<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>56Netwerken met kennis
  Kennisabsorptie en kennisbenutting door bedrijven
  november 2003
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  Inhoudsopgave
  Samenvatting                                                         5
  1 Inleiding                                                         13
          1.1 Adviesvraag                                             13
          1.2 Afbakening van het advies                               15
          1.3 De adviesvraag in bredere context                       16
          1.4 Aanpak                                                  17
  2 De praktijk van kennisabsorptie en kennisbenutting in bedrijven   19
          2.1 Inzichten en achtergronden                              19
          2.2 Praktijkschets bedrijven                                23
               A. Grote bedrijven (multinationals)                    24
               B. Grote bedrijven (250 tot circa 5000 werknemers)     28
               C. Koplopers MKB                                       31
               D. Ontwikkelingsgericht MKB                            32
               E. Technologievolgend MKB                              35
  3 Aanbevelingen                                                     37
          3.1 Rollen en verantwoordelijkheden                         37
          3.2 Uitgangspunten                                          39
          3.3 Aanbevelingen                                           41
               A. Verhoog het kennisniveau in bedrijven               41
               B. Versterk netwerkvorming                             43
               C. Vergroot personele mobiliteit                       45
               D. Meer aandacht voor de vertaalslag naar toepassingen 47
          3.4 Tot slot                                                49
  Bijlage                                                             53
3 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
  Adviesvraag en invalshoek
  De ministers van OCW en EZ hebben, naar aanleiding van een motie uit de
  Tweede Kamer, de AWT gevraagd advies uit te brengen over hoe in bedrijven de
  absorptie en benutting van de resultaten van (fundamenteel) wetenschappelijk
  onderzoek verricht in publieke kennisinstellingen verbeterd kan worden. Centrale
  vraag in het advies is welke mechanismen bedrijven hiertoe hanteren, welke ver-
  beteringen mogelijk zijn en op welke manier de overheid bedrijven daartoe kan
  faciliteren en stimuleren.
  Het advies sluit aan bij de discussies rondom de 'Europese paradox': er is sprake
  van hoogwaardige kennisontwikkeling, maar de benutting van die kennis blijft
  achter. In de media en beleidsdiscussies gaat daarbij de aandacht vaak eenzijdig
  uit naar de rol van kennisinstellingen en de benodigde veranderingen in hun
  functioneren. Kennisabsorptie en -benutting vergt echter actieve betrokkenheid
  en inzet van alle partijen, zeker ook van bedrijven. Met dit advies zoomt de Raad
  in op wat aan de kant van bedrijven nodig is.
  Het is overigens van belang te realiseren dat voor succesvolle innovaties méér nodig
  is dan inzet van kennis. Goede kennisabsorptie en -benutting in bedrijven is weliswaar
  belangrijk voor de innovatiekracht van bedrijven, maar niet zaligmakend. Daarnaast
  is het belangrijk te beseffen dat bedrijven diverse kennisbronnen aanboren om te
  voorzien in hun kennisbehoefte. Publieke kennisinstellingen zijn daarbij over het alge-
  meen niet het belangrijkst. Met deze relativerende kanttekeningen in het achter-
  hoofd, richt dit advies zich verder uitsluitend op de aangegeven adviesvraag.
  De praktijk van kennisabsorptie en kennisbenut-
  ting in bedrijven
  Voor beantwoording van de adviesvraag is het onzinnig om over 'bedrijven' in
  algemene zin te spreken. De dagelijkse innovatiepraktijk van bedrijven loopt sterk
5 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  uiteen en daarmee ook de behoeften en knelpunten wat betreft kennisabsorptie
  en kennisbenutting. Daarom hanteert de Raad een indeling van bedrijven in vijf
  categorieën, gebaseerd op enerzijds grootte van het bedrijf (i.c. de capaciteit om
  aan kennisabsorptie te werken) en anderzijds de innovatiestrategie van een bedrijf
  (de strategische keuzen op welke soort innovaties een bedrijf zich richt, concreet
  tot uiting komend in de omvang van de R&D-staf en de soort kennisbehoefte).
  A. Grote bedrijven (multinationals)
  In meerdere multinationals met een flinke R&D-staf is sprake van een verschuiving
  van de aandacht naar korte termijn opbrengsten. Dit uitte zich onder andere in
  R&D meer gekoppeld aan de markt (aan business units) en vermindering van de
  eigen langere termijn research. Het kennisabsorptievermogen van deze bedrijven
  is hierdoor verminderd, de 'aanlandpunten' zijn minder talrijk. Men realiseert zich
  in deze bedrijven terdege dat dit een mogelijke bedreiging vormt voor inno-
  vativiteit. Meerdere bedrijven hebben daarom acties in gang gezet om de banden
  met kennisinstellingen aan te halen, bijvoorbeeld door liaison officers aan te stel-
  len. Daarnaast is en blijft de werving van jonge mensen een belangrijke manier
  om kennis binnen te halen en tevens een bijbehorend netwerk met de 'alma
  mater' van de nieuwe werknemer. De laatste jaren wordt door internationalisering
  van de bedrijven en vanwege het tekort aan technisch opgeleiden in Nederland
  steeds meer (onderzoeks)personeel in het buitenland geworven. Een nog weinig
  onderkend neveneffect is dat hiermee ook de netwerken met de kennisinstellin-
  gen naar het buitenland verschuiven.
      Al met al achten de multinationals zich momenteel goed in staat _ al naar
  gelang de bedrijfsbehoefte _ met kennisinstellingen in wisselwerking te treden en
  lange termijn onderzoeksthema's te formuleren. In hun ogen kan hun expertise
  echter nadrukkelijker worden ingezet door hen meer te betrekken bij het pro-
  grammeren van grote onderzoeksprogramma's, om daarmee de aansluiting met
  hun behoeften te verbeteren.
  B. Grote bedrijven (250 tot circa 5000 werknemers)
  Het gaat hier om een categorie grotere bedrijven met een beperkte eigen R&D
  afdeling, die meestal meer is gericht op ontwikkeling dan op onderzoek. De gerin-
  ge omvang van de R&D staf beperkt niet alleen de mogelijkheden om deel te
6 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>  nemen aan kennisnetwerken, maar ook de mogelijkheden om zelf wetenschap-
  pelijke kennis om te zetten naar toepassingen. Dit type bedrijven heeft dus ener-
  zijds behoefte aan meer direct toepasbare kennis (een vertaalslag). Daarnaast kan
  samenwerking van bedrijven in onderzoeksprogramma's (vraagbundeling) een
  weg zijn om tot vruchtbaarder samenwerking met kennisinstellingen te komen. In
  deze bedrijven zijn personele stromen (bijvoorbeeld via stages, in dienst nemen
  mensen) een effectief mechanisme voor kennisabsorptie en -benutting.
  C. Koplopers uit het MKB
  Dit betreft kennisintensieve bedrijven die, al dan niet in samenwerking met kennis-
  instellingen, eigen kennis opbouwen en benutten voor hun diensten of producten.
      Deze bedrijven, met een relatief hoog aandeel hoger opgeleide medewerkers
  (eigen R&D-staf), hebben veelal goede contacten en samenwerkingsrelaties met
  kennisinstellingen. Persoonlijke netwerken zijn daarbij de sleutel tot succes. Ook
  voor deze categorie bedrijven zijn daarnaast personele stromen van groot belang.
  Zo kunnen bijv. 'duale aio's' een belangrijke rol vervullen bij het verbreden van de
  scope in een bedrijf.
  D. Ontwikkelingsgericht MKB
  Dit zijn de MKB-bedrijven zonder eigen onderzoek en ontwikkeling, waar innova-
  tie veeleer gekenmerkt wordt door het 'slim' combineren van bestaande techno-
  logieën. De aanzet voor innovatie komt in hoge mate voort uit geconstateerde
  behoeften in de markt of het eigen bedrijf. Zeker voor deze groep bedrijven is de
  toepasbaarheid van kennis van groot belang. Ook hier geldt dat informele con-
  tacten en persoonlijke netwerken de belangrijkste bron van kennis zijn.
  Hogescholen spelen daarbij een belangrijker rol dan universiteiten. Stages of het
  (tijdelijk) in dienst nemen van een hoger opgeleide kunnen een belangrijk hulp-
  middel zijn bij het binnenhalen van kennis en/of de vorming van netwerken.
  Competentieverhoging en scholing (een 'levenlang leren') van zittende mede-
  werkers zijn voor deze bedrijven, met een relatief geringe instroom van nieuwe
  medewerkers, zaken van groot gewicht. Tenslotte kunnen diverse intermediairs
  (onder andere brancheorganisaties) een goede rol vervullen door ondersteuning
  te bieden bij het zoeken én vinden van benodigde kennis en bij het volgen van
  technologische ontwikkelingen.
7 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  E. Technologievolgend MKB
  Innovatie in deze bedrijven is vooral een zaak van implementeren van beproefde
  technologie, met name gericht op verbetering van interne efficiency en techni-
  sche capabilities van het bedrijf. Deze bedrijven hebben geen eigen R&D-mede-
  werkers en over het algemeen geen contacten met kennisinstellingen. In beperk-
  te mate wordt gebruik gemaakt van TNO, maar (kleine) ingenieurs- en
  adviesbureaus en leveranciers zijn veel belangrijker kennisbronnen om te komen
  tot innovaties in deze bedrijven. Vergroting van de mogelijkheden tot inschake-
  ling van deze intermediairs kan dit technologievolgend MKB helpen. Daarnaast
  kan het aanbieden van informatie over nieuwe (technologische) ontwikkelingen
  een versnelling van invoering opleveren. Ook hier kunnen private advies- en inge-
  nieursbureaus een belangrijke rol vervullen, maar ook brancheorganisaties en bij-
  voorbeeld Syntens.
  Uitgangspunten bij de aanbevelingen
  Alvorens over te gaan tot de concrete aanbevelingen, heeft de Raad een aantal
  algemene uitgangspunten geformuleerd.
  - Bedrijven zijn primair zelf verantwoordelijk voor adequate kennisabsorptie
     en kennisbenutting, de overheid heeft een stimulerende en faciliterende rol
     De Raad acht het vanzelfsprekend dat de leiding in bedrijven de blik richt op
     de langere termijn. Dat vergt het openstaan voor nieuwe mogelijkheden en
     innovatiekansen. De cultuur en wijze van aansturing in een bedrijf zijn daarbij
     bepalend; medewerkers dienen tijd en ruimte te krijgen voor onder andere
     deelname aan kennisnetwerken. De overheid heeft vooral een ondersteunende
     en faciliterende rol te vervullen, gelegitimeerd vanuit het belang van kennisin-
     tensieve, innovatieve bedrijvigheid voor de Nederlandse economie en daarmee
     voor onze welvaart én welzijn.
  - Kennisabsorptie en kennisbenutting is bovenal mensenwerk
     Samenwerking en kennisabsorptie wordt door mensen gedragen. Zij zijn de
     belangrijkste pijlers voor het aangaan van netwerken en effectieve samenwer-
     kingsverbanden. De 'menselijke factor' moet daarom kern zijn in het stimuleren
     en aanjagen van kennisabsorptie. In het Nederlands (innovatie)beleid is nog te
     weinig werk is gemaakt van dit uitgangspunt.
  - Het gaat om het vermogen tot kennisabsorptie en kennisbenutting
     Door de dynamiek in economie en kennisontwikkeling wordt wendbaarheid en
     slagvaardigheid in bedrijven steeds belangrijker. Om hier goed op in te kunnen
     spelen is een goed ontwikkeld vermogen nodig om kennisontwikkelingen te
8 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>     doorgronden, te absorberen en te benutten. Dit vermogen is uiteindelijk
     belangrijker dan het éénmalig kennis opdoen ten behoeve van een concrete
     innovatie. Dit besef moet centraal staan in het ontwikkelen van maatregelen
     door bedrijven en de ondersteuning vanuit de overheid.
  - Heb in het beleid aandacht voor uiteenlopende behoeften en ervaren
     knelpunten
     Bedrijven verschillen in hun innovatiestrategie, hun capaciteit om deel te
     nemen aan kennisnetwerken, het soort kennis waaraan zij behoefte hebben en
     de knelpunten die zij ervaren bij kennisabsorptie en -benutting. Het is zaak zorg
     te dragen voor een voldoende breed en gevarieerd scala aan beleidsmaat-
     regelen om tegemoet te komen aan deze verschillen.
  Aanbevelingen
  De combinatie van deze uitgangspunten brengt de Raad tot vier lijnen van aan-
  bevelingen ter bevordering van kennisabsorptie in bedrijven.
  A. Verhoog het kennisniveau in bedrijven
  Het vermogen van medewerkers om ontwikkelingen te volgen, kennis te absor-
  beren en om te zetten in concrete innovaties is de spil van kennisbenutting. Het
  in dienst nemen van hoger opgeleide mensen en het op peil houden van hun
  competenties staat dan ook voorop. Dit leidt tot de volgende aanbevelingen:
  - Meer hoger opgeleiden in bedrijven, met name in het MKB.
  - Meer scholing van werkenden, investeren in 'levenslang leren'.
  - Versterk initiatieven en programma's die erop gericht zijn om gezamenlijk
     (kennisinstellingen en bedrijven) opleidingstrajecten in te richten.
  B. Versterk netwerkvorming
  Interactie tussen medewerkers uit bedrijven en kennisinstellingen is de basis voor
  kennisuitwisseling en kennisbenutting. Netwerkactiviteiten (formeel én informeel)
  kunnen waardevol in zichzelf zijn, maar vormen bovendien vaak de basis voor toe-
  komstige, meer formele kennisstromen zoals personeelsuitwisseling, contract-
  research en R&D-samenwerking. De Raad geeft hierbij de volgende aanbevelingen:
9 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>   - Ondersteun kleinere bedrijven bij het ontwikkelen en instandhouden van
      kennisnetwerken.
   - Organiseer vraagbundeling.
   - Versterk de rol van lectoren aan hogescholen.
   - Zet het beleid gericht op creatie van kennisconsortia voort.
   - Organiseer ontmoetingsplaatsen.
   C. Vergroot personele mobiliteit
   Interactie en kennisuitwisseling kan behalve via netwerkvorming ook tot stand
   worden gebracht door personele mobiliteit. Nieuwe netwerken worden daardoor
   aangegaan of bestaande verstevigd. De Raad ziet daartoe de volgende mogelijk-
   heden.
   - Zet meer en explicieter in op stages, onderzoeks- en afstudeeropdrachten.
   - Stimuleer duale aio-trajecten.
   - Breng meer variatie aan in postdoctorale (promotie)trajecten.
   - Vergroot het aantal 'buiten'promoties.
   - Stimuleer en faciliteer personele uitwisselingen tussen kennisinstellingen en
      bedrijven.
   D. Meer aandacht voor de vertaalslag naar toepassingen
   Voor veel bedrijven met een beperkte of geen R&D-staf is ondersteuning nodig bij
   het maken van de vertaalslag van de resultaten van (fundamenteel) onderzoek
   naar benuttingsmogelijkheden. Voor deze bedrijven liggen directe relaties met
   universiteiten niet het meest voor de hand. De Raad doet de volgende aanbeve-
   lingen.
   - Zorg voor voldoende 'dekking' van de behoefte aan vertaalslagen door de
      intermediaire kennisinfrastructuur.
   - Stimuleer MKB-bedrijven om advies- of ingenieursbureaus in te schakelen.
   - Versterk de rol van hogescholen in het innovatiesysteem.
10 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>   Tot slot
   De belangrijkste boodschap in dit advies is dat kennisabsorptie en -benutting
   mensenwerk is en dat deze eenvoudige stelling in het (innovatie)beleid een
   duidelijke plek dient te krijgen. Alhoewel er zeker geen sprake is van een white
   sheet, is intensivering van beleid wat betreft de 'menselijke factor' en persoonsge-
   bonden interacties noodzakelijk. Nederland heeft hierin _ in vergelijking met
   andere landen _ een inhaalslag te maken. De Raad pleit tevens voor meer besten-
   digheid in eenmaal ingezette beleidslijnen en -instrumenten. De laatste jaren is
   sprake van een (te) snelle wisseling van regelingen en instrumenten. Tot slot waar-
   schuwt de Raad voor een te sterke focus op onderzoekssamenwerking tussen
   kennisinstellingen en bedrijven. Een dergelijke directe samenwerkingsrelatie is
   lang niet voor alle categorieën innovatieve bedrijven relevant, een grote groep
   MKB-bedrijven blijft dan buiten beeld.
11 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>             1
                           Inleiding
                           1..1 Adviesvraag
                           Bij de behandeling van de onderwijsbegroting in november 2002 heeft de
                           Tweede Kamer de 'motie Joldersma' aangenomen.1 In deze motie wordt de rege-
                           ring gevraagd:
                               'een duidelijke en concrete visie te ontwikkelen op hoe het bedrijfsleven de resul-
                               taten van fundamenteel onderzoek beter kan benutten voor innovaties en research
                               & development'.
