<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>58
  De prijs van succes
  Over matching van onderzoekssubsidies
  in kennisinstellingen
  april 2004
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  Inhoudsopgave
  Samenvatting                                                                5
  1      Inleiding                                                           11
         1.1 Voorgeschiedenis en vraagstelling advies                        11
         1.2 Matching: financiële aspecten en sturingsaspecten               13
         1.3 Context van dit advies: verdere verhoging van subsidiestromen
              en ‘dynamisering’                                              15
  2      Financiële aspecten van matching                                    17
         2.1 Opzet en aanpak van het onderzoek door Ernst & Young            17
         2.2 Kernresultaten uit het onderzoek door Ernst & Young             20
         2.3 Conclusie van de Raad: serieus probleem met matching            27
  3      Sturingsaspecten van matching                                       29
         3.1 Ongewenste effecten huidige omvang matching                     29
         3.2 Randvoorwaarden voor strategische sturing in kennisinstellingen 33
  4      Aanbevelingen                                                       39
         4.1 Passende randvoorwaarden: herbezinning op
              matchingssystematiek                                           40
         4.2 Heldere verantwoordingsrelaties: aanspreken en ondersteunen
              van kennisinstellingen bij omgaan met matching                 44
         4.3 Kennisinstellingen: verhelderen omgang met
              matchingsverplichtingen                                        46
         4.4 Tot slot                                                        48
  Bijlagen
  Bijlage 1: Overzicht aandelen financiers in tweede en derde geldstroom 51
  Bijlage 2: Commentaar bij gemiddeld matchingspercentage                    52
3 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
  Onderwerp, vraagstelling en urgentie
  Dit advies gaat over matching van onderzoekssubsidies in Nederlandse publieke
  onderzoeksinstellingen, met name de universiteiten. Onderzoekssubsidies in de
  tweede en derde geldstroom _ bijvoorbeeld van NWO, Bsik, de EU-kader-
  programma's, EZ-stimuleringsregelingen en collectebusfondsen _ dekken slechts
  een deel van de totale kosten van het onderzoek. Van onderzoeksinstellingen
  wordt verwacht en gevraagd dat zij de resterende kosten voor hun rekening
  nemen en bekostigen uit hun basisfinanciering (eerste geldstroom). Dit is de
  zogenaamde matchingsverplichting.
  In dit advies hanteert de AWT hanteert de volgende vraagstelling.
  1. Wat is omvang van matching in publieke kennisinstellingen en welke doorwer-
     king heeft dit op de beleidsruimte in kennisinstellingen?
  2. Op welke wijze zijn matchingsverplichtingen sturend en wat zijn daarbij
     gewenste en ongewenste effecten?
  3. Welke veranderingen in beleid en praktijk zijn passend en gewenst?
  De AWT brengt dit advies uit op eigen initiatief. Hij signaleert dat matching
  inmiddels van grote betekenis is in kennisinstellingen; het zet flinke druk op de
  bestedingsruimte en investeringscapaciteit in de instellingen. De Raad acht bezin-
  ning op de praktijk van matching urgent. Allereerst omdat de matchingsdruk in
  de toekomst zeker niet minder zal worden: de toename van financiering van
  onderzoek uit tweede en derde geldstroomsubsidies zet door. Maar ook omdat
  diverse partijen momenteel werken aan een herziening van de bekostigings-
  modellen voor onderzoek. De Raad vindt dat bij alle verdere discussies over
  bekostiging de matchingsproblematiek hoe dan ook meegenomen moet worden.
  De omvang van matching: onderzoek door Ernst & Young
  Om gedetailleerd inzicht te verkrijgen in de financiële aspecten van matching
  heeft de Raad Ernst & Young accountants opdracht verleend een onderzoek uit te
  voeren naar de praktijk van matching bij vijf universiteiten en één onderzoeks-
  instituut. Teneinde goed zicht te krijgen op de kosten en vergoedingen van
5 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  onderzoek heeft Ernst & Young diepgaande analyses uitgevoerd op meerdere
  niveaus: op dat van de instellingen, van faculteiten en van projecten.
  De belangrijkste constateringen in het Ernst & Young rapport zijn de volgende.
  .  Gemiddeld genomen vergoeden externe financiers 54% van de integrale
     kosten van onderzoek, kennisinstellingen nemen de overige 46% voor hun
     rekening. Anders gesteld: voor elke euro die zij ontvangen, moeten kennis-
     instellingen 84 eurocent bijpassen.
  .  De vergoeding van subsidiegevers is in hoofdzaak beperkt tot de kosten van
     het directe uitvoerende personeel. Bij het onderzoek wordt wel gebruik
     gemaakt wordt van de bestaande onderzoeksinfrastructuur (huisvesting, appa-
     ratuur, begeleidend personeel, etc.), maar hiervoor ontvangen kennisinstel-
     lingen nauwelijks vergoeding. Hierdoor komt de investeringscapaciteit, de
     instandhouding van een goede onderzoeksinfrastructuur, onder druk te staan
  .  Ook contractonderzoek wordt vaak uitgevoerd onder de integrale kostprijs.
  .  De omvang van de tweede en derde geldstroom is de laatste jaren fors toe-
     genomen. Dat is vastgesteld voor de onderzochte instellingen en voor het uni-
     versitaire bestel als geheel.
  .  Matchingsverplichtingen die samenhangen met de uitvoering van tweede en
     derde geldstroomonderzoek leggen ruim de helft van de middelen vast van het
     totaal gebudgetteerde bedrag voor onderzoek uit de eerste geldstroom. Wat
     overblijft, kan worden aangemerkt als de beleidsruimte van universiteiten waar-
     mee zij alle reguliere onderzoekstaken buiten de tweede en derde geldstroom
     moeten verrichten. Dit is ook het onderzoek in gebieden waarvoor weinig of
     geen tweede en derde geldstroomfondsen bestaan.
  .  Als de vaste infrastructurele kosten (die voor het eerste geldstroomonderzoek
     even hoog zullen zijn als voor het tweede en derde geldstroomonderzoek) in
     mindering worden gebracht, resteert in de eerste geldstroom een beleidsruim-
     te van circa 25%. Dit getal vormt een bovengrens want bij de analyse heeft
     Ernst & Young bepaalde kosten buiten beschouwing gelaten en geen rekening
     gehouden met de overheveling van middelen voor onderzoek naar onderwijs.
  .  De technische en natuurwetenschappelijke disciplines en het medisch onder-
     zoek worden inderdaad het sterkst geconfronteerd met matching. Op het
     niveau van de totale instelling werkt dit het zwaarst door bij kleinere en gespe-
     cialiseerde instellingen.
  .  De meeste kennisinstellingen hebben geen goed zicht op de integrale kosten
     van onderzoek. De administratieve systemen zijn niet toereikend om mat-
     chingsverplichtingen goed te beheersen.
6 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>  Sturing door matching: conclusies van de AWT
  Het onderzoek van Ernst & Young geeft een goed beeld van de omvang en
  invloed van matching op Nederlandse publieke kennisinstellingen, met name uni-
  versiteiten. Op basis van dit beeld concludeert de AWT dat er een serieus pro-
  bleem bestaat met matching in de Nederlandse publieke kennisinstellingen.
  Volgens de Raad loopt het huidige financieringssysteem, met inbegrip van onder-
  zoekssubsidies in tweede en derde geldstroom en de omvang van bijbehorende
  matchingsverplichtingen, tegen zijn grenzen aan en is het daar op sommige plaat-
  sen al overheen. Matching ondergraaft de kracht en kwaliteit van de Nederlandse
  kennisinfrastructuur _ nu al, maar zeker op de langere termijn. Het doet een te
  grote aanslag op de bestedingsruimte en investeringscapaciteit van instellingen.
  Ruimte die nodig is voor de instandhouding van goede randvoorwaarden voor
  het uitvoeren van onderzoek (passende huisvesting, beschikbaarheid algemene
  faciliteiten als ICT, bibliotheek e.d.) en eventuele investeringen in bestaande of
  nieuwe onderzoekslijnen.
  Deze financiële problemen samenhangend met matching leiden tot twee belang-
  rijke ongewenste effecten.
  .   Bij het aantrekken van tweede en derde geldstroomonderzoek dreigen sterke
      groepen in matchingsintensieve onderzoeksgebieden aan hun eigen succes ten
      onder te gaan. Omdat matchingsverplichtingen de beschikbaarheid van
      investeringsmiddelen steeds verder ondergraven, ontstaat er een rem op de
      uitbouw van excellentie waar juist positieve stimulering gewenst is. De Raad
      bereiken signalen dat juist kwalitatief hoogwaardige groepen afhaken omdat
      de prijs van succes te groot wordt.
  .   Er is sprake van eenzijdigheid in sturing, met een sterke nadruk op 'kennis voor
      innovatie in bedrijven'. Een groot deel van de financiering in tweede en derde
      geldstroom richt zich immers op kennisontwikkeling die relevant is voor tech-
      nologische innovatie in bedrijven. Matchingsintensieve groepen in die gebie-
      den trekken zodoende middelen weg bij groepen die niet of nauwelijks van
      doen hebben met tweede of derde geldstroomonderzoek. Kennisontwikkeling
      ten behoeve van maatschappelijke issues of uit culturele belangstelling kan
      hierdoor in het gedrang komen.
  Factoren die strategische sturing in kennisinstellingen bemoeilijken
  De Raad vindt dat kennisinstellingen zélf verantwoordelijk zijn voor de inzet van
  middelen _ zij moeten strategische keuzes maken en niet inschrijven op alle
  subsidieregelingen. Een aantal zaken maakt strategische sturing in kennisinstel-
  lingen echter moeilijk.
7 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  .  Onderzoekssubsidies hanteren vaak een tijdshorizon (vier tot zes jaar) die veel
     korter is dan die van universitaire onderzoekslijnen (vijftien tot twintig jaar).
     Bovendien is er onvoldoende consistentie in ondersteunde thema's. Tweede en
     derde geldstroom vragen zodoende een dynamiek die de instellingen niet
     goed kunnen hanteren, zonder in te boeten op hun strategie.
  .  De combinatie van open tendering en matching leidt tot grote onzekerheid bij
     kennisinstellingen over de beschikbaarheid van middelen en aangegane
     verplichtingen. Dit bemoeilijkt de stuurbaarheid van de instellingen. Bovendien
     betwijfelt de Raad of open tendering leidt tot een effectieve en efficiënte toe-
     wijzing van middelen.
  .  De diversiteit aan financiers, regelingen en voorwaarden bemoeilijkt de strate-
     gische sturing in kennisinstellingen. Verder is de verantwoordelijkheid voor de
     handhaving van een goede onderzoeksinfrastructuur op langere termijn te een-
     zijdig belegd bij de instellingen. Er zijn geen duidelijke gedragsregels voor te
     verstrekken vergoedingen voor onderzoek.
  .  Het huidige bestuur van universiteiten is te weinig integraal van karakter. De
     verbinding tussen centrale strategie en decentrale initiatieven behoeft verbete-
     ring. De hiertoe benodigde managementinformatiesystemen ontbreken.
  Aanbevelingen
  De Raad acht veranderingen in de systematiek van financiering met bijbehorende
  matchingsverplichtingen noodzakelijk. Uitgangspunt bij de aanbevelingen is dat
  kennisinstellingen zélf verantwoordelijk zijn voor de totale bedrijfsvoering en het
  balanceren van beschikbare budgetten en bestedingen op kortere én langere ter-
  mijn. Om dit uitgangspunt in praktijk te kunnen brengen, zijn drie zaken belangrijk.
  1. Passende randvoorwaarden om daadwerkelijk gestalte te geven aan de ver-
  antwoordelijkheid van kennisinstellingen. Dit stelt eisen aan de matchingssyste-
  matiek en -praktijk waarbinnen kennisinstellingen hebben te opereren. De Raad
  adviseert de minister van OCW de coördinerende rol ten aanzien van andere
  financiers duidelijk op zich te nemen op drie samenhangende punten.
  a. Herzie de matchingssystematiek door helderheid te scheppen over de
     wenselijkheid en toelaatbaarheid van matching met middelen uit de eerste
     geldstroom. Het uitgangspunt dient te zijn dat financiers minimaal 100% van de
     integrale kosten betalen, tenzij er sprake is van versterking van de publieke
     kennisinfrastructuur en een publiek wetenschappelijk belang.
  b. Stel samen met financiers gedragsregels op ten aanzien van onderzoeks-finan-
     ciering en gevraagde matching. Richt hiertoe een 'Financiers Forum' op. Zo kan
8 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>     een gedeelde verantwoordelijkheid ontstaan voor de instandhouding van een
     vitale en hoogwaardige kennisinfrastructuur, op kortere én langere termijn.
  c. Spreek richtlijnen af over tendering: het uitgangspunt dient te zijn dat finan-
     ciers terughoudend omgaan met open tendering
  2. Heldere verantwoordingsrelaties tussen kennisinstellingen en de minister van
  OCW, met speciale aandacht voor de verantwoording van omgang met mat-
  chingsverplichtingen en daarmee gemoeid zijnde publieke middelen.
  a. De Raad adviseert de minister van OCW zijn stelselverantwoordelijkheid con-
     creet te maken door kennisinstellingen aan te spreken op hun omgang met
     matching.
