<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>51Wijsheid achteraf
  De verantwoording van universitair onderzoek
  juni 2003
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  Inhoudsopgave
  Samenvatting                                                    5
  1      Adviesvraag                                             11
         1.1 Achtergrond                                         11
         1.2 Focus                                               12
         1.3 Opzet advies                                        14
  2      Analyse: feiten                                         15
         2.1 Onderzoeksverantwoording: wet en regelgeving        15
         2.2 Onderzoeksverantwoording: praktijk                  19
         2.3 Conclusies                                          23
  3      Analyse: opvattingen                                    25
         3.1 Visies op onderzoeksverantwoording                  25
         3.2 De universiteit als maatschappelijke onderneming    27
         3.3 Conclusies                                          31
  4      Aanbevelingen                                           33
         4.1 Verantwoordingsrelaties met de minister             33
         4.2 Verantwoording met Raden van Toezicht               37
         4.3 Verantwoordingsrelaties met overige belanghebbenden 39
  Bijlage 1                                                      41
  Bijlage 2                                                      43
  Bijlage 3                                                      45
  Bijlage 4                                                      49
3 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
  Dit advies handelt over de verantwoording die universiteiten afleggen aan de
  minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over hun onderzoeksactiviteiten.
  Hierbij wordt de volgende adviesvraag beantwoord.
     Hoe moeten de verantwoordingsrelaties worden ingericht opdat de minister van
     OCenW zinvol toezicht kan houden op de onderzoeksactiviteiten van univer-
     siteiten onder respectering van hun autonomie?
  De Raad maakt onderscheid tussen drie aspecten waarover universiteiten verant-
  woording dienen af te leggen: onderzoeksbekostiging, onderzoekskwaliteit en
  onderzoeksbeleid. Hij heeft de indruk dat de verantwoording van de onderzoeks-
  kwaliteit en van de onderzoeksbekostiging naar behoren functioneert. Derhalve
  besteedt hij in dit advies weinig aandacht aan deze kwesties.
  Wet- en regelgeving
  Voor de verantwoording van onderzoeks- en onderwijsactiviteiten bestaat uit-
  gebreide wet- en regelgeving. Universiteiten dienen elk jaar een begroting op te
  stellen en elk tweede jaar een instellingsplan uit te brengen. Deze moeten worden
  voorgelegd aan de Raden van Toezicht en aan de medezeggenschapsorganen.
  Verder behoren universiteiten elk jaar een jaarverslag en een jaarrekening uit te
  brengen. Deze moeten worden voorgelegd aan de Raden van Toezicht en worden
  opgestuurd aan de minister.
  Tot slot zijn universiteiten verplicht een kwaliteitszorgsysteem in stand te houden.
  Onderzoekseenheden moeten elke drie jaar geëvalueerd en elke zes jaar gevisiteerd
  worden. Universiteiten dienen rekening te houden met de uitkomsten van de visi-
  taties.
5 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  Onderzoeksverantwoording in de praktijk
  De Raad merkt op dat universiteiten de afstand tot de minister soms als te groot
  ervaren. Het schort aan de communicatie tussen universiteiten en minister.
  Hierdoor functioneert de verantwoording van onderzoeksbeleid niet naar behoren.
  Bestuurlijk overleg vindt slechts incidenteel plaats. Bij de verantwoording van
  onderzoeksactiviteiten spreekt de minister de universiteiten niet actief aan. Hij rea-
  geert amper op jaarverslagen, laat staan op beleidsvoornemens.
  De Raad stelt vast dat de minister ertoe neigt de Raden van Toezicht aan te spreken
  als waren zij verantwoordelijk voor het bestuur van de universiteiten. Hij acht dit
  ongewenst. Los hiervan lijken Raden van Toezicht onvoldoende prioriteit te geven
  aan hun toezichthoudende taak. Het toezicht op het bestuur en beheer van uni-
  versiteiten kan, met andere woorden, aan gewicht winnen.
  Visies op onderzoeksverantwoording
  In het veld bestaan twee visies op de vragen aan wie de onderzoeksverantwoor-
  ding moet zijn gericht en waarover de onderzoeksverantwoording moet gaan.
  In de eerste visie is de Raad van Toezicht de belangrijkste adressant van de onder-
  zoeksverantwoording. Hij kan en moet het College van Bestuur ter verantwoor-
  ding roepen over het volledige spectrum van bekostiging, kwaliteit en beleid.
  Andere partijen, waaronder de overheid, mogen dat slechts doen met betrekking
  tot de bekostiging en de kwaliteit van het onderzoek. Van het strategisch beleid
  dienen zij zich verre te houden. In de tweede visie is de onderzoeksverantwoor-
  ding vooral gericht aan de minister van OCenW. Hierbij voeren universiteiten wel
  eigen beleid, maar zij doen dat binnen de kaders die de minister heeft gesteld. De
  opvattingen over de functie van de Raad van Toezicht lopen uiteen. Sommigen
  zien nog een rol weggelegd voor de Raad van Toezicht, anderen niet.
  Achter het meningsverschil omtrent de inrichting van de onderzoeksverantwoording
  gaat een verschil van inzicht schuil met betrekking tot de positionering van uni-
  versiteiten. In de eerste visie worden universiteiten gepositioneerd als autonome
  instellingen. Het initiatief tot het uitzetten van onderzoek ligt bij de wetenschap-
  pelijke gemeenschap. De overheid dient universiteiten te ondersteunen door
  voorzieningen en middelen ter beschikking te stellen. In ruil hiervoor leveren zij
  onderzoek van de hoogste kwaliteit. Hierop, en op de doel- en rechtmatigheid van
  hun uitgaven, mogen universiteiten worden aangesproken. Over hun strategisch
6 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>  beleid zijn zij evenwel geen verantwoording verschuldigd. In de tweede visie worden
  universiteiten gepositioneerd als doelorganisaties. Zij verrichten onderzoek in het
  kader van een overkoepelende strategie die is opgesteld door de overheid. Binnen
  dit kader dienen universiteiten hun eigen koers uit te zetten. Over hun activiteiten
  zijn universiteiten verantwoording verschuldigd aan de minister.
  De Raad concludeert dat denkbeelden over de inrichting van de onderzoeks-
  verantwoording diepgaand worden beïnvloed door denkbeelden over de positionering
  van de universiteit. Alvorens over te gaan tot beantwoording van de adviesvraag
  ontwikkelt hij daarom eerst een eigen visie op de positionering van de universiteit.
  De universiteit als maatschappelijke onderneming
  De Raad wenst universiteiten te positioneren als maatschappelijke ondernemingen.
  Dit zijn organisaties die het publieke belang dienen zonder dat zij onderdeel zijn
  van het overheidsapparaat. Maatschappelijke ondernemingen dienen bestuurlijk
  autonoom te zijn en moeten hun taken zonder winstoogmerk vervullen. Toch
  kunnen en mogen zij wel marktactiviteiten ontplooien, zolang die tenminste
  ondersteunend zijn aan hun publieke kernactiviteiten.
  Maatschappelijke ondernemingen onderhouden relaties met veel belanghebbenden.
  Zij hebben onder meer te maken te maken met burgers, bedrijven en not-for-profit
  organisaties. De overheid is een bijzondere belanghebbende. Zij profiteert niet
  alleen van de diensten van maatschappelijke ondernemingen, maar functioneert
  ook als regisseur die het publieke domein ordent en instandhoudt.
  Voor maatschappelijke ondernemingen is verantwoording een vereiste. Verant-
  woording levert hun twee zaken op: maatschappelijk draagvlak èn informatie
  omtrent hun dienstverlening. De verantwoordingsrelaties die maatschappelijke
  ondernemingen onderhouden met hun omgeving zijn meervoudig. Zij bedienen
  meerdere belanghebbenden tegelijk en moeten zich daarom naar meerdere zijden
  verantwoorden.
  De Raad is van mening dat het concept van de maatschappelijke onderneming bij
  uitstek van toepassing is op universiteiten. In die hoedanigheid is verantwoording
  van essentieel belang voor hen. Door zich te verantwoorden, kunnen universiteiten
  immers hun maatschappelijk draagvlak versterken en informatie opdoen over hun
  taakvervulling. Die verantwoording dient meervoudig van aard te zijn.
7 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  Aanbevelingen
  Met zijn aanbevelingen wil de Raad primair een bijdrage leveren aan het verbeteren
  van de kwaliteit van de verantwoordingsrelaties. Meer in het bijzonder richt hij
  zich op de verantwoordingsrelaties van universiteiten met de minister en met
  Raden van Toezicht. Omdat de verantwoording van de onderzoeksbekostiging en
  de onderzoekskwaliteit naar behoren functioneert, betreffen de aanbeveling vooral
  de verantwoording van het onderzoeksbeleid.
  Om zijn verantwoordelijkheid voor het stelsel als geheel waar te maken, maakt de
  minister in hoofdzaak gebruik van wet- en regelgeving enerzijds en van financiële
  instrumenten anderzijds. Bestuurlijk overleg vindt nauwelijks plaats. De Raad acht
  dit onwenselijk. In zijn ogen dient de minister wel degelijk overleg te voeren met
  de universiteiten. Tijdens dat overleg dient het beleid van de minister geconfronteerd
  te worden met dat van de universiteiten. Daarom adviseert de Raad de minister
  de verantwoording van de universiteiten over hun (onderzoeks)activiteiten aan te
  grijpen voor een “beleidsrijke dialoog met een committerend karakter”.
  Volgens de Raad dient er geen directe koppeling te bestaan tussen de bekostiging
  van het universitaire onderzoek en de beleidsrijke dialoog. De beleidsmatige discussie
  dient gescheiden te blijven van de financiële discussie. Op het niveau van de
  bekostigingssystematiek als zodanig moet er wel een heldere relatie zijn met de
  verschillende aspecten waarover universiteiten verantwoording afleggen.
  Een beleidsrijke dialoog kan slechts slagen indien alle gesprekspartners een hoog-
  waardige inzet tonen. De deelnemers dienen voldoende bestuurlijk gewicht te
  hebben en de bijeenkomsten dienen met enige regelmaat plaats te vinden.
  Daarom adviseert de Raad de minister de beleidsrijke dialoog één maal per jaar te
  laten plaatsvinden en die bijeenkomsten zelf bij te wonen.
  Behalve een kwalitatief hoogwaardige inzet vergt een beleidsrijke dialoog ook een
  kwalitatief hoogwaardige inbreng. Van de zijde van de overheid dient deze te
  bestaan uit het algehele wetenschapsbeleid van OCenW. De Raad stelt vast dat
  het huidige wetenschapsbeleid te globaal is. Daarom adviseert de Raad de
  minister de algemene doelstellingen van het wetenschapsbeleid transparant en
  eenduidig te vertalen in beleid.
  Bij overheidsbeleid ten aanzien van het universitaire onderzoek zijn meerdere
  departementen en directies betrokken. Hierdoor kan het gebeuren dat universiteiten
8 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>  geconfronteerd worden met verschillende, deels tegenstrijdige signalen. Daarom
  adviseert de Raad het kabinet meer samenhang te brengen in het overheidsbeleid
  ten aanzien van het universitaire onderzoek. Over de jaren heen dient het beleid
  voldoende consistent te zijn.
  Van de zijde van universiteiten dient de inbreng in de beleidsrijke dialoog te
  bestaan uit de instellingsplannen, begrotingen, jaarverslagen en jaarrekeningen.
  Op basis hiervan moet de minister zich een beeld kunnen vormen van de beleids-
  voornemens van de instellingen en van de mate waarin die zijn gerealiseerd.
  Daarom adviseert de Raad de minister erop toe te zien dat instellingsplannen,
  begrotingen, jaarverslagen en jaarrekeningen voldoende basis bieden voor een
  beleidsrijke dialoog.
  Raden van Toezicht zijn een relatief nieuw fenomeen in universiteiten en moeten
  gaandeweg hun plaats vinden. De Raad heeft de indruk dat het toezicht op het
  bestuur en beheer van universiteiten nog aan gewicht kan winnen. Daarom advi-
  seert de Raad de minister Raden van Toezicht uitdrukkelijk te positioneren als toe-
  zichthoudende organen.
  De minister gebruikt Raden van Toezicht soms als aanspreekpunten binnen de
  universiteiten. Dit is ongewenst want Raden van Toezicht zijn niet belast met het
  voeren van beleid. Daarom adviseert de Raad de minister Raden van Toezicht
  slechts aan te spreken op die taken waarmee zij zijn belast: het houden van toezicht
  en het geven van advies. Voor alle overige kwesties dient hij in overleg te treden
  met de Colleges van Bestuur.
  Universiteiten dienen ook verantwoording af te leggen aan burgers, bedrijven en
  not-for-profit organisaties. Momenteel wordt slechts een klein deel van deze groepen
  actief betrokken in de verantwoording. Daarom roept de Raad universiteiten op
  meer inhoud te geven aan hun maatschappelijke verantwoording. Hij adviseert
  de minister de universiteiten aan te spreken op de activiteiten die zij in dit kader
  ontplooien.