                           Met het oog op de beantwoording van deze vraag heeft de Tweede Kamer de
                           minister van OCW opgeroepen advies van de AWT in te winnen. De ministers van
                           OCW en EZ hebben daarop de AWT in juni 2003 gevraagd advies uit te brengen
                           over dit onderwerp. De AWT komt graag tegemoet aan het verzoek vanuit de
                           Tweede Kamer. De Raad heeft daarbij de volgende twee adviesvragen geformu-
                           leerd:
                           1. Welke mechanismen hanteren bedrijven om in het innovatieproces resultaten
                               van (fundamenteel) wetenschappelijk onderzoek verricht in publieke kennis-
                               instellingen te absorberen en te benutten. Welke mogelijkheden zijn er voor
                               verbetering?
                           2. Op welke manier kan de overheid, door middel van haar wetenschaps- en
                               innovatiebeleid, bedrijven daarbij faciliteren en stimuleren?
Bij wisselwerking tussen   De rol van het (fundamenteel) onderzoek ten behoeve van innovatie is een
         bedrijfsleven en  thematiek die de laatste tijd flink in de belangstelling staat. Veel aandacht gaat
     kennisinstellingen... daarbij uit naar de wisselwerking tussen publieke kennisinstellingen en het
                           bedrijfsleven. De AWT constateert dat in deze discussies veelal eenzijdig wordt
         ...nadruk op rol  gepleit voor veranderingen in het functioneren van de kennisinstellingen. Zij die-
       kennisinstellingen  nen meer vraaggeoriënteerd te werk te gaan en meer werk te maken van
                              1   Motie Joldersma d.d. 14 november 2002: kamerstuk 28600 VIII, nr. 59.
                       13  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                              valorisering van kennis. Wisselwerking is echter een samenspel met meerdere partijen
                              die een verantwoordelijkheid hebben te nemen.2 Niet alleen de kennisinstellingen,
                              maar ook de bedrijven zelf hebben een rol te spelen bij kennisabsorptie en een goede
Dit advies zoomt in op wat    benutting van de resultaten van (fundamenteel) wetenschappelijk onderzoek. De
  in en door bedrijven zelf   Raad verwelkomt dan ook de mogelijkheid om in dit advies in te zoomen op wat in
         gedaan kan worden    en door bedrijven zélf gedaan kan worden aan kennisabsorptie en kennisbenutting.
     De discussie is actueel: Het advies sluit aan bij de actuele discussie over de Nederlandse kenniseconomie
                              of beter de kennissamenleving.3 Tijdens de top van Lissabon hebben de Europese
                              regeringsleiders uitgesproken Europa te willen vormen tot "de meest concurre-
         Lissabon-ambities... rende en dynamische kenniseconomie ter wereld, die in staat is tot duurzame
                              groei en een hechtere sociale structuur". De Nederlandse regering heeft daaraan
                              als doelstelling toegevoegd tot de top binnen Europa te willen behoren.
                              Innovatief vermogen van bedrijven is een belangrijke pijler van een kennisecono-
                              mie. Benutting van kennis door bedrijven en wisselwerking tussen bedrijven en
                              kennisinstellingen is daarbij een actueel thema. Europa en zeker ook Nederland lij-
     ... Europese paradox...  ken echter te kampen met een paradox op dit gebied. Er is sprake van hoog-
                              waardige kennisontwikkeling, maar de benutting van die kennis in innovatiepro-
                              cessen in bedrijven blijft (in vergelijking met andere landen) achter. De ambities
     ...slechter presterende  zijn hoog, maar de realiteit is een slechter presterende economie, niet alleen door
                   economie   conjuncturele invloeden maar ook door onderliggende, structurele oorzaken die
                              de ontwikkeling naar een krachtige kennisintensieve economie hinderen. De
                              urgentie om actie te ondernemen is groot en breed gevoeld. 'Innovatie' is dan ook
                              het laatste jaar flink gestegen op de politieke agenda, met als blikvanger de instal-
                              latie van een Innovatieplatform in september 2003 met vertegenwoordigers uit
                              bedrijfsleven, kennisinfrastructuur en overheid onder leiding van de minister-pre-
                              sident. Het doorbreken van de kennisparadox en een betere wisselwerking is één
                              van de onderwerpen op de agenda van dit Innovatieplatform. De AWT wil met dit
                              advies een bijdrage leveren aan de benodigde acties ter verbetering van de
                              kennisabsorptie en kennisbenutting in bedrijven.
                                 2   In het AWT-advies Naar een nieuw maatschappelijk contract. Synergie tussen publieke kennisinstellin-
                                     gen en de Nederlandse kennissamenleving (advies nr. 50, januari 2003) heeft de Raad reeds deze
                                     tweezijdige verantwoordelijkheid benadrukt. Hij heeft daarbij in algemene zin verantwoordelijk-
                                     heden van de diverse partijen benoemd. De Raad wil in het onderhavige advies een nadere con-
                                     cretisering geven.
                                 3   De Raad spreekt liever over de kennissamenleving dan over de kenniseconomie. Daarmee geeft hij
                                     aan dat het niet alleen gaat om de inzet van (nieuwe) kennis ten behoeve van economische groei;
                                     ook de aanpak en oplossing van belangrijke maatschappelijke vraagstukken vergen de inzet van
                                     (nieuwe) kennis. Zie ook AWT-advies nr. 50 Naar een nieuw maatschappelijk contract. Synergie tus-
                                     sen publieke kennisinstellingen en de Nederlandse kennissamenleving en AWT-achtergrondstudie
                                     nr.29 Perspectieven op de kennissamenleving: gesprekken over Nederland als Kennisland.
                          14  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                             1..2 Afbakening van het advies
 Het advies richt zich op:   De Raad hanteert bij de vraag vanuit de Tweede Kamer, zoals geformuleerd in de
                             motie Joldersma, de volgende afbakening.
resultaten van onderzoek     .  Allereerst richt het advies zich op absorptie en benutting van resultaten van
  in de brede zin van het       onderzoek in de brede zin van het woord. In de 'motie Joldersma' wordt expli-
                    woord...    ciet gesproken over de resultaten van fundamenteel onderzoek. De Raad vindt
                                dit een te beperkte invalshoek, aangezien in de bedrijfspraktijk juist ook de
                                absorptie en benutting van resultaten van meer toepassingsgericht onderzoek
                                van groot belang kunnen zijn voor innovatie. Overigens is het wenselijk funda-
                                menteel en toegepast onderzoek niet tegenover elkaar te stellen.4
         ...uit alle publiek .  Ten tweede neemt dit advies onderzoek verricht aan alle publiek gefinancierde
             gefinancierde      kennisinstellingen in beschouwing. Dit betekent dat het niet alleen gaat over
      kennisinstellingen...     universiteiten, maar ook over hogescholen en onderzoeksinstituten zoals TNO,
                                GTI's, TTI's etc.
       …juist ook het niet   .  Ten derde richt het advies zich niet alleen op de grote R&D-intensieve maak-
           R&D intensieve       en procesindustrie. In discussies over kennisabsorptie en wisselwerking met
            bedrijfsleven...    kennisinstellingen krijgen deze bedrijven vaak veel aandacht. De Raad richt de
                                aandacht juist ook op het niet-R&D-intensieve bedrijfsleven, waaronder veel
                                middelgrote en kleinere bedrijven. Het idee is dat juist hier veel winst te beha-
                                len is op het vlak van absorptie en benutting van kennis.
 …en kennisabsorptie en      .  Tot slot beperkt de Raad zich in dit advies _ conform de adviesvraag _ tot
     benutting door en in       kennisabsorptie en kennisbenutting door en in bedrijven. Kennisabsorptie en
                   bedrijven    -benutting in not-for-profit organisaties en overheden, hetgeen door de Raad
                                eveneens als een belangrijk vraagstuk wordt gezien, blijft in dit advies
                                buiten beschouwing.
                               4   In essentie zijn bij elk onderzoek twee vragen aan de orde: "considerations of use" (ofwel utilisatie-
                                   mogelijkheden) en "quest for fundamental understanding" (ofwel fundamenteel begrip). Donald E.
                                   Stokes heeft dit uitgewerkt in "Pasteur's quadrant: basic science and technological innovation"
                                   (1996). De natuurkundige Bohr valt dan in de categorie 'geen utilisatieperspectief, wel funda-
                                   menteel begrip', Edison in de categorie 'wel utilisatieperspectief, geen fundamenteel begrip' en
                                   Pasteur in de categorie 'zowel utilisatieperspectief als fundamenteel begrip'.
                          15 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                              1..3 De adviesvraag in bredere context
        Het is belangrijk te  De kernvraag in dit advies ('hoe in bedrijven resultaten van wetenschappelijk
             realiseren dat:  onderzoek verricht in publieke kennisinstellingen beter te absorberen en te benut-
                              ten') maakt deel uit van een bredere vraag naar innovatievermogen en innovatie-
                              kracht in bedrijven. De Raad wil die bredere context hier kort schetsen en daar-
                              mee enkele kanttekeningen plaatsen bij het relatieve belang van de in dit advies
                              centraal staande thematiek.
Succesvolle innovatie meer    Succesvolle innovatie vergt meer dan kennis. Het succes van innovaties wordt
         vergt dan kennis...  maar voor een deel bepaald door kennis en de kwaliteit van kennisabsorptie en
                              -benutting in bedrijven. Het is belangrijk te realiseren dat in het traject naar markt-
                              introductie vele andere aspecten een belangrijke rol spelen, zoals het verkrijgen
                              van financiering, vertaling van klantwensen naar productspecificaties, het opzet-
                              ten van de productie, vormgeving, etc.
    ...kennis niet altijd het Kennis niet altijd het startpunt voor innovatie. De Raad wijst erop dat een
             startpunt voor   lineair innovatiemodel, waarbij kennisontwikkeling het startpunt is voor innovatie,
              innovatie is... geen recht doet aan de werkelijkheid. Innovaties starten lang niet altijd vanuit een
                              zekere technology push (nieuwe technologisch mogelijkheden die zich voordoen,
                              op basis waarvan in een bedrijf kansen worden geïdentificeerd voor innovatie). Bij
                              veel innovaties is het startpunt juist gelegen in een market pull (nieuwe marktkan-
                              sen zien en vervolgens op zoek gaan naar mogelijkheden om die te realiseren).
                              Innovatie is veeleer cyclisch van karakter. Wisselwerking is daarbij het sleutel-
                              woord. De Raad vindt het idee dat her en der leeft dat er enorm veel 'kennis op
                              de plank' ligt en dat het slechts een kwestie is van verzilveren i.e. toepasbaar
                              maken, een veel te eenzijdige benadering van kennisoverdracht. Hieruit spreekt
                              niet de gewenste dynamiek waarbij alle spelers in het veld dus ook de bedrijven
                              een actieve rol te vervullen hebben.
    … bedrijven gebruiken     Niet alleen publieke kennisinstellingen zijn kennisbron voor bedrijven. Dit
    diverse bronnen om te     advies stelt absorptie en benutting van resultaten van onderzoek verricht in
            voorzien in hun   publieke kennisinstellingen centraal. Die publieke kennisinstellingen zijn echter
          kennisbehoefte...   slechts één kennisbron voor bedrijven, en _ zo blijkt uit onderzoek5 _ zeker niet de
                              belangrijkste. Bedrijven boren diverse bronnen aan om te voorzien in hun kennis-
                              behoefte. Duidelijk is dat bronnen uit de eigen waardeketen (het eigen bedrijf,
                                 5   Zie o.a. Kennis en economie 2002, CBS mei 2003, p.101-102
                          16  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                               afnemers, leveranciers, concurrenten, branchevereniging e.d.) vele malen hoger
                               scoren; publieke kennisinstellingen worden beduidend minder vaak aangemerkt
                               als belangrijke kennisbron.6
                               Bedrijfsstrategie is leidend. De strategie van een bedrijf is leidend bij de vraag of
...bedrijfsstrategische keuzes en zo ja welk type kennis benodigd is, alsmede waar deze kennis het beste te
       bepalend zijn voor de   halen is. Die bedrijfsstrategie wordt onder meer bepaald door de sector waarin
               kennisbehoefte  bedrijven opereren en de inspanningen van concurrenten. Sommige sectoren zijn
                               nu eenmaal kennisintensiever dan andere. Natuurlijk zijn er daarnaast verschillen
                               tussen bedrijven in een sector, welke voortkomen uit de marktpositie die bedrij-
                               ven beogen: wil een bedrijf zich opstellen als technologieleider of als -volger, wil
                               het concurreren op innovativiteit, op kwaliteit of op prijs? Afhankelijk van derge-
                               lijke bedrijfsstrategische keuzen, zullen bedrijven meer of minder intensieve rela-
                               ties met de publieke kennisinfrastructuur onderhouden.
                               Wisselwerking bínnen het bedrijf is ook een klassiek vraagstuk. Tot slot speelt
                               naast wisselwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen, ook kennisdiffusie en
                               -benutting bínnen bedrijven een grote rol bij het innovatieve vermogen van een
                               bedrijf. De aansluiting en wisselwerking tussen R&D-afdelingen en de markt is een
                               klassiek vraagstuk in bedrijven.7 Juist de ontmoeting tussen beide is de sleutel tot
                               effectieve toepassing van kennis in een bedrijf. In dit advies zal niet verder op dit
                               aspect worden ingegaan.
                               1..4 Aanpak
                               De Raad heeft voor dit advies, naast een uitgebreide scan van de literatuur,
                               gebruik gemaakt van diverse reeds beschikbare achtergrondstudies en interview-
                               verslagen die de Raad ten behoeve van eerdere adviezen heeft vervaardigd of
                               heeft laten vervaardigen. De belangrijkste zijn:
                                  6   Ook uit onderzoek door EIM (2000) MKB-Kenniscirkels, waar zoekt MKB welke kennis komt naar
                                      voren dat de meeste kennis wordt gezocht bij branche-organisaties, concurrenten en collega's en
                                      leveranciers. In beperkte mate wordt kennis gezocht in de kennisinfrastructuur.
                                      Onderwijsinstellingen worden daarbij nog het vaakst genoemd als kennisbron.
                                  7   Het vraagstuk van de aansluiting tussen R&D (kennisontwikkeling) en de business heeft in de loop
                                      van de tijd geleid tot verschillende aanpakken. Hierbij wordt wel gesproken over vier generaties
                                      R&D-management. Voor een verdere beschrijving en literatuur hieromtrent: zie D.Jacobs en J.
                                      Waalkens (2001) Innovatie2; vernieuwingen in de innovatiefunctie in bedrijven. (AWT-achtergrond-
                                      studie nr. 23).
                           17  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>   .  Een uitgebreide interviewronde (ca. 100 gesprekken) met vertegenwoordigers
      van hogescholen en 'afnemers' van kennis van hogescholen ten behoeve van
      het AWT/Onderwijsraad-advies Hogeschool van kennis; kennisuitwisseling tussen
      beroepspraktijk en hogescholen. (AWT-advies nr. 47, augustus 2001).
   .  De door D. Jacobs en J. Waalkens in opdracht van de AWT vervaardigde publi-
      catie Innovatie2; vernieuwingen in de innovatiefunctie in bedrijven (AWT-achter-
      grondstudie nr.23). Deze studie geeft een overzicht _ op basis van literatuur én
      gesprekken in bedrijven _ van de belangrijkste trends in bedrijven voor wat
      betreft hun innovatiefunctie.
   .  Een interviewronde (ca. 40 gesprekken) in een breed scala van bedrijven ten
      behoeve van het AWT-advies Backing Winners. Van generiek technologiebeleid
      naar actief innovatiebeleid. (AWT-advies nr. 53, juli 2003).
   .  Twee door Senter _ in opdracht van de AWT _ uitgevoerde onderzoeken naar
      het gebruik van de SKO- en de SKB-regeling.8
   Naast dit reeds beschikbare materiaal heeft de Raad ten behoeve van dit advies
   twee aanvullende activiteiten verricht, specifiek bedoeld om beter zicht te krijgen
   op de praktijk van kennisabsorptie en kennisbenutting in bedrijven.
   .  De AWT heeft een aanvullende ronde interviews (ca. 25) gehouden met bedrij-
      ven, koepelorganisaties, ministeries en intermediaire organisaties. Deze
      gesprekspartners zijn opgenomen in bijlage 1.
   .  De AWT heeft het EIM opdracht verleend de praktijk van kennisabsorptie en
      -benutting in het MKB te onderzoeken. Hiertoe is een telefonische enquête uit-
      gevoerd bij 200 bedrijven. Het onderzoek is beperkt tot kennisintensieve bedrij-
      ven uit het MKB in een selectie van sectoren in de industrie en de zakelijke
      dienstverlening. De EIM-studie maakt inzichtelijk of en hoe kennisintensieve
      MKB-bedrijven (tot 250 werknemers) gebruik maken van met publieke midde-
      len ontwikkelde kennis, de kanalen en partijen die daarbij gebruikt worden en
      de knelpunten die ze daarbij ervaren. Tevens zijn ideeën verzameld voor ver-
      betering van dit proces en de faciliterende rol die de overheid daarbij kan spe-
      len. De rapportage over dit EIM-onderzoek Wat doen innovatieve bedrijven om
      aan kennis voor innovatie te komen; onderzoek naar de benutting van de publieke
      kennisinfrastructuur is beschikbaar als werkdocument op de website van de
      AWT (www.awt.nl).