     .   Spreek helder uit dat een goede bedrijfsvoering, inclusief het opvangen van
         matchingsverplichtingen, de verantwoordelijkheid is van de kennisinstelling
         zelf.
     .   Maak het omgaan met matching onderdeel van een 'beleidsrijke dialoog'
         met de kennisinstellingen.
  b. De Raad adviseert de VSNU een stuurgroep in te stellen die ondersteuning
     biedt bij methodiekontwikkeling om kosten transparant te maken en de prijs
     van onderzoek vast te stellen. Het is in het belang van de instellingen zelf dat
     zij inzichtelijk kunnen maken wat de kosten van onderzoek zijn en welke con-
     sequenties de financieringsmethodieken hebben.
  3. Kennisinstellingen die hun verantwoordelijkheid nemen. Dit vergt binnen
  de kennisinstellingen een heldere omgang met matching, ingekaderd in duidelijke
  strategische keuzes en managementinformatiesystemen die de implementatie van
  die strategie kunnen waarborgen. De Raad adviseert de Colleges van Bestuur van
  kennisinstellingen de omgang met matchingsverplichtingen te verbeteren.
  a. Kader matchingsverplichtingen in in een heldere strategie en handel daarnaar.
     Hierbij is het belangrijk een goed evenwicht te vinden tussen de benodigde
     bewegingsvrijheid op decentraal niveau en de noodzaak tot centrale sturing.
     Maar van kennisinstellingen mag zondermeer verwacht worden dat zij strate-
     gische afwegingen maken en zich niet _ op decentraal niveau _ laten verlokken
     door de beschikbaarheid van allerlei subsidieregelingen.
  b. Stel lokale gedragsregels op voor het aangaan van matchingsverplichtingen.
     Hierbij gaat het om de criteria die een instelling hanteert voor goedkeuring van
     een onderzoeksproject onder de integrale kostprijs. Ook hier zou naar de
     mening van de Raad het uitgangspunt moeten zijn: tenminste dekking van de
     integrale kosten tenzij er sprake is van een publiek wetenschappelijk belang
9 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>      (bijvoorbeeld: afstand tot de markt, openbaarheid van gegevens). De centrale
      richtlijnen moeten afgestemd worden met decentraal te nemen initiatieven.
      Om een dergelijk 'integraal bestuur' te ondersteunen zijn heldere spelregels
      nodig over mandatering van financiële verplichtingen.
   c. Ontwikkel effectieve informatiesystemen voor de monitoring en beheersing
      van financiële verplichtingen.
   Tot slot
   De context van dit advies is een verdere verhoging van subsidiestromen (tweede
   en derde geldstroom) en 'dynamisering' van onderzoeksbekostiging. Dit maakt
   bezinning op matching urgent. Bij alle verdere discussies over veranderingen of
   bijstellingen in onderzoeksbekostiging of geldstromen dient de matchingsproble-
   matiek meegenomen te worden. Het advies is hierbij behulpzaam; het biedt aan-
   grijpingspunten voor de omgang met matching die relevant zijn in elke nieuwe
   verdeling en verhouding van geldstromen.
   Met dit advies heeft de AWT de aandacht vooral willen vestigen op de systema-
   tiek en praktijk van matching en de doorwerking die matching heeft op de kracht
   en kwaliteit van de kennisinfrastructuur op kortere én langere termijn. Hierbij is hij
   steeds van de vooronderstelling uitgegaan dat alle partijen in Nederland _ dus ook
   de financiers van onderzoek _ belang hebben bij publieke kennisinstellingen die
   kwaliteit kunnen paren aan vitaliteit. Het is tijd voor een gezamenlijke aanpak en
   actie, met een coördinerende rol voor de minister van OCW.
10 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>               1
                            Inleiding
                            Dit advies gaat over de matching van onderzoekssubsidies en de impact daarvan
                            op de Nederlandse publieke onderzoeksinstellingen, met name de universiteiten.
       onderzoekssubsidies  Onderzoekssubsidies in de tweede en derde geldstroom _ bijvoorbeeld van NWO,
vergoeden slechts deel van  Bsik, de EU-kaderprogramma's, EZ-stimuleringsregelingen en collectebusfondsen
                  de kosten _ dekken slechts een deel van de totale kosten van het onderzoek. Van onder-
                            zoeksinstellingen wordt verwacht en gevraagd dat zij de resterende kosten voor
       resterende deel voor hun rekening nemen en bekostigen uit hun basisfinanciering (eerste geldstroom).
      rekening instellingen Dit is de zogenaamde matchingsverplichting.
                            1..1 Voorgeschiedenis en vraagstelling advies
                            Voorgeschiedenis
      in maart 2002 eerder  In maart 2002 heeft de AWT een briefadvies uitgebracht over de matchingspro-
   aandacht gevraagd voor   blematiek aan de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en
                  matching  Economische Zaken (EZ). De Raad signaleerde dat de totale omvang van mat-
                            chingsverplichtingen bij onderzoeksinstellingen zó groot is dat de ruimte voor ver-
                            nieuwend, risicodragend onderzoek in het gedrang komt. Hij achtte dit reden tot
                            grote zorg. Er is immers ruimte nodig voor onderzoek buiten de gebaande paden,
                            onderzoek op nieuwe of onvoldoende ontwikkelde gebieden. De kiem van dit
   Raad vreesde aantasting  soort onderzoek moet vaak in de eerste geldstroom worden gelegd. Doordat de
  ruimte voor vernieuwend   ruimte voor vernieuwend onderzoek in de verdrukking komt, vreesde de Raad
                 onderzoek  serieuze schade aan de fundamenten van kennisontwikkeling en innovatie.
                            In het briefadvies van maart 2002 gaf de Raad aan dat in het veld verschillende
   verschillende percepties percepties bestaan van de oorzaken en mogelijke oplossingen van de matchings-
    matchingsproblematiek   problematiek.
                            .  Scheefgroei in geldstromen. De onderzoeksbekostiging uit tweede en derde
                               geldstroom neemt een steeds grotere omvang aan. De eerste geldstroom van
                               universiteiten heeft hiermee geen gelijke tred gehouden. Hierdoor gaat een
                               steeds grotere sturende werking van die middelen uit op de eerste geldstroom.
                               Dit roept de vraag op of er geen sprake is van oversturing van het universitai-
                         11 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                 re onderzoek. Daarmee raakt deze invalshoek aan fundamentele vragen over
                                 het subsidie- en bekostigingsstelsel als geheel.
                             .   Gebrek aan strategische keuzes door de kennisinstellingen. Van kennisin-
                                 stellingen mag worden verwacht dat zij strategische keuzes maken die passen
                                 bij hun profilering en niet zomaar intekenen op elke subsidieregeling. Zulke
                                 strategische keuzes worden nog te weinig gemaakt. Hierbij geldt wel dat de
                                 lage slaagkans van subsidieregelingen strategisch opereren bemoeilijkt. Deze
                                 invalshoek legt de verantwoordelijkheid vooral bij de kennisinstellingen.
                             .   Onvoldoende ontwikkelde administratieve systemen in de kennisinstellin-
                                 gen. De managementinformatiesystemen van de kennisinstellingen zijn niet
                                 voldoende toegerust om de gevolgen van matching en aangegane verplich-
                                 tingen te volgen.
   ministeries (h)erkenden   Het AWT-briefadvies uit maart 2002 heeft de (h)erkenning van en discussie over
          probleem, maar ... de matchingsproblematiek aangewakkerd. Verschillende partijen, met name de
                             ministeries van OCW en EZ, bleken behoefte te hebben aan een betere kwantita-
                             tieve onderbouwing van de omvang en effecten van matching. Ook de AWT zelf
    ... betere kwantitatieve had in zijn briefadvies aangegeven dat zulke cijfers nodig zijn. Daarom heeft de
  onderbouwing wenselijk     AWT in 2003 Ernst & Young accountants opdracht gegeven een nader onderzoek
                             uit te voeren naar matching. Dit onderzoek is begin 2004 afgerond.1 Nu een
   onderzoek E&Y in 2004     kwantitatieve onderbouwing beschikbaar is, acht de AWT de tijd rijp voor een
                  afgerond   nadere bezinning op de matchingsproblematiek.
                             Vraagstelling advies
                             De AWT brengt dit advies uit op eigen initiatief. Hij meent dat de matchingspro-
                             blematiek veel invloed uitoefent op het functioneren van publieke kennisinstellin-
                             gen en op de uitvoering van hun doelen en taken.
uitgangspunt: financiering   Uitgangpunt bij dit advies is dat de financiering van onderzoek, met inbegrip van
moet bijdragen aan kracht    de tweede en derde geldstroom, moet bijdragen aan de kracht en kwaliteit van
    en kwaliteit onderzoek   de kennisinfrastructuur. Dit leidt de AWT tot de volgende vraagstelling.
                             1. Wat is omvang van matching in publieke kennisinstellingen en welke doorwer-
                                 king heeft dit op de beleidsruimte in kennisinstellingen? In hoofdstuk 2 gaat de
                                 Raad in op dit financiële aspect aan de hand van het onderzoek van Ernst &
                                 Young.
                                1   De omvang van matching. Onderzoek naar de effecten van matching van tweede en derde geldstroomfi-
                                    nanciering op de beleidsruimte van Nederlandse, publieke kennisinstellingen. Ernst & Young accountants,
                                    april 2004. Uitgebracht in de reeks AWT-achtergrondstudies, nr. 30.
                          12 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                               2. Op welke wijze zijn matchingsverplichtingen sturend en wat zijn daarbij
                                  gewenste en ongewenste effecten? Deze vraag gaat over de sturingsaspecten
                                  van matching en staat centraal in hoofdstuk 3.
                               3. Welke veranderingen in beleid en praktijk zijn passend en gewenst? In hoofd-
                                  stuk 4 geeft de Raad zijn aanbevelingen hiervoor.
                               1.. 2 Matching: financiële aspecten en sturings-
                                        aspecten
twee aspecten van matching     In dit advies onderscheidt de AWT financiële aspecten van matching (deze
                onderscheiden  betreffen de prijs en vergoeding van onderzoek en de omvang van de matching
                               vanuit de kennisinstellingen) van sturingsaspecten (deze betreffen de sturende
                               werking van matching op het onderzoek van publieke onderzoeksinstellingen
                               door vastlegging van middelen uit de eerste geldstroom). Deze paragraaf licht
                               beide aspecten kort toe.
                               Financiële aspecten van matching
         financiële aspecten:  In het huidige systeem blijven de onderzoekssubsidies uit tweede en derde geld-
    gedeeltelijke vergoeding   stroom beperkt tot een deel van de totale kosten van het uitgevoerde onderzoek.
                        kosten De kennisinstelling moet de subsidie aanvullen met eigen middelen. Kortom, de
                               kennisinstelling matcht de subsidieverstrekker. Eén van de gedachten hierbij is dat
                               er commitment ontstaat als de kennisinstelling eigen middelen moet inzetten van
                               de kennisinstelling. Opdrachtgever en opdrachtnemer zouden zo een gedeeld
                               belang hebben bij het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten.
                               Dit roept de vraag op wat de integrale kosten van onderzoek zijn. De kosten van
                               onderzoek blijven niet alleen beperkt tot de inzet van uitvoerend personeel. Voor
                               de uitvoering van onderzoek is vaak onderzoeksapparatuur nodig en in ieder geval
                               zal passende huisvesting beschikbaar moeten zijn. Voorts worden kosten gemaakt
       onderzoek kent zowel    voor projectmanagement en voor de begeleiding van AiO's die vaak ingezet wor-
  directe als indirecte kosten den bij het onderzoek. Tot slot zijn onderzoeksgroepen ingebed in een organisa-
                               tie die bijvoorbeeld zorg draagt voor de energievoorziening en administratie. Er
                               kan derhalve onderscheid gemaakt worden tussen:
                               .  directe kosten. Dit zijn de kosten die direct samenhangen met de uitvoering
                                  van een nieuwe onderzoeksactiviteit. Het gaat dan om de nieuw aan te stellen
                                  medewerker, nieuw aan te schaffen apparatuur en dergelijke.
