<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>46Handelen met kennis
  Universitair octrooibeleid omwille van
  kennisbenutting
  juni 2001
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  Inhoudsopgave
  I      Advies                                                             5
  II     Toelichting                                                       13
  II.1   Achtergrond, invalshoek en afbakening                             13
  II.2   Universitair octrooibeleid in bredere context bezien              18
  II.3   Doel, uitgangspunten en randvoorwaarden                           23
         II.3.1 Geëigende doelstellingen voor universitair octrooibeleid   24
         II.3.2 Uitgangspunten voor universitair octrooibeleid             26
         II.3.3 Randvoorwaarden bij universitair octrooibeleid             28
  Literatuur                                                               33
  Bijlagen
         Bijlage 1 Adviesvraag                                             35
         Bijlage 2 Begripsbepaling, octrooien en hun functie               36
         Bijlage 3 Het octrooieren door publieke kennisinstellingen in een
                   aantal andere landen                                    39
         Bijlage 4 Het uiteenlopend belang van octrooien voor diverse
                   bedrijfssectoren en wetenschapsgebieden                 48
         Bijlage 5 Enige cijfermatige gevens over octrooien                51
3 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>I Advies
  Focus en vraagstelling advies
  Dit AWT-advies handelt over het octrooieren vanuit publieke kennisinstellingen, in
  het bijzonder universiteiten. Centraal staat de vraag naar zinvol en effectief
  universitair octrooibeleid, dat wil zeggen naar het beleid binnen universiteiten dat
  betrekking heeft op de omgang met octrooieerbare kennis1 Hierbij gaat het om
  de volgende vragen:
  - Wat zijn geëigende doelstellingen voor universitair octrooibeleid? Hoe verhoudt
     octrooiering zich tot de publieke taken van universiteiten? Moeten
     universiteiten actief en méér gaan octrooieren?
  - Wat zijn – in het verlengde van de doelen – passende uitgangspunten voor
     universitair octrooibeleid? Wie is de meest geëigende partij om een octrooi-
     aanvraag in te dienen? Waarover moeten nadere afspraken met de gebruiker
     van een octrooi worden gemaakt?
  In Toelichting II.1 gaat de Raad nader in op de achtergrond van dit advies, de
  gehanteerde invalshoek en de afbakening van het advies.
  Hoofdlijnen van argumentatie
  Bredere context in beschouwing nemen
  De Raad wil de vraag naar het octrooibeleid van universiteiten niet geïsoleerd
  behandelen, maar deze plaatsen in het bredere perspectief van intensievere
  benutting van kennis ontwikkeld in publieke kennisinstellingen. Uiteindelijk doel
  hierbij is stimuleren van innovatie en het vergroten van innovatie-intensiteit in
  Nederland. Dit leidt de Raad tot de volgende kanttekeningen bij, of zelfs waar
  schuwingen tegen, het sterk benadrukken van octrooieren door universiteiten als
  zodanig:
  .  Het aantal ingediende octrooien is geen synoniem voor de mate van innovatie
  1 Om octrooieerbaar te zijn moet kennis – in octrooitermen de ‘uitvinding’ – industrieel toepasbaar zijn,
    nieuw zijn (d.w.z. niet gepubliceerd of anderszins openbaar gemaakt) en niet voor de hand liggend
    zijn. Zie verder bijlage 2 voor een nadere begripsbepaling van octrooien en hun functie.
5 AWT-advies nr.46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>      in een land; innovatie wordt door vele andere factoren bepaald.
  .   Octrooieren is niet de enige manier om kennisbenutting vanuit universiteiten
      te bevorderen. Vele andere – en ook belangrijker – wegen worden hiertoe
      bewandeld.
  .   Kennisbenutting en innovatiestimulering is niet de enige en ook niet belang-
      rijkste motivatie voor publiek bekostigd onderzoek.
  In Toelichting II 2 schetst de Raad in meer detail deze bredere context van belang
  bij universitair octrooibeleid.
  Doel van universitair octrooibeleid
  De AWT is van mening dat octrooibeleid van universiteiten vooral moet bijdragen
  aan een intensievere benutting van kennis. Dat is de hoofddoelstelling. Dit brengt
  de Raad tot de volgende standpunten:
  .   Octrooibeleid behoort tot de ‘maatschappelijke dienstverleningstaak’ van
      universiteiten. Daarbij dient het gebruik van octrooien voorop te staan, niet het
      aantal verleende octrooien aan universiteiten.
  .   Het genereren van inkomsten voor de betreffende kennisinstelling behoort niet
      het hoofddoel van universitair octrooibeleid te zijn; eventuele opbrengsten zijn
      hoogstens een positief bijeffect.
  De samenleving heeft meer baat bij een universitair octrooibeleid gebaseerd op
  overwegingen van kennisoverdracht en kennisbenutting dan bij een beleid dat
  gebaseerd is op overwegingen van lokale winstgevendheid.
  Uitgangspunt voor universitair octrooibeleid
  De bovenstaande formulering van de doelstelling van universitair octrooibeleid
  leidt de Raad tot het volgende uitgangspunt voor dit beleid: universiteiten dienen
  het feitelijk octrooieren van kennis c.q. vindingen die in universiteiten zijn ont-
  wikkeld bij voorkeur aan bedrijven over te laten. Zelf een octrooi aanvragen en in
  portefeuille houden dient de uitzondering te zijn. De achterliggende redenatie
  van de Raad is tweeledig. Allereerst zijn octrooien ‘vanuit de aard van de zaak’ van
  veel directer belang voor bedrijven: het behoort tot de hoofdactiviteiten van
  bedrijven om commerciële ontwikkelmogelijkheden van kennis – eventueel neer-
  gelegd in octrooien – te bezien en er naar te handelen. Dit is ten principale géén
  hoofdactiviteit van universiteiten. Ten tweede en meer pragmatisch bezien ont-
  beren universiteiten het (markt)overzicht, de benodigde expertise en de financië-
  le mogelijkheden om een zinvolle octrooiportefeuille op te bouwen, te beheren,
  te beschermen en rendabel te maken.
6 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>  Randvoorwaarden bij universitair octrooibeleid
  Omdat het om – in ieder geval deels – publiek bekostigde kennis gaat, dienen bij
  de vormgeving en instrumentatie van universitair octrooibeleid een aantal rand-
  voorwaarden in acht genomen te worden. De Raad benoemt de volgende zaken:
  .   afspraken maken met het betreffende bedrijf over daadwerkelijk gebruik van
      het octrooi;
  .   een ‘faire’ prijs bedingen voor het aan een bedrijf toegekend exclusieve recht
      op gebruik van publiek bekostigde kennis;
  .   afspraken maken met het betreffende bedrijf teneinde openbaarheid en toe-
      gankelijkheid van kennis niet onnodig te belemmeren.
  In Toelichting II 3 gaat de Raad nader in op de geëigende doelstellingen van
  universitair octrooibeleid, de te hanteren uitgangspunten en de randvoor-
  waarden.
  Aanbevelingen
  Preambule: verantwoordelijkheid voor universiteiten én voor de overheid
  De Raad realiseert zich dat de universiteiten, als autonome kennisinstellingen,
  primair zelf verantwoordelijk zijn voor het te voeren universitair octrooibeleid. In
  dit advies geeft hij aan dat dit beleid gezien dient te worden als vehikel voor
  kennisoverdracht en -benutting. Universiteiten dienen het octrooibeleid vanuit dit
  perspectief nader vorm en inhoud te geven. Het advies biedt in deze zin een denk-
  kader en handreikingen voor de universiteiten.
      De Raad geeft in dit advies aan dat octrooibeleid slechts één van de manieren
  is om kennis publiek te maken en benutting ervan te stimuleren. Hij onderschrijft
  het belang van octrooiering in sommige situaties, maar signaleert tegelijkertijd dat
  dit beleid pas goed kan gedijen in een universitair klimaat waarin grote alertheid
  bestaat voor mogelijkheden tot kennisoverdracht en stimuleren van kennisbenut-
  ting. De Raad wil op deze plek hier specifiek aandacht voor vragen. In onder-
  staand kader geeft hij enige suggesties om een dergelijke klimaat te bevorderen.
7 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  Netwerkvorming en wisselwerking tussen universiteiten en bedrijven
  De AWT hecht veel belang aan het stimuleren van netwerkvorming en wissel-
  werking tussen universiteiten en bedrijven. Dit vergt entrepreneurial scientists,
  wetenschappers met goede voelhoorns voor wat er speelt in het bedrijfsleven en
  de maatschappij, en die alert zijn op economisch en/of maatschappelijk waarde-
  volle onderzoeksresultaten. Decanen en onderzoeksdirecteuren hebben daarbij
  een stimulerende rol te vervullen.
  Alertheid op octrooieerbare kennis inbedden in de reguliere activiteiten
  De AWT is van mening dat het bewust omgaan met economisch en maat-
  schappelijk waardevolle kennis – hetgeen soms octrooieerbare kennis betreft – het
  beste ingebed kan worden in de reguliere activiteiten van een universiteit. De
  Raad is geen voorstander van aparte functionarissen die op locatie economisch
  en/of maatschappelijk waardevolle onderzoeksresultaten herkennen en onder-
  zoekers met geïnteresseerde bedrijven en/of maatschappelijke organisaties in con-
  tact brengen. Alleen in uitzonderingsgevallen zijn dergelijke liaison officers zinvol.
  Wel kunnen aio’s of post-docs een functie als ‘octrooiscout’ vervullen: dit behelst
  het spotten van mogelijk commercieel interessante onderzoeksresultaten in hun
  onderzoeksgroep. Dit kan worden aangemoedigd door een premie uit te loven
  voor het ‘aanbrengen’ van octrooieerbare onderzoeksresultaten.
  Benutten octrooiliteratuur in onderwijs en onderzoek
  In octrooiliteratuur ligt veel waardevolle kennis opgeslagen die onvoldoende bij
  onderwijs en onderzoek wordt benut. Bij wetenschappelijk onderzoek kan octrooi-
  literatuur een belangrijke bron van kennis vormen. In het onderwijs kan het
  gebruik van octrooiliteratuur studenten attenderen op de waarde van deze
  kennisbron. Universiteiten kunnen op deze manier de daadwerkelijke benutting
  van kennis stimuleren en daarmee – op termijn – innovatie bevorderen.
  Zoals gesteld: universiteiten zijn primair zelf verantwoordelijk voor een eigen
  octrooibeleid. Dit neemt niet weg dat ook voor de overheid (i.c. EZ en OCenW)
  een verantwoordelijkheid is weggelegd op dit punt. De overheid heeft zich
  immers tot taak gesteld gunstige voorwaarden te scheppen voor innovatie en
  eventuele knelpunten voor innovatie zoveel mogelijk uit de weg te ruimen.
  Onderdeel van deze voorwaardenscheppende overheidstaak is het formuleren van
  heldere doel- en taakstellingen voor publieke kennisinstellingen. Op het specifie-
  ke punt van universitair octrooibeleid betekent dit vanuit een macro-perspectief
  aangeven wat gewenst is en welke bijdrage van de publieke kennisinstellingen
  wordt verwacht. De universiteiten zelf zullen dit macro-perspectief niet vanzelf
  hanteren.
8 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>  Aanbevelingen
  1. De Raad is van mening dat de belangrijkste invloed die de overheid (i.c. de
  ministeries van EZ en OCenW) kan hebben, is gelegen in het expliciteren van het
  doel van universitair octrooibeleid. In dit advies heeft hij zijn visie hierop gegeven:
  doel van universitair octrooibeleid moet zijn de intensievere benutting van uni-
  versitair ontwikkelde kennis ten behoeve van innovatie, niet het genereren van
  inkomsten voor de betreffende kennisinstellingen. Het gaat uiteindelijk om het
  gebruik van octrooien, niet om het aantal aan universiteiten verleende octrooien.
  Dit leidt de AWT tot de volgende aanbeveling aan de ministeries van EZ en
  OCenW:
  .  Zet universiteiten niet aan tot méér octrooieren als zodanig. Van veel groter belang
     dan het stimuleren van meer universitaire octrooien, is het stimuleren van een actief
     universitair beleid gericht op daadwerkelijke benutting van octrooieerbare kennis.
     In het kader van de verantwoordingsrelatie dient dit aan de orde gesteld te wor-
     den.
  2. Gezien de grote verschillen tussen de diverse sectoren van het bedrijfsleven wat
  betreft de noodzaak en de praktijk van octrooieren, is de nodige flexibiliteit
  gewenst in het universitaire octrooibeleid. De diverse wetenschapsgebieden moe-
  ten met dit octrooibeleid de voor hen relevante sectoren goed kunnen bedienen.
  Een uniforme universitaire octrooiregelgeving is derhalve niet zinvol en ook niet
  wenselijk. Wat naar de mening van de Raad wel nodig is, is overeenstemming over
  het doel van universitair octrooibeleid, de uitgangspunten hierbij en de te hante-
  ren randvoorwaarden. De Raad constateert dat elke universiteit momenteel - voor
  zover van toepassing - hieromtrent eigen afwegingen en keuzes maakt. Voor
  bedrijven is dit lastig, omdat deze veelal zaken doen met meerdere kennisinstel-
  lingen. Zij hebben zodoende te maken met verschillende octrooi'regimes'.
  Bovendien worden bedrijven nogal eens geconfronteerd met irreële verwachtin-
  gen en onderhandelingsvoorwaarden. Ook voor universiteiten is de huidige situ-
  atie nadelig omdat elke instelling voor zich moet bepalen welke keuzes te maken;
  dit leidt tot onnodig dubbel werk. Daarnaast kunnen de universiteiten tegen
  elkaar worden uitgespeeld, waardoor afspraken soms minder gunstig uitvallen.
  De AWT pleit er daarom voor dat de universiteiten met elkaar en met de betrok-
  ken ministeries, maar bijvoorkeur ook met het bedrijfsleven, tot afstemming
  komen over een aantal hoofdlijnen van universitair octrooibeleid. Aanbeveling aan
  VSNU, NWO, EZ en OC&W, VNO-NCW en MKB Nederland is:
  .  Streef naar afspraken over de globale uitgangspunten van universitair octrooibeleid
     (volgens de AWT: octrooieren bij voorkeur aan bedrijven overlaten) alsmede de
     randvoorwaarden die daarbij dienen te gelden (volgens de AWT: faire prijs bedin-
9 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>      gen, actief gebruik afdwingbaar maken en geheimhouding beperkt houden). Het
      Platform Universitair Octrooibeleid, in het leven geroepen door het Bureau voor de
      Industriële Eigendom van het ministerie van EZ, kan voor de discussie over deze
      zaken als platform dienen.
   3. In het licht van de uitgangspunten zoals door de AWT in dit advies geformu-
   leerd, waarbij universiteiten het feitelijk octrooieren in principe aan bedrijven over-
   laten, is het niet nodig dat de universiteiten uitgebreide expertise opbouwen op
   het gebied van octrooieren als zodanig. De universiteiten moeten daarentegen
   wel toegang hebben tot expertise op het gebied van waardebepaling, alsmede
   over kennis en onderhandelingsbekwaamheid beschikken gerelateerd aan de in
   octrooicontracten op te nemen bepalingen. Het lijkt de Raad niet efficiënt dat elke
   universiteit afzonderlijk de hiervoor benodigde expertise ontwikkeld. Dit leidt tot
   de volgende aanbeveling aan de universiteiten en de ministeries van EZ en
   OCenW:
   .  Faciliteer een landelijke helpdesk op het gebied van opties op en overdracht van
      octrooien, waarop universiteiten een beroep kunnen doen voor professionele onder-
      steuning en advisering bij de vormgeving en praktische uitwerking van hun octrooi-
      beleid. Deze helpdesk kan tevens uitwisseling van kennis bevorderen. Sluit bij het
      inrichten van een dergelijke helpdesk aan bij organisaties die reeds de nodige exper-
      tise hebben opgebouwd, zoals STW.