9 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>               1             Adviesvraag
                             Dit advies handelt over de verantwoording die universiteiten afleggen aan de minister
                             van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over hun onderzoeksactiviteiten. De
                             adviesvraag die zal worden beantwoord, luidt als volgt.
                                 Hoe moeten de verantwoordingsrelaties worden ingericht opdat de minister van
                                 OCenW zinvol toezicht kan houden op de onderzoeksactiviteiten van univer-
                                 siteiten onder respectering van hun autonomie?
                             1..1 Achtergrond
                             De aanleiding tot het uitbrengen van dit advies is gelegen in het Wetenschapsbudget
                             2000. In deze notitie heeft de minister een nieuwe sturingsfilosofie ontwikkeld
   Onderzoeksinstellingen    voor het publieke onderzoeksbestel. Kern hiervan is dat onderzoeksinstellingen
 krijgen meer ruimte voor    meer ruimte krijgen voor eigen initiatieven en minder direct worden aangestuurd
       eigen initiatieven…   door de minister. In deze opvatting behoren onderzoeksinstellingen een eigen
                             profiel te kiezen, zelf de kwaliteit van hun activiteiten te bewaken en actief samen
                             te werken met derden. De beleidsvoornemens daaromtrent moeten worden
                             opgenomen in instellingsplannen die elke vier jaar verschijnen. In het verlengde van
                             de grotere autonomie van de onderzoeksinstellingen dient een heldere verant-
                             woording plaats te vinden. Publieke onderzoeksinstellingen moeten systematisch
… en moeten systematisch     aangeven of zij hun doelstellingen hebben gehaald en welke inspanningen zij
verantwoording afleggen      daarvoor hebben geleverd. Indien nodig wil de minister consequenties verbinden
                             aan de verantwoording.
                             Met de nieuwe sturingsfilosofie kiest de minister voor een bottom-up benadering.
                             Veel verantwoordelijkheden voor de programmering en uitvoering van het onder-
          De minister blijft zoek worden bij de onderzoeksinstellingen gelegd. De verantwoordelijkheid voor
verantwoordelijk voor het    het functioneren van het stelsel als geheel blijft echter bij de minister liggen. Hij
         stelsel als geheel  blijft verantwoordelijk voor de omvang, de kwaliteit en het vernieuwend vermogend
                             van het onderzoek en voor de doelmatigheid van het stelsel. De voornemens van
                        11   AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                         de minister op deze punten moeten hun neerslag vinden in beleidsdocumenten
                         die elke vier jaar verschijnen: het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan en het
                         Wetenschapsbudget.
                         De nieuwe sturingsfilosofie heeft aanzienlijke gevolgen voor het bestel. Wet- en
                         regelgeving moeten worden bijgesteld en bestaande arrangementen moeten
                         worden aangepast. In het verlengde van het Wetenschapsbudget 2000 heeft de
                         minister dan ook wetgeving voorgelegd aan de Tweede Kamer.1 Met KB, KNAW,
                         NWO en TNO heeft hij afspraken gemaakt over een verheldering van de verant-
                         woordingsrelaties. Dit is gebeurd in het kader van het project Rekenschap met
                         indicatoren op maat. Over de herziening van de verantwoordingsrelaties met de
                         universiteiten zijn nog geen afspraken gemaakt. Met het oog hierop heeft de
                         minister advies ingeroepen van de Raad. De precieze wordingsgeschiedenis van
                         de adviesvraag is beschreven in bijlage 1.
                         1..2 Focus advies
                         De Raad gaat ervan uit dat de verantwoording van onderzoeksactiviteiten meer-
                         dere aspecten betreft. Tot voor kort ging de aandacht bij verantwoording vooral
                         uit naar de financiële kant van de zaak – de vraag naar de doel- en rechtmatigheid
Verantwoording betreft   van uitgaven stond centraal. De afgelopen tijd zijn de verwachtingen ten aanzien
    beleid, kwaliteit en van verantwoording echter gegroeid. Tegenwoordig wordt van instellingen ver-
            bekostiging  wacht dat zij niet alleen verantwoording afleggen over hun financiering, maar ook
                         over de kwaliteit van hun kernactiviteiten en over de inhoud van hun beleid.2
                         De Raad hecht veel waarde aan dit onderscheid. Voor een deugdelijke inrichting
                         van verantwoordingsprocessen is het nodig de verantwoording van financiering,
                         kwaliteit en beleid goed te onderscheiden. Daarom werkt hij dit onderscheid in
                         onderstaand kader kort uit.
                         1   Kamerstuk 27848 (Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
                             gericht op vermindering en vereenvoudiging van regelgeving en op verdere zelfregulering in het
                             hoger onderwijs) en Kamerstuk 28466 (Wijziging van de Wet op de Nederlandse organisatie voor
                             wetenschappelijk onderzoek en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ter
                             uitvoering van de in het Wetenschapsbudget 2000 opgenomen voornemens tot het aanbrengen van
                             een aantal technische wijzigingen).
                         2   Algemene Rekenkamer, Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak – deel 3
                             (Den Haag, 2003).
                     12  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                            • Verantwoording afleggen over het beleid betreft de vraag welke strategische
                               keuzes universiteiten hebben gemaakt en welk profiel zij nastreven. Belangheb-
                               benden moeten kunnen nagaan of instellingen de goede dingen doen.
                            • Verantwoording afleggen over de kwaliteit betreft de vraag of de activiteiten
                               van universiteiten voldoen aan algemeen geaccepteerde kwaliteitsnormen.
                               Belanghebbenden moeten kunnen nagaan of instellingen de dingen goed doen.
                            • Verantwoording afleggen over de bekostiging betreft de vraag of universiteiten
                               hun activiteiten deugdelijk hebben gefinancierd. Belanghebbenden moeten
                               kunnen nagaan of instellingen de dingen doel- en rechtmatig doen.
                            Verder gaat de Raad ervan uit dat de verantwoording van onderzoeksactiviteiten
                            moet worden beschouwd in relatie tot de sturingscyclus van universiteiten.3
Verantwoordingsprocessen    Verantwoordingsprocessen staan niet op zichzelf, maar slaan direct terug op het
     zijn onderdeel van de  beleid van universiteiten. In onderstaand schema is deze relatie uitgewerkt voor de
             sturingscyclus drie aspecten waarover verantwoording moet worden afgelegd. Hierbij zij opgemerkt
                            dat de onderscheiden in dit schema analytisch van aard zijn. In de praktijk zijn zij
                            niet zo scherp en bestaan er allerlei dwarsverbanden. Eén van die dwarsverbanden
                            betreft de relatie tussen onderwijs en onderzoek. Binnen universiteiten zijn onder-
                            wijs en onderzoek nauw met elkaar verwerven. Dit geldt niet alleen voor het beleid
                            ten aanzien van deze activiteiten, maar ook voor de verantwoording daarvan. De
                            verantwoording van het onderzoek is, met andere woorden, niet gescheiden van
                            de verantwoording van het onderwijs. Omwille van de helderheid worden beide
                            vormen van verantwoording in de volgende pagina’s wel onderscheiden.
                                                            Beleid                   Kwaliteit       Bekostiging Sturing
                            Instellingsplan            Programma’s                  Begroting
                                                        O         N       D         E        R   Z       O         E        K
                            Verantwoording               Jaarverslag           Visitatierapporten        Jaarrekening
                                                          Bijstelling                Bijstelling           Bijstelling
                            3   Ministerie van Financiën, Handleiding government governance – een instrument ter toetsing van de
                                governance bij de rijksoverheid (Den Haag, 5 januari 2000).
                        13  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>   1..3 Opzet advies
   In dit advies presenteert de Raad een analyse van de verantwoordingsrelaties van
   universiteiten inzake hun onderzoeksactiviteiten. Deze analyse is gebaseerd op
   literatuurstudie en op gesprekken met betrokkenen. Bijlage 2 geeft een overzicht
   van de gesprekspartners die zijn geraadpleegd. De analyse valt uiteen in twee
   delen. Hoofdstuk 2 geeft een schets van de bestaande wet- en regelgeving op het
   gebied van onderzoeksverantwoording en van het feitelijk functioneren daarvan.
   Dit hoofdstuk behandelt, met andere woorden, de feiten met betrekking tot
   onderzoeksverantwoording. Hoofdstuk 3 concentreert zich daarentegen op de
   opvattingen met betrekking tot onderzoeksverantwoording. In dit hoofdstuk
   komt de Raad tevens tot een eigen standpunt met betrekking tot onderzoeks-
   verantwoording. In het verlengde hiervan doet hij in hoofdstuk 4 concrete aan-
   bevelingen ter verbetering van de huidige situatie.
14 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>          2               Analyse: feiten
                          In dit hoofdstuk belicht de Raad de onderzoeksverantwoording door de univer-
                          siteiten van twee zijden. In de eerste paragraaf gaat hij na hoe de onderzoeksver-
                          antwoording formeel is geregeld, in de tweede paragraaf onderzoekt hij hoe
                          onderzoeksverantwoording in de praktijk functioneert.
                          Conform de adviesvraag ligt de nadruk bij deze analyse op de relatie tussen de
                          minister en de universiteiten. Universiteiten leggen echter niet alleen verantwoor-
                          ding af aan de minister, maar ook aan andere partijen, zoals financiers van
                          contractonderzoek. De verantwoordingsrelaties met deze partijen worden zoveel
                          mogelijk meegenomen. Met de verantwoordingsrelaties binnen de instellingen
                          zelf is het anders gesteld. Verantwoordingsrelaties van de Colleges van Bestuur
                          met de Raden van Toezicht en de medezeggenschapsorganen zijn wel onderdeel
                          van de analyse. Verantwoordingsrelaties op lagere niveaus, bijvoorbeeld tussen
                          decanen en Colleges van Bestuur, vallen buiten het bestek van dit advies.
                          2..1 Onderzoeksverantwoording:
                                    wet- en regelgeving
                          Deze paragraaf schetst de wet- en regelgeving op het gebied van onderzoeks-
                          verantwoording. Universiteiten zijn vooral verantwoording verschuldigd aan de
                          Raden van Toezicht en aan de minister. Met het oog op de rol van de minister valt
                          op dat wet- en regelgeving veel nadruk leggen op overleg.
                          A Verantwoording afleggen over onderzoeksbeleid
                          Het belangrijkste beleidsdocument van de universiteiten is het instellingsplan, in
Het instellingsplan is de de wandel ook wel strategisch plan genoemd. Wettelijk is vastgelegd dat univer-
  basis voor het beleid   siteiten elke twee jaar een dergelijk plan moeten opstellen (artikel 2.2 WHW). In
                          het verlengde van het Wetenschapsbudget 2000 heeft de minister een wetswijziging
                      15  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                             voorgesteld om de cyclus van het instellingsplan op vier jaar te brengen.4
                             Het instellingsplan vormt de basis voor het jaarlijkse beleid van de instellingen. Na
                             afronding van het (begrotings)jaar behoren universiteiten verslag uit te brengen
                             van hun activiteiten door middel van het jaarverslag (artikel 2.9 WHW). Dit verslag
                             dient in elk geval te verwijzen naar de beleidsvoornemens uit het instellingsplan
                             (artikel 2.9, lid 1 WHW).
                             In principe verloopt de verantwoording van het onderzoeksbeleid langs twee lijnen
Verantwoording kan pro- en   – een prospectieve en een retrospectieve. Bij de prospectieve onderzoeksverant-
          retrospectief zijn woording moet het College van Bestuur verantwoording afleggen over de
                             beleidsvoornemens voordat deze zijn geïmplementeerd. Deze vorm van beleids-
                             verantwoording heeft betrekking op het instellingsplan. Bij de retrospectieve
                             onderzoeksverantwoording moet het College van Bestuur verantwoording afleggen
                             over het beleid nadat dat geëffectueerd is. Deze vorm van beleidsverantwoording
                             betreft het jaarverslag.
               Prospectieve  De prospectieve verantwoording van het onderzoeksbeleid speelt zich af binnen
 verantwoording van beleid:  de instellingen. Colleges van Bestuur dienen hun beleidsvoornemens te verant-
         het instellingsplan woorden aan de Raden van Toezicht en aan de medezeggenschapsorganen. De
                             Raden van Toezicht dienen hun goedkeuring te geven aan de instellingsplannen
                             (artikel 9.8, lid 2 WHW). De medezeggenschapsorganen hebben instemmings-
                             recht op de instellingsplannen (artikel 9.30a, lid 2 WHW en artikel 9.33, WHW).
                             Nadat de instellingsplan zijn vastgesteld, moeten zij openbaar worden gemaakt
                             (artikel 2.2 WHW).
