<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>48KP6 laten werken
  Stimuleren Nederlandse deelname: profijt en beleid
  juni 2002
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  Inhoudsopgave
  I      Hoofdlijnen van het advies                                     5
  II     Toelichting                                                   11
         II.1 Inleiding                                                11
         II.2 Afwegingskader: kansen en bedreigingen KP6               15
         II.3 Praktijkinvulling: sterktes en zwaktes onderzoeksbestel  19
         II.4 Rol overheid: aanbevelingen langs drie lijnen            23
  Literatuur                                                           48
  Bijlagen                                                             41
         Bijlage 1: Adviesvraag ministeries van EZ en OCenW            41
         Bijlage 2: Totstandkoming advies                              42
         Bijlage 3: De Nederlandse deelname aan de Kaderprogramma’s in
                    cijfers                                            47
3 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                        I    Hoofdlijnen van het advies
                             Focus en vraagstelling advies
                             Dit advies handelt over het overheidsbeleid dat nodig is om Nederland succesvol te
                             laten deelnemen aan het 6e Kaderprogramma van de Europese Unie. De adviesvraag
                             van de ministers van EZ en OCenW richt zich op de consequenties van de nieuwe
                             instrumenten van KP6: de Networks of Excellence en de Integrated Projects. De AWT
                             meent dat deze adviesvraag beantwoord moet worden vanuit een bredere visie op het
                             belang van Nederlandse deelname aan KP6. Een strategisch afwegingskader is nodig.
                             Het gaat immers niet alleen om goed inspelen op KP6, maar mede om het
                             langere termijn Nederlandse beleid ten aanzien van internationalisering van onderzoek
                             en van onderzoeksbeleid. Daarom hanteert de AWT in dit advies een drieledige vraag-
                             stelling:
kansen en bedreigingen van   a. Wat zijn voor overheidsbeleid in Nederland belangrijke elementen in een strate-
                        KP6      gisch denkkader ten aanzien van internationalisering van onderzoek en het
                                 onderzoeksbeleid? Wat zijn in dit licht de kansen en bedreigingen van al dan niet
                                 effectieve deelname aan KP6?
 sterktes en zwaktes van het b. Hoe staan Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen ‘voorgesorteerd’ voor
            onderzoeksbestel     deelname aan KP6? Wat zijn sterktes en zwaktes van het Nederlandse onder-
                                 zoeksbestel bij deelname aan KP6 met zijn nieuwe instrumenten?
wat moet de overheid doen?   c. Welke maatregelen en acties van de overheid zijn gewenst ten behoeve van
                                 succesvolle Nederlandse deelname aan de nieuwe instrumenten van het 6e
                                 Kaderprogramma?
                             In Toelichting II.1 gaat de Raad nader in op de adviesvraag en de afbakening in
                             de vraagstelling, alsook op de context van de adviesvraag (het debat over de
                             toekomstige inrichting van het Europese onderzoek en de autonome trend tot
                             internationalisering in het onderzoek).
                             Afwegingskader: kansen en bedreigingen KP6
        Nationaal belang van De AWT is van mening dat het belang van deelname aan KP6 niet teveel _ en
           deelname aan KP6  zeker niet uitsluitend _ gemeten dient te worden in financiële termen, zoals het al
                           5 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>                       dan niet verkrijgen van juste retour. Belangrijker is de vraag waarin _ op langere
                       termijn _ kansen en bedreigingen schuilen van al dan niet deelnemen aan KP6.
                       Om die kansen en bedreigingen te kunnen benoemen, is een beoordelingskader
                       nodig: wat is het ‘nationaal belang’ van deelname aan KP6?
                       In algemene termen kan dit nationale belang omschreven worden als ‘bijdragen
                       aan welvaart en welzijn’. De AWT constateert dat in het W&T-veld twee uiteen-
                       lopende beelden en meningen bestaan hoe, via deelname aan KP6, dit belang het
                       beste gediend kan worden.
                       .   Een eerste benadering is om de nadruk te leggen op de inhoudelijke, thematische
                           aansluiting van KP6 programma’s en projecten bij innovatieprocessen in
                           Nederlandse bedrijven en instellingen. Naarmate die aansluiting beter is, is het
    kennis als product     Nederlands belang beter gediend. Anders gezegd: het gaat om ‘kennis als pro-
                           duct’, dat wat de programma’s inhoudelijk opleveren en wat als directe input kan
                           dienen voor innovatieprocessen en daarmee voor de concurrentiepositie van
                           Nederlandse bedrijven en instellingen.
                       .   Een tweede benadering is om de nadruk te leggen op de dynamiek, de snelheid en
                           deels de onvoorspelbaarheid van ontwikkelingen in economie, samenleving en
                           kennisontwikkeling. Hierdoor worden wendbaarheid en slagvaardigheid, het
                           omgaan met onzekerheden en het flexibel kunnen inspelen op ontwikkelingen, van
  kennis als vermogen      steeds groter belang. In deze visie gaat het minder om ‘het product kennis’ dan om
                           het ‘vermogen’ om nieuwe kennisontwikkelingen te doorgronden, daarop voort te
                           bouwen en tot innovaties te komen. In deze optiek is het belang van goede deel-
                           name aan KP6 om dat vermogen verder te ontwikkelen en tevens om ‘speler in het
                           spel te zijn’ en als zodanig gezien te worden.
                       Alhoewel beide benaderingen hun merites hebben, zal naar de mening van de
                       Raad in de toekomst de tweede benadering (‘kennis als vermogen’) steeds
                       belangrijker worden. Immers: bedrijven en andere maatschappelijke actoren
                       beleggen hun contacten en contracten steeds meer daar waar goede onder-
‘kennis als vermogen’  zoekers c.q. onderzoeksgroepen aanwezig zijn, met een bewezen hoogwaardig
 moet voorop staan...  vermogen om kennis te ontwikkelen en daarop voort te bouwen. Het ‘nationale
                       belang’ wordt in deze omstandigheden het beste gediend door ‘kennis als
                       vermogen’ voorop te stellen.
                           ‘Kennis als vermogen’ dient volgens de AWT leidend te zijn bij het bepalen van
                       een nationale én internationale Nederlandse onderzoeks- en innovatiestrategie en
                       bij de vormgeving van het wetenschaps- en innovatiebeleid. Het voorop stellen
                       van ‘kennis als vermogen’ biedt tevens een afwegingskader voor de Nederlandse
                    6  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>   ... en ook richtinggevend deelname aan KP6: het biedt Nederland de kans om dat vermogen (verder) te
zijn voor deelname aan KP6   ontwikkelen. Dáárom is het belangrijk dat Nederlandse partijen intensief deel-
                             namen aan KP6. Het gaat derhalve niet om de te verkrijgen financiële middelen uit
                             KP6, maar om KP6-deelname strategisch te bezien en te gebruiken om dat wat we
                             in Nederland toch al belangrijk vinden, verder te ondersteunen en te versterken.
                             In toelichting II.2 gaat de Raad nader in op het hier kort weergegeven strategisch
                             kader en de kansen en bedreigingen van al dan niet deelnemen aan KP6 vanuit
                             het perspectief van het ‘nationale belang’.
                             Praktijkinvulling: sterktes en zwaktes onderzoeksbestel
                             Na de bespreking van kansen en bedreigingen vanuit een nationaal perspectief, is
                             de vraag wat sterktes en zwaktes zijn wat betreft de deelname door Nederlandse
                             bedrijven en kennisinstellingen aan KP6. Het zijn immers de bedrijven en kennis-
                             instellingen zélf die voldoende aantrekkelijk en sterk dienen te zijn om een rol van
                             importantie te kunnen spelen in de Networks of Excellence en de Integrated Projects.
                             De Raad komt tot de volgende constateringen:
       goede uitgangspositie .  Sterk punt is dat de uitgangspositie van Nederland voor de nieuwe thema’s en
                                instrumenten van KP6 naar verhouding goed is. In het nationale beleid zijn in
                                de achterliggende jaren maatregelen en initiatieven genomen die Nederland
                                goed hebben ‘voorgesorteerd’ voor KP6. Dit geldt zowel in wetenschaps-
                                inhoudelijke zin (goede kwaliteit wetenschap, expertise ontwikkeling op KP6
                                thema’s) als in procesmatige zin (ervaring met consortiavorming c.q. samen-
                                werkingsverbanden).
           aantal knelpunten .  Zwaktes of knelpunten signaleert de Raad met name rond de volgende punten:
                                - strategische keuzes kunnen en willen maken, met name in universiteiten;
                                - absorptiecapaciteit van het onderzoeksbestel in termen van mensen en
                                   middelen;
                               - benodigde onderzoeksmanagementcapaciteit ten behoeve van de consortia
                                   van KP6;
                               - oog hebben voor en ervaring met IPR voortkomend uit de Networks of
                                   Excellence en Integrated Projects.
                             In Toelichting II.3 schetst de Raad in meer detail deze sterktes en zwaktes.
                           7 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>                               Rol overheid: aanbevelingen langs drie lijnen
                               Na het in kaart brengen van kansen en bedreigingen, alsmede sterktes en zwaktes,
                               is het zaak lijnen door te trekken en consequenties voor beleid te benoemen.
                               Gezien de taakstelling van de AWT, richt de Raad zich op de rol van de overheid
                               en op de door de overheid (i.c. de ministeries van EZ en OCenW) te nemen maat-
                               regelen. De Raad realiseert zich dat hiermee slechts een deel van de problematiek
                               wordt aangekaart. Diverse andere actoren spelen een minstens zo belangrijke, zo
zelfsturing en zelfregulering  niet belangrijker rol: individuele onderzoekers in bedrijven en kennisinstellingen,
              is uitgangspunt  het strategisch management in die bedrijven en kennisinstellingen, intermediaire
                               organisaties als NWO en EG Liaison/Senter. Deze partijen zijn, ieder voor zich én
                               in hun samenspel, zélf verantwoordelijk voor veel van de acties die moeten wor-
                               den ondernomen om Nederland naar behoren deel te laten nemen aan KP6 en
                               goed voorbereid te laten zijn op de verdere internationalisering van onderzoek.
                               Een dergelijke zelfsturing en zelfregulering is een groot goed. Dat laat onverlet dat
                               er taken zijn die bij uitstek door de overheid vervuld dienen te worden.
                               De Raad komt tot drie hoofdlijnen van aanbevelingen, gericht op een effectieve
                               deelname aan KP6 door Nederlandse (kennis)instellingen op de kortere termijn,
                               alsook versterking van de internationale positie van Nederlandse bedrijven en
                               kennisinstellingen op de langere termijn.
                               A. Scheppen stimulerende condities en randvoorwaarden
                               De AWT ziet als belangrijkste rol van de overheid het in structurele zin scheppen
                               van stimulerende condities en faciliterende randvoorwaarden voor een goed
                               functioneren van de Nederlandse publieke en private kennisinfrastructuur in een
                               internationaliserende context. Dit teneinde actoren in het veld zélf optimaal hun
                               rol te laten spelen, en hen kansen in termen van ‘kennis als vermogen’ te laten
                               realiseren. Dit is niet alleen van belang voor deelname aan KP6 op de kortere
                               termijn, maar tevens voor de internationale positie van het Nederlandse onder-
                               zoeksbestel. Meer concreet beveelt de Raad het volgende aan:
                               .  ‘Investeer’ structureel en op adequaat niveau in de kennisinstellingen; zorg daarbij
                                  voor een goede balans tussen (a) excellentie en zwaartepunten, (b) een brede
          blijven ‘investeren‘    basis en (c) ruimte voor vernieuwing.
                                  Gezien de verdergaande internationalisering van het onderzoek en het onder-
                                  zoeksbeleid, is het zaak om meer dan in het verleden in te zetten op excellen-
                                  tie en zwaartepuntvorming. Daarnaast blijven investeringen nodig voor het
                                  instandhouden van een brede, hoogwaardige basis. En ten derde is een
                            8  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                zekere vrije ruimte noodzakelijk voor vernieuwing, teneinde ook in de toekomst
                                te kunnen oogsten. Het is zaak een goede balans tussen deze drie elementen
                                te bewaren.
beter netwerken in Brussel   .  Investeer op hoog niveau meer tijd en aandacht in de netwerkfunctie van de
                                overheid door de formele en informele vertegenwoordiging in Brussel te versterken
                                en verzwaren.
                                De Raad constateert dat er op het punt van actief netwerken in de EU en in
                                internationale circuits nog de nodige winst te behalen valt. De Raad acht een
                                versterking van de Nederlandse vertegenwoordiging in officiële gremia wense-
                                lijk, alsook een sterkere inzet en tijdsinvestering in informele netwerken; daar
                                worden veelal de terms of reference en de uitvoeringsmodaliteiten vastgesteld
                                en vindt het wheelen en dealen plaats.
 in Nederland: gescheiden    .  Zorg in Nederland voor een betere afstemming en wisselwerking tussen het
  beleidscircuits met elkaar    nationale en internationale beleidscircuit.
                  verbinden     De bepleite netwerkfunctie in de EU kan alleen goed worden vervuld vanuit
                                een sterke wisselwerking met het Nederlandse beleid. De AWT constateert dat
                                dit nu onvoldoende het geval is: in de departementen zijn het vaak tamelijk
                                gescheiden circuits die zich bezig houden met het nationale en het Europese
                                onderzoeks- en innovatiebeleid. Met name in Nederland zélf is een grotere ver-
                                wevenheid van het nationale met het internationale beleidscircuit noodzakelijk.
                             B. Actief faciliteren en stimuleren van deelname aan KP6
                             Een tweede lijn van aanbevelingen is specifiek gericht op deelname aan KP6. De
                             overheid (i.c. EZ en OCenW) dient die deelname actief te faciliteren en stimuleren
                             vanuit het perspectief van ‘kennis als vermogen’.
    voorlichting gericht op  .  Zorg voor een hoogwaardige en pro-actieve voorlichting rond KP6, gericht op
    ‘makelen en schakelen’      ‘makelen en schakelen’ tussen relevante partijen.
                                Gezien de nieuwe instrumenten in KP6 is _ meer dan in het verleden _ naast
                                algemene voorlichting (ontwikkelingen en mogelijkheden in Kaderprogramma)
                                een pro-actieve voorlichtingsrol gewenst, gericht op totstandkoming van
                                samenwerkingsverbanden (‘makelen en schakelen’).
                             .  Zorg voor een goed overzicht en inzicht in wat er feitelijk gebeurt aan _ voor
                                Kaderprogramma’s _ relevante samenwerkingen in het onderzoeksveld.