   4. De Raad stelt in dit advies dat het aantal aan universiteiten toegekende octrooi-
   en geen goede indicator is voor de bijdrage van universiteiten aan innovatie. Een
   betere indicator is het aantal universitaire co-uitvinders genoemd in octrooien van
   bedrijven en de verwijzingen naar universitair onderzoek in bedrijfsoctrooien.
   Deze gegevens worden deels geregistreerd: Nederlandse en Europese octrooien
   bevatten wel de universitaire co-uitvinders, maar niet de verwijzingen naar weten-
   schappelijk onderzoek. Voor zover gegevens hieromtrent beschikbaar zijn, worden
   deze echter te weinig benut als indicator. Om de bijdrage van universiteiten aan
   onderzoeksafhankelijke (bedrijfs)octrooien te kunnen monitoren, is meer en meer
   gericht onderzoek nodig.
   Aanbeveling van de AWT aan de ministeries van EZ en OCenW betreffende moni-
   toring van de universitaire bijdrage aan octrooiafhankelijke innovatie is:
   .  Laat ten behoeve van de Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren regulier onder-
      zoek doen naar universitair co-uitvinderschap. Daarnaast is het wenselijk dat de
      Nederlandse overheid zich inzet om in Nederlandse en Europese octrooien, net als
      dat in de Verenigde Staten gebruikelijk is, verwijzingen naar wetenschappelijk
      onderzoek opgenomen te krijgen.
10 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>   5. Onderzoekers worden nu primair beoordeeld en 'afgerekend' op hun weten-
   schappelijke publicaties. De Raad is van mening dat een breder begrip van onder-
   zoekskwaliteit gewenst is: het hoort bij onderzoek niet uitsluitend te gaan om
   wetenschapsinhoudelijke criteria (af te meten aan het aantal publicaties en cita-
   ties), maar ook om bijvoorbeeld het inspelen op maatschappelijke vragen. De
   gedachte is dat onderzoekers zodoende worden gestimuleerd om de blik naar
   buiten te richten, de wisselwerking met bedrijven en maatschappelijke organisa-
   ties te zoeken, en alert te zijn op de economische/maatschappelijke bruikbaarheid
   van onderzoek. Als één van de indicatoren voor dit laatste kan gekeken worden
   naar co-uitvinderschap zoals geregistreerd in Nederlandse en buitenlandse
   octrooien; tevens kan gedacht worden aan het mee laten wegen van octrooicita-
   ties.
   De AWT doet de volgende aanbeveling aan de VSNU en het ministerie van
   OCenW:
   .  Geef in onderzoeksvisitaties meer invulling aan en ken meer gewicht toe aan alert-
      heid op mogelijke economische/maatschappelijke benutting van kennis. De Raad
      realiseert zich dat de verantwoordelijkheid hiervoor bij de VSNU ligt; de overheid
      (i.c. het ministerie van OCenW) dient erop aan te dringen dit in visitaties nadruk-
      kelijker aan de orde te laten komen.
   Aldus vastgesteld te Den Haag, 7 juni 2001.
   Dr.ir. B.P.Th. Veltman
   voorzitter
   mw. dr. V.C.M. Timmerhuis
   wnd. secretaris
11 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>            II               Toelichting
                             II 1 Achtergrond adviesvraag, invalshoek en
                                          afbakening
                             Achtergrond adviesvraag
                             De ministers van Economische Zaken (EZ) en van Onderwijs, Cultuur en
                             Wetenschappen (OCenW) hebben de Adviesraad voor het Wetenschaps- en
                             Technologiebeleid (AWT) gevraagd advies uit te brengen over de omgang van
                             publieke kennisinstellingen met intellectuele eigendomsrechten, mede vanuit het
                             oogpunt van toegankelijkheid van publiek bekostigde kennis (zie bijlage 1 voor de
                             tekst van de adviesvraag).
                             Achtergrond van deze adviesvraag is de al langer bestaande zorg over innovatie
                             en de innovatie-intensiteit in ons land: het vermogen om kennis die hier en elders
Nederland gekenmerkt door    wordt geproduceerd tijdig te vertalen in nieuwe, maatschappelijk of commercieel
    goed wetenschappelijk    succesvolle producten, diensten en processen. De kwaliteit van het Nederlandse
                onderzoek    wetenschappelijke onderzoek is uitstekend zo blijkt regelmatig2, maar het schort
                             aan inspanningen om de resultaten van dit onderzoek om te zetten in nieuwe
                             producten, diensten en processen. 3 Dit geldt niet uitsluitend voor Nederland. De
                             gehele Europese Unie scoort beduidend lager op innovatie-intensiteit dan de
           maar ook door     Verenigde Staten en Japan. De Europese Commissie heeft dan ook gesteld dat
           achterblijvende   Europa onvoldoende commercieel potentieel vertoont in nieuwe, technologisch
       innovatie-intensiteit hoogwaardige groeisectoren.4
                             Stimuleren van innovatie en het vergroten van innovatie-intensiteit staan voorop
                             in het Nederlandse wetenschaps- en technologiebeleid. Om dit te verwezenlijken
                             is het overheidsbeleid onder meer gericht op het bevorderen van een
                             2 Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren 2000 van het Nederlands Observatorium van Wetenschap
                                en Technologie (NOWT).
                             3 Kennis en economie 2000. Onderzoek en innovatie in Nederland van het Centraal Bureau voor de
                                Statistiek (CBS).
                             4 Naar een Europese onderzoeksruimte: Mededeling van de Europese Commissie, Brussel, 18/01/2000,
                                C O M (2000) 06. Innovatie in een kenniseconomie: Mededeling van de Europese Commissie, Brussel,
                                20/09/2000, COM(2000) 567.
                         13  AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>14 AWT-advies nr. 46</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>      daarom intensievere    intensievere benutting van publiek bekostigde kennis. Eén van de manieren om
    benutting van publiek    kennis intensiever te benutten, is gelegen in het exploiteren van intellectuele
bekostigde kennis gewenst    eigendomsrechten door publieke kennisinstellingen. Het – méér – octrooieren bij
                             universiteiten en andere publieke kennisinstellingen wordt door de overheid gesti-
                             muleerd vanuit de veronderstelling dat dit een belangrijke bijdrage levert aan, en
             dan ook meer    tegelijkertijd een duidelijke graadmeter is voor de benutting van publiek gefinan-
          octrooieren door   cierde kennis.5 Over dit laatste – het octrooieren vanuit universiteiten – handelt dit
            universiteiten?  advies.
                             Invalshoek en vraagstelling advies
          de vragen die de   De Raad zoekt de meerwaarde van dit advies primair in een bezinning op het
                  AWT stelt  bijzondere van octrooieren op basis van publiek bekostigde kennis.
                             .   Wat zijn passende doelstellingen voor universitair octrooibeleid en op welke
                                 punten verschilt dit van octrooieren in de private sfeer?
                             .   Aan welke eisen moet het octrooieren door of vanuit publieke kennis-
                                 instellingen voldoen wil het sporen met de publieke taken van de instellingen?
                             De Raad constateert dat deze vragen in de huidige praktijk onderbelicht blijven.
                             Te vanzelfsprekend wordt er vanuit gegaan dat méér octrooieren door publieke
                             kennisinstellingen een goede zaak is; te snel wordt vervolgens de stap gezet naar
                             het concreet uitwerken en instrumenteren van dit uitgangspunt. Volgens de Raad
                             dienen in het huidige stadium van de discussie deze meer fundamentele vragen
                             voorop te staan. Wat ontbreekt is een beargumenteerde visie op het doel van
                             octrooibeleid van publieke kennisinstellingen i.c. universiteiten en de specifieke
                             eisen die de publieke context aan dat beleid stelt.
       geen best practices   De keuze van de Raad voor deze invalshoek betekent dat in dit advies niet wordt
               in dit advies ingegaan op best practices van omgaan met intellectueel eigendomsrechten, iets
                             waar de adviesvraag (zie bijlage 1) wel op aanstuurt. De Raad is van mening dat
                             alleen op grond van een bredere kijk op doel en specifieke eisen aan universitair
                             octrooibeleid dergelijke best practices kunnen worden geëvalueerd en op zinvol-
                             heid voor de Nederlandse situatie kunnen worden beoordeeld. Een tweede, meer
                             praktische reden om best practices rond vormgevings- en instrumentatievragen
                             niet centraal te stellen, is dat op dit gebied inmiddels verschillende initiatieven
      Platform Universitair  lopen. De AWT wijst op de activiteiten van het Platform Universitair Octrooibeleid.
             Octrooibeleid   Het Platform Universitair Octrooibeleid stelt vertegenwoordigers van de meest
                             5 Zie o.a. Ruimte voor industriële vernieuwing, beleidsnota Ministerie EZ 1999; Octrooibeleid in samen-
                                hang met het technologie- en industriebeleid, Ministerie EZ, TK-stuk 23732, nrs. 2-4 1997-1998
                         15  AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                    betrokken organisaties en deskundigen op het gebied van universitair octrooibe-
                    leid in de gelegenheid om met elkaar van gedachten te wisselen en van elkaar te
                    leren. De Raad denkt dat het Platform een belangrijke rol kan spelen in het orga-
                    niseren van de discussie over onderliggende vragen.
wel internationale  De AWT heeft weliswaar geen best practices geïnventariseerd, maar heeft zich wel
         oriëntatie internationaal georiënteerd. Bijlage 3 bij dit advies bevat een beknopt overzicht
                    van het beleid in een aantal landen ten aanzien van het octrooieren door
                    publieke kennisinstellingen.
                    Afbakening
advies gaat alleen  De AWT heeft het advies op een aantal punten nader afgebakend:
              over: .   De AWT richt zich primair op het octrooibeleid van universiteiten. De reden
  universiteiten…      hiervoor is dat de actuele discussie zich grotendeels toespitst op de wenselijk-
                       heid en de vormgeving van het octrooieren door universiteiten. De Raad wil
                       aan deze discussie een bijdrage leveren door aan te geven wat in zijn ogen
                       zinvol en passend is. Het denkkader dat hiertoe wordt ontwikkeld en de
                       redeneringen die daarbij worden gevolgd, zijn naar zijn mening in hoofdlijnen
                       ook van toepassing op het onderzoek bij TNO, de GTI’s, de TTI’s e.d., althans
                       voorzover dit – gedeeltelijk – publiek bekostigd onderzoek betreft.
                    .   Het advies heeft betrekking op het eerste en de tweede geldstroomonderzoek
 eerste en tweede      van de universiteiten, d.w.z. op wetenschappelijk onderzoek dat geheel of
     geldstroom…       gedeeltelijk (in geval van co-financiering) met publieke middelen is bekostigd.
                       Vanwege het publieke karakter van dit onderzoek is juist hier het goed door-
                       denken en vervolgens helder vormgeven van het beleid van groot belang.
                       Alhoewel zeker of juist bij derdegeldstroomonderzoek octrooiering aan de orde
                       kan zijn, blijft dit in het onderhavige advies buiten beschouwing. In de regel
                       worden bij derdegeldstroomonderzoek duidelijke afspraken gemaakt over het
                       kenniseigendom en de eventueel daaruit voortvloeiende intellectuele eigen-
                       domsrechten. Beiden vallen normaliter toe aan de opdrachtgever.
         octrooien  .  Het advies beperkt zich tot octrooien, omdat dit als vorm van intellectuele
                       eigendomsrechten het meest van toepassing is voor universitair wetenschap-
                       pelijk onderzoek. Andere intellectuele eigendomsrechten, zoals het auteurs-
                       recht, het merkenrecht of het kwekersrecht blijven buiten beschouwing. Deze
                       rechten zijn van toepassing op unieke eindproducten. Wetenschappelijk onder-
                       zoek resulteert doorgaans in basisprincipes die nog verder moeten worden ont-
                       wikkeld. Octrooien zijn precies daarvoor bedoeld. Uiteraard is het auteursrecht
                       wel van toepassing op wetenschappelijke publicaties.
                16  AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                            Wat niet aan de orde komt in het advies
                            Op het gebied van intellectuele eigendomsrechten spelen momenteel vele
                            andere belangwekkende vragen welke in dit advies niet aan de orde komen.
                 niet over: Belangrijkste hierbij is de vraag of – vanuit het oogpunt van innovatie – uitbrei-
            internationale  ding van de werkingssfeer van intellectuele eigendomsrechten wenselijk is, en wat
ontwikkelingen op gebied    de eventuele gevolgen daarvan zouden zijn voor de toegankelijkheid van publiek
          van intellectuele bekostigde kennis en de verdere ontwikkeling van de wetenschap. Deze vragen
       eigendomsrechten     domineren momenteel de internationale discussie over intellectuele eigendoms-
                            rechten. Deze vragen spelen o.a. op het gebied van: software, business methods,
                            research tools, publicaties op het Internet, DNA-sequenties en de databanken
                            waarin deze worden opgeslagen, allerlei andere databanken, genetisch
                            gemodificeerde organismen etc.
                            Het MERIT heeft in opdracht van de AWT twee overzichtstudies vervaardigd
                            waarin deze actuele internationale discussies over intellectuele eigendomsrechten
                            centraal staan, inclusief de vraag of er in de nieuwe economie nog wel een toe-
                            komst is voor intellectuele eigendomsrechten. 6 Ook in een recente EZ-publicatie7
                            komen de hierboven genoemde onderwerpen uitgebreid aan bod.
                            Hoe interessant en belangwekkend vraagstukken rond veranderingen in functie en
                            belang van octrooien voor innovatie ook zijn, de Raad kiest er in dit advies voor
                            zich te richten op de omgang met octrooien binnen universiteiten. Hij zoekt de
                            meerwaarde van zijn advies in het leveren van een bijdrage aan de discussie hier-
                            omtrent, mede omdat dit een terrein is waar de nationale overheid een eigen rol
                            kan spelen. Rond de vraagstukken zoals hierboven aangegeven zullen eventuele
                            beleidswijzigingen in internationaal verband overeengekomen moeten worden.
                            Dit geldt ook voor de totstandkoming van een Europees octrooi, al dan niet met
                            een year of grace.
             universiteiten De AWT wil nog wel op het volgende wijzen: op universiteiten wordt vaak een
             hiervoor niet  moreel appèl gedaan om vrijwillig van bepaalde octrooien af te zien. Óf omdat
         verantwoordelijk   deze onethisch zouden zijn (dit speelt vooral bij octrooien op genetisch gemodi-
                            6 Intellectual Property Rights in a Knowledge-Based Economy: R. Cowan & E. Harison (MERIT). AWT-
                               Achtergrondstudie 21, mei 2001, Den Haag. Protecting the digital endeavour: prospects of intellectu-
                               al property rights in the information society, R. Cowan & E. Harison (MERIT). AWT-Achtergrondstudie
                               22, mei 2001, Den Haag.
                            7 Industrial Property, Innovation and the Knowledge-based Economy: A. Arundel, B. Lehman, W. Fisher lll,
                               D. Foray, A. Rahman and M. van der Steen. Special edition BTE-reeks, Ministerie van Economische
                               Zaken, april 2001, Den Haag.
