<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>53Backing Winners
  Van generiek technologiebeleid
  naar actief innovatiebeleid
  juli 2003
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  Inhoudsopgave
  Samenvatting                                       5
  1      Inleiding                                   9
  2      Analyse                                    13
         2.1 Ontwikkelingen in de innovatiepraktijk 13
         2.2 Verschuivingen in EZ-innovatiebeleid   25
  3      Aanbevelingen                              31
  Bijlage 1     Adviesvraag en aanscherping         41
  Bijlage 2     Aanpak en werkwijze                 43
  Bijlage 3     Aanvulling op achtergrondinformatie 47
3 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
  Dit advies bepleit aanpassingen in het innovatiebeleid van de centrale overheid.
  De context hierbij is niet gunstig: Nederland zakt af in het peloton in de interna-
  tionale concurrentie. Niet alleen de huidige zwakke conjunctuur speelt daarin een
  rol, maar er zijn ook structurele oorzaken. Het recept voor groei aan het eind van
  de vorige eeuw – matiging van loonkosten en verhoging van de arbeidspartici-
  patie – geeft alleen maar extra speeltijd om te werken aan verbetering van de basis-
  structuur van de economie. Nederland zal toe moeten naar vormen van bedrij-
  vigheid die productiviteitsstijging bereiken door verhoging van toegevoegde
  waarde: naar een kennisintensieve, innovatiegedreven economie. Daarvoor is ver-
  betering van het innovatievermogen van het Nederlandse bedrijfsleven, onder-
  steund door een actief en voortvarend beleid van de overheid, de sleutel.
  Veranderingen in innovatie in bedrijven
  Effectief innovatiebeleid dient aan te sluiten bij de praktijk van innoveren in bedrij-
  ven. Die praktijk verandert. Grote bedrijven hebben hun eigen R&D inspanningen
  verkleind en besteden meer werkzaamheden uit. Kleine bedrijven zijn door hun
  beperkte omvang sowieso minder goed in staat om innovatietrajecten alleen te
  voltooien. Het innoveren in netwerken van bedrijven en kennisinstellingen of
  bedrijven onderling wordt dan ook steeds belangrijker. Niet-technologische
  aspecten, zoals de vormgeving van apparatuur en de structurering van informatie
  worden steeds belangrijker voor het succes van een innovatie. Een integrale kijk
  op innovatie, technische en niet-technische aspecten als één geheel benaderen, is
  dan ook nodig. Daarnaast geldt dat het succes van een innovatie grotendeels
  afhangt van de activiteiten ná het grondleggende onderzoek. Ook hier is een
  integrale benadering succesbepalend en moet innovatiebeleid niet alleen gericht
  zijn op kennisopbouw, maar op het hele innovatietraject. Tot slot kan genoemd
  worden dat de structuur van de Nederlandse economie in belangrijke mate veran-
  derd is. De dienstensector is inmiddels verantwoordelijk voor zo’n tweederde van
  de werkgelegenheid. Innovatie in diensten verloopt volgens andere patronen dan
  in de maakindustrie en vraagt om aangepast stimuleringsinstrumentarium.
5 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  Aanbevelingen
  Dit AWT-advies richt zich op de uitgangspunten van het innovatiebeleid van de
  overheid, met name dat van het ministerie van Economische Zaken. De Raad is
  van mening dat EZ nog meer zou moeten inspelen op de veranderingen in de
  praktijk van innovatie in bedrijven. In het EZ beleid moet nadrukkelijker de overstap
  worden gemaakt van technologie- naar innovatiebeleid. De nadruk moet verschuiven
  van kennis- en technologie-ontwikkeling als zodanig – de voorkant van het inno-
  vatietraject – naar een integrale kijk op innovatie, inclusief het traject ná kennis-
  ontwikkeling. De AWT pleit verder voor een actieve opstelling, niet alleen gericht
  op het wegnemen van belemmeringen, maar ook op het benutten van kansen
  rond sterktes in het bedrijfsleven en de wetenschap.
  De aanbevelingen concentreren zich op vijf noodzakelijke elementen in het inno-
  vatiebeleid voor de nabije toekomst.
  • Biedt een rijke voedingsbodem voor innovatie: Hoogwaardig onderwijs en
     onderzoek, over de volle breedte van disciplines, vormen de basis voor inno-
     vatie en bepalen onze aantrekkingskracht voor kennisintensieve bedrijven. De
     Raad acht blijvende investeringen in een hoogwaardige kennisinfrastructuur van
     groot belang, met daarbij een goede balans tussen (a) een brede basis, (b) excel-
     lentie in een aantal zwaartepunten en (c) ruimte voor vernieuwend onderzoek. De
     verantwoordelijkheid voor een goed publiek onderzoeksbestel ligt primair bij
     OC&W. Het ministerie van EZ moet zich richten op versterking van het bedrijfs-
     leven, opdat het innovaties kan realiseren door het benutten van kennis. Samen
     moeten de ministeries zorgen voor een goede inrichting van de interface tussen
     kennisinstellingen en bedrijven.
  • Méér focus bij het stimuleren van bedrijvigheid: Kennisverwerving en bedrij-
     vigheid internationaliseren steeds sterker. Tegen deze achtergrond is juist een
     nationale innovatiestrategie van groot belang. Nederland kan niet op alle
     gebieden leidend zijn. Het uitsmeren van stimuleringsmiddelen heeft weinig
     effect. De Raad adviseert om een substantieel deel van de innovatiestimulering in
     te zetten op een beperkt aantal specifieke gebieden, met een duidelijke focus.
     Creëer zo momentum om de kansen rond een aantal (bestaande en potentiële)
     sterktes te benutten.
  • Bindt bedrijven aan innovatie hot spots: Méér focus bij stimulering van
     bedrijvigheid is hoe dan ook noodzakelijk. De AWT wil nog één stap verder gaan:
     gebruik vergaande focussering voor het bewerkstelligen van een lock in effect voor
     bedrijven in gebieden waarin Nederland sterk is of kan worden. In geselecteerde
     gebieden moet het innovatieklimaat zó aantrekkelijk zijn dat reeds in Nederland
     gevestigde bedrijven niet overwegen weg te gaan en nieuwe bedrijven zich
6 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>     graag in Nederland willen vestigen. Dat vergt een innovatieklimaat met unieke
     voordelen: een excellent kennisaanbod, hoog opgeleide werknemers, stimule-
     rende regelgeving, ondersteunende infrastructuur, voldoende financiering en
     een adequate pool van toeleveranciers. De Raad adviseert om in geselecteerde
     gebieden een omgeving te creëren (innovatie hot spots) die bedrijven bindt.
  • Hanteer een integrale aanpak: Innovatieprocessen bestaan uit meer dan kennis
     of technologie alleen. Het traject nà de kennisontwikkeling – de omzetting in
     nieuwe producten, processen of diensten die winstgevend in de markt gezet
     kunnen worden – bepaalt in hoge mate het succes van een innovatie. Niet-
     technische aspecten geven daarbij steeds vaker de doorslag. In de diensten-
     sector is de kern van innovatie om te beginnen al vaak niet technologie-gedreven.
     De Raad adviseert om in het innovatiebeleid een integrale benadering te volgen,
     met aandacht voor niet-technische aspecten en voor het hele innovatietraject.
  • Overheid speler ín het netwerk: Voor een goede werking van het innovatie-
     systeem is het essentieel dat de verschillende partijen – bedrijfsleven, wetenschap
     én overheid – nauw met elkaar samenwerken. De overheid moet niet op de stoel
     van de andere partijen gaan zitten, maar ook niet teveel op afstand blijven. Een
     actieve houding dient het uitgangspunt te zijn. Bijna onvermijdbare valkuilen
     zijn daarbij het denken in algemene knelpunten in het systeem en het ‘extra-
     poleren’ van het bestaande instrumentarium. De AWT pleit voor ander manier
     van denken. Knelpunten en kansen verschillen per type bedrijvigheid. Innovatie-
     beleid is dus maatwerk. De Raad adviseert de overheid zich als actieve speler ín
     het netwerk op te stellen. De overheid moet in nauw contact met de andere partijen
     innovatief maatwerk in ondersteunend beleid leveren.
  De context waarin dit advies uitkomt, namelijk een terugval in prestaties van de
  Nederlandse economie, is niet gunstig. Anderzijds moet beseft worden dat
  Nederland over uitgesproken sterktes beschikt: excellentie in wetenschap en sterke
  bedrijvigheid in zowel de maakindustrie als de dienstensector. Er is dus wel reden
  tot zorg, maar niet tot somberheid.
  Het verbeteren van het Nederlandse innovatieklimaat kost echter wel tijd. De
  urgentie om te handelen is dan ook hoog. Met een actieve aanpak, een nauwe
  samenwerking tussen overheid, wetenschap en bedrijfsleven en het uitbouwen
  van al aanwezige en potentiële sterktes, kunnen wezenlijke stappen vooruit worden
  gezet. Het is tijd voor Backing winners.
7 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                  1             Inleiding
                                Focus advies
             Veranderingen in   Dit advies bepleit aanpassingen in het innovatiebeleid van de centrale overheid,
           innovatiepraktijk in in reactie op veranderingen in de innovatiepraktijk bij bedrijven. De Minister van
                   bedrijven... Economische Zaken (EZ) heeft de Adviesraad voor het Wetenschaps- en
                                Technologiebeleid (AWT) gevraagd hierover te adviseren.1
                                De AWT geeft met dit advies aan wat zijns inziens de gewenste veranderingen zijn
                                in het overheidsbeleid om het innovatievermogen van het Nederlandse bedrijfsleven
                                te versterken. Daarmee gaat de AWT tegelijkertijd in op de actuele richting van
  ...vragen om aanpassingen     het beleid van EZ en de vormgeving van het nieuwe instrumentarium voor inno-
        in het innovatiebeleid  vatiestimulering. Het gaat de Raad daarbij overigens niet om de effectiviteit van
                                de diverse beleidsinstrumenten – daarvoor zij verwezen naar het IBO-eindrapport
                                Samenwerken en stroomlijnen.2 In dit advies staan de uitgangspunten van het te
                                voeren innovatiebeleid centraal. Daarnaast stelt de AWT in dit advies de rol van de
                                Nederlandse overheid in het stimuleren en faciliteren van innovatie in zijn alge-
                                meenheid aan de orde.
                                Context: verslechterende prestaties Nederlandse economie
Niet alleen conjunctuur maar    De prestaties van de Nederlandse economie lopen momenteel terug. Dit gebeurt
     ook structurele oorzaken   niet alleen tengevolge van tijdelijke conjuncturele invloeden, maar ook door
                                onderliggende, structurele oorzaken, die de ontwikkeling naar een krachtige,
                                kennisintensieve, economie hinderen.
                Van 1995-2000   Nederland heeft aan het eind van de twintigste eeuw een periode van boven-
    bovengemiddelde groei...    gemiddelde groei gekend, zeker ook in vergelijking met andere Europese landen.
                                In de periode van 1995 tot en met 1999 bedroeg de gemiddelde jaarlijkse
                                welvaartstoename 3,6%. Dat was liefst eenderde hoger dan de rest van de
                                1   Zie bijlage 1 voor de adviesvraag, en aanscherpingen van de AWT daarin.
                                2   Samenwerken en Stroomlijnen: opties voor een effectief innovatiebeleid. Eindrapportage Interdeparte-
                                    mentaal BeleidsOnderzoek technologiebeleid (2002).
                              9 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                               Eurozone. Sinds 2000 zijn de rollen echter omgedraaid en is Nederland afgezakt
                               in het peloton. Is in 2000 en 2001 het verschil nog klein, voor de komende jaren
            ...nu toenemende   voorspelt het CPB 3 een toename van de achterstand: een groei die zo’n kwart
                   achterstand lager ligt dan in de rest van de Eurozone.
                               De bovengemiddelde groei in de periode 1995-1999 was vooral terug te voeren
                               op matiging van loonkosten en verhoging van arbeidsparticipatie. Deze onderlig-
                               gende factoren kennen echter hun grenzen; concurrentie op kosten zal steeds
                               moeilijker worden met een toenemende openheid van de Europese economie
                               voor lage lonenlanden.4 Maar ook omdat onze bevolking momenteel sterk
                               vergrijst en ontgroent. Nederland zal zich daarom meer moeten richten op andere
 Productiviteitsstijging moet  vormen van bedrijvigheid, die productiviteitstijging bereiken door een verhoging
komen uit realiseren hogere    van toegevoegde waarde: kennisintensieve, innovatiegedreven bedrijvigheid.
        toegevoegde waarde     Nederland moet een kennisintensieve economie worden.5 Helaas lijkt ons land op
                               dit punt steeds slechter te scoren.
        Internationale positie In internationale benchmarks wordt de positie van Nederland gekenschetst als:
    Nederland verslechtert...  losing momentum 6 en hekkensluiter.7 Hoeveel ook af te dingen mag zijn op
                               dergelijke benchmarks, zij geven in ieder geval weer dat de ontwikkeling de
                               verkeerde kant uitgaat. Of zoals verwoord in de Volkskrant (12 april 2003):
                               “Nederland is in een onbewaakt ogenblik veranderd van een voorbeeldige polder-
                               economie tot de schlemiel van Europa”.
     ...maar de ambities zijn  Daar staat tegenover dat de ambities hoog zijn. Tijdens de top van Lissabon hebben
                         hoog  de Europese regeringsleiders uitgesproken Europa om te willen vormen tot:
                               “de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld, die in staat is tot
                               3   Zie Centraal Economisch Plan 2003, CPB 2003.
                               4   Tijdens de MKB-beleidsdag 2003 wees F. von Dewall (ING) op een neveneffect van de grote nadruk
                                   op loonmatiging. In een dergelijke omgeving is de neiging van ondernemingen om te investeren in
                                   procesapparatuur en innovatie geringer. Nederland heeft dan ook een machinepark dat gemiddeld
                                   ouder is dan in omringende landen. Dat levert een relatief slecht uitgangspunt voor concurrentie in
                                   de toekomst.
                               5   Veelal wordt hier gedacht aan de inzet van hoogopgeleide mensen alleen. Kennisintensiteit van de
                                   economie gaat echter verder, zoals weergegeven in de zogenaamde multifactorproductiviteit. Deze
                                   productiviteitsmaat telt ook het niveau van investeringen in bijvoorbeeld procesapparatuur, omdat
                                   deze gebaseerd zijn op technologische ontwikkelingen (zie onder andere OECD, Paris 2000, working
                                   paper 248, p. 47). Kapitaalsintensieve vormen van bedrijvigheid worden daarmee ook als kennis-
                                   intensief erkend. Een hoge kennisintensiteit kan, in andere woorden, ook vertaald worden als hoog-
                                   waardige producten en diensten en slimmer produceren
                               6   2001 Innovation Scoreboard, European Commission staff working paper of 14.09.2001 [SEC (2001)
                                   1414
                               7   Nederland hekkensluiter, B.J. Kuipers en J.P. Verbruggen in ESB, 6 december 2002
                            10 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                            duurzame economische groei, met meer banen en een hechtere sociale structuur”. De
                            Nederlandse regering heeft daaraan nog eens de doelstelling verbonden dat
                            Nederland tot de Europese top moet behoren, vooraan in het peloton.
                            Deze combinatie van enerzijds een slechter presterende economie, met onderlig-
                            gende structurele oorzaken en anderzijds hoge ambities maken actie urgent. De
                            overheid kan echter niet veel doen aan beïnvloeding van de conjunctuur.8 Beter is
Overheid moet zich richten  het de aandacht te richten op de onderliggende, structurele factoren en op de
    op structurele factoren kwaliteit van de groei. Een goed innovatieklimaat, ondersteund door een voort-
                            varend innovatiebeleid van de overheid, staat daarin centraal. De Raad wil met dit
                            advies een bijdrage leveren aan het noodzakelijke, voortvarende innovatiebeleid.
                            Aanpak en werkwijze
                            De AWT is dit adviestraject gestart met een analyse van ontwikkelingen in de inno-
                            vatiepraktijk van bedrijven. Immers, wil innovatiebeleid effectief en zinvol zijn, dat
                            dient het aan te sluiten bij die praktijk. Naast een uitgebreide scan van de literatuur,
                            heeft de Raad zich langs twee wegen verzekerd van actueel inzicht in die praktijk:
                            • Een opdracht aan prof.dr. D. Jacobs voor een overzichtsstudie over ontwikke-
                               lingen in innovatie in bedrijven. Dit heeft geleid tot de publicatie Innovatie 2.
                               Vernieuwingen in de innovatiefunctie in bedrijven.9 Deze studie is voor een belang-
                               rijk deel gebaseerd op gesprekken met vertegenwoordigers van een variëteit
                               aan bedrijven. De resultaten van de studie zijn vervolgens besproken en getoetst
                               in een aantal workshops.
                            • Een aanvullende interviewronde in een breed scala van bedrijven, teneinde de
                               verschillen tussen typen bedrijven nadrukkelijker in kaart te brengen.
                            In bijlage 2 is deze aanpak nader aangegeven; daarin is ook een lijst met geïnter-
                            viewden opgenomen.
                            8   Zie ook De val van een economisch kampioen, De Volkskrant 12 april 2003
                            9   Innovatie2. Vernieuwingen in de innovatiefunctie van ondernemingen, Dany Jacobs en Jan Waalkens,
                                Kluwer 2001 (AWT achtergrondstudie nr. 23)
                         11 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>              2             Analyse
                            Dit hoofdstuk behandelt eerst in vogelvlucht een aantal ontwikkelingen in de
                            Nederlandse bedrijvigheid, voorzover zij betrekking hebben op innovatie.10
                            Daarop volgt een korte schets van de verschuivingen in het innovatiebeleid van de
                            overheid. Deze schetsen vormen de opstap naar de aanbevelingen in hoofdstuk 3.
                            2..1 Ontwikkelingen in de innovatiepraktijk
                            Om effectief en zinvol innovatiebeleid te kunnen voeren, is inzicht nodig in de
                            praktijk van innoveren in bedrijven. Wat bepaalt de manier waarop bedrijven
                            innoveren? Wat zijn daarbij belangrijke trends? Welke knelpunten ervaren onder-
                            nemers? Welke kansen zijn er om innovatie te versnellen?
 Er is niet één recept voor Dan blijkt dat er niet één recept is voor innovatie. Bedrijven kiezen die manier van
      innovatie, wel enkele innoveren die het best bij henzelf en hun omgeving past. Dat is een proces van
           algemene trends  constante aanpassing. Hoewel er verschillen zijn tussen sectoren of branches, is er
                            toch in ieder geval een tweetal bredere trends in innovatie-strategieën waar te
                            nemen, dwars door alle typen bedrijvigheid heen.
                            Innoveren vindt plaats in netwerken
Bedrijven innoveren steeds  Bedrijven veranderen en daarmee ook de wijze van innoveren. Grote bedrijven
        meer in netwerken   hebben een beweging gemaakt waarin zij zich meer op hun kerncompetenties
                            richtten en overige activiteiten afstootten. Tegelijkertijd kwam er vaak meer
                            nadruk te liggen op korte termijn opbrengsten en op een grotere oriëntatie op te
                            markt. Dit heeft geleid tot een verschuiving in R&D: vermindering van lange
                            termijn, fundamenteel, onderzoek en meer nadruk op toepassingsgerichte R&D.
                            Dit heeft tot gevolg dat grote bedrijven niet meer alle competenties in eigen huis
                            hebben die nodig zijn voor het succesvol doorlopen van de innovatiecyclus. De
                            omvang van midden- en kleinbedrijven beperkt sowieso hun mogelijkheden om
                            10 Een aanvlulling daarop is gegeven in bijlage 3.
                        13  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                          zelfstandig een innovatieproces te volbrengen. Voor alle bedrijven geldt dan ook
                          dat samenwerking en uitbesteding belangrijker zijn geworden.11 Instituten uit de
                          publieke kennisinfrastructuur en private onderzoekslaboratoria worden steeds
                          meer een bron van fundamentele kennis. Buiten het grondleggende onderzoek
                          leveren ook gespecialiseerde dienstverleners belangrijke elementen voor een inno-
                          vatie aan. Kortom, bedrijven innoveren steeds meer in netwerken.
