<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Hógeschool van Kennis
Kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en
hogescholen
augustus 2001
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>3 Hógeschool van Kennis</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  Inhoudsopgave
  Aanbevelingsbrief                                                   3
  Inhoudsopgave                                                       5
  Samenvatting                                                        7
  1.    Inleiding                                                    15
        1.1     Kader                                                15
        1.1.1 Algemeen kader                                         15
        1.1.2 Het HBO in de kennisinfrastructuur                     19
        1.2    De adviesvraag                                        22
        1.3    Aanpak                                                24
  2.    Bevindingen                                                  27
        2.1    Bestaande en nieuwe modaliteiten van kenniscirculatie 27
        2.2    Afstemming curricula op de vraag                      28
        2.3    Stages                                                30
        2.4    Duaal onderwijs                                       33
        2.5    Gastdocenten en detachering van docenten              35
        2.6    Monitoring van innovaties                             37
        2.7    Begeleiding van startende ondernemers                 38
        2.8    Knelpunten op de arbeidsmarkt                         40
        2.8.1 Inleiding                                              40
        2.8.2 Kwantitatieve knelpunten                               40
        2.8.3 Kwalitatieve knelpunten                                42
        2.9     Ontwerp en ontwikkeling                              43
        2.9.1 Terminologie                                           43
        2.9.2 Wetgeving                                              44
        2.9.3 Pleidooien voor ontwerp en ontwikkeling in het HBO     45
        2.9.4 Ontwerp en ontwikkeling: door wie en waarom?           48
        2.9.5 Sectorverschillen                                      50
        2.9.6 Subsidies                                              51
        2.9.7 Lectoren                                               52
        2.10    Internet-ondersteunde kenniscirculatie               53
        2.11   Versterking van de hogeschool als kenniscentrum       55
5 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>       2.11.1 De bevindingen samengevat                   55
       2.11.2 De hogeschool als regionaal kenniscentrum   59
       2.11.3 Conclusie                                   63
  3.   Advies                                             65
       3.1    Het HBO in de kennisinfrastructuur          65
       3.2    De hogeschool als (regionaal) kenniscentrum 66
       3.3    Gewenste acties                             67
       3.3.1 De hogescholen                               67
       3.3.2 De overheid                                  70
       3.3.3 Werkgevers                                   73
       3.4    Beantwoording van de adviesvragen           75
6 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
  Het belang van kennis in onze samenleving neemt toe en daarmee ook de rol van
  de kennisinfrastructuur. Het HBO maakt deel uit van die kennisinfrastructuur. De
  ministers van OCenW en EZ hebben aan de Adviesraad voor het Wetenschaps- en
  Technologiebeleid (AWT) en de Onderwijsraad gevraagd hoe de bijdrage van de
  hogescholen aan de kennissamenleving verbeterd kan worden. In dit advies staat
  de kennisuitwisseling tussen het HBO en de beroepspraktijk _ ook wel aangeduid
  als kenniscirculatie _ centraal. Minder aandacht krijgt de samenwerking tussen
  hogescholen met universiteiten, ROC's, en andere kennisinstellingen, al moet
  worden gesteld dat deze aanzienlijk verbeterd kan worden (via uitwisseling van
  personeel, studiemateriaal, gezamenlijke onderwijs- en onderzoeksprojecten, en
  gezamenlijk apparatuurgebruik).
  In dit advies worden 9 modaliteiten van kenniscirculatie onderscheiden, zoals
  gastdocenten, contractonderwijs, benutting van stage-ervaringen in het
  onderwijs e.d. Al deze vormen van kenniscirculatie functioneren in de praktijk,
  maar er valt veel te verbeteren. Naast minder goed lopende zaken zijn diverse
  positieve initiatieven te noemen _ in het advies zijn ze met tekstkaders in het
  zonnetje gezet _ die erop wijzen dat hard gewerkt wordt aan de hogeschool als
  kenniscentrum. Ondanks de kritische opmerkingen van de Onderwijsraad en de
  AWT is de toonzetting van dit advies positief. Vandaar dat gekozen is voor de titel
  Hógeschool van Kennis; de hogeschool als instelling waarin studenten, docenten
  en kennis centraal staan.
  Bevindingen
  Ter voorbereiding van dit advies zijn 109 gesprekken gevoerd met 147 vertegen-
  woordigers van hogescholen (colleges van bestuur, opleidingsdirecteuren e.a.),
  beroepsverenigingen, onderzoeksinstituten, en werkgevers. De nuances wegla-
  tend, kan uit de gespreksronde _ aangevuld door rapporten van visitatiecommis-
  sies, de onderwijsverslagen van de Inspectie en de relevante literatuur _ het
  volgende beeld worden geschetst:
  1. Afstemming curricula op de vraag
  De afstemming van het curriculum op de vraag van het afnemend veld is
7 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  verbeterd, maar de contacten met het beroepenveld kunnen meer systematisch
  tot stand komen; niet zozeer via persoonlijke contacten als wel via branche-
  organisaties, alumni, beroepsverenigingen e.d. Competentiegericht leren is een
  nieuw punt van aandacht.
  2. Stages
  Stages zijn wel van belang voor de kennismaking van studenten met de beroeps-
  praktijk, maar ze blijken nauwelijks een rol te spelen in het kader van kennis-
  circulatie. De begeleiding is vaak marginaal, zodat van synergie tussen stagebe-
  geleiding en onderwijs zelden sprake is. Ook de ervaringen van de stagiairs
  worden onvoldoende benut voor het onderwijs.
  3. Duaal onderwijs
  Over het algemeen wordt duaal onderwijs wel als belangrijke factor in de kennis-
  circulatie gezien, maar deze modaliteit is nog niet over de hele linie van het HBO
  ingevoerd. De contacten tussen de hogescholen en grote bedrijven waar grote
  aantallen ‘duale studenten’ kunnen worden geplaatst, zijn in enkele gevallen
  goed, maar middelgrote en kleine bedrijven klagen erover dat de hogescholen
  hun duale studenten, eenmaal geplaatst, ‘loslaten’.
  4. Gastdocenten en detachering van docenten
  Overal wordt gebruik gemaakt van gastdocenten uit bedrijven en instellingen,
  maar detachering (of stages) van docenten bij bedrijven en instellingen lukt om
  praktische redenen niet.
  5. Monitoring van innovaties
  Van monitoring van innovaties via scholing, bezoek van vakbeurzen en
  congressen en dergelijke is over het geheel genomen nauwelijks sprake.
  Systematische toepassing van deze modaliteit hangt vooral af van het personeels-
  beleid binnen de instelling.
  6. Begeleiding van startende ondernemers
  De aandacht voor startende ondernemers neemt toe en steeds meer wordt het
  belang van een ondernemende houding bij studenten onderkend. Een voor-
  waarde is dat docenten gevoelig zijn voor het belang van ondernemerschap
  en kennis van zaken hebben; daarvan is in de meeste sectoren nog onvoldoende
  sprake.
8 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>  Het algemene beeld van de voorgaande zes punten is noch negatief noch
  positief. Toch is er reden voor zorg. De hogescholen worden namelijk geconfron-
  teerd met taken en vormen van kenniscirculatie, die relatief nieuw zijn. Het gevaar
  dreigt dat te veel energie naar die nieuwe vormen van kennisontwikkeling en -uit-
  wisseling gaat ten koste van de bovengenoemde modaliteiten. Dit is zorg-
  wekkend aangezien die modaliteiten nog onvoldoende functioneren. De gebre-
  ken van de kenniscirculatie worden niet opgelost door aan de bestaande moda-
  liteiten nieuwe toe te voegen. Dit is van belang, termeer omdat de extra aandacht
  die uitgaat naar nieuwe modaliteiten van kenniscirculatie ten koste kan gaan van
  de primaire taak van de hogescholen.
  In de adviesaanvraag wordt ook aandacht gevraagd voor relatief nieuwe
  modaliteiten van kenniscirculatie. De bevindingen zijn als volgt samen te vatten:
  7. Wegnemen van knelpunten op de arbeidsmarkt
  Over het geheel genomen gaat het bij kwantitatieve knelpunten op de arbeids-
  markt om een boven het aanbod uitstijgende vraag naar werknemers. Wat betreft
  de bijdrage van hogescholen aan het oplossen van deze knelpunten worden dua-
  lisering, flexibilisering van opleidingen en contractonderwijs genoemd. De
  synergie tussen regulier en niet-regulier onderwijs is vanuit de optiek van kennis-
  circulatie een punt van zorg.
      Wat betreft het oplossen van kwalitatieve knelpunten kan het HBO een
  bijdrage leveren door het afstemmen van de curricula op de maatschappelijke
  vraag, door de start van nieuwe opleidingen en door vraaggestuurde contract-
  activiteiten. Ook introductie van competentiegericht leren wordt als mogelijkheid
  genoemd, maar de vormgeving daarvan staat nog in de kinderschoenen.
  8. Ontwerp en ontwikkeling
  In de WHW is 'onderzoek' in het HBO ongedefinieerd. De Onderwijsraad en de
  AWT geven de voorkeur aan de term ontwerp en ontwikkeling (O&O): het ont-
  werpen en ontwikkelen van kennisproducten die direct toepasbaar zijn, zoals
  fysieke producten, productieprocessen, adviesdiensten, methodieken, handleidin-
  gen e.d. Er zijn allerlei pleidooien voor O&O in het HBO en er zijn ondertussen
  verscheidene voorbeelden te noemen die hieraan beantwoorden.
      In de praktijk gebeurt het overgrote deel van O&O door studenten in hun
  afstudeerfase. Het gaat voornamelijk om opdrachten van bedrijven en instellin-
  gen. De begeleiding door docenten kan een beperkte rol spelen of zeer intensief
  zijn, zodat een inspannings- of zelfs een resultaatverplichting wordt aangegaan.
  Niet altijd hebben bedrijven en instellingen voldoende projecten voor 'onderzoek'.
9 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>       Door het begeleiden van afstudeeropdrachten komen docenten in aanraking
   met de beroepspraktijk. Dit levert synergie op voor het primaire proces, het
   onderwijs.
       Het hoofdmotief voor uitbreiding van de mogelijkheden van ontwerp en ont-
   wikkeling door docenten moet volgens de AWT en Onderwijsraad de verweven-
   heid met het onderwijs zijn. Om capaciteit hiervoor op te bouwen is een zekere
   kritische massa noodzakelijk. Het concentreren in een aanloopfase van O&O-
   medewerkers in zogenaamde competentiecentra, dat op sommige plaatsen
   plaatsvindt, is een mogelijke optie, temeer daar afnemers hier positief tegenover
   staan. Voorlopig blijken dergelijke constructies echter, met name voor de appara-
   tuurintensieve sectoren, aangewezen op subsidies van de overheden en de EU, of
   op medegebruik van apparatuur bij universiteiten en onderzoeksinstituten.
   ICES/KIS-3 biedt mogelijkheden voor de hogescholen om in publiek-private
   samenwerking centra voor ontwerp en ontwikkeling op te zetten.
       Van lectoren wordt verwacht dat zij het zittende docentencorps - door de HBO-
   raad bestempeld als ‘routine-professionals’_ weten te upgraden tot ‘innovatie-pro-
   fessionals’. Het accent in de werkzaamheden van lectoren ligt eenzijdig op ‘onder-
   zoek’. Aan andere vormen van kenniscirculatie _ begeleiding van stagiairs en
   afstudeeropdrachten, gastdocenten, docenten-stages, monitoring van innovaties
   in de beroepspraktijk, het begeleiden van starters, synergie tussen regulier en niet-
   regulier onderwijs - wordt blijkens de tot nu toe beschikbare informatie niet of
   nauwelijks aandacht besteed. De AWT en de Onderwijsraad vinden dat de hoge-
   scholen kenniscirculatie over de brede linie moeten verbeteren.
   9. Internetondersteunde kenniscirculatie
   Internet kan kenniscirculatie ondersteunen. In de praktijk blijkt het moeilijk te zijn
   een consortium voor virtueel hoger onderwijs van de grond te krijgen.
   ICES/KIS-3 biedt een mogelijkheid voor het opzetten van publiek-private samen-
   werking. Te hopen is dat de hogescholen deze mogelijkheid ten volle zullen
   benutten.
   De hogeschool als (regionaal) kenniscentrum?
   Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er nog een lange weg is te
   gaan naar de hogeschool als kenniscentrum. De kenniscirculatie zou verbeterd
   kunnen worden, niet alleen door de 9 modaliteiten te versterken, maar ook door
   ze specifiek op de regio toe te spitsen. De hogeschool zou, zo kan worden gesteld,
   pas kenniscentrum zijn, als zij vooral de rol van regionaal kenniscentrum kan waar-
   maken.
10 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>   De vraag naar de hogeschool als regionaal kenniscentrum heeft een beeld opge-
   leverd waaruit valt af te leiden dat de hogeschool regionale betekenis heeft _
   externe contacten vinden om praktische redenen vooral in de regio plaats _ maar
   nog niet in de zin van een regionaal kenniscentrum. Wat betreft de samenwerking
   in de regio zijn de contacten met het afnemend veld in de regio niet gebaseerd
   op een hogeschool-beleid, dat specifiek op de regio is gericht. Omgekeerd geldt
   ook voor bedrijven en andere arbeidsorganisaties dat de hogeschool in de regio
   niet altijd een vanzelfsprekende partner voor kennisuitwisseling is. Er zijn echter
   initiatieven _ de regioregisseurs van de HBO-raad en MKB-Nederland, en het con-
   venant EZ-IPO-VNG-V&W ‘Samenwerking in de regio’ _ die hierin verbetering
   kunnen aanbrengen.
       Van de mogelijkheid om de 30% vrije ruimte in het curriculum ook regionaal
   in te kleuren wordt slechts in enkele gevallen gebruik gemaakt.
   Aanbevelingen
   De hogescholen zijn in eerste instantie verantwoordelijk om alle modaliteiten van
   kenniscirculatie tot bloei te brengen. Daarnaast is een rol weggelegd voor de
   overheid.
   .   De hogescholen kunnen tal van initiatieven nemen om de kenniscirculatie te
   versterken. In het advies zijn diverse voorbeelden genoemd die navolging verdie-
   nen: in samenwerking met werkgeversorganisaties ontwikkelen van competentie-
   gerichte curricula, speciale stageprogramma's, maatwerk voor duaal onderwijs,
   systematisch benaderen van werkgevers voor gastdocenten, contacten leggen
   met beroeps-verenigingen voor werkbezoeken en scholing, het opzetten van faci-
   liteiten voor afgestudeerden die een eigen bedrijf willen starten, maatwerk voor
   contractonderwijs waarbij docenten uit het reguliere onderwijs ingeschakeld wor-
   den, het opzetten voor expertisecentra voor ontwerp en ontwikkeling, het ont-
   wikkelen van faciliteiten voor virtueel onderwijs e.d.
   Een voorwaarde om dergelijke initiatieven te kunnen ontwikkelen, is dat de
   opleidingen zich als kenniskring naar buiten presenteren en functioneren in inno-
   vatieve netwerken van bedrijven, instellingen en kennisinstituten. Ook het mana-
   gement dient zich sterker op de omgeving te richten.
       Niet alleen moet de blik meer naar buiten worden gericht, ook de interne orga-
   nisatie verdient de nodige aandacht. Het HRM-beleid is verbeterd, maar dient te
   worden aangevuld met een op het kennisprofiel gerichte taakdifferentiatie voor
   docenten.
11 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>   Het beleid van de hogescholen ter verbetering van de kenniscirculatie en de indi-
   viduele productiviteit van docenten op dit gebied zou moeten worden
   verantwoord in jaarverslagen en het dient beoordeeld te worden in visitaties.
   Immers, er is een direct verband tussen het succes van de kennisuitwisseling met
   de beroepspraktijk en de competenties van de afgestudeerden. Kenniscirculatie,
   kwaliteit van docenten en kwaliteit van het onderwijs zijn onlosmakelijk met elkaar
   verbonden.
   .   Voor de overheid - landelijk en regionaal - is een rol weggelegd om de hoge-
   scholen in hun kennismanagement te ondersteunen en aan te moedigen. Voor de
   vakdepartementen en de lokale overheden kan hier vooral een welbegrepen
   eigenbelang in het geding zijn.
   Een verantwoordelijkheid van de minister van OCenW is in het gesprek met de
   hogescholen aan de orde te stellen welke vorderingen zij maken in het verbeteren
   van hun kennisprofiel. De hogescholen informeren de minister opdat een zinvol-
   le dialoog tot stand komt. Daarnaast heeft minister een verantwoordelijkheid om
   de structurele bekostiging op peil te houden. Van de hogescholen mag worden
   verwacht dat zij alle modaliteiten van kenniscirculatie tot bloei brengen, maar dan
   moet de structurele bekostiging wel voldoende zijn. Extra fondsen ter stimulering
   van afzonderlijke modaliteiten van kenniscirculatie zouden eigenlijk niet nodig
   moeten zijn.
   Het ministerie van EZ kan het HBO veel meer betrekken bij het subsidie-instru-
   mentarium voor innovaties. In principe staan alle EZ-regelingen open voor de
   hogescholen, maar daarvan wordt niet altijd expliciet melding gemaakt. Voor de
   nieuwe ronde voor ICES/KIS kunnen de hogescholen in samenwerking met
   bedrijven en instellingen voorstellen indienen om kenniskringen van de grond te
   krijgen.
   Vakdepartementen, zoals VWS, VROM, V&W, BZK, OCenW en Justitie, zouden
   hogescholen opdrachten kunnen geven voor ontwerp en ontwikkeling op ter-
   reinen van staatszorg. Ook zouden de vakdepartementen de hogescholen meer
   kunnen betrekken bij 'hun' kennisnetwerken. Hogescholen maken immers deel uit
   van de publieke kennisinfrastructuur (en de hogescholen moeten uiteraard deze
   rol kunnen waarmaken).
   De provincies ontwikkelen steeds meer een eigen innovatiebeleid. Hierbij
   zouden hogescholen ingeschakeld kunnen worden. Het HBO kan met name het
   regionale MKB wat te bieden hebben. De contacten tussen provincies en de hoge-
12 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>   scholen in hun regio zijn echter niet structureel. Het IPO heeft het initiatief
   genomen hierin verbetering aan te brengen.
13 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>              1            Inleiding
                           Onze samenleving is in toenemende mate een kennissamenleving. Daarmee
                           neemt ook het belang toe van instituties die zich bezighouden met het genereren
                           en verspreiden van kennis; deze worden samen de kennisinfrastructuur genoemd.
                           Omdat ook het hoger beroepsonderwijs (HBO) deel uitmaakt van de kennis-
                           infrastructuur is het belangrijk om na te denken over de rol en positie van het HBO
                           daarbinnen. Dit gezamenlijke advies van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en
                           Technologiebeleid (AWT) en de Onderwijsraad is bedoeld om bij te dragen aan
                           deze gedachtenvorming. Het advies probeert met name een antwoord te geven
                           op de vraag hoe de bijdrage van het HBO aan de kennisinfrastructuur kan worden
kennisuitwisseling met de  verbeterd. Daarbij staat de kennisuitwisseling met de beroepspraktijk centraal. In
    beroepspraktijk staat  het eerder uitgebrachte gezamenlijke advies HBO en kenniscirculatie van juni 1999
                  centraal is ditzelfde thema op hoofdlijnen besproken. Het voorliggende advies geeft een
                           verdere uitwerking. Naast een nadere bespreking van de knelpunten in de
                           bestaande situatie komen ook mogelijkheden voor verbetering via bestaande en
                           nieuwe wegen aan de orde.
                           1.1 Kader
                           In deze paragraaf wordt het achterliggende kader van de adviesvraag en dit advies
                           aangegeven. Eerst wordt meer in het algemeen ingegaan op het begrip kennis,
                           de rol van kennis in onze samenleving, de kennisinfrastructuur en het overheids-
                           beleid terzake (§1.1.1). Vervolgens wordt specifieker ingegaan op het HBO binnen
                           de kennisinfrastructuur en verschillende recente voorstellen, initiatieven en
                           ontwikkelingen op dat terrein (§1.1.2).
                           1..1..1 Algemeen kader
                           Informatie en kennis in onze samenleving
                           In de knowledge based economy is kennisintensiteit een kernwaarde van de samen-
                           leving en als zodanig een element van staatszorg. De mondiale beschikbaarheid
                           van informatiestromen vereist allerlei vormen van kennis om deze informatie
                           doelmatig te kunnen exploiteren. Kennismanagement is het trefwoord waarmee
                           getracht wordt een veelheid aan kennisdimensies beheersbaar te maken.
                       15  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                            Fundamentele kennis, technologische kennis, maatschappelijke kennis,
                            vakmanschap et cetera presenteren zich in diverse stadia aan de samenleving: het
                            genereren, het archiveren, het ontsluiten, en het verspreiden van kennis. Men
                            bedenke daarbij dat wetenschappelijk onderzoek weliswaar een wezenlijk maar
                            heel beperkt deel is van het genereren van kennis en dat ons land mondiaal gezien
    kenniscirculatie HBO en slechts enige procenten van dat deel voor zijn rekening neemt. De kennis-
wetenschappelijk onderzoek  circulatie rond het HBO en het wetenschappelijk onderzoek in ons land zijn
         zijn niet synoniem bepaald geen synoniemen. Nederland Kennisland zal in aanzienlijke mate
                            gedragen moeten worden door HBO-afgestudeerden, die zich thuis moeten
                            voelen in kennisnetwerken, die om kunnen gaan met communicatiepaden en die
                            een grote beweeglijkheid, nieuwsgierigheid en creativiteit in het brede kennis-
                            domein weten op te brengen.
                               Een algemene omschrijving van kennis is het door onderzoek, studie, oefening
                            of aanleg en ervaring verkregen ‘weten’. Daarbij kan ‘weten’ zowel slaan op
     diverse soorten kennis inzicht hebben in het wat en hoe binnen een bepaald vakgebied (functionele
                            kennis), als op weten te handelen (know how, operationele kennis) en op het
                            weten in welke situaties of omgevingen en wanneer iets aan de orde is (contex-
                            tuele kennis). Wetenschappelijke kennis, ontwerp- en proceskennis en kennis over
                            de manier waarop innovaties tot stand komen, ligt besloten in allerlei maatschap-
                            pelijke processen, producten en diensten. Het gaat niet alleen om technologische
                            kennis, maar ook om kennis van logistiek en organisatie, talen, culturele
                            verworvenheden en sociale processen.1 Expliciete kennis betreft relatief eenvoudig
                            vast te leggen (te codificeren) en over te dragen informatie die betrekking heeft
                            op kennis en weten. Daarnaast is er impliciete kennis (tacit knowledge), waarbij de
                            mens zelf kennisdrager is en die bestaat uit ervaringen, vaardigheden en attitudes
                            die door vooral aanleg en ervaring zijn ontwikkeld.2 Voor een deel kan impliciete
                            kennis worden vastgelegd en daarmee expliciete, gecodificeerde kennis worden.
                               Deze begripsomschrijving maakt duidelijk dat kennis op allerlei manieren een
                            rol speelt in onze samenleving. Gezien het toenemende economische belang van
                            kennis wordt tegenwoordig ook wel van de ontwikkeling tot een kennissamenle-
        kennissamenleving   ving gesproken. Kenmerkend hiervoor is niet alleen de steeds meer centrale rol
                            van kennis en de groeiende vraag naar en beschikbaarheid van gecodificeerde
                            kennis, maar ook de snelle veroudering en vernieuwing van kennis (toenemende
                            kennisdynamiek), de stijgende behoefte aan hoger opgeleiden, en het sterker
                            wordende belang van en het vermogen de eigen kennis op peil te houden (een
                            leven lang leren).
                            1   CBS, Kennis en economie 1998, onderzoek en innovatie in Nederland. CBS, Voorburg/Heerlen, 1998.
                            2   Weggeman, M.C.D.P., Kenniswerkers, kennis en kennismanagement. Th&ma, jrg.1998, nr. 4.
                         16 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                                   Dit alles heeft een duidelijke impact op arbeidsorganisaties, de arbeidsmarkt en
                                het onderwijs. Zo kunnen arbeidsorganisaties (bedrijven en non-profit
                                instellingen) niet meer volstaan met het aantrekken van (hoger) gekwalificeerd
                                personeel. Zowel arbeidsorganisaties als werknemers moeten investeren in het up
competenties, employability,    to date houden van competenties en employability. De inhoud van beroepen
                    leren leren verandert, er verdwijnen beroepen en er ontstaan nieuwe beroepen. In het onder-
                                wijs wordt steeds meer rekening gehouden met het feit dat kwalificaties een
                                beperkte houdbaarheid hebben en dat naast kennisverwerving ook ’leren leren’
                                noodzakelijk is. De notie en introductie van competentiegericht onderwijs heeft
                                ook duidelijke gevolgen voor de inrichting van het onderwijs en voor de
                                docenten.