     8   Informatiebronnen voor innovatie bij MKB-bedrijven. (a) Een analyse van de regeling SKO (subsidie
         kennisoverdracht ondernemers). (b) Een analyse van 20 projecten uit de Subsidieregeling
         Kennisoverdracht Brancheorganisaties MKB (april 2003). Deze studies zijn te vinden op de website
         van de AWT onder werkdocumenten (www.awt.nl).
18 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>            2
                            De praktijk van kennisabsorptie en
                            kennisbenutting in bedrijven
                            2..1 Inzichten en achtergronden
                            Over kennistransfer, wisselwerking en kennisabsorptie is al veel onderzocht en
                            geschreven. Deze paragraaf geeft hiervan een korte schets, als achtergrond bij de
                            praktijkervaringen in paragraaf 2.2.
                            Kennisuitwisseling is meer dan formele contracten
                            Kennistransfermechanismen kunnen veel dimensies hebben.9 Een belangrijk en
                            veel gebruikt onderscheid is het onderscheid tussen formele en informele kennis-
                            stromen. Beide vormen zijn belangrijk voor kennisuitwisseling, de formele echter
Formele kennisrelaties zijn zijn het meest zichtbaar. Deze formele kennisrelaties vormen echter volgens de
  slechts het topje van de  OECD in haar studie naar wisselwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen
                    ijsberg slechts het topje van de ijsberg omdat er vele vormen van informele _ minder
                            zichtbare _ kennisuitwisseling bestaan. Zonder in discussie te gaan over de volle-
                            digheid, geeft figuur 1 een aardige visualisatie van bovengenoemde stelling.
                            Binnen de formele contacten is verdere verfijning mogelijk. Als we alleen al kijken
                            naar mogelijkheden wat betreft formele research contracten zijn de volgende
                            samenwerkingsvormen met kennisinstellingen denkbaar:10 contractrelaties (over
                            het algemeen korte termijn-projecten), participaties (voor acquisitie van kennis),
                            strategische participaties (gericht op lange termijn kennisontwikkeling), strategi-
                            sche allianties (om lange termijn wetenschap- en technologieverkenningen te
                            doen), en strategische investeringen (bedoeld voor lange termijn expertise ont-
                            wikkeling).
                               9  Bongers, Den Hertog en Vandenberg (2003) hebben in de studie, verricht in opdracht van de
                                  AWT, Naar een meetlat voor kennisuitwisseling; verkenning van de mogelijkheden van kennisuitwis-
                                  seling tussen publieke kennisinstellingen en bedrijven/maatschappelijke organisaties verschillende
                                  dimensies in kaart gebracht. Zo onderscheiden zij formele versus informele kennisstromen, expli-
                                  ciete versus impliciete kennisstromen (tacit versus codified knowledge), spontane versus geregis-
                                  seerde kennisstromen, persoonsafhankelijke versus persoonsonafhankelijke kennisstromen, direc-
                                  te versus indirecte kennisstromen (slaat op de directe toepasbaarheid van de kennis), push en pull
                                  kennisstromen (vraag of aanbod van kennis), en generieke versus specifieke kennisstromen (slaat
                                  op de aard en bruikbaarheid van de kennis). De studie is beschikbaar op www.awt.nl.
                               10 Bron: De Rooij (Unilever) in de presentatie Wat wil het bedrijfsleven van de wetenschap gehouden
                                  op 11 juni 2003 in het kader van de conferentie "Maatschappelijk rendement van wetenschap",
                                  georganiseerd door NOWT, Science Alliance in samenwerking met de Stichting Weten.
                        19  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                             Figuur 1: Formele ISR mechanismen: het topje van de ijsberg
                             (OECD, 2002, p. 23)
                             Wat betreft de informele kennisstromen worden netwerkvorming en personele
                             mobiliteit, die zeer nauw aan elkaar gerelateerd zijn, breed gezien als zeer
                             belangrijke kennisstromen. Dit belang wordt onderstreept door empirische stu-
                             dies over dit onderwerp, bijvoorbeeld de Community Innovation Surveys (CIS).11
                             De relatie tussen kennistransfermechanismen en innovatiestrategie van
                             een bedrijf
  De innovatiestrategie van  Verschillende typen kennis en het gebruik van bepaalde vormen van ken-
een bedrijf bepaalt het type nistransfer hangen samen met de manier waarop een bedrijf innoveert. Ieder
  kennis waarin behoefte is, bedrijf kiest die vorm die het best past bij het bedrijf en haar omgeving. Diverse
           en wat voor type  factoren zijn daarop van invloed, naast de in hoofdstuk 1 genoemde strategie,
    kennistransfer daarvoor  zijn er verschillen in sectoren, verschillen in bedrijfsgrootte, verschillen in bedrijfs-
                 geschikt is structuur, zoals het al of niet hebben van een eigen R&D afdeling en het soort
                             innovatie: van radicale vernieuwing tot het verbeteren van bestaande producten.
                             Deze factoren zijn bepalend voor het type kennis waaraan een bedrijf behoefte
                             heeft en in wat voor samenwerkingsvorm dat het beste gestalte kan krijgen.
                             Radicale vernieuwers zullen relatief meer intensief samenwerken met kennisin-
                             stellingen en zelfs langjarige samenwerkingsrelaties onderhouden dan technolo-
                             gievolgende bedrijven die door het combineren van bestaande kennis een ver-
                             beterd product op de markt brengen. Bij de ontwikkeling van een nieuwe
                             kennisgebied zullen octrooien en gezamenlijke R&D een belangrijkere plaats
                             innemen dan in latere fasen van de innovatiecyclus, waar bijvoorbeeld samen-
                                11 Zie voor meer details de studie Naar een meetlat voor kennisuitwisseling paragraaf 2.5. Deze stu-
                                    die is als werkdocument beschikbaar op www.awt.nl.
                          20 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                            werking bij onderwijs en training en het verlenen van stagemogelijkheden hoger
                            zullen scoren. Eén en ander wordt gevisualiseerd in figuur 2.12
                            Figuur 2: Kennistransfermechanismen in de innovatiecyclus
                            More
                            Aantal bedrijven waarvoor samenwerking met de kennisinstellingen interessant is
     Bronnen uit de eigen   Al eerder is aangegeven dat voor veel bedrijven vooral bronnen uit de eigen
     waardeketen zijn het   waardeketen belangrijk zijn voor innovatie. Figuur 3 geeft een idee over de rele-
belangrijkst voor innovatie vantie van wetenschappelijk onderzoek als bron voor innovatie in bedrijven. In de
                            innovatie-enquête (CIS-3) van het CBS is een populatie van 53919 bedrijven met
                            10 of meer werknemers ondervraagd.13
                            .  Daarvan heeft ongeveer 1/3 in de periode 1998-2000 nieuwe producten of pro-
                               ductieprocessen ontwikkeld (‘innovatoren’:18346 bedrijven).
                            .  Van de 'innovatoren' werkt bijna een kwart samen met andere bedrijven en
                               instellingen ('generieke samenwerkers': 4440 bedrijven).
                            .  Uit de groep generieke samenwerkers werkt ongeveer 30% samen met kennis-
                               instellingen ('samenwerkers kennisinfrastructuur': 1360 bedrijven).
                              12 Ontleend aan EU, Benchmarking ISRs. The Role of Framework Conditions, Brussels, 2001. Op de y-as staan
                                   respectievelijk het relatief aantal innoverende bedrijven, en de relatieve relevantie van wetenschap als
                                   een bron voor innovatie. Het gaat in deze figuur om een globaal beeld. Het exacte verloop van de lij-
                                   nen kan in Nederland uiteraard afwijken. Deze studie is gebaseerd op 8 EU landen (Oostenrijk, Belgie,
                                   Finland, Duitsland, Ierland, Italië, Zweden en het Verenigd Koninkrijk), Japan en de VS.
                              13 Zie voor meer informatie over de bevindingen uit deze enquête de studie Naar een meetlat voor
                                   kennisuitwisseling paragraaf 2.5. Deze studie is in opdracht van de AWT vervaardigd door Dialogic
                                   en beschikbaar op www.awt.nl. In ieder geval is het hier van belang op te merken dat de CIS-
                                   enquête zich vrijwel uitsluitend richt op innovaties met technologisch karakter. Verder richt de
                                   enquête zich op bedrijven met meer dan 10 werknemers, waardoor hoog-innovatieve onderne-
                                   mingen geen deel uitmaken van de onderzoekspopulatie. De enquête geeft dus geen compleet
                                   beeld, maar de belangrijkste conclusie blijft overeind dat samenwerking met kennisinstellingen
                                   slechts voor een klein percentage bedrijven belangrijk is.
                        21  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                        .    Van de groep 'samenwerkers kennisinfrastructuur' is de helft te betitelen als
                             'intensieve samenwerkers' (680 bedrijven).
                        Figuur 3: Populatie bedrijven en samenwerkingskarakteristieken
                        a
                          Als percentage van het totaal aantal bedrijven, dat zich in 1998-2000 bezighield met het (laten) ver-
                        richten van technologische vernieuwingen, (de 18346 'innovatoren'). Merk op dat de grootte van de
                        blokjes in de figuur niet correspondeert met de werkelijke omvang van de verschillende categorieën
                        samenwerkers
                        Absorptievermogen vraagt meerdere competenties in bedrijven
                        Tot slot is een zeer belangrijk gegeven dat het kennisabsorptievermogen van een
Absorptievermogen niet  bedrijf niet alleen wordt bepaald door technologische competenties. Schmoch
         alleen bepaald e.a. (2000)14 stellen dat dit vermogen in zeker zo belangrijke mate beïnvloed
   door technologische  wordt door de organisatiestructuur en cultuur om innovatie in het bedrijf te sti-
          competenties  muleren (o.a. lerend vermogen van medewerkers en onderneming als geheel) en
                        de procescompetentie binnen het bedrijf (o.a. het vermogen om innovatieprojec-
                        ten goed te managen). In figuur 4 is dat gevisualiseerd. Zij stellen daarbij dat inno-
                        vatief vermogen en absorptiecapaciteit zeer nauw met elkaar verweven zijn en
                        zich in feite van dezelfde bronnen bedienen. Onder bronnen kan in dit verband
                        bijvoorbeeld worden verstaan: leercapaciteiten, managementcapaciteiten, open
                        samenwerkingsstructuren, etc.
                            14 Schmoch, Licht & Reinhard, Wissens- und technologietransfer in Deutschland Fraunhofer IRB Verlag,
                                 2000, p. 257.
                    22  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                               Figuur 4: Absorptiecapaciteit van ondernemingen (Schmoch e.a., 2000)
                               2.2 Praktijkschets bedrijven
   Bedrijven verschillen in de Bedrijven verschillen in de manier waarop zij innoveren. De centrale vraag naar
           manier waarop zij   mechanismen voor kennisabsorptie en -benutting zal voor verschillende bedrijven
                  innoveren... dan ook anders beantwoord moeten worden. De Raad hanteert hiervoor een
                               onderscheid in zes categorieën gebaseerd op grootte en innovatiestrategie. De
                               Raad acht de gekozen twee variabelen, grootte (capaciteit voor het deelnemen
...afhankelijk van grootte en  aan kennisnetwerken) en innovatiestrategie (strategische bedrijfskeuzen, welk
           innovatiestrategie  type innovaties; dat is bepalend voor de omvang van de R&D-staf en de soort ken-
                               nisbehoefte), relevant en toereikend voor het beantwoorden van de adviesvragen
                               en het eventueel toesnijden van maatregelen op specifieke groepen.
    AWT hanteert indeling in   De indeling is als volgt:
              zes categorieën
                               A. Zeer grote bedrijven, bijvoorbeeld multinationals zoals Shell, DSM, Philips en
                                  Unilever met eigen R&D, waaronder lange(re)-termijn onderzoek. Brede inno-
                                  vatiestrategie, maar nadrukkelijk ook inventies.
                               B. Grote bedrijven (250-5000 werknemers) met een beperkte eigen R&D afde-
                                  ling, meestal meer gericht op ontwikkeling dan op onderzoek.
                               C. Koplopers uit het MKB: deze bedrijven doen zelf onderzoek en ontwikkeling (al
                                  of niet in samenwerking met of uitbesteed bij universiteiten) en hebben een
                                  eigen R&D-staf.
                           23  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                             D. Ontwikkelingsgericht MKB: geen eigen onderzoek wel ontwikkeling, innovatie-
                                 strategie kenmerkt zich door 'slimme' combinatie van bestaande technologieën.
                             E. Technologievolgend MKB: geen eigen R&D-staf, vooral gericht op implemen-
                                 tatie van bestaande technologie.
                             F. Overig MKB waarbij innovatie geen regulier onderdeel is van bedrijfsvoering.
                             Bij de laatste categorie, ongeveer de helft van het aantal MKB-bedrijven,15 maakt
                             vernieuwing geen regulier onderdeel uit van de bedrijfsvoering. De Raad heeft
                             deze bedrijven niet meegenomen in de verdere beschouwingen. Uiteraard zijn
                             deze bedrijven wel degelijk belangrijk voor een stevig MKB en dus een stevige
                             economie. Samenwerking met de kennisinfrastructuur is in deze categorie echter
                             niet gebruikelijk en ook niet te verwachten. In het kader van dit advies, richt de
                             Raad zich daarom op bedrijven waarin de gerichtheid op innovatie aanwezig is.16
                             Hieronder volgen de bevindingen per categorie bedrijf.
                             A. Grote bedrijven (multinationals)
                             In veel grote bedrijven met een flinke R&D-staf is de focus de laatste jaren verscho-
De focus is verschoven naar  ven naar korte termijn resultaten.17 Toenemende concurrentie leidde tot R&D dich-
    korte termijn resultaten ter bij de markt en vermindering van langere-termijn onderzoek. Dit uitte zich onder
                             andere in verschuiving van R&D van corporate afdelingen naar business units, en/of
                             een directere aansturing en financiering van corporate R&D door business units. De
                             afbouw van lange termijn R&D heeft ertoe geleid dat het absorptie-
      Absorptievermogen is   vermogen van grote bedrijven verminderde, vooral wat betreft de opname van
                 verminderd  kennis van meer fundamentele aard.
                                15 Zie ook de studie Bepaling doelgroepen Syntens; een segmentatie van het MKB (2003) uitgevoerd
                                    door EIM. Hierin worden 281.000 bedrijven gekenschetst als 'onverschilligen'. Deze bedrijven zijn
                                    niet tot nauwelijks innovatief. In dit segment vinden we kleine bedrijven uit de bouw, horeca,
                                    detailhandel en persoonlijke dienstverlening. Zij maken de helft uit van het totaal aantal MKB-
                                    bedrijven.
                                16 Dit advies richt zich op verbetering van kennisabsorptie en niet op de bewustwording van bedrij-
                                    ven dat innovatie belangrijk is voor hun toekomst. Voorlichting daarover kan bijvoorbeeld door
                                    Syntens, of door branche- en regionale organisaties plaatsvinden.
                                17 Zie ook het artikel "Reinventing corporate R&D" Business Week, 22 september 2003, waarin gesteld
                                    wordt dat het wereldwijd een trend is dat bedrijven met grote researchbudgetten steeds meer
                                    lange termijn onderzoek uitbesteden.
                          24 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                           KPN Research is recent overgegaan naar TNO Telecom. KPN besteedt een groot
                           deel van zijn onderzoeksbudget de komende jaren bij TNO. De afdelingen product-
                           ontwikkeling van de Business Units zijn daarvoor verantwoordelijk. Via TNO hoopt
                           men zo de reeds opgebouwde kennis en de wetenschappelijke netwerken niet alleen
                           te behouden, maar ook te versterken. Inbedding van het onderzoek in een grote ken-
                           nisinstelling heeft meerwaarde. Het betekent uitbreiding van de netwerken, en
                           omdat TNO voor meer bedrijven werkt doet KPN ook daaruit nieuwe kennis op.
                              Ook Shell heeft zijn centrale research volledig afgebouwd en een beperkte
                           R&D staf aangesteld binnen de Business units. Shell heeft een Stichting opgericht
                           als vehikel om deel te nemen in allerlei consortia zoals ICES-KIS, ACTS, NWO-
                           programma's etc. Deze stichting gaat commitments aan voor langere tijd. Elke
                           business unit heeft een liaison uit de eigen R&D staf in deze Stichting.
                           Tegelijkertijd echter is de noodzaak om kennis van buiten op te nemen groter
    Grotere noodzaak om    geworden. Bedrijven richten zich meer op hun core competences en hebben
   externe kennisbronnen   daardoor niet meer alle competenties in eigen huis die nodig zijn voor een volle-
              te benutten  dige innovatiecyclus (kennisverwerving en -benutting). Het besef dat de combi-
                           natie van deze twee ontwikkelingen (afbouw van R&D en grotere afhankelijkheid
                           van externe bronnen) een bedreiging vormt voor de innovativiteit is bij grote
                           bedrijven goed doorgedrongen. In diverse bedrijven heeft dit geleid tot acties om
                           de banden met de kennisinstellingen aan te halen en het inzicht dat (bepaalde)
         Diverse bedrijven werknemers daarvoor de tijd moeten krijgen en/of dit als specifieke taak toebe-
ondernemen daartoe actie   deeld moeten krijgen.