                          Innoveren vergt meer dan R&D
                          Markten worden opener en de concurrentie wordt internationaler. De levenscyclus
                          van veel producten en de daarmee terugverdientijd van innovaties worden korter.
                          Bedrijven kunnen daardoor minder in R&D investeren. Dat leidt er toe dat er een
                          verschuiving is naar productaanpassingen en -variaties die aansluiten bij onder-
                          scheiden klantengroepen of zelfs individuele klanten.12 Kennis van de markt en van
                          afnemers wordt daarmee een steeds belangrijker element van de concurrentie-
                          kracht. In bedrijven is innovatie dan ook steeds meer een teaminspanning van
                          de verschillende geledingen van het bedrijf, die technische en niet-technische
Innovatie is meer dan een elementen van een innovatie samenbrengen. Kortom, er wordt beseft dat innoveren
     zaak van R&D alleen  meer dan een zaak van R&D alleen is.
                          Gerelateerd aan deze twee brede ontwikkelingen, wijst de AWT – zonder te
                          pretenderen volledig te zijn – op negen aandachtspunten bij de vormgeving van
                          innovatiebeleid.
                          A Kennisinstellingen: bron van mensen en kennis
                          B Kennisuitwisseling: persoonsgebonden interactie als basis
                          C Ook andere bedrijven als bron van kennis
                          D Samenwerking tussen bedrijven: meer dan onderzoek
                          E Dynamiek tussen grote en kleine bedrijven
                          F Afname van R&D van grote bedrijven in Nederland
                          G Niet-technologische aspecten, meer dan ondernemersvaardigheden
                          H Financiering: beperking bij innovatie en groei
                          I Diensteneconomie
                          11 Officiële statistieken geven overigens aan dat de samenwerking tussen bedrijven onderling en tussen
                              bedrijven en kennisinstellingen nog maar van beperkte omvang is. In deze statistieken gaat het
                              echter in hoofdzaak over samenwerking bij R&D. (Zie bijvoorbeeld: Kennis en economie: onderzoek en
                              innovatie in Nederland 2002, CBS 2003).
                          12 Zie onder andere De innovativiteit van de Nederlandse industrie, editie 2001: ontwikkelingen in de tijd,
                              R.M. Braaksma, C.C. van de Graff en A.P. Muizer, EIM 2002.
                       14 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                A Kennisinstellingen: bron van mensen en kennis
                                Bedrijven zijn voor hun kennisverwerving niet gebonden aan landsgrenzen. Zij
                                zullen de benodigde kennis daar zoeken, waar die excellent en makkelijk toegan-
 Excellentie in internationaal  kelijk is. Wat telt is excellentie op internationaal niveau. Realiteit is dan ook dat veel
               perspectief telt bedrijven zich in toenemende mate oriënteren op de globale kennismarkt.
                  Nederlandse   In dat opzicht is het geruststellend te kunnen constateren dat de Nederlandse
    kennisinstellingen scoren   kennisinstellingen internationaal goed scoren qua wetenschappelijke excellentie.13
         internationaal goed    Bovendien vormen onze kennisinstellingen voor het innovatieve bedrijfsleven nog
                                steeds een belangrijke bron van hoog opgeleide medewerkers.
                                Op meerdere terreinen treft men een goed samenspel tussen Nederlandse kennis-
                                instellingen en bedrijven aan. Met name grote bedrijven, maar ook de high-tech
                                starters, blijken goed in staat om effectieve kennisrelaties aan te gaan met de
                    Bestaande   instellingen en zelf kennis om te zetten naar toepassingen in de vorm van nieuwe
samenwerkingsinstrumenten       producten, diensten of processen. Bestaande (en voorziene) samenwerkingsrege-
         sluiten goed aan bij   lingen uit het EZ-instrumentarium sluiten goed aan bij de behoeften van deze
   behoeften grote bedrijven    bedrijven. Alhoewel ook hier nog ruimte voor verbetering is, verdient met name
         en technostarters....  de relatie tussen MKB en kennisinstellingen aandacht.
                                In veel ‘traditionele’ MKB-bedrijven14 heeft innovatie het karakter van het slim
                                combineren van reeds bestaande technologieën.15 De kennis afkomstig van kennis-
 ...maar MKB heeft behoefte     instellingen is voor hen niet direct te gebruiken. Daarvoor is een vertaalslag nodig,
          aan een vertaalslag   en die wordt niet altijd (gemakkelijk) gemaakt. MKB-bedrijven denken bij het
                                maken van die vertaalslag aan applicatiecentra, en menen daarnaast dat het HBO
                                een nuttige rol kan spelen. De Raad herhaalt in dit verband zijn aanbeveling om
                                het HBO een nadrukkelijker rol te geven in het toepasbaar maken van kennis.16
                                13 Zie o.a. CWTS Wetenschaps- en technologieindicatoren 2000 Leiden/Maastricht 2000 en European
                                    Report on Science and Technology indicators 2003; towards an knowledge-based economy, European
                                    Commission 2003.
                                14 Bedoeld wordt hier het MKB met uitzondering van high-tech starters
                                15 Rond de nulmeting Syntens (A.P. Muizer, Y.M. Prince, EIM, augustus 2000) is een indeling van MKB-
                                    bedrijven gemaakt naar innovatiegedrag. Daaruit kan worden afgeleid dat ruwweg een derde van
                                    het MKB als structureel innoverend kan worden aangemerkt: in hoofdzaak combineren zij bestaande
                                    technologie tot nieuwe producten, diensten of processen. Nog eens ruwweg eenderde kan aange-
                                    merkt worden als ‘technologievolgend’, in de zin dat deze bedrijven min of meer ‘kant en klare’
                                    technologie implementeren. Voor deze categorie bedrijven zijn leveranciers en ingenieurs- of advies-
                                    bureaus vaak belangrijk informatiebronnen. In het overige deel van het MKB is innovatie geen
                                    structureel element van een bedrijfsstrategie.
                                16 AWT-Advies 47. Hógeschool van Kennis. Kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en hogescholen. Juli
                                    2001.
                            15  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                               Voor deze voorstellen dienen de subsidieregelingen voor innovatiestimulering
                               ruimte te bieden.
                               De Raad realiseert zich daarnaast dat TNO en andere ‘intermediaire’ kennisinstel-
                               lingen een rol hebben in het toepasbaar maken van kennis. Zij zijn zelfs voor een
                               deel opgericht om deze taak te vervullen. Omdat er momenteel een evaluatie van
                               de Nederlandse intermediaire kennisinfrastructuur wordt uitgevoerd, doet de
                               Raad hierover in dit advies geen uitspraak.17
                               B Kennisuitwisseling: persoonsgebonden interactie als basis
        Kennisuitwisseling is  De samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen is uiteindelijk gebaseerd
  gebaseerd op persoonlijke    op persoonlijke contacten. Het draait immers niet om de kennisinstelling of het
                 contacten.... bedrijf als institutie, maar om personen die elkaar hebben gevonden en die samen
                               kunnen werken aan bedrijfsvraagstukken.
   ...maar er bestaat afstand  Bedrijven wijzen er in dit verband op dat het moeilijk is om mensen in de kennis-
tussen kennisinstellingen en   instellingen te vinden die ‘hun taal spreken’. Wetenschappers uit de kennisinstel-
                    bedrijven  lingen zouden vaak te weinig zicht hebben op de daadwerkelijke problemen van
                               bedrijven, bijvoorbeeld de benodigde randvoorwaarden voor het invoeren van
                               vernieuwingen. Omgekeerd stellen academici dat zij steeds minder goede
                               gesprekspartners in bedrijven kunnen vinden; de aansluiting vanuit bedrijven naar
                               de frontlinie van wetenschappelijke ontwikkelingen blijkt steeds lastiger.18
                               Aan het overbruggen van de afstand tussen bedrijven en kennisinstellingen kan
                               het versterken van persoonlijke contacten een wezenlijke bijdrage leveren.
  Uitwisselingsprogramma’s     Deeltijdaanstellingen, detacheringen, stages, duale AIO’s en het uitwisselen van
      kunnen afstand helpen    medewerkers zijn voorbeelden van maatregelen die de afstand overbruggen. Niet
                overbruggen    alleen levert dit een directe overdracht van kennis op, maar ook de ontwikkeling
                               van hoogwaardige en kennisintensieve netwerken.19
                               17 De Raad heeft in zijn briefadvies Over de brug – Beoordelingskader voor de brugfunctie van de interme-
                                   diaire kennisinfrastructuur (december 2002) een stramien voor deze evaluatie opgesteld.
                               18 In AWT-advies 50 Naar een nieuw maatschappelijk contract. Synergie tussen publieke kennisinstelllingen
                                   en de Nederlandse kennissamenleving (Januari 2003) heeft de Raad al eerder geconstateerd dat de
                                   partijen rond de problematiek van wisselwerking voortdurend met de vinger naar elkaar wijzen en
                                   de hand te weinig in eigen boezem steken. Verbetering van de wisselwerking vraagt om inspanning
                                   van beide kanten en het nemen van de eigen verantwoordelijkheid.
                               19 Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de begeleiders van stagiaires en gedetacheerden hun rol in
                                   de vorming van netwerken goed moeten herkennen en invullen.
                           16  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                              Diverse MKB-bedrijven spreken dan ook hoge waardering uit voor detachering-
                              programma’s als de voormalige KIM-regeling.20 De Raad is van mening dat dergelijke
                              programma’s niet alleen voordelen kunnen bieden voor het MKB, maar ook voor
                              grotere bedrijven met een beperkte R&D staf.21 De Raad acht het wenselijk pro-
                              gramma’s voor de uitwisseling van mensen actief te ondersteunen en te versterken.
                              C Ook andere bedrijven als bron van kennis
                              Het is niet vanzelfsprekend dat de voor innovatie benodigde kennis geleverd
                              wordt door publieke kennisinstellingen. Er is in toenemende mate sprake van kennis-
                              samenwerking tussen bedrijven. Jacobs en Waalkens schetsen de tendens dat
                              ondernemingen steeds meer kennis vergaren via uitbestedingen of allianties met
                              andere bedrijven. Dat gebeurt in een mate dat er gesproken kan worden van een
                              ‘tweede kennisinfrastructuur’; een breed aanbod aan kennisintensieve dienstver-
                              lening, waaronder private R&D laboratoria. Daarnaast vervullen kleine ingenieurs-
                              en adviesbureaus van oudsher een belangrijke (intermediaire) rol bij de kennis-
                              overdracht naar het MKB.22 Tot slot wordt het steeds gebruikelijker dat bedrijven
                              de kennis die zij niet zelf willen toepassen, op de markt aanbieden, bijvoorbeeld
       Bedrijven steeds meer  via internet-exchanges. Jacobs en Waalkens stellen dan ook dat kennisintensieve
      kennisbron voor elkaar  ondernemingen steeds meer een kennisinfrastructuur voor elkaar vormen.
                              D Samenwerking tussen bedrijven: meer dan onderzoek
                              Bij samenwerking tussen bedrijven gaat het zeker niet alleen om de opbouw van
       Samenwerking tussen    kennis. Samenwerking tussen bedrijven blijkt met name van belang in de latere
bedrijven juist ná onderzoek  fasen van een innovatietraject. De publieke kennisinstellingen vervullen in die
                   belangrijk fasen vaak alleen een ondersteunende rol, bijvoorbeeld ten behoeve van klinische
                              evaluaties van nieuwe geneesmiddelen of voedingscomponenten. De samenwer-
                              king tussen bedrijven onderling neemt diverse vormen aan. Naast het uitbesteden
                              van werkzaamheden, bijvoorbeeld ook het gezamenlijk ontwikkelen van nieuwe
                              producten (co-design of co-makership tussen leverancier en klant), het gezamenlijk
                              20 KIM (‘kennisdragers in midden- en kleinbedrijf’) was een regeling die de mogelijkheid bood om met
                                   subsidie, voor beperkte tijd, een hoger opgeleide aan te stellen. De regeling werd in mei 2001 aan-
                                   gepast naar ‘SKO-vernieuwingsprojecten’ voor het technologievolgend MKB.
                              21 Zie onder ander het voorbeeld van coöperaties in de voedingsindustrie (bijlage 3).
                              22 Dit komt opnieuw naar voren in een onderzoek dat Senter, in opdracht van de AWT, heeft uitge-
                                   voerd. Senter heeft een analyse uitgevoerd van aanvragen in het kader van de regelingen SKO (sub-
                                   sidie kennisoverdracht ondernemingen MKB) en SKB (subsidie kennisoverdracht brancheorganisaties
                                   MKB). De resultaten van het onderzoek zijn als werkdocument te vinden op de website van de AWT
                                   (www.awt.nl).
                          17  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                            aanbieden van een completer productenpakket, of het ketengewijs realiseren van
                            kostenbesparingen. Ook levert onderlinge samenwerking vaak een effectievere of
                            efficiëntere manier van innoveren op, bijvoorbeeld door gemeenschappelijk
                            gebruik van faciliteiten of door het overeenkomen van standaarden.23
                            Samenwerking tussen bedrijven wordt over het algemeen als een relatief een-
                            voudige vorm gezien. “Als beide partijen de voordelen zien, kan er zakelijk
                            onderhandeld worden”. In veel gevallen klopt dit beeld. Maar in sectoren waar de
                            concurrentie groot is, komt men veel moeilijker tot samenwerking.24 In dergelijke
        Er is behoefte aan  sectoren bestaat vaak de behoefte aan een neutrale, gezaghebbende partij die
          gezaghebbende     inzage heeft in de agenda’s van potentiële partners, het grotere belang van
              bemiddelaars  samenwerking duidelijk kan maken én onderling vertrouwen kan opbouwen. De
                            ervaringen met de overheid in die rol zijn verschillend. Er zijn goede voorbeelden
                            waarin het ministerie van EZ de bemiddelende rol op zich heeft genomen. Soms
                            klinkt uit bedrijven echter het geluid dat het ministerie de neiging heeft te vroeg
                Alleen een  terug te treden. Weliswaar werkt het aan een gemeenschappelijke visie, maar
gemeenschappelijke visie is het laat de partijen los op het moment dat het onderlinge vertrouwen nog niet
  niet voldoende, er moet   sterk genoeg is. Dat leidt er toe dat de bedrijven weer elk hun eigen gang gaan
           vertrouwen zijn  en innovatiekansen gemist worden.25 In hoofdstuk 3 wordt de gewenste rol van
                            de overheid (in casu EZ) nader uitgewerkt.
      Mededingingsregels    Samenwerking tussen bedrijven is uiteraard gebonden aan regels. De mede-
             bieden ruimte  dingingsregels bieden echter ruimte voor samenwerking op het gebied van inno-
                            vatie. Een door EZ uitgevoerde toets 26 laat zien dat samenwerkingscontracten,
                            met name tussen complementaire bedrijven, in veel gevallen zelfs niet onder de
                            bepalingen van de mededingingswetgeving vallen.
                            23 De indruk zou kunnen ontstaan dat deling van faciliteiten vooral van belang is voor kleinere bedrijven.
                                Dat is echter niet zonder meer juist. In sectoren waarin de kapitaalsinvestering bij ontwikkelings-
                                activiteiten hoog zijn, zoeken ook grote bedrijven samenwerking. Een duidelijk voorbeeld is de
                                chipindustrie, waar de kosten van ontwikkeling en productie van nieuwere generaties sterk toenemen.
                                Is het al gebruikelijk dat productie uitbesteed wordt aan gespecialiseerde bedrijven, ook in de fase
                                van onderzoek en ontwikkeling zoeken bedrijven elkaar op, bijvoorbeeld rond faciliteiten als IMEC
                                in België en Sematech in de VS. Dit leidt tot nieuwe businessmodellen, waarin gezamenlijk een
                                generieke basis wordt ontwikkeld en de concurrentie wordt gezocht in toevoeging van specifieke
                                functionaliteiten.
                            24 Dit sluit aan bij de bevindingen van de OECD in internationaal verband. Zie Innovative clusters, drivers
                                of national innovation systems, OECD 2001.
                            25 Dit komt ook naar voren in de door Technopolis, in opdracht van EZ, uitgevoerde evaluatie van
                                clusterprojecten: Evaluatie van het clusterbeleid. Eindrapport voor het Ministerie van Economische Zaken,
                                Patries Boekholt, Rosalinde Klein Woolthuis, Maureen Lankhuizen, Technopolis mei 2002.
                            26 Zie onder andere Kansen door synergie: de overheid en op innovatie gerichte clustervorming,
                                Kamerstukken II 1997/98, 25518 nr. 1, 1 september 1997; en Voortgangsrapportage clusterbeleid,
                                brief aan de Tweede Kamer, kenmerk ID/ABC/BA 99017140
                        18  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                             E Dynamiek tussen grote en kleine bedrijven
                             Kleine- en middelgrote ondernemingen nemen een steeds groter aandeel van de
                             R&D-uitgaven in Nederland voor hun rekening. Het MKB maakt daarmee een
                             belangrijk deel uit van de innovatiekracht in Nederland. Bovendien zijn deze
                             ondernemingen flexibel en vaak meer bereid tot het nemen van risico’s dan grote
                             bedrijven. Zij missen echter in vele gevallen de kracht om hun producten breed af
                             te zetten, een exportpositie op te bouwen en door te groeien. Grote bedrijven
Combineren sterktes grote    hebben niet alleen een goed organisatievermogen en financiële kracht, maar
 en kleine bedrijven biedt   beschikken vaak ook nog over een marketingapparaat dat al in de relevante markten
                     kansen  actief is. Het combineren van de verschillende sterke punten biedt mogelijkheden
                             om de potentie van innovaties beter te benutten.
    ‘corporate venturing’ en Jacobs en Waalkens beschrijven dat in grote bedrijven corporate venturing en acqui-
          ‘A&D’ in opkomst   sition and development in opkomst zijn als manieren om meer radicale innovaties
                             te realiseren. Het gaat dan om het nemen van een aandeel in, of het overnemen
                             van kleine, kennisintensieve ondernemingen. Deze kleine bedrijven kunnen gezien
                             worden als ‘vensters op de wereld’, zelfstandige broedplaatsen van vernieuwing,
                             die als alternatief voor overname, ook wel licenties aan grote bedrijven verstrekken.
                             Licenties of overnames zijn niet de enige manieren waarop kleine bedrijven
                             betrokken zijn bij de innovatieprocessen van grote bedrijven. Gepaard aan de
  Al langer leveranciers als concentratie op kerncompetenties in grote bedrijven nemen kleine leveranciers
     co-maker of co-designer steeds vaker de rol op zich van co-maker of co-designer. Zij ontwikkelen en leveren
                             innovatieve elementen, die door grote bedrijven worden geïntegreerd in hun
                             producten en diensten, en verder op de markt worden gebracht.
                             Een bijzondere groep onder de kleine bedrijven zijn de high-tech starters. Hoewel
                             Nederland op dit terrein geen koppositie inneemt, mag toch gesteld worden dat
                             de Nederlandse overheid een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de creatie van
      Nederland mist snelle  dit soort nieuwe bedrijven. De doorgroei is echter nog een knelpunt; Nederland
                    groeiers kent naar verhouding een gering aantal snel groeiende ondernemingen.27
                             EZ onderkent de problemen van startende ondernemingen en probeert via het
                             vestigen van faciliteiten aan kennisinstellingen en het stimuleren van onderne-
                             merschap bij onderzoekers, tot een vruchtbaarder klimaat voor kennisintensieve
                             27 Hatching, faciliteren van doorgroei bij high-tech starters, R. Wintjes en J. Cobbenhagen, MERIT augustus
                                  2001, in opdracht van Stichting CIVI.
                         19  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre> Allianties grote en kleine starters te komen. De Raad merkt op dat allianties met grote bedrijven daarin een
  bedrijven stimuleren via  belangrijke stimulans kunnen zijn. Het verdient de voorkeur dat kleine, innovatieve
              clusterbeleid ondernemingen kunnen aanhaken bij in Nederland gevestigde grote onderne-
                            mingen. Een gericht clusterbeleid hiertoe is wenselijk.
                            F Afname van R&D van grote bedrijven in Nederland
                            In Trends in R&D bij bedrijven28, een publicatie van EZ, wordt een overzicht gegeven
                            van de ontwikkeling van R&D-uitgaven van bedrijven in en buiten Nederland.