                                   Tot slot kan worden opgemerkt dat informatie- en communicatietechnologie
               rol ICT cruciaal (ICT) bij de ontwikkeling tot een kennissamenleving een cruciale, katalyserende
                                functie heeft. Enerzijds omdat met behulp van ICT kennis zich in een hoog tempo
                                kan ontwikkelen (virtueel onderwijs), anderzijds biedt ICT op iedere plaats en
                                ieder tijdstip informatie aan, die met kennis van zaken leidt tot doelmatig hande-
                                len en beslissen, en innovatie bevordert.
                                De kennisinfrastructuur
                                Naarmate onze samenleving meer kenmerken van een kennissamenleving krijgt,
                                neemt ook het belang van de zogeheten kennisinfrastructuur toe. Deze kennis-
                                infrastructuur wordt gevormd door verschillende (semi-)publieke instituties die
                                zich bezighouden met het genereren en verspreiden van kennis. Naast onderwijs-
                                instellingen en universiteiten (onderwijs en onderzoek) gaat het ook om andere
                                kennisgenererende en/of -distribuerende instellingen zoals TNO, de grote
       HBO is onderdeel van     technologische instituten, DLO en Academische Ziekenhuizen. In principe kunnen
publieke kennisinfrastructuur   ook technologisch geavanceerde bedrijven als kenniscentra worden aangemerkt.
                                In deze private organisaties is kennisontwikkeling meestal van oudsher vooral
                                bedoeld voor de organisatie zelf en niet of minder voor (vrije) verspreiding ten
                                bate van andere partijen in de samenleving, uitgezonderd de advies- en
                                ingenieursbureaus. De laatste jaren zijn private kennisorganisaties op dit vlak meer
                                open geworden, in toenemende mate wordt kennis gedeeld met andere partijen.
                                Desalniettemin wordt de term kennisinfrastructuur doorgaans nog steeds
                                gereserveerd voor publieke instellingen. In het voorliggende advies wordt ook van
                                deze afbakening tot de publieke sector uitgegaan. Tevens wordt uitgegaan van
       binair karakter HBO is   het bestaande binaire karakter van het hoger onderwijs, waarbij het HBO primair
                 uitgangspunt   beroepsgericht van karakter is en het WO primair wetenschappelijk van aard.
                             17 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                                 Niet alleen neemt met de ontwikkeling tot een kennissamenleving het belang
                              van de kennisinfrastructuur toe, ook het karakter ervan verandert. De aangegeven
                              ontwikkelingen werken namelijk door in de kennisinfrastructuur. Naarmate de
                              houdbaarheid van kennis afneemt en kennisontwikkeling buiten de setting van
                              het onderwijs toeneemt, raken taken en functies binnen de kennisinfrastructuur in
                              principe steeds meer met elkaar verweven. Hiervan kunnen verschillende praktijk-
                              voorbeelden worden gegeven, zoals het project Kennishaven in Rotterdam, het
ondanks praktijkvoorbeelden   project Met Kennis Beter in Zuidoost Brabant, het Impuls-project in Alkmaar en het
     van kennisuitwisseling   onderzoeks- en expertisecentrum voor preventieve gezondheidszorg SENECA in
hogescholen en bedrijven …    Gelderland. In al deze projecten is sprake van samenwerking en kennisuitwisseling
                              tussen hogescholen en bedrijven.3 Meer in het algemeen signaleert de door het
                              ministerie van Economische Zaken uitgebrachte discussienota De economie van de
                              21ste eeuw dat bedrijven bezig zijn met een overgang van een productiegerichte
                              bedrijfsorganisatie naar een organisatie gericht op het managen van kennis. Voor
                              dit kennismanagement is niet alleen de eigen specifieke kennisorganisatie
                              (R&D-afdelingen) van belang, maar hebben in toenemende mate ook de gehele
                              organisatie en externe instanties een functie. Dit kunnen andere bedrijven zijn,
                              maar ook onderwijsinstellingen en onderzoeksinstituten.4
      heeft kenniscirculatie     Ondanks deze voorbeelden en trends kan tegelijkertijd worden gesteld dat de
            tekortkomingen    toenemende verwevenheid van taken en functies binnen de kennisinfrastructuur
                              nog niet overal even goed terug zijn te zien. De binnen de kennissamenleving
                              benodigde uitwisseling van kennis tussen onderwijsinstellingen, beroepspraktijk
                              en andere kennisinstellingen (kenniscirculatie) vertoont nog haperingen.
                              Verschillende factoren belemmeren de totstand-koming van een optimale kennis-
                              circulatie binnen dynamische netwerken. In de hierboven aangehaalde
                              EZ-discussienota wordt gesteld dat er voldoende prikkels aanwezig moeten zijn
                              om onderwijs- en onderzoeksinstituten op de vraag naar kennis te laten inspelen.
           netwerkvorming     In de recente AWT-verkenning over ICT-kennis en de netwerkeconomie wordt
       kennisinstellingen en  geconstateerd dat niet alleen bij kennis-instellingen het nog ontbreekt aan een
        bedrijfsleven is niet voldoende openheid en gevoeligheid voor vraagstellingen vanuit het bedrijfs-
           vanzelfsprekend    leven, maar dat ook bij bedrijven en andere organisaties een attitudeverandering
                              noodzakelijk is om tot wisselwerking en netwerkvorming te komen.
                              3   Werkgroep HBO-raad en VNO-NCW, De hogeschool als kennispoort. HBO-raad, Den Haag, oktober
                                  1999, pag.6.
                              4   Ministerie van Economische Zaken, De economie van de 21ste eeuw. Ruim baan voor kennis en keuzes,
                                  Ministerie van Economische Zaken, Den Haag, oktober 2000, pag.31-25, 71. Recentelijk is het
                                  rapport van Pieter Winsemius De Maatschap Nederland verschenen.
                          18  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                         Met name publieke kennisinstellingen worden door het bedrijfsleven niet altijd
                         gezien als vanzelfsprekende partners in een innovatienetwerk.5
                         Overheidsbeleid
                         De rijksoverheid heeft bij de ontwikkeling van de kennissamenleving een stimule-
                         rende en faciliterende rol. De SER bepleit in het advies Sociaal-economisch beleid
                         2000-2004 (juni 2000) onder meer een versterking van de rol en positie van
                         onderwijs, scholing en onderzoek (elementen van de kennisinfrastructuur) om te
                         kunnen komen tot een adequate toerusting van burgers, werknemers en onder-
                         nemingen op de kennissamenleving. Gestreefd moet worden naar flexibele
                         instellingen die adequaat kunnen inspelen op gedifferentieerde maatschappelijke
                         behoeften, aldus het SER-advies.
                            In de beleidsnota De kenniseconomie in zicht (september 2000)6 geeft het
                         kabinet in het verlengde van de afspraken op de Europese top in maart 2000 (de
                         zogeheten Lissabon-agenda) aan welke concrete maatregelen in 2001 worden
                         genomen in het licht van de overgang naar een kenniseconomie. Voor 2001 zijn
  2,5 miljard extra voor 2,56 miljard extra uitgaven beoogd. Het geld is onder meer bedoeld voor uit-
onderwijs en onderzoek   bouw van de informatiesamenleving, verbetering van de onderzoeksinfrastruc-
                         tuur en het innovatieklimaat, en een goed opgeleide en breed inzetbare beroeps-
                         bevolking. Wat betreft de onderzoeksinfrastructuur en het innovatieklimaat gaat
                         het met name om investeringen in de ontwikkeling van kennis in universiteiten,
                         hogescholen en onderzoekscentra, maar ook in technologisch geavanceerde
                         bedrijven. Investeringen in de opleiding en brede inzetbaarheid van de beroeps-
                         bevolking houden verband met de kennisdynamiek en het belang van een leven
                         lang leren. In dat verband wordt gestreefd naar meer ruimte voor onderwijsin-
                         stellingen om op de wensen van burgers en arbeidsorganisaties in te spelen;
                         tevens worden werknemers aangemoedigd om door middel van scholing hun
                         kennis en vaardigheden op peil te houden. Eén van de doelstellingen van de
                         Lissabon-agenda is om onderwijsinstellingen, alle aangesloten op internet, uit te
                         bouwen tot veelzijdige lokale leercentra en om onderwijsinstellingen, bedrijven
                         en onderzoeksinstellingen leerpartnerschappen te laten aangaan.
                         1..1..2 Het HBO in de kennisinfrastructuur
                         Huidige situatie en bestaande visies op wenselijke ontwikkelingen
                         Het hoger onderwijs is één van de actoren binnen de kennisinfrastructuur. Onder
                         5   Verlangen naar de eindeloze zee; Rapportage van de verkenningscommissie 'Kennis voor de
                             Netwerkeconomie'; AWT-achtergrondstudie nr 20, Den Haag, januari 2001.
                         6   TK 2000-2001, 27 406, nrs.1-2.
                      19 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                            meer in het HOOP 2000 en het SER-advies daarover worden de recente ont-
   marktoriëntatie HBO is   wikkelingen op dit vlak besproken.7 Zo is het hoger onderwijs zich de laatste jaren
  toegenomen, maar kan      steeds meer gaan richten op de maatschappelijke vraag, zowel binnen het kader
                  versterkt van het primaire proces (studentgericht initieel onderwijs) als daarbuiten
                            (contract-onderwijs en contractonderzoek). Een dergelijke marktoriëntatie kan bij-
                            dragen aan het toeleveren van voldoende hoger opgeleiden aan de arbeidsmarkt,
                            het onderhouden van kwalificaties van de beroepsbevolking en het ondersteunen
                            van innovaties in het bedrijfsleven. Om deze marktoriëntatie verder te
                            ontwikkelen zijn volgens de SER drie dingen nodig, namelijk:
                            .   versterking van contractonderwijs en -onderzoek,
                            .   versterking van de positie van het hoger onderwijs in regionale kennisnet-
                                werken via stages, duale trajecten, gastdocentschappen en docentenstages, en
                                samenwerkingsallianties of partnerschips tussen onderwijsinstellingen en
                                bedrijven en
                            .   versterking van de rol van het hoger onderwijs als interactief kenniscentrum,
                                met name waar het gaat om de directe bijdrage aan innovaties en aan een
                                kennisintensiever MKB.
                            Waar bij universiteiten het accent ligt op een sterkere profilering mede tegen de
regionale inbedding HBO     achtergrond van de toenemende internationalisering, gaat het bij hogescholen
                is beperkt  met name om een krachtige regionale inbedding ter versterking van de
                            innovatieve functie van het HBO. Zoals aangegeven in het genoemde gezamen-
                            lijke advies van de Onderwijsraad en de AWT HBO en kenniscirculatie (juni 1999)
                            zijn er al verschillende ontwikkelingen op dat vlak (stages, duale trajecten, gast-
                            docenten en dergelijke), maar zijn er echter ook verschillende knelpunten. Ten
                            eerste is de positie van het HBO binnen de kennisinfrastructuur niet helder
                            genoeg, waardoor de verbindingen met de andere kennisinstellingen onvol-
                            doende worden benut. Ten tweede zijn er tekortkomingen in de bestaande
                            instrumenten waarmee kenniscirculatie wordt vormgegeven.8
SER pleit voor hogeschool       In dat verband stelt de SER in het eerder genoemde advies Sociaal-economisch
     als kennispoort en…    beleid 2000-2004 (juni 2000) dat instellingen voor hoger onderwijs zich moeten
                            ontwikkelen tot ‘kennispoort’, een structureel en interactief knooppunt tussen
                            aanbod van en vraag naar goed opgeleide werknemers. Eerder heeft een werk-
                            groep van het VNO-NCW en de HBO-raad in het advies De hogeschool als
                            7    Ministerie van OCenW, Ontwerp HOOP 2000. SDU, Den Haag, 1999, pag. 65-72.
                            8    Als bestaande manieren zijn zes modaliteiten onderscheiden: 1) afstemming van curricula op de
                                 vraag, 2) stages, 3) duaal onderwijs, 4) gastdocenten en detachering van docenten, 5) monitoring
                                 van innovaties (via vakbeurzen, beroepsverenigingen en dergelijke) en 6) begeleiding van startende
                                 ondernemers.
                        20  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                           kennispoort (oktober 1999) al een aantal suggesties gedaan voor de inrichting van
                           hogescholen als kennispoort. Zo bepleit de werkgroep de start van een
                           pilot-project waarin enkele hogescholen een ‘bouwbestek kennispoort’ met
                           aanbevelingen, voorbeelden en dergelijke ontwikkelen. Het bouwbestek zou ver-
                           volgens kunnen worden gebruikt bij de ontwikkeling van een audit-instrument
                           waarmee hogescholen hun positie en te zetten stappen op de weg naar een
dit concept is uitgewerkt  kennispoort kunnen bepalen. Op basis van een aantal praktijkvoorbeelden geeft
     door een werkgroep    de werkgroep ook een indicatie van criteria en condities voor hogescholen als
 HBO-raad en VNO-NCW       kennispoorten. Voorbeelden daarvan zijn de aanwezigheid van een bedrijfsplan
                           (gebaseerd op een marktverkenning en eigen sterke punten), het voeren van
                           kennismanagement, het gebruik van relevante netwerken en intermediairs, en het
                           voeren van een personeelsbeleid dat mede gericht is op de functie van
                           kennispoort (naast die van opleidingencentrum) en daarvoor stimulansen en
                           faciliteiten biedt, incentives van de kant van de overheid en een actieve opstelling
                           van intermediaire organisaties zoals arbeids- en uitzendbureaus.
                           Initiatieven en ontwikkelingen
 diverse initiatieven voor De laatste jaren zijn er verschillende concrete initiatieven genomen om HBO,
       versterking relatie arbeidsmarkt en beroepspraktijk dichter tot elkaar te brengen. Enkele voorbeelden
     HBO-beroepspraktijk   daarvan zijn de volgende:
                           .   Uit het Vernieuwingsfonds HBO worden financiële bijdragen geleverd aan
                               projecten op het grensvlak van onderwijs en arbeid en die bijdragen aan de
                               vernieuwing van het primaire proces in het HBO.
                           .   In 1995 hebben de HBO-raad en MKB-Nederland een convenant afgesloten
                               om de contacten tussen HBO en midden- en kleinbedrijf te verbeteren.
                               Sindsdien is de afstemming van het onderwijs op de vraag vanuit het MKB ver-
                               beterd en is de instroom van HBO-ers in het MKB gegroeid. Een recent initia-
                               tief is de aanstelling van speciale regioregisseurs per januari 2001. Deze zijn ver-
                               antwoordelijk voor structurele contacten tussen HBO en MKB, zodanig dat
                               meer studenten kennismaken met het MKB en meer bedrijven gebruik maken
                               van de mogelijkheden voor kennisimpulsen vanuit het HBO.
                           .   De regeling Kennisdragers in het MKB (KIM-regeling) stimuleert dat
                               MKB-bedrijven ingenieurs van hogescholen of universiteiten in dienst nemen
                               voor innovatieve technologische projecten.
                           .   Werkgevers kunnen een fiscale tegemoetkoming krijgen wanneer ze studenten
                               van duale opleidingen in dienst nemen.
                           .   TNO en de HBO-raad hebben in november 2000 een intentieverklaring uitge-
                               sproken voor verdere structurele uitbouw van de samenwerking, onder meer
                               via gezamenlijke kennisontwikkeling, gastdocentschappen en stages. Deze
                       21  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                intensivering van de samenwerking vindt plaats tegen de achtergrond van het
                                steeds belangrijker worden van innovatie en kennisontwikkeling enerzijds en
                                overdracht van deze kennis aan studenten en bedrijven anderzijds. Momenteel
                                wordt gewerkt aan een raamovereenkomst waarin deze intenties nader worden
                                ingevuld.
                             .  Van het plan om 60 lectoren in het HBO aan te stellen, kan worden verwacht
                                op bescheiden schaal een bijdrage wordt geleverd aan de omvorming van
                                HBO-instellingen tot veelzijdige en brede kenniscentra.9 De 60 lectoren worden
                                gefinancierd uit structureel vrijgemaakte middelen en een incidenteel extra
                                budget voor het Vernieuwingsfonds. De bedoeling van dit initiatief is twee-
                                ledig. Ten eerste is de insteek dat de lectoren leiding gaan geven aan een groep
                                hooggekwalificeerde docenten in een kenniskring en daarmee het gezicht naar
                                scholen, arbeidsorganisaties en andere instellingen vormen. Het instellen van
                                het lectoraat zou daarnaast ook kunnen bijdragen aan de aantrekkelijkheid van
                                het werk in het HBO zelf. Met name zouden de taakinhoud en het niveau van
                                functies in het HBO gevarieerder kunnen worden vanwege de deelname aan
                                de kenniskringen en de mogelijkheden voor kennisuitwisseling met bedrijven
                                en andere instellingen (bijvoorbeeld via docentenstages en gastdocent-
                                schappen) en voor studie en 'onderzoek'10 door HBO-docenten.
                             1.2 De adviesvraag
                             Achtergrond
adviesvraag over aansluiting De adviesvraag kan worden gezien tegen de bredere achtergrond van een beno-
           primaire taak bij digde reflectie op het HBO binnen de kennissamenleving. Met name gaat het om
   kennissamenleving en …    de vraag welke activiteiten en maatregelen kunnen bijdragen aan het versterken
                             van de kenniscirculatie. Het kan hierbij zowel gaan om mogelijkheden in het ver-
                             band van de primaire taak van het HBO (initieel onderwijs) als in het verband van
                             het bredere kader van niet-regulier onderwijs, scholing en 'onderzoek'.
                                Wat betreft mogelijkheden in het verband van de primaire taak van het HBO is
                             het uitgangspunt dat deze primaire taak dient aan te sluiten bij de ontwikkelingen
                             9 HBO-raad, Position paper november 2000.
                             10 Wanneer de termen 'onderzoek' of 'toegepast onderzoek' worden gebruikt in verband met het HBO,
                                 zetten de AWT en de Onderwijsraad deze tussen aanhalingstekens, omdat de terminologie niet
                                 optimaal past bij de huidige activiteiten in het HBO. De raden geven de voorkeur aan de term 'ont-
                                 werp en ontwikkeling'. In hoofdstuk 2.9.1 wordt hier nader op ingegaan.
                          22 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                           in de kennissamenleving en dat de toegankelijkheid gewaarborgd dient te zijn. De
                           vraag is vervolgens of die aansluiting er ook is en of het potentieel aan kennis in
                           het HBO ook door anderen dan alleen HBO-studenten kan worden aangeboord.
                           In het verlengde daarvan ligt de vraag in hoeverre verbeteringen nodig zijn en
                           hoe die kunnen worden gerealiseerd.
                              Wat betreft mogelijkheden in het bredere kader van onderwijs, scholing en
...over nieuwe vormen van  'onderzoek' is de vraag in hoeverre het HBO naast de primaire taak nog andere
  onderwijs en ‘onderzoek’ taken zou moeten hebben en andere doelgroepen zou moeten bereiken. In het
                           verlengde daarvan ligt de vraag of dergelijke andere taken naast de primaire taak
                           gezien moeten worden als reguliere of als extra taken. In samenhang daarmee is
                           ook de vraag naar de financiële consequenties van het een en ander van belang.
                           Adviesvraag
                           In de adviesvraag wordt verwezen naar het eerder door de Onderwijsraad en de
                           AWT uitgebrachte advies en de daarin onderscheiden zes operationele manieren
                           van kenniscirculatie (modaliteiten).11 In de praktijk functioneren deze modali-
                           teiten al enige tijd. Voor het vervolgadvies wordt een inventarisatie van even-
                           tuele manco's gevraagd en concrete aanbevelingen.
                           Daarnaast wordt ook om een verdergaande analyse gevraagd, met name een
                           analyse die zich ook richt op andere dan de bestaande kanalen (zoals genoemd in
                           het eerste advies) en op kenniscirculatie die concreet bijdraagt aan de upgrading
                           van de beroepsbevolking. In dit licht wordt aandacht gevraagd voor mogelijk-
                           heden van verbetering van de bijdragen van het HBO aan arbeidsorganisaties, in
                           het bijzonder:
                           - de oplossing van knelpunten op de arbeidsmarkt (hierbij kan gekeken worden
                              naar het reguliere aanbod, het niet-reguliere aanbod en de aansluiting bij
                              andere onderwijstypen),
                           - bijdrage aan innovaties in arbeidsorganisaties (bedrijfsleven en non-profit
                              instellingen),
                           - de hogeschool als regionaal kenniscentrum en
                           - ‘toegepast onderzoek’ en advies.
                           Deelvragen
                           Voorgaande adviesvraag kan worden uiteengelegd in de volgende vier
                           deelvragen:
                           11 Zie voor deze zes modaliteiten voetnoot 8.
                       23  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                  1. Welke eventuele manco's kunnen in (onderscheiden sectoren van) het HBO
                      worden geconstateerd als het gaat om de volgende modaliteiten: afstemming
                      van curricula op de vraag, stages, duaal onderwijs, gastdocenten en detache-
                      ring van docenten, monitoring van innovaties (via vakbeurzen, beroeps-
                      verenigingen en dergelijke) en begeleiding van startende ondernemers?
                  2. Welke rol kan het HBO spelen bij het wegnemen van knelpunten op de arbeids-
                      markt, met name via (aanpassingen in) het regulier onderwijsaanbod, het niet-
                      reguliere aanbod en in relatie tot andere onderwijstypen?
                  3. Welke rol kan het HBO spelen bij innovaties in het bedrijfsleven en als regionaal
                      kenniscentrum?
                  4. Welke rol kan het HBO spelen als het gaat om ‘toegepast onderzoek’ en advies?
                  Bij elk van deze vier deelvragen zijn specifieke aandachtspunten:
                  - Welke overeenkomsten en verschillen zijn er tussen sectoren?
                  - In hoeverre speelt het HBO al een dergelijke rol?
                  - Welke verbeteringen zijn eventueel wenselijk?
                  - Hoe kunnen die verbeteringen worden gerealiseerd?
                  1.3 Aanpak
                  Voor de verzameling van benodigde informatie is uitgegaan van sectoren die
                  corresponderen met de indeling zoals die voor het hoger onderwijs wordt
                  gehanteerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (Croho).
                  Aangezien in het kader van dit advies de Croho-onderdelen Recht en Natuur niet
                  relevant zijn omdat daarin slechts één (niet-bekostigde) HBO-opleiding voorkomt,
                  is informatie ingewonnen over de volgende Croho-onderdelen, verder aangeduid
                  als ‘sectoren’:
                  - techniek
                  - gezondheidszorg
                  - economie
                  - landbouw en natuurlijke omgeving
                  - onderwijs (lerarenopleidingen)
                  - gedrag en maatschappij (in casu opleidingen hoger sociaal-agogisch onder
                      wijs)
                  - taal en cultuur (in casu kunstvakonderwijs).
109 gesprekken in In totaal zijn 109 gesprekken gevoerd, met 147 personen. De tabel geeft een cij-
  7 HBO-sectoren  fermatig beeld van de gesprekken.
              24  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                          Sector                      Hogescholen       (Veld) organisaties     Totaal
                          Techniek                           11                   11               22
                          Gezondheidszorg                      5                    6              11
                          Economie                             8                    9              17
                          Hoger agrarisch onderwijs            4                    8              12
                          Lerarenopleiding                     5                    6              11
                          Hoger sociaal-agogisch
                          onderwijs                           10                    8              18
                          Kunstvakonderwijs                    8                  10               18
                          Totaal                             51                   58              109
onder leiding van externe Voor de gesprekken zijn door de AWT en de Onderwijsraad de volgende externe
          deskundigen …   deskundigen als gespreksleiders ingeschakeld:
                          - W.J.H. Draisma RA, consultant, voormalig hoofddirecteur Rabobank Eindhoven
                              en voormalig hoofd Accountantsdienst Rabobank (sector Economie);
                          - Ferro markt- en communicatieonderzoek (telefonische interviews met perso-
                              nen uit de sectoren sociaal-agogisch onderwijs en Kunstvakonderwijs);
                          - ir. J. Lettinga, voormalig lid Raad van Bestuur Delft Instruments (sector
                              Techniek);
                          - mr. P.W.J.M. Manders, voormalig directeur Stichting Waalborg te Druten;
                          - dr. J. Nieuwenhuis, voormalig directievoorzitter Unilever Research Laborato-
                              rium Vlaardingen (sector Hoger agrarisch onderwijs).
                          - voor de sector lerarenopleidingen is een workshop georganiseerd waaraan
                              werkgevers en vertegenwoordigers van de lerarenopleidingen hebben deelge-
                              nomen.
                          Wat de keuze van de gesprekspartners betreft, hebben voor de onderscheiden
                          sectoren in het algemeen criteria gegolden als omvang en spreiding over het land.
                          Verder is de keuze mede bepaald door het streven om een zo evenwichtig moge-
                          lijk beeld van de gehele sector te verkrijgen. Met name bij sectoren met grote
                          interne verschillen wat betreft typen opleidingen en soorten organisaties waarin
                          afgestudeerden werkzaam zijn, is dit een aandachtspunt geweest.
  geven goede impressie       De raden hebben niet als doel gehad een wetenschappelijk verantwoord
                          onderzoek te laten instellen. Ook zijn de gesprekken niet gevoerd op basis van een
                          representatieve steekproef. Het ging erom een redelijk verantwoorde impressie
                          van de onderscheiden sectoren te krijgen die voldoende indicatief is om een
                          exploratieve analyse op te baseren. Naar hun oordeel bieden de resultaten
                          voldoende basis voor een verantwoorde reflectie en advisering.
