<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>57
  Nederlands kompas voor de
  Europese onderzoeksruimte
  Strategisch kader voor de internationalisering van
  het onderzoeks- en innovatiebeleid
  januari 2004
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  Inhoudsopgave
  Samenvatting                                                                     5
  1 Inleiding                                                                     11
        1.1 Aanleiding                                                            11
        1.2 Adviesvragen en afbakening                                            12
        1.3 Karakter van het advies                                               13
        1.4 Aanpak                                                                13
  2 Beleidsontwikkelingen in een context van Europeanisering                      15
        2.1 Vanuit Lissabon naar een Europese onderzoeks- en innovatieruimte 15
        2.2 Uitbreiding en verdrag                                                17
        2.3 Voorzitterschap en verder                                             18
        2.4 Complexiteit; diverse actoren                                         19
        2.5 Complexiteit; diverse denkbeelden                                     21
  3 Beleidsuitgangspunten voor internationalisering van onderzoek: een
    Nederlands perspectief                                                        25
        3.1 Inleiding                                                             25
        3.2 Participeer van ganser harte in de ontwikkeling van de Europese
             onderzoeksruimte                                                     26
        3.3 Denk en opereer vanuit een mondiaal perspectief                       26
        3.4 Faciliteer de autonome tendens tot internationalisering van onderzoek 27
        3.5 Maak ondertussen duidelijke strategische keuzes voor Nederland        28
        3.6 Zet in op ‘kennis als vermogen’                                       28
        3.7 Bed de kenniseconomie in een kennissamenleving in                     29
        3.8 Benadruk het belang van kennisbenutting in Nederland                  30
  4 Eigen koers uitzetten: aanbevelingen voor het Nederlands onderzoeks-
    en innovatiebeleid                                                            31
        4.1 Inleiding                                                             31
        4.2 Hoever en waarin de EU volgen: een meersporen-aanpak                  32
        4.3 Slim en tactisch opereren in de Europese onderzoeksruimte             37
3 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>  5 Aanbevelingen voor Nederlandse inzet op Europees beleid      41
        5.1 Inleiding                                            41
        5.2 Bestuurlijke houding                                 42
        5.3 Mechanismen voor coördinatie van Europees onderzoek  45
        5.4 Coördineren en openstellen van nationale programma’s 47
        5.5 Kaderprogramma                                       49
        5.6 Technology Platforms                                 51
        5.7 European Research Council                            52
  Bijlagen                                                       57
  Bijlage 1 De adviesvraag van OCW en EZ                         57
  Bijlage 2 Coördinatiemechanismen ten behoeve van een ERA       59
  Bijlage 3 Beleidsinstrumenten                                  67
  Bijlage 4 Gespreksdeelnemers interviewronde en workshops       78
4 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
  Adviesvraag
  De ministers van EZ en OCW hebben de AWT gevraagd hen te adviseren over de
  internationalisering van het onderzoeks- en innovatiebeleid: hoe de nationale acti-
  viteiten op dit terrein op een effectieve manier in te bedden in een internationale
  context? De noodzaak hiertoe komt enerzijds voort uit een sterke autonome trend
  tot internationalisering van onderzoek en innovatie. Anderzijds is er sprake van
  intensivering en proliferatie van onderzoeks- en innovatiebeleid in de Europese Unie,
  verbonden aan het streven om van Europa de meest competitieve kenniseconomie
  ter wereld te maken. In dit advies staan drie deelvragen centraal:
  .  Wat zijn voor overheidsbeleid in Nederland de belangrijke uitgangspunten ten
     aanzien van internationalisering van onderzoek en het onderzoeks- en innovatie-
     beleid?
  .  Welke koers moet het nationale onderzoeks- en innovatiebeleid varen zodat
     Nederland een sterke positie kan innemen in een Europese onderzoeks- en inno-
     vatieruimte?
  .  Welke Nederlandse inzet en inspanning is wenselijk ten aanzien van Europese
     beleidsvoornemens en nieuwe beleidsinstrumenten?
  Dit is een advies waarin visie, strategische overwegingen en beoordelingskaders cen-
  traal staan. Met dit advies beoogt de AWT de discussie in Nederland aan te jagen
  over langere termijn strategische vraagstukken rond internationalisering van onder-
  zoeksbeleid.
  Context: grote ontwikkelingen in Europa
  Ter ondersteuning van de Lissabondoelstellingen is in Europa het concept van de
  ERA, de Europese onderzoeks- en innovatieruimte, omarmd. De ERA beoogt een
  drietal problemen in het Europese onderzoekslandschap aan te pakken: de frag-
  mentatie van onderzoeksactiviteiten, de weinig stimulerende omgeving voor onder-
  zoek en innovatie en onvoldoende financiering voor onderzoek in Europa. De con-
  text voor Europees onderzoeks- en innovatiebeleid wordt verder gekenmerkt door
  een aantal actuele, verstrekkende ontwikkelingen en een hoge mate van com-
  plexiteit. De Unie zal binnenkort uitbreiden tot 25 lidstaten en daartoe moet een
  nieuw verdrag gesloten worden. Daarnaast herbergt de Europese onderzoeksruim-
  te zeer veel uiteenlopende partijen, met vaak een grote mate van autonomie. Die
5 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  hebben bovendien verschillende denkbeelden over Europa en over de doelen en
  invulling van een Europese onderzoeksruimte. Dit maakt de opgave om meer syner-
  gie te realiseren in het Europese onderzoek tot een hele uitdaging.
  Uitgangspunten bij internationalisering: een Nederlands perspectief
  De strategische discussie dient volgens de AWT te starten met explicitering van de
  uitgangspunten die richtinggevend zijn voor de Nederlandse opstelling inzake inter-
  nationalisering van onderzoek en innovatie. De Raad acht daarbij een zevental uit-
  gangspunten van belang:
  1. Participeer van ganser harte in de ontwikkeling van de Europese onderzoeks-
      ruimte;
  2. Maar denk en opereer vanuit een mondiaal perspectief;
  3. Faciliteer de autonome tendens tot internationalisering van onderzoek;
  4. Maak ondertussen duidelijke strategische keuzes voor Nederland;
  5. Zet in op 'kennis als vermogen';
  6. Bed de kenniseconomie in een kennissamenleving in;
  7. Benadruk het belang van kennisbenutting.
  De eerste vier uitgangspunten hebben betrekking op het spanningsveld tussen ener-
  zijds 'als Europa samen sterk staan' en anderzijds 'als Nederland een sterke positie
  innemen'. De laatste drie uitgangspunten zijn gerelateerd aan een visie op kennis en
  op de kennissamenleving.
  Eigen koers uitzetten; aanbevelingen voor Nederlands beleid
  Gegeven deze uitgangspunten, is het de vraag waarin, en tot hoever, het
  Nederlandse onderzoeks- en innovatiebeleid het Europese dient te volgen. De AWT
  geeft hierop een gedifferentieerd antwoord, uitgewerkt in een meersporen-aanpak
  voor verschillende typen onderzoeksactiviteiten. Kernpunt van de aanpak is de mate
  waarin verbinding nodig is van onderzoek en onderzoeksbeleid met nationale,
  Nederlandse kennisbehoeften. Indien een dergelijke verbinding gewenst is, dan is
  het zaak op die punten _ méér dan nu gebeurt _ duidelijke eigen strategische keu-
  zes te maken en kennisontwikkeling en -benutting in eigen land goed te regelen. De
  AWT onderscheidt in zijn meersporen-aanpak vier categorieën van onderzoek, met
  een daarbij passende beleidsbenadering.
  .   Het nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek kan het best op internationaal niveau, in
      open competitie, worden georganiseerd. Het is voor dit soort onderzoek dan ook
      geboden aansluiting te zoeken bij de activiteiten in het Europese veld. Taak voor
      de Nederlandse overheid, i.c. OCW, is het creëren van omstandigheden waarin
      groepen in de Nederlandse kennisinfrastructuur optimaal kunnen deelnemen aan
6 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>     de internationale competitie. Sturing is op randvoorwaarden en niet op inhou-
     delijke thema's.
  .  Onderzoek van belang voor innovatie in bedrijven is typisch iets wat 'dicht bij huis',
     dus in Nederland bevorderd moet worden. De Nederlandse kennisinfrastructuur
     zou kennisintensieve bedrijven, kristallisatiepunten van onze innovatiekracht,
     excellentie moeten kunnen bieden. Voor het overheidsbeleid betekent dit, meer
     dan nu het geval is, dat er focus wordt aangebracht in het onderzoek, aanslui-
     tend bij sterktes in onze bedrijvigheid. Het is aan EZ en OCW om, in samenspraak
     met bedrijven, de hiertoe benodigde keuzes voor zwaartepunten te maken.
  .  Ook het onderzoek van belang voor maatschappelijke issues met een specifiek
     Nederlandse lading, zoals waterbeheer of intensief ruimtegebruik, dient in
     Nederland zélf goed georganiseerd te zijn. Kennis over deze issues is een kritische
     factor voor het aanpakken van maatschappelijke problemen en voor de kwaliteit
     van publieke voorzieningen. De overheid (i.c. de vakdepartementen met OCW in
     een coördinerende rol) heeft hier vooral de taak de kennisbasis in stand te hou-
     den. Zij dient hiertoe eigen, Nederlandse keuzes te maken voor inrichting van
     zwaartepunten. De overheid zou verder meer werk kunnen maken van innova-
     tief aanbesteden en veel strategischer als launching customer moeten optreden
     bij dergelijke kennisgebieden.
  .  Voor onderzoek ten behoeve van vraagstukken op Europese of mondiale schaal, zoals
     duurzame ontwikkeling of het klimaatverandering, is er geen noodzaak om in
     Nederland eigen strategische keuzes te maken. Coördinatie van onderzoek op
     Europese schaal biedt juist veel voordelen, zowel uit kwaliteitsoogpunt (meer
     competitie) als bundeling van krachten (minder versnippering). De overheid
     heeft hier vooral een taak in het onderhoud van de kennisinfrastructuur en
     creëren van goede omstandigheden, zodanig dat onze onderzoeksgroepen de
     internationale competitie aankunnen. Daarnaast kan de overheid, i.c. de
     vakdepartementen, zich inspannen om in internationaal overleg onderzoeksthe-
     ma's voor Nederland en sterke Nederlandse onderzoeksgroepen 'binnen te
     halen'.
  De Raad vindt kortom dat _ méér dan nu het geval is _ Nederland strategische keu-
  zes heeft te maken, uitgaande van kennisbehoeften en sterktes in Nederland. De
  Raad bepleit hiertoe een versterkte inzet op zwaartepuntenbeleid in het onderzoek.
  Dit dient gerealiseerd te worden in goede balans met de benodigde brede basis in
  het onderzoek en de ruimte voor vernieuwing.
7 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  Naast helderheid over de te volgen koers voor het nationale onderzoeks- en inno-
  vatiebeleid, acht de Raad versterkte inspanningen nodig om als Nederland slim en
  tactisch te opereren in de Europese arena. De AWT pleit voor:
  .   Beter en effectiever netwerken in de EU;
  .   Betere afstemming tussen het nationale en het Europese beleidscircuit;
  .   Systematisch monitoren van samenwerking in het onderzoeksveld én van het
      beleid in andere lidstaten;
  .   Versterken van de helpdesk ter ondersteuning van Nederlandse partijen;
  .   Betere benutting van kennis ontwikkeld in EU-programma's.
  Aanbevelingen voor Nederlandse inzet op Europees beleid
  Nederland moet niet alleen een eigen koers uitzetten in het Europese onderzoeks-
  landschap, maar ook inspelen op beleidsvoornemens en -instrumenten die uit
  Brussel op ons afkomen. Het scala aan mechanismen ter coördinatie van onderzoek
  en aan Europese beleidsinstrumenten is zeer groot. Dit advies beperkt zich daarom
  tot hoofdlijnen waar het de coördinatiemechanismen betreft, en tot beleidsinstru-
  menten die op dit moment in de belangstelling staan.
  In een sterk veranderende omgeving zoals de Europese is het belangrijk steeds
  opnieuw een afweging te maken op welke mechanismen of beleidsmaatregelen
  Nederland wel of niet inzet. De AWT pleit hier voor een pragmatische en flexibele
  houding van onze overheid en reikt een vast beoordelingskader aan om consisten-
  tie en coherentie van het beleid te bevorderen. Het beoordelingskader kan worden
  gehanteerd om - met het oog op zaken die wij in Nederland van belang achten - te
  beoordelen welke Europese voorstellen bekrachtigd moeten worden en welke
  geremd, en om te onderzoeken met welk beleid Nederland voorop wil lopen.
  Coördinatiemechanismen
  De Europese Commissie en de lidstaten kunnen de ontwikkeling van de Europese
  onderzoeksruimte aansturen via minstens vijf soorten coördinatiemechanismen: via
  zelfsturing van partijen, langs de communautaire weg via Brussel, over de intergou-
  vernementele weg van overeenkomsten tussen overheden, via intermediaire orga-
  nisaties of via de Open Method of Coordination.
      Een pragmatische bestuurlijke houding betekent hier: geen principiële keuzes
  maken voor of tegen bepaalde coördinatiemechanismen, maar in specifieke situa-
  ties steeds een afweging maken tussen de voor- en nadelen van het betreffende
  mechanisme. Het betekent ook: in het nationale beleid inspelen op de mogelijke
  nadelen ervan. Het gaat dan bijvoorbeeld om vragen als: hoe bij het vertrouwen op
8 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>  zelfsturing een mismatch met beleidsdoelstellingen te voorkomen? Of, hoe de ver-
  snippering in het onderzoek te voorkomen, die kan ontstaan bij het inslaan van de
  intergouvernementele weg?
  Beleidsinstrumenten
  De Europese instrumenten die op dit moment in het centrum van de belangstelling
  staan zijn: het coördineren en openstellen van nationale programma's, de kader-
  programma's, Technology Platforms en een European Research Council (ERC). In de
  ogen van de AWT past op ieder van deze beleidsinstrumenten een eigen,
  Nederlandse, reactie:
  .  Coördineren en openstellen van nationale programma's: participeer voluit in het
     coördineren, samenvoegen of openstellen van nationale programma's. Maar doe
     dat onder voorwaarden van reciprociteit, doe het stapsgewijs en selectief.
     Monitor als overheid (OCW en EZ) de ontwikkelingen op dit terrein.
  .  Kaderprogramma: gebruik de kaderprogramma's als vehikel voor het uitbouwen
     van het eigen 'kennisvermogen'. Zet daarbij vooral in op versterking van nieuws-
     gierigheidsgedreven onderzoek en op kennisontwikkeling voor internationale
     maatschappelijke vraagstukken. Zet daarnaast in op het kaderprogramma waar
     het bijdraagt aan het stimuleren van samenwerking en mobiliteit en gebruik het
     kaderprogramma voor benodigde grootschalige investeringen in onderzoeksfaci-
     liteiten.
  .  Technology Platforms: participeer actief in de ontwikkeling van Technology
     Platforms, en breng de Nederlandse ervaring met Technologische Topinstituten
     in. Wees echter vanaf de eerste inzet waakzaam dat Technology Platforms niet blij-
     ven hangen in het stadium van kennisontwikkeling. Stimuleer deelname in
     Technology Platforms die aansluiten bij de eigen nationale sterktes, en ondersteun
     de grote Nederlandse spelers daarbij.
  .  European Research Council: gebruik de European Research Council (ERC) vooral om
     de eigen sterktes in het nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek te profileren.
     Verwacht echter niet alle heil van de ERC, er zijn andere wegen die een grotere
     bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de Europese onderzoeksruimte. Benut
     het Nederlands EU-voorzitterschap in de tweede helft van 2004 om in het ont-
     werp van een ERC maatregelen ter compensatie van de nadelen in te bouwen.
9 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                1
                             Inleiding
                             1..1 Aanleiding
                             Een van de grote uitdagingen voor het Nederlandse onderzoeks- en innovatie-
                             beleid is de nationale activiteiten op een effectieve manier in te bedden in een
                             internationale context. De noodzaak hiertoe is ten eerste gelegen in een autono-
        Autonome trend tot   me trend tot internationalisering van onderzoek en innovatie. Belangrijke spelers
internationalisering van het in het Europese onderzoekslandschap, zoals kennisintensieve bedrijven, publieke
                  onderzoek  kennisinstellingen, financiers van onderzoek, et cetera zijn een drijvende kracht
                             achter internationalisering van onderzoeksactiviteiten. Deze ontwikkeling vraagt
                             om bezinning op het daarbij passende onderzoeks- en innovatiebeleid: op welke
                             punten en op welke manieren moet de overheid de internationaliserings-
                             tendens remmen of bekrachtigen? In welke mate moet ons kennis- en
                             innovatiesysteem open of gesloten zijn om een duurzaam bloeiende Nederlandse
                             kennissamenleving te garanderen? Hoe dient Nederland zich te positioneren in
                             het Europese onderzoekslandschap?
                                Inbedding van Nederlands beleid in het Europese is ten tweede van belang van-
                             wege de recente intensivering en proliferatie van onderzoeks- en innovatiebeleid in
      Ook de Europese Unie   de Europese Unie. Het streven van de Europese Raad om Europa te ontwikkelen tot
    intensiveert haar beleid de meest competitieve kenniseconomie ter wereld is daarvoor een belangrijke impuls.
                             Deze intensivering vraagt eveneens om bezinning op het te voeren nationale onder-
                             zoeks- en innovatiebeleid: hoe in Nederland te anticiperen op het beleid van de
                             Europese Commissie en andere ontwikkelingen binnen de EU? En: hoe te zorgen voor
                             goede verbindingen tussen ons eigen nationale beleid en het EU-beleid?
                                Nederland kan zich niet veroorloven de beantwoording van dit type vragen op de
                             lange baan te schuiven. Het proces van internationalisering van onderzoekgaat
                             onverminderd en met grote snelheid voort, evenals de beleidsvorming op Europees
                             niveau. Heldere stellingnames, gebaseerd op een strategische visie, zijn nodig. De
                             AWT heeft in een eerder advies1 aangegeven dat van een dergelijke strategische
                             bezinning in Nederland nog onvoldoende sprake is. De Raad heeft daarbij aanbevo-
                               1   KP6 laten werken. Stimuleren Nederlandse deelname: profijt en beleid. AWT-advies nr. 48 (2002). In
                                   dit advies is de AWT ingegaan op de vraag welk overheidsbeleid nodig is om Nederland succes-
                                   vol te laten deelnemen aan het 6e Kaderprogramma.
                         11  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                 len om de strategische langere termijn vraagstukken, verbonden aan internatio-
          Nederland moet een     nalisering van het onderzoeksbeleid, te agenderen en daarover in Nederland met
             strategische visie  betrokken partijen discussie te voeren. In de kabinetsreactie op het advies is deze
                   ontwikkelen   aanbeveling van harte onderschreven. De ministers van EZ en OCW hebben de
                                 AWT vervolgens gevraagd zelf deze aanbeveling in praktijk te brengen en te advi-
                                 seren over de internationalisering van het onderzoeks- en innovatiebeleid.2 Het
                                 aanstaande EU-voorzitterschap van Nederland in de tweede helft van 2004,
                                 vormde een andere aanleiding om deze vraag aan de AWT voor te leggen.
                                 1..2 Adviesvragen en afbakening
                                 Kernvraag in dit advies is hoe Nederland zou moeten opereren om een bijdrage
                                 te leveren aan de relevante Lissabondoelstellingen, en om een sterke positie in te
                                 nemen in een Europese onderzoeks- en innovatieruimte. Beantwoording van deze
                                 vraag vergt in de ogen van de AWT bezinning op de volgende drie deelvragen.
                                 .  Wat zijn voor overheidsbeleid in Nederland de belangrijke uitgangspunten ten
Wat zijn de uitgangspunten?         aanzien van internationalisering van onderzoek en het onderzoeks- en inno-
                                    vatiebeleid? Helderheid over die uitgangspunten is noodzakelijk; het biedt het
                                    strategisch beoordelingskader voor toekomstige beleidsacties. Dit komt in
                                    hoofdstuk 3 aan de orde.
                                 .  Welke koers moet het nationale onderzoeks- en innovatiebeleid varen zodat
   Hoe Nederland een sterke         Nederland een sterke positie in kan nemen in een Europese onderzoeks- en
 positie in te laten nemen in       innovatieruimte? Hierbij gaat het om het te voeren nationaal beleid met als
                        de EU?      kernvraag tot hoever, en waarin Nederland het beleid van de Europese Unie
                                    moet volgen. Deze thematiek staat centraal in hoofdstuk 4.
                                 .  Welke Nederlandse inzet en inspanning is wenselijk in het opereren op het
            Op welke Europese       Europese speelveld van onderzoek en innovatie? De Europese beleidsvoor-
               voornemens en        nemens en -instrumenten zijn sterk in ontwikkeling. Hoe kan Nederland zo
          beleidsinstrumenten       effectief mogelijk inspelen op de kansen die Europa biedt? Welke afwegingen
                      inzetten?     spelen daarbij een rol? Deze vragen komen in hoofdstuk 5 aan bod.
                   Afbakening:   Dit advies handelt niet over de wenselijke inrichting van het Europese onder-
                                 zoekslandschap als zodanig, of over de vraag hoe het Europees beleid zich dient
  ... niet het Europees beleid   te ontwikkelen. Startpunt en invalshoek van het advies is nadrukkelijk het vraag-
                 als zodanig ... stuk hoe Nederland kan opereren in de Europese context. De AWT adviseert
                                   2   In bijlage 1 is de tekst van de adviesvraag vanuit OCW en EZ opgenomen.
                             12  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                               immers de Nederlandse overheid over het te voeren wetenschaps- en innovatie-
                               beleid. Dat is met inbegrip van de gewenste Nederlandse inzet in Europese ont-
                               wikkelingen, maar voert niet verder dan het Nederlandse beleid.
 ... innovatiebeleid maar in       Het advies gaat wel over onderzoeks- en innovatiebeleid in internationaal perspec-
                 beperkte zin  tief. Het innovatiebeleid komt in dit advies echter in niet in de volle breedte aan de
                               orde. Het gaat hier vooral om die delen van het innovatiebeleid waarbij kennisont-
                               wikkeling een belangrijke rol speelt. Vraagstukken rond bijvoorbeeld beschikbaarheid
                               van risicokapitaal, het stimuleren van ondernemerschap, of fiscale aspecten van vesti-
                               gingsklimaat, blijven in dit advies goeddeels buiten beschouwing. Het is daarbij ech-
                               ter wel belangrijk te stellen dat innovatiebeleid natuurlijk méér is dan kennisbeleid.3
                               1..3 Karakter van het advies
                               Het onderwerp van dit advies is, zelfs met bovengenoemde afbakeningen, zeer
                               breed van aard. De adviesvragen raken aan een breed scala van vraagstukken op
                               het terrein van wetenschaps- en innovatiebeleid. Dit heeft gevolgen voor het
Strategische overwegingen      karakter van het advies. Het is een advies waarin visie, strategische overwegingen
      en stellingnamen staan   en beoordelingskaders centraal staan. Op basis hiervan komt de Raad tot stelling-
                   centraal …  namen en aanbevelingen op hoofdlijnen van het te voeren beleid (zie hoofdstuk
                               4 en 5). Het advies biedt daarmee een brede en samenhangende kijk op de inter-
                               nationaliseringsvraagstukken voor het beleid. De Raad acht dit advies niet de
                               plaats om gedetailleerde aanbevelingen te geven over deelonderwerpen of afzon-
                               derlijke beleidsinstrumenten (bijvoorbeeld de precieze vormgeving van het zeven-
                               de kaderprogramma). Wel biedt het advies, vooral in de bespreking van het
                               Europese beleid, argumentatieoverzichten bij de dilemma's die dat beleid schept
                               voor Nederlandse partijen.4 Met het advies beoogt de Raad de discussie over inter-
          … want het beoogt    nationalisering van het onderzoeks- en innovatiebeleid aan te jagen onder de
                     discussie betrokken partijen in Nederland.
                               1..4 Aanpak
                               In zijn aanpak bij de totstandkoming van dit advies heeft de AWT een voorschot
                               genomen op het voeden van de discussie over internationalisering van het
                                  3   Zie ook Backing winners. Van generiek technologiebeleid naar actief innovatiebeleid. AWT-advies
                                      nr. 53 (2003).
                                  4   Zie bijlagen 2 en 3 voor uitgebreide argumentatieanalyses.
                           13  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                               onderzoeks- en innovatiebeleid. De Raad heeft daartoe drie werkconferenties5
                De AWT heeft   georganiseerd, met als onderwerpen:
             werkconferenties  .    Het internationaal openstellen van nationale onderzoeksprogramma's.
             georganiseerd ... .    Ervaringen uit het zesde kaderprogramma _ op weg naar het zevende.
                               .    De beste weg, of het beste coördinatiemechanisme, voor de ERA.
                               De werkconferenties hebben een waarde op zichzelf gehad, afgezien van de meer
                               inhoudelijke 'opbrengst': de betrokken partijen hebben ervaringen, meningen en
                               visies met elkaar gedeeld en zijn daarover met elkaar in discussie gegaan. De werk-
                               conferenties hebben zodoende bijgedragen aan een beter onderling zicht op de
                               verschillende posities in het debat.