                                In het verlengde van de noodzaak tot meer pro-activiteit, is het wenselijk dat
   inhoudelijke monitoring      er _ meer dan nu het geval is _ een goed overzicht bestaat van wat er feitelijk
             voor overzicht     gebeurt in het onderzoeksveld: inhoudelijke monitoring. Dit teneinde goed te
                                kunnen ‘makelen en schakelen’ tussen partijen geïnteresseerd in (internatio-
                                nale) samenwerkingsmogelijkheden. Maar ook om bestuurlijk een goed beeld
                           9 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                                te verkrijgen van de Nederlandse participatie, kwantitatief en kwalitatief, in de
                                consortia die tot stand zijn gekomen.
                   helpdesk  .  Zorg voor een goede helpdesk voor de benodigde ondersteuning bij deelname aan KP6.
                                Ten derde is een nationale ‘help desk’ gewenst om ondersteuning te bieden bij
                                de feitelijke totstandkoming van consortia in KP6, met name om contractueel
                                zaken goed te regelen.
herpositionering EG Liaison  .  Beleg de drie taken van makelen/schakelen, inhoudelijke monitoring en help desk bij EG
                                Liaison. Dit vergt een herpositionering en taakverandering en -verzwaring van EG
                                Liaison.
                                Alhoewel het de AWT er vooral om gaat dát de overheid zorgdraagt voor uit-
                                voering van de genoemde drie taken, spreekt hij zijn voorkeur uit deze taken voor-
                                al bij EG Liaison te beleggen. EG Liaison dient hierbij andere partijen te betrekken,
                                met name NWO en VNO/NCW. EG Liaison zal de hierboven beschreven taken niet
                                zondermeer kunnen uitvoeren. Een herpositionering alsmede een taakverandering
                                en -verzwaring van EG Liaison is noodzakelijk.
                             C. Visie op verdergaande internationalisering onderzoeksbeleid
                                De derde lijn van aanbevelingen behelst het agenderen van langere termijn,
                                strategische vraagstukken rond onderzoeksbeleid in een internationaliserende
                                context. Concrete aanbeveling is:
     strategische discussies .  Entameer strategische discussies over de verdere internationalisering van het onder-
                entameren       zoeksbeleid. Laat dit onderdeel zijn van lopende processen en praktijken (‘main-
                                streaming’ van het internationaliseringbeleid), maar zorg wel voor enige regie.
                                Voer deze strategische discussies nadrukkelijk met het oog op het Nederlands EU-
                                voorzitterschap in 2004.
                                Bij voorkeur leidt een dergelijke discussie tot een gezamenlijke visie en gezamenlijke
                                standpunten die elders ingebracht kunnen worden teneinde de Nederlandse
                                belangen zo krachtig mogelijk naar voren te brengen. Het is zaak deze discussies
                                onderdeel te maken van lopende processen en praktijken. De AWT onderscheidt
                                drie soorten vraagstukken die nadere strategische discussie vergen:
                                - Beleidsvraagstukken die raken aan openheid c.q. geslotenheid van het
                                   Nederlandse onderzoeks- en innovatiesysteem.
                                - Een Nederlandse visie op de inrichting van het toekomstige Europese onder-
                                   zoeksbestel en de plaats van Kaderprogramma’s daarin.
                                - De _ vanuit een Nederlands perspectief _ wenselijke invulling van volgende
                                   Kaderprogramma’s.
                             In Toelichting II.4 gaat de Raad nader in op deze drie lijnen van aanbevelingen.
                         10  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>           II               Toelichting
                            II.1. Inleiding
                            Adviesvraag en afbakening
                            1. De AWT is door de ministers van EZ en OCenW gevraagd advies uit te brengen
                                over de gevolgen van de structurerende en integrerende werking van het
                                EU-6e Kaderprogramma (KP6) voor het Nederlandse publieke en private
                                onderzoeksbestel (zie bijlage 1 voor de volledige adviesvraag). De adviesvraag
                                richt zich op de wijze waarop Nederland het beste kan anticiperen op en
                                deelnemen aan het 6e Kaderprogramma met zijn nieuwe instrumenten (de
                                Networks of Excellence en de Integrated Projects).
                            2. De AWT meent dat deze adviesvraag over anticipatie op en deelname aan KP6
                                beantwoord moet worden vanuit een bredere kijk op het belang van
                                Nederlandse deelname aan KP6. Een strategisch afwegingskader is nodig. Het
                                gaat immers niet alleen om goed inspelen op KP6, maar mede om het lange-
                                re termijn Nederlandse beleid ten aanzien van internationalisering van onder-
                                zoek en van onderzoeksbeleid. Daarom hanteert de AWT in dit advies een drie-
                                ledige vraagstelling:
kansen en bedreigingen KP6     a) Wat zijn voor overheidsbeleid in Nederland belangrijke elementen in een
                                    strategisch denkkader ten aanzien van internationalisering van onderzoek
                                    en het onderzoeksbeleid? Wat zijn in dit licht de kansen en bedreigingen
                                    van al dan niet effectieve deelname aan KP6? Dit komt in hoofdstuk II.2
                                    aan de orde.
        sterktes en zwaktes    b) Hoe staan Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen ‘voorgesorteerd’
           onderzoekbestel          voor deelname aan KP6? Wat zijn sterktes en zwaktes van het Nederlandse
                                    onderzoeksbestel bij deelname aan KP6 met zijn nieuwe instrumenten?
                                    Hoofdlijnen van een antwoord hierop komen in hoofdstuk II.3 aan de orde.
wat moet de overheid doen?     c)   Welke maatregelen en acties van de overheid zijn gewenst ten behoeve
                                    van succesvolle Nederlandse deelname aan de nieuwe instrumenten van
                                    het 6e Kaderprogramma? Dit staat centraal in hoofdstuk II.4.
                        11  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>     afbakening advies  3. De adviesvraag betreft een onderwerp dat raakt aan vele discussies die
                           momenteel gevoerd worden over verdergaande Europese integratie en over
                           coördinatie van het onderzoek en onderzoeksbeleid. Daarom is het nuttig af te
                           bakenen waar dit advies wel en niet over gaat. Voorop staat dat de AWT de
                           Nederlandse overheid adviseert over het te voeren nationale W&T-beleid. Het
                           advies handelt derhalve niet over de gewenste opstelling en acties van andere
                           actoren dan de nationale overheid. Meer concreet gaat het advies niet over:
                           -    De wenselijkheid en zinvolheid van een EU-Kaderprogramma, afgezet
                                tegen andere wegen om te komen tot een grotere mate van integratie en
                                coördinatie van het onderzoek in Europa.
                           -    Mogelijkheden om de Brusselse besluitvorming ten aanzien van KP6 alsnog
                                te beïnvloeden: noch wat betreft de inhoudelijke thema’s, noch wat betreft
                                het type en wenselijkheid van instrumenten in KP6, noch wat betreft
                                mogelijkheden om de deelname van het MKB te vergroten. Dit is een
                                gelopen race.
                           -    De technische details van de nieuwe instrumenten en de specifieke eisen
                                die ze aan afzonderlijke Nederlandse kennisinstellingen stellen.
                           -    De wenselijkheid en mogelijkheid van een grotere mate van Europese
                                afstemming van investeringsbeslissingen in harde infrastructuur (onder-
                                zoeksfaciliteiten).
       verantwoording   4. Ten behoeve van de totstandkoming van dit advies heeft de AWT diverse
                           activiteiten ondernomen. In bijlage 2 is een verantwoording van de gevolgde
                           werkwijze te vinden.
                        Context van de adviesvraag
KP6 moet ERA dichterbij 5. Het Zesde Kaderprogramma (KP6) van de Europese Unie staat in het teken van
              brengen      de totstandkoming van een European Research Area (ERA). Met de ERA streeft
                           de Europese Commissie, daartoe gesteund door de Europese instellingen, 1
                           naar een grotere mate van synergie binnen het Europese onderzoek, teneinde
                           de excellentie en kwaliteit van het onderzoek te bevorderen en onnodige
                           versnippering van onderzoek in Europa te reduceren. Daarvoor acht de
                        1  De ERA is een initiatief van de Europese Commissie, welke is geaccordeerd en omarmd door het
                           Europees Parlement, de Europese Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de
                           Regio’s. Omwille van de leesbaarheid verwijst de AWT in dit advies niet telkens naar al deze Europese
                           instellingen, maar voert de Europese Commissie als centrale actor op. De Raad is zich er uiteraard
                           van bewust dat dit niet geheel recht doet aan de gang van zaken.
                    12  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                Europese Commissie een grotere mate van integratie van de nu nog nationa-
                                le onderzoekssystemen en meer beleidscoördinatie noodzakelijk. Ter verwe-
                                zenlijking van de ERA-doelen zijn meerdere aangrijpingspunten gedefinieerd;2
                                het 6e Kaderprogramma is daarbij één van de meest prominente instrumen-
                                ten. Het streven is om dit Kaderprogramma, veel meer dan eerdere
                                Kaderprogramma’s, werkelijk integrerend en structurerend te laten zijn. De
                                strategie van de Europese Commissie is erop gericht om de beperkte Brusselse
                                middelen _ het Kaderprogramma maakt slechts 5% uit van de totale publieke
                                onderzoeksbestedingen in de EU _ op dusdanige wijze in te zetten dat de
                                grootst mogelijke sturende werking wordt verkregen op de besteding van de
                                veel aanzienlijkere nationale middelen. Opzet is om het beschikbare KP-
                                budget met een duidelijke inhoudelijke focus en via grote consortia te
                                besteden.3 Men wil vermijden dat het budget wordt uitgesmeerd over vele
                                relatief kleine projecten. Hiertoe dienen de nieuwe instrumenten van KP6: de
                                Networks of Excellence en de Integrated Projects.
             communautair,   6. Hiermee is in het kort de strategie van de Europese Commissie uiteengezet om
intergouvernementeel of iets    o.a. via het 6e Kaderprogramma te komen tot een grotere mate van integratie
              daar tussenin?    en coördinatie van het onderzoek. Het is echter niet te garanderen dat deze
                                strategie ook verwezenlijkt wordt. Alhoewel het doel en de wenselijkheid van
                                méér integratie en coördinatie door vele partijen en spelers onderschreven
                                wordt, is het belangrijk er op te wijzen dat er in het Europese veld van weten-
                                schap en innovatie uiteenlopende visies leven over de gewenste toekomst van
                                het Europees onderzoeksbeleid. Alsook divergerende beelden over de weg
                                waarlangs meer integratie en coördinatie van het onderzoek tot stand
                                gebracht zou moeten worden. Een Europees Kaderprogramma speelt daarbij
                                niet altijd een grote rol. Naast een communautair model als het
                                Kaderprogramma, wordt door meerdere partijen gepleit voor meer intergou-
                                vernementele of bilaterale modellen om tot integratie van onderzoek in
                                Europa te komen. NWO en de KNAW pleiten voor hier tussenliggende model-
                                len die gebruik maken van intermediaire organisaties. Hierbij kan worden
                                gedacht aan een European Research Council, vergelijkbaar met de Amerikaanse
                                National Science Foundation, en/of het geleidelijk voor elkaar openstellen van
                                nationale onderzoeksprogramma’s, al dan niet op basis van reciprociteit. Een
                             2  Zie Naar een Europese onderzoekruimte. Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees
                                Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio’s. Brussel, 18/01/2000.
                                COM (2000) 06.
                             3  Zie NEST-nieuws voor o.a. de thema’s en budgetten van KP6.
                         13  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                                andere mogelijkheid is nog dat vakdepartementen zoals LNV hun onderzoeks-
                                programmering steeds meer internationaal afstemmen en het onderzoek
                                waaraan zij behoefte hebben Europees aanbesteden.
   toekomstige inrichting    7. Het debat over de toekomstige inrichting van het Europese onderzoek is voor-
             EU-onderzoek       alsnog niet afgerond. Daarmee is ook de rol en het belang van Europese
          in dit advies niet    Kaderprogramma’s (ook ná het komende 6e KP) nog met onzekerheden
       belangrijkste vraag      omgeven. Wellicht dat in de toekomst andere integratiemodellen dan het
                                communautaire de overhand krijgen. De AWT spreekt zich in dit advies niet uit
                                over een in zijn ogen meest wenselijke inrichting van het onderzoek in Europa.
                                Het feit dát het debat gaande is, is echter een belangrijk contextgegeven: het
                                geeft enige relativering aan het belang van de EU Kaderprogramma’s en ver-
                                sterkt daarmee de vraag naar een goed afwegingskader voor Nederlandse deel-
                                name aan KP6 (en volgende Kaderprogramma’s). Hoe dit echter ook zij: het 6e
                                Kaderprogramma is een realiteit. Dit advies richt zich op de vraag naar de voor-
                                waarden en condities voor succesvolle Nederlandse deelname daaraan.
                             8. Een laatste belangrijk contextgegeven is dat _ los van het hierboven aangege-
                                ven debat over de wenselijke inrichting van het Europese onderzoeks-
                 autonome       landschap _ er sprake is van een autonome trend tot internationalisering van
internationaliseringstrend      het onderzoek, los van enig overheidsbeleid. Dit beperkt zich niet tot de gren-
                                zen van Europa, maar is wereldwijd gaande. De belangrijke spelers in het
                                Europese veld, i.e. de grote kennisintensieve bedrijven, de (semi)publieke
                                kennisinstellingen, de financiers van onderzoek, de TNO’s in Europa, e.a.,
                                vormen momenteel zélf de belangrijkste drijvende kracht achter een grotere
                                mate van integratie van het onderzoek in Europa en ook daarbuiten. Zij bren-
                                gen die integratie in praktijk. Dit neemt verschillende vormen aan, die zich
                                gelijktijdig voordoen (Edler/Boekholt 2001):
                                -     internationale exploitatie van nationaal gegenereerde kennis en technologie;
                                -     internationale samenwerking van publieke en private actoren;
                                -     directe investeringen in onderzoekscapaciteit waar ook ter wereld door multi-
                                      nationals.
