende onderzoek.
vernieuwingsimpuls een        Dit pleidooi heeft weerklank gevonden, gezien de voorzet die is gedaan door
goed initiatief               KNAW, NWO en VSNU voor een vernieuwingsfonds. De Raad wil deze voor-
                              zet van harte ondersteunen. Hij beveelt de overheid aan een deel van de extra
                              beschikbare middelen voor onderzoek juist hiervoor in te zetten. Dus geen
                              ongeclausuleerde vergroting van de eerste en tweede geldstroom, maar een
                              versterking van de middelen juist voor vernieuwend onderzoek. De Raad pleit
extra aandacht voor alfa,     ervoor dit vernieuwingsfonds met name te benutten voor die gebieden die
gamma en interdisciplinair    tot nu toe bij NWO onderbedeeld zijn, te weten het onderzoek binnen de alfa-
onderzoek                     en gammawetenschappen en het onderzoek dat ligt op het grensgebied tussen
                              disciplines, het zgn. interdisciplinaire onderzoek.
                                  4 Hoofdlijnen Wetenschapsbeleid, AWT-advies nr. 38. Den Haag, februari 1999.
                                     Ruimte voor vernieuwing. Ervaringen binnen de technische- en natuurwetenschappen, AWT-
                                     achtergrondstudie nr. 14. Den Haag, augustus 1999.
14                            A W T -     a d v i e s    n r .   4 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>       Bekostiging van grote onderzoeksfaciliteiten
                                                                                  Ontwikkeling in het overheidsbeleid
                                                                                                                       3 3.1
Vanuit de zorg dat onvoldoende aandacht werd geschonken aan investeringen
in apparatuur ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek heeft de toenma-                                        tien jaar geleden: zorg om
lige minister van O&W over dat onderwerp in 1990 een internationale confe-                                         apparatuurinvesteringen
rentie georganiseerd. In aansluiting op die conferentie heeft de AWT op ver-
zoek van de Minister een advies uitgebracht over de apparatuurvoorziening.5
    In dat advies maakt de Raad een onderscheid tussen investeringen van
lokaal, nationaal en internationaal belang. De Raad adviseerde om investerin-
gen van lokaal belang door de instellingen zelf te laten betalen. Faciliteiten
van nationaal belang zouden door NWO mede gefinancierd kunnen worden
en internationale faciliteiten zouden via OCenW moeten lopen. De Raad
bepleit daarbij een verregaande integratie van het apparatuur beleid in het
onderzoeksbeleid, en keert zich tegen de veelheid aan aparte apparatuur-
fondsen.
Zoals gezegd, heerste er in het begin van de jaren negentig grote zorg over de
handhaving van het bestand aan personeel ten koste van het investerings-                                             nu geen indicaties van
niveau in apparatuur. De Raad heeft de indruk dat de situatie op dat punt ver-                                             onder-investering
beterd is; er zijn geen indicaties van een algemene onder-investering in appa-
ratuur in relatie tot de personele uitgaven. Er is in de jaren negentig een
inhaalslag gemaakt, gebruik makend van de groei van de tweede en de derde
geldstroom alsook van de toegenomen bestedingsvrijheid binnen de eerste
geldstroom. De instellingen werken nu in belangrijke mate volgens de lijnen
die de Raad de Minister in 1992 adviseerde. Ook wat betreft de fondsen zijn
sinds 1992 veranderingen tot stand gekomen die aansluiten bij het advies van
de AWT. De speciale fondsen van de overheid zijn verdwenen c.q. overgedra-
gen aan NWO. Alleen voor de grote internationale faciliteiten, zoals CERN,
worden de middelen rechtstreeks door het ministerie van OCenW toegewe-
zen.
‘Lokale’ faciliteiten
Dat universiteiten eind jaren tachtig met achterblijvende investeringen in
apparatuur kampten, werd mede veroorzaakt door de toenmalige scheiding                                            mede dankzij versterking
tussen apparatuurbeleid en onderzoeksbeleid. Er bestonden schotten tussen                                            integraal management
verschillende uitgaven. In het exploitatiebudget bestond een scheiding tussen
materiële en personele kosten en voor investeringen bestonden aparte fondsen
voor apparatuur en voor gebouwen en terreinen. De scheiding tussen de ver-
    5 Advies inzake de apparatuurvoorzienig voor het (para-)universitaire onderzoek, AWT- advies nr. 8.
      Den Haag, juli 1992.