                            13 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                             .  indirecte kosten. Deze betreffen het gebruik van de bestaande infrastructuur bij
                                de uitvoering van een onderzoeksactiviteit. Het gaat hierbij om zaken als huis-
                                vesting, apparatuur2, begeleidend en ondersteunend personeel, administratie
                                et cetera.
                             Een tweede relevante vraag luidt: hoe matchen de kennisinstellingen de subsidie
                             waarbij slechts een deel van de integrale kosten van het onderzoek wordt ver-
twee vormen van matching     goed? Er zijn twee vormen van matching.
                             .  Out of pocket matching: de instelling neemt een deel van de extra uitgaven die
                                gemoeid zijn met het onderzoek voor eigen rekening (bijv. aanstelling nieuwe
                                medewerkers, medefinanciering nieuwe apparatuur).
                             .  In kind matching: de instelling levert een bijdrage aan de kosten van het onder-
                                zoek door inzet van bestaande infrastructuur in brede zin (personeel en materieel).
      beide vormen leggen    Beide soorten matching leggen beslag op de middelen uit de eerste geldstroom
        beslag op middelen   van de kennisinstellingen. Hierbij zijn de effecten van out of pocket matching
                             direct zichtbaar. De inzet van bestaande infrastructuur wordt veelal pas op lange-
                             re termijn zichtbaar.3 Hoofdstuk 2 gaat nader in op de omvang van de matching
                             in kennisinstellingen.
                             Sturingsaspecten van matching
          sturingsaspecten:  Van het beslag dat matchingsverplichtingen leggen op de basisfinanciering van
     selectieve financiering kennisinstellingen gaat een sturende werking uit. Alleen al het gegeven dát een
                             deel van de basisfinanciering aangewend wordt om projecten in tweede en derde
                             geldstroom te matchen, maakt de keuzevrijheid van kennisinstellingen kleiner.
                             Andere aanwendingsmogelijkheden worden immers uitgesloten. De sturende
                             werking van matchingsverplichtingen wordt sterker naarmate meer en duidelijker
                             voorwaarden worden gesteld aan subsidies, zowel qua aard als uitvoering van te
                             verrichten activiteiten.
                               2   De uitvoering van nieuwe onderzoeksactiviteiten kan leiden tot nieuwe investeringen in onderzoeks-
                                   apparatuur. Steeds meer verschuiven subsidies echter naar een systematiek waarin alleen afschrijvin-
                                   gen van apparatuur vergoed worden, dus gehandeld wordt alsof de benodigde apparatuur al deel
                                   uitmaakt van de bestaande infrastructuur. Een soortgelijke redenering geldt in het geval dat extra
                                   capaciteit moet worden ingezet voor de begeleiding van onderzoek of uitbreiding van de algemene
                                   infrastructuur. Als al een vergoeding voor dergelijke kosten wordt gegeven, is dat alleen voor het deel
                                   dat toegerekend kan worden aan de uitvoering van de nieuwe activiteit. Ook hier handelt men dus
                                   alsof de algemene voorzieningen al aanwezig zijn.
                               3   Een wat andere vorm van lange termijneffecten ontstaat als een subsidiegever verplichtingen oplegt
                                   die betrekking hebben op de periode na uitvoering van de gesubsidieerde activiteit, bijvoorbeeld het
                                   aanstellen van extra medewerkers. In zo'n geval is er dus niet alleen sprake op beslag van middelen
                                   door matching van de projectkosten, maar ook door de opgelegde verplichtingen.
                          14 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                       Overheden of andere groepen zoals collectebusfondsen kunnen belang hebben
                       bij bepaalde activiteiten van kennisinstellingen en deze stimuleren met behulp van
                       subsidies. Deze stimulering kan specifieke onderzoeksthema's betreffen, maar bij-
                       voorbeeld ook de deelname van vrouwen aan wetenschappelijk onderzoek of de
      daardoor sturing samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen. Vanwege de matching die
         op onderzoek  hiermee gepaard gaat, uitoefenen deze subsidies sturing uit op de onderzoeks-
                       activiteiten van de instellingen. Deze sturing kan in meerdere of mindere mate
                       parallel lopen met de doel- en taakstelling van de kennisinstellingen en de door
                       hen zelf gekozen profilering. In hoofdstuk 3 gaat de Raad nader in op de onge-
                       wenste sturingseffecten van matching.
                       1..3 Context van dit advies: verdere verhoging
                                   van subsidiestromen en 'dynamisering'
      tweede en derde  De komende tijd zal de aandacht voor de matchingsproblematiek en voor de
geldstroom nemen toe   financiering van publieke kennisinstellingen in het algemeen slechts toenemen.
                       De volgende actuele beleidsontwikkelingen zijn daarvoor verantwoordelijk.
                       .  De financiering van onderzoek vanuit de tweede en derde geldstroom neemt
                           verder toe. Hierdoor wordt de sturende werking van tweede en derde geld-
                           stroomsubsidies op de basisfinanciering van kennisinstellingen groter. Recent
                           zijn de middelen uit de regeling Bsik4 toegekend, in totaal 800 miljoen euro
                           over een looptijd van 4 tot 6 jaar. Een deel van deze gelden zal neerslaan in
                           publieke kennisinstellingen waarbij geen integrale kosten worden vergoed.
                           Daarnaast is in het Wetenschapsbudget 2004 aangekondigd dat er 100 miljoen
                           euro extra wordt ingezet voor de bevordering van excellentie en samenwerking
                           met bedrijven. Ook hierbij is sprake van matching vanuit de kennisinstellingen.5
                       .   Het functioneren van publieke kennisinstellingen staat volop in de aandacht.
                           Een belangrijk aandachtspunt hierbij is het beter laten stromen van kennis en
                           de valorisatie van kennis. Kennisinstellingen worden gestimuleerd om hun
                          4    Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur (voorheen ICES/KIS), gelden die afkomstig zijn uit
                               de aardgasbaten en bedoeld zijn voor versterking van de Nederlandse kennisinfrastructuur.
                          5    De overheid stelt deze 100 miljoen euro beschikbaar in de vorm van een zogeheten 'smart mix'.
                               Hierbij wordt 50 miljoen euro toegevoegd aan de tweede geldstroom (via OCW) en 50 miljoen euro
                               aan de derde geldstroom (via EZ). Beide bedragen worden geacht 1-op-1 gematcht te worden. De
                               matchingsverplichting van de universiteiten neemt een bijzondere vorm aan. Normaliter vindt mat-
                               ching plaats doordat een universiteit onderzoekssubsidies bijpast nadat toekenning van een afzon-
                               derlijk project heeft plaatsgevonden. Maar in het geval van de smartmix wordt de 100 miljoen euro
                               aan vereiste matching in één keer vooraf ingehouden op de uitkering uit de eerste geldstroom.
                    15 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                             kennis over te dragen naar het bedrijfsleven.6 Dit gebeurt tegen de achtergrond
                             van de Lissabon-ambities en de wens om te komen tot een oplossing van de
                             Europese paradox; de aanwezige kennis is excellent, maar wordt niet benut
  herziening bekostiging     voor innovatie in bedrijven. Vanuit diverse invalshoeken en door diverse partij-
              onderzoek      en wordt momenteel gekeken naar de incentivestructuur in de huidige bekosti-
                             gingsmodellen voor onderzoek.7
                         De Raad ziet deze ontwikkelingen als een bevestiging dat er voldoende aanleiding
                         is voor een advies over de matchingsproblematiek. Sterker nog, hij acht een bezin-
                         ning op matching urgent. De matchingsdruk zal in de nabije toekomst alleen
bekostiging en matching  maar groter worden worden. Tegelijkertijd is er nu een window of opportunity om
  in samenhang bekijken  veranderingen door te voeren in de bekostigingssystematiek. Bij alle verdere dis-
                         cussies over dit punt dient de matchingsproblematiek sowieso meegenomen te
                         worden. De vormgeving van financieringsstromen, de verandering in aansturing
                         en eventuele matchingsverplichtingen moeten in samenhang bekeken worden en
                         zorgvuldig afgewogen worden tegen de taak- en doelstellingen van publieke
                         kennisinstellingen.
                            6   De Raad onderschrijft dat publieke kennisinstellingen een belangrijke rol kunnen spelen bij de ont-
                                wikkeling van een kennisintensieve economie. Maar de functie van kennisinstellingen gaat naar
                                mening van de Raad verder. Publiek gefinancierd onderzoek ook een belangrijke bijdrage leveren aan
                                de oplossing van maatschappelijke vraagstukken, zoals de gevolgen van vergrijzing, openbare veilig-
                                heid en integratie.
                            7   Zo is in het Wetenschapsbudget 2004 aangekondigd dat de bekostiging van universitair onderzoek
                                onder de loep wordt genomen. Daarnaast is vanuit het Innovatieplatform een werkgroep actief die
                                zich richt op 'dynamisering' van de kennisketen _ het beter stromen van kennis _ en de daarbij pas-
                                sende bekostigingsmodellen. Ook het CPB heeft recent gekeken naar de prikkelstructuur in univer-
                                siteiten, zie Prikkel de prof, CPB 2003. Tenslotte werkt de AWT zelf ook aan een advies over bekosti-
                                ging van universitair onderzoek.
                      16 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>              2
                             Financiële aspecten van matching
                             In dit hoofdstuk staan de financiële aspecten van matching centraal. Hierbij zijn er
                             twee twee hoofdpunten van aandacht.
                    bepaling .   Bepaling van het 'matchingspercentage' _ het percentage van de integrale
   matchingspercentage en        kosten dat de kennisinstelling zelf bijpast bij elke verkregen subsidie.
    totale financiële beslag .   Bepaling van het totale financiële beslag dat matchingsverplichtingen verbon-
                   matching      den aan subsidies uit de tweede en derde geldstroom leggen op de eerste geld-
                                 stroom.
                             Om gedetailleerd inzicht te verkrijgen in de financiële aspecten van matching
                             heeft de Raad opdracht verleend aan Ernst & Young accountants om nader onder-
                             zoek te verrichten. De resultaten van dit onderzoek zijn te vinden in het rapport
            onderzoek door   De omvang van matching. Onderzoek naar de effecten van matching van tweede en
              Ernst & Young  derde geldstroomfinanciering op de beleidsruimte van Nederlandse, publieke kennisin-
                             stellingen (AWT-achtergrondstudie nr. 30). Paragraaf 2.1 geeft een korte weerga-
                             ve van de opzet en aanpak van het onderzoek van Ernst & Young. Paragraaf 2.2
                             bevat een weergave van de kernresultaten uit dit onderzoek. In paragraaf 2.3
                             geeft de Raad aan welke conclusies hij verbindt aan dit kwantitatieve beeld van de
                             matchingsproblematiek.
                             2..1 Opzet en aanpak van het onderzoek door
                                       Ernst & Young
                             Casusgewijze opzet: onderzoek bij zes instellingen
                             De AWT heeft Ernst & Young accountants opdracht gegeven een analyse te maken
                             van de matchingspraktijk in een aantal kennisinstellingen aan de hand van diep-
diepgaande case studies bij  gaande case studies. Aan de keuze voor deze onderzoeksopzet lag een aantal rede-
   aantal kennisinstellingen nen ten grondslag. Allereerst het besef dat matchingsdruk niet gelijkelijk verdeeld
                             is over de faculteiten. Kijkend naar de subsidiegevers mag verwacht worden dat
                             matching meer voorkomt bij technische en natuurwetenschappelijke disiplines en
                             bij medisch onderzoek. Hierdoor zijn flinke verschillen te verwachten tussen facul-
                             teiten. De Raad acht diepgaande case studies op faculteitsniveau bovendien nodig
                             om zicht te krijgen op kosten en vergoedingen van onderzoek op projectniveau.
                          17 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>    mix met verschillen in  Bij de selectie van de case studies is gezorgd voor een mix van verschilpunten die
    intensiteit en omvang   relevant zijn voor de matchingsproblematiek zoals:
                  matching  .   De verwachte matchingsintensiteit. Dit is naar verwachting het grootst in de
                                technische en natuurwetenschappelijke disciplines en bij medisch onderzoek.