                                De nieuwe instrumenten van KP6 (Integrated Projects en Networks of Excellence)
                                kunnen gezien worden als een uiting van de tweede vorm, de internationale
                                samenwerking van publieke en private actoren. Hoewel dit advies zich richt op
                                deelname aan KP6, is het gestelde van bredere betekenis. De onderzoeks-
                                consortia die voor KP6 moeten worden gevormd, zijn structuren die opgeld
                                doen in steeds meer terreinen van onderzoek. Daarbij gaat het om onderzoek,
                         14  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>      soms funderend soms toegepast, in grote, internationale netwerken waarin
      publieke en vaak ook private partijen gezamenlijk onderzoeksprogramma’s
      opstellen en uitvoeren. Soms nemen deze netwerken de vorm aan van een
      bestendig consortium, vaak zijn het lossere samenwerkingsverbanden waarin
      de onderlinge betrekkingen via contracten worden geregeld. De precieze juri-
      dische vorm doet er minder toe, het gaat erom dat men in dit type configu-
      raties moet kunnen werken om internationaal bij de top te behoren. Kijken we
      naar het Europese onderzoek, dan is het met name binnen het Eureka-
      programma dat hiermee al langer ervaring is opgedaan. Ook binnen de
      Kaderprogramma’s is het niet nieuw, maar het is nog niet eerder gebeurd dat
      een heel Kaderprogramma hierop werd gebaseerd.
      Al met al is het zaak om bij de vormgeving en inrichting van het nationale
      wetenschaps- en innovatiebeleid terdege _ méér dan momenteel het geval is _
      rekening te houden met deze autonome trends tot internationalisering.4
   II.2. Afwegingskader: kansen en bedreigingen KP6
   9. Beleidsadvisering over deelname aan KP6 dient te geschieden vanuit een stra-
      tegisch denkkader. Bezinning is nodig op de vraag waarom succesvolle deel-
      name aan KP6 belangrijk is voor Nederland. Waarin schuilen de belangrijkste
      kansen? Wat zijn negatieve consequenties wanneer ‘wij’ niet of nauwelijks
      deelnemen? Het gaat immers niet alleen om de vraag hoe we nu het beste
      kunnen inspelen op het 6e Kaderprogramma, maar ook om de vraag hoe we
      de KP6-deelname kunnen zien en gebruiken om dat wat we in Nederland
      belangrijk vinden, verder te ondersteunen en te versterken. Anders gezegd:
      hoe deelname aan KP6 past binnen het bredere vraagstuk van Nederlands
      beleid ten aanzien van internationalisering van onderzoek en onderzoeks-
      beleid. Het te voeren overheidsbeleid met betrekking tot deelname aan KP6
      dient in het verlengde van de antwoorden op deze vragen te liggen.
   4  Daarbij zij opgemerkt dat deze trends zich vooral voordoen in de β_ en technologische vakgebie-
      den, daar waar sprake is van onderzoek ten behoeve van innovatieprocessen in het sterk internatio-
      naal geörienteerde en op wereldschaal concurrerende bedrijfsleven.
15 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                           Meer dan een financieel belang
                           10. Een voor de hand liggende graadmeter voor het belang van deelname aan
EU-middelen 4% publieke        EU-Kaderprogramma’s is het financiële belang: het aandeel van de Brusselse
             R&D-budget        gelden in de totale nationale onderzoeksbudgetten. Voor Nederland leidt dit
                               tot een zekere relativering van het belang van KP6. De EU-middelen beslaan
                               (tot dusver) circa 4% van het Nederlandse publieke R&D-budget.5 Rekening
                               houdend met de matchingvoorwaarden die vanuit de EU worden opgelegd,
                               wordt hiermee nog eens 4% van het publieke onderzoek Europees ingebed.
                               Omdat        deze      middelen        vanwege     de   technologische            bias     van    de
                               Kaderprogramma’s tamelijk geconcentreerd bij bepaalde onderzoeksthema’s
                               neerslaan, met name in de bètahoek, kan de Brusselse bijdrage op sommige
                               onderzoeksterreinen omvangrijk zijn, en op andere vrijwel geheel ontbreken.
                               Deze financiële benadering geeft evenwel onvoldoende houvast voor het
                               bepalen van het langere termijn belang van deelname aan KP6. De hoeveel-
                               heid geld die gemoeid is met die deelname, zegt niet alles over het inhoude-
                               lijk belang ervan.
                           11. Succesvol deelnemen aan de Kaderprogramma’s wordt vaak afgemeten aan
    juste retour beperkte      het al dan niet verkrijgen van juste retour: de situatie waarin de onder concurren-
                 indicator     tie verkregen middelen opwegen tegen de middelen die men als lidstaat heeft
                               bijgedragen. Een dergelijke internationaal vergelijkende landenscore is in de
                               ogen van de Raad waardevol. Niet om in detail zicht te houden op EU-uitga-
                               ven en inkomsten, maar als een graadmeter en internationale benchmark voor
                               kwaliteit. Nederland blijkt het in eerdere Kaderprogramma’s goed gedaan te
                               hebben: er is inderdaad sprake van juste retour, Nederlanders zijn bovendien
                               relatief vaak trekkers van projecten.6 Ondanks deze op zich interessante bench-
                               mark, vindt de AWT juste retour een te beperkte indicator voor het belang van
                               deelname aan KP6. Het richt de blik teveel op deelname als zodanig (de juste
                               retour), zonder inzicht te geven in het waarom en waarvoor van die deelname.
                           5   De Nederlandse publieke R&D-uitgaven bedroegen in 1999 7,6 miljard euro (CBS, 2001, p.67). De
                               Nederlandse ‘opbrengst’ uit KP5 bedroeg in 1999 285 mln euro (EGL, 2000, p.2), oftewel 3,75%
                               van de publieke R&D-uitgaven. Alhoewel dit relatief weinig lijkt, is de bijdrage uit Brusselse midde-
                               len beduidend hoger dan de (door NWO geschatte) omvang van de tweede geldstroom in 1999.
                               Die bedroeg circa 179 miljoen euro.
                           6   In bijlage 3 zijn enkele cijfermatige gegevens opgenomen m.b.t. de Nederlandse deelname aan de
                               Kaderprogramma’s.
                       16  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                               Twee opvattingen over het Nederlandse, nationale belang
nationaal belang: bijdragen    12. De AWT is van mening dat het belang van deelname aan KP6 niet teveel
     aan welvaart en welzijn       gemeten dient te worden in financiële termen. Belangrijker is de vraag waarin
                                   kansen en bedreigingen voor Nederland en het nationale innovatiesysteem
                                   schuilen bij al dan niet succesvolle deelname aan KP6. Wat is het ‘nationaal
                                   belang’ van deelname aan KP6? In algemene termen kan dit nationale belang
                                   omschreven worden als ‘bijdragen aan welvaart en welzijn’. Dit richt de blik
                                   op de betekenis van deelname aan KP6 voor de economische én maatschap-
                                   pelijke concurrentiepositie van Nederland. Daarmee wordt nog niet duidelijk
                                   hoe via deelname aan KP6 dit belang het beste kan worden gediend. De AWT
                                   constateert dat in de praktijk van wetenschap en innovatie hieromtrent twee
                                   uiteenlopende beelden en meningen bestaan. Het is belangrijk dit verschil van
                                   opvattingen te analyseren, omdat het leidt tot uiteenlopende invullingen van
                                   wenselijk wetenschaps- en innovatiebeleid.
          ‘kennis als product’ 13. Een eerste benadering is om de nadruk te leggen op de inhoudelijke, themati-
                                   sche aansluiting van KP6 programma’s en projecten bij innovatieprocessen in
                                   Nederlandse bedrijven en/of (not for profit) instellingen. Naarmate die aanslui-
                                   ting beter is, is het Nederlands belang beter gediend. Het belang van goede
                                   Nederlandse deelname in KP6 wordt daarbij vooral opgehangen aan de voor
                                   Nederlandse bedrijven en instellingen relevante kennis-output van de KP-
                                   programma’s. Anders gezegd: het gaat om ‘kennis als product’, dat wat de
                                   programma’s inhoudelijk opleveren en wat als directe input kan dienen voor
                                   innovatieprocessen en daarmee voor de concurrentiepositie van Nederlandse
                                   bedrijven en instellingen. De kortere termijn en statische overwegingen (de
                                   directe kennisoutput ten behoeve van concrete innovaties) staan centraal. Een
                                   vraag passend bij deze benadering is: “Is het nog in het Nederlands belang wan-
                                   neer onze onderzoekers participeren in KP6 programma’s waarbij geen
                                   Nederlands bedrijf of instelling betrokken is?”
                               `
        ‘kennis als vermogen’  14. Een tweede benadering is om de nadruk te leggen op de dynamiek, de snelheid
                                   en deels de onvoorspelbaarheid van ontwikkelingen in economie, samenleving en
  ... t.b.v. wendbaarheid en       kennisontwikkeling. Hierdoor worden wendbaarheid en slagvaardigheid, het
              slagvaardigheid      omgaan met onzekerheden en het flexibel kunnen inspelen op ontwikkelingen,
                                   van steeds groter belang. In deze visie gaat het veel minder om ‘het product ken-
                                   nis’, maar om het ‘vermogen’ om nieuwe kennisontwikkelingen te doorgronden,
                                   daarop voort te bouwen en tot innovaties te komen. In deze optiek is het belang
                           17  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                          van deelname aan KP6 om dat vermogen verder te ontwikkelen en tevens om
                          ‘speler in het spel te zijn’ en als zodanig gezien te worden. Langere termijn over-
                          wegingen en dynamica (gerichtheid op wendbaarheid en slagvaardigheid) staan
                          centraal.
                          Een dergelijk ‘kennisontwikkelings- en verwerkingsvermogen’ vergt een sterke,
                          kwalitatief hoogwaardige kennisinfrastructuur en heeft een belangrijke uitstraling
                          op de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsplaats voor economische
                          bedrijvigheid. Wat een land daartoe behoeft is ‘intellectuele capaciteit op top-
                          niveau’ en daarmee het vermogen om kennis te ontwikkelen, toe te passen en tot
                          vernieuwing te komen. Die capaciteit is sterk aan individuen gebonden en stoort
                          zich niet aan landsgrenzen. Het accent ligt in deze optiek derhalve meer op
                          indirecte effecten van kennisontwikkeling (verbetering van het algehele kennis-
                          klimaat, het opleiden van onderzoekers, het opdoen van vaardigheden, etc.) dan
                          op directe effecten (kennis ten behoeve van concrete innovaties). Een typerende
                          vraag hierbij is:“Is het op langere termijn wel in het Nederlands belang om bui-
                          tenlandse onderzoekers in te schakelen als deze _ na verloop van tijd _ weer ver-
                          trekken met het door hen opgebouwde vermogen tot verdere kennisontwikkeling
                          en kennisbenutting?”
                      Kansen en bedreigingen deelname KP6 voor Nederland
                      15. Beide benaderingen hebben hun eigen merites. Ze sluiten elkaar ook niet uit.
‘kennis als vermogen’     Immers: ook in de benadering die de nadruk legt op ‘kennis als product’ worden
    voorop stellen in     vaardigheden opgedaan relevant voor ‘kennis als vermogen’. En omgekeerd is in
        W&T-beleid...     de benadering van ‘kennis als vermogen’ altijd sprake van inhoudelijke output van
                          concrete onderzoeksprojecten. Alhoewel de benaderingen elkaar niet uitsluiten,
                          maakt het wel degelijk verschil _ in termen van de inrichting van overheidsbeleid
                          _ vanuit welke primaire doelstelling of invalshoek men redeneert. Een centrale
                          beleidsvraag in de benadering ‘kennis als product’ is die naar selectie van priori-
                          taire thematische gebieden in de Nederlandse context. In de benadering ‘kennis
                          als vermogen’ gaat het veeleer om het ontwikkelen en versterken van ‘intellectue-
                          le capaciteit op topniveau’ en de sterkte van netwerken tussen betrokken partijen.7
                      7   Ook de centrale beleidsvragen in beide benaderingen raken elkaar. Immers: het maakt wel degelijk
                          uit op welke inhoudelijke gebieden ‘intellectuele capaciteit op topniveau en sterke netwerken’
                          aanwezig zijn. De vraag is echter of die thematische keuzen door een overheid gemaakt moeten en
                          kunnen worden. De AWT is in een eerder briefadvies over ‘Sturing van wetenschap’ (juni 2001)
                          hierop nader ingegaan.
                  18  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                De AWT is van mening dat de tweede benadering, ‘kennis als vermogen’,
                                steeds belangrijker zal worden. Immers: bedrijven en andere maatschappelijke
                                actoren beleggen hun contacten en contracten steeds meer daar waar goede
                                onderzoekers c.q. onderzoeksgroepen aanwezig zijn, met een bewezen hoog-
                                waardig vermogen om kennis te ontwikkelen en daarop voort te bouwen. In
                                een wereld waarin de concurrentie in toenemende mondiaal is, is dit ‘kennis-
                                vermogen’ een zeer belangrijke (vestigings)factor. Het ‘nationale belang’
                                wordt kortom het beste gediend door ‘kennis als vermogen’ voorop te stellen.
                                De beste internationale positionering is te vinden in het beschikken over een
                                sterk ontwikkeld vermogen tot kennisontwikkeling en _ benutting.
                                Deze benadering van ‘nationaal belang’ dient volgens de AWT leidend te zijn
                                bij het bepalen van een nationale én internationale Nederlandse onderzoeks-
                                en innovatiestrategie en bij de vormgeving van het wetenschaps- en innova-
                                tiebeleid. Het voorop stellen van ‘kennis als vermogen’ biedt een afwegings-
                                kader voor de Nederlandse deelname aan KP6: het biedt Nederland de kans
                                om dat vermogen (verder) te ontwikkelen. Dáárom is het belangrijk dat
                                Nederlandse partijen intensief deelnemen aan KP6. Het gaat derhalve niet om
                                de te verkrijgen financiële middelen uit KP6, maar om KP6-deelname strate-
                                gisch te bezien en te gebruiken om dat wat we in Nederland toch al belang-
                                rijk vinden, verder te ondersteunen en te versterken.
... én bij deelname aan KP6 16. Hiermee heeft de Raad aangegeven waar hij de belangrijkste kansen ziet van
                                een goede deelname aan KP6. De bedreigingen van niet goed deelnemen aan
                                KP6 zijn hieraan gespiegeld: het vermogen om kennis te ontwikkelen en
                                benutten blijft achter, en er wordt in mindere mate ervaring opgedaan met
                                het werken in internationale consortia. De Raad ziet dit overigens als een rela-
                                tieve bedreiging: deelname aan KP6 is immers slechts één van de kanalen om
                                de gewenste internationale uitstraling en ervaring te verkrijgen en het kennis-
                                vermogen op peil te houden. Naast het Kaderprogramma lopen vele andere
                                initiatieven tot internationale samenwerking.