                           DSM Research heeft competence managers aangesteld die DSM moeten leiden
                           naar een toppositie op bepaalde geselecteerde gebieden. Deze mensen hebben
                           naast goed zicht op de markt en de toepassingen een uitstekend netwerk in de
                           wetenschappelijke wereld. Zij weten exact wie waar mee bezig is en met wie DSM
                           het beste kan samenwerken.
                              Iets dergelijks zien we bij Dow Chemical in de vorm van liaison officers. Ook bij
                           Shell zien we dit type functie. Een belangrijk aspect voor al deze bedrijven in het
                           onderhouden van goede relaties met de kennisinstellingen is overigens gelegen in
                           het werven van nieuwe, jonge medewerkers, naast uiteraard het verwerven van
                           kennis.
                              Ook bij Unilever verlopen de contacten tussen de wetenschappelijke wereld en
                           Unilever Research goed omdat men binnen Unilever bewust blijft investeren in
                           eigen mensen die wetenschappelijk onderzoek doen.
                              Numico geeft haar research medewerkers expliciet de opdracht om goed op
                           de hoogte te zijn van de wetenschappelijke ontwikkelingen en actief te zoeken
                        25 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                          naar outsourcing mogelijkheden. Ook hier is het feit dat Numico zelf onderzoekers
                          op topniveau heeft van essentieel belang.
                             CMG heeft zijn kantoor op het gebied van ontwikkelingen in de mobiele tele-
                          fonie gevestigd op het terrein van de Universiteit Twente. Dit vergemakkelijkt
                          samenwerking o.a. door stages en afstudeeropdrachten. Daarnaast is voor CMG
                          bij het binnenhalen van kennis campus recruitment belangrijk. Zij sponsoren
                          tevens een aantal leerstoelen.
                          De meeste grote bedrijven zoals Philips, Shell, Unilever etc. achten zichzelf
                          momenteel redelijk goed in staat kennis met de kennisinstellingen uit te wisselen,
                          kennis te benutten of zelf langere-termijn onderzoek (eventueel zelfs fundamen-
                          teel) uit te voeren waar nodig. Enkelen hebben (nog steeds) grote R&D afdelin-
     Het stimuleren van   gen waarbinnen lange termijn onderzoek uitgevoerd wordt. Bijna alle bedrijven
 persoonlijke contacten,  ondernemen diverse activiteiten om te zorgen dat kennis tussen de bedrijven en
    netwerkvorming en     de kennisinfrastructuur blijft stromen. Deze zijn gericht op het stimuleren van per-
personele mobiliteit zijn soonlijke contacten, netwerkvorming, samenwerking of het tijdelijk in dienst
 belangrijke activiteiten nemen van medewerkers die goed ingevoerd zijn in de wetenschappelijke
                          wereld.18
                          Philips Research geeft publiek-private samenwerking langs twee dimensies vorm:
                          mens en instituut. Deze classificatie leidt tot 3 typen samenwerking:
                          1. mens-mens
                             Medewerkers onderhouden contacten met medewerkers uit publieke kennis-
                             instellingen. Over het algemeen zijn dit informele contacten. Op die manier
                             zijn er een paar duizend contacten. Deze contacten worden gestimuleerd door
                             medewerkers op reis te laten gaan of door het laten bezoeken van conferen-
                             ties.
                          2. mens-instituut of andersom
                             Medewerkers zijn betrokken bij een samenwerking met een instituut of Philips
                             Research onderhoudt contact met een medewerker binnen een bepaald insti-
                             tuut. In het eerste geval is een medewerker van Philips Research bijvoorbeeld
                             deeltijdhoogleraar, of hij heeft een contractrelatie met een bepaald instituut. In
                             het tweede geval is een hoogleraar bijvoorbeeld adviseur, doen AIO's hun pro-
                             motieonderzoek, of lopen studenten stage bij Philips Research. Zo zijn er con-
                             tacten met bijna 300 kennisinstellingen.
                             18 Uit de interviews voor AWT-advies 53 Backing Winners (2003) blijkt dat ook grote dienstverleners
                                 vaak redelijk goed ingevoerd zijn in de wetenschappelijke wereld. Ook zij hebben diverse vormen
                                 van samenwerkingsverbanden, deeltijdhoogleraren, AIO's en stagiaires.
                       26 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                             3. instituut-instituut
                                Met ruwweg een tiental instituten worden er op instituutsniveau afspraken
                                voor samenwerking gemaakt met Philips Research. Een voorbeeld daarvan is de
                                samenwerking met het IMEC in Leuven. Deze relaties worden omzichtig aan-
                                gegaan, zijn langdurig en gebaseerd op continuïteit. Ook met de universiteit
                                Aken is onlangs een dergelijk verband aangegaan. Een deel van deze contac-
                                ten betreft samenwerking in het kader van overheidsprogramma's. Zo hebben
                                3000 recente en lopende projecten in Eureka en het kaderprogramma geleid
                                tot circa 2000 relaties met 900 verschillende bedrijven, universiteiten en insti-
                                tuten. Zeer recent heeft Philips aangekondigd de High Tech Campus open te
                                stellen voor andere R&D-intensieve bedrijven en technostarters. Onder voor-
                                waarden kan ook gebruik gemaakt worden van zowel de infrastructuur als de
                                faciliteiten en de kennis en expertise van Philips Research. De bedoeling is dat
                                dit zal leiden tot vruchtbare samenwerking. Er is bijvoorbeeld een principe-
                                akkoord met FOM voor een gezamenlijk onderzoeksprogramma en de vesti-
                                ging van een FOM-onderzoeksgroep op de High Tech Campus.
                             Uitwisselingsmogelijkheden tussen het bedrijfsleven en universiteiten ervaren
           Bedrijven ervaren bedrijven als zeer vruchtbaar. Philips maakt bijvoorbeeld gebruik van mogelijkhe-
uitwisselingsmogelijkheden   den zoals die in het KP6-programma zijn gecreëerd in de vorm van de Marie Curie
         als zeer vruchtbaar beurzen (diverse ondersteuningsvormen van Europese uitwisseling van onderzoe-
                             kers tussen het bedrijfsleven en de kennisinfrastructuur). Daarmee kan echter niet
                             met Nederlandse kennisinstellingen worden samengewerkt. Ook vanuit de
                             kennisinstellingen worden overigens activiteiten ondernomen om de wissel-
                             werking met bedrijven te versterken.
                             De universiteit van Tilburg kent een Center of Finance, een ontmoetingsplaats
                             voor academici en vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven. Dit centrum heeft 15
                             sponsors uit het bank- en verzekeringswezen, de Nederlandsche Bank en de toe-
                             zichthouders. Daarnaast kent Tilburg het wetenschappelijk instituut CentER, waar
                             ondermeer 6 AIO’s werken die betaald worden door het bedrijfsleven. Deze
                             'duale’ AIO's werken vier dagen in de week in Tilburg en één dag in de week bij
                             het bedrijf.
                             Een belangrijke vorm van het binnenhalen van kennis is voor veel bedrijven de
                             werving van jonge mensen. Daarmee wordt kennis én een bijbehorend netwerk
                             binnengehaald. Een geëigend carrièrepad voor researchers binnen grote onderne-
                             mingen is dat zij na een aantal jaar doorstromen naar de business units. Daarmee
                          27 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                              ontstaan tevens bedrijfsinterne netwerken. Deze zijn essentieel voor het intern
                              doorstromen en benutten van kennis. De laatste jaren wordt vanwege het tekort
                              aan technisch opgeleiden in Nederland veel (onderzoeks)personeel in het buiten-
                              land geworven. Voor een deel is het een bewuste keuze van bedrijven om het
 Door werving van technisch   binnenhalen van mensen en kennis te globaliseren, voor een deel komt het ech-
opgeleiden in het buitenland  ter voort uit noodzaak. Een nog weinig onderkend neveneffect is dat met het
                 verschuiven  binnenhalen van buitenlandse onderzoekers ook de netwerken met de kennis-
            kennisnetwerken   instellingen naar het buitenland verschuiven.
                              Grote bedrijven vinden een grote variëteit aan relaties met de kennisinfrastructuur
                              belangrijk. Het is daarom belangrijk dat kennisinstellingen zich flexibel opstellen
                              in de mogelijkheden voor samenwerking. Kortere en langere termijnen moeten
                              tot de mogelijkheden behoren, niet alles past in een vierjarig AIO-traject.
      Bij het formuleren van  Grote bedrijven zijn (in potentie) goed in staat lange termijn onderzoeksthema's
  onderzoeksthema's kan de    te formuleren. Hun expertise kan echter nadrukkelijker worden ingezet door hen
expertise van deze bedrijven  meer te betrekken bij het programmeren van grote onderzoeksprogramma's.
      nadrukkelijker worden   Initiatieven van de overheid zoals de oprichting van TTI's en IOP's dragen daartoe
                      ingezet bij en kunnen ertoe leiden dat bedrijven ook kennis in Nederland blijven 'halen'.
                              Tot slot geven de grote bedrijven aan dat kwesties rond IPR een belangrijke rol
                              spelen bij de aantrekkelijkheid voor samenwerking. Zij constateren dat de Bayh-
                              Dole Act een steeds groter struikelblok wordt bij het samenwerken met
                              Amerikaanse kennisinstellingen. Ontwikkelingen in dezelfde richting in Nederland
                              vindt men ten sterkste af te raden.19
                              B. Grote bedrijven (250 tot circa 5000 werknemers)
                              Dit type bedrijven heeft vaak wel een eigen R&D afdeling, maar van beperkte
                              omvang. De focus is voornamelijk toegepast onderzoek en ontwikkeling. Voor deze
                              bedrijven geldt dat kennis uit de publieke kennisinfrastructuur een belangrijke rol
    Kleine R&D staf beperkt   kan spelen, maar dat er twee zaken zijn die kennisabsorptie en -benutting bemoei-
           mogelijkheden om   lijken. Ten eerste zijn ze vaak te klein (beter gesteld is: hun R&D-staf te beperkt) om
 verschillende mechanismen    een breed scala aan mechanismen voor kennisabsorptie in te zetten. Alhoewel ken-
                 in te zetten nis van strategisch belang is, zetten veel van deze bedrijven er niet zwaar op in.
                                  19 De stellingname in het AWT-advies 46 Handelen met kennis. Universitair octrooibeleid omwille van
                                     kennisbenutting wordt door veel bedrijven onderschreven.
                           28 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                            Ten tweede speelt voor een groot aantal van deze bedrijven dat kennis die ont-
                            wikkeld wordt aan universiteiten niet ver genoeg richting toepassing is door-
  Benodigde vertaalslag om  ontwikkeld. Dat maakt benutting van die kennis door deze bedrijven moeilijk. De
kennis toepasbaar te maken  R&D-staf van deze bedrijven is vaak te beperkt en sterk gericht op ontwikkeling of
    kan niet in huis gedaan analyseactiviteiten om de benodigde vertaalslag in huis te maken. Zij zouden
                     worden daartoe vaker samenwerkingen kunnen aangaan met bijvoorbeeld TNO en de
                            GTI's. In het WCFS (TTI Voeding) zie je bijvoorbeeld dat een groot bedrijf als
                            Unilever uitstekend in staat is de ontwikkelde kennis te absorberen. Bedrijven met
                            een beperkte R&D-staf, zoals de voormalige coöperaties, hebben daarmee veel
                            meer moeite.
                            Recent heeft Campina zijn internationale R&D voor 'witte zuivel' (consumptie-
                            melkproducten) geconcentreerd in Wageningen. Wageningen, dat inmiddels
                            wereldwijd wordt gepromoot als Food Valley, is gekozen om twee redenen.
                            Allereerst vanwege de daar aanwezige kennisinfrastructuur en daarnaast omdat
                            het recruteren van nieuwe mensen daar zeer gemakkelijk is. De kennisinfrastruc-
                            tuur in Wageningen levert een cruciale bijdrage aan het innovatieproces bij
                            Campina. Wel vindt Campina dat deze meer zou kunnen aansluiten op de behoef-
                            te van bedrijven. Bundeling van krachten is daarbij essentieel. Op dit moment
                            wordt kennis aan de kennisinstellingen te versnipperd ontwikkeld. Het WCFS is
                            een stap in de goede richting. Wel zou de kennis wat meer op de praktijk kunnen
                            aansluiten. Kleinere bedrijven willen een meer applicatiegerichte aanpak.
                            Bedrijven als Unilever willen pure research en doen zelf de vertaalslag naar appli-
                            caties. Een eveneens internationaal opererende onderneming als Campina zit daar
                            een beetje tussenin. Volgens Campina is het cruciaal dat de producenten van
                            witte zuivel de handen ineenslaan om massa te creëren aan de vraagkant. De
                            vestiging van hun eigen R&D op het gebied van witte zuivel in Wageningen is wat
                            dat betreft een doorbraak. Meer bedrijven zouden dat moeten doen.
                            Samenvattend zijn de kenmerkende aspecten voor deze categorie bedrijven:
                            .  Over het algemeen is herkenning van de eigen kennisbehoefte geen probleem;
                               weten waar deze kennis te vinden en daarmee gerichte acties ondernemen is
                               vaak wel een probleem (men heeft/neemt niet de tijd om dat uit te zoeken of
                               er zijn geen geschikte mensen voor in het bedrijf).
                            .  De omvang (van het bedrijf en/of van de R&D-staf) bepaalt in grote mate de
                               mogelijkheid van absorptie en benutting van kennis. Veel bedrijven in dit seg-
                               ment hebben een relatief kleine R&D-staf.
                         29 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                            Meerdere bedrijven uit dezelfde branche of uit de keten kunnen wel gezamenlijk
    Vraagbundeling is een   onderzoek financieren en als volwaardige samenwerkingspartner dienen.
      goede methode om      Bedrijven kunnen zich hierin actief opstellen. Vraagbundeling is daarmee een
     barrières te omzeilen  goede methode om de barrières die worden veroorzaakt door de beperkte
                            omvang van de R&D-staven te omzeilen.
                            Op dit moment richt 10-15% van de samenwerking bij AVEBE zich op samen-
                            werking met kennisinstellingen. In de toekomst zal dit nog meer worden. Enkele
                            jaren geleden constateerde men dat er sprake was van bloedarmoede in de
                            samenwerking met het toenmalige NIKO/TNO. Het NIKO werkte eigenlijk alleen
                            voor AVEBE waar het ging om ontwikkelingen op het gebied van zetmeel. De
                            graanzetmeelindustrie was daarvoor even in beeld, maar haakte weer af. Dat was
                            aanleiding om het samenwerkingsverband Agrobiokon op te richten, waar niet
                            alleen een aantal bedrijven in deel nemen, maar ook LNV, EZ, NOM, de boeren,
                            ATO, WUR , RUG en TNO. De financiering van dit platform bedraagt 10 miljoen
                            euro voor 5 jaar. Het initiatief is vanuit de groep zelf gekomen, maar EZ heeft het
                            initiatief ondersteund. De NOM heeft een rol gespeeld in de procesbegeleiding
                            rond dit platform, hoewel de groep de meeste samenwerkingsprojecten zelf
                            oppakte. Agrobiokon voert onderzoeksprojecten uit op zowel het agrodeel (aard-
                            appelteelt) als op zetmeel ((bio)chemische modificaties). Onderzoek beperkt zich
                            tot conceptontwikkeling. De uiteindelijke ontwikkelingen doen de bedrijven zelf.
                            Ook voor deze categorie bedrijven is personele mobiliteit, het laten stromen van
Personele mobiliteit is een kennis via mensen, een heel vruchtbaar mechanisme voor kennisabsorptie en
   belangrijk mechanisme    -benutting.
                            Bij Jan de Rijk logistieke dienstverlening werd de eerste aanzet voor de innova-
                            tieve ontwikkeling van nieuwe logistieke diensten gegeven toen zij een jaar lang
                            een HBO-afstudeerder in huis hadden. Nog steeds spelen stagiaires een belangrij-
                            ke rol bij innovatie; zij hebben er altijd wel een paar. Ook in de eigen organisatie
                            werden geleidelijk steeds meer mensen met een hoger opleidingsniveau binnen-
                            gehaald, eerst HBO-ers, later ook academici. Zo kon geleidelijk aan de stap
                            gemaakt worden van inpassing van kennis op HBO-niveau naar de inpassing van
                            universitaire kennis. Jan de Rijk werkt nu samen met 4 universiteiten. Die samen-
                            werking in combinatie met de opbouw van het eigen personeel is de sleutel voor
                            een goede samenwerking.
                         30 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                          C. Koplopers MKB
                          Het gaat hier om kennisintensieve bedrijven die al dan niet in samenwerking met
                          kennisinstellingen eigen kennis opbouwen voor hun diensten of producten. Soms
                          is het verhandelen van kennis zelfs de core business van het bedrijf. Voorbeelden
                          van bedrijven die hieronder vallen zijn bijvoorbeeld high tech starters, life science
                          starters, middelgrote technische bedrijven, technische adviesbureaus en private
                          onderzoeksorganisaties.