                               De keuze van onderwerpen voor de werkconferenties zijn ontleend aan een brede
                               gespreksronde met personen die in beleid of praktijk sterk te maken hebben met
                               internationaal onderzoeks- en innovatiebeleid.6 Uit deze ronde kwamen de boven-
... over onderwerpen die wel   genoemde onderwerpen naar voren als enerzijds actueel, en anderzijds als nog
        actueel maar nog niet  niet uitgekristalliseerd. Onderwerpen als de mobiliteit van kenniswerkers of IPR-
voldoende geagendeerd zijn     vraagstukken daarentegen, werden bijvoorbeeld wel als belangrijk gesignaleerd,
                               maar ook als reeds goed geagendeerd bij de belangrijkste partijen. Het leek daar-
                               om niet nodig daarover nog verder discussie te entameren. Het advies bouwt
                               voort op de kennis en ervaring die zowel uit de interviewronde als uit de confe-
                               renties naar voren kwamen.
                                  5   Verslagen van de werkconferenties zijn op de website van de AWT te vinden: www.AWT.nl.
                                  6   Zie bijlage 5, met namen van gesprekspartners en van de deelnemers aan de conferenties.
                          14   AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>            2
                           Beleidsontwikkelingen in een
                           context van Europeanisering
                           In onderzoek en ontwikkeling is sprake van een voortschrijdende autonome trend
                           tot internationalisering, los van enig overheidsbeleid. Deze ontwikkeling beperkt
                           zich niet tot Europa, maar is wereldwijd gaande en neemt verschillende vormen
                           aan, zoals internationale exploitatie van kennis en technologie, samenwerking
                           over de grenzen tussen publieke en private partijen of grensoverschrijdende
                           investeringen in onderzoekscapaciteit door multinationals.7 De belangrijkste
                           actors hierbij zijn zeker ook de drijvende kracht achter integratie van onderzoek in
                           Europa.
                               Europese integratie wordt daarnaast expliciet door regionale, nationale en
                           internationale overheden vormgegeven, onder andere in hun onderzoeks- en
                           innovatiebeleid. In het onderstaande worden de belangrijkste trends in het beleid
                           geschetst, die synergie beogen in de Europese kennissamenleving. Deze over-
                           heden hebben in hun pogingen tot internationalisering te maken met een hoge
             Het Europese  mate van complexiteit. Niet alleen door het grote aantal verschillende actoren dat
  onderzoekslandschap is   een rol speelt in het proces van Europeanisering, maar ook door de onderscheiden
                  complex  denkbeelden die bij deze actoren een rol spelen. De schets van deze complexiteit,
                           aan het eind van dit hoofdstuk, is daarmee een beschrijving van de context waar-
                           in het beleid moet worden ontwikkeld.
                           2..1 Vanuit Lissabon naar een Europese
                                       onderzoeks- en innovatieruimte
                           Veel van het huidige Europese onderzoeks- en innovatiebeleid heeft als achter-
                           grond de Lissabondoelstellingen om Europa te ontwikkelen tot 'de meest compe-
                           titieve op kennis gebaseerde economie van de wereld, in staat tot duurzame
       Op de achtergrond:  groei, met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang'. In
de Lissabon-doelstellingen Lissabon, in het jaar 2000, heeft de Europese Raad deze doelstellingen geformu-
                           leerd, waarmee Europa de concurrentie aanging met Amerika en Japan.
                              7   Zie Edler en Boekholt Benchmarking national public policies to exploit international science and industri-
                                  al research: a synopsis of current developments in: Science and public policy (2001) 313-321.
                        15 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                               Voor deze ambitieuze doelstelling, waarin economische doelstellingen gekoppeld
                               worden aan sociale, wordt versterking van het innovatief vermogen van de
                               Europese bedrijven gezien als een belangrijk middel. Europeanen lijken immers
                               minder innovaties in producten en processen te realiseren dan andere continen-
                               ten. Het innoverend vermogen kan onder meer verbeterd worden door meer
      En die van Barcelona     onderzoek. De Europese Raad heeft deze laatste gedachte in Barcelona, in 2002,
                               uitgewerkt in de zogenaamde 3% doelstelling, die stelt dat de publieke en priva-
                               te investeringen in onderzoek en ontwikkeling in de lidstaten minstens moeten
                               groeien tot 3 % van het BBP.8 Als een uitwerking van de Lissabondoelstellingen in
                               het onderzoeksbeleid heeft de Europese Commissie, in het bijzonder commissaris
         De ERA; een nieuw     Busquin, het concept van de ERA, de Europese onderzoeks- en innovatieruimte,
                   concept ... gelanceerd.9 Dit concept is ondersteund door Europese instellingen uit het veld
                               van onderzoek en ontwikkeling. Het gaat uit van drie constateringen: de onder-
                               zoeksactiviteiten zijn sterk gefragmenteerd of versnipperd, Europa biedt geen sti-
                               mulerende omgeving voor wetenschap en de benutting daarvan en, tot slot, er is
                               onvoldoende financiering voor onderzoek in Europa.
              ... één interne      Het doel van de ERA valt uiteen in drie met elkaar verbonden ideeën: ten eer-
        onderzoeksmarkt ...    ste dient er één interne onderzoeksmarkt te komen, waarop kennis, R&D, weten-
                               schappers en technologie zich vrijelijk kunnen bewegen. Dit ter bevordering van
                               samenwerking, onderlinge competitie en van een efficiëntere verdeling en effec-
                               tievere besteding van middelen. Ten tweede houdt de ERA een herstructurering
                               van het Europese ´bouwwerk´ op het terrein van onderzoek in, vooral door ster-
... sterkere coördinatie ...   kere coördinatie van nationale onderzoeksactiviteiten en beleid in de lidstaten.
                               Juist omdat het leeuwendeel van onderzoek op nationaal niveau plaatsvindt,
                               hoopt men tot meer afstemming en een efficiëntere organisatie te komen. Tot slot
     ... en Europees beleid    is het in deze plannen de bedoeling dat er ook een echt Europees onderzoeksbe-
                               leid komt. Dat gaat verder dan het huidige kaderprogramma van de Europese
                               Commissie, waarin het financieren van een aantal onderzoekprogramma's
                               centraal staat.
                                   Het concept van de ERA handelt met name over coördinatie van het onder-
                               zoeksbeleid en over het bevorderen van kwaliteit en excellentie in het onderzoek.
                               Toch is een impliciete doelstelling in dit beleid zeker ook een betere benutting van
                                  8  Onlangs zijn deze Barcelona-doelstellingen uitgewerkt in: Investing in research: an action plan for
                                     Europe COM (2003) 226 final.
                                  9  Veelal wordt gesproken over de ERA. Bedoeld wordt dan de door de Europese Commissie geïniti-
                                     eerde beleid gericht op de vorming van een Europese onderzoeksruimte. Deze wordt voorname-
                                     lijk tot stand gebracht door beleidsmatige afstemming en coördinatie. Dit beeld gaat echter voor-
                                     bij aan de autonome trend tot internationalisering, die een Europese onderzoeks- en
                                     innovatieruimte gestalte geeft.
                           16  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                           onderzoek. Het ERA-beleid raakt dus aan het innovatiebeleid, waarmee de
                           Commissie een hoger innovatiepotentieel probeert te realiseren.
                               Op de lancering van de Lissabon- en Barcelonadoelstellingen en van het ERA-
  Momenteel veel politieke concept is een omvangrijke stroom beleidsstukken, de zogenaamde mededelin-
            aandacht voor  gen, uit Brussel gevolgd. Bijvoorbeeld over de rol van universiteiten in de ERA,
 onderzoeksbeleid in de EU over innovatiebeleid en het onderling benchmarken daarvan, het 3 % actieplan of
                           over carrièreperspectieven van wetenschappers. Dit tekent het hoge niveau van
                           politieke aandacht op Europees niveau voor de ontwikkeling tot een kennis-
                           intensieve economie aan het begin van dit millennium.
                           2..2 Uitbreiding en verdrag
           Uitdagingen bij De Europese Unie staat momenteel voor een grote uitdaging, namelijk de uitbrei-
            uitbreiding EU ding met 10 landen. Dit is niet alleen een economische uitdaging, maar ook een
                           culturele, politieke en wetenschappelijke.
                               In economisch opzicht is het de vraag of de Europese landen in gezamenlijk-
Economisch samen sterker?  heid kunnen groeien, of dat de groei in een van de landen stagneert als gevolg
                           van de toetreding. De volgende economische vraag is natuurlijk, of een nadruk op
                           kennisintensieve bedrijvigheid en dienstverlening voor een uitgebreid Europa de
                           beste optie is. Mogen de Lissabondoelstellingen met hun nadruk op de ontwikke-
                           ling tot kenniseconomie voor de huidige lidstaten bij uitstek geschikt zijn, de
                           vraag is, of dit voor de Oost-Europese landen ook het geval is. De verschillen in
                           uitgangspositie zijn immers groot.10
                               In cultureel opzicht is het de vraag welke soort van eenheid in verscheiden-
                           heid, het kenmerk van het huidige Europa, er zal groeien in de uitgebreide EU. De
                           onderlinge culturele verschillen worden in Europa door de uitbreiding sterk ver-
                           groot. Deze diversiteit hangt niet alleen samen met culturele, religieuze of etni-
       Komt er eenheid in  sche verscheidenheid, maar zeker ook met verschillen in economische positie.
         verscheidenheid?  Wetenschappelijke samenwerking, en in het verlengde daarvan economische, is
                           vaak een goede manier gebleken om culturele verschillen te overbruggen. De
                           vraag is wel of een sterkere nadruk op onderlinge concurrentie en het streven naar
                           excellentie het tot stand komen van een gedeelde waardengemeenschap verder
                           brengt.11
                              10 Zie: SCP/CPB rapport Sociaal Europa, Europese Verkenning 1 (2003) p.77.
                              11 Zie: RMO advies Hart voor Europa Advies nr. 27 (2003), dat vooral het belang van onderwijs bena-
                                  drukt voor het vormen van een culturele gemeenschap.
                        17 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                           In politiek opzicht staat de eenheid binnen de Unie onder druk. De uitbreiding
                       houdt een verschuiving van posities van de lidstaten in, en een noodzaak tot een
Een nieuw verdrag met  herinrichting van de organisatie. Momenteel wordt daartoe een nieuw verdrag
     nieuwe spelregels opgesteld, waarin de 'spelregels' voor de uitgebreide Unie worden vastgelegd. De
                       discussie daarover spitst zich toe op een debat over de invloed van de afzonder-
                       lijke lidstaten. Nederland was binnen de Unie al een relatief kleine speler, in een
                       uitgebreid Europa wordt het natuurlijk nog kleiner.
                           In wetenschappelijk opzicht is Europa al meer een geheel dan in andere
                       opzichten. In de vorige eeuw is de wetenschap nog sterker dan daarvoor al het
                       geval was geïnternationaliseerd, en zijn de Europese grenzen voor de wetenschap
                       minder relevant geworden. Kennis kent weliswaar geen grenzen, maar de context
                       waarin kennis wordt gecreëerd, is echter wel plaatsgebonden. De vraag is, of een
       Is een Europese Europese wetenschapspraktijk überhaupt denkbaar is. Een Europese praktijk zou
   wetenschapspraktijk kunnen verschillen van praktijken op andere continenten in de manier waarop zij
             haalbaar? omgaat met bijvoorbeeld openbaarheid van gegevens, toegankelijkheid van ken-
                       nis, privacykwesties, biologisch materiaal of eigendom van kennisproducten.
                           Voor het onderzoeksbeleid lijkt een eventueel nieuw verdrag in te gaan houden
                       dat de Europese Commissie en de lidstaten de verantwoordelijkheid voor dat
                       beleidsgebied explicieter dan voorheen gaan delen. Onderzoek is in de concept-
                       tekst namelijk een shared competence tussen Unie en lidstaten, waar het voorheen
                       meer een competentie van de lidstaten alleen was. Het innovatiebeleid blijft in
                       deze opzet nog steeds een 'nationale competentie'. Deze uitbreiding van haar
 Onderzoek wordt een   competenties kan de Commissie een sterkere houvast bieden in haar pogingen tot
 gedeelde competentie  coördinatie van nationaal onderzoeksbeleid. Dat maakt het waarschijnlijker dat er
                       op termijn vanuit Brussel wordt gekoerst op afstemming en zelfs harmonisatie van
                       het onderzoeksbeleid in en tussen de lidstaten.12
                       2..3 Voorzitterschap en verder
                       In de tweede helft van 2004 zal Nederland fungeren als voorzitter van de
                       Europese Unie.13 Gezien het mislukken van de Europese top in december 2003,
                          12 Zie Final report of Working Group V "Complementary Competencies", waarin ter voorbereiding op het
                               nieuwe verdrag voorgesteld wordt onderzoek en ontwikkeling in te delen bij de gedeelde
                               bevoegdheden, CONV 375/1/02 REV 1 (2002)
                          13 In dezelfde periode is Nederland overigens ook voorzitter van Eureka, de intermediaire organisa-
                               tie die Europese samenwerking op het vlak van R&D bevordert.
                   18  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                               zou het Nederlandse voorzitterschap wel eens voornamelijk in het teken van een
                               nieuwe poging tot het sluiten van een verdrag kunnen komen te staan. Dat zou
                               de aandacht kunnen wegnemen van onderwerpen die door Nederland op de
                               agenda voor deze periode gezet zullen worden.14
                                   Sowieso bepaalt de agenda van Brussel grotendeels die van een voorzitter-
                               schap.15 Gezien de Europese verkiezingen, de uitbreiding, de nieuwe commissa-
      Op de agenda staan:      riaten en commissarissen in 2004, betekent dat voor de Nederlandse periode
                               vooral het opmaken van de balans, en het voorzichtig voorbereiden van nieuw
                               beleid. Wat het onderzoeks- en innovatiebeleid betreft, staat in ieder geval op de
             Evaluatie grote   Brusselse agenda voor deze periode de evaluatie van de grote instrumenten in
       instrumenten KP6 ...    het Zesde Kaderprogramma. De voortgang op het gebied van de Lissabon-doel-
                               stellingen, een zogenaamde midterm review, staat voor voorjaar 2005 op de
                               agenda, evenals een eerste evaluatie van de Barcelona-doelstellingen. De voor-
                               bereiding voor deze tussentijdse besprekingen zullen mede in de Nederlandse
                               periode plaatsvinden.
             ... en financiële     Daarnaast is een belangrijk onderwerp het opstellen van de financiële perspec-
               perspectieven   tieven voor de Unie. Dit hangt niet alleen nauw samen met het eventueel sluiten
                               van een nieuw verdrag, maar ook met de inhoud van het Europees beleid. Meer
                               geld voor kennisontwikkeling, een impliciete premisse van zowel de Lissabon- als
                               de Barcelona doelstellingen, zou uit andere budgetten van de Unie moeten
                               komen. Een dergelijke overheveling tussen budgetten brengt ongetwijfeld veel
                               discussie met zich mee, zeker zo vlak na de uitbreiding.
                               2..4 Complexiteit; diverse actoren
                 De Europese   De arena van de Europese onderzoeksruimte wordt bevolkt door een grote hoe-
onderzoeksruimte is bevolkt    veelheid verschillende spelers met ieder andere posities, belangen, bevoegdheden
      met diverse partijen:    en speelruimte. Elke partij laat hierin een ander geluid horen, waardoor een com-
                               plexe kakofonie ontstaat:
                                  14 Zoals bijvoorbeeld genoemd in de brief van de Minister van OCW De internationale OCW-agenda
                                      en het EU-voorzitterschap 2004(3 december 2003) IB/2003/58092.
                                  15 Zie Kamerbrief over Nederlands EU-voorzitterschap, (24 december 2003) Bijlage 1, Multiannual stra-
                                      tegic programme of the council 2004-2006, met daarin de Europese agenda, en Bijlage 2, het
                                      Operational programme of the Council 2004, met een agenda voor zowel het Ierse als het
                                      Nederlandse voorzitterschap.
                           19  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>          Overheden…    .  Aan de overheidskant zijn minstens vier bestuurslagen te onderscheiden:
                           Europees (communautair), nationaal (en dus ook intergouvernementeel), regio-
                           naal (kan ook grensoverschrijdend zijn) en lokaal niveau. Daartussen vormen
                           zich diverse samenwerkingsverbanden, soms dwars door de verschillende
                           niveaus heen.16
       … op meerdere    .  Binnen deze overheidslagen worden vaak twee beleidsterreinen onderschei-
    beleidsterreinen …     den: onderzoeks- en wetenschapsbeleid aan de ene kant, innovatiebeleid aan
                           de andere. De afstemming tussen deze beleidsterreinen is op al die bestuurs-
                           niveaus een opgave. Bovendien kennen de meeste overheden ook hele andere
                           beleidsterreinen die onderzoek en innovatie sterk raken, zoals concurrentie-
                           beleid, defensie of onderwijs.
  … met verschillende   .  In de overheid valt een onderscheid te maken in de functie en taakopvatting
               rollen …    van verschillende partijen: ambtenaren, ministers en commissarissen staan aan
                           de beleidsvormende kant, vormen ambitieuze plannen en trachten daar uit-
                           voering aan te geven. Parlementen en hun leden, het rechtelijke systeem en
                           regulators die standaarden vaststellen of autoriteiten zoals de mededingings-
                           autoriteit, staan meer aan de controlerende kant.
          … en diverse  .  Ook zijn beleid en uitvoering vaak gescheiden, zodat er op intermediair niveau
   uitvoeringsorganen      min of meer zelfstandige uitvoeringsorganisaties ontstaan met een eigen stem
                           _ men denke aan NWO en Senter op nationaal niveau. Maar ook op Europees
                           of internationaal niveau treft men deze aan _ bijvoorbeeld organisaties als de
                           European Science Foundation of EUREKA. Vergeet daarbij niet de adviserende
                           lichamen op nationaal (AWT, Innovatieplatform) en internationaal niveau
                           (CREST _ Scientific and Technical Reserach Committee of de EURAB _ European
                           Research Advisory Board etc).
De kennisinfrastructuur .  In de kennisinfrastructuur, wat meer buiten de overheidssfeer, vindt men dan
              kent vele    de onderzoeksinstituten in diverse vormen: de universiteiten, de intermediaire
 organisatievormen …       onderzoeksinstituten, R&D-organisaties, laboratoria et cetera, die ieder een ver-
                           schillende rol hebben in het kennis- en innovatiesysteem. Er zijn overigens ook
                           verschillende onderzoeksinstituten van de Europese Unie, de Joint Research
                           Centers, niet te verwarren met enkele intergouvernementele instituten, zoals
                           bijvoorbeeld het EMBL _ European Molecular Biology Laboratory in Heidelberg.
                          16   Per slot is Nord-Rhein Westfalen qua omvang vergelijkbaar met Nederland.
                     20 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>… en belangenorganisaties    .  Deze verschillende soorten instituties hebben niet alleen nationale belangen-
                                organisaties (VSNU, KNAW), maar vaak ook Europese of internationale (zoals
                                EUROHORCs voor de Research Councils, ALLEA voor de wetenschappelijke
                                Academies, EARTO van de Research and Technology Organisations of de EUA van
                                de universiteiten).
                             .  Tot slot komen we dan bij de private sector, het bedrijfsleven, waarin de bedrij-
                                ven zitten die uiteindelijk van Europa de meest competitieve kenniseconomie
                                moeten maken. Dit is natuurlijk een amalgaam van groot en klein, kennis-
   Een divers bedrijfsleven     intensief en -extensief, met of zonder R&D afdeling, technologie ontwikkelend
          doet ook mee …        of volgend, meer of minder geïnternationaliseerd. Via hun belangenorganisa-
                                ties op nationaal (VNO-NCW, MKB Nederland) en internationaal niveau (Unice
                                van de werkgevers, de European Round Table of Industrialists, of de EIRMA als
                                organisatie van research managers) proberen zij het beleid te beïnvloeden.
          ... net als andere .  Consultants bewegen zich op alle niveaus en in alle sferen, net als enkele niet-
            private partijen    gouvernementele organisaties van burgers die zich om de wetenschap en haar
                                producten bekommeren.
                             Kortom, de Europese onderzoeksruimte is bevolkt met zeer verschillende spelers,
                             die zich moeilijk laten orchestreren. Het is goed om bewust te zijn van deze com-
                             plexe werkelijkheid, waarin het de opgave is meer synergie in het Europese onder-
                             zoek te realiseren. Te meer daar al deze partijen niet alleen formeel een verschil-
                             lende positie hebben, maar ook verschillende idealen najagen met Europa of met
                             een Europese onderzoeksruimte.
                             2..5 Complexiteit; diverse denkbeelden
                             De verschillende actoren hebben alle andere ideeën over wat Europa en een
                             Europese onderzoeksruimte zouden moeten inhouden. Over het algemeen sluiten
               Iedereen legt deze denkbeelden elkaar niet uit, maar leggen wel steeds andere accenten op
          andere accenten    onderscheiden na te streven doelen en op de verscheidene beleidsinstrumenten
                             die daartoe ingezet kunnen worden. Uit deze beelden spreken uiteenlopende
                             drijfveren waarmee partijen een bijdrage leveren aan een Europese onderzoeks-
                             ruimte.
                                In het onderstaande kader werkt de AWT vijf verschillende denkbeelden over
                             een Europese onderzoeksruimte nader uit. Deze zijn alle legitiem en in de praktijk
                             aan te treffen bij de partijen die deze ruimte mede vormgeven, al worden zij zel-
                             den geëxpliciteerd. Het is in strategisch opzicht van belang om te bedenken dat
                             deze denkbeelden naast elkaar bestaan en nagestreefd worden.
                         21  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>    Denkbeelden helpen om        Inzicht in het bestaan van deze uiteenlopende denkbeelden kan de analyse van
successen of mislukkingen te verschillende lopende discussies over de Europese onderzoeksruimte ondersteu-
                   begrijpen nen. Het verklaart bepaalde successen of mislukkingen in de pogingen tot verde-
                             re internationalisering, omdat verschillende projecten in meer of mindere mate
                             passen bij bepaalde denkbeelden. Bijvoorbeeld daar waar een beweging tot
                             Europeanisering verschillende visies in zich verenigt, worden krachten natuurlijk
                             makkelijker gebundeld.
                             Vijf denkbeelden over de invulling van de Europese onderzoeksruimte
                             De ERA als common market
                             Hierin staat de integratie van het Europese onderzoek centraal, met als uiteinde-
                             lijk doel de economische ontwikkeling van de Europese Unie. Het gaat om een
                             grenzeloos Europa, waarin kenniswerkers zich vrijelijk kunnen bewegen en gehan-
                             deld kan worden met kennis. Dit denkbeeld past in het economische ideaal van
                             Europa, waarin de eenheidsmarkt centraal staat als vehikel van eenwording. De
              Eenheidsmarkt  nadruk ligt hierin op het gezamenlijk creëren van een markt voor onderzoek en
                             het weghalen van obstakels hiervoor. In dit denkbeeld moeten op het gebied van
                             onderzoek de kosten van 'Niet-Europa' gereduceerd worden en streeft men dus
                             minder overlap en meer efficiëntie na.
                             De ERA als constructief netwerk
                             Uitgangspunt binnen dit perspectief is de constatering dat de landen van de Unie
                             sterk verschillen in omvang, structuren, performance of de wil tot samenwerking.
                             Dan heeft het coördineren van samenwerking niet veel zin. Het 'leidt maar tot
                             bureaucratisering' en tot ineffectieve discussies over bijvoorbeeld juste retour. Hier
                             acht men het veel effectiever alleen daar samen te werken, waar de betrokken par-
                    Netwerk  tijen toegevoegde waarde verwachten. Degenen die dit denkbeeld dragen, vaak
                             autonome partijen als de industrie maar ook de kleine landen, dringen niet aan op
                             integratie of coördinatie, maar wel op het weghalen van barrières voor samen-
                             werking. Partijen die willen samenwerken, moeten dat immers wel kunnen.
                             De ERA als forum voor excellentie
                             Binnen dit perspectief wordt de ERA met name gezien als een forum waarop
                             onderzoekers met elkaar concurreren op basis van kwaliteit. Het gaat erom van
                             Europa een competitief samenwerkingsverband te maken waarin men elkaar
                             opzweept tot wetenschappelijke en technologische excellentie. Het streven is het
                             creëren van hoge toppen in het Europese onderzoekslandschap. Het vestigen van
                          22 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>            Competitie een aantal gemeenschappelijke grote, kapitaalintensieve onderzoeksfaciliteiten
        voor kwaliteit passen in dit beeld. Die bieden voor het streven naar excellentie immers een infra-
                       structuur. Verder wordt er niet gestreefd naar gemeenschappelijkheid of samen-
                       werking; het doel is de kwaliteit van het geheel te verhogen door vergroting van
                       de onderlinge concurrentie. Het beeld sluit goed aan bij wetenschappers, die vaak
                       toch al sterk gericht zijn op hun internationale peer group.
                       De ERA als politiek-bestuurlijke constructie
                       Hierin staat de bestuurlijke dimensie centraal; de ERA is een politiek-bestuurlijke
                       constructie waarbinnen kennis efficiënter en goedkoper geproduceerd moet wor-
                       den. De noodzaak tot bundeling van krachten en investeringen wordt hierin bena-
                       drukt, met het oog op de concurrentie van buiten Europa. Hoewel deze noodzaak
 Bestuurlijke dimensie wordt onderkend, gelden binnen dit ideaal echter ook politieke en bureaucrati-
                       sche eisen van rechtvaardigheid, zorgvuldigheid, subsidiariteit of proportionaliteit,
                       die het streven naar een ERA kunnen bemoeilijken. Binnen de grenzen van Europa
                       heeft men hier het doel een efficiënt, maar ook een bestuurlijk correct onderzoeks-
                       en innovatiesysteem te creëren, met aandacht voor randvoorwaarden als IPR-wetge-
                       ving, aanwezigheid van Venture capital et cetera.