             Retrospectieve  De retrospectieve verantwoording van het onderzoeksbeleid vindt plaats binnen
 verantwoording van beleid:  en buiten de instellingen. Binnen de universiteiten dient het College van Bestuur
            het jaarverslag  het jaarverslag ter goedkeuring voor te leggen aan de Raad van Toezicht (artikel
                             9.8, lid 2 WHW). Zo gauw goedkeuring is verleend, functioneert het jaarverslag
                             als document waarmee de universiteiten hun beleid publiekelijk verantwoorden.
                             De universiteiten moeten het jaarverslag in elk geval doen toekomen aan de
                             minister (artikel 2.9, lid 1 WHW). Deze kan het jaarverslag aangrijpen voor overleg
                             met alle universiteiten gezamenlijk (artikel 3.1, lid 1 WHW) of met afzonderlijke
                             instellingen (artikel 3.2 WHW).
                             4   Kamerstuk 27848 (Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
                                 gericht op vermindering en vereenvoudiging van regelgeving en op verdere zelfregulering in het
                                 hoger onderwijs), nr. 2, p. 4.
                         16  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                             B Verantwoording afleggen over onderzoekskwaliteit
                             Nederlandse universiteiten zijn verplicht een kwaliteitszorgsysteem in stand te
                             houden met betrekking tot hun onderzoeks- en onderwijsactiviteiten. De basis
                             voor deze verplichting wordt geboden door artikel 1.18, lid 1 van de WHW dat
                             bepaalt dat universiteiten hun werkzaamheden regelmatig moeten laten visiteren.
                             Lid 2 van datzelfde artikel bepaalt dat de minister toeziet op de uitvoering van de
                             visitaties.
                             Voor het onderwijs is de kwaliteitszorg recent getransformeerd in een accreditatie-
                             stelsel.5 Volgens de nieuwe regeling moeten universiteiten eens in de zes jaar een
                             externe visitatie van hun opleidingen organiseren. De uitkomsten van deze visitaties
Het universitaire onderwijs  worden voorgelegd aan de Nederlands Accreditatie Organisatie die daarover een
   wordt geaccrediteerd…     eindoordeel geeft. Een positief oordeel van de NAO is een voorwaarde voor
                             bekostiging van de opleiding. Een negatief oordeel van de NAO leidt in beginsel
                             tot beëindiging van de bekostiging.
                             Onlangs is de kwaliteitszorg voor het onderzoek eveneens veranderd.6 KNAW,
                             NWO en VSNU hebben afgesproken dat onderzoekseenheden eens in de drie jaar
                             een interne evaluatie van hun onderzoek moeten organiseren. Hieraan gekoppeld
         … het onderzoek     dient eens in de zes jaar een externe visitatie van het onderzoek plaats te vinden.
                 gevisiteerd In samenspraak met de minister van OCenW zullen KNAW, NWO en VSNU een
                             comité in het leven roepen dat een meta-evaluatie zal uitvoeren van de onder-
                             zoeksvisitaties.
     Universiteiten moeten   Het visitatierapport vormt het document waarmee universiteiten zich aan de buiten-
 rekening houden met de      wacht verantwoorden over de kwaliteit van hun onderzoeksactiviteiten. Anders
  uitkomsten van visitaties  dan bij het onderwijs verbindt de wet geen financiële consequenties aan de kwa-
                             liteitszorg.7 Universiteiten zijn wel verplicht om bij hun onderzoeksbeleid rekening
                             te houden met de uitkomsten van onderzoeksvisitaties. De voornemens hierom-
                             trent moeten worden opgenomen in het jaarverslag (artikel 2.9, lid 2 WHW). De
                             minister kan de universiteiten hierop aanspreken.
                             5    Kamerstuk 27920 (Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
                                  onderzoek in verband met de invoering van accreditatie in het hoger onderwijs).
                             6    KNAW, NWO en VSNU, Standard evaluation protocol 2003-2009 for public research organisations,
                                  januari 2003.
                             7    De mogelijkheden tot het aanbrengen van zo’n koppeling zijn wel in discussie. Recentelijk heeft
                                  onder andere de werkgroep Bekostiging Onderzoek Lange Termijn (BOLT) zich hierover gebogen.
                                  Zie J. Jongbloed, Bekostiging universitair onderzoek – perspectieven op een nieuw sturingsarrangement
                                  (Twente, januari 2002).
                         17  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                              C Verantwoording afleggen over onderzoeksbekostiging
                              Universiteiten worden voor een belangrijk deel bekostigd uit de rijksbijdrage – een
                              overzicht hiervan is opgenomen in bijlage 3. De wet verplicht universiteiten jaarlijks
                              een begroting op te stellen (artikel 2.8 WHW). Na afronding van het begrotings-
                              jaar behoren zij verslag te doen van hun financiële activiteiten door middel van de
                              jaarrekening (artikel 2.9 WHW). Net als het jaarverslag dient de jaarrekening in elk
                              geval te verwijzen naar de beleidsvoornemens uit het instellingsplan (artikel 2.9,
                              lid 1 WHW). Voor de indeling en inhoud van de begroting en de jaarrekening
                              bestaat uitgebreide regelgeving die kort geleden nog is vernieuwd.8
                Prospectieve  Net als de verantwoording van het onderzoeksbeleid verloopt de verantwoording
     verantwoording van de    van de onderzoeksbekostiging langs een prospectieve en een retrospectieve lijn.
  bekostiging: de begroting   De prospectieve verantwoording speelt zich af binnen de instellingen. De Raad
                              van Toezicht dient zijn goedkeuring te hechten aan de jaarlijkse begroting (artikel
                              9.8, lid 2 WHW); medezeggenschapsorganen zijn gerechtigd de begroting te
                              voorzien van advies (artikel 9.34, lid 3b, WHW).
              Retrospectieve  De retrospectieve verantwoording vindt plaats binnen en buiten de instellingen.
     verantwoording van de    Binnen de universiteiten dienen Colleges van Bestuur de jaarrekening ter goed-
bekostiging: de jaarrekening  keuring voor te leggen aan de Raden van Toezicht (artikel 9.8, lid 2 WHW). Buiten
                              de universiteiten zijn de Colleges van Bestuur in elk geval verantwoording ver-
                              schuldigd aan de minister (artikel 2.9, lid 2 WHW). Centrale aandachtspunten
                              hierbij zijn de rechtmatigheid van uitgaven (artikel 2.9, lid 4 WHW) en de doel-
                              matigheid van uitgaven (artikel 2.9, lid 4 en artikel 2.10 WHW). Verder let de
                              minister op de getrouwheid van de gegevens die universiteiten moeten aanleveren
                              ter berekening van de omvang van de rijksbijdrage. Die getrouwheid moet worden
                              geverifieerd door een registeraccountant (artikel 2.9, lid 3 WHW).
 Bij onregelmatigheden kan    Mocht de minister onregelmatigheden aantreffen in de jaarrekening dan kan hij
 de minister de rijksbijdrage besluiten een deel van de rijksbijdrage terug te vorderen (artikel 2.9, lid 4 WHW).
              terugvorderen   Alvorens daartoe over te gaan, dient hij overleg te voeren met het College van
                              Bestuur van de betrokken instelling (artikel 3.2 WHW). Mocht blijken dat leden
                              van het College van Bestuur onrechtmatig hebben gehandeld dan kan de minister
                              hen persoonlijk aansprakelijk houden voor de schade (artikel 2.9, lid 6 WHW).
                              8   Regeling van 18 augustus 2000, voor de inrichting van het verslag en de begroting van de instel-
                                  lingen voor hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
                           18 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                             2..2 Onderzoeksverantwoording: praktijk
                             In deze paragraaf doet de Raad een aantal observaties naar aanleiding van het feite-
                             lijke verloop van de onderzoeksverantwoording van universiteiten. De belangrijkste
                             vraagpunten en discussies blijken zich voor te doen bij de verantwoording van het
                             onderzoeksbeleid. Enigszins gechargeerd kan men stellen dat beleidsverantwoording
                             over het universitaire onderzoek nauwelijks plaatsvindt. De verantwoording van de
                             onderzoekskwaliteit en van de onderzoeksbekostiging zijn bestuurlijk goed geregeld.
                             A Verantwoording afleggen over onderzoeksbeleid
                             Met betrekking tot de verantwoording van het onderzoeksbeleid doet de Raad
                             een drietal constateringen. Deze betreffen de complexiteit van de sturing van het
                             universitaire onderzoek, de afstand tussen de minister en de universiteiten en de
                             rol van de Raden van Toezicht.
                             Complexiteit sturing universitair onderzoek
                             De Raad constateert dat de sturing van het universitaire onderzoek als geheel
                             complex is. Beslissingen omtrent de inhoud en richting van het onderzoek worden
                             vaak decentraal genomen. Veel onderzoekssubsidies en -contracten uit de tweede
                             en derde geldstroom, al dan niet gepaard aan een verplichting tot matching, worden
                             verworven op het niveau van capaciteitsgroepen. Langs deze weg heeft de verza-
                             meling van financiers uit de tweede en derde geldstroom aanzienlijke invloed op
Colleges van Bestuur sturen  het universitaire onderzoeksbeleid. Bijgevolg is de effectieve beleidsruimte van
         niet als enigen het Colleges van Bestuur beperkt – Colleges van Bestuur zijn kapitein op een schip
                  onderzoek  met veel stuurlui. Daar komt bij dat grotere beslissingen in het onderzoeksbeleid
                             langdurige consequenties hebben. In de regel hebben onderzoekslijnen een
                             levensduur van 15 tot 20 jaar – ongeveer dezelfde periode dat een hoogleraarschap
                             duurt. Onderzoekslijnen die eenmaal zijn ingezet, kunnen dus niet van de ene op
                             de andere dag worden bijgesteld.
                             De complexiteit van de sturing van het universitaire onderzoek plaatst vraagtekens
                             bij de wet- en regelgeving inzake de verantwoording van onderzoeksbeleid. Een
  Waarom verantwoording      belangrijke verantwoordingsrelatie loopt van het College van Bestuur naar de
  alleen tussen CvB’s en de  minister, maar dat is geenszins vanzelfsprekend. Het College van Bestuur is
                   minister? immers niet de enige producent van beleid dus hoe zinvol is het om dat als enige
                             aan te spreken op het onderzoeksbeleid van de universiteit? Tegelijkertijd is de
                             minister niet de enige ‘opdrachtgever’ van de universiteit dus waarom zou de
                         19  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                             verantwoording voornamelijk op hem gericht moeten zijn? In een poging een
                             antwoord te vinden op de laatste vraag hebben enkele universiteiten nieuwe orga-
                             nisatievormen geïntroduceerd. Op sommige plaatsen wordt gewerkt met maat-
                             schappelijke adviesraden waarin het beleid met betrekking tot onderwijs en onder-
                             zoek op gezette tijden wordt besproken. Dergelijke raden vormen een poging
                             andere belanghebbenden dan de minister aan het woord te laten.
                             Afstand minister - universiteiten
                             De Raad stelt vast dat de universiteiten de afgelopen jaren verder zijn verzelfstandigd.
                             Deze ontwikkeling is niet nieuw – bijlage 4 geeft een schets van haar lange voor-
 Universiteiten zijn verder  geschiedenis. In de periode die achter ons ligt, hebben echter belangrijke veran-
          verzelfstandigd... deringen plaatsgevonden: universiteiten en overheid hebben hun rollen opnieuw
                             gestalte moeten geven en hun organisatie daarop moeten aanpassen. Aan de
                             zijde van de instellingen heeft dit geleid tot een professionalisering van het
                             bestuur met een versterking van de invloed van het centrale niveau. Aan de zijde
                             van de overheid heeft dit geresulteerd in een departement dat meer dan voorheen
                             afstand bewaart tot de instellingen.
                             De Raad heeft waardering voor de veranderingsprocessen die de afgelopen jaren
   … maar de afstand van     in gang zijn gezet. Verzelfstandiging van de universiteiten ten opzichte van de
minister tot universiteiten  minister is en blijft wenselijk. De Raad stelt evenwel vast dat de afstand tussen uni-
mag niet te groot worden     versiteiten en overheid niet te groot mag worden. Verzelfstandiging mag geen
                             vervreemding worden want de instellingen en de minister blijven op elkaar aan-
                             gewezen. De universiteiten hebben de minister nodig, niet alleen als financier,
                             maar ook als belangenbehartiger die de wensen en noden van de wetenschap
                             serieus neemt. Omgekeerd kan de minister niet buiten de universiteiten want zij
                             zijn coproducenten van het beleid. Zonder de medewerking van de instellingen
                             kan de minister zijn verantwoordelijkheid voor het systeem als geheel niet waarmaken.
                             De Raad merkt op dat universiteiten de vergroting van hun speelruimte positief
  Bestuurlijk overleg vindt  waarderen, maar de afstand tot de minister soms als te groot ervaren.
 slechts incidenteel plaats  Universiteiten voelen zich weinig gezien en gehoord. Het schort aan de commu-
                             nicatie tussen instellingen en minister, onder meer bij het onderzoeksbeleid.