                          Deze bedrijven kenmerken door goede contacten en samenwerkingen met de
                          publieke kennisinfrastructuur. Universiteiten zijn een belangrijke samenwerkings-
      Contacten met de    partner voor deze bedrijven. Opvallend is de grote variëteit in samenwerkings-
kennisinfrastructuur zijn vormen: van informele, informatieve gesprekken tot langdurige strategische
       goed en frequent   samenwerking. Vooral met universiteiten blijkt een variëteit aan contacten, van
                          informeel tot formeel, mogelijk. Informele contacten verlopen moeizamer met bij-
                          voorbeeld TNO en hogescholen.20
                          De bedrijven in dit segment kenmerken zich door het feit dat ze zelf in ieder geval
                          een aantal, maar vaak zelfs een relatief groot percentage hoger opgeleiden in
 Deze bedrijven hebben    dienst hebben. Dit betekent dat de capaciteit en competentie om kennis te absor-
         zelf veel hoger  beren in huis is, maar ook dat via deze mensen netwerken zijn binnengehaald en
   opgeleiden in dienst   verder kunnen worden uitgebouwd.
                          Paques BV heeft zich sinds begin jaren tachtig ontwikkeld van een producent van
                          tanks tot een zeer innovatief bedrijf dat innovatieve biotechnologie gebruikt om
                          milieuvriendelijke water- gas- en luchtzuiveringssystemen te ontwikkelen.
                              Toen begin jaren tachtig de strategische oriëntatie van het bedrijf veranderde,
                          is één universitair geschoolde medewerker aangenomen die de haalbaarheid van
                          de ideeën moest toetsen en het daartoe benodigde wetenschappelijke netwerk
                          moest opzetten. Inmiddels is Paques uitgegroeid tot een middelgrote internatio-
                          nale onderneming met eigen onderzoek en ontwikkeling, een uitgebreide hoger
                          geschoolde R&D-staf en een zeer uitgebreid (internationaal) netwerk van samen-
                          werking met kennisinstellingen.
                             20 Zie de resultaten van het in opdracht van de AWT vervaardigde EIM-onderzoek Wat doen innova-
                                tieve bedrijven om aan kennis voor innovatie te komen (2003). Dit document is beschikbaar op
                                www.awt.nl.
                      31  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                              Door conferentiebezoek, het bijhouden van publicaties, soms zelf publiceren etc.
                              wordt kennisabsorptie gewaarborgd. Voor de overgrote meerderheid van bedrij-
                              ven in dit segment geldt dat persoonlijke netwerken de belangrijkste bron zijn
Persoonlijke netwerken zijn   voor het binnenhalen van kennis en het contact met de kennisinstellingen.21 In
             zeer belangrijk  veel van deze bedrijven werken aio's aan hun promotieonderzoek en zijn er op die
                              manier contacten met de bijbehorende vakgroep. Zelf onderzoek doen en het
                              deel uitmaken van wetenschappelijke netwerken is voor deze bedrijven de sleutel
                              tot het succes van kennisabsorptie en benutting. Met name voor de groep, die
                              qua financiële mogelijkheden beperkt is, kunnen detacheringprogramma's en de
                              financiering/subsidiëring van promovendi daarom een nuttige rol vervullen.22
                              Ook voor deze groep bedrijven is IPR een belangrijk thema, maar in een andere
                              zin dan bij de grote multinationals. Enerzijds zijn zij voor hun inkomsten vaak
                              afhankelijk van octrooibezit en licentienemers, anderzijds zien zij octrooien van
                              kennisinstellingen als een goede opstap naar samenwerking. Als een kennisinstel-
                              ling over een octrooi beschikt, is daarmee de 'vinding' concreter gemaakt.23
                              Samenvattend geldt voor deze categorie bedrijven hetzelfde als voor de grote
                              bedrijven: netwerkvorming en personele uitwisselingen in onderwijs en onderzoek
                              zijn zeer belangrijk.
                              D. Ontwikkelingsgericht MKB
     Innovatie is hier 'slim' Innovatie in dit deel van het MKB kenmerkt zich door het 'slim' combineren van
combineren van bestaande      bestaande technologie. De aanzet voor innovatie komt in hoge mate voort uit
                technologie   geconstateerde behoeften in de markt of het eigen bedrijf. Met andere woorden,
                              men weet wat men wil ontwikkelen, de vraag is alleen hoe dat het beste kan.
                                 21 In vergelijking met andere bronnen wordt dit in 75% van de gevallen als het belangrijkste trans-
                                    fermechanisme aangemerkt, tegenover 10% voor ieder van de andere mechanismen/bronnen.
                                    Zie het EIM-onderzoek Wat doen innovatieve bedrijven om aan kennis voor innovatie te komen.
                                 22 Bedrijven spreken positief over 'de promotieregeling van Wijers' die het mogelijk maakte
                                    promovendi aan te stellen door een bedrijf om aan de universiteit voor het bedrijf relevant onder-
                                    zoek te doen. Intellectueel eigendom viel toe aan het bedrijf. Licentievergoeding was vooraf met
                                    de universiteit geregeld.
                                 23 Ook deze groep bedrijven is geen voorstander van het ongebreideld aanvragen van octrooien
                                    door kennisinstellingen. Zij raden aan dat kennisinstellingen een octrooi aanvragen en het eerste
                                    jaar benutten om een partner te zoeken. Samen met die partner, die beter inzicht heeft in de com-
                                    merciële waarde van het octrooi, kan dan de tekst van het octrooi aangepast worden naar zijn
                                    definitieve vorm.
                          32  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                            Voor de meeste van deze bedrijven geldt ook dat informele contacten en netwer-
   Informele contacten en   ken de belangrijkste bron zijn van kennis. Kennisuitwisseling komt vaak tot stand
        netwerken zijn de   door persoonlijke contacten. Een medewerker ontmoet ergens een hoogleraar of
belangrijkste kennisbron... medewerker van een kennisinstelling en zo komt van het één het ander. Vooral
                            met hogescholen lopen er veel contacten. Uit het voor dit advies uitgevoerde
                            onderzoek door EIM blijkt dat kleinere bedrijven relatief meer van hogescholen
                            gebruik maken, en grotere bedrijven meer van TNO.
                            Syntens geeft aan dat in Zuid Oost Brabant momenteel redelijk goede ervaringen
                            worden opgedaan met kennisvouchers. Bedrijven krijgen een cheque van 25.000
                            euro die ze kunnen besteden bij een kennisinstelling. In 70% van de gevallen
                            komen hieruit contacten voort die tot een vervolg in de samenwerking leiden.
… en daarnaast vakbladen,   Vakbladen en nieuwsbrieven, met name de niet-wetenschappelijke beschrijving
  nieuwsbrieven, beurzen,   van nieuwe technologieën en onderzoeksresultaten, zijn ook een belangrijke fac-
  seminars en congressen    tor in de absorptie en benutting van kennis. Verder gaan medewerkers van deze
                            innoverende bedrijven regelmatig naar beurzen, seminars en congressen.
                            Bij samenwerking kan de termijn waarop de bedrijven resultaat willen zien een
                            probleem vormen voor goede samenwerking met kennisinstellingen (i.e. te lange
                            onderzoekstrajecten versus op relatief korte termijn gewenste resultaten). Verder
       Kennis is voor deze  is ook de aard van de aangeboden kennis (vooral door universiteiten) voor veel
       bedrijven vaak niet  bedrijven niet toepasbaar genoeg. Juist in deze categorie bedrijven bestaat steeds
       toepasbaar genoeg    vaker de behoefte aan applicatielabs waarin ze bepaalde technieken kunnen uit-
                            proberen.
                            Persoonlijke contacten leidden er in het verleden toe dat Demar Laser nog wel
                            eens wat aan bijvoorbeeld een technische universiteit kon laten testen. Nu daar
                            de capaciteit echter beperkter wordt, zijn de mogelijkheden daartoe geringer.
                            Demar Laser probeert nu voor een applicatielab op het gebied van lasertechniek
                            geïnteresseerde ondernemers bij elkaar te brengen. Echter financiering van een
                            dergelijk lab is niet makkelijk te realiseren
 Hogescholen kunnen een
     belangrijke rol spelen Een aantal bedrijven levert een bijdrage in onderwijsprogramma's van hoge-
                            scholen of universiteiten. Voor het bedrijf levert dat een netwerk op aan de betref-
                            fende instelling (bouwsteen om verder te komen in het kennisnetwerk). Voor de
                            instellingen levert het zicht op de dagelijkse bedrijfspraktijk. Hogescholen kunnen
                            een belangrijke rol vervullen voor deze bedrijven in de vorm van stages en ook via
                        33  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                         de recent ingestelde lectoren. Als valkuil aan het lectorensysteem signaleren
                         bedrijven dat lectoren soms te ver opschuiven richting universitair onderzoek en
                         daarmee de kant van de toepassingen verlaten.
                         Vooral bij de kleinere bedrijven waarin men weinig of geen hoger geschoold per-
                         soneel in dienst heeft, worden uitwisselingsprogramma's waarbij tijdelijk een
Uitwisselingsprogramma's hoger geschoold iemand kan worden aangesteld zeer gewaardeerd. Dit heeft een
worden zeer gewaardeerd  gunstig effect op het innovatievermogen van het bedrijf, enerzijds doordat de
                         betreffende medewerker in staat is kennis te vinden en binnen te halen, anderzijds
                         door het lerend effect dat ervan uitgaat op andere medewerkers. Stages vinden
                         de bedrijven ook een goed mechanisme om (goedkoop) kennis binnen te halen
                         en het netwerk te verstevigen (vooral stagebegeleiders spelen hierbij een belang-
                         rijke rol). Stagiaires worden vaak ingezet om een haalbaarheidsonderzoek te doen.
                         Door de relatief geringe personele wisselingen bij deze bedrijven is het belangrijk
                         voor zittende personeelsleden om up-to-date te blijven (een levenlang leren). Dit
                         kan door bijscholen, maar ook door detachering, stages etc.
                         Voor bedrijven die nog weinig of geen gebruik maken van de kennis uit de publie-
                         ke kennisinfrastructuur is hulp bij het vinden van kennis en het volgen van rele-
                         vante technologische ontwikkelingen te vereenvoudigen en/of te versnellen
                         essentieel. Brancheorganisaties kunnen daarbij een rol vervullen.24
                         Federatie 'Het Instrument" (FHI).
                         De FHI (Federatie Het Instrument) organiseert voor zijn leden workshops waarbij
                         ondernemers en studenten / AIO's bij elkaar komen. In de ochtend vertellen
                         ondernemers hoe zij de toekomst zien. In de middag vertellen studenten en AIO's
                         die werken in projecten in het STW-Progress programma waar zij mee bezig zijn.
                         De bedoeling is om kennis en toepassing nader tot elkaar te brengen.
                            24 EZ ondersteunde in 2002 20 projecten in het kader van de SKB-regeling; kern is dat brancheor-
                                ganisaties voor hun leden gezamenlijke studies coördineren naar de actuele kennispositie rond een
                                bepaalde technologie en de daarbij behorende afzetmarkt. De in 2002 gestarte projecten berei-
                                ken in potentie meer dan 30.000 bedrijven. Bijna 2000 bedrijven krijgen meer zicht op hun ken-
                                nispositie, ruim 30.000 bedrijven krijgen informatie over de toepassingsmogelijkheden van nieu-
                                we technologie. Het blijkt hier voornamelijk te gaan om kleinere bedrijven met minder dan 50
                                werknemers. Zie voor meer informatie het in opdracht van de AWT door Senter verrichte onder-
                                zoek Informatiebronnen voor innovatie bij MKB-bedrijven; een analyse van 20 projecten uit de subsi-
                                dieregeling SKB. Dit onderzoek is te vinden op www.awt.nl onder werkdocumenten.
                     34  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                             Het automative technology centre (ATC)
                             Het ATC heeft tot doel de internationale technologie- en marktpositie van
                             Nederlandse automotive bedrijven te versterken. Het ATC is begin 2003 van start
                             gegaan. Het is een initiatief van de Federatie Holland Automotive (platform dat
                             zich inzet voor de belangen van de Nederlandse automotive sector). Hierin heb-
                             ben 'kopstukken' vanuit de industrie zitting, zoals van DAF Trucks, Inalfa, Bova en
                             Benteler/PD&E, en daarnaast vanuit diverse andere partijen: het ministerie van
                             Economische Zaken, TNO, TU Eindhoven, vakbond De Unie en de intermediaire
                             organisaties Syntens, Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij BOM, NV Industriebank
                             LIOF en NEVAT.
                             ATC wil het onder meer technologieontwikkeling en innovatie in deze sector
                             bevorderen en richt zich daarbij zowel op eindfabrikanten als op toeleveranciers.
                             Allereerst zullen kennisontwikkelings- en kennisuitwisselingsprojecten tussen
                             bedrijven en kennisinstellingen en bedrijven onderling worden opgezet. Ten
                             tweede gaat het ATC zich inspannen voor het beschikbaar komen van gekwalifi-
                             ceerd personeel op HBO en universitair niveau, in aansluiting op de behoeften van
                             het bedrijfsleven. Tenslotte zal worden bijgedragen aan de programmering en
                             focussering van de kennisontwikkeling in Nederland, zodanig dat deze zich inter-
                             nationaal kan onderscheiden en tegemoet komt aan de behoeften van het
                             bedrijfsleven.
                             E. Technologievolgend MKB
                             Deze bedrijven implementeren technologie die nieuw is voor het bedrijf, maar
     Deze bedrijven hebben   elders al bestaat. Dit kan zowel gaan om het aanschaffen van kant-en-klare appa-
vrijwel nooit eigen R&D-staf ratuur of software, als om klantspecifieke producten van een leverancier.25 Deze
                             bedrijven hebben vrijwel nooit eigen R&D-medewerkers. Het onderliggend
                             onderzoek en de ontwikkeling vinden dus meestal geheel buiten die bedrijven
                             plaats. Invoering van nieuwe technologie is vooral gericht op verbetering van
                             interne efficiency en het verhogen van de technische capabilities van het bedrijf.
                                25 Zie het in opdracht van de AWT door Senter verrichte onderzoek Een analyse van de regeling SKO
                                   beschikbaar op www.awt.nl, onder werkdocumenten.
                         35  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Zij maken veelal gebruik van Deze bedrijven maken weinig gebruik van de publieke kennisinfrastructuur. In
hogescholen en commerciële   beperkte mate wordt gebruik gemaakt van TNO, in grote mate daarentegen van
 ingenieursbureaus voor het  (kleine) ingenieurs- en adviesbureaus en leveranciers. Deze ingenieurs- en adviesbu-
     binnenhalen van kennis  reaus blijken op hun beurt wel relaties te onderhouden met de publieke kennis-
                             infrastructuur en vormen dus een belangrijke schakel tussen deze bedrijven en de
                             kennisinstellingen.26
                             Bji deze bedrijven is vooral sprake van technologiediffusie en niet van directe
                             kennisoverdracht. Het stimuleren van een open houding van ondernemers ten
                             aanzien van nieuwe ontwikkelingen en het aanreiken van mogelijkheden om
                             gericht naar kennis te zoeken en te bepalen of deze kennis voor het eigen bedrijf
                             bruikbaar is, is zinvol. Instrumenten, zoals de SKO-regeling, die de inschakeling
                             van kleine intermediairs stimuleren, zijn zeer geschikt voor deze groep onderne-
                             mers. Het faciliteert een betere benutting van kennis uit de publieke kennisinfra-
                             structuur.27
                             Tot slot geldt voor deze bedrijven dat een belangrijke eerste stap ligt in het vergro-
                             ten van het strategisch opereren. Daartoe is ondersteuning bij strategie-
                             vorming en samenwerking bij het volgen van trends wenselijk. Een aantal partijen
                             vervult hierbij op dit moment een rol: private consultants, Syntens en branche-
                             organisaties.
                                26 Zie de resultaten van het in opdracht van de AWT vervaardigde EIM-onderzoek Wat doen innova-
                                    tieve bedrijven om aan kennis voor innovatie te komen (2003). Dit document is beschikbaar op
                                    www.awt.nl.
                                27 De SKO- en de SKB regeling zijn bij uitstek geschikt voor deze groep ondernemers, daar waar het
                                    gaat om het beter benutten van kennis uit de publieke kennisinfrastructuur. Als nadeel van de hui-
                                    dige SKB-regeling wordt aangegeven dat er geen mogelijkheden zijn voor aanvragen door meer-
                                    dere brancheorganisaties samen, terwijl de invoering van nieuwe technologie juist steeds meer in
                                    de gehele keten zou moeten plaatsvinden. Daarnaast is de regeling met name toegankelijk voor
                                    grotere brancheorganisaties. Kleinere brancheorganisaties zijn onvoldoende in staat zelf zorg te
                                    dragen voor het benodigde projectmanagement. Actievere ondersteuning ook op dit vlak zou de
                                    regeling ruimer toegankelijk maken.