                            .   Matchingsomvang in relatie tot het totale budget van instellingen. Hierbij
                                is gelet op de breedte van kennisinstellingen als geheel (meer en minder gespe-
                                cialiseerd) en de totale omvang van de kennisinstelling (grotere en kleinere
                                instellingen).
                            De matchingsproblematiek is niet voorbehouden universiteiten. Zij speelt ook in
                            andere publieke kennisinstellingen die te maken hebben met subsidies voor onder-
  in onderzoek nadruk op    zoek, zoals TNO of de GTI's. In zijn eerder briefadvies van maart 2002 sprak de AWT
             universiteiten de vrees uit dat vooral de ruimte voor nieuw, grensverleggend onderzoek in het
                            gedrang zou komen. Dit type onderzoek wordt vooral uitgevoerd aan universiteiten
                            en minder aan instellingen voor toepassingsgericht onderzoek. Daarom is besloten
                            in het onderzoek van Ernst & Young het accent te leggen op de universiteiten.
                            Uiteindelijk zijn er vijf universiteiten betrokken in het onderzoek: Technische
                            Universiteit Eindhoven, Universiteit Twente, Universiteit van Tilburg, Wageningen
                            Universiteit en Researchcenter en Universiteit Utrecht. Ten slotte is het Centrum
                            voor Wiskunde en Informatica (CWI) toegevoegd als voorbeeld van een gespeci-
                            aliseerd onderzoeksinstituut.
                            Aard en realiteitsgehalte van de verzamelde gegevens
                            Ernst & Young heeft bij elke casus voor het jaar 2002 informatie verzameld over
                            geldstromen en matchingsverplichtingen op het niveau van de totale instelling en
groot aantal projecten van  op dat van een faculteit. Daarbij werd een groot aantal projecten van verschillen-
   verschillende financiers de financiers geanalyseerd. Verwacht werd (en dat is bevestigd) dat op het decen-
              geanalyseerd  trale niveau meer detailinformatie beschikbaar is over afzonderlijke projecten en
                            voorwaarden van financiers. Ernst & Young heeft gesprekken gevoerd met de
                            financieel deskundigen van de instellingen en de jaarverslagen van de betrokken
                            instellingen bekeken.8 Om zicht te krijgen op de omvang van de tweede en derde
                            geldstroom naar universiteiten zijn jaarverslagen van NWO en KNAW geraad-
                            pleegd, alsmede CBS-gegevens.9
                               8    Voor een goede vergelijkbaarheid is steeds uitgegaan van (gerapporteerde en/of gebudgetteerde) cij-
                                    fers over 2002.
                               9    Kennis en economie 2003, CBS 2003. Deze publicatie bevat gegevens over de omvang van de derde
                                    geldstroom aan universiteiten.
                         18 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>       matchingspercentage:      Kern van de analyse op faculteitsniveau is de vaststelling van de matchings-
hoeveel wordt bijgepast bij      percentages _ de hoeveelheid geld die de kennisinstelling bijpast of matcht voor
            elke euro subsidie   elke euro verkregen subsidie. Deze matchingspercentages zijn vervolgens op twee
                                 manieren gebruikt om het totale beslag te bepalen dat matchingsverplichtingen
                                 verbonden aan onderzoekssubsidies leggen op de basisfinanciering voor onderzoek.
gebruikt om vastlegging 1      e
                                 .  Effecten van matching op systeemniveau. Het gemiddelde van het matchings-
      geldstoom voor totale         percentage over alle onderzochte universiteiten is gekoppeld aan de totale
        universitaire bestel te     omvang van de tweede en derde geldstroom in alle Nederlandse universitei-
                    bepalen ...     ten. Op deze manier is berekend hoeveel middelen uit de eerste geldstroom
                                    worden vastgelegd op het niveau van het universitaire bestel als geheel.
    .... en verschillen tussen   .  Verschillen zichtbaar maken tussen instellingen. Het gemiddelde matchings-
   instellingen zichtbaar te        percentage van elke instelling is gekoppeld aan de omvang van de tweede en
                        maken       derde geldstroom van die instelling. Zo is bepaald hoeveel middelen uit de eer-
                                    ste geldstroom worden vastgelegd op het niveau van de instelling.
                                 De gegevens in het onderzoeksrapport zijn met de betreffende instellingen
                                 besproken en door hen geaccordeerd.
                                 Omdat niet alle benodigde informatie voorhanden was, bevat de aanpak van
                                 Ernst & Young enkele aannames en vertaalslagen. Hierbij heeft Ernst & Young
                                 gekozen voor een voorzichtige, conservatieve benadering. Per subsidiegever is
                                 een aantal voorbeeldprojecten genomen om variaties in de doorwerking van mat-
                                 ching te elimineren. Waar vastgesteld werd dat instellingen tarieven hanteren die
  conservatieve aanpak bij       aan de lage kant zijn, zijn die toch overgenomen en alleen voorzien van com-
              bepaling kosten    mentaar. Waar gegevens ontbraken zijn die, in overleg met de instellingen, voor-
                                 zien van een conservatieve schatting (bijvoorbeeld de tijd gemoeid met begelei-
                                 ding in projecten is geschat op 10% van de directe personeelskosten), dan wel
                                 helemaal weggelaten uit de berekening (bijvoorbeeld kosten van de voorberei-
                                 ding van aanvragen en overschrijdingen in projectkosten). Hierdoor zijn de mat-
                                 chingspercentages die Ernst & Young rapporteert zeker niet te hoog.
                                 De AWT is van mening dat het onderzoek van Ernst & Young een goede basis
                                 biedt voor een bezinning op de matchingsproblematiek. Het is een gedegen en
 onderzoek geeft gedegen         reële schatting van de omvang van de matchingsverplichtingen in relatie tot het
   basis voor bezinning op       totale onderzoeksbudget. De Raad was niet op zoek naar 'nauwkeurigheid tot ach-
                     matching    ter de komma'. Het ging hem om de ordegrootte, niet om een paar procent meer
                                 of minder. De Raad meent dat de ordegrootte van het matchingspercentage met
                                 het onderzoek van Ernst & Young voldoende is bepaald.
                            19   AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                 Gehanteerde begrippen in het onderzoek
                 De definities van tweede en derde geldstroom zijn niet altijd eensluidend. In over-
                 leg met de onderzochte kennisinstellingen is Ernst & Young tot de volgende
                 opsplitsing gekomen.
                 .   Eerste geldstroom: de Rijksbijdrage voor universiteiten (uitgekeerd als lump
                     sum) en de basisfinanciering van NWO in het geval van het CWI.
                 .   Tweede geldstroom: onderzoekssubsidies van NWO, KNAW, FOM, STW.
                 .   Derde geldstroom: subsidies van lokale en nationale overheden, EU subsidies,
                     collectebusfondsen en contractonderzoek
                 Het onderzoek uit tweede en derde geldstroom is zeker niet allemaal van toege-
                 paste aard. In deze geldstromen komt het hele spectrum van vernieuwend10 tot
                 toegepast onderzoek voor. Tweede en derde geldstroom verschillen dus niet van
                 de eerste geldstroom naar de aard van het onderzoek dat daarmee wordt gefi-
                 nancierd. Zij verschillen naar de wijze van uitkering: die is geoormerkt in het geval
                 van de tweede en derde geldstroom en lump sum in het geval van de eerste geld-
                 stroom. Bij de geoormerkte gelden zijn programmatische of thematische voor-
                 waarden verbonden aan de inzet daarvan. Bij de lump sum uitkering kan de instel-
                 ling zelf bepalen hoe zij de middelen wil inzetten en zo bijvoorbeeld haar
                 profilering kiezen.
                 2..2 Kernresultaten uit het onderzoek door
                           Ernst & Young
                 54% van de integrale kosten vergoed, matching door kennisinstellingen 46%
  matching door
                 In het rapport van Ernst & Young worden de integrale kosten van onderzoeks-
instellingen 46%
                 projecten berekend. Deze zijn vergeleken met de vergoedingen van de financiers
                 uit tweede en derde geldstroom. Er zijn verschillen tussen financiers (zie tabel 1),
                 maar gemiddeld genomen wordt 54% van de integrale kosten van onderzoek ver-
                 goed. De overige 46% van de kosten komen voor rekening van de kennisinstel-
                 lingen. Dit is het 'matchingspercentage'. Voor elke euro die kennisinstellingen ont-
                 vangen, moeten zij dus 84 Eurocent bijgepassen.
                    10 Voorbeeld is de 'vernieuwingsimpuls' van NWO met de componenten Veni, Vidi en Vici. Deze impuls
                        kent op dit moment committeringen van zo'n 100 miljoen euro per jaar.
              20 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                           Tabel 1: overzicht van integrale kosten, subsidie en matchingspercentages
                                       per financier, getotaliseerd over alle onderzochte projecten.
                                                   Integrale kosten pro- verkregen sub- matchingspercentage
                                                   jecten, in € 1000      sidie, in € 1000   voor instellingen
                           NWO                                   10162                4709                  53,7
                           EU                                     3496                2544                  27,3
                           Nationale subsidies                    9795                5811                  40,7
                           Collectebusfondsen                     2807                1334                  52,5
                           Contractonderzoek                     18558               10873                  41,4
                           Overige                                2233                1303                  41,7
                           De Raad merkt op dat de mix van onderzochte kennisinstellingen _ met twee tech-
                           nische universiteiten die worden gekenmerkt door een hoge matchingsintensiteit _
                           niet van invloed is op de berekening van het gemiddelde matchingspercentage. Alle
                           universiteiten hebben in principe te maken met dezelfde soort financiers met dezelf-
                           de vergoedingssystematieken en dus met gelijke matchingspercentages per finan-
   resultaat in hoge mate  cier. Het gemiddelde matchingspercentage is dus in hoge mate onafhankelijk van
onafhankelijk van gekozen  de gekozen mix van instellingen. Een factor die nog zou kunnen leiden tot verteke-
      mix van instellingen ning van het beeld is het verschil in integraal kostenniveau van universiteiten. In die
                           zin bieden de onderzochte instellingen een mooi spectrum van technisch-weten-
                           schappelijk en medisch naar juridisch onderzoek, met verschillen in inzet van tech-
                           nische hulpmiddelen. Resultaat van een eenvoudige nauwkeurigheidsanalyse is dat
                           het gemiddelde matchingspercentage voor het hele universitaire bestel ligt tussen
                           42 en 50% (zie bijlage 2). Bij de bepaling van het totale beslag van matching op de
                           eerste geldstroommiddelen rekent Ernst & Young met een nog iets ruimere range
                           (zie onder).
                           Vergoeding in hoofdzaak alleen voor directe kosten
                           De voorwaarden die financiers stellen aan de subsidieverlening lopen uiteen. Maar
                           door de bank genomen, geven zij een vergoeding voor de directe personeels- en
                           materiaalkosten die nodig zijn voor het onderzoek. Voor gebruik van de bestaan-
                           de infrastructuur (indirecte kosten) geven zij soms wel en soms geen vergoeding.
    lage vergoeding voor   Kijkend naar de gemiddelden over alle onderzochte instellingen (figuur 1) blijkt
          indirecte kosten het volgende:
                           .  de vergoedingen voor de directe kosten variëren van 80 tot 90%;
                           .  de vergoeding van de indirecte kosten is beperkt tot 16%.
                        21 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                             Figuur 1: Projectkosten11 en overeenkomstige vergoeding in tweede en
                                         derde geldstroom (gemiddelden over alle onderzochte instellingen).
       impact dus vooral op  De impact van matching werkt dus vooral door in het gebruik van de bestaande
      gebruik infrastructuur infrastructuur: huisvesting, onderzoeksapparatuur, reeds in dienst zijnde begelei-
                             dend personeel et cetera. Kortom, er is in hoofdzaak sprake van matching in kind
                             terwijl de out of pocket matching beperkt is.
                             Ook contractonderzoek vaak onder de integrale kostprijs
                             Het onderzoek van Ernst & Young gaat in op de matching van subsidies uit de
                             tweede en derde geldstoom door kennisinstellingen. De definitie van de derde
                             geldstroom in dit onderzoek omvat ook contractonderzoek voor derden. Uit het
bij contractonderzoek geen   onderzoek van Ernst & Young blijkt dat ook bij contractonderzoek vaak sprake is
sprake van echte matching    van onvolledige dekking van de integrale kosten. Gemiddeld genomen, wijkt het
                             vergoedingspercentage van de integrale kosten bij contractonderzoek dan ook niet
                             veel af van die van andere financiers uit de tweede en derde geldstroom. In wezen
                             is hier sprake van onderbekostiging van het contractonderzoek. Anders dan bij
                             andere financiers in tweede en derde geldstroom zijn bij contractonderzoek in de
                             financieringsvoorwaarden geen expliciete matchingsverplichtingen afgesproken.