                            II.3. Praktijkinvulling: sterktes en zwaktes
                                      onderzoeksbestel
                            17. In dit hoofdstuk staat de Nederlandse deelname aan KP6 centraal, en dan met
                                name hoe bedrijven en kennisinstellingen hierin kunnen opereren. Het zijn
                                immers de bedrijven en kennisinstellingen zélf die voldoende aantrekkelijk en
                         19 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                            sterk dienen te zijn om een rol van importantie te kunnen spelen. Kernvraag is
                            of Nederlandse8 bedrijven en kennisinstellingen _ gegeven de kenmerken van de
                            nieuwe instrumenten in KP6 _ in staat zullen zijn om succesvol mee te dingen
                            naar een goede positie in de Networks of Excellence en/of Integrated Projects.
                        Kenmerken nieuwe KP6 instrumenten
                        18. Voor een analyse van de knelpunten en aangrijpingspunten voor deelname
vereisten van de nieuwe     aan KP6, is eerst zicht nodig op wat deelname aan KP6 met de nieuwe instru-
           instrumenten     menten, vergt van bedrijven en kennisinstellingen.
                        .   Om te beginnen staat bij dit nieuwe Kaderprogramma het streven naar
                            excellentie voorop. Wetenschappelijke topkwaliteit is derhalve een vereiste.
                        .   Daarnaast echter worden competenties gevraagd die samenhangen met het
                            werken in grote, vaak publiek-private consortia die omvangrijke werk-
                            programma’s uitvoeren. Het belangrijkste kenmerk van de nieuwe instrumen-
                            ten is immers dat onderzoeksconsortia moeten worden gevormd. Dit geldt
                            zowel voor de Networks of Excellence als voor de Integrated Projects. Het gaat
                            niet meer zoals bij KP5 om samenwerking van individuele onderzoekers op
                            projectbasis, maar om structurele, op bepaalde doelen gerichte samen-
                            werkingsverbanden van kennisinstellingen onderling en van kennisinstellingen
                            met bedrijven. Het laatste is het sterkst het geval bij de Integrated Projects. De
                            deelnemers aan de consortia worden geacht structureel een bepaalde onder-
                            zoekscapaciteit in te brengen en ze verplichten zich om gezamenlijk een werk-
                            programma ten uitvoer te brengen. De gemiddelde omvang daarvan wordt
                            door de Commissie geschat op plusminus 10 miljoen euro.9 Dat is gemiddeld
                            tien keer zo groot als de projecten van het Vijfde Kaderprogramma. Dit lijkt
                            enorm groot _ en voor de α- en γ-disciplines is het dat ook _ maar bedacht
                            moet ook worden dat de basisprogramma’s van de vier Nederlandse TTI’s
                            gemiddeld 75 miljoen euro bedragen, d.w.z. ruim zeven keer zo groot zijn.1 0
                            Bijkomend gegeven is dat de Europese instellingen de Brusselse beheerslast,
                            die met elk Kaderprogramma groter werd, drastisch willen terugdringen.
                         8  ‘Nederlands’ hier op te vatten als op Nederlands grondgebied gevestigde bedrijven en kennisinstel-
                            lingen. Het hoeven niet per se bedrijven of kennisinstellingen in Nederlands eigendom te zijn.
                         9 Deze omvang is niet formeel vastgelegd, formeel geldt alleen de eis dat een consortium voldoende
                            kritische massa moet hebben.
                        10 De vier TTI’s ontvangen gedurende 6 jaar gezamenlijk bijna 25 miljoen euro subsidie per jaar waar-
                            mee ongeveer de helft van de kosten wordt gedekt. Per TTI betekent dit een werkprogramma van
                            gemiddeld 75 miljoen euro.
                     20 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                             Daarom zal op het gebied van management en beheer veel aan de consortia
                             worden overgelaten. Voor veel deelnemers zal gelden dat er in meerdere
in meerdere opzichten        opzichten een opschalingsvraag aan de orde is:
     opschaling nodig        -    wat betreft ambities en te maken strategische keuzes
                             -    wat betreft het realiseren van een zekere kritische massa en schaalgrootte;
                             -    wat betreft financiële verplichtingen die men aangaat;
                             -    wat betreft de vereiste kwaliteit en capaciteit op het gebied van onderzoeks-
                                  management;
                             -    en _ last but not least _ het alert zijn op en de omgang met IPR.
                         Inschatting sterktes en zwaktes Nederlands onderzoeksbestel
                         19. Op basis van een rondgang langs personen die vanuit kennisinstellingen en
                             bedrijven ervaring hebben met Nederlandse participatie in EU-onderzoeks-
                             programma’s, komt de Raad tot de volgende inschatting van sterktes en zwak-
                             tes van het onderzoeksbestel m.b.t. deelname aan KP6 met zijn nieuwe
                             instrumenten.
 goede uitgangspositie   20. De uitgangspositie van Nederland is naar verhouding goed. In het nationale
                             beleid zijn in de achterliggende jaren maatregelen en initiatieven genomen die
                             Nederland passend hebben ‘voorgesorteerd’ voor KP6; niet speciaal met het
                             doel om beter voorbereid te zijn op KP6, maar zo pakt het wel uit.
   gelet op kwaliteit... .   Dit geldt in de eerste plaats in wetenschapsinhoudelijke zin. De kwaliteit van
                             Nederlandse wetenschappers is _ in vergelijkend internationaal perspectief _
                             goed.11 Wat betreft de thematische, inhoudelijke aansluiting bij de thema’s
                             van KP6 geldt dat de afgelopen jaren enige grote onderzoeksinitiatieven zijn
                             gestart, die Nederlandse partijen nu goed positioneren. De start van de vier
                             TTI’s, de Genomics-impuls, en ook de ICES-KIS programma’s dragen _ op
                             deelterreinen _ bij aan een goede basis voor deelname aan KP6.
         ...en ervaring  .  Ook procesmatig, als het gaat om het vormen van consortia en het inrichten
                             ervan, zijn goede ontwikkelingen te melden. Veel Nederlandse kennisinstellingen
                             en bedrijven weten inmiddels uit ervaring wat er komt kijken bij het vormen van
                         11 Zie o.a. Het Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie, Wetenschaps- en Technologie-
                             Indicatoren, MERIT/CWTS (2000); in De pijlers onder de kenniseconomie, CPB (2002) zijn enkele inter-
                             nationaal vergelijkende gegevens opgenomen. Daaruit blijkt dat wanneer aantallen publicaties per
                             onderzoeker en aantallen citaties als prestatiemaatstaf worden genomen, Nederland internationaal
                             zeer goed scoort.
                     21  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                een consortium, c.q. een samenwerkingsverband. Hierbij kan gewezen worden
                                op de wijze van totstandkoming van de TTI’s; de werkwijze bij IOP’s; de vorming
                                van top-onderzoeksscholen; de deelname aan Eureka-consortia; en recent het
                                indienen van voorstellen voor ICES/KIS-3, waarbij op grote en brede schaal is
                                ‘geoefend’ met consortiavorming.
                            Nederland staat in veel opzichten dus goed opgesteld, zowel wetenschapsinhou-
                            delijk als wat betreft ervaring op het gebied van consortiavorming en het creëren
                            van samenwerkingsverbanden (het ‘spelen van het spel’).
            knelpunten bij  21. Naast deze positieve berichten, wijst de Raad op een aantal knelpunten voor
         kennisinstellingen     deelname aan KP6.
                            .   Allereerst knelpunten die in essentie samenhangen met strategische keuzes
                                kunnen en willen maken. Dit speelt met name binnen de kennisinstellingen,
                                meer specifiek de universiteiten. Het nieuwe KP6-instrumentarium vraagt
strategische keuzes maken       inhoudelijk toegespitste inzet en kritische massa. Dit vereist het maken van
                                keuzes. Welke zwaartepunten en excellente groepen dienen langjarig
                                gestimuleerd te worden? En ook: welke onderzoekscapaciteit zou door deel-
                                name aan KP6 voor een langere periode vastgelegd moeten worden? Het
                                gangbare decentrale besluitvormingsmodel binnen universiteiten en het ega-
                                litaire denken staan het slagvaardig nemen van besluiten over dit type vragen
                                in de weg. Dit belemmert de totstandkoming van de vereiste schaalgrootte
                                voor KP6.12 Daarbij komt dat in de afgelopen jaren een aantal additionele orga-
                                nisatorische verbanden is gecreëerd, tussen en over universiteiten heen, zoals
                                onderzoeksscholen en TTI’s. Deze additionele structuren vereenvoudigen een
                                en ander bepaald niet. Spanningen zijn te voorzien bij het maken van keuzes
                                m.b.t. deelname aan KP6-consortia: wie heeft het voortouw en de uiteindelijke
                                zeggenschap? In het verlengde hiervan speelt de vraag naar het benodigd
                                bestuurlijk en financieel commitment voor deelname aan KP6-consortia: wie is
                                uiteindelijk verantwoordelijk, welke partij kan die verantwoordelijkheid waar-
                                maken?
        absorptiecapaciteit .   Een tweede knelpunt betreft de absorptiecapaciteit van het onderzoeksbestel
                                in termen van mensen en middelen. Dit geldt zeker voor die terreinen waarop
                                Nederland relatief grote nationale impulsen kent (genomics, een aantal
                                ICES/KIS-3 gebieden). De onderzoeksbetrokkenheid en -inzet die deze
                            12 Overigens bestaat binnen kennisinstellingen de vrees dat in KP6 ‘schaalgrootte’ gelijk gesteld wordt
                                aan ‘kwaliteit’. De nadruk op grootschalige programma’s kan bepaalde onderzoeks- en toepassings-
                                gebieden waar die schaalgrootte minder van belang is, in de knel brengen. Dit lijkt met name te spe-
                                len in α− en γ-gebieden. We gaan hierop niet verder in, omdat dit kritiek betreft op het KP6-instru-
                                mentarium zélf. Dat is niet de focus van dit advies.
                         22 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                                     nationale programma’s en impulsen vergen, kan concurreren met de gewen-
                                     ste inzet in internationaal verband, o.a. in het 6e Kaderprogramma. Er is
                                     immers een eindig aantal toppers en ‘trekkers’ voor programma’s en ook een
                                     eindig aantal in te schakelen onderzoekers voor de daadwerkelijke uitvoering
                                     van de projecten.
       research management      .    Ten derde zijn er knelpunten wat betreft research managementcapaciteit. De
                     capaciteit      consortia vergen een sterk management. Betrokkenen in bedrijven en kennis-
                                     instellingen signaleren hier een serieus tekort. Er zijn niet genoeg onderzoekers
                                     die consortia of hele grote projecten kunnen en willen leiden. Diegenen die
                                     het kunnen, zien dit als een onaantrekkelijke belasting. Het laten managen van
                                     consortia en grote projecten door professionele, commerciële project-
                                     managers van buiten, lijkt geen oplossing, omdat het bij een externe coör-
                                     dinator snel op inhoud tekort schiet.
  aandacht voor en ervaring     .    Tenslotte is oog hebben voor en ervaring met IPR voortkomend uit de
                       met IPR       Networks of Excellence en vooral de Integrated Projects een wezenlijk punt van
                                     aandacht en een potentieel knelpunt. De aandacht voor en ervaring met het
                                     regelen van IPR is niet in alle universitaire groepen even goed ontwikkeld. 13
                                     Goede afspraken kunnen maken over IPR is echter wel een wezenlijk bestand-
                                     deel van consortiavorming.
                                De     AWT     ziet     in     deze   vier    punten       de   belangrijkste      belemmerende
                                factoren voor kennisinstellingen (in mindere mate bedrijven) voor succesvolle
                                deelname aan KP6. En niet alleen voor deelname aan KP6, ook voor deelname aan
                                andere internationale onderzoeksnetwerken zijn dit belemmerende factoren. Het
                                is in eerste instantie aan bedrijven en kennisinstellingen zélf om hierop actie te
                                ondernemen en verbeteringen in gang te zetten. Voorzover de overheid hierbij
                                een rol kan spelen, komt dit in het volgende hoofdstuk aan de orde.
                                II.4. Rol overheid: aanbevelingen langs drie lijnen
                                22. Na de voorgaande analyse van kansen en bedreigingen alsmede sterktes en
zelfsturing en zelfregulering        zwaktes op nationaal niveau, is het zaak consequenties voor beleid te benoe-
             als uitgangspunt        men. Gezien de taakstelling van de AWT richt de Raad zich op de rol van over-
                                     heid en op de door de overheid (i.c. de ministeries van EZ en OCenW) te
                                13 Zoals in een eerder AWT-advies aangegeven, pleit de AWT hiermee niet voor het méér octrooieren
                                     door universiteiten zelf. Wel voor een grote alertheid op mogelijkheden van commercialisering en
                                     het opdoen van ervaring met het regelen van IPR voortvloeiend uit onderzoek. Zie AWT-advies nr.46
                                     Handelen met kennis.
                            23  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>       nemen maatregelen. De Raad realiseert zich dat hiermee slechts een deel van
       de problematiek wordt aangekaart. Diverse andere actoren spelen een min-
       stens zo belangrijke, zo niet belangrijker rol: individuele onderzoekers in
       bedrijven en kennisinstellingen, het strategisch management in die bedrijven
       en    kennisinstellingen,    intermediaire    organisaties   als   NWO     en  EG
       Liaison/Senter. Deze partijen zijn, ieder voor zich én in hun samenspel, zélf ver-
       antwoordelijk voor veel van de acties die moeten worden ondernomen om
       Nederland naar behoren deel te laten nemen aan KP6 en goed voorbereid te
       laten zijn op de verdere internationalisering van onderzoek. Een dergelijke zelf-
       sturing en zelfregulering is een groot goed. Dat laat onverlet dat er taken zijn
       die bij uitstek door de overheid vervuld dienen te worden. Welke dit in de
       ogen van de AWT zijn, staat hier centraal.
   23. De Raad komt tot de volgende drie hoofdlijnen van aanbevelingen, gericht op
       een effectieve deelname aan KP6 door Nederlandse (kennis)instellingen op de
       kortere termijn, alsook op versterking van de internationale positie van
       Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen op de langere termijn.
   A. Scheppen stimulerende condities en randvoorwaarden.
       Concrete aanbevelingen:
   -   ‘Investeer’ structureel en op adequaat niveau in de kennisinstellingen; zorg daar-
       bij voor een goede balans tussen (a) excellentie en zwaartepunten, (b) een brede
       basis en (c) ruimte voor vernieuwing.
   -   Investeer op hoog niveau in de netwerkfunctie van de overheid door de formele en
       informele vertegenwoordiging in Brussel te versterken en verzwaren.
   -   Zorg in Nederland voor een betere afstemming en wisselwerking tussen het natio-
       nale en internationale beleidscircuit.
