<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>59
  Tijd om te oogsten!
  Vernieuwing in het innovatiebeleid
  juni 2004
            Adviesraad voor het
            Wetenschaps- en Technologiebeleid
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>  Colofon
  Vormgeving:       Junior beeldvorming - Zoetermeer
  Druk:             Quantes - Rijswijk
  Juni 2004
  ISBN 90 77005 24 2
  Verkoopprijs      € 12,50
  Auteursrecht
  Alle rechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen van
  deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke
  toestemming van de AWT. Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van
  organisatienaam en naam en jaartal van uitgave.
2 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  Inhoud
            Samenvatting                                                 5
  1         Inleiding                                                    7
            1.1     De adviesvraag                                       7
            1.2     Beleidscontext voor de adviesvraag                  10
            1.3     Afbakening                                          11
            1.4     Overweging vooraf: innovatie op alle fronten        11
  2         Innovatie: wat, waarom en hoe                               13
            2.1     Wat is innovatie?                                   13
            2.2     Waarom innovatie?                                   14
            2.3     Trends in innovatie                                 15
  3         Sterktes en zwaktes van het Nederlandse innovatiesysteem    19
            3.1     Opmerkingen vooraf                                  19
            3.2     De sterktes en zwaktes van het innovatiesysteem     20
            3.3     Sterke punten                                       21
            3.4     Zwakke punten                                       23
            3.5     Conclusies                                          28
  4         Aanbevelingen voor het Nederlandse innovatiebeleid          29
            4.1     Meer aandacht voor de benutting van kennis          31
            4.2     Zorg voor een brede, bestendige basis door adequate
                    investeringen                                       33
            4.3     Meer aandacht voor sterktes in bedrijvigheid        34
            4.4     Meer aandacht voor niet-technologische aspecten     35
            4.5     Een actievere overheid                              36
  Bijlage 1         Literatuur                                          39
  Bijlage 2         Ontwikkelingen in het denken over innovatiebeleid   41
                    Lijst van uitgebrachte adviezen                     45
3 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>4 awt-advies nr. 59</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
  Nederland verkeert momenteel nog in de positie om zich te ontwikkelen tot de
  innovatiedelta van Europa; het is een goed land om in te wonen, werken en zaken
  te doen, we hebben uitstekend onderzoek en zijn creatief. Maar onze economie
  raakt wel steeds verder achter bij de kop van het peloton; in het internationale
  krachtenspel benutten wij ons innovatiepotentieel niet genoeg. Dat heeft vooral te
  maken met het proces van globalisering en de inhaalslag die andere landen in reactie
  daarop maken. Waar andere landen ingrijpen en opstomen, maakt Nederland
  momenteel onvoldoende gebruik van haar sterke punten. Ten opzichte van andere
  landen raakt Nederland daardoor haar gunstige uitgangspositie kwijt.
  In dit advies beveelt de AWT daarom aan snel tot daden te komen en het huidige
  innovatiebeleid op vijf punten bij te stellen. Dat doet hij op basis van een sterkte/
  zwakte analyse en een aantal trends in het denken over en de praktijk van innovatie.
  1            Meer aandacht voor de benutting van kennis
  Nederland presteert excellent in wetenschappelijk onderzoek. Wij weten onderzoek
  alleen niet optimaal te benutten voor succesvolle innovaties op de markt. Het knel-
  punt in ons innovatiesysteem zit dus eerder aan de kant van de vraag en de markt,
  dan aan de kant van onderzoek en R&D. Kennisontwikkeling krijgt op dit moment
  echter wel de meeste aandacht in het innovatiebeleid. Dat moet omgedraaid wor-
  den, zodat de benutting van kennis – het oogsten – centraal komt te staan. Dat
  vergt het verhogen van het kennisniveau in bedrijven en het versterken van netwerk-
  vorming.
            Verhoog het kennisniveau in bedrijven – Het ‘human capital’ dat onderzoek
  selecteert, vertaalt en toepast in bedrijfsprocessen, moet sterker gekoesterd worden.
  Zorg daarom voor meer hoger opgeleiden in bedrijven, bijvoorbeeld door een maat-
  regel waarmee MKB bedrijven hoger opgeleiden kunnen aanstellen.
            Versterk netwerkvorming – Kennisoverdracht vindt plaats in netwerken van
  verschillende bedrijven en kennisinstellingen. Het beleid moet daarom inzetten op
  voldoende stevige en korte verbindingen tussen degenen die kennis produceren, en
  degenen die het kunnen toepassen. Bijvoorbeeld door de mobiliteit tussen bedrijven
  enerzijds en universiteiten en hogescholen anderzijds te stimuleren.
  2            Zorg voor een brede, bestendige basis door adequate investeringen
  Meer aandacht voor benutting mag echter niet ten koste gaan van de zorg voor de
  basis van de kenniseconomie. De goede ‘kenniseconomische’ prestaties van Neder-
  land zijn een product van langdurige investeringen in het verleden. Nederland heeft,
  naast goed onderzoek, vergelijkenderwijs een redelijk hoog geschoolde bevolking
5 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  met veel kenniswerkers, een goed gevulde octrooiportefeuille, veel R&D intensieve
  multinationals op haar grondgebied, en een goed vestigingsklimaat.
            Keer de dalende trend – De huidige trend van dalende investeringen in
  onderwijs en onderzoek moet gekeerd worden. Vooral omdat het onderwijs op dit
  moment een aantal zorgwekkende ontwikkelingen laat zien, zoals een toenemende
  voortijdige uitval uit het VMBO. Nog los van de Lissabon-doelstellingen, is het juist
  nu de tijd om te investeren in een brede basis voor Nederland. Dat is een cruciale
  vestigings-factor voor hoogwaardige, kennisintensieve bedrijvigheid. De ons omrin-
  gende landen doen dit momenteel beter dan wij.
            Buit de differentiatie in de kennisinfrastructuur uit – Die kennisbasis moet
  vervolgens goed ingericht worden, met onderscheiden taken voor de verschillende
  kennisinstellingen. Het beleid zet nu sterk in op valorisatie van kennis door de uni-
  versiteiten – terwijl juist zij goed zijn in grensverleggend onderzoek. Door de univer-
  siteit taken van de intermediaire kennis-infra-structuur (TNO, GTI’s) te geven – zoals
  kennisoverdracht naar het bedrijfsleven – zet de overheid de verschillende instellin-
  gen te veel op hetzelfde spoor.
  3            Meer aandacht voor sterktes in bedrijvigheid
  In de geglobaliseerde economie wordt de concurrentie op innovatieve bedrijvigheid
  steeds sterker. Daardoor wordt excellentie op wereldniveau belangrijker. Nederland
  is echter te klein om overal in uit te blinken, en dus moeten we proberen op een
  beperkt aantal gebieden een vuist te maken. Naast het bestaande, vooral generieke
  beleid, is het daarom tijd voor ‘backing winners’ en voor meer specifiek, toegesne-
  den beleid.
            Maak keuzes in het stimuleren van bedrijvigheid – Specifiek innovatiebeleid
  moet niet uitgaan van de technologie of de kennis die we in huis hebben, maar van
  de kansen op de markt. Het gaat dus om sterktes in innovatieve bedrijvigheid. De
  overheid moet daarbij het proces faciliteren waarin een aantal kansrijke en succes-
  volle netwerken van bedrijven en kennisleveranciers de ruimte krijgen om te excelleren.
  De overheid kan met gerichte ondersteuning op een beperkt aantal gebieden kritische
  massa en momentum realiseren. Het gaat daarbij niet alleen om het wegnemen van
  belemmeringen, maar ook om het pakken van kansen.
            Lever maatwerk – Daarbij gaat het om maatwerk; het ene cluster heeft een
  heel ander ‘zetje’ nodig dan het andere. Waar het ene cluster bijvoorbeeld investe-
  ringen in een grote testfaciliteit nodig heeft, heeft het andere vooral behoefte aan
  managementondersteuning door een neutrale partij. Ook het betrekken van het
  MKB bij clustervorming vereist maatwerk en inzicht in haar specifieke behoeften.
  4            Meer aandacht voor niet-technologische aspecten
  Bedrijven signaleren in het gehele innovatietraject knelpunten, niet alleen aan de
  kant van de technologie- en kennisontwikkeling. Vaak hangen obstakels voor inno-
6 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>  vatie juist samen met andere zaken, bijvoor-beeld vormgevings-, marketing- of
  managementaspecten. Het beleid heeft momenteel te weinig aandacht voor deze
  niet-technologische aspecten van nieuwe producten en van het innovatietraject zelf.
            Besteed meer aandacht aan vormgeving – Sterk in het oog springt het be-
  lang van vormgevings- of designaspecten. Het succes van nieuwe producten hangt
  steeds sterker af van hun vormgeving – zeker in de consumentenmarkt. Nederland
  kan zich gelukkig prijzen met hoogwaardige expertise, opleidingen en competenties
  op het gebied van ontwerp en design, maar het beleid besteedt nog te weinig aan-
  dacht aan het belang daarvan voor onze innovatiekracht.
            Stimuleer de ontwikkeling van innovatiecompetenties – Ook het innovatie-
  proces in bedrijven zelf is vaak gebaat bij niet-technologische competenties als
  managementervaring, marketingvaardigheden of marktkennis. De overheid zou de
  ontwikkeling daarvan moeten stimuleren, bijvoorbeeld met een regeling voor coa-
  ching van het management van jonge, groeiende bedrijven.
  5            Een actievere overheid
  De consequentie van bovenstaande aanbevelingen is, dat de overheid zich actiever
  moet gaan opstellen. De AWT beveelt immers op een aantal punten aan dat het
  beleid specifieker moet worden; toegesneden op uiteenlopende behoeften, georiën-
  teerd op kansen en gericht op sterktes. Binnen het generieke beleid is ruimte voor
  maatwerk.
            Wees een actieve netwerkspeler – Bij een rol als speler in het netwerk hoort
  een interactieve houding en oog voor de uiteenlopende behoeften van verschillende
  typen bedrijven. Daar hoort ook bij dat de overheid snel concrete acties kan onder-
  nemen en bereid is risico’s te nemen. Niet iedere potentiële innovatie wordt nu een-
  maal gerealiseerd.
            Wees een innovatieve opdrachtgever – De rijksoverheid heeft los van het EZ
  innovatiebeleid nog andere instrumenten in handen om innovatie te stimuleren. Met
  haar ruime bestedingen in de uitvoering van beleid, kan zij innovatief gedrag oproe-
  pen in verschillende sectoren. De departementen moeten actiever de mogelijkheden
  benutten die zij hebben om stimulerend op te treden in hun sector, bijvoorbeeld als
  ‘launching costumer’ bij aanbestedingen.
  Kortom: innovatie op alle fronten
  Een bloeiende samenleving innoveert continu op alle terreinen en oogst wat zij daar
  gezaaid heeft. Het versterken van onze innovatiekracht is van essentieel belang voor
  de ontwikkeling van de kenniseconomie. Maar innovatie is van minstens even groot
  belang bij het aanpakken van maatschappelijke vraagstukken en voor publieke sec-
  toren als mobiliteit, gezondheidszorg, integratie, criminaliteitsbestrijding onderwijs
  of duurzame ontwikkeling. Bovendien ontwikkelt een kenniseconomie zich niet
  goed als hij niet is ingebed in een creatieve en innovatieve cultuur. Daarom is een
7 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  blijvende zorg voor de maatschappelijke, sociale en culturele kwaliteit van ons land
  van essentieel belang.
8 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                    1       1.1
                                          Inleiding
                                          De adviesvraag
                            De themacommissie Technologiebeleid van de Tweede Kamer heeft de Adviesraad
                            voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) in april 2004 benaderd om te
                            bekijken op welke wijze de AWT de commissie behulpzaam kan zijn bij haar werk-
                            zaamheden. Dit heeft geresulteerd in de volgende adviesvraag:
                            Adviesvraag Knelpunten in het innovatiesysteem
                            Achtergrond
                            De themacommissie Technologiebeleid wil meer inzicht krijgen in de knelpunten van
                            het innovatiebeleid in de gehele keten van kennisontwikkeling tot innovatie.
                            Bovendien wil zij inzicht krijgen in de rol van de overheid in de keten en in de
                            mogelijkheden om de overheid een andere rol te laten spelen bij het oplossen van
                            knelpunten. De themacommissie vraagt de AWT hierover advies uit te brengen om
                            zelf te komen tot een onderbouwde visie op het innovatiebeleid van de overheid.
                            Adviesvragen
                            Dit resulteert in de volgende vragen:
                            •          Op welke punten functioneert het Nederlandse innovatiesysteem goed en op
                                       welke punten minder goed? Waar in het proces van kennisontwikkeling tot
                                       innovatie doen zich de grootste problemen voor? Zijn er wat dit betreft ver-
                                       schillen tussen typen bedrijven?
                            •          Op welke onderdelen van het innovatiesysteem richt het beleid van de over-
                                       heid zich en met welke instrumenten? Waar zitten de “witte vlekken” in het
                                       beleid van de overheid? Waar zou de overheid iets kunnen betekenen, maar
                                       treedt zij onvoldoende op of hanteert zij de verkeerde instrumenten?
                            •          Acht de Raad aanpassingen of bijstellingen van innovatiebeleid van de over-
                                       heid gewenst? Zo ja, welke?
                            De themacommissie verzoekt de Raad om het functioneren van het Nederlandse
                            innovatiesysteem, waar mogelijk, in een internationaal perspectief te plaatsen.
  dit advies behandelt      De AWT heeft deze vraag aangegrepen om zijn recente adviezen over innovatie bij
de grote lijnen van het     elkaar te pakken en hier in samenhang te presenteren . Het advies behandelt de
       innovatiebeleid      beleidsagenda op de middellange termijn en komt uit tussen het verschijnen van de
                            innovatiebrief en de industriebrief van EZ in. Het volgt kort op het verschijnen van
                            de OCW beleidsnota’s het Wetenschapsbudget en het HOOP. Dit advies zal echter
                            niet gedetailleerd op deze beleidsstukken ingaan of er op anticiperen. Het zal ook
                            niet ingaan op concrete beleidsinstrumenten of -maatregelen. De AWT beperkt zich
                            hier conform de adviesvraag tot de grote lijnen en trends in theorie, praktijk en
                            beleid voor innovatie.