                              Per sector zijn documenten geanalyseerd en zijn aan de hand van item- en
                          vragenlijsten gesprekken en/of telefonische interviews gevoerd met sleutel-
                       25 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                      personen uit hogescholen, afnemende arbeidsorganisaties, en enkele belangen-
                      organisaties en onderzoekinstituten. In één geval heeft een groepsgesprek plaats-
                      gevonden waaraan personen uit zowel hogescholen en als (veld)organisaties heb-
                      ben deelgenomen.
      internationaal  Tot slot zij vermeld, dat de AWT in samenwerking met het ministerie van OCenW
vergelijkende studie  een studie heeft laten uitvoeren naar binaire stelsels in het hoger onderwijs in een
   (binaire) stelsels aantal Europese landen. Het rapport is uitgebracht als AWT-achtergrondstudie.12
                      De indeling van dit advies is als volgt. Na dit inleidend hoofdstuk wordt in hoofd-
                      stuk 2 per adviesvraag zowel op sectoroverstijgende als op sectorspecifieke zaken
                      ingegaan. De basis voor hoofdstuk 2 vormen de gesprekken en de geraad-
                      pleegde literatuur. In hoofdstuk 3 volgt een reflectie op deze bevindingen en wor-
                      den de adviesvragen beantwoord.
                      12 Jeroen Huisman (CHEPS) en Frans Kaiser (CHEPS), editors, Fixed and Fuzzy Boundaries in Higher
                          Education: a comparative study of (binary) structures in nine counctries; AWT-achtergrondstudie nr. 19,
                          januari 2001.
                  26  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>               2               Bevindingen
                              In dit hoofdstuk worden de uitkomsten van de gesprekken en de telefonische
                              interviews met sleutelpersonen uit hogescholen, afnemende arbeidsorganisaties,
                              enkele belangenorganisaties en onderzoekinstituten met betrekking tot de onder-
                              scheiden deelvragen weergegeven. Hierbij wordt voorbeeldsgewijs op verschillen
                              tussen sectoren ingegaan. Naast de uitkomsten van de gesprekken is gebruik
                              gemaakt van visitatie-rapporten en relevante literatuur.
                              2.1 Bestaande en nieuwe modaliteiten van
                                       kenniscirculatie
                              In de huidige HBO-praktijk functioneren de volgende modaliteiten die een rol
                              kunnen spelen bij de wederzijdse kennisuitwisseling tussen de hogeschool, in casu
                              de opleidingen, en het desbetreffende afnemend veld:
                              - afstemming curricula op de vraag;
                              - stages;
                              - duaal onderwijs;
                              - gastdocentschappen en detachering van docenten;
                              - monitoring van innovaties en
                              - begeleiding van startende ondernemers.
                              De raden hebben deze modaliteiten onderscheiden in hun eerder genoemde
                              advies van 11 juni 1999. De adviesaanvrage van 29 mei 2000 neemt deze
                              eveneens als vertrekpunt voor de door de minister gevraagde inventarisatie van
                              eventuele manco's die deze modaliteiten in het kader van kenniscirculatie
                              vertonen.
                                 In de gesprekken met vertegenwoordigers van de onderscheiden opleidingen
                              en met de afnemers zijn deze modaliteiten aan de orde gesteld en van verschil-
                              lende zijden belicht. Op grond daarvan is nagegaan welke manco's kunnen wor-
                              den geconstateerd en welke nieuwe initiatieven zijn aangetroffen. Steeds zal voor-
     In de grijze tekstkaders beeldsgewijs in een tekstkader een interessante positieve ontwikkeling worden
staan positieve voorbeelden   genoemd.
                          27  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                            Naast de bestaande modaliteiten voor kennisuitwisseling, komen in dit hoofdstuk
                            ook andere vormen ter sprake die relatief nieuw zijn:
                            - andere vormen van onderwijs waarmee knelpunten op de arbeidsmarkt
                                kunnen worden weggenomen (onder andere contractonderwijs);
                            - ontwerp- en ontwikkelactiviteiten (ook wel aangeduid als 'toegepast
                                onderzoek').
                            - internetondersteunde kenniscirculatie.
                            In de conclusie wordt tot slot nagegaan hoe alle genoemde vormen van kennis-
                            uitwisseling het kennisprofiel van de hogeschool versterken waardoor de hoge-
                            scholen zich kunnen ontwikkelen tot kenniscentrum. Deze vraag wordt
                            verbijzonderd naar de regio: kan de hogeschool zich ontwikkelen tot regionaal
                            kenniscentrum?
                            2.2 Afstemming curricula op de vraag
                            In het advies van beide raden d.d. 11 juni 1999 is gewezen op het belang van een
                            adequate afstemming van het curriculum op de beroepspraktijk en de rol van de
                            beroepenveld-commissies daarbij. Tevens is opgemerkt dat een systematische
                            inbreng vanuit (regionale) werkgeversorganisaties, de ROC's en de universiteiten
                            gewenst is.
                                Vastgesteld kan worden dat in alle sectoren sprake is van afstemming van de
                            curricula op de vraag van de beroepspraktijk. Voor het werkveld is landelijk een
                overal zijn belangrijke rol weggelegd bij de ontwikkeling van opleidingsprofielen, waarvan
beroepenveldcommissies…     de opleidingskwalificaties van de opleidingen deel uitmaken. Op het niveau van
                            de hogeschool vindt deze afstemming voornamelijk plaats in beroepen- of werk-
                            veldcommissies. De meeste hogescholen beschikken over dergelijke commissies.
                            Hierin hebben ook vertegenwoordigers van het afnemend veld uit de regio
                            zitting. Het voorgaande kan als bijkomend effect hebben dat vanuit de beroeps-
                            praktijk een regionale inkleuring in het curriculum kan worden aangebracht. Deze
                            mogelijkheid wordt door sommige hogescholen benut en positief gewaardeerd,
                            terwijl andere hogescholen hier geen gebruik van maken.
maar de contacten met het   De Inspectie is in haar Onderwijsverslag over het jaar 1999, naar aanleiding van
         werkveld zijn niet recente visitaties, van oordeel dat de mate van sturing van het opleidingsprofiel
               structureel. inclusief eindtermen in het algemeen voldoende is (blz. 187). In het algemeen
                            wordt aan de beroepenveldcommissies inderdaad een belangrijke plaats toege-
                         28 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                            kend, maar bij het functioneren ervan worden ook wel kanttekeningen geplaatst.
                            Zo blijkt onder andere in de sector techniek de samenstelling van deze commis-
                            sies regelmatig afhankelijk te zijn van toevallige (soms persoonlijke) factoren. De
                            vraag is dan wel of er in voldoende mate sprake is van een structurele en
                            herkenbare vertegenwoordiging van het regionale werkveld. Verder worden oplei-
                            dingen op een zodanig tijdstip betrokken bij de werkzaamheden van de
                            landelijke werkveldcommissies dat van een inhoudelijke inbreng nauwelijks
                            sprake kan zijn en zij een marginale rol vervullen (gezondheidszorg-onderwijs).
                            Deze situatie doet zich ook voor bij het technisch onderwijs, in welke sector zich
                            overigens op instellingsniveau andersoortige ontwikkelingen voordoen. Als voor-
                            beeld kan worden genoemd het instellen van zogenoemde commissies van
                            gecommitteerden. Deze gecommitteerden zijn afkomstig uit het bedrijfsleven en
 gecommitteerden geven      worden toegevoegd aan afstudeerprojecten. Bij elke afsluiting en beoordeling van
signalen af uit de praktijk een afstudeeropdracht wordt een gecommitteerde betrokken die daardoor
                            indirect signalen afgeeft over de actualiteit van het curriculum. Deze
                            benaderingswijze blijkt in het kader van wederzijdse kennisoverdracht positieve
                            effecten te hebben.
                               Ook in visitaties wordt aandacht gevraagd voor een (meer) structurele relatie
                            met het werkveld en voor het op de voet volgen van ontwikkelingen in het vak-
                            en beroepsgebied.13 In een aantal gevallen blijkt dat de beroepenveldcommissie
                            op grond van een negatieve visitatie op het punt van de aansluiting met de
                            arbeidsmarkt een belangrijke factor kan zijn bij de onderwijsvernieuwing binnen
                            de instelling.
                               Verder komt onder meer in de sector sociaal-agogisch onderwijs naar voren dat
                            een actieve houding van de hogeschool nodig is om de beroepsontwikkeling zo
                            goed mogelijk te kunnen vertalen in het curriculum. De hogeschool moet het
                            afnemend veld op een actieve manier bevragen over de ontwikkelingen in het
                            relevante beroepenveld.
                               Naast het instellen van beroepenveldcommissies vindt in sommige sectoren
         ...en ook alumni   afstemming van het opleidingscurriculum ook plaats door middel van een door de
                            opleiding ontwikkeld alumnibeleid. In bijvoorbeeld het kunstvakonderwijs worden
                            afgestudeerden aan de hand van een alumnivolgsysteem gevolgd in hun loop-
                            baan en vraagt men hen jaarlijks in hoeverre de opleiding aansluit bij hun
                            beroepspraktijk. Ook in het economisch onderwijs is bij sommige opleidingen
                            reeds sprake van een alumnibeleid dan wel wordt de wenselijkheid van een der-
                            gelijk beleid onderkend. Het alumnibeleid staat echter nog in de kinderschoenen.
                            13 Zie En route deux, visitatierapport toerisme & recreatie en vrijetijdskunde. HBO-raad, september 2000.
                       29   Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>         aandacht voor      Tenslotte is van belang het opleiden voor een veranderende arbeidsmarkt en
competentiegericht leren hoe daar als instelling op in te spelen. Steeds meer zal de opleiding de student
                  nodig  moeten toerusten voor zijn eigen employability, hetgeen een andere invulling en
                         ordening van het curriculum betekent. Het belang van competentiegericht leren
                         wordt door de instellingen onderkend, maar de consequenties daarvan voor het
                         curriculum en voor de organisatie van het leerproces zijn nog niet duidelijk.
                                                               Competent HTNO
                         Het bedrijfsleven en het HTO gaan samen 'de ingenieur van de toekomst'
                         definiëren. Hiertoe hebben MKB-Nederland, VNO-NCW, een groot aantal
                         brancheorganisaties en 23 hogescholen die HTO geven, het project Competent
                         HTNO opgezet. Dit moet leiden tot landelijke afspraken over de competenties van
                         een afgestudeerde HBO-ingenieur.
                         Samenvattend kan worden opgemerkt dat niet in alle gevallen sprake is van een
                         systematische benutting van de afstemmingsmechanisme van het curriculum op
                         de vraag van het afnemend veld.
                         2.3 Stages
                         Stages zijn cruciaal voor de opleidingen; ze vormen het eerste contact met de
                         echte beroepspraktijk. Stages zijn echter ook cruciaal voor de kenniscirculatie. In
                         een ideale situatie leren drie partijen van een stage. Allereerst natuurlijk de student
                         die stage loopt. (Het gaat hier om stages gaandeweg de studie en niet om afstu-
                         deeropdrachten.) Ten tweede de begeleidende docent die in aanraking komt met
                         de beroepspraktijk en de opgedane kennis kan doorgeven in het onderwijs. En tot
                         slot het stagebedrijf dat voordeel kan hebben bij nieuwe kennis die door de sta-
                         giair of de begeleider vanuit de hogeschool wordt ingebracht. Deze ideale situa-
                         tie komt, zeker wat het laatstgenoemde aspect betreft, niet of nauwelijks voor.
                         Wèl is een voorbeeld te noemen dat de ideale situatie benadert. (Zie box Assistant-
                         SEE)14
                            De stages worden door alle opleidingen serieus genomen. In een aantal secto-
                         ren, zoals het gezondheidszorg-onderwijs, schatten hogescholen de stage als
                         14 Het voorbeeld van het stageprogramma Assistant-SEE wordt ook genoemd door de werkgroep
                             VNO-NCW en HBO-raad in het rapport De hogeschool als kennispoort, oktober 1999, blz. 6. In
                             Hogeschoolbericht van maart 2001 herinnert de HBO-raad de besturen van de hogescholen aan de
                             gemaakte afspraak dat stages (en afstudeeropdrachten) tot de reguliere onderwijstaken behoren en
                             door de overheid worden bekostigd en een aparte vergoeding door het bedrijf of de instelling
                             derhalve niet op zijn plaats is.
                     30  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                       modaliteit voor kenniscirculatie hoger in dan instellingen in het afnemend veld.
                       Binnen het kunstvakonderwijs zijn hogescholen de mening toegedaan dat stages
                       een ondergeschikte rol spelen in de kenniscirculatie binnen de sector. De
                       kennisstroom gaat bij stages vooral in de richting van de student (de stagiair
                       vraagt meer dan hij/zij kan bieden). Aan de andere kant wordt in een aantal sec-
                       toren gesignaleerd dat stagiairs ook worden gebruikt als goedkope arbeids-
                       krachten (bijvoorbeeld in het sociaal-agogisch onderwijs) en dat de stages worden
                       gebruikt als 'vis-vijvers' ten behoeve van het aantrekken van personeel (econo-
                       misch en technisch onderwijs).
                                                           Assistant-SEE
                       Bij stages in het MKB zijn er drie problemen waar het Assistent-SEE programma
                       (Student Enterprise Experience) in de provincie Zuid-Holland een oplossing voor
                       biedt:-
                       - de gemiddelde student wil geen stage in het MKB. Door een hogere vergoe-ding
                       wordt de student over de drempel getrokken: van het bedrijf komt ƒ100,- per
                       week en vanuit het programma ook nog eens ƒ100,-
                       - het MKB is niet gewend om stagiairs te begeleiden. Syntens helpt de onder-
                       nemer bij de formulering van de stage-opdracht en bij de begeleiding
                       - begeleiding is vaak beperkt. Voor inhoudelijke coaching is vanuit Assistant-SEE
                       ƒ4000,- beschikbaar voor het inhuren van een extern bureau. Weliswaar wordt
                       hierdoor de rol van de begeleidende docent gemarginaliseerd, maar het belang
                       van het MKB staat in het programma Assistant-SEE centraal.
                       Stages worden in het algemeen van belang geacht om kennis te maken met de
                       beroepspraktijk. Niet duidelijk is of, en zo ja op welke wijze, de stages onderdeel
                       uitmaken van opleidingsprogramma en hoe zij aansluiten bij de ontwikkelingen in
                       het werkveld. In een enkel geval worden stage-ervaringen op een meer systema-
                       tische wijze teruggekoppeld naar de opleiding (sociaal-agogisch onderwijs) of ze
                       worden opgeslagen in een toegankelijke data-base (economisch onderwijs). De
weinig synergie tussen stage wordt tevens als een belangrijk instrument gezien voor de feedback voor de
  stagebegeleiding en  docent. De synergie tussen regulier onderwijs en stagebegeleiding kan verbeterd
            onderwijs  worden als de begeleiding van de stagiairs niet (enkel) door daartoe vrijgestelde
                       supervisoren ter hand wordt genomen, maar door de hoofdvakdocenten zelf die
                       de leerervaringen van de stagiairs èn hun eigen ervaring met de beroepspraktijk
                       een plek kunnen geven in het onderwijs.
                   31  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>   Door stagebedrijven zijn de volgende ervaringen genoemd:
   - allereerst wordt de invulling van de stage (de stage-opdracht) niet altijd helder
      geacht. Dit leidt er toe dat bedrijven zelf een doelstelling formuleren die niet-
      noodzakelijk overeen komt met die van de opleiding
   - in veel gevallen is sprake van marginale begeleiding van de zijde van de
      opleiding. De opleidingen voeren aan dat de begeleiding door docenten te
      veel tijd kost. Met name in de gezondheidszorg wordt een goede begeleiding
      vanuit de opleidingen noodzakelijk geacht. In deze sector worden de stagiairs
      met over het algemeen nog weinig levenservaring geconfronteerd met
      ernstige levensproblemen. Dit vraag een zorgvuldige begeleiding
   - stages zijn voor de hogescholen geen bron voor de uitbouw van externe
      contacten, terwijl het stagebedrijf voor de docent juist kan dienen als opstap
      voor verdere contacten (gastdocent uitnodigen, advies bieden e.d.)
   - verder wordt van de zijde van de stagebedrijven aangegeven dat de
      communicatie met de opleidingen niet altijd even optimaal is. In een aantal
      gevallen vindt regelmatig overleg plaats tussen de opleiding en de stagebe-
      drijven, terwijl in andere situaties de contacten slechts vluchtig zijn of zich
      beperken tot de student.
   Ook de Inspectie signaleert in haar verslag over het jaar 1999 ten aanzien van de
   stages in het hoger onderwijs een aantal van de bovengenoemde problemen.15
   Een probleem van een andere orde is de aanwezigheid van of het gebrek aan
   stageplaatsen. Per sector en ook binnen de sectoren zijn er verschillen. Vooral in
   het kunstvakonderwijs komt een gevarieerd beeld naar voren. Voor de toegepaste
   vakken is het vinden van stageplaatsen geen probleem, hetgeen wel het geval is
   voor beeldende kunst, dans, drama en uitvoerende muziek. Dit vindt zijn oorzaak
   vooral in het individuele karakter van het vak (beeldende kunst) dan wel in het
   niveau van de student om mee te kunnen doen in een professioneel orkest, dans-
   of theatergezelschap.
      Sommige opleidingen lossen het stageprobleem op door de praktijk binnen de
   instelling te halen door middel van eigen 'leer-werkbedrijven'. Zo heeft een
   opleiding mondhygiënist _ in samenwerking met de bedrijfstak _ een eigen kliniek
   gestart, waar patiënten worden behandeld. Dit geldt ook voor de opleiding
   optometrie/orthoptie waarvoor men het kennispoort-perspectief concretiseert in
   een intensieve samenwerking met het bedrijfsleven en de beroepsgroep, namelijk
   15 Onderwijsverslag over het jaar 1999. Inspectie van het Onderwijs, Utrecht, 27 april 2000.
32 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>   door een eigen praktijk te starten. Ook andere instellingen hebben 'leer-werk-
   bedrijven' waarin de praktijk wordt nagebootst en studenten werkervaring kunnen
   opdoen.
   Samenvattend kan worden opgemerkt dat stages _ hoewel van belang voor de
   kennismaking met de beroepspraktijk _ niet een belangrijke rol spelen in het kader
   van kenniscirculatie. Verder verdienen de randvoorwaarden om een optimale
   stage te kunnen bewerkstelligen met name in de hogeschool de nodige aandacht.
   2.4 Duaal onderwijs
   De ervaringen met duaal onderwijs verschillen per sector. In het eerdere advies
   wordt opgemerkt dat de belangstelling voor duale opleidingen nog niet erg groot
   is. De ontwikkeling van duale trajecten bevindt zich in een beginstadium. Wel
   wordt duaal leren in de toekomst als een belangrijk onderdeel van de kenniscir-
   culatie gezien.
       Duaal onderwijs is een stap naar competentiegerichte leerwegen, maar valide
   certificering behoeft nog veel aandacht. Duaal onderwijs is in een groot aantal
   sectoren (met name economisch onderwijs) van toepassing (120 geregistreerde
   duale opleidingen in 1999/2000, thans 350). Binnen het landbouwonderwijs zijn
   duale trajecten beperkt aanwezig. In het kunstvakonderwijs is van duaal leren nog
   nauwelijks sprake. Mogelijkheden voor duale leertrajecten worden wel gezien
   voor terreinen waar de druk van de arbeidsmarkt groot is (docentopleidingen,
   vormgeving, accountancy).
    Variant        Basisperiode      Duale periode      Duale periode        Vorm
                                         werken           studeren
    Co-op              1 jaar             1
                                           ⁄2 jaar           1
                                                              ⁄2 jaar    Bloksgewijs
    MKB-route          3 jaar             3à4                1à2            parallel
                                       dagen/week        dagen/week         werken
    Lio                3 jaar           5 dagen/          werken als       als aan-
                                          week           aankomend         komend
                                                            docent          docent
    HBO-V duaal      1 à 2 jaar         20 weken          20 weken       Bloksgewijs
    Gilde HBO          geen             3 dagen/           2 dagen/         parallel
                                          week               week
33 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                              Er zijn diverse vormen van duaal onderwijs in het HBO: co-op, MKB-route, Lio,
                              HBO-V duaal, en Gilde HBO16 (zie tabel vorige pagina).
                              Er zijn meer dan 5.000 studenten bezig met een vorm van duaal onderwijs. De
                              sectoren Economie en Techniek verzorgen 70% van het aantal duale opleidingen.
                                  Er valt het nodige te zeggen over de ontwikkelingen van het duale onderwijs.
                              De onderwijsinspectie meent dat de komende jaren gericht aandacht moet wor-
                              den besteed aan de kwaliteit van duale opleidingen.17 Door de krapte op de
                              arbeidsmarkt hebben vooral grote ondernemingen belang bij duale studenten; zij
                              kunnen grote aantallen studenten opnemen, maar voor een opleiding is het plaat-
                              sen van een enkele student in het MKB erg tijdrovend.
                              Vanuit de optiek van kenniscirculatie is vooral de vraag van belang hoe de con-
                              tacten en de kennisuitwisseling met de bedrijven en maatschappelijke instellingen
       weinig contacten met   is.18 In de praktijk blijkt nogal eens dat de contacten tussen de opleidingen en de
bedrijven bij duaal onderwijs werkgevers verbetering behoeven. Met name de kennisuitwisseling laat te wensen
                              over. De hogescholen lijken op dit punt wat positiever dan de werkgevers.
                              Werkgevers vinden de betrokkenheid van de hogescholen te gering.
                                                  Enkele positieve voorbeelden van duaal onderwijs
                              Vanuit de optiek van kenniscirculatie is duaal onderwijs een goede manier om de
                              band tussen de opleiding en de beroepspraktijk te versterken. Dit lukt vooral als
                              er regelmatig contacten tussen de werkgevers en de opleidingen zijn.
                              Samenwerking met grote ondernemingen heeft als voordeel dat maatwerk gele-
                              verd kan worden. Een voorbeeld is de opleiding Food & Business in Heerlen waar-
                              van de 30% vrije ruimte voor Albert Heijn op maat wordt gesneden. Een verge-
                              lijkbaar voorbeeld is de ING IT-Academy van de Haagse Hogeschool.De duale
                              leerweg Chemische Technologie aan drie hogescholen wordt mede gevoed door
                              de referentiegroep van de deelnemende bedrijven: DuPont, DSM, Shell en Dow
                              Chemical.
                               16 De gegevens zijn ontleend aan een onderzoek door een duale studente van de Haagse Hogeschool
                                    voor Hobéon. Zie: C. Smedts, "Kernpunten uit onderzoek 'duaal onderwijs rond de millennium-
                                    wisseling'", Hobéon Aktueel, mei 2000, pag. 4.
                               17 Onderwijsverslag over het jaar 1999 (blz. 192): Aandacht voor de kwaliteit is nodig "om te bewaken
                                    dat de betreffende programma's een reductie worden van de reguliere opleidingen".
                               18 Zie ook: H.M. Berends e.a., Duale leerwegen: evaluatieonderzoek HBO en een inventarisatie van de
                                    behoeften en wensen van (potentiële) 'duale werkgevers' in het gehele hoger onderwijs ; OCenW,
                                    Beleidsgerichte studies Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek 65, 1999.
                         34   Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                        Een aantal werkgevers is van mening dat op het moment dat zij een duale stu-
                        dent in dienst nemen, de hogeschool uit het zicht verdwijnt. Dit wordt soms door
                        de hogescholen toegegeven; zij geven aan dat de studenten te veel worden 'los-
                        gelaten', zodat de controle op de werkplek nauwelijks wordt gerealiseerd.
                        Samenvattend kan worden vastgesteld dat in het algemeen duaal onderwijs
                        wordt gezien als een belangrijke factor ten behoeve van kennisuitwisseling tussen
                        actoren, maar dat de contacten tussen de opleidingen en het werkveld in veel
                        gevallen te wensen overlaat.
                        2.5 Gastdocenten en detachering van
                                 docenten
                        Kenniscirculatie is een proces van kennisuitwisseling over en weer waarbij
                        docenten een belangrijke rol spelen. Gastdocenten uit het bedrijfsleven kunnen
                        het HBO voeden met nieuwe kennis van de ontwikkelingen in de praktijk en HBO-
                        docenten kunnen door middel van stages of een (korte) detacheringsperiode zich
                        op de hoogte stellen van nieuwe ontwikkelingen.
                           In alle sectoren wordt van gastdocenten gebruik gemaakt, maar slechts bij
                        bepaalde opleidingen is sprake van een systematische inzet. Vooral bij het kunst-
                        vakonderwijs wordt veel gebruik gemaakt van gastdocenten. Toch bestaat in deze
     bijna overal geven sector de indruk, met name bij het afnemend veld, dat deze docenten veelal wor-
gastdocenten onderwijs  den ingezet om de aantrekkingskracht van de opleiding te verhogen en dat ze
                        onvoldoende worden ingepast als belangrijk onderdeel van het onderwijspro-
                        gramma. Bij een aantal opleidingen binnen het technisch onderwijs wordt ook de
                        oud-student als mogelijke gastdocent genoemd.