                         17 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>   ficeerde organismen), óf omdat deze de verdere ontwikkeling van de wetenschap
   zouden belemmeren (dit speelt vooral bij octrooien op research tools, DNA-
   sequenties etc.). De AWT vindt dat eventuele tekortkomingen in de internationa-
   le octrooipraktijk niet moeten worden gecorrigeerd door partijen die octrooien
   aanvragen hiervoor verantwoordelijk te stellen. Deze tekortkomingen, die veelal
   het gevolg zijn van de brede wijze waarop octrooibureaus de artikelen uit de
   octrooiwetgeving interpreteren, moeten worden gecorrigeerd door op politiek
   niveau besluiten te nemen over hetgeen wel en niet wenselijk wordt geacht, en
   door vervolgens de octrooibureaus aan die besluiten te houden. De universiteiten
   spelen hierin geen bepalende rol. Van de universiteiten mag uiteraard wel worden
   verwacht dat ze vanuit hun deskundigheid, hun betrokkenheid en hun maat-
   schappelijke verantwoordelijkheid een bijdrage leveren aan de meningsvorming
   over deze kwesties.
   II.2 Universitair octrooibeleid in bredere
             context bezien
   De AWT adresseert in dit advies de vraag naar zinvol en passend octrooibeleid van
   universiteiten. De Raad wil deze vraag in een bredere context plaatsen, teneinde
   te komen tot een ‘juist’, passend perspectief voor octrooibeleid van universiteiten.
   Hiertoe gaat hij in op:
   .   het belang van octrooiering voor innovatie en innovatie-intensiteit;
   .  de bijdrage van octrooien aan een (meer) intensieve benutting van kennis uit
       publieke kennisinstellingen; en
   .   de verhouding tussen octrooiering door universiteiten en de primaire taken van
       deze publieke kennisinstellingen.
   Deze punten komen achtereenvolgens aan de orde.
   Het belang van octrooiering voor innovatie: innovatie-intensiteit is niet gelijk
   te stellen met het aantal octrooien
   Welvaart en welzijn in een land worden mede bepaald door de intensiteit van
   innovatie. Innovatie – het totstandbrengen van maatschappelijk of commercieel
   succesvolle producten, diensten of processen – is van belang voor alle geledingen
   in de maatschappij: voor bedrijven, de non-profit sector, het openbaar bestuur en
   bij maatschappelijke organisaties. Het vermogen tot innoveren en de factoren die
   de innovatie-intensiteit beïnvloeden, zijn dan ook belangrijke themata in het
   wetenschaps- en technologiebeleid.
18 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>     veel factoren die  Het innovatievermogen en de mate van daadwerkelijke innovatie in een land
innovatie beïnvloeden   hangt af van vele factoren. De Raad wijst op:
                        .  de cultuur van ondernemerschap in een land en de mate waarin ondernemer-
                           schap door de overheid wordt gestimuleerd en gefaciliteerd;
                        .  de beschikbaarheid van (durf)kapitaal;
                        .  de aard en omvang van de (binnenlandse) vraag naar nieuwe producten en
                           diensten;
                        .  de mate van concurrentie binnen sectoren, leidend tot marktdruk om
                           innovatief te zijn;
                        .  de aanwezigheid van voldoende en hoogwaardige, goed opgeleide arbeids-
                           krachten c.q. kenniswerkers;
                        .  de kwaliteit van de innoverende organisaties zelf;
                        .  de kwaliteit van contacten tussen bedrijven en hun klanten en toeleveranciers
                           (contacten als kennisbronnen voor innovatie);8
                        .  een goede wisselwerking tussen bedrijven c.q. (non-profit) organisaties en
                           publieke kennisinstellingen (als kennisbron voor innovatie), leidend tot
                           intensieve benutting van publiek bekostigde kennis;
                        .  de kwaliteit van de nationale, locale kennisinfrastructuur (onderzoek, maar
                           vooral ook onderwijs).
                        Aan deze rij van factoren die van belang zijn voor innovatie kan de ‘praktijk van
                        omgaan met intellectuele eigendomsrechten en meer concreet octrooiering’
                        toegevoegd worden. De Raad noemt dit punt van octrooiering bewust en met
        octrooien niet  terughoudendheid als laatste, vanuit de realisatie dat lang niet aan alle innovaties
           belangrijkst octrooien ten grondslag liggen. De verschillen tussen bedrijfssectoren zijn groot
                        op dit punt. Zo wordt o.a. in de dienstensector – waar een steeds groter deel van
                        het BNP wordt verdiend – nauwelijks van octrooien gebruikt gemaakt; ditzelfde
                        geldt voor de ICT-sector, zij het om andere redenen. Dit neemt niet weg dat in
                        sommige sectoren (o.a. de consumentelektronica en farmacie) kennis-
       maar soms wel    beschermingsconstructies, i.c. octrooien, nodig zijn ten behoeve van
          noodzakelijk  commercieel succesvolle innovaties. In bijlage 4 worden dergelijke verschillen
                        tussen sectoren nader aangegeven.
                        8 Uit onderzoek is bekend dat de benodigde kennis voor de totstandkoming van innovaties uit een of
                          meerdere van de volgende kanalen het bedrijf binnenkomt: via toeleverende bedrijven, door contac-
                          ten met klanten, via buitenlandse investeringen, via contacten met publieke kennisinstellingen, via ken-
                          nisintensieve dienstverlening en via licenties. In een in opdracht van de AWT vervaardigde studie zijn
                          deze diverse kennisbronnen op een rij gezet en is een vergelijking gemaakt van mechanismen van ken-
                          nistransfer in de dienstensector en de maaksector. Zie Knowledge transfer and the services sector in
                          the context of the new economy, R. Cowan, L. Soete & O. Tchervonnaya. AWT-Werkdocument, mei
                          2001 (te raadplegen op de AWT-website www.awt.nl)
                    19  AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                              Conclusie is dat de mate van innovatie zeker niet gelijkgesteld mag worden met
                              het aantal octrooien dat in een land per jaar wordt toegekend. Dit geeft maar een
                              beperkte indicatie van de innovatie-intensiteit in een land. Vele andere
                              factoren zijn hierbij in het geding. Octrooieren is in een aantal gevallen wel
                              degelijk van belang om te komen tot innovatie, maar ook dan is octrooiering
                              slechts een noodzakelijke en zeker geen voldoende voorwaarde om te komen tot
                              een succesvol product of dienst.
                              Octrooiering is niet de belangrijkste manier van bevorderen benutting ken-
                              nis vanuit universiteiten
                              Met het bovenstaande is een kanttekening geplaatst bij het relatieve belang van
                              octrooien voor innovatie en innovatie-intensiteit in een land. De blik was daarbij
                              vooral gericht op octrooiering door bedrijven. De Raad verplaatst de aandacht nu
                              naar octrooiering binnen universiteiten. Hierbij hanteert hij een breder perspectief
                              van hoe te komen tot meer intensieve benutting van kennis ontwikkeld in publie-
                              ke kennisinstellingen.
                primaire taak Benutting van kennis ontwikkeld in universiteiten vindt plaats op diverse
universiteiten: opleiden van  manieren. Universiteiten benutten de daar ontwikkelde kennis in de eerste plaats
                      mensen  door goed vorm en inhoud te geven aan hun primaire taak: het opleiden van
                              mensen. Goed universitair onderwijs is van groot belang voor bedrijf en maat-
                              schappij, omdat goed opgeleide mensen de belangrijkste bron van innovatie zijn.
                              Universiteiten en ook andere publieke kennisinstellingen doen voorts op allerlei
                              manieren aan kennisoverdracht, waarmee benutting van die kennis bevorderd
            klassieke vormen  wordt. Het meest gebruikelijk en klassiek zijn publicaties in de wetenschappelijke
      van kennisoverdracht    tijdschriften. Hierop worden wetenschappers ‘afgerekend’. Daarnaast steken –
                              sommige – wetenschappers tijd en moeite in wetenschapspopularisering door te
                              publiceren in kranten en niet-wetenschappelijke tijdschriften, alsook door het
                              houden van voordrachten en lezingen. Ze bereiken hiermee een breder publiek
                              dan collega-wetenschappers, hetgeen bevorderlijk is voor de potentiële benutting
                              van kennis en ook voor de publieke aanvaarding van het nut van wetenschappe-
                              lijk onderzoek.
                              Deze ‘klassieke’ vormen van kennisoverdracht zijn belangrijke vehikels om de
                              kennis openbaar te maken en naar buiten te brengen, maar het zijn passieve,
                              indirecte manieren om benutting van universitaire kennis te stimuleren. De
                              laatste jaren is de aandacht voor meer actieve en directe vormen van kennis-
                              overdracht en kennisbenutting door bedrijven en maatschappelijke organisaties
                           20 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>          maar ook nieuwe     toegenomen. Het gaat hierbij om een scala aan mogelijke manieren en instru-
        vormen, zoals pps,    menten om een levendige wisselwerking en netwerkvorming tussen bedrijven en
    stimuleren van starters,  kennisinstellingen tot stand te brengen. Dit omvat contractonderzoek en
           netwerkvorming     consultancy-activiteiten in de derde geldstroom, verschillende vormen van
                              publiek-private samenwerking, bijzonder hoogleraarschappen van mensen uit
                              bedrijven, en meer recent het stimuleren van ondernemerschap onder studenten
                              en medewerkers, o.a. door een actief beleid ten aanzien van nieuwe bedrijvigheid
                              (startersbeleid).
                              Ook een actiever octrooibeleid door universiteiten hoort in dit rijtje thuis: het
                              bewuster en actiever omgaan met eventueel octrooieerbare kennis. Dit staat cen-
                              traal in het vervolg van het advies. Op deze plek wil de Raad opmerken dat naast
                              dit octrooibeleid (gericht op nieuwe kennis) een goed gebruik van reeds bestaan-
        actief octrooibeleid  de octrooiliteratuur in het universitair onderwijs en onderzoek – althans in de dis-
omvat ook de benutting van    ciplines waar dit relevant is – minstens zo belangrijk is. In octrooiliteratuur ligt veel
        octrooiliteratuur in  waardevolle kennis opgeslagen die onvoldoende bij onderwijs en onderzoek
   onderzoek en onderwijs     wordt benut.9 Bij wetenschappelijk onderzoek kan octrooiliteratuur een belangrij-
                              ke bron van kennis vormen. In het onderwijs kan het gebruik van octrooiliteratuur
                              studenten attenderen op de waarde van deze kennisbron. Universiteiten kunnen
                              op deze manier de benutting van kennis stimuleren en daarmee – op termijn –
                              innovatie bevorderen.
                              De Raad merkt verder op dat – alhoewel reeds het nodige gaande is – juist op het
                              punt van netwerkvorming en wisselwerking tussen universiteiten en bedrijven nog
            entrepreneurial   een wereld te winnen is. Wat nodig is, zijn entrepreneurial scientists: wetenschap-
                   scientists pers met voelhoorns voor wat er speelt in bedrijf en maatschappij en met de
                              bereidheid om daaruit wetenschappelijke vraagstellingen te destilleren. Het gaat
                              hierbij niet om een directe vraagsturing vanuit het bedrijfsleven of (non-profit)
                              organisaties, maar om het ontwikkelen van een meer extraverte cultuur binnen
                              kennisinstellingen. Extravert in de zin van: met bedrijven en ook andere (non-pro-
                              fit) organisaties het gesprek aangaan over uitdagingen voor de toekomst. En ook
                              extravert in de zin van: uitdragen wat men zelf aan inzichten en bijdragen te bie-
                              9 Er bestaan inmiddels verschillende, ook internationale octrooidatabases die via Internet toegankelijk zijn
                                 en waarin op trefwoorden kan worden gezocht. Bijvoorbeeld het Octrooiregister met een overzicht
                                 van alle Nederlandse octrooien via www.bie.minez.nl; Octrooi Informatie On line (idem, maar hiervoor
                                 is een autorisatie nodig); Esp@cenet van het Europees Octrooibureau met alle europese octrooien
                                 (idem, geen autorisatie nodig); de octrooien van het Amerikaans Octrooibureau via
                                 www.patents.uspto.gov; de PCT-collectie van de World Intellectual Property Organization via
                                 www.pctgazette.wipo.int) en tenslotte Delphion via www.delphion.com.
                          21  AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                           den heeft en belangrijk vindt. 10 Benutting van kennis moet in deze zin niet (of niet
                           alleen) concreet en op de korte termijn bezien worden. Juist de indirecte en lan-
                           gere-termijn effecten van wisselwerking en netwerkvorming tussen bedrijven en
                           maatschappelijke organisaties enerzijds en publieke kennisinstellingen anderzijds
                           is van het grootste belang. Tot die effecten behoren: het ontstaan van persoon-
                           lijke netwerken; het in gesprek zijn over mogelijkheden voor innovaties in de toe-
                           komst; het goed op de hoogte zijn en blijven van vragen en ontwikkelingen die
                           wederzijds spelen.
                           De Raad concludeert dat octrooieren één van de manieren is om kennis publiek
                           te maken en de benutting ervan te stimuleren. De Raad onderschrijft het belang
                           hiervan in specifieke situaties, maar kent echter in het gehele palet van mogelijk-
                           heden tot kennisoverdracht en benutting van kennis een veel groter belang toe
                           aan netwerkvorming en aan een goede wisselwerking tussen bedrijven en
                           kennisinstellingen. Tevens pleit de Raad voor een betere gebruik van bestaande
                           octrooiliteratuur in het universitair onderwijs en onderzoek.
                           Kennisbenutting en innovatiestimulering is niet de enige of belangrijkste
                           motivatie voor publiek bekostigd onderzoek
                           In het bovenstaande zijn de diverse wegen aangegeven waarlangs intensievere
                           benutting van universitaire kennis gestalte kan krijgen. De Raad hecht er echter
                           aan te benadrukken dat kennisbenutting en daarmee beoogde innovatiestimule-
                           ring niet de enige en ook niet de belangrijkste motivatie is voor publiek bekostigd
                           onderzoek.
     meerdere redenen om   De overheid bekostigt het onderzoek bij universiteiten om meerdere redenen:
wetenschappelijk onderzoek .    om het wetenschappelijk onderwijs te voeden en daarmee de opleiding van
             te bekostigen      jonge mensen hoogwaardig en actueel te houden;
                           .    ten behoeve van kennisontwikkeling aan de grenzen van ons weten;
                           .    om over een openbare body of knowledge te beschikken die de 98%
                                onderzoek elders in de wereld toegankelijk maakt;
                           .    vanuit het oogpunt van instandhouden van ‘cultureel erfgoed’;
                           .    en ook om in Nederland gegenereerde kennis ten nutte te laten komen van de
                                Nederlandse samenleving (utilisatiedoelstelling, gericht op innovaties).
                           10 Deze nadruk op netwerkvorming en wisselwerking, op entrepreneurial scientists en extravertie is ont-
                               leend aan de AWT-verkenningscommissie Risseeuw: Verlangen naar de eindeloze zee. Rapportage ver-
                               kenningscommissie ‘Kennis voor de netwerkeconomie’. AWT-achtergrondstudie 20, Den Haag janua-
                               ri 2001.