   B. Actief faciliteren en stimuleren van deelname aan KP6.
       Concrete aanbevelingen:
   -   Zorg voor een hoogwaardige en pro-actieve voorlichting rond KP6, gericht op ‘make-
       len en schakelen’ tussen relevante partijen.
   -   Zorg voor een goed overzicht van en inzicht in wat er feitelijk gebeurt aan _ voor
       Kaderprogramma’s relevante _samenwerkingen in het onderzoeksveld.
   -   Zorg voor een goede helpdesk voor de benodigde ondersteuning bij deelname aan
       KP6.
   -   Beleg de drie taken van makelen/schakelen, inhoudelijke monitoring en helpdesk bij
       EG Liaison. Dit vergt een herpositionering alsmede taakverandering en -verzwaring
       van EG Liaison.
24 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                           C. Visie op verdergaande internationalisering onderzoeksbeleid.
                               Concrete aanbeveling:
                           -   Entameer strategische discussies over internationalisering van het onderzoeksbe-
                               leid. Laat dit onderdeel zijn van lopende processen en praktijken (‘mainstreaming’
                               van het internationaliseringbeleid), maar zorg wel voor enige regie. Voer deze stra-
                               tegische discussies nadrukkelijk met het oog op het Nederlandse EU-voorzitter-
                               schap in 2004.
                           De Raad werkt deze drie lijnen van aanbevelingen in het navolgende uit.
                           A. Scheppen stimulerende condities en randvoorwaarden
                           24. De AWT ziet als belangrijkste taak van de overheid het in structurele zin schep-
                               pen van stimulerende condities en faciliterende randvoorwaarden voor een
taak overheid: scheppen        goed functioneren van de Nederlandse publieke en private kennisinfra-
         van condities en      structuur in een internationaliserende context. Dit teneinde actoren in het veld
       randvoorwaarden         zélf optimaal hun rol te laten spelen, en kansen in termen van ‘kennis als
                               vermogen’ te laten realiseren. In wezen gaat het hier om het bepalen van een
                               ‘nationale wetenschaps- en innovatie-strategie’, passend bij het eerder door
                               de Raad benoemde ‘nationale belang’. De richtinggevende vraag hierbij is:
                               hoe het nationale beleid in te richten teneinde een sterke internationale
                               positie (in termen van ‘kennis als vermogen’) te verwerven en te behouden?
                               De beantwoording van deze vraag is niet alleen relevant voor deelname aan
                               KP6 op de kortere termijn, ook de internationale positie van het Nederlands
                               onderzoeksbestel op langere termijn is in het geding. Het is daarbij zaak te
                               komen tot een vruchtbare complementariteit van het nationale en EU- c.q.
                               internationale wetenschaps- en innovatiebeleid.
                           25. Een eerste lijn wat betreft het scheppen van voorwaarden is het structureel blij-
                               ven ‘investeren’ in kennisinstellingen. Investeren in termen van geld; het blijft
     blijven investeren...     zaak voortdurend te bezien of en waar extra investeringen nodig zijn. Maar
                               zeker en vooral ‘investeren’ in termen van aandacht, door gewenste ontwik-
                               kelingen toe te juichen en ongewenste aan te kaarten. De AWT vindt dat daar-
                               bij de volgende drie elementen in goede balans een plaats dienen te hebben:
      ...in excellentie en .   Inzetten op excellentie en zwaartepuntvorming. Excellente onderzoeks-
          zwaartepunten        groepen zijn het uithangbord van de Nederlandse kennissamenleving, het zijn
                       25  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                                uitingen van de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsplaats. Meer
                                dan in het verleden is durf nodig om te kiezen voor excellentie. De verdelende
                                rechtvaardigheid moet worden teruggedrongen. Geheel in lijn met de benade-
                                ring van ‘kennis als vermogen’ is de rol van de overheid daarbij niet om zélf
                                vooraf zwaartepunten aan te wijzen, maar om het beschikbare instrumen-
                                tarium zó in te zetten dát excellentie en zwaartepunten tot stand komen. Het
                                is zaak gebruik te maken van dat wat bottom up opbloeit, om dat te bundelen
                                en versterken. De overheid heeft hierbij een rol te spelen omdat (universitaire)
                                onderzoeksgroepen uit zichzelf niet gemakkelijk tot samenwerking en bunde-
                                ling komen. Daarbij moet wel de nodige inhoudelijke flexibiliteit worden
                                betracht; onderzoeksgroepen dienen niet op nauw omschreven gebieden
                                vastgepind te worden. Een dergelijke strategie gericht op excellentie en
                                zwaartepuntvorming vergt een lange adem, met langjarige investeringen.
      ...in een brede basis .   Excellentie en topkwaliteit kan alleen opkomen en floreren bij de gratie van
                                een brede basis. Dat vergt investeringen in het instandhouden van die basis.
                                Een brede basis is ook nodig om de vruchten van elders ontwikkelde kennis te
                                kunnen plukken.
      ...en in vernieuwing  .   Ten derde is een zekere vrije ruimte noodzakelijk voor vernieuwing.
                                Kiemvorming voor toekomstige kennisontwikkeling moet worden gekoesterd
                                en gestimuleerd. Dit raakt aan de eerder door de AWT gesignaleerde
                                matchingsproblematiek.1 4 De stapeling van onderzoeksfondsen die om
                                matching vragen, leidt in sommige delen van de Nederlandse kennisinfra-
                                structuur tot minder ruimte voor vrij en vernieuwend onderzoek; het beperkt
                                de onmisbare kiemvorming.
                                Aanbeveling: ‘Investeer’ structureel en op adequaat niveau in de kennisinstellin-
                                gen; zorg daarbij voor een goede balans tussen (a) excellentie en zwaartepunten,
                                (b) een brede basis en (c) ruimte voor vernieuwing.
beter netwerken in de EU    26. Wat betreft het scheppen van condities en randvoorwaarden is een tweede lijn
                                van aanbevelingen om de overheid zélf intensiever te doen deelnemen in net-
                                werken in diverse EU-verbanden. Alhoewel Nederland er redelijk in slaagt de
                                Nederlandse belangen voor het voetlicht te brengen, constateert de AWT, op
                                basis van de gesprekken die ter voorbereiding van dit advies zijn gevoerd, dat
                                op een aantal punten nog aanmerkelijke winst is te behalen. Hij wijst hierbij
                                op de volgende punten:
                               - versterking en verzwaring van de Nederlandse vertegenwoordiging in
                            14 AWT briefadvies over Matching van onderzoek, maart 2002; zie http://www.awt.nl
                        26  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                                   relevante, officiële gremia. De urgentie van een ‘zware’, hoogwaardige ver-
                                   tegenwoordiging wordt nog te weinig ervaren en in praktijk gebracht; de
                                   officiële vertegenwoordigingen moeten nadrukkelijk meer zijn dan ‘verplich-
                                   te nummers’.
                               - een sterkere inzet en tijdsinvestering in die fasen van besluitvorming waarin
                                   de terms of reference en de uitvoeringsmodaliteiten worden vastgesteld die
                                   bepalend zijn voor de verdere gang van zaken. Dit gaat veelal buiten
                                   officiële, staande gremia om. Het is zaak juist in die fasen van besluitvorming
                                   actiever te zijn en _ informeel _ de juiste netwerken te leggen en aan te spre-
                                   ken. Ook hiervoor geldt dat een ‘zware’ inzet benodigd is.15
                               - los van EU-besluitvorming meer investeren in informeel netwerken met ver-
                                   tegenwoordigers van andere lidstaten en in het wheelen en dealen dat rond
                                   officiële bijeenkomsten plaatsvindt. Het gaat daarbij niet om het lobbyen
                                   voor specifieke Nederlandse voorstellen, maar om het benutten van kansen
                                   om Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen goed voor het voetlicht te
                                   brengen.
                                          Aan deze drie punten kan via een diversiteit van kanalen gewerkt wor-
                                den. De Raad acht in ieder geval een grotere mate van betrokkenheid van de
                                ambtelijke top van EZ en OCenW (als coördinerende departementen) nood-
                                zakelijk. Daarnaast is een versterking c.q. verzwaring van de onderzoeksvoor-
                                post bij de Permanente Vertegenwoordiging wenselijk. Andere zinvolle maat-
                                regelen, gericht op een sterkere netwerkfunctie, zijn o.a. het stationeren _ in
                                vaste posities of gedetacheerd _ van Nederlanders op relevante posten bij de
                                Europese Commissie (m.n. bij DG Onderzoek), en het vormen van een pool
                                van Nederlandse experts voor een goede vertegenwoordiging naar het
                                bestand van evaluatoren waarvan de Europese Commissie gebruik maakt.
                                Aanbeveling: Investeer op hoog niveau in de netwerkfunctie van de overheid door
                                de formele en informele vertegenwoordiging in Brussel te versterken en verzwaren.
in Nederland: gescheiden    27. Een derde aanbeveling in de randvoorwaardelijke en conditiescheppende sfeer
 beleidscircuits met elkaar     is om zichtbaar meer verwevenheid tot stand te brengen tussen het nationale
                 verbinden      en het Europese beleidscircuit. Alhoewel de Interdepartementale Werkgroep
                                Kaderprogramma goed functioneert, 16 heeft de Raad geconstateerd dat het
                                binnen de departementen vaak tamelijk gescheiden circuits zijn die zich bezig
                            15 Hoewel dit advies niet handelt over de inrichting en uitvoering van KP6, wijst de AWT erop dat in
                                vrijwel alle gesprekken die ten behoeve van dit advies zijn gevoerd, de wens werd geuit dat de
                                Nederlandse overheid in Brussel hamert op werkbare, transparante en efficiënte uitvoeringsmoda-
                                liteiten voor KP6.
                            16 Zie o.a. het rapport EU-technologiesubsidies van de Algemene Rekenkamer (2000).
                        27  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>       houden met respectievelijk het nationale en het Europese onderzoeksbeleid.
       Daardoor worden kansen gemist. Dit gaat sterker spelen naarmate een groter
       deel van het onderzoeksbeleid internationaal tot stand komt. Dit vergt niet
       zozeer meer inspanningen van degenen die in het EU-circuit participeren,
       maar juist van degenen die actief zijn in het Nederlandse beleidscircuit. De
       hierboven bepleite netwerkfunctie in de EU kan pas goed vervuld worden van-
       uit een sterke wisselwerking met het Nederlandse beleid. EU-onderzoeksaan-
       gelegenheden mogen niet het exclusieve domein zijn van degenen die in het
       Brusselse circuit participeren, maar dienen goed verankerd te zijn in het natio-
       nale beleidscircuit. Binnen de departementen zullen daarom meer inspannin-
       gen verricht moeten worden om goed op de hoogte te zijn van de agenda en
       de actuele gang van zaken in Brussel. De ambtelijke top zal het goede voor-
       beeld moeten geven door veel belangstelling te tonen voor wat in Brussel
       geschiedt en door zichzelf tijdig de vraag te stellen hoe het nationale en het
       internationale beleid zich tot elkaar verhouden.
       Aanbeveling: Zorg in Nederland voor een betere afstemming en wisselwerking tus-
       sen het nationale en internationale beleidscircuit.
   28. De Raad stelt vast dat de Nederlandse overheid (i.c. EZ en OCenW) op een aantal
       van de hier genoemde randvoorwaardelijke en conditiescheppende punten op de
       goede weg is of zich op zijn minst realiseert dát acties nodig zijn. Elementen van
       het bovenstaande worden al in de praktijk gebracht. Dat is toe te juichen, maar
       een en ander dient in het licht van de verdergaande internationalisering van het
       beleid verder invulling te krijgen en coherent in de praktijk gebracht te worden.
   B. Actief faciliteren en stimuleren van deelname aan KP6
   29. De besproken lijn van aanbevelingen (A) is gericht op het structureel schep-
       pen van de juiste condities en randvoorwaarden voor internationalisering van
       onderzoek. De volgende aanbevelingen (B) richten zich specifiek op de over-
       heidsmaatregelen ten behoeve van deelname aan het 6 e Kaderprogramma. De
       eerder gemaakte relativerende kanttekeningen bij het EU-Kaderprogramma
       laten onverlet dat overheidsacties gericht op het faciliteren en stimuleren van
       deelname aan KP6 gewenst zijn. Vooral om te helpen bevestigen dát wij ons
       internationaal met de top kunnen meten en om daarmee de aantrekkelijkheid
       van Nederland als vestigingsland te vergroten. Deelname in internationale
       consortia draagt bij aan een goed kennisklimaat en is wenselijk vanuit het
28 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                                 perspectief van ‘kennis als vermogen’. De vraag is welke overheidsacties
                                 gewenst zijn (en welke niet!) om effectief consortiavorming te stimuleren en
                                 faciliteren, en daarmee vruchtbare Nederlandse deelname aan KP6 te bevor-
                                 deren. De Raad merkt daarover het volgende op.
                             30. Een eerste belangrijke faciliterende activiteit is een goede voorlichting over de
     voorlichting gericht op     kansen die het 6 e Kaderprogramma biedt en de voorwaarden die daarbij gelden.
     ‘makelen en schakelen’      Extra voorlichtingsinspanningen zijn nodig, o.a. over de nieuwe werkwijze met
                                 Expressions of Interest voorafgaand aan de Call for Proposals. EG Liaison heeft dit
                                 voortvarend opgepakt. De nieuwe instrumenten in het zesde Kaderprogramma
                                 vergen echter méér dan traditionele voorlichting (eenrichtingsverkeer) aan te
                                 onderscheiden doelgroepen. In KP6 draait het immers om de vorming van
                                 onderzoeksconsortia. Gezien de weg die de Europese Commissie (gesteund
                                 door de overige Europese instellingen) met KP6 inslaat,17 acht de Raad een ver-
                                 dere accentverschuiving, wég van algemene voorlichting naar een meer pro-
                                 actieve gerichte aanpak van makelen en schakelen tussen partijen, noodzakelijk.
                                 Aanbeveling: Zorg voor een hoogwaardige en pro-actieve voorlichting rond KP6,
                                 gericht op ‘makelen en schakelen’ tussen relevante partijen.