                            Geconcludeerd wordt: “Grote bedrijven handhaven hun R&D-activiteiten in Nederland
                            en ontwikkelen tegelijkertijd complementaire R&D activiteiten elders. Daarmee is van
                            verplaatsing van R&D naar het buitenland (vooralsnog) geen sprake”.
                            Op het eerste oog lijken de ontwikkelingen in R&D van grote bedrijven inderdaad
                            niet bijzonder verontrustend: de R&D uitgaven in Nederland blijven tot 2000
                            ongeveer op peil. Toch acht de AWT de huidige ontwikkelingen zorgwekkend,
                            zowel met betrekking tot de omvang, als tot de aard van R&D:
                            • Omvang R&D: het is niet voldoende als R&D uitgaven van grote bedrijven in
Groei R&D grote bedrijven      Nederland min of meer stabiel blijven, terwijl er in het buitenland sprake is van
         buiten Nederland      duidelijke groei (zie ook figuur 4, bijlage 3). Daarnaast neemt de Raad waar dat
                               er de laatste jaren wel degelijk een afname van R&D plaatsvindt,29 een ontwik-
                               keling die echter nog niet in de statistieken is verdisconteerd.30
                            • Aard van de R&D: welhaast belangrijker dan het niveau van de uitgaven, is het
                               type R&D dat in Nederland en dat in het buitenland wordt verricht. De Raad
                               neemt waar dat nieuwere, veelbelovende technologie-ontwikkelingen eerder in
  Ook nieuwe technologie       het buitenland dan in Nederland worden gestart. Dit maakt verplaatsing c.q.
      eerder elders starten    vermindering van R&D inspanningen in Nederland extra zorgwekkend.
                            28 Trends in R&D bij bedrijven, Victor Gilsing en Hugo Erkens, EZ beleidsstudies, januari 2003.
                            29 Voorbeelden zijn onder andere de verhuizing van AkzoNobel Pharma naar de VS en de verplaatsing
                                van onderzoekscapaciteit van Philips naar Leuven (Philips Password 6 januari 2001). Andersoortige
                                afbouw, meer gerelateerd aan de winstgevendheid van sectoren of bedrijven, is die van Lucent en
                                Ericsson.
                            30 In Made in Holland (Deloitte & Touche, 2003) wordt aangegeven dat verlies van R&D in de toekomst
                                lijkt door te zetten. 68% van de grote Nederlandse productiebedrijven verwacht dat R&D op den
                                duur de productiecapaciteit naar het buitenland zal volgen. Eenzelfde waarschuwing is te vinden in
                                het artikel Philips geeft onderzoek in Nederland nog 15 jaar; Ad Huijser CTO Philips: Na de handjes
                                verdwijnen ook de brains (Het Financieele Dagblad, 15 oktober 2002) en het interview met E. Meijer
                                (DSM) in Link van februari 2003.
                         20 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                            In deze ontwikkeling ziet de Raad twee gevaren:
                            • Grote bedrijven met veel R&D trekken hun leveranciers uit de omgeving mee
                                in hun vernieuwingsprocessen. Bovendien is er sprake van spillover-effecten;
                                van kennis die wel wordt opgebouwd, en die niet door henzelf maar wel door
                                anderen kan worden toegepast. Hoe minder R&D, hoe minder van deze posi-
                                tieve uitstralingseffecten.
                            • Voor de opname van kennis is absorptievermogen nodig, mensen met kennis
                                en vaardigheden, die aansluiten bij de nieuwe kennis. Afbouw van R&D verkleint
                                dit absorptievermogen in bedrijven, zodat kennis minder goed wordt benut en
                                een neerwaartse spiraal kan ontstaan.
                            Het simpelweg pleiten bij bedrijven voor meer hoogwaardige R&D, heeft geen
                            zin. Bedrijven kennen immers hun eigen innovatiedynamiek, in hun beslissingen
                            over R&D laten zij zich leiden door bedrijfs- en sectorspecifieke overwegingen.31
                            De beslissingen hangen in sterke mate af van de beoogde marktposities en de
                            manier waarop men wil concurreren: als technology leader of als volger, concur-
                            rerend op kwaliteit of op prijs, etc. Wil de overheid bedrijven bewegen om hun R&D
                            inspanningen in Nederland te verhogen, dan staat alleen de mogelijkheid open
                            van het ‘verleiden’ van die ondernemingen door het scheppen van een aantrek-
                            kelijk innovatieklimaat. Dat behelst goede vestigingscondities en faciliteiten. In de
                            aanbevelingen geeft de Raad nader aan wat hiertoe wenselijke maatregelen zijn.
                            De Raad merkt hierbij nog wel op dat de mind set met betrekking tot kennis en
                            technologie in veel bedrijven in Nederland niet optimaal is. Het is de indruk van
                            de Raad dat het belang hiervan in de top van bedrijven niet erkend wordt in een
                            mate die wenselijk is om in de toekomst concurrerend en innovatief te zijn.
                            G Niet-technologische aspecten, meer dan
                                ondernemersvaardigheden
Innovatie is meer dan R&D   De Raad onderstreept dat innovatie meer is dan R&D of technologie. Bovendien
             of technologie krijgen niet-technologische aspecten een steeds grotere rol in het innovatieproces;
                            zij spelen een doorslaggevende rol in de slaagkans van een vernieuwing in product,
                            proces of dienst.32 Van de niet-technologische aspecten wil de AWT in ieder geval
                            31 De AWT heeft dit al eerder aangegeven, zie Gewoon doen!? Perspectief op de Barcelona ambitie, 3%
                                 BBP voor O&O (adviesnr. 49, juni 2002)
                            32 In Statistics on innovation in Europe (Eurostat KS-32-00-895-EN-I) wordt een overzicht gegeven van
                                 factoren die een innovatie ernstig kunnen vertragen of zelfs volledig doen stoppen. Dominant daarin
                                 zijn niet-technische factoren.
                        21  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                de volgende drie aan de orde stellen:
                                • Gebruikersaspecten van de innovatie: de niet-technische, vaak ergonomische
                                    kwaliteiten van het innovatieve product zelf, zoals vormgeving, kleur, combinatie
                                    van functionaliteiten, benodigde scholing of gedragsverandering om het product
   Ook toepassen kennis uit         te gebruiken of de structuur van de in het product opgeslagen informatie.
niet-technische disciplines....     Hierbij gaat het dus in feite om de integratie van kennis uit niet-technische
                                    disciplines.
                                • Het innovatieproces: in het traject naar marktintroductie spelen, naast R&D, vele
      ...en inrichting van het      aspecten een rol, zoals het verkrijgen van financiering, het opzetten van
      gehele innovatieproces        productie de vertaling van klantenwensen naar productspecificaties en de
                                    vaststelling van standaarden.
                                • Ondernemersvaardigheden in de organisatie: om succesvol te kunnen innoveren
                                    zal een onderneming (en de ondernemer) moeten beschikken over een
                                    adequate kwaliteit van organisatie en personeel.
                                Ondernemers zijn uiteraard zelf verantwoordelijk voor het op peil brengen en
                                houden van de benodigde vaardigheden. Buiten het aanbieden van opleidingen,
                                het stimuleren van ondernemerschap en advisering door bijvoorbeeld Syntens,
                                kan de rol van de overheid daarom slechts beperkt zijn.
                                De Raad is echter wel van mening dat er in het innovatiebeleid expliciet en meer
                                aandacht nodig is voor de overige niet-technologische aspecten. Bedrijven erkennen
                                het belang al langer. Innovatie speelt door het gehele bedrijf. Bedrijven werken
                                steeds meer met teams die technische en niet-technische aspecten samenbrengen
                                van begin tot eind van een innovatie.33 Effectief innovatiebeleid dient hierop in te
                                spelen. Een integrale benadering is nodig.
                                De Raad constateert, in samenhang met het belang van niet-technische aspecten,
        Samenwerking tussen     dat de samenwerking van bedrijven met niet-technische disciplines aan kennis-
bedrijven en niet-technische    instellingen of gespecialiseerde adviseurs nog maar nauwelijks van structurele aard
        disciplines versterken  is. Hij is van mening dat versterking van dit type samenwerkingen belangrijke
                                meerwaarde kan leveren voor succesvol innoveren.
                                33 Jacobs en Waalkens stellen dan ook in hun AWT-achtergrondstudie dat er sprake is van innovatie van
                                     de innovatiefunctie; aanleiding voor de titel “Innovatie in het kwadraat”.
                            22  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                                H Financiering: beperking bij innovatie en groei
                                De Raad signaleert ten aanzien van de financiering van verschillende fasen van het
                                innovatietraject, bij techno-starters het volgende. Venture capitalists neigen er
        Financiering rem op     momenteel toe zich terug te trekken tot de tweede financieringsronde; het
innovatie in kleine bedrijven   moment dat een product vrijwel rijp is voor de markt.34 Dit levert ernstige problemen
                                op voor de doorgroei van starters; het gat tussen informele- en formele investeerders
                                wordt immers groter.
                                Het financieringsprobleem is echter breder van aard. Ook andersoortige kleine
                                bedrijven kennen problemen bij het aantrekken van fondsen voor het traject tussen
Vooral van ‘proof of principle’ proof of principle en proven concept. Niet alleen de venture capitalists, maar ook de
        naar ‘proven concept’   andere financiers blijken terughoudend in dit traject. Zij zijn zelden geneigd tot
                                het nemen van projectrisico’s en vallen terug op zekerheden in de onderneming
                                als geheel.35 Voor kleinere ondernemingen, die meestal niet beschikken over
                                dergelijke zekerheden, ontstaat dan een onoverkomelijk probleem met de finan-
        Spijtig dat juist daar  ciering. De Raad vindt het spijtig te constateren dat regelingen die zich specifiek
subsidies worden afgeschaft     richten op ondersteuning van bedrijven in het traject van proof of principle naar
                                proven concept, worden afgeschaft.36
                                I Diensteneconomie
 Nederland steeds meer een      De structuur van de Nederlandse economie is sterk gewijzigd. De dienstensector
          diensteneconomie      is inmiddels verantwoordelijk voor ongeveer tweederde van de Nederlandse werk-
                                gelegenheid. Alleen al dit feit maakt aanpassing in het innovatiebeleid, nu in de
                                praktische uitwerking nog sterk gebaseerd op de maakindustrie, noodzakelijk.
                                Ook in de dienstensector kent Nederland internationaal gezien een aantal sterktes
                                – waaronder de logistieke- en financiële dienstverlening – die de kern kunnen
                                vormen voor een goede internationale concurrentiepositie.
                                34 Zie onder andere de gesprekken met Life Science starters (bijlage 3) en Van kennis tot product: het
                                     spin-off klimaat in Nederland (voordracht T. den Heijer en E. Blauboer, Gilde Investment, ICT-kennis-
                                     congres 2002).
                                35 Zie onder andere: Effectmeting innovatiekredieten, essay in het kader van MEET, R. Berndsen en J.H.M.
                                     van Bussel, NIB, maart 2001
                                36 Het Technisch Ontwikkelingskrediet (in mei 2001 opgevolgd door Technische Ontwikkelings-
                                     projecten) een regeling voor de ondersteuning van innovatieve ontwikkelingen in individuele bedrijven
                                     is inmiddels (per 1 januari 2003) al afgeschaft.
                           23   AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Innovatie in dienstensector      Innovatie in de dienstensector is niet zonder meer vergelijkbaar met die in de
        heeft eigen karakter     maakindustrie. Zeker in deze sector bestaat niet altijd een formele R&D-afdeling
                                 en is innovatie sterk verweven met activiteiten dicht bij de markt. Daarnaast speelt
                                 technologie (bijvoorbeeld ICT-systemen) wel vaak een rol als hulpmiddel, maar is
    Kern innovatie vaak van      innovatie veelal niet technologiegedreven en is de kern van een nieuwe dienst
        niet-technische aard     veelal van niet-technische aard.
                                 In dit kader wordt vaak gewezen op twee zaken. Het creatieproces van een dienst
                                 vindt veelal plaats in samenwerking met een klant of klantengroep. Bovendien
                                 zouden diensten sterk persoonsgebonden zijn, waardoor er nauwelijks sprake is
                                 van exporteerbaarheid. Beide punten behoeven enige nuancering. Enerzijds staan
Niet alles is klantspecifiek.... aan de basis van klantspecifieke ontwikkelingen meestal standaard tools die separaat
                                 ontwikkeld worden. Anderzijds zijn er ontwikkelingen gaande naar een ontkop-
              ...en vergroting   peling van front- en back office activiteiten die de verwevenheid met klanten
          exporteerbaarheid      verkleinen en de exporteerbaarheid van diensten vergroten.37
                                 De Raad constateert dat vergroting van de aandacht voor diensten in het innovatie-
                                 beleid van de overheid zeer wenselijk is. Het grote economische belang van de
          Ontwikkeling goed      dienstensector rechtvaardigt de ontwikkeling van een goed toegesneden instrumen-
   instrumentarium gericht       tarium. Ook andere Europese landen kennen nauwelijks stimuleringsinstrumenten
      op diensten kans voor      specifiek voor de dienstensector. Hier ligt voor Nederland een kans om, in goed
                    Nederland    samenspel tussen bedrijven en overheid en met creatieve beleidsmaatregelen, een
                                 voorsprong op te bouwen.
                                 Juist omdat dienstverleners vaak geen aparte R&D-afdeling kennen en innovatie
   Afbakening rol overheid       dicht bij de markt plaats vindt, is afbakening van de rol van de overheid lastig. De
                         lastig  groeimatrix van Ansoff38 kan hier in zekere mate hulp bij bieden. Met uitzondering
                                 van exportbevordering kan gesteld worden dat de overheid geen taak heeft in de
                                 ondersteuning van marktontwikkeling en marktpenetratie; de overheid dient zich
                                 te beperken tot het ondersteunen van productontwikkeling en diversificatie. Ook
                                 klantspecifieke ontwikkelingen zouden uitgesloten moeten zijn van overheidssteun.
                                 Deze filosofie is in de huidige stimuleringsregelingen van EZ terug te vinden. In
                                 het hier aangegeven kader kan de overheid zich dus richten op de ondersteuning
                                 van de ontwikkeling van de onderliggende standaardtools en bijvoorbeeld op de
                                 37 Zie onder andere IT-gebruik in de dienstensector; nog steeds op zoek naar de productiviteits-uitdaging?,
                                     J.L.M. Ineveld, in: Informatie en Informatiebeleid 1994, nr.4.
                                 38 Corporate Strategy, analytic approach to business policy for growth and expansion, H.I. Ansoff, McGraw-
                                     Hill, 1965
                            24   AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>     In buitenland inspiratie  vormgeving van diensten zoals in het Duitse programma Dienstleistungen für das
                    te vinden  21e. Jahrhundert. Ook investeringen in de onderliggende infrastructuur, zoals eerder
                               in Gigaport, kunnen een belangrijke hoeksteen zijn.
                               2..2 Verschuivingen in EZ-innovatiebeleid
                               A Ontwikkelingen in beleidsfilosofie
    Innovatiebeleid in West-   De laatste decennia van de twintigste eeuw heeft het innovatiebeleid in West-
Europa richting clusterbeleid  Europa zich grofweg volgens de volgende lijnen ontwikkeld:39
                               • Jaren ’70: Defensief industriebeleid, beheersing en begeleiding van de neergang
                                  in crisissectoren zoals de textielindustrie, staalindustrie en de scheepsbouw
                                  (backing losers);
                               • Jaren ’80: Offensief technologiebeleid, het generiek stimuleren van nieuwe
                                  technologieën zoals ICT, biotechnologie, ontwikkeling van nieuwe materialen
                                  en milieutechnologie (picking winners);
                               • Jaren ’90: Clusterbeleid, vertrekkend vanuit de specifieke sterktes van de
                                  industriële structuur het opbouwen van (internationale) concurrentiesterktes
                                  rond excellente bedrijvigheid (backing winners).
                               Het Nederlandse innovatiebeleid heeft deze ontwikkeling in grote lijnen ook gevolgd,
                               alhoewel het clusterbeleid in Nederland niet tot volle wasdom is gekomen.40
    Systeemdenken centraal     In de laatste jaren heeft EZ in haar denken een systeembenadering als uitgangspunt
                        bij EZ genomen. Een systeembenadering gaat ervan uit dat innovatie plaatsvindt in een
                               voortdurende wisselwerking tussen ‘actoren’, zoals kennisinstellingen, bedrijven,
                               intermediairs, afnemers, financiers en de overheid zelf. Innovatie wordt alleen een
                               succes als dit samenspel van actoren goed verloopt. De overheid heeft daarin de
                               taak te zorgen voor goede randvoorwaarden als gepaste regelgeving, een adequate
 Sterk accent op wegnemen      infrastructuur en goed onderwijs. Daarnaast kan de overheid ingrijpen als zij
                  knelpunten   marktfalen of systeemimperfecties constateert. De overheid moet daarbij niet op
                               de stoel van de andere partijen gaan zitten, maar samen met hen de problemen
                               aanpakken.
                               39 Industriebeleid in de kenniseconomie: de relevantie van de clusteraanpak, Dany Jacobs in Clusterbeleid
                                   als hefboom tot innovatie, IWT-Vlaanderen, februari 2000.
                               40 Weliswaar zijn er meerdere clusterprojecten uitgevoerd en zijn er ook successen geboekt, maar de
                                   clusteraanpak is meer een interne filosofie gebleven dan een praktische invulling van het beleid. Zie
                                   ook: Evaluatie van het clusterbeleid. Eindrapport voor het Ministerie van Economische Zaken, Patries
                                   Boekholt, Rosalinde Klein Woolthuis, Maureen Lankhuizen, Technopolis mei 2002.
                           25  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                            De AWT erkent de merites van deze benadering, maar pleit voor het bijstellen van
                            dit beleidsdenken op één punt. De AWT acht het namelijk wenselijk dat de overheid
    AWT pleit voor actieve  zich nadrukkelijker richt op het benutten van kansen en daarbij zelfs een (pro-)
       houding gericht op   actieve rol speelt. Hierbij dienen uiteraard de gebruikelijke criteria voor overheids-
          benutten kansen   ingrijpen in de markt gehanteerd te worden, zoals:
                            • Het maatschappelijke nut moet het private nut overstijgen;
                            • Additionaliteit: overheidsingrijpen alleen bij die zaken die zonder ingrijpen niet
                                zouden plaatsvinden;
                            • De overheidssteun mag niet leiden tot ‘socialisering van risico’s’, ofwel afwenteling
                                van het ondernemersrisico op de maatschappij.
                            De Raad vindt het overheidsbeleid nog te eenzijdig, nog teveel gericht op het
                            wegnemen van knelpunten. Het gaat niet alleen om wat ons tegenhoudt, het gaat
                            juist ook om welke mogelijkheden er voor ons liggen. De AWT pleit dan ook voor
                            ‘ja, mits’ aanpak in plaats van een ‘nee, tenzij’ beleid. Dus ‘ja, de overheid speelt
                            een actieve rol, mits voldaan is aan de criteria’. Een ‘nee, tenzij’ beleid (alleen
                            optreden bij marktfalen en systeemfalen) leidt in de ogen van de Raad tot een
                            afwachtende houding en het missen van kansen.
                            B Ontwikkelingen in beleidsinstrumentarium
                            Naast de beleidsfilosofie is er een gegroeide praktijk. Door de jaren heen heeft EZ
                            een breed palet van beleidsactiviteiten en stimuleringsregelingen ontwikkeld.
             Ervaring met   Deze bieden een goede basis om nu op voort te bouwen. Op sommige punten
beleidsinstrumenten biedt   is er bij de ontwikkeling van het beleidsinstrumentarium echter overlap en
              goede basis   intransparantie ontstaan. EZ werkt momenteel al aan verbetering hiervan. In 2001
                            zette het een eerste stroomlijningsoperatie in: het verminderen van het aantal
                            regelingen en het afstemmen van voorwaarden (kostendefinities, etc.).
                            Het eindrapport IBO Technologiebeleid Samenwerken en Stroomlijnen van mei 2002
                            schetst opties voor verdere stroomlijning van het innovatie-instrumentarium.