                             Bestuurlijk overleg vindt alleen incidenteel plaats. Bij de prospectieve, noch bij de
                             retrospectieve onderzoeksverantwoording spreekt de minister de universiteiten
                             actief aan. Hij reageert amper op jaarverslagen, laat staan op beleidsvoornemens.
                             De dialoog over het onderzoeksbeleid vindt, met andere woorden, nauwelijks
                             plaats.
                         20  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre> Het wetenschapsbeleid is   Een bijkomend probleem is dat universiteiten niet één aanspreekpunt binnen het
                 verkokerd  departement hebben. Gedurende het kabinet Balkende I moesten zij zich tot de
                            minister wenden voor het wetenschapsbeleid en tot de staatssecretaris voor het
                            hoger onderwijsbeleid. Op ambtelijk niveau werd deze verkokering herhaald. Voor
                            onderzoekszaken moesten universiteit zich richten tot de directie onderzoeks- en
                            wetenschapsbeleid, voor onderwijszaken tot de directie wetenschappelijk onder-
                            wijs (in de toekomst de directie hoger onderwijs).
                            Rol Raden van Toezicht
                            De Raad constateert dat universiteiten er met de invoering van de WUB nieuwe
                            organen bij hebben gekregen – de Raden van Toezicht. Deze hebben een dubbele
                            functie. Enerzijds zijn zij belast met het toezicht op het bestuur en beheer van uni-
                            versiteiten. Dit verklaart waarom de instellingsplannen, begrotingen, jaarrekeningen
                            en jaarverslagen hun goedkeuring behoeven. Anderzijds dienen Raden van
                            Toezicht de Colleges van bestuur bij te staan met advies (artikel 9.8, lid 1 WHW).
                            Raden van Toezicht zijn bestuursorganen van de instellingen zelf. Zij functioneren
       Raden van Toezicht   niet namens, maar voor de minister.9 Daarom zijn Raden van Toezicht ook
     functioneren voor de   bevoegd Collegeleden aan te stellen en te ontslaan (artikel 9.3, lid 2 WHW). Zelf
                   minister worden de leden van de Raden van Toezicht benoemd door de minister (bij de
                            openbare instellingen) of door de derden (bij de bijzondere instellingen).
                            De Raad stelt vast dat de positie van Raden van Toezicht niet in alle opzichten helder
                            is. Dit wordt enerzijds veroorzaakt door de opstelling van de minister. Naarmate
                            hij de universiteiten verder op afstand heeft geplaatst, heeft de minister het con-
                            tact met de Raden van Toezicht aangehaald. De afgelopen jaren hebben beide
                            partijen meerdere malen overleg gevoerd. Hierbij is veelvuldig gesproken over
                            algemene ontwikkelingen in het hoger onderwijs. De minister neigt er dus toe
                            Raden van Toezicht aan te spreken als waren zij verantwoordelijk voor het bestuur
                            van de universiteiten. Dat is echter niet het geval. Raden van Toezicht zijn slechts
De minister spreekt Raden   verantwoordelijk voor het toezicht op het bestuur en beheer van universiteiten.
 van Toezicht aan alsof zij Anderzijds heeft de onhelderheid over de positie van de Raden van Toezicht te
   universiteiten besturen  maken met de manier waarop zij hun taken invullen.10 Binnen universiteiten
                            bestaat veelal waardering voor de adviserende rol die zij spelen en voor het netwerk
                            dat zij meebrengen. Hiermee leveren Raden van Toezicht een belangrijke bijdrage
                            9   Kamerstuk 24626 (Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in
                                verband met de bestuursorganisatie van en medezeggenschap in universiteiten), nr. 3, pp. 17-18.
                            10 Zie ook J.J. van den Berg, H. van Bergen en R. Schouten, De bezinning op de MUB – een tussenstand
                                (Den Haag, 16 oktober 2001).
                        21  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre> Raden van Toezicht geven     aan de versterking van de positie van de instellingen. Over de invulling van hun
      toezicht onvoldoende    toezichthoudende taak bestaat evenwel meer discussie. De Raad heeft de indruk
                   prioriteit dat Raden van Toezicht deze taak niet altijd voldoende prioriteit geven. Het toe-
                              zicht op het bestuur en beheer van universiteiten lijkt, met andere woorden, aan
                              gewicht te kunnen winnen.
                              B Verantwoording afleggen over onderzoekskwaliteit
                              De Raad meent dat de kwaliteitszorg voor het universitaire onderzoek naar behoren
           De kwaliteitszorg  functioneert. Door middel van de visitatierapporten hebben veel partijen inzicht
 functioneert naar behoren    kunnen krijgen in de sterktes en zwaktes van het universitaire onderzoek. Van de
                              openbaarmaking van de visitatierapporten is een zelfreinigende werking uitgegaan.
                              Onderzoek dat onder de maat was, is afgebouwd of versterkt; goed of excellent
                              onderzoek is verder uitgebouwd. Hierdoor is de kwaliteit van het universitaire
                              onderzoek over de gehele linie toegenomen.
                              De Raad ziet met belangstelling uit naar het nieuwe kwaliteitszorgsysteem dat
                              binnenkort in werking zal treden. Aan de totstandkoming hiervan is veel tijd en
                              moeite besteed. Alleen al om die reden acht de Raad het wenselijk dat het nieuwe
                              visitatiestelsel de ruimte krijgt om zich te bewijzen. Dit neemt niet weg dat de
                              Raad enkele punten onder de aandacht wil brengen met betrekking tot dat
                              systeem.
                              In de eerste plaats constateert de Raad dat het nieuwe visitatiestelsel niet langer
De nieuwe visitaties hoeven   landelijk vergelijkbare resultaten hoeft op te leveren. Onderzoekseenheden die
geen landelijk vergelijkbare  zich willen laten visiteren, kiezen hun eigen benchmark die zich al dan niet buiten
    resultaten op te leveren  onze landsgrenzen bevindt. Voor beleidsmakers kan dit problemen opleveren. In
                              de toekomst beschikken zij niet langer over één uniforme meetlat om onderzoek-
                              seenheden die concurreren om schaarse middelen te vergelijken.
                              In de tweede plaats stelt de Raad vast dat de samenstelling van de visitatie-
   De samenstelling van de    commissies nieuwe stijl problemen kan opleveren. In het nieuwe systeem ligt het
 nieuwe visitatiecommissies   initiatief voor de instelling van visitatiecommissies bij de afzonderlijke Colleges van
  kan problemen opleveren     Bestuur. Hierdoor bestaat de kans dat universiteiten voor vergelijkbare vakgebieden
                              eigen visitatiecommissies samenstellen. Dit kan leiden tot versnippering met in het
                              ergste geval een tekort aan gezaghebbende visitatoren.
                              In de derde plaats merkt de Raad op dat het nieuwe visitatiestelsel niet al het uni-
                              versitaire onderzoek hoeft te omvatten. Het nieuwe visitatiestelsel heeft weliswaar
                          22  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre> De nieuwe visitaties hoeven   tot doel om al het universitaire onderzoek eens in de zes jaar van een oordeel te
     niet al het onderzoek te  voorzien. Maar universiteiten kunnen zelf bepalen welke onderdelen van hun
                    omvatten   onderzoek daadwerkelijk worden gevisiteerd. Dit kan ertoe leiden dat delen van
                               het tweede en derde geldstroomonderzoek, maar ook van het eerste geldstroom-
                               onderzoek buiten beschouwing blijven.
                               C Verantwoording afleggen over onderzoeksbekostiging
                 De financiële De Raad heeft de indruk dat de financiële verantwoording van het universitaire
verantwoording functioneert    onderzoek eveneens goed functioneert. In combinatie met het jaarverslag biedt
                 naar behoren  de jaarrekening een stevige basis voor een gedegen toezicht op de financiële huis-
                               houding van de instellingen. Derhalve besteedt de Raad in dit advies geen verdere
                               aandacht aan deze thematiek.
                               2..3 Conclusies
                               Universiteiten zijn voornamelijk verantwoording verschuldigd aan de minister en
                               aan Raden van Toezicht. In beide gevallen leggen wet- en regelgeving veel nadruk
                               op overleg. De verantwoordingsrelaties van universiteiten hebben, met andere
                               woorden, primair het karakter van gespreksrelaties. In de praktijk is de afstand tussen
                               universiteiten en minister evenwel te groot – bestuurlijk overleg vindt nauwelijks
         Verantwoording van    plaats. Dit levert vooral problemen op bij de verantwoording van het onderzoeks-
  onderzoeksbeleid roept de    beleid. Hiervan is in de praktijk slechts beperkt sprake. Bij de verantwoording van
            meeste vragen op   de onderzoeksbekostiging en van de onderzoekskwaliteit doen zich weinig pro-
                               blemen voor.
                           23  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>              3               Analyse: opvattingen
                              In dit hoofdstuk geeft de Raad een schets van de opvattingen die leven in het veld
                              met betrekking tot onderzoeksverantwoording. Die opvattingen blijken sterk uit
                              elkaar te lopen. Met enige overdrijving kan men stellen dat in dezen twee posities
                              tegenover elkaar staan. Deze worden geschetst in de eerste paragraaf. In het ver-
                              lengde hiervan komt de raad in de tweede paragraaf tot een eigen visie op de
                              positionering van de universiteit.
                              3..1 Visies op onderzoeksverantwoording
                              Partijen verschillen scherp van mening over de vraag hoe de onderzoeksverant-
 Meningen verschillen over    woording zou moeten worden ingericht. Meer in het bijzonder lopen de meningen
‘aan wie’ en ‘waarover’ van   uiteen over de vragen aan wie de onderzoeksverantwoording moet zijn gericht en
            verantwoording    waarover de onderzoeksverantwoording moet gaan. Op deze vragen zijn tal van
                              antwoorden mogelijk, maar in de praktijk wordt een beperkt aantal posities inge-
                              nomen. Met enige overdrijving kan men stellen dat er in het veld slechts twee
                              visies leven op de gewenste inrichting van de onderzoeksverantwoording. De
                              Raad werkt beide visies hier kort uit. Vooropgesteld zij dat deze visies extremen
                              zijn – in hun zuivere vorm komen zij zelden voor. Dit neemt niet weg dat hun con-
                              touren duidelijk waarneembaar zijn.
                                                                 Visie 1                   Visie 2
                              Aan wie verantwoorden              Raad van Toezicht         Minister
                              Waarover verantwoorden             Kwaliteit                 Kwaliteit en beleid
                              In de eerste visie is de Raad van Toezicht de voornaamste adressant van de onder-
                              zoeksverantwoording. De Raad van Toezicht kan en moet het College van Bestuur
                              ter verantwoording roepen over het volledige spectrum van bekostiging, kwaliteit
                              en beleid. Andere partijen kunnen en mogen het College niet op dezelfde wijze
           De overheid mag    aanspreken. Financiers van de tweede en derde geldstroom kunnen en mogen de
          universiteiten niet universiteit slechts ter verantwoording roepen met betrekking tot de bekostiging
        aanspreken op hun     en de kwaliteit van het onderzoek dat voor hen is verricht. Voor de overheid geldt
       onderzoeksbeleid…      iets vergelijkbaars: ook zij mag de instellingen slechts aanspreken op de bekostiging
                          25  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                              en op de kwaliteit van het publiek gefinancierde onderzoek. Van het onderzoeks-
                              beleid dient de overheid zich verre te houden. Het voeren van onderzoeksbeleid
                              is in deze visie het voorrecht van de instellingen. Academische vrijheid houdt in
                              dat zij in alle ongebondenheid eigen keuzes kunnen maken.
                 … versus...
                              In de tweede visie is de onderzoeksverantwoording voornamelijk gericht aan de
                              minister van OCenW. De minister geeft aan welke bijdragen hij verwacht van de
    … universiteiten voeren   universiteiten. Vervolgens kan hij de instellingen aanspreken op zowel de bekosti-
  strategisch beleid binnen   ging, de kwaliteit als het beleid. Universiteiten voeren in deze visie dus zeker stra-
            gestelde kaders   tegisch beleid maar doen dat binnen de kaders die de minister heeft aangegeven.
                              Hierbij lopen de opvattingen over de functie van de Raad van Toezicht uiteen.
                              Sommigen zijn van mening dat de Raad van Toezicht overbodig is, anderen zien
                              wel degelijk een rol voor hem weggelegd bijvoorbeeld als adviseur van het
                              College van Bestuur.
                              Dit meningsverschil omtrent de inrichting van de onderzoeksverantwoording
                              staat geenszins op zichzelf. Hierachter gaat een dieper liggend verschil van inzicht
                              schuil met betrekking tot de positionering van universiteiten. Welke (sturings)relaties
                              dienen er te bestaan tussen de overheid en de universiteiten? Ook op deze vraag
                              blijken in het veld weer grofweg twee antwoorden te leven die de Raad hier kort
                              uitwerkt. Net als in de voorgaande alinea’s draait het hier om extremen die zelden
                              in zuivere vorm voorkomen, maar die wel herkenbaar zijn.