                                                                             A W T - a d v i e s       n r . 4 4                        15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                               schillende budgetten is geleidelijk verdwenen, waarbij vooral de overgang in
                               1993 van het PGM (Plaatsen-Geld-Model) naar het HOBEK (Hoger Onderwijs
                               BEKostiging)-model van belang is. Later zijn ook de budgetten voor
                               (nieuw)bouw naar de universiteiten overgeheveld. De universiteiten krijgen
                               hun middelen nu als lump sum, waarbij zij de vrijheid hebben om investerin-
                               gen over een aantal jaren af te schrijven, om reserveringen te maken voor
                               geplande investeringen en om te lenen op de kapitaalmarkt. Kortom, binnen
                               de universiteiten is in de loop van de jaren negentig ruimte gegroeid voor
                               eigen integraal financieel management. Die ruimte wordt in toenemende
                               mate benut. Dat is overigens gemakkelijker in tijden van groei dan in tijden
                               van krimp. Herhaling van de situatie uit eind tachtiger, begin negentiger
                               jaren is bij een krimpperiode niet uitgesloten. De verhouding tussen persone-
                               le en investeringsuitgaven moet daarom een continu aandachtspunt blijven
                               voor de instellingen. In dit verband wijst de Raad nog op het door de commis-
                               sie-Koopmans geconstateerde feit dat bij de overdracht van de verantwoorde-
                               lijkheid voor de gebouwen het daarmee gemoeide budget niet geheel aan de
                               universiteiten is toegewezen.6 Om het tekort te kunnen dekken, moeten de
nog probleem bij huisvestings- instellingen elders middelen vrijmaken. Dit gaat ten koste van de vrij besteed-
kosten                         bare ruimte. In concreto beperkt dat vooral de ruimte voor vernieuwing van
                               het onderzoek.
                                    Om te voorkomen dat vernieuwing in de verdrukking komt, pleit de Raad
                               ervoor de negatieve bruidsschat ten aanzien van huisvesting te neutraliseren.
                               ‘Nationale’ faciliteiten
                               (Para)universitair onderzoek
                               Naast de eerste geldstroom, die als lump sum naar de universiteiten gaat, finan-
                               ciert de overheid een tweede geldstroom. Die heeft thans een tweeledige func-
                               tie; versterking van kwalitatief hoogwaardig onderzoek en bekostiging van
                               faciliteiten die de draagkracht van afzonderlijke universiteiten te boven gaat.
                               Onder die laatste noemer vallen ook de para-universitaire instituten van NWO
                               en de KNAW. Net als de universiteiten moeten deze instituten via integraal
                               financieel management uit het reguliere budget ruimte voor investeringen
                               creëren.
                               Bij NWO is het competitieve deel van de tweede geldstroom gesplitst in
                               exploitatie (met name personeelskosten) en investeringen (met name appara-
                               tuur). Het investeringsbudget beslaat ruim  60 miljoen, verdeeld over twee
                               ongeveer evengrote posten; NWO-middelgroot en NWO-groot. Bij middel-
                               groot gaat het om investeringen tussen  0,25 miljoen en  2 miljoen; voor
                               grotere uitgaven kan een beroep worden gedaan op de post groot.
                                    De post middelgroot wordt geoormerkt toegewezen aan de gebiedsbestu-
                               ren. De verdeling over de verschillende gebiedsbesturen is gebaseerd op een
                               historisch gegroeide verdeelsleutel. Op dat niveau is het de vraag of er een
                                    6 Bij de overdracht van de gebouwen kregen de universiteiten op jaarbasis ongeveer  150 mil-
                                      joen per jaar minder toegewezen dan nodig is voor onderhoud en vernieuwing van de gebou-
                                      wen. Rekening houdend met de financiële voordelen van een overheveling, concludeert de
                                      commissie-Koopmans dat de instellingen op jaarbasis structureel  80 miljoen tekort komen.
16                             A W T -     a d v i e s   n r .   4 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>onderscheid nodig is tussen gewone subsidies en investeringssubsidies.
    De post groot wordt centraal verdeeld. De besteding van de ca.  30 mil-               apart investeringsfonds bij
joen is niet geheel vrij. Ongeveer eenderde deel is geoormerkt voor de super-                  NWO voorziet in behoefte
computer. Voor die faciliteit bestaat een beleid dat gebaseerd is op vervan-                    ...aandacht nodig voor...
gingsinvesteringen. Een apart fonds voor grote investeringen die de financiële
spankracht van afzonderlijke gebiedsbesturen te boven gaat, voorziet duide-
lijk in een behoefte.
Traditioneel nemen de bètawetenschappen het overgrote deel van de gelden              ...toenemende investeringsvraag
voor grote investeringen voor hun rekening. Het beroep dat vanuit deze                     vanuit alfa- en gammaweten-
wetenschappen op deze gelden zal worden gedaan, zal naar verwachting niet                                    schappen, en
dalen. Meer en meer blijkt dat binnen andere gebieden de behoefte aan grote
investeringen groeit. Het is de afgelopen jaren duidelijk geworden dat op het
gebied van de geestes-, maatschappij- en gedragswetenschappen investerin-
gen in collecties, databases en bibliotheken gelijk te stellen zijn met investe-
ringen in (klassieke) apparatuur, zeker waar het gaat om digitalisering van
bronnen en bestanden. De Raad bepleit extra aandacht voor dit nieuwe type
claims. Het gaat daarbij niet alleen om de vraag of het budget van NWO-groot
omhoog moet dat is een punt dat vanuit de praktijk zal moeten blijken het
gaat ook om het kritisch bezien van bestaande claims.