      EZ-beleid verschuift: Daarnaast stelt het een aantal inhoudelijke wijzigingen in het innovatiebeleid voor:
                            • Beperking van de steun aan individuele bedrijven tot de WBSO.
  meer nadruk op kennis-    • Ombuiging naar het stimuleren van wisselwerking tussen kennisinstellingen en
opbouw en samenwerking          bedrijven, met als doel een betere benutting van kennis. Dit is gericht op geza-
     kennisinstellingen en      menlijke programma’s voor kennisopbouw en zou gekoppeld moeten worden
               bedrijven...     aan prikkels voor publieke kennisinstellingen.
                        26  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>      ...en meer generieke   • Streven naar meer generieke instrumenten en beperking van het aantal rege-
             instrumenten       lingen met een thematische grondslag. Er wordt overigens nog wel gesteld dat
                                er legitimatie is voor het – tijdelijk – inzetten van middelen op doorbraaktech-
                                nologieën, zoals ICT.
                             In de door de minister van Economische Zaken, in oktober 2002, aan de Kamer
                             aangeboden kabinetsreactie,41 worden deze aanbevelingen uit het IBO-rapport
                             overgenomen. Bovendien wordt in de reactie een innovatienota aangekondigd,
                             waarin deze aanbevelingen zullen worden uitgewerkt.
   Innovatiebrief in najaar  Deze innovatienota, inmiddels innovatiebrief genoemd, wordt najaar 2003 verwacht.
  2003, maar uitwerking al   De uitwerking van de uitgezette lijnen is al wel gestart. Mede onder invloed van
                    gestart  de taakstellingen uit het vorige kabinet zijn inmiddels ook al enkele stimulerings-
                             regelingen beëindigd. Daaronder is bijvoorbeeld de regeling Technische
                             Ontwikkelingsprojecten voor ondersteuning van ontwikkelingsprojecten van indi-
                             viduele bedrijven. In presentaties en EZ-publicaties als Werken aan innovatie-
                             kracht 42 worden de voorgenomen accenten in beleid en vormgeving van het
                             instrumentarium nader gepreciseerd.
AWT heeft kanttekeningen:    De Raad wil een aantal kanttekeningen plaatsen bij de huidige ontwikkelingen
                             rond beleid en instrumentarium:
                             • Voortzetting van stroomlijning, vermindering van het aantal regelingen en
                                verbetering van de transparantie – deze bewegingen zijn natuurlijk alle toe te
Goed aansluiten bij praktijk    juichen. Zaak is wel om daarbij goed aan te sluiten bij de innovatiepraktijk van
                  bedrijven     bedrijven.
                             41 Kabinetsreactie IBO Technologiebeleid, 7 oktober 2002, I/SOI/S 02045016
                             42 Werken aan innovatiekracht, eindrapportage projectgroep IBI, Ministerie van Economische Zaken,
                                 december 2002
                         27  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre> Versterkte generieke inzet  • Verschuiving naar meer generieke stimulering.43 Het innovatiestimuleringsinstrumen-
     ongewenst, juist meer      tarium verschuift naar meer generieke inzet, globaal van 70% generiek naar
specifieke en gerichte inzet    80%.44 Daarbij merkt de Raad op dat de gehanteerde definities van doorbraak-
                      nodig     of speerpunttechnologie zó breed zijn, dat ook daar in hoge mate sprake is van
                                generieke stimulering. Alhoewel de Raad onderschrijft dat generieke stimulering
                                een belangrijke voorwaardenscheppende rol vervult, acht hij een beweging
                                naar nóg meer generieke inzet ongewenst. Hij pleit ervoor juist een groter deel
                                van de innovatiestimuleringsmiddelen specifiek en gericht in te zetten, teneinde
                                kritische massa en momentum te creëren in geselecteerde gebieden die werkelijk
                                potentie hebben. In de aanbevelingen (hoofdstuk 3) werkt hij dit verder uit.
                             • Versterkte beleidsaandacht voor en inzet van instrumentarium aan de voorkant van
                                het innovatietraject. In het innovatie-instrumentarium komt meer nadruk te liggen
                                op fundamenteel-strategische kennisontwikkeling45 met als (EZ-) oogmerk een
                                uiteindelijk betere benutting van kennis. De Raad onderkent dat op dit punt
                                betere afstemming tussen de behoeften van het bedrijfsleven en onderzoeks-
                                programma’s van kennisinstellingen nodig en wenselijk is. Aanpakken van de
                                Europese paradox vergt echter een veel breder palet aan activiteiten. Het gaat
                                niet alleen om nieuwe kennisontwikkeling (de moeilijkste weg om tot innovaties
  Juist meer aandacht voor      te komen), maar juist ook om de benutting van reeds ontwikkelde of in
fase ná kennisontwikkeling      ontwikkeling zijnde kennis. De Raad wenst juist versterkte beleidsaandacht en
                                inzet op maatregelen voor kennisoverdracht en voor het toepasbaar maken van
                             43 In aansluiting met de EZ-praktijk zijn de termen generieke en specifiek hier gedefinieerd als:
                                 - Specifiek: gebruik van de regeling is beperkt tot één discipline, technologie of toepassingsgebied.
                                 De overheid kiest vooraf welke discipline, technologie of toepassing ondersteund wordt. Als derge-
                                 lijke thema’s erg breed van aard zijn (bijvoorbeeld ICT als geheel) is er in feite weer sprake van in
                                 hoge mate generieke regelingen. In de berekening van het aandeel generieke regelingen heeft de
                                 Raad regelingen met brede thema’s toch als specifiek meegenomen.
                                 - Generiek: gebruik van de regeling staat open voor alle disciplines, technologieën of toepassings-
                                 gebieden. De overheid maakt vooraf geen keuze, de ‘markt’ bepaalt zelf welk soort ontwikkelingen
                                 belangrijk zijn door aanvragen in te dienen.
                             44 Dit is gebaseerd op de in het eindrapport IBO-Technologiebeleid aangegeven budgetten voor
                                 bestaande regelingen, de aangekondigde samenvoeging of beëindiging van regelingen, en de schat-
                                 tingen van de budgetten voor nieuwe regelingen. In deze schatting is rekening gehouden met de
                                 eerder aangekondigde korting van e 50 miljoen op de WBSO, een generieke fiscale regeling. De in
                                 het Regeerakkoord Balkenende II aangekondigde verhoging van deze regeling met e 100 miljoen is
                                 hierin echter nog niet verdisconteerd.
                             45 In het IBI rapport Werken aan innovatiekracht (pag. 33) is dit ook terug te vinden. Daarin wordt
                                 gesteld: “Het instrumentarium schuift dus weg van de markt en geeft meer nadruk op het funda-
                                 mentele onderzoek”.
                         28  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                               kennis voor het MKB.46 Hij constateert dat hiervan geen sprake is. Bovendien
                               wordt het succes van een innovatie maar voor een deel bepaald door kennis.
                               De Raad pleit daarom eveneens voor verhoogde beleidsinzet op het wegnemen
                               van knelpunten en het benutten van kansen in het traject ná het onderzoek. De
                               Raad komt hier eveneens op terug bij de aanbevelingen (hoofdstuk 3).
                            Al met al is de Raad niet gelukkig met deze ontwikkelingen. Hij merkt op dat de
                            beleidsfilosofie van ‘innovatie in een systeembenadering’ een goed uitgangspunt
 EZ moet nóg meer overstap  is maar dat EZ daarin nog meer de overstap moet maken van technologie- naar
maken van technologie- naar innovatiebeleid. De nadruk moet verschuiven van kennis- en technologieontwik-
            innovatiebeleid keling als zodanig – de voorkant van het innovatietraject – naar een integrale
                            benadering van innovatie, inclusief het traject ná het onderzoek.
                            46 Naast ondersteunende activiteiten als uitgevoerd door Syntens kent EZ een aantal subsidieregelingen
                                voor kennisoverdracht (SKO en SKB). In het huidige budget (inclusief WBSO) hebben deze regelingen
                                maar een aandeel van ca. 5%. EZ heeft een evaluatie van deze regelingen en de publieke interme-
                                diaire infrastructuur aangekondigd. Alhoewel het niet duidelijk is of er bezuinigd gaat worden is er
                                ook geen indicatie van verhoogde beleidsaandacht.
                        29  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                3             Aanbevelingen
                              De observaties in hoofdstuk 2 met betrekking tot de (veranderende) praktijk van
                              innovatie in bedrijven leiden de AWT tot een pakket van aanbevelingen, die
                              onderling samenhangen. Oogmerk daarbij is een innovatiebeleid van de overheid
                              dat het innovatievermogen en de innovatiekracht van bedrijven in Nederland zo
                              adequaat mogelijk stimuleert en faciliteert. Onderstaande aanbevelingen beperken
                              zich in hoofdzaak tot het werkterrein van EZ, aanvrager van dit advies.47
                              De aanbevelingen van de AWT concentreren zich op vijf noodzakelijke elementen
                              in het innovatiebeleid voor de nabije toekomst:
                              1 Biedt een rijke voedingsbodem voor innovatie;
                              2 Meer focus bij stimuleren van bedrijvigheid;
                              3 Bindt bedrijven aan innovatie hot spots;
                              4 Hanteer een integrale aanpak
                              5 Wees een speler ín het netwerk
           Advies gericht op  De Raad richt zich met dit advies niet op een aantal specifieke knelpunten in het
          basiskeuzen in het  innovatiesysteem, zoals de wisselwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven,
              innovatiebeleid het tekort aan kenniswerkers of het vestigingsklimaat. Op al deze punten is zeker
                              vooruitgang te boeken. De Raad acht een advies over de basiskeuzen in beleid en
                              de rol van de overheid bij innovatiestimulering op dit moment echter belangrijker.
     Forse concrete stappen   Hierin staat een actieve houding van de overheid centraal. Een overheid die zorgt
nodig, dit vraagt om actieve  voor een goede basisstructuur, die ontwikkeling van innovatieve bedrijvigheid
         opstelling overheid  ondersteunt en voortbouwt op Nederlandse sterktes. De tijdgeest vraagt om forse,
                              concrete stappen, gezet met enige haast.
                              1 Biedt een rijke voedingsbodem voor innovatie
                              Hoogwaardig onderwijs en onderzoek, over de volle breedte van de disciplines,
                              vormen een belangrijke onderdeel van het innovatiepotentieel van ons land. Het
                              47 De Raad erkent dat ook andere instanties: ministeries, provinciale en gemeentelijke instanties taken en
                                  verantwoordelijkheden hebben die direct te maken hebben met de ontwikkeling van een kennisecono-
                                  mie. Coördinatie is daarbij belangrijk. Aan het eind van hoofdstuk 3 gaat de Raad daar nader op in.
                          31  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>  Goed en breed onderzoek    onderwijs levert mensen die – door nieuwe kennis op te pikken, te ‘vertalen’ en te
en onderwijs belangrijk voor integreren in bedrijfsprocessen, producten of diensten – innovaties totstandbrengen.
        innovatiepotentieel  Het onderzoek levert die nieuwe kennis. Om ontwikkelingen aan het front van
                             de wetenschap te kunnen opnemen en om sterk te staan in de internationale con-
                             currentie, zal het Nederlandse onderwijs en onderzoek van uitstekende kwaliteit
                             moeten blijven. Naast een hoge kwaliteit, is ook breedte belangrijk. Innovaties
                             kunnen immers uit een veelheid aan kennisgebieden voortkomen en ontstaan
                             steeds vaker op het grensgebied van disciplines. Er is niet alleen aandacht nodig
                             voor de ‘nieuwe technologieën’ die momenteel internationaal sterk in de belang-
                             stelling staan. Ook reeds langer bestaande disciplines als werktuigbouw, of de
                             niet-technologische vakgebieden zijn evenzeer van belang voor innovatie.
                             De Raad acht blijvende investeringen in een brede basis dus van groot belang. Nu
                             de grote bedrijven hun eigen fundamentele onderzoek verminderen, heeft de
                             overheid eens te meer een belangrijke taak om die voedingsbodem te onderhouden.
                   Daarnaast Naast het bieden van deze brede voedingsbodem voor innovatie is het evenzeer
    aantrekkingskracht voor  noodzakelijk om in te zetten op excellentie in een beperkt aantal zwaartepunts-
              bedrijven door gebieden. Een duidelijke focus op een aantal onderzoeksgebieden kan Nederland
      zwaartepuntsvorming    aantrekkelijker maken als vestigingsplaats voor die bedrijven die hun activiteiten
                             baseren op de gekozen gebieden. Voor het aanbrengen van focus is verdergaande
                             samenwerking in het onderzoeksbestel noodzakelijk. De AWT constateert dat
                             de incentives in het huidige onderzoeksbestel teveel gericht zijn op onderlinge
                             concurrentie tussen onderzoeksgroepen – overigens wel met positieve effecten op
             Daarvoor meer   productie en kwaliteit. Nu zijn er echter ook incentives nodig die samenwerking
              samenwerking   bevorderen. De Raad adviseert dat de overheid het beschikbare instrumentarium
    kennisinstellingen nodig zó inzet, dat het zwaartepuntvorming en excellentie stimuleert. De Raad juicht in
                             dit verband de in het Regeerakkoord aangekondigde overheveling van gelden van
                             de eerste naar de tweede geldstroom toe.48 Indien goed ingevuld kan met deze
                             overheveling makkelijker excellentie in een aantal gekozen zwaartepuntsgebieden
                             opgebouwd worden.
                             48 Zie AWT-advies nr. 37 Hoofdlijnen Wetenschapsbeleid, februari 1999. Daarin wordt gepleit om eventueel
                                 extra geld te verdelen over twee soorten zwaartepuntvorming: op basis van wetenschappelijke excel-
                                 lentie en op basis van maatschappelijke relevantie. Dit onderscheid maakt het mogelijk om naast
                                 de opbouw van wetenschappelijke excellenties (voedingsbodem voor innovatie in de toekomst en
                                 aantrekkingskracht voor bedrijven) aan te sluiten bij zwaartepunten in de opbouw van bedrijvigheid.
                                 Bij het laatste is nauwe afstemming tussen de betrokken ministeries, wetenschap en bedrijfsleven
                                 vereist, die kijkend vanuit de gekozen doelstellingen rond de opbouw van bedrijvigheid de onder-
                                 liggende kennisbehoefte identificeren.
                         32  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                              De Raad waarschuwt verder voor een te hoge druk op kennisinstellingen, met
                              name universiteiten, om vraaggestuurd, toepassingsgericht te werken. Innovatie
 Er moet wel ruimte blijven   wordt immers vaak geïnspireerd door kennis uit “onverwachte hoek”. Er moet dan
          voor vernieuwend    ook in de eerste geldstroom voldoende ruimte blijven voor vernieuwend, kiem-
                  onderzoek   leggend onderzoek buiten gebaande paden.
                                  Aanbeveling:
                                  • Blijf investeren in een hoogwaardige kennisinfrastructuur: excellentie en
                                      breedte in onderwijs en onderzoek.
                                  • Zorg daarbij voor een goede balans tussen (a) een brede basis, (b) excellentie
                                      in een aantal zwaartepunten en (c) ruimte voor vernieuwend onderzoek.
                              De Raad heeft bij herhaling gewezen op het feit dat verkokering van ministeries
Samenwerking met heldere      (i.c. OCenW en EZ) hinderend werkt bij het vormgeven van een effectief innovatie-
              taakverdeling:  beleid. Samenwerking en coördinatie is én blijft noodzakelijk. Maar de Raad is van
                              mening dat er ook binnen een gecoördineerde samenwerking eerstaanspreekbaren
           OC&W is primair    voor diverse activiteiten moeten zijn. De Raad stelt dat het ministerie van OCenW
  verantwoordelijk voor het   primair verantwoordelijk is voor een goed functionerend publiek onderzoeks-
 publieke onderzoeksbestel    bestel.49 OCenW dient daarbij serieus werk te maken van het verkrijgen van de
                              aangegeven balans tussen brede basis, zwaartepunten en kiemleggend onder-
                              zoek, waarbij versnippering van activiteiten voorkomen moet worden en samen-
                              werking tussen kennisinstellingen gestimuleerd. EZ kan zich derhalve met betrek-
                              king tot het onderzoeksbestel beperken tot een goede inrichting van de interface
                              tussen kennisinstellingen en bedrijven, in nauwe samenwerking met OCenW. De
         EZ’s eigen missie is eigen missie van EZ ligt immers in het stimuleren en faciliteren van hoogwaardige,
   stimuleren bedrijvigheid   innovatiegedreven bedrijvigheid in Nederland. Realisatie van innovatie op grond
                              van benutting van (bestaande) kennis moet daarbij voorop staan. Dus geen
                              verkokering, wel concentratie op eigen taken bij goede coördinatie.
                              2 Meer focus bij stimuleren van bedrijvigheid
   Nederland is te klein om   Effectief innovatiebeleid vergt duidelijke keuzes. Realiteit is dat Nederland nu een-
      overal in te excelleren maal te klein is om op alle terreinen van bedrijvigheid te kunnen excelleren.
                              Nederland mag zich gelukkig prijzen met een aantal typen bedrijvigheid met een
                              sterke internationale concurrentiepositie. De Raad pleit er dan ook voor aansluiting
                              te zoeken bij bewezen of potentiële sterktes in het bedrijfsleven en de wetenschap.
                              49 De AWT heeft eerder gepleit voor een heldere taakverdeling, zie ook AWT-Advies 38 Hoofdlijnen
                                   Innovatiebeleid, juni 1999.
                           33 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                              De overheid kan met een gerichte ondersteuning en stimulering op een geselec-
                              teerd aantal gebieden kritische massa en momentum realiseren.50 Het uitsmeren
                              van middelen over vele gebieden sorteert te weinig effect. Het opbouwen van
                              concurrentiekracht op gebieden waarin in Nederland nog maar weinig bedrijvig-
   Kies focus rond sterktes:  heid of kennis is ontwikkeld, is bovendien het kiezen van de moeilijkste weg.
            ‘backing winners’ Kortom: een pleidooi voor beleid gericht op: backing winners!
                                  Aanbeveling:
                                  • Zet een substantieel deel van de innovatiestimulering in op een beperkt aantal
                                      specifieke gebieden, met een duidelijke focus.
                                  • Sluit daarbij aan bij bestaande en potentiële sterktes in bedrijven en wetenschap.
Niet alleen meer specifieke   De Raad pleit hiermee niet alleen voor een groter aandeel specifieke stimulerings-
         instrumenten maar    instrumenten in het gehele palet van innovatiebeleid, maar ook voor een duidelijke
daarbinnen ook meer focus     focussering bínnen de gekozen gebieden. Het is dus niet specifiek genoeg om te
                              ‘kiezen’ voor bijvoorbeeld ICT. Nee, gerichte keuzes zijn nodig op deelgebieden
                              daarvan, gebaseerd op huidige of potentiële sterktes van bedrijvigheid in
                              Nederland. Overigens is uiteindelijk voor bedrijven een technologie als zodanig
                              niet interessant, maar steeds de mogelijke toepassing. De Raad is dan ook voor-
                              stander van programma’s opgezet vanuit een toepassingsbenadering. Kort en
                              bondig: meer beleid vanuit de vraag (market pull) en minder vanuit het aanbod
                              (technology push).
                              Voor alle helderderheid: dit betekent uiteraard niet dat generieke instrumenten
                              geschrapt zouden moeten worden. Regelingen als de WBSO, een verlaging van
                              R&D kosten in algemene zin, maken het onderbrengen van R&D in Nederland
Met behoud van generieke      hoe dan ook aantrekkelijker. Een dergelijke generieke ‘bodem’ moet echter vooral
                     bodem    bezien worden in de algemeen voorwaardelijke sfeer (vestigingscondities) en niet
                              als instrument voor het aanjagen van innovatie in veelbelovende gebieden. Ook
                              moet EZ een open oog houden voor opkomende technologieën. Een (beperkt)
                              generiek instrumentarium kan benut worden om die te stimuleren op het
                              moment dat zij aantoonbaar economisch potentieel hebben.