                       De ERA als historisch-culturele kennisgemeenschap
                       In dit beeld staat de gezamenlijke Europese wetenschappelijke traditie centraal,
                       waarin Europa als een community of scholars kan worden gezien. De ERA is een
                       gebied met een gemeenschappelijke, ook wetenschappelijke, historie en cultuur
                       die als zodanig gecultiveerd moeten worden. Het is een sociaal-cultureel ideaal,
                       dat teruggrijpt op gezamenlijke wortels in kennisontwikkeling, en dat aandringt
                       op het expliciteren van gedeelde waarden. Het zet zich daarmee af tegen andere
Waardengemeenschap     waardengemeenschappen, juist op het gebied van 'wetenschappelijke' waarden
                       als openbaarheid, rationaliteit, waarheid en onpartijdigheid. Vanuit dit denkbeeld
                       wordt een Europese wetenschapspraktijk nagestreefd, die zich onderscheidt van
                       andere praktijken.
                   23  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>            3
                           Beleidsuitgangspunten voor
                           internationalisering van onderzoek:
                           een Nederlands perspectief
                           3..1 Inleiding
                           In hoofdstuk 2 is de context aangegeven waarbinnen de kernvraag in dit advies
                           beantwoord moet worden: hoe moet de Nederlandse overheid opereren om een
                           bijdrage te leveren aan de relevante Lissabondoelstellingen en tegelijkertijd
                           Nederland een sterke positie in te laten nemen in een Europese onderzoeks- en
                           innovatieruimte? Beantwoording van deze vraag vergt allereerst explicitering van de
        Explicitering van  uitgangspunten die richtinggevend zijn voor de Nederlandse opstelling inzake inter-
      uitgangspunten ...   nationalisering van onderzoek en onderzoeksbeleid. Samen genomen bieden de uit-
                           gangspunten het strategisch kader waarbinnen meer concrete afwegingen over de
                           te volgen koers gemaakt kunnen worden. In dit hoofdstuk geeft de AWT aan welke
                           uitgangspunten voor overheidsbeleid in zijn ogen gehanteerd dienen te worden.
                           Deze uitgangspunten zijn deels reeds common sense, deels nog in discussie.
                           De uitgangspunten hebben allereerst betrekking op het opereren in het span-
                           ningsveld tussen enerzijds ‘als Europa samen sterk staan’ en anderzijds
        ... over de eigen  ‘als Nederland een sterke positie innemen’. De Raad acht hierbij de volgende uit-
         positionering ... gangspunten richtinggevend:
                           .   Participeer van ganser harte in de ontwikkeling van de Europese onderzoeks-
                               ruimte;
                           .   Maar denk en opereer vanuit een mondiaal perspectief;
                           .   Faciliteer de autonome tendens tot internationalisering van onderzoek;
                           .   Maak ondertussen duidelijke strategische keuzes voor Nederland.
                           De uitgangspunten zijn ten tweede gerelateerd aan vragen rond de aard en bete-
... en de visie op kennis  kenis van kennis, zoals: hoe met kennisontwikkeling om te gaan, welke accenten
                           moet de overheid daarin aanbrengen en welke visie moet zij op de 'op kennis
                           gebaseerde economie' ontwikkelen? De Raad benoemt hierbij de volgende
                           uitgangspunten:
                           .   Zet in op 'kennis als vermogen';
                           .   Bed de kenniseconomie in een kennissamenleving in;
                           .   Benadruk het belang van kennisbenutting.
                       25  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                           Deze uitgangspunten voor het overheidsbeleid, gericht op internationalisering
                           van onderzoek, worden in het onderstaande nader uitgewerkt.
                           3..2 Participeer van ganser harte in de ontwikke-
                                     ling van de Europese onderzoeksruimte
                           Nederland is al lang, en zeker sinds de Gouden eeuw, een open en internationaal
                           georiënteerd land. Dit open karakter hangt samen met de geografische ligging
                           van Nederland, in de delta van Noord-Europa, met grote zeehavens. De
Behoudt het open karakter  Nederlandse cultuur is in het kielzog hiervan van oudsher naar buiten gericht, met
            van Nederland  een groot adaptief vermogen voor impulsen van buitenaf. Het bedrijfsleven is
                           eveneens sterk internationaal georiënteerd, net als de Nederlandse kennisinstel-
                           lingen.
                              Van ganser harte participeren in de Europese Unie past bij dit open, interna-
                           tionale karakter van ons land. Het slechten van handelsbarrières is voor een land
                           met een internationale overslag- en distributiefunctie natuurlijk van groot belang.
                           Maar ook op het onderzoeksterrein is deelname aan een Europese onderzoeks-
                           ruimte en aansluiting op het Europese speelveld productief geweest. Dat biedt
                           gunstige perspectieven voor de toekomst. Er is _ voor de EU als geheel en zeker
 Dat legt geen windeieren  ook voor Nederland _ winst te behalen in de totstandbrenging van méér synergie
                           in het Europese onderzoekslandschap.
                           3..3 Denk en opereer vanuit een mondiaal
                                     perspectief
                           Kennis, innovatie en kenniswerkers laten zich echter niet opsluiten in fort Europa.
 Kennis kent geen grenzen  Realiteit is dat belangrijke Nederlandse spelers, zoals kennisintensieve bedrijven en
                           universiteiten, zich niet laten tegenhouden door nationale of Europese grenzen. En
                           dat is maar goed ook. Nieuwe, grensverleggende inzichten vinden razendsnel hun
                           weg over de wereld. Bedrijven moeten zich dus voortdurend oriënteren op een
                           internationale kennismarkt. De bedrijven zelf zijn ook steeds minder aan landsgren-
                           zen gebonden, en opereren steeds makkelijker in een internationale context. Ook
                           universiteiten en onderzoeksinstituten hebben inmiddels te maken met een wereld-
Het gaat om excellentie in wijde concurrentie. Wat telt is immers excellentie in mondiaal perspectief.
      mondiaal perspectief Nederlandse partijen, kennisinstellingen én bedrijven, moeten dan ook aansluiting
                           kunnen vinden bij de beste kennis, waar die ook ter wereld geproduceerd wordt.
                       26  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                                Om die reden alleen al moet Nederland haar lot niet volledig verbinden met dat van
                                de Europese onderzoeksruimte. Het is en blijft nodig om te denken en te opereren
                                vanuit een mondiaal perspectief.
                                   In het licht van de benodigde excellentie en een versterkte concurrentie wijst de
                                Raad op een tweede reden om de blik nadrukkelijk breder te richten dan alleen op
                  Dus houdt de  de Europese onderzoeksruimte. Het risico van een te sterke focus op Europa is een
              kennismarkt open  lagere gemiddelde kwaliteit van onderzoek. Dit omdat Europeanen dan weliswaar
                                onderling concurreren, maar niet met rest van de wereld. Het afsluiten van de markt
                                voor kennis en talent uit landen buiten Europa kan als effect hebben dat de onder-
                                linge competitie lichter wordt, met als mogelijk gevolg een lagere kwaliteit.
                                3..4 Faciliteer de autonome tendens tot interna-
                                          tionalisering van onderzoek
                                Het is van belang zich te realiseren dat autonome spelers in het Europese onder-
                                zoeksveld een drijvende kracht zijn achter meer synergie en integratie van het
           Internationalisering onderzoek in Europa. Grote kennisintensieve bedrijven, universiteiten, de TNO's
schrijdt voort, ook buiten elk  en NWO's en anderen geven, buiten elk overheidsbeleid om, via samenwerkings-
           overheidsbeleid om   relaties actief vorm aan het proces van internationalisering van onderzoek en inno-
                                vatie. Zij brengen het concreet in de praktijk, bijvoorbeeld via grensoverschrij-
                                dende regionale initiatieven van universiteiten en industrie. Of door
                                samenwerking tussen verschillende R&D laboratoria van multinationals. Of via de
                                openstelling van onderzoeksprogramma's voor participatie van buitenlandse
                                onderzoekers.
                                   In het opereren van de Nederlandse overheid in het spanningsveld tussen 'als
                                Europa samen sterker staan' en 'als Nederland een sterke positie innemen', is het zaak
        Bouw daarop voort ...   _ meer dan nu gebeurt _ voort te bouwen op die autonome trend tot internationali-
                                sering. Louter reageren op de initiatieven van de Europese Commissie volstaat niet,
                                een bredere beleidsblik is nodig. Het EU-beleid, noch het nationale Nederlandse
                                beleid, kunnen sterk sturing geven aan de internationale netwerken van autonome
                                spelers. Het is echter wel veelal mogelijk en wenselijk om de initiatieven die uit die net-
          ... en creeër daartoe werken naar voren komen te bekrachtigen en er de goede randvoorwaarde voor te
   gunstige omstandigheden      scheppen. Bijvoorbeeld door het wegnemen van juridische, fiscale of andere belem-
                                meringen voor samenwerking, het bevorderen van internationale mobiliteit van ken-
                                niswerkers, of het internationaal coördineren van de rechten rond intellectueel eigen-
                                dom. Soms kan het daarentegen juist gewenst zijn om de autonome trend tot
                                internationalisering wat af te remmen, bijvoorbeeld om de Nederlandse positionering
                             27 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                  in Europa te versterken. In hoofdstuk 4 en 5 geeft de Raad nader aan op welke pun-
                  ten bevorderen dan wel remmen op zijn plaats is.
                  3..5 Maak ondertussen duidelijke strategische
                              keuzes voor Nederland
                  Hoewel Nederland open is, en sturing van internationale netwerken beperkt
                  mogelijk, is het zaak als Nederland op bepaalde punten een duidelijke eigen koers
                  te varen. Een open economie betekent immers niet dat Nederland met alle
                  Europese winden moet meewaaien of zich kan verlaten op de keuzes die in de EU
 Benut de ruimte  worden gemaakt. Nee, als Nederland hebben we _ naast een zo sterk mogelijk
voor eigen keuzes optrekken mét en in Europa _ ook eigen keuzes te maken om een sterke positio-
                  nering van Nederland in de Europese en mondiale onderzoeks- en innovatieruim-
                  te te bewerkstelligen. De strategische ruimte die er in de ogen van de Raad zeker
                  is,17 dient Nederland goed te benutten.
                      Dit vergt enerzijds duidelijke uitspraken over welke zwaartepunten in onder-
                  zoek Nederland bij uitstek dient te ontwikkelen, stimuleren en faciliteren, en wan-
                  neer Nederland de beleidskeuzen van de EU kan volgen.18 Nederland kan hierbij
                  uitgaan van een aantal stevige ankerpunten, zoals verschillende zeer goed preste-
                  rende onderzoeksgemeenschappen, en ook een relatief groot aantal, kennisinten-
                  sieve, multinationals.19 Anderzijds is een duidelijke strategische kijk nodig om, in
                  aansluiting op EU-beleid, de Nederlandse beleidsaandacht vooral in te zetten op
                  maatregelen die de eigen nationale strategische keuzen versterken.20
                  3..6 Zet in op 'kennis als vermogen'
                  Een goede positionering van Nederland in het internationale onderzoeksland-
                  schap is te vinden in het beschikken over een sterk ontwikkeld vermogen tot
                     17 Dit sluit aan bij de strategic choice benadering uit de organisatietheorie. Uitgangspunt daarbij is
                          dat omgevingsfactoren weliswaar tot op zekere hoogte dwingend zijn, maar het vermogen van
                          actoren om zelf keuzen te maken nooit volledig gedetermineerd kan worden. Er is altijd een zeke-
                          re mate van strategische speelruimte. Zie o.a. W.R. Scott (1992) Organizations. Rational, natural
                          and open systems.
                     18 In hoofdstuk 4 werkt de Raad deze vragen nader uit tot concrete aanbevelingen voor het te voe-
                          ren Nederlands onderzoeks- en innovatiebeleid.
                     19 Zie voor Nederlandse zwaartepunten in onderzoek en bedrijvigheid: Third European Report on Science
                          en Technology Indicators 2003 European Commission EUR 20025 (2003) pp. 139-140. en pp. 295-297
                          of: Wetenschaps- en Technologie Indicatoren, NOWT (2003) p. 104.
                     20 Hoe dit in de praktijk uit te werken, staat centraal in hoofdstuk 5.
              28  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                        kennisontwikkeling en -benutting. Al eerder signaleerde de AWT dat in de praktijk
                        van wetenschap en innovatie twee opvattingen over het belang van kennis voor
  ‘Kennis als product’  Nederland circuleren.21 De ene opvatting ziet kennis primair als 'product', de
                        ander veeleer als 'vermogen'. In de benadering van 'kennis als product' gaat het
                        erom wat onderzoeksprogramma's en -projecten opleveren aan directe kennis-
                        output, die kan dienen als input voor innovatieprocessen en daarmee de concur-
                        rentiepositie van Nederlandse bedrijven en maatschappelijke instellingen kan ver-
                        sterken. In deze benadering is de keuze van prioritaire thematische gebieden een
‘Kennis als vermogen’   belangrijk beleidsvraagstuk. De tweede benadering van 'kennis als vermogen' gaat
                        uit van de dynamiek en onvoorspelbaarheid in van ontwikkelingen in economie,
                        samenleving en kennisontwikkeling. Dit maakt wendbaarheid en slagvaardigheid
                        van steeds groter belang en daarmee en het 'vermogen' om steeds opnieuw ken-
     Wendbaarheid en    nis te ontwikkelen, om nieuwe kennisontwikkelingen te doorgronden en tot inno-
  slagvaardigheid zijn  vaties te komen. Deze benadering koerst op een flexibele en rijke kennisinfra-
             belangrijk structuur die bij wijzigende omstandigheden toegevoegde waarde kan blijven
                        bieden en ruimte biedt aan ondernemende kenniswerkers. Het kennisvermogen is
                        daarbij de noodzakelijke voorwaarde voor een uiteindelijk kennisproduct.
                            Waar de benadering van 'kennis als product' de nadruk legt op publicaties en
                        patenten, gaat het in de benadering van 'kennis als vermogen' veeleer om perso-
                        nen en hun capaciteiten. Het sluit daarom beter aan bij modellen voor innovatie
                        die uitgaan van interactie tussen partijen, dan bij modellen waarin kennis van een
                        plank wordt gehaald en doorgeschoven naar andere partijen. De AWT is van
                        mening dat de benadering van 'kennis als vermogen' aan belang zal winnen,
                        boven de benadering van 'kennis als product'. In een wereld waarin de concur-
                        rentie in toenemende mate mondiaal wordt, is dit 'kennisvermogen' een zeer
                        belangrijke vestigingsfactor. De beste internationale positionering van Nederland
                        moet daarom gevonden worden in het vermogen tot kennisontwikkeling en
                        -benutting.
                        3..7 Bed de kenniseconomie in een kennis-
                                  samenleving in
                        In een hoogwaardige kennissamenleving vormt kennis een belangrijke factor in
                        het bewerkstelligen van economische welvaart, maar ook van maatschappelijk
                           21 Zie: KP6 laten werken. Stimuleren Nederlandse deelname: profijt en beleid. AWT advies nr. 48
                               (2002), p. 17.
                   29   AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Kennis voor welvaart en welzijn. Het Europese wetenschaps- en innovatiebeleid kent momenteel een tech-
                welzijn nologische bias en is tevens met name gericht op innovaties in bedrijven. Zo is er
                        in het thematisch onderzoek van het zesde kaderprogramma relatief weinig ruim-
                        te ingeruimd voor onderzoek naar maatschappelijke thema's waarmee de EU
                        wordt geconfronteerd, zoals vergrijzing of culturele integratie.
                            Het belang van kennis voor maatschappelijk issues moet in de ogen van de
                        AWT benadrukt worden, en is van minstens even groot belang als kennis voor 'de
                        economische motor'. Een kennissamenleving is nadrukkelijk meer dan een kennis-
                        economie. Zij wendt niet alleen kennis aan ten behoeve van economische pro-
                        cessen die de welvaart verhogen, maar ook voor innovatie in het oplossen van
                        vraagstukken uit het publieke domein. Bovendien komt een kennisintensieve eco-
                        nomie niet goed tot stand zonder inbedding in een samenleving die aantrekkelijk
                        is voor kenniswerkers. Blijvende investeringen in de maatschappelijke en culturele
                        ontwikkeling van ons land en van Europa, zijn daarom van groot belang voor de
                        ontwikkeling tot een competitieve kenniseconomie.
                        3..8 Benadruk het belang van kennisbenutting
                                 in Nederland
                        De Lissabondoelstellingen gaan uit van kennis als een essentiële voorwaarde voor
                        economische groei aan het begin van de 21ste eeuw. Kennisontwikkeling staat
                        daarbij sterk in de beleidsaandacht; de aandacht in het EU-onderzoeksbeleid voor
                        benutting van kennis blijft daarbij achter. Dit hangt onder meer samen met de
                        verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de Europese
                        Commissie en de lidstaten, waarin subsidiariteit een belangrijk uitgangspunt is.
    Kennisbenutting in      Dit maakt het des te belangrijker om kennisbenutting als beleidsthematiek in
   Nederland zelf goed  Nederland zélf goed te adresseren. Juist op het vlak van het toepassen en gebrui-
             adresseren ken van ontwikkelde kennis valt immers nog veel winst te halen, in Europa als
                        geheel maar zeker ook in Nederland. En vanwege de blijvende beleidsconcurren-
                        tie tussen lidstaten is een goede kennisbenutting typisch iets wat wij in Nederland
                        zelf moeten regelen. De AWT vindt intensieve aandacht voor kennisbenutting op
                        nationaal niveau momenteel zó belangrijk, dat benutting voorlopig als apart
                        uitgangspunt voor internationalisering van onderzoek dient te gelden.
                     30 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>               4
                             Eigen koers uitzetten:
                             aanbevelingen voor het Nederlands
                             onderzoeks- en innovatiebeleid
                             4..1 Inleiding
                             In hoofdstuk 3 zijn de beleidsuitgangspunten aangegeven die in algemene zin
                             richtinggevend dienen te zijn voor de Nederlandse opstelling in de internationa-
                             lisering van onderzoek en onderzoeksbeleid. De uitgangspunten richten zich op
                             het leveren van een bijdrage aan de relevante Lissabondoelstellingen en een ster-
                             ke Nederlandse positie in een Europese onderzoeks- en innovatieruimte. In dit
                             hoofdstuk werkt de Raad uit welke doorwerking deze uitgangspunten hebben
                             voor het te voeren nationaal onderzoeks- en innovatiebeleid en voor de afstem-
                             ming met het Europese beleid. Europa stelt ons immers voor de opgave goede,
      Zinvolle verbindingen  zinvolle verbindingen te maken tussen het nationale beleid en de internationale
        tussen nationaal en  ontwikkelingen. De AWT richt zich in dit hoofdstuk op twee onderwerpen die
            Europees beleid  daarbij bij uitstek van belang zijn.
                             .   De koers van het nationale onderzoeks- en innovatiebeleid, met als kernvraag
      Waarin de EU volgen?       tot hoever, en waarin, Nederland de Europese Unie moet volgen. In paragraaf
                                 4.2 schetst de Raad hiertoe een meersporen-aanpak.
        Hoe slim en tactisch .   Hoe Nederland slim en tactisch kan opereren in de Europese arena van onder-
                  opereren?      zoeks- en innovatiebeleid. In paragraaf 4.3 geeft de Raad aan welke inspannin-
                                 gen hiervoor nodig zijn.
                             De Raad beperkt zich hier tot deze twee onderwerpen; hij acht dit advies niet de
 Geen gedetailleerde schets  plek om een gedetailleerde schets te geven van het te voeren Nederlandse onder-
    van het onderzoeks- en   zoeks- en innovatiebeleid in al zijn facetten. Dit neemt niet weg dat de Raad zich
             innovatiebeleid er terdege van bewust is dat een aantal zaken in Nederland goed geregeld en in
                             werking dienen te zijn om überhaupt in Europa een goede concurrentiepositie in
                             te kunnen nemen en goed voorgesorteerd te staan voor de toekomst. Nederland
Zeker nodig: ‘het eigen huis dient zogezegd 'het eigen huis op orde te brengen'. Dat vergt voortdurende aan-
          op orde brengen’   dacht voor en onderhoud aan de Nederlandse infrastructuur en het klimaat voor
                             kennis en innovatie. Thema's die daarbij van belang zijn, zijn o.a. een hoge scho-
                             lingsgraad van Nederlanders, de aanwezigheid van voldoende kenniswerkers,
                             dynamiek in het onderzoeksbestel, beschikbaarheid van investeringskapitaal, een
                             cultuur van uitwisseling tussen kennisinstellingen en bedrijvigheid, kennisbenut-
                         31  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                             ting en -absorptie, een goed functionerende 'intermediaire' kennisinfrastructuur,
                             een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor kennisintensieve bedrijven, en een
                             aantrekkelijk sociaal en cultureel klimaat.
 Reeds veel in discussie en      Deze thema's zijn momenteel op diverse plaatsen in discussie en in revisie. De
                     revisie Raad acht het van groot belang dat de nodige activiteiten ondernomen worden
                             om inderdaad 'het huis op orde te hebben' en klaar te staan voor de internationa-
                             le concurrentieslag. Hij wijst erop dat bij alle in te zetten beleidswijzigingen de
                             internationale dimensie goed in ogenschouw genomen moet worden. Een derge-
                             lijke mainstreaming van internationaliseringsbeleid is op dit moment noodzakelijk.
                             4..2 Hoever en waarin de EU volgen:
                                      een meersporen-aanpak
                             Algemene aanbeveling: Ga mee in het Europese beleid voor wat betreft het nieuws-
                             gierigheidsgedreven onderzoek en het onderzoek dat is gericht op internationale
   Meer eigen strategische   vraagstukken. Nederland dient echter_ méér dan nu het geval is _ eigen strategische
                     keuzes  keuzes te maken. Dat betekent onderzoekszwaartepunten inrichten daar waar het
                             van belang is de kennis 'dicht bij huis' te houden: voor innovatie in het bedrijfsleven
                             en voor maatschappelijke issues met een specifiek Nederlandse lading.
                             Kernvraag in deze paragraaf is in hoeverre en op welke terreinen Nederland zich
                             met haar beleid moet richten naar het Europese onderzoeksbeleid en wanneer c.q.
             Eigen koers ... op welke terreinen Nederland een eigen koers heeft uit te zetten. Is het bijvoor-
                             beeld wenselijk dat Nederland in haar inhoudelijke zwaartepuntvorming, zoals bij
                             ICES-KIS of TTI's, anticipeert op Europese accenten? Dat Nederland zodoende de
                             nationale stimuleringsprogramma's als stepping stone voor Europa gebruikt? Deze
... of stepping stones voor  vragen spelen zich af tegen de achtergrond van een meer algemene vraag naar
               het Europese  hoe om te gaan met gemeenschappelijke doelen en belangen van lidstaten ener-
     onderzoekslandschap?    zijds, en met onderlinge beleidsconcurrentie anderzijds. Dat vergt een goede
                             omgang met het spanningsveld tussen 'als Europa samen sterker staan' én 'als
                             Nederland een sterke positie innemen in de internationale onderzoeksruimte'.
                             De algemene stellingname van de AWT, zoals geëxpliciteerd in de uitgangspun-
                             ten in hoofdstuk 3, is dat Nederland van harte moet participeren in de EU, daar-
                             bij het mondiaal perspectief goed in beeld moet houden en in dit geheel eigen
                             strategische keuzes moet maken. Waar het dan in de praktijk op aankomt, is de
                             wijsheid om te bepalen wanneer wat te doen. De AWT geeft, met de hieronder
                         32  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                             uitgewerkte meersporen-aanpak, daarvoor houvast. Kernpunt in deze afweging is
                             de mate waarin aansluiting of verbinding nodig is van onderzoek en onderzoeks-
Afweging: benodigde mate     beleid met nationale, Nederlandse kennisbehoeften. Indien dit het geval is, dan is
        van verbinding met   het zaak op die punten duidelijke eigen keuzes te maken, en daarbij de processen
               Nederlandse   van kennisontwikkeling en -benutting in eigen land goed te regelen. De Raad
           kennisbehoeften   onderscheidt in zijn meersporen-aanpak vier categorieën van onderzoek, met een
                             daarbij passende gedifferentieerde beleidsbenadering.
                             Nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek
                             Het gaat hier om het grensverleggend onderzoek, waarvan op voorhand niet te
                             zeggen is of en hoe het in innovatieprocessen van bedrijven of publieke actoren
                             benut kan worden. Dit soort onderzoek is de kweekvijver voor vernieuwing en
                             biedt bovendien de basiskennis voor het meer probleemoplossend onderzoek.
                             Onderzoek door weetgierigheid gedreven, is niet aan nationale belangen of ken-
Nieuwsgierigheidsgedreven    nisbehoeften gebonden, maar juist is sterk pre-competititief van karakter. Dit
  onderzoek organiseren in   onderzoek kan dan ook het beste in internationale concurrentie worden georga-
internationale concurrentie  niseerd; onderzoekers en onderzoeksgroepen hebben zich in die brede concur-
                             rentie te bewijzen omdat het uiteindelijk gaat om excellentie op wereldklasse. Het
                             is dan ook een goede zaak voor Nederland om met dit onderzoek aan te sluiten
                             bij activiteiten in de Europese arena. Nederland heeft een aantal uitgesproken
                             sterke groepen in het grensverleggende, nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek,
                             zoals in de (theoretische) fysica, fundamentele levenswetenschappen, sterrenkun-
                             de en economie. De kwaliteit van deze en opkomende groepen zal zich in de
                             internationale concurrentie blijvend moeten bewijzen.