                                11 De aangegeven kosten betreffen alleen de kosten van onderzoek. Kosten van onderwijs zijn apart
                                   gehouden.
                         22  AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>         maar ook hier vaak  Tussen de instellingen zijn overigens grote verschillen geconstateerd. Er zijn instel-
        onvolledige dekking  lingen die strikt aanhouden dat contracten alleen tegen integrale kosten mogen
                  van kosten worden afgesloten en daardoor selectiever zijn met het aantrekken van contract-
                             onderzoek. Maar het is gebruikelijker dat instellingen alleen een vergoeding krijgen
                             voor de marginale kosten.
                             Omvang tweede en derde geldstroom fors toegenomen
                             Om te kunnen bepalen welk beslag de matching van tweede en derde geld-
relatieve belang tweede en   stroomsubsidies legt op de eerste geldstroom, moet de totale omvang van de
     derde geldstroom fors   tweede en derde geldstroom bekend zijn. Bij de vijf onderzochte universiteiten
                toegenomen   nam de omvang van tweede en derde geldstroom toe van 160,6 miljoen euro in
                             1998, naar 250,6 euro in 2002; een stijging van 56%12 (zie figuur 2). In dezelfde
                             periode nam bij die universiteiten de eerste geldstroom toe van 758,8 naar 905,2
                             miljoen Euro; een stijging van 19%. Deze cijfers maken duidelijk dat het relatieve
                             belang van tweede en derde geldstroom fors is toegenomen.
                             Figuur 2: ontwikkeling van tweede en derde geldstroom bij de onderzochte
                                          universiteiten.
        totale omvang bijna  Gegevens van het CBS13 voor de derde geldstroom (hier inclusief EU-
           1 miljard in 2002 Kaderprogramma's) laten een vergelijkbaar beeld zien voor alle Nederlandse
                                12 Bij het CWI is zelfs sprake van een stijging van 70% over de periode 1999-2002.
                                13 Kennis en economie 2003, CBS 2003.
                          23 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                           universiteiten. De toename ging hier van 486 miljoen euro in 1998, via 637 mil-
                           joen euro in 2001 naar een geschatte omvang van 720 miljoen euro in 2002. Bij
                           een omvang van ca. 265 miljoen euro voor subsidies van NWO en KNAW is de
                           totale omvang van tweede en derde geldstroom hiermee toegenomen tot 985
                           miljoen euro in 2002.
                           Overall beeld voor universiteiten: beleidsruimte buiten tweede en derde
                           geldstroom circa 25%
                           Op basis van het gemiddelde matchingspercentage en de totale omvang van de
                           tweede en derde geldstroom heeft Ernst & Young berekend welk beslag matching
                           legt op de eerste geldstroommiddelen op het niveau van het universitaire bestel
                           in 2002. Hiervoor is een aantal stappen gezet.
                           .  Bepaling van de gebudgetteerde eerste geldstroom voor onderzoek: 1500
                              miljoen Euro.14
                           .  Bepaling van de totale omvang van tweede en derde geldstroom subsidies:
                              985 miljoen Euro.
                           .  Bepaling van de matching gemoeid met uitvoering van tweede en derde geld-
                              stroomprojecten door alle Nederlandse universiteiten. Uit het onderzoek blijkt
                              dat de onderzochte kennisinstellingen zelf 46% van de integrale kosten voor
                              hun rekening nemen. Omdat de samenstelling van tweede en derde geld-
                              stroom over universiteiten kan verschillen, heeft Ernst & Young bij de bereke-
                              ning van het totaalbedrag van matching twee scenario's doorgerekend.
                              - Een matching van 40% betekent dat 660 miljoen door universiteiten wordt
                                gematcht, oftewel 44% van de 1500 miljoen voor onderzoek
                              - Een matching van 50% betekent dat 985 miljoen door universiteiten
                                wordt gematcht, oftewel 66% van de 1500 miljoen voor onderzoek.
         44 tot 66% eerste Al met al is dus 44% tot 66% van het totaal gebudgetteerde bedrag voor onder-
geldstroom vastgelegd door zoek in de eerste geldstroom vastgelegd vanwege matchingsverplichtingen. Wat
                  matching overblijft kan worden aangemerkt als de beleidsruimte voor universiteiten. De
                           AWT wijst erop dat universiteiten met deze beleidsruimte al het onderzoek
                             14 In dit advies wordt gekeken naar de bekostiging van onderzoek. De eerste geldstroom is echter ook
                                 bestemd voor de dekking van kosten van onderwijs. Om een zuivere vergelijking te kunnen maken
                                 van de geldstromen moet het voor onderzoek bestemde deel van de eerste geldstroom worden bere-
                                 kend. Voor de kosten van onderwijs is een percentage aangehouden conform het verdeelmodel van
                                 het ministerie van OCW (OCW in kerncijfers 2002). Het werkelijke aandeel van kosten voor onderwijs
                                 kan van instelling tot instelling en van faculteit tot faculteit duidelijk afwijken van dit percentage.
                                 Hoewel vanuit de universiteiten wordt aangegeven dat er op verschillende plaatsen sprake is van over-
                                 heveling van gelden van onderzoek naar onderwijs, is hier geen exacte informatie over beschikbaar.
                                 Een betere maatstaf dan de OCW budgetcijfers is dan ook niet voorhanden.
                        24 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                              moeten doen dat buiten de tweede en derde geldstroom valt. Dit is al het onder-
                              zoek in gebieden waar weinig of geen tweede en derde geldstroomfondsen zijn,
                              maar ook het vernieuwend 'zaai-onderzoek' waarmee geoogst kan worden in de
                              tweede en derde geldstroom.
                              Ernst & Young heeft de analyse nog één stap verder gevoerd door te kijken naar
                              de vaste kosten die gemoeid zijn met uitvoering van onderzoek in de eerste geld-
                              stroom. Zij nemen aan dat de vaste, infrastructurele kosten voor onderzoek in de
                              eerste geldstroom, net als bij het onderzoek in de tweede en derde geldstroom,
                              43% van de integrale kosten bedragen. Dit leidt hen tot de conclusie dat de
                              beleidsruimte van universiteiten _ buiten tweede en derde geldstroom en na aftrek
                              van vaste kosten gemoeid met eerste geldstroom onderzoek _ tussen de 300 en
 resterende beleidsruimte     500 miljoen euro ligt, dat wil zeggen circa 25% van de middelen uit de eerste
                   circa 25%  geldstroom die bestemd zijn voor onderzoek. Om de volgende redenen moet dit
                              getal worden gezien als een bovengrens.
                              .   Er is geen rekening gehouden met kosten van de verwerving van subsidies
                                  (voorbereiden en indienen voorstellen);
                              .   Bij de integrale tarieven is uitgegaan van de berekeningen van de universitei-
                                  ten zelf, hoewel duidelijk is dat die soms aan de lage kant zijn;
                              .   Er is geen rekening gehouden met kostenoverschrijdingen in projecten;
                              .   Er is geen rekening gehouden met eventuele overheveling van middelen van
                                  onderzoek naar onderwijs.15
                              Voor alle duidelijkheid wijst de Raad erop dat de berekende beleidsruimte niet
                              flexibel inzetbaar of jaarlijks te veranderen is. Het overgrote deel van deze beleids-
werkelijk 'vrije speelruimte' ruimte is al in gebruik voor personele inzet op gebieden en onderzoekslijnen die
    naar verwachting zeer     in het (meer of minder recente) verleden zijn gekozen. De daadwerkelijke 'vrije
                       gering speelruimte' is naar verwachting zeer gering.16
                                 15 In Kosten per student, Methodologie, schattingen en internationale vergelijking, B. Jongbloed, C. Salerno
                                      en F. Kaiser, CHEPS 2003 wordt berekend dat de ontvangen vergoeding (begroting OCW) voor
                                      onderwijs te laag is. Alhoewel er enige discussie is over de methodiek die bij deze berekening is gehan-
                                      teerd, onderschrijven universiteiten dat er sprake is van overheveling van onderzoeks- naar onder-
                                      wijsmiddelen.
                                 16 Gesprekken met universiteiten geven aan dat de werkelijke 'vrije' beleidsruimte in de orde van 5% ligt.
                           25 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                            Matchingsdruk hoogst bij onderzochte technische universiteiten
                            Ernst & Young heeft ook per instelling een berekening gemaakt van het beslag
                            van matching op de eerste geldstroommiddelen voor onderzoek. Hiermee wor-
     duidelijke verschillen den verschillen per instelling zichtbaar, verschillen die samenhangen met de aard
       tussen instellingen  van verrichtte onderzoek, de omvang van de instelling en de mate van specialisa-
                            tie. Om te komen tot deze berekening werd het gemiddelde van het matchings-
                            percentage op faculteitsniveau van een instelling gecombineerd met de totale
                            omvang van tweede en derde geldstroom van die instelling. Zoals verwacht, zijn
                            er duidelijke verschillen tussen de universiteiten; de matchingsdruk is het hoogst
                            bij de onderzochte technische universiteiten en het CWI (zie tabel 2). Ook hier
                            blijkt weer dat sommige instellingen selectiever zijn in het aantrekken van
                            contractonderzoek en mede hierdoor een geringere matchingsomvang kennen.
                            Tabel 2: Matchingsomvang als percentage van de eerste geldstroom
                                         middelen voor onderzoek (na aftrek van kosten voor onderwijs).
                                           Instelling
                                           Universiteit Twente                                                        71
                                           Universiteit Utrecht                                                       33
                                           Technische Universiteit Eindhoven                                          46
                                           Universiteit Tilburg                                                       26
                                           Wageningen Universiteit en Research Center17                               25
                                                                                                18
                                           Centerum voor Wiskunde en Informatica                                      47
                            Bijlage 1 geeft voor de onderzochte kennisinstellingen meer informatie over de
                            aandelen van de verschillende financiers en de matching die zij vragen.
                            Geen goed zicht op integrale kosten van onderzoek
op decentraal niveau geen   Ernst & Young doet in zijn rapport enkele observaties over de toerekening van en
   goed zicht op integrale  inzicht in kosten in de onderzochte kennisinstellingen. De meeste van de onder-
                    kosten  zochte instellingen hanteren een systeem waarbij de vaste kosten (huisvesting,
                            energievoorziening, ICT, bibliotheekvoorzieningen, et cetera) centraal worden
                            genomen. Alleen de overige kosten worden doorberekend aan de faculteiten. Dit
                            lijkt eenvoudiger want er wordt niet nodeloos geld 'rondgepompt'. Maar dit leidt
                            er wel toe dat op decentraal niveau bijna geen inzicht bestaat in de werkelijke,
                            integrale kosten van onderzoek. Juist op dit decentrale niveau ligt het initiatief en
                                17 Exclusief DLO-instituten.
                                18 Het CWI kent geen Rijksbijdrage zoals de universiteiten, maar een basisfinanciering door NWO. De
                                    matchingsomvang is hier gerelateerd aan die basisfinanciering.
                        26  AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre> maar daar wel initiatief en mandaat om in te schrijven op verschillende regelingen in de tweede en derde
    mandaat voor aangaan     geldstroom of om contractonderzoek uit te voeren. Op dit niveau lijkt een over-
              verplichtingen eenkomst waarbij een groot deel van de directe, marginale kosten wordt vergoed
                             een goede deal. Maar het centrale niveau krijgt wel de rekening gepresenteerd
                             voor onvoldoende dekking van de overige kosten.
  administratieve systemen   Ernst & Young constateert verder dat de administratieve systemen van instellin-
     instellingen niet goed  gen niet goed zijn toegesneden op de beheersing van matchingsverplichtingen.
               toegesneden   Enerzijds ontbreekt een sluitende urenregistratie, waardoor nacalculatie van pro-
                             jecten niet goed mogelijk is. Anderzijds zijn de administratieve systemen meestal
                             nog gebaseerd op kostenplaatsen en niet op kostendragers, waardoor de bereke-
                             ning van de werkelijk kosten van onderzoeksprojecten erg bewerkelijk is. Ernst &
                             Young kon de gegevens voor een voorcalculatorische19 berekening wel verzame-
                             len in samenwerking met de instellingen, maar deze zijn niet standaard en trans-
                             parant aanwezig. Hierdoor ontbreekt het de instellingen aan goede middelen aan-
                             gegane verplichten en om de effecten van matching goed in beeld te krijgen.