                                                                    Visie 1                    Visie 2
                              Positionering universiteit            Autonome instelling        Doelorganisatie
                              In de eerste visie worden universiteiten gepositioneerd als autonome instellingen
                              die in het leven zijn geroepen om wetenschappelijk onderzoek van hoge kwaliteit te
                              verrichten. Hierbij ligt het initiatief zoveel mogelijk bij de wetenschappelijke gemeen-
                              schap. Die is bekend met de ontwikkelingen in het vakgebied en moet dus in staat
 De overheid ondersteunt      worden geacht te beoordelen welke onderwerpen het bestuderen waard zijn en
het onderzoek, maar stuurt    welke niet. De rol van de overheid is een ondersteunende. Door voldoende voor-
                      niet... zieningen en middelen ter beschikking te stellen, dient de overheid universiteiten
                              in staat te stellen hun werk te doen. In ruil hiervoor leveren zij onderzoek van de
                              hoogst mogelijke kwaliteit. Op deze kwaliteit en op de doel- en rechtmatigheid
                              van hun uitgaven mogen universiteiten worden aangesproken door de buiten-
                              wacht in het algemeen en door de minister in het bijzonder. Het strategisch beleid
                              onttrekt zich echter aan deze verantwoordingsplicht. Beslissingen over het onder-
                 … versus...  zoeksbeleid zijn voorbehouden aan de wetenschappelijke gemeenschap.
                         26   AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                           In de tweede visie worden universiteiten gepositioneerd als doelorganisaties. Net als
                           in de eerste visie hebben zij tot doel wetenschappelijk onderzoek van hoge kwaliteit
                           te verrichten, maar zij doen dat in het kader van een overkoepelende strategie. Die
                           strategie is afkomstig van de nationale overheid die in hoofdlijnen vastlegt welke
                           doeleinden het publieke onderzoek moet dienen. Hierbij kan het gaan om uiteen-
                           lopende zaken als het stimuleren van fundamenteel onderzoek (met een minimale
                           bemoeienis vanuit de overheid), het stimuleren van bepaalde onderzoeksvelden
                           (bijvoorbeeld genomics), het op gang brengen van nieuwe ontwikkelen (vorming
… universiteiten varen een van zwaartepunten, internationalisering) et cetera. Binnen dit brede kader worden
    eigen koers binnen de  universiteiten geacht hun eigen koers uit te zetten. Over de activiteiten die zij
           kaders van het  vervolgens verrichten, zijn zij verantwoording verschuldigd aan de minister. Met
           overheidsbeleid betrekking tot het onderzoeksbeleid dient de minister speciale aandacht te besteden
                           aan de relatie tussen het universitaire en het nationale onderzoeksbeleid.
                           Samenvattend bestaat er een diepgaand verschil van inzicht met betrekking tot
                           de positionering van de universiteit. Dit werkt door in de denkbeelden over de
                           inrichting van de onderzoeksverantwoording. Afhankelijk van de visie die partijen
                           hebben op de positionering van de universiteit pleiten zij voor andere adressanten
                           en inhouden van de onderzoeksverantwoording. De Raad trekt hieruit de conclusie
                           dat eerst overeenstemming moet worden bereikt over de positionering van de
                           universiteit alvorens overeenstemming kan worden bereikt over de inrichting van
                           de onderzoeksverantwoording. Daarom ontwikkelt de Raad in de volgende para-
                           graaf eerst een eigen visie op de positionering van de universiteit. Vervolgens
                           komt hij in het laatste hoofdstuk tot aanbevelingen met betrekking tot de inrich-
                           ting van de onderzoeksverantwoording.
                           3..2 De universiteit als maatschappelijke
                                       onderneming
                           Anders dan in het veld gebruikelijk is, beschouwt de Raad universiteiten niet als
                           instellingen die van zichzelf zijn (visie 1), noch als instellingen die van de overheid
         Maatschappelijke  zijn (visie 2). Universiteiten, zo is de vaste overtuiging van de Raad, zijn instellingen
ondernemingen dienen het   van de samenleving. Daarom wenst hij universiteiten te positioneren als maat-
        publieke belang…   schappelijke ondernemingen.11 Dat zijn organisaties die het publieke belang dienen
                           11 De literatuur over het concept maatschappelijke onderneming is klein, maar groeit snel. Deze para-
                               graaf is onder meer gebaseerd op S.P.M. de Waal, Nieuwe strategieën voor het publieke domein – maat-
                               schappelijk ondernemen in de praktijk (Alphen aan den Rijn, 2000). Zie verder J.P. Balkenende en T.J.
                               van der Ploeg (red.), Behoud en vernieuwing van identiteit – de toekomst van maatschappelijke organisa-
                               tie in een tijd van fusies en schaalvergroting (Utrecht, 1999).
                        27 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>… maar zijn geen deel van    zonder dat zij onderdeel zijn van het overheidsapparaat. Behalve aan universiteiten
               de overheid   kan men hierbij denken aan scholen, regionale opleidingscentra, hogescholen,
                             musea, bibliotheken, ziekenhuizen, thuiszorginstellingen, woningbouwcorporaties
                             en dergelijke. Al deze organisaties ontlenen hun bestaansrecht aan het feit dat zij
                             diensten met een publiek karakter leveren. Organisatorisch zijn zij evenwel geen
                             onderdeel van de overheid: in de meeste gevallen gaat het om zelfstandige rechts-
                             personen die niet zelden worden beheerd door aparte stichtingen.
                             Om hun kerntaken te kunnen uitvoeren, dienen maatschappelijke ondernemingen
                             bestuurlijk autonoom te zijn. Zij moeten eigen beleid kunnen uitstippelen en moeten
        Zij zijn bestuurlijk zelf kunnen bepalen hoe zij het publieke belang dienen. Deze vereiste hangt direct
              autonoom ...   samen met het feit dat maatschappelijke ondernemingen professionele organisa-
                             ties zijn: om hun publieke taken waar te maken, moeten zij veel kennis en kunde
                             inzetten. Strategische en operationele beslissingen hieromtrent moeten door de
                             professionals zelf worden genomen en niet door buitenstaanders zoals politici
                             en/of ambtenaren.
                             Verder dienen maatschappelijke ondernemingen hun taken te vervullen zonder
                             winstoogmerk. Het zijn not-for-profit organisaties die worden afgerekend op maat-
                             schappelijk en niet op financieel rendement. Desondanks kunnen en mogen zij
               … sturen op   wel marktactiviteiten ontplooien. Voorwaarde hierbij is dat de marktactiviteiten
        maatschappelijke     van maatschappelijke ondernemingen ondersteunend zijn aan hun publieke kern-
              rendement…     activiteiten. Zolang deze voorwaarde in acht wordt genomen, kunnen zij veel baat
                             hebben bij een (beperkt) opereren op de markt. Marktactiviteiten houden maat-
                             schappelijke ondernemingen namelijk scherp. Zij kunnen er bijvoorbeeld experi-
                             menteren met producten en diensten die weliswaar buiten hun reguliere taken-
                             pakket vallen, maar die daar op termijn onderdeel van zouden kunnen worden.
                             Een bijkomend voordeel is dat marktactiviteiten extra inkomsten genereren. Deze
                             stellen maatschappelijke ondernemingen in staat om de teruglopende bijdragen
                             van overheidswege te compenseren.
                             Doordat maatschappelijke ondernemingen opereren in het publieke domein
       … en hebben veel      onderhouden zij relaties met veel verschillende belanghebbenden (stakeholders).
       belanghebbenden       Allereerst hebben zij natuurlijk te maken met burgers. Zij zijn veelal de voor-
                             naamste afnemers van hun diensten, maar staan ook op andersoortige wijze met
                             hen in contact, bijvoorbeeld als werknemer, als belastingbetaler of als stemge-
                             rechtigde. Verder hebben maatschappelijke ondernemingen te maken met bedrij-
                             ven en andere not-for-profit organisaties. In de regel maken deze indirect gebruik
                             van hun diensten: bedrijven en not-for-profit organisaties profiteren bijvoorbeeld
                        28   AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                            van de kennis die werknemers hebben opgedaan op scholen, van de gezondheid
                            die werknemers hebben behouden in ziekenhuizen et cetera. Daarnaast kunnen
                            zij ook optreden als toeleveranciers van maatschappelijke ondernemingen en als
                            opdrachtgevers, bijvoorbeeld in het geval van contractonderzoek. De overheid is
             De overheid is een andere belanghebbende waarmee maatschappelijke ondernemingen zonder
belanghebbende, maar ook    uitzondering te maken hebben. In vrijwel alle gevallen treedt de overheid op als
     regisseur en financier wetgever en als financier die het functioneren van maatschappelijke ondernemingen
                            inkadert en veiligstelt. In deze hoedanigheid vervult zij een functie die ver uitstijgt
                            boven de rol van ‘gewone’ belanghebbende. Als financier en als wetgever vervult
                            de overheid een regisseursfunctie waarmee zij (delen van) het publieke domein
                            ordent en instandhoudt. Daarnaast treedt de overheid ook op als ‘gewone’
                            belanghebbende die, net als andere organisaties, direct of indirect gebruik maakt
                            van de diensten van maatschappelijke ondernemingen.
                            Gegeven hun inbedding in het publieke domein is publieke verantwoording een
        Verantwoording is   vereiste voor maatschappelijke ondernemingen. Zonder publieke verantwoording
               noodzaak ... dreigt immers het gevaar dat hun legitimiteit in twijfel wordt getrokken. Maat-
                            schappelijke ondernemingen die onvoldoende communiceren met hun omgeving
                            riskeren geïsoleerd te raken en zetten in laatste instantie hun bestaansrecht op het
… want het levert draagvlak spel. Behalve legitimiteit levert publieke verantwoording ook informatie op.
          en informatie op  Maatschappelijke ondernemingen die hun omgeving inlichten over hun functio-
                            neren, kunnen en mogen daarop commentaar verwachten. Dergelijk commentaar
                            verschaft maatschappelijke ondernemingen inzicht in hun functioneren en biedt
                            daarmee aanknopingspunten voor verbeteringen. Het hoeft dan ook niet te ver-
                            bazen dat veel maatschappelijke ondernemingen onlangs stappen hebben gezet
                            om hun verantwoordingsrelaties op orde te brengen.12 Zulke verantwoordings-
                            relaties zijn per definitie meervoudig van aard. Maatschappelijke ondernemingen
                            bedienen meerdere belanghebbenden tegelijk en zijn daarmee gehouden zich naar
                            meerdere zijden te verantwoorden.
                            Hierboven is het concept van de maatschappelijke onderneming zeer globaal om-
                            schreven – het zou van toepassing kunnen zijn op een scala van instanties. De Raad
                            is evenwel van mening dat het concept van de maatschappelijke onderneming bij
                            12 Voor de woningbouw: Commissie Intern Toezicht, Naar professioneel toezicht (S.l., maart 1999). Voor
                                 de gezondheidszorg: Commissie Health Care Governance, Aanbevelingen voor goed bestuur, goed
                                 toezicht en adequate verantwoording in de Nederlandse gezondheidszorg (Leusden, 1 oktober 1999).
                                 Voor het HBO: Commissie Transparant Toezicht op Hogescholen, De Raad van Toezicht in het HBO –
                                 transparant, onafhankelijk en deskundig toezicht (Den Haag, augustus 2000). Voor het MBO: F.J. de
                                 Vijlder en A. Westerhuis, Meervoudige publieke verantwoording – een aanzet tot conceptualisering en
                                 een verkenning van de praktijk (Amsterdam, 2002).
                        29  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                            uitstek van toepassing is op universiteiten. Universiteiten hebben zich de afge-
                            lopen jaren ontwikkeld tot hybride organisaties die zowel publieke taken vervullen
       Universiteiten zijn  als marktactiviteiten verrichten.13 Hierbij is de bestuurlijke autonomie van univer-
        maatschappelijke    siteiten vergroot. Achterliggende gedachte was dat universiteiten het complexe
         ondernemingen      krachtenveld van belanghebbenden zo beter van dienst kunnen zijn. De autonomie
                            van universiteiten is, met andere woorden, direct gebonden aan hun maatschap-
                            pelijke missie: het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs, het verrichten van
                            wetenschappelijk onderzoek en het overdragen van kennis ten behoeve van
                            belanghebbenden.
                            Tegen deze achtergrond wenst de Raad de universiteiten als volgt te positioneren.
                            1 Universiteiten zijn zelfstandige rechtspersonen met drie publieke kerntaken:
                                • verzorgen van wetenschappelijk onderwijs;
                                • verrichten van wetenschappelijk onderzoek;
                                • overdragen van kennis ten behoeve van de maatschappij.
                            2 Om hun kerntaken te kunnen uitvoeren, opereren universiteiten bestuurlijk
                                autonoom.
                            3 Universiteiten hebben geen winstoogmerk, maar ontplooien wel marktactiviteiten
                                voor zover deze dienstbaar zijn aan hun kerntaken.