                     9  awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                      1.2          Beleidscontext voor de adviesvraag
                      In de politiek en het beleid bestaat momenteel veel aandacht voor kennis, voor
                      innovatie en voor de verbinding tussen die twee, veelal onder de term ‘kenniseco-
                      nomie’:
                      Speerpunt van nationaal beleid
  Den Haag heeft al   Het huidige kabinet heeft van kennis, onderwijs en het verder groeien tot een con-
oog voor innovatie... currerende kenniseconomie speerpunten van beleid gemaakt. Stimuleringsbeleid
                      voor innovatie, voornamelijk bij bedrijven maar ook in de publieke sector, is een
                      belangrijke manier om deze uitgangspunten van het regeringsbeleid gestalte te
                      geven. Aan innovatiebeleid wordt in deze regeringsperiode extra aandacht gegeven
                      onder andere met de instelling van het innovatieplatform onder voorzitterschap van
                      premier Balkenende.
                      Lissabon-doelstellingen
                      De nadruk die dit kabinet legt op kennis hangt ook samen met de Lissabonambities,
                      waarin de Europese Raad van Ministers heeft uitgesproken Europa te willen ontwik-
  ... en Brussel ook! kelen tot ‘de meest concurrerende op kennis gebaseerde economie ter wereld, in
                      staat tot duurzame economische groei’. Maar ook tot een Europa ‘met meer en
                      betere banen en een hechtere sociale samenhang’, waarmee het Rijnlandse model
                      wordt gekoppeld aan de kenniseconomie.
                      Discussie: de Rijnlanders tegen de Angelsaksen
                      De tekst van de Lissabondoelstellingen noemt de Verenigde Staten niet expliciet.
                      Toch weet iedereen dat het eigenlijke doel is: de VS inhalen. Het internationale
                      innovatiedebat is daarom ook deels een debat over welk systeem ‘beter’ is. Het
                      Rijnlandse model van inkomensherverdeling en sociale zekerheden, of het Angel-
                      saksische model waar de markt het dominante ordenende principe is.
                      De innovatieliteratuur en empirie geven een gemengd beeld. Binnen de EU blijken
                      juist de landen met de sterkste herverdeling van inkomen, en zelfs met de hoogste
                      graad van vakbondslidmaatschap, de meest innovatieve landen te zijn. Dit zijn naast
                      Nederland ook Denemarken, Finland en Zweden. Een causale relatie is hiermee
                      overigens nog niet aangetoond.
                      Er bestaan dan ook tegengestelde theorieën. Hogere lonen leiden tot lage winsten
                      en daardoor minder investeringsmogelijkheden.Tevens leiden starre arbeidsmarkten
                      tot een verminderd aanpassingsvermogen. Van de andere kant wordt gesteld dat
                      lage lonen juist een verminderde prikkel geven om in innovatie te investeren.
                      Bovendien versterken vakbonden de betrokkenheid van werknemers en de informa-
                      tiestroom tussen werknemers en werkgevers.
                      Bron: European Innovation Scoreboard - Technical paper no5 (2003)
                   10 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                       Nederland heeft daarbij aangegeven binnen Europa tot de top te willen behoren. In
concurreren op kennis  deze internationale ‘beleidsconcurrentieslag’ tussen Europa en andere grote econo-
           is cruciaal mieën (China, India, Amerika, Japan), is het cruciaal te concurreren op kennis. In de
                       Europese Commissie wordt in het kader van de Lissabondoelstellingen bij voortdu-
                       ring extra aandacht en fondsen gevraagd voor het stimuleren van wetenschap, R&D,
                       scholing, ICT en de innovatiekracht van het bedrijfsleven. Exemplarisch voor de
                       Europese inspanningen is de afspraak over het minimumniveau van investering in
                       R&D van 3 % van het BBP; de zogenaamde Barcelonadoelstelling.
                       1.3          Afbakening
                       Het innovatiebeleid in strikte zin
                       De AWT concentreert zich in dit advies, mede gezien de adviesvraag, op het beleid
                       dat direct is gericht op innovatie door het bedrijfsleven. Hij wil er daarbij op wijzen
                       dat ander type beleid ook grote effecten kan hebben op innovatie en op het inno-
                       vatiesysteem. Fiscaal beleid (verdeling van lasten over kapitaal of arbeid), faillisse-
                       ments- of ontslagrecht, milieu-, veiligheids- of defensiebeleid, mededingings- of
                       aanbestedingsregelgeving, het zijn alle voorbeelden van overheidsingrijpen dat inno-
                       vatieprocessen beïnvloedt. Dat tekent al de complexiteit van de opgave om het
                       functioneren van het innovatiesysteem te verbeteren; het vergt afstemming van zeer
                       uiteenlopende beleidsmaatregelen die ieder voor zich eigen doelstellingen dienen.
                       Nationaal beleid
                       Gezien de adviesvrager gaat het hier om Nederlands nationaal beleid, en niet om
                       het beleid van andere bestuurslagen, zoals het EU-beleid of het beleid van provin-
                       cies. De internationale context wordt er wel in betrokken maar het perspectief dat
                       hier steeds wordt gehanteerd is dat van de nationale overheid.
                       1.4          Overweging vooraf: innovatie op alle fronten
                       De publieke discussie over de kenniseconomie wordt gedomineerd door de vraag
                       hoe de concurrentiekracht van Nederland versterkt kan worden. De AWT onder-
                       schrijft de stelling dat het versterken van innovatiekracht van groot belang is voor
                       de vitaliteit van onze economie. Maar hij vindt innovatie van minstens even groot
                       belang voor het oplossen van maatschappelijke vraagstukken en de publieke sector.
 het publieke domein   Een bloeiende samenleving moet constant innoveren, in al haar domeinen. Dus ook
    moet ook winnen    in publieke sectoren als de gezondheidszorg en het onderwijs en in de zorg voor
  aan innovatiekracht  veiligheid, mobiliteit, integratie en voor duurzame ontwikkeling. Dat heeft niet
                       alleen een betere publieke dienstverlening als resultaat. Het is ook in economisch
                       opzicht van belang, gezien de omvang van de bestedingen van de overheid in deze
                       sectoren.
                   11  awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>   Nederland moet haar kennis dus niet alleen inzetten voor economische processen
   die de welvaart verhogen. Het is evenzeer van belang kennis te gebruiken voor het
   aanpakken van maatschappelijke knelpunten en voor het versterken van het welzijn,
   het democratische gehalte, het leervermogen en de participatiegraad van de samen-
   leving.
   Bovendien, een kenniseconomie kan zich alleen goed ontwikkelen als hij is ingebed
   in een cultureel hoogstaande, creatieve, tolerante en open kennissamenleving. Als
   vestigingsfactor voor kennisintensieve bedrijvigheid wint het culturele klimaat aan
   belang. Daarom is een blijvende zorg voor de maatschappelijke, sociale en culturele
   kwaliteit van ons land essentieel om een competitieve innovatieve economie uit te
   bouwen.
   Perspectieven op de kennissamenleving
   De AWT heeft eerder verschillende functies van kennis voor de samenleving uitge-
   werkt aan de hand van vier perspectieven:
   1         De producerende samenleving – In dit perspectief heeft kennis de rol om
             concurrentiekracht van de Nederlandse economie te versterken; het wordt
             gezien als de drijvende kracht achter innovatie-processen.
   2         De samenhangende samenleving – Hier ligt het accent op de bijdrage van
             kennis aan de kwaliteit en robuustheid van de samenleving, bijvoorbeeld
             door het helpen oplossen van prangende maatschappelijke problemen.
   3         De argumenterende samenleving – In de kennissamenleving raken burgers
             steeds beter op de hoogte en mondiger. Rationele, op kennis gebaseerde,
             argumenten worden dus belangrijker voor de inrichting van de samenleving
             en het beleid.
   4         De lerende samenleving – Dit perspectief belicht kennis vanuit een proces-
             benadering. Het gaat erom dat kennis breed door de samenleving stroomt
             waardoor het aanpassingsvermogen van alle geledingen groter wordt.
   Bron: AWT Achtergrondstudie 29. Perspectieven op de kennissamenleving (2002)
12 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                      2               Innovatie: wat, waarom en hoe
                         In de literatuur en in het debat over innovatiebeleid treft men verschillende achter-
                         liggende ideeën over innovatie aan. De AWT zet daarom in dit hoofdstuk kort uit-
                         een wat hij verstaat onder innovatie, waarom het juist nu aandacht nodig heeft en
                         welke trends in de praktijk van innovatie de Raad belangrijk vindt voor de bijstelling
                         van het beleid.
                         2.1          Wat is innovatie?
  "de introductie op de  Volgens de breedste definitie is innovatie ‘de succesvolle toepassing van iets nieuws’.
markt van iets nieuws"   De AWT beperkt het begrip innovatie hier echter enigszins, namelijk tot economi-
                         sche activiteiten: innovatie is volgens deze definitie ‘het met succes naar de markt
                         brengen van nieuwe, verbeterde, of meer concurrerende producten, processen,
                         diensten of organisatievormen’. Dit kan bijvoorbeeld door de toepassing van al lang
                         bestaande kennis. Innovatie moet dan ook niet verward worden met inventie.
                         Inventie is ‘het bedenken van iets geheel nieuws’. Dit kan weliswaar ook leiden tot
                         innovatie, maar daarvoor is dan vaak nog een heel traject nodig van ontwikkeling
                         en commercialisering.
                         Innovatie is een interactief proces. De vermarkting van nieuwe, verbeterde of meer
                         concurrerende producten, processen of diensten loopt over een groot aantal schijven.
            innoveren is Het is lastig om hierin opeenvolgende fasen aan te wijzen: onderzoek, productont-
 een intensief proces... wikkeling, marketing en productie lopen vaak parallel en er vindt volop terugkop-
                         peling tussen de verschillende fasen plaats. Innovatie is dus geen lineair proces.
                         Onderzoek maakt in dit interactieve spel meestal maar een beperkt, zij het essen-
                         tieel, deel van de inspanningen van organisaties uit. Dit geldt zelfs voor gebieden
                         die sterk gedreven worden door nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen zoals
                         het terrein van de biotechnologie.
                         Daarnaast is belangrijk op te merken dat voor de innovatiekracht en het -klimaat
... waarin veel partijen van een land een groot aantal partijen en hun onderlinge relaties relevant zijn. Een
          een rol spelen veelgebruikt theoretisch kader hiervoor is dat van het Dynamisch Innovatie Systeem.
                      13 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                             Dynamisch Innovatie Systeem
                                                                               Vraag
                                             Bedrijven                       Overheden                  Consumenten
                                                                           Intermediaire
                                                                         samenwerkings-
                                                                                                         Onderwijs en
                                               Bedrijven                     verbanden
                                                                                                          onderzoek
                                                                        Randvoorwaarden
                                                 (infrastructuur, instituties, cultuur, financiering, regelgeving)
                             2.2          Waarom innovatie?
                             Innovatie is uiteindelijk het voornaamste wapen in de concurrentiestrijd tussen
                             bedrijven. Het stelt bedrijven in staat zich te onderscheiden van de concurrenten
                             door goedkopere, betere of andere producten te maken. Dat is overigens altijd zo
                             geweest. Nederlandse handelaars veroverden bijvoorbeeld in de Gouden Eeuw
                             wereldmarkten met snellere schepen. Waarom staat innovatie dan nu opeens zo in
                             de belangstelling?
   loonmatiging en hogere    De economische groei van de afgelopen jaren in Nederland is vooral te danken aan
arbeidsparticipatie hebben   loonmatiging en een hogere arbeidsparticipatie. Dat zijn andere strategieën dan
        ons goed gedaan...   inzetten op innovatie. Deze strategie van loonmatiging en participatieverhoging is
                             gevoerd door overheid, vakbonden en het bedrijfsleven. Naast de voordelen voor de
                             concurrentiekracht van het bedrijfsleven, bood dit een effectieve manier om de
                             werkloosheid in de jaren ’90 te doen afnemen.
            ... maar zijn nu Nederland stuit nu echter op de grenzen van de loonmatigingsstrategie. Dat komt
      niet meer voldoende    vooral door de internationalisering van markten. De wereldhandel is sterk gegroeid,
                             enerzijds door het afnemen van handelsbarrières (denk aan uitbreiding EU, WTO),
                             anderzijds door de wereldwijde introductie van ICT. Daarmee neemt de concurrentie
                             vanuit andere delen van de wereld sterk toe. Landen met vele malen lagere lonen
                             liggen ineens ‘om de hoek’. In de concurrentiestrijd met gebieden als Oost Europa,
                             India en China, met hun enorme reserves aan goedkope, maar ook hooggeschoolde
                             arbeid, is loonmatiging alleen niet meer voldoende. Het wordt tijd voor een andere,
                             additionele aanpak. Algemeen wordt onder-schreven dat inzetten op productiviteits-
                             stijging door kennisintensieve, innovatiegedreven bedrijvigheid in deze omstandig-
                             heden de beste strategie is.
                          14 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>   de vergrijzing is een Voor de overheid is er een bijzondere reden om innovatie bovenaan de agenda te
   extra reden om in te  plaatsen. Het wordt met de vergrijzing alsmaar lastiger om voldoende economische
    zetten op innovatie  activiteit te realiseren. Terwijl deze activiteit wel nodig is om de toename in sociale
                         voorzieningen te financieren. Dat betekent dat we met steeds minder mensen
                         steeds meer moeten produceren. Dat kan alleen door slimmer te gaan werken en
                         meer toegevoegde waarde per werkende te creëren – door betere en andere pro-
                         ducten, processen en diensten aan te bieden dan andere landen. Ook voor de over-
                         heid is het dus van belang in te zetten op innovatie in het bedrijfsleven.
                         Discussie: De noodzaak van economische groei
                         In het publieke debat overheerst de stelling dat verdere economische groei nood-
                         zakelijk is voor Nederland. Er zijn echter ook tegengeluiden te horen: “Europa raakt
                         voorlopig steeds verder achter op de VS waar het de groei in economie, werkgele-
                         genheid en technologische ontwikkeling betreft. Een belangrijke reden hiervoor is
                         demografisch van aard; Europa vergrijst niet alleen, maar ontgroent ook. De
                         Europese beroepsbevolking groeit daardoor niet of nauwelijks. Een andere reden is
                         het aantal gewerkte uren per werknemer – Europeanen werken gemiddeld per jaar
                         15 werkweken minder dan Amerikanen en hebben dus veel meer vrije tijd.
                         Maar het achterblijven van Europa bij de VS is niet zo’n probleem. Onze bevolkings-
                         groei is veel lager, en dus heeft Europa minder economische groei nodig. Verder is
                         de welvaart in de VS voornamelijk zichtbaar in consumptie en hoogte van het inko-
                         men, terwijl die van de Europeanen zich vertaalt in vrije tijd. Wij zijn dus op een
                         andere manier rijk dan de Amerikanen.