                        22 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                            Het is van belang de taakstelling van universiteiten goed voor ogen te houden in
                            de discussie over een meer intensieve benutting van universitaire kennis en de
                            wens tot een grotere bijdrage aan innovatie in Nederland. Het universitair weten-
                            schappelijk onderzoek is maar ten dele gericht op de oplevering van direct bruik-
                            bare kennis. Er zijn signalen dat door de oriëntatie op benutting en toepassing het
                            funderend onderzoek momenteel in de knel komt. De bedrijven zelf zijn steeds
                            minder geneigd te investeren in het fundamentele onderzoek, maar concentreren
                            zich op het op de markt gerichte onderzoek gekoppeld aan hun core business. Dit
                            maakt dat het voorzien in funderend onderzoek eens te meer een verantwoorde-
              uiteenlopende lijkheid van publieke kennisinstellingen, zoals universiteiten, is.1 1 Deze kennisin-
verwachtingen ten aanzien   stellingen worden echter tegelijkertijd meer en meer gedwongen te voorzien in
 van universitair onderzoek hun eigen bekostiging en worden zodoende de kant opgedreven van contract-
                            onderzoek met een kortere termijn gerichtheid en grotere toegepastheid. Al met
                            al constateert de Raad dat eisen worden gesteld aan universiteiten die hen in ver-
                            schillende richtingen trekken: ze moeten zowel bijdragen aan innovatie en meer
                            bedrijvigheid alsook zorgdragen voor het funderend onderzoek. Dit vraagt om
                            een zorgvuldige afweging.
                            Conclusie: De AWT onderschrijft en benadrukt het belang van alert zijn op
                            benuttingsmogelijkheden van kennis, en waar nodig en zinvol dit via octrooibe-
          octrooibeleid mag
                            leid ondersteunen. Het mag echter niet zo zijn dat dit ten koste gaat van de
    niet ten koste gaan van
                            primaire, publieke taken van universiteiten: onderwijs en funderend weten-
   onderwijs en onderzoek
                            schappelijk onderzoek.
                            II.3 Doel, uitgangspunten en randvoorwaarden
                            Na de schets van de bredere context rond universitair octrooibeleid, volgt de
                            concrete vraag naar octrooibeleid van universiteiten. De Raad formuleert allereerst
                            in paragraaf II.3.1 wat in zijn ogen geëigende doelstellingen van universitair
                            octrooibeleid zijn. In de volgende paragraaf (II.3.2) werkt de Raad dit uit tot
                            uitgangspunten die richtinggevend zijn voor de vormgeving van universitair
                            octrooibeleid. Aansluitend benoemt de Raad in paragraaf II.3.3 welke randvoor-
                            waarden in acht genomen dienen te worden bij universitair octrooibeleid. Bij het
                            11 In zijn advies Hoofdlijnen Innovatiebeleid (AWT-advies 38, mei 1999) heeft de AWT deze gedachtegang
                                reeds eerder aangegeven.
                         23 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                              opstellen van de hier gepresenteerde visie heeft de AWT zich gespiegeld aan
                              beleidspraktijken in een aantal andere landen; bijlage 3 bevat schetsen hiervan.
                              II.3 1 Geëigende doelstellingen voor universitair
                                        octrooibeleid
                              De AWT is van mening dat octrooibeleid van universiteiten vooral moet bijdragen
                              aan een intensievere benutting van kennis. Dat is de hoofddoelstelling. Dit brengt
                              de Raad tot de volgende standpunten:
                              .   Octrooibeleid behoort tot de ‘maatschappelijke dienstverleningstaak’ van
                                  universiteiten. Daarbij dient het gebruik van octrooien voorop te staan, niet het
                                  aantal verleende octrooien aan universiteiten.
                              .   Het genereren van inkomsten voor de betreffende kennisinstelling behoort niet
                                  het hoofddoel van universitair octrooibeleid te zijn; eventuele opbrengsten zijn
                                  hoogstens een positief bijeffect.
                              Octrooibeleid van universiteiten als instrument voor kennisoverdracht en
                              benutting van kennis
   universitair octrooibeleid De universiteiten hebben als wettelijke hoofdtaken: het verzorgen van
valt onder maatschappelijke   wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Zij
       dienstverleningstaak   hebben volgens de Wet op het Hoger Wetenschappelijk Onderwijs (WHW) tevens
                              de taak om kennis over te dragen ten behoeve van de maatschappij. Dit is de
                              maatschappelijke dienstverleningstaak van de universiteiten. Deze taak wordt in
                              de WHW niet nader omschreven. Volgens de AWT is het thans nodig om,
                              wanneer Nederland een kennissamenleving wil worden, de maatschappelijke
                              dienstverleningstaak van de universiteiten deels te herinterpreteren in de zin van
                              het stimuleren van commerciële en maatschappelijke benutting van kennis. Dit om de
                              samenleving in de vorm van innovatie het volle rendement te kunnen geven van
                              publieke middelen die aan wetenschappelijk onderzoek worden besteed.
                              Octrooibeleid kan hieraan bijdragen, maar – zoals eerder aangegeven – het is
                              nadrukkelijk slechts één van de manieren om benutting van universitaire kennis te
                              bevorderen.
          is instrument voor  Het octrooibeleid van universiteiten dient in dit licht bezien te worden: als
 intensievere benutting van   instrument voor kennisoverdracht en gericht op het stimuleren van daadwerke-
                      kennis  lijke benutting van universitair ontwikkelde kennis. De Raad is geen voorstander
                              van de gedachte om het aantal octrooien op naam van universiteiten te hanteren
                              als indicator voor de – commerciële – benutting van universitaire kennis en
                              daarmee als maat voor hun bijdrage aan de innovatie-intensiteit in Nederland.
                          24  AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                            Bezien vanuit maatschappelijk perspectief hebben universitaire octrooien pas
                            waarde wanneer ze worden gebruikt voor het ontwikkelen van nieuwe producten
         niet de aantallen  of diensten die in een behoefte voorzien. Het is het daadwerkelijke gebruik van
 octrooien zijn belangrijk  universitaire kennis dat van belang is, niet de aantallen door universiteiten
                            toegekende octrooien en de omvang van de universitaire octrooiportefeuille als
                 maar het   zodanig. De Raad wijst er in dit verband op dat een betere indicator gevonden
 uiteindelijke gebruik van  kan worden in het aantal universitaire co-uitvinders genoemd in octrooien die aan
                 octrooien  bedrijven worden verleend, en in de verwijzingen in octrooien naar Nederlands
                            universitair onderzoek (de octrooicitaties). In bijlage 5 is dit nader toegelicht. De
                            Raad stelt dan ook nadrukkelijk dat de daadwerkelijke benutting van universitaire
                            kennis de leidende gedachte moet zijn bij de vormgeving van universitair
                            octrooibeleid.
                            Octrooibeleid van universiteiten niet baseren op mogelijk financieel gewin
                            De AWT stelt dat afwegingen in het kader van octrooibeleid van universiteiten op
             universiteiten basis van de bijdrage aan benutting van kennis gemaakt moeten worden en niet
   moeten octrooien niet    op financiële gronden. Praktijk is echter veelal dat lokale, financiële argumenten
bezien als inkomstenbron    de overhand hebben in plaats van afwegingen in het licht van ‘maatschappelijke
                            dienstverlening en maatschappelijk rendement’.
                            De AWT is zich ervan bewust dat de bekostigingsomstandigheden van
                            universiteiten (en ook andere publieke kennisinstellingen) sinds ca. 1980 sterk zijn
                            veranderd. Er heeft een omslag plaatsgevonden van een relatief beschermde, op
                            inputfactoren geënte bekostiging naar outputbekostiging. Dit is gepaard gegaan
                            met bezuinigingen en een teruglopen van de basisbekostiging, hetgeen
                            kennisinstellingen min of meer de weg heeft opgedwongen van het zoeken naar
                            additionele inkomstenbronnen. Het gevolg van deze ontwikkelingen is dat veel
                            van het beleid in universiteiten en andere publieke kennisinstellingen sterk wordt
                            bepaald door financiële overwegingen. De dominantie van het financiële
                            criterium werkt ook door op de ‘werkvloer’: bij de faculteiten, de vakgroepen, de
                            onderzoeksscholen etc.
                            Vanuit dit financiële oogpunt wordt vaak ook naar octrooieringsvragen binnen
                            een universiteit gekeken. Al snel komt de vraag voorop te staan wat een
                            octrooiaanvraag kost en wat deze mogelijk kan opbrengen. Hoe begrijpelijk de
                            AWT dit ook vindt, op deze manier worden in zijn ogen niet de juiste afwegingen
                            gemaakt. Ten principale vindt de AWT dat het handelen van publieke
                            kennisinstellingen – anders dan dat van bedrijven – moet worden bepaald door
                            de vraag welke vorm van kennisontsluiting en kennisoverdracht de beste kansen
                         25 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                              biedt op daadwerkelijke benutting van kennis. Wat voor de betreffende instelling
                              financieel het meest aantrekkelijk is, is een afweging van lagere orde.
                              Sterker gesteld: octrooibeleid – als onderdeel van de maatschappelijke dienst-
        universitair octrooi- verleningstaak gericht op het stimuleren van commerciële en maatschappelijke
    beleid mag geld kosten    benutting van kennis – mag geld kosten.
                              Met de stellingname van de AWT dat financieel gewin niet voorop moet staan bij
                              universitair octrooibeleid, is nadrukkelijk niet gezegd dat het gevoerde
                              octrooibeleid publieke kennisinstellingen geen aanvullende middelen mogen
                              opleveren. Indien universitair octrooibeleid – vanuit een primaire gerichtheid op
                              de benutting van kennis – bepaalde inkomsten genereert, is dit alleen maar toe te
                              juichen. De eventuele opbrengsten van het gevoerde octrooibeleid komen
                              immers het publieke onderzoek weer ten goede. Kernpunt is echter dat de
                              samenleving meer baat heeft bij een universitair octrooibeleid dat gebaseerd is op
                              overwegingen van kennisoverdracht en daadwerkelijke kennisbenutting dan bij
                              een beleid dat gebaseerd is op overwegingen van winstgevendheid.
                              II.3 2 Uitgangspunten voor universitair octrooibeleid
                              De formulering van de geëigende doelstellingen van universitair octrooibeleid
                              leidt de Raad tot de volgende uitgangspunten voor het universitair octrooibeleid:
                              .   universiteiten dienen het feitelijk octrooieren van kennis c.q. vindingen die in
                                 de universiteit zijn ontwikkeld bij voorkeur aan bedrijven over te laten;
                              .   zelf een octrooi aanvragen en in portefeuille houden dient de uitzondering te
                                 zijn.
                              De nadere argumentatie bij deze uitgangspunten volgt hieronder.
                              Universiteiten dienen octrooiering bij voorkeur over te laten aan bedrijven
                              Octrooibeleid van universiteiten moet bijdragen aan een betere, daadwerkelijke
                              benutting van kennis. Vanuit deze hoofddoelstelling volgt de stellingname van de
  universiteiten dienen het   AWT dat universiteiten – voor zover sprake is octrooibare kennis – de feitelijke
   octrooieren bij voorkeur   octrooiering en de exploitatie van octrooien bij voorkeur aan bedrijven moeten
over te laten aan bedrijven   overlaten. Immers: met alleen octrooiering door een universiteit gebeurt er
                              weinig en wordt de kennis die ten grondslag ligt aan het octrooi nog niet benut.
                              Het aanvragen, instandhouden, exploiteren en waar nodig verdedigen van een
                              octrooi kan volgens de AWT het beste geschieden door die partij die voornemens
  om zowel principiële …..    is geoctrooieerde kennis ook daadwerkelijk te gaan benutten in verdere
                              ontwikkeltrajecten naar commerciële producten of diensten. Dat is in de regel
                              een – reeds bestaand dan wel startend – bedrijf. De AWT wijst er nadrukkelijk op
                              dat octrooien een economisch instrument zijn, vooral van belang om verdere
                          26  AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                         investeringen in ontwikkeling van een bepaalde vinding te beschermen (zie
                         bijlage 2 voor nadere uitwerking). Octrooien zijn derhalve ‘vanuit de aard van de
                         zaak’ van veel directer belang voor bedrijven: het behoort tot de hoofdactiviteiten
                         van bedrijven commerciële ontwikkelmogelijkheden van kennis – eventueel
                         neergelegd in octrooien – te bezien en er naar te handelen. Dit is géén hoofd-
                         activiteit van universiteiten.
                         Naast deze reden ten principale – verbonden aan het commercieel belang van
als pragmatische redenen octrooien – is er echter ook uit meer pragmatische overwegingen veel voor te
                         zeggen om octrooiering niet door universiteiten ter hand te laten nemen maar
                         aan bedrijven over te laten. Universiteiten ontberen het (markt)overzicht en de
                         benodigde expertise om een zinvolle octrooiportefeuille op te bouwen, te
                         beheren, te beschermen en rendabel te maken. Octrooien kosten publieke
                         kennisinstellingen doorgaans meer dan ze opbrengen. Publieke kennisinstellingen
                         verschillen wat dit betreft duidelijk van bedrijven.
                         .    Bedrijven richten hun onderzoek op commercieel interessante terreinen,
                             waardoor de kans op economisch waardevolle resultaten groter is en ze – voor
                             zover octrooiering in de bedrijfstak relevant is – een uitgebreidere en samen-
                             hangende octrooiportefeuille kunnen opbouwen.
                         .   Bedrijven hebben goed zicht op ‘hun’ markt en kunnen daardoor een veel
                             betere inschatting maken van het potentiële (markt)belang i.c. de economi-
                             sche waarde van octrooieerbare kennis en dus of het de moeite waard is te
                             octrooieren.
                         .    De waarde van octrooien is voor bedrijven mede gelegen in de mogelijkheid
                             om met andere bedrijven licenties te ruilen en zo tot een beter samengestelde
                             octrooiportefeuille te komen.
                         .   Bedrijven hebben veel beter zicht op mogelijke inbreuken op octrooien en
                             hebben de commerciële bereidheid feitelijke inbreukpleging juridisch te
                             bevechten. Ze beschikken daartoe ook in veel ruimere mate over de
                             benodigde expertise en de middelen dan universiteiten.
                         Bedrijven beschikken kortom over meer mogelijkheden dan publieke
                         kennisinstellingen om een zinvolle octrooiportefeuille op te bouwen, te beheren,
                         te beschermen en rendabel te maken. Publieke kennisinstellingen kunnen zich wat
                         dit betreft niet met hen meten.
                         Zelf octrooieren door universiteiten als uitzonderingssituatie
                         Met het bovenstaande heeft de AWT de in zijn ogen wenselijke ‘normale situatie’
                         aangegeven. Uiteraard doen zich in de praktijk van alledag de nodige
                         uitzonderingen voor op deze regel. Bij onderzoek dat volledig is bekostigd uit de
                      27 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                      er zijn eerstegeldstroom kan het voorkomen dat – naar de inschatting van de betrokken
            uitzonderingen,   onderzoekers – economisch waardevolle resultaten of vindingen naar voren
             maar ook dan..   komen, zonder dat er echter meteen een geïnteresseerd bedrijf is dat met een
                              eventueel octrooi aan de slag wil gaan. In zo’n geval is het zelf aanvragen van een
                              octrooi door de universiteit een mogelijkheid.