                             31. In het verlengde van bovenstaande pro-activiteit, is het wenselijk dat er _ meer
inhoudelijke monitoring van      dan nu het geval is _ een goed overzicht bestaat van wat feitelijk in het onder-
   samenwerkingsprestaties       zoeksveld gebeurt. Dit overzicht heeft in de eerste plaats ten doel om die
                                 partijen die een consortium willen vormen of die daaraan willen deelnemen
                                 informatie te kunnen verschaffen m.b.t. (internationale) samenwerkings-
                                 mogelijkheden en kansen. Dit vergt alertheid op en begrip van hetgeen in het
                                 veld gebeurt, de plannen die er zijn en de ideeën die er leven. Omdat hiervoor
                                 uiteraard geen centraal meldpunt bestaat, moet worden nagedacht over min
                                 of meer structurele kanalen en informatiebronnen om dit soort informatie in
                                 een vroeg stadium te verkrijgen.
                                            Deze inhoudelijke monitoring moet ten tweede zinvolle informatie
                                 voor het overheidsbeleid opleveren. Daarbij gaat het om het verkrijgen en
                                 behouden van een goed beeld van de Nederlandse participatie, kwantitatief
                                 en kwalitatief, bij de totstandkoming van consortia.
                             17 Denk hierbij oa. aan:
                                 - het grote belang dat wordt gehecht aan Expressions of Interest; deze zullen in toenemende mate
                                 worden benut voor het bepalen van de invalshoeken van de Calls for Proposals en om de readiness
                                 van de voorgestelde consortia te beoordelen.
                                 - het gegeven dat er minder Calls for proposals zullen zijn dan in eerdere Kaderprogramma’s; per
                                 deelthema één specifiek gebied zal er naar verwachting gedurende de looptijd van het KP slechts één
                                 Call for proposals komen.
                          29 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                               Aanbeveling: Zorg voor een goed overzicht van en inzicht in wat er feitelijk gebeurt
                               aan samenwerkingen in het onderzoeksveld (inhoudelijke monitoring).
                           32. Een derde faciliterende activiteit is het inrichten van een goede helpdesk. Het tot
                 helpdesk      stand brengen van een consortium heeft immers heel wat meer voeten in de aarde
                               dan het indienen van een projectvoorstel zoals bij vorige Kaderprogramma’s. Er
                               moet niet alleen een inhoudelijk werkplan worden ingediend, het consortium
                               moet ook over een complete managementstructuur beschikken en de partners
                               zullen de onderlinge betrekkingen goed moeten regelen in contracten. Die
                               contracten zullen afspraken moeten bevatten m.b.t. ieders inbreng in het consor-
                               tium, de verdeling van de Brusselse middelen, de regeling van IPR en de verdeling
                               van eventuele opbrengsten daaruit, de regeling van de aansprakelijkheid, afspra-
                               ken omtrent toe- en uittreding van partners enz.. Er worden weliswaar model-
                               contracten ontwikkeld door de Europese koepelorganisaties van universiteiten en
                               bedrijven, maar daarmee kan niet worden volstaan. Vooral voor universitaire groe-
                               pen is een nationale ‘helpdesk ‘ gewenst. De ondersteuning door deze helpdesk
                               dient zich in de ogen van de Raad niet uit te strekken tot het feitelijk opstellen van
                               contracten. De helpdesk moet juristen en financiële experts goed kunnen advise-
                               ren, o.a. over de implicaties van de Brusselse regelgeving. De Raad stelt zich voor
                               dat de bedoelde helpdesk gebruik maakt van expertise die inmiddels aanwezig is
                               bij andere partijen (grote bedrijven, NWO, TNO, ed.).
                               Aanbeveling: Zorg voor een goede helpdesk voor de benodigde ondersteuning bij
                               deelname aan KP6.
                           33. Bij de bovenstaande drie aanbevelingen is nog niet de vraag aan de orde geweest
      doelgroep: kansrijke     op wie dergelijke stimulerende overheidsacties gericht dienen te zijn. Anders dan
samenwerkingsverbanden,        bij vorige Kaderprogramma’s zal het nu minder om separate doelgroepen als ‘het
  met extra aandacht voor      MKB’ of ‘de universiteiten’ gaan en veel meer om de kansrijke samenwerkings-
    universitaire groepen      verbanden van uiteenlopende Nederlandse én buitenlandse organisaties. Dat
                               vergt _ zoals reeds aangegeven _ een andere aanpak: minder algemeen voorlich-
                               tend, meer pro-actief makelen/schakelen en helpdesk-ondersteuning. Niet elke
                               partij zal op een dergelijke facilitering zitten te wachten. Dat geldt met name voor
                               TNO, de GTI’s, de TTI’s en de grote bedrijven.18 Voor de universiteiten en het MKB
                               ligt dit genuanceerder.
                           18 Mede op grond van hetgeen door de betrokkenen zelf in de oriënterende gespreksronde ten behoe-
                               ve van dit advies naar voren is gebracht, concludeert de Raad dat TNO, de GTI’s, de TTI’s en de grote
                               bedrijven in staat moeten worden geacht om zichzelf te kunnen redden. Zij zitten niet te wachten
                               op een vorm van ondersteuning of facilitering door de overheid die verder gaat dan het scheppen
                               van voorwaarden en het wegnemen van belemmeringen.
                       30  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                                       Naar verwachting zijn het vooral universitaire onderzoeksgroepen die
                             een steuntje in de rug behoeven. Alhoewel het beeld binnen universiteiten
                             divers is, constateert de Raad dat de in hoofdstuk II.3 aangegeven knelpunten
                             met name in universiteiten spelen. Juist op deze punten alsmede het aangaan van
                             samenwerkingsrelaties met bedrijven kunnen de aangegeven faciliterende acties
                             een nuttige ondersteuning bieden, bijvoorbeeld wat betreft het maken van een
                             realistische inschatting van kansen.
                                       Voor wat betreft het MKB stelt de Raad vast dat de nieuwe instrumenten
                             van KP6 niet goed passen bij het MKB in de breedte. Het ligt voor de hand dat
                             geen sprake zal zijn van een brede MKB-deelname aan deze nieuwe instrumen-
                             ten.19 Uiteraard ligt dit anders voor enkele high tech MKB-bedrijven. Al met al lijkt
                             het de Raad niet aanbevelenswaardig dat de overheid brede MKB-deelname aan
                             de nieuwe instrumenten van KP6 geforceerd stimuleert. Veel belangrijker dan een
                             directe MKB-deelname aan deze instrumenten, vindt de Raad een goede veranke-
                             ring en overdracht van kennis voortkomend uit KP6-consortia, vooral naar het
                             technologie-volgend MKB. TNO heeft hierbij uiteraard een taak. Andere gerichte
                             kennisoverdrachtsacties zijn denkbaar, bijvoorbeeld in de vorm van het aanstellen
                             van een ‘kennismanager’ bij Senter zoals ook bij de IOP’s is gedaan.
                         34. Een aansluitend punt van aandacht is de vraag welke bestaande organisatie20 met
EG Liaison met deze drie     de hierboven besproken drie taken belast moet worden. De meest voor de hand
          taken belasten     liggende kandidaten zijn EG Liaison/Senter en NWO.21 Alhoewel het de AWT er
                             vooral om gaat dát de overheid zorgdraagt voor uitvoering van de genoemde drie
                             taken, spreekt hij zijn voorkeur ervoor uit deze taken zoveel mogelijk bij EG Liaison
                             onder te brengen, met gebruikmaking van elders aanwezige expertise. Inschatting
                             is dat het leeuwendeel van het KP6-budget naar de Integrated Projects gaat, en
                             slechts een deel naar de Networks of Excellence. Dan ligt EG Liaison met zijn bedrij-
                             vencontacten meer voor de hand dan NWO. EG Liaison is in het verleden
                         19 Alhoewel minstens 15% van het KP6-budget voor de prioritaire thema’s voor het MKB bestemd is,
                             zijn de instrumenten die binnen deze thema’s met voorrang worden ingezet niet erg geschikt voor
                             het MKB. De Networks of Excellence zijn niet geschikt omdat het hierbij veelal om funderend onder-
                             zoek gaat, de Integrated Projects zijn niet geschikt, hoewel ze op productontwikkeling zijn gericht,
                             vanwege de vereiste omvang van de consortia. Het MKB zal hierin alleen als subcontractant kunnen
                             deelnemen, veelal in het stadium dat er iets te demonstreren valt. Veel belangrijker voor het MKB in
                             brede zin is dat er binnen KP6 een nieuwe regeling bestaat voor collectief onderzoek voor branche-
                             organisaties. Voor deze regeling, die door MKB Nederland en door TNO als veelbelovend wordt
                             gezien, is 430 miljoen euro beschikbaar.
                         20 De AWT is geen voorstander van het instellen van nieuwe, aparte organisaties wanneer additionele
                             taken verricht moeten worden, of wanneer bestaande taken niet goed uitgevoerd worden. Het is
                             zaak het bestaande te verbeteren, niet om er organisaties naast te zetten.
                         21 Vanuit dit licht is het toe te juichen dat EG Liaison/Senter en NWO recentelijk besprekingen hebben
                             gevoerd over onderlinge afstemming van activiteiten en samenwerkingsmogelijkheden.
                      31 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                               ingesteld om de voorlichting rond de EU-Kaderprogramma’s voor zijn rekening te
                               nemen.22 Onderbrenging van de drie aangegeven taken bij EG Liaison bete-
                               kent wel een fikse verschuiving in de aard van hun activiteiten (meer proactief,
                               makelend en schakelend), in de wijze van opereren (netwerkspeler, geen een-
                               richtingsverkeer) en ook een taakverzwaring (o.a. wat betreft informatievoor-
                               ziening). Uit de gesprekken die de AWT in het veld heeft gevoerd, is duidelijk
                               geworden dat EG Liaison de hierboven beschreven taken niet zonder meer zal
                               kunnen uitvoeren. Een herpositionering van EG Liaison is noodzakelijk: duide-
                               lijkheid over taakstelling, goede dwarsverbanden en netwerken met andere
                               intermediaire organisaties met name NWO en VNO-NCW, maar ook terug-
                               koppeling van de ervaringen van EG Liaison naar de beleidsdepartementen.
                               Aanbeveling: Beleg de drie taken van makelen/schakelen, inhoudelijke monitoring
                               en helpdesk bij EG Liaison. Dit vergt een herpositionering alsmede taakverandering
                               en -verzwaring van EG Liaison.
                           35. Naast bovengenoemde faciliterende activiteiten, zijn meer gerichte financiële
                               incentives denkbaar om de deelname aan KP6 te bevorderen. De AWT is van
                               mening dat hiermee terughoudend moet worden omgegaan, teneinde de
                               lappendeken van subsidies niet nog bonter te maken.
      géén matchingfonds                 De Raad acht het in ieder geval niet wenselijk om feitelijke deelname
                               aan KP6 te premiëren door een zekere matching van overheidszijde toe te
                               zeggen wanneer men erin slaagt voorstellen gehonoreerd te krijgen. Dat zou
                               het gevaar vergroten dat instellingen zich richten naar subsidiepotten in plaats
                               van naar hun eigen strategische keuzes. De Raad vindt het overigens wel zin-
                               vol en acceptabel om _ daar waar onderzoeksthema’s van nationale en EU-
                               programma’s in elkaars verlengde liggen _ een losser anti-cumulatiebeding in
                               de nationale programma’s te hanteren ten behoeve van een beperkte stapel-
                               mogelijkheid van nationale en EU-subsidies. Bovengenoemd gevaar is hierbij
                               minder groot dan bij een matchingfonds. Het gaat dan om lagere bedragen,
                               en belangrijker: premiëring is dan geen automatisme _ men moet zich twee
                               keer bewijzen.
géén subsidieregeling voor               Een tweede mogelijke financiële incentive is een zekere tegemoet-
            aanloopkosten      koming in de aanloopkosten bij consortiavorming, zoals bijvoorbeeld vergoe-
                               ding van reiskosten of een bijdrage in de kosten van te organiseren bijeenkomsten.
                               Alhoewel de aanzienlijke _ en risicodragende _ inspanning van trekkers van
                           22 Het is zinvol de ontstaansgeschiedenis van EG Liaison te memoreren. EG Liaison komt oorspronkelijk
                               voort uit NWO en VNO-NCW; later is EG Liaison aan het ministerie van EZ gekoppeld en onderge-
                               bracht bij Senter.
                       32  AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                               consortia in de voorfase hogelijk geapprecieerd dient te worden, is een apar-
                               te subsidieregeling hiervoor niet nodig en ook niet van doorslaggevende bete-
                               kenis voor deelname aan KP6. Partijen zijn over het algemeen bereid en in
                               staat om de relatief geringe aanloopkosten voor eigen rekening te nemen.
                               Voor die gevallen waarbij de financiële mogelijkheden wél een serieuze beper-
                               king vormen, moet er op een flexibele wijze, niet via een regeling die recht
                               geeft op subsidie, snel en ruimhartig hulp geboden worden. EG Liaison zou
                               hiertoe fondsen ter beschikking moeten hebben.
                           36. Een punt van overweging bij het stimuleren van de deelname aan KP6 is ten-
                               slotte of de overheid een coördinerende, sturende rol zou moeten ambiëren
   géén coördinerende rol      bij het indienen van de voorstellen voor consortia. In lijn met het gestelde
                  overheid     onder punt A moge duidelijk zijn dat de AWT hiervan geen voorstander is. Hij
                               ziet de rol van de overheid beperkt tot het structureel scheppen van zodanige
                               randvoorwaarden en condities, dat kennisinstellingen en bedrijven zichzélf
                               kunnen redden. Zoals eerder aangegeven (zie tekstblok nr. 25), kent de AWT
                               de overheid wel incidenteel een licht interveniërende rol toe, die erop gericht
                               is om dat wat bottom up opbloeit, te bundelen en te versterken. Waar nodig
                               kan de overheid enige incentives geven om tot gezamenlijke zwaartepunt-
                               vorming te komen en zo de benodigde kritische massa en daarmee internatio-
                               nale zichtbaarheid te realiseren, zoals bij voorbeeld met het ICES/KIS-3 instru-
                               ment het geval is. De AWT pleit dus voor een overheid die niet op voorhand
                               kiest, maar bij gebleken geschiktheid en sterkte, zich inspant om de deelname
                               aan KP6 tot een succes te maken.
                           C. Visie op verdergaande internationalisering onderzoeksbeleid
                           37. De derde en laatste lijn van aanbevelingen over de rol en de taak van de over-
                               heid, heeft betrekking op het agenderen van langere termijn, strategische
                               vraagstukken die door de internationalisering van het onderzoeksbeleid wor-
lange termijn vraagstukken     den opgeroepen. De Raad acht het van groot belang dat hierover in
                agenderen      Nederland discussies worden gevoerd. Bij voorkeur leiden die tot een
                               gezamenlijke visie en tot gezamenlijke standpunten die elders kunnen worden
                               ingebracht teneinde de Nederlandse belangen eendrachtig te kunnen behar-
                               tigen. Het is zaak deze discussies onderdeel te laten zijn van lopende processen
                               en praktijken ("mainstreaming" van het internationaliseringsbeleid) om
                        33 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                                afschuiven ('daar hebben we een apart gremium voor') te voorkomen. Dit
                                neemt niet weg dat enige regie wenselijk is, en daarmee het aanwijzen van een
                                partij die verantwoordelijk is voor het entameren van de bedoelde strategische
                                discussies.