    Sommige claims zijn formeel vastgelegd zoals bij de supercomputer
andere zijn min of meer stilzwijgend gegroeid. Een kritische toets op bestaan-
de claims is nodig, waarbij niet alleen naar de wetenschappelijke merites moet
worden gekeken, maar ook naar de permanentie van de maatschappelijke
behoefte aan deze grote zichtbepalende faciliteiten.
Met een omvang van  30 miljoen is het jaarlijkse budget van NWO-groot                             ...afstemming NWO en
ontoereikend om alle uitgaven voor dure apparatuur binnen universiteiten te                                 universiteiten
kunnen dekken. Dat is op die schaal ook niet de bedoeling. Universiteiten
gebruiken ook de eerste en derde geldstroom voor investeringen in grote
apparatuur. Bij de verdeling van NWO-groot is het van belang rekening te
houden met die op andere wijze gefinancierde grote investeringen. Dat over-
zicht ontstaat als de universiteiten in hun strategische plannen melding
maken van grote investeringen in apparatuur. Gelet op de afbakening die
NWO nu hanteert, zou het goed zijn als investeringen boven  2 miljoen
gemeld worden.
Niet-universitaire onderzoeksinstituten
Naast de universiteiten financiert de overheid onderzoek bij instituten, zoals
het RIVM, het RIZA, het CPB en de gtis. Net als de universiteiten moeten deze
instituten hun investeringen bekostigen uit de reguliere geldstromen. De
motieven voor overheidsfinanciering zijn hierbij veelal ontleend aan nationa-
le doelstellingen.
    Voor de investeringen van deze instituten geldt in grote lijnen hetzelfde               niet-universitaire instituten:
als hiervoor is geschetst voor het (para) universitaire domein. Ook hier is een                periodiek toets nodig van
periodieke, kritische toets nodig ten aanzien van bestaande claims. Een                                  bestaande claims
belangrijk verschil is dat die toets zich duidelijker kan concentreren op het
maatschappelijk belang. De betrokken instituten hebben immers tot taak
onderzoek uit te voeren op gebieden waar volgens de overheid een grote maat-
schappelijke kennisbehoefte bestaat. Als gevolg van wetenschappelijke en
                                                          A W T - a d v i e s n r . 4 4                               17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                                 maatschappelijke ontwikkelingen verandert die behoefte aan kennis. Die ver-
                                 schuivende kennisvraag kan tot andere prioriteiten leiden, en derhalve tot een
                                 andere behoefte aan apparatuur. Het blijven honoreren van oude claims
                                 beperkt de ruimte voor nieuw onderzoek.
                                 ‘Internationale’ faciliteiten
...geldt ook voor internationale Er is een aantal internationale onderzoeksfaciliteiten: faciliteiten die, meestal
faciliteiten                     op basis van verdragen, door een consortia van landen worden bekostigd.7 Op
                                 zich zijn deze samenwerkingen een goede zaak; vaak kan vanwege het kosten-
                                 aspect alleen door samenwerking het onderzoek doorgang blijven vinden. In
                                 zijn eerdergenoemde advies uit 1992 constateert de Raad dat deze investerin-
                                 gen zich veelal onttrekken aan een periodieke beoordeling van de
                                 Nederlandse deelname. De Raad stelt vast dat deze situatie niet is veranderd.
3.2
Aanbevelingen
                                 De Raad constateert met genoegen dat het proces ter versterking van het inte-
                                 grale instituutsmanagement van de grond komt. De onderzoeksinstituten
overheid behoeft geen
integraal investeringsbeleid     hebben een budget en een taak; hoe de budgetten over de verschillende pro-
                                 ductiemiddelen  personeel, materieel en investeringen  worden verdeeld, is
                                 de verantwoordelijkheid van die instituten. De Raad trekt hieruit de conclusie
                                 dat de overheid geen eigenstandig integraal investeringsbeleid behoeft te voe-
                                 ren. De overheid bekostigt de instelling voor een bepaalde taak en het komt er
                                 nu vervolgens op aan dat de overheid de instellingen op hun prestaties beoor-
                                 deelt en daaruit daadwerkelijk financiële consequenties trekt.
incidenteel, bij zeer grote      Toch zijn er bij tijd en wijle investeringsbehoeften die, al of niet met onder-
investeringen, moet overheid     steuning van NWO, de financiële draagkracht van de instituten te boven gaan.