                          36 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>              3
                              Aanbevelingen
                              3..1 Rollen en verantwoordelijkheden
                              Kennisabsorptie en kennisbenutting komt tot stand in een goed samenspel van
                              partijen: bedrijven, kennisinstellingen, maar ook de overheid (nationaal en ook
                              lagere overheden) en bijv. brancheorganisaties. Alleen wanneer al deze partijen
                              hun verantwoordelijkheden nemen, zal de wisselwerking tussen bedrijven en ken-
                              nisinstellingen optimaal kunnen verlopen. In de discussies in kranten en in beleids-
                              ontwikkeling is tot dusver veel aandacht uitgegaan naar de taak en rol van de ken-
                              nisinstellingen en de benodigde veranderingen in hun activiteiten. De centrale
                              vraag in dit advies betreft echter de rol en de mogelijk te ondernemen activiteiten
                              in bedrijven zélf om tot een betere kennisabsorptie en kennisbenutting te komen.
     De aanbevelingen zijn    In het verlengde daarvan de manier waarop de overheid bedrijven hiertoe kan
gericht op het bedrijfsleven  faciliteren en stimuleren. De aanbevelingen in dit advies zijn dan ook vooral op
             en de overheid   bedrijven en de overheid gericht.
  Bedrijven zijn primair zelf Uitgangspunt voor de Raad is dat bedrijven primair zelf verantwoordelijk zijn voor
      verantwoordelijk voor   adequate kennisabsorptie en kennisbenutting. De Raad acht het vanzelfsprekend
         kennisabsorptie en   dat de leiding in bedrijven de blik richt op de langere termijn en de continuïteit
                  -benutting  van het bedrijf. Een dergelijke toekomstgerichtheid vergt onder andere het volgen
                              van kennisontwikkelingen, openstaan voor nieuwe mogelijkheden die hieruit kun-
                              nen voortkomen alsmede het gericht op zoek gaan naar kennis ter realisatie van
                              vernieuwende marktideeën. Wat kortom nodig is, is een zekere gedreven nieuws-
                              gierigheid en ambitie.28 De cultuur in een bedrijf ten aanzien van innovatie en de
                              wijze van aansturing en motivering van medewerkers zijn daarbij belangrijke,
                              bepalende factoren. Medewerkers moeten de tijd en ruimte krijgen om bezig te
                              zijn met toekomstige vragen, een dialoog aan te gaan met kennisontwikkelaars en
                              voor het verwerven en absorberen van kennis. De effecten van ingezette acties zijn
                              niet altijd op korte termijn zichtbaar, echter wel essentieel voor de continuïteit van
                              het bedrijf. De juiste incentives zullen werknemers ertoe uitdagen vernieuwing ook
                                 28 Zie ook: Verlangen naar de eindeloze zee. Rapportage verkenningscommissie 'Kennis voor de
                                     Netwerkeconomie'. AWT, januari 2001
                          37  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                            daadwerkelijk op te pakken. Weerstand bieden aan de verleiding werknemers af
                            te rekenen op korte termijn resultaten is daarom essentieel. Alleen zo zal het
                            absorptievermogen, het vermogen tot kennisdiffusie en -benutting en zodoende
                            het innovatief vermogen van het bedrijf groeien.29
 De overheid heeft echter   Bedrijven zijn dus allereerst zelf aan zet. Daarnaast heeft de overheid echter een
              ook een rol   rol te spelen. Legitimering hiervoor is te vinden in het belang van innovatieve
                            bedrijvigheid voor de Nederlandse economie en daarmee voor onze welvaart én
                            welzijn. Toekomstige groei zal in toenemende mate gerealiseerd moeten wor-
                            den door productiviteitsstijging gebaseerd op verhoging van toegevoegde
                            waarde: hoogwaardige producten en diensten én slimmer produceren en distri-
                            bueren. Dat vergt kennisintensieve, innovatiegedreven bedrijvigheid. De ambi-
                            ties op dit punt zijn hoog, getuige de ook door de Nederlandse overheid onder-
                            schreven Lissabon-ambities. Evident is dat bij de realisering van die ambities het
                            vermogen in bedrijven tot kennisabsorptie en kennisbenutting een cruciale
                            plaats inneemt. Belemmeringen en knelpunten voor kennisabsorptie, althans
                            voor zover deze buiten een bedrijf liggen, moeten aangepakt te worden. De
                            AWT pleit daarnaast voor een meer (pro)actieve rol van de overheid, met
                            inachtneming van de gebruikelijke criteria voor overheidsstimulering,30 gericht
                            op het benutten van kansen ter vergroting van kennisabsorptie en kennisbe-
                            nutting in bedrijven.
De Raad gaat niet in op de
                rol van de  Zoals aangegeven gaat de Raad in dit advies niet nader in op gewenste of nood-
      kennisinstellingen... zakelijke beleidsmaatregelen gericht op publieke kennisinstellingen ter bevorde-
                            ring van kennisoverdracht en wisselwerking met bedrijven. Wél wil hij, gezien de
                            lopende _ soms heftige _ discussies, van de gelegenheid gebruik maken één
                            opmerking over dit onderwerp te maken. De belangrijkste boodschap van de
                            Raad is: zet niet alle kennisinstellingen op hetzelfde spoor. Het is belangrijk te
                            realiseren dat we in Nederland naast de universiteiten ook hogescholen hebben,
                            alsmede een flink intermediair veld (o.a. TNO en de GTI's) dat expliciet kennis-
                               29 De Raad wijst er overigens op dat het bedrijven voordelen biedt met publiek gefinancierde ken-
                                   nisinstellingen samen te werken. Zie hiervoor o.a. A.P. Poot en E. Brouwer (2001) Samen innove-
                                   ren. Een onderzoek naar publiek-private en private kennisrelaties in Nederland. In deze studie wordt
                                   aangetoond dat de bruto toegevoegde waarde per werknemer in bedrijven met kennisrelaties
                                   gemiddeld 6% hoger is dan bij bedrijven die geen kennisrelaties onderhouden.
                               30 Denk hierbij aan:
                                   - Het maatschappelijk nut moet het private nut overstijgen;
                                   - Additionaliteit: overheidsingrijpen alleen indien deze zaken zonder ingrijpen niet zouden plaats
                                     vinden;
                                   - De overheidssteun mag niet leiden tot afwenteling van ondernemersrisico op de maatschappij.
                       38   AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                              circulatie en bevorderen van kennisbenutting in bedrijven tot taak heeft.
                              Nederland is in vergelijking met andere landen daarin redelijk uniek. De rollen en
                              taken van deze diverse typen kennisinstellingen moeten bekeken worden in hun
                              onderlinge samenhang. De AWT is voorstander van een heldere rol- en taaktoe-
                              bedeling, waarbij juist ingezet wordt op de specifieke sterktes van de onder-
     ... maar waarschuwt wel  scheiden type kennisinstellingen. En indien de ‘uitvoering’ van een eenmaal toe-
   voor een één-spoor beleid  bedeelde taak niet naar wens is, dan dient de betreffende instelling daarop
                              aangesproken te worden in plaats van diezelfde taak (ook) bij andere instellingen
                              te beleggen. De Raad wijst erop dat teveel een één-spoor beleid voeren tot sub-
                              optimalisatie leidt. Als bijvoorbeeld de universiteiten sterk aangezet worden om
                              óók direct toepasbaar onderzoek te 'leveren', ook voor het MKB, dan verliezen we
                              de functie van universiteiten in het Nederlandse bestel uit het oog. Universiteiten
                              hebben op onderzoeksvlak primair tot taak bij te dragen aan vernieuwing door
                              het uitvoeren van grensverleggend en risicodragend onderzoek. Door een te
                              strakke aansturing op (directe) toepasbaarheid van kennis kan dit in de knel
                              komen. Dit neemt uiteraard niet weg dat universiteiten tevens tot taak hebben
                              kennis over te dragen en gericht dienen te zijn op mogelijkheden tot valorisatie
                              van kennis.
                              3..2 Uitgangspunten
                              Alvorens over te gaan tot concrete aanbevelingen ter bevordering van kennis-
                              absorptie en kennisbenutting in bedrijven, wil de Raad een aantal algemene uit-
                              gangspunten voor beleid op dit vlak aangeven.
                              Kennisabsorptie en kennisbenutting is bovenal mensenwerk
      Mensen zijn de centrale Mensen zijn de centrale en cruciale factor in kennisontwikkeling, -absorptie en
factor in kennisontwikkeling, -benutting. Belangrijk is uiteraard de opleiding en werkervaring die mensen mee-
    -absorptie en -benutting  brengen in het werk. Maar zeker zo belangrijk is hun ambitie, enthousiasme en
                              ontwikkelingspotentieel. Mensen zijn daarnaast ook de belangrijkste pijler voor
                              het aangaan van netwerken en effectieve samenwerkingsverbanden. De Raad is
                              dan ook van mening dat 'de menselijke factor' kern moet zijn in het stimuleren,
                              faciliteren en aanjagen van kennisabsorptie. Uiteraard gaat het er niet om mensen
                              los te zien van de instituten of bedrijven waar ze werken. Punt blijft echter dat
                              samenwerking en kennisabsorptie uiteindelijk door mensen wordt gedragen.
                              Hieraan dienen daadwerkelijk (beleids)consequenties verbonden te worden. De
                              Raad constateert dat in het Nederlands (innovatie)beleid _ zeker in vergelijking
                          39  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   Nederland maakt weinig     met andere landen _ relatief weinig werk is gemaakt van dit uitgangspunt.31
  werk van dit uitgangspunt   Daarin kan Nederland nog een inhaalslag maken. Tevens is het van belang dat
                              bedrijven hun medewerkers de gelegenheid bieden de benodigde open houding
                              in de praktijk te brengen en verder te ontplooien. De cultuur, aansturing en incen-
                              tives in een bedrijf moeten daarbij aansluiten.
                              Het gaat om het ‘vermogen’ tot kennisabsorptie en kennisbenutting
                              Door de dynamiek, de snelheid en deels de onvoorspelbaarheid van ontwikkelin-
                              gen in economie en kennisontwikkeling wordt de wendbaarheid en slagvaardig-
                              heid in bedrijven van steeds groter belang. Flexibel kunnen inspelen op zich voor-
                              doende ontwikkelingen en kansen, vergt een goed ontwikkeld vermogen om
                              nieuwe kennisontwikkelingen te doorgronden, daarop voort te bouwen en tot
        Het ontwikkelen van   innovaties te komen. Dit vermogen is uiteindelijk belangrijker dan het eenmalig
    'vermogen' is essentieel; kennis opdoen ten behoeve van een concrete innovatie. De Raad wil dan ook als
            competenties en   tweede uitgangspunt voor aanbevelingen het vergroten van het vermogen tot
         leerprocessen staan  kennisabsorptie en kennisbenutting en de daartoe benodigde competenties en
             daarbij centraal leerprocessen centraal stellen. Hij benadrukt daarmee de beoogde structurele
                              effecten en ook structurele inspanningen die nodig zijn, zowel in bedrijven als in
                              het te voeren overheidsbeleid. Deze nadruk op het vermogen tot kennisabsorptie
                              past ook goed bij de overheidstaak: het creëren van zo goed mogelijke condities
                              voor bedrijven om daadwerkelijk kennis te (gaan) benutten.
                              Heb aandacht voor uiteenlopende behoeften en ervaren knelpunten
                              Er zijn grote verschillen in de dagelijkse innovatiepraktijk in bedrijven. Het is daarom
                              zaak zorg te dragen voor een voldoende breed scala aan beleidsmaatregelen om
                              tegemoet te komen aan de zeer uiteenlopende behoeften en knelpunten wat betreft
                              kennisabsorptie in bedrijven. Het over één kam scheren van bedrijven is niet effec-
                              tief. De Raad is zich er uiteraard van bewust dat beleidsmaatregelen niet tot in detail
                              naar bedrijfsverschillen gedifferentieerd kunnen worden en dat dat zeker ook niet
Houd in beleid rekening met   wenselijk is. Bedrijven zijn niet gebaat bij een ondoordringbaar oerwoud aan maat-
 verschillen in bedrijvigheid regelen. Maar rekening houden met verschillen in bedrijvigheid op basis van ‘groot-
                              te’ en ‘innovatiestrategie’ (zie hoofdstuk 2) acht de Raad relevant én werkbaar.
                                 31 Zie de 'EU Trendchart on innovation 2003', waarin een vergelijking is opgenomen van een breed
                                     scala aan beleidsmaatregelen in de diverse landen gericht op versterking van wisselwerking tussen
                                     kennisinstellingen en bedrijven én het versterken van het absorptievermogen van bedrijven.
                                     Geconstateerd kan worden dat daar waar in andere landen veel aandacht is voor personele mobi-
                                     liteit en persoonlijke vorming (een levenlang leren), in Nederland hiervoor relatief weinig aan-
                                     dacht is.
                          40  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                               3..3 Aanbevelingen
                               De combinatie van deze drie uitgangspunten brengt de Raad tot vier lijnen van
                               aanbevelingen ter bevordering van kennisabsorptie in bedrijven:
              Vier lijnen van  A. Verhoog het kennisniveau in bedrijven.
              aanbevelingen    B. Versterk netwerkvorming.
                               C. Vergroot de personele mobiliteit.
                               D. Meer aandacht voor de vertaalslag naar toepassingen.
                               Deze lijnen worden hieronder uitgewerkt. De aanbevelingen zijn gericht op bevor-
                               dering van de interactie tussen bedrijven en kennisinstellingen. De Raad wijst
                               daarbij nogmaals op de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven. De overheid
                               kan echter met gerichte maatregelen stimuleren en faciliteren. De hier gegeven
                               aanbevelingen dragen er idealiter toe bij dat bedrijven _ meer dan tot dusver _
                               kennisinstellingen als partners zien en vanzelfsprekender zullen opzoeken. De
                               Raad is zich daarbij terdege bewust van de 'klassieke' cultuurverschillen tussen
                               bedrijven en kennisinstellingen. Er zijn nu eenmaal verschillen tussen primaire
                               doelstellingen, drijfveren en incentives in bedrijven en in kennisinstellingen. Het is
                               echter vooral zaak om hiermee leren om te gaan en ondanks deze cultuur-
                               verschillen kennis te laten stromen.
                               A. Verhoog het kennisniveau in bedrijven
                               Kennisabsorptie en kennisbenutting in bedrijven start met de aanwezigheid van
          Kennisabsorptie en   mensen die daartoe in staat zijn. Medewerkers die vanuit hun opleiding en ervaring
-benutting start met mensen    de kennisontwikkelingen kunnen volgen en gesprekspartner kunnen zijn voor mede-
     die daartoe in staat zijn werkers in de kennisinstellingen. Het niveau dat daarvoor benodigd is, verschilt
                               uiteraard met het niveau en 'nieuwheid' van de kennis dat een bedrijf binnen wil
                               (kunnen) halen. Zeker voor veel MKB-bedrijven is het simpelweg in dienst hebben
                               of nemen van hoger opgeleiden (HBO of universitair geschoold) een belangrijke eer-
                               ste stap. Eenmaal in dienst is het zaak competenties van medewerkers op (hoog)
                               niveau te houden. Vooral voor kleinere bedrijven waar personeel relatief minder snel
                               wisselt is het up-to-date houden van zittende medewerkers van groot belang. Zij
                               kunnen niet zoals grote bedrijven profiteren van een voortdurende instroom van
                           41  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>                                jonge medewerkers. Het vermogen tot kennisabsorptie en -benutting verdient en
                                vereist kortom voortgaande scholingsinvesteringen: 'een levenlang leren'.32
                                De Raad doet daarbij de volgende aanbevelingen:
In dienst nemen meer hoger      .  Meer hoger opgeleiden in bedrijven, met name in het MKB. De Raad acht
                   opgeleiden      het wenselijk dat méér MKB-bedrijven 'experimenteren' met het in dienst
                                   nemen van hoger opgeleiden. De overheid kan dit ondersteunen en faciliteren
         De overheid kan dit       met regelingen gericht op het op tijdelijke basis detacheren of inhuren van
                    stimuleren     hoger geschoolden. In het verleden zijn hiertoe in Nederland reeds regelingen
                                   in het leven geroepen, zoals de KIM-regeling (Kennisdragers in het Midden- en
                                   Kleinbedrijf).33 Inspiratie kan ook in het buitenland gevonden worden, bijvoor-
                                   beeld in Frankrijk34 en Engeland (Teaching Company Scheme).35 Dergelijke pro-
                                   gramma's bieden overigens niet alleen voordelen bieden voor het MKB, maar
      Investeer in 'levenslang     ook voor grotere bedrijven met een beperkte R&D-staf.
                         leren' .  Meer scholing van werkenden, investeren in 'levenslang leren'. Met name
                                   vanuit kleine bedrijven kan hiertoe méér gebruik worden gemaakt van de
                                   bestaande, omvangrijke sectorale O&O-fondsen die via CAO's worden
                                   gevuld.36 Daarnaast kan de overheid impulsen geven, bijvoorbeeld via fiscale
                                   aftrekposten of door middel van aparte stimuleringsprogramma's. De Raad
                                  32 Zie ook het SER-advies (juni 2002) Het nieuwe leren; advies over een leven lang leren in de kennis-
                                      economie.