                             Aanbeveling: Het Nederlandse overheidsbeleid dient hier zich vooral te richten op
                             het creëren van de omstandigheden voor groepen in de Nederlandse kennisinfra-
           Overheidsbeleid:  structuur waarin zij optimaal kunnen deelnemen aan de internationale competi-
 schep goede voorwaarden     tie. De overheid stuurt daarbij op randvoorwaarden en niet op inhoudelijke the-
      voor het kweken van    ma's. Zij kan dit soort onderzoek vooral versterken door bij te dragen aan de
                 excellentie autonome internationaliseringtendens in dit veld. Bijvoorbeeld door het wegne-
                             men van belemmeringen voor het aantrekken van buitenlands (top-)talent.
                             Daarvoor is in sommige gevallen overigens ook coördinatie op Europees niveau
                             nodig, bijvoorbeeld voor verbeteringen in het vrije verkeer van kennisproducten
                             en _ werkers op Europees niveau. Sturen op randvoorwaarden behelst daarnaast
                             dat de nationale bekostiging van dit soort onderzoek in sterke mate zwaartepunt-
                             vorming bevordert op basis van wetenschappelijke excellentie. Het is aan het
                             ministerie van OCW om goed invulling te geven aan dit beleid.
                         33  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                                  Onderzoek van belang voor innovatieprocessen in bedrijven
                                  Het gaat hier om kennisontwikkeling in brede zin. Voor innovatie van producten,
                                  diensten en processen kan immers zowel grensverleggend onderzoek nodig zijn, als
                                  meer direct probleemoplossend onderzoek. Wat hier belangrijk is, is dat er een dui-
                                  delijke verbinding is tussen onderzoek en innovatiekansen in bedrijven. Nederland
       Toponderzoek voor de       kent een relatief groot aantal bedrijven dat zelf flink investeert in R&D. En Nederland
kristallisatiepunten van onze     mag zich gelukkig prijzen met een aantal herkenbare sterktes in onze bedrijvigheid.
             innovatiekracht …    Men denke daarbij bijvoorbeeld aan micro-elektronica (halfgeleiders, embedded
                                  systems), de voedingsindustrie, financiële dienstverlening, procesindustrie, design
                                  en plantenveredeling. Deze sterktes vormen belangrijke kristallisatiepunten voor de
                                  innovatiekracht van Nederland. Juist voor dergelijke kristallisatiepunten zou de
                                  Nederlandse kennisinfrastructuur excellentie te bieden moeten hebben. De Raad
     ... ‘dicht bij huis’, dus in vindt dat typisch iets wat 'dicht bij huis', dus in Nederland, gehouden en bevorderd
           Nederland, regelen     moet worden. Nederland heeft op dit punt derhalve strategische keuzes te maken.
                                  Als die onderzoeksgroepen daarmee vervolgens ook in de EU goed scoren, is dat
                                  uiteraard een goede zaak. Dat biedt immers de mogelijkheid Europese netwerken
                                  op te bouwen en is bovendien een goede toets op kwaliteit. Maar Nederland kan
                                  zich niet verlaten op Europese programma's in deze.
 Overheidsbeleid: sturen op       Aanbeveling: Voor het overheidsbeleid betekent dit dat gestuurd moet worden op
                        focus ... duidelijke focuspunten in onderzoek,22 die aansluiten bij sterktes in bedrijvigheid.
                                  Een deel van de beleidsaandacht en middelen op onderzoeksvlak dient hierop
                                  gericht te zijn.23 EZ en OCW hebben samen de taak hiervoor te zorgen, maar kun-
                                  nen uiteraard niet zelf de keuzes voor gebieden maken. Dit dient in samenspraak
 … te kiezen in samenspraak       met bedrijven te gebeuren, waarbij het onlangs opgerichte nationale
                 met bedrijven    Innovatieplatform onder voorzitterschap van premier Balkenende een voortrek-
                                  kersrol kan vervullen. De Raad wijst erop dat het hier gaat om andersoortige
                                  keuzes dan de keuzes voor technologiegebieden zoals gemaakt in de recente
                                  Innovatiebrief van EZ en het Wetenschapsbudget van OCW. De gebieden die daar
                                  zijn genoemd (o.a. nanotechnologie, ICT en genomics en life sciences) gaan in de
                                     22 Dat onderzoek in deze focusgebieden excellent dient te zijn, en zich kan meten met internatio-
                                         nale standaarden, spreekt daarbij vanzelf. Het zou anders voor bedrijven niet interessant zijn.
                                     23 De Raad wijst er overigens op dat men er nog niet is met het creëren van zwaartepunten. In zijn
                                         advies Backing winners. Van generiek technologiebeleid naar actief innovatiebeleid _ AWT-advies nr.
                                         53 (2003) pleitte hij eerder voor het creëren van innovatie hot spots, waarin een goede aanslui-
                                         ting met hoogwaardige onderzoeksgroepen een belangrijk element is. Maar het gaat uiteindelijk
                                         om veel meer: niet alleen om de aanwezigheid van goede faciliteiten en toponderzoekers, maar
                                         ook om de fysieke en fiscale infrastructuur, goede bereikbaarheid, beschikbaarheid van hoog-
                                         waardig personeel, van goede toeleveranciers, en om een aantrekkelijk sociaal en cultureel kli-
                                         maat. Een hot spot is een kloppend geheel.
                              34  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                                 ogen van de Raad te zeer uit van een technology push, in plaats van de benodig-
                                 de aansluiting bij sterktes in bedrijvigheid.
                                 Onderzoek van belang voor vraagstukken met een specifiek Nederlandse lading
                                 Ook hierbij gaat het zowel om grensverleggend als meer direct probleemoplos-
                                 send onderzoek, maar in dit geval ten behoeve van innovatie in de publieke sec-
                                 tor. Evenals bij de vorige categorie onderzoek is het van groot belang op basis van
                                 wetenschappelijke kennis de innovatiemogelijkheden in de publieke sector te rea-
Kennis voor innovatie in het     liseren. Kennis van maatschappelijke vraagstukken is een kritische factor voor de
            publieke domein ...  kwaliteit van onze publieke voorzieningen, en daarmee voor ons welzijn. Het is
                                 daarom belangrijk kennis rond maatschappelijke vraagstukken en problemen,
                                 zeker die met met een specifiek Nederlands karakter zoals bepaalde milieuvraag-
... ook ‘dicht bij huis’, dus in stukken of waterbeheer, dicht bij huis te houden. Om de basis hiervoor in stand
       Nederland, organiseren    te houden heeft Nederland derhalve eigen strategische keuzes te maken.
                                 Nederland deelt een aantal publieke opgaven met andere landen zoals het inrich-
                                 ten van een dichtbevolkte delta of het besturen van een pluriforme en ontgroe-
                                 nende samenleving. De kennis en competenties die wij daarvoor ontwikkelen, zijn
                                 elders in de wereld ook goed in te zetten. Er is dus voordeel te halen met de te
                                 maken strategische keuzes.
                                 Aanbeveling: De taak van de overheid bij dit soort onderzoek is om Nederlandse
              Overheidsbeleid:   partijen, bij wijze van internationaliseringstrategie, aan te zetten tot intensieve
         versterkten nationale   samenwerkingsverbanden. Het gaat er om dat zij zich organiseren rond een aan-
               competenties ...  tal nationale competenties die voor onszelf van groot belang zijn en liefst ook
                                 goed exporteerbaar zijn (bijvoorbeeld waterbeheer, logistiek, intensief ruimtege-
                                 bruik of het ontwerpen van pensioenvoorzieningen). Een dergelijke thematische
                                 zwaartepuntvorming kan met gericht stimuleringsbeleid en programmatische
   ... innovaties aanbesteden    instrumenten ondersteund worden. De thema's van ICES-KIS zijn hier al deels op
               en opereren als   gericht, wat op zichzelf een goede zaak is. De overheid zou verder meer werk kun-
          ‘launching customer’   nen maken van innovatief aanbesteden en veel strategischer als launching custo-
                                 mer moeten optreden bij dergelijke kennisgebieden. In principe is hier een taak
                                 weggelegd voor vrijwel alle departementen, met het ministerie van OCW in een
                                 coördinerende rol.
                             35  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                                 Onderzoek van belang voor Europese en wereldproblemen
                                 Als laatste onderscheidt de Raad onderzoek dat primair van belang is voor maat-
                                 schappelijke vraagstukken op mondiale of Europese schaal (klimaatonderzoek,
Onderzoek voor wereldwijde       duurzame ontwikkeling). De Raad gaat er daarbij van uit dat het goed doenlijk is
                vraagstukken ... elders ontwikkelde kennis en inzichten te benutten in de nationale context. Het
                                 kan bijvoorbeeld gaan om economische ontwikkelingsvraagstukken, internatio-
                                 naal recht of epidemiologisch onderzoek. Voor dit soort onderzoek bestaat er
 ... vergen geen strategische    geen noodzaak om in Nederland strategische keuzes te maken. Coördinatie van
            keuzes in Nederland  onderzoek op Europese schaal biedt juist veel voordelen, zowel uit kwaliteitsoog-
                                 punt (meer competitie) als bundeling van krachten (minder versnippering).
                                 Participatie van Nederlandse onderzoekers in Europese programma's is aan de orde
                                 voorzover het aansluit bij de sterktes in onze eigen onderzoeksprogramma's. Dit
                                 dient uiteindelijk in onderlinge concurrentie bepaald te worden. De focus of rich-
                                 ting van dit type onderzoek kan dus het best op een supra-nationaal niveau wor-
                                 den vastgesteld.
               Overheidsbeleid:  Aanbeveling: Het Nederlandse overheidsbeleid dient zich hier, net als bij de eer-
                    schep goede  ste categorie, vooral te richten op het creëren van de goede omstandigheden
            randvoorwaarden ...  voor de Nederlandse kennisinfrastructuur om zo goed mogelijk deel te nemen aan
                                 de internationale competitie. Daarnaast echter kan de Nederlandse overheid (i.c.
                                 de vakdepartementen) vaker en beter de internationale samenwerking en afstem-
                                 ming organiseren voor onze onderzoeksgroepen. Bijvoorbeeld als op Europees
      ... en ondersteun door in  niveau een onderzoeksagenda wordt afgesproken voor voedselveiligheid of crimi-
          internationaal overleg naliteitsbestrijding, of in VN verband het klimaatonderzoek wordt 'verdeeld'. Juist
     thema’s ‘binnen te halen’   omdat dit soort taakverdeling op intergouvernementeel niveau wordt afgespro-
                                 ken, zijn het de overheidspartijen die de niches in het onderzoek al of niet voor
                                 Nederland kunnen 'binnenhalen'. Dit vereist een welbewuste inspanning van de
                                 rijksoverheid en interdepartementale afstemming, met OCW opnieuw in een
                                 coördinerende rol.
                                 Conclusie
                                 De vraag 'hoe ver en waarin de EU volgen' dient in de ogen van AWT gedifferen-
                                 tieerd beantwoord te worden. De aangegeven meersporen-aanpak geeft hand-
                   Kortom: kies! vatten hiertoe. Kernpunt is dat in Nederland, méér dan nu gebeurt, eigen strate-
                                 gische keuzes gemaakt dienen te worden, uitgaande van eigen kennisbehoeften
                                 en sterktes.
                             36  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                             Daarnaast is een algemene lijn in de aanbevelingen dat versterking van het
                             Nederlandse zwaartepuntenbeleid nodig is. Deels gaat het daarbij om zwaarte-
                             puntvorming op nader te kiezen inhoudelijke gebieden (bij het onderzoek van
                             belang voor innovaties in bedrijven en in de publieke sector). Voor een ander deel
               Versterk het  (bij het nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek) gaat het juist niet om thematische
   zwaartepuntenbeleid ...   keuzes, maar om versterking van excellentie. In alle gevallen is zwaartepuntvor-
                             ming van belang om de kritische massa te creëren waarmee de internationale
                             concurrentie kan worden aangegaan. Daarnaast worden met zwaartepuntvor-
                             ming herkenbare ankerpunten gecreëerd voor mogelijke samenwerkingspartners.
                             Versterking van dit beleid sluit daarom goed aan bij een toekomst waarin zich een
                             Europees netwerk van gespecialiseerde networks of excellence zal vormen.24
                             De Raad wil tot slot nog benadrukken dat hij weliswaar pleit voor een versterkte inzet
 ... maar in balans met de   op zwaartepuntenbeleid in het onderzoek, maar dat hierbij vooral een goede balans
         benodigde brede     moet worden nagestreefd met een brede basis in het onderzoek en ruimte voor ver-
            basis en ruimte  nieuwing. Investeringen in een brede basis zijn nodig, omdat excellentie en topkwa-
         voor vernieuwing    liteit alleen kan floreren op een rijke ondergrond. Bovendien heeft Nederland, naast
                             'hippe kennis-speerpunten', een voortgaande kennisontwikkeling in de breedte
                             nodig, die de breedte van aandachtspunten in onze samenleving weerspiegelt.
                             Zwaartepuntenbeleid mag daarnaast zeker niet resulteren in een te hoge druk op
                             kennisinstellingen, met name de universiteiten, om al te zeer vraaggestuurd en pro-
                             bleemoplossend te gaan werken. In de eerste geldstroom dient er voldoende ruimte
                             te blijven voor vernieuwend, kiemleggend onderzoek buiten de gebaande paden.
                             4.3. Slim en tactisch opereren in de Europese
                                        onderzoeksruimte
         Meer en gerichte
inspanningen om slim en      Aanbeveling: Zorg voor méér en gerichte inspanningen ter versterking van het
                 tactisch te tactisch opereren in de Europese onderzoeksruimte. De Raad pleit concreet voor:
         kunnen opereren     (a) Beter en effectiever netwerken in de EU (b) Betere afstemming en verweven-
                             heid tussen het nationale en het Europese beleidscircuit (c) Systematisch monito-
                             ren van samenwerking in het onderzoeksveld én van beleid in andere lidstaten (d)
                             Inrichten van een helpdesk (e) Betere benutting van kennis ontwikkeld in EU-pro-
                             gramma's.
                                24 Zie bijvoorbeeld: Draft Discussion Paper on Technology Platforms, DG Research European
                                     Commission (2003) RTD/J2/GE/mor D(2003). Maar ook: Thesen zur künftigen Entwicklung des
                                     Wissenschaftssystems in Deutschland, Wissenschaftsrat (2000) pp. 28-35.
                         37  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                            Wij hoeven het natuurlijk niet te laten bij het zelf vaststellen van onze eigen prio-
                            riteiten en af te wachten wat die van Europa zijn. Nederland kan ook trachten de
                            Europese agenda mee te bepalen en waar mogelijk zorgen dat de punten die wij
                            in Nederland belangrijk vinden een goede plek op de EU-agenda krijgen. De AWT
Probeer de Europese agenda  bepleit hier geen naïef optimisme, maar is zeker ook niet moedeloos over de
             mee te bepalen mogelijkheden voor de Nederlandse inbreng in Europa. Dit vergt een slim en tac-
                            tisch opereren in de Europese arena voor onderzoeks- en innovatiebeleid. De Raad
                            acht hiertoe méér en gerichte inspanningen noodzakelijk. Hij ziet dit als een _ niet
                            te onderschatten _ onderdeel van het eerder genoemde 'huis op orde brengen' ten-
                            einde goed voorgesorteerd te staan voor de Europese onderzoeksruimte. De AWT
                            beveelt aan langs de volgende vijf lijnen de Nederlandse inzet te versterken. 25
                            .   Beter en effectiever netwerken in de EU. Alhoewel Nederland er doorgaans
                                redelijk in slaagt de eigen belangen voor het voetlicht te brengen, constateer-
                                de de AWT al eerder (in zijn advies over KP6) dat op een aantal punten nog
                                aanmerkelijke winst valt te behalen. Ten eerste is versterking en verzwaring van
                                de Nederlandse vertegenwoordiging in relevante, officiële gremia gewenst; die
                                vertegenwoordiging moet nadrukkelijk meer zijn dan het opvoeren van de 'ver-
                                plichte nummers'. Daarnaast is een sterke inzet en tijdsinvestering in vroege
                                fasen van besluitvorming een onontbeerlijk element van de tactiek voor de EU.
                                En ten derde pleit de Raad voor meer investeren in informele netwerken, veel-
                                al met vertegenwoordigers van andere lidstaten, gericht op een goede positio-
                                nering van de Nederlandse sterktes in kennisinfrastructuur en bedrijvigheid. Het
                                gaat daarbij niet om het lobbyen voor specifieke Nederlandse voorstellen, maar
  Wees pleitbezorger van de     wel om _ meer dan nu gebeurt _ champion of pleitbezorger te zijn voor die sterk-
       Nederlandse sterktes     tes. Dit vergt een gezamenlijk optrekken van beleidsmakers, wetenschappers en
                                R&D'ers in bedrijven. Het beter netwerken in de EU op deze drie punten kan wor-
                                den bereikt met maatregelen als: grotere betrokkenheid van de ambtelijke top,
                                het zorgdragen voor meer personeelsmobiliteit tussen Den Haag en Brussel, meer
                                Nederlanders op relevante posten bij de Europese Commissie, zorgdragen voor
                                een goede Nederlandse vertegenwoordiging in het bestand van wetenschappers
      Meer ‘verkeer’ tussen     waarvan de Europese Commissie gebruik maakt, e.d. Deze lijn van aanbevelingen
       Brussel en Den Haag      is vooral gericht op de ministeries van OCW en EZ als coördinerende departe-
                                menten voor respectievelijk het onderzoeks- en innovatiebeleid.
                               25 De AWT herhaalt hier voor een deel aanbevelingen die hij eerder al deed in zijn advies over het Zesde
                                    Kaderprogramma. Hij acht deze aanbevelingen nog onverkort van belang. Zie KP6 laten werken.
                                    Stimuleren Nederlandse deelname: profijt en beleid. AWT-advies nr. 48 (2002) pag. 26-30.
                         38 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                              .  Betere afstemming en verwevenheid tussen het nationale en het Europese
                                 beleidscircuit. Al eerder heeft de Raad geconstateerd dat het binnen de depar-
                                 tementen vaak tamelijk gescheiden circuits zijn die zich bezig houden met res-
                                 pectievelijk het nationale en het Europese onderzoeksbeleid. De zojuist beplei-
   Sterke wisselwerking met      te netwerkfunctie in de EU kan echter pas goed vervuld worden vanuit een
             nationaal beleid    sterke wisselwerking met het Nederlandse beleid. EU-aangelegenheden mogen
                                 niet het exclusieve domein zijn van degenen die in het Brusselse circuit partici-
                                 peren, maar dienen goed verankerd te zijn in het nationale circuit. Dit vergt
      Mainstreaming van het      inspanningen, met name op nationale grond, om goed op de hoogte te zijn
  internationaliseringsbeleid    van de agenda en de actuele gang van zaken in Europa. Een zekere mainstrea-
                                 ming van het internationaliseringsbeleid is derhalve noodzakelijk. De Raad
                                 spreekt hier opnieuw met name de ministeries van OCW en EZ aan.
                              .  Systematisch monitoren van samenwerkingen in het onderzoeksveld én
                                 van beleid in andere lidstaten. Om effectief te kunnen netwerken, is goede
                                 informatie nodig. De Raad acht daarbij het systematisch monitoren van ont-
                                 wikkelingen in Nederland én in andere landen van groot belang. Enerzijds is
                                 overzicht nodig over wat er feitelijk in het onderzoeksveld gebeurt; hoe het er
                                 voor staat met de Nederlandse deelname aan Europese programma's, in kwan-
                                 titatief en kwalitatief opzicht. Anderzijds is een systematische monitoring van
                                 het (voorgenomen) beleid van de andere lidstaten ook van groot belang. Dat
                                 laatste komt tot dusver nog te weinig van de grond. Vooral het oog houden op
                    Let op de    het beleid van de grote, toonaangevende landen in de Unie is daarbij cruciaal,
     toonaangevende landen       om een strategische positionering te kunnen voorbereiden. De Raad acht dit
                                 systematisch monitoren een taak voor EG Liaison/Senter.26
                              .  Inrichten van een helpdesk. Het versterken van het internationale perspectief
                                 van ambtenaren is één optie, maar het verhogen van het vermogen tot 'inter-
                                 nationalisering' van veldpartijen is een andere belangrijke. Wat nodig is, is
         Goede voorlichting,     goede voorlichting over mogelijkheden in Europa en de daarbij geldende voor-
ondersteuning en advisering      waarden, pro-actief 'makelen en schakelen' tussen partijen, alsmede onder-
             van veldpartijen    steuning en advisering over de implicaties van Brusselse regelgeving. Het tot
                                 stand brengen en managen van een consortium in KP6 heeft bijvoorbeeld
                                 meer voeten in de aarde dan het indienen van een projectvoorstel in vorige
                                 Kaderprogramma's. De Raad constateerde eerder dat vooral voor universiteiten
                                 een dergelijke nationale 'helpdesk' gewenst is. De AWT ziet hierbij met name
                                 een taak weggelegd voor EG Liaison/Senter.
                                26 De AWT heeft eerder opgemerkt dat EG Liaison deze taak, en die welke de Raad EGL bij de volgende
                                     aanbeveling toebedeelt, niet zonder meer zal kunnen uitvoeren. Een herpositionering van EGL is daar-
                                     toe nodig. Hij roept met name EZ op de reeds ingezette herpositionering van EGL door te zetten.
                          39  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>                       . Betere benutting van kennis ontwikkeld in EU-programma's. Tot slot: Een
                         heel andere manier om het Nederlandse EU-beleid te versterken, is het slimmer
                         en efficiënter gebruik maken van de kennis die binnen de EU ontwikkeld wordt.
                         De afgelopen kaderprogramma's hebben flink wat toepasbare en nuttige ken-
                         nisproducten opgeleverd, die voor Nederlandse partijen, bijvoorbeeld het
Haal kennis terug naar   MKB, in potentie bruikbaar en ook toegankelijk zijn. Systematische screening
            Nederland    van in Europese programma's ontwikkelde kennis op bruikbaarheid voor
                         Nederlandse partijen zou een nieuwe tak van het Nederlandse EU-onderzoeks-
                         beleid moeten worden. De Raad roept de minister van OCW op zich te bezinnen
                         over waar deze taak te beleggen, te denken valt aan TNO.
                   40  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>        5
                        Aanbevelingen voor Nederlandse
                        inzet op Europees beleid
                        5..1 Inleiding
                        In het vorige hoofdstuk heeft de AWT aanbevelingen gedaan voor het
                        Nederlandse overheidsbeleid in relatie tot Europeanisering van onderzoek, inno-
                        vatie en beleid. In dit hoofdstuk wil de AWT antwoord geven op de vraag hoe
Nederlandse inzet op    Nederland zou moeten opereren in Europa. Het Europese wetenschaps- en tech-
    Europees beleid?    nologiebeleid is sterk in ontwikkeling en er komt een groot aantal beleidsvoorne-
                        mens en -instrumenten op ons af. Wat moet daarop onze inzet zijn? Hoe kunnen
                        wij zo effectief mogelijk inspelen op de kansen die Europa ons biedt en op de
                        eventuele risico's die daaraan verbonden zijn?
                           Het scala aan mechanismen ter coördinatie van onderzoek en beleid alsmede
                        het aantal beleidsinstrumenten voor de versterking van een Europese onderzoeks-
                        ruimte is groot. De Raad beperkt zich in dit advies daarom tot de hoofdlijnen ten
                        aanzien van coördinatiemechanismen, en tot beleidsinstrumenten die op dit
                        moment in het centrum van de belangstelling staan. Dit zijn: het coördineren en
Het kaderprogramma      openstellen van nationale programma's, de kaderprogramma's, Technology
     is een paraplu ... Platforms en een European Research Council. Deze instrumenten staan niet los van
                        elkaar; sommige vallen onder het kaderprogramma, dat hét overkoepelende
                        instrument van de Europese Commissie is. Het is paraplu voor een groot aantal
                        instrumenten, met een grote diversiteit aan doelstellingen. Coördinatie en open-
                        stellen van nationale programma's vindt momenteel dan ook deels plaats met
                        fondsen uit het zesde kaderprogramma, en deels met andere vormen van finan-
                        ciering. Technology Platforms en een European Research Council bestaan op dit
       ... voor diverse moment nog niet, maar worden door velen als kansrijk beschouwd en krijgen
         instrumenten   mogelijkerwijs ook een plaats onder de paraplu van het kaderprogramma. Over
                        beide beleidsinstrumenten loopt momenteel echter nog een discussie over de
                        organisatorische vormgeving, onder andere over de positionering binnen het
                        kaderprogramma.
                           In de bijlagen 2 en 3 worden deze instrumenten meer uitgebreid besproken,
                        dit hoofdstuk beperkt zich tot de aanbevelingen. Het begint echter met een alge-
                        mene aanbeveling over de bestuurlijke houding die Nederland zou moeten aan-
                        nemen ten aanzien van de beleidsimpulsen die uit de Europese Unie op het vlak
                    41  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>                              van onderzoeksbeleid op ons afkomen. Als handvat voor die houding ontwikkelt
                              de AWT een beoordelingskader. De in dit beoordelingskader beschreven criteria
                              komen vervolgens terug bij de bespreking van de verschillende coördinatieme-
                              chanismen en beleidsinstrumenten.