                             2..3 Conclusie van de Raad: serieus probleem
                                      met matching
                             De Raad is van mening dat het onderzoek van Ernst & Young een goed beeld
                             oplevert van de omvang van matching en het effect daarvan op Nederlandse
                             publieke kennisinstellingen. Nu de feiten bekend zijn, acht de Raad het tijd hier-
                             aan conclusies te verbinden.
    hoofdconclusie: serieus  De hoofdconclusie van de Raad is dat er een serieus probleem bestaat met de mat-
   probleem met matching     ching van onderzoekssubsidies door publieke kennisinstellingen. De Raad consta-
                             teert dat publieke kennisinstellingen momenteel opereren in een cultuur waarbij
                             het niet vergoeden van de integrale kosten van onderzoek als normaal wordt
                             beschouwd. Deze cultuur wordt in stand gehouden door de financiers en door de
onvolledige dekking kosten   kennisinstellingen zelf (met name op decentrale niveaus). De cultuur van onvolle-
     ondergraaft kracht en   dige dekking van kosten ondergraaft de kracht en kwaliteit van de Nederlandse
kwaliteit kennisinstellingen kennisinstellingen _ nu al, maar zeker op de langere termijn. Weliswaar kan een
                                19 Uitgangspunt bij de berekening waren begrote kosten en ontvangen subsidies. Overschrijding van
                                   kosten kon niet worden beoordeeld door het ontbreken van echte projectadministraties en integrale
                                   urenregistratie. Onderschrijding van kosten is niet aan de orde, omdat subsidiegevers vrijwel altijd
                                   werken op basis van declaraties van gemaakte kosten.
                          27 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                            tijdlang 'geteerd' en meegelift worden op aanwezige infrastructuur en capaciteit,
                            maar op een gegeven moment zijn nieuwe investeringen nodig (een nieuw
                            gebouw, meer mensen, nieuwe apparatuur). De matchingsproblematiek doet
                            zich derhalve voor in discrete sprongen van kostenposten.
                            Hierbij is het belangrijk te realiseren dat de feitelijke kosten van onderzoek niet
                            gelijk zijn aan de jaarlijkse uitgaven die verschijnen in de exploitatierekening.20 Het
                            verschil zit in de afschrijvingen op gedane investeringen en reserveringen voor
       investeringsruimte   toekomstige investeringen. Onderdekking van de vaste kosten tast de investe-
                 aangetast  ringsruimte van de kennisinstellingen aan. Ruimte die nodig is voor de instand-
                            houding van goede randvoorwaarden voor het uitvoeren van onderzoek (passen-
                            de huisvesting, beschikbaarheid algemene faciliteiten als ICT, bibliotheek e.d.) en
                            voor eventuele investeringen in (uitbreiding van) nieuwe onderzoekslijnen.
                            Waar de Raad zich in maart 2002 nog voornamelijk zorgen maakte over de ruim-
                            te voor vernieuwend onderzoek, kan nu de conclusie getrokken worden dat de
                            totale bedrijfsvoering van universiteiten onder druk staat.21 De AWT stelt dat het
probleem niet op te lossen  systeem decompenseert, de rek is eruit. En dat is niet meer op te lossen met een
     door instellingen zelf grotere selectiviteit van afzonderlijke instellingen bij het aantrekken van 2e en 3e
                            geldstroomonderzoek. Dat zou ertoe leiden dat veel van de _ op zich gewenste _
                            2e en 3e geldstroomprojecten niet meer uitgevoerd zouden worden. In hoofdstuk
                            3 gaat de Raad nader in op de sturingsaspecten van matching.
                               20 Ernst & Young constateert dat bij de begrotingssystematiek van universiteiten sterk de nadruk wordt
                                   gelegd op het sluitend maken van de exploitatiebegroting, het balanceren van de inkomsten en uit-
                                   gaven per budgetjaar.
                               21 Die druk wordt niet alleen veroorzaakt door matching, ook de huisvestingssituatie van universiteiten
                                   levert grote financiële druk. In het branchejaarverslag 2002 meldt de VSNU dat de universiteiten nu
                                   al aan het interen zijn op het eigen vermogen en het exploitatiesaldo voor een zestal universiteiten
                                   negatief is.
                        28  AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>             3
                           Sturingsaspecten van matching
                           In dit hoofdstuk staat de sturende werking centraal die uitgaat van matchingsver-
                           plichtingen verbonden aan middelen uit de tweede en derde geldstroom op de
                           besteding van de eerste geldstroom in publieke kennisinstellingen.22 De AWT is
                           van mening dat de huidige omvang van de matchingsverplichtingen teveel druk
                           zet op de eerste geldstroom en verhoudingen scheeftrekt. In dit hoofdstuk
                           bespreekt de Raad twee kernpunten:
                           .  Ongewenste effecten die samenhangen met de huidige omvang van vereiste
                              matching (paragraaf 3.1).
                           .   Gebrek aan goede randvoorwaarden voor strategische sturing in kennis-
                              instellingen zelf (paragraaf 3.2).
                           3..1 Ongewenste effecten huidige omvang
                                     matching
                           Uitgangspunt voor de Raad is dat de financiering van onderzoek in publieke ken-
                           nisinstellingen, met inbegrip van onderzoekssubsidies uit tweede en derde geld-
                           stroom, moet bijdragen aan de kracht en kwaliteit van het onderzoek op kortere
                           én langere termijn. De Raad vindt dat de 'zijsturing' die uitgaat van de tweede en
                           derde geldstroom een te groot beslag legt op de beleidsruimte van universiteiten.
                           De Raad wijst in dit verband op twee ongewenste effecten van de huidige
                           matchingspraktijk.
                           'De prijs van succes'
goede groepen dreigen aan  Goede groepen en instellingen dreigen aan hun eigen succes ten onder te gaan.
  succes ten onder te gaan Sterke, kwalitatief hoogwaardige onderzoeksgroepen maken veel kans om goed
                           te scoren in tweede en derde geldstroomprogramma's. Zij kunnen op deze
                           manier hun expertise en kwaliteit verder uitbouwen en in de toekomst nóg beter
                           voor de dag komen. Deze gewenste, positieve spiraal staat echter onder druk door
                           de omvang van de matchingsverplichtingen die gemoeid zijn met de tweede en
                              22 Omdat de hoofdmoot van het onderzoek van Ernst & Young betrekking heeft op de Nederlandse uni-
                                  versiteiten, zal dit hoofdstuk zich beperken tot die instellingen.
                        29 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                             derde geldstroomprogramma's. Bij toenemend succes bij het aantrekken van
                             onderzoekssubsidies uit de tweede en derde geldstroom blijft er steeds minder
                             ruimte over voor investeringen.23 Investeringen zijn nodig om in ieder geval een
                             goede infrastructuur (huisvesting, apparatuur, ICT-voorzieningen, begeleidend
                             personeel, etc.) te waarborgen voor het lopende onderzoek. Maar investeringen
                             zijn ook noodzakelijk voor uitbreiding van gekozen zwaartepunten en voor de
                             start van nieuwe onderzoekslijnen. Zoals aangetoond in hoofdstuk 2 ondergraaft
  rem op excellentie waar    matching de beschikbaarheid van investeringsmiddelen steeds verder. Hierdoor
      positieve stimulering  ontstaat er een rem op de uitbouw van excellentie waar juist positieve stimulering
                 gewenst is  gewenst is.24
                             De 'prijs van succes' wordt versterkt doordat het huidige bekostigingsmodel voor
                             universitair onderzoek de omvang van eerste geldstroommiddelen niet koppelt
                             aan het succes van het verwerven van middelen uit tweede en derde geldstroom.
                             Dit kan vooral instellingen treffen die relatief onderbedeeld zijn in toewijzingen uit
                             de eerste geldstroom doordat zij een kleiner aandeel hebben in de zogeheten
'prijs van succes' versterkt Strategische Overwegingen Component. Zulke instellingen (meestal nieuwere,
               door huidig   gespecialiseerde instellingen) beschikken over minder middelen voor de matching
        bekostigingsmodel    van inkomsten uit de tweede en derde geldstroom dan zusterinstellingen (in de
                             regel oudere, algemene instellingen).25
                             Al met al leidt de huidige praktijk van matching op sommige plaatsen tot de
                             (negatieve) keuze om maar in beperkte mate mee te dingen naar subsidiegelden.
                                23 Ook in de VS is de discussie over de instandhouding van infrastructuur en investeringsmiddelen van
                                    universiteiten losgebarsten (zie A. Bienenstock, 'A fair deal for federal research at universities.' In:
                                    Issues in Science and Technology, fall 2002). Men ziet een bedreiging voor onderzoek in nieuwe gebie-
                                    den die grote investeringen (bijvoorbeeld in clean rooms) vergen. Universiteiten worden steeds terug-
                                    houdender bij investeringen als niet duidelijk is dat zij ook weer terugverdiend kunnen worden. De
                                    National Science Foundation (NSF) heeft in 1999 haar richtlijnen rond matching aangepast. De VS
                                    kennen een 'statutory' matching door de kennisinstelling van 1%. De NSF heeft vastgelegd dat mat-
                                    ching boven dat percentage alleen mag worden verlangd als er een tastbaar en aantoonbaar voor-
                                    deel voor universiteiten ontstaat uit subsidies, bijvoorbeeld omdat de aangeschafte apparatuur ook
                                    voor ander onderzoek kan worden ingezet.
                                24 Ook voor subsidieregelingen waar langjarige vervolgverplichtingen als voorwaarde worden gesteld
                                    (bijv. bij de NWO-Vernieuwingsimpuls, Vici-deel) geldt overigens dat de prijs van succes hoog is. Dit
                                    soort voorwaarden legt een flinke claim op het personeelsbeleid en kan ontregelend werken op een
                                    zorgvuldige opbouw van onderzoekslijnen en -capaciteit, zeker in kleine onderzoeksgroepen en facul-
                                    teiten.
                                25 Vooruitlopend op de aanbevelingen wil de Raad er hier op wijzen dat het simpelweg koppelen van
                                    eerste geldstroommiddelen aan het succes in tweede en derde geldstroom geheel eigen nadelen met
                                    zich meebrengt en daarom niet onverkort gewenst is. Als voor een dergelijk systeem gekozen zou
                                    worden, moeten in ieder geval de verschillen tussen wetenschappelijke disciplines in het oog worden
                                    gehouden. Anders zou het 'wegzuigen' van middelen bij niet-matchingsintensieve sectoren (zie het
                                    hierna volgend punt: eenzijdigheid van sturing) alleen maar worden versterkt.
                         30  AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre> juist hoogwaardige groepen     De Raad bereiken signalen dat juist kwalitatief hoogwaardige groepen afhaken
          dreigen af te haken   omdat de prijs van succes te groot wordt. Hiermee is de ratio van sturing via de
                                tweede en derde geldstroom verdwenen; de hond bijt in zijn eigen staart.
                                Eenzijdigheid van sturing: sterke nadruk op 'kennis voor innovatie in bedrijven'
                                Een groot deel van de financiering in de tweede en vooral de derde geldstroom
                                richt zich op kennisontwikkeling die relevant is voor technologische innovatie in
tweede en derde geldstroom      bedrijven.26 In veel mindere mate zijn subsidies gericht op kennisontwikkeling ten
             vooral gericht op  behoeve van maatschappelijke issues of uit culturele belangstelling. Succesvol
     technologische innovatie   aantrekken van subsidies in de technologische gebieden die interessant zijn voor
                                bedrijven legt een steeds groter beslag op de eerste geldstroommiddelen van de
                                instellingen als geheel. Dit kan ertoe leiden dat middelen weggezogen worden bij
       zuigt middelen weg bij   andere onderzoeksgroepen. Op zich is een verschuiving van middelen naar ster-
               andere groepen   ke, succesvolle groepen gewenst. Maar dit krijgt ongewenste effecten als die
                                andere groepen niet zozeer zwakker of kwalitatief minder zijn, maar nu eenmaal
                                werken op terreinen waar weinig onderzoekssubsidies zijn te krijgen.