                                        De AWT onderscheidt drie soorten vraagstukken die nadere strate-
                                gische discussies vergen:
                            .   Beleidsvraagstukken die raken aan de openheid c.q. geslotenheid van het
     openheid/geslotenheid      Nederlandse onderzoeks- en innovatiesysteem. Concrete vraagstukken die de
             onderzoeks- en     komende jaren op de agenda moeten komen te staan zijn:
           innovatiesysteem     -     De mate van, de manier waarop en het tempo waarin nationale (onder-
                                      zoeks)subsidieregelingen worden opengesteld voor buitenlandse deelna-
                                      me; wanneer, vanuit welke argumentatie, mag de Nederlandse belasting-
                                      euro in het buitenland neerslaan?
                                -     De mate en wijze van internationalisering van o.a. TNO, de GTI’s en TTI’s;
                                      wat is daarbij in het Nederlands belang?
                                -     De mate en wijze van aantrekken van buitenlandse onderzoekers, al dan
                                      niet op tijdelijke basis; hoe dit structureel, voor de langere termijn goed
                                      in te richten?
                                Deze vraagstukken vergen nadere visievorming op wat het ‘Nederlands
                                belang’ is; een kader is nodig waartegen beslissingen kunnen worden
                                afgewogen. De AWT heeft hieromtrent in dit advies een voorzet gegeven door
                                ‘kennis als vermogen’ voorop te stellen.
                            .   Ontwikkelen van een Nederlandse visie op het toekomstige Europese onder-
inrichting van het Europese     zoeksbestel en de plaats van de Kaderprogramma’s daarin. In dit advies is kort
           onderzoeksbestel     aangegeven (zie tekstblokken nrs. 5 t/m 8) welke ontwikkelingen gaande zijn
                                en welke posities worden ingenomen. Een breed gedeelde visie hieromtrent
                                kan helpen om het Nederlandse standpunt met meer zeggingskracht naar
                                voren te brengen.
                            .   De _ vanuit een Nederlands perspectief _ wenselijke invulling van volgende
      toekomstige invulling     Kaderprogramma’s. Er is veel discussie over en kritiek op de thematische invul-
     van Kaderprogramma’s       ling van KP6 en ook op eerdere Kaderprogramma’s. De AWT wijst hierbij op
                                de volgende aandachtspunten:
                              -     Vermindering van de technologische bias van de Kaderprogramma’s.
                                    Hoewel de Kaderprogramma’s niet meer uitsluitend de versterking van de
                         34 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>            concurrentiepositie van de Europese industrie tot doel hebben 23 heeft KP6
            nog wel een sterk technologische bias. Dat maakt KP6 in zijn potentiële
            wetenschappelijke resultaten veel interessanter voor de maakindustrie dan
            voor de dienstensector. De Nederlandse kenniseconomie kenmerkt zich
            echter door een dominerende handel- en dienstensector. Dit zal een
            belangrijk punt van aandacht moeten zijn bij de voorbereiding van KP7,
            een voorbereiding die nu al start;
     -      Ook is er in de Kaderprogramma’s nog steeds weinig ruimte voor onder-
            zoek ten behoeve van de aanpak van die maatschappelijke problemen
            waarmee de gehele EU geconfronteerd wordt, zoals criminaliteit en
            vergrijzing. De AWT is zich ervan bewust dat dit mede wordt veroorzaakt
            door het nog niet of nauwelijks aan de orde zijn van communautair beleid
            voor deze problemen. De Raad wil er in zijn algemeenheid voor pleiten om
            de ruimte die het Verdrag biedt om maatschappelijke onderwerpen in de
            Kaderprogramma’s op te nemen, ook ten volle te benutten. Het volgende
            Kaderprogramma zal meer thematische prioriteiten moeten bevatten
            waarin maatschappelijke prioriteiten centraal staan.
     -      Deels in het verlengde hiervan is bezinning nodig op de vraag welke
            vormen van internationale netwerkvorming wenselijk zijn voor de α- en γ-
            disciplines en in hoeverre de Kaderprogramma’s het meest geschikte
            instrument zijn om dit te stimuleren;
     -      Ook is bezinning nodig op de vraag voor welk deel van het MKB Europees
            georiënteerd onderzoek zinvol is en wat dan, naast EUREKA, zinvolle instru-
            menten zijn;
     -      Tenslotte is met het oog op de ERA de vraag aan de orde wat de meest
            wenselijke verhouding is tussen de thematische prioriteiten van het
            Kaderprogramma en de coördinatiemechanismen gericht op het verster-
            ken van de basis van de ERA.
     Aanbeveling: Entameer strategische discussies over internationalisering van het
     onderzoeksbeleid. Laat dit onderdeel zijn van lopende processen en praktijken
     (‘mainstreaming’ van het internationaliseringbeleid), maar zorg wel voor enige
     regie. Voer deze strategische discussies nadrukkelijk met het oog op het
     Nederlandse EU-voorzitterschap in 2004.
   23 Artikel 163 van het Verdrag van de Europese Unie stelt: ‘De Gemeenschap heeft als doelstelling de
       wetenschappelijke en technologische grondslagen van de industrie van de Gemeenschap te verster-
       ken en de ontwikkeling van haar internationale concurrentiepositie te bevorderen, alsmede de onder-
       zoeksactiviteiten te bevorderen die uit hoofde van andere hoofdstukken van dit Verdrag nodig worden
       geacht.' Artikel 166 van het Verdrag zegt: ‘Het Kaderprogramma wordt naar gelang van de ontwikke-
       ling van de situatie aangepast of aangevuld.'
35 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>   Literatuur
   - Algemene Rekenkamer (2000): EU-technologiesubsidies. Tweede Kamer,
     vergaderjaar 2000-2001. 27 545, nrs.1-2.
   - AWT (1996): Report on the Netherlands position on the Fifth Framework
     Programme of the EU. AWT-advies nr. 24.
   - AWT (2001): Sturing van wetenschap. Briefadvies.
   - AWT (2002): Matching van onderzoek. Briefadvies.
   - Bot, B.R. (2002): Behartiging van Nederlandse belangen in Brussel.
     In: Internationale Spectator. Maart 2002, 123-127.
   - CBS (2001): Kennis en economie. Onderzoek en innovatie in Nederland
   - Charlet, V. (2001): Analyse des participations francaises au cinquième PCRD. OST-
     studie voor het Franse Ministère de la Recherche (Direction de la Technologie)
   - CPB (2002): De pijlers onder de kenniseconomie. Opties voor institutionele
     vernieuwing.
   - Edler. J en P. Boekholt (2001): Internationalisieringsstrategien in der Wissen-
     schafts- und Forschungspolitik. Best practices im internationalen Vergleich.
     Studie für das Bundesministerium für Bildung und Forschung.
   - Edler, J. and P. Boekholt (2001): Benchmarking national public policies to
     exploit international science and industrial research: a synopsis of current deve-
     lopments. In: Science and Public Policy. August 2001, 313-321.
   - Gewijzigd voorstel voor een Besluit van het Europees Parlement en de Raad betref-
     fende het Zesde Meerjarenkaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor
     activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demon-
     stratie ter bevordering van de totstandbrenging van de Europese onderzoekruimte.
     2002-2006.       Brussel,    22/11/2001,      COM      (2001)     709    definitief.
     http://europa.eu.int/comm/research/nfp
   - Gewijzigd voorstel voor een Besluit van het Europees Parlement en de Raad betref-
     fende de regels inzake de deelneming van ondernemingen, onderzoekscentra en
     universiteiten en de regels inzake de verspreiding van onderzoeksresultaten ter uit-
     voering van het kaderprogramma van de Europese Gemeenschap 2000-2006.
     Brussel, 10/01/2002, COM (2001) 822 definitief http://europa.eu.int/comm/
     research/nfp
   - Introduction to the instruments available for implementing the FP6 priority
     thematic areas. Speaking Notes. DG Research, European Commission. Version:
     28 February 2002. http://europa.eu.int/comm/research/nfp/networks-ip.html
37 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>   - MERIT/CWTS (2000): Het Nederlands Observatorium van Wetenschap en
     Technologie, Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren
   - Naar een Europese onderzoekruimte. Mededeling van de Commissie aan de
     Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het
     Comité van de Regio’s. Brussel, 18/010/2000, COM (2000) 06.
   - Nederland en het Vijfde Kaderprogramma in 2000. Nederlandse deelnemingen in
     2000 aan projecten in het Vijfde Kaderprogramma voor onderzoek en techno-
     logische ontwikkeling van de Europese Unie. Senter Internationaal/EG Liaison,
     2001.
   - Nederland en het Vijfde Kaderprogramma in 1999. Nederlandse deelnemingen in
     2000 aan projecten in het Vijfde Kaderprogramma voor onderzoek en techno-
     logische ontwikkeling van de Europese Unie. Senter Internationaal/EG Liaison,
     2000.
   - NEST-nieuws. Diverse nummers. Electronische nieuwsbrief van het Netherlands
     House for Science and Technology, Brussel.
   - Nieuwsbrief EU-Kaderprogramma, nr. 28 . IWK, december 1999.
   - A provisional description of networks of excellence as an instrument for implemen-
     ting the priority themes of the Sixth Framework Programme (as of May 2002). DG
     Research, European Commission. http://europa.eu.int/comm/research/fp6/
     networks-ip.html
   - A provisional description of integrated projects as an instrument for implementing
     the priority themes of the Sixth Framework Programme (as of May 2002). DG
     Research, European Commission. http://europa.eu.int/comm/research/fp6/
     networks-ip.html
   - Provisions for implementing Integrated Projects. Working document. DG
     Research, European Commission. 28 February 2002.              http://europa.eu.int/
     comm/research/nfp/networks-ip.html
   - Provisions for implementing Networks of Excellence. Working document. DG
     Research, European Commission. 28 February 2002. http://europa.eu.int/
     comm/research/nfp/networks-ip.html
   - Schendelen, R. van (2002): Machiavelli in Brussels. The art of lobbying in the EU.
   - Schregardus, P.A. en G.J. Telkamp (2001): Van coöperatie via coördinatie tot
     integratie. Van Spinelli tot Busquin: Onderzoeksbeleid van de Europese Unie in
     perspectief.     Onderzoeksrapport       van  het    Nederlands     Ínstituut voor
     Internationale Betrekkingen ‘Clingendael’ in opdracht van het Ministerie van
     Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
   - De subsidiepotten van Brussel. In: Academia, juni 2001.
38 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>   Bijlagen
   Bijlage 1: Adviesvraag ministeries van EZ en
                      OCenW
   Mogelijke gevolgen van een structurerende en integrerende werking van
   het volgende Kaderprogramma (2002-2006) op de organisatie van onder-
   delen van het Nederlandse publieke en private onderzoeksbestel.
   Aanleiding
   EU-commissaris Busquin heeft in 2000 zijn visie gepresenteerd op de Europese
   onderzoeksruimte (ERA). In 2001 is voorbereidend werk verricht voor de
   totstandkoming van het volgende _ zesde _ Kaderprogramma (KP6), welke vol-
   gens planning voorjaar 2002 vastgesteld dient te worden.
   Vraag
   Het is voor de overheid van belang inzicht te hebben in de gevolgen van deze ver-
   nieuwing in het EU-beleid voor het Nederlandse onderzoek, alsook inzicht te heb-
   ben in hoe onderzoeksorganisaties op deze verandering het beste kunnen anti-
   ciperen.
   - Zijn de wetenschappelijke, technische en managementcapaciteiten van
      Nederlandse universiteiten, publieke kennisinstellingen en private R&D labs
      kwalitatief aan de maat om op de KP6 terreinen mee te kunnen dingen naar
      deelname in Integrated Projects en Networks of Excellence en zijn zij bestuurlijk
      en administratief in staat acties te integreren in grote consortia?
   - Moet de overheid maatregelen nemen om deze deelname te vergemakke-
      lijken?
   - Hoe kan Nederland het beste profiteren van de nieuwe instrumenten in KP6 en
      welke eventuele bedreigingen zijn er voor het op zijn minst bijblijven bij de
      nieuwste ontwikkelingen?
   Oplevering
   Gezien de roadmap van totstandkoming van KP6 is advisering hieromtrent in mei
   2002 gewenst.
39 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   Bijlage 2: Totstandkoming advies
   Ten behoeve van de totstandkoming van dit advies heeft de AWT _ naast uiteraard
   besprekingen in de Raad en de subgroep uit de Raad die voor dit advies is
   gevormd _ de volgende activiteiten ondernomen:
   - Interviewronde in Nederland. Er is gesproken met circa 30 personen van
     kennisinstellingen, bedrijven en overheden (eind 2001/begin 2002). De
     gesprekspartners werden geselecteerd op grond van hun kennis van en betrok-
     kenheid bij het Europese onderzoek. Een overzicht van de geïnterviewden is in
     deze bijlage opgenomen. De gesprekken hadden betrekking op de kansen en
     bedreigingen van KP6 voor het Nederlandse onderzoeksbestel en op de sterk-
     tes en zwaktes van het bestel voor wat betreft deelname aan de nieuwe instru-
     menten van KP6.
   - Workshop ‘Anticiperen op KP6 nu en strategie voor de toekomst’ (12 maart
     2002). Een overzicht van de deelnemers aan deze door de AWT georganiseerde
     workshop is in deze bijlage opgenomen.
   - Enkele personen zijn vanwege hun deskundigheid en betrokkenheid bij EU-
     onderzoeksbeleid meer dan eens geraadpleegd. Dit waren: drs. P.J.
     Langenberg (PV Brussel), drs. R.J.H.M. Smits (Europese Commissie, DG
     Onderzoek), drs. C.M. Vis (NEST) en dr. P.A.J. Tindemans (GKS&P).
   - Gespreksronde in Brussel met ambtenaren van de Europese Commissie, met
     diplomatieke vertegenwoordigers van andere landen, en met vertegenwoordi-
     gers van Europese koepelorganisaties van kennisinstellingen (maart 2002).