                         Uiteindelijk zou het moeten gaan om de kwaliteit van leven en niet om inkomen of
                         economische groei. Een hogere kwaliteit van leven bestaat bijvoorbeeld ook uit een
                         betere gezondheid, een langere levensverwachting, een groter psychisch welbevin-
                         den, meer veiligheid of door meer sociale samenhang in de samenleving. Op deze
                         punten van immateriële welvaart scoort de EU stelselmatig beter dan de VS. De EU
                         zou de Lissabon-doelstellingen dan ook verder moeten aanvullen met prestaties op
                         het vlak van kunst, cultuur en sociale cohesie”.
                         Vrij naar: H. Maassen van den Brink - De maat der dingen
                          2.3         Trends in innovatie
      de internationale  Het innovatiebeleid van de overheid sluit idealiter aan bij de daadwerkelijke praktijk
concurrentie neemt toe   in het bedrijfsleven. Wil het beleid die praktijk stimuleren, dan is het van belang de
                         trends in innovatie voor ogen te houden. Die praktijk wordt door vele factoren beïn-
                         vloed, verandert in de tijd en verschilt bovendien per type bedrijvigheid. De grote
                         bewegingen van het moment zijn een hoge internationale dynamiek en de toene-
                         mende concurrentie. Deze uiten zich bijvoorbeeld in de trend om steeds meer acti-
                         viteiten naar het buitenland te verplaatsen, ook de innovatieve activiteiten.
                      15 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                       Hoge internationale dynamiek – hoge nationale urgentie
                       Een aantal multinationals uit het Westen heeft in de laatste jaren besloten niet
                       alleen haar productie-units, maar ook haar dienstverlening en zelfs de R&D te ver-
                       plaatsen naar landen met lagere lonen. De term ‘Off-sourcing’ (een combinatie van
                       ‘off-shore’ en ‘out-sourcing’) wordt hiervoor gebruikt, bijvoorbeeld wanneer er van-
                       uit de VS of Europa call centers in India, software ontwikkeling in Israël of bio-tech-
                       nologie laboratoria in China worden gevestigd. Belangrijke voorwaarden voor
                       bedrijven om off-sourcing te overwegen zijn, naast het bestaan van een grote markt
                       en de lage lonen, ook politieke stabiliteit, de aanwezigheid van onderzoeks- en test-
                       faciliteiten en het aanbod van kenniswerkers. Vaak zijn deze kenniswerkers in het
                       Westen opgeleid, zodat dit fenomeen een dubbele braindrain bewerkstelligt. Binnen
                       Europa kan eenzelfde ontwikkeling zich voordoen nu de uitbreiding een feit is. De
                       oostelijke Europese landen hebben immers een hoog geschoolde bevolking met
                       relatief veel bèta-talent.
                       Off-sourcing wordt uitgelokt door een drastische verhoging van overheidsinvesterin-
                       gen van een aantal grote landen in onderzoek en R&D-activiteiten, -faciliteiten en
                       -capaciteit. China en India staan bijvoorbeeld al in de top 10 van de landen met de
                       hoogste (absolute) investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Dit versnelt de
                       internationale dynamiek op het vlak van R&D natuurlijk sterk.
                       De discussie over hoe we dit fenomeen moeten waarderen, is nog niet beslecht. Op
                       de lange termijn kan een dergelijke mondiale herverdeling van comparatieve voor-
                       delen aan de gehele wereld ten goede komen. Dat zorgt namelijk voor producten
                       en diensten tegen de laagste prijs, en een navenante stijging van de koopkracht van
                       consumenten.
                       Op korte termijn echter, stelt het westerse landen als de onze voor aanpassingspro-
                       blemen van werkloosheid en heroriëntatie van onze economische structuur. En de
                       dynamiek zorgt er ook voor dat Nederlandse bedrijven sneller moeten kunnen rea-
                       geren op internationale ontwikkelingen.
                       Naast deze grote externe bewegingen is er ook een aantal uiteenlopende ontwikke-
                       lingen binnen bedrijven te ontwaren2. De AWT beperkt zich hier tot de twee
                       belangrijkste en robuuste ontwikkelingen in de manier waarop bedrijven innoveren:
                       -         Innovatie vindt steeds meer plaats in netwerken.
                       -         Niet-technologische kennis wordt steeds belangrijker.
                       Innovatie vindt steeds meer plaats in netwerken
     door concentratie Steeds meer bedrijven besluiten niet meer het gehele innovatietraject in huis te
op kerncompetenties... organiseren. De verheviging van concurrentie heeft ervoor gezorgd dat bedrijven
                        2   Voor een goed overzicht van de ontwikkelingen zie: Jacobs & Waalkens - Innovatie_ – Vernieuwingen in de innovatiefunctie
                            van ondernemingen (2001).
                   16  awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                              zich steeds meer zijn gaan richten op dat deel van de productieketen waarin ze
                              uniek zijn, wat ze bij uitstek goed kunnen. Zij richtten zich op deze ‘kerncompeten-
                              ties’ en stootten overige activiteiten af. Daardoor zijn tegelijkertijd hechte partner-
                              ships met andere bedrijven (leveranciers en afnemers) ontstaan, waarin het proces
                              van innovatie plaatsvindt. Voorbeelden in Nederland hiervan zijn Océ en meer recen-
                              telijk Philips, die strategische allianties sluiten met andere bedrijven om nieuwe pro-
                              ducten te ontwikkelen – zoals de Senseo.
            ... de explosieve Daarnaast maken de toename van de hoeveelheid kennis die nodig is om een nieuw
    toename van kennis...     product te ontwikkelen, en de snelheid waarmee kennis vermeerdert, dat het voor
                              een bedrijf ondoenlijk is om dit alles nog zelf ‘in huis’ te hebben. Ook het feit dat
                              innovaties vaak plaatsvinden op het snijvlak van disciplines, maakt dat samenwer-
                              king met andere bedrijven of met kennisinstellingen een must is geworden.
          ... en een kortere  De grotere nadruk op korte termijn opbrengsten en een sterkere oriëntatie op de
         terugverdientijd...  markt hebben, parallel hieraan, geleid tot een vermindering van het meer funda-
                              mentele onderzoek in bedrijven. In plaats daarvan specialiseerden bedrijven zich op
                              toepassingsgericht onderzoek en ontwikkelingsactiviteiten die dichter bij hun product
                              liggen. Instituten uit de publieke kennisinfrastructuur en private onderzoekslabora-
                              toria worden daardoor een steeds belangrijker bron van fundamentele kennis voor
                              bedrijven.
... worden innovatienet-      Innovatie is al met al niet meer een zaak van één bedrijf, maar het product van een
       werken belangrijker    netwerk van verschillende organisaties.
                              Innovatie vergt meer dan kennisontwikkeling en technologie
                              Innovatie is daarnaast steeds meer een gezamenlijke inspanning van de verschil-
                              lende onderdelen van het bedrijf, die de technische en niet-technische elementen
                              van een innovatie samenbrengen. Innoveren is daardoor steeds minder voorbehou-
                              den aan de afdeling R&D, en steunt ook steeds minder exclusief op technologische
                              kennis. Dat neemt overigens niet weg dat onderzoek en ontwikkeling nog steeds
                              wel essentiële elementen van het innovatietraject zijn; hun aandeel is alleen relatief
                              kleiner geworden.
         in bedrijven staan   De sterkere nadruk op de niet-technologische aspecten van innovatie hangt samen
     klanten en hun vraag     met het feit dat de klant steeds meer centraal is komen te staan in de bedrijfsvoe-
      steeds meer centraal    ring. Het gaat steeds meer om de wensen van kleine groepen of zelfs van individue-
                              le klanten, en de moderne consument verwacht een behandeling ‘op maat’. ICT
                              zorgt er voor dat deze behandeling ook steeds beter geleverd kan worden, bijvoor-
                              beeld omdat het individueel klantencontact via Internet mogelijk maakt.
                              Daarnaast hebben de toegenomen concurrentie, de kortere levenscyclus van pro-
                              ducten en de kortere terugverdientijd er toe geleid dat bedrijven ook minder – kun-
                              nen – investeren in grootschalige innovaties en fundamentele doorbraken (inventies).
                              In plaats daarvan concentreren veel bedrijven zich op productaanpassingen, variaties
                              in vormgeving of op combinaties van product en dienstverlening.
                           17 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>   Al met al worden kennis van de markt en een goede integratie van vormgeving in
   innovaties steeds belangrijker elementen van de concurrentiekracht van een bedrijf.
18 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                           3                Sterktes en zwaktes van het
                                            nederlandse innovatiesysteem
                               Nadrukkelijk is de vraag gesteld in welke opzichten of in welke onderdelen het
                               Nederlandse innovatiesysteem goed en minder goed functioneert in internationaal
                               perspectief. Velen zijn de AWT in het geven van een sterkte-zwakte analyse van het
                               innovatiesysteem voorgegaan, zoals het ministerie van EZ, Nederland Kennisland, de
                               SER, of het Innovatieplatform. Deze analyses komen goeddeels met elkaar overeen
                               en zijn hieronder bij elkaar genomen. De AWT heeft uit de overzichten met feitelijke
                               bevindingen een beperkt aantal sterktes en zwaktes geselecteerd, namelijk degene
                               die hij op dit moment het belangrijkste vindt.
                               Voordat de AWT er echter toe overgaat de sterktes en zwaktes te presenteren, past
                               een aantal relativerende opmerkingen over de bruikbaarheid van veel van de indica-
                               toren die worden gehanteerd als ‘thermometer’ voor het nationale innovatieklimaat3.
                               3.1          Opmerkingen vooraf
                               Onoverzichtelijk en fragmentarisch materiaal
internationale vergelijkingen  Een aantal internationale organisaties, in het bijzonder de OECD en de Europese
       zijn moeilijk te maken  Commissie, leveren periodiek benchmarks over de stand van de economie, het beleids-
                               klimaat en de innovatieperformance van hun leden cq. lidstaten. De Europese Com-
                               missie geeft daarnaast jaarlijks de stand van zaken met betrekking tot het bereiken
                               van de Lissabondoelstellingen uit. Gedeeltelijk overlappen deze indicatorenoverzich-
                               ten elkaar, gedeeltelijk juist niet en maken ze gebruik van verschillende definities of
                               afbakeningen. Bovendien kunnen niet alle landen alle gegevens snel leveren en zijn
                               de te gebruiken indicatoren en parameters nog in ontwikkeling. Dat maakt het
                               totaal aan beschikbaar internationaal materiaal onoverzichtelijk en fragmentarisch.
                               De maat voor innovatie
                               Daarnaast wordt vooral gemeten dat wat men ook werkelijk kan meten. Uiteindelijk
                               gaat het om de vraag of het überhaupt mogelijk is de innovativiteit van een natio-
           vooral de output is nale economie vast te stellen. Die ultieme maat zou moeten bestaan uit de toege-
          moeilijk te meten... voegde waarde die wordt gerealiseerd door daadwerkelijke innovaties in producten,
                               diensten en processen op de markt. Het aantal nieuwe producten dat wordt geïn-
                               troduceerd op de markt wordt in Nederland wel bijgehouden, in enquêtes onder
                               bedrijfsmanagers. De toegevoegde waarde is daaruit echter niet af te lezen.
                               Gegevens over de output en outcome van het nationale innovatiesysteem zijn dus
                               nauwelijks voorhanden.
                                3   Zie voor een uitgebreide bespreking van de waarde en beperkingen van indicatoren: CPB - De pijlers onder de kennis-
                                    economie (2002)
                           19  awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                              Dominant in de meeste benchmarks zijn daarom de inputfactoren die van belang
... terwijl die interessanter worden geacht voor innovatie-, zoals investeringen in R&D en onderwijs, beschik-
              is dan de input baar venture kapitaal, aantallen kenniswerkers en de staat van de ICT-infrastructuur.
                              Daarna volgt, in mindere mate, een aantal indicatoren voor de ‘throughput’ in het
                              systeem, bijvoorbeeld contracten tussen kennisinstellingen en bedrijven, aantal
                              starters en groeiers etc. Hoewel deze gegevens in de vergelijking tussen landen wel
                              relevant kunnen zijn voor beleid (met name als de afwijkingen groot en structureel
                              zijn), zeggen die nog weinig over het daadwerkelijke succes van het innovatiesysteem.
                              Spiegeltje aan de wand
                              Bovendien geldt in de internationale benchmarks vaak dat wie zich aan een ander
   vergelijk Nederland met    spiegelt, zich gekleurd spiegelt. Het is afhankelijk van de boodschap die auteurs wil-
       gelijksoortige landen  len overbrengen, welke landen zij uitkiezen om Nederland mee te vergelijken. Als
                              leren van de vergelijking het doel is, dan is het belangrijk verschillen te signaleren
                              tussen Nederland en landen, die in relevante opzichten op ons lijken. Denk dan aan
                              omvang of schaal, economische structuur, sociaaleconomische historie, geografische
                              ligging of demografische opbouw. Wat dat betreft is het voor vergelijkende studies
                              goed om dicht in de buurt te blijven en ons te spiegelen aan landen als Denemarken,
                              België en Zweden, en in wijdere kring Duitsland, de UK, Ierland, Frankrijk4. Dat kent
                              natuurlijk wel weer het gevaar van het te zacht spiegelen.
                              In ieder geval blijft het altijd van groot belang om de internationale ontwikkelingen
                              goed te volgen. Dat heeft echter primair de functie om kansen en bedreigingen te
                              signaleren, en niet om Nederlandse prestaties te vergelijken en in een rangorde te
                              plaatsen.
                              Tot slot wil de AWT opmerken dat uit de vergelijkende studies nog niet is af te lei-
de vraag blijft staan waar-   den hoe men moet handelen. Bijvoorbeeld, om eruit te springen moet je juist afwij-
     in wij willen excelleren ken van de rest. Dan is het niet verstandig om met de sterke middenmoters op
                              dezelfde punten mee te groeien. De belangrijkste vragen blijven na het lezen van
                              alle benchmarks dus nog staan: waarin ben je uniek, waarin ben je sterk, waarin wil
                              je als land excelleren?
                              3.2           De sterktes en zwaktes van het innovatiesysteem
                              Het werken met indicatoren en internationale benchmarks voor het opnemen van
                              de innovatiestand van een land kent dus een aantal grote bezwaren. Niettemin, als
                              diverse studies dezelfde kant opwijzen, en dat ook nog stelselmatig, dan kunnen
                              deze verschillen wel wijzen op knelpunten in het innovatiesysteem.
                              In het onderstaande heeft de AWT de belangrijkste en meest in het oog springende
                              sterktes en zwaktes uit de benchmarks en scores geselecteerd en samengevat5.