                              5..2 Bestuurlijke houding
                              Aanbeveling: Neem een pragmatische, flexibele bestuurlijke houding in ten aan-
                              zien van beleidsinitiatieven vanuit de Europese Unie. Maak voor het afwegen van
                              de handelingsopties gebruik van een vast beoordelingskader, bestaande uit
                              inhoudelijke en functionele criteria. Dit kan worden ingezet om _ met het oog op
                              zaken die wij in Nederland van belang achten _ te beoordelen welk voorstel uit
                              Brussel belangrijk is en welk minder, om te beslissen welke ontwikkelingen
                              bekrachtigd moeten worden en welke geremd, en om te onderzoeken met welk
                              beleid Nederland voorop wil lopen.
       In een veranderende    In de sterk veranderende Europese omgeving is het van belang steeds opnieuw de
     Europese omgeving ...    afweging te maken in welke beleidsmaatregelen of -mechanismen Nederland
                              energie gaat steken om actief te participeren. De beleidsvoorstellen uit Europa vol-
                              gen elkaar snel op en zijn niet altijd coherent en consistent met elkaar. Bij het zoe-
                              ken van een eigen weg hierin, is het niet vruchtbaar om erg principieel te zijn,
... is een pragmatische en    sterk vast te houden aan ingenomen standpunten of zich stevig te verbinden aan
       flexibele benadering   specifieke maatregelen of coördinatiemechanismen. De AWT acht daarbij een
                    geboden   pragmatische en flexibele benadering geboden.
                                 Om beleidsinstrumenten, coördinatiemechanismen, voorgestelde activiteiten
                              en actieplannen voor het tot stand brengen van een Europese onderzoeks- en
                              innovatieruimte vanuit Nederlands perspectief te beoordelen en te prioriteren, is
                              het wenselijk om een vast beoordelingskader te hanteren. Deze aanpak biedt de
                     Hanteer  overheid de mogelijkheid om voor diverse instrumenten en coördinatiemechanis-
     beoordelingscriteria ... men een consistente beleidslijn te ontwikkelen, terwijl zij tegelijkertijd rekening
                              kan houden met wisselende omstandigheden. In het onderstaande presenteert de
                              Raad een voorstel voor een dergelijk beoordelingskader met inhoudelijke en func-
                              tionele criteria. De inhoudelijke criteria spelen een rol omdat beleid op dit terrein
                   ...om een  uiteindelijk altijd daadwerkelijk onderzoek betreft, dat uit de aard der zaak een
          consistente lijn te inhoudelijke component heeft. Zo is het Europese kaderprogramma gericht op
                ontwikkelen   een aantal inhoudelijke thema's, en worden Technology Platforms rond de ontwik-
                              keling van een bepaalde technologie georganiseerd. Gezien het hiervoor bepleite
                          42  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                             beleid voor Nederland om te differentiëren naar verschillende soorten onderzoek,
Beoordelingskader: weeg af   is het dus van belang de inhoudelijke component mee te laten wegen. Met de
         op inhoudelijke en  functionele criteria worden de Europese voorstellen beoordeeld op formele en
        functionele criteria procedurele gronden, dus los van de inhoudelijke uitwerking in concrete onder-
                             zoeks- of innovatieactiviteiten.
                                Het beoordelingskader is vooral bedoeld om overheidspartijen te ondersteunen
                             bij het tactisch benaderen van initiatieven uit het complexe veld aan Europese
                             partijen. Voor antwoorden op vragen als 'Waarop moet Nederland inzetten?
                             Waarmee zullen we instemmen? En Wat kunnen we gevoeglijk negeren?'. In de
                             hierop volgende paragrafen en hoofdstuk 5 gebruikt de Raad de criteria om coör-
                             dinatiemechanismen en beleidsinstrumenten mee te beoordelen, waaruit de uit-
                             werking ervan in concrete gevallen valt af te leiden.
                             Beoordelingscriteria voor activiteiten en instrumenten binnen Europees
                             onderzoeks- en innovatiebeleid:
                             Inhoudelijke criteria:
      Typisch Nederlandse    1 'Lokaliteit'; betreft het een onderwerp dat typisch voor Nederland van belang
                 belangen?      is, of is het veeleer Europees of mondiaal? Gaat het over problemen of kennis-
                                behoeften waarop gezamenlijke programma's ingezet kunnen worden of gaat
                                het om kennisontwikkeling die wij per se dicht bij huis willen houden? Sluit het
                                bijvoorbeeld aan bij onze zwaartepunten in bedrijvigheid of bij specifiek
                                Nederlandse maatschappelijke vraagstukken?
                             2 Schaalvergroting en kritische massa; soms zijn dermate grote investeringen
    Kritische massa nodig?      in bijvoorbeeld onderzoekfaciliteiten nodig, dat internationale samenwerking
                                nodig wordt. Is voor dit onderzoek de Europese schaal nodig, kan het nationaal
                                opgezet worden of is het beter in bilaterale samenwerking uit te voeren? De
                                benodigde kritische massa verschilt immers per onderwerp, type onderzoek of
                                te gebruiken faciliteiten en onderzoeksinfrastructuur.
            Staan wij sterk? 3 Inschatting van de Nederlandse positie; is de Nederlandse kennisinfrastruc-
                                tuur in staat om de Europese concurrentie op dit gebied aan te gaan? Zijn wij
                                in staat strategische allianties op dit gebied te ontwikkelen? Bestaat het gevaar
                                resources (geld, mensen, faciliteiten) kwijt te raken aan landen die er beter
                                voorstaan? Wat zijn onze eigen sterktes, zwaktes en potentiële sterktes op dit
                                gebied? Wat zijn die van de andere landen? Oftewel, hoe is de ´kennismarkt´
                                op dit gebied geordend en welke kansen liggen hier voor Nederland? Liggen
                                die in samenwerking, zo ja, met wie?
                         43  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   Meer synergie in EU?    4 Bijdrage aan de Europese onderzoeksruimte of aan de Europese eenwording;
                             draagt het instrument of de activiteit bij aan de doelstelling van de Europese
                             onderzoeksruimte om te komen tot meer synergie in onderzoek? Draagt het bij
                             aan de Europese eenwording in culturele, sociale, wetenschappelijke of econo-
                             mische zin?
Betere kennisbenutting?    5 Bijdrage aan kennisbenutting; draagt het instrument of de activiteit bij aan
                             het oplossen van praktische, private of publieke, problemen? Is het gericht op
                             actuele vraagstukken van bepaalde partijen, of is het meer door weetgierigheid
                             gedreven? Zijn er cliënten, patiënten, klanten of expliciete opdrachtgevers
                             betrokken bij de opzet?
                           Functionele criteria:
 In EU of internationaal   6 Subsidiariteit en proportionaliteit; betreft het een activiteit voor de Europese
                   doen?     Commissie of kan het op nationaal _ of zelfs regionaal _ niveau uitgevoerd wor-
                             den? De formele eis van subsidiariteit vereist immers dat beleid op het laagst
                             mogelijke niveau wordt uitgevoerd. Voor het onderzoek geldt straks dat het
                             een gezamenlijke verantwoordelijkheid betreft. Dan treedt het proportionali-
                             teitscriterium in werking, dat stelt dat de door de Commissie voorgestelde
                             maatregelen zo eenvoudig en handhaafbaar mogelijk moeten zijn voor de lid-
                             staten. Voor het Nederlands beleid rest dan de vragen: zijn de Europese maat-
                             regelen uitvoerbaar, hoe kunnen wij met ons beleid zo goed mogelijk inspelen
                             op het Europese? Welke aanpassingen zijn wenselijk, welke mogelijk?
    Wordt doel bereikt?    7 Effectiviteit; de mate waarin het doel wordt bereikt met de inzet van een
                             instrument. Bijvoorbeeld: in welke mate draagt dit instrument bij aan vermin-
                             dering van fragmentatie van onderzoeksactiviteiten, in welke mate bevordert
                             het beleid het innovatievermogen? Betreft het hier dus effectieve maatregelen
                             die het gestelde doel bereiken, of niet?
       Kosten en baten?    8 Efficiëntie; de mate waarin middelen doelmatig worden ingezet. Welke
                             investeringen zijn gemoeid met de inzet ten opzichte van de opbrengsten?
                             Hoe verhoudt zich dit tot de investeringen _ opbrengstenratio van andere
                             instrumenten? Is dit dus een efficiënte en snelle manier om het te organiseren?
                             Is de voorgestelde uitvoeringsorganisatie in staat dit efficiënt te doen?
             Inzichtelijk? 9 Transparantie; inzichtelijkheid over wat wordt gevraagd, beoogd en geregeld.
                             Wat zijn de procedures? Welke partijen zijn, op welke manier, betrokken? Wie is
                             aan te spreken op de gang van zaken _ is dit één partij, met relevante bevoegd-
                             heden? Draagt dit beleid bij aan een transparantere onderzoeks- en innovatie-
                             ruimte? Of maakt het de complexe Europese werkelijkheid nog onoverzichtelij-
                             ker dan hij al is? Komt het niet in conflict met ander Europees beleid?
                       44  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>  Aanpassingsvermogen?        10 Flexibiliteit; het aanpassingsvermogen aan wisselende omstandigheden.
                                 Kunnen partijen relatief makkelijk aan- of afhaken? Zijn bijstellingen in aanpak
                                 of doelstellingen mogelijk? Is het instrument of het mechanisme ter coördina-
                                 tie van Europees onderzoek eventueel op te heffen?
     Ervaren legitimiteit?    11 Legitimiteit; is de procedure van het instrument of de activiteit betrouwbaar?
                                 Wordt hij als legitiem ervaren door de betrokken partijen? Wordt de uitvoe-
                                 rende partij als de juiste gezien? Is er misschien sprake van een zogenaamd
                                 'democratisch tekort'?
                              5.3. Mechanismen voor coördinatie van
                                       Europees onderzoek
                              Aanbeveling: maak geen principiële keuze voor of tegen bepaalde coördinatie-
                              mechanismen, maar maak in specifieke situaties steeds een afweging aan de hand
                              van het beoordelingskader. Speel in het eigen beleid in op de mogelijke nadelen
                              van het betreffende coördinatiemechanisme.
                              Voor het tot stand brengen van een Europese onderzoeksruimte zijn verschillende,
             Verschillende    internationaal bestuurlijke wegen te bewandelen.27 In de praktijk bestaan er meer-
coördinatiemechanismen:       dere van dergelijke coördinatiemechanismen die gebruikt worden voor versterking
                              van de Europese onderzoeksruimte naast elkaar. Dat roept discussie op over wat de
                              beste weg is. De betrokken overheden, op Europees en nationaal niveau, kunnen
                              deze ontwikkeling aansturen via minstens vijf soorten mechanismen:
     Ieder zijns weegs ...    .  De autonome trend van internationalisering van onderzoek laat zien dat zelf-
                                 sturing in de praktijk een belangrijke rol speelt bij de totstandkoming van de
                                 Europese onderzoeksruimte. Bij dit coördinatiemechanisme bestaat de beleids-
                                 matige rol uit het signaleren wat er aan samenwerkingsinitiatieven opkomt, het
                                 stimuleren van wenselijke ontwikkelingen, het wegnemen van barrières daar-
                                 voor en het remmen van ongewenste trends.
          ... via Brussel ... .  De communautaire weg loopt via de Europese Commissie in Brussel, die daartoe
                                 in samenspraak met de Europese Raad en het Parlement beleid ontwikkelt _ onder
                                 andere de kaderprogramma's. Daarnaast neemt de Commissie op de commu-
                                 nautaire weg beslissingen over beleid dat onderzoek regardeert, bijvoorbeeld over
                                 IPR, aanbestedingsprocedures of staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling.
                                27 Zie bijlage 2 voor een uitgebreide beschrijving van de verschillende coördinatiemechanismen.
                        45    AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>          ... langs de Europese    .   De intergouvernementele weg loopt via bi- of multilaterale overeenkomsten
                   hoofdsteden ...     tussen nationale overheden in de verschillende hoofdsteden. Dit gaat meestal
                                       over het bundelen van onderzoek of fondsen daarvoor, maar soms ook over
                                       onderlinge afstemming van onderzoeks- of innovatiebeleid.
      ... via intermediairen ...   .   Langs de intermediaire weg bundelen intermediaire organisaties hun krach-
                                       ten. Een voorbeeld daarvan is de European Science Foundation, waarin natio-
                                       nale onderzoeksorganisaties zoals NWO zich verenigen. Hier spelen dus de
                                       meer autonome uitvoeringsorganisaties op het vlak van onderzoek en ontwik-
                                       keling een rol, waardoor deze weg goed aansluit bij wetenschappers uit de
                                       praktijk.
                ... of een nieuwe  .   De Open Method of Coordination (OMC) biedt een tussenweg tussen het
                     middenweg?        communautaire en intergouvernementele coördinatiemechanisme, doordat
                                       het gezamenlijke doelstellingen en activiteiten van de lidstaten en de
                                       Commissie formuleert, waaruit echter geen bindende communautaire voor-
                                       schriften voortvloeien. Uit de combinatie van gezamenlijk doelen, benchmarks,
                                       een gezamenlijk proces van leren en door de betrokkenheid van de Europese
                                       Commissie, gaat druk uit (peer pressure) om te presteren.
                                   De verschillende mechanismen kennen alle hun eigen merites en gebreken (zie
                                   bijlage 2). Ze dragen allemaal in zekere mate bij aan het realiseren van de doel-
      Alle wegen leiden naar       stellingen voor de ERA. De methoden van zelfsturing, intergouvernementele
                        de ERA …   samenwerking en de OMC spelen vooral in op het grote aantal en de diversiteit
                                   aan spelers, en op verschillen in performance en in ambitie van lidstaten. De com-
                                   munautaire methode komt meer tegemoet aan de wens om de krachten zoveel
                                   mogelijk te bundelen, terwijl de intermediaire methode zich vooral richt op de
                                   'werkvloer' van de onderzoekers zelf.
... dus tactisch mee omgaan        De invloed van Nederland op de wijze waarop, en mate waarin, andere lidstaten
                                   inzetten op de verschillende coördinatiemechanismen is beperkt. Hetzelfde geldt
                                   voor de Nederlandse invloed op het beleid van de Europese Unie. In dit licht heeft
                                   een principiële opstelling ten aanzien van de mechanismen niet veel zin. Effectief
                                   en tactisch omgaan met verschillende coördinatiemechanismen houdt volgens de
                                   AWT in:
                                   .   Er vanuit nationaal onderzoeks- en innovatiebeleid op toezien dat de activitei-
                                       ten die op verschillende wegen worden ontplooid, werkelijk bijdragen aan de
                                       vormgeving van een Europese onderzoeksruimte. Daarbij is, los van de officië-
                                       le doelstellingen, voor Nederland belangrijk in hoeverre een en ander bijdraagt
                                       aan de in hoofdstuk 3 geformuleerde uitgangspunten. Hoe staat het met de
                               46  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>            Maak geen       bijdrage aan het Europese kennisvermogen, het open blijven voor aansluiting
   principiële keuze ...    op de beste kennis ter wereld en het bijdragen van de ontwikkelde kennis aan
                            welvaart en welzijn? En in welke mate vindt een versterking van de
                            Nederlandse strategische keuzen plaats?
                         .  Maak, wanneer er een expliciete keuze moet worden gemaakt tussen verschil-
                            lende mechanismen, een afweging van voor- en nadelen van iedere weg op
                            basis van de criteria uit het beoordelingskader (zie hierboven).
… maar compenseer de     .  Denk na over de vraag hoe om te gaan met de nadelen van het betreffende
       nadelen van de       coördinatiemechanisme. Het nationale onderzoeks- en innovatiebeleid moet
  verschillende wegen       rekening houden met deze beperkingen, en ze zonodig compenseren.28
                            Het gaat dan bijvoorbeeld om vragen als:
                            - Hoe bij zelfsturing een mismatch met belangrijke beleidsdoelstellingen te
                              voorkomen?
                            - Hoe bij de communautaire weg om te gaan met de beperkte efficiëntie en
                              transparantie?
                            - Hoe in te spelen op versnippering en dubbelingen in het onderzoek, die door
                              de intergouvernementele weg kunnen ontstaan?
                            - Hoe, bij inzet van het intermediaire coördinatiemechanisme, de aandacht
                              voor kennisbenutting vast te houden?
                            - Hoe te voorkomen dat bij toepassing van de OMC regionaal en lokaal beleid
                              onder druk komen te staan?
                         5..4 Coördineren en openstellen van nationale
                                   programma's
                         Aanbeveling: participeer voluit in het coördineren, samenvoegen of openstellen
                         van nationale programma's onder voorwaarden van reciprociteit, doe het staps-
                         gewijs en selectief. Monitor als overheid, in het bijzonder de ministeries van OCW
                         en EZ, wat er gebeurt op dit terrein.
                         Onder coördinatie en openstellen van nationale programma's wordt een aantal
                         activiteiten begrepen, die als oogmerk hebben de onderlinge nationale grenzen
                         voor Europese onderzoekers te laten verdwijnen of om de kritische massa van
                         onderzoek te vergroten.
                           28 Zie bijlage 2 voor een overzicht van beperkingen en nadelen van de verschillende mechanismen.
                    47   AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                 Deze activiteiten betreffen het samenvoegen of, in iets lichtere vorm, het open-
Ben als Nederland actief in   stellen van nationale programma's. Hierbij is het de bedoeling dat wetenschap-
      het samenvoegen of      pers uit de betrokken landen kunnen deelnemen aan de verschillende door hun
 openstellen van nationale    overheden ingestelde tenders. Diverse instrumenten van het zesde kaderpro-
           programma’s ...    gramma worden hiervoor ingezet door de Europese Commissie (bijvoorbeeld
                              ERA-net en artikel 169); in een aantal gevallen financiert de Commissie dus mee.
                              Ook andere partijen, zoals de verenigde Europese Research Councils, ontplooien
                              activiteiten op dit gebied.
                              De combinatie van enerzijds de autonome trend tot internationalisering van onder-
                              zoek en anderzijds de ambities van de Europese Commissie om te komen tot ver-
                              dergaande integratie en coördinatie van onderzoek, maken het waarschijnlijk dat
      ... dat vergroot onze   de druk richting verder samenvoegen of openstellen van nationale programma's
     toegang tot kennis ...   groter wordt. De AWT acht de mogelijkheden die dit biedt om de toegang tot
                              human potential te vergroten en krachten van verschillende nationale programma's
                              te bundelen, dermate aantrekkelijk (in termen van verwachte effectiviteit, efficiëntie
                              en flexibiliteit) dat actieve participatie vanuit Nederland gewenst is.
                              In de ogen van de AWT dient participatie in het coördineren, samenvoegen en
   … maar doe het onder       openstellen van nationale programma's actief, maar óók weloverwogen plaats te
              voorwaarden:    vinden. Betrokken partijen (met name de ministeries van OCW en EZ, NWO, Senter,
                              EG-Liaison etc.) dienen dan ook een aantal randvoorwaarden in acht te nemen:
                Reciprociteit .  Stel alleen open onder voorwaarden van reciprociteit (wij openstellen, zij open-
                                 stellen), maar pas vervolgens wel open competitie toe. Dit betekent dat wordt
                                 afgezien van de voorwaarde van juste retour, omdat het anders te bureaucra-
                                 tisch wordt en de aandacht verkeerd wordt gericht -namelijk op de financiële
                                 balans in plaats van op kwaliteit. Daardoor kunnen de effectiviteit, efficiëntie en
                                 transparantie van dit instrument sterk verminderen.
                 Stapsgewijs  .  Stel stapsgewijs open. Waarborg de flexibiliteit door bijvoorbeeld eerst via de
                                 intergouvernementele weg te zorgen voor meer afstemming tussen program-
                                 ma's of door een beperkt percentage van het nationale onderzoeksbudget te
                                 reserveren voor openstellen of samenvoegen van programma's. Dit om het
                                 gevaar van 'niet meer terug kunnen' in te perken en tegelijkertijd om geza-
                                 menlijk ervaring op te doen. Zet de volgende stap niet voordat het succes van
                                 de samenwerking is gebleken.
                    Selectief .  Stel selectief open. Kijk dus naar de Nederlandse positie in het onderhavige
                                 gebied, en begin bij de best presterende programma's die kunnen winnen bij
                                 internationale competitie en samenwerking. Maak op basis van de meerspo-
                          48  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                                 ren-aanpak (zie hoofdstuk 4) onderscheid tussen programma's die zich richten
                                 op nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek en programma's gericht op innovatie.
                                 Wees met programma's die zich richten op innovatie terughoudend met open-
                                 stellen, omdat deze lokale inbedding nodig hebben, maar ook lokaal resultaten
                                 kunnen hebben.29
       Houdt de vinger aan   Ten slotte ziet de AWT voor de ministeries van OCW en EZ een rol weggelegd in
                    de pols: het monitoren van de activiteiten die plaatsvinden op het terrein van coördinatie
      monitoring is gewenst  en openstellen van nationale programma's _ wat gebeurt waar, welke randvoor-
                             waarden worden gebruikt, welke budgetten zijn ermee gemoeid, welke actoren
                             zijn betrokken, etc. De gebrekkige transparantie van dit instrument vraagt name-
                             lijk om een goede afstemming tussen de verschillende betrokken partijen op ver-
                             schillende niveaus _ internationaal, nationaal, regionaal en intermediair.
                             5..5 Kaderprogramma’s
                             Aanbeveling: Gebruik de kaderprogramma's als vehikel voor het uitbouwen van
                             'kennis als vermogen'. Zet daarbij vooral in op versterking van nieuwsgierigheidsge-
                             dreven onderzoek, het oplossen van Europese of mondiale maatschappelijke vraag-
                             stukken en het stimuleren van samenwerking en mobiliteit. Gebruik het kaderpro-
                             gramma daarnaast om aan grootschalige investeringen mee te kunnen doen.
                             Voor de Europese Commissie is het Europese kaderprogramma (KP) hét instru-
                             ment voor onderzoeksbeleid. Het is de paraplu voor een groot aantal instrumen-
                             ten, met een grote diversiteit aan doelstellingen. In bijlage 3 is een overzicht van
                             instrumenten behorend tot het kaderprogramma opgenomen. Meer dan in voor-
 Het kaderprogramma mikt     gaande kaderprogramma's, staat in het huidige KP (KP6) het streven naar inte-
op integratie en coördinatie gratie en coördinatie van onderzoek voorop. Met beperkte Brusselse middelen _
              van onderzoek  het kaderprogramma maakt slechts 5% uit van de totale publieke onderzoeks-
                             bestedingen in de EU _ wil de Europese Commissie een zo groot mogelijk sturen-
                             de werking krijgen op de besteding van de veel aanzienlijkere nationale middelen.
                             Zo wordt gepoogd versnippering en dubbeling in de onderzoeksactiviteiten tegen
                             te gaan. Bovendien wordt in KP6 een sterke verbinding nagestreefd tussen onder-
                             zoek en innovatie. Maar het gaat de Commissie ook, sterker dan voorheen, om
                             het bereiken van excellentie in het Europese onderzoekslandschap.
                                29 Hier gaat het dus om een afweging op basis van de beoordelingscriteria: lokaliteit, schaalvergro-
                                    ting en inschatting van de Nederlandse positie in het veld.
                         49  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>                               De rijkheid aan doelstellingen en instrumenten maakt het Kaderprogramma niet
                               erg transparant.30 Het grote aantal doelstellingen brengt bovendien het risico van
                               verminderde slagkracht per doelstelling met zich mee. Daar staat tegenover dat
                               de geboden variëteit ook kansen biedt: Nederland moet volgens de AWT het
          Uitgangspunt voor    kaderprogramma daarom vooral gebruiken als een vehikel om het vermogen tot
                   Nederland:  kennisontwikkeling en -benutting verder uit te bouwen.31 Actieve participatie in
          vergroot het eigen   kaderprogramma's biedt de mogelijkheid dit vermogen verder te ontwikkelen, bij-
       kennisvermogen door     voorbeeld door het 'binnenhalen' van kennis die is ontwikkeld binnen het KP voor
            participatie in KP eigen doeleinden. Actieve participatie biedt ook kansen om zichtbaar te worden
                               als actieve speler op het kennisveld (leverancier van 'kennis als product'). De
                               goede performance van Nederland in het verleden maakt dat Nederlandse partij-
                               en een goede uitgangspositie hebben.
                               Op grond van de door de AWT voorgestane meersporen-aanpak, beschouwt de
                               Raad het kaderprogramma vooral als een geschikt instrument om nieuwsgierig-
      KP geschikt instrument   heidsgedreven onderzoek te versterken, om kwaliteit en mobiliteit van het men-
                  vooral voor  selijk potentieel te vergroten, om samenwerking ten behoeve van Europese of
  nieuwsgierigheidsgedreven    mondiale maatschappelijke vraagstukken te bewerkstelligen en om grootschalige
           onderzoek of voor   investeringen te kunnen doen. Voor mobilisatie van initiatieven die toepassings-
     kennisontwikkeling voor   gerichte technologie-ontwikkeling tot doel hebben, zijn Technology Platforms in
 internationale vraagstukken   potentie het meest aangewezen instrument (zie verder hieronder). Bij de bespre-
                               king van de meersporen-aanpak is reeds opgemerkt dat op MKB gerichte stimu-
                               leringsinitiatieven veeleer op nationaal en regionaal niveau dienen te worden ont-
                               plooid in plaats van op Europees niveau.