     Doel van deze gesprekken was om na te gaan hoe andere landen zich voor-
     bereiden op KP6 en vanuit welke motieven zij dat doen. Een overzicht van de
     personen met wie in Brussel is gesproken is eveneens hieronder te vinden.
   - Deelname aan door Noorwegen georganiseerde conferentie ‘Preparing for the
     6th Framework Programme’ (maart 2002);
   - Regelmatig tussentijds overleg met contactpersonen van de ministeries van EZ
     en OCenW gedurende het adviestraject (verheldering adviesvraag in startfase,
     bespreking van de hoofdlijnen begin 2002 en tenslotte bespreking van het
     concept-advies voorjaar 2002). Intensief tussentijds contact was wenselijk van-
     wege de versnelling in het implementatietraject van KP6. Contactpersonen
     waren: mr. J.N. Houdijk, drs. J.L. Kamphuis, drs. D.R. Polman en mw. drs. M.H.
     Vink van het ministerie van Economische Zaken, en dr. P.Fenger en drs. H.C. van
     der Plas van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het con-
     cept-advies is tevens besproken met drs. R. Bemer (DG Innovatie ministerie EZ) en
     met mr. J. Vrolijk (DG Hoger Onderwijs en Wetenschappen, ministerie OCenW).
40 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>   - De eindversie van het advies is besproken met vertegenwoordigers van ver-
      schillende organisaties (NWO, VSNU, VNO/NCW, EG Liaison, TNO).
   De AWT dankt alle personen die op enige wijze aan de totstandkoming van dit advies
   hebben bijgedragen, met name degenen die meer dan eens zijn geraadpleegd.
   Uiteraard is alleen de AWT verantwoordelijk voor de inhoud.
   Geïnterviewden in Nederland
   Koepels universitaire wereld
   - drs. A. Bijlsma, NWO - Aard en Levenswetenschappen
   - mw.drs. A. Dijkstra, NWO - Geesteswetenschappen
   - drs. C.H. Moen, KNAW
   - mw. drs. Y.M. Groenstege, VSNU
   - mw. drs. L. Jaspers, UvA/UNITE
   - ir. G.A. Bohlander, UNITE
   - drs. C.M. Vis, NEST
   Universiteiten
   - prof.dr. P. Nijkamp, Vrije Universiteit Amsterdam
   - prof.dr. R.A. van Santen, TUE
   - G.N.M.J. Verschuren, TUE
   - prof.dr. R.T. Schilizzi, Onderzoekinstituut Sterrewacht Leiden en JIVE
   - prof.dr. C.H.C.M. Buys, RUG, Disciplinegroep Medische Genetica (en lid van de
      EURAB)
   - prof.dr. P.A.Th.J. Werry, WUR
   - W. Wolters, WUR
   Overheid
   - drs. E.J. Denekamp, Senter/EG Liaison
   - mw. mr. M. Hendriks-Du Prie, EG Liaison
   - drs. G. Weel, OCenW, OWB, ICT-kennisinfrastructuur
   - drs. R. Thönissen, VROM, Stafbureau Milieubeheer, lid Interdepartementale
      Werkgroep Kaderprogramma
   - ir. P.J.M. Keet, LNV, directie Wetenschap en Kennisbeleid, lid Interdepartementale
      Werkgroep Kaderprogramma
41 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   TNO en GTI’s
   - dr. C.L. Ekkers, TNO
   - drs. G. van de Schootbrugge, TNO
   - prof.dr. F.W. Saris, ECN
   - drs. F. van Oostvoorn, ECN Beleidsonderzoek
   Onafhankelijke adviseurs
   - dr. P.A.J. Tindemans, GKS&P
   - mw. dr. P. Boekholt, Technopolis
   Bedrijfsleven
   - mw. drs. J.A. van den Bandt-Stel, Technologie Commissie VNO/NCW
   - drs. K.A. Ravesloot, Technologie Commissie MKB Nederland
   - dr. J.J.H. van den Biesen, Philips Research
   - prof.dr. J. Maat, Unilever Research
   - mw.dr. E. de Brabander, DSM Fine Chemicals (en lid van de EURAB)
   Geïnterviewden in Brussel
   - drs. P.J. Langenberg, Nederlandse PV
   - drs. R.J.H.M. Smits, DG Onderzoek, Europese Commissie
   - drs. C.M. Vis, NEST
   - R. Escritt, DG Onderzoek, Europese Commissie
   - P. Kind, DG Onderzoek, Europese Commissie
   - F. de Bruïne en mw. M. Sanders, DG Informatiesamenleving, Europese
     Commissie
   - D. Andree en medewerker, Zweedse PV
   - mw. J. Monfret, Franse PV
   - dr. H. Schlesing en medewerker, European Association of Research and
     Technology Organisations (EARTO)
   - mw. dr. I. Knudsen, European University Association (EUA)
   - mw. M. Pacios, Spanish Office of Science and Technology (SOST)
   - R. Rodriguez, CSIC (Spaanse NWO)
   - dr. ing. M. Grabert, Koordinierungsstelle EG der Wissenschaftsorganisationen
     (KOWI, Duitsland)
42 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>   Deelnemers AWT-workshop 12 maart 2002
   ‘Anticiperen op KP6 nu en de strategie voor de toekomst’
   Kennisinstellingen
   - prof.dr. F.M. Dieleman, NWO-MaG/UU
   - dr. R.J. van Duinen, ESF
   - drs. L.J. Halvers, STW/Raadsadviseur AWT
   - ir. F. Holwerda, NLR
   - mr. E.M. d’Hondt, VSNU
   - dr.ir. G. van Oortmerssen, Centrum voor Wiskunde en Informatica
   - dr.ir. K. van ‘t Riet, TNO Voeding
   - prof.dr. R.T. Schilizzi, Joint Institute for VLBI Europe
   - drs. C.M. Vis, NEST
   - prof.dr.ir. H.J. de Vriend, Delft Hydraulics
   - prof.dr. P.A.TH.J. Werry, WUR/EURAGRIE
   - prof.dr.W. Harder, BioPartner Network
   TTI’s
   - drs. J.P. Bakker, Nederlands Polymeerinstituut DPI
   - prof.dr.ir. S. Radelaar, Netherlands Institute for Metals Research NIMR
   - dr.ir. H.Schaffers, Telematica Instituut
   Bedrijfsleven
   - mw. drs. J.A. van den Bandt, Technologiecommissie VNO-NCW
   - dr. J.J.H. van den Biesen, Philips Research
   - mw. dr. E. de Brabander, Research DSM Fijnchemie/EURAB
   - ir. W. Jouwsma, Technologiecommissie MKB Nederland/Bronckhorst Hightech B.V.
   - prof.dr. J. Maat, Unilever Research
   Overheid
   - drs. E.J. Denekamp, EG Liaison
   - drs. P. Fenger, Internationale Zaken, Directie OWB, OCenW
   - ir. P.J.M. Keet, Directie Wetenschap en Kennisoverdracht, LNV
   - drs. P.J. Langenberg, PV Brussel
   - mw. drs. G. Vink, Internationale Zaken, Directoraat Generaal Innovatie, EZ
   - drs. R.J.H.M. Smits, DG Onderzoek, Europese Commissie
43 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   Onafhankelijke adviseurs
   - mw. dr. P. Boekholt, Technopolis
   - dr. P.A.J. Tindemans, GKS&P
   AWT
   - mw. prof.dr.ir. M.P.C. Weijnen, Raadlid AWT/TU Delft
   - mw. dr. V.C.M. Timmerhuis, secretaris AWT
   - mw. dr. G.H. Dinkelman, staflid AWT
44 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>   BIJLAGE 3: DE NEDERLANDSE DEELNAME AAN DE
       KADERPROGRAMMA’S IN CIJFERS 24
   Juste retour
   De middelen die Nederland jaarlijks uit de Kaderprogramma’s weet te verwerven,
   wisselen nogal van jaar tot jaar zoals onderstaande cijfers laten.
   Periode 1994-1998 (KP4), gemiddeld per jaar:                                  +/- 190 mln euro
   1999 (KP5):                                                                   +/- 285 mln euro
   2000 (KP5):                                                                   +/- 200 mln euro
   Nederland slaagt er zeker in om juste retour te realisereren. Gedurende de looptijd
   van KP4 bedroeg de Nederlandse bijdrage aan de totale EU begroting gemiddeld
   6%. In dezelfde periode wist Nederland gemiddeld 7 à 8% van de middelen van
   KP4 te verwerven, meer dus dan juste retour.
   Nederlandse deelname in termen van aantallen projecten
   Minstens zo veelzeggend is het aantal projecten waaraan Nederland deelneemt.
   In 1999 was in maar liefst 33% van de projecten van KP5 een Nederlande
   organisatie vertegenwoordigd. Dit betekent dat Nederland in principe toegang
   krijgt tot een groot deel van de kennis die binnen de Kaderprogramma’s wordt
   ontwikkeld. Uiteraard hangt het af van de opstelling van de deelnemende partij-
   en in hoeverre die kennis ook voor anderen in Nederland beschikbaar komt.
   Nederland vaak coördinator
   Uit een internationaal vergelijkend onderzoek van het Franse Observatoire des
   Sciences et des Techniques25 komt naar voren dat Nederlandse partijen in KP5
   opmerkelijk vaak als coördinator van projecten zijn opgetreden. Uitgedrukt als
   percentage van het aantal deelnemingen van een land zou Nederland binnen de
   EU zelfs aan top staan. Er is op dit rapport echter veel kritiek geweest. Het is dus
   mogelijk dat hier een te positief beeld wordt geschetst. Feit lijkt echter wel te zijn
   dat Nederlandse onderzoekers bovengemiddeld vaak projecten trekken en boven-
   dien door anderen in die rol worden geaccepteerd.
   24 Deze bijlage is grotendeels gebaseerd op gegevens die door EGL worden bijgehouden. Gebruik is
        gemaakt van: EG Liaison (2001): Nederland en het Vijfde Kaderprogramma in 2000; idem (2000):
        Nederland en het Vijfde Kaderprogramma in 1999; IWK: Nieuwsbrief EU-Kaderprogramma (december
        1999, nr. 28); De subsidiepotten van Brussel, in: Academia, juni 2001.
   25 OST (2001): Analyse des participations francaises au cinquième PCRD.
45 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>   Thema’s waarop Nederland goed scoort
   Bij KP4 scoorde Nederland bovengemiddeld goed op de volgende thema’s (in
   termen van meer dan 7% van het beschikbare budget weten te verwerven, d.w.z.
   meer dan de te verwachten juste retour):
   - meten en testen
   - milieu en klimaat
   - biotechnologie
   - biomedisch onderzoek
   - landbouw en visserij
   - nuclaire veiligheid kernsplijting
   - transport
   - socio-economisch onderzoek
   - human capital.
   KP5-thema’s waarop Nederland in 2000 duidelijk bovengemiddeld scoorde (qua
   slagingskans) waren:
   - multimedia (IST-programma)
   - innovatieve producten, processen en organisatie (Growth-programma)
   - intermodaal transport (Growth-programma)
   - klimaatverandering en biodiversiteit (Milieuprogramma)
   - schonere energiesystemen (Energieprogramma)
   - efficiëntere energiesystemen (Energieprogramma)
   Nederlandse deelname naar type organisatie
   De inhoud van de thema’s bepaalt sterk uit welke hoek de Nederlandse deelname
   hoofdzakelijk komt. Bij sommige thema’s zijn het vooral de universiteiten en de
   onderzoeksinstellingen die deelnemen (zoals Quality of Life en Milieu in KP5). Bij
   andere zijn het ook de industrie en het MKB (zoals bij IST, Growth en Energie in
   KP5).
   Over heel KP4 was de deelname van Nederlandse organisaties als volgt verdeeld
   (het totaal aantal Nederlandse participaties is hier op 100% gesteld):
              WO/HO                                            28%
              Kennisinstellingen                               27%
              MKB                                              19%
              Grote bedrijven                                  14%
              Overige                                          12%
              Totaal                                          100%
46 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>   In financiële termen was de deelname aan KP4 als volgt (totaal door Nederland
   verworven budget is hier op 100% gesteld):
                WO/HO                                             30%
                Kennisinstellingen                                31%
                MKB                                               10%
                Grote bedrijven                                   20%
                Overige                                            9%
                Totaal                                           100%
   De deelname naar type organisatie was in 2000 als volgt verdeeld over de KP5-
   programma’s:
   Quality of Life: - 70% universiteiten en onderzoeksinstellingen (wat meer uni-
                        versiteiten dan onderzoeksinstellingen), 10% industrie plus
                        MKB (onderling gelijk verdeeld)
   IST:              - 50% industrie plus MKB (ongeveer gelijk verdeeld), 30% uni-
                        versiteiten en onderzoeksinstellingen (2/3 universiteiten)
   Growth:           - 50% industrie plus MKB (wat meer MKB), 50% universiteiten
                        plus onderzoeksinstellingen (wat meer onderzoeksinstellingen)
   Milieu:           - 10% industrie plus MKB, 75% universiteiten plus onderzoeks-
                        instellingen (ongeveer gelijk verdeeld)
   Energie:          - 50% industrie plus MKB, 50% universiteiten plus onderzoeks-
                        instellingen.
   Relatieve bijdrage van Brusselse middelen aan onderzoeksbudgetten
   Van de universiteiten zijn het de WUR (13 mln euro in 1999), de UU (8,4 mln euro),
   de RUL (7,6 mln euro), de RUG (6,3 mln euro), de TUE (5,5 mln euro) en waar-
   schijnlijk ook de EUR (6,9 mln euro van ‘internationale organisaties') die veel midde-
   len uit de Kaderprogramma’s weten te verwerven. Bij de research laboratoria van de
   grote bedrijven beslaan de Brusselse middelen gemiddeld 5-10% van het onder-
   zoeksbudget. TNO en een GTI als ECN halen 7 tot 10% van hun omzet uit Brusselse
   middelen. Deze cijfers laten zien dat de Brusselse middelen _ die nationaal ‘maar’ 4%
   van het publieke onderzoeksbudget bedragen _ voor deze instellingen en bedrijven
   wel degelijk van belang zijn. Er bestaat weinig zicht op hoe dit voor het (kennisin-
   tensieve) MKB ligt. Het Nederlandse MKB scoort qua slaagkans en qua deelname
   gemiddeld wel beter dan MKB-bedrijven uit andere EU-landen. Dit is met name het
   geval in programma’s die speciaal bedoeld zijn voor het MKB, zoals CRAFT.
47 AWT-advies nr. 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>48 AWT-advies nr. 48</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>49 AWT-advies nr. 48</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>