                                  33 De KIM-regeling was een regeling die de mogelijkheid bood om met subsidie, voor beperkte tijd,
                                      een hoger opgeleide aan te stellen in een bedrijf. De regeling werd in mei 2001 aangepast naar
                                      'SKO-vernieuwingsprojecten' voor het technologievolgend MKB. De SKO-regeling is in een aantal
                                      opzichten beperkter van opzet dan haar voorloper KIM. Ten eerste moet er bij de SKO-regeling al
                                      een vernieuwingsplan zijn voor de hoger opgeleide binnen wordt gehaald, terwijl bij de oor-
                                      spronkelijke KIM-regeling de hoger opgeleide juist ingeschakeld kon worden om het vernieuw-
                                      ingsplan uit te werken. Een tweede opmerking is dat de verplichting om vooraf aan te geven wélke
                                      hoger opgeleide het project ging uitvoeren er in de praktijk toe leidde dat veel projecten
                                      uiteindelijk geen doorgang vonden; de betreffende persoon had vaak al elders een baan voordat
                                      het project was goedgekeurd. De regeling was opgezet vanuit de optiek werkgelegenheid te
                                      creëren i.p.v. vanuit de optiek het innovatief vermogen van bedrijven te vergroten. Ten derde
                                      beperkt de SKO-regeling zich tot technische aspecten, terwijl in de oude KIM-regeling ook
                                      marketingmedewerkers konden worden binnengehaald. Bij dat laatste gaat het niet alleen om de
                                      uitvoering van verkoopacties, maar juist ook om het systematisch verwerken van klanteninfor-
                                      matie in gewenste innovaties.
                                  34 Frankrijk kent een regeling die bedrijven tot 2000 werknemers in de gelegenheid stelt een hoger
                                      opgeleide aan te stellen. Het niveau loopt van MBO tot en met academisch gepromoveerden. Zie
                                      www.anvar.fr.
                                  35 Het Teaching Company Scheme is een al langerlopend, succesvol programma in het Verenigd
                                      Koninkrijk. Kern hierbij is dat hooggekwalificeerde, recentelijk afgestudeerde academici in een
                                      bedrijf twee jaar lang aan een project werken dat van essentieel belang is om de behoeften van
                                      het bedrijf te voorzien. Dit onder gezamenlijk toezicht van academici en personeelsleden van het
                                      bedrijf. 90% van de deelnemende bedrijven behoort tot het MKB.
                                  36 Bijna 40% van alle werknemers valt onder een O&O-fonds. Zie verder J.M. Waterreus (2002),
                                      O&O-fondsen op herhaling. Max Goote Kenniscentrum BVE.
                            42  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                            wijst erop dat meerdere bestaande overheidsmaatregelen op dit punt in de
                            toekomst niet gecontinueerd zullen worden.37 Zonder zich uit te spreken over
                            de voor- en nadelen of de effectiviteit van verschillende regelingen, vindt de
                            Raad het in ieder geval een verkeerd signaal om bestaande opties af te schaf-
                            fen, zonder duidelijk zicht op nieuwe regelingen.
                         .  Versterk initiatieven en programma's die erop gericht zijn om gezamenlijk
                            (kennisinstellingen en bedrijven) opleidingstrajecten in te richten. Veel
                            bedrijven participeren reeds in het gezamenlijk vorm geven van opleidings-
                            trajecten. Er is echter nog een groot potentieel aan bedrijven die hier veel meer
                            dan nu het geval is invulling aan kunnen geven.38
                         B. Versterk netwerkvorming
                         'Onbekend maakt onbemind'. Interactie tussen medewerkers uit bedrijven en kennis-
                         instellingen is de basis voor kennisuitwisseling. Netwerkactiviteiten (formeel én infor-
Netwerkactiviteiten zijn meel) kunnen waardevol in zichzelf zijn,39 maar vormen bovendien vaak de basis voor
vaak de basis voor meer  toekomstige, meer formele kennisstromen zoals personeelsuitwisseling, contract-
 formele kennisstromen   research en R&D-samenwerking. Versterking van netwerkvorming vraagt van bedrij-
                         ven een open houding en de bereidheid medewerkers tijd en geld te laten spende-
                         ren om netwerken binnen en buiten het bedrijf te ontwikkelen en te onderhouden.
                         De Raad geeft hierbij de volgende aanbevelingen:
                         .  Voorzie in de behoefte van kleinere bedrijven aan een (externe) partij die
                            faciliteert bij het ontwikkelen en instandhouden van kennisnetwerken.
         Externe hulp is    Met name kleinere bedrijven zonder of met een kleine R&D-staf zijn beperkter
          daarbij zinvol    in hun mogelijkheden om deel te nemen in kennisnetwerken. Zij kunnen baat
                            hebben bij hulp van buiten. Er zijn verschillende partijen die hierin een
                           37 De Raad wijst hierbij specifiek op het aflopen van de tijdelijke EZ-regeling Scholingsimpuls, het
                                afschaffen van de mogelijkheid in de vennootschapsbelasting tot aftrek van scholingskosten voor
                                beroepsgerelateerde opleidingen van medewerkers en het stopzetten van de OCW-regeling KeBB
                                (Kennisuitwisseling Beroepsonderwijs Bedrijfsleven).
                           38 In de OCenW en EZ-regeling Kennisuitwisseling Beroepsonderwijs Bedrijfsleven staat de noodzaak
                                centraal om de relatie tussen opleiding en arbeidsmarkt blijvend te versterken. Het idee is dat stu-
                                denten in een kennissamenleving actuele kennis moeten hebben en dat deze kennis komt uit
                                bedrijven, brancheorganisaties en kenniscentra. Nu kunnen alleen ROC of erkende niet-bekostig-
                                de instellingen participeren. De belangstelling voor de regeling is groot. Het valt te overwegen
                                om dergelijke regelingen ook voor hogescholen toegankelijk te maken.
                           39 Daarbij moet overigens worden gewaakt voor het 'netwerken óm het netwerken'. Dit kan gemak-
                                kelijk verzanden in een praktijk waarbij juist vanuit bedrijven de minder getalenteerden worden
                                ingezet om de netwerken met kennisinstellingen te onderhouden; zij kunnen er immers voor wor-
                                den vrijgemaakt. De crux is om netwerkstimulansen te verzorgen die uitdagend en inspirerend zijn.
                     43  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                                 bijdrage kunnen leveren: onder andere brancheorganisaties40 en Syntens. Een
                                 effectieve inzet van internetmogelijkheden kan daarbij een belangrijke onder-
                                 steunende rol vervullen.
Vraagbundeling organiseren    .  Organiseer vraagbundeling. Door vraagbundeling kunnen meerdere bedrij-
                                 ven uit dezelfde branche of in een keten gezamenlijk onderzoek aan een ken-
                                 nisinstelling financieren of als volwaardige samenwerkingspartner dienen.
                                 Bedrijven kunnen hiertoe zelf stappen ondernemen, via bijvoorbeeld netwer-
                                 ken met leveranciers, afnemers en concurrenten, via product- en bedrijfs-
                                 schappen en via brancheorganisaties. De overheid kan hierbij _ binnen rede-
                                 lijke grenzen _ een aanjagende en stimulerende rol spelen.
Belangrijke rol voor lectoren .  Versterk de rol van lectoren aan hogescholen. Vooral voor het innovatiever-
          aan hogescholen...     mogen van MKB-bedrijven met meer toepassingsgerichte vragen is het belang-
                                 rijk de regionale spilfunctie van hogescholen in kennisnetwerken te versterken.
                                 De Raad waardeert vanuit dit oogpunt de voorgenomen uitbreiding van het
                                 aantal lectoren aan hogescholen. Hij plaatst hierbij twee waarschuwingen. Ten
     ...mits goed ingebed...     eerste kan een effectieve (netwerk)rol van lectoren naar bedrijven alleen tot
                                 stand komen als lectoren goed ingebed zijn in de dagelijkse onderwijspraktijk
                                 en intensieve relaties onderhouden met de docenten. Betrokkenheid van
             ...en gericht op    lectoren bij stages en afstudeeropdrachten is in ieder geval onmisbaar. Ten
          kenniscirculatie en    tweede is het van groot belang het profiel van lectoren scherp te blijven richten
          toepasbaar maken       op kenniscirculatie en het toepasbaar maken van kennis. Het is een verkeerde
                   van kennis    ontwikkeling indien het taakprofiel van lectoren opschuift in de richting van
                                 onderzoek en kennisontwikkeling; academic drift dient vermeden te worden.
        Kennisconsortia zijn  .  Zet het beleid gericht op creatie van kennisconsortia voort. In de afgelopen
                   waardevol     jaren zijn diverse formules voor consortiavorming tussen bedrijven en kennisin-
                                 stellingen in praktijk gebracht, in Nederland o.a. de TTI's, ICES-KIS, ACTS en
                                 recent BSIK-consortia. Zeker de TTI's worden positief beoordeeld. Dit beleid
                                 verdient voorzetting en uitbreiding. Aandachtspunt is daarbij het vergroten van
                                 mogelijkheden voor samenwerking met hogescholen. Ook zij moeten nadruk-
                                 kelijk in de gelegenheid worden gesteld deel uit maken van netwerken. Dit
                                 maakt de deelname van MKB-bedrijven aan deze netwerken makkelijker en
                                 aantrekkelijker.41
                                40 Voor brancheorganisaties kent de EZ-regeling SKB (subsidie kennisoverdracht brancheorganisaties
                                     MKB) twee componenten: kennispositieprojecten, waarin een strategische verkenning van markt-
                                     en technologische ontwikkelingen wordt gemaakt en kennisoverdrachtprojecten, waarin bestaan-
                                     de kennis verspreid wordt onder de leden.
                                41 Vergelijk de ervaring in het IOP-precisietechnologie waar in één project via de TU Delft wordt
                                     samengewerkt met de Hogescholen van Utrecht en Eindhoven. Dit project geniet enorm grote
                                     belangstelling vanuit het bedrijfsleven.
                           44 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                  Organiseer  .   Organiseer ontmoetingsplaatsen. Dit kan bijv. door het organiseren van
     ontmoetingsplaatsen...       kennisbijeenkomsten, zoals het ICT-kenniscongres. Daarnaast kunnen initia-
                                  tieven zoals Media Plaza een goede functie vervullen door kennis breder te eta-
                                  leren en toegankelijk te maken. De Raad constateert tot zijn genoegen dat
                                  meerdere partijen reeds bezig zijn met het in praktijk brengen van deze aan-
                                  beveling. Daarin schuilt direct een risico of valkuil: een teveel aan initiatieven.
           ...maar gericht en     Gezien de vele activiteiten die reeds vanuit o.a. regio's42 en bijv. brancheorga-
                  aanvullend      nisaties43 worden georganiseerd, is het zaak voor de nationale overheid alleen
                                  gericht activiteiten te ondernemen die daadwerkelijk aanvullend zijn.
                              C. Vergroot personele mobiliteit
       Door vergroting van    Persoonsgebonden interactie kan behalve via netwerkvorming ook tot stand
personele mobiliteit worden   gebracht worden door mensen te laten 'stromen': personele mobiliteit en andere
          nieuwe netwerken    vormen van overgangen van medewerkers tussen bedrijf en kennisinstelling. Door
    aangegaan of bestaande    het vergroten van personele mobiliteit worden nieuwe netwerken aangegaan of
                   verstevigd bestaande verstevigd. Personele mobiliteit wordt breed gezien als één van de
                              allerbelangrijkste mechanismen om kennis te laten stromen. Deze lijn van aanbe-
                              velingen is in zichzelf dan ook niet nieuw of verrassend. De Raad vindt echter dat
                              er veel méér van dit soort personele stromen op gang moeten komen en ziet daar-
                              toe de volgende mogelijkheden.
  Stages als laagdrempelijke  .   Zet meer en explicieter in op stages. Stages, onderzoeks- en afstudeerop-
                       impuls     drachten bieden een belangrijke laagdrempelige impuls voor kenniscirculatie.
                                  Nederland kent reeds vele goede praktijken op dit punt; voorbeelden die navol-
                                  ging en uitbreiding verdienen. De AWT roept bedrijven, kennisinstellingen én
                                  overheid op (nog) meer werk te maken van stages. Inspiratie hiervoor is te vin-
                                  den in enkele ons omringende landen waar expliciet stagebeleid wordt
                                  gevoerd.44
                                 42 Interessant in dit verband is de flinke opleving van regionale allianties als 'de Kennisalliantie Zuid-
                                     Holland' en 'Kenniskring Amsterdam'.
                                 43 Nederland ICT heeft recent besloten onder de noemer Innovatiesalons een extra stimulans te
                                     geven aan de innovatie voor een aantal sectoren, door het bevorderen van daadwerkelijke samen-
                                     werking op korte termijn tussen bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid in regionale clusters.
                                     De eerste InnovatieSalon voor de zorgsector is van start gegaan. Vergelijkbare salons zullen wor-
                                     den opgezet in andere sectoren zoals onderwijs, justitie en landbouw.
                                 44 Frankrijk kent een uitgebreide regeling voor stages, van niveaus vergelijkbaar met het VMBO tot
                                     academisch gepromoveerden. Afhankelijk van het niveau is de begeleiding vanuit de achterlig-
                                     gende onderwijsinstelling meer (bij lager niveau) of minder (bij hoger niveau) uitgebreid. Zie voor
                                     meer informatie www.anvar.fr.
                           45 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>              Meer duale  .  Stimuleer duale AIO-trajecten: aanstelling bij een universiteit, uitvoering
            AIO-trajecten    van het onderzoek _ deels _ in een bedrijf. De onderzoeker pendelt hierbij
                             letterlijk tussen kennisinstelling en bedrijf. In de EU, via het Marie Curie pro-
                             gramma,45 worden dergelijke duale trajecten reeds gestimuleerd en gefinan-
                             cierd. Dit wordt alom gewaardeerd. Eis hierbij is echter dat de AIO uit een
                             ander land komt dan waar het bedrijf is gevestigd, dit ter bevordering van de
                             internationale mobiliteit. Ter bevordering van de mobiliteit tussen Nederlandse
                             kennisinstellingen en in Nederland gevestigde bedrijven is een eigen nationale
                             variant van een dergelijk programma wenselijk.
Variatie in postdoctorale .  Breng meer variatie aan in postdoctorale (promotie)trajecten. Naast tra-
                trajecten    jecten die opleiden tot wetenschappelijk onderzoeker, is het wenselijk post-
                             doctorale onderzoekersopleidingen te ontwikkelen die voorbereiden op een
                             (onderzoeks)carrière in het bedrijfsleven. Het onderscheid tussen PhD program-
                             mes en professional doctorates in Engeland vindt de Raad een goed voorbeeld.
                             De Raad signaleert echter dat in Nederland de universitaire onderzoekersoplei-
                             dingen juist in toenemende mate een puur wetenschappelijke oriëntatie heb-
                             ben. De nadruk op publicaties in toptijdschriften werkt duidelijk ook door in de
                             onderzoekersopleidingen, die steeds meer lijken op te leiden voor een vervolg-
                             carrière in de wetenschap. Overigens biedt het Nederlandse promotieregle-
                             ment reeds mogelijkheden voor enige variatie in trajecten;46 bedrijven én ken-
                             nisinstellingen zouden meer gebruik moeten te maken van deze mogelijkheden.
 Meer ‘buitenpromoties’   .  Vergroot het aantal 'buitenpromoties'. De Raad pleit voor meer ruimte en
                             facilitering van 'buitenpromoties': mensen die vanuit een werkplek buiten de
                             universiteit, veelal op basis van aldaar opgedane werkervaring en inzichten, aan
                             een proefschrift werken. Dit uiteraard onder begeleiding van een hoogleraar,
                             waardoor de netwerken met een universiteit worden aangehaald. Grotere, ken-
                             nisintensieve bedrijven kunnen op deze manier hun aansluiting bij kennisont-
                             wikkeling in universiteiten verbeteren. Dit kan ook door een eigen onderzoeks-
                             programma op te zetten, met 'AIO's' (maar bijvoorbeeld ook post docs)
                            45 Overigens wordt binnen het Marie Curie beurzenstelsel niet alleen personele mobiliteit van AIO's
                                gestimuleerd. Diverse vormen van personele mobiliteit en kennisuitwisseling tussen kennisinstel-
                                lingen en bedrijfsleven worden gestimuleerd door middel van beurzen en trainingsprogramma's.
                                Zie voor meer informatie http://europa.eu.int/mariecurie-actions.
                            46 Zo biedt het Nederlandse promotiereglement reeds de mogelijkheid om te promoveren op een
                                proefontwerp in plaats van op een proefschrift. Philips maakt o.a. gebruik van deze mogelijkheid
                                en slaagt er daarmee in om promoties goed te laten aansluiten bij de bedrijfsdoelstellingen. Verder
                                wijst de Raad op de tweejarige ontwerpersopleidingen (TWAIO) verzorgd door de technische uni-
                                versiteiten; dit leidt overigens niet tot een promotie.