                              50 Jacobs wijst er op dat verschillende landen bij de inzet op speerpunttechnologieën allemaal hetzelf-
                                   de lijstje opvoeren. Dat kan alleen maar leiden tot concurrentie op prijs en duplicering. Het leidt niet
                                   tot effectieve besteding van overheidsmiddelen. Zie: Industriebeleid in de kenniseconomie: de rele-
                                   vantie van de clusteraanpak, Dany Jacobs in Clusterbeleid als hefboom tot innovatie, IWT-Vlaanderen,
                                   februari 2000.
                         34   AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                              3 Bindt bedrijven aan innovatie hot spots.
                              Méér focus bij stimulering van bedrijvigheid is hoe dan ook noodzakelijk. De AWT
                              wil nog één stap verder gaan: gebruik vergaande focussering voor het bewerk-
     Bedrijven binden door    stelligen van een lock in effect voor bedrijven in gebieden waarin Nederland sterk
    lock-in effect te creëren is of kan worden. In geselecteerde gebieden moet het innovatieklimaat zó aan-
                              trekkelijk zijn dat reeds in Nederland gevestigde bedrijven niet overwegen weg te
                              gaan en nieuwe bedrijven zich graag in Nederland willen vestigen. Innovatieve
                              bedrijven moeten het gevoel krijgen dat Nederland the place to be is.
                              Belangrijk daarbij is dat innovatie-activiteiten vaak sterk geografisch geconcen-
                              treerd zijn. In dergelijke gelokaliseerde hot spots worden faciliteiten gedeeld en
                              ‘klonteren’ toponderzoekers en -ontwikkelaars samen. Niet alleen de aanwezigheid
    Innovatie hot spots: het  van goede faciliteiten of van toponderzoekers maakt een regio aantrekkelijk voor
      geheel moet kloppen     de vestiging van innovatienetwerken; het geheel moet kloppen. Verschillende ele-
                              menten moeten elkaar versterken: de fysieke en fiscale infrastructuur, bereikbaarheid
                              en beschikbaarheid van personeel, financieringsbronnen en toeleveranciers, het
                              onderwijs en het culturele klimaat. De overheid kan bovendien een belangrijke rol
                              spelen als innovatieve opdrachtgever of aanbesteder.51 Hoe dan ook: opbouw van
     Actieve betrokkenheid    dergelijke innovatie hot spots kan niet plaatsvinden zonder een actieve betrokken-
         overheid essentieel  heid van de overheid.52
                              Cruciaal punt is: wie kiest de hot spots? Dat is uiteraard niet aan de overheid (i.c. EZ)
Samen met bedrijven kiezen    alleen, maar dient in samenspraak met bedrijven te geschieden. Het Innovatie-
                              platform, dat onder voorzitterschap van de Minister President zal gaan functioneren,
                              dient hierbij in de ogen van de AWT het voortouw te nemen.
                              51 Zie bijvoorbeeld het Small Business Research Initiative in de UK en het analoge programma in de VS.
                                  Een overheid die als launching customer optreedt, vermindert onzekerheid over eerste opbrengsten.
                                  Opdrachten van de overheid kunnen ook als referentieproject worden gebruikt. De overheid moet
                                  sowieso aandacht hebben voor haar rol aan de vraagzijde. Regelgeving kan de ontwikkeling van
                                  bedrijvigheid ernstig belemmeren (biotechnologie), of juist bevorderen (deregulering, o.a. in de
                                  financiële sector).
                              52 De notie rond het creëren van hot spots komt in feite neer op een verbreed clusterbeleid. De reeds
                                  genoemde evaluatie van Technopolis merkt op dat het begrip clusters ‘vervuild’ is geraakt doordat
                                  de ondernomen acties niet helder en ondubbelzinnig waren. Dat is jammer, omdat het begrip ‘cluster’
                                  in internationaal verband breed gehanteerd wordt. In de Nederlandse context is het wellicht beter
                                  om een frisse doorstart te maken met een nieuwe benaming.
                           35 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                                    Aanbeveling:
                                    • Maak – samen met bedrijven – heldere keuzes voor gebieden waarin Nederland
                                        sterktes kan uit- of opbouwen. Het Innovatieplatform heeft hierbij de ‘lead’.
                                    • Creëer een omgeving die bedrijven bindt in de geselecteerde gebieden.
Kiezen voor de één betekent     Let op: het kiezen voor een beperkt aantal toepassingsgebieden en het aanwijzen
          dat anderen afvallen  van bepaalde locaties als ‘innovatie hot spot’, betekent op voorhand dat andere
                                gebieden en locaties buiten de boot vallen. Dat zijn wij in Nederland niet gewend,
                                gehecht als wij zijn aan het principe van ‘verdelende rechtvaardigheid’. Versnip-
        Heldere criteria nodig  pering vermindert echter het beoogde lock in effect. EZ moet daarom duidelijke
                                criteria stellen voor samenwerkings verbanden die het zal ondersteunen.53 De
                                ervaringen met eerdere clusterprojecten kunnen en moeten daarbij als basis dienen.
                                Voorop moet staan dat het lukt een internationale concurrentiepositie op te bouwen
                                in de hot spot.
                                4 Hanteer een integrale aanpak
  Integrale aanpak innovatie    In het innovatiebeleid is expliciet en meer aandacht nodig voor niet-technologische
                       nodig... aspecten. Bedrijven werken steeds meer met teams die technische en niet-techni-
                                sche aspecten samenbrengen van begin tot eind van een innovatietraject. Effectief
                                innovatiebeleid dient hierbij aan te sluiten, bedrijven zijn niet gebaat bij een kunst-
   ...met aandacht voor niet-   matige scheiding tussen technische en niet-technische aspecten. Een integrale
       technische aspecten..... benadering is nodig.
                                Er is brede overeenstemming over het feit dat juist het traject nà het onderzoek in
                                hoge mate bepalend is voor het succes van innovaties. Ook hier moet sprake zijn
...en aandacht voor het hele    van integraal denken, innovatie bestrijkt immers het hele traject van onderzoek
               innovatietraject naar marktintroductie, de overheid moet zich richten op belemmeringen en kansen
                                in het hele traject. Juist gerichte ondersteuning in de latere fasen van een innovatie
                                (ontwikkelingsactiviteiten, demonstratieprojecten, etc.) kan innovatie wezenlijk
                                versnellen.
                                Een integrale kijk op innovatie is dus noodzakelijk. Integraal betekent echter niet
                                one size fits all. De hinderpalen voor innovatie verschillen per type bedrijvigheid.
                                Het beleid zal dus maatwerk moeten leveren in het wegnemen van obstakels.
                                53 Om dubbeling en versnippering te voorkomen is ook een goede samenwerking met regionale orga-
                                     nisaties noodzakelijk. Van verschillende kanten is er op gewezen dat het nationale innovatiebeleid te
                                     weinig aansluit bij dat van regionale organisaties. EZ zou hierin tenminste een coördinerende rol
                                     moeten vervullen.
                            36  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                                  Aanbeveling:
                                  • Zet zwaarder in op de benutting van kennis: stimuleer diffusie-, ontwikkeling-
                                      en demonstratieprojecten.
                                  • Baseer innovatie-ondersteuning op plannen en voorstellen waarin alle aspecten
                                      die het succes van een innovatie bepalen, worden meegenomen – dus
                                      nadrukkelijk ook de niet-technologische.
                                  • Hanteer een bedrijfsgerichte benadering, gericht op het wegnemen van
                                      bedrijvigheid-specifieke belemmeringen.
                               De Raad constateert verder dat er binnen EZ een beleidspraktijk is gegroeid met
                               een grote afstand tot de markt. Dit is een voor een deel bewuste beleidskeuze
  Gebruik de mogelijkheden     binnen EZ, maar lijkt mede ingegeven door een interpretatie van de Europese
die de Europese regelgeving    regelgeving 54 waarin het ‘juridisch veilige’ de overhand heeft gekregen boven het
                     biedt.... praktische of het wenselijke. Dit uit zich zowel in de keuze van ondersteunings-
                               gebieden als in de vormgeving van instrumenten Andere Europese landen lijken
                               ontwikkelings- en commercialisatie-activiteiten vaker en meer te ondersteunen.55
                               Er zou ook op dit vlak tenminste een level playing field moeten kunnen ontstaan
                               voor Nederlandse bedrijven in Europa.
    ...en ga door met pleiten  Overigens behoeft de Europese regelgeving op dit punt zélf ook aanpassing. Deze
     voor betere regelgeving   regelgeving is nog sterk gestoeld op het lineaire denken (meer kennis leidt auto-
                               matisch tot meer innovatie) en weerspiegelt nog in te geringe mate dat niet alleen
                               publieke kennisinstellingen maar ook private ondernemingen belangrijke bronnen
                               van kennis bij innovatie zijn. Ook de inpassing van publiek-privaat gefinancierde
                               kennisinstellingen levert moeilijkheden op. De Raad ondersteunt dan ook van
                               harte de activiteiten die EZ op dit punt richting Brussel onderneemt om te komen
                               tot een adequate regelgeving.
                                  Aanbeveling:
                                  • Benut in Nederland maximaal de mogelijkheden die de bestaande Europese
                                      regelgeving biedt.
                                  • Pleit vanuit Nederland actief voor aanpassing van het huidige Europese
                                      O&O-Steunkader.
                               54 Bedoeld wordt de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling
                                   96/C 45/06 en de daaraan gekoppelde artikelen uit het EG-verdrag.
                               55 Daarbij zij aangetekend dat andere landen vaak meer mogelijkheden hebben, om bedrijvigheid in
                                   ‘zwakke’ regio’s te ondersteunen. Juist omdat deze mogelijkheden in Nederland beperkt zijn, is goed
                                   onderzoek naar de mogelijkheden voor nationale stimulering extra belangrijk.
                           37  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                                  5 Wees een speler ín het netwerk
          Alle partijen moeten    Een goede vormgeving van de kennissamenleving vereist dat alle partijen een-
        eendrachtig optrekken     drachtig optrekken. De overheid kan dan niet op afstand blijven, maar moet zich
                                  opstellen als speler ín het netwerk, als partner van de andere partijen. De keuzes,
                                  nodig voor een effectief innovatiebeleid, moet de overheid niet zelf maken, maar
                                  in samenspraak met bedrijfsleven en wetenschap.
Een breed gedragen ambitie        Een breed gedragen ambitie met betrekking tot versterking van de internationale
    en strategische marsroute     concurrentiepositie en een strategische marsroute om die ambitie te verwezenlijken
                staan voorop,.... moeten voorop staan bij de stimulering van innovatie. Maar de rol van de overheid
                                  is niet uitgespeeld als er eenmaal een gedeelde visie op tafel ligt. Pas als er onderling
                                  vertrouwen tussen partijen is ontstaan, draagvlak voor concrete samenwerking is
                                  gevonden, partijen bereid zijn tot substantiële participatie en het samen-
...financiële ondersteuning is    werkingsverband goed is verankerd, kan de overheid terugtreden. Financiële
                slechts sluitpost ondersteuning van innovaties is slechts de sluitpost van de overheidsbemoeienis.
                                  De basis bestaat uit betrokkenheid, ondersteunend meedenken en het stimuleren
                                  van goede initiatieven.
                                  Een bijna onvermijdbare valkuil is het redeneren vanuit algemene knelpunten in
                                  het innovatiesysteem en het ‘extrapoleren’ van bestaand beleid. De knelpunten
                                  en kansen, ambities en strategische marsroute zullen per gebied verschillen.56
                                  Kennisopbouw kan een element zijn, maar ook zaken als betere samenwerking
                                  tussen leveranciers en afnemers, het betrekken van niet-technische disciplines bij
    Effectief innovatiebeleid is  ontwikkelingen, het afspreken van standaarden, etc. Effectief een-en-twintigste
                      maatwerk    eeuws innovatiebeleid is dan ook maatwerk, dat geleverd wordt in het samenspel
                                  tussen overheid, wetenschap en bedrijfsleven.57
                                      Aanbeveling:
                                      • Stel je op als actieve speler ín het netwerk; werk nauw samen met bedrijfsleven
                                          en wetenschap in het maken van keuzes, het formuleren van een strategische
                                          visie en het opstellen van een marsroute;
                                  56 De nieuwste ideeën omtrent ‘Technology Platforms’ van de Europese Commissie gaan ook in de richting
                                       van de vorming van ‘clusters’ van bedrijven en kennisinstellingen rond een specifiek technologiegebied
                                       (zie Investing in research, an action plan for Europe, COM(2003 226 final, annex). De vormgeving lijkt
                                       nu nog sterk in de richting van kennisopbouw te gaan. Een document met verdere uitwerking van
                                       de ideeën is aangekondigd voor eind 2003.
                                  57 De eerder door EZ ondernomen clusterprojecten kunnen ook als een dergelijk initiatief worden
                                       gezien. Alhoewel niet allemaal succesvol , kunnen de ervaringen uit die projecten als belangrijk worden
                                       gezien voor de ontwikkeling van toekomstig beleid.
                              38  AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>       • Neem drempels weg, ondersteun goede initiatieven uit het bedrijfsleven en
          breng waar nodig partijen bij elkaar.
   Tot slot
   Een goed draaiende economie en een bedrijfsleven dat sterk staat in de interna-
   tionale concurrentie, zijn voorwaarden voor behoud en vergroting van de welvaart
   in ons land. De Raad constateert dat de huidige relatief slechte economische
   prestaties van Nederland niet alleen veroorzaakt worden door conjuncturele
   factoren, maar ook structurele oorzaken kennen. Juist in die omstandigheden is
   het van groot belang dat de overheid zich richt op het verbeteren van de basis-
   structuur van de economie, de kwaliteit van de groei. Dat vraagt tijd en maakt de
   noodzaak groot om nu stappen te ondernemen. Maatregelen uit het verleden,
   matiging van loonkosten en verhoging van de arbeidsparticipatie, zijn niet meer
   het goede recept voor groei in de toekomst, zij kunnen ons nu alleen extra tijd
   geven om de structurele factoren, de ontwikkeling naar een kennisintensieve
   economie op orde te krijgen.
   Innovatie is de sleutel bij het bereiken van een sterk en hoogwaardig bedrijfsleven.
   Innovatie is een thema dat dwars door alle ministeries en zelfs andere instanties
   heenloopt. Verkokering en versnippering zijn contraproductief, coördinatie en
   samenwerking zijn van essentieel belang. Idealiter zou, naar mening van de Raad,
   EZ het voortouw moeten nemen bij de stimulering van innovatie in alle sectoren
   van bedrijvigheid. In de huidige context kan het in het Regeerakkoord aangekon-
   digde Innovatieplatform voor invulling van die rol zorgen, met als belangrijk voordeel
   dat ook de andere partijen deelnemen in het Platform.
   Er is wel reden tot zorg, maar niet tot somberheid. Nederland kent naast zwaktes
   ook uitgesproken – bestaande en potentiële – sterktes. Een goed uitgevoerd inno-
   vatiebeleid kan de basis leggen voor een klimaat waarin Nederlandse bedrijven tot
   volle bloei kunnen komen. Het is tijd voor het pakken van kansen: backing winners.
   Aldus vastgesteld te Den Haag, 25 juni 2003.
   J.S. Sistermans, voorzitter
   mw. dr. V.C.M. Timmerhuis, secretaris
39 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>   Bijlage 1
   Adviesvraag en aanscherping
   De Minister van Economische Zaken heeft de Adviesraad voor het Wetenschaps-
   en Technologiebeleid (AWT) advies gevraagd met betrekking tot de ontwikkeling
   in R&D in bedrijven en de manier waarop hier in het beleid moet worden omgegaan.
   De precieze tekst uit het AWT-werkprogramma 2001 luidt als volgt:
   Aanleiding
   De rol en positie van R&D bij ondernemingen is sterk in ontwikkeling. Sommige bedrijven
   hebben de afgelopen jaren gekozen voor een meer decentrale aansturing van hun
   R&D met de wens de R&D dichter bij de markt te brengen vaak met als consequentie
   minder fundamenteel onderzoek. Het aantal bedrijven dat een bewust R&D-beleid
   voert neemt ook sterk toe, m.n. binnen de dienstverlening en bij het MKB. Daarnaast
   is er bij vele bedrijven een toenemende bereidheid tot samenwerking met derden. Ook
   de aard van het onderzoek is aan verandering onderhevig, met meer aandacht voor
   aan techniek gerelateerd alfa en gamma-onderzoek, voor dienstverlenende activiteiten,
   voor stimulatieonderzoek, en voor ondernemerszin.
   Vraag
   Wat zijn de trends in de R&D-praktijk? Verschilt dit naar aard van de sector en/of
   het bedrijf? Wat zijn de verwachtingen voor de komende 10 a 20 jaar? In hoeverre
   behoeven de ‘traditionele’ R&D-beleidsinstrumenten aanpassing?
   De Raad richt zich in dit advies met name op de gewenste c.q. noodzakelijke ont-
   wikkelingen innovatiebeleid van de overheid, in het bijzonder van EZ. Daarbij gaat
   het niet in hoofdzaak over de effectiviteit van de beleidsinstrumenten, maar over
   de de uitgangspunten en basiskeuzen voor beleid én de algemene rol van de over-
   heid, i.c. EZ, in de stimulering van innovatie in Nederland.
   Reflectie op de adviesaanvraag
   In het kader van de voorbereiding van dit advies verscheen in 2001 “Innovatie2,
   vernieuwingen in de innovatiefunctie van ondernemingen”, een studie, die in
   opdracht van de AWT, door Jacobs en Waalkens werd uitgevoerd. In een aantal
   workshops werden de bevindingen uit de studie besproken met beleidsmakers
   en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven. Daarnaast verscheen in 2002 het
41 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   eindrapport van de interdepartementale werkgroep (IBO): Samenwerken en
   Stroomlijnen: opties voor effectief innovatiebeleid . In dit rapport, en de daarop
   volgende kabinetsreactie van oktober 2002 worden de voornemens beschreven
   tot aanpassing en stroomlijning van het innovatie-instrumentarium. De resultaten
   van de studie Innovatie2, de workshops én de IBO-stukken waren aanleiding voor
   de Raad om de adviesvraag nader aan te scherpen.
   Allereerst beseft de Raad dat innovatie meer is dan R&D. Kennis als zodanig is nog
   geen innovatie, van innovatie is pas sprake als een “vinding” (commercieel) wordt
   toegepast. In bedrijven is innovatie niet meer het alleenrecht van de R&D-afdeling,
   maar steeds meer een proces dat zich in verschillende delen van een bedrijf afspeelt.
   De faal- en succesfactoren zijn niet alleen van technisch/technologische aard,
   maar ook kennis van de markt en de wensen van afnemers spelen een grote rol.
   Een tweede element is dat er steeds meer aanwijzingen zijn dat bedrijven derden
   inschakelen bij innovatie, met als belangrijkste argument dat de innovatievraag-
   stukken steeds complexer worden en bedrijven, onder andere door zich te con-
   centreren op de kerncompetenties, niet meer alle kennis en vaardigheden in huis
   hebben die benodigd zijn voor een succesvolle innovatie. Officiële statistieken58
   geven een beeld te zien waarin Nederlandse bedrijven nog maar in geringe mate
   derden inschakelen, maar die statistieken zijn met name gericht op R&D en brengen
   samenwerking (of inhuur) in andere fasen van een innovatietraject niet volledig in
   beeld. In de IBO-stukken komt overigens de wens van EZ naar voren om het inno-
   vatie-instrumentarium sterk te verschuiven naar de stimulering van samenwerking,
   met name tussen bedrijven en kennisinstellingen.
   In de oorspronkelijke adviesaanvraag werd gevraagd om uitspraken te doen over
   de verwachte veranderingen in R&D praktijk in de komende 10 tot 20 jaar. Juist
   in een tijd waarin EZ bezig is met de vormgeving van een nieuw instrumentarium
   is het belangrijk om de blik naar voren te richten. De Raad acht echter een termijn
   van 10-20 jaar te lang voor uitspraken die tot concrete aangrijpingspunten voor
   dat instrumentarium kunnen dienen, de wereld verandert snel. Daarom acht de
   Raad het raadzamer om zich te concentreren op de kansen en belemmeringen
   voor innovatie die bedrijven ondervinden op de middellange termijn.