                               Tijdens het Nederlandse voorzitterschap wordt de tussentijdse evaluatie van KP6
                               uitgevoerd. Voorbereidingen voor KP7 zijn dan al gestart. Voor wat betreft de
                               overgang van het zesde naar het zevende Kaderprogramma, is de AWT geen
                               voorstander van grote wijzigingen in het instrumentarium (zie bijlage 3 voor actu-
Consistentie in beleid en rust ele ervaringen met KP6). Consistentie in beleid en enige rust om ervaringen op te
    rond het KP zijn gewenst   doen en instrumenten bij te stellen, zijn hard nodig. Het sterk vernieuwde KP6 is
                               nog maar net gestart. In de eerste inschrijvingsronde is een aantal lastige 'kinder-
                               ziekten' bij de uitvoering van de grote instrumenten aan het licht is gekomen. Het
                               gaat daarbij vooral om de grote overtekening bij aanvragen, onduidelijkheden
                                  30 In discussies over positionering van Technology Platforms en de European Research Council zijn
                                      geluiden te horen om ook deze instrumenten in het Kaderprogramma onder te brengen. De
                                      transparantie zal in dat geval nog verder afnemen, tenzij de Commissie de instrumenten en doel-
                                      stellingen nadrukkelijker dan nu het geval is, aan elkaar koppelt en onderling profileert.
                                  31 Zie ook: AWT-advies nr. 48 KP6 laten werken (2002) p. 17.
                            50 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>                              over doelstellingen en procedures, en om ongemakkelijkheden rond IPR-kwesties,
  Werk aan verbeteringen in   die de nieuwe instrumenten weinig transparant en efficiënt maken. Dat blijkt
het huidige instrumentarium   vooral onaantrekkelijk te zijn voor bedrijven, waarvan de deelname achterblijft. De
                              effectiviteit en legitimiteit van de instrumenten komen daarmee onder druk te
                              staan. Het is zaak om, binnen de bestaande lijnen van het instrumentarium, te
                              werken aan vergroting van effectiviteit en efficiëntie. Te denken valt aan bijvoor-
                              beeld het verhelderen en stroomlijnen van de aan instrumenten verbonden doel-
                              stellingen, verbetering van de tweetrapsprocedure bij inschrijving, of aan
                              verbetering van de model-managementcontracten voor de te vormen onder-
                              zoeksconsortia.
     Probeer de inhoudelijke     Hoewel de AWT met betrekking tot het instrumentarium een pas op de plaats
   thema's van KP7 wel bij te voorstaat, heeft de Raad ten aanzien van de inhoudelijke onderwerpen voor een
                      sturen  volgend kaderprogramma al eerder gepleit voor meer aandacht in KP7 voor een
                              aantal thema's:32 vermindering van de technologische bias, waardoor potentiële
                              wetenschappelijke resultaten ook interessant worden voor de dienstensector en
                              meer aandacht voor maatschappelijke Europese vraagstukken. In het verlengde
                              hiervan bepleitte de AWT meer aandacht voor internationale netwerkvorming van
                              de alfa- en gammadisciplines en voor multidisciplinaire samenwerking tussen alle
                              wetenschappelijke disciplines.
                              5..6 Technology Platforms
                              Aanbeveling: participeer actief in de ontwikkeling van Technology Platforms, breng
                              eigen ervaringen met TTI's in, maar wees ook vanaf de eerste inzet waakzaam dat
                              Technology Platforms niet blijven hangen in het stadium van kennisontwikkeling.
                              Stimuleer deelname in Technology Platforms die aansluiten bij de eigen nationale
                              sterktes, en ondersteun de grote Nederlandse spelers daarbij actief.
                              Met het oog op de Barcelona doelstelling om in 2010 3% van het BBP voor
                              R & D te besteden, heeft de Europese Raad in het voorjaar van 2003 het concept
Technology Platforms stellen  Technology Platform (TP) gelanceerd. Het is een mechanisme dat tot doel heeft
 agenda’s op in samenspraak   een strategische onderzoeksagenda op te stellen voor de ontwikkeling van een
              tussen partijen bepaalde technologie, via eendrachtige samenwerking van alle relevante betrok-
                              kenen uit onderzoek, bedrijfsleven en beleid. Aldus worden in een publiek-private
                              samenwerkingsvorm onderzoeks- en innovatie-inspanningen gemobiliseerd ten
                              behoeve van een concreet doel (zie bijlage 3 voor meer details).
                                 32 In AWT-advies nr. 48 KP6 laten werken (2002) p. 34 e.v.
                          51  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   De uitwerking is nog  De discussie over organisatievorm en financiering is nog niet uitgekristalliseerd,
 niet duidelijk maar het maar op het eerste gezicht lijken de Technology Platform een interessant instru-
concept is veelbelovend  ment te kunnen worden. De brede betrokkenheid van verschillende, voor innova-
                         tie relevante, stakeholders kan een positieve bijdrage leveren aan effectiviteit, legi-
                         timiteit en kritische massa. Een TP volgt geen vast model, maar wordt idealiter
                         sectorspecifiek ontwikkeld en is daardoor in potentie flexibel. Bovendien kan
 Nederland heeft hier al Nederland aan de ontwikkeling van het concept een actieve bijdrage leveren door
            ervaring mee het inbrengen van de eigen ervaringen met TTI's (een gunstige uitgangspositie
                         voor Nederland derhalve). Op grond van dit alles staat de Raad een actieve, doch
                         selectieve participatie voor. Participeer in Technology Platform die aansluiten bij de
                         eigen sterktes, en ondersteun als ministerie van Economische Zaken de grote
                         Nederlandse spelers, in de rol van pleitbezorger.
                         Het instrument Technology Platform draagt enkele risico's met zich mee, die bij
                         participatie nadrukkelijk in het oog moeten worden gehouden. De relatie tussen
                         Technology Platform en het kaderprogramma is vooralsnog onduidelijk, maar het
                         risico van gebrek aan transparantie lijkt reëel. Ook acht de Raad de kans aanwe-
                         zig dat Europees beleid, zoals het mededingingsbeleid, de efficiëntie en legiti-
                         miteit van dit instrument in gevaar brengen. Het is bijvoorbeeld nog onduidelijk
  Niet blijven hangen in hoe de Technology Platform omgaan met de overgang van precompetitieve naar
     kennisontwikkeling  concurrentiegevoelige kennisontwikkeling (wie wordt 'eigenaar', hoe rechten te
                         regelen etc.). Daarnaast bestaat het gevaar dat de Technology Platform zich uit-
                         sluitend richten op de voorkant van het innovatietraject, waardoor niet-technische
                         componenten buiten schot blijven.
      Verbindt TP's met      Ook bestaat het risico dat politieke processen de werking van het Platform versto-
        regionaal beleid ren, vooral in relatie tot geografische overwegingen. Ten eerste omdat kennis-
                         ontwikkeling ten behoeve van innovatie altijd een zekere geografische binding nodig
                         heeft om zich tot een hot spot te kunnen ontwikkelen. Ten tweede omdat landen en
                         regio's politiek kunnen scoren door kansrijke technologie-ontwikkeling binnen te
                         halen. Verbinding met het eigen, regionale, innovatiebeleid is daarom van belang.
                         5..7 European Research Council
                         Aanbeveling: gebruik de European Research Council (ERC) vooral om de eigen
                         sterktes in het nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek te profileren. Verwacht
                         echter niet alle heil van de ERC, er zijn andere wegen die een grotere bijdrage
                         leveren aan de ontwikkeling van de Europese onderzoeksruimte. Benut het
                      52 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>                             Nederlandse EU-voorzitterschap in de tweede helft 2004 om in de ontwerpfase
                             van de ERC in te spelen op de risico’s ervan en deze met compenserende maat-
                             regelen te ondervangen.
                             Het debat over de wenselijkheid van een European Research Council (ERC) is gestart
                             vanuit de wetenschappelijke gemeenschap. Inmiddels is de discussie uitgebreid
                             tot een breed gezelschap bestaande uit diverse internationale onderzoeksorgani-
                             saties (bijvoorbeeld ESF, EUROHORCs), een speciaal voor dit onderwerp in het
ERC is idealiter versterking leven geroepen Expert Group (ERCEG) en de Europese Commissie. Het verlangen
     van wetenschappelijke   naar een ERC is gebaseerd op de constatering dat op Europees niveau een gemeen-
                 excellentie schappelijk fonds voor nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek ontbreekt.
                             Voorstanders van de ERC wijzen erop dat een dergelijk fonds de concurrentie
                             binnen het vrije onderzoek stimuleert en dientengevolge de kwaliteit verhoogt.
                             Idealiter versterkt en ondersteunt de ERC de wetenschappelijke excellentie binnen
                             Europa dusdanig, dat wordt voorkomen dat wetenschappers en industrie wegtrek-
                             ken naar andere continenten. Daarnaast zou de ERC moeten bijdragen aan ver-
                             mindering van fragmentatie van het nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek. Terwijl
                             inmiddels overeenstemming bestaat over het oogmerk van een ERC, is de discus-
                             sie over organisatorische vormgeving en financiering nog niet uitgekristalliseerd.
                             De basisgedachte achter de ERC _ het versterken van het nieuwsgierigheids-
                             gedreven onderzoek op Europees niveau _ sluit aan bij de door de AWT voorge-
Het Europees niveau is ook   stane meersporen-aanpak, waarin dit type onderzoek op internationaal niveau
      geschikt voor dit type moet worden gestuurd en beoordeeld. Op enkele van de door de AWT voorge-
               onderzoek ... stane beoordelingscriteria 'scoort' de ERC dan ook positief:
                             .  De instelling van een Europees fonds vergroot de algemene aandacht voor
                                nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek. Nederland is relatief sterk in dit soort
                                onderzoek en door op eigen sterke onderzoeksgebieden mee te dingen naar
                                ERC-fondsen, kan Nederland deze sterktes verder profileren;
                             .  Het ERC-principe 'voor en door wetenschappers' wordt door hen als legitiem
                                ervaren.
                             Nederland beschouwt het onderwerp ERC als één van de speerpunten voor haar
    ... maar de ERC is geen  voorzitterschap.33 Gezien het huidige krachtenveld in de discussie mag worden
                    panacee  verwacht dat de ERC er zal komen. Tegenover de bovengenoemde positieve pun-
                             ten staat een aantal belangrijke bezwaren. Het is daarom zaak de verwachtingen
                                33 'Aanbod, kwaliteit en mobiliteit van kenniswerkers' is een ander speerpunt van het Nederlandse
                                    voorzitterschap.
                          53 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>                         over de toegevoegde waarde van de ERC voor de ontwikkeling van de Europese
                         onderzoeksruimte te temperen: gebruik het vooral om de eigen sterktes in
                         nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek te profileren. Verwacht niet alle heil van de
                         ERC, er zijn andere manieren die een grotere bijdrage leveren aan de ontwikkeling
                         van de Europese onderzoeksruimte, zoals het delen van faciliteiten of het samen-
                         voegen van onderzoeksprogramma's.
                            In dit licht is het verstandig om als Nederland het voorzitterschap te benutten
                         om in een zo vroeg mogelijk stadium _ de ontwerpfase _ in te spelen op risico's
                         en beperkingen. Ook het nationale onderzoeksbeleid dient te worden benut om
                         op deze risico's in te spelen.
         Bezwaren ERC:   De belangrijkste bezwaren en de mogelijkheden om daarop in te spelen worden
                         hieronder kort aangestipt.
               Scheiding .  Een ERC draagt naar verwachting niet of nauwelijks bij aan een betere benut-
  kennisontwikkeling en     ting van ontwikkelde kennis. Het draagt het risico in zich dat de scheiding
       -benutting dreigt    tussen kennisontwikkeling en kennisbenutting eerder wordt versterkt dan ver-
                            zwakt, doordat de segregatie tussen wetenschappelijk onderzoekers en overige
                            stakeholders bij onderzoek groter wordt. Op dit bezwaar kan worden inge-
                            speeld door al in de ontwerpfase na te denken over mogelijkheden die de ERC
                            heeft om kennistransfer te stimuleren en door in het nationale onderzoeksbe-
                            leid extra aandacht te besteden aan het belang van kennisbenutting.
Vernieuwing onder druk   .  De Raad plaatst kanttekeningen bij de effectiviteit van het instrument. Alhoewel
                            de ERC leidt tot wenselijke concentratie van toponderzoek en financiering, is
                            het risico van verschraling in de breedte van onderzoeksonderwerpen reëel.
                            Vernieuwing kan onder druk komen te staan _ het zogenaamde Mattheüs-
                            effect _ zeker op nationale schaal. Dit bezwaar vraagt om compenserende
                            maatregelen: zorg dat op Europees en nationaal niveau voldoende mechanis-
                            men bestaan om vernieuwing te stimuleren
Sombere verwachtingen    .  In hoeverre de ERC transparant is, zal moeten blijken in de uitvoering. De Raad
      over transparantie    is hieromtrent somber in zijn verwachtingen en pleit ervoor dat de Nederlandse
                            overheid kritisch een vinger aan de pols houdt. Als tegendruk tegen bijvoor-
                            beeld politieke belangen van lidstaten, prioriteiten van de EU (zeker indien de
                            ERC bijvoorbeeld uit het KP gefinancierd zou worden) en verbindingen met
                            nationale onderzoeksfondsen, zal de neiging groot zijn om uitgebreide en
                            ingewikkelde checks and balances in te bouwen, teneinde neutrale en autono-
                            me besluitvorming te waarborgen. De bureaucratie zal hierdoor toenemen en
                            transparantie zal continu onder druk staan. Hier is een rol voor het ministerie
                            van OCW weggelegd: met een kritische blik de ontwikkelingen volgen.
                      54 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>         Lage flexibiliteit .   Aan dit alles kan worden toegevoegd dat de ERC _ éénmaal opgericht _ niet
                                gemakkelijk op te heffen zal zijn, terwijl met de organisatie naar verwachting
                                wel substantiële kosten gemoeid gaan. De flexibiliteit van dit instrument is dus
                                laag. Het inflexibele karakter pleit voor een tijdelijke instelling, met een formeel
                                evaluatiemoment.
Andere aanpakken lijken     .   Ook de efficiëntie is twijfelachtig. De focus in de discussie op de ERC haalt onte-
effectiever en efficiënter      recht de aandacht weg van andere vruchtbare ontwikkelingen, waarin bijvoor-
                                beeld autonome partijen de onderzoeksruimte gestalte geven. Denk bijvoor-
                                beeld aan de bilaterale afspraken tussen councils over het kunnen transporteren
                                van onderzoeksgelden over de grens. Of aan de afstemming van onderzoek-
                                sactiviteiten tussen nationale instituten en programma's. In veel gevallen zijn
                                deze samenwerkingsvormen effectief, efficiënt en pragmatisch. De AWT acht
                                het daarom van belang dat de Nederlandse overheid (in het bijzonder het
                                ministerie van OCW) oog houdt voor alternatieve wegen om de Europese
                                onderzoeksruimte verder te ontwikkelen.
                            Aldus vastgesteld te Den Haag, januari 2004
                            J.F. Sistermans
                            Voorzitter
                            Mw. dr. V.C.M. Timmerhuis
                            Secretaris
                        55  AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>   Bijlagen
   Bijlage 1 De adviesvraag van OCW en EZ
   Internationalisering Wetenschaps- en Innovatiebeleid
   Achtergrond
   Volgens het AWT advies KP6 laten werken dient Nederland een strategisch visie te
   ontwikkelen op voortgaande internationalisering van onderzoeksbeleid. Een
   dergelijke visie moet rekening houden met de mogelijke verschuivingen in de
   verantwoordelijkheidsverdeling tussen Nederland, EU en overige Lidstaten. Mede
   naar aanleiding van dit advies maar ook met het oog op het komend NL EU voor-
   zitterschap (2e helft 2004) dient Nederland actief een bijdrage te leveren en
   activiteiten te ontwikkelen gericht op:
   .   Het bewerkstellingen van de Lissabondoelstelling om in 2010 een Europese
       Onderzoek en Innovatie Ruimte te realiseren en de Barcelona doelstelling om
       in Europa in 2010 gemiddeld 3% van het BBP te investeren in R&D en onder-
       zoek, waarvan 2/3 door het bedrijfsleven;
   .   Het totstandbrengen van één European Research Council (streven naar politieke
       besluitvorming rondom de institutionalisering van de taken van de ERC, juli 2004);
   .   Het verhogen van de effectiviteit van het R&D instrumentarium.
   Tijdens het NL EU voorzitterschap zullen een aantal veranderingen die plaats-
   vinden medebepalend zijn voor de agenda en de strategie van Nederland:
   .   Toetreding nieuwe lidstaten;
   .   Juni 2004 verkiezingen EP;
   .   November 2004 wisseling Commissarissen Europese Commissie (het is de
       verwachting dat hierdoor weinig tot geen nieuwe Commissie mede-
       delingen/besluitvorming plaatsvinden);
   .   Evaluatie nieuwe instrumenten KP6 (verwachting 2e helft 2004).
57 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>   Adviesvraag
   Mede op basis van een inventarisatie van reeds lopende Nederlandse activiteiten
   in het kader van het bewerkstellingen van de Europese Onderzoeks- en Innovatie
   Ruimte en de Nederlandse deelname aan de nieuwe instrumenten van KP6 (als-
   mede de eerste ervaringen met de effectiviteit en doelmatigheid hiervan) zijn de
   vragen die voorliggen:
   Hoe zou Nederland in EU-verband moeten opereren om een optimale bijdrage te
   leveren aan het bereiken van de relevante Lissabon doelstellingen (bijvoorbeeld
   wat betreft de inzetten op meer communautaire dan wel intergouvernementele
   innovatie-instrumenten) als ook een sterke positie van Nederland te realiseren in
   de Europese Onderzoeks- en Innovatieruimte in 2010?
      Hoe ziet tegen deze achtergrond het 7e Kaderprogramma er voor Nederland
   idealiter uit, zowel wat betreft de te hanteren instrumenten als wat betreft de
   wetenschappelijke onderzoeks- en innovatie thema's?
      Welke conclusies kunnen hieruit getrokken worden voor het onderzoeks- en
   innovatiebeleid, zowel op middellange termijn (2004-2006) als op lange termijn
   (2007-2010), als ook voor de inzet van Nederland tijdens het EU-voorzitterschap
   in 2004?
58 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>   Bijlage 2         Coördinatiemechanismen ten
                     behoeve van een ERA
   Inleiding
   Het Europese belang om het door Busquin geïntroduceerde concept van de
   European Research Area (ERA) te laten slagen wordt door de lidstaten _ zo ook
   Nederland _ onderschreven. Over de weg waarlangs de ERA het beste gestalte zou
   kunnen krijgen, bestaat echter minder overeenstemming. Bij de verschillende
   actoren ontstaat een groeiende behoefte aan meer duidelijkheid over de wijze
   waarop afstemming en coördinatie van beleid feitelijk plaatsvindt. Voor beleids-
   makers op EU- en nationaal niveau is daarnaast de stuurbaarheid van de ERA een
   belangrijk issue. De verschillende coördinatiemechanismen die daarbij worden
   gebruikt staan centraal in deze bijlage. De verschillende mechanismen kennen alle
   hun eigen merites en gebreken, wat maakt dat ze voor verschillende doelen inzet-
   baar zijn en ook hun eigen compensatiestrategieën vergen. In deze bijlage wor-
   den de pro- en contra-overwegingen ten aanzien van de verschillende coördina-
   tiemechanismen samengevat in kaders. Deze genoemde overwegingen zijn alle in
   het veld te horen en voor het merendeel naar voren gekomen in de door de AWT
   georganiseerde werkconferenties. De aanbevelingen ten aanzien van de inzet op
   de coördinatiemechanismen en beleidsinstrumenten zijn te vinden in hoofdstuk 5.
   Coördinatie via zelfsturing
   De autonome trend van internationalisering laat zien dat zelfsturing in de praktijk
   een belangrijke rol speelt bij het totstandkomen van een Europese onderzoeks-
   ruimte. Eerder is al een aantal voorbeelden ter sprake gekomen: de grensover-
   schrijdende regionale initiatieven van universiteiten en industrie en samenwer-
   kende R&D laboratoria van multinationals maar ook virtuele laboratoria voor
   onderzoekers en mondiaal verkeer van onderzoeksdata en publicaties zijn voor-
   beelden van autonome sturing in het Europese onderzoekslandschap.
   Vertrouwen op zelfsturing wil niet zeggen dat er voor het beleid geen rol is weg-
   gelegd. Het beleidsmatig inzetten op dit coördinatiemechanisme vraagt om alert-
   heid ten aanzien van wat er aan samenwerkingsinitiatieven opkomt, het stimule-
   ren van wenselijke ontwikkelingen en het wegnemen van barrières daarvoor. Maar
59 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>   het kan ook het remmen van onwenselijke ontwikkelingen vereisen. Binnen de EU
   vormt het wegnemen van barrières voor mobiliteit van kenniswerkers op dit
   moment één van de belangrijke beleidsonderwerpen, waarop veel actie wordt
   ondernomen. Onderstaand kader illustreert dat dit mechanisme aantrekkelijk is
   omdat het gebruik maakt van reeds aanwezige krachten in het veld. Het illustreert
   daarnaast dat de schaduwzijde vooral gelegen is in risico's van mismatch met
   beleidsdoelstellingen.
   Overwegingen pro                                   Overwegingen contra
   . Sluit aan bij het grote aantal en de diversiteit . Het veld overschat vaak zijn eigen krachten: ver-
     aan spelers die _ om eigen beweegredenen _         snippering van onderzoek zal toenemen. De
     internationalisatie van onderzoek en innovatie     overheid is nodig om focus te bewerkstelligen.
     nastreven en bewerkstelligen.                    . Maatschappelijke vraagstukken komen onvol-
   . Marktwerking cq vraagsturing zullen ertoe lei-     doende aan bod door een gebrek aan 'koop-
     den dat partijen zich richten op onderzoek         kracht' in het publieke domein.
     waar ook daadwerkelijk behoefte aan is binnen    . De overheid moet zijn verantwoordelijkheid
     Europa.                                            nemen: de snelheid van autonome ontwikkelin-
   . Past bij moderne opvattingen over een respon-      gen is te langzaam voor de huidige hoge ambi-
     sieve overheid.                                    ties met de ERA.
   De communautaire weg tot coördinatie
   De Communautaire weg loopt via de Europese Commissie in Brussel, die daartoe
   onder andere de Kaderprogramma's inzet. Daarin zet de Commissie, in samen-
   spraak met de Europese Raad en het Europees parlement, onderzoek uit in
   Europa, ondersteunt zij individuele onderzoekers en financiert zij samenwerkings-
   verbanden. Daarnaast neemt de Commissie beslissingen die wetenschap en inno-
   vatie beïnvloeden, bijvoorbeeld ten aanzien van IPR, aanbestedingsprocedures of
   staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling. De parapluwerking van communau-
   taire coördinatie wordt veelal ervaren als positief voor een klein land als
   Nederland. Onze overheid is dan ook traditioneel voorstander van de commu-
   nautaire methode. In het hoofdlijnenakkoord spreekt het kabinet nog een voor-
   keur uit voor deze weg ter versterking van de Europese Unie.34 Ook de positieve
   resultaten van Nederland in het Kaderprogramma maakt voortzetting op deze
   weg aantrekkelijk. Daar staat tegenover dat er veel klachten te horen zijn over een
     34 Zie het Hoofdlijnenakkoord 2003 op dit punt.
60 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>   gebrek aan efficiëntie en transparantie in 'Brussel', en twijfels worden geuit over
   de beïnvloedingsmogelijkheden van Nederland in het communautaire krachten-
   veld.
   Overwegingen pro                                   Overwegingen contra
   . De Commissie beschermt kleine landen als         .  Nederland is een te kleine speler om effectief
     Nederland en beperkt de invloed van de drie         invloed uit te kunnen oefenen. Na de uitbrei-
     grote landen (Duitsland, Frankrijk en UK).          ding worden deze beïnvloedingsmogelijkheden
   . Communautaire coördinatie efficiënte en             alleen maar kleiner.
     geconcentreerde     kennisontwikkeling     voor  .  De verschillen in ambities, structuren en resulta-
     generieke technologiegebieden en gedeelde           ten van de verschillende lidstaten zijn zo groot,
     maatschappelijke vraagstukken.                      dat overeenstemming over te voeren onder-
   . Deelname aan communautaire programma's              zoeksbeleid niet haalbaar is.
     wordt steeds meer een 'imagoversterkend'         .  De procedures voor deelname aan communau-
     keurmerk en daarmee belangrijker in de              taire programma's zijn vaak lang, bureaucra-
     beleidsconcurrentie tussen de lidstaten.            tisch en weinig transparant.
   Het intergouvernementele coördinatiemechanisme
   De intergouvernementele weg loopt via bi- of multilaterale overeenkomsten
   tussen nationale overheden in de verschillende hoofdsteden. Deze weg kent vele
   vormen, zoals COST- en EURAKE-programma's, het poolen van nationale fondsen
   voor onderzoek en onderzoeksfaciliteiten of het samenvoegen of wederzijds open-
   stellen van nationale programma's. Deze weg, waarop veel vrijheid bestaat voor
   de lidstaten om de onderlinge beleidsconcurrentie te beïnvloeden, lijkt aan belang
   te winnen.35 Als voordeel van dit coördinatiemechanisme wordt veelal de prag-
   matiek geroemd: werk daar samen waar ook gezamenlijke behoeften bestaan en
   steek geen energie in overbodige samenwerkingsverbanden. Twijfels worden
   vooral geuit over de risico's van verdergaande versnippering van onderzoeksgel-
   den en de inefficiëntie die ontstaat doordat met ieder land andere afspraken wor-
   den gemaakt.