                               4   In het onderstaande is dat gedaan; Nederland is daar steeds vergeleken met de andere Noordwest Europese landen.
                               5   Zie bijlage 1. voor een lijst van de belangrijkste vergelijkende studies die doorgaans gehanteerd worden.
                           20 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                                    Sterk                                       Zwak
                         Input    - Uitstekend wetenschappelijk onderzoek     - Matige en dalende investeringen in onderwijs en
                                  - Gemiddeld een hoge scholingsgraad onder     onderzoek; weinig risicokapitaal
                                    de bevolking                              - Groeiende schooluitval en gebrekkige doorstroming
       goede punten -    Output - Hoog aantal octrooien per hoofd van de      - Een lage omzet uit nieuwe producten en diensten
        slechte punten              bevolking                                 - Weinig jonge, doorgroeiende, bedrijven
                         Systeem - Goed in staat om publiek/private samenwer  - Weinig flexibiliteit en dynamiek in het systeem, met
                                     kingsverbanden te organiseren              name in de intermediaire kennisinfrastructuur
                                  - Veelzijdige economische structuur met een
                                    aantal sterke kristallisatiepunten
                         Klimaat - Nederland heeft een uitstekend vestigings  - Nederland is weinig ondernemend
                                    klimaat                                   - Fiscaal klimaat verslechtert
                        3.3       Sterke punten
                        Aan de inputkant – uitstekend onderzoek
Nederlands onderzoek    Nederland heeft veel kwalitatief hoogwaardig onderzoek, en scoort in internationaal
heeft een hoge impact   opzicht hoog op de wetenschappelijke indicatoren. Zowel in kwantiteit als in kwa-
                        liteit doen de Nederlandse wetenschappelijke instellingen het goed. Dat blijkt vooral
                        uit de gemiddeld hoge scores op de zogenaamde ‘impactfactor’, die meet hoeveel
                        invloed een wetenschappelijke publicatie op het netwerk van internationale collega’s
                        heeft. Het Nederlandse wetenschapsbedrijf kent een aantal echte pieken, bovenop
                        een brede basis die voldoet aan internationale kwaliteitsstandaarden.
                        Hoge scholingsgraad
                        De kwaliteit van ons onderwijs is goed. Nederlandse scholieren scoren gemiddeld
  het onderwijs levert  genomen zeer goed op zowel ‘science skills’ als leesvaardigheid. Het niveau van de
    goed geschoolden    kinderen die van de basisschool komen is hoog, en dat is al decennia lang het geval.
                        Nederland heeft daarnaast op dit moment een groot arbeidspotentieel in de weten-
                        schappelijke en technologische beroepen (HRST; Human Resources in Science and
                        Technology). Wat betreft het percentage kenniswerkers onder de bevolking staat
                        Nederland aan de Europese top.
                        Op beide punten, de kwaliteit van het onderwijs en aantallen kenniswerkers, doen
                        zich momenteel echter wel zorgwekkende ontwikkelingen voor – zie hieronder.
                        Aan de outputkant – veel octrooien per inwoner
                        Nederland scoort zeer goed op deze indicator, die vaak wordt gebruikt als maat
                        voor innovativiteit. Het is een gemakkelijke, goed te registreren maat en hij komt
 we hebben een dikke    dicht in de buurt van werkelijke innovatieoutput, vooral omdat octrooien bedoeld
   octrooi-portefeuille zijn om de benutting van nieuwe ideeën veilig te stellen. Wat echter toch met deze
                        indicator ontbreekt, is het inzicht in de uiteindelijke toepassing en vermarkting van
                        de kennis die in de octrooien is vastgelegd. Ten tweede is de goede Nederlandse
                        score voor het grootste deel op het conto van Philips te schrijven. Dat betekent een
                    21  awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                          zekere eenzijdigheid in de ‘nationale octrooiportefeuille’. Een derde relativering van
                          de goede score is het feit dat de grootste sector van onze economie, de diensten-
                          sector, nauwelijks enig belang heeft bij octrooien voor haar innovatieproces. Niette-
                          min: het aantal octrooien per Nederlander is een stuk hoger dan dat van de ge-
                          middelde Noord Europeaan.
                          Sterke punten van het systeem – veelzijdige structuur,
                          een aantal kristallisatiepunten en stevige netwerken
                          De Nederlandse economische structuur kent een grote veelzijdigheid en een aantal
                          uitgesproken sterktes in de innovatieve bedrijvigheid en dienstverlening. Nederland
                          heeft geen monocultuur of -structuur en is dus ook niet afhankelijk van maar een
                          of twee sectoren. Dat maakt onze economie een solide basis voor het doorgroeien
        onze economie is  tot een kenniseconomie. Zo hebben wij in Nederland een aantal verschillende sterke
  een breed zaaibed voor  clusters in bedrijvigheid, zoals rond voeding, financiële dienstverlening, procesin-
innovatieve bedrijvigheid dustrie, design en plantenveredeling. Daarnaast kan Nederland zich gelukkig prijzen
                          met een relatief hoog aantal grote, internationale, R&D-intensieve bedrijven, die
                          kunnen fungeren als kristallisatiepunt voor innovatie6.
                          Tevens is het van belang, juist omdat innovatie steeds meer in netwerken plaatsvindt,
                          dat er sterke, korte verbindingen gelegd worden tussen verschillende partijen;
                          onderzoekers, marketeers, leveranciers, producenten en klanten. Nederland heeft
                          in het laatste decennium het vermogen getoond om succesvolle publiek private
                          samenwerkingsverbanden te creëren rond een aantal sterke punten in onderzoek
                          en in bedrijvigheid (zie kader).
                          Voorbeelden van netwerkvorming tussen bedrijven en de kennisinfrastructuur
                          -         Het model van de Technologische topinstituten (TTI’s) wordt door de OECD
                                    ten voorbeeld gesteld aan andere landen. Een TTI is een publiek-privaat
                                    samenwerkingsverband tussen een onderzoeksgroep aan een universiteit en
                                    een cluster bedrijven dat in dat onderzoek geïnteresseerd is en daaraan bij-
                                    draagt. Nederland heeft TTI’s op een aantal voor onze economie belangrijke
                                    gebieden zoals Voeding, Polymeren, Metalen en Telematica.
                          -         STW, de Stichting Technische Wetenschappen, benadrukt in haar subsidie-
                                    procedures sterk de benutting of vraagkant van een te ontwikkelen techno-
                                    logie. Zonder een positief ‘gebruikers’-oordeel financiert STW de voorgestel-
                                    de ontwikkeling niet. Vervolgens stelt zij per project een gebruikerspanel
                                    samen, dat het project begeleidt.
                           6   In de top 100 van R&D investerende Europese bedrijven staan met Nederlandse thuisbasis: Philips, AKZO Nobel, DSM, ASML,
                               Océ en Baan, alsook Unilever en Shell.
                       22 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                         -         De nieuwste procedure voor de BSIK-gelden was sterk gericht op de samen-
                                   werking tussen wetenschap en bedrijfsleven. Alleen consortia waarin beide
                                   waren vertegenwoordigd, konden meedingen. Hiermee werd de vorming van
                                   innovatienetwerken rond een aantal voor Nederland belangrijke thema’s
                                   beoogd.
                         Sterk aan het innovatieklimaat – een goed vestigingsklimaat
bedrijven vestigen zich
                         Nederland heeft overall een zeer goed vestigingsklimaat, zeker ook voor innovatieve
  graag in Nederland...
                         sectoren als de ICT-sector. Zowel het Nederlandse leefklimaat (vooral in sociaal, cul-
                         tureel en politiek opzicht) als het economische klimaat (fiscale regelgeving, kosten
                         voor telecom, zakelijke vrijheid en cultuur, fysieke infrastructuur, openheid van de
                         economie en dergelijke) staan wereldwijd in verschillende benchmarks in de top 10.
                         Daarnaast kent Nederland hoge scores op de verschillende indicatoren voor creati-
                         viteit en de creatieve sector, de zogenaamde creativiteitsindex.
... maar hoe lang nog?
                         Een aantal recente indexen geeft echter aan dat het Nederlandse klimaat weliswaar
                         nog hoog scoort, maar ook gemakkelijk ingehaald kan worden. Dit gebeurt bijvoor-
                         beeld door landen die hun fiscale regimes aanpassen en minstens zo aantrekkelijk
                         maken voor buitenlandse bedrijven als dat van ons. Zo is Nederland binnen de EU,
                         wat betreft de Vennootschapsbelasting (Vpb) recent sterk gedaald in aantrekkelijk-
                         heid voor bedrijven.
                         3.4          Zwakke punten
                         Zwak punt aan de inputkant – dalende investeringen
                         Een vaak gepresenteerde maat van belang voor innovatie is het percentage van het
                         BBP dat geïnvesteerd wordt in R&D activiteiten. Zowel de nationale overheidsuitga-
                         ven, als de private bedrijfsuitgaven aan onderzoek zijn een indicatie van het belang
                         dat aan innovatie door deze partijen gehecht wordt. Beide investeringsniveaus, de
                         publieke en de private, blijken momenteel een dalende lijn te vertonen. Nederland
     publieke en private
                         scoort op de overheidsuitgaven aan onderzoek sinds kort rond het Europese gemid-
        financiering van
                         delde. Wat betreft de private uitgaven scoorde Nederland al langere tijd onder dat
    onderzoek neemt af
                         gemiddelde. Gezien de inhaalslag die een flink aantal landen op dit terrein de laat-
                         ste jaren maakt, raakt Nederland wat investeringen betreft snel achterop.
                         Dit geldt overigens ook op het terrein van het onderwijs, zoals onderstaand kader
                         laat zien. De Nederlandse investeringen in het onderwijs waren de laatste jaren
                         gemiddeld genomen al laag, en dalen zelfs nog op het moment.
                      23 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                            Investeringen in R&D en onderwijs
                            De meest recente cijfers zijn uit 2001 – deze zijn afkomstig van de OECD.
                                                 Overheidsuitgaven    Private uitgaven     Uitgaven R&D Uitgaven Onderwijs    Idem in €
                                                    R&D in % BBP:      R&D in % BBP:      $ per inwoner:  in % BBP (1999): per inwoner:
                            EU gem:                     0,66 %                1,08  %               493               5,5         1056
                            NL:                         0,68 %                0,98  %               551               4,7         1030
                            België:                     0,46 %                1,39  %               600               5,5         1207
                            Denemarken:                 0,67 %                1,48  %               699               6,7         1504
                            Duitsland:                  0,79 %                1,65  %               660               5,6         1139
                            Finland:                    0,87 %                2,42  %               901               5,8         1193
                            Frankrijk:                  0,82 %                1,21  %               587               6,2         1273
                            Ierland:                    0,26 %                0,76  %               350               4,6         1039
                            UK:                         0,57 %                0,88  %               499               5,2          972
                            Zweden:                     0,90 %                3,07  %             1111                6,7         1342
                            Overigens hangen deze relatief lage investeringen in R&D van Nederland gedeeltelijk samen met de brede
                            economische structuur van Nederland, met daarin een grote dienstensector.
                            Wat betreft de investeringen in nieuwe bedrijvigheid lijkt Nederland ook een pro-
                            bleem te hebben; Nederlandse kapitaalverstrekkers (Venture capitalists en banken)
       er is ook een tekort nemen duidelijk minder risico’s dan hun counterparts in andere landen. Dat bete-
         aan risicokapitaal kent voor nieuwe bedrijven vaak een gat in de financiering tussen de fases van
                            ‘proof of principle’ en het ‘proven concept’ van het innovatieve idee. Uit de gege-
                            vens blijkt daarnaast dat Nederlandse financiers doorgaans weinig investeren in het
                            begintraject van een bedrijf of innovatie, maar veel meer in bedrijven die zich al min
                            of meer bewezen hebben.
                            Ander zwak punt aan de inputkant – schooluitval en doorstromingsproblemen
                            Een aantal ontwikkelingen in het onderwijs baart momenteel zorgen: een groeiende
voortijdige schoolverlaters voortijdige schooluitval, in het bijzonder uit het VMBO, een toenemend functioneel
    vormen een probleem     analfabetisme onder 15-jarigen en een moeizame doorstroom van allochtonen naar
                            het Hoger Onderwijs. Hoewel Nederland op bovengenoemde punten nog wel beter
                            scoort dan het Europese gemiddelde, erodeert de basis van de kenniseconomie hier-
                            door wel7. Deze basis is gedurende lange tijd zeer solide en van hoge kwaliteit ge-
                            weest, onder meer door hoge investeringen in het onderwijs in het verre verleden.
                            Opvallend is verder dat Nederland een lager percentage afgestudeerden en studen-
                            ten in de bèta- en techniekvakken kent. Op termijn kan er een tekort ontstaan aan
                            bèta’s en technici, niet alleen door vergrijzing van bèta’s, maar ook vanwege onze
                            ambities voor de kenniseconomie. Veel rapporten waarschuwen momenteel voor
                            een toekomstig probleem op dit vlak.
                             7   Zie: Onderwijsinspectie - Onderwijsverslag 2002/2003 (2004)
                         24 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                          Discussie: Tekort aan bèta’s?!
                          Afgestudeerden en gepromoveerden in de bètavakken worden vaak beschouwd als
                          steunpilaren van het innovatieproces. In vergelijking met andere landen telt
                          Nederland weinig bèta’s. Daarom heeft onze regering een deltaplan gelanceerd. Dit
                          moet ervoor zorgen dat het aantal bèta’s in 2010 15% hoger is dan in 2000. Toch is
                          niet zeker of hun aantal zoveel te laag is. Bij deze opvatting maakt de AWT de vol-
                          gende kanttekeningen:
                          •         Bèta’s hebben een aanzienlijke inbreng in het innovatieproces, maar deze
                                    wordt kleiner. De inbreng van alfa’s en gamma’s wordt juist groter. In de toe-
                                    komst kan de vraag naar bèta’s dus wel eens minder groot zijn dan wij nu
                                    denken. Er zijn zelfs aanwijzingen dat dit nu al zo is. Ook nu nog reageren
                                    op vacatures in de chemische industrie vele tientallen en soms meer dan
                                    honderd afgestudeerden scheikunde en chemische technologie.
                          •         Als we rekening houden met de verschillen in studiekeuze tussen jongens en
                                    meisjes blijkt de bèta-instroom in Nederland al jarenlang stabiel. Het is de
                                    vraag of een campagne van overheidswege veel kan veranderen aan dit
                                    patroon. Anders dan wel wordt beweerd, kiezen 18-jarigen in Nederland in
                                    elk geval niet minder voor bètavakken dan voorheen.