   58 “Kennis en economie, onderzoek en innovatie in Nederland”, CBS 2001 (ISBN 903572955 2), zie
       ook “Samen innoveren, een onderzoek naar publiek-private en private kennisrelaties in Nederland”,
       A.P. Poot en E. Brouwer, Beleidsstudies Technologie en Economie, nr. 35, Ministerie van Economische
       Zaken
42 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>   Bijlage 2
   Aanpak en werkwijze
   Bij de verdere voorbereiding van dit advies werd de oorspronkelijke adviesvraag
   aangepast naar:
   • wat is de praktijk van innovatie in bedrijven?
   • welke kansen en belemmeringen ondervinden bedrijven bij innovatie?
   • hoe belangrijk is samenwerking in de verschillende fasen van innovatie en met
       wie wordt samengewerkt?
   • welke kenmerken van een bedrijf of sector bepalen de manier waarop wordt
       geïnnoveerd?
   Daarnaast werd gekeken naar de verschuivingen in locaties van R&D van grote
   bedrijven, omdat de meningen in hoeverre Nederland aantrekkelijk is voor de
   vestiging van R&D van dergelijke bedrijven uiteenlopen.
   Een belangrijke conclusie uit Innovatie2 was dat er weliswaar een aantal algemene
   trends in innovatie in bedrijven is, maar dat elk bedrijf een manier van innoveren
   kiest die het best past bij het bedrijf en haar omgeving. Er is dus niet één manier
   waarop bedrijven in Nederland innoveren. Daar staat tegenover dat het niet
   mogelijk is om alle bedrijven in Nederland te onderzoeken. De Raad heeft dan ook
   gekozen voor een onderzoek van verschillende klassen van bedrijven, waarvan
   vooraf werd verondersteld dat zij dusdanig verschillende kenmerken hebben, dat
   verwacht mag worden dat zij ook hun innovatieprocessen op verschillende manieren
   organiseren. De onderzochte klassen zijn:
   • Life Science starters, als voorbeeld van ‘science-driven’ starters
   • ICT-bedrijven
   • logistieke dienstverlening
   • financiële dienstverlening
   • MKB-bedrijven
   • voedingsmiddelenindustrie
   • grote bedrijven (R&D vestiging)
   De Raad hecht grote waarde aan het onderzoeken van voorbeelden uit de diensten-
   sector en het MKB, omdat beide een steeds belangrijker deel vormen van de
   Nederlandse economie en belangrijke bronnen van nieuwe werkgelegenheid zijn.
43 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   Daarnaast kan met name voor de dienstensector verwacht worden dat niet-techno-
   logische vormen van innovatie een grote rol spelen, vormen van innovatie waarbij
   het bestaande innovatie-instrumentarium van EZ niet goed aansluit.
   In de verschillende klassen werden interviews gehouden met mensen uit de
   bedrijven, vertegenwoordigers van brancheorganisaties en organisaties die zich
   bezighouden met onderzoek en ondersteuning van innovatie. De Raad heeft
   geenszins de pretentie dat de analyse van de verschillende klassen volledig is, het
   onderzoek beperkte zich tot de aan het begin van deze paragraaf vermelde vragen.
   lijst met geïnterviewden in aanvullende interviewronde
   • AVEBE                  dr. P. Buwalda        directeur R&D divisie food and pharma
   • Campina                dr. T.C.M.            director research & development
                            van Hooijdonk
   • Ceparation             dr. R.A. Terpstra     managing director
   • Chess                  ing. S. de Vries      CEO, voorzitter developmentcommissie
                                                  FHI
   • Crompton               Ir.G.M. Peereboom     operations director Netherlands,
                                                  bestuurslid ORAM
   • Demar Laser            ing. P. ter Horst     directeur/eigenaar, voorzitter Metaal-
                                                  unie district Oost, voorzitter DSSP
   • Dow Chemicals          prof. dr. R.J.        director corporate R&D
                            Koopmans
   • Dow Chemicals          dr. M. Steijns        senior external technology manager,
                                                  Dow Europe
   • DSM                    dr. E. de Brabander senior VP global research &
                            – van den Berg        development
   • Ericsson               E.J. Sol              vm. VP technology - Nederland
   • Fornix Biotech         dr. F. Roossien       VP Research and Development
   • GE Plastics            dr. ir. W.L. Sederel  general manager Lexan/Cycoloy,
                                                  global technology
   • GE Plastics            dr. ir. G. de Wit     principal scientist crystalline technology,
                                                  in deeltijd verbonden aan DPI
   • IBM                    ir. A. J. Reuver, MPA directeur externe betrekkingen
                                                  IBM-Nederland
   • Jan de Rijk            mevr. J.G.M. de Rijk directeur/eigenaar
   • Jan de Rijk            ir. W.N.C. Heeren     algemeen directeur, voorzitter
                                                  KNV Goederenvervoer
44 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>   • KPN Valley             drs. P.K.W. Wijdicks business development
   • KPN Valley             ir. G. Bosveld        manager knowledge innovation center
   • Kreatech               dr. C.J.T. Visser     CTO
   • LogicaCMG              C. Stutterheim        non-executive chairman
   • MKB-Nederland          Ton van Ravensloot secretaris technologie en industrie
                                                  en bouw
   • Multiprint             E.A.J.                managing director
     Systems                Hoendervangers
   • N.V. Brabantse         drs. J.M.B.M.         adjunct-directeur, hoofd ontwikkeling
     Ontwikkelings          Warmerdam             & innovatie
     Maatschappij
   • Nederland              drs. C.A. Verweij     manager kennisontwikkeling
     Distributieland
   • Numico                 prof. dr. W.          general director, executive VP Numico
                            van Gelder            Research B.V.
   • Octoplus               dr. J.J.M. Holthuis   CEO, lid technologiecommissie NIABA
   • Philips                dr. A. Huijser        member of the Board of management
                                                  & CTO
   • Philips                dr. H.A. Harwig       executive VP, managing director Philips
                                                  Research Eindhoven
   • Rabobank               P.P.M. van der        directeur international retail
                            Weijden
   • Syntens -              ir. A. Schurgers      directeur
     Eindhoven
   • Technische             prof. ir. N.J.J.      automotive technology center
     Universiteit           Liebrand
     Eindhoven
   • Technische             prof. dr. G. Duysters scientific director Ecis
     Universiteit
     Eindhoven
   • TTI-voeding            prof. dr. J. Hautvast directeur
     (WCFS)
   • Unilever               dr. N. Overbeeke      R&D director spreads & cooking
                                                  products
   • Universiteit           prof. dr. Th. E.      wetenschappelijk directeur onderzoeks-
     Tilburg                Nijman                instituut CentER
   • van der Luyt           D. van Velzen         consultant
     consultancy
45 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>   • van der Luyt           drs. J. L. van der Luit directeur
     transport
   • VNO-NCW                drs. J.A. van de        secretaris technologie
                            Bandt-Stel
   • Vos Logistics          Walter Kusters          directeur management and logistical
                                                    development
   • Wageningen             prof. dr. ir. L. rector magnificus
     Universiteit           Speelman
     and Research
     Center
46 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>   Bijlage 3
   Aanvulling op achtergrondinformatie
   Deze bijlage vormt een aanvulling op in hoofdstuk 2 beschreven achtergrond-
   informatie, gebaseerd op literatuuronderzoek en de aanvullende interviewronde.
   In deze bijlage worden een aantal algemene thema’s naar voren gehaald, die voor
   alle onderzochte typen bedrijvigheid gelden. De belangrijkste bevindingen per soort
   bedrijvigheid zijn weergegeven in aparte kaders. De Raad heeft niet de pretentie
   dat het onderzoek van de verschillende klassen bedrijven volledig dekkend is.
   De interviews hebben zich beperkt tot de onderwerpen ‘samenwerking’ en
   ‘belemmeringen’ bij innovatie.
   Internationale concurrentiepositie Nederland: naast zwaktes ook sterktes
   In Reflecties op plaats en toekomst van de Nederlandse maakindustrie ,59 wordt een
   analyse gemaakt van de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse
   bedrijfsleven, in termen van het handelssaldo.
   Uitgedrukt in goederenexport als percentage van het BNP, behoort Nederland na
   België tot de wereldtop. Maar een belangrijk deel van die Nederlandse export
   heeft betrekking op wederuitvoer, met een relatief lage toegevoegde waarde.
   Nederland heeft een handelstekort in hoogwaardige industriële goederen. Het
   handelsoverschot in diensten is, hoewel stijgend, nog steeds klein. De meer ‘klas-
   sieke’ sectoren als de voeding- en genotmiddelen industrie en basischemie leveren
   de belangrijkste bijdrage aan ons handelsoverschot.
   59 Reflecties op plaats en toekomst van de Nederlandse maakindustrie, H. Schenk en J. Theeuwe, SEO-rapport
        in opdracht van VNO-NCW (2002)
47 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   Figuur 1 Handelssaldo Nederland (in miljard USD)
   Uit deze studie kunnen twee zaken worden afgeleid. Allereerst een wat sombere
   constatering: als Nederland een sterke positie wil opbouwen in de export van
   hoogwaardige industriële goederen en diensten, is er nog een flinke weg te gaan.
   Maar er is ook een duidelijk positieve kant: Nederland beschikt al over een aantal
   sterke sectoren. Deze staan misschien te boek als “klassiek”, maar zij zijn vaak wel
   degelijk kennisintensief. Bij dat laatste valt bijvoorbeeld te denken aan de voe-
   dingssector, die sterk in beweging is door het inzetten van biotechnologie.
   Voedingsmiddelen:
   • Zowel qua bedrijven als qua kennisinstellingen heeft Nederland een sterke positie.
      Ook de kennisdiffusie is traditioneel goed georganiseerd.
   • Het TTI Wageningen Center for Food Sciences (WCFS)60 wordt gewaardeerd.
      Er komt goed onderzoek van de grond, en het fungeert als ontmoetingsplaats
      waar nieuwe samenwerkingsverbanden tot stand komen.
   • Grote bedrijven kunnen de rond WCFS opgebouwde kennis zelf opnemen en
      gebruiken voor hun innovaties, bedrijven (en coöperaties) met kleine onderzoeks-
      staven geven aan dat zij behoefte hebben aan een vertaalslag. De bestaande
      intermediaire structuur (met name DLO’s en TNO) voorziet niet goed in die
      behoefte.
   • Algemener wordt geklaagd over de fragmentatie en concurrentie onder onder-
      zoeksgroepen. De angst is dat deze leiden tot het uitsmeren van gelden en tot
   60 TTI = technologisch topinstituut, een samenwerkingsverband van bedrijven en kennisinstellingen
48 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>       middelmatigheid. De oproep is dan ook om niet alles te willen doen, maar te
       kiezen voor speerpunten waarin een excellente positie kan worden opgebouwd.
   • Producenten van consumentengoederen betrekken vaak hoogwaardige com-
       ponenten van kleine gespecialiseerde firma’s, meestal gevestigd in het buiten-
       land. Een actief startersbeleid rond de onderzoeksgroepen van bijvoorbeeld
       Wageningen University and Research Center kan een aantrekkelijke optie zijn
       voor het opbouwen van hoogwaardige bedrijvigheid op dit terrein.
   • De problemen rond de maatschappelijke acceptatie van genetisch gemodifi-
       ceerde organismen en voedselveiligheid, hebben niet geleid tot een structurele
       samenwerking tussen technische- en niet technische disciplines. De laatste
       worden vaak nog te laat ingeschakeld, om een technologische ontwikkeling “te
       verkopen” aan de consument. Er wordt wel onderzoek naar klantenperceptie
       van producten verricht, maar het is nog niet standaard dat maatschappelijke
       aspecten in de eerste fasen van een ontwikkeling worden meegenomen.
   • De gesprekspartners zien een duidelijke rol voor de overheid als onafhankelijke
       voorlichter rond zaken als voedselveiligheid.
   • De agrarische sector, toeleverancier voor de voedingsindustrie, is in hoge
       mate geautomatiseerd en gemechaniseerd, waardoor de efficiency hoog is.
       Desalniettemin kijkt de sector in gespannen verwachting naar de toekomstige
       veranderingen in het Europese landbouwbeleid. In de voedingsindustrie is men
       van mening dat Nederland moet verschuiven van bulkproductie naar producten
       met hogere toegevoegde waarde.
   Bouwen op sterktes
   Bij de discussie over de ontwikkeling naar een kenniseconomie wordt veel gespro-
   ken over de ‘nieuwe technologieën’ als ICT, bio- en nanotechnologie. Vrijwel alle
   landen komen met plannen om in die gebieden nieuwe bedrijvigheid te ontwik-
   kelen. Het opbouwen van bedrijvigheid in sectoren waar nog geen sterke bedrijven
   zijn, is een moeilijke weg. Gemakkelijker is het om aan te sluiten bij bestaande
   sterktes en die verder uit te bouwen. Finland, tegenwoordig gezien als een lichtend
   voorbeeld van een sterke en innovatieve economie, zet heel bewust in op de
   versterking en opwaardering van een traditionele sterkte, de bosbouw. Frankrijk
   heeft recent transporttechnologie als speerpunt voor ontwikkeling aangewezen.61
   61 Technieuws Special, mei-juni 2003.
49 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   Naast de aanwezigheid van sterke bedrijven zijn nog andere factoren van belang
   voor de internationale concurrentiepositie. Nederland ligt in een delta -aan zee en
   grote rivieren-, en dat is nog steeds van belang voor bijvoorbeeld onze logistieke
   sector en voor de chemie. Gebruik maken van wat Porter noemt unique resources 62
   zou een leidraad moeten zijn voor ons innovatiebeleid.
   Jacobs63 waarschuwt ook voor het loslaten van bestaande sterktes. Hij stelt dat als
   alle landen inzetten op dezelfde nieuwe technologieën, duplicering en concurrentie
   op prijs het gevolg zullen zijn. Een klein land als Nederland moet erg goed kijken
   naar de inzet van haar beperkte middelen. Het verdelen van deze middelen over
   brede gebieden, zal weinig effect sorteren in de internationale concurrentie. Het
   is daarom beter om kritische massa te ontwikkelen in een beperkt aantal gebieden,
   namelijk de terreinen waarop Nederland sterk is of dat relatief gemakkelijk kan
   worden.
   De Europese paradox: MKB heeft behoefte aan vertaalslag
   Rond innovatie wordt vaak gesproken over de ‘Europese paradox’. Ook Nederland
   heeft met deze paradox te maken, die inhoudt dat kennisinstellingen een uitstekend
   niveau van kennis produceren, maar dat de benutting in bedrijven achterblijft. Een
   belangrijke vraag is dus hoe wij die benutting van kennis kunnen verbeteren.
   Bij onze rondgang langs bedrijven werd vaak de klacht gehoord dat de onderzoeks-
   programma’s van de kennisinstellingen niet goed aansluiten bij de behoeften van
   bedrijven. Voor MKB-bedrijven geldt bovendien nog eens dat zij meestal te klein
   zijn om langdurige onderzoekstrajecten in te gaan, waardoor zij minder aantrek-
   kelijke samenwerkingspartners voor de kennisinstellingen zijn. Verschillende branche-
   organisaties64 proberen kennisvragen van hun bedrijven te bundelen, om een betere
   gesprekspartner te worden voor kennisinstellingen en financiers van onderzoek.
   De belemmeringen voor het stromen van kennis naar bedrijven zijn breder van
   aard. Niet alleen de inhoud van de onderzoekprogramma’s, maar ook het feit dat
   kennisinstellingen en bedrijven elkaars taal niet (meer) spreken. Bedrijven stellen
   62 Innovation Lecture 2001, M.Porter, uitgave EZ.
   63 Industriebeleid in de kenniseconomie: de relevantie van de clusteraanpak, D. Jacobs in Clusterbeleid als
        hefboom tot innovatie, IWT-Vlaanderen (2000).
   64 Waaronder FHI, Federatie Het Instrument.
50 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>   dat academische onderzoekers te weinig oog hebben voor de praktijkproblemen.65
   Niettemin gelooft men dat kennisinstellingen een waardevolle bijdrage kunnen
   leveren. Er zou echter een intensievere uitwisseling van ervaringen moeten plaats-
   vinden. Detacheringprogramma’s, duale AIO’s en dergelijke kunnen dat gestalte
   geven. De gedetacheerden brengen niet alleen direct kennis in, maar ook een net-
   werk met de kennisinstelling. Bij grote bedrijven zijn deeltijdaanstellingen dan ook
   al vaak gebruikelijk. Maar er zijn grote bedrijven die de contacten willen uitbreiden
   door het over en weer detacheren van onderzoekers.
   Verschillende bedrijven spreken waardering uit voor detachering-programma’s als
   de voormalige KIM-regeling.66 Deze regeling was beperkt van opzet. Om in aan-
   merking te komen mocht een bedrijf niet meer dan twee hoger opgeleiden in
   dienst hebben. De Raad is van mening dat een dergelijke regeling zou moeten
   gelden voor een grotere groep bedrijven. De voorbeelden uit de voedingssector
   (coöperaties met kleine onderzoeksstaven, zie kader) geven dit aan. Een mooi
   voorbeeld is te vinden in Frankrijk: een programma dat zich richt op bedrijven tot
   2000 medewerkers en detachering op alle onderscheiden niveaus.67
   Detacheringprogramma’s zijn ook een methode om het aandeel hoger opgeleiden
   in het MKB te verhogen. Een mooi voorbeeld van hoe detachering een opstap kan
   zijn voor versterking van de eigen staf, kwam uit de logistieke dienstverlening. Een
   bedrijf wilde de haalbaarheid van nieuwe logistieke concepten onderzoeken. Men
   had echter een te beperkte staf om dat volledig zelf te doen. Gestart werd met het
   binnenhalen van stagiaires op HBO-niveau. Toen de haalbaarheid was bewezen en
   uitbreiding van de activiteiten wenselijk was, werd de eigen staf uitgebreid en
   werden stagiaires op academisch niveau binnengehaald. Dit project leidde uitein-
   delijk tot een langdurige samenwerking met een aantal universiteiten.
   65 Omgekeerd stellen kennisinstellingen dat bedrijven het belang van kennis onvoldoende erkennen en
       dat er steeds minder goede gesprekspartners zijn te vinden. In AWT-advies 50 (Naar een nieuw maat-
       schappelijk contract. (2003)) constateerde de Raad dat de partijen voortdurend naar elkaar wijzen en
       de hand te weinig in eigen boezem steken. Verbetering van de wisselwerking vraagt om inspanning
       van beide kanten en het nemen van de eigen verantwoordelijkheid.
   66 KIM is ‘kennisdragers in midden- en kleinbedrijf’, een regeling die de mogelijkheid bood om voor
       beperkte tijd een hoger opgeleide aan te stellen. De regeling werd in 2001 aangepast tot SKO-
       vernieuwingsprojecten voor technologievolgend MKB.
   67 Ook in de contourschets van het nieuwe innovatiebeleid, gericht op het wegnemen van de Europese
       paradox, besteedt de Franse overheid veel aandacht aan mobiliteit, o.a. door het stimuleren van
       promotieplaatsen in het bedrijfsleven (zie Technieuws Special mei-juni 2003).
51 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   Ook als er sprake is van intensieve wisselwerking tussen kennisinstellingen en
   bedrijven, is dat nog geen garantie dat de aanwezige kennis daadwerkelijk wordt
   toegepast. Vooral het MKB blijft behoefte houden aan een ‘vertaalslag’ van de
   kennis uit de instellingen naar een door hen toepasbare vorm.
   MKB-bedrijven:68
   • Circa een derde van het MKB kan als structureel vernieuwend worden aange-
      merkt. Innovatie bestaat hier meer uit het combineren van bestaande, dan uit
      het ontwikkelen van nieuwe technologie. De grootte van de bedrijven houdt
      meestal in dat de financiële ruimte beperkt is en dat innovatieprojecten vaak
      gericht zijn op een termijn van 2-3 jaar.
   • Aansluiting van bedrijven op kennisinstellingen is nauwelijks aanwezig. Het lijkt
      daarom niet realistisch om te streven naar 1:1 samenwerkingsverbanden. De
      denkwerelden, tijdshorizonten en kennisniveaus verschillen daarvoor teveel. De
      bedrijven hebben behoefte aan een vertaalslag waarin de door kennisinstellingen
      opgebouwde kennis wordt omgezet in toepasbare kennis. Men noemt daarbij
      applicatiecentra en ziet een rol voor het HBO.