                            4 Universiteiten bedienen meerdere groepen belanghebbenden.
                                • Burgers: als studenten, werknemers, omwonenden, belastingbetalers en
                                    stemgerechtigden.
                                • Bedrijven en not-for-profit organisaties: als afnemers, strategische partners,
                                    opdrachtgevers en leveranciers.
                                • De overheid: als stelselverantwoordelijke (financier en wetgever), afnemer
                                    en opdrachtgever.
                            5 Omdat hun kerntaken publiek van aard zijn, zijn universiteiten gehouden
                                publieke verantwoording af te leggen over hun activiteiten. Zij doen dit aan
                                alle belanghebbenden.
Voor universiteiten hoort   Door universiteiten te positioneren als maatschappelijke ondernemingen schept
    verantwoording een      de Raad meer duidelijkheid over het doel en de plaats van onderzoeksverant-
     kernactiviteit te zijn woording. In hun hoedanigheid van maatschappelijke onderneming behoort
                            onderzoeksverantwoording voor universiteiten een kernactiviteit te zijn. Door zich
                            publiekelijk te verantwoorden, kunnen universiteiten immers hun maatschappelijk
                            13 Zie ook C.A.M. Mouwen en S.C. Bijsterveld, De hybride universiteit – het onverenigbare verenigd?
                                 (Amsterdam, 2000).
                        30  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Onderzoeksverantwoording   draagvlak versterken en cruciale informatie opdoen over hun taakvervulling. Deze
  hoort meervoudig te zijn verantwoording dient meervoudig van aard te zijn en wel in twee betekenissen.14
                           Enerzijds dient de onderzoeksverantwoording meerdere aspecten te betreffen. Zij
                           moet niet alleen betrekking hebben op de onderzoeksbekostiging, maar evenzeer
                           op de onderzoekskwaliteit en het onderzoeksbeleid. Anderzijds dient de onder-
                           zoeksverantwoording zich te richten tot meerdere belanghebbenden. Zij moet
                           niet alleen gericht zijn op de minister of de Raad van Toezicht, maar evenzeer op
                           bedrijven, not-for-profit organisaties, studenten, werknemers, burgers en dergelijke.
                           Meervoudige onderzoeksverantwoording impliceert niet dat alle belanghebbenden
                           per definitie aangesproken moeten worden op alle aspecten van het onderzoek –
                           maatwerk is gewenst. Over het geheel bezien, dient de onderzoeksverantwoor-
                           ding echter ‘dekkend’ te zijn. Geen van de aspecten of belanghebbenden mag
                           systematisch buiten beschouwing blijven.
                           3..3 Conclusies
                           Over de inrichting van de onderzoeksverantwoording wordt uiteenlopend
                           gedacht. Al naar gelang de visie die partijen hebben op de positionering van de
                           universiteit pleiten zij voor andere adressanten en inhouden van de onderzoeks-
                           verantwoording. De Raad wenst universiteiten te positioneren als maatschappelijke
                           ondernemingen. In dit verband dient de onderzoeksverantwoording meervoudig
                           van aard te zijn. Zij moet handelen over meerdere aspecten (financiën, kwaliteit
                           en beleid) en moet zich richten tot meerdere adressanten.
                           14 Zie ook Sociaal-Economische Raad, Kennis maken, kennis delen – naar een innovatiestrategie voor het
                               hoger onderwijs en onderzoek (Den Haag, 25 april 2003), pp. 55-56.).
                       31  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>              4               Aanbevelingen
                              In dit hoofdstuk doet de Raad aanbevelingen over de inrichting van de onder-
                              zoeksverantwoording door de universiteiten. Conform de adviesvraag richt hij
De aanbevelingen gaan over    zich hierbij voornamelijk op de kwaliteit van de verantwoordingsrelaties. De
             de kwaliteit van achterliggende gedachte is dat universiteiten zich alleen zinvol kunnen verant-
  verantwoordingsrelaties…    woorden wanneer de betreffende relaties op orde zijn. Hiermee is niet gezegd dat
                              de kwaliteit van de verantwoordingsproducten (instellingsplannen, jaarverslagen
                              en dergelijke) onbelangrijk is; integendeel. Maar verantwoordingsproducten kunnen
                              verantwoordingsrelaties niet vervangen; zij kunnen die hooguit ondersteunen. In
                              die zin is de kwaliteit van de verantwoordingsrelaties doorslaggevend.
                              De Raad pleit voor een systeem waarbij universiteiten verantwoordingsrelaties
 … betreffen de relaties met  onderhouden met drie groepen belanghebbenden: de minister, Raden van Toezicht
de minister en de Raden van   en overige belanghebbenden. Conform de adviesvraag richt de Raad zich in zijn
                  Toezicht... aanbevelingen vooral op de verantwoordingsrelaties van universiteiten met de
                              minister en met Raden van Toezicht. Dit wil niet zeggen dat de Raad geen waarde
                              hecht aan de verantwoordingsrelaties van universiteiten met overige belangheb-
                              benden. Sterker nog, in de ogen van de Raad dienen universiteiten hun relaties
                              met burgers, bedrijven en not-for-profit organisaties juist te koesteren. Een gedegen
                              advisering over dit onderwerp valt echter buiten het bestek van dit advies.
                              De Raad is van mening dat de onderzoeksverantwoording in principe alle aspecten
                              moet betreffen. Zowel het onderzoeksbeleid, als de onderzoekskwaliteit en de
… en zijn primair gericht op  onderzoeksbekostiging moeten aan bod komen. In zijn aanbevelingen richt de Raad
     de verantwoording van    zich echter primair op de verantwoording van het onderzoeksbeleid. De verant-
           onderzoeksbeleid   woording van dit aspect vertoont immers de grootste leemtes. De verantwoording
                              van de onderzoekskwaliteit en van de onderzoeksbekostiging lijkt op dit moment
                              afdoende zodat de Raad op dit punt geen aparte aanbevelingen noodzakelijk acht.
                              4..1 Verantwoordingsrelaties met de minister
                              De minister van OCenW is één van de belangrijkste, zo niet de belangrijkste
                              belanghebbende bij het functioneren van het universitaire onderzoek. Anders dan
                           33 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                              de overige belanghebbenden is de minister immers verantwoordelijk voor het
                              functioneren van het stelsel als geheel. Om die verantwoordelijkheid waar te
De minister stuurt veelal via maken, maakt hij in hoofdzaak gebruik van twee instrumenten: van wet- en regel-
        financiën en wet- en  geving enerzijds en van financiële instrumenten anderzijds. Door middel van wet-
               regelgeving…   en regelgeving garandeert de minister onder meer dat de organisatorische infra-
                              structuur en het kwaliteitszorgsysteem voor het universitaire onderzoek op orde
                              zijn. En door middel van financiering maakt hij mogelijk dat het universitaire
                              onderzoek überhaupt kan worden bedreven.
                              Buiten wet- en regelgeving en het financiële instrumentarium heeft de minister op
    … maar niet via overleg   dit moment weinig bemoeienis met het universitaire onderzoek. Bestuurlijk over-
                              leg vindt slechts beperkt plaats. Dit verbaast de Raad. Om zijn verantwoordelijk-
                              heid voor het stelsel als geheel te kunnen waarmaken, is de minister immers aan-
                              gewezen op de medewerking van de universiteiten. Hierbij kan hij niet in de
                              verantwoordelijkheden van de instellingen treden – die zijn bestuurlijk autonoom
                              en behoren dat volgens de Raad ook te blijven. De minister kan echter wel in over-
      Overleg is gewenst en   leg treden met de universiteiten. Tijdens dat overleg dient het beleid van de
                 noodzakelijk minister geconfronteerd te worden met dat van de universiteiten. In veel gevallen
                              zal blijken dat er synergie bestaat tussen beide niveaus, maar er kunnen ook span-
                              ningen optreden. Dergelijke spanningen moeten worden geminimaliseerd, zo niet
                              opgelost. Nederland kan zich niet veroorloven dat de kwaliteit en de doelmatig-
                              heid van het stelsel als geheel te wensen overlaten.
Het overleg dient beleidsrijk In de ogen van de Raad dient de afstemming van het nationale en het lokale
     en commiterend te zijn   wetenschapsbeleid plaats te vinden in een beleidsrijke dialoog met een commit-
                              terend karakter. In zo’n dialoog moeten de minister en de universiteiten afspraken
                              maken over het beleid dat zij gaan voeren. De Raad is van mening dat de minister
                              van OCenW zelf geen keuzes dient te maken in het universitaire onderzoek. Wel
                              dient hij erop toe te zien dat de universiteiten zelf de noodzakelijke keuzes in het
                              onderzoek maken. De Raad acht de beleidsrijke dialoog hiervoor het aangewezen
                              instrument. Hierbij is de zorg voor de doelmatigheid van het systeem een over-
                              koepelende randvoorwaarde. Instellingen kunnen niet afzonderlijk verantwoordelijk
                              worden gesteld voor de doelmatigheid van het systeem als geheel. Maar de
                              minister dient er wel op toe te zien dat de universiteiten als collectief de onder-
                              zoeksgelden doelmatig besteden. Daartoe dient hij er bij de universiteiten op aan
                              te dringen dat zij hun onderzoeksportfolio’s waar nodig op elkaar afstemmen. De
                              Technische Universiteiten bewijzen inmiddels dat een dergelijke afstemming geen
                              onmogelijkheid is.
                          34  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                               De Raad adviseert de minister de verantwoording van de universiteiten over hun
                               (onderzoeks)activiteiten aan te grijpen voor een beleidsrijke dialoog met een
                               committerend karakter.
                            Een beleidsrijke dialoog heeft slechts kans van slagen indien alle gesprekspartners
  Een hoogwaardige inzet is een hoogwaardige inzet tonen. Die inzet heeft allereerst betrekking op de uitvoe-
                 gewenst... ring. Om de beleidsrijke dialoog tot een succes te maken, dienen de deelnemers
                            voldoende bestuurlijk gewicht te hebben. De Raad acht het wenselijk dat het
                            standpunt van de overheid in de beleidsrijke dialoog naar voren wordt gebracht
… dus moet de minister zelf door de minister zelf. Verder dient de ambtelijke voorbereiding op orde te zijn.
deelnemen aan het overleg   Beide zijden zullen moeten beschikken over voldoende, gekwalificeerde ambte-
                            naren ter voorbereiding van de dialoog. Tot slot dienen de bijeenkomsten met
                            enige regelmaat plaats te vinden. De gedachten van de Raad gaan uit naar een
                            frequentie van één maal per jaar.
                               De Raad adviseert de minister de beleidsrijke dialoog één maal per jaar te laten
                               plaatsvinden en deze bijeenkomsten zelf bij te wonen.
 Een hoogwaardige inbreng   Naast een hoogwaardige inzet vergt een beleidsrijke dialoog ook een hoog-
              is gewenst... waardige inbreng. Van de zijde van de overheid dient deze te bestaan uit het
                            algehele wetenschapsbeleid van OCenW. Dit dient duidelijk te maken hoe de
                            minister zijn systeemverantwoordelijkheid jegens het universitaire onderzoek wil
            …dus moet het   waarmaken. De Raad stelt vast dat het huidige wetenschapsbeleid op dit punt te
    wetenschapsbeleid meer  wensen overlaat. De doelen die de overheid nastreeft met het onderzoeksstelsel
           scherpte krijgen als geheel zijn erg globaal: het onderzoek moet voldoende omvang hebben, vol-
                            doende vernieuwend zijn en voldoende kwaliteit hebben.15 Dit zijn zonder meer
                            belangrijke uitgangspunten, maar zij vormen nog geen beleid. Om dat te berei-
                            ken, moeten genoemde uitgangspunten worden geconcretiseerd in beleid. In het
                            huidige wetenschapsbeleid is deze concretisering onvoldoende gerealiseerd.16
                            Bijgevolg is het voor universiteiten lang niet altijd duidelijk op welke punten zij
                            (kunnen) worden aangesproken.
                               De Raad adviseert de minister de algemene doelstellingen van het weten-
                               schapsbeleid transparant en eenduidig te vertalen in beleid.
                            15 Ministerie van OC&W, Wetenschapsbudget 2000 (Den Haag, 1999), p. 17.
                            16 Zie ook Arthur Andersen, Eindrapportage verantwoordingsproject directie OWB van het Ministerie van
                                OC&W (S.l., juni 2001).
                         35 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                            Om de gedachten op dit punt nader te bepalen doet de Raad hier een eerste aanzet
                            tot een dergelijke vertaling.