                          •         De bètavakken vormen geen homogeen geheel. De laatste jaren is in onder-
                                    wijs en onderzoek een verschuiving opgetreden van de ‘harde’ kant (wiskun-
                                    de, natuurkunde, scheikunde) naar de ‘zachte’ kant (biologie en levenswe-
                                    tenschappen). Klachten over tekorten onder bèta’s hebben vaak betrekking
                                    op de harde bètavakken. Ongerichte stimulering van bètavakken bergt het
                                    gevaar in zich uitsluitend bij te dragen aan een vergroting van het aantal
                                    ‘zachte’ bèta’s.
                          Zie: AWT Advies 41 - Vitaliteit en kritische massa. Strategie voor de natuur- en technische wetenschappen
                          (1999)
                          Zwakte aan de outputkant – benutting van kennis
een relatief lage omzet   Een belangrijke en door velen benadrukte zwakte van het Nederlandse innovatie-
  uit nieuwe producten    systeem is dat wij wel veel hoogwaardige kennis in huis hebben, maar er relatief
                          weinig economische meerwaarde uit weten te creëren. In ieder geval behalen we
                          relatief weinig omzet uit nieuwe producten. Nederland scoort bovendien nogal
                          gemiddeld in Europa waar het activiteit op nieuwe markten en technologieën be-
                          treft (voorzover dat valt af te lezen uit internationale handel in hightech producten,
                          of uit patenten in nieuwe gebieden zoals bio- en nanotechnologie). En dat terwijl
                          Europa wereldwijd in dit opzicht al achter loopt.
    wel starters, weinig  Een ander zwak punt aan de output- of throughputkant van ons innovatiesysteem is
          snelle groeiers het feit dat Nederland redelijk veel nieuwe bedrijven ziet ontstaan, maar daartussen
                          echt snelle groeiers mist. Een groot aantal starters sneuvelt dus, of breekt niet door.
                      25  awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>   Dit blijkt vooral te maken te hebben met niet-technologische aspecten zoals mana-
   gementcapaciteit of gebrekkige marktkennis. Het is echter van belang om de rol
   van het MKB voor de innovatiekracht van een land goed voor ogen te houden,
   omdat de kleinere bedrijven een cruciale rol kunnen spelen in innovatienetwerken.
   Discussie: op welk wetenschapsgebied wil je sterk zijn?
   De roep om een betere benutting doet de vraag rijzen naar een betere, dekkende
   aansluiting tussen kennisinstellingen en bedrijven. Nederland is echter te klein om in
   alle gebieden die voor de diversiteit aan bedrijven interessant zijn, goed te kunnen
   voorzien. Dat betekent dat er strategische keuzen gemaakt moeten worden in de
   kennisgebieden die Nederland dicht bij huis wil houden. In een recent advies over
   internationalisering heeft de AWT overwegingen gegeven op welke wetenschaps-
   gebieden Nederland zelf eigen keuzen moet maken, en op welke gebieden het de
   uitkomsten van het internationale krachtenveld kan volgen8:
   Onderzoek van belang voor innovatie in bedrijven – Dit moet dicht bij huis gehou-
   den worden. Sterktes in onze bedrijvigheid (zoals micro-elektronica, voeding, finan-
   ciële dienstverlening, proces-industrie, design en plantenveredeling) zijn kristallisa-
   tiepunten voor onze innovatiekracht. Juist voor dergelijke kristallisatiepunten moet
   de Nederlandse kennisinfrastructuur excellentie te bieden hebben.
   Onderzoek voor vraagstukken met een Nederlandse lading – Ook de kennis voor
   maatschappelijke vraagstukken en problemen met een specifiek Nederlands karakter
   moet je dicht bij huis houden. Denk aan waterbeheer, milieuvraagstukken, het
   bebouwen van een dichtbevolkte delta of het ontwerpen van pensioenvoorzienin-
   gen. Deze kennis kan vervolgens vaak goed geëxporteerd worden, vooral omdat
   een groot deel van de wereldbevolking in gelijksoortige delta’s woont.
   Onderzoek voor internationale vraagstukken – In het onderzoek voor maatschappe-
   lijke vraagstukken die van belang zijn voor de internationale gemeenschap, hoeft
   Nederland niet specifiek te kiezen. Op het gebied van internationaal recht, duurzame
   ontwikkeling, klimaat- of epidemiologisch onderzoek is inzet aan de orde, voorzover
   het aansluit bij zwaartepunten van onze eigen onderzoeksprogramma’s.
   Nieuwsgierigheidgedreven onderzoek – Kennis kent geen grenzen, en dus moet het
   grensverleggend onderzoek zich blijvend in het internationale krachtenveld bewijzen.
   Het Nederlandse onderzoekslandschap heeft een aantal gebieden van wereldklasse,
   zoals theoretische fysica, fundamentele levenswetenschappen, sterrenkunde en eco-
   nomie. Hier is het belangrijker dat we er een aantal hebben, dan welke het precies
   zijn.
    8   Nederlands kompas voor de Europese onderzoeksruimte, AWT advies no. 57 (2004)
26 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                            Zwakke punten van het systeem – weinig flexibiliteit en dynamiek
                            Het feit dat wij kennis niet optimaal benutten voor succesvolle innovatie, kan in ver-
                            band worden gebracht met een gebrek aan dynamiek en flexibiliteit in het Neder-
                            landse innovatiesysteem. Goede en snelle vertalingen van wetenschappelijke kennis
                            naar te vermarkten producten worden blijkbaar onvoldoende gemaakt.
        vraagtekens bij het Daarbij kunnen er met name vraagtekens gezet worden bij het functioneren van de
          functioneren van  partijen in de intermediaire kennisinfrastructuur, de instituten tussen de universitei-
         de partijen tussen ten en de bedrijven in. Nederland kent een relatief dichtbevolkte intermediaire laag,
universiteiten en bedrijven die tot taak heeft kennis te laten stromen van onderzoekers naar ondernemers. In
                            veel benchmarks valt Nederland dan ook op als een land waarin weinig directe
                            samenwerking tussen bedrijven en universiteiten plaatsvindt9. Deze manier van orga-
                            niseren verlengt de verbindingen tussen kennisinstellingen en bedrijven, en dat
                            bevordert de directe benutting en toepassing van wetenschappelijke kennis niet
                            echt10. Bovendien zijn deze intermediaire instituten vaak nog gericht op de structuur
                            van het bedrijfsleven uit het verleden, en niet op de structuur van de toekomst.
                            Zwak punt van het klimaat – geen ondernemerscultuur
                            Voor afstammelingen van de VOC lijkt het een wonderlijke conclusie, maar niette-
  een risicomijdend volkje  min: de hedendaagse Nederlander is weinig ondernemend. Niet alleen zijn onze
                            financiers maar matig bereid risico’s te nemen, ook wetenschappers met een mooie
                            vinding, ondernemers met een exporteerbaar product of studenten met een goed
                            diploma blijven of worden liever werknemer dan zelfstandig ondernemer. Dit on-
                            danks een flink aantal initiatieven aan universiteiten en hogescholen om onderne-
                            merschap bij studenten en medewerkers te bevorderen.
                            Discussie: Het nieuwe ondernemen
                            Geen economie zonder ondernemers. Dat is van alle tijden. Ondernemerschap valt
                            in te delen in ‘intrapreneurship’ (ondernemend zijn binnen een bedrijf) en ‘entrepre-
                            neurship’ (zelf naar buiten gaan en ondernemer worden). In een kenniseconomie
                            zullen beide vormen belangrijk worden.
                            Hoewel er veel goeds te zeggen is over de initiatiefrijke en zelfstandige Nederlandse
                            werknemer – wij zijn dus goede ‘intrapreneurs’ – blijven we op het gebied van het
                            ‘entrepreneurship’ achter. De laatste Global Entrepreneurship Monitor over 2003
                            deelt Nederland dan ook in bij de laagste categorie landen. EZ probeert onderne-
                            merschap te bevorderen met een aantal actie-plannen voor verschillende fasen van
                            bedrijvigheid.
                            Wat de situatie voor Nederland ingewikkeld maakt, is het feit dat ondernemerszin af
                            blijkt te nemen als een land meer postmaterialistische waarden aanhangt en het
                            9    Als de contacten met het intermediaire veld echter worden betrokken in de beschouwing, scoort Nederland gemiddeld. Zie CPB –
                                 Pijlers onder de kenniseconomie (2001) – p. 135 e.v.
                            10   Zie: Ad hoc Commissie Brugfunctie TNO en GTI’s De kracht van directe verbindingen (2004)
                         27 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                            gemiddelde inkomen hoger is. Nederland staat, wat ‘postmaterialisme’ betreft hoog
                            op de Europese lijst (3e van 14 ‘oude’ Euro-pese landen). Qua inkomen per gewerkt
                            uur staat Nederland ook zeer hoog. Voor het stimuleren van ondernemerschap is
                            het daarom wellicht slimmer om niet alleen de materiële voordelen van een eigen
                            bedrijf te benadrukken, maar ook waarden als autonomie, vrijheid en ruimte voor
                            creativiteit.
                            Bron: Uhlaner et al – Post-Materialism: A cultural factor influencing total entrepreneurial activity across
                            nations (2003)
                            3.5          Conclusies
                            Nederland verkeert momenteel nog in de positie om zich te ontwikkelen tot de
  Nederland moet haar       innovatieve delta van Europa – het is een goed land om in te wonen en zaken te
         uitgangspositie    doen, we hebben uitstekend onderzoek en zijn creatief. Maar de Nederlandse eco-
      beter benutten...     nomie raakt wel steeds verder achter bij de kop van het peloton. Dat heeft vooral te
                            maken met het proces van globalisering en met de inhaalslag die andere landen in
                            reactie daarop momenteel maken met kennisintensivering en innovatiestimulering.
                            Het lukt Nederland in dit krachtenspel momenteel onvoldoende om gebruik te
                            maken van haar goede uitgangspositie.
                            Onze cultuur is daarbij tegelijk onze kracht en onze zwakte; wij hebben andere pri-
                            oriteiten dan snel nog meer rijkdom te vergaren en lijken de Rijndelta nog steeds
         ... voelt nu nog   een prima leefklimaat te vinden. Nederland voelt nog weinig urgentie om in te spe-
weinig urgentie, maar...    len op veranderende omstandigheden en eventueel pijnlijke maatregelen te treffen.
                            Dat maakt dat wij gemakkelijk in de situatie terecht kunnen komen van de kikker in
                            de soeppan: niet merken dat het vuur eronder aanstaat (dat overigens met een ein-
                            dige aardgasvoorraad wordt gestookt), vooralsnog behaaglijk rondzwemmen en uit-
                            eindelijk te suf zijn om er op tijd uit te kunnen springen.
        ... het is tijd om  Zeker in het licht van stormachtige ontwikkelingen in andere delen van de wereld,
              te oogsten!   moeten we echter alle zeilen bijzetten om een duurzame welvaart en daarmee
                            duurzaam welzijn in stand te houden. Daarbij is tempo geboden en moet er meer
                            gedaan worden, dan gepraat.
                         28 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                   4                 Aanbevelingen voor het nederlandse
                                     innovatiebeleid
                       Voor het versterken van hun innovatiekracht zijn bedrijven en ondernemers uitein-
                       delijk zelf verantwoordelijk. Toch is het publieke belang van een innovatief bedrijfs-
                       leven zo groot, dat de overheid hier een taak heeft. In dit hoofdstuk staat daarom
                       de vraag centraal welke intensivering of bijstellingen er nodig zijn in het huidige
                       overheidsbeleid ter bevordering van innovatie. Wat is er – naast wat er al plaatsvindt –
                       nog nodig om de innovatiekracht in Nederland in de toekomst te versterken?
  vernieuwing van het  Bij het formuleren van aanbevelingen voor het innovatiebeleid is het niet ade-quaat
 innovatiebeleid vergt om voor alle hiervoor genoemde zwakke punten 1-op-1 nieuwe maatregelen te ont-
         een brede en  wikkelen. Gezien de onderlinge samenhang en complexiteit van de knelpunten,
gebalanceerde aanpak   heeft de aanpak daarvan veeleer een breed pakket van maatregelen nodig. Die
                       horen niet in de laatste plaats thuis in de sfeer van de randvoorwaarden. Een voor-
                       beeld is het knelpunt rond de achterblijvende private investeringen in R&D. Dat is
                       sterk verweven met internationale trends in bedrijfsstrategieontwikkeling en daarom
                       hooguit vanaf de zijlijn door de overheid te beïnvloeden.
                       Een antwoord op de vraag naar vernieuwing in het innovatiebeleid wordt daarnaast
                       niet alleen ingegeven door actuele knelpunten, maar ook door trends in innovatie-
                       processen, de wens tot behoud van sterktes, ontwikkelingen in het denken over
                       innovatiebeleid11 en door de inschatting welke de meest effectieve beleidsingrepen
                       zijn. Die laatste inschatting blijkt overigens niet gemakkelijk te maken.
                       Discussie: Effectiviteit van technologiestimulering
                       Het ministerie van Economische Zaken besteedt elk jaar honderden miljoenen euro’s
                       aan technologiesubsidies (WBSO, TOK, KIM et cetera). Burgers en politici willen
                       graag weten of dit geld goed besteed is. Helaas is het niet eenvoudig om de effec-
                       ten van technologiesubsidies te meten:
                       •         Het is zeer moeilijk om het optreden of uitblijven van innovaties één op één
                                 toe te schrijven aan technologiesubsidies. Het succes van innovaties hangt af
                                 van allerlei factoren.
                       •         Als innovaties niet optreden, hoeft dat niet te betekenen dat de gegeven
                                 subsidies zinloos waren. Technologiesubsidies zijn bedoeld om risicovolle ont-
                                 wikkelingen te steunen. Een zeker percentage mislukkingen moet daarbij op
                                 de koop toe genomen worden.
                        11   Zie bijlage 2. Ontwikkelingen in het denken over innovatiebeleid.
                    29 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                             •         De effecten van technologiesubsidies kunnen zeer indirect zijn. Zij hoeven
                                       niet altijd uit te monden in concrete innovaties, maar kunnen bijvoorbeeld
                                       leiden tot leereffecten in bedrijven. Zulke leereffecten zijn moeilijk meetbaar,
                                       maar vergroten de innovatiekracht van bedrijven aanmerkelijk.
                             •         Veel van de effecten van technologiesubsidies worden pas op termijn zicht-
                                       baar. Een ‘time lag’ van 10 à 15 jaar tussen het toekennen van de subsidie
                                       en het optreden van het effect is niet ongebruikelijk.
                             •         Elke methode om de effecten van technologiesubsidies te meten, maakt
                                       gebruik van schattingen en aannames. Kleine veranderingen hierin kunnen
                                       leiden tot grote veranderingen in de gemeten effecten.