     35 Zie ook RMO advies 27 Hart voor Europa     _ de rol van de Nederlandse overheid, Den Haag (2003)
          blz 17.
61 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>   Overwegingen pro                                 Overwegingen contra
   .  Samenwerking vindt plaats daar waar ook echt  . Inefficiëntie treedt op doordat met ieder land
      gemeenschappelijke behoeften bestaan.           aparte afspraken worden gemaakt. Dit leidt tot
   .  De vraagkant kan zeggenschap uitoefenen op      stapeling van bureaucratieën en dus tot hoge
      de onderwerpen waarop wordt samengewerkt        transactiekosten.
      (geen push van onderwerpen).                  . Leidt tot versnippering van onderzoeksgelden
   .  Intergouvernementele samenwerking is een        omdat ieder land apart op zoek gaat naar
      natuurlijke tussenstap op weg naar harmonisa-   samenwerkingspartners.
      tie van beleid.                               . Nederland is als speler niet krachtig en politiek
                                                      handig genoeg om te zorgen dat de samen-
                                                      werking aansluit bij de door Nederland gewen-
                                                      ste focus.
   De intermediaire weg naar coördinatie
   Langs de intermediaire weg bundelen de intermediaire organisaties uit de lidstaten
   hun krachten. Een voorbeeld daarvan is de European Science Foundation, waarin
   nationale onderzoeksorganisaties zoals NWO zich verenigen. Op dit niveau bundelt
   de internationale onderzoeksgemeenschap zich momenteel, met als oogmerk de
   versterking van het nieuwsgierigsheidgedreven onderzoek via verminderde ver-
   snippering en vergrote competitie. De pro-argumenten voor dit coördinatieme-
   chanisme sluiten dan ook vooral aan bij 'traditionele' voorkeuren van onderzoekers
   (zoals vrijheid van onderzoek, kwaliteitsvergroting door sterkere concurrentie et
   cetera). Onder de contra-argumenten is het meest dominante geluid, dat met de
   focus op vrij, nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek de aandacht voor de benut-
   ting van kennis slinkt.
62 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>   Overwegingen pro                                  Overwegingen contra
   . Het principe van 'voor en door onderzoekers'    . Het principe 'voor en door onderzoekers' leidt
     op het intermediaire niveau wordt als legitiem    tot een gebrek aan zeggenschap aan de vraag-
     ervaren door de onderzoeksgemeenschap.            kant of de financierende overheden.
   . Samenwerking van intermediaire organisaties     . De sterke concurrentiedruk leidt ertoe dat ver-
     leidt tot een grotere 'marktplaats' voor onder-   nieuwing onder druk komt te staan, of dat
     zoek. Het groter worden van de concurrentie       nationale wetenschapsgebieden met een natio-
     verhoogt de kwaliteit.                            naal belang verdwijnen. Versterken van de con-
   . Bundeling van de onderzoeksgemeenschap            currentie leidt niet per se tot kwaliteitsverho-
     leidt tot minder versnippering.                   ging in de breedte. Het kan ook concentratie
                                                       van toponderzoek tot gevolg hebben.
                                                     . De nadruk op nieuwsgierigsheidgedreven
                                                       onderzoek haalt de aandacht weg van kennis-
                                                       benutting (privaat en publiek).
   Recente ontwikkelingen: De Open Methode van Coördinatie
   Om de activiteiten, gericht op het realiseren van de Lissabondoelstellingen, meer
   te orchestreren, zet de Europese Raad tegenwoordig de zogenaamde Open
   Methode van Coördinatie in (OMC). De OMC biedt een interessante tussenweg
   tussen het communautaire en het intergouvernementele coördinatiemechanisme,
   doordat het gezamenlijke (zowel van alle lidstaten als van de Europese
   Commissie) doelstellingen en activiteiten formuleert. Er vloeien echter geen bin-
   dende communautaire voorschriften uit voort. Het lijkt daarom op coördinatie via
   convenanten, waarin partijen zichzelf binden aan gemaakte afspraken, echter zon-
   der elkaar sancties op te leggen.
   De oorsprong van de OMC ligt bij EU-inspanningen om tot coördinatie van soci-
   aal beleid te komen, maar wordt sinds de top in Lissabon ook toegepast op het
   terrein van onderzoek en innovatie. De OMC bestaat uit vier elementen:36
   .  Unie-brede doelen, voorzien van algemene richtlijnen en tijdpad;
   .  Performance indicatoren en best practice benchmarks, als middel om wederzijds
      leren te bevorderen;
     36 De beschrijving van de OMC is gebaseerd op EioP-paper, vol. 6, nr. 18. Zie voor een handzame
          beschrijving NEST-Nieuws nr 52, 1 augustus 2003.
63 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>   .   Vertaling van de richtlijnen in nationale en regionale actieplannen en targets,
       toegespitst op de eigen situatie;
   .   Periodieke monitoring en collectieve evaluatie door de deelnemende lidstaten.
   De OMC is 'open' omdat de methode verschillen in implementatie toelaat en het
   aan de lidstaten overlaat hoe de Europese coördinatie vorm zou moeten krijgen.
   Deze tussenweg lijkt voor een uitgebreid Europa, waarin de verschillen nog groter
   worden, een goede optie.37 In het concept van de OMC zijn voor de Europese
   Commissie vooral de rollen weggelegd van beleidsmakelaar, initiator en katalysator.
   De OMC is in formele zin niet-bindend. Doelstellingen zijn niet verplicht en er is
   geen sanctiesysteem. Echter, uit de combinatie van het vaststellen van gezamenlijke
   doelen, benchmarks, het proces van gezamenlijke leren, en van de betrokkenheid
   van de Europese Commissie gaat wel degelijk een zekere druk uit op de lidstaten om
   te presteren peer pressure. In principe is het een methode van Naming and Shaming.
   Inmiddels hebben Lidstaten en Commissie besloten op het onderzoeksterrein de
   OMC te gebruiken als instrument voor de volgende concrete onderwerpen:
   .   Het actieplan voor de Barcelone-doelstelling; 3% BBP voor R&D in 2010;
   .   Het thema Human Resources en mobiliteit;
   .   Het thema Wetenschap en Samenleving;
   .   Wederzijdse openstelling van nationale programma's;
   .   Onderzoeksinfrastructuren van Europees belang.
   Verschillende beleidsinstrumenten worden momenteel al via een gelijksoortige
   weg tussen Commissie en lidstaten ingezet, bijvoorbeeld de artikel 169-projecten,
   waarin nationale programma's worden samengevoegd, met een 'premie' vanuit
   de Commissie. Net als de overige, kent ook dit coördinatiemechanisme voor- en
   nadelen. Het deelt het voordeel van pragmatisme met coördinatie via zelfsturing,
   en heeft als extra voordeel dat actiever sturing kan plaatsvinden. Ten opzichte van
   zelfsturing heeft het als nadeel dat de peer pressure op nationaal niveau andere ini-
   tiatieven, bijvoorbeeld uit regionaal en lokaal beleid, onder druk kan zetten. Dit
   coördinatiemechanisme is echter nog volop in ontwikkeling, waarbij iedereen
   zoekende is naar de juiste vorm.
      37 Het SCP noemt het dan ook de enige reële optie voor beleidscoördinatie tussen de lidstaten. Zie
          SCP, ‘Sociaal Europa’, Europese Verkenning no. 1. Den Haag (2003) Hoofdstuk 8.
64 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>   Overwegingen pro                                  Overwegingen contra
   . Het ontbreken van pogingen tot uniformeren      . Risico dat inzet van dit mechanisme door
     passen goed bij de pluriformiteit van de          gebrek aan dwingende maatregelen verzandt in
     Europese werkelijkheid.                           een 'praatcircus'.
   . Kan leiden tot voortgang op punten waarover     . De grote speelruimte voor lidstaten bij uitvoe-
     nog geen volledige overeenstemming in EU          ring veronderstelt ten onrechte dat de lidstaten
     bestaat.                                          eenzelfde (hoge) kwaliteit van beleid hebben.
   . Peer pressure is een goed mechanisme in deze    . Peer pressure op nationaal beleidsniveau kan
     complexe context en leidt tot actiegerichtheid.   ertoe leiden dat differentatie in regionaal beleid
   . Bevordert een efficiënte inrichting van de ERA.   onder druk komt te staan.
   Conclusies ten aanzien van de coördinatiemechanismen
   In onderstaand kader zijn de overwegingen pro en contra van de verschillende
   coördinatiemechanismen schematisch samengevat (zie volgende bladzijde). Het
   overzicht is opgesteld in volgorde van afnemende overheidssturing. De verschil-
   lende mechanismen leiden alle naar meer coördinatie en een gedeelde Europese
   onderzoeksruimte. De methoden van zelfsturing, intergouvernementele samen-
   werking en de OMC spelen alle in meer of mindere mate in op het grote aantal
   en de diversiteit aan spelers en op verschillen in performance en ambitie van lid-
   staten. De communautaire methode grijpt direct aan op de wens om de krachten
   zoveel mogelijk te bundelen, terwijl de intermediaire methode zich vooral richt op
   de 'werkvloer': de onderzoekers zelf.
65 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>                                                Communautair                       OMC                 Intergouvernementeel               Intermediair                  Zelfsturing
                    Kenmerk               Europese samenwerking,        Multilaterale samenwer-      Bi- of multilaterale samen-   Samenwerking tussen          Overheden bekrachtigen
                                          vormgegeven door de           king, met ondersteuning      werking tussen nationale      intermediaire onderzoek-     autonome trend tot
                                          Europese Commissie, in        van de Commissie             overheden                     organisaties                 internationalisering
                                          samenspraak met Raad en
                                          Europees Parlement
66                  Praktijkvoorbeelden   Kaderprogramma’s op           Sociaal beleid en            Onderzoekprogramma’s          European Science             Grensoverschrijdende
                                          basis van co-decisie Raad     Lissabon-doelstellingen      als COST, EUREKA              Foundation met eigen         samenwerkingsprojecten
                                          en Europees Parlement                                                                    programma’s, (European
                                                                                                                                   Research Council)
                    Overwegingen pro
                                          De commissie beschermt        Het ontbreken van            Samenwerking vindt            Het principe van ‘voor en    Sluit aan bij het grote
                                          kleine landen als             pogingen tot uniformeren     plaats daar waar ook echt     door onderzoekers’ wordt     aantal en grote diversiteit
                                          Nederland.                    past goed bij de             gemeenschappelijke            door onderzoekers als        aan spelers die
                                                                        pluriformiteit van de        behoeften bestaan.            legitiem ervaren.            internationalisatie van
                                          Biedt de mogelijkheid voor
                                                                        Europese werkelijkheid.                                                                 onderzoek en innovatie
                                          gemeenschappelijke                                         De vraagkant kan              Samenwerking van
                                                                                                                                                                nastreven en
                                          kennisvermeerdering           Kan leiden tot voortgang     zeggenschap uitoefenen        intermediaire organisaties
                                                                                                                                                                bewerkstelligen.
                                          m.b.t. generieke              op punten waarover nog       op de onderwerpen             leidt tot een grotere
                                          technologiegebieden en        geen overeenstemming in      waarop wordt                  ‘marktplaats’ voor           Vraaggerichtheid leidt
AWT-advies nr. 57
                                          inetnationaal                 EU bestaat.                  samengewerkt (geen            onderzoek. Sterkere          ertoe dat partijen zich
                                          maatschappelijke                                           ‘push’ van onderwerpen).      concurrentie leidt tot       richten op onderzoek
                                                                        Peer pressure leidt tot
                                          vraagstukken.                                                                            betere kwaliteit.            waar ook daadwerkelijk
                                                                        actiegerichtheid.            Intergouvernementele
                                                                                                                                                                behoefte aan is.
                                          Deelname wordt steeds                                      samenwerking natuurlijke      Bundeling leidt tot
                                                                        Kan efficiënte ERA tot
                                          meer een ‘imago-                                           tussenstap op weg naar        minder versnippering.        Past bij opvattingen over
                                                                        stand brengen.
                                          versterkend’ keurmerk.                                     harmonisatie van beleid.                                   een responsieve overheid
                    Overwegingen contra
                                          Nederland is een te kleine    Risico dat inzet van dit     Inefficiëntie treedt op       Het principe ‘voor en        Het veld overschat eigen
                                          speler om effectief invloed   mechanisme al in de          doordat met ieder land        door onderzoekers’ leidt     krachten: versnippering
                                          uit te kunnen oefenen         voorbereidingsfase           aparte afspraken moeten       tot gebrek aan               zal toenemen.
                                                                        verzandt in een              worden gemaakt.               zeggenschap aan de
                                          Verschillen in ambities,                                                                                              Maatschappelijke
                                                                        ‘praatcircus’.                                             vraagkant.
                                          structuren en performance                                  Leidt tot versnippering                                    vraagstukken komen
                                          van de verschillende          De grote speelruimte voor    van onderzoeksgelden          Door sterke concurrentie-    onvoldoende aan bod
                                          lidstaten maakt               lidstaten bij uitvoering     omdat ieder land apart op     druk kan vernieuwing         door gebrek aan
                                          overeenstemming over          veronderstelt ten            zoek gaat naar                onder druk komen te          ‘koopkracht’.
                                          onderzoeksbeleid niet         onrechte dat de lidstaten    samenwerkingspartners.        staan of kunnen nationale
                                                                                                                                                                De overheid moet zijn
                                          haalbaar.                     eenzelfde (hoge) kwaliteit                                 wetenschapsgebieden
                                                                                                     Nederland is als speler                                    verantwoordelijkheid
                                                                        van beleid hebben.                                         verdwijnen.
                                          Procedures zijn lang,                                      niet krachtig en politiek                                  nemen: snelheid van
                                          bureaucratisch, weinig        Peer pressure kan ertoe      handig genoeg om              De nadruk op                 spontane ontwikkelingen
                                          transparant.                  leiden dat regionaal en      te zorgen dat de              nieuwsgierigheid             is te langzaam ten
                                                                        lokaal beleid onder druk     samenwerking aansluit bij     gedreven onderzoek haalt     opzichte van de hoge
                                                                        komen te staan.              de Nederlandse focus.         aandacht weg van kennis-     ambities.
                                                                                                                                   benutting.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>   Bijlage 3 Beleidsinstrumenten
   Inleiding
   Het scala aan beleidsinstrumenten ter versterking van de Europese onderzoeks-
   ruimte is groot. De AWT beperkt zich in dit advies daarom tot die beleidsinstru-
   menten die op dit moment in het centrum van de belangstelling staan, namelijk:
   het coördineren van nationale programma's, het zesde en zevende
   Kaderprogramma, Technology Platforms en een European Research Council. Deze
   instrumenten staan niet los van elkaar; het Kaderprogramma is hét overkoepelen-
   de instrument van de Europese Commissie. Het is het meest omvattende beleids-
   instrument: een paraplu voor een groot aantal instrumenten, met een grote diver-
   siteit aan doelstellingen. Coördinatie van nationale programma's vindt momenteel
   dan ook deels plaats met fondsen uit het zesde Kaderprogramma, en deels met
   andere vormen van financiering. Technology Platforms en een European Research
   Council bestaan op dit moment nog niet, maar worden door velen als kansrijk
   beschouwd en krijgen mogelijkerwijs een plaats in het Kaderprogramma. Over
   beide beleidsinstrumenten loopt momenteel nog een discussie over de organisa-
   torische vormgeving, onder andere over de vraag in hoeverre positionering
   binnen het Kaderprogramma wenselijk is.
       Deze bijlage beperkt zich _ net als de voorgaande bijlage _ tot een schets van de
   vier instrumenten en de overwegingen ten aanzien van de inzet daarvan. De aanbe-
   velingen voor Nederlands beleid ten aanzien van deze instrumenten staan in hoofd-
   stuk vijf. Ook hier is voor het overzicht van de overwegingen geput uit de bevindin-
   gen van de door de AWT georganiseerde werkconferenties en de interviews.
   Het coördineren en openstellen van Nationale programma's
   Kenmerken
   Onafhankelijk van de Europese Commissie werken de verschillende lidstaten en
   hun uitvoeringsorganisaties ook aan de internationalisering van hun onderzoek.
   Eén manier, die ook wordt voorgestaan en in een aantal gevallen meegefinancierd
   door Brussel, is het samenvoegen of, in iets lichtere vorm, het openstellen van
   nationale onderzoeksprogramma's. Hierbij is het de bedoeling dat wetenschap-
   pers uit de betrokken landen kunnen deelnemen aan de verschillende, door over-
   heden ingestelde, tenders. Ook andere partijen, zoals bijvoorbeeld twee Research
   Councils, stellen hun programma's voor elkaar open. In het onderstaande kader
   wordt hiervan een aantal voorbeelden genoemd.
67 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>   Het coördineren en openstellen van nationale onderzoeks- en innovatiepro-
   gramma's _ enkele recente voorbeelden:
   .  De Eurohorcs, de verenigde Europese Research Councils, hebben in 2003 het
      European Young Investigators Awards Scheme (EURYI) ingesteld. Daarin storten
      zij uit eigen budget in een gemeenschappelijk fonds om excellente, jonge
      onderzoekers te financieren. Dit wordt louter op kwaliteit gedaan; en bijvoor-
      beeld niet op land van herkomst. De uitvoering gebeurt door de European
      Science Foundation (ESF).
   .  De ESF kent sinds kort de zogenaamde Eurocores, de European Collaborative
      Research Programmes Schemes. Daarin worden onderzoeksvoorstellen op het
      niveau van de ESF geselecteerd en op die manier wordt er een Europese com-
      petitie georganiseerd. De deelnemende landen behouden echter nog wel ieder
      hun eigen, geoormerkte, budget. De bedoeling hiervan is het aanscherpen van
      de competitie en daarmee het gezamenlijk bereiken van excellentie.
   .  Nederlandse partijen als Senter, NWO, Novem en enkele Ministeries werken
      momenteel een aantal aanvragen voor ERA-net uit. ERA-net _ een instrument
      uit het zesde kaderprogramma _ heeft als doel het bevorderen van coördinatie
      en samenwerking tussen nationale programma's. Dat gebeurt door het vormen
      van netwerken met als einddoel het wederzijds openstellen van regelingen en
      programma's. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor regelingen ten behoeve van
      technologische samenwerking tussen twee bedrijven. De Europese Commissie
      financiert de coördinatiekosten van ERA-net programma's.
   .  In 2003 is het eerste ‘artikel 169-programma’ van start gegaan. In het zesde
      kaderprogramma is het mogelijk onder dit artikel meerdere nationale onder-
      zoeksfondsen samen te voegen, met cofinanciering van de Commissie. Men
      beoogt hiermee vooral het creëren van benodigde kritische massa en afstem-
      ming in het onderzoek. Het secretariaat van het eerste pilot-programma, het
      European and Developing Countries Clinical Trials Partnership, wordt gevestigd in
      Nederland, bij NWO.
   Overwegingen pro en contra
   Het wederzijds openstellen van programma's wordt vooral als aantrekkelijk ervaren
   omdat het past in het streven internationale aansluiting te zoeken bij de beste ken-
   nis, en om kritische massa te organiseren in een aantal onderzoeksgebieden. De
   mogelijkheid bestaat echter bij dit instrument dat nationale, dus ook Nederlandse,
   euro's in het buitenland terecht komen, zonder dat de resultaten naar ons toevloei-
   en, en ook zonder expliciete opbouw van het eigen kennisvermogen.
68 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>   Overwegingen pro                                      Overwegingen contra
   .  Openstellen verhoogt de toegang tot human          . Het risico bestaat dat er meer uit Nederland
      potential uit de EU.                                 ‘weglekt’ dan er binnenkomt, zowel in mensen
   .  Openstellen leidt tot meer aanbod van onder-         als in geld.
      zoekers op een beperkt aantal plaatsen,            . Aanbodsgedreven migratie naar een beperkt
      waardoor concentratie plaatsvindt en kwali-          aantal topplaatsen kan verschraling van de
      teitsgedreven concurrentie toeneemt.                 brede basis en van vernieuwing veroorzaken.
   .  Samenwerking tussen nationale programma's          . Nederland is in EU-politiek niet handig. Dit kan
      voorkomt dubbelingen, waardoor ruimte ont-           ertoe leiden dat opengestelde programma's
      staat, bijvoorbeeld om kleine vakgebieden te         niet aansluiten bij de eigen strategische sterkten
      versterken.                                          en behoeften.
   .  Openstellen kan _ bij blijvend goede perfor-       . Openstellen kan ertoe leiden dat kennisontwik-
      mance _ netto geld opleveren uit de partner-         keling voor innovatie en nationale maatschap-
      landen.                                              pelijke vraagstukken niet meer dicht bij huis
   .  Onderzoekszwaartepunten die het inter-natio-         plaatsvinden.
      nale bedrijfsleven aan Nederland binden, wor-      . Het heeft het karakter van een 'fuik'; eenmaal
      den gevormd.                                         opengesteld, is dat niet meer terug te draaien.
   Het zesde en het zevende kaderprogramma
   Kenmerken van het huidige (6e) Kaderprogramma
   Het zesde Kaderprogramma (KP6) staat in het teken van de totstandkoming van
   de ERA. Het streven is om dit kaderprogramma, veel meer dan eerdere kaderpro-
   gramma's, werkelijk integrerend en structurerend te laten zijn, teneinde een gro-
   tere mate van synergie binnen het Europese onderzoek te bewerkstelligen. De
   strategie van de Commissie is erop gericht om de beperkte Brusselse middelen _
   KP6 maakt slechts 5% uit van de totale publieke onderzoeksbestedingen in de EU
   _ op dusdanige wijze in te zetten dat de grootst mogelijke sturing wordt verkre-
   gen op de besteding van de veel ruimere middelen van de lidstaten. Opzet is om
   het beschikbare KP-budget met een duidelijke inhoudelijke focus op zeven the-
   matische prioriteiten38 via grote onderzoeksconsortia te besteden. Met de inzet
   van twee nieuwe instrumenten _ Networks of Excellence en Integrated Projects _ wil
   men voorkomen dat het budget wordt uitgesmeerd over veel relatief kleine pro-
      38 Deze thematische prioriteiten zijn; (1) Levenswetenschappen, genomica en biotechnologie voor
           gezondheid; (2) Technologie voor de informatiemaatschappij; (3) Nanotechnologie en -weten-
           schap, materialen, nieuwe producten en processen; (4) Lucht- en ruimtevaart; (5) Voedselkwaliteit
           en -veiligheid; (6) Energie, milieu en duurzame ontwikkeling, transport; (7) Burgers en bestuur in
           een kennismaatschappij.
69 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>   jecten. Het gaat dus niet meer om samenwerking van individuele onderzoekers op
   projectbasis, maar om structurele, op bepaalde doelen gerichte samenwerkings-
   verbanden van kennisinstellingen onderling en van kennisinstellingen met bedrij-
   ven. Sterker dan voorheen gaat het de Commissie daarbij om excellentie in onder-
   zoek en innovatie. Networks of Excellence hebben tot doel te komen tot duurzame
   samenwerkingsrelaties, waarbinnen gezamenlijke activiteitenprogramma's wor-
   den uitgevoerd. Onderwerpen staan bij aanvang wel vast, maar de onderzoeks-
   agenda met doelstellingen en te behalen resultaten nog niet. Bij Integrated Projects
   gaat het er wel om vooraf afgebakende doelstellingen te behalen in de innovatie-
   keten van onderzoek, ontwikkeling, demonstratie en training. Binnen de Networks
   of Excellence en de Integrated Projects wordt op het gebied van management en
   beheer veel aan de consortia overgelaten. Beide instrumenten worden louter inge-
   zet op de zeven inhoudelijke thema's van KP6.
   Met deze focus probeert de Commissie in te spelen op enkele tekortkomingen van
   voorgaande kaderprogramma's. In evaluaties daarvan werd geconstateerd dat
   deze niet alleen te weinig bijdroegen aan de Europese integratie van onderzoek,
   maar ook niet genoeg aan het benutten van wetenschappelijke kennis. Verder
   werden het bureaucratische gehalte van de uitvoering en de grote overtekening
   bij aanvragen door veel partijen als problematisch ervaren, zeker ten opzichte van
   de beschikbare onderzoeksbudgetten. Een oogmerk van de nieuwe instrumenten
   is dan ook om de Brusselse beheerslasten terug te brengen.
   Naast deze twee grote nieuwe instrumenten, heeft de Commissie nog een aantal
   instrumenten in het leven geroepen, waarvan de AWT er hier twee wil noemen.
   Artikel 169, dat zich richt op bundeling van nationale overheidsprogramma's, is al
   ter sprake gekomen bij 'het coördineren en openstellen van nationale programma's'.
   Collective Research richt zich op het MKB, dat in de ogen van de Commissie in de
   voorgaande Kaderprogramma's nog te weinig betrokken was. Via dit instrument
   kunnen Europese MKB-brancheorganisaties gezamenlijk technologische onder-
   zoeksvoorstellen indienen. Het onderzoek wordt vervolgens uitgevoerd door onder-
   zoeksinstellingen, betaald door de Commissie.