                           Gastdocentschappen zijn nog vaak persoonsgebonden, maar er zijn steeds
                        meer institutionele samenwerkingsverbanden. Zo is op voorstel van de Brabants
                        Zeeuwse Werkgeversvereniging (BZW) aan de Hogeschool Zeeland een Studium
                        Generale gestart. Leden van de BZW zullen een presentatie geven _ te beginnen
                        op het terrein van de technische en maritieme opleidingen _ voor studenten èn
                        docenten van de hogeschool. De bedoeling is dat nieuwe bedrijfsactiviteiten en
                        productontwikkelingen voor het voetlicht komen.
                     35 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                                                   Bedrijfsleven gaat tekort leraren opvullen
                           Minister Hermans, VNO-NCW en organisaties uit het beroepsonderwijs hebben
                           op 19 april 2001 een convenant getekend ter bevordering van detacheringen in
                           het beroepsonderwijs. Werknemers worden een jaar lang gedetacheerd in het
                           VMBO, MBO of HBO, waar ze zonder lesbevoegdheid aan de slag kunnen als
                           docent, instructeur of onderwijs-assistent. In de regio's Eindhoven en
                           Rotterdam/Dordrecht gaan proefprojecten van start.
                           De meerwaarde van gastdocenten ligt over het algemeen in de overdracht van
                           kennis uit de beroepspraktijk. Het is de manier om de beroepspraktijk en de ver-
                           nieuwingen daarin binnen de instelling te halen (sociaal-agogisch onderwijs). Bij
                           deeltijd-opleidingen wordt uitsluitend gebruik gemaakt van docenten uit de
                           beroepspraktijk (bijvoorbeeld technisch onderwijs). In dit kader kan worden vast-
                           gesteld dat de relatie tussen deeltijd-docenten en docenten verbonden aan de
                           dagopleiding ontbreekt. Er is sprake van twee gescheiden werelden, waardoor
                           kennisuitwisseling over de beroepspraktijk niet tot stand komt.
                                                     Vrouwelijke gastdocenten in het HTO
                           In 1998 is het Viking-project van start gegaan om vrouwelijke ingenieurs (ir. en
                           ing.) gastlessen in het HTO te laten geven. Viking staat voor 'Vrouwelijke
                           INGenieurs In de Klas'. Het project wordt gesubsidieerd door het ministerie van
                           OCenW. In 1999-2000 zijn 49 gastdocenten geworven. De landelijke organisatie
                           Vrouwen in Hogere Technische Opleidingen en functies (VHTO) heeft een 'pool'
                           opgezet van vrouwelijke ingenieurs uit diverse disciplines die gastlessen willen ver-
                           zorgen. Zie www.vhto.nl/viking.
                           Er komen steeds meer gastdocenten vanuit bedrijven en instellingen, maar het
                           omgekeerde, het detacheren van docenten voor een bepaalde periode in een
                           bedrijf of organisatie, komt niet of nauwelijks voor. Voor korte periodes (een of
                           twee weken) lukt het wel, maar detachering of stage voor langere tijd is een zeld-
                           zaamheid. Veel instellingen hebben hiertoe wel plannen, maar zijn nog niet aan
                           realisering toegekomen. De mogelijkheden verschillen echter. In de 'hardere' sec-
                           toren (economisch, technisch en agrarisch onderwijs) komen docentenstages meer
                           voor dan in de andere sectoren (gezondheidszorg- en sociaal-agogisch onderwijs).
docentenstages lukken niet Over het algemeen, zowel bij de hogescholen als bij het afnemend veld, ziet men
    om praktische redenen  voor de docent een belangrijke rol weggelegd bij de kenniscirculatie. Men stuit
                           echter op praktische bezwaren en problemen. Deze zijn enerzijds van financiële en
                           juridische aard en anderzijds spelen praktische factoren een rol: het vervangings-
                       36  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                              probleem, de werkdruk van docenten, het ontbreken bij de meeste docenten van
                              een relatienetwerk. Ook de leeftijd van sommige docenten speelt soms een rol.
                                  In de sector gezondheidszorg ziet het afnemend veld de docentstages als een
                              belangrijke bijdrage aan het verbeteren van de onderlinge relaties. Dit geldt ook
                              voor de sector onderwijs. De mogelijkheid dat leraren van de lerarenopleidingen
                              in het voortgezet onderwijs les geven, zou belangrijk zijn voor de onderlinge
                              samenwerking en van betekenis zijn voor de opzet van het programma.
                                  Bij de instellingen wordt waarde gehecht aan docentstages ten behoeve van de
                              mobiliteit en de employability van docenten. Dit aspect krijgt nog nauwelijks aandacht.
                              Samenvattend wordt opgemerkt dat men in alle sectoren en zowel bij de instel-
                              lingen als bij het afnemend veld de docent als een betekenisvolle intermediair bij
                              de kennisuitwisseling ziet. Gastdocenten vormen een welkome aanvulling. In de
                              praktijk wordt veel van gastdocenten gebruik gemaakt. Het detacheren van
                              docenten in de beroepspraktijk, onder andere via stages, komt vrijwel niet voor,
                              behalve voor kortere periodes. Vooral praktische bezwaren spelen hier een rol.
                              2.6 Monitoring van innovaties
                              Monitoring van innovaties heeft betrekking op het systematisch oppakken van
   bijhouden van innovaties   vernieuwingen in het beroepenveld en het vakgebied teneinde deze door te
   gebeurt niet systematisch  geven in het onderwijs.
                                  Allereerst moeten hier de vakbeurzen worden genoemd. Het bezoeken van
                              dergelijke beurzen _ hieronder ook begrepen de voor het beroep meest belang-
                              rijke congressen en tentoonstellingen _ zou voor docenten (en studenten) van-
                              zelfsprekend moeten zijn.
                                  Ten tweede kunnen innovaties in de beroepspraktijk op diverse manieren worden
scholingsbeleid verschilt per getraceerd. Dit gebeurt nog niet systematisch. Wel zijn er aanzetten. Een
                   opleiding  aantal hogescholen heeft bijvoorbeeld gezamenlijk innovaties in een sector (de
                              bouw) laten inventariseren en deze via een lesbrief aan het onderwijs doorgegeven.
                              Een ander voorbeeld is een prijs die eens per jaar wordt uitgereikt voor de meest
                              innovatieve eindscriptie (sociaal-agogisch onderwijs). Systematisch analyses van
                              eindscripties als vindplaats van trends en innovaties komen echter elders niet voor.
                                  Ten derde is bij- en nascholing van groot belang. Van bijscholing wordt - hoe-
                              wel in de CAO-HBO daarvoor 10% van de beschikbare tijd is gereserveerd - wisse-
                              lend gebruik gemaakt. In een enkel geval is bijscholing verplicht en onderdeel van
                              het personeelsbeleid van een hogeschool. Bij het kunstonderwijs wordt het
                              belangrijk geacht om binnen de opleiding aandacht en ruimte te geven aan
                          37  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                      vernieuwingen. Hier wordt in het onderwijsaanbod op ingespeeld en wel vanuit
                      de gedachte 'een kunstenaar is per definitie een vernieuwer.'
                                                            Beroepsverenigingen
                      Er zijn enkele beroepsverenigingen die zeer actief zijn op het terrein van bijscho-
                      ling, excursies en werkbezoeken, en andere vormen van kennisuitwisseling.
                      Voorbeelden zijn NIRIA voor de HTS-ingenieurs en de NOvAA voor de accoun-
                      tants.
                      In het algemeen wordt bij innovaties het belang ingezien van een goede ICT-
                      omgeving. In sommige gevallen speelt ICT inhoudelijk reeds een nadrukkelijke rol
                      in het onderwijsprogramma. Bijvoorbeeld in dansopleidingen wordt ICT gebruikt
                      bij het ontwikkelen van choreografieën. Ook kan ICT een rol spelen bij het
                      uitwisselen van kennis, om zo innovaties in een bepaald vakgebied te achterhalen
                      (sociaal-agogisch onderwijs).
                      Samenvattend kan worden vastgesteld dat het monitoren van innovaties bij veel
                      instellingen nog niet systematisch plaats vindt. Op het terrein van bij- en na-
                      scholing worden vorderingen geboekt, maar andere vormen van monitoring
                      staan nog in de kinderschoenen. De grootte van de hogeschool (en daarmee de
                      mogelijkheden voor het vrijmaken van een ondersteunende staf) en de kracht van
                      het management spelen daarbij een belangrijke rol.
                      2.7 Begeleiding van startende ondernemers
weinig aandacht voor  Volgens de ondernemerschapsmonitor van het ministerie van EZ groeit het
 ondernemerschap…     aantal startende ondernemers steeds meer. In 2000 werd een record gehaald van
                      meer dan 50.000 'starters' op jaarbasis. Slechts 4% van de starters komt recht-
                      streeks van school of universiteit. Dat is te begrijpen, omdat de afgestudeerden
      al winnen mini- meestal eerst ervaring op willen doen alvorens een eigen bedrijf op te zetten. Toch
 ondernemingen aan    gebeurt er al het nodige in het onderwijs. Een belangrijk initiatief in het HBO
        populariteit… (maar ook in het VMBO en MBO) zijn de mini-ondernemingen. Studenten doen
                      in groepjes ervaringen op met hun onderneming in het klein. In Nederland zijn er
                      elk jaar circa 200 mini-ondernemingen, waarin 2500 studenten deelnemen. In het
                      HEAO zijn er opleidingen waar studenten verplicht zijn tijdens hun studie
                      minstens aan één mini-onderneming mee te doen.
                         Bij het agrarisch onderwijs zijn initiatieven om starters te faciliteren: 15-25% van de
                      afgestudeerden in deze sector begint een eigen bedrijf of zet het bedrijf van de ouders
                      voort. In de sector onderwijs/lerarenopleidingen geschiedt zeer weinig op dit gebied.
                   38 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>        en er zijn sectoren     In de sector van het kunstvakonderwijs wordt in alle opleidingen aandacht
   (landbouw, kunst) waar   besteed aan het zelfstandig ondernemerschap. Het betreft hier zowel het
   ondernemerschap vaker    aanleren van (sociale en communicatieve) vaardigheden als het aanbrengen van
                  voorkomt  kennis. Een groot deel van de studenten wordt zelfstandig ondernemer. In het
                            afnemend veld echter is men van mening dat de afgestudeerden onvoldoende
                            zijn toegerust voor de beroepspraktijk. In dat kader wordt als mogelijkheid gezien
                            de ondernemerschapsvaardigheden onder te brengen in een post-initiële
                            opleiding of cursus.
                                In het HBO zijn er verder opleidingen voor ondernemerschap in Haarlem,
                            Rotterdam, Enschede en Leeuwarden. Op enkele plaatsen kunnen studenten
                            kiezen voor het vak 'het schrijven van een ondernemingsplan'. Zo hebben stu-
                            denten meegedaan aan het project 'start zelf een onderneming' van de
                            Hogeschool 's-Hertogenbosch. Onder begeleiding van docenten en banken uit de
                            regio werden ondernemingsplannen geschreven en gepresenteerd. Het beste
                            plan kreeg de Rabobank-prijs.
                            Het ministerie van EZ wil de aandacht in het onderwijs voor ondernemerschap
                            versterken. In de nota De ondernemende samenleving: meer kansen, minder belem-
                            meringen voor ondernemerschap (okt. 1999) is een apart hoofdstuk gewijd aan het
                            onderwijs.
                                Eén van de acties die voortkwamen uit de nota, is de instelling van de com-
                            missie Ondernemerschap en Onderwijs geweest. Deze commissie heeft als taak
                            het draagvlak en bewustzijn voor ondernemerschap en ondernemendheid binnen
                            het onderwijs te verruimen. Daarnaast is er een subsidieregeling van EZ en
                            OCenW gekomen: Ondernemerschap en Onderwijs. Tot 2002 is een bedrag van
                            ruim 10 miljoen gulden beschikbaar voor projecten die het ondernemerschap in
                            het onderwijs stimuleren.
ondernemerschap staat niet      Een probleem bij allerlei initiatieven in het onderwijs is vaak de gebrekkige
  op netvlies van docenten  kennis over ondernemerschap aan de kant van de docenten.19 De docent heeft
                            een cruciale rol in de begeleiding te vervullen. Dit veronderstelt dat de docent op
                            de hoogte is met de ontwikkelingen in de beroepspraktijk en met aspecten en
                            belevingswereld van het ondernemerschap. Hiervan is in veel gevallen geen
                            sprake. Een verbetering op bescheiden schaal vormen 25 pilotprojecten die uit de
                            eerste tender van de hierboven genoemde subsidieregeling zijn voortgekomen.
                            Deze pilotprojecten omvatten seminars en stages voor docenten.
                            19 I. van der Kuip, "De markt in de school. Mini-ondernemingen: ook leerzaam voor docenten",
                                 Vernieuwing, november 1999, nr. 9: 14-16.
                        39  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>                                 Bosch Kennis Bedrijvencentrum
   In 1999 is het Bosch Kennis Bedrijvencentrum (BKB) opgericht met als doel star-
   tende ondernemers onderdak te bieden onder de rook van de hogescholen in en
   om 's-Hertogenbosch. Dit alles om kenniscirculatie op gang te brengen. Starters
   zijn gebaat bij een goede relatie met een hogeschool. En omgekeerd.
   Samenvattend kan worden opgemerkt dat de aandacht voor startende
   ondernemers en het onderkennen van het belang van het aanbrengen van een
   ondernemende houding bij studenten meer en meer terrein wint. De docenten
   behoren een belangrijke rol als begeleiders te spelen, maar hiervan is in de meeste
   sectoren nog onvoldoende sprake.
   2.8 Knelpunten op de arbeidsmarkt
     .
   2 8.1 Inleiding
   Bij de vraag welke bijdrage het HBO kan leveren aan het oplossen van knelpunten
   op de arbeidsmarkt _ op zichzelf geen nieuwe taak van het HBO _ wordt zowel
   op het reguliere als op het niet-reguliere onderwijs gedoeld. Onder het 'reguliere'
   onderwijs verstaan beide raden het initiële _ bekostigde en aangewezen _ onder-
   wijs, terwijl het relatief nieuwe 'niet-reguliere' onderwijs de diverse vormen van
   post-initieel onderwijs omvat. Onder dit laatste valt de om-, bij- en nascholing van
   werkenden en werkzoekenden.20
       Verder is bij de beantwoording van deze vraag onderscheid gemaakt tussen
   knelpunten met een kwantitatieve indicatie en kwalitatieve knelpunten. Hebben
   de eerstbedoelde knelpunten betrekking op tekorten op de arbeidsmarkt en de rol
   van het HBO daarin, het tweede type knelpunten heeft vooral te maken met de
   vraag of het HBO in voldoende mate tegemoet komt /kan komen aan de vraag
   van het afnemend veld naar (nieuwe) kennis c.q. competenties.
   2..8..2 Kwantitatieve knelpunten
   In bijna alle sectoren is sprake van een vraag op de arbeidsmarkt die het aanbod
   aan (mogelijke) werknemers verre overstijgt. Voorbeelden hiervan zijn de sectoren
   zorg en onderwijs, maar dit speelt ook in andere sectoren. Juist in die sectoren
   waar de werkgelegenheid groot is, neemt het aanbod af. Dit is niet alleen een
   20 Dereguleren met beleid, Studie naar effecten van deregulering en autonomievergroting, Onderwijsraad,
        december 2000 Den Haag,
40 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                          gevolg van bijvoorbeeld een afname van de instroom van studenten en navenant
                          dalende uitstroom, maar het heeft ook te maken met het imago van de verschil-
                          lende beroepen. Deze factoren hebben overigens een onderlinge relatie.
                              In een enkele sector, zoals het kunstonderwijs, is voor bepaalde opleidingen
                          sprake van dalende werkgelegenheid. Hierbij dient te worden aangetekend, dat
                          de omvang van deze markt mede wordt beïnvloed door de politiek-bestuurlijke
                          aandacht voor kunst en cultuur.
                              Wat betreft het oplossen van kwantitatieve knelpunten vervullen zowel het
                          reguliere als het niet-reguliere onderwijs een rol. Binnen het reguliere onderwijs
                          wordt het duaal onderwijs als instrument gezien om hieraan bij te dragen. Een
                          verdergaande flexibilisering van opleidingen wordt voorgesteld om de
                          aantrekkingskracht van nieuwe doelgroepen te vergroten. Het betreft hier
                          bijvoorbeeld verkorting van de studieduur voor studenten die reeds over
                          werkervaring beschikken dan wel een andere, verwante opleiding hebben
                          gevolgd. Een voorbeeld hiervan is de zogenoemde zij-instromer in de leraren-
                          opleiding. Binnen het sociaal-agogisch onderwijs heeft de opleiding sociaal-
                          juridische dienstverlening een grote aantrekkingskracht op allochtone studenten.
                          De hogescholen verrichten steeds meer inspanningen om buiten het reguliere ini-
                          tiële onderwijs cursussen en opleidingen aan te bieden waarmee knelpunten op
                          de arbeidsmarkt voor een deel kunnen worden verholpen: EVC-assessments,21 in
                          house cursussen voor bedrijven, cursussen en opleidingen voor werkenden, werk-
                          zoekenden, herintreders, speciale doelgroepen (bijvoorbeeld topsporters of aan-
                          komende buitenlandse verpleegkundigen), zij- en doorstromers, buitenlanders
                          (incl. mensen van buiten de EU).
                              De Inspectie wijst in haar Onderwijsverslag over het jaar 1999 op de grotere
                          samenwerking tussen het HBO en het bedrijfsleven (en de maatschappelijke
                          instellingen). Zowel het contractonderwijs als het duale onderwijs kan volgens de
contractonderwijs wordt   Inspectie een positief effect hebben op de programma's van de reguliere dag-
      vaak in aparte B.V. opleidingen (blz. 191). Bij contractonderwijs is vaak sprake van een dilemma: de
       ondergebracht…     contractactiviteiten structureel loskoppelen van het reguliere onderwijs en verzelf-
                          standigen in business units of de band met het reguliere onderwijs behouden? Bij
                          loskoppeling bestaat het gevaar dat de B.V.'s uit het zicht van het onderwijs ver-
                          21 In een publicatie van het ministerie van EZ, De fles is half vol: een brede visie op de benutting van EVC
                               (okt. 2000) geeft de HBO-raad als reactie de wens te onderschrijven om met een landelijke erken-
                               ning te werken, maar de raad heeft bedenkingen bij een landelijke kwalificatiestructuur. Opleidingen
                               moeten de vrijheid behouden bij de onderwijsinrichting en bij het benutten van de mogelijkheid het
                               curriculum af te stemmen op de wensen van het werkveld en de bedrijven waarvoor wordt opgeleid.
                      41  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>                            dwijnen; docenten worden dan niet langer op beide terreinen ingezet, hetgeen
                            afbreuk doet aan de meerwaarde van de activiteiten.
                                Vanuit de optiek van kenniscirculatie moet volgens beide raden de voorkeur
                            worden gegeven aan het aanhouden van de band tussen het initiële onderwijs en
  ...maar daardoor gaat de  de contract-activiteiten. Maar vanuit financiële overwegingen kiezen de besturen
synergie met het reguliere  steeds meer voor loskoppeling. Men vindt het niet efficiënt om met de docenten
         onderwijs verloren te werken die vanwege de lesroosters in het reguliere onderwijs nauwelijks vrijge-
                            maakt kunnen worden voor contractactiviteiten. Ook kan een overweging voor
                            verzelfstandiging zijn, dat men met eigen arbeidsvoorwaarden (docenten niet in
                            vaste dienst) wil werken en niet gebonden wil zijn aan de CAO voor het HBO. Het
                            aandeel van het HBO in de markt voor contractonderwijs is nu nog gering (4%),22
                            maar zal ongetwijfeld groeien. Daarmee zal de bestuurlijke keuze voor het
                            (los)koppelen van de contractactiviteiten van het reguliere onderwijs alleen maar
                            dringender worden.
                                                     Twee positieve voorbeelden uit vele
                            De provincie Groningen wil de instroom van HBO-gediplomeerde allochtonen in
                            de hulpverlening bevorderen. Ze heeft de hulp ingeroepen van de Hanze-
                            hogeschool die een op de doelgroep toegesneden onderwijsproject heeft ontwik-
                            keld.
                            Voor de Metaalunie hebben 8 hogescholen speciaal uitgestippelde lesprogram-
                            ma's gemaakt om iets te doen aan het tekort aan HBO'ers in het MKB.
                            2..8..3 Kwalitatieve knelpunten
                            Bij de vraag in hoeverre het HBO kan bijdragen aan het oplossen van kwalitatieve
                            knelpunten op de arbeidsmarkt is in de gesprekken de relatie tussen het aanbod
                            van en de vraag naar kennis aan de orde geweest. Hierbij is ook een verbinding
                            gelegd met het denken over competenties.
                                Veelal wordt hier een verbinding gezien met de afstemming van het onder-
         op de vraag wordt  wijsaanbod op de maatschappelijke vraag. In dit verband wordt gewezen op de
      ingespeeld via nieuwe in hoofdstuk 2.2 genoemde afstemming van de curricula, maar ook op het
             opleidingen en initiëren van nieuwe opleidingen. Door het starten van nieuwe opleidingen _ in
        contractonderwijs…  nauw overleg met het afnemend veld _ kan volgens de betrokken hogescholen
                            worden voldaan aan de wensen van de vraagkant. Ook in de post-initiële sfeer
                            wordt door een klantgerichte benadering een poging gedaan de kloof tussen
                            22 Nederlandse Staatscourant, nr. 45, 3 maart 2000: "Contractonderwijs levert weinig op".
                         42 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                            vraag en aanbod te dichten. Zoals hiervoor opgemerkt, sluit het post-initiële
                            traject echter niet altijd aan bij het initiële traject en is er derhalve weinig synergie
                            tussen beide.
                               Verder wordt in verband met het oplossen van kwalitatieve knelpunten de
                    ...maar nadruk gelegd bij de omslag naar competentiegericht leren. In sommige sectoren
       competentiegericht   _ gezondheidszorg en onderwijs _ worden nieuwe competenties bij medewerkers
 onderwijs staat nog in de  verwacht, waar de opleidingen thans nog niet aan kunnen voldoen. In andere sec-
           kinderschoenen   toren zijn de opleidingskwalificaties omschreven in termen van competenties (bij-
                            voorbeeld sociaal-agogisch onderwijs). In alle sectoren komt in dit kader het
                            belang van goede kennis van en vaardigheid met ICT aan de orde. Over het alge-
                            meen valt te constateren dat vormgeving van competentiegericht leren nog in de
                            kinderschoenen staat.23
                               .
                            2 9 Ontwerp en ontwikkeling
                            2..9..1 Terminologie
        ‘onderzoek’ in het  In de adviesaanvraag wordt als nieuwe modaliteit van kenniscirculatie 'toegepast
HBO is in feite ontwerp en  onderzoek' en advies genoemd. Een voortdurend punt van discussie is wat onder
               ontwikkeling 'onderzoek' moet worden verstaan. Er worden diverse onderscheidingen gemaakt:
                            curiosity driven                                                                   vraaggericht
                            wetenschappelijke publicaties                                            aan klant rapporteren
                            ontdekkingen                                                                     testen, meten
                            grenzen verleggen                                       binnen grenzen oplossingen vinden
                            zoeken                                                                                 uitzoeken
                            doorbraken                                                     prototypes bouwen, proeven
                            compleet nieuwe inzichten, research                         ontwikkelingswerk, development
                            doorgronden/begrijpen                                                       nieuwe applicaties
                            verklaren                                                                     bruikbaar maken
                            vorsen                                                                       enquêtes houden
                            speuren                                                           beroepspraktijk monitoren
                            modellen bouwen                                                          met modellen werken
                            lange termijn                                                                     korte termijn
                            paradigma-wisseling                                          wetenschappelijk onderbouwd
                            voorspellen                                                                          trial & error
                            23   E. Mathijssen, ‘Het HBO: een competentiegerichte leeromgeving?!’, Th&ma, 2000-2
                         43 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                           fundamenteel vs. toegepast, zuiver wetenschappelijk vs. toepassingsgericht,
                           nieuwsgierigheidsgedreven vs. praktisch-probleemoplossend, lange termijn vs.
                           korte termijn, enzovoort. De AWT en de Onderwijsraad zien weinig heil in een
                           (zoveelste) poging het typisch voor het HBO geëigende 'onderzoek' af te bakenen
                           van het typisch universitaire onderzoek. Niettemin wordt hieronder een twee-
                           deling aangegeven van twee groepen van onderzoeksactiviteiten. Deze omvatten
                           niet twee precies gescheiden soorten van onderzoek, maar elk soort onderzoek,
                           waar dan ook verricht, kan kenmerken hebben die in wisselende mate zowel uit
                           de ene als de andere groep afkomstig zijn (zie tabel vorige pagina).