                             •         ‘Het’ effect van technologiesubsidies bestaat niet. Men kan technologiesubsi-
                                       dies op tal van manieren beoordelen, bijvoorbeeld op hun bijdrage aan de
                                       vergroting van: 1. de R&D-uitgaven van bedrijven; 2. het aantal innovatieve
                                       producten, processen of diensten; 3. het bruto binnenlands product. Het is
                                       niet duidelijk hoe deze bijdragen tegen elkaar af te wegen.
                             Ondanks deze beperkingen heeft Economische Zaken in 2000 geprobeerd meer
                             inzicht te bieden in de effecten van technologiesubsidies. Dit rapport, MEET gehe-
                             ten, heeft veel discussie opgeroepen.
                             Bron: EZ, M.E.E.T. - Bedrijfsgerichte technologiestimulering: Wat levert het op? (2000)
                             De AWT wil hier benadrukken dat het huidige innovatiebeleid een goed uitgangs-
         het huidige beleid  punt vormt voor toespitsing en bijstelling. Het beleid kenmerkt zich door een breed
 heeft veel sterke kanten... palet aan maatregelen, heeft oog voor de verschillende partijen in het innovatie-
                             systeem en reageert expliciet op leemten in het systeem en het beleid12. Een voor-
                             beeld hiervan is de recente aandacht voor de internationale mobiliteit van kennis-
                             werkers en voor het tekort aan risicokapitaal – dit laatste in de vorm van het pro-
                             gramma voor Technostarters. De AWT waardeert de inspanningen die met name EZ
                             zich getroost om de effectiviteit van het beleid te verbeteren, de regelingen te
                             stroomlijnen en om het (gedeelde) gevoel van urgentie over te brengen.
... maar behoeft bijstelling Dit gezegd zijnde, ziet de AWT op dit moment een vijftal punten waarop het huidige
             op vijf punten  innovatiebeleid geïntensiveerd dient te worden:
                             -         Meer aandacht voor de benutting van kennis
                             -         Zorg voor een brede, bestendige basis door adequate investeringen
                             -         Meer aandacht voor sterktes in bedrijvigheid
                             -         Meer aandacht voor niet-technologische aspecten
                             -         Een actievere overheid
                             In de onderstaande paragrafen werkt de Raad deze vijf aanbevelingen verder uit.
                              12  Het beste overzicht van de huidige beleidslijnen geeft de Innovatiebrief ‘In actie voor innovatie’ (2003). Op het moment worden de
                                  daarin beschreven lijnen uitgewerkt in concrete beleidsmaatregelen.
                          30 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                           4.1          Meer aandacht voor de benutting van kennis
                           Het innovatiebeleid is momenteel te sterk gericht op de ‘voorkant’ van het innova-
                           tietraject, voor zover je daar van mag spreken. Kennisontwikkeling staat in het
                           beleid centraal, terwijl Nederland juist daarin al sterk is. Het is weliswaar begrijpelijk
                           dat het overheidsbeleid hier zijn aandacht op richt; de legitimering ervan is vrij een-
                           duidig te geven. Maar het moet nu gaan om de ‘achterkant’ van het traject, omdat
                           het benutten van ontwikkelde kennis een belangrijke zwakte is van het Nederlandse
                           systeem. Het blijkt ook dat het Nederlandse beleid in vergelijking met andere landen
      meer nadruk op het   weinig aandacht heeft voor deze kant van het innovatieproces13. De beleidsinspan-
 toepassen van kennis en   ningen zouden daarom meer gericht moeten zijn op de toepassing van kennis in
          op marktkansen   innovaties en op kennisoverdracht.
                           Discussie: Kennis op de plank?
                           In het denken over innovatie wordt onder verwijzing naar de Europese innovatie-
                           paradox wel eens gesproken over kennis ‘op de plank’, ‘een kennisbel’ of ons
                           ‘Slochteren’ van de kenniseconomie. Dit zijn misleidende metaforen, die dan ook
                           tot weinig effectieve beleidsaanbevelingen aanzetten zoals: ‘pomp die kennis op’,
                           ‘haal het van de plank’ etc. De bal ligt daarin te eenzijdig bij de kennisinstellingen.
                           Effectieve kennisoverdracht vindt daarentegen plaats in onderlinge wisselwerking
                           tussen kenniswerkers in bedrijven en onderzoeksinstellingen. Kennis kan namelijk
                           maar in heel beperkte mate als een brood of tijdschrift van eige-naar verwisselen.
                           Een ‘kuub kennis’ is niet te koop. Dat komt omdat kennis pas relevant wordt door
                           haar ‘gebruikers’, op het moment dat deze de kennis concreet weten toe te passen.
                           Dezelfde, in artikelen, boeken, plaatjes of film vastgelegde kennis heeft dan ook
                           voor de ene gebruiker een andere betekenis als voor de andere. Deze eigenschap
                           van kennis is overigens ook een van de achterliggende redenen waarom innovatie
                           geen lineair, maar een interactief en iteratief proces is.
                           Kennisoverdracht vindt plaats tussen mensen, in netwerken. Het gaat er daarom om
                           voldoende stevige en korte verbindingen te maken tussen ‘kennisproducenten’ en
                           ‘gebruikers’, tussen onderzoekers en degenen die hun kennis kunnen vertalen of
                           toepassen bij het vernieuwen van producten, processen en diensten. Het beleid richt
beleid meer richten op de  zich op dit punt nog te veel op de bijdrage van de onderzoekers in dit proces, ter-
   'gebruikers' van kennis wijl de AWT denkt dat er juist veel winst te behalen valt aan de andere kant.
                           Bijvoorbeeld met het stimuleren van het absorptievermogen voor kennis of van toe-
                           passingsvaardigheden in bedrijven14.
                            13  Zie het Trendchart Annual Report 2003 van de Europese Commissie, waarin een internationale vergelijking is opgenomen van
                                beleidsmaatregelen op het gebied van kennisoverdracht, wisselwerking tussen kennis-instel-lingen en bedrijven en van het ver-
                                sterken van de absorptiecapaciteit voor kennis in bedrijven.
                            14  In advies 56 Netwerken met kennis, werkt de AWT deze aanbeveling helemaal uit.
                       31  awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                        De AWT pleit daarom voor versterkt beleid op de volgende punten:
                        Verhoog het kennisniveau in bedrijven
  meer hoger opgeleiden De absorptiecapaciteit voor kennis in bedrijven wordt grotendeels bepaald door
           naar het MKB goed geschoold personeel. Alleen mensen kunnen kennis selecteren en toepassen
                        in bedrijfsprocessen. En dus is het van belang om in het beleid aandacht te beste-
                        den aan het ‘human capital’ dat deze vermogens versterkt in moet zetten. De AWT
                        het van belang dat meer MKB-bedrijven meer hoger opgeleiden in dienst nemen,
                        vooral het ontwikkelingsgericht en technologievolgend MKB. De overheid kan hierin
                        het volgende doen: het aandeel hoger opgeleiden stimuleren, bijvoorbeeld door een
                        regeling te maken voor het tijdelijk goedkoper aanstellen van iemand met een
                        diploma van het hoger onderwijs. Daarnaast moet zij ook levenslang leren stimule-
                        ren en de mogelijkheden voor stages van Hogeschool- en Universiteitsstudenten
                        vergroten15.
                        Inspiratie uit het buitenland
                        Frankrijk kent een regeling die bedrijven tot 2000 werknemers in staat telt een
                        hoger opgeleide aan te stellen. Het niveau van de betrokkenen loopt van MBO tot
                        en met academisch gepromoveerden. Zie: www.anvar.fr
                        Het Teaching Company Scheme uit de UK is een al langer lopend stimuleringspro-
                        gramma. Hooggekwalificeerde, recent afgestudeerde academici werken twee jaar
                        aan een innovatief bedrijfsproject onder gezamenlijk toezicht van academici en
                        begeleiders uit het bedrijf.
                        Versterk netwerkvorming
                        Ook hier geldt dat het zoeken van aansluiting bij netwerken primair een verant-
organiseer ontmoetingen woordelijkheid van bedrijven zelf is. De overheid kan het proces van netwerkvor-
                        ming tussen bedrijven en organisaties uit de kennisinfrastructuur echter wel stimu-
                        leren, onder andere door: het bundelen van onderzoeksvragen van gelijksoortige
                        bedrijven, het inschakelen van lectoren van hogescholen bij innovatietrajecten van
                        bedrijfsclusters, of via het ondersteunen van ontmoetingsplaatsen zoals congressen,
                        demonstratiedagen, en dergelijke.
                        Daarnaast moet het beleid de mogelijkheden voor personele mobiliteit tussen
                        bedrijven en kennisinstellingen vergroten. Denk aan het verbeteren van de rand-
                        voorwaarden voor duale aio’s, voor ‘buitenpromoties’ en voor dubbelaanstellingen
                        in bedrijfsleven en kennisinstellingen.
                         15  De AWT constateert echter dat juist wat deze aspecten betreft, bestaande regelingen in het beleid worden afgeschaft
                             (zoals o.a. de scholingsimpuls en in het verleden de KIM-regeling), zonder zicht op nieuwe regelingen
                     32 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                            Gedifferentieerd beleid
                            Om de kennisabsorptie en –benutting in het bedrijfsleven te stimuleren, moet het
                            beleid volgens de AWT in ieder geval differentiëren naar verschillende typen bedrij-
                            ven. Verschillende soorten bedrijven hebben namelijk uiteenlopende behoeften aan
                            (wetenschappelijke) kennis, aan vertaalslagen, aan wisselwerking met kennisinstel-
                            lingen, etc:
                            -         Multinationals met eigen innovatie- of onderzoeksafdelingen – hebben
                                      vooral behoefte aan een goede wisselwerking met de kennisinstellingen;
                            -         Grote bedrijven met een beperkte R&D afdeling – hebben vooral baat bij
                                      vraagbundeling voor onderzoek van gemeenschappelijk belang;
                            -         Kennisintensieve koplopers in het MKB – zijn bijvoorbeeld weer meer geïn-
                                      teresseerd in promovendi op de eigen werkvloer;
                            -         Ontwikkelingsgericht MKB – vindt ondersteuning bij detacheringen van
                                      hooggeschoold personeel, stageplaatsen van het hogescholen of bij hun
                                      brancheorganisatie als die aan kennisverspreiding doet;
                            -         Technologievolgend MKB – is vooral geholpen met ondersteuning bij het
                                      zoeken naar makkelijk toepasbare kennis. Hier blijken ingenieursbureaus
                                      vaak belangrijk.
                            Uit: AWT - Netwerken met kennis (2003)
                            4.2          Zorg voor een brede, bestendige basis door adequate
                                         investeringen
                            Meer aandacht voor benutting van kennis mag evenwel niet ten koste gaan van de
                            zorg voor het behoud van een brede basis voor de kenniseconomie in het onder-
                            zoek en onderwijs. Zowel aan de investeringen als aan de inrichting van de basis
                            moet de nodige beleidsaandacht gegeven worden.
                            Keer de trend van dalende investeringen
     investeer in de basis: De dalende overheidsinvesteringen in onderwijs en onderzoek vormen volgens de
 onderwijs en onderzoek     AWT een verkeerde trend, die gekeerd moeten worden – nog los van Europese
                            afspraken hierover in het kader van de Lissabon-doelstellingen. Wij moeten ons
                            goed realiseren dat de huidige goede prestaties van Nederland, bijvoorbeeld op het
                            vlak van wetenschappelijk onderzoek, het resultaat zijn van langdurige investeringen
                            uit het verleden.
                            Buit de differentiatie in de kennisinfrastructuur uit
richt het stelsel helder in Nederland heeft, zoals reeds opgemerkt, in vergelijking met andere landen een
                            grote diversiteit aan kennisinstellingen. Dit historische gegeven moeten we goed uit-
                            buiten, in plaats van tegen ons te laten werken. Het huidige beleid heeft op het
                            moment te veel aandacht voor de vraagoriëntatie en de valorisatie van kennis door
                        33  awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                             met name universiteiten. Daarmee zet de overheid alle instellingen op hetzelfde
                             spoor, terwijl zij juist zou moeten differentiëren in rollen en taken van de verschil-
                             lende organisaties (Universiteiten, GTI’s, TNO, TTI’s en Hogescholen). De AWT is
                             voorstander van een heldere rolverdeling van de onderscheiden instellingen en van
                             een steviger aansturing van de overheid op hun kerntaken en –competenties.
                             4.3          Meer aandacht voor sterktes in bedrijvigheid
                             Effectief innovatiebeleid vergt duidelijke keuzes. Om met begrensde beleidsmidde-
                             len aan innovatiekracht te winnen, is het nodig om op een beperkt aantal terreinen
                             een vuist te maken. Nederland is nu eenmaal te klein om op alle gebieden uit te
                             blinken, terwijl wereldwijd excelleren wel in toenemende mate nodig is. Het is tijd
                             voor ‘Backing winners’16. Anders dan in de jaren ’70, toen geprobeerd werd met
                             defensief industriebeleid tegen de marktontwikkelingen in te gaan (‘defending
                             losers’), gaat het er nu juist om voort te bouwen op bestaande en kansrijke sterktes
tijd voor 'Backing Winners'  (‘backing winners’). Een beleid dat overigens ook niet verward mag worden met het
                             proberen te kiezen van toekomstige kampioenen (‘picking winners’). Uitgangspunt
                             hierbij moet niet zozeer de technologie of kennis zijn die we in huis hebben, maar
                             de vraag of we een koopkrachtige marktvraag kunnen bedienen. Dat betekent ook
                             dat het startpunt moet worden gekozen bij onze sterktes in innovatieve bedrijvig-
                             heid. De AWT pleit voor de volgende bijstellingen van het beleid:
                             Maak keuzes in het stimuleren van bedrijvigheid
       kansen verzilveren... De comparatieve voordelen die de Neder-landse economie nu al kent, moeten we
                             uitbaten. Dat betekent, bovenop het bestaande generieke innovatiebeleid, meer
                             werk maken van het clusterbeleid – en dat ook echt in praktijk brengen. In plaats
                             van ‘kaasschaafsgewijs’ iedereen een plakje te geven, zou de overheid het proces
                             moeten faciliteren waarin een aantal netwerken van bedrijven en kennisleveranciers
                             de ruimte krijgen om te excelleren. De overheid zou vervolgens met gerichte onder-
                             steuning op een beperkt aantal gebieden kritische massa en momentum moeten
                             helpen realiseren. Het gaat hierbij niet alleen om het wegnemen van belemmerin-
                             gen, maar vooral om het kunnen pakken van kansen.