   • Voor het technologievolgende MKB zijn kleine ingenieurs- en adviesbureaus
      een belangrijke bron van kennis. Ondernemers geven aan dat deze bureaus
      flexibel zijn en, qua belevingswereld, goed aansluiten bij de ondernemingen.
      Niet bekend is hoe goed de aansluiting tussen de bureaus en de kennisinfra-
      structuur is.
   • Stagiaires en afstudeerders worden gezien als een goed middel om nieuwe
      kennis binnen te halen. Programma’s als de voormalige KIM-regeling worden
      hoog gewaardeerd.
   • Hoewel er grote verschillen zijn tussen sectoren, kan algemeen gesteld worden
      dat samenwerking tussen bedrijven vaak moeizaam van de grond komt. Toch
      zien ondernemers wel de meerwaarde van samenwerking. Barrières zijn ener-
      zijds de angst voor het weggeven van concurrentievoordeel en anderzijds het
      ontbreken van tijd voor het tot stand brengen van samenwerkingsverbanden.
   Clusterbeleid: samenwerking als motor voor innovatie
   Samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen kan leiden tot innovaties
   door het benutten van complementaire kennis en vaardigheden. Internationaal
   68   Technostarters zijn, qua omvang, ook MKB. In dit kader zijn de technostarters niet meegenomen.
52 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>   hebben het denken in innovatiesystemen en clusterbeleid brede belangstelling
   gekregen. De kerngedachte is voor beide dat innovatie plaatsvindt in voortdurende
   wisselwerking tussen verschillende soorten actoren.
   Terwijl het denken in innovatiesystemen bedrijvigheid in het algemeen behandelt,
   is clusterbeleid gericht op organisaties die in hun activiteiten met elkaar verbonden
   zijn. Dat laatste doet meer recht aan de verschillen in innovatiepatronen tussen
   verschillende typen bedrijvigheid en maakt effectieve stimulering hanteerbaarder.
   Figuur 2 Percentage bedrijven dat aangegeven kennisbron belangrijk vindt
               voor innovatie; de eigen waardeketen scoort hoog.
   Bedrijven onderscheiden verschillende bronnen van kennis en informatie (zie
   figuur 2). Uit onderzoek blijkt dat bedrijven partijen in hun eigen waardeketen als
   de meest belangrijke bronnen zien bij innovatie. Het ligt dan ook voor de hand
   om clusters primair binnen een waardeketen te oriënteren. Dit sluit goed aan bij
   de beleving van bedrijven van ‘de wereld waarin wij leven’.
   Daarvoor zijn nog een paar argumenten te geven:
   • De goederen die bedrijven in een waardeketen aan elkaar leveren, zijn vaak
       dragers van innovatieve technologie. Ontwikkelingen bij een leverancier kunnen
       zo leiden tot innovaties bij het volgende bedrijf in de keten.
   • Gelijksoortige bedrijven hebben de neiging om defensief te zijn en tot afscher-
       ming van marktposities. Een neveneffect is minder neiging tot innovatie.
53 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>      Complementaire bedrijven daarentegen, (bedrijven met verschillende posities
      in een waardeketen) concurreren niet met elkaar. Zij komen gemakkelijker tot
      innovatie in het gedeelde belang. De complementariteit vormt een bron van
      nieuwe combinaties van kennis en vaardigheden.
   Enkele kanttekeningen:
   • Is een nationale cluster-aanpak zinvol als waardeketens zich over landsgrenzen
      heen uitstrekken? 69 In het OECD boek Innovative clusters wordt gekozen voor
      een pragmatische aanpak. Als een voldoende groot deel van de waardeketen
      binnenlands is, kan nationaal beleid gevoerd worden. Het resterende deel van
      de waardeketen, of de ondersteunende infrastructuur, wordt als een externe
      bron van kennis beschouwd.
   • Innoveren bedrijven in clusters of in netwerken? In de praktijk blijken bedrijven
      deel uit te maken van meerdere waardeketens tegelijkertijd. De branche waarvan
      een bedrijf uitmaakt, kan ook dwars door waardeketens heenlopen. Dat pleit
      voor een benadering van innovatie in een netwerk van onderling verbonden
      waardeketens. Met als oogmerk verbetering van hanteerbaarheid stelt ook hier
      Innovative clusters een pragmatische oplossing voor, namelijk om één waarde-
      keten als basis voor een cluster te nemen, en de dwarsverbanden tussen
      waardeketens te behandelen als spillovers.
   Als een cluster succesvol wil zijn, moet ‘alles kloppen’. Daarmee wordt bedoeld
   dat bedrijven goed en open met elkaar samenwerken, op basis van een gemeen-
   schappelijke agenda, er een goede dynamiek bestaat tussen leveranciers en afnemers,
   en dat de ondersteunende infrastructuur goed bij de behoeften aansluit. In een
   goedwerkend cluster jagen de verschillende elementen innovatie aan.
   Een groep samenwerkende bedrijven kan wel heel innovatief zijn, maar dat wil
   nog niet zeggen dat zij ook een sterke internationale marktpositie verwerven. In
   de verschillende landen die ervaring met clusterbeleid hebben opgedaan, is men
   inmiddels van mening dat een cluster tenminste één groter bedrijf moet bevatten
   dat het cluster kan ‘dragen’ en de markttoegang kan leveren. In Nederland is een
   dergelijke opzet gekozen in het project ‘kennisintensieve clusters’ bij de ontwik-
   keling van een kleurencopiër door Océ en toeleveranciers. In Schotland, waar men
   69 Een dergelijke discussie wordt ook gevoerd rond nationale innovatiesystemen. Aan de ene kant zijn
       er mensen die argumenteren dat het alleen zinvol is voor homogene economieën, met name in klei-
       nere landen. Anderen stellen dat juist kleinere landen opener zijn en de invloed van het buitenland
       navenant groter is.
54 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>   een electronica-cluster wilde vormen, heeft men flagship-bedrijven als drager van
   het cluster gestimuleerd. Ook bij het Nederlandse Phileasproject 70 was de toetreding
   van een gevestigd bedrijf tot het cluster een belangrijke voorwaarde.
   De afbakening van het werkterrein van een cluster vergt enig denkwerk. Het richten
   van alle inspanningen op één product is risicovol; als het product niet aanslaat,
   valt de basis onder het cluster uit.71 Aan de andere kant verwerft een cluster
   gericht op brede technologieontwikkeling geen marktpositie. De goede balans
   moet gevonden worden in een clusterstrategie voor de lange termijn, voor het
   verwerven en behouden van een marktpositie. Het definiëren van die strategie en
   het opstellen van een gemeenschappelijke agenda moet voorop staan bij de
   stimulering van clustervorming.
   Rond eerdere clusterprojecten in Nederland bestaat de nodige kritiek.72 Feit is
   wel dat EZ een aantal tools heeft ontwikkeld voor de beginfase van een cluster
   (het ontwikkelen van een gemeenschappelijke visie en road maps), die door bedrij-
   ven zeer worden gewaardeerd. Het opstellen van een gemeenschappelijke visie
   alleen is echter niet voldoende. Clusterbeleid is volgens het OECD boek een
   kwestie van patience and perseverance. Het vertrouwen tussen partijen moet worden
   opgebouwd, er moeten concrete afspraken gemaakt worden over hoe de
   gemeenschappelijke ambitie bereikt kan worden en ook eenmaal onderweg is een
   ‘bemiddelaar’ nuttig voor het gladstrijken van plooien. De overheid kan een der-
   gelijke begeleidende en bemiddelende rol goed vervullen, omdat zij als neutraal
   (het grotere belang dienend) en gezaghebbend wordt gezien. De VS, vaak gezien
   als de kampioen van de marktwerking, is wellicht het voorbeeld waar het overheids-
   optreden het meest gestructureerd en uitgewerkt is. Daar worden speciale agencies
   ingesteld die een cluster vanaf het eerste begin tot aan de marktintroductie van
   producten begeleiden en zelfs eventueel financieel participeren in onderzoeks-
   opdrachten en samenwerkingsverbanden voor ontwikkeling.
   Samenspel tussen kleine en grote bedrijven
   Kleinere bedrijven nemen een steeds groter deel van de R&D uitgaven in Neder-
   land voor hun rekening (zie figuur 3). 80% van de nieuw gelanceerde producten
   70 Gestart als een samenwerkingsproject ‘Hoogwaardig openbaar vervoer’ rond Eindhoven, inmiddels
       omgezet in een gemeenschappelijk bedrijf dat zoekt naar exportmogelijkheden.
   71 Dat heeft zich in feite voorgedaan bij het project kennisintensieve clusters.
   72 Zie onder andere evaluatie clusterprojecten door Technopolis.
55 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>   wordt aan MKB-bedrijven toegeschreven.73 Zij zijn flexibel en vaak meer bereid tot
   het nemen van risico dan grote bedrijven. Maar kleine bedrijven missen doorgaans
   de kracht om grootschalige productie op te zetten en een markt- en exportpositie
   op te bouwen. Grote bedrijven hebben wel die kracht, en beschikken vaak al over
   een commercieel apparaat dat actief is in de relevante marktgebieden. De samen-
   werking tussen grote en kleine bedrijven – en in het verlengde daarvan het stimu-
   leren van het samenspel – moet deze onderscheiden sterke punten combineren.
   Figuur 3 R&D uitgaven van bedrijven in Nederland, exclusief het aandeel
                van de ‘grote 7’ (Philips, AkzoNobel, Unilever, DSM, Shell, Océ
                en ASML) [naar: CPB, Pijlers onder de kenniseconomie]. In 1999
                bedroeg het aandeel R&D ca. 50%, inmiddels is dit opgelopen tot
                60%.74 De groei is niet toe te schrijven aan een vermindering van
                R&D door de ‘grote 7’ (zie figuur 4), maar aan een stijging van
                de R&D uitgaven bij kleinere bedrijven.
   Hiervoor zijn verschillende mogelijkheden denkbaar. In clusters fungeren kleine
   bedrijven vaak als toeleverancier van grote bedrijven. De groten kunnen de
   verschillende innovatieve elementen integreren in een product en dat op de markt
   brengen. Dat komt al vaak voor. Technostarters, bijvoorbeeld die in de Life
   Sciences, zijn vaak gericht op het geven van licenties aan grote bedrijven, of zij
   73 Volkskrant 29 mei 2003, p. 21
   74 Trends in R&D bij bedrijven, V. Gilsing en H. Erken, EZ beleidsstudies (2003).
56 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>   worden overgenomen door een groter bedrijf.75 Een gericht clusterbeleid kan in
   deze dynamiek tussen bedrijven onderling aansturen op de benutting van elkaars
   mogelijkheden.
   Life Science starters:
   • De bedrijven zijn over het algemeen niet in staat om zelf producten op de
      markt te brengen. Zij zijn aangewezen op het verkopen van licenties aan, of
      overname door, grote bedrijven. Dit maakt het belang van een octrooiporte-
      feuille voor deze bedrijven duidelijk.
   • Er is over het algemeen een goede samenwerking met kennisinstellingen, vooral
      gebaseerd op persoonlijke contacten
   • De onderhandelingen met kennisinstellingen over industrieel eigendom
      verlopen echter veelal moeizaam. De instellingen overschatten vaak de waarde
      van hun vinding en hebben te weinig oog voor de inspanning die nog nodig
      is om een product marktrijp te maken. Professionalisering op het gebied van
      industrieel eigendom wordt dan ook aangeraden, overigens zonder dat het
      directe contact tussen onderzoekers in een instelling en bedrijf verloren gaat.
      Dat contact is immers de basis voor de samenwerking
   • In de onderzoeksfase staat de samenwerking met kennisinstellingen centraal, in
      de ontwikkelingsfase de samenwerking met andere bedrijven. In die fase spelen de
      kennisinstellingen vaak alleen nog een rol in klinische evaluaties en dossierop-
      bouw. Afspraken maken met andere bedrijven wordt als relatief eenvoudig,
      want zakelijk, aangemerkt.
   • Financiering van de groei wordt in toenemende mate problematisch. Venture
      capitalists trekken zich steeds meer terug tot de tweede financieringsronde –
      het moment dat een product vrijwel marktrijp is. De tijdshorizon van venture
      capitalists sluit niet goed aan bij de vaak lange ontwikkelingstijden in de
      farmaceutische sector.
   R&D vestigingen van grote bedrijven
   De aanwezigheid van grote bedrijven biedt belangrijke voordelen voor de econo-
   mische structuur van een gebied. Zij zijn in staat om sterke marktposities op te
   75 Het initiatief kan ook bij de grote bedrijven liggen. In Innovatie2 wijzen Jacobs en Waalkens er op dat
       ‘corporate venturing’ en ‘acquisition and development’ in opkomst zijn als innovatiestrategieën. Voor
       de grote bedrijven zijn dit manieren om meer radicale innovaties te realiseren. Zij zien de kleine
       bedrijven als ‘een venster op de wereld’; een toegang tot nieuwe ontwikkelingen.
57 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>   bouwen en kunnen een belangrijke bron van innovatie zijn bij toeleveranciers. De
   invloed van grote bedrijven op kennisontwikkeling en innovatie gaat echter
   verder. Zij beschikken vaak over eigen R&D-afdelingen, en zijn in staat om effec-
   tieve kennisrelaties met kennisinstellingen aan te gaan. De ontwikkelde kennis
   komt niet alleen aan henzelf ten goede, maar levert via spillovers ook andere
   bedrijven voordelen op. Het hebben en behouden van R&D-vestigingen van grote
   bedrijven in ons land is daarom een belangrijk punt van aandacht.
   Figuur 4 R&D uitgaven van de ‘grote zes’ (Philips, AkzoNobel, Unilever,
                Shell, Océ en DSM) in binnen- en buitenland, gecorrigeerd voor
                prijsstijgingen76
   In Trends in R&D bij bedrijven wordt gesteld: “Grote bedrijven handhaven hun R&D-
   activiteiten in Nederland en ontwikkelen tegelijkertijd complementaire R&D activiteiten
   elders. Daarmee is van verplaatsing van R&D naar het buitenland (vooralsnog) geen
   sprake”. Figuur 4 lijkt dit beeld te bevestigen. Gecorrigeerd voor prijsstijgingen
   blijft het niveau van de R&D uitgaven van de ‘grote zes’ vrijwel gelijk tussen 1990
   en 2000. Wel is er een duidelijke groei in uitgaven in het buitenland. Dat betekent
   een relatieve afname van het Nederlandse aandeel.
   76 Naar The location of R&D in the Netherlands, Trends, determinants and policy, M. Cornet en M. Rensman,
        CPB document no. 14, 2001
58 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>   De vraag komt daarom op, welke factoren van belang zijn bij de keuze van een
   R&D vestiging. De aanwezigheid van goed opgeleide mensen, blijkt in ieder geval
   belangrijk te zijn.77 Landen als India, met een ruim aanbod aan goed geschoolde
   medewerkers, vaak met ervaring in het buitenland, oefenen momenteel een grote
   aantrekkingskracht. Die gaat uit boven de lage personeelskosten. Zowel in Innovatie2
   als in Trends in R&D bij bedrijven worden andere elementen naar voren gehaald,
   zoals de ‘historische organisatie’ en de strategie met betrekking tot marktontwik-
   keling. De interviews (zie kader) bevestigen het belang van deze factoren.
   R&D vestigingen van grote bedrijven:
   • De keuze wordt voornamelijk bepaald door ‘historische organisatie’ en de
      business-strategie ten aanzien van nieuwe marktgebieden. In het algemeen
      overweegt men geen vestiging van R&D als er niet ook al andere activiteiten in
      de directe omgeving zijn.
   • Per bedrijf zijn er grote verschillen. Aan de ene kant zijn er bedrijven die kiezen
      voor research op één locatie en development en productieondersteuning op
      verschillende locaties. Aan de andere kant zijn er bedrijven die werken met een
      gespreide organisatie van corporate R&D.
   • De beschikbaarheid van goed opgeleide mensen is cruciaal. Grote bedrijven
      zien er niet tegenop om buitenlandse onderzoekers naar Nederland te halen.
      Als de aantallen erg groot worden, komt de vestiging elders dichterbij. Rond
      dit thema spelen twee zaken: de ingewikkelde procedures en de hoge kosten
      bij het binnenhalen van onderzoekers van buiten de EU, en de mogelijkheden
      die moderne communicatiemiddelen bieden voor het samenwerken over grotere
      afstanden. Er zijn nu al bedrijven in Nederland die opereren met een “virtueel”,
      internationaal R&D-netwerk.
   • Grote bedrijven zoeken kennis die gemakkelijk toegankelijk is en van excellent
      niveau. In dat opzicht denken zij echt internationaal. Toch zijn er wel verschillen
      aan te geven: er zijn bedrijven die bij voorkeur samenwerken met kennisinstel-
      lingen dicht bij de vestiging, andere streven bewust naar spreiding in de
      herkomst van kennis. Samenwerking met kennisinstituten wordt als handig
      ervaren, omdat daar alle benodigde kennis bij elkaar zit.
   • In sectoren waarin innovaties belangrijke kapitaalsinvesteringen vragen, zijn de
      activiteiten vaak sterk geografisch geconcentreerd. Dat heeft voor de bedrijven
      een aantal voordelen. Enerzijds kan men (dure) faciliteiten delen,78 anderzijds
   77 Vaak wordt gesproken over (vermeende) tekorten aan academisch geschoolde ß’s. Belangrijke tekorten
       doen zich ook voor op HBO-niveau.
   78 Voorbeelden die werden genoemd zijn Sematech in de VS en IMEC in België.
59 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>      oefenen dergelijke concentraties, zeker in combinatie met gespecialiseerde
      onderzoeksinstituten, zuigkracht uit op toponderzoekers. Waar overheden een
      actieve opstelling kiezen in het opbouwen van een goede infrastructuur voor
      zogenaamde innovatie hot spots slaagt men er in bedrijven langdurig aan een
      locatie te binden.
   De vestiging van R&D is niet los te zien van de vestiging van andere activiteiten
   van een bedrijf. Bij het behouden van R&D en het aantrekken van vestigingen van
   buitenlandse bedrijven is aandacht voor het algemene vestigingsklimaat dan ook
   van het grootste belang.
   Bedrijven binden in geselecteerde gebieden
   Belangrijke innovaties zijn geconcentreerd in bepaalde regio’s van de wereld.
   Bedrijven delen daar (dure) faciliteiten, en dergelijke concentraties oefenen, zeker
   in combinatie met gespecialiseerde onderzoeksinstituten, zuigkracht uit op top-
   onderzoekers en dito ontwikkelaars. De aanwezigheid van dit soort topontwikkelaars
   en hun mobiliteit tussen bedrijven wordt vaak als één van onderliggende oorzaken
   voor het succes van Silicon Valley aangemerkt.
   Niet alleen de aanwezigheid van goede faciliteiten, toponderzoekers en –ontwikke-
   laars maken een regio aantrekkelijk voor innovatienetwerken. Belangrijk zijn ook
   zaken als goede leefcondities voor onderzoekers en hun gezinnen en een goede
   structuur van toeleveranciers en diensten. Het aanbieden van gespecialiseerde
   diensten is bijvoorbeeld de basis voor de opbouw van Maryland’s Bioscience
   Community in de VS.79
   Goede mogelijkheden voor innovatieve starters, waaronder de beschikking van
   financiering, verhogen de aantrekkelijkheid nog verder. Kortom, het creëren van
   een ‘lock-in effect’ voor een bepaald gebied houdt meer in dan alleen het zorgen
   voor een goed kennisniveau. Opbouw van innovatie hot spots kan niet plaatsvinden
   zonder een actieve betrokkenheid van de overheid.
   Niet alleen is het voor een land als Nederland van belang om middelen te
   concentreren rond echte excellenties in wetenschap en bedrijfsleven, maar het
   vraagt ook om een goede afstemming tussen regionale en nationale organisaties.