                           Het zal duidelijk zijn dat het soort 'onderzoek' dat in het HBO wordt verricht _
                           overigens op zeer bescheiden schaal _, meer kenmerken heeft uit de rechter groep
                           en dat universitair onderzoek meer links van het continuüm zit, alhoewel elemen-
                           ten uit de rechter kolom de universiteiten bepaald niet vreemd zijn.
                              De Onderwijsraad en de AWT willen wat betreft het HBO thans de term
                           'onderzoek' vermijden en de voorkeur geven aan 'ontwerp en ontwikkeling'.
                           Daaronder wordt verstaan het op een wetenschappelijk verantwoorde manier
                           ontwerpen en ontwikkelen van producten die direct toepasbaar zijn. Met 'pro-
                           ducten' worden niet alleen fysieke producten bedoeld, maar ook productie-
                           processen, software-pakketten, adviesdiensten, methodieken, handleidingen,
                           leerplannen, vakboeken e.d.
                           2..9..2 Wetgeving
volgens de wet kan het HBO De term 'onderzoek' komt, zij het ongedefinieerd, voor in zowel de WHBO als de
         onderzoek doen…   in 1993 in werking getreden WHW. In de WHBO werd gesproken over ‘personeel
                           dat belast is met de verzorging van onderzoek’ (art. 53, lid 4). In artikel 3.1, lid 2,
                           van de WHW staat: "Hogescholen hebben het verzorgen van Hoger
                           Beroepsonderwijs tot taak. Zij kunnen onderzoek verrichten voor zover dit ver-
                           band houdt met het onderwijs aan de instelling."
                              Over de bekostiging van 'onderzoek' in het HBO is in beide wetten niets gere-
                           geld. Aanvankelijk, in de jaren '80, mocht het HBO onderzoek doen in richtingen
                           die geen universitaire tegenhanger hadden.24 De toenmalige minister van O&W,
                           dr. A. Pais, ging verder en vond het nodig dat er wisselwerking kwam tussen het
                           HBO en het WO. Daartoe zou in het HBO studieverlof komen, tijdelijke detache-
                           ring bij of uitwisseling met universiteiten, zodat HBO-docenten zelf onderzoek
                           24 Bijvoorbeeld: het kunstonderwijs. In 1984 nam het Haags Conservatorium van de RUU het Instituut
                               voor Sonologie over van de RUU.
                        44 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                            zouden kunnen doen. Het HBO zou extra geld krijgen voor onderzoek van
       ...maar de beloofde  beperkte omvang en duur. Het extra geld is er niet gekomen. Later, na de
 middelen hiervoor zijn er  invoering van de WHW, scherpte minister Deetman de bepaling dat hogescholen
              niet gekomen  ‘onderzoek kunnen doen’ aan door een budget (oplopend tot ƒ30 mln. in 1989)
                            als opslagsubsidie ter beschikking te stellen voor onderzoek in opdracht. De
                            hogescholen moesten dus eerst opdrachten binnenhalen en daar zouden ze dan
                            via een opslag voor beloond worden. Ook dit budget is er niet gekomen.
                            2..9..3 Pleidooien voor ontwerp en ontwikkeling in het HBO
   werkgeversorganisaties,  De pleidooien voor ontwerp en ontwikkeling in het HBO nemen in aantal en
                  HBO-raad, richting toe. Het gaat niet alleen om afstudeeropdrachten van studenten, maar
  beroepsverenigingen en    om ontwerp en ontwikkeling door docenten of speciaal ingezette medewerkers.
diverse visitatiecommissies Een greep uit de stroom pleidooien:
  pleiten voor ontwerp en   - In zijn reactie op het HOOP 2000 heeft MKB-Nederland een passage gewijd
  ontwikkeling in het HBO      aan ontwerp en ontwikkeling in het HBO. "Er zijn inmiddels goede voorbeel-
                               den over het grote nut van onderzoek voor innovatie in het MKB en het up to
                               date houden van docenten en onderwijs in de hogescholen (onder andere door
                               gebruik van MKB-cases in het onderwijs). Tenminste een duidelijke erkenning
                               hiervan, en dus van de rol van hogescholen op het terrein van het toegepast
                               onderzoek zou, als start, op zijn plaats zijn. Daarna volgt dan het zoeken naar
                               mogelijkheden om deze functie in hogescholen en naar het MKB te
                               stimuleren."
                            - In het rapport van de HBO-raad en VNO-NCW, De hogeschool als kennispoort,
                               wordt het woord 'kenniscirculatie' letterlijk gebruikt. Kenniscirculatie zal niet
                               alleen via onderwijs, maar ook via innovatiegerichte samenwerkingsprojecten
                               gaan lopen. Het bedrijfsleven kan via gastdocenten, docentstages, vakbeurzen,
                               'toepassingsgericht onderzoek' en dergelijke hogescholen helpen om actuele
                               trends op te pakken en nieuwe kennis op te bouwen.
                            - De ingenieursverenigingen KIvI en NIRIA hebben aan de minister een nota
                               gestuurd inzake de invoering van een bachelor-master structuur: "Gezien het
                               belang dat beide ingenieursverenigingen hechten aan het kunnen uitvoeren
                               van toegepast onderzoek in de afstudeerfase van de bachelorstudie in het
                               HTNO (dit in tegenstelling tot het meer fundamenteel ingestelde onderzoek bij
                               de WO-instellingen), geven wij u in overweging een voorstel te doen met
                               betrekking tot de financiering van het toegepaste onderzoek in het HTNO. Het
                               MKB hecht grote waarde aan deze vorm van onderzoekswerk. In het algemeen
                               kan worden gesteld dat onderzoekswerkzaamheden tevens de docenten beter
                               in de gelegenheid kunnen stellen contacten met het bedrijfsleven op te bou-
                               wen."
                        45  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>                                - De Staatscourant van 22 november 2000 maakt melding van samenwerking
                                   tussen de hogescholen en TNO bij ontwerp en ontwikkeling. Voor 'onderzoek'
                                   ten behoeve van het MKB denkt TNO baat te hebben bij structurele samen-
                                   werking met de hogescholen. Met de HBO-raad is afgesproken programma's
                                   te maken en centra op te zetten die ontwerp en ontwikkeling aan de man
                                   moeten brengen.
                                             Utrecht Micro-Engineering Competence Centre (UMECC)
                                Op het gebied van MST25 bestaat een kloof tussen nieuwe ontwikkelde kennis en
er zijn goede voorbeelden te
                                de toepassing van microcomponenten. Vooral het MKB heeft advies nodig over
     noemen van ontwerp en
                                onder andere de technologische aspecten van micro-ontwerpen. Het UMECC, in
       ontwikkeling in allerlei
                                1998 opgericht, wil deze kennis en verdere ondersteuning aan bedrijven aanbie-
                     sectoren
                                den, zowel in de vorm van cursussen als met ontwerp en ontwikkeling. Het richt
                                zich vooral op packaging, assembling, handling en testing van microsystemen.
                                - In het rapport van de verkenningscommissie HGZO De toekomst van het hoger
                                   gezondheidszorgonderwijs is gepleit voor versterking van het 'toegepast onder-
                                   zoek' en het evidence based handelen.
                                                   Preventieve waarde podotherapie voor diabetici
                                Podotherapeuten worden regelmatig geconfronteerd met voetproblemen van
                                diabetici. Doordat de zenuwen onvoldoende functioneren, lopen diabetici gemak-
                                kelijk wondjes aan de voeten op, die vaak moeizaam genezen door de slechte
                                doorbloeding. Dit kan uiteindelijk amputatie van de voet noodzakelijk maken. De
                                podotherapeut kan in een vroegtijdig stadium afwijkingen vaststellen en preven-
                                tieve behandeling geven. Om de preventieve waarde van podotherapie voor de
                                zorgverzekeraars aan te tonen, zijn door Fontys Hogescholen in samenwerking
                                met de UM en de TUE 660 diabetici getest.
                                - In diverse rapporten van visitatiecommissies uit de jaren '90 is gepleit voor
                                   'onderzoek' in het HBO. Enkele voorbeelden (tussen haakjes staan de nummers
                                   van de rapporten die in de serie Sectorale kwaliteitszorg HBO van de HBO-raad
                                   zijn verschenen).
                                25 Microsysteemtechnologie (MST) werkt met zeer lichte producten van zeer geringe afmetingen, en
                                    kent diverse toepassingen, zoals sensoren in ABS-systemen, ter plekke registratie van water- en lucht-
                                    vervuiling, horloges als multimedia-units, micropacemakers, smartmaterials voor de lucht- en ruimte-
                                    vaart.
                           46   Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>   Facilitaire dienstverlening, (12; 1994) Op pag. 39-40 constateert de commissie dat
   de opleidingen geen eigen innovatieve functie hebben; "er zijn geen projecten
   gericht op onderzoek en geen publicaties van docenten in vakbladen".
       Creatieve therapie (11; 1993) Op pag. 8 stelt de commissie dat de opleidingen
   eerder sturend zijn dan volgend t.o.v. de praktijk. Dat gebeurt door 'onderzoek' te
   doen. De commissie vindt dat het HBO praktijkgericht onderzoek moet kunnen
   doen, maar de docenten hebben geen ervaring met het doen van onderzoek.
   Universitair onderzoek (psychotherapie, orthopedagogiek) biedt weinig
   aanknopingspunten voor creatieve therapie. De Hogeschool Nijmegen opteert
   voor een landelijke onderzoeksfunctie. Er is een muziektherapeutisch en beeldend
   therapeutisch laboratorium.
       In haar rapport Maatschappelijk werk en dienstverlening (17a, 1994) pleit de
   visitatiecommissie voor meer ruimte voor 'onderzoek' omdat anders de
   opvattingen over het beroep niet getoetst kunnen worden aan reële
   ontwikkelingen in samenleving en beroep. De commissie beschouwt 'onderzoek'
   als "volstrekt onontbeerlijk". Zij pleit ook voor samenwerking met universiteiten en
   onderzoeksinstituten (onder andere NIMO en NIZW).
       Elektrotechniek (30; 1996). pag. 71: "De commissie is van mening, mede gelet
   op de zorgelijke situatie waarin men verkeert, dat de opleidingen veel meer zou-
   den moeten doen aan de werving van vormen van contractonderwijs en contract-
   onderzoek. (...) Een belangrijke positieve uitzondering vormt de Hogeschool
   Rotterdam & Omstreken. Deze opleiding elektrotechniek is erg actief met het
   werven en het uitvoeren van betaalde afstudeeropdrachten, waarbij een docent
   als projectleider optreedt en die tegenover het bedrijf een resultaatverplichting
   heeft (no cure no pay) die contractueel wordt vastgelegd." De opleiding profiteert
   "van deze contracten doordat de docenten als projectleider nieuwe kennis
   opdoen en de studenten uitstekend worden begeleid (...) Daarnaast werkt een
   dergelijke aanpak voor de docenten ook positief, omdat zij in aanraking komen
   met de nieuwste ontwikkelingen op hun vakgebied (...)".
       Personeel & Arbeid (42; 1998). pag. 56: "De commissie constateert (...) dat de
   kwaliteit van het onderzoek en onderwijs van universiteiten op dit gebied te wen-
   sen overlaat, want dit is vaak te abstract, niet toepassingsgericht en ook te mono-
   disciplinair. Juist het HBO zou hierop kunnen inspelen door in dit manco te voor-
   zien, en in afstemming met de universiteiten een systeem van toegepast
   onderzoek in te richten dat voor alle partijen winstgevend is".
47 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                                      Invoeren autonome taakgroepen
                              Bij enkele rayons van Hoogovens (Verpakkingsstaal) zijn op advies van en onder
                              begeleiding van twee HBO-docenten Personeel & Arbeid autonome taakgroepen
                              ingevoerd. Hiervoor is een methodiek ontwikkeld, die als kenmerk heeft dat de
                              werkvloer snel betrokken wordt bij het invoeringsproces. Nadat de taakgroepen
                              waren ingesteld, is nagegaan hoe ze functioneerden, met name wat betreft hun
                              invloed op de kwaliteit in de arbeid.
                              2..9..4 Ontwerp en ontwikkeling: door wie en waarom?
       het leeuwendeel van    In de gespreksronde is uitgebreid stilgestaan bij ontwerp en ontwikkeling, hoewel
   ontwerp en ontwikkeling    de omvang van deze nieuwe vorm van kenniscirculatie bijzonder beperkt is,
        wordt gedaan door     althans als het gaat om de activiteiten van docenten. Het leeuwendeel van het
           studenten in hun   werk wordt gedaan door studenten in hun afstudeerfase. De docenten zijn hier-
                afstudeerfase bij als begeleider betrokken. Voor de begeleiding zijn drie opties aangetroffen. In
                              de meeste gevallen is de begeleiding bescheiden en beperkt deze zich tot de
                              voortgang van de afstudeeropdracht. Er zijn echter ook afstudeeropdrachten
                              waarbij de student en de begeleidende docent een inspanningsverplichting aan-
                              gaan. En tot slot komt het op beperkte schaal voor dat de hogeschool een resul-
                              taatverplichting aangaat.
         er zijn maar enkele      Op sommige plekken zijn er docenten die zelf aan ontwerp en ontwikkeling
docenten actief, sommigen     werken. In enkele gevallen is daartoe zelfs een expertisecentrum ingericht waar
 in speciale expertisecentra  een voor die taak ingezette medewerker een centrale rol speelt; een rol die
                              enigszins vergelijkbaar is met die van een lector.
   het gaat om ontwerp en     Het feit dat het overgrote deel van het O&O-werk door studenten wordt verricht,
   ontwikkeling in opdracht   wordt weerspiegeld door de nadruk op afstudeeropdrachten; 'vrij' ontwerp en
                              ontwikkeling komt zelden voor. Door de meeste hogescholen wordt alleen ont-
                              werp en ontwikkeling gedaan als er vraag naar is; er moet een concrete opdracht
                              zijn. De opdrachtgever kan zich wenden tot de hogeschool _ de meeste hoge-
                              scholen hebben transferpunten en/of contractafdelingen per faculteit _, maar de
                              hogeschool kan ook bij een bedrijf of instelling opdrachten acquireren. Dat levert
                              nog wel eens problemen op. Bedrijven hebben namelijk niet altijd nieuwe
                              opdrachten, terwijl de hogescholen bepaalde eisen stellen aan de moeilijkheids-
                              graad, de mate van innovatie, en de duur van de opdracht.
                                  'Vrij' ontwerp en ontwikkeling komt slechts op beperkte schaal voor in het
                              HBO. In de sectoren Techniek en Landbouw zijn enkele voorbeelden aangetroffen
                              van kennis- of competentiecentra waar vrijgestelde medewerkers aan ontwerp en
                              ontwikkeling doen. Dat werk wordt nodig gevonden om te zorgen voor
                              voldoende kritische massa voor toekomstige opdrachten waaraan docenten en
                          48  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                                studenten kunnen werken. Door het afnemende bedrijfsleven wordt enthousiast
                                op deze ontwikkelingen gereageerd.
                                In de gesprekken zijn enkele redenen aangevoerd waarom docenten een taak op
                                het gebied van ontwerp en ontwikkeling zouden moeten krijgen:
                                1. Het eerste, meest genoemde, motief is dat ontwerp en ontwikkeling (O&O)
                                   het primaire proces (onderwijs) ten goede moet komen. O&O door studenten
                                   maakt ze vertrouwd met de beroepspraktijk. De begeleiding houdt de
                                   docenten up to date.
                                2. Een tweede, weinig naar voren gebracht motief, is dat O&O een onderdeel van
                                   het HRM-beleid kan zijn. Dit zou voorkomen dat men afhankelijk is van
                                   opdrachten van bedrijven die vaak met dezelfde routine-vragen komen of met
                                   vragen die voor de hogeschool niet interessant zijn. De hogeschool maakt zelf
                                   O&O-programma's en daarbinnen projecten die oplopen in moeilijkheidsgraad
                                   en schakelt gericht docenten in, afhankelijk van hun leeftijd en ervaring.
                                3. Werkgeversorganisaties, het ministerie van Economische Zaken, maar ook
                                   hogescholen zelf zijn van mening dat de kennis in het HBO niet alleen via het
                                   onderwijs overgedragen moet worden, maar ook ten goede moet komen aan
                                   innovaties in het (regionale) bedrijfsleven en andere arbeidsorganisaties.
                                   Kennistransfer via O&O wordt dan als een aparte taak gezien.
   hoofdmotief om docenten      In de praktijk blijkt, dat het hoofdmotief voor ontwerp en ontwikkeling in het HBO
  ontwerp en ontwikkeling te    is dat de docenten op de hoogte blijven van de nieuwe ontwikkelingen in de
laten doen is dat ze hierdoor   beroepspraktijk en daar een bijdrage aan kunnen leveren. Dit is precies wat ken-
            up to date blijven  niscirculatie inhoudt: door kennis te brengen doet men ervaring op met het
                                onderzochte werkveld en daardoor 'haalt' men kennis. Kenniscirculatie is 'halen en
                                brengen' en dat geldt zeker voor de modaliteit ontwerp en ontwikkeling. A.J.
                                Udink ten Cate, voorzitter van de directie Faculteit Natuur en Techniek van de
                                Hogeschool Utrecht, heeft het hoofdmotief voor O&O in het HBO treffend
                                samengevat: cruciaal is om teams vanuit de hogeschool te organiseren, zodat de
                                uitstraling naar het gewone onderwijs maximaal is. "Het opzetten van centra die
                                buiten het gewone dagelijkse onderwijs staan, is onverstandig. Het HBO kent een
                                treurigmakende lijst van met (veel) subsidie opgezette en vervolgens stilletjes
verwevenheid met onderwijs      geamoveerde expertisecentra, werkplaatsen, innovatiecentra, transferpunten en
                    is cruciaal dergelijke. Verwevenheid met het onderwijs is van cruciaal belang.”26
                                26 A.J. Udink ten Cate, ‘Toegepast onderzoek’, opgenomen in de bundel ter gelegenheid van het
                                    afscheid van Marlies Coomans als lid van het CvB van de Hogeschool Utrecht, De grote lijn en het
                                    detail: sturen op goede resultaten en zorgvuldige processen; Hogeschool van Utrecht, april 2000.
                            49  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>                           2..9..5     Sectorverschillen
                           Er zijn enorme verschillen tussen en binnen de sectoren wat betreft de omvang
                           van de O&O-activiteiten. De sectoren waar weinig aan ontwerp en ontwikkeling
                           wordt gedaan, zijn het gezondheidszorg- en het sociaal-agogisch onderwijs.
                           Weliswaar zijn er binnen de gezondheidszorg aansprekende voorbeelden te
                           noemen, zoals revalidatie-onderzoek in samenwerking met een academisch
                           ziekenhuis en podologische testen van diabetici, maar deze behoren tot de
                           uitzonderingen.
                              In de sectoren landbouw en economie speelt ontwerp en ontwikkeling een
ontwerp en ontwikkeling    relatief belangrijke rol. O&O door studenten in hun afstudeerfase is bijna overal in
   komt vooral voor in de  deze sectoren een vast onderdeel in het curriculum geworden. De kosten voor de
    sectoren landbouw en   opdrachtgevers lopen uiteen van ƒ2500,- (gemiddeld in de sector Economie) tot
                 economie  ƒ20.000,- voor agrarisch O&O door een groep van drie studenten en een bege-
                           leider. De bedrijven zijn in principe positief, maar er worden ook kanttekeningen
                           gemaakt.
                              Allereerst gaat het niet om activiteiten op het terrein van de core business van
                           het bedrijf of de organisatie. Het werk wordt wel belangrijk gevonden, maar het
                           gaat om zaken die anders blijven liggen. Een kanttekening betreft de begeleiding
                           vanuit de hogeschool. Die is niet altijd intensief en ‘stevig’. Het bedrijf moet er
                           vaak zelf veel in investeren. Daar staat tegenover dat de kosten van de afstudeer-
                           opdracht betrekkelijk laag zijn. Tot slot worden er kanttekeningen geplaatst bij de
opdrachtgevers eisen wel   professionaliteit. Een hogeschool moet zich volgens de bedrijven en instellingen
        professionaliteit… duidelijk positioneren. Dat gebeurt, zoals eerder is opgemerkt, in de praktijk
                           veelal door de bedrijven drie opties te bieden. Ten eerste kan de begeleiding zich
                           louter op de procesgang richten. Een tweede optie is een inspanningsverplichting.
                           De zwaarste optie is een resultaatverplichting die de hogeschool aangaat.
                           Bedrijven geven de voorkeur aan de laatste optie om te voorkomen dat een hoge-
                           school het accent te veel legt op het leeraspect.
 ...sommige hogescholen    Binnen de hogescholen wordt verschillend tegen ontwerp en ontwikkeling
kunnen dat zeker bieden,   aangekeken. Binnen de sector techniek zijn er hogescholen die vinden dat O&O
               andere niet niet tot hun taak behoort. In hun opvatting dienen bedrijven zich te richten tot
                           bijvoorbeeld TNO en ingenieursbureaus. Andere hogescholen zijn daarentegen
                           zeer actief en vanuit het bedrijfsleven blijkt grote vraag naar hun O&O-
                           activiteiten te bestaan. Enkele voorbeelden: coating- en oppervlakte-
                           technologieën, microsystemen-technologie, lichtgewichtconstructies.
                        50 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>          zonder subsidies of  Deze voorbeelden laten tevens een knelpunt zien: zonder subsidies of samen-
  samenwerking met andere      werking met andere centra is ontwerp en ontwikkeling in apparatuurintensieve
   kennisinstellingen lukt het sectoren vrijwel niet mogelijk. Het gevaar dreigt steeds, dat de gesubsidieerde
niet om centra voor ontwerp    centra hun werkzaamheden moeten beëindigen zodra de subsidiekraan dichtgaat
       en ontwikkeling op te   resp. vaste vormen van medegebruik van apparatuur niet tot stand zijn gekomen.
             zetten, vooral in
        apparatuurintensieve   2..9..6 Subsidies27
                     sectoren  Zoals hierboven opgemerkt, is een deel van het O&O-werk in het HBO, met name
                               op het gebied van bedrijfsgerichte technologieën,28 tot stand gekomen dankzij
                               subsidies in kostbare apparatuur. Vanuit EZ gaan subsidies naar de drie
                               Noordelijke provincies voor regionale ontwikkeling (Kompas voor het Noorden);
                               hiervan profiteren de (agrarische) hogescholen aldaar. En er zijn in diverse
                               regio's EU-subsidies, zoals de structuurfondsen en de fondsen voor de grens-
                               regio's (Interreg). Daarnaast zijn er subsidies van de provincies en van EZ voor
                               innovatie-onderzoek ten behoeve van het regionale MKB.
                               Door sommige hogescholen worden de subsidiemogelijkheden volledig benut. Zo
                               is er een hogeschool in het Noorden, die als enige gebruik weet te maken van de
                               WBSO.29 Ook wordt ingetekend op het Kaderprogramma van de EU; nu nog als
                               'onderaannemer' van de UT. ICES/KIS is een bron die nog weinig door het HBO
   ICES/KIS-3 kan een goede    wordt aangeboord. Uit het lopende programma ICES/KIS-2 worden technocentra
      bron zijn om dergelijke  bekostigd. In deze centra werken hogescholen en ROC's samen; de centra zijn niet
          centra op te zetten  (uitsluitend) op ontwerp en ontwikkeling gericht. Voor het nieuwe programma
                               ICES/KIS-3 kunnen voorstellen worden ingediend. Op verzoek van het ministerie
                               van OCenW heeft Hobéon Management Consult een bijdrage geleverd aan het
                               definiëren van nieuwe thema's die passen in de aandachtsgebieden van ICES/KIS.
                               Naast 'virtuele leeromgeving' brengt het bureau het thema 'kennispoort' onder de
                               aandacht. Dit thema is sterk toegespitst op 'toegepast onderzoek'.
                               27 In het advies van de werkgroep VNO-NCW en HBO-raad, De hogeschool als kennispoort (okt. 1999)
                                   wordt aan de landelijke overheid, i.c. het ministerie van EZ, gevraagd een handzaam overzicht uit te
                                   brengen van bestaande subsidieregelingen, faciliteiten en intermediaire organisaties op het gebied
                                   van kennisuitwisseling tussen bedrijven en hogescholen. De AWT en de Onderwijsraad tekenen
                                   hierbij aan, dat dergelijke overzichten vrij makkelijk te verkrijgen zijn, via commerciële 'subsidiologen'
                                   en ook via internet, maar dat de subsidieregelingen weinig oog hebben voor hogescholen als
                                   (regionale) kennisinstellingen.
                               28 Op medisch gebied zijn er ook subsidies van de Ziekenfondsraad en de 'collectebusfondsen', waar-
                                   onder het Diabetes Fonds Nederland.
                               29 Met de WBSO-regeling van EZ kunnen bedrijven financiële tegemoetkoming krijgen voor het doen
                                   van R&D. Wanneer onderzoeksinstituten R&D doen voor bedrijven kunnen zij ook van deze regeling
                                   gebruik maken. Elke kennisinstelling, dus ook een hogeschool, kan hiervan gebruik maken, maar
                                   alleen het Van Hall Instituut maakte hier melding van.