                              De AWT is van mening dat ook in het geval van octrooiering door de universiteit
                              het beleid gericht moet zijn op bevordering van benutting van de universitaire
                              kennis die ten grondslag ligt aan het octrooi. Dit houdt in dat de universiteit die
           octrooien zo snel  octrooien niet zelf moet blijven beheren en exploiteren, maar dat deze zo snel
    mogelijk aan bedrijven    mogelijk aan relevante en geïnteresseerde bedrijven moeten worden
                 overdragen   overgedragen. Concrete richtlijn is daarbij dat octrooien (of octrooi-aanvragen)
                              niet langer dan een bepaalde tijd in portefeuille worden gehouden. Een pragma-
                              tische oplossing is om de prioriteitsperiode van de PCT-procedure (zie bijlage 2)
                              aan te houden (dit is 2,5 jaar). In de tussenliggende periode dient de octrooine-
                              mende universiteit actief te zoeken naar een mogelijke gebruiker. Dit kan een
                              reeds bestaand bedrijf zijn, of een startend bedrijf dat op weg wordt geholpen
                              door beschermde kennis mee te geven in ruil voor aandelen.
                              II.3 3 Randvoorwaarden bij universitair octrooibeleid
                              Omdat het om – in ieder geval deels – publiek bekostigde kennis gaat, dienen bij
           publieke context   de vormgeving en instrumentatie van universitair octrooibeleid een aantal
legt drie randvoorwaarden     randvoorwaarden in acht genomen te worden.1 2 De Raad benoemt de volgende
                         op:  zaken:
                              .   afspraken maken met het betreffende bedrijf over daadwerkelijk gebruik van
                                  het octrooi;
                              .   een ‘faire’ prijs bedingen voor het aan een bedrijf toegekend exclusieve recht
                                  op gebruik van publiek bekostigde kennis;
                              .   afspraken maken met het betreffende bedrijf teneinde openbaarheid en
                                  toegankelijkheid van kennis niet onnodig te belemmeren.
                              12 In februari 2001 heeft het kabinet een Wet Markt en Overheid naar de Raad van State gestuurd waar-
                                 in - zoals door de SER was geadviseerd - is vastgelegd dat overheidsorganisaties die marktactiviteiten
                                 willen verrichten aan bepaalde toetredings- en gedragsregels moeten voldoen. De randvoorwaarden
                                 die de AWT in dit advies formuleert voor universitair octrooibeleid kunnen worden gezien als een nade-
                                 re invulling van deze gedragsregels voor die marktactiviteiten die betrekking hebben op het verhan-
                                 delen van intellectueel eigendom door universiteiten.
                          28  AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                              Daadwerkelijk gebruik van het octrooi
 actief gebruik van octrooien Meer intensieve benutting van universitaire kennis heeft voorop gestaan bij het
        afdwingbaar maken…    door de AWT voorgestane uitgangspunt dat universiteiten octrooiering bij
                              voorkeur over dienen te laten aan bedrijven. Dat maakt het des te belangrijker in
                              de concrete afspraken c.q. contracten tussen betrokken kennisinstelling en het
                              bedrijf dat het octrooi neemt heldere afspraken te maken over die benutting.
                              Defensief gebruik van het octrooi – het door het bedrijf ‘op de plank laten liggen’
                              van de kennis en vinding, bijvoorbeeld om andere bedrijven er van te weerhou-
                              den om met concurrerende producten te komen – mag niet aan de orde zijn.
                              Defensief gebruik kan worden voorkomen door een ‘anti-ijskastbeding’ in het
                              contract met het betreffende bedrijf op te nemen, een clausule die actief gebruik
                              afdwingbaar maakt.
                              Een ‘faire prijs’ bedingen
een faire prijs bedingen voor Een en ander betekent niet dat universiteiten gratis en voor niets afstand moeten
exclusieve gebruiksrechten…   doen van het intellectueel eigendom van publiek bekostigd onderzoek. In geval
                              van octrooiering door belangstellende en belanghebbende bedrijven van
                              vindingen die in de universiteit zijn ontwikkeld, is het zaak een redelijke vergoe-
                              ding te bedingen voor de (opties op) exclusieve eigendomsrechten die een bedrijf
                              daarmee verkrijgt. Belangrijkste reden om een ‘faire prijs’ te bedingen is gelegen
                              in het vermijden van oneerlijke concurrentie. Het betreffende bedrijf wordt
                              immers bevoordeeld doordat het exclusieve rechten krijgt over de commerciële
                              benutting van publiek bekostigde kennis; hiervoor dient een prijs betaald te wor-
                              den. Betaling kan geschieden in de vorm van een som geld ineens en/of
                              royalty’s. Het is vanzelfsprekend om daarbij rekening te houden met een
                              eventuele bijdrage van het betreffende bedrijf aan het onderzoek. Tevens dienen
                              afspraken gemaakt te worden over revenuen verbonden aan licentieverlening
                              door het octrooinemende bedrijf aan anderen, bijvoorbeeld een percentage van
                              die licentie-inkomsten. In geval van toekenning van het octrooi aan een startend
                              bedrijf kan betaling ook door middel van aandelen in het bedrijf geschieden.13
                              In die gevallen waar onenigheid is over de ‘faire prijs’ die een bedrijf aan een
                              universiteit moet betalen in ruil voor octrooineming, kunnen de moeizame onder-
                              handelingen hierover publicatie van onderzoeksresultaten ophouden. In die
                              13 Het is dan zaak dat de betreffende kennisinstelling binnen een redelijke termijn (bijv. 3 tot 5 jaar) zijn
                                 participatie aan het startend bedrijf beëindigd. Het is immers niet de taak van een universiteit om zelf
                                 (mede)ondernemer te zijn; wél om – waar zinvol en mogelijk – nieuwe bedrijvigheid met behulp van
                                 ontwikkelde kennis c.q. vindingen te stimuleren.
                          29  AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                      gevallen is octrooiering door de universiteit een goede oplossing, mits het octrooi
                      snel overgedragen wordt aan een bedrijf.
                      De huidige praktijk in universiteiten komt deels al overeen met hetgeen de AWT
                      voorstaat. Universiteiten vragen betrekkelijk weinig octrooien onder eigen vlag
                      aan, terwijl bij een niet onaanzienlijk deel van de door bedrijven aangevraagde
                      octrooien wel degelijk sprake is van betrokkenheid van universitaire medewerkers:
                      deze worden genoemd als co-uitvinder en/of in octrooicitaties (zie bijlage 5 voor
                      nadere gegevens hierover). Alhoewel dit in principe een goede zaak is, wijst de
                      AWT erop dat deze praktijk zich momenteel deels in een ‘grijs circuit’ afspeelt.
                      Universitaire onderzoekers werken mee aan octrooiaanvragen van bedrijven, zon-
                      der dat hieraan overeenkomsten ten grondslag liggen waarin een ‘faire prijs’ zoals
                      hierboven bedoeld is afgesproken. Waar de AWT voor pleit is een bewust en door-
                      dacht universitair octrooibeleid, inclusief de daarbij behorende financiële vergoe-
                      dingen, waarmee dit ‘grijze circuit’ wordt vervangen door een transparante prak-
                      tijk.
                      Openbaarheid en toegankelijkheid van kennis niet (onnodig) belemmeren
     de openbaarheid  De AWT realiseert zich dat met het bepleite uitgangspunt dat universiteiten bij
 van kennis zo weinig voorkeur niet zelf octrooieren, nog een lastig vraagstuk overblijft, namelijk de
mogelijk belemmeren.  vraag hoe de gewenste openbaarheid en toegankelijkheid van publiek bekostigde
                      kennis kan worden gegarandeerd.
                      Realiteit is dat bedrijven in het voorstel van de AWT exclusieve rechten krijgen op
                      de commerciële benutting van universitaire kennis die ten grondslag ligt aan het
                      octrooi, waarmee aan andere bedrijven het commercieel gebruik wordt ontzegd.
                      In de ogen van de Raad is dit te rechtvaardigen vanuit het perspectief van daad-
                      werkelijke benutting van kennis. Een bedrijf is zonder die exclusieve rechten niet
                      bereid investeringen te doen in de verdere ontwikkeling van een vinding. Er vindt
                      derhalve een zekere afruil plaats: het publieke belang van zekerheid over benut-
                      ting van kennis door een bedrijf (vanwege het anti-ijskastbeding) in ruil voor het
                      exclusieve recht op commerciële benutting van kennis voor het betreffende
                      bedrijf.
                      Anders dan vaak gedacht wordt, heeft dit exclusieve gebruiksrecht geen - althans
                      geen blijvende - gevolgen voor de openbaarheid van kennis. Kenmerkend voor
                      het octrooisysteem is immers dat tegelijk met de verleende bescherming de vin-
                      ding openbaar wordt; de kennis die eraan ten grondslag ligt kan dan andere
                      bedrijven inspireren bij het voortborduren op eerdere vindingen of het opdoen
                  30  AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>   van nieuwe ideeën. Voor octrooieren geldt dat bescherming en openbaarmaking
   onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden14 .
   De Raad wijst er verder op dat octrooieren in principe geen gevolgen heeft voor
   niet-commercieel gebruik van die kennis die een octrooi beschermt. Het gebruik
   ten behoeve van wetenschappelijke onderzoek is wettelijk vrijgesteld.1 5
   Octrooieren heeft soms wel tijdelijk gevolgen voor de openbaarheid van publiek
   bekostigde onderzoeksresultaten. Het publiceren kan door een octrooiaanvraag
   worden vertraagd, maar de periode van geheimhouding zal in de praktijk beperkt
   blijven. De octrooiaanvraag kan vaak gelijk oplopen met het realiseren van een
   publicatie in een vooraanstaand tijdschrift. Hoe dan ook is publiceren mogelijk
   zodra een octrooi is aangevraagd; de beschermende werking van het octrooi is
   dan al van kracht. 16
   Het octrooibeleid van een universiteit moet alle betrokkenen helderheid verschaf-
   fen over de omgang met vraagstukken van geheimhouding en openbaarheid.
   Over eventuele geheimhouding moeten heldere afspraken worden gemaakt met
   het bedrijf dat het octrooi aanvraagt. Deze afspraken dienen contractueel te wor-
   den vastgelegd. In ieder geval dient de periode waarvoor eventueel geheimhou-
   ding geldt, beperkt te blijven, bijvoorbeeld tot maximaal één jaar.
   14 Wat betekent dat octrooieren geen geschikt instrument is wanneer geheimhouding is geboden.
   15 In de praktijk kan het echter lastig zijn de grens tussen benutting ten behoeve van wetenschappelijke
      doeleinden en ten behoeve van commerciële benutting precies aan te geven. Men denke aan een uni-
      versitaire vakgroep die wel eens contractonderzoek doet voor bedrijf A en tegelijkertijd meer funda-
      menteel onderzoek doet op hetzelfde inhoudelijke terrein. Deze vakgroep kan - ook voor zijn eerste-
      geldstroomonderzoek - beticht worden van inbreuk op een octrooi van bedrijf B. Het is in dit geval
      immers lastig precies te onderscheiden welke kennis waarvoor wordt aangewend.
   16 Publiceren in de prioriteitsperiode kan echter wel de mogelijkheid beperken om de octrooiaanvraag
      nog aan te passen. Men zal van geval tot geval moeten bezien wat verstandig is.
31 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>   Literatuur
   Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (1995): Exploitatie van
      universitaire kennis, AWT-advies nr. 19.
   Arundel, A., B. Lehman, W. Fisher lll, D. Foray, A. Rahman and M. van der Steen
      (2001): Industrial Property, Innovation and the Knowledge-based Economy.
      Beleidsstudies Technologie Economie, Ministerie van Economische Zaken.
   Branscomb, L.M., F. Kodama and R. Florida (1999): Industrializing Knowledge:
      University-Industry Linkages in Japan and the United States. MIT Press.
   Bureau voor de Industriële Eigendom (1998): Octrooiverlening.
   Bureau voor de Industriële Eigendom (2000): Octrooi-informatie zoeken via
      Internet.
   Bureau voor de Industriële Eigendom (2000): Jaarbericht 1999.
   Cowan, R. and E. Harison (2001): Intellectual Property Rights in a Knowledge-
      Based Economy. AWT-Achtergrondstudie 21.
   Cowan, R. and E. Harison (2001): Protecting the digital endeavour: prospects of
      intellectual property rights in the information society. AWT-Achtergrondstudie
      22.
   Cowan, R., L. Soete and O. Tchervonnaya (2001): Knowledge transfer and the
      services sector in the context of the new economy. AWT-werkdocument.
   Excellence and Opportunity. A science and innovation policy for the 21st century
      (2000). Department of Trade and Industry, United Kingdom
   Ganz-Brown C. (1999): Patent policies to fine tune commercialization of govern-
      ment-sponsored university research. In: Science and Public Policy, December
      1999.
   (The) Government's Response to the Baker Report: "Creating Knowledge,
      Creating Wealth" : Realising the economic potential of Public Sector Research
      Establishments (2000). Office of Science and Technology/HM Treasury, United
      Kingdom.
   Innovatie in een kenniseconomie (2000). Mededeling van de Europese
      Commissie, Brussel, 20/09/2000, COM 567.
   Kash, D.E. and W. Kingston (2001): Patents in a world of complex technologies.
      In: Science and Public Policy, February 2001.
   Kennis en economie 2000. Onderzoek en innovatie in Nederland (2000). CBS.
   Kennishandelbeleid STW.(1993). STW-notitie 10 18-1/2.
33 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>   Kneller, R. (1999): Intellectual property rights and university-industry technology
       transfer in Japan. In: Science and Public Policy, April 1999.
   Naar een Europese onderzoeksruimte (2000). Mededeling van de Europese
       Commissie. Brussel, 18/01/2000, COM 06.
   Octrooibeleid in samenhang met het technologie- en industriebeleid. Ministerie
       van Economische Zaken (1997/1998), Tweede Kamer, 23732, nrs. 2-4.
   Patel, C.K.N. (2000): Industry-Science Interface: Are there successful models?
       Bijdrage aan de Joint-German OECD Conference Benchmarking Industry-
       Science Relationships. October 16-17, Berlijn.
   Planqué, K. (2000): Het economisch nut van technologieoverdracht. In:
       Technieuws, nr. 6, 26-10-2000.
   Public Investments in University Research: Reaping the Benefits (1999). Report of
       the Expert Panel on the Commercialization of University Research. Presented to
       the Prime Minister's Advisory Council on Science and Technology (Canada).
   Rappert, B. & A. Webster (1997): Regimes of ordering: the commercialisation of
       intellectual property in industrial-academic collaborations. In: Technology
       Analysis and Strategic Management, 9 (2), pp. 115-130.
   Ruimte voor Industriële vernieuwing (1999) Ministerie van Economische Zaken.
   Strategic Dimensions of Intellectual Property Rights in the context of Science and
       Technology Policy. ETAN Working Paper (1999). Prepared by an independent
       ETAN Expert Working Group for the European Commission. (ETAN: European
       Technology Assessment Network).
   Tijssen, R.J.W. (CWTS, 2000): Nederlandse wetenschap als kennisbron voor
       industriële uitvindingen. Trendanalyse van verwijzingen in octrooien naar
       Nederlandse wetenschappelijke artikelen. Rapport voor het ministerie van
       Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
   Technology transfer: the US experience (1999). Report of a CVCP mission funded
       by the Gatsby Charitable Foundation. (CVCP: Committee of Vice-Chancellors
       and Principals of the Universities of the United Kingdom).
   Het universitair kennisbeschermings- en exploitatiebeleid. (1998) SEO-rapport
       voor het ministerie van Economische Zaken
   Vergeet de inkomsten uit octrooien. Interview met Marjan Konings (STW). In:
       Onderzoek Nederland, 30 maart 2001.
   Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren 2000. (2000) Nederlands bservatorium
       van Wetenschap en Technologie (CWTS en MERIT). Rapport in opdracht van
       het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
34 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>   BIJLAGEN
   Bijlage 1
             Adviesvraag, zoals opgenomen in het AWT-
             werkprogramma 2000
   "Bescherming en toegankelijkheid van kennis spelen een steeds belangrijkere rol
   bij het optimaal functioneren van de kennisinfrastructuur. Ook moet de
   kennisinfrastructuur toegankelijk blijven voor minder draagkrachtige groepen.
   Vooral in samenwerkingsverbanden tussen bedrijven en instellingen moet het
   intellectueel eigendomsrecht goed geregeld zijn. Hoe is dit geregeld in een
   aantal ons omringende landen? Welke aanbevelingen kan de AWT doen vanuit
   een best practice optiek?"
35 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>   Bijlage 2:
             Begripsbepaling, octrooien en hun functie 1
   Octrooien behoren tot de intellectuele eigendomsrechten
   Octrooirechten vormen een deelverzameling van de intellectuele eigendomsrech-
   ten, zoals tabel 1 illustreert.
   Intellectuele eigendomsrechten                                                    Werkingsgebied
   Auteursrecht                                                          Werken van letterkunde,
                                                                             kunst en wetenschap
   Industriële eigendomsrechten:
   - Octrooirecht                                               Nieuwe producten of processen
   - Merkenrecht                                                          Woord- of beeldmerken
   - Tekeningen- of modellenrecht                       Het uiterlijk van een gebruiksvoorwerp
   - Kwekersrecht                                                                            Gewassen
   - Topografieën van halfgeleiderproducten                                                      ‘Chips’
   Tabel 1: intellectuele eigendomsrechten
   Een uitvinding moet aan drie inhoudelijke eisen voldoen om voor octrooiverlening
   in aanmerking te komen:
   .   'nieuwheid': het product of proces mag voor de datum van indiening nergens
       ter wereld openbaar bekend gemaakt zijn;
   .   'inventiviteit': de vinding mag niet voor de hand liggen;
   .   'industriële toepasbaarheid': de uitvinding moet betrekking hebben op een
       technisch aantoonbaar functionerend product of productieproces.
   Een octrooi kan wereldwijd worden aangevraagd, voor Europa of voor één of
   meerdere landen. De PCT-procedure maakt het mogelijk om via één procedure
   voor meerdere landen tegelijk een octrooi aan te vragen en pas in een later
   stadium te beslissen voor welke landen het octrooi moet gaan gelden. Dit heeft
   verschillende voordelen: de aanvrager heeft meer tijd om de vinding verder te
   ontwikkelen of er een gebruiker voor te vinden, er kan beter onderzocht worden
   voor welke landen het de moeite waard is een octrooi aan te vragen en men kan
   met één procedure volstaan. 'PCT' staat voor Patent Cooperation Treaty, een
   verdrag dat door meer dan honderd landen is ondertekend. Coördinator ervan is
   de World Intellectual Property Organisation (WIPO) in Genève. In Nederland
   worden PCT-aanvragen ingediend bij het Bureau voor de Industriële Eigendom of
   1 Deze paragraaf is voornamelijk gebaseerd op informatie van het Bureau voor de Industriële Eigendom.
      Zie www.bie.minez.nl
36 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>   het Europees Octrooibureau.
   Functie van octrooien: bescherming in combinatie met openbaarmaking
   Een octrooi is een recht waarmee de octrooihouder - degene die het octrooi heeft
   ontvangen - zich een tijdelijk, exclusief gebruiksrecht verschaft. De octrooihouder
   kan een ander verbieden te produceren of te verkopen wat door zijn octrooi wordt
   beschermd. Maar de octrooihouder heeft in de vorm van licentieverlening ook de
   mogelijkheid om anderen toe te staan de vinding (al dan niet tegen betaling) toe
   te passen, te produceren of te verkopen.
   Het octrooisysteem is een ruilsysteem; in ruil voor de bescherming van een vin-
   ding wordt deze openbaar. Octrooien hebben daarmee een meerledige functie:
   .   bieden van bescherming tegen ongewenst kopiëren;
   .   als inspiratiebron: bij het voortborduren op eerdere vindingen en het opdoen
       van nieuwe ideeën; en
   .   als informatiebron: om te kunnen onderzoeken welke kennis reeds bestaat,
       door wie deze is ontwikkeld en of er octrooirechten op berusten.
   Wanneer op een vinding octrooi is verleend, is nog geen sprake van kennis-
   benutting. Daarvan is pas sprake wanneer er een partij is die investeert in de
   verdere ontwikkeling van de vinding. Dit gebeurt niet altijd. Octrooien worden
   soms ook puur defensief gebruikt, voor de bescherming van marktposities. De
   octrooihouder is dan niet voornemens de vinding verder te ontwikkelen, noch om
   licenties te verlenen. Hij verhindert alleen anderen om bepaalde paden in te slaan.
   Functie van een octrooi is niet zozeer het afschermen van de kennis die aan een
   vinding ten grondslag ligt, als wel het beschermen van de investeringen die nodig
   zijn voor de verdere ontwikkeling van de vinding, tot en met de marktintroductie
   van een nieuw product. Deze investeringen zijn vrijwel altijd een veelvoud van de
   kosten verbonden aan de totstandkoming van de vinding. Veelal wordt hiervoor
   een 1-10-100-vuistregel2 gehanteerd: de kosten van de productontwikkeling zijn
   gemiddeld tien keer die van (fundamenteel) onderzoek en het verkrijgen van
   octrooirechten of licenties; de kosten van marktintroductie zijn vervolgens
   gemiddeld tien keer die van productontwikkeling.
   2 Bron: 'Industry-Science Interface: Are there successful models?', C.K.N. Patel (2000).
37 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>   Kosten verbonden aan het octrooieren
   Drie soorten kosten kunnen worden onderscheiden:
   .  De kosten van de octrooiaanvraag. Het aanvragen van een octrooi in
      Nederland kost slechts ƒ200,-. Hiermee kan doorgaans niet worden volstaan.
      Vrijwel altijd moet ook voor andere landen octrooi worden aangevraagd en
      moet er enig voorwerk worden verricht (zoals het laten doen van een nieuw-
      heidsonderzoek) waarvoor veelal een octrooigemachtigde wordt ingeschakeld.
      Schattingen van de totale kosten van een octrooiaanvraag, inclusief het inscha-
      kelen van een octrooigemachtigde en het laten verrichten van een nieuw-
      heidsonderzoek, lopen uiteen van acht- tot tienduizend gulden voor een
      Nederlands octrooi tot enkele tienduizenden guldens voor een Europees
      octrooi waarin een aantal landen is aangewezen;
   .  De kosten van instandhouding van een octrooi. Nadat een octrooi is toegekend
      moeten ieder jaar en voor ieder land waar het octrooi aanhangig is gemaakt
      'taxen' worden betaald voor de instandhouding van het octrooi;
   .  Eventuele kosten verbonden aan het aanvechten van inbreuk op een octrooi.
      Het aanhangig maken van een octrooizaak kost in Nederland gemiddeld
      ƒ75.000,-, in de Verenigde Staten kost een dergelijke procedure snel ca. een
      half miljoen gulden en meer.
   Conclusie
   Een octrooi is een economisch instrument: het biedt bescherming in ruil voor
   openbaarheid. Met het aanvragen, instandhouden en beschermen van een
   octrooi zijn - soms zeer forse - bedragen gemoeid. Octrooieren is dan ook alleen
   interessant en relevant als een octrooi vervolgens economisch geëxploiteerd kan
   worden.
38 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>   Bijlage 3
               Het octrooieren door publieke kennisinstel-
               lingen in een aantal andere landen
   Inleiding
   Deze bijlage bevat schetsen van het beleid in de Verenigde Staten, Japan, Canada
   en het Verenigd Koninkrijk m.b.t. het octrooieren vanuit publieke kennisinstellin-
   gen. Na elke schets worden de overeenkomsten en verschillen met kort aangege-
   ven met hetgeen de AWT voor Nederland voor ogen heeft.
       Kenmerkend voor de Verenigde Staten is de zakelijke, heldere aanpak. Japan
   valt op door de vele contacten tussen onderzoekers en bedrijven en door de naar
   verhouding grote omvang van het grijze circuit. Canada maakt vooral zeer helder
   onderscheid tussen het doel en de middelen. Het Verenigd Koninkrijk onder-
   scheidt zich door de wens om intellectuele eigendomsrechten op publiek
   bekostigd onderzoek ook financieel te willen uitbaten.
   Verenigde Staten
   Schets1
   In de Verenigde Staten is in 1980 de Bayh-Dole Act in werking getreden. Deze wet
   regelt dat intellectuele eigendomsrechten van publiek bekostigd onderzoek bij de
   kennisinstellingen terecht komen en niet meer, zoals tot dan toe gebruikelijk was,
   bij de overheid die het onderzoek bekostigt. In ruil voor de nieuw verworven rech-
   ten hebben de instellingen de plicht om het intellectuele eigendom zo goed
   mogelijk te exploiteren en de universitaire onderzoekers zijn thans verplicht om
   octrooieerbare kennis aan hun werkgevers te melden. Voorop stond 'het bevor-
   deren van technologietransfer door middel van commerciële exploitatie van
   publiek bekostigde kennis', als onderdeel van de maatschappelijke taak van de
   instellingen. Het primaire doel was 'rijkdom creëren voor de gemeenschap', niet
   het verwerven van zoveel mogelijk inkomsten voor de instellingen zelf.
   De gebruikelijke gang van zaken in de VS is dat de kennisinstellingen de octrooi-
   en zelf aanvragen en exploiteren in de zin van licenties verlenen. Het beleid is er
   1 Gebaseerd op Technology transfer, the US experience; CVCP-report,1999 en Branscomb et al (1999):
      Industrializing Knowledge: University-Industry Linkages in Japan and the United States. MIT Press.
39 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   niet op gericht om de octrooien aan bedrijven over te dragen. Voor dit uitgangs-
   punt worden twee argumenten aangevoerd: 1.) de overheid moet onder alle
   omstandigheden gratis gebruik kunnen maken van de betreffende kennis; 2.) de
   intellectuele eigendomsrechten van publiek bekostigde kennis mogen niet bij bui-
   tenlandse bedrijven terecht komen. Er worden wel exclusieve licenties verleend,
   zowel aan bestaande bedrijven als aan start ups vanuit de universiteiten.
   Amerikaanse universiteiten, ook de publiek bekostigde, gaan het ondernemerspad
   op, doordat ze de exploitatie van octrooien zelf ter hand nemen en daarbij naar
   winst streven. Ze combineren het doel van technologietransfer met dat van zoveel
   mogelijk inkomsten verwerven voor de instelling. Sommigen zijn daarin heel suc-
   cesvol. Hierbij speelt de schaal uiteraard een rol, veel Amerikaanse universiteiten,
   zeker de top-universiteiten, zijn vele keren groter dan de Nederlandse, waardoor
   het naar verhouding gemakkelijker is een aantrekkelijke octrooiportefeuille op te
   bouwen.
   Het feit dat de universiteiten zich niet beperken tot het scheppen van voor-
   waarden voor commerciële exploitatie van octrooien, maar dit zelf ter hand
   nemen, lijkt niet tot gevolg te hebben dat het onderscheid tussen publiek en pri-
   vaat vervaagt: de Amerikaanse praktijk wordt gekenmerkt door een sterke gericht-
   heid op het voorkómen van belangenverstrengeling, en een grote helderheid wat
   betreft de verdeling van verantwoordelijkheden, de procedures die moeten wor-
   den gevolgd, ieders aandeel in de opbrengsten etc. (zie het genoemde CVCP-rap-
   port).
   De meningen over de effectiviteit van de Bayh-Dole Act lopen uiteen. Sommige
   auteurs stellen dat niet kan worden aangetoond dat de wet tot een hogere benut-
   ting van publiek bekostigde kennis heeft geleid2 .Andere stellen dat een bepaalde
   aanloopperiode nodig was en dat de wet nu z'n vruchten begint af te werpen.
   Volgens de AUTM, de Amerikaanse Association of Universitary Technology
   Managers, een vereniging die jaarlijks het universitaire octrooibeleid onderzoekt,
   resulteerden universitaire licenties in 1998 in 385 nieuwe producten en 364 nieu-
   we bedrijven. Geschat werd dat de bijdrage aan de Amerikaanse economie in dat
   jaar 33,5 miljard dollar bedroeg, wat overeen zou komen met 280.000 banen.
   2 Mowery et al in Industrializing Knowledge (zie boven); B. Rappert en A. Webster (1997): Regimes of
      ordering: the commercialisation of intellectual property in industrial-academic collaborations. In:
      Technology Analysis and Strategic Management, 9 (2), pp. 115-130.
40 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>   De universitaire inkomsten uit licenties namen in 1998 toe met 18% tot 725 mil-
   joen dollar. 3 Deze gegevens zijn overigens inclusief de private universiteiten en
   omvatten ook het derdegeldstroomonderzoek dat de overheid aanbesteed bij uni-
   versiteiten.
   Overeenkomsten en verschillen
   De Amerikaanse universiteiten stellen zich mede ten doel om zoveel mogelijk
   inkomsten te verwerven uit licentieverlening. De AWT vindt het niet wenselijk om
   dit als doel te hanteren, primair gaat het om de bevordering van de benutting van
   kennis. De universiteiten kunnen zich volgens de Raad daarom het beste richten
   op het scheppen van voorwaarden voor de exploitatie van octrooien en het
   exploiteren zelf zoveel mogelijk aan bedrijven overlaten. In de praktijk komt dit
   neer op het zo goed mogelijk overdragen van (opties op) octrooirechten. De Raad
   wil hiermee voorkomen dat het verwerven van extra inkomsten indirect toch de
   drijfveer achter het universitaire octrooibeleid wordt.
   De Raad merkt op dat de macro-economische effecten niet minder behoeven te
   zijn in het door hem voorgestane model; integendeel de kans dat er iets met de
   betreffende octrooien gebeurt neemt toe wanneer het octrooieren door bedrijven
   gebeurt. De resulterende inkomsten voor de universiteiten zijn niet het eerste aan-
   dachtspunt van de AWT, maar uiteindelijk behoeven ook die niet substantieel min-
   der te zijn. De AWT pleit immers voor faire vergoedingen voor (opties op) octrooi-
   rechten. De hoogte daarvan wordt grotendeels bepaald door het vermogen om
   octrooieerbare kennis goed op waarde te schatten, en door de onderhandelings-
   vaardigheid die men vervolgens aan de dag weet te leggen.
   Japan
   Schets4
   In Japan worden intellectuele eigendomsrechten van publiek bekostigd onderzoek
   op vrij grote schaal via een grijs circuit aan bedrijven overgedragen. Dit is het
   gevolg van het fenomeen van de 'nationale vinding'. Hieronder wordt eerst de for-
   mele route beschreven voor het octrooieren van 'nationale vindingen', daarna de
   3 Het economisch nut van technologieoverdracht, door Kees Planqué, TWA te Washington.
     In: Technieuws nr. 6, 26-10-2000.
   4 Gebaseerd op R. Kneller: Intellectual property rights and university-industry technology transfer in
      Japan. In: Science and Public Policy, april 1999. En: Branscomb et al (1999): Industrializing Knowledge:
     University-Industry Linkages in Japan and the United States.