   Beide bestuurlijke niveaus zijn betrokken bij de ontwikkeling van bedrijvigheid en
   79 Bioscience in Maryland, Measuring success, MdBio, 2001
60 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>   het aantrekken van buitenlandse bedrijven. Versnippering of dubbeling van acti-
   viteiten doet afbreuk aan het lock-in effect dat wordt nagestreefd. Ook hier geldt
   weer dat aansluiten bij bestaande sterktes voorop moet staan. Nederland mag
   dan niet groot zijn, maar er zijn wel degelijk regionale verschillen en concentraties
   die strategisch kunnen worden ingezet.
   Economische structuur wijzigt, diensten steeds belangrijker
   De vormgeving van de huidige (en voorziene) innovatiestimuleringsregelingen
   van EZ is sterk geënt op de maakindustrie. Veel van de regelingen kennen daarom
   voorwaarden en definities die slecht passen bij de dienstensector, een sector die
   een steeds belangrijker deel van onze economie uitmaakt.
   De dienstensector is de laatste decennia sterk in belang toegenomen. Deels heeft
   dit te maken met het afstoten van activiteiten door de maakindustrie (het terug-
   trekken op kerncompetenties door die industrie). Maar ook de ontwikkelingen
   op het gebied van ICT hebben de aanzet gegeven tot de start van nieuwe dienst-
   verlenende bedrijven. Onderzoek van het EIM laat zien dat de dienstensector een
   goede omgeving is voor startende ondernemers.
   Figuur 5 Aantallen starters naar sector. Over de aangegeven jaren was de
               zakelijke dienstverlening de grootste bron van startende onder-
               nemingen, in aantal ruim tweemaal zo hoog als in de industrie.
               De voor 2002 aangegeven getallen zijn een extrapolatie van het
               eerste halfjaar.80
   80 Naar EIM kleinschalig ondernemen 2002
61 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>   Eerder (figuur 1) werd aangegeven dat diensten dan wellicht een goede bron van
   werkgelegenheid mogen zijn, maar dat de export van diensten nog maar zeer
   beperkt van omvang is. De vraag doet zich daarom voor in hoeverre diensten
   überhaupt exporteerbaar zijn.
   Kijkend naar bijvoorbeeld adviesbureaus, is het beeld dat diensten vaak erg
   persoonsgebonden zijn en daarmee beperkt exporteerbaar. Maar er doen zich
   ontwikkelingen voor die de exporteerbaarheid vergroten.
   Al langere tijd zijn Nederlandse ingenieursbureaus, bijvoorbeeld in de weg- en
   waterbouw, actief over de grenzen heen. Ook logistieke dienstverlening heeft
   voor een belangrijk deel betrekking op transport van goederen vanuit Nederland
   naar het buitenland. Een nieuwere ontwikkeling is het internationaal aanbieden
   van reizen, via het internet. Deze ontwikkeling past bij de bredere trend van ont-
   koppeling van back office (de productie) en front office (de klanten interface).81
   Figuur 6 Omzet gerealiseerd in export van diensten in 2000 82
   Van deze ontkoppeling zijn ook voorbeelden te vinden in de financiële dienstver-
   lening, zoals het aanbieden van beleggingsproducten door supermarkten of het
   betalingsverkeer via (mobiel) internet. Hierbij handelt een financiële instelling op
   de achtergrond de transacties af, en brengt beleggingen onder. Voor de klant is
   deze echter niet zichtbaar.
   81 IT-gebruik in de dienstensector; nog steeds op zoek naar de productiviteits-uitdaging?, J.L.M. Ineveld,
       Informatie en Informatiebeleid 1994, nr. 4
   82 Ondernemen in de Diensten 2002, P.A. van Eck van der Sluijs, K. Bangma, G. de Jong en H.W. Stigter,
       EIM sectorscoop (ISBN 90-371-0834-2)
62 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>   Financiële dienstverlening:
   • Circa 50% van het investeringsbudget in deze sector wordt besteed aan ICT.
      Daarmee is de sector leidend in de invoering van ICT als enabling technology.83
   • Samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen, of bedrijven onderling,
      is zeer beperkt. De financiële sector wordt als gesloten aangemerkt. De perikelen
      rond de Chipper/Chipknip laten zien dat er grote behoefte is aan samenwerking
      op het gebied van de onderliggende technologie, maar ook dat dat niet altijd
      even vlot verloopt. De instellingen zeggen echter hun les geleerd te hebben.
   • Binnen de sector zijn duidelijke verschuivingen gaande. De grote ondernemingen
      hebben zich ontwikkeld tot Allfinanz conglomeraten, die zowel financiële als
      verzekeringsproducten aanbieden. Betalingsverkeer wordt in toenemende
      mate elektronisch afgehandeld, het baliepersoneel krijgt steeds meer een advi-
      serende rol. Via gecentraliseerde klanteninformatiesystemen richten de onder-
      nemingen zich op het ontwikkelen van een “levenslange” relatie met hun
      cliënten. Dit leidt tot een scheiding van de contacten met klanten op lokaal
      niveau (de adviserende functie) en een steeds sterker gecentraliseerde afhan-
      deling van de onderliggende transacties en datastromen.
   • Op langere termijn verwacht men meer samenwerking met andere bedrijven.
      De ontkoppeling van de back-office en front-office speelt daarin een belangrijke
      rol. Voorbeelden daarvan zijn nu al te vinden, zoals het aanbieden van beleggings-
      producten door een supermarkt en via internet. Achter deze nieuwe vormen
      van contact met klanten zit een financiële instelling die de beleggingen onder-
      brengt (de productie).
   • Financiële instellingen kennen meestal een centrale business development afde-
      ling, die nieuwe producten of processen conceptueel ontwikkelt. De verdere
      vormgeving van de innovaties wordt echter overgelaten aan de afdelingen die
      verantwoordelijk zijn voor producten of klantengroepen. Innovatie speelt zich
      daardoor dicht bij de markt af, waardoor het ook voor de betrokkenen zelf vaak
      niet meer goed onderscheidbaar is van ‘normale’ marketinginspanningen als
      het aanpassen van bestaande producten en processen.
   • Samenwerking met niet-technische disciplines wordt als waardevol erkend, bij-
      voorbeeld rond de gebruikers-interface van nieuwe apparatuur. Samenwerking
      met kennisinstellingen op dit gebied is echter meestal niet van structurele aard,
      niet-technische onderzoekers worden op projectbasis ingehuurd.
   83 Measuring inovative behaviour in Dutch financial services: a meso perspective, Monique Mulders en Pim
       Den Hertog, Dialogic en department of innovation studies Utrecht University, december 2002
63 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>   Exportmogelijkheden van diensten zijn gebonden aan regelgeving en locale
   omstandigheden. De producten die financiële instellingen bijvoorbeeld kunnen
   aanbieden, worden in hoge mate bepaald door regels van toezichthoudende
   instanties en door risicoacceptatie bij de consument. Dat laatste uit zich bijvoor-
   beeld in pensioenvoorzieningen; in Nederland gaat men uit van gegarandeerde
   opbrengsten, terwijl in de Verenigde Staten de consument het beleggingsrisico
   draagt. De veranderingen in de financiële sector (zie kader) in Nederland zijn sterk
   beïnvloed door deregulering in het begin van de ’90-er jaren. Nederland heeft
   hierin vooropgelopen, waardoor een goede uitgangspositie is verkregen voor uit-
   breiding naar het buitenland, op het moment dat andere landen soortgelijke
   deregulering doorvoeren.
   Innovaties in de dienstensector zijn niet zonder meer vergelijkbaar met die in de
   maakindustrie. Weliswaar speelt de ontwikkeling van ICT-systemen vaak een
   belangrijke rol bij de ontwikkeling van nieuwe diensten, maar niet-technische
   aspecten zijn in veel gevallen even belangrijk, zoals de vormgeving van een nieuw
   transactiekanaal en de achterliggende organisatie. De ontwikkeling van een dienst
   speelt zich vaak niet in een aparte afdeling, los van de klant af, maar juist tijdens
   het contact met die klant. Advieswerk is veelal maatwerk wordt in samenspraak
   met de klant ontwikkeld. Daarmee zou de diensteninnovatie nauwelijks onder-
   scheidbaar zijn van ‘normale’ marketinginspanningen. Dat laatste behoeft toch
   wel enige nuancering, ook adviesbureaus of ICT-dienstverleners beschikken vaak
   over een set standaardtools, separaat ontwikkeld, die in combinatie de klantspe-
   cifieke dienst vormen. Ontwikkeling van die tools zou een onderwerp van inno-
   vatiestimulering door de overheid kunnen zijn.
   Het grote, toenemende belang van diensten noodzaakt tot de ontwikkeling van
   een daarop toegesneden innovatiebeleid. Een globale scan van stimulerings-
   regelingen van West-Europese landen leert dat er maar weinig landen zijn die
   instrumentarium kennen dat specifiek gericht is op de dienstensector. Toch is
   daaruit wel inspiratie te vinden. In het Verenigd Koninkrijk wordt geen verschil
   meer gemaakt tussen de maakindustrie en dienstensector. Het creëren van econo-
   mische waarde staat voorop bij het al of niet verlenen van ondersteuning.
   Duitsland kent wel speciale programma’s, zoals Dienstleistungen für das 21.
   Jahrhundert vooral gericht op het ontwerp en de kwaliteitsborging van diensten.
64 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>   Traject na grondleggend onderzoek meest bepalend voor succes innovatie
   Een innovatie is pas afgerond als kennis is omgezet naar een product, dienst of
   proces en dat wordt toegepast. Voor de mate van inspanning die nodig is op de
   weg van onderzoek (kennisopbouw) naar een marktrijp product of proces worden
   verschillende vuistregels gehanteerd. Eén van de door ons geïnterviewden stelde
   dat R&D maar voor zo’n 10% het succes van innovaties bepaalt. Wat ook de pre-
   cieze verhoudingen mogen zijn, er is brede overeenstemming over het feit dat
   ontwikkeling en marktvoorbereiding een veelvoud aan inspanning vragen in
   vergelijking met het grondleggende onderzoek.84 Een duidelijk voorbeeld daarvan
   is te vinden in de logistieke dienstverlening. Er is veel kennis aanwezig, maar
   implementatie blijft achterwege.
   Logistieke dienstverlening:
   • De sector kent een groot aantal kleine bedrijven en lage marges. Alleen de top
      10-20 bedrijven zijn in staat om zelfstandig te innoveren. De door hen ontwik-
      kelde producten komen daarna als standaardproducten beschikbaar voor de
      kleinere bedrijven. Dit uitrolmechanisme heeft er onder andere toe geleid dat
      Nederland, binnen Europa, een leidende positie heeft op het gebied van transport
      management systemen.
   • Samenwerking tussen bedrijven kan de internationale positie van de sector
      versterken, bijvoorbeeld door het gezamenlijk ontwikkelen en gebruik van
      ondersteunende systemen. Samenwerking wordt echter bemoeilijkt door de angst
      om concurrentievoordeel weg te geven en door het ontbreken van intermediairs.
   • Er ligt veel kennis op de plank, maar implementatie blijft achterwege. Dit wordt
      onder andere toegeschreven aan een grote afstand in denkwerelden tussen
      kennisinstellingen en bedrijven. Alhoewel ondernemers een verbetering con-
      stateren, stelt men dat kennisinstellingen te weinig oog hebben voor de
      problemen in de praktijk en voor de randvoorwaarden bij de invoering van
      vernieuwingen.
   • Invoering van nieuwe logistieke concepten wordt ook bemoeilijkt door het feit
      dat logistiek niet altijd de hoogste attentiewaarde heeft bij de afnemers van de
      diensten. Het overtuigen van de beslissers bij die afnemers neemt veel tijd in
   84 Ruth Oldenziel schrijft de verschillen in het succes van Amerikanen en Europeanen toe aan het betere
       vermogen van Amerikanen om uitvindingen in de markt te zetten en niet aan een technologisch
       superieure positie (Europa heeft minderwaardigheidscomplex, Technisch Weekblad 30 mei 2003)
65 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>      beslag en vraagt zorgvuldige analyse en afweging van de belangen van de
      verschillende functies in het bedrijf van een afnemer.85
   • Waar samenwerkingsprojecten ontstaan, bijvoorbeeld op initiatief van Neder-
      land Distributieland, wordt de financiering van projecten als problematisch
      ervaren. Pilots of demonstratieprojecten van enige omvang zijn nodig om de
      haalbaarheid van nieuwe ontwikkelingen aan te tonen en bedrijven aan te zetten
      tot invoering. Totdat de haalbaarheid is aangetoond, zijn bedrijven nauwelijks
      bereid tot financieel commitment in een ontwikkeling. Anderzijds is het niet
      goed mogelijk om subsidie te krijgen voor een project als geheel. Voor delen van
      een project is men aangewezen op verschillende regelingen, van verschillende
      ministeries, elk met hun eigen voorwaarden.86 Het probleem rond subsidies
      spitst zich juist toe op de financiering van pilots en demonstratieprojecten.
   • ICT is een belangrijke factor bij innovatie, maar het aanbod van ICT-bedrijven
      wordt als zeer gefragmenteerd ervaren en sluit niet goed aan bij de werkelijke
      behoeften van de bedrijven.
   • De bedrijven in de sector zien een bedreiging van grote buitenlandse logistieke
      dienstverleners, met ruime ICT-budgetten, die de door hen ontwikkelde con-
      cepten en systemen invoeren in Nederland.
   Op de weg naar de markt kunnen verschillende zaken mis gaan. In Statistics on
   Innovation in Europe 87 wordt een overzicht gegeven van factoren die een innovatie
   ernstig kunnen vertragen of geheel kunnen doen stoppen. Belemmeringen in de
   eigen organisatie (operational rigidities) en het gebrek aan gekwalificeerd perso-
   neel scoren het hoogst, gevolgd door de kosten van innovatie en het gebrek aan
   financiering. De verschillende marktgerelateerde factoren (inzicht in de markt en
   klantenontvankelijkheid) scoren beduidend hoger dan het gebrek aan technische
   kennis.
   85 Samenvoegen van ladingen kan kostenvoordelen opleveren. Een financieel of logistiek directeur zal
       dat als belangrijk voordeel beschouwen. Maar als dit leidt tot “anonimiseren” van lading kan een
       commercieel directeur dit opvatten als een vermindering van promotiemogelijkheden.
   86 In een studie naar verbeteringsmogelijkheden in binnenlandse distributie wijst Buck consultants er op
       dat er in veel projecten een te zwaar accent ligt op conceptontwikkeling en de toetsing daarvan in
       kleinschalige pilots. De betrokken organisaties en subsidieverstrekkers gaan niet veel verder, waardoor
       brede invoering gehinderd wordt. (Binnenlandse (multimodale) verplaatsingsnetwerken; bouwstenen
       voor een programma, Buck Consultants voor Connekt en Nederland Distributieland, 2001.)
   87 Statistics on innovation in Europe (Eurostat)
66 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>   Een soortgelijk beeld komt naar voren uit een analyse van de afwijzingsgronden
   voor aanvragen voor een Technisch Ontwikkelingskrediet, een kredietregeling van
   EZ voor ontwikkelingsprojecten (zie figuur 7). Ook hier spelen marktgerelateerde
   factoren (samengebracht onder de noemer economische haalbaarheid) een veel
   grotere rol dan technische factoren.
   Figuur 7 Afwijzingsgronden van TOK-aanvragen in het jaar 2000. De getallen
                zijn opgeschoond voor aanvragen die niet aan de basisvoorwaarden
                van de regeling voldeden. De aanvragen zijn vrijwel uitsluitend
                afkomstig van MKB-bedrijven, waarvan bijna de helft jonge
                ondernemingen.
   In publicaties als werken aan innovatiekracht 88 brengt EZ een groot deel van de
   niet-technische aspecten van innovatie samen onder de noemer ‘ondernemerschap’.
   Waar het de kwaliteit van de ondernemers en de samenstelling van een manage-
   mentteam van een onderneming betreft, is het de vraag of de overheid een taak
   heeft. Wel kan een beoordeling van die kwaliteit een rol spelen bij de aanvraag van
   subsidies of starterkredieten en kunnen ondernemingen via opleidingen en orga-
   nisaties als Syntens geholpen worden om de benodigde kwaliteiten te ontwikkelen.
   Maar bij niet-technische aspecten gaat het niet alleen om de vaardigheden van de
   ondernemer. Het gaat ook om de opbouw en toepassing van kennis uit niet-techni-
   sche disciplines. Goed inzicht in de factoren die van belang zijn voor de acceptatie
   88 Werken aan innovatiekracht, Eindrapport projectgroep IBI, Ministerie van Economische Zaken,
       december 2002
67 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>   van een nieuwe ontwikkeling, of het nu gaat om de invoering van een nieuwe
   vorm van bedrijfsvoering of een nieuw product, kunnen de kans op succes van
   een innovatie wezenlijk verhogen.
   Innovatie is al lang niet meer het alleenrecht van de R&D-afdeling van bedrijven.
   Verschillende geledingen in een bedrijf zijn betrokken bij een innovatieproces. In
   toenemende mate werken ook kleinere bedrijven met projectplannen en teams.89
   Bij de voorbereiding van een innovatie staat vaak de ‘specificatie’ van het nieuwe
   product of proces centraal. Verschillende disciplines leveren, vanuit verschillende
   gezichtspunten, de technische en niet-technische eisen waaraan de innovatie
   moet voldoen. Een goede voorbereiding bepaalt in hoge mate het succes van een
   innovatie. De slaagkans kan nog verder verhoogd worden door tussentijdse toet-
   sing aan de klantenwensen in de vorm van demonstratieprojecten of pilots. Het is
   belangrijk te accepteren dat technische en niet-technische aspecten één geheel
   vormen en dat tot uitgangspunt te kiezen van beleidsvorming.
   ICT-sector:
   • Gebruikers worden over het algemeen slecht betrokken bij ontwikkelingen.90
       Dit wordt mede gezien als de oorzaak voor het mislukken van veel ontwikke-
       lingen. Hier zou ook de samenwerking tussen bedrijven en niet-technische
       disciplines aan kennisinstellingen waardevol kunnen zijn, maar dat soort samen-
       werking is nauwelijks van structurele aard.
   • Over de aansluiting tussen ICT-bedrijven en kennisinstellingen kan verschillend
       worden gedacht:
       - Grote internationale bedrijven hebben die aansluiting wel degelijk, maar
           gebruiken die voor hun internationale ontwikkelingen. De opgenomen kennis
           komt in de vorm van uitgewerkte producten terug, waarin de Nederlandse
           bijdrage niet altijd meer herkenbaar is.
       - Nederland kent nog maar weinig (grote) bedrijven die zich bezighouden
           met de ontwikkeling van communicatie hardware en communicatie operators.
           Algemeen wordt gezegd dat de marges van communicatie als zodanig in de
           toekomst laag zullen blijven en dat er om die reden behoefte is aan verre-
           gaande standaardisatie en versobering. ICT-bedrijven zullen voor hun marges
   89 De innovativiteit van de Nederlandse industrie, editie 2001: ontwikkelingen in de tijd, R.M. Braaksma,
        C.C. van de Graff en A.P. Muizer, EIM 2002 (ISBN 90-371-0851-2)
   90 Zie ook de AWT-verkenning Verlangen naar de eindeloze zee, rapportage verkenningscommissie
        Kennis voor de Netwerkeconomie (2001). Dit rapport is uitgebracht in de serie achtergrondstudies
        als achtergrondstudie nummer 20.
68 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>         in toenemende mate aangewezen zijn op diensten met hoge toegevoegde
         waarde.
      - Nederlandse kennisinstellingen zijn voor een belangrijk deel actief op het
         gebied van hardware- en protocolontwikkelingen. Daar staat tegenover dat
         de Nederlandse bedrijven voor een belangrijk deel dienstverleners zonder
         eigen producten zijn. Hier is dus sprake van een mismatch in “sectorstructuur”.
   In het verlengde van het voorgaande kan geconstateerd worden dat samenwerking
   tussen bedrijven en niet-technische disciplines aan kennisinstellingen belangrijke
   meerwaarde kan bieden. Dergelijke samenwerking is nu nog nauwelijks van struc-
   turele aard, experts worden, ad hoc, op projectbasis ingehuurd.
69 AW T- a d v i e s n r. 5 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>