                            Wettelijke taken         Uitgangspunten                Beleid
                                                     kwaliteit                     vorming zwaartepunten
                                                                                   internationalisering
                                                                                   inzetten op excellentie
                            verzorgen van            vernieuwend vermogen          goed loopbaanbeleid
                            onderzoek                                              flexibiliteit
                                                     omvang                        vorming kritische massa
                                                                                   aanbrengen focus
                                                                                   behoud kleine disciplines
                            verzorgen van            wisselwerking                 personele uitwisseling
                            kennistransfer           transparantie                 goede informatievoorziening
                                                     toegankelijkheid              goede frontdesk
                            Het overheidsbeleid ten aanzien van het universitaire onderzoek mist niet alleen
                            eenduidigheid, maar ook samenhang. Bij dat beleid zijn meerdere departementen
                            betrokken (OCenW en EZ), meerdere directies (binnen OC&W de directie onder-
                            zoeks- en wetenschapsbeleid en de directie wetenschappelijk onderwijs en binnen
                            EZ het directoraat generaal innovatie) en meerdere documenten (het Hoger
                            Onderwijs en Onderzoek Plan, het Wetenschapsbudget en de Innovatienota).
                            Hierdoor kan het gebeuren dat universiteiten geconfronteerd worden met
                            verschillende, deels tegenstrijdige signalen. Zo hecht het ministerie van OCenW
                            veel belang aan onderzoek dat van hoge kwaliteit is, terwijl het ministerie van EZ
                            nadruk legt op onderzoek dat nuttig is. Voor universiteiten is dit een moeilijke
                            situatie: zij worden verschillende richtingen uit gestuurd. Hier komt bij dat het
Bovendien moet het beleid   overheidsbeleid ten aanzien van het universitaire onderzoek door de tijd heen niet
  gericht op universiteiten altijd even consistent is. Dit plaatst universiteiten, die met lange tijdslijnen werken,
 meer samenhang krijgen     soms voor lastige situaties.
                                De Raad adviseert het kabinet meer samenhang te brengen in het overheids-
                                beleid ten aanzien van het universitaire onderzoek. Over de jaren heen dient het
                                beleid voldoende consistent te zijn.
                            Van de zijde van universiteiten dient de inbreng in de beleidsrijke dialoog te bestaan
                            uit de instellingsplannen, begrotingen, jaarverslagen en jaarrekeningen. Op basis
                            hiervan moet de minister zich een beeld kunnen vormen van de beleidsvoornemens
                            van de instellingen en van de mate waarin die voornemens zijn gerealiseerd. Dit
                         36 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>       Instellingsplannen en   stelt uiteraard hoge eisen aan genoemde documenten – de ervaring leert dat zij
   jaarverslagen moeten de     daaraan nog niet voldoen. Op dit moment is de informatie van de jaarverslagen
  minister een helder beeld    te fragmentarisch en te uiteenlopend van kwaliteit om de minister een helder en
                geven van de   betrouwbaar beeld te geven van de ontwikkelingen in de sector.17 De ontwikkeling
           ontwikkelingen in   van een branchejaarverslag door de VSNU is een stap in de goede richting, maar
                universiteiten er moet meer gebeuren. In het kader van de verantwoording zal de minister uni-
                               versiteiten individueel moeten kunnen aanspreken op hun beleidsvoornemens en
                               hun prestaties. Hierbij is het belangrijk dat hij van tevoren aangeeft op welke punten
                               hij geïnformeerd wenst te worden. In de praktijk zal deze informatie in het verlengde
                               van zijn systeemverantwoordelijkheid liggen.
                                   De Raad adviseert de minister erop toe te zien dat instellingsplannen, begrotingen,
                                   jaarverslagen en jaarrekeningen voldoende basis bieden voor een beleidsrijke
                                   dialoog.
                               Tot slot wenst de Raad nog een opmerking te maken over de relatie tussen onder-
                               zoeksverantwoording en onderzoeksfinanciering. Zijns inziens dient er geen directe
     Geen directe koppeling    koppeling te bestaan tussen de bekostiging van het universitaire onderzoek en de
      tussen bekostiging en    beleidsrijke dialoog. De beleidsmatige discussie dient gescheiden te blijven van de
         beleidsrijke dialoog  financiële discussie. Wel zal er op het niveau van de bekostigingssystematiek een
                               heldere relatie moeten komen met de verschillende aspecten van verantwoording
                               die in dit advies zijn behandeld. In dit advies doet de Raad geen uitspraak over de
                               precieze aard van die koppeling. Hij neemt zich voor hierop terug te komen in een
                               apart advies.
                               4..2 Verantwoordingsrelaties met Raden van
                                          Toezicht
                               Veel maatschappelijke ondernemingen beschikken over Raden van Toezicht – zo
                               ook de universiteiten. Deze organen dienen er onder meer op toe te zien dat de
                               instellingsbesturen op evenwichtige wijze recht doen aan de wensen en belangen
                               van alle belanghebbenden. Raden van Toezicht doen dit op eigen gezag – zij ver-
                               tegenwoordigen geen ander belang dan dat van de instelling vis-à-vis de belang-
 Raden van Toezicht dienen     hebbenden. Dit is geen geringe opgave getuige de intensieve discussies die de
het belang van de instelling   afgelopen jaren zijn gevoerd over het toezicht in de profit en not-for-profit sector.
                               17 Ministerie van OC&W, De universiteiten in 1999 – een impressie van de jaarverslagen (Zoetermeer, 15
                                    februari 2001).
                            37 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                           De strekking van die discussie was dat de positie van het toezicht dient te worden
                           versterkt.18
                           Binnen de universiteiten is versterking van de positie van de Raden van Toezicht
                           eveneens gewenst. Universitaire Raden van Toezicht zijn een relatief nieuw feno-
                           meen en moeten gaandeweg hun plaats vinden. De Raad heeft de indruk dat het
                           toezicht op het bestuur en beheer van universiteiten nog aan gewicht kan winnen.
 Raden van Toezicht beter  Raden van Toezicht dienen daartoe duidelijker gepositioneerd te worden.
positioneren voor toezicht
                               De Raad adviseert de minister Raden van Toezicht uitdrukkelijk te positioneren
                               als toezichthoudend organen door:
                               • wettelijk te verankeren dat hun toezichthoudende taak voorrang heeft op
                                  hun adviserende taak;
                               • hen samen te stellen uit personen die ruime ervaring hebben met het besturen
                                  van professionele organisaties. Idealiter worden leden van Raden van Toezicht
                                  gerekruteerd uit de groepen belanghebbenden die universiteiten bedienen.19
                           Op dit moment gebruikt de minister van OCenW de Raden van Toezicht bij tijd
                           en wijle als aanspreekpunten binnen de universiteiten. Dit lijkt logisch aangezien
                           hij de leden van de Raden van Toezicht benoemt – in elk geval voor de openbare
                           universiteiten. Voor een maatschappelijke onderneming is dit echter een onge-
                           wenste gang van zaken. Indien de minister van OCenW de universiteiten wil aan-
                           spreken op strategische kwesties dient hij zich te richten tot de organen die daar-
                           voor verantwoordelijkheid dragen: de Colleges van Bestuur. Raden van Toezicht
                           behoren slechts aanspreekbaar te zijn op die taken waarmee zij zijn belast: het
                           houden van toezicht en het geven van advies.
Raden van Toezicht slechts
aanspreken op toezicht en      De Raad adviseert de minister Raden van Toezicht slechts aan te spreken op die
                    advies     taken waarmee zij zijn belast: het houden van toezicht en het geven van advies.
                               Voor alle overige kwesties dient hij in overleg te treden met de Colleges van Bestuur.
                           18 Commissie Peters, Corporate governance in Nederland – de veertig aanbevelingen (Amsterdam, 25 juni
                                1997).
                           19 De Raad realiseert zich dat deze aanbeveling uitsluitend betrekking heeft op de Raden van Toezicht
                                van de openbare universiteiten. Voor de Raden van Toezicht van de bijzondere universiteiten kan de
                                minister in overleg treden met de instanties die deze benoemen.
                       38  AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>   4..3 Verantwoordingsrelaties met overige
              belanghebbenden
   In hun hoedanigheid van maatschappelijke ondernemingen dienen universiteiten
   niet alleen verantwoording af te leggen aan de overheid, maar ook aan derden –
   burgers, bedrijven en not-for-profit organisaties. Deze maatschappelijke verant-
   woording is van groot belang met het oog op het maatschappelijke draagvlak van
   de universiteiten. Momenteel wordt slechts een klein deel van de overige belang-
   hebbenden actief betrokken in de verantwoording. Aan studenten en werknemers
   wordt verantwoording afgelegd in de medezeggenschapsorganen van de instel-
   lingen. Voor burgers, bedrijven en not-for-profit organisaties is echter weinig gere-
   geld. In het beste geval worden zij bereikt door het jaarverslag. Verscheidene uni-
   versiteiten hebben zich gerealiseerd dat dit onvoldoende is en hebben
   bijvoorbeeld maatschappelijke adviesraden ingesteld. In zulke raden wordt het
   beleid van de organiserende instantie – universiteit, faculteit, onderzoeksschool of
   capaciteitsgroep – op gezette tijden besproken. De Raad juicht dit soort initiatie-
   ven toe en hoopt van harte dat andere instellingen dit voorbeeld zullen volgen.
       De Raad roept universiteiten op meer inhoud te geven aan hun maatschappelijke
       verantwoording. Hij adviseert de minister de universiteiten aan te spreken op de
       activiteiten die zij in dit kader ontplooien.
   Aldus vastgesteld te Den Haag, 21 mei 2003
   J.F. Sistermans
   voorzitter
   mw. dr. V.C.M. Timmerhuis
   secretaris
39 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>   Bijlage 1
   Een vooraankondiging van de adviesvraag was opgenomen in het Wetenschaps-
   budget 2000. Dit stelt dat
       “(…) in het Regeerakkoord is afgesproken het Wetenschapsbudget eens per
       vier jaar uit te brengen. In deze vierjarige beleidscyclus nemen verkenningen
       en het AWT-advies daarover, de strategische plannen van de onderzoeks-
       organisaties en de standpunten daarop van de overheid, en de verant-
       woording daarover een belangrijke plaats in. De AWT zal ik vragen om tijdig
       voor het verschijnen van het volgende Wetenschapsbudget een evaluerend
       advies uit te brengen. Dat advies behandelt het functioneren van deze cyclus
       en de hoofdpunten van beleid, geschetst in dit Wetenschapsbudget.”20
   Drie jaar na het verschijnen van deze vooraankondiging heeft de Raad moeten
   vaststellen dat de nieuwe verhoudingen tussen onderzoeksinstellingen en minister
   nog weinig vaste vorm hebben aangenomen. Vooralsnog zijn partijen hard op
   zoek naar een goede invulling van de nieuwe rollen en taken die hen ten deel val-
   len. Zodoende is het nog niet mogelijk te komen tot een volwaardige evaluatie
   van de nieuwe beleidscyclus. In nauw overleg met het departement van OCenW zijn
   hierop de volgende afspraken gemaakt.
   •   Het advies krijgt een beschouwend, in plaats van een evaluatief karakter.
       Aangezien de implementatie van de nieuwe beleidscyclus in het wetenschaps-
       beleid nog in gang is, kan de Raad daarover geen afgewogen oordeel vellen.
       De ervaring van de afgelopen jaren biedt wel voldoende grond voor een
       beschouwing over de knelpunten die zich (kunnen) voordoen in de beleidscyclus.
   •   Het advies wordt toegespitst op de verantwoordingsfase. Binnen de nieuwe
       verhoudingen verschuift het zwaartepunt in de communicatie tussen minister en
       de onderzoeksinstellingen immers van het begin van de beleidscyclus (prospec-
       tief) naar het einde (retrospectief). Daarmee zijn goed functionerende verant-
       woordingsrelaties cruciaal voor het functioneren van de beleidscyclus als geheel.
   20 Ministerie van OC&W, Wetenschapsbudget 2000, p. 20.
41 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   •  Het advies wordt toegespitst op de onderzoeksverantwoording van de univer-
      siteiten. Onlangs hebben het departement en de buitenuniversitaire onderzoeks-
      instellingen afspraken gemaakt over een herinrichting van de verantwoordings-
      relaties. Voor de universiteiten ontbreken dergelijke afspraken.
   Deze afspraken hebben geleid tot de adviesvraag waarmee dit advies opende.
42 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>   Bijlage 2
   In het kader van het onderhavige advies heeft de Raad gesproken met de volgende
   personen. Uitzonderingen daargelaten, vonden de gesprekken plaats in het najaar
   van 2002.