                           51  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>                                 2..9..7 Lectoren
                                 De minister van OCenW heeft besloten dat er in het HBO meer aandacht moet
                                 komen voor kenniscirculatie, onder meer door ontwerp en ontwikkeling. Naast
                                 het vernieuwingsfonds, dat al een aantal jaren bestaat, is er sinds kort een budget
                                 gekomen voor lectoren. Doel hiervan is de hogescholen in staat te stellen
                                 docenten in een hogere schaal aan te stellen (minimaal schaal 14) die de
                                 verbreding van de kerntaak van het HBO richting onderwijs t.b.v. een leven lang
                                 leren, internationalisering, en 'toegepast onderzoek', kunnen helpen realiseren.
                                    Op elke 5.000 studenten kan één lector worden benoemd. De lector geeft
           er komen nu enkele    leiding aan een kenniskring, waaraan 10 tot 15 docenten kunnen deelnemen. De
             tientallen lectoren HBO-raad stelt in zijn Position paper van november 2000 dat het beschikbare bud-
                                 get structureel zou moeten worden verhoogd van 60 miljoen in 2002 tot
                                 uiteindelijk 120 miljoen gulden. Als de door de HBO-raad voorgestelde uitbreiding
                                 gerealiseerd wordt, zouden er over 10 jaar 600 lectoren kunnen zijn.
zij moeten de HBO-docenten          De docenten in een kenniskring zullen hun deskundigheid extra kunnen ver-
             helpen ‘innovatie-  groten door studie, (promotie)onderzoek, en kennisuitwisseling met bedrijven en
     professionals’ te worden    instellingen. Zij ontwikkelen zich volgens de HBO-raad van ‘routine-professionals’
                                 tot ‘innovatie-professionals’. Kennelijk zijn de zittende docenten onvoldoende in
                                 staat om via de bestaande modaliteiten van kenniscirculatie up to date te blijven.
         in de CAO-HBO en de     Aanvankelijk was de functie van lector en die van kenniskring breed ingevuld:
 praktijk is de nadruk komen     studie, ontwerp en ontwikkeling, gastdocenten, docentenstages, contacten met
 te liggen op ‘onderzoek‘ en     bedrijven en instellingen, bezoek van vakbeurzen enzovoort. Maar nu de functie
          dat is een eenzijdige  van lector in de praktijk wordt gebracht, blijkt het accent op 'onderzoek' te liggen.
       invulling van het brede   In de CAO-HBO 2000-2002 is een omschrijving opgenomen van lector
        begrip kenniscirculatie  (schaal 14). De werkzaamheden van de lector zijn als die van de hogeschool-
                                 hoofddocent (schaal 13) met dien verstande dat het hierbij gaat om:
                                 - "het verzorgen van onderwijs waarbij het noodzakelijk is om het vak op topni-
                                    veau te beheersen waarbij een directe vertaling kan worden gegeven van het
                                    onderwijs naar de praktijk;
                                 dan wel:
                                 - het leiden van complexe onderzoeken waarbij veelal sprake is van multidisci-
                                    plinair onderzoek en/of hoog gespecialiseerd fundamenteel onderzoek waarbij
                                    niet alleen sprake dient te zijn van een volledige beheersing van het eigen
                                    vakgebied maar ook van aanverwante vakken; het gaat hierbij om onderzoek
                                    van wetenschappelijk niveau maar toepassingsgericht waarbij veelal sprake is
                                    van onderzoek met een uitgesproken innovatief karakter;
                                 - het leiden van, veelal innovatieve, adviesopdrachten voor bedrijven en over-
                             52  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>                                  heidsinstellingen waarbij sprake is van opdrachten met een breed bedrijfskun-
                                  dig karakter en/of hoog gespecialiseerd onderzoek."
                              Er zijn slechts enkele voorbeelden van lectoren die inmiddels zijn aangesteld.
                              Daaruit valt op te maken, dat het accent in de werkzaamheden inderdaad op
                              'onderzoek' is komen te vallen. Lectoren, zo is de indruk, geven onderwijs en doen
                              'onderzoek'. Er wordt in de berichtgeving nog geen melding gemaakt van
                              andere vormen van kenniscirculatie. De lector Grootstedelijke Ontwikkeling aan
                              de Haagse Hogeschool _ een functie die al sinds 1997 bestaat _ geeft onderwijs
                              en verricht onderzoek in opdracht van overheid en bedrijfsleven. De lector van het
                              Samenwerkend Hoger Agrarisch Onderwijs (SHAO) doet onderzoek naar keten-
                              vorming. De lector Zorgverbreding aan de PABO van Saxion Hogeschool IJselland
                              Deventer doet niet alleen onderzoek, in samenwerking met universitaire kennis-
                              centra, maar zet ook een nieuwe post-HBO opleiding Psychodiagnostisch
                              Specialist op.
                              2.10 Internet-ondersteunde kenniscirculatie
internet kan kenniscirculatie Tot slot wijden de Onderwijsraad en de AWT enige aandacht aan web enabled ken-
              ondersteunen    niscirculatie.
                                                       Webcams voor stagebegeleiding
                              Docenten (en studenten) van de PABO van de Hogeschool Brabant kunnen via
                              internet rechtstreeks in de klassen kijken bij 12 basisscholen in Zeeland. Docenten
                              kunnen zo via webcams hun studenten/stagiairs observeren. De basisscholen in
                              Zeeland liggen ver uit elkaar, wat het regelmatig bezoeken van de stagiairs
                              bemoeilijkt. Met een camera in de klas kan de docent dan toch contact houden
                              met de student.
                               In haar Onderwijsverslag over het jaar 1999 merkt de Inspectie op dat in het hoger
                              onderwijs standaardapplicaties van ICT, internet en e-mail veelvuldig worden
                              gebruikt, maar dat van grootschalig gebruik van ICT in de curricula nog geen
                              sprake is. In haar Onderwijsverslag over het jaar 2000 wijdt de Inspectie een
                              speciaal thema aan ICT. De resultaten zijn niet erg hoopgevend. In het WO en het
                              HBO zijn op de 100 studenten slechts 12 computers beschikbaar. In het HBO is
                              circa de helft van de pc's van een internetaansluiting voorzien.
                          53  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>                              Een belangrijke toepassing van ICT in het onderwijs is de Elektronische
                              Leeromgeving (ELO). Het HBO bevindt zich volgens de Inspectie wat betreft ELO
                              in de startfase: in 15% van de opleidingen is een ELO operationeel, met name in
                              de sectoren Economie en Taal & Cultuur.
                                                                       VI@
                              Het Virtueel Instituut Almere (VI@) van het Instituut voor Information Engineering
                              (IIE) van de Hogeschool van Amsterdam is een gebouw met geavanceerde net-
                              werk- en communicatie-infrastructuur, waar ook jonge ondernemers onderdak
                              hebben. Met het VI@ wordt gewerkt aan het aanbieden van onderwijs via
                              internet. Op 1 september 2001 wordt gestart met een nieuwe opleiding die tot
                              stand komt in samenwerking met Getronics.
 maar door geldgebrek komt    De Open Universiteit, de UvA, de VUA , de UT en 8 hogescholen hadden een
virtueel onderwijs nauwelijks consortium gevormd voor het ontwikkelen van een centrum voor digitaal hoger
                van de grond  onderwijs. Voor een periode van 4 jaar is hiermee ruim 120 miljoen gulden
                              gemoeid. De minister van OCenW heeft echter voor de komende twee jaar niet
                              60 maar 50 miljoen toegezegd. Vanwege de hoge financiële lasten _ de univer-
                              siteiten dragen 3 miljoen per jaar bij en de hogescholen ieder 1 miljoen _ hebben
                              3 hogescholen zich moeten terugtrekken. Het consortium moet op zoek naar
                              nieuwe betalende deelnemers.
                                  In een briefadvies (3 april 2000) aan de ministers van OCenW en EZ heeft de
                              AWT aandacht gevraagd voor Virtueel Hoger Onderwijs: naar een nieuwe bedrijfstak
                              in Nederland. De AWT doet in zijn advies de volgende aanbeveling: "Ter verster-
                              king van de concurrentie-positie verdient het aanbeveling om in de derde ronde
                              van ICES/KIS het thema 'virtueel hoger onderwijs als nieuwe bedrijfstak' hoog op
                              de lijst te zetten. Het gaat daarbij om middelen waarmee docenten kunnen
                              worden vrijgemaakt voor ontwikkelingswerk, en middelen voor apparatuur en
                              software. Maar er dient ook aandacht te zijn voor de onderwijs-inhoudelijke en
                              organisatorische aspecten van virtueel onderwijs, alsmede de verschuivingen in
                              taken en verantwoordelijkheden. Virtueel onderwijs biedt namelijk nauwelijks
                              meerwaarde als het beperkt blijft tot substitutie van bestaand onderwijs. ICT kan
                              helpen tot innovaties in het onderwijs te komen door transformatie van de instel-
                              lingen en al het onderwijs. Betrokkenheid van de private sector lijkt onontbeerlijk
                              om tot goede perspectieven te komen voor een nieuwe economische bedrijfstak."
                                  Inmiddels zijn de thema's van ICES/KIS-3 bekend. Thema nr. 2 is ICT en thema
    ICES/KIS-3 kan voor extra nr. 3 is 'competenties in de informatiemaatschappij'. Bij het laatste thema staat
    middelen zorgen én voor   vermeld dat initiatieven op dit gebied zo veel mogelijk worden gekoppeld aan ini-
              publiek-private tiatieven uit andere thema's. Voor het opzetten van een publiek-privaat
               samenwerking   consortium voor virtueel hoger onderwijs kunnen de thema's 2 en 3 worden
                          54  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>                             gecombineerd. De Onderwijsraad en de AWT hopen dat de hogescholen deze
                             mogelijkheid ten volle zullen benutten.
                             2.11 Versterking van de hogeschool als
                                       kenniscentrum
                             In deze afsluitende paragraaf worden de bevindingen uit het voorgaande op een
                             rij gezet in het licht van de vraag of de hogeschool als kenniscentrum functioneert
                             in de kennis-samenleving. Deze vraag wordt aan het slot toegespitst op de regio-
                             nale inbedding van het HBO; daarbij gaat de aandacht uit naar de hogeschool als
                             regionaal kenniscentrum.
                             2..11..1 De bevindingen samengevat
bestaande modaliteiten van   De vormen van kenniscirculatie die in de adviesaanvraag als ‘bestaande’ moda-
   kenniscirculatie vertonen liteiten zijn aangeduid functioneren inderdaad in de praktijk, maar er valt veel te
     gebreken, maar er zijn  verbeteren. Naast minder goed lopende zaken zijn in de voorgaande paragrafen
   diverse verbeteringen te  diverse positieve initiatieven genoemd. Enkele aansprekende voorbeelden zijn in
        melden, die breder   tekstkaders gezet. De nuances weglatend, kan het volgende beeld worden
 ingevoerd zouden moeten     geschetst:
                     worden  - De afstemming van het curriculum op de vraag van het afnemend veld is ver-
                                 beterd, maar de contacten met het beroepenveld kunnen meer systematisch
                                 tot stand komen; niet zozeer via persoonlijke contacten als wel via branche-
                                 organisaties, alumni, beroepsverenigingen e.d. Competentiegericht leren is
                                 een nieuw punt van aandacht.
                             - Stages zijn wel van belang voor de kennismaking van studenten met de
                                 beroepspraktijk, maar ze blijken nauwelijks een rol te spelen in het kader van
                                 kenniscirculatie. Afgezien daarvan wordt niet altijd voldaan aan de randvoor-
                                 waarden voor de kwaliteit van een stage, zoals bijvoorbeeld voldoende bege-
                                 leiding en goede contacten tussen de opleiding en het stagebedrijf.
                             - Over het algemeen wordt duaal onderwijs wel als belangrijke factor in de
                                 kenniscirculatie gezien, maar deze modaliteit is nog niet over de hele linie van
                                 het HBO ingevoerd. De contacten tussen de hogescholen en grote bedrijven
                                 waar grote aantallen 'duale studenten' kunnen worden geplaatst, zijn in
                                 enkele gevallen goed, maar middelgrote en kleine bedrijven klagen erover dat
                                 de hogescholen hun duale studenten, eenmaal geplaatst, 'loslaten'.
                             - Gastdocentschappen vanuit bedrijven en instellingen komen overal regelmatig
                                 voor, maar detachering (of stages) van docenten bij bedrijven en instellingen
                                 lukt om praktische redenen niet.
                          55 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>                             - Van monitoring van innovaties via scholing, bezoek van vakbeurzen en
                                 congressen en dergelijke is over het geheel genomen nauwelijks sprake.
                                 Systematische toepassing van deze modaliteit hangt vooral af van het
                                 personeelsbeleid binnen de instelling.
                             - De aandacht voor startende ondernemers neemt toe en steeds meer wordt het
                                 belang van een ondernemende houding bij studenten onderkend. Een voor-
                                 waarde is dat docenten gevoelig zijn voor het belang van ondernemerschap en
                                 kennis van zaken hebben; daarvan is slechts sprake in een enkele sector.
                             Het algemene beeld is er een van een onderwijssoort in beweging. Er zijn aan-
                             zienlijke verschillen binnen en tussen de sectoren in het HBO. Er is blijkbaar geen
                             algemene HBO-standaard. Dat geldt voor de bestaande modaliteiten van kennis-
                             circulatie en dat geldt eveneens voor de nieuwe modaliteiten van kenniscirculatie.
                             De afwezigheid van een HBO-standaard op het gebied van kenniscirculatie kan er
                             ook toe leiden dat hogescholen een onevenwichtigheid realiseren in de balans
                             tussen bestaande en nieuwe componenten van het kennisprofiel. Het gevaar
                             dreigt dat te veel energie naar die nieuwe vormen van kennisontwikkeling en uit-
                             wisseling gaat ten koste van de bestaande modaliteiten. Dit is zorgwekkend aan-
bestaande gebreken worden    gezien die modaliteiten nog onvoldoende functioneren. De gebreken van de ken-
  niet opgelost door nieuwe  niscirculatie worden niet opgelost door aan de bestaande modaliteiten nieuwe toe
 vormen van kenniscirculatie te voegen.
                                 De AWT en Onderwijsraad wijzen in dit verband op de uitspraken van de
                             Inspectie van het Onderwijs in haar Onderwijsverslag over het jaar 2000. Weliswaar
                             baseert de Inspectie haar uitspraken op een aantal visitaties in het HBO,30 maar de
                             AWT en de Onderwijsraad menen op grond van hun bevindingen dat het door de
                             Inspectie geschetste beeld in meerdere opzichten HBO-breed geldt. De Inspectie
                             merkt op: "(...) contacten van de opleidingen met de beroepspraktijk zijn volgens
                             visitatiecommissies bij ongeveer de helft van de beoordeelde opleidingen nog
                             ontoereikend. De contacten met het werkveld blijken een zaak van persoonlijk
                             initiatief van de docenten, er wordt te weinig structureel en beleidsmatig gebruik
                             gemaakt van informatie uit het desbetreffende beroepenveld of er wordt onvol-
                             doende voeling gehouden met relevante (wetenschappelijke) ontwikkelingen in
                             30 Facilitaire dienstverlening, journalistiek en voorlichting, werktuigbouwkunde, specifieke
                                  gezondheidsopleidingen, fysiotherapie en bewegingstechnologie; in totaal 58 opleidingen.
                         56  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                             het vakgebied of werkveld." (pag. 207) En: "Verschillende opleidingen beschikken
                             over docenten met (te) weinig (recente) beroepservaring. De Inspectie consta-
                             teert dat er vrijwel geen opleidingen zijn, met uitzondering van creatieve thera-
                             pie, die docenten in de gelegenheid stellen om beroeps- en praktijkervaring op te
                             doen, bijvoorbeeld door middel van docentenstages. Docenten blijven in het
                             algemeen op de hoogte van actuele ontwikkelingen in het beroepenveld door
                             studenten te begeleiden bij stage- en afstudeeropdrachten. De Inspectie acht dit,
                             met de visitatiecommissies, niet voldoende." (pag. 211)
   kenniscirculatie verdient     Het gaat hier om de vraag naar de kwaliteitsverhoging van het hoger beroeps-
      over de volle breedte  onderwijs over de volle breedte. Ook de Inspectie van het Onderwijs wijst op de
                   aandacht  relatie tussen kennisuitwisseling met de beroepspraktijk enerzijds en de kwaliteit
                             van het onderwijs anderzijds. Naar aanleiding van recente visitaties in het HBO
                             stelt de Inspectie in het Onderwijsverslag over het jaar 2000 (blz.207-208):
                                 "De competenties van afgestudeerden zijn over het algemeen voldoende
                                 relevant en toereikend voor een adequaat functioneren op het niveau van
                                 beginnend beroepsbeoefenaar. Dit beeld hebben visitatiecommissies gekre-
                                 gen door afstudeeropdrachten te bestuderen en gesprekken te voeren met
                                 alumni en vertegenwoordigers van het beroepenveld. De commissies maken
                                 echter niet duidelijk hoe de opleidingen er in slagen afgestudeerden met
                                 voldoende beroepsgerichte competenties af te leveren, ondanks een over
                                 het algemeen gebrekkige afstemming met het beroepenveld en kritiek op
                                 het niveau van de opleiding."
er is nog een lange weg te   De Onderwijsraad en de AWT zijn met de Inspectie van mening, dat de mate
     gaan naar het HBO als   waarin de opleidingen kennis uitwisselen met de beroepspraktijk de kwaliteit van
             kenniscentrum   de opleidingen wezenlijk beïnvloedt. Indien de kenniscirculatie matig functio-
                             neert, heeft dit negatieve gevolgen voor de competenties van de afgestudeerden.
                             Geconstateerd is dat de kenniscirculatie op meerdere modaliteiten tekort-
                             komingen vertoont.
                             In de adviesaanvraag van de ministeries van OCenW en EZ wordt ook aandacht
                             gevraagd voor relatief nieuwe modaliteiten van kenniscirculatie. De bevindingen
                             zijn als volgt samen te vatten:
                             - knelpunten arbeidsmarkt
                             Over het geheel genomen gaat het bij kwantitatieve knelpunten op de arbeids-
                             markt om een boven het aanbod uitstijgende vraag naar werknemers. Wat betreft
                             de bijdrage van hogescholen aan het oplossen van deze knelpunten worden dua-
                             lisering, flexibilisering van opleidingen en contractonderwijs genoemd. De
                             synergie tussen regulier en niet-regulier onderwijs is vanuit de optiek van kennis-
                             circulatie een punt van zorg.
                         57  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>       Wat betreft het oplossen van kwalitatieve knelpunten kan het HBO een
   bijdrage leveren door het afstemmen van de curricula op de maatschappelijke
   vraag, door de start van nieuwe opleidingen en door vraaggestuurde contract-
   activiteiten. Ook introductie van competentie-gericht leren wordt als mogelijkheid
   genoemd, maar de vormgeving daarvan staat nog in de kinderschoenen.
   - ontwerp en ontwikkeling
   In de WHW is 'onderzoek' in het HBO ongedefinieerd. De Onderwijsraad en de
   AWT geven de voorkeur aan de term ontwerp en ontwikkeling (O&O): het
   onwerpen en ontwikkelen van kennisproducten die direct toepasbaar zijn. Er zijn
   allerlei pleidooien voor O&O in het HBO en er zijn ondertussen voorbeelden te
   noemen die hieraan beantwoorden.
       In de praktijk gebeurt het overgrote deel van O&O door studenten in hun
   afstudeerfase. Het gaat voornamelijk om opdrachten van bedrijven en
   instellingen. De begeleiding door docenten kan een beperkte rol spelen of zeer
   intensief zijn, zodat een inspannings- of zelfs een resultaatverplichting wordt aan-
   gegaan. Niet altijd hebben bedrijven en instellingen voldoende projecten voor
   'onderzoek'.
       Door het begeleiden van afstudeeropdrachten komen docenten in aanraking
   met de beroepspraktijk. Dit levert synergie op voor het primaire proces, het
   onderwijs.
       Het hoofdmotief voor uitbreiding van de mogelijkheden van ontwerp en ont-
   wikkeling door docenten is de verwevenheid met het onderwijs. Om capaciteit
   hiervoor op te bouwen is een zekere kritische massa noodzakelijk. Het concentre-
   ren van O&O-medewerkers in zogenaamde competentiecentra, dat op sommige
   plaatsen plaatsvindt, is een mogelijke optie, temeer daar afnemers hier positief
   tegenover staan. Voorlopig blijken dergelijke constructies echter, met name voor
   de apparatuurintensieve sectoren, aangewezen op subsidies van de overheden en
   de EU, of op medegebruik van apparatuur bij universiteiten en onderzoeksinstitu-
   ten ICES/KIS-3 biedt mogelijkheden voor de hogescholen om in publiek-private
   samenwerking centra voor ontwerp en ontwikkeling op te zetten. Van lectoren
   wordt verwacht dat zij het zittende docentencorps _ door de HBO-raad bestem-
   peld als 'routine-professionals' _ weten te upgraden tot 'innovatie-professionals'. Het
   accent in de werkzaamheden van lectoren ligt eenzijdig op 'onderzoek'. Aan ande-
   re vormen van kenniscirculatie _ begeleiding van stagiairs en afstudeeropdrach-
   ten, gastdocenten, docentenstages, monitoring van innovaties in de beroeps-
   praktijk, het begeleiden van starters, synergie tussen regulier en niet-regulier
   onderwijs _ wordt blijkens de tot nu toe beschikbare informatie niet of nauwelijks
   aandacht besteed. De AWT en de Onderwijsraad vinden dat de hogescholen
   kenniscirculatie over de volle breedte _ de bestaande modaliteiten, niet-regulier
58 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>                        onderwijs, regionale netwerkvorming en O&O _ moeten verbeteren.
                        - internetondersteunde kenniscirculatie
                        ICT, in het bijzonder internet, kan kenniscirculatie ondersteunen. In de praktijk
                        blijkt het moeilijk te zijn een consortium voor virtueel hoger onderwijs van de
                        grond te krijgen. ICES/KIS-3 biedt een mogelijkheid voor het opzetten van
                        publiek-private samenwerking. Te hopen is dat de hogescholen deze mogelijkheid
                        ten volle zullen benutten.
                        2..11..2 De hogeschool als regionaal kenniscentrum
                        In de voorgaande paragraaf werd het beeld geschetst van de hogeschool als
                        kenniscentrum. De noodzakelijke modaliteiten van kenniscirculatie blijken in de
                        praktijk tekortkomingen te vertonen. Het is de vraag of relatief nieuwe vormen van
                        kennisuitwisseling _ niet-regulier onderwijs, ontwerp en ontwikkeling, en web
                        enabled knowledge exchange _ hierin verandering kunnen brengen. De kennis-
                        circulatie zou verbeterd kunnen worden, niet alleen door de modaliteiten te ver-
                        sterken, maar ook door ze specifiek op de regio toe te spitsen. De hogeschool zou,
                        zo kan worden gesteld, pas kenniscentrum zijn, als zij vooral de rol van regionaal
                        kenniscentrum kan waarmaken.
                        De regio
                        De positie van het HBO in de regio is al enige tijd onderwerp van gesprek.31 Een
                        hogeschool zou een rol kunnen spelen als regionaal kenniscentrum in interactie
                        met de omringende bedrijven en instellingen alsmede met andere onderwijsin-
regio is moeilijk af te
                        stellingen. Het begrip 'regio' kent verschillende invullingen. Gedifferentieerd naar
            bakenen
                        opleidingen en sectoren wordt de omvang van de regio in belangrijke mate
                        bepaald door de spreiding van gelijksoortige opleidingen. Zo zal bijvoorbeeld
                        voor hogere hotelscholen de regio groter zijn dan voor opleidingen commerciële
                        economie, terwijl voor andere opleidingen de regio's overlap vertonen.
                            De regio wordt hier gedefinieerd als de door de hogeschool/opleiding gekozen
                        omgeving waarbinnen kennisdelende samenwerkingsrelaties met bedrijven en
                        andere instellingen worden aangegaan. Regionale samenwerking is vaak geen
                        gevolg van beleid dat specifiek op de regio is gericht, maar hangt samen met de
                        (toevallige) aanwezigheid van arbeids-organisaties.32 Om aan te sluiten bij de
                        kennisvragen van de arbeidsorganisaties in hun regio, moeten hogescholen zich
                        een positie verwerven als partner in regionale kennisnetwerken. Dat kan via sta-
                        31 Op 9 november 1994 was er een door de HBO-raad georganiseerde werkconferentie Regionale
                             samenwerking hogescholen/bedrijfsleven; verslag Voorlichtingsdienst HBO-raad.