bijspringen                      Met nadruk staat hier bij tijd en wijle: het gaat per definitie om incidenten,
                                 omdat, als het goed is, de bekostiging van de instituten voldoende is om hun
                                 doelstellingen te realiseren. Sommige onderzoeksfaciliteiten zijn verhou-
                                 dingsgewijs zo duur en hun afschrijftermijn zo lang, dat het niet realistisch is
                                 om hiervoor geld te reserveren. Voor dergelijke incidentele behoeften moet de
                                 overheid zich ontvankelijk opstellen. Dit betekent dat de overheid criteria
                                 moet hebben op basis waarvan beoordeling plaatsvindt.
hierbij dezelfde criteria        De Raad is van mening dat bij de toewijzing van extra middelen van de over-
hanteren als bij onderzoeks-     heid voor de hier bedoelde onderzoeksfaciliteiten dezelfde criteria een rol
stimuleringsbeleid               moeten spelen als die hiervoor zijn verwoord bij het onderzoeksstimulerings-
                                 beleid, te weten: in hoeverre dragen de faciliteiten bij aan een verbetering van
                                 de aansluiting tussen vraag en aanbod van kennis, en/of in hoeverre dragen de
                                 faciliteiten bij aan het stimuleren van vernieuwend onderzoek. Dit betekent
                                     7 Nederland subsidieerde in 1998 met ca.  130 mln een aantal internationale onderzoeks
                                        instellingen;  57 mln naar ESA (ruimtevaart),  56 mln naar CERN (hoge energiefysica),
                                         12 mln naar ESO (astronomie),  4 mln naar EMBC en EMBL (moleculaire biologie).
                                        Bron: Observatorium 1998, p. 110.
18                               A W T -      a d v i e s   n r .  4 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>dat het wetenschappelijk belang van de faciliteit een noodzakelijke, maar
geen voldoende voorwaarde behoeft te zijn voor de overheid tot bij-financie-
ring.
    De aansluiting van vraag en aanbod kan op verschillende wijzen worden               ...versterking aansluiting vraag
gerechtvaardigd. In directe zin omdat er een maatschappelijke behoefte is aan                           en aanbod kennis
onderzoek dat alleen met zon faciliteit mogelijk is; te denken is aan grote
databanken, windtunnels, e.d. De aansluiting kan ook meer indirect zijn, bij-
voorbeeld doordat met een faciliteit onderzoek mogelijk wordt dat voorziet in
een behoefte van ons land aan internationale prestige.
     De Raad heeft hiervoor al gewezen op het risico dat bestaande faciliteiten                ...meer ruimte nodig voor
als het ware vanzelfsprekend claims leggen op vrijgekomen of nieuw geld. Er               vernieuwing in het onderzoek
is een conserverende tendens in de verdeling van de middelen die doorbroken
moet worden als vernieuwing in het onderzoek als belangrijk criterium wordt
gehanteerd. Bij vernieuwing komen bij uitstek ook de interdisciplinaire
gebieden in beeld.
     Een vraag die bij een positieve beoordeling steeds moet worden gesteld is
de mogelijkheid van internationale samenwerking en financiering. Het in
OESO-verband opererende Global Science Forum biedt een goed platform
voor internationale afstemming en afspraken.
De hier gegeven criteria voor bekostiging zijn niet alleen van belang als er een           geldt ook voor internationale
eenmalige extra investering wordt gevraagd. De Raad bepleit om deze criteria                                  faciliteiten
ook te hanteren bij de periodieke evaluaties van de grote internationale onder-
zoeksfaciliteiten die de overheid mede financiert; te denken is hier aan CERN,
ESO, e.d. Voorkomen moet worden dat ook hier claims uit het verleden een
vanzelfsprekend beslag leggen op de middelen en daarmee de ruimte voor de
ontwikkeling van nieuwe onderzoeksgebieden beperken. Omdat het eigenlijk
gaat om een stelsel van verdragen in hun politieke samenhang, waarbij het
Nederlandse belang van faciliteit tot faciliteit varieert, ligt het voor de hand de
Nederlandse deelname van tijd tot tijd in zijn totaliteit te evalueren.
De focus in dit advies ligt op de investeringsfilosofie voor de overheid. Buiten
de scope van dit advies ligt de vraag welke grote investeringen in de pijplijn
zitten en welke van deze investeringen, in onderlinge afweging, additionele
overheidsgelden rechtvaardigen. De Raad is desgewenst gaarne bereid over
deze onderwerpen te adviseren.
Aldus vastgesteld te Den Haag, 20 april 2000.
Dr.ir. B.P.Th. Veltman
voorzitter
Dr. A. van Heeringen
secretaris
                                                           A W T - a d v i e s n r . 4 4                              19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>20 A W T - a d v i e s n r . 4 4</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>