   • Dhr. drs. H.D. Albeda (directeur Stichting Rekenschap)
   • Mw. drs. J.A. van den Bandt (technologiesecretaris VNO-NCW)
   • Dhr. prof. dr. J.A. de Bruijn (hoogleraar technische bestuurskunde TUD)
   • Dhr. drs. J. Dijk (stafdirecteur onderzoeksstrategie WUR)
   • Mw. dr. J.C.M. van Eijndhoven (voorzitter CvB EUR)
   • Dhr. mr. E.M. d’Hondt (voorzitter VSNU)
   • Dhr. drs. W. Kardux (lid CvB UU)
   • Dhr. prof. dr. F.L. Leeuw (hoofdinspecteur hoger onderwijs)
   • Dhr. prof. dr. W.J.M. Levelt (president KNAW)
   • Dhr. ir. G.J. van Luijk (voorzitter CvB TUD)
   • Dhr. prof. dr. F.J.H. Mertens (hoofdinspecteur V&W)
   • Dhr. drs. C.H. Moen (algemeen directeur KNAW)
   • Dhr. prof. dr. P. Nijkamp (voorzitter NWO)
   • Dhr. drs. R.I.J. Olthoff MBA (directeur onderzoek UU)
   • Dhr. dr. L.J. Roborgh (OCenW, directeur WO)
   • Dhr. mr. D.A.G.J. Schils (secretaris RvT KUN)
   • Dhr. prof. dr. P. Schnabel (directeur SCP)
   • Dhr. drs. C.G.G. Spaan (voorzitter RvT UvA)
   • Dhr. drs. J.G.F. Veldhuis (voorzitter CvB UU)
   • Mw. ir. G.E.T. van Vilsteren (plaatsvervangend stafdirecteur onderzoeksstrategie
      WUR)
   • Dhr. drs. C. Vermeer (directeur directie III, Algemene Rekenkamer)
   • Dhr. prof. dr. F.A. van Vught (voorzitter CvB UTwente)
   • Dhr. drs. P. Zevenbergen (College Algemene Rekenkamer)
   • Dhr. dr. D.C. Zijderveld (hoofd algemene beleids- en bestuurszaken NWO)
43 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>   Bijlage 3
   In 2001 waren de baten van de Nederlandse universiteiten, exclusief Wageningen
   Universiteit, als volgt.21
   Rijksbijdrage                  basis                                  Mfl.    586,6         35%
   onderwijs                      eerstejaars                            Mfl.    205,9         12%
                                  einddiploma’s                          Mfl.    792,5         48%
                                  overig                                 Mfl.      76,2          5%
                                                                         Mfl.  1.661,2       100%
   Rijksbijdrage                  basis                                  Mfl.    427,5         15%
   onderzoek                      proefschriften                         Mfl.    353,0         12%
                                  toponderzoeksscholen                   Mfl.    100,0           4%
                                  strategische overwegingen              Mfl.  1.869,8         65%
                                  onderzoeksscholen                      Mfl.    100,0           4%
                                                                         Mfl.  2.850,3       100%
   Rijksbijdrage                  academische ziekenhuizen               Mfl.    992,1         63%
   overig                         aanvullende middelen                   Mfl.    339,0         21%
                                  huisvesting                            Mfl.    203,8         13%
                                  lerarenopleidingen                     Mfl.        6,4         0%
                                  overig                                 Mfl.      43,2          3%
                                                                         Mfl   1.584,5       100%
   Rijksbijdrage                  totaal                                 Mfl.  6.096,0         67%
   Overige                        baten derde geldstroom                 Mfl.  1.147,4         13%
                                  collegegelden                          Mfl.    455,1           5%
                                  NWO                                    Mfl.    394,1           4%
                                  nadelig saldo                          Mfl.    132,1           1%
                                  rentebaten                             Mfl.    101,2           1%
                                  overige                                Mfl.    799,5           9%
                                                                         Mfl.  9.125,4       100%
   21 Dit overzicht is gebaseerd op data afkomstig van het departement van OC&W, directie WO, afdeling
       analyse.
45 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>   Toelichting
   De rijksbijdrage voor het onderwijs bestaat uit vier componenten.
   •    Een basiscomponent die wordt uitgekeerd op grond van historische overwe-
        gingen (wat kregen de universiteiten vorig jaar).
   •    Een component eerstejaars waarmee universiteiten worden bekostigd op
        grond van hun input (= eerstejaars).
   •    Een component einddiploma’s waarmee universiteiten worden bekostigd op
        grond van hun output (= afgestudeerden).
   •    Een component overige die voornamelijk wordt gebruikt ter bekostiging van
        de werkplaats diergeneeskunde te Utrecht.
   De rijksbijdrage voor het onderzoek bestaat uit vijf componenten.
   •    Een basiscomponent die wordt uitgekeerd op grond van historische overwe-
        gingen (wat kregen de universiteiten vorig jaar).
   •    Een component proefschriften waarmee universiteiten worden bekostigd op
        grond van hun output (= promovendi).
   •    Een component toponderzoeksscholen waarmee universiteiten worden
        bekostigd op grond van hun inspanningen om toponderzoek gestalte te
        geven.
   •    Een component strategische overwegingen die de minister de ruimte geeft om
        eigen keuzes te maken, maar die feitelijk wordt uitgekeerd op grond van histo-
        rische overwegingen (wat kregen de universiteiten vorig jaar).22
   •    Een component onderzoeksscholen die over de universiteiten wordt verdeeld
        naar rato van de som van de overige componenten van het onderzoeksdeel.
   De rijksbijdrage voor het onderwijs en die voor het onderzoek worden uitgekeerd
   als lumpsum. Dit betekent dat de universiteiten zelf kunnen beslissen hoe zij deze
   inkomsten besteden aan onderwijs en onderzoek. Randvoorwaarde hierbij is wel
   dat het onderwijs en het onderzoek dat wordt gerealiseerd met deze gelden van
   voldoende kwaliteit is.
   22 Over de verdeling van de strategische overwegingen component over de universiteiten bestaat veel
        discussie. In 2001 was die verdeling als volgt.
        TUD 17,600%               RUG 9,150%            VUA 7,903%      EUR 4,637%
        UU      12,529%           UL     8,882%         KUN 7,424%      UM     4,441%
        UvA 10,926%               TUE 8,231%            UT  6,496%      KUB 1,781%
46 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>   Het resterende deel van de rijksbijdrage bestaat uit de volgende elementen.
   •  Een component academische ziekenhuizen waaruit de opleidingsfunctie van
      de academische ziekenhuizen wordt bekostigd.
   •  Een component aanvullende middelen die bestaat uit bijdragen uit geoormerkte
      fondsen, prijsbijstellingen, extra uitkeringen in het kader van voor- en najaars-
      nota et cetera.
   •  Een component huisvesting waarmee de minister tegemoet komt aan huis-
      vestingswensen en -problemen van individuele instellingen.
   •  Een component lerarenopleidingen waarmee de opleiding voor eerste graad
      leraren wordt bekostigd.
   •  Een component overige.
   Daarnaast kennen universiteiten nog de volgende inkomstenbronnen.
   •  Inkomsten uit bijdragen voor contractonderzoek en -onderwijs. Een schatting
      leert dat ongeveer Mfl. 250 van deze inkomsten afkomstig is van de rijksoverheid.
   •  Inkomsten uit subsidies van NWO.
   •  Inkomsten uit collegegelden.
   •  Inkomsten uit leningen.
   •  Inkomsten uit rente.
   •  Inkomsten uit dienstverlening (mensa’s, kantines, copyshops), verhuur van
      gebouwen, verkoop van terreinen en dergelijke.
47 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>   Bijlage 4
   Gedurende grote delen van de negentiende en twintigste eeuw waren veel
   Nederlandse universiteiten nauw verweven met de nationale overheid.23 Tot ver na
   de Tweede Wereldoorlog waren de rijksuniversiteiten onderdelen van de rijks-
   dienst. Hun bestuur en beheer berustten bij curatoren die sterk afhankelijk waren
   van de minister. Laatst genoemde moest onder meer de jaarlijkse begroting goed-
   keuren evenals de benoemingen van hoogleraren. Hoogleraren waren in dienst
   van het rijk – reden waarom zij kroondocenten werden genoemd. Gebouwen en
   terreinen van de rijksuniversiteiten waren in bezit van het Rijk. Bij de bijzondere
   universiteiten – de VU, de KUN, de UvT en aanvankelijk ook de EUR – waren de
   zaken anders geregeld. Zij waren privaatrechtelijke rechtspersonen die in principe
   op eigen benen stonden. In praktijk had de minister evenwel aanzienlijke invloed
   op hun reilen en zeilen. Naarmate de bijzondere universiteiten in omvang toenamen
   en meer faculteiten omvatten, konden zij minder goed voorzien in hun eigen
   financiering. Bijdragen van het Rijk werden noodzakelijk en opeenvolgende
   ministers wilden die alleen verstrekken voor zover bijzondere universiteiten zich
   conformeerden aan grote delen van de wet- en regelgeving.
   De vergaande verwevenheid van de universitaire wereld met de nationale overheid
   is altijd een bron van spanningen geweest. Dit was reeds het geval in de negen-
   tiende eeuw toen bij herhaling het voortbestaan van één van de Rijksuniversiteiten
   ter discussie werd gesteld. Nadat in 1880 het bijzonder hoger onderwijs ten tonele
   was verschenen, trachtten de rijksinstellingen hun financiële en bestuurlijke armslag
   te vergroten door zogeheten universiteitsfondsen in het leven te roepen. Deze
   fondsen hebben echter nooit de omvang bereikt die hun oprichters voor ogen
   stond. Gedurende het Interbellum kreeg de hang naar groter zelfstandigheid een
   nieuwe impuls toen verscheidene prominenten bepleiten om rijksuniversiteiten
   rechtspersoonlijkheid te geven. Vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog
   23 Deze bijlage is gebaseerd op Th. Arriëns, Universitaire bestuursorganisatie (Alphen aan den Rijn,
       1970); J.W. Foppen, Gistend beleid – veertig jaar universitaire onderwijspolitiek (Amsterdam, 1989); J.
       Huizinga, Het bestuur der rijksuniversiteiten, in Verzamelde werken VIII (Haarlem, 1951); C.J.A. de
       Ranitz, De rechtspositie van de rijksuniversiteit en haar elementen (Alphen aan den Rijn, 1938); P.
       Zoontjens, Vrijheid van wetenschap – juridische beschouwingen over wetenschapsbeleid en hoger onder-
       wijs (Zwolle, 1993).
49 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   is deze wens niet meer in vervulling gegaan. Het heeft tot 1960 geduurd voordat
   de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs de rijksuniversiteiten (publiekrechte-
   lijke) rechtspersoonlijkheid schonk.
   De roep om meer zelfstandigheid voor de (rijks)universiteiten is dus niet nieuw –
   hij was al hoorbaar in grote delen van de negentiende en twintigste eeuw. In deze
   periode veranderden de verhoudingen weinig. Halverwege de jaren tachtig van
   de vorige eeuw zijn de ontwikkelingen evenwel in een stroomversnelling geraakt.
   Met het uitbrengen van de beleidsnota Hoger onderwijs, autonomie en kwaliteit
   (1985) heeft de toenmalig minister van OCenW een beweging op gang gebracht
   om de universiteiten op afstand te plaatsen. Dit beleid was ingegeven door de
   gedachte dat wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen steeds snel-
   ler gaan zodat een uniforme en centrale aansturing van de instellingen steeds
   minder aantrekkelijk wordt. De universiteiten, zo was de idee, moeten een grotere
   mate van zelfstandigheid krijgen om snel en flexibel te kunnen inspelen op de ont-
   wikkelingen waarmee zij worden geconfronteerd. Daarom werd een terugtred
   van de overheid binnen het hoger onderwijs bepleit. Die terugtred zou echter niet
   compleet mogen zijn. De HOAK-nota noemde vijf kerntaken die de overheid blij-
   vend op zich diende te nemen. Deze betroffen de zorg voor de instandhouding,
   toegankelijkheid, vernieuwing, kwaliteit en doelmatigheid van het stelsel.
   De afgelopen vijftien jaar zijn belangrijke delen van de agenda van de HOAK-nota
   ten uitvoer gebracht. In die periode zijn de universiteiten bijvoorbeeld in het bezit
   gekomen van de gebouwen en terreinen die zij gebruiken. Daarnaast hebben zij
   meer zeggenschap gekregen over onder meer de inrichting van de onderwijspro-
   gramma’s, de arbeidsvoorwaarden van het personeel en het bestuur en beheer
   van de universiteiten. Parallel hieraan is eveneens verandering gebracht in de
   financiering van het universitaire bestel. Voor de instellingsbesturen en voor het
   departement van OCenW hebben deze ontwikkelingen grote gevolgen gehad.
   Naarmate de universiteiten op groter afstand van de overheid gingen opereren,
   hebben zij hun rollen opnieuw gestalte moeten geven en hun organisatie daarop
   moeten aanpassen. Aan de zijde van de instellingen heeft dit geleid tot een
   vergaande professionalisering van het bestuur met een versterking van de invloed
   van het centrale niveau. Aan de zijde van de overheid heeft dit geresulteerd in een
   departement dat zich wil opstellen als een procesbegeleider die ruimte vooraf
   biedt, maar achteraf rekenschap eist. Voor beide spelers geldt dat het verande-
   ringsproces dat zij doormaken geenszins is afgerond. Zowel de universiteitsbesturen
   als het departement zijn nog steeds zoekende naar een goede invulling van de rollen
   die zij dienen te vervullen.
50 AW T- a d v i e s n r. 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>