                        32 Vergelijk ook M. Vermeulen, Hogescholen in hun regio, TH&MA, 1999, nr.1, pag. 52-58
                   59   Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>                            ges, beroepenveldcommissies, gastdocenten en docentenstages e.d. De hoge-
                            school en de docenten zullen ‘open moeten staan voor nieuwe ontwikkelingen en
                            kansen in de regio en deze aangrijpen om schoolinterne leer- en ontwikkelings-
                            processen aan te jagen’.33
                            Bevindingen
HBO speelt beperkte rol als Hogescholen spelen vooralsnog een beperkte rol als kenniscentrum in hun regio.
  regionaal kenniscentrum   Wel hebben de meeste hogescholen een inbedding in de regionale infrastructuur.
                            Uit de gesprekken blijkt echter dat bedrijven en instellingen in de regio niet direct
                            de blik richten op hogescholen als kennisinstituut. De samenwerking blijft over het
                            algemeen beperkt tot stages en stagebegeleiders. Deze samenwerking leidt
                            echter niet tot een zodanig structurele samenwerking dat bedrijven de hoge-
                            school zien als een instituut voor innovatiekennis en scholing van werknemers.
                            Grotere organisaties (bijvoorbeeld in de zorgsector) hebben eigen opleidings- en
                            scholingscapaciteit. Zij beargumenteren deze eigen capaciteit vanuit de opvatting
                            dat de hogeschool niet zodanig gepositioneerd is dat adequaat wordt ingespeeld
                            op de opleidingsvragen. In sommige sectoren is de hogeschool als mogelijke
                            partner niet in beeld, omdat de blik van de arbeidsorganisaties op voorhand is
                            gericht op partijen uit de marktsector. Toch wordt in de meeste gevallen het ver-
                            richten van post-initiële activiteiten (onderwijs en ontwerp & ontwikkeling) als
                            een belangrijke stap in de richting van een kenniscentrum gezien.
 weinig samenwerking met    Verder valt op te merken dat ook andere onderwijsinstellingen in de regio
  ROC's en WO in de regio   (universiteiten en ROC's) het HBO niet als natuurlijke bondgenoot zien als het gaat
                            om kennisuitwisseling. Samenwerking komt weliswaar voor, maar deze is inciden-
                            teel en op bepaalde aspecten gericht. Zo is de samenwerking tussen HBO-oplei-
                            dingen en ROC's te eenzijdig gericht op de afstemming van de doorstroompro-
                            gramma's MBO-HBO. Ook bij het oprichten van techno-centers zijn in sommige
                            regio's partijen met elkaar in gesprek.
                               Van samenwerking tussen het HBO en het WO is structureel sprake in het land-
                            bouw-onderwijs. Kennisinstellingen, waaronder hogescholen, vormen clusters
                            rondom regionale agro-productieparken. In de andere sectoren is eventuele
                            samenwerking gericht op specifieke programma's (bijvoorbeeld paramedische
                            opleidingen met medische faculteiten of laboratorium-opleidingen met academi-
                            sche ziekenhuizen).
                            33 L. Nieuwenhuis, "Onderwijskundig leiderschap in de kenniseconomie", in C. Doets e.a. (Red.),
                                Onderwijskundig leiderschap in de BVE; 's-Hertogenbosch: CINOP, 2001, p. 81-103.
                        60  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>30% vrije ruimte nauwelijks   Tenslotte is de vraag van belang in hoeverre de vrije ruimte in het curriculum
   gebruikt voor regionale    (30%) wordt gebruikt voor regiospecifieke invulling. Het blijkt dat hiervan op zeer
                    invulling beperkte schaal gebruik wordt gemaakt. Argumenten om af te zien van een regio-
                              nale inkleuring zijn met name het ontbreken van signalen resp. voorzieningen
                              voor het opvangen van signalen van het afnemend veld en de overladenheid van
                              het reguliere programma, waardoor er geen ruimte is voor extra wensen uit de
                              regio.
                                  Ook werkgevers willen, zo bleek uit de gesprekken, geen bemoeienis met de
                              inhoud van het curriculum. Dit signaal werd bevestigd door een enquête die de
                              Nederlandse Ingenieurs-vereniging NIRIA voor de AWT onder 46 NIRIA-leden in
                              het bedrijfsleven heeft gehouden. In de open antwoorden op de vraag naar de
                              regionale oriëntatie van de hogescholen blijkt opvallend veel het trefwoord
                              'breedte' te vallen. De regionale oriëntatie mag volgens de respondenten niet de
                              breedte van de opleidingen in het gedrang brengen.
                                  Regiospecifieke inkleuring komt voor bij bepaalde opleidingen in de sector
                              Economie. In steden met veel internationaal opererende ondernemingen gaat het
                              in deze opleidingen om versterking van de talenkennis of om business-
                              opleidingen gericht op een bepaald werelddeel. Verder besteden bijvoorbeeld
                              lerarenopleidingen in grote steden specifieke aandacht aan het lesgeven aan
                              allochtone leerlingen (met name NT2). Verder zijn er regio's waar op aandrang
                              van het regionale bedrijfsleven nieuwe opleidingen van de grond zijn gekomen
                              (accountancy) of er zijn opleidingen gekomen die bij het profiel van de regionale
                              bedrijvigheid aansluiten (tourism & leisure studies).
      toch zijn er positieve  De conclusie lijkt gerechtvaardigd, dat de regio nog geen grote rol voor het HBO
          initiatieven, zoals speelt en andersom. Daarin komt geleidelijk verandering, gelet op een aantal
         regioregisseurs en   initiatieven.
             IPO-convenant        Ten eerste is een convenant gesloten tussen de HBO-raad en MKB-Nederland.
                              Daarin wordt de regio beschouwd als het terrein waarop alle mogelijke vormen
                              van kenniscirculatie voorkomen: stages in het MKB, afstudeeropdrachten, gebruik
                              van kennis van de hogeschool door het MKB (onderwijs en 'onderzoek'), bij-
                              scholing van docenten om hun kennis van het regionale MKB te vergroten,
                              gastcolleges door ondernemers op hogescholen, ontwikkeling van lesmateriaal
                              over de praktijk in het MKB, en tot slot speciale 'MKB-loketten' op de hoge-
                              scholen. Om deze regionale kenniscirculatie op gang te brengen, worden regio-
                              regisseurs aangesteld. Voorlopig komen zulke regisseurs in drie regio's: rond Den
                              Haag, rond Deventer, en in Twente. De regioregisseurs worden gedeeltelijk
                              betaald door het ministerie van EZ en aangesteld voor drie jaar.
                           61 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>                                        Convenant EZ-IPO-VNG-V&W 'Samenwerking in de regio'
                             Het convenant 'Samenwerking in de Regio' volgde per 1 januari 2000 het
                             aflopende convenant 'Ruimte voor Economische Activiteit' op dat tussen het
                             Interprovinciaal Overleg (IPO) en de staatssecretaris van Economische Zaken was
                             gesloten. In artikel 6 van het nieuwe convenant komen de provincies en de staats-
                             secretaris overeen dat een benchmark zal worden uitgevoerd naar (inter-
                             nationale) initiatieven op het terrein van kennisoverdracht vanuit het hoger en
                             middelbaar onderwijs, kennisinstellingen en bedrijven.
                             Het innovatiebeleid van de provincies is nog niet sterk op het HBO gericht. In
                             1995 bracht de AWT het advies Regionaal technologiebeleid uit. Daarin werd veel
                             aandacht besteed aan het beroepsonderwijs en de relatie met het MKB. Die
                             relatie moet vooral op regionaal niveau versterkt worden. Het landelijk innovatie-
                             beleid heeft daarvoor een aantal instrumenten die uniform aan de regio's worden
                             doorgegeven met een daarvoor geoormerkt bedrag. Het is evenwel op voorhand
                             niet evident dat alle regio's dezelfde instrumenten (innovatiecentra, regionale ont-
                             wikkelingsmaatschappijen, technocentra e.d.) met de daarbij gegeven condities
                             en budgetten nodig hebben. Integendeel, gegeven de couleur locale is flexibiliteit
                             vereist om optimaal aan te kunnen sluiten bij eigen specifieke regionale behoef-
                             ten. De AWT stelde in het genoemde advies dan ook voor dat uit effectiviteits-
                             overwegingen het te prefereren is dat iedere regio zelf kan kiezen welke initia-
                             tieven nodig zijn en dus ook de middelen naar eigen inzicht kan besteden. De
                             AWT bepleitte daarom een overheveling van de middelen voor innovatie
                             stimulering van nationaal naar provinciaal niveau. Met name de MKB-gerichte
                             beleidsinstrumenten zouden naar de provincies kunnen.
                                Dit advies is niet door het kabinet opgevolgd. Wèl heeft het een zekere kataly-
                             serende werking gehad. De provincies die in toenemende mate een eigen regio-
                             naal innovatiebeleid aan het ontwikkelen waren, voelden zich klaarblijkelijk
                             gesterkt door de AWT-boodschap. Sommige provincies zijn vooral gesteund door
                             de subsidies van EZ voor ruimtelijke ontwikkeling (in het Noorden), EU-structuur-
provincies zouden HBO meer   fondsen en andere EU-subsidies zoals Interreg. Waar het vooral op aan komt is dat
     als partner moeten zien de provincies meer oog krijgen voor 'hun' hogeschool als regionaal
                             kenniscentrum. Het convenant tussen EZ en het IPO is een teken in de goede
                             richting.
                         62  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>                            Ook zou EZ het HBO meer bij het clusterbeleid kunnen betrekken. Nu nog speelt
                            het HBO in het EZ-beleid - met een enkele uitzondering34 - geen rol van beteke-
                            nis.
                            2..11..3 Conclusie
hogescholen zijn nog geen   De kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en hogescholen vertoont tekort-
  (regionale) kenniscentra, komingen. Er zijn verbeteringen mogelijk. Van de hogeschool als kenniscentrum
   maar er wordt hard aan   is vooralsnog geen sprake. Wèl laat de praktijk zien dat er al op diverse plaatsen
                  gewerkt   interessante initiatieven worden genomen.
                                De kenniscirculatie HBO-beroepspraktijk zou versterkt kunnen worden door de
                            modali-teiten specifiek op de regio van de hogeschool te richten. De vraag naar
                            de hogeschool als regionaal kenniscentrum heeft een beeld opgeleverd waaruit
                            valt af te leiden dat de hogeschool regionale betekenis heeft, maar nog niet in de
                            zin van een regionaal kenniscentrum. Verder kan worden opgemerkt dat de regio
                            als zodanig per opleiding verschilt en per hogeschool in beginsel een gedifferen-
                            tieerd regiobegrip wordt gehanteerd.
                                Wat betreft de samenwerking in de regio zijn de contacten met het afnemend
                            veld in de regio niet gebaseerd op een hogeschoolbeleid, dat specifiek op de regio
                            is gericht. Omgekeerd geldt ook voor bedrijven en andere arbeidsorganisaties dat
                            de hogeschool in de regio niet altijd een vanzelfsprekende partner voor kennis-
                            uitwisseling is. Er zijn echter initiatieven die hierin verbetering zullen kunnen
                            aanbrengen.
                                Tenslotte wordt van de bestaande mogelijkheid om het onderwijsaanbod via
                            de 30% vrije ruimte in het curriculum een meer specifieke regionale inkleuring te
                            geven, slechts in enkele gevallen gebruik gemaakt.
                            34 Een subsidieregeling van EZ, waarbij het hbo expliciet is betrokken, is de MKB2-regeling van Syntens-
                                 Eindhoven. Deze regeling heeft als doel een structurele verbetering in de samenwerking tussen het
                                 MKB en publieke kennisinstellingen, waaronder het HBO,te bewerkstelligen.
                       63   Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>             3               Advies
                             3.1 Het HBO in de kennisinfrastructuur
                             In dit advies ligt de nadruk op de kennisuitwisseling tussen de hogescholen en de
                             beroeps-praktijk. Ook de wisselwerking tussen enerzijds het HBO en anderzijds de
                             ROC's, de universiteiten, TNO, de grote technologische instituten (GTI's), andere
                             onderzoeksinstituten, de Academische Ziekenhuizen e.d. zijn belangrijk, maar
                             hieraan werd van de kant van de gesprekspartners uit het HBO betrekkelijk weinig
                             aandacht besteed. De AWT en de Onderwijsraad zijn van mening dat die wissel-
                             werking aanzienlijk verbeterd kan worden.
samenwerking tussen HBO         Samenwerking tussen de hogescholen en de ROC's vindt plaats maar heeft
                 en ROC's... echter voornamelijk betrekking op de doorstroom van MBO-studenten naar het
                             HBO. Ook op het terrein van gezamenlijk apparatuurgebruik _ met name in de
                             sector Techniek _ begint samenwerking van de grond te komen. De Techno-
                             centers zijn hiervoor een vehikel. Op andere terreinen zou de samenwerking tus-
                             sen HBO en MBO versterkt kunnen worden, onder andere door MBO-studenten
                             modules in het HBO te laten volgen, door onderwijsprojecten op te zetten waar-
                             in zowel MBO- als HBO-studenten samenwerken,35 door HBO-docenten gastcolle-
                             ges te laten geven in het MBO, en door MBO-docenten stage te laten lopen in het
                             HBO.
   ... en universiteiten kan    Ook de samenwerking tussen hogescholen en universiteiten kan versterkt wor-
                       beter den. Er zijn al enkele interessante voorbeelden te noemen, zoals de samenwerking
                             tussen het hoger laboratorium-onderwijs en de (academische) ziekenhuizen, de
                             UvA en de Hogeschool Amsterdam (met name inzake de Educatieve Faculteit), het
                             instituut voor Infonomics (Hogeschool Zuyd en Universiteit Maastricht), en het
                             agrarisch onderwijs.
                             35 Een voorbeeld is het SWITCH-project van de Technische Hogeschool Rijswijk en het Mondriaan
                                 College voor Techniek. MBO- en HBO-studenten werken daarin samen aan projecten voor bedrijven,
                                 zoals Fokker Space in Leiden en Fontijne Holland in Vlaardingen. Zie http://switch.thrijsijk.nl.
                          65 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>                                         Interface
   Het Interface Project omvat samenwerking tussen de HAS 's-Hertogenbosch, de
   UT en de TUE, en een aantal bedrijven, zoals Cehave, Dumeco, Essent, Van Melle,
   Nutreco. Met dit samenwerkingsprogramma _ ‘School without walls’ _ wordt
   beoogd innovatie- en trainingsprojecten uit te voeren op het gebied van platte-
   landsvernieuwing, food en business, milieutechnologie, en HRM en ICT.
   Maar er kan veel meer gebeuren. Studiemateriaal van universiteiten wordt al op
   grote schaal gebruikt in diverse sectoren van het HBO. Er zou meer samengewerkt
   kunnen worden bij apparatuurgebruik. Universitaire medewerkers zouden veel
   meer als gastdocenten in het HBO ingeschakeld kunnen worden _ dubbelbenoe-
   mingen van universitaire docenten in het WO en HBO (als lectoren) zijn mogelijk
   _ en HBO-docenten zouden gedetacheerd kunnen worden bij een universiteit of
   een onderzoeksinstituut en/of parttime aan een promotie-onderzoek kunnen
   werken. Het samen optrekken van de twee ingenieursverenigingen KIVI en NIRIA
   inzake training, excursies, lezingen e.d. spreekt tot de verbeelding.
   3.2 De hogeschool als (regionaal)
            kenniscentrum
   Wat betreft de vraag in hoeverre het HBO een rol speelt in de kenniscirculatie, kan
   _ het geheel van bestaande en nieuwe instrumenten voor kenniscirculatie over-
   ziend _ worden gesteld dat het een en ander gebeurt, maar dat nog veel verbe-
   terd kan worden. De verschillende instrumenten worden toegepast en er zijn
   diverse interessante initiatieven en ontwikkelingen, maar de mogelijkheden wor-
   den onvoldoende benut. Dat zegt iets, zo stelden beide raden al eerder, over het
   overall niveau van het HBO. Het gaat hier om de vraag naar de kwaliteitsverho-
   ging van het hoger beroepsonderwijs over de volle breedte. Ook de Inspectie van
   het Onderwijs heeft gewezen op de relatie tussen het succes van kenniscirculatie
   en de kwaliteit van het onderwijs. In hoofdstuk 2 (§2.11) werd verwezen naar het
   Onderwijsverslag over het jaar 2000, waarin de Inspectie de retorische vraag stelde
   hoe het toch mogelijk is dat de visitatiecommissies vaststellen dat de hogescholen
   erin slagen afgestudeerden met voldoende beroepsgerichte competenties af te
   leveren, terwijl de commissies tegelijkertijd kritiek hebben op de gebrekkige
   afstemming van de opleidingen met het beroepenveld en de negatieve invloed
   daarvan op het niveau van de opleidingen.
      Succesvolle kenniscirculatie en kwaliteit van onderwijs zijn onlosmakelijk met
   elkaar verbonden. De mate waarin de hogescholen kennis uitwisselen met de
66 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>                              beroepspraktijk (en de wetenschappelijke wereld) beïnvloedt de kwaliteit van de
                              opleidingen wezenlijk. Indien de kenniscirculatie matig functioneert, heeft dit
                              negatieve gevolgen voor de competenties van de afgestudeerden. Geconstateerd
                              is dat de kenniscirculatie _ in het algemeen en in regionaal verband _ tekortko-
                              mingen vertoont op meerdere modaliteiten.
                              3.3 Gewenste acties
                              Een aantal acties is volgens beide raden wenselijk. In eerste instantie zijn de hoge-
                              scholen hiervoor verantwoordelijk, maar ook voor de overheid en het afnemend
                              veld is een rol weggelegd.
                              3..3..1 De hogescholen
    de hogescholen zijn in    Voor de verbetering van de kenniscirculatie zijn primair de hogescholen verant-
            eerste instantie  woordelijk. Zij dienen de relatie met de beroepspraktijk voorop te stellen tenein-
  verantwoordelijk om alle    de de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen.
          modaliteiten van       De verantwoordelijkheden van hogescholen hebben betrekking op de organi-
kenniscirculatie tot bloei te satie, het personeel, de professionaliteit van docenten, de studenten, het curricu-
                    brengen   lum en de aansluiting daarvan op de beroepspraktijk/het afnemende veld. In
                              hoofdstuk 2 zijn diverse mogelijkheden voor verbetering van de kenniscirculatie
                              aangegeven. Deze mogelijkheden worden al benut, maar ze verdienen bredere
                              invoering, zoals: samenwerking met universiteiten, onderzoeksinstituten en zorg-
                              instellingen, en ROC's (gastdocenten, docentenstages, gezamenlijk apparatuur-
                              gebruik e.d.), het in samenspraak met het afnemend veld ontwikkelen van
                              competentiegerichte curricula, het benutten van stage-ervaringen en -begelei-
                              ding voor het onderwijs, het actief contact onderhouden met bedrijven en maat-
                              schappelijke instellingen wat betreft het duaal onderwijs, het stimuleren van
                              ondernemerschap en de begeleiding van starters, het opzetten van publiek-
                              private consortia voor virtueel onderwijs, het uitbouwen van niet-regulier onder-
                              wijs en het zorg dragen voor synergie tussen regulier en niet-regulier onderwijs,
                              ontwerp- en ontwikkelactiviteiten door docenten, en het ontwikkelen van kennis-
                              management om dit alles mogelijk te maken. Om dit te bewerkstelligen zal aan
                              een aantal voorwaarden moeten worden voldaan.
                              a. Vergroting van de wederzijdse zichtbaarheid
                              Hogescholen en afnemend veld zijn nog onvoldoende zichtbaar voor elkaar. Beide
                              hebben elkaar wat te bieden, maar beide weten niet voldoende dat de ander iets
                              te bieden heeft. Zoals aangegeven in hoofdstuk 2 neemt de verwevenheid van
                          67  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>           dat lukt vooral als taken en functies binnen de kennisinfrastructuur wel toe en is in toenemende
opleidingen in innovatieve     mate sprake van kenniscirculatie, maar vertoont het geheel nog onvolkomen-
netwerken functioneren en      heden. Gezocht zou moeten worden naar prikkels die de wederzijdse openheid en
   zich als kenniskring naar   gevoeligheid tussen actoren kunnen verbeteren. Het bondgenootschap van hoge-
       buiten presenteren…     scholen als het gaat om kenniscirculatie kan zowel met afnemende instellingen als
                               met ROC's en universiteiten aanzienlijk worden versterkt.
                                  Bij diverse vormen van kenniscirculatie hebben formele en informele kennis een
                               gelijkwaardige positie binnen flexibele netwerken. In deze netwerken spelen ver-
                               scheidene actoren een rol en wisselt de samenstelling van de groep al naar gelang
                               de situatie. Dergelijke constructies vereisen in toenemende mate een goed ken-
                               nismanagement bij de betrokken partijen, zowel binnen het bedrijfsleven als bij de
                               andere spelers, waaronder het HBO. Het beeld hierbij is een groep mensen die de
                               samenwerking zoekt met andere kennisproducenten, contact heeft met maat-
                               schappelijke actoren voor kennisuitwisseling, professionals die studenten bij hun
                               werk betrekken, publieke debatten entameren, etc. Het begrip ‘kenniskring’ past
                               hier goed in; een kring van HBO-docenten die het gezicht naar buiten bepaalt en
                               die allerlei vormen van kenniscirculatie tot bloei brengt. Ook de nieuwe functie
                               van ‘regio-regisseur’ past in het beeld van netwerkvorming.
                               b. Versterking van het beleidsvormend vermogen en professionaliteit t.b.v. versterking
                               van het kennisprofiel en de positie als (regionaal) kenniscentrum
 ...en als het management      Hoofdstuk 2 laat zien dat het management en de docenten in het HBO niet altijd
     zich sterker richt op de  over vaardigheden en de attitude beschikken om bepaalde instrumenten voor
                   omgeving    kenniscirculatie toe te passen. Dit geldt bijvoorbeeld voor onderwijsinhoudelijke
                               verbeteringen (competentie-gericht onderwijs, nascholing/contractonderwijs),
                               maar ook voor inbedding van bepaalde instrumenten in het HRM-beleid van de
                               hogeschool (gastdocentschappen, detacheringen, monitoring van innovaties).
                                  Dit betekent dat gezocht moet worden naar manieren om het beleidsvormend
                               vermogen en de professionaliteit van management en docenten in relatie tot ken-
                               niscirculatie ter verbeteren. Een mogelijk instrument is de ‘Audit Flexibiliteit HBO’.
                               Met deze audit kan een hogeschool of opleiding in kaart brengen waar ruimte is
                               om de organisatie anders in te richten, zowel vanuit het perspectief van de omge-
                               ving van de hogeschool als vanuit het perspectief van de organisatie.36 Het audit-
                               instrument is slechts een middel. Voorop staan de doelstellingen van het kennis-
                               management van de hogescholen en het daarbij passende HRM-beleid.
                               36 Van de Audit Flexibiliteit Hogescholen is door het GITP een CD-Rom gemaakt. Zie
                                   http://www.gitp.nl.
                           68  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>                                   In hoofdstuk 2 werd bij de modaliteit ‘monitoring van innovatie’ (§2.6) op-
                                gemerkt dat bijscholing van docenten niet overal een vast onderdeel is van het
                                personeelsbeleid. Deze opmerking betreft het management in het HBO in het
                                algemeen. Uit de rapporten van diverse visitatiecommissies valt op te maken dat
                                er kritische kanttekeningen zijn te plaatsen bij het scholingsbeleid en de des-
                                kundigheidsbevordering van de hogescholen. Continue bevordering van de des-
                                kundigheid van docenten en de individuele productiviteit van docenten op de
                                verschillende modaliteiten van kenniscirculatie heeft nog niet overal prioriteit en
                                vormt niet overal een wezenlijk deel van het personeelsbeleid.
           het HRM-beleid is       Toch stelt de Inspectie in haar Onderwijsverslag over het jaar 1999 naar aanlei-
                  verbeterd…    ding van recente visitaties, dat er sprake is van verbetering (blz. 190). Een
                                interessante ontwikkeling is voorts dat hogescholen hun HRM-beleid breder
                                opvatten dan het voeren van functioneringsgesprekken en scholingsbeleid. Ook
                                contractactiviteiten worden steeds meer gezien als vormen van kennisoverdracht
                                waar ook de docenten zelf van leren.
     ...maar dient aangevuld       Wat betreft de organisatie denken de hogescholen intern reeds na over vormen
        met taakdifferentiatie  van functie- en taakdifferentiatie waarbij het potentieel van de HBO-docenten
                                beter kan worden opgesteld ten opzichte van het te versterken kennisprofiel. De
                                AWT en de Onderwijsraad pleiten voor een nadere studie naar een gedifferen-
                                tieerde taakinvulling van HBO-docenten gericht op het optimaliseren en verant-
                                woorden van de inzet in de verschillende componenten van het kennisprofiel.