41 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   uitweg die veelal in de praktijk wordt gevolgd: die van het onderhands overdra-
   gen van octrooieerbare onderzoeksresultaten aan bedrijven.
   Elke octrooieerbare vinding moet in Japan door een universitaire commissie wor-
   den beoordeeld om te bezien of het een 'nationale vinding' is. Wanneer dit het
   geval is, vallen de intellectuele eigendomsrechten toe aan het ministerie van
   Onderwijs, Wetenschap, Sport en Cultuur (Monbusho). De nationale universitei-
   ten, waar het merendeel van het onderzoek geschiedt, zijn onderdeel van dit
   ministerie. Octrooien op nationale vindingen worden aangevraagd door de Japan
   Society for the Promotion of Science (JSPS), een aan het Monbusho gelieerde
   organisatie. Licentieverlening geschiedt daarna door de Japan Science and
   Technology Corporation (JST), een organisatie die aan het Science and
   Technology Agency is gelieerd. Het Japanse beleid is erop gericht om zo weinig
   mogelijk exclusieve licenties te verlenen ('national inventions belong to the public
   and should be made available non-exclusively to whomever wishes to use them').
   De opbrengsten van de licentieverlening komen in een fonds terecht dat wordt
   beheerd door het ministerie van Financiën. Universiteiten en individuele onder-
   zoekers delen niet in de opbrengsten.
   Dit systeem stimuleert onderzoekers niet om octrooieerbare vindingen te melden.
   Het bevordert het onderhands doorspelen van commercieel interessante vindin-
   gen aan bedrijven, met name aan die bedrijven waarmee men relaties onder-
   houdt. Vaak zijn dit bedrijven die het onderzoek financieel steunen. Deze bedrij-
   ven vragen dan de octrooien aan. Deze route wordt in Japan op grote schaal
   gevolgd. 5 Een en ander gebeurt ongedocumenteerd, er wordt niets op papier
   vastgelegd. De bedrijven verplichten zich niet tot het actief gebruiken van de
   octrooien, noch tot het betalen van een faire prijs. Vaak is wel sprake van vrijwil-
   lige vergoedingen, zoals donaties aan onderzoekslaboratoria (tot voor kort fiscaal
   aftrekbaar), stageplaatsen bij de bedrijven, consultancy-opdrachten, het gebruik
   van bepaalde apparatuur, etc. Vaak komen de studenten ook bij de betreffende
   bedrijven te werken, 'life time employment' zorgt vervolgens voor extra commit-
   ment.
   Er bestaan in Japan, mede dankzij dit grijze circuit, veel contacten tussen onder-
   5 Hiervan bestaat geen statistiek, wel zijn er steekproeven die een indicatie geven van de schaal waarop
     dit gebeurt. Kneller refereert naar een onderzoek van de Nikkei Industrial Times van 1997. Daaruit blijkt
     dat twee met name genoemde universiteiten over een periode van 5 jaar 88 tot 94% van de univeri
     taire vindingen informeel aan bedrijven overdroegen. In termen van kennisoverdracht een prima score,
     maar het 'informele' karakter ervan roept vragen op naar de verhouding tussen markt en overheid.
42 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>   zoekers en bedrijven. Er wordt ook veel geoctrooieerd op basis van universitaire
   kennis. Dat is allemaal positief. Nadelen schuilen in de ondoorzichtige effectiviteit
   in termen van kennisbenutting en de scheve concurrentie door het selectief
   bevoordelen van bepaalde bedrijven. Het belangrijkste is dat het grijze circuit
   geen waarborgen biedt tegen defensief gebruik. De bedrijven worden op geen
   enkele wijze gestimuleerd om de octrooien daadwerkelijk te benutten. Defensief
   gebruik van octrooien, ook van octrooien die vanuit de universiteiten tot stand
   komen, is in Japan een groot probleem. Uit een onderzoek van het Japanse
   Octrooibureau in 1998 bleek dat tweederde van de technologieën waarvoor
   Japanse bedrijven octrooien toegekend hadden gekregen, niet verder ontwikkeld
   was en dat daarop evenmin licenties waren verleend.
   In 1998 is wetgeving tot stand gekomen om tot een betere benutting van publiek
   bekostigde kennis te komen. Op initiatief van het MITI en het Monbusho kwam
   een 'Technology Transfer Law' tot stand. Deze wet laat het fenomeen van de
   'nationale vinding', de belangrijkste belemmering voor succesvolle technologie-
   overdracht, echter ongemoeid. De wet staat universiteiten toe om zelfstandige -
   bureaus voor technologietransfer (TTO's) in het leven roepen, die - naast andere
   transferactiviteiten - ook octrooien kunnen aanvragen en licenties kunnen verle-
   nen, zonder dat de inkomsten daarvan behoeven te worden afgedragen aan de
   rijksoverheid. Dit geldt alleen voor de niet-nationale vindingen. Universitaire
   onderzoekers kunnen nu kiezen of ze met hun octrooieerbare vindingen naar deze
   TTO's gaan of naar een bedrijf. De verwachting van sceptici is dat ze met de com-
   mercieel minder interessante vindingen naar de TTO's zullen gaan en met de veel-
   belovende naar die bedrijven waarmee ze relaties onderhouden. Sommige van
   deze TTO's hebben een winstoogmerk, andere niet. Ze kampen allemaal met
   financiële problemen, ondanks een subsidie van het MITI. Ze proberen hun finan-
   ciën gezond te maken door de introductie van systemen van betaald lidmaat-
   schap voor (lokale) bedrijven en voor banken.
   Overeenkomsten en verschillen
   De auteur van het artikel waarop het bovenstaande is gebaseerd, R. Kneller, sug-
   gereert dat de beste oplossing voor Japan zou zijn geweest het formaliseren en
   meer transparant maken van de tot dan toe gebruikelijke, onderhandse praktijk.
   Het sterke punt daarvan was de veelheid aan contacten tussen onderzoekers en
   bedrijven. Het formaliseren van die praktijk zou inhouden dat de onderzoekers
   moeten gaan onderhandelen over de financiële en andere voorwaarden waaron-
   der (opties op) intellectuele eigendomsrechten aan bedrijven worden overgedra-
   gen. Dit is feitelijk wat de AWT voor Nederland voorstaat: het octrooieren zoveel
43 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   mogelijk aan bedrijven overlaten, zoals in Japan gebruikelijk is, maar daarbij wel
   de Amerikaanse zakelijkheid toepassen, d.w.z. een faire prijs bedingen voor exclu-
   sieve gebruiksrechten, en ook anderszins goede voorwaarden overeenkomen, met
   name m.b.t. daadwerkelijk gebruik van de octrooien en het zo weinig mogelijk
   belemmeren van de toegankelijkheid van kennis. Kneller wijst er overigens op dat
   onderhandelen in Japan onbeleefd wordt gevonden, het doorbreekt het zo
   belangrijke principe van 'dienst en wederdienst'.
   Canada
   Schets6
   Canada kent tot dusver geen nationaal beleid m.b.t. het octrooieren door univer-
   siteiten. Elke universiteit heeft z'n eigen praktijk ontwikkeld. Er zijn met name
   grote verschillen wat betreft de partijen aan wie het intellectueel eigendom toe-
   valt. Soms zijn het de onderzoekers die hierop aanspraak kunnen maken, soms de
   instelling zelf, soms de opdrachtgevers/financiers van onderzoek, soms een com-
   binatie van deze partijen. In 1998 is een Expert Panel ingesteld om te adviseren
   over beleid m.b.t. de 'commercialisering van universitair onderzoek'. Aanleiding
   was de constatering dat Canada achterbleef bij de VS wat betreft de benutting
   van publiek bekostigd onderzoek. Dit Expert Panel heeft in 1999 een rapport uit-
   gebracht, waarna Industry Canada, het verantwoordelijke ministerie, 'public con-
   sultations' heeft georganiseerd. Hierna worden de aanbevelingen van het Expert
   Panel weergegeven. Voorzover de AWT bekend, zijn deze aanbevelingen nog niet
   in beleid omgezet.
       "In order for researchers to qualify for federal research funding and universi-
       ties to qualify for commercialization support, universities (and their affiliated
       research hospitals and research centres) should be required to adopt policies
       consistent with the principles set out below:
   1. Universities (and their affiliated organizations) must recognize the impor-
       tance of research-based innovation as a mainstream activity by identifying
       "innovation" as their fourth mission, in addition to teaching, research and
       community service; alternatively, they might explicitly identify innovation as
       an element of the three missions, as appropriate.
   6 Gebaseerd op Public Investments in University Research: Reaping the Benefits. Report of the Expert
     Panel on the Commercialization of University Research. Presented to the Prime Minister's Advisory
     Council on Science and Technology, Canada, 1999.
44 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>   2. All IP with commercial potential (excluding books and journal articles) that
      was supported in whole or in part with federal funding, must be promptly
      disclosed by the researcher to the university. Researchers who do not com-
      ply will be denied access to future federal research funding.
   3. All IP with commercial potential (excluding books and journal articles) that
      was supported in whole or in part with federal funding, must be disclosed
      annually by the university to the federal government, provided that such
      information is not subject to the Access to Information Act.
   4. All IP created from research that was supported in any part by federal fun-
      ding is owned either by the university or by the researcher(s) who created
      it. In those universities where the ownership of such IP resides with the rese-
      archer(s), the IP must be assigned to the university for possible commercia-
      lization (subject to appropriate sharing of benefits - see item 9).
   5. Universities (and their affiliated organizations) must make reasonable efforts
      to commercialize IP that they have found to have innovative potential. They
      must make reasonable efforts to maximize the benefits to Canada by deplo-
      ying IP in the interest of generating increased wealth for Canada.
   6. Universities can assign IP back to the creator under the following conditions:
      when the university has decided not to pursue commercialization; when the
      university has been unsuccessful in commercializing the discovery within a
      reasonable time frame; or when the university and the IP creator both agree
      that the creator can maximize benefits to Canada without undue conflict of
      interest.
   7. Universities can assign IP to firms when this is considered necessary to ensu-
      re the success of the innovation.
   8. Universities can assign IP to NCEs, affiliated research hospitals and affiliated
      research institutes when the university and the assignee both agree that the
      assignee can maximize benefits to Canada without undue conflict of inte-
      rest.
   9. Universities (and their affiliated organizations) must provide incentives to
      encourage their faculty, staff and students engaged in research to create IP.
      These incentives must include appropriate sharing of net benefits from suc-
      cessful commercial undertakings whether in the form of equity or licensing
      income. These incentives must also include appropriate recognition of inno-
      vative researchers in tenure and promotion policies.
   10.Universities (and their affiliated organizations) will encourage the participa-
      tion of small and medium-sized enterprises and, where appropriate, support
      the creation of spin-off companies in commercializing publicly funded rese-
      arch. Small businesses, including local spin-off companies, will be given pri-
45 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>      ority to license innovations, dependent on finding appropriate businesses
      and equitable terms.
   11.Universities (and their affiliated organizations) must make reasonable efforts
      to license or assign innovations locally or nationally. Whenever possible,
      licensing should be to a Canadian company or a Canadian subsidiary of a
      foreign company. Commitments to Canadian value-added must be obtai-
      ned when foreign licensing is the only feasible route.
   12.The university must designate a senior officer responsible for innovation ari-
      sing from its research, and establish an organizational capacity to carry out
      its innovation function."
   Overeenkomsten en verschillen
   De belangrijkste overeenkomst met wat de AWT voor Nederland voorstaat, is dat
   het 'leveren van een bijdrage aan innovatie' nadrukkelijk als publieke taak van de
   universiteiten wordt gedefinieerd. Hoewel de aanbevelingen van het Expert Panel
   veel ruimte creëren voor de mogelijkheid van overdracht van universitaire octrooi-
   en aan bedrijven, gaan ze uit van een 'normale' situatie waarin de universiteiten
   zelf octrooieren. Dat is een belangrijk verschil met hetgeen de AWT adviseert.
   Een ander verschil is de meldingsplicht voor octrooieerbare onderzoeksresultaten.
   De AWT geeft de voorkeur aan positieve instrumenten als het erom gaat onder-
   zoekers te stimuleren alert te zijn op economisch waardevolle onderzoeksresulta-
   ten en daarvoor gebruikers te zoeken: liever de wortel dan de stok. Het meewe-
   gen van een actieve opstelling bij beoordelingen en visitaties, een aandeel in de
   revenuen, andere blijken van waardering, dat is het type instrumenten dat hierbij
   past. Uiteindelijk gaat het erom een meer op de buitenwereld gerichte cultuur tot
   stand te brengen. Die kan niet worden afgedwongen.
46 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>   Verenigd Koninkrijk
   Schets7
   Het Engelse overheidsbeleid richt zich hoofdzakelijk op de onderzoekslaboratoria
   van de ministeries. Deze zouden ondernemender moeten worden om een grote-
   re bijdrage aan de samenleving te kunnen leveren. Het Engelse beleid is erop
   gericht om deze laboratoria grotere financiële zelfstandigheid te geven en tevens
   om ze in de gelegenheid te stellen om intellectuele eigendomsrechten te exploi-
   teren.
   Tot dusver vielen de intellectuele eigendomsrechten toe aan de opdrachtgevende
   ministeries. Er is een budget van 10 miljoen pond beschikbaar gesteld om de
   onderzoekslaboratoria te ondersteunen bij het opzetten van beleid op dit gebied.
   De laboratoria worden aangemoedigd om zoveel mogelijk samen te werken met
   de industrie en met universiteiten, en om experts aan te nemen op het gebied van
   exploitatie van intellectueel eigendom. Er wordt met name met financiële prikkels
   gewerkt. Het ambtenarenreglement wordt bijvoorbeeld aangepast om de onder-
   zoekers mee te kunnen laten delen in de verwachte opbrengsten, waarbij o.a.
   wordt gedacht aan aandelen, opties en royalties. Er wordt in het Verenigd
   Koninkrijk volop ruimte geschapen voor het uitbaten van de financiële waarde van
   intellectueel eigendom gebaseerd op publiek bekostigd onderzoek.
   Overeenkomsten en verschillen
   Het eerste verschil is dat het Engelse overheidsbeleid nauwelijks betrekking heeft
   op de universiteiten. Het is met name gericht op overheidslaboratoria. Inhoudelijk
   wijkt het ook af van hetgeen de AWT voor Nederlandse universiteiten wenselijk
   acht. Men redeneert dat intellectuele eigendomsrechten in een kenniseconomie
   een grote financiële waarde vertegenwoordigen, die zoveel mogelijk te gelde
   moet worden gemaakt, ook als het om publiek bekostigd onderzoek gaat. Er
   wordt dus weinig onderscheid gemaakt tussen private en publieke doelen m.b.t.
   octrooieren. De AWT vindt dat bij het octrooieren in of vanuit de publieke sector
   het doel van intensievere benutting van onderzoek voorop moet staan, niet het
   uitbaten van de financiële waarde van intellectueel eigendom.
   7 Gebaseerd op Excellence and Opportunity, a science and innovation policy for the 21st century.
      Department of Trade and Industry, 2000; The Government's Response to the Baker Report: "Creating
      Knowledge, Creating Wealth:" Realising the economic potential of Public Sector Research
      Establishments. Office of Science and Technology / HM Treasury, 2000.