                             Lever maatwerk
                             De (internationale) ervaring leert dat het ontwikkelen van effectief clusterbeleid tijd
       ... en ondersteuning  kost en bovendien gebaat is bij ondersteuning door een neutrale partij. Dat vergt
             op maat bieden  dus maatwerk van de overheid. Want verschillende clusters hebben namelijk uiteen-
                             lopende behoeften. Waar het ene cluster is geholpen met een grote onderzoek- of
                             testfaciliteit, hebben andere clusters meer behoefte aan een toegesneden bedrijven-
                             terrein, managementondersteuning of kennisontwikkeling.
                              16  Zie ook Bijlage 2 – een overzicht van (het denken over) het innovatiebeleid
                         34  awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                               4.4          Meer aandacht voor niet-technologische aspecten
                               Het beleid heeft momenteel te weinig aandacht voor de knelpunten in het héle
                               innovatietraject, zoals die door bedrijven worden gesignaleerd. Vaak hangen die
                               meer samen met marketing-, vormgevings- of managementaspecten dan met tech-
                               nologische of kennisvraagstukken. Het gaat dan zowel om de niettechnologische
                               aspecten van nieuwe producten, als van het innovatieproces zelf. De AWT pleit hier
                               voor:
                               Besteed meer aandacht aan vormgeving
                 design blijkt Van de niet-technologische aspecten die invloed hebben op het slagen van een inno-
             doorslaggevend    vatie, springt vooral het belang van vormgeving in het oog. Het succes van nieuwe
                voor succes... producten wordt in steeds grotere mate bepaald door de vormgeving en gebruiks-
                               vriendelijkheid in ieder geval in de consumentenmarkt17. Juist omdat Nederland een
                               aantal designers en architecten van naam heeft en beroemde opleidingen in dit
                               veld, zou het beleid voor ergonomische, ontwerp- of designaspecten van innovatie
                               expliciet aandacht moeten ontwikkelen.
                               Inspiratie uit het buitenland
                               In de UK is onlangs een overheidscampagne gestart, gericht op scholing in vormge-
                               ving en op versterking van technische opleidingen met een flinke designcomponent.
                               Samen met de Design Council en vertegenwoordigers uit 10 industrietakken,
                               worden demonstratieprojecten voor het bedrijfsleven gelanceerd om het belang van
                               design te illustreren; www.design-council.org.uk
                               Finland heeft het zogenaamde Design Forum, dat de ‘concurrentiekracht van de
                               Finse industrie en cultuur bevordert door middel van design’. Hier bovenop pleitten
                               Finse denktanks recentelijk voor extra aandacht in het innovatiebeleid voor culturele
                               knowhow en creativiteit: www.designforum.fi
                               Stimuleer de ontwikkeling van innovatiecompetenties
... net als het management     Er zijn bovendien verschillende niettechnische factoren van belang voor de effecti-
        van jonge bedrijven    viteit van het proces van innovatie. Denk daarbij aan managementvaardigheden,
                               vooral bij groeiende starters, of aan een weinig ondernemende cultuur. Als innova-
                               tie blijft hangen op deze punten, kan de overheid een zetje geven in de goede rich-
                               ting. Bijvoorbeeld met een regeling voor coaching van het management van sterk
                               groeiende bedrijven, het versterken van de initiatieven in het onderwijs op het
                               gebied van ondernemerschap of met een programma gericht op het verbeteren van
                               managementopleidingen specifiek voor het MKB.
                                17  Research shows that design skills are vital to business innovation and can significantly enhance a company’s financial
                                    performance. Unfortunately not enough businesses use design to connect new ideas with market opportunities.
                                    Bron: Innovation Report. Competing in the global economy: the innovation challenge (2003)
                            35 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                    4.5          Een actievere overheid
                    De consequentie van bovenstaande bijstellingen in het beleid is voor de overheid,
                    dat zij actiever moet optreden dan zij nu vaak doet. Een rode lijn door de pleidooien
                    van de AWT is immers, dat het beleid op punten specifieker moet zijn; meer toege-
                    sneden op uiteenlopende behoeften, gedifferentieerd naar uiteenlopende behoeften
                    van verschillende typen bedrijven, georiënteerd op kansen en gericht op Nederlandse
                    sterktes in bedrijvigheid. Dat betekent dat de overheid haar afstandelijke houding,
                    kenmerkend voor een generieke aanpak, moet laten varen. De AWT bepleit dit op
                    twee manieren:
                    Wees een actieve netwerkspeler
zoek de praktijk op De belangrijkste notie hier is, dat de overheid zich als een gedreven netwerkspeler
                    in het innovatiesysteem zou moeten opstellen. Dat betekent volgens de AWT min-
                    der van achter een Haags bureau algemene regelingen verzinnen, een betere aan-
                    sluiting zoeken bij de concrete innovatiepraktijk van bedrijven en in interactie daar-
                    mee werken aan concrete kansen en knelpunten. Daarbij hoort ook het nemen van
                    risico’s door de overheid, bijvoor-beeld om innovatietrajecten te stimuleren en daar-
                    bij te accepteren dat een zeker percentage daarvan kan mislukken. Een dergelijke
                    opstelling is geenszins vanzelfsprekend. Een overheid die een dergelijke actieve hou-
                    ding aanneemt, moet daarom van het parlement wel de ruimte krijgen om die rol
                    ook met verve te spelen.
                    ‘Ja-mits’ in plaats van ‘Nee-tenzij’
                    De AWT vindt het overheidsbeleid al met al nog te veel gericht op het wegnemen
                    van knelpunten. Het gaat niet alleen om wat ons tegenhoudt, het gaat juist ook om
                    welke mogelijkheden er voor ons liggen. Het is daarom wenselijk dat de overheid
                    zich nog nadrukkelijker richt op de benutting van kansen en daarin zelf een actieve
                    rol speelt. Hierbij dienen uiteraard de gebruikelijke criteria voor overheids-ingrijpen
                    gehanteerd te worden, zoals:
                    -         Het maatschappelijke nut moet het private nut overstijgen;
                    -         Overheidsingrijpen alleen bij die zaken die zonder interventie niet zouden
                              plaatsvinden;
                    -         De overheidssteun mag niet leiden tot ‘socialisering van risico’s’, ofwel
                              afwenteling van het ondernemersrisico op de maatschappij.
                    De AWT pleit voor een ‘ja, mits’ aanpak in plaats van een ‘nee, tenzij’ beleid. Dus
                    ‘ja, de overheid speelt een actieve rol, mits voldaan is aan de legitimatiecriteria’.
                    Want een ‘nee, tenzij’ beleid van alleen optreden bij falen van de markt of het
                    systeem, leidt in de ogen van de Raad tot een afwachtende houding en het missen
                    van kansen.
                    Bron: AWT advies 53 Backing winners (2003)
                 36 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                     Wees een innovatieve opdrachtgever
                     Gezien de ruime bestedingen van de overheid in het publieke domein, moet zij
lok innovatie uit    daarnaast over de volle breedte veel meer aandacht hebben voor de mogelijkheden
                     die zij in handen heeft om innovatie te stimuleren. Bijvoorbeeld met gerichte acties
                     om bij grote opdrachten op te treden als ‘launching customer’, door creatief aan te
                     besteden en daarmee concurrentie op innovatie te stimuleren, door het invoeren
                     van een regeling waarmee innovatief MKB betrokken wordt in de uitvoering van
                     overheidsopdrachten, et cetera18.
                     Inspiratie uit het buitenland
                     De USA kent twee regelingen die zijn toegesneden op innovatie in het MKB:
                     SBIR – Small Business Innovation Research Program – In deze regeling reserveren 10
                     overheidsdepartementen jaarlijks een deel van hun budget voor onderzoek en R&D
                     voor toekenning aan bedrijven met een omvang tot 500 medewerkers.
                     STTR – Small Business Technology Transfer Program – In deze gebeurt hetzelfde,
                     maar dan voor samenwerkingsverbanden tussen MKB en non-profit onderzoeksin-
                     stellingen, die gezamenlijk willen offreren voor onderzoeksprojecten voor de over-
                     heid.
                     Bron: http://www.sba.gov/sbir/
                     Aldus vastgesteld te Den Haag, juni 2004
                     J.F. Sistermans
                     Voorzitter
                     mw. dr. V.C.M. Timmerhuis
                     Secretaris
                  18   Zie hiervoor ook SER, Interactie voor innovatie (2003)
              37     awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>38 awt-advies nr. 59</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>b1               Literatuur
    Ad hoc cie. ‘Brugfunctie TNO en GTI’s’ - De kracht van directe verbindingen- Den
         Haag (2004)
    Boekholt, P. et al - Evaluatie van het Clusterbeleid, Eindrapport aan het Ministerie
         van Economische Zaken - Technopolis, Amsterdam (2001)
    CBS - Kennis en economie 2003 - Den Haag (2004)
    CPB - De pijlers onder de kenniseconomie - Opties voor institutionele vernieuwing -
         Den Haag (2002)
    DTI (Department of Trade & Industry UK), Innovation Report - Competing in the glo-
         bal economy: the innovation challenge - London (2003)
    European Innovation Scoreboard (Europese Commissie) - Technical paper no5:
         Lifelong learning for Innovation - Brussel (2003)
    Europese Commissie, Third European Report on Science & Technology Indicators
         2003 - Towards a Knowledge-based Economy - Brussel (2003)
    Europese Commissie, Trendchart Annual report 2003 – Building a comprehensive
         picture of innovation policies across Europe – Brussel (2004)
    EZ, Innovatiebrief - In actie voor innovatie. Aanpak van de Lissabon ambitie - Den
         Haag (2003)
    EZ – In actie voor ondernemers! – Den Haag (2003)
    EZ, M.E.E.T., Monitoring en Effectmeting van het EZ Technologie-instrumentarium –
         Bedrijfsgerichte technologiestimulering: Wat levert het op? - Den Haag (2000)
    Financiën, IBO Technologiebeleid – Samenwerken en stroomlijnen: Opties voor een
         effectief innovatiebeleid Den Haag (2001) & Kabinetsreactie hierop: 7 oktober
         2002 I/SOI/S 02045016
    Florida, R. & Tinagli - Europe in the creative age - Pittsburgh (2004)
    Jacobs, D. & J. Waalkens – Innovatie_. Vernieuwingen in de innovatiefunctie van
         ondernemingen – Kluwer, Deventer (2001) AWT - Achtergrondstudie 23
    Maassen van den Brink, H., Kohnstammlezing – De maat der dingen – UvA,
         Amsterdam (2004)
    Nederland Kennisland - Tijd om te kiezen – kenniseconomie monitor 2003 -
         Amsterdam (2003)
    NOWT - Wetenschaps- en Technologie- Indicatoren 2003 - Den Haag (2003)
    OCW, Nota kenniswerkers - Zonder kenniswerkers geen kenniseconomie - Den Haag
         (2003)
    OECD - Public-private partnerships for research and innovation: an evaluation of the
         Dutch experience - Parijs (2003)
    Onderwijsinspectie - Onderwijsverslag 2002/2003 - Den Haag (2004)
    Reynolds, P.D. et al - Global Entrepreneurship Monitor 2003 Executive Report (2004)
 39 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   SER - Interactie voor innovatie - Den Haag (2003) & Kabinetsreactie hierop: 4 jnui
        2004 I/SOI/S 4030360
   Uhlaner, L. et al – Post-Materialism: A cultural factor influencing total entrepreneuri-
        al activity across nations – EIM Zoetermeer (2003)
   Gebruikte AWT-adviezen:
   57 Nederlands kompas voor de Europese onderzoeksruimte. Strategisch kader voor
        de internationalisering van het onderzoeks- en innovatiebeleid (2004)
   56 Netwerken met kennis. Kennisabsorptie en kennisbenutting door bedrijven
        (2003)
   53 Backing winners. Van generiek technologiebeleid naar actief innovatiebeleid
        (2003)
   49 Gewoon doen!? Perspectief op de Barcelona-ambitie '3% BBP voor O&O' (2002)
   41 Vitaliteit en kritische massa. Strategie voor de natuur- en technische weten-
        schappen (1999)
   Achtergrondstudie 29. Perspectieven op de kennissamenleving: gesprekken over
        ‘Nederland als kennisland’(2002)
   Gebruikte websites:
   Netherlands Foreign Investment Agency - www.nfia.nl
   United States Small Business Administration - www.sba.gov/sbir/
   Gobal Entrepreneurship Monitor - www.gemconsortium.org
   Europese Commissie op het gebied van innovatiebeleid - www.trendchart.org
   Finlands Design Forum - www.designforum.fi
   UK Design Council - www.design-council.org.uk
   Anvar, het franse agentschap voor innovatie - www.anvar.fr
40 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>b2                      Ontwikkelingen in het denken
                        over innovatiebeleid
   In de loop van de tijd zijn er nieuwe inzichten opgekomen over wat effectief inno-
   vatiebeleid is en over de legitimering van overheidsoptreden. Het denken hierover
   verandert en daarmee ook de te nemen beleidsacties en -instrumenten. Momenteel
   staat het denken in termen van een ‘dynamisch innovatiesysteem’ centraal. Dat
   heeft een sterke focus op de interactie tussen de diverse partijen in dat innovatie-
   systeem.
   Maar het antwoord op de vraag naar innovatiebeleid wordt vooral ingegeven door
   de knelpunten die op dat moment aangepakt moeten worden. Beleid is om deze
   redenen altijd een historisch gegroeid palet van maatregelen.
   Innovatie is een zaak van bedrijven, maar niet alleen. Ook de overheid kan innovatie
   beïnvloeden. Innovatie vindt namelijk niet plaats in een vacuüm. Invloedrijke econo-
   men als Michael Porter, Richard Nelson en Bengt-Åke Lundvall hebben laten zien dat
   innovatie plaatsvindt in een systeem. Dat systeem bestaat uit tal van actoren: bedrij-
   ven, toeleveranciers, klanten, financiers, overheden onderzoeksinstituten, univer-
   siteiten, scholen, et cetera.
   Om innovatie gesmeerd te laten verlopen, moeten het systeem als geheel soepel
   functioneren. Dit is niet altijd het geval. Binnen innovatiesystemen kunnen meerdere
   vormen van ‘systeemfalen’ optreden. Hierbij kan men onder meer denken aan de
   volgende situaties:
   -         Er kan te weinig interactie optreden tussen actoren binnen het systeem (lock-
             in, gebrek aan concurrentie);
   -         Actoren hebben te weinig informatie over toekomstige ontwikkelingen op de
             markt of binnen de technologie;
   -         De kennisinfrastructuur sluit onvoldoende aan op de behoeften van bedrijven;
   -         Op de markt ontbreekt het aan een vooroplopende vraag;
   -         Wet- en regelgeving staan innovatie in de weg.