                                c. Componenten kennisprofiel: beter zichtbaar maken en beoordelen
   het beleid ter verbetering   De raden beogen: docenten die up to date zijn zowel wat betreft de ontwikkeling
van de kenniscirculatie dient   van hun vakgebied als wat betreft de ontwikkelingen in de beroepspraktijk, bete-
  te worden verantwoord in      re oriëntatie op externe kennisproducenten; meer oog voor samenlevingsvraag-
     strategische plannen en    stukken en innovaties in het bedrijfsleven, los komen van de in sommige sectoren
    beoordeeld te worden in     naar binnen gekeerde kenniscultuur, participeren in kennisnetwerken. De daar-
                     visitaties voor beschikbare modaliteiten zijn bekend: contacten met het beroepenveld over
                                de curricula, benutting van stages voor voeding van het onderwijs, gastdocenten,
                                docenten detacheren of docentenstages, monitoring van innovaties c.q. bijscho-
                                ling van docenten, contacten met arbeidsorganisaties inzake duaal onderwijs,
                                bege-leiding van 'starters', uitbouwen van niet-regulier onderwijs en synergie
                                bewaren met het reguliere onderwijs, systematische netwerkvorming in de regio
                                waardoor een hogeschool de rol van regionaal kenniscentrum kan waarmaken, en
                                ontwerp- en ontwikkelactiviteiten.
                            69  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>                           Deze instrumenten _ aangevuld door of gecombineerd met andere _ zouden:
                           1. onderdeel moeten uitmaken van de strategische plannen en de jaarverslagen
                               van de hogescholen;
                           2. onderdeel moeten uitmaken van de visitaties, waarin tevens de relatie met de
                               competenties van de afgestudeerden helder gemaakt zou moeten worden.
                           3..3..2 De overheid
                           Zoals in de vorige paragraaf gezegd, zijn de hogescholen als autonome instituten
                           verantwoordelijk voor de kennisuitwisseling met de beroepspraktijk en met delen
                           van de kennisinfrastructuur (met name universiteiten en ROC's). De overheid kan
                           een aanvullende en stimulerende rol vervullen.
                           OCenW
         hogescholen zijn  Hoewel de minister geen directe verantwoordelijk heeft in het besturen van afzon-
   verantwoordelijk voor   derlijke hogescholen heeft hij wel een verantwoordelijk voor (het toezien op) het
     vormgeving van alle   functioneren van het HBO-stelsel als geheel. In het kader hiervan gaat hij het
         modaliteiten van  gesprek aan met de hogescholen over de verbeteringen in hun kennisprofiel. De
kenniscirculatie, maar dan hogescholen verantwoorden zich voor hun inspanningen en resultaten in dit
      moet de structurele  opzicht aan de minister opdat een zinvolle dialoog gestalte kan krijgen.
          bekostiging wel      Voorts is de minister verantwoordelijk om in indirecte en soms ook directe zin
            voldoende zijn voor andere onderdelen van de kennisinfrastructuur zoals universiteiten, onder-
                           zoeksinstellingen en ROC's die alle raken aan het feitelijk functioneren van de
                           hogescholen in dit opzicht.
                               Ten slotte is de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen als kabi-
                           netslid aanspreekbaar op zijn bijdrage aan het algemene kennisbeleid van het
                           kabinet. Zijn bijdrage daaraan met inbegrip van die van de hogescholen is een
                           wezenlijke en dient maximaal te worden aangewend.
                               Zoals eerder aangegeven dient ontwerp en ontwikkeling in het HBO verweven
                           te zijn met het onderwijs en derhalve in eerste instantie bezien te worden in het
                           licht van het up to date houden van het kennisniveau van de docenten in het
                           HBO. O&O kan deel uitmaken van een beleid gericht op de benodigde kennis-
                           ontwikkeling in het HBO. Dit naast andere manieren (bijscholing, gastdocenten,
                           e.d.). Hiervoor zijn in principe geen aparte budgetten of subsidies nodig. De
                           hogescholen zijn zelf verantwoordelijk voor hun kennismanagement. De struc-
                           turele bekostiging moet hiervoor voldoende zijn. Wel kan het in voorkomende
                           gevallen nodig zijn 'aanjaagsubsidies' te verstrekken of investeringen (onder
                           andere in kostbare apparatuur) mede te financieren (zie hierna onder EZ). En het
                           kan wenselijk zijn initiatieven van partners van het HBO financieel te ondersteu-
                           nen.37
                        70 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>                             EZ
                             De betrokkenheid van het ministerie van EZ bij het HBO groeit. In hoofdstuk 2 zijn
                             enkele voorbeelden genoemd van ondersteuningsacties van het ministerie: de
                             MKB2-regeling van Syntens waarmee hogescholen in de regio Eindhoven
                             ontwerp- en ontwikkelingswerk kunnen doen voor het regionale MKB, de sub-
                             sidieregeling voor de drie Noordelijke provincies voor ruimtelijk beleid waarmee
                             de hogescholen in het Noorden expertisecentra hebben kunnen opbouwen, en
                             de subsidies voor het programma Ondernemerschap en Onderwijs.
                                 Bij contractactiviteiten heeft het ministerie van EZ het toezicht op de mede-
                             dinging. Diverse instanties, waaronder de Algemene Rekenkamer, zijn betrokken
                             bij onderzoek naar oneerlijke concurrentie.
                                 Wat betreft ontwerp en ontwikkeling kan worden gesteld dat voorzover het
                             voor de markt is bedoeld en in opdracht wordt uitgevoerd, de integrale kostprijs
                             moet worden berekend. Hiervoor zijn geen extra beleidsmaatregelen of subsidies
  EZ kan het HBO veel meer   van de overheid nodig. De overheid i.c. het ministerie van EZ kan de markt
 betrekken bij het subsidie- partijen subsidies verstrekken voor ontwerp, ontwikkeling en advies. Daarvoor
      instrumentarium voor   heeft het ministerie van EZ een innovatie-instrumentarium opgebouwd, dat wordt
                 innovaties  uitgevoerd door agentschappen als SENTER, Syntens en NOVEM. Dit instrumen-
                             tarium staat in principe ook open voor het HBO, maar in de regelingen worden
                             de hogescholen zelden met name als partners voor ontwerp en ontwikkeling
                             genoemd. Het verdient aanbeveling in de regelingen van genoemde EZ-agent-
                             schappen expliciet aandacht te schenken aan de hogescholen als mogelijke
                             kenniscentra voor bedrijven en instellingen.
    met ICES/KIS-3 kan een       Extra aandacht behoeven de investeringen in apparatuur voor kenniskringen
aanzet worden gegeven om     en andere expertisecentra in het HBO. De Onderwijsraad en de AWT stellen dat
kenniskringen van de grond   weliswaar alle taken inzake kenniscirculatie uit de structurele bekostiging gefinan-
                  te krijgen cierd moeten worden, maar in apparatuur-intensieve sectoren - met name
                             Techniek, Gezondheid en Landbouw - zijn investeringen nodig die de bekostiging
                             te boven gaan. Het programma ICES/KIS-3 biedt hiervoor mogelijkheden. Niet
                             alleen zijn extra middelen voor investeringen mogelijk, maar ook vereist de
                             pps-constructie die ten grondslag ligt aan ICES/KIS dat het veld i.c. het bedrijfsle-
                             ven meebetaalt en dat ligt volgens de beide raden in de rede. Als het bedrijfsle-
                             ven belang heeft bij expertisecentra in het HBO, dan is het redelijk om medefi-
                             nanciering te vragen.
                             37 In hoofdstuk 2 zijn onder andere genoemd het convenant tussen het ministerie van OCenW, VNO-
                                  NCW e.a. om mensen uit het bedrijfsleven in staat te stellen tijdelijk (als gastdocent) in het beroeps-
                                  onderwijs te werken, en het initiatief van VHTO om vrouwelijke ingenieurs als gastdocenten in het
                                  HBO in te zetten.
                          71 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>                                 ICES/KIS-3 biedt ook, zoals de beide raden in §10 van hoofdstuk 2 stelden,
                             mogelijkheden om het virtueel onderwijs in het HBO en het WO, in samen-
                             werking met private partijen, een extra impuls te geven.
                             Vakdepartementen
 vakdepartementen kunnen     Diverse vakdepartementen hebben direct en indirect belang bij het HBO.
   hogescholen opdrachten    Allereerst natuurlijk het ministerie van LNV dat directe bemoeienis heeft met het
    geven voor ontwerp en    hoger agrarisch onderwijs.38
ontwikkeling voor specifieke     Ook het ministerie van VWS heeft te maken met het HBO, in het bijzonder de
onderwerpen van staatszorg   opleidingen Verpleegkunde en andere HBO-opleidingen uit de sector gezond-
                             heidszorg (zwakzinnigenzorg, verloskunde e.d.). Onlangs is het rapport versche-
                             nen van de verkenningscommissie HGZO De toekomst van het hoger gezondheids-
                             zorgonderwijs waarin wordt gepleit voor versterking van het ‘toegepast
                             onderzoek’ en het evidence based handelen. De minister van VWS laat onder-
                             zoeken of en hoe aan de wens van de verkenningscommissie HGZO tegemoet kan
                             worden gekomen.
                                 De betrokkenheid van de meeste vakdepartementen bij het HBO betreft voor-
                             al de ontwerp- en ontwikkelactiviteiten. Dit geldt als de overheid als marktpartij
                             optreedt _ als opdrachtgever voor ontwerp en ontwikkeling _ , of als de overheid
                             optreedt als verantwoordelijke voor de markt. Voorbeelden zijn onderwijs,
                             (gezondheids)zorg, waterstaat, cultuur, ruimtelijke ordening, milieubeleid. In die
                             gevallen moet de overheid een eigen beleid uitstippelen. Bij majeure, door de
                             overheid opgelegde innovaties _ zoals in het onderwijs het studiehuis _ moet de
                             overheid nagaan of de betrokken hogescholen in staat zijn die innovaties inhoud
                             te geven. Dit kan resulteren in een specifieke actie van de overheid ter financie-
                             ring van de noodzakelijke kennisontwikkeling. Per majeure innovatie kan bekeken
                             worden welke hogescholen zich hier tot expertisecentrum kunnen ontwikkelen.
                             Bij voorkeur moet dit in nauwe samenwerking gebeuren met de relevante univer-
                             siteiten en onderzoeksinstituten.
ook zouden de hogescholen        Het wetenschaps- en technologiebeleid _ meer algemeen het kennis- of inno-
    meer betrokken kunnen    vatiebeleid _ van de vakdepartementen (inclusief OCenW) is in de regel gericht op
              worden bij de  de universiteiten, de departementale onder-zoeksinstituten (RIVM, TNO, ECN,
   kennisnetwerken van de    Marin, CPB, GD, WL e.d.), de eigen diensten (RWS, WODC), andere instituten
            departementen    (NIVEL, EIM, NEI e.d.) en particuliere bureaus (KPMG e.a.), maar zelden worden
                             hogescholen als uitvoerders van ontwerp en ontwikkeling ingeschakeld. Het ver-
                             dient aanbeveling dat de vakdepartementen de bestaande contacten met het
                             38 Ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij, Directie Wetenschap en Kennisoverdracht,
                                  Beleidsbrief groen onderwijs 2010 21-09-2000 (TRCDWK/2000/3418)
                         72  Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>                              HBO _ via stages, bestuurlijke contacten, ambtenaren die gastcolleges in het HBO
                              geven e.d. _ gebruiken als opstap voor kennisnetwerken waarin hogescholen een
                              rol kunnen spelen. En omgekeerd kunnen de hogescholen hun contacten met
                              vakdepartementen benutten voor kenniscirculatie.
                              Provincies
       de provincies zouden   Er zijn voorbeelden te noemen van goede en reguliere contacten tussen de hoge-
  hogescholen meer kunnen     scholen en hun regio's, waaronder de provincies en de grote steden. In de drie
inschakelen bij het regionale Noordelijke provincies worden hogescholen systematisch ingeschakeld bij het
   innovatiebeleid, maar ook  regionale innovatiebeleid. In sommige grote steden wordt het kunstvakonderwijs
 voor advisering over andere  ingeschakeld bij allerlei culturele evenementen. Er zijn hogescholen die een rol
             beleidsterreinen spelen in diverse stedelijke kenniskringen waarin kennis-instellingen en bedrijven
                              elkaar ontmoeten, onder andere in Amsterdam en Utrecht. Deze en andere voor-
                              beelden zijn echter uitzonderingen. De meeste contacten tussen provincies en
                              'hun' hogescholen berusten op toevallige persoonlijke netwerken. Het in hoofd-
                              stuk 2 (§11.2) vermelde convenant tussen EZ, Interprovinciaal overleg (IPO), VNG
                              en V&W kan helpen de regionale kennisuitwisseling tussen HBO en afnemend
                              veld te versterken.
                              3..3..3 Werkgevers
     werkgevers doen al veel  De (regionale) werkgeversorganisaties en de brancheorganisaties staan open voor
                              contacten met de hogescholen. Er zijn diverse convenanten gesloten. Met name
                              de regioregisseurs zijn een goed initiatief alsook de oproep aan ondernemers om
                              gastdocenten vrij te maken voor het HBO. Door betere en meer systematische
                              contacten tussen de brancheorganisaties, de aangesloten ondernemers en de
                              hogescholen kunnen allerlei vormen van kenniscirculatie tot bloei komen.
                                 Ondernemingen en andere arbeidsorganisaties tonen in de regel bereidheid
                              om mee te werken aan diverse vormen van kenniscirculatie. Er zijn verschillen
                              tussen de sectoren. Ondernemingen reageren anders dan kunstinstellingen, en
                              regionale overheden reageren weer anders dan zorginstellingen, maar in het
                              algemeen staan werkgevers positief tegenover kennisuitwisseling met het HBO. Ze
                              bieden stageplaatsen aan _ al zijn er tekorten aan stageplaatsen in de gezond-
                              heidszorg _, ze bieden onderwerpen aan voor afstudeeropdrachten _ al kunnen
                              niet alle bedrijven steeds nieuwe projecten aanbieden _, ze zijn over het algemeen
                              bereid gastdocenten te leveren, ze staan open voor werkbezoeken en excursies
                              voor studenten en hun begeleiders, ze willen zitting nemen in beroepenveldcom-
                              missies, en ze willen in principe hogescholen inschakelen voor ontwerp- en
                              ontwikkelactiviteiten. Uiteraard wordt de bereidheid om aan deze vormen van
                           73 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>                             kennisuitwisseling mee te werken, ingegeven door eigenbelang; het moet wat
                             opleveren, het mag niet te veel tijd en geld kosten.
                                 Het meest gangbare contact tussen HBO en werkgevers betreft de stages en de
                             afstudeer-opdrachten. Bedrijven stoppen hier energie in, onder andere via bege-
                             leiding, omdat men het als een maatschappelijke verantwoordelijkheid ziet en
                             toch ook omdat de stagiairs, alsook de 'duale studenten', bezien worden als
                             potentiële werknemers; met name bij grote bedrijven vormen stagiairs een 'visvij-
                             ver' voor toekomstige werknemers.
                             Bij ontwerp en ontwikkeling door hogescholen blijkt dat bedrijven en instellingen
                             - uitgezonderd verschillende kunstinstellingen die over te weinig middelen
                             beschikken - bereid zijn hiervoor te betalen. Op dit moment wordt het merendeel
                             van de O&O-activiteiten door studenten in hun afstudeerfase gedaan. De docen-
                             ten fungeren als begeleiders. De kosten voor begeleiding lopen op naarmate de
                             begeleiders slechts de procesgang bewaken, een inspanningsverplichting aan-
                             gaan, dan wel voor een resultaat garant staan.
 maar als ze belang hebben       Als hogescholen meer gaan bieden dan afstudeeropdrachten door studenten
bij ontwerp en ontwikkeling  en ook docenten inschakelen voor ontwerp en ontwikkeling ten behoeve van
 in het HBO, zouden ze ook   bedrijven en instellingen, dan zijn er andere uurtarieven in het geding, mits
voor co-financiering van een uiteraard de hogescholen de benodigde professionaliteit kunnen bieden. Om ech-
     kenniskring-programma   ter de benodigde basisexpertise bij de hogescholen te kunnen opbouwen _ een
  binnen ICES/KIS-3 moeten   kern van deskundigen, apparatuur (hard- en software), kennis van de markt, acqui-
                      zorgen sitiecapaciteit _ zijn investeringen nodig; dit geldt met name voor de apparatuur-
                             intensieve sectoren, zoals Techniek, Gezondheid en Landbouw. De raden hebben
                             hierboven al gesteld dat alle vormen van kenniscirculatie in principe uit de struc-
                             turele bekostiging gefinancierd moeten kunnen worden. Dat geldt vooral de per-
                             sonele inzet. Maar bepaalde investeringen in hardware kunnen de reguliere bud-
                             getten te boven gaan. Hier mag een bijdrage van de bedrijven en instellingen
                             worden verwacht. Daarom menen de AWT en de Onderwijsraad dat ICES/KIS-3
                             een goede mogelijkheid biedt om in gezamenlijke verantwoordelijkheid _ van het
                             publieke HBO, de private bedrijven en de non-profit instellingen _ programma's
                             voor ontwerp en ontwikkeling op te zetten.
                          74 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>   3.4 Beantwoording van de adviesvragen
   In het voorgaande zijn verspreid de antwoorden op de adviesvragen gegeven.
   Voor alle duidelijkheid zetten de Onderwijsraad en de AWT de vragen en ant-
   woorden op een rij:
   (1)Welke eventuele manco's kunnen in (onderscheiden sectoren van) het HBO worden
      geconstateerd als het gaat om de volgende modaliteiten: afstemming van curricu-
      la op de vraag, stages, duaal onderwijs, gastdocenten en detachering van docen-
      ten, monitoring van innovaties (via vakbeurzen, beroepsverenigingen en dergelijke)
      en begeleiding van startende ondernemers?
   Aan het slot van hoofdstuk 2 zijn de bevindingen van samengevat. Hieronder
   volgt de samenvatting nogmaals. Enkele goede initiatieven zijn in hoofdstuk 2 in
   kaders geplaatst. Dit wil niet zeggen dat verbeteringen alleen de geschetste initi-
   atieven moeten volgen; het zijn slechts voorbeelden. De hogescholen zijn zelf ver-
   antwoordelijk om verbeteringen in de bestaande modaliteiten van kennis-
   circulatie aan te brengen.
   - De afstemming van het curriculum op de vraag van het afnemend veld is ver-
      beterd, maar de contacten met het beroepenveld kunnen meer systematisch
      tot stand komen; niet zozeer via persoonlijke contacten als wel via branche-
      organisaties, alumni, beroepsverenigingen e.d. Competentiegericht leren is
      een nieuw punt van aandacht.
   - Stages zijn wel van belang voor de kennismaking van studenten met de
      beroepspraktijk, maar ze blijken nauwelijks een rol te spelen in het kader van
      kenniscirculatie. Afgezien daarvan wordt niet altijd voldaan aan de randvoor-
      waarden voor de kwaliteit van een stage, zoals bijvoorbeeld voldoende bege-
      leiding en goede contacten tussen de opleiding en het stagebedrijf.
   - Over het algemeen wordt duaal onderwijs wel als belangrijke factor in de ken-
      niscirculatie gezien, maar deze modaliteit is nog niet over de hele linie van het
      HBO ingevoerd. De contacten tussen de hogescholen en grote bedrijven waar
      grote aantallen ‘duale studenten’ kunnen worden geplaatst, zijn in enkele
      gevallen goed, maar middelgrote en kleine bedrijven klagen erover dat de
      hogescholen hun duale studenten, eenmaal geplaatst, ‘loslaten’.
   - Gastdocentschappen vanuit bedrijven en instellingen komen overal regelmatig
      voor, maar detachering (of stages) van docenten bij bedrijven en instellingen
      lukt om praktische redenen niet.
   - Van monitoring van innovaties via scholing, bezoek van vakbeurzen en con-
      gressen en dergelijke is over het geheel genomen nauwelijks sprake.
75 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>       Systematische toepassing van deze modaliteit hangt vooral af van het perso-
       neelsbeleid binnen de instelling.
   - De aandacht voor startende ondernemers neemt toe en steeds meer wordt het
       belang van een ondernemende houding bij studenten onderkend. Een voor-
       waarde is dat docenten gevoelig zijn voor het belang van ondernemerschap en
       kennis van zaken hebben; daarvan is meestal geen sprake.
   (2)Welke rol kan het HBO spelen bij het wegnemen van knelpunten op de arbeids-
       markt, met name via (aanpassingen in) het regulier onderwijsaanbod, het niet-
       reguliere aanbod en in relatie tot andere onderwijstypen?
   Over het geheel genomen gaat het bij kwantitatieve knelpunten op de arbeids-
   markt om een boven het aanbod uitstijgende vraag naar werknemers. Wat betreft
   het bijdragen van het HBO aan het oplossen van deze knelpunten worden duali-
   sering, flexibilisering van opleidingen en contractonderwijs gericht op potentiële
   werknemers genoemd. De synergie tussen regulier en niet-regulier onderwijs is
   vanuit de optiek van kenniscirculatie een punt van zorg.
       Wat betreft het oplossen van kwalitatieve knelpunten kan het HBO een bijdra-
   ge leveren door het afstemmen van de curricula op de maatschappelijke vraag,
   door de start van nieuwe opleidingen en door vraaggestuurde contractactivitei-
   ten. Ook introductie van competentie-gericht leren wordt als mogelijkheid
   genoemd, maar de vormgeving daarvan staat nog in de kinderschoenen.
   (3)Welke rol kan het HBO spelen bij innovaties in het bedrijfsleven en als regionaal
       kenniscentrum?
   De vraag in hoeverre het HBO een rol kan spelen als regionaal kenniscentrum
   heeft een beeld opgeleverd waaruit valt af te leiden dat de hogeschool regionale
   betekenis heeft, maar nog niet in de zin van een regionaal kenniscentrum. Verder
   kan worden opgemerkt dat de regio als zodanig per opleiding verschilt en per
   hogeschool in beginsel een gedifferentieerd regiobegrip wordt gehanteerd.
       Wat betreft de samenwerking in de regio zijn de contacten met het afnemend
   veld in de regio niet gebaseerd op een hogeschoolbeleid, dat specifiek op de regio
   is gericht. Omgekeerd geldt ook voor bedrijven en andere arbeidsorganisaties dat
   de hogeschool in de regio niet altijd een vanzelfsprekende partner voor kennis-
   uitwisseling is. Er zijn echter initiatieven die hierin verbetering zullen kunnen aan-
   brengen.
       Tenslotte wordt van de bestaande mogelijkheid om het onderwijsaanbod via
   de 30% vrije ruimte in het curriculum een meer specifieke regionale inkleuring te
   geven, slechts in enkele gevallen gebruik gemaakt.
76 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>   (4)Welke rol kan het HBO spelen als het gaat om ‘toegepast onderzoek’ en advies?
   In de WHW is 'onderzoek' in het HBO ongedefinieerd. De AWT en de
   Onderwijsraad geven de voorkeur aan de term ‘ontwerp en ontwikkeling’ (O&O),
   omdat deze activiteiten directer aansluiten bij de huidige onderwijsactiviteiten van
   de hogescholen. Onder O&O wordt verstaan het ontwerpen en ontwikkelen van
   kennisproducten die direct toepasbaar zijn (fysieke producten, adviesdiensten,
   methodieken, handleidingen e.d.). Er zijn allerlei pleidooien voor O&O in het HBO
   en er zijn ondertussen voorbeelden te noemen die hieraan beantwoorden.
       In de praktijk gebeurt echter het overgrote deel van O&O door studenten in
   hun afstudeerfase. Het gaat voornamelijk om opdrachten van bedrijven en instel-
   lingen. De begeleiding door docenten kan een beperkte rol spelen of zeer inten-
   sief zijn, zodat een inspannings- of zelfs een resultaatverplichting wordt aange-
   gaan. Niet altijd hebben bedrijven en instellingen voldoende projecten voor
   'onderzoek'.
       Door het begeleiden van afstudeeropdrachten komen docenten in aanraking
   met de beroepspraktijk. Dit levert synergie op voor het primaire proces, het
   onderwijs.
       Het hoofdmotief voor uitbreiding van de mogelijkheden van ontwerp en
   ontwikkeling door docenten moet volgens de AWT en de Onderwijsraad de ver-
   wevenheid met het onderwijs zijn. Om capaciteit hiervoor op te bouwen is een
   zekere kritische massa noodzakelijk. Het concentreren van O&O-medewerkers in
   zogenaamde competentiecentra, dat op sommige plaatsen plaatsvindt, kan voor
   een bepaalde hogeschool een mogelijke optie zijn, temeer daar afnemers hier
   positief tegenover staan. Voorlopig blijken dergelijke constructies echter, met
   name voor de apparatuurintensieve sectoren, aangewezen op subsidies van de
   overheden en de EU, en op medegebruik van apparatuur van universiteiten en
   onderzoeks-instituten. ICES/KIS-3 biedt mogelijkheden voor de hogescholen om
   in publiek-private samenwerking centra voor ontwerp en ontwikkeling op te
   zetten.
       De Onderwijsraad en de AWT vinden dat de lectorfunctie goed geplaatst kan
   worden in het licht van het uiteindelijke doel: het versterken van het kennispro-
   fiel. Hogescholen moeten kenniscirculatie over de volle breedte - de bestaande
   modaliteiten, niet-regulier onderwijs, regionale netwerkvorming en O&O - verbe-
   teren.
77 Hógeschool van Kennis
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>