                                Onderzoekssubsidies met een matchingsverplichting leveren, met andere woor-
                                den, het gevaar op van te eenzijdige sturing. Kennisontwikkeling heeft immers
                                niet alleen waarde voor innovatie in bedrijven en daarmee de economische ont-
      gevaar van te eenzijdige  wikkeling, maar kan ook bijdragen aan de aanpak van maatschappelijke vraag-
                        sturing stukken. Door de eenzijdigheid van de sturing dreigt dit laatste in gedrang te
                                komen. Bovendien heeft kennisontwikkeling een intrinsieke waarde, ook zonder
                                direct economisch of maatschappelijk nut.
                                Mogelijke tegenwerpingen
                                De argumentatie in deze paragraaf geeft aanleiding tot een aantal mogelijke
                                tegenwerpingen. De Raad benoemt zelf op voorhand de volgende punten.
   universiteiten kunnen toch   .  "Universiteiten kunnen nog altijd zelf hun strategische afwegingen maken, het
                   zelf kiezen?     gebruik van subsidies is een eigen keuze en toont 'commitment'. Van onge-
                                    wenste sturing is geen sprake." De Raad acht dit een te eenvoudige voorstel-
                                    ling van zaken. De totale omvang van wetenschappelijk personeel aan de
                                    Nederlandse universiteiten is in de afgelopen 10 jaar vrijwel constant geble-
                                    ven.27 Tegelijkertijd zijn de totale kosten echter toegenomen, bijvoorbeeld door
         dat is te eenvoudige       overdracht van de huisvesting en stijging van salarissen. Ook de financiële ver-
        voorstelling van zaken      houdingen zijn danig veranderd; de omvang van tweede en derde geldstroom
                                   26 Ruim 60% van het totaal aan de onderzochte instellingen (inclusief contractonderzoek), zie tabel 1.
                                   27 Wel is er een duidelijke verschuiving geweest in de verhouding vast/tijdelijk personeel: het aandeel tij-
                                       delijken is flink toegenomen. Zie'Kerncijfers OCW 2002' en 'WOPI 2003' (VSNU).
                             31 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>    moeten meer gebruik      is aanmerkelijk sneller toegenomen dan die van de eerste geldstroom. Alleen al
   maken van tweede en       voor het in stand houden van hun onderzoekscapaciteit en daarmee productivi-
       derde geldstroom      teit moeten universiteiten dus steeds meer gebruik maken van financiering uit
                             de tweede en derde geldstroom. Het kan universiteiten dan ook niet kwalijk
                             genomen worden dat ze inspelen op de beschikbare budgetten in tweede en
                             derde geldstroom; dat is juist waartoe ze nadrukkelijk aangezet worden. Dit
                             laat onverlet dat universiteiten hun eigen strategie en profilering goed voor
                             ogen moeten houden. De Raad onderschrijft ten zeerste dat universiteiten ver-
                             antwoordelijk zijn voor hun eigen strategische keuzes, op kortere en langere
                             termijn, en komt hierop terug in zijn aanbevelingen (hoofdstuk 4). Maar vast-
                             houden aan een eigen profiel is bepaald niet eenvoudig. In paragraaf 3.2 gaat
                             de Raad nader in op enkele complicerende factoren hierbij.
vraagsturing ongewenst?   . "Is vraagsturing van universiteiten door derden dan ongewenst?" Het antwoord
                             van de Raad hierop is nee. Kennisontwikkeling door publieke kennisinstellingen
                             heeft grote waarde voor de maatschappij. Zij kan bijdragen aan versterking van
                             de economie, maar ook aan de oplossing van maatschappelijke vraagstukken.
                             Dat universiteiten aangemoedigd worden hieraan een bijdrage te leveren valt
nee, maar er zijn grenzen    alleen maar toe te juichen. De Raad wijst er echter op dat er grenzen zijn aan
          aan de omvang      die sturing. In het bovenstaande heeft hij betoogd dat het huidige systeem van
                             tweede en derde geldstroomfinanciering een rem dreigt te zetten op de uit-
                             bouw van excellentie in zwaartepunten. De bedoelde sturende werking van
                             subsidies wordt hierdoor niet bereikt. In hoofdstuk 4 doet de Raad aanbevelin-
                             gen om zijsturing van universiteiten zo in te richten dat de beoogde doelstel-
                             lingen worden gehaald.
                             Conclusie: de Raad is van mening dat de huidige systematiek van onderzoeks-
                             subsidies met een matchingsverplichting teveel inperking geeft op de mogelijk-
                             heid tot strategische sturing binnen universiteiten zelf. Er is sprake van teveel
                             sturing en van sturing die te eenzijdig is. De huidige omvang van matching leidt
                             zelfs tot negatieve prikkels. Goede groepen dreigen aan hun succes ten onder te
                             gaan _ het systeem creëert een rem op de uitbouw van sterktes. Het beslag dat
                             matching legt op de algemene middelen van de universiteiten dreigt bovendien
                             ten koste te gaan van groepen die van uitstekende kwaliteit zijn, maar werken
                             in gebieden die weinig matchingsintensief zijn.
                       32 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                3..2 Randvoorwaarden voor strategische sturing
                                          in kennisinstellingen
            universiteiten zelf In deze paragraaf gaat de Raad in op de mogelijkheden en onmogelijkheden van
       verantwoordelijk voor    kennisinstellingen zelf om strategisch te sturen. Hij acht zo'n strategische sturing
       strategische sturing ... van groot belang. Kennisinstellingen hebben een eigen verantwoordelijkheid bij
                                de inzet van middelen, zij moeten strategische keuzes maken en niet inschrijven
... maar er zijn kwesties die   op alle subsidieregelingen. In deze paragraaf bespreekt de AWT enkele kwesties _
             dit bemoeilijken   naast het beslag van matching op de eerste geldstroom _ die de strategische stu-
                                ring door kennisinstellingen zelf bemoeilijken.
                                Gebrek aan consistentie in sturing lastig vanwege lange tijdshorizon onderzoek
   kennisontwikkeling vergt     Kennisontwikkeling en met name vernieuwend en fundamenteel onderzoek vergt
           lange tijdshorizon   langjarige investeringen voordat een bepaald gebied tot bloei komt. Deze tijds-
                                factor maakt sturing van onderzoek via de tweede en derde geldstroom extra
                                gecompliceerd. Veel subsidieregelingen gaan uit van onderzoeksprojecten met
    veel subsidies gericht op   een looptijd van maximaal 4 tot 5 jaar, maar de kennisinstellingen moeten
             looptijd 4-6 jaar  omgaan met een veel langere tijdshorizon bij het opbouwen en uitbouwen van
                                sterke onderzoeksgroepen.28
                                Dat vergt dat kennisinstellingen strategische keuzes maken. Dergelijke keuzes
                                worden vertaald in het instellen van onderzoeksgroepen op bepaalde gebieden:
                                de aanstelling van mensen en de aanschaf van speciale apparatuur. Hiermee leg-
                                gen instellingen middelen uit de eerste geldstroom voor langere termijn vast, vaak
                                voor 10 tot 20 jaar. Uiteraard kunnen zij vervolgens zoeken naar aanvullende
                                middelen, zoals subsidies, die passen bij de gemaakte strategische keuzes. Maar in
                                de praktijk is vasthouden aan de uitgezette strategische lijnen niet gemakkelijk te
                                realiseren. De afhankelijkheid van instellingen van aanvullende middelen en het
                                beslag van matchingsverplichtingen op de eerste geldstroom maken het instellin-
     versterkt door wisseling   gen moeilijk om de strategische lijnen consequent en langjarig te ondersteunen.
    thema's en voorwaarden      Deze problematiek wordt versterkt doordat er niet altijd sprake is van consistentie
                     financiers in de keuze van thema's binnen de tweede en derde geldstroom. Een voorbeeld
                                hiervan zijn de ICES/KIS ronden. In deze ronden wordt telkens geld beschikbaar
                                   28 Dit terwijl de verdeling van gelden uit de eerste geldstroom over de verschillende universiteiten al
                                       decennialang, vrijwel volledig, vastligt. Subsidiegelden, gekoppeld aan wisselende thema's vragen een
                                       veel grotere dynamiek: de subsidies en matchingsverplichtingen slaan op wisselende plekken neer. De
                                       verdeling van de eerste geldstroom over de instellingen biedt momenteel geen mogelijkheden om die
                                       dynamiek te volgen.
                            33  AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                            gesteld voor een periode van vier tot vijf jaar. De thematiek per ronde is niet altijd
                            gelijk terwijl doelstellingen en voorwaarden wisselen.29 Hierdoor worden kennis-
                            instellingen steeds meer verlokt worden 'achter de laatste mode aan te lopen' en
                            onderzoeksprogramma's aan te passen aan de nu geldende wensen van subsidie-
                            gevers.
                            Conclusie: de Raad is van mening dat de huidige situatie van een steeds grotere
                            omvang van onderzoekssubsidies met een matchingsverplichting en van onvol-
                            doende consistentie in ondersteunde thema's het kennisinstellingen moeilijk
                            maakt de eigen strategische profilering overeind te houden.
                            Combinatie van matching én open tenderen vergroot onzekerheid en is
                            inefficiënt
   open tenders dominant    Bij de verlening van subsidies uit de tweede en derde geldstroom is het uitschrijven
    geworden bij subsidies  van open tenders voor projectvoorstellen dominant geworden.30 De achterliggende
                            gedachte is dat tendering een positief effect heeft op de kwaliteit van projecten
                            doordat onderzoekssubsidies in competitie worden verworven. De Raad onder-
                            steunt deze gedachte, maar plaatst enkele opmerkingen bij de huidige praktijk.
maar combinatie tendering   Open tenders kennen over het algemeen een lage scoringskans, slagingspercen-
 en matching veroorzaakt    tages van 20% tot 40% zijn gebruikelijk.31 Volgens de Raad leidt open tendering
      grote onzekerheid ...
                                29 Een ander voorbeeld is de stimulering van biotechnologie in Nederland, die verschillende fasen heeft
                                    gekend. Al eind '70-er jaren werd biotechnologie aangemerkt als doorbraaktechnologie. In de periode
                                    1981-1990 werd een specifiek programma opgezet: het IOP-b. Na afloop van dit programma kwam
                                    een eind aan de specifieke stimulering en waren alleen generieke regelingen voorhanden. In de eerste
                                    helft van de '90-er jaren werden weer specifieke programma's (ABON en PBTS-b) opgezet, maar de aan-
                                    sluiting met eerdere initiatieven was niet altijd duidelijk. In 1993/94 werd Mibiton gestart en werd voor-
                                    zichtig aan begonnen met de stimulering van ondernemerschap aan kennisinstellingen. Uiteindelijk
                                    leidde dit tot de New Drug Foundation, Stigon en Biopartner. Kortgeleden werd het Regieorgaan
                                    Genomics ingesteld. Biopartner Network, waarvan deze informatie afkomstig is, kenmerkt het beleid als
                                    verschillende perioden van 'remmen en gasgeven', met wisselende aandacht voor biotechnologie en
                                    wisselende keuzes van thema's.
                                30 Het begrip 'tenderen' vergt enige toelichting. In het bedrijfsleven heeft het begrip tendering over het
                                    algemeen de betekenis dat ingeschreven kan worden op de levering van een product met een nauw
                                    bepaalde specificatie. Bij onderzoekssubsidies is tendering echter een vorm van het in concurrentie ver-
                                    werven van middelen. Een subsidiegever geeft een budget vrij en geeft o.a.de programmatische of the-
                                    matische voorwaarden aan waaraan in te dienen voorstellen moeten voldoen, maar er is geen product
                                    met een nauwkeurige specificatie. Bij een open tendering mag iedereen een voorstel indienen. De ont-
                                    vangen voorstellen worden beoordeeld en geranked. Op volgorde van ranking wordt geld toegekend,
                                    tot het budget vergeven is. Voorbeelden hiervan zijn Bsik, maar ook de subsidieregelingen van het
                                    ministerie van EZ, gericht op samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven. Ook NWO werkt gro-
                                    tendeels met open tender procedures.
                                31 Voor EU regelingen wordt vaak 20% als slaagkans aangehouden. De eerste KP6-oproepen in de diver-
                                    se thema's laten slaagkansen zien variërend van 11 tot 35%. De slaagkans bij NWO ligt op gemiddeld
                                    op 25% en bij Senter is dit 40%.
                       34   AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                            in combinatie met matching tot grote onzekerheid bij de instellingen. Het is moei-
                            lijk vooraf vast te stellen welke subsidies beschikbaar komen voor onderzoek en
                            welke verplichtingen hieruit ontstaan. Naar de mening van de Raad vormt dit een
                            enorme aanslag op de stuurbaarheid van instellingen en op hun mogelijkheden om
                            strategisch beleid te voeren. Om strategisch beleid te kunnen voeren, moet de
                            beschikbaarheid van middelen immers voor langere termijn verzekerd zijn.