   Het oplossen van systeemfalen is geen zaak van bedrijven – die hebben hun handen
   al vol aan ‘gewone’ innovatie. Voor zover systeemfalen kan worden aangepakt, is
   dat een taak voor de overheid. Die kan grofweg op twee manieren te werk gaan:
   generiek en specifiek.
   Generiek beleid
   Generiek beleid komt in principe ten goede aan alle actoren in het systeem. Dat
   betekent dat het gebruik van een generieke regeling open staat voor alle disciplines,
   technologieën of toepassingsgebieden. De overheid maakt vooraf geen keuze, de
   ‘markt’ bepaalt zelf welk soort ontwikkelingen belangrijk zijn door aanvragen in te
   dienen. Dit uitgangspunt leidt daarnaast tot beleid waarin de overheid vooral zorgt
41 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   voor een aantal randvoorwaarden waarbinnen het innovatiesysteem goed kan func-
   tioneren. Voorbeelden hiervan zijn:
   -         Marktwerking optimaliseren– monopolies en kartels openbreken;
   -         Industrieel en intellectueel eigendom goed beschermen;
   -         Administratieve en fiscale lasten voor bedrijven verlagen;
   -         Een hoogwaardige en stevige kennisbasis in onderwijs en onderzoek leggen;
   -         Bereikbaarheid van bedrijven en klanten optimaliseren;
   -         Zorgen voor lage criminaliteit cq vergroten van het vertrouwen;
   -         Sociaal-cultureel leefklimaat optimaliseren, bij voorkeur richting tolerantie;
   -         Wisselwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen bevorderen;
   -         R&D binnen bedrijven stimuleren.
   Specifiek beleid
   Overheden zijn zich in het verleden naast het generieke beleid dat is gericht op het
   economische klimaat, ook gaan richten op de netwerken waarbinnen innovatie ge-
   stalte krijgt. Bedrijvigheid en kennis concentreren zich inmiddels mondiaal in excel-
   lente netwerken. Dit verhevigt de competitie tussen de mogelijke thuisbases voor
   deze ‘centres of excellence’. De paradox is daarbij dat juist in een globaliserende
   economie regionale centra van innovatie een belangrijke concurrentiefactor vormen.
   In de jaren ’90 experimenteerden verschillende landen (Finland, Denemarken,
   Vlaanderen) daarom met zogenaamd clusterbeleid. Bij de vormgeving hiervan kon
   men bouwen op de lessen van de decennia daarvoor. Zo werd in de jaren ’70 te
   lang geprobeerd met defensief industriebeleid tegen de marktontwikkelingen in te
   gaan. In de jaren ’80 sprongen veel landen in op dezelfde technologieën waardoor
   er overaanbod ontstond en prijzen voor bijvoorbeeld ICT snel daalden.
   Vertrekpunt bij het clusterbeleid waren daarom aanwezige economische sterktes en
   specialisaties. Dan blijkt dat voor ieder cluster andere interventies nodig zijn om het
   tot verdere ontwikkeling te laten komen. De instrumenten kunnen groots zijn (bijv.
   infrastructuur) of juist heel klein (bijv. mensen bij elkaar brengen, een regel afschaf-
   fen). Wat nodig is, weten de veldpartijen het best. Het vraagt van beleidsmakers (bij
   overheid, maar ook bij kennisinstellingen en bedrijven) een actieve opstelling: luiste-
   ren, uitproberen, kansen benutten, mislukkingen erkennen en van leren.
   Ontwikkeling industrie- en innovatiebeleid vanaf jaren ’70
   Jaren                ‘70                         ‘80                         ‘90
   Beleid               Defensief industriebeleid   Offensief technologiebeleid Clusterbeleid
   Typering             ‘defending losers’          ‘picking winners’           ‘backing winners’,
                                                                                ‘let winners pick’
   Doel                 begeleiding van de neergang Inspringen op nieuwe        voortbouwen op
                        van crisissectoren          ontwikkelingen              bestaande sterktes
   Niveau               Sector                      technologie                 Meso, cluster
   Voorbeelden          staal, scheepsbouw, textiel ICT, biotechnologie,        Genomics, katalyse,
                                                    nieuwe materialen           Gigaport
   Bron: Jacobs, IWT; bewerking Innovatieplatform
42 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>   Recent verscheen een evaluatie van het Nederlandse clusterbeleid19 waarin de con-
   clusie luidde dat de resultaten op projectniveau overwegend positief zijn. Doordat
   het clusterbeleid de mogelijkheid van maatwerk bood, kon men met relatief kleine
   maatregelen een groot effect teweeg brengen. In de verschillende clusterprojecten
   werd o.a. bereikt dat bedrijven onderling beter gingen samenwerken en zo ook be-
   drijven met kennisinstellingen. Andere resultaten waren het aantrekken van kennis-
   investering, zwaartepuntvorming in het onderzoek, innovatie in de keten en nieuwe
   bedrijvigheid. EZ kon als neutrale partij met goede netwerken een waardevolle coör-
   dinatiefunctie vervullen.
   Wel concludeerde Technopolis ook dat binnen de organisatie van EZ het clusterbe-
   leid nooit echt voet aan de grond had gekregen. Er is nooit een helder kader opge-
   zet en duidelijke doelstellingen geformuleerd. Clusterbeleid vraagt ook een nieuwe
   aanpak waarbij inspelen op veranderende processen centraal staat. Er is geen tijds-
   pad, budget, of vaste doelstelling. Daarom werd voorgesteld in ieder geval heldere
   objectieve criteria vast te stellen voor de betrokkenheid van de overheid.
    19  Boekholt, P. et al – Evaluatie van het Clusterbeleid (2001)
43 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>44 awt-advies nr. 59</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>   Serie uitgebrachte adviezen van de
   Adviesraad voor het Wetenschaps-
   en Technologiebeleid
   59        Tijd om te oogsten! Vernieuwing in het innovatiebeleid. Juni 2004
             ISBN 90 77005 24 2. € 12,50.
   58        De prijs van succes. Over matching van onderzoekssubsidies in kennisinstel-
             lingen. April 2004.
             ISBN 90 77005 22 6. € 12,50.
   57        Nederlands kompas voor de Europese onderzoeksruimte. Strategisch kader
             voor de internationalisering van het onderzoeks- en innovatiebeleid. Januari
             2004.
             ISBN 90 77005 21 8. € 12,50.
   56        Netwerken met kennis. Kennisabsorptie en kennisbenutting door bedrijven.
             November 2003.
             ISBN 90 77005 20 X. € 12,50.
   55        Wat van ver komt... De vormgeving van het Nederlandse bilaterale onder-
             zoeksbeleid. Oktober 2003.
             ISBN 90 77005 19 6. € 9,00.
   54        1+1>2. De bevordering van multidisciplinair onderzoek. September 2003.
             ISBN 90 77005 18 8. € 12,50.
   53        Backing winners. Van generiek technologiebeleid naar actief innovatiebeleid.
             Juli 2003.
             ISBN 90 77005 17 X. € 15,00.
   52        Kennis van criminaliteit. Juni 2003.
             ISBN 90 77005 16 1. € 9,00
   51        Wijsheid achteraf. De verantwoording van universitair onderzoek. Juni 2003.
             ISBN 90 77005 15 3. € 9,00
   50        Naar een nieuw maatschappelijk contract. Synergie tussen publieke kennisin-
             stelllingen en de Nederlandse kennissamenleving. Januari 2003.
             ISBN 90 77005 14 5. € 5,00
   49        Gewoon doen!? Perspectief op de Barcelona-ambitie '3% BBP voor O&O'.
             Juli 2002.
             ISBN 90 77005 11 0. € 9,08
   48        KP6 laten werken. Stimuleren Nederlandse deelname: profijt en beleid. Juli
             2002.
             ISBN 90 77005 10 2. € 12,50
   47        Hógeschool van Kennis. Kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en hoge-
             scholen.
             Juli 2001.
             ISBN 90 77005 05 6. € 11,34
45 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>   46        Handelen met kennis. Universitair octrooibeleid omwille van kennisbenutting.
             Juni 2001.
             ISBN 90 77005 03 X. € 9,08
   45        Over stromen. Kennis - en innovatieopgaven voor een waterrijk Nederland.
             Advies en Verkenning door de AWT, NRLO en RMNO, juni 2000. € 11.34
   44        Investeren in onderzoek, april 2000.
             ISBN 90 346 3823 5. € 9,08
   43        Halfslachtige wetenschap. Onderbenutting van vrouwelijk potentieel als
             existentieel probleem voor academia, januari 2000.
             ISBN 90 346 3798 0. € 11,34
   42        Communicatie over wetenschap en techniek, november 1999.
             ISBN 90 346 3758 1. € 9,08
   41        Vitaliteit en kritische massa. Strategie voor de natuur- en technische weten-
             schappen, augustus 1999.
             ISBN 90 346 3724 7. € 13,61
   40        Cultureel erfgoed en wetenschapsbeoefening. Advies van de AWT en de
             Raad voor Cultuur, juli 1999.
   39        Advies HBO en Kenniscirculatie. Advies van de AWT en de Onderwijsraad,
             juni 1999.
   38        Hoofdlijnen Innovatiebeleid, juni 1999.
             ISBN 90 346 3685 2; € 11,34.
   37        Hoofdlijnen Wetenschapsbeleid, februari 1999.
             ISBN 90 346 3658 5; € 11,34.
   36        Ruimtevaartbeleid, juli 1998.
             ISBN 90 346 3590 2; € 11,34.
   35        Prioriteiten 1998, beleidsadvies naar aanleiding van de verkenningen uit de
             periode 1996-1998, juni 1998.
             ISBN 90 346 3586 4; € 13,61.
   34        Reactie op Strategisch Plan TNO 1999-2002, maart 1998.
             ISBN 90 346 3549 x; € 9,08.
   33        Onschatbare rijkdom aan kennis; financiële verslaglegging en innovatief
             vermogen van ondernemingen, maart 1998.
             ISBN 90 346 3534 1; € 11,34.
   32        Het nut van de grote technologische instituten, februari 1998.
             ISBN 90 346 3532 5; € 13,61.
   31        De structurele behoefte aan informatici, februari 1998.
             ISBN 90 346 3527 9; € 11,34.
   30        Reactie op ontwerp-HOOP 1998, november 1997.
             ISBN 90 346 3502 3; € 11,34.
   29        Wisselwerking tussen 'zachte' en 'harde' kennis, oktober 1997.
             ISBN 90 346 3488 4; € 11,34.
   28        Een werkzaam leven lang leren, juli 1997.
             ISBN 90 346 3460 4; € 11,34.
46 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>   27        De invloed van wet- en regelgeving op innovaties, maart 1997.
             ISBN 90 346 3420 5; € 13,61.
   26        Reactie op het Wetenschapsbudget 1997, oktober 1996.
             ISBN 90 346 3359 4; € 13,61.
   25        Oude wereld, nieuwe kansen.... Kennisuitwisseling met Oost-Azië, juni 1996.
             ISBN 90 346 3312 8; € 13,61.
   24        Report on the Netherlands position on the Fifth Framework Programme of
             the EU, april 1996.
             ISBN 90 346 3307 1; € 11,34.
   23        Regionaal Technologiebeleid, november 1995.
             ISBN 90 346 3241 5; € 11,34
   22        Onderzoek is mensenwerk; ruimte voor management van human resources,
             juli 1995.
             ISBN 90 346 3203 2; € 13,61.
   21        Advies over relatie overheid-TNO, april 1995.
             ISBN 90 346 3167 2; € 9,08.
   20        Advies inzake de para-universitaire instituten, februari 1995.
             ISBN 90 3463156 7; € 9,08.
   19        Exploitatie van universitaire kennis, februari 1995.
             ISBN 90 346 3151 6; € 9,08.
   18        Jaarbeschouwing 1994, oktober 1994.
             ISBN 90 346 3115 x; € 9,08.
   17        Verankering van onderzoekstimuleringsprogramma's, oktober 1994.
             ISBN 90 346 3108 7; € 9,08.
   16        Technologiebeleid en economische structuur, april 1994.
             ISBN 90 346 3071 4; € 15,88.
   15        Advies over onderzoekscholen, januari 1994.
             ISBN 90 346 2900 7; € 9,08.
   14        Advies over de NWO-organisatie, oktober 1993.
             ISBN 90 346 3011 0; € 9,08.
   13        Nederland Vestigingsland, april 1993.
             ISBN 90 346 2991 0; € 13,61.
   12        Advies over het Strategisch Beleidsdocument 1993, maart 1993.
             ISBN 90 346 2986 4; € 9,08.
   11        Technici en onderzoekers: kwaliteit en kwantiteit, december 1992.
             ISBN 90 346 2973 2; € 11,34
   10        Jaarbeschouwing 1992: Vier aandachtspunten voor het Kabinetsbeleid,
             oktober 1992.
             ISBN 90 346 2955 4; € 11,34.
   9         Opmaat voor profilering; advies inzake het Meerjarenplan 1993-1997 van
             NWO, juli 1992.
             ISBN 90 346 2923 6; € 11,34.
47 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   8         Advies inzake de apparatuurvoorziening voor het (para-)universitaire onder-
             zoek, juli 1992.
             ISBN 90 346 2917 1; € 11,34.
   7         Advies inzake de verhouding tussen nationaal en internationaal W&T-beleid,
             mei 1992.
             ISBN 90 346 2820 5; € 11,34.
   6         Techniek & Maatschappij; advies over de factor techniek voor de maatschap-
             pij van morgen, mei 1992.
             ISBN 90 346 2813 2; € 11,34.
   5         Advies inzake het Beleidsplan Wetenschap en Technologie 1991-1994 van
             het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, april 1992.
             ISBN 90 346 2807 8; € 6,81.
   4         Wetenschappen en weten scheppen; advies over de overheidsfinanciering
             van universitair onderzoek, januari 1992.
             ISBN 90 346 2751 9; € 11,34.
   3         Jaarbeschouwing 1991, oktober 1991.
             ISBN 90 346 2679 2; € 4,54.
   2         Advies inzake de Technische Universiteiten (te zamen met de Adviesraad
             voor het Hoger Onderwijs (ARHO) uitgebracht), juli 1991.
             ISBN 90 346 2617 2; € 11,34.
   1         Advies Voorstellen voor de agenda van de Overlegcommissie Verkenningen,
             juli 1991.
             ISBN 90 346 2628 8; € 6,81.
   AWT-publicaties zijn te bestellen via www.awt.nl.
   Het is ook mogelijk schriftelijk of telefonisch te bestellen bij:
   AWT Secretariaat
   Javastraat 42
   2585 AP Den Haag
   T 070-3110920
   F 070-3608992
   E secretariaat@awt.nl
   Vermeld u duidelijk titel, ISBN en afleveradres.
48 awt-advies nr. 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>