   De oude instrumenten uit KP5 zijn daarnaast na veel discussie in het KP6 gehand-
   haafd. Op hoofdlijnen gaat het dan om:
   .   Specific Targeted Research Projects (STREPs) en Specific Targeted Innovation
       Projects (STIP): een bijdrage van de Commissie aan de kosten van onderzoek-,
       innovatie- en demonstratieprojecten, gericht op het ontwikkelen van nieuwe
70 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>      producten of het vervullen van maatschappelijke behoeften. Het betreft
      projecten op een kleinere schaal dan Integrated Projects.
   .  Coordination Actions (CA): via deze weg worden kleinere netwerken en gemeen-
      schappelijke initiatieven gefinancierd, gericht op coördinatie en uitwisseling
      van kennis. Te denken valt aan conferenties, uitwisselingen van personeel en
      middelen, en het opzetten van informatiesystemen en expertgroepen.
   .  Specific Support Actions (SSA): financiële tegemoetkoming voor bijvoorbeeld
      seminars en andere samenwerkingsinitiatieven voor beleidsambtenaren, stu-
      dies, benchmarking, pilots en promotie-activiteiten. In alle gevallen bedoeld ter
      ondersteuning van de implementatie van het kaderprogramma.
   .  Co-operative research projects (CRAFT): waarbinnen drie of meer MKB-bedrijven
      uit minimaal twee Europese landen samen een onderzoeks- of ontwikkelings-
      project opzetten en dit laten uitvoeren, of zelf in samenwerking met onder-
      zoeksinstellingen laten uitvoeren.
   .  Specifieke acties ter promotie van research infrastructuren: Dit onderdeel richt zich
      op de Europese integratie van grote research-infrastructuren. Het gaat daarbij
      om netwerkvorming, wederzijdse toegang en gezamenlijke research-activitei-
      ten. Maar bijvoorbeeld ook om een hoogwaardig fysiek communicatienetwerk
      tussen de onderzoeksfaciliteiten.
   .  Marie Curie: dit instrument richt zich middels studiebeurzen en trainingen op
      individuen. Oogmerk is versterking van het aanbod en de mobiliteit van men-
      selijk potentieel.
   Een deel van dit instrumentarium richt zich overigens niet alleen op versterking
   van het Europese onderzoeksveld, maar ook op het bevorderen van samenwer-
   king met landen buiten de Unie. Dit betreft de toetredende landen in het bijzon-
   der. De 10 toetredende landen zijn dan ook veel nadrukkelijker dan voorheen
   betrokken bij het zesde Kaderprogramma.
   Actuele ervaringen met KP6
   Tijdens het Nederlandse voorzitterschap zal de evaluatie van de grote instrumen-
   ten van KP6 plaatsvinden. De eerste ronde van aanvragen hiervoor is inmiddels
   achter de rug. Op basis van voorlopige cijfers en berichten ontstaat een tentatief
   beeld over hoe deze ronde is verlopen:
   .  Bij sommige programma's blijkt sprake te zijn van een fikse overtekening in
      aanvragen ten opzichte van het beschikbare budget. Deze verhouding varieert
      van 20 keer overtekend tot 4 à 5 keer. Het probleem van 'oversubscriptie'
      wordt ook in Brussel onderkend, met name omdat KP6 nu juist mede was inge-
      richt om dat te voorkomen.
71 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>   .  De deelname van het MKB ligt redelijk in de buurt van de door de Europese
      Commissie beoogde 15%, met een score van 19% in termen van deelnemers
      en 13% in termen van budget. Overigens vallen veel kleinere onderzoeksinsti-
      tuten onder de Europese definitie van MKB. Dit vertekent natuurlijk het aandeel
      van het midden- en kleinbedrijf.
   .  De ervaringen met de Networks of Excellence zijn niet zo gunstig, hetgeen zich
      onder andere lijkt te vertalen in verminderde deelname, vooral van de
      industrie. Klachten richten zich op de vereiste tijdsinvestering voor de proce-
      dure, onduidelijkheden over de doelstelling en vormgeving van dit instrument,
      en over de invulling daarvan in managementcontracten. Ook de eis om te
      komen tot duurzame integratie van betrokken partijen en de complexe
      IPR-regeling lijken problematisch.
   .  De Nederlandse partijen hebben over het algemeen goed gescoord in deze
      ronde. Blijkbaar zijn de Nederlandse partijen niet te klein, zoals wel werd
      gevreesd. Universiteiten en onderzoeksinstituten scoren goed, de deelname
      van industrie lijkt minder goed uit de verf te komen. Gemeten naar deelname
      in verschillende thema's lijkt het scoringspatroon in KP6 sterk op dat van eer-
      dere KP's. Waar Nederland traditioneel goed in was (bijvoorbeeld voeding,
      milieu, energie) is het nog steeds goed. In het ICT-programma is de deelname,
      ook traditioneel, laag.
   .  De participatie van toetredende landen en kandidaat-lidstaten blijft achter; zij
      tekenen voor 12,7% van de aanvragen. Het succespercentage van deze aan-
      vragen is ook lager dan die van de lidstaten, namelijk 13%, versus 19% voor
      de lidstaten.
   Overwegingen pro en contra
   Bij de overwegingen valt op dat de argumenten vóór inzet van het kaderpro-
   gramma vooral te maken hebben met de Nederlandse sterktes (traditioneel een
   goede performance, goede aansluiting met ons beleid). Aan de kant van de
   contra argumenten kan worden geconstateerd dat het beter benutten van kennis
   weliswaar een doelstelling van KP6 is, maar op dit moment de afstand tussen
   onderzoek en toepassing of tussen universiteiten en bedrijven eerder toe dan
   afneemt. Verder valt de negatieve waardering voor efficiëntie en transparantie van
   dit instrument op. Dat hangt ondermeer samen met ‘paraplu-karakters’ van dit
   instrument.
72 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>   Overwegingen pro                                       Overwegingen contra
   . Het KP lijkt goed aan te sluiten bij onze kennis-    .  Het KP is belast met te veel verschillende doel-
     infrastructuur. Over het algemeen kunnen                stellingen tegelijkertijd; doordat er heel verschil-
     Nederlandse partijen goed uit de voeten met             lende instrumenten onder worden geschaard,
     KP's en halen er veel uit.                              vermindert de effectiviteit en transparantie.
   . De rijkheid van het KP instrumentarium biedt         .  Nu blijkt dat de deelname van de industrie aan
     goede mogelijkheden om het te gebruiken als             de Networks of Excellence laag is, ontstaat het
     vehikel om 'kennis als vermogen' verder uit te          risico dat de scheiding tussen kennisinstellingen
     bouwen.                                                 en industrie groter wordt.
   . Het Nederlandse model voor publiek-private           .  Overtekening van aanvragen is niet voorkomen
     kennis-consortia past goed in de achtergrond-           in KP6.
     ideeën van het KP. Dit model ontwikkelt zich dus     .  De uitvoering is vaak inefficiënt en niet transpa-
     nu ook internationaal.                                  rant; zoals de tweetraps-procedure voor inteke-
   . De Networks of Excellence zijn met name goed            ning, de overtekening, onduidelijkheden over
     voor het alfa- en gamma- onderzoek; op deze             invulling van managementcontracten en inge-
     terreinen is bundeling van activiteiten erg             wikkelde onderhandelingen rond IPR-kwesties.
     belangrijk en het KP versterkt dat proces.           .  Het KP stimuleert vooral netwerkvorming tus-
   . Het instrument collective research wordt door MKB       sen onderzoekers; de vraag is of dat nu nog
     vertegenwoordigers als zeer effectief ervaren.          nodig is.
   . Het Marie Curie instrument wordt in het veld als     .  Op MKB gerichte stimuleringsinitiatieven pas-
     effectief ervaren voor het versterken van het aan-      sen beter op nationaal en regionaal niveau, dan
     bod en de mobiliteit van menselijk potentieel.          op Europees niveau.
   Technology Platforms
   Kenmerken
   Een van de instrumenten die de Europese Commissie momenteel ontwikkelt in haar
   wetenschaps- en innovatiebeleid, is het Technology Platform (TP). De Europese Raad
   heeft in het voorjaar 2003 besloten dat er dergelijke platforms rond specifieke tech-
   nologieën moeten worden opgericht. Doel is voor sterk in ontwikkeling zijnde tech-
   nologieën, gezamenlijk _ tussen lidstaten en Commissie, en tussen kennisinstellin-
   gen, bedrijfsleven en overheden _ onderzoeksagenda's en roadmaps op te stellen.
   Dit idee is uitgewerkt in het 3 % actieplan en een Draft discussion paper.39
     39 Zie: ‘Investing in Research: an action plan for Europe’, DG Research European Commission (2003), EUR
          20804 COM (2003) 226 final. Of: ‘Draft discussion paper on Technology Platforms’, DG Research
          European Commission (2003) RTD/J2/GE/mor D (2003).
73 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>   Daaruit blijkt dat de Commissie van plan is de startfase van een TP financieel te
   ondersteunen, en daarbij als eis te stellen dat alle participanten meebetalen aan het
   TP. De Commissie ziet voor zichzelf vooral de rol van 'neutrale facilitator' wegge-
   legd, al wordt niet uitgesloten dat de Commissie als beleidsmaker en coördinator
   van divers nationaal beleid ook de rol van participant zou kunnen vervullen.
   Een Technology Platform is dus een mechanisme om een strategische onderzoeks-
   agenda op te stellen voor de ontwikkeling van een bepaalde technologie, door
   alle relevante betrokkenen uit bijvoorbeeld onderzoek, bedrijfsleven, financiers,
   wetgevende instanties en beleid. Het is een publiek-private samenwerkingsvorm
   waarin onderzoeks- en innovatie-inspanningen worden gemobiliseerd. Het doel
   wordt vastgesteld in een lange termijn visie, een dynamische strategie en een
   daarvan afgeleid actieplan. Het concept kan uitgroeien tot dat van nationale
   clusters, maar dan op Europese schaal. Op termijn kunnen TP's een rol spelen bij
   de verdere vormgeving van de ERA. Bijvoorbeeld met advies over wet- en regel-
   geving op Europees, nationaal en regionaal niveau _ teneinde obstakels voor
   implementatie of introductie van de nieuwe technologie weg te nemen. Vier tech-
   nologiegebieden 'zingen rond', c.q. zijn al bezig een TP te vormen: Hydrogen,
   Steel, Photo-voltaics en Plant Genomics. Andere initiatieven, die minder vaak wor-
   den genoemd, zijn Rail Research, Aeronautics, Road Transport, Life Sciences, White
   Biotechnology en Nano-electronics.
   Een TP zou in de ogen van de Commissie moeten voldoen aan de volgende criteria:
   .   Er is een noodzaak tot technologieontwikkeling geconstateerd _ Het
       belang van geavanceerd, multidisciplinair onderzoek en technologische ont-
       wikkeling voor het oplossen van een economisch, technologisch of maat-
       schappelijk probleem is evident. Evenals de noodzaak om verschillende partij-
       en bij elkaar te brengen.
   .   'Inclusiviteit' _ alle relevante stakeholders doen mee: naast onderzoekers uit
       publieke en private sfeer ook gebruikers, beleidsmakers, financiers, regulators,
       ngo's en inspecteurs. Dit om coherentie in het innovatietraject te verkrijgen en
       de succeskans te vergroten.
   .   Onafhankelijkheid en transparantie _ Het TP staat boven alle partijen en mag
       niet worden gegijzeld door een van de belanghebbenden. Het is een nieuwe
       vorm van governance in the knowledge based economy.
   .   Een lange termijn visie en een strategie _ Een TP volgt vooraleerst een
       manier om tot een gedeelde lange termijn visie voor technologieontwikkeling
       te komen, met inbegrip van de niet-technologische aspecten.
74 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>   .   Flexibiliteit en dynamiek _ Een TP is geen vast model, maar moet sectorspeci-
       fiek ontwikkeld worden en kunnen inspelen op onverwachte ontwikkelingen.
   Overwegingen pro en contra
   Het denken over vorm en inhoud van TP's is nog volop in ontwikkeling.
   Overwegingen pro en contra zijn dan ook tentatief, op basis van de ideeën die nu
   'rondzingen'. Het concept van de TP's wordt vooral gewaardeerd vanwege de
   samenwerking tussen diverse partijen (bijdrage aan 'ontschotting') en vanwege de
   gelijkenissen met de in Nederland bestaande TTI's. Nu de industrie lijkt af te haken
   bij het kaderprogramma, wordt het Technology Platform steeds meer beschouwd
   als hét instrument dat aantrekkingskracht op het bedrijfsleven zou moeten uitoefe-
   nen. Twijfel bestaat vooral over de transparantie en over onduidelijkheden in ver-
   binding tussen precompetitief onderzoek en overige fasen van het innovatietraject.
   Overwegingen pro                                    Overwegingen contra
   .  De pps-vorm van een Technology Platform past     . De besluitvorming over welke gebieden in aan-
      goed bij het Nederlandse model van TTI's. We       merking komen en welke partijen te betrekken
      hebben er al ervaring mee en dat zet ons op        is onduidelijk: transparantie ontbreekt, het pro-
      een voorsprong.                                    ces lijkt nogal lobbygevoelig. Dit kan de effecti-
   .  In een Technology Platform werken alle relevan-    viteit, efficiëntie en legitimiteit ondermijnen.
      te stakeholders samen. Dit draagt in belangrijke . Technology Platforms kunnen een conserveren-
      mate bij aan ontschotting van het innovatiepro-    de werking hebben. Kleine, nieuwe gebieden
      ces.                                               komen niet aan bod.
   .  Het in het Technology Platform betrekken van     . Dit instrument versterkt de technologische en
      alle relevante actoren waarborgt bovendien         economische bias in onderzoek, ten koste van
      aandacht voor de niet-technische aspecten.         aandacht voor maatschappelijke vraagstukken.
   .  Gemeenschappelijke visie en ontwikkelpad van     . Samenwerking is wel mogelijk voor precompe-
      een TP draagt bij aan concentratie en focus op     titief onderzoek, maar veel minder voor overige
      Europese schaal en helpt versnippering te ver-     fasen van innovatie. Onduidelijk is hoe de over-
      minderen.                                          gang naar die andere fasen wordt geregeld.
                                                       . Het risico bestaat dat er een improductieve
                                                         concurrentiestrijd tussen de deelnemende lid-
                                                         staten ontstaat, wegens de noodzakelijke
                                                         geografische binding van technologische ont-
                                                         wikkeling.
75 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>   Een European Research Council
   Kenmerken
   Het debat over de wenselijkheid van een European Research Council (ERC) is gestart
   binnen de wetenschappelijke gemeenschap zelf. Inmiddels is de discussie uitge-
   breid tot een breed gezelschap van diverse internationale onderzoeksorganisaties
   (bijvoorbeeld ESF, Eurohorcs), een speciaal voor dit onderwerp in het leven geroe-
   pen Expert Group (ERCEG) en de Europese Commissie. Het verlangen naar een ERC
   is gebaseerd op de constatering dat op Europees niveau een gemeenschappelijk
   fonds voor nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek ontbreekt. Voorstanders van de
   ERC wijzen erop dat een dergelijk fonds de concurrentie binnen het vrije onder-
   zoek stimuleert en dientengevolge de kwaliteit verhoogt. Idealiter versterkt en
   ondersteunt de ERC de wetenschappelijke excellentie binnen Europa dusdanig,
   dat wordt voorkomen dat wetenschappers (en in navolging daarvan de industrie)
   wegtrekken naar andere continenten. Daarnaast zou de ERC moeten bijdragen
   aan vermindering van fragmentatie van het nieuwsgierigheidsgedreven onder-
   zoek. Terwijl inmiddels overeenstemming bestaat over deze oogmerken van de
   ERC, is de discussie over organisatorische vormgeving en financiering nog niet
   beslecht.
   Op zich sluit het idee voor een ERC aan bij lopende ontwikkelingen. Immers, de
   arena voor nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek is al sterk internationaal ge-
   oriënteerd. De diverse in de discussie betrokken partijen verschillen echter sterk
   van mening over de inrichting en reikwijdte. Daarnaast bestaat veel discussie over
   de financiering _ via overheveling uit nationale budgetten, uit budgetten van de
   councils zelf, dan wel uit die van de Commissie. Een ERC is natuurlijk het meest
   levensvatbaar als er fresh money buiten deze bestaande budgetten wordt gevon-
   den, en daarvoor kijkt men naar budgetten van de Commissie (de landbouwsub-
   sidies?). Hieronder volgt een kort overzicht van de overwegingen pro en contra
   een ERC.
   Overwegingen pro en contra
   De ERC wordt vooral als een aantrekkelijk instrument gezien omdat nieuwsgierig-
   heidsgedreven onderzoek op deze wijze meer aandacht krijgt, en omdat de ERC
   bijdraagt aan bundeling van dit type onderzoek. Kanttekeningen bij de ERC heb-
   ben vooral betrekking op de ongewenste neveneffecten: het zal bijdragen aan
   segregatie tussen verschillende typen onderzoek. Bovendien bestaat de angst dat
   de ERC verwordt tot een extra bureaucratisch lichaam, waarin wetenschappers
   hun tijd verdoen aan ingewikkelde en politieke selectieprocedures.
76 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>   Overwegingen pro                                   Overwegingen contra
   . Aandacht voor nieuwsgierigheidsgedreven          . Het principe 'voor en door onderzoekers' leidt
     onderzoek wordt versterkt. Door op eigen           tot een gebrek aan zeggenschap aan de vraag-
     sterktes mee te dingen, kan Nederland haar         kant.
     eigen 'toppen' verder profileren.                . De sterke concurrentiedruk leidt ertoe dat ver-
   . Het principe van 'voor en door onderzoekers'       nieuwing onder druk kan komen te staan.
     wordt als legitiem ervaren door wetenschap-      . Wetenschapsgebieden       met   een    nationaal
     pers; dat draagt sterker bij aan integratie van    belang kunnen verdwijnen. Versterken van de
     onderzoek dan bijvoorbeeld de instrumenten         concurrentie leidt immers niet tot kwaliteitsver-
     uit KP6.                                           hoging in de breedte, maar tot concentratie
   . Een ERC leidt tot een grotere 'marktplaats' voor   van toponderzoek.
     nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek.             . De nadruk op nieuwsgierigheidsgedreven
     Versterkte concurrentie bevordert kwaliteit en     onderzoek haalt de aandacht van kennisbenut-
     voorkomt versnippering van het onderzoek.          ting weg.
   . Nederland kan op grond van haar kwalitatief      . Segregatie tussen onderzoekers en overige sta-
     goede onderzoek succesvol meedraaien.              keholders neemt eerder toe dan af.
                                                      . Er komt weer een nieuw orgaan, met een eigen
                                                        bureaucratie en discussies over juste retour e.d.
                                                        Eenmaal opgericht zal het niet gemakkelijk op
                                                        te heffen zijn.
77 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>   Bijlage 4          Gespreksdeelnemers interviewronde
                      en workshops
   Deelnemers workshop 18 juni 2003
   Inzet nationale budgetten & het internationaal openstellen van programma's
   Mevrouw drs. J.A. van den Bandt-Stel                                   VNO-NCW
   De heer ir. M.H.P. van Dam                             Tweede-Kamerfractie PvdA
   De heer drs. E.J. Denekamp                                                  Senter
   De heer drs. P. Fenger                                       Ministerie van OCW
   De heer dr. J.W. Hartgerink                                   Ministerie van VWS
   Mevrouw drs. D. Heiligers                                    Ministerie van OCW
   De heer mr. J.N. Houdijk                                        Ministerie van EZ
   De heer dr.ir. J.G.H. Joosten                                      DSM Research
   De heer ir. P.J.M. Keet                                        Ministerie van LNV
   Mevrouw dr. R.R van Kessel-Hagesteijn                                        NWO
   Mevrouw mr.drs. O.L.H. Knap                                     Ministerie van EZ
   De heer drs. E.H. van Kooij                                     Ministerie van EZ
   De heer drs. F.J.G. van de Linde                                              STW
   De heer prof.dr. T. Sminia                                       Vrije Universiteit
   De heer prof.dr. L.L.G. Soete*                                              MERIT
   De heer dr. P.A.J. Tindemans                                             GKS & D
   Mevrouw drs. P.G. Vogel                                                     KNAW
   De heer prof.dr. K. Vrieze                                                    AWT
   Mevrouw prof.dr.ir. M.P.C. Weijnen                                 TU Delft, AWT
   De heer prof.dr. P.A.TH.J. Werry                         Wageningen Universiteit
   De heer ir. W.J. Zwalve                                                     Senter
   * heeft een inleiding gegeven van de discussie tijdens deze conferentie
   Deelnemers Workshop 18 september 2003
   De blik vooruit: de invulling van het volgende Kaderprogramma
   De heer drs. J.P. Bakker                                                       DPI
   Mevrouw drs. J.A. van den Bandt-Stel                                   VNO-NCW
   De heer dr. J.J.H. van den Biesen MBA*                            Philips Research
   Mevrouw dr. P. Boekholt                                           Technopolis BV
78 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>   De heer drs. D. Bohmert                                                       VSNU
   De heer drs. E. J. Denekamp                                             EG Liaison
   Mevrouw A.K. Groeninx van Zoelen                     Universiteit van Amsterdam
   De heer prof.dr. J.E.J.M. van Himbergen                        Universiteit Utrecht
   Mevrouw drs. D. den Hollander                                                 NWO
   De heer ing. J. Jochems                                                        DSM
   De heer drs. P.W. Kwant                                                        Shell
   De heer drs. P.J. Langenberg                                             PV Brussel
   De heer drs. H.C. van der Plas                                Ministerie van OCW
   De heer dr.ir. H. Schaffers                                   Telematica Instituut
   De heer drs. G.A. van de Schootbrugge                                          TNO
   De heer U. Schröder                                               MKB Nederland
   De heer drs. R.J. Smits*                                          EU-DG Research
   De heer ir. J.J. Swens                                                      Novem
   De heer ir. X.J.L. Theunissen                                    Ministerie van EZ
   De heer drs. C.M. Vis                                                         NEST
   * beide heren hebben een aftrap gegeven voor de discussie tijdens deze conferentie.
   Deelnemers Workshop 15 oktober 2003
   De beste weg naar integratie en coördinatie van onderzoek en innovatie in Europa
   Mevrouw prof.dr. J.M. Bensing                                          NIVEL/AWT
   Mevrouw P.Y. van den Berg                                           Eureka/Senter
   De heer dr. J.J.H. van den Biesen MBA                             Philips Research
   De heer R. Burmanjer                           Europese Commissie DG Research
   De heer J.W.A. van Dijk                                    Provincie Zuid Holland
   De heer prof.dr. P.J.D. Drenth                                               ALLEA
   De heer dr. C.L. Ekkers                                                        TNO
   De heer drs. P. Fenger                                        Ministerie van OCW
   De heer drs. L.J. Halvers*                            AWT/voorheen STW, Shell
   Mevrouw mr.drs. O. Knap                                          Ministerie van EZ
   De heer prof.dr. G. van Koten                          Universiteit Utrecht/COST
   De heer dr. C. Krijger                                                        NWO
   De heer prof.dr. W.J.M. Levelt                                               KNAW
   De heer mr. G.Chr. Penders                                 Provincie Zuid Holland
   De heer mr. D.A. Schoorel                                                     COST
   De heer drs. P.A. Schregardus                                          Clingendael
79 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>   De heer drs. H. Tent*                        voormalig DG Research van de EC
   De heer dr. P.A.J. Tindemans                                          GKS & D
   De heer prof.dr.ir. B.P.Th. Veltman                                      Eureka
   De heer prof.dr. J. de Wit                                                 KUN
   De heer A. van der Zwan                                           DG Research
   * beide heren hebben deze conferentie ingeleid.
   Gesprekspartners in interviewronden over dit advies
   De heer dr. J.J.H. van den Biesen MBA                          Philips Research
   Mevrouw dr. P. Boekholt                                        Technopolis BV
   Mevrouw dr. D. Corbey                                      Europees Parlement
   De heer drs. E. J. Denekamp                                          EG Liaison
   De heer drs. P. Fenger                                    Ministerie van OCW
   Mevrouw prof.dr. L.J. Gunning-Schepers                               AMC/UvA
   Mevrouw dr. R.R van Kessel-Hagesteijn                                     NWO
   Mevrouw mr.drs. O.L.H. Knap                                  Ministerie van EZ
   De heer drs. P.J. Langenberg                                    PV Brussel (EG)
   De heer prof.dr. P. Nijkamp                           NWO Algemeen Bestuur
   De heer drs. M.S. Plantinga                                               NEST
   De heer drs. H.C. van der Plas                            Ministerie van OCW
   Mevrouw dr. E. Plooij-van Gorsel                           Europees Parlement
   De heer prof.dr. J. van Sinderen                                           WRR
   De heer drs. R.J.H.M. Smits                  DG Research, Europese Commissie
   De heer prof.dr. L.L.G. Soete                                            MERIT
   De heer H. Tent                              voormalig DG Research van de EC
   De heer ir X.J.L. Theunissen                                 Ministerie van EZ
   De heer dr. P.A.J. Tindemans                                          GKS & D
   De heer drs. W.G. Van Velzen                               Europees Parlement
   De heer drs. C.M. Vis                               NEST/Europese Commissie
   Mevrouw drs. P.G. Vogel                                                  KNAW
   De heer dr. M.P.A. Zijderveld                                             NWO
   De heer ir. W.J. Zwalve                                                  Senter
80 AWT-advies nr. 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>