47 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   Bijlage 4
              Het uiteenlopend belang van octrooien
              voor diverse bedrijfssectoren en weten-
              schapsgebieden
   Er zijn grote verschillen tussen de bedrijfssectoren wat betreft het belang van
   octrooien voor innovatie, en als van octrooien gebruik gemaakt wordt, wat betreft
   de wijze van octrooieren. Het hiernavolgende heeft betrekking op kennisintensie-
   ve innovaties. In zijn algemeenheid geldt dat daarvoor octrooien nodig zijn, wan-
   neer de ontwikkelingskosten hoog zijn (de kosten om van vinding tot product te
   komen) en wanneer er in de betreffende sector potentiële free riders zijn (partijen
   die hetzelfde of een vergelijkbaar product op de markt kunnen brengen tegen veel
   lagere kosten). In grote lijnen is dit o.a. het geval in de consumentenelectronica,
   de fast moving consumer goods, de biotechnologie, de medische technologie en
   de farmacie.
   Er zijn sectoren die wel aan bovengenoemde kenmerken voldoen, maar waar des-
   ondanks niet of maar beperkt van octrooien gebruik wordt gemaakt. Vooral de
   ICT-sector springt er wat dit betreft uit. De snelle ontwikkeling van de informatie-
   en communicatietechnologie zelf en ook haar toepassingen, het netwerkkarakter
   ervan (elke nieuwe deelnemer verhoogt de waarde van het geheel), gecombi-
   neerd met het niet tastbaar zijn van de producten en de gemakkelijke reprodu-
   ceerbaarheid, maken dat octrooien voor deze sector niet relevant zijn. Er wordt
   soms wel gebruik gemaakt van het auteursrecht, maar de nieuwe economie moet
   het, zo wordt vaak gesteld, niet hebben van kennisbescherming, maar van het
   zoveel mogelijk verspreiden van kennis. 1
   Ook zijn er sectoren (b.v. de bulkchemie) waar de productieprocessen dusdanig
   uniek zijn dat ze een bedrijf een monopoliepositie kunnen bezorgen. Bij proces-
   vernieuwingen wordt dan vaker met geheimhouding gewerkt dan met octrooien,
   omdat octrooien de betreffende kennis openbaar zouden maken.
   Tenslotte zijn er sectoren waar octrooibare kennis überhaupt niet of nauwelijks
   van belang is. Zo wordt in de dienstensector - waar een steeds groter deel van het
   BNP wordt verdiend - maar beperkt van octrooien gebruik gemaakt. Dit heeft te
   1 Deze discussie is uitgewerkt in Intellectual Property Rights in a Knowledged-based Economy, R. Cowan
      and E. Harison (MERIT). AWT-Achtergrondstudie 21, Den Haag, 2001.
48 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>   maken met het bijzondere karakter van diensten: er komt nauwelijks formele R&D
   aan te pas, het betreft veelal geen tastbaar product, en productie en consumptie
   vinden vaak tegelijk plaats. Innovatie in de dienstensector vindt vooral plaats op
   basis van contacten met klanten en toeleveranciers.2 Voorzover in de dienstensec-
   tor van intellectuele eigendomsrechten gebruik wordt gemaakt, betreft het veelal
   de auteurswet en het merkenrecht. Dit zijn middelen voor de bescherming van
   creatieve werken en van beeldmerken. In Europa zijn door de eis van industriële
   toepasbaarheid octrooien op diensten formeel ook niet mogelijk, in de VS kunnen
   diensten (zoals 'business methods') wel geoctrooieerd worden.
   Het is, zo blijkt, niet eenvoudig om in algemene regels weer te geven wanneer
   octrooien wel en niet van belang zijn. Feitelijk moet daarbij ook nog onderscheid
   worden gemaakt tussen 'van belang zijn voor innovatie' (macro-niveau) en 'van
   belang zijn vanuit het perspectief van een afzonderlijk bedrijf' (micro-niveau). In
   het kader van dit advies is alleen het eerste van belang. W. Fisher heeft gepro-
   beerd hiervoor een aantal algemene regels te formuleren. 3
       "Intellectual property rights are most likely to foster innovation when the fol-
       lowing conditions converge in a particular industry: (a) high research-and-
       development costs; (b) a high degree of uncertainty concerning whether
       specific lines of research will prove fruitfull; (c) the content of technological
       advances can be ascertained easily by competitors through "reverse engin-
       eering"; and (d) technological advances can be mimicked by competitors
       rapidly and inexpensively."
       "The likelihood that intellectual-property rights will retard more than stimu-
       late innovation increases as more and more of the following factors obtain
       in a particular field: (a) trade-secret protection or lead-time advantages
       reduce the ability of competitors to take advantage of technological advan-
       ces; (b) innovation in the field tends to be highly cumulative; (c) researchers
       in the field are motivated primarily by nonmonetary incentives; (d) the field
       is characterized by strong network externalities."
   2 Zie Knowledge transfer and the services sector in the context of the new economy, R. Cowan, L. Soete &
      O. Tchervonnaya. AWT-Werkdocument, Den Haag, 2001.
   3 W. Fisher: Intellectual property and innovation, theoretical, empirical and historical perspectives. In:
      Industrial Property, Innovation and the Knowledge-based Economy, pp. 65.
49 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   Wat betreft de wijze waarop van octrooien gebruik gemaakt wordt, moet met
   name onderscheid worden gemaakt tussen het octrooieren bij discrete technolo-
   gieën, zoals vroeger meestal het geval was, en het octrooieren bij complexe tech-
   nologieën, zoals nu meestal aan de orde is.4 In het laatste geval zijn meerdere,
   soms tientallen, licenties nodig om een product te kunnen maken. Dit brengt een
   omvangrijke handel in licenties met zich mee, wat onder andere tot gevolg heeft
   dat de waarde van een octrooi steeds meer wordt bepaald door de ruilwaarde
   ervan, en tevens dat het handelen in licenties een zelfstandige economische acti-
   viteit wordt, vergelijkbaar met de handel in aandelen. Met name voor kleinere
   bedrijven ontstaan hierdoor toetredingsdrempels.
   Concluderende opmerking
   De werkelijkheid kent heel wat meer schakeringen dan in het bovenstaande is
   geschetst, maar de beschrijving maakt wel duidelijk dat er grote verschillen
   bestaan tussen de sectoren wat betreft het belang van octrooien voor innovatie.
   Binnen sectoren kunnen ook nog grote verschillen bestaan. Het is niet meer dan
   logisch dat deze verschillen hun weerspiegeling dienen te krijgen in het universi-
   taire beleid gericht op benutting van kennis. De activiteiten die in dat kader wor-
   den ondernomen, zullen op de behoeften van de gebruikers moeten worden
   afgestemd. Hoe dan ook: duidelijk is dat er veel wetenschapsgebieden zijn waar
   wel degelijk potentieel economisch waardevolle vindingen worden gedaan, terwijl
   er in de bedrijfssectoren die voor deze gebieden relevant zijn niet of maar zeer
   weinig geoctrooieerd wordt.
   4 D.E. Kash en W. Kingston (2001): Patents in a world of complex technologies. In: Science and Public
      Policy, February 2001.
50 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>   Bijlage 5
              Enige cijfermatige gegevens over octrooien
   Deze laatste bijlage bevat enkele cijfers m.b.t. de aantallen octrooien die jaarlijks
   worden aangevraagd, wereldwijd, in Europa en in Nederland, alsmede een over-
   zicht van de Nederlandse octrooien die door Nederlandse universiteiten worden
   aangevraagd.
   Om te beginnen enige faits divers:
   - Espacenet geeft toegang tot ongeveer 30 miljoen octrooien, dit benadert het
      aantal octrooien dat momenteel wereldwijd in werking is;
   - Wereldwijd worden jaarlijks ruim 600.000 octrooien aangevraagd volgens
      Derwents World Patent Index;1
   - Het Amerikaanse octrooibureau, de USPTO, neemt jaarlijks ongeveer 200.000
      octrooien voor zijn rekening;
   - Het Europees Octrooibureau behandelt jaarlijks ongeveer 80.000 octrooiaan-
      vragen;
   - Het Bureau voor de Industriële Eigendom (BIE), dat de octrooiaanvragen voor
      Nederland behandelt, heeft in 1999 3.051 aanvragen ontvangen. Dit is een
      stijging van 2% ten opzichte van 1998. Van deze aanvragen was ruim 83% van
      Nederlandse afkomst. In totaal zijn in 1999 door het BIE 2.965 octrooien ver-
      leend.2
   - Eind 1999 waren in Nederland 128.962 octrooien van kracht, waarvan bijna
      10% van Nederlandse afkomst.3 Octrooien van Nederlandse afkomst staan
      hiermee binnen Nederland op de vierde plaats, na die uit de Verenigde Staten,
      Duitsland en Japan;
   - In Europa werden in 1999 3504 octrooien aangevraagd door Nederlandse
      organisaties;4
   - In de top 10 van in Europa aangevraagde octrooien staat Philips op de eerste
      plaats met 1134 aanvragen. Philips beschikt over een portfolio van 65.000
      octrooien, in 2000 heeft Philips wereldwijd 2.100 octrooien gedeponeerd.5
   - Nederland heeft 26,8 high tech octrooien per miljoen inwoners, tegen 14,9
      voor de EU gemiddeld; 19,7 voor de VS en 9,4 voor Japan. De gunstige inter-
   1 Bron: Technisch Weekblad, nr.48, 2000
   2 Bron: Bureau I.E.
   3 Bron: idem
   4 Bron: Technisch Weekblad, nr.48, 2000
   5 Bron: NRC Handelsblad, zaterdag 10 maart 2001
51 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>       nationale positie van Nederland wat betreft aantallen high tech octrooien per
       miljoen inwoners wordt grotendeels door multinationals als Philips bepaald;6
   - Nederlandse universiteiten hebben in 1999 in Nederland 41 octrooien aange-
       vraagd    7
   Dit laatste aantal, de 41 universitaire octrooien, steekt op het eerste gezicht scha-
   mel af tegen de ruim 3000 in totaal aangevraagde octrooien in Nederland in het-
   zelfde jaar. De score van 41 universitaire octrooien in 1999 is ook geen uitzonde-
   ring, zoals onderstaande tabel laat zien. In de periode van 1990 tot 1999 werden
   door de universiteiten in totaal 223 octrooien aangevraagd in Nederland,
   gemiddeld 17 per jaar.
   TUD 90                  UU 19                 UvA 10                  UM 3                  WUR 1
   RUG 26                  UT 18                 KUN 8                   EUR 3                 KUB 0
   UL 24                   TUE 17                VU 4
   Tabel:        Octrooiaanvragen door universiteiten in de periode 1990-1999
                 (Bron: Onderzoek Nederland, 9 feb. 2001)
   De TU Delft springt eruit met 90 octrooien. Deze universiteit heeft geruime tijd
   een beleid gehad dat gericht was op het stimuleren van universitaire octrooien;
   octrooi-aanvragen werden met een premie beloond. Inmiddels heeft men dit
   beleid verlaten, maar in de BIE-top 15 van Nederlandse octrooi-indieners komt de
   TU Delft nog op de 10e plaats voor (en als enige universiteit).8
   De AWT vindt dat tabellen als de bovenstaande geen goed beeld geven van de
   prestaties van universiteiten op het gebied van kennisoverdracht en -benutting.
   Het gaat niet om de aantallen octrooien 'op de plank', maar om het gebruik dat
   ervan wordt gemaakt. Zeker zo belangrijk - zo niet veel belangrijker - dan het aan-
   tal universitaire octrooien is het wanneer in octrooien die aan bedrijven worden
   verleend universitaire co-uitvinders worden genoemd en wanneer octrooien
   verwijzingen bevatten naar Nederlands universitair onderzoek (de zogenaamde
   octrooicitaties). Dergelijke gegevens zijn helaas niet in ruime mate en systematisch
   6 Bron:Innovatie in een kenniseconomie. Mededelingen van de commissie van de Europese
      Gemeenschappen aan de Raad en het Europese Parlement, september 2000.
   7 Bron: Onderzoek Nederland, 9 februari 2001
   8 In de BIE-top 15 figureren wel andere publieke kennisinstellingen. Op de gedeelde 10e plaats staat STW
      met 15 octrooien. Van de technologische instituten scoort TNO op de 8e plaats het hoogst met 21
      octrooien, gevolgd door ATO-DLO dat met 10 octrooien de 15e plaats inneemt.
52 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>   voorhanden. 9
   Wel kan op basis van kleinschaliger onderzoek enig zicht verkregen worden. Het
   CWTS heeft in 2000 op grond van een beperkte steekproef vastgesteld dat bij
   ongeveer 10% van de bedrijfsoctrooien sprake was van samenwerking met een
   Nederlandse universiteit. 10 Uit hetzelfde onderzoek kwam naar voren dat 21% van
   technologische innovaties in belangrijke mate steunde op uitkomsten van publiek
   bekostigd onderzoek. Dit is het type gegevens wat een betere indicatie biedt van
   de bijdrage van de universiteiten aan innovatie. Helaas is de steekproef te beperkt
   om er harde conclusies aan te kunnen verbinden. Het laatst genoemde percenta-
   ge is volgens de onderzoekers relatief hoog, in de VS kwam men bij grootschali-
   ge studies op 10-15%. De hoge Nederlandse uitkomst zou mede worden veroor-
   zaakt door de aard van de steekproef: er is geselecteerd op onderzoeksafhankelijke
   octrooien.
   Conclusie
   Het aantal universitaire octrooien is gering. De AWT is van mening dat univer-
   siteiten niet gestimuleerd moeten worden tot méér octrooieren als zodanig. Een
   betere indicator voor de bijdrage van universiteiten aan octrooi-afhankelijke inno-
   vatie zijn de aantallen bedrijfsoctrooien waaraan universiteiten hebben meege-
   werkt. Dit wordt nu niet in voldoende mate in kaart gebracht.
   9 De Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren van het Nederlands Observatorium van Wetenschap en
      Technologie bevatten wel gegevens m.b.t. de bijdrage van Nederlandse onderzoekers aan Amerikaanse
     bedrijfsoctrooien, maar niet die aan Nederlandse en Europese bedrijfsoctrooien. Dit heeft deels te
     maken met verschillen in de octrooiwetgeving en de octrooipraktijk. In Nederlandse en Europese
      octrooienmoeten wel de universitaire co-uitvinders worden genoemd, maar ze bevatten in vergelijking
      met Amerikaanse octrooien weinig verwijzingen naar wetenschappelijk onderzoek. Dat bemoeilijkt
      grootschalig onderzoek. Uit de Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren 2000 blijkt dat tussen 1993
      en 1998 sprake was van een explosieve stijging - met een factor 4.5 - van verwijzingen naar
      Nederlands wetenschappelijk onderzoek in octrooien die door het Amerikaanse octrooibureau - de
      USPTO - waren toegekend. Een onderscheid naar publiek en privaat bekostigd onderzoek kon niet wor-
      den gemaakt. Het ging met name om vindingen en toepassingen van medische of farmaceutische
      aard, gebaseerd op de biomedische wetenschappen. Bron: Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren
      2000, p. 78-79.
   10Tijssen, R.J.W. (2000): Wetenschappelijk en technisch onderzoek als kennisbron voor uitvinding en
      innovaties: enquête onder Nederlandse uitvinders. CWTS-rapport voor het ministerie van OCenW. Ook
      Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren 2000, p. 76.
53 AWT-advies nr. 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>54 AWT-advies nr. 46</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>