 ... en kan leiden tot hoge Tenders creëren niet alleen onzekerheid, maar kunnen ook leiden tot hoge uit-
          uitvoeringskosten voeringskosten. Kennisinstellingen kunnen de kosten van het aanvragen van sub-
                            sidies, de vorming van consortia en dergelijke niet precies becijferen, maar geven
                            aan dat steeds grotere inspanningen vereist zijn.32 Herings geeft een extreme
                            schatting en beargumenteert dat de kosten van tendering in een volledig trans-
                            parante markt voor alle aanvragers samen even hoog zijn als de totaal te verdelen
                            gelden.33 Hoe dit ook zij, de (in)efficiëntie van tendering is een serieus punt van
                            aandacht.34
                            Open tendering kan ook ongewenste neveneffecten hebben. Nu bereiken de
                            Raad geluiden dat juist de goede onderzoeksgroepen niet meer willen deelnemen
                            aan tenders met een lage slaagkans. Dit ondergraaft de bedoeling van tenders,
                            namelijk het in competitie verdelen van middelen op basis van kwaliteit.
kennisinstellingen moeten   Overigens merkt de Raad wel op dat kennisinstellingen zelf verantwoord moeten
      ook zelf verantwoord  omgaan met tenders. Zij moeten een reële inschatting maken van de kwaliteit en
       omgaan met tenders   slaagkans van hun voorstellen.
                                Conclusie: de Raad stelt vast dat de combinatie van open tendering en matching
                                grote onzekerheid veroorzaakt bij kennisinstellingen over de beschikbaarheid
                                van middelen en aangegane verplichtingen. Dit bemoeilijkt de stuurbaarheid
                                van de instellingen. Bovendien betwijfelt de Raad of open tendering leidt tot een
                                effectieve en efficiënte toewijzing van middelen.
                                32 In Engeland schat de Social Research Association (SRA) dat de kosten voor de voorbereiding van aan-
                                    vragen voor sociale researchprojecten tussen de 3000 en 15.000 euro per aanvraag liggen. Zie
                                    'Commissioning social research, a good practice guide', Social Research Association, second edition
                                    revised november 2002.
                                33 J.J. Herings, 'Perverse prikkels', Economisch Statistische Berichten, 87e jaargang, nr. 4368, pagina 503,
                                    28 juni 2002. In deze beschouwing zijn de kosten die financiers maken voor de beoordeling van voor-
                                    stellen niet meegenomen.
                                34 De Raad weet zich gesterkt in zijn kanttekeningen bij tenderen door een recent rapport van het Britse
                                    National Audit Office: 'Getting the evidence: using research in policy making', Report by the Comptroller
                                    and Auditor General, HC 586-I session 2002-2003: 16 April 2003. Ook dit rapport wijst op de hoge
                                    kosten die gepaard gaan met open tendering van onderzoeksvoorstellen.
                         35 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                             Kennisinstellingen geconfronteerd met diversiteit aan financiers en regelingen
                             Een volgend punt dat de eigen stuurkracht van kennisinstellingen bemoeilijkt, is
                             de diversiteit aan tweede en derde geldstroomsubsidies. Het huidige subsidie-
    landschap financiers en  systeem kent een zeer gevarieerd landschap van financiers en regelingen, elk met
         voorwaarden zeer    hun eigen voorwaarden, kostendefinities en (administratieve) verplichtingen. Dit
                 gevarieerd  roept opnieuw de vraag op of de ingezette middelen effectief en efficiënt worden
                             ingezet. In ieder geval leidt de variatie in regelingen tot hoge administratieve
                             lasten bij de kennisinstellingen. De kennisinstellingen worden bovendien stilzwij-
                             gend geacht zelf de verantwoordelijkheid te nemen voor een samenhangende
gezamenlijke gedragsregels   benadering van hun omgang met de diversiteit aan financiers en voorwaarden. Er
                  ontbreken  zijn op dit moment geen gezamenlijke gedragsregels die voorkomen dat subsidies
                             uit allerlei bronnen de onderzoeksinfrastructuur op langere termijn ondergraven.
                             Wel zijn er in enkele kennisinstellingen aanzetten om te komen tot lokale gedrags-
                             regels en om criteria te bepalen voor deelname aan tweede en derde geld-
                             stroomprojecten. Dit wordt (nog) niet ondersteund door beleid en coördinatie-
                             kracht van de minister van OCW of vanuit de VSNU. Coördinatie is overigens ook
                             van belang voor financiers zélf. Het geheel van uiteenlopende regelingen en finan-
           te druk gevist in ciers dreigt te leiden tot suboptimalisatie op de thema's die de financiers belang-
               zelfde vijver rijk achten. Er wordt te druk gevist in dezelfde vijver.
                                 Conclusie: de Raad is van mening dat de huidige variatie in regelingen en voor-
                                 waarden de strategische sturing in kennisinstellingen bemoeilijkt. Daarnaast is
                                 de verantwoordelijkheid voor de handhaving van een goede onderzoeksinfra-
                                 structuur op langere termijn te eenzijdig belegd bij de instellingen. Het ontbreekt
                                 aan gedeelde gedragsregels ten aanzien van vergoedingen en aan een goede
                                 coördinatie van de diverse financiers.
                             Tot slot: integrale besturing in universiteiten niet op orde
                             In het bovenstaande is ingegaan op diverse omstandigheden die het kennisinstel-
                             lingen moeilijk maken om vast te houden aan eigen strategische sturing en profi-
       gebrekkige integrale  lering. De Raad acht deze punten zwaarwegend, maar wil ook wijzen op de
      besturing instellingen gebrekkige integrale besturing binnen de instellingen zelf. Om vast te (kunnen)
                             houden aan hun strategische focus moeten kennisinstellingen goede informatie
                             hebben over aangegane verplichtingen en feitelijke bestedingen. Uit het onder-
goede systemen ontbreken     zoek van Ernst & Young blijkt dat de managementinformatiesystemen hiertoe niet
                             aanwezig zijn.
                          36 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                             Daarbij gaat het nadrukkelijk om meer dan inzicht in projectfinanciën. Hierboven
                             is aangegeven dat matching meerdere ongewenste neveneffecten kan opleveren:
                             .  de beleidsruimte en investeringscapaciteit van de universiteit als geheel staat
                                 onder druk;
                             .  sterke groepen in matchingsintensief onderzoek gaan aan hun eigen succes ten
                                 onder;
                             .  middelen uit sterke onderzoeksgroepen die weinig te maken hebben met twee-
                                 de en derde geldstroomfinanciering worden weggezogen.
                             Om deze negatieve effecten te vermijden, moeten universiteiten de verschillende
                             geldstromen met elkaar in balans brengen. Zij moeten waarborgen dat beschik-
               goede balans  bare middelen in de gewenste verhoudingen terechtkomen bij profileringsgebie-
       geldstromen nodig ... den en sterke groepen. In de huidige situatie ligt het initiatief en het mandaat voor
                             het verwerven van subsidies op decentraal niveau. Dat niveau wordt echter niet
                             verantwoordelijk gesteld voor de integrale kosten van onderzoek en heeft hier
... maar stuurmogelijkheden  vaak ook geen zicht op. Het centrale bestuur, dat verantwoordelijk is voor de
                 ontbreken   balans in de totale financiering, ontbreekt het echter aan stuurmogelijkheden.
                                 Conclusie: de Raad stelt vast dat het huidige bestuur van universiteiten te wei-
                                 nig integraal van karakter is, te weinig waarborgen biedt dat middelen in de
                                 gewenste verhoudingen beschikbaar komen voor de gekozen strategische
                                 zwaartepunten. De verbinding tussen centrale strategie en decentrale initiatie-
                                 ven is niet altijd helder. De hiertoe benodigde managementinformatiesystemen
                                 ontbreken.
                         37  AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>       4
                      Aanbevelingen
                      In het Wetenschapsbudget 2004 gaat de minister van OCW in op de problema-
                      tiek van matching.35 De minister wijst op de eigen verantwoordelijkheid van instel-
                      lingen bij beslissingen over deelname aan subsidieregelingen, maar stelt ook:
                          "Ik beschouw het echter als de verantwoordelijkheid van de overheid om erop
                          toe te zien dat het totaal aan matchingsverplichtingen, op nationale schaal
                          gezien, de eigen wettelijke verantwoordelijkheid van de universiteiten niet uit-
                          holt".
 AWT verheugd over    De AWT is verheugd met deze beleidsaandacht voor de matchingsproblematiek.
beleidsaandacht voor  In de vorige hoofdstukken heeft hij betoogd dat het huidige financieringssysteem,
           matching   met inbegrip van onderzoekssubsidies in tweede en derde geldstroom, tegen
                      grenzen aanloopt en daar op sommige plaatsen al overheen is. De Raad acht ver-
                      anderingen in de systematiek van financiering met bijbehorende matchingsver-
                      plichtingen noodzakelijk en doet in dit hoofdstuk hiertoe aanbevelingen.
                      Uitgangspunt voor aanbevelingen
 uitgangspunt: eigen  Uitgangspunt voor aanbevelingen is dat de kennisinstellingen uiteindelijk zélf ver-
verantwoordelijkheid  antwoordelijk zijn voor hun bedrijfsvoering en het balanceren van beschikbare
         instellingen budgetten op kortere én langere termijn. De Raad ziet kennisinstellingen hierbij
                      als 'maatschappelijke ondernemingen' _ dat wil zeggen als autonome instellingen
                      met een publieke taak.36 Binnen deze verantwoordelijkheid en met het oog op
                      hun strategische profilering dienen instellingen zélf te bepalen op welke subsidie-
 daarvoor drie zaken  regelingen ze willen ingaan. Om dit uitgangspunt goed in de praktijk te kunnen
           belangrijk brengen zijn in de ogen van de Raad drie zaken belangrijk.
                      1. Passende randvoorwaarden om daadwerkelijk gestalte te geven aan de ver-
                          antwoordelijkheid van kennisinstellingen. Dit stelt eisen aan de matchingssy-
                          stematiek en -praktijk waarbinnen kennisinstellingen hebben te opereren.
                      2. Heldere verantwoordingsrelaties tussen kennisinstellingen en de minister van
                          OCW. Hierbij dient speciale aandacht te bestaan voor de manier waarop ken-
                          nisinstellingen omgaan met matchingsverplichtingen en daarmee gemoeide
                          publieke middelen.
                         35 Wetenschapsbudget 2004 'Focus op excellentie en meer waarde'.
                         36 Zie Wijsheid achteraf. De verantwoording van universitair onderzoek. AWT-advies nr. 51, juni 2003.
                   39 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>                              3. Kennisinstellingen die hun verantwoordelijkheid nemen. Dit vergt van de
                                  kennisinstellingen een heldere omgang met matching, ingekaderd in duidelijke
                                  strategische keuzes en management informatiesystemen die de implementatie
                                  van die strategie kunnen waarborgen.
                              4..1 Passende randvoorwaarden: herbezinning
                                         op matchingssystematiek
                              De Raad adviseert de minister van OCW op drie samenhangende punten een
                              coördinerende rol op zich te nemen ten aanzien van financiers van onderzoek:
                              a. Herzie de matchingssystematiek door helderheid te scheppen over wenselijk-
                                  heid en toelaatbaarheid van matching met middelen uit de eerste geldstroom.
                                  Het uitgangspunt dient te zijn 'integrale kosten betalen tenzij...'
                              b. Stel samen met financiers gedragsregels op ten aanzien van onderzoeksfinan-
                                  ciering en gevraagde matching. Richt hiertoe een 'Financiers Forum' op.
                              c. Spreek richtlijnen af over tendering. Het uitgangspunt dient te zijn dat finan-
                                  ciers terughoudend omgaan met open tendering.
                              Een opmerking vooraf is dat de Raad zich hier beperkt tot aanbevelingen die
                              direct gericht zijn op de aanpak van de matchingsproblematiek. Hij doet hier
                              aanbevelingen die op de korte termijn aangepakt en ingevoerd kunnen worden.
aantal maatregelen op korte   De Raad ziet ervan af om op deze plaats uitspraken te doen over de dynamise-
           termijn mogelijk   ring van de gehele onderzoeksfinanciering. Dit is een thematiek die veel breder
                              is dan matching. Hij ziet de lopende discussies over de dynamisering wel
                              