                       46 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                                aangesteld bij en door het bedrijf.47 De AWT ziet daarnaast een stimulerende
                                rol voor de overheid gericht op vergroting van het aantal gepromoveerden in
                                bedrijven. De ervaringen en instrumentering hiertoe in Frankrijk kunnen inspi-
                                ratie bieden.48
          Meer personele    .   Stimuleer en faciliteer personele uitwisselingen tussen kennisinstellingen
            uitwisselingen      en bedrijven. Behalve studenten en onderzoekers in opleiding, bevordert
                                uiteraard ook de uitwisseling van ander personeel relevante interactie. Dit kan
                                diverse vormen aannemen, lopend van minder tot meer permanent:
                                - Gastcolleges vanuit een bedrijf bij een universiteit of hogeschool.
                                - Sabbatical leaves vanuit kennisinstellingen (universiteiten én hogescholen)
                                   doorgebracht in het bedrijfsleven.
                                - Dubbelfuncties, bijv. bijzonder hoogleraarschappen van mensen uit het
                                   bedrijfsleven in kennisinstellingen.
                                - (Deeltijd)detachering van personeel van bedrijven bij kennisinstellingen en
                                   omgekeerd.
                                - Baanwisseling, overstap naar bedrijf of kennisinstelling.
Instrumentarium nodig om    De AWT roept partijen (bedrijven én overheid) op om concrete invulling te geven
          dit te realiseren aan en instrumentarium te ontwikkelen om dergelijke vormen van personele uit-
                            wisselingen daadwerkelijk te realiseren.
                            D. Meer aandacht voor de vertaalslag naar toepassingen
                            Wil interactie tussen mensen uit bedrijven en kennisinstellingen zinvol en effectief
                            zijn, dan moeten beide partijen hierin meerwaarde zien. Voor bedrijven is die
                            meerwaarde verbonden aan het komen tot innovaties (nieuwe producten en dien-
                            sten). Met name grote bedrijven, maar ook de high tech starters zijn in het alge-
                            meen goed in staat om effectieve kennisrelaties aan te gaan met publieke kennis-
                            instellingen en zelf kennis om te zetten naar toepassingen. Bestaande regelingen
                            (vooral de op R&D gerichte regelingen in het EZ-instrumentarium) sluiten goed
                               47 Philips gaat dit nu structureler vorm geven in haar Holst-programma. Er is een Holst junior (AIO),
                                   Holst senior (postdoc) en Holst fellow (sabbatical). De essentie is dat het een aanstelling betreft
                                   bij het bedrijf waar een onderzoeksprogramma wordt uitgevoerd.
                               48 De Franse overheid zet bij haar nieuwe innovatiebeleid nadrukkelijk in op verhoging van het aan-
                                   tal promoties binnen het bedrijfsleven. Een goed voorbeeld daarvan is het programma CIFRE. In
                                   deze regeling kunnen onderzoekers door middel van een driejarig contract tussen een bedrijf, een
                                   onderzoeksinstelling en de onderzoeker zelf, onderzoek doen dat uitmondt in een proefschrift. De
                                   regeling is toegankelijk voor alle private ondernemingen, ongeacht grootte en voor onderzoekers
                                   uit binnen- en buitenland.
                         47 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>              Om kennis uit   aan bij de behoefte van deze bedrijven. Dit ligt echter anders voor een groot deel
       kennisinstellingen te  van het MKB, met name die bedrijven waar innovatie het karakter heeft van het
       benutten is vaak een   slim combineren van reeds bestaande technologieën. De kennis afkomstig uit ken-
           vertaalslag nodig  nisinstellingen is voor hen niet direct te gebruiken, een vertaalslag is nodig.
                              Verschillende partijen kunnen daarbij een goede rol vervullen. De Raad merkt
                              daarbij (nogmaals) op dat directe relaties tussen universiteiten en deze MKB-
                              bedrijven zeker niet het meest voor de hand liggend zijn. De Raad doet daarbij de
                              volgende aanbevelingen.
                              .  Zorg voor voldoende 'dekking' van de behoefte aan vertaalslagen door de
      TNO en GTI’s hebben        intermediaire kennisinfrastructuur. De Raad realiseert zich dat TNO en ande-
              daarbij een rol    re intermediaire kennisinstellingen zoals GTI's een rol hebben in het toepasbaar
                                 maken van kennis. Zij zijn zelfs voor een deel opgericht om deze taak te ver-
                                 vullen, met name naar het MKB. Omdat er momenteel een evaluatie van de
                                 Nederlandse intermediaire kennisinfrastructuur wordt uitgevoerd, gaat de Raad
                                 niet nader in op de kwaliteit van die taakvervulling. De AWT wil op deze plek
                                 één opmerking maken. TNO en de GTI's zijn de afgelopen jaren door de over-
                                 heid op het pad van marktwerking gezet en moeten in toenemende mate hun
                                 eigen financiering op de markt realiseren. Dit heeft ertoe geleid dat er een ver-
                                 schuiving in de focus van deze instituten heeft plaatsgevonden: TNO en de
   TNO en GTI's zijn echter      GTI's zijn zich meer gaan richten op grotere bedrijven. Dit is op zich begrijpe-
     meer gericht op grote       lijk, het is voor deze instituten veel eenvoudiger grote bedrijven als 'klant' te
                   bedrijven     hebben. Daar komt bij dat de restricties verbonden aan de basis- en doelfinan-
                                 ciering deze focus op grotere bedrijven (en hoogwaardige kennisontwikkeling
                                 en -toepassing) nog eens extra stimuleren. De overheid moet zich dan ook rea-
                                 liseren dat organisaties als TNO en de GTI's gezien vanuit hun huidige taak- en
                                 doelstelling maar in beperkte mate het MKB (vooral de kleinere bedrijven) kún-
                                 nen bedienen. De Raad is dan ook van mening dat de overheid dient te her-
                                 overwegen op welke manier zij haar (basis- en doel)financiering inzet om juist
                                 het MKB te bedienen.
    Commerciële advies- of    .  Stimuleer MKB-bedrijven om advies- of ingenieursbureaus in te schakelen.
 ingenieursbureaus kunnen        Voor veel MKB-bedrijven zijn het vaak de (commerciële) advies- en ingenieurs-
voor veel kleinere bedrijven     bureaus die de benodigde concrete vertaalslagen maken van kennis naar toe-
  de benodigde vertaalslag       passing. Deze nuchtere constatering dient in het innovatiebeleid structureel
                    maken…       een plek te krijgen. In de huidige SKO-regeling is het reeds mogelijk een com-
                                 mercieel advies- of ingenieursbureau in te schakelen voor het uitvoeren van een
                                 haalbaarheidsstudie. De Raad adviseert hiervoor in de eventuele opvolger van
                                 deze regeling ook ruimte te bieden.
                          48  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                                .   Versterk de rol van hogescholen in het innovatiesysteem. Naast de com-
                                    merciële advies- en ingenieursbureaus spelen ook hogescholen een belangrijke
                                    rol bij het toepasbaar maken van kennis voor (kleinere bedrijven in) het MKB.
… ook moet het beleid meer          In het overheidsinnovatiebeleid komt die rol nog onvoldoende uit de verf; er
   beroep doen op de kracht         wordt te weinig een beroep gedaan op de kracht en potentie van hogescho-
en potentie van hogescholen         len. De Raad pleit er dan ook voor hogescholen meer en expliciet een rol te
                                    geven in het toepasbaar maken van kennis. In ieder geval dienen de subsidie-
                                    regelingen voor innovatiestimulering hiertoe ruimte te bieden. Wederom zijn
                                    in het buitenland voorbeelden te vinden van regelingen op dit punt.49 De Raad
                                    wijst overigens _ wellicht ten overvloede _ op de geëigende plaats van de
                                    hogescholen in het innovatiesysteem. Deze is niet gericht op kennisontwikke-
                                    ling, maar op kenniscirculatie en het toepasbaar maken van kennis (ontwerp-
                                    en ontwikkelrol).
                                3..4 Tot slot
                                In dit advies is de Raad ingegaan op wat in zijn ogen zinvolle en waardevolle acti-
                                viteiten zijn om kennisabsorptie en kennisbenutting in bedrijven te verbeteren.
                                Daarbij is aangegeven dat bedrijven zélf een belangrijke rol hebben te spelen, en
                                tevens op welke punten de overheid een aanjagende, faciliterende en stimuleren-
                                de rol kan vervullen.
 Geen ‘white sheet’ maar ...    Wat betreft de overheidsinspanningen constateert de Raad dat op meerdere van
                                de hier aangegeven aanbevelingslijnen (nu nog) beleidsmaatregelen bestaan. In
                                dit advies zijn hiervan voorbeelden gegeven, zonder daarin uitputtend te willen
                                zijn. Er is dus zeker geen sprake van een white sheet. De Raad ziet daarom de gege-
                                ven aanbevelingen als een aansporing voor zowel OCW als EZ (en andere depar-
                                tementen, voor zover relevant) om het bestaande beleid _ al dan niet in verbe-
            ...intensivering is terde vorm _ te continueren. Daarnaast is in de ogen van de Raad een zekere
     noodzakelijk vooral wat    intensivering van beleid wenselijk, vooral wat betreft de 'menselijke factor' en de
       betreft de ‘menselijke   persoonsgebonden interacties. De Raad erkent dat juist maatregelen op dit vlak
                        factor’ niet eenvoudig in de praktijk te brengen zijn, maar dat maakt ze niet minder
                                noodzakelijk.
                                   49 Engeland heeft recent 120 miljoen Pond uitgetrokken voor de minder onderzoeksintensieve uni-
                                       versiteiten (vergelijkbaar met hogescholen) specifiek voor het toepasbaar maken van kennis. Het
                                       voorstel stelt:"The government sees an important role in knowledge transfer for less research-inten-
                                       sive institutions, less focused on commercialising cutting-edge knowledge and more based on the
                                       successful application of knowledge acquired from other sources". Bron: Times Higher, 1-8-2003
                            49  AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>        Nadruk op meetbare     Eén van de zaken die het soort beleid waarvoor de Raad pleit zeker niet makkelij-
                   effecten... ker maakt, is de toegenomen druk op meetbare prestaties in beleidsvorming en
                               -uitvoering. Tegen de achtergrond van de VBTB is beleidsvorming sterker gericht
                               op korte termijn effecten en directe meetbaarheid daarvan. Veel van de noodza-
                               kelijke instrumenten die innovatie stimuleren hebben echter effecten op lange ter-
                               mijn, die bovendien moeilijk direct meetbaar zijn. De kans op snel succes mag
                               naar de mening van de Raad ook geen leidraad zijn in de ontwikkeling van het
  ...mag niet ten koste gaan   instrumentarium. Er moet bij ministeries ook ruimte zijn voor maatregelen waar-
  van lange termijn effecten   van aannemelijk is dat ze op de lange termijn goed zullen werken, zonder zicht-
                               bare, meetbare effecten op de kortere termijn. Dit neemt uiteraard niet weg dat
                               er een duidelijk beeld moet zijn van de doelgroep en het gewenste effect. De Raad
                               constateert in het verlengde hiervan dat er de laatste jaren sprake is van een (te)
                               snelle wisseling van regelingen en instrumenten.50 Ook hier geldt dat effecten vaak
                               pas op langere termijn zichtbaar zijn; het sorteren van beleidseffecten vraagt om
       Meer bestendigheid in   een lange adem. De Raad pleit voor een zekere bestendigheid in eenmaal inge-
      eenmaal ingezet beleid   zette beleidslijnen en -instrumenten.
                               Een laatste afsluitende opmerking over de soort bedrijven waarop innovatiebeleid
                               gericht dient te zijn. Realiteit is dat innoveren vele schakeringen kent: van baan-
                               brekend onderzoek leidend tot nieuwe technologie naar de slimme inzet van
                               combinaties van bestaande technologie. Al deze vormen van innoveren leiden uit-
                               eindelijk tot hoogwaardige, kennisintensieve producten, diensten en productie-
    Let op met een te nauwe    processen. De Raad waarschuwt voor een te nauwe afkadering van doelgroepen
afkadering van doelgroepen     in het innovatiebeleid. In de onlangs verschenen Innovatiebrief (ministerie EZ)
       in het innovatiebeleid  wordt gesuggereerd het beleid te concentreren op het 'overbruggen van de ken-
                               nis- en cultuurkloof tussen kennisinstellingen en bedrijven'. Daarbij wordt aange-
                               geven dat het zou moeten gaan om bedrijven die wíllen innoveren en daarmee al
                               ervaring hebben. Die bedrijven zouden moeten worden aangezet om samenwer-
                               kingen aan te gaan met kennisinstellingen. Risico hierbij is dat een grote groep
                               (potentieel) innovatieve bedrijven zo niet wordt bereikt. Dat betreft met name die
                               groep bedrijven die _ zonder daartoe onderzoekssamenwerkingen met publieke
                                 50 De Raad heeft hiervan in dit advies enkele voorbeelden genoemd. Hij wijst ook nog op de
                                      huidige SKO-regeling die in mei 2002 is gestart; (gedeeltelijke) continuering van deze regeling
                                      hangt af van een evaluatie begin 2004.
                          50   AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>   kennisinstellingen aan te gaan _ door het slim combineren van technologie in
   staat zijn om snel innovaties te realiseren. Juist deze groep kan qua omvang en
   aard belangrijke economische waarde creëren. De AWT pleit kortom voor een vol-
   doende brede benadering van bedrijven.51
   Aldus vastgesteld te Den Haag, november 2003
   J.F. Sistermans
   Voorzitter
   Mw. dr. V.C.M. Timmerhuis
   Secretaris
       51 Zie ook AWT-advies nr. 53 Backing winners, van technologiebeleid naar een actief innovatiebeleid (juli
          2003). Daarin geeft de Raad, met betrekking tot het gehele innovatiebeleid van EZ, de aanbeve-
          ling om de aandacht niet alleen te richten op 'de voorkant van het innovatietraject' (kennisop-
          bouw en kennisverwerving), maar juist meer de nadruk te leggen op de benutting van (reeds
          bestaande) kennis.
51 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>   Bijlage
   Gesprekpartners
   - prof.dr. E.H.L. Aarts (Philips Research, vice president & scientific program
     manager)
   - mw. drs. J.A. van den Bandt-Stel (VNO-NCW, secretaris technologiebeleid)
   - drs. R. Bemer (Ministerie van Economische Zaken, directeur-generaal van
     Innovatie)
   - dr. J.J.H. van den Biesen (Philips Research, vice president)
   - drs. E.A.A.M Broesterhuizen (ministerie van OCW, plaatsvervangend directeur AI)
   - drs. D.W.C. van Doorne (SER, secretaris werkgroep innovatie)
   - drs. J.H. de Groene (ministerie van EZ, plv. directeur-generaal van Innovatie)
   - mw. dr. F.M.L. Heijs (ministerie van OCW, afdelingshoofd AI)
   - drs. L.M.L.H.A. Hermans (MKB Nederland, voorzitter)
   - dr. W.H.B. Hoondert (Senter, manager TOK/TOP/MPO/KREDO)
   - mw. drs. M. Jansen (Senter, manager scholing en arbeidsmarkt)
   - mw. dr. F. Joldersma (tweede-kamerfractie CDA, lid)
   - mw. ir. K. Jongkind (Ministerie van EZ, senior beleidsmedewerker DG Innovatie)
   - ir. W. Jouwsma (Bronkhorst Hi-Tech BV, technisch directeur)
   - ir. H.R. Kuiken (Kuiken BV, voormalig directeur)
   - mr. dr. P.W. Kwant (Shell, Group Research Advisor)
   - dr. C.J.G.M. Langerak (Senter, programmacoördinator IOP precisietechnologie)
   - prof.dr. F. Leijnse (HBO-Raad, voorzitter)
   - mw. drs. R.M. van der Linden (Ministerie van Economische Zaken,
     beleids-medewerker DG Innovatie)
   - dr. J. Maat (Unilever, Principal scientist, external research)
   - mr. R.T.M. Menzing (ministerie van EZ, beleidsmedewerker DG Innovatie)
   - drs. A.P. Muizer (EIM, senior accountmanager)
   - J.H.J. Pâques (Paques Natural Solutions, directeur external affairs)
   - mw. dr. Y.M. Prince (EIM, directeur)
   - drs. K.A. Ravesloot (Technologiecommissie MKB Nederland, secretaris)
   - ir. A. Schurgers (Syntens-Eindhoven, directeur)
   - drs. K. Vijlbrief (ministerie van EZ, directeur infrastructuur en innovatie DG
     Innovatie)
   - prof.dr. F.A. van Vught (Universiteit Twente, voorzitter CvB en rector)
53 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>   - dr. H.H.F. Wijffels (SER, voorzitter)
   - drs. R.A.J.L. van Wijk (Erasmus universiteit Rotterdam, universitair docent)
   - drs. C.A. van der Wijst (SER, senior beleidsmedewerker)
   - dr. A. ten Wolde (VNO-NCW, secretaris technologiebeleid)
54 AWT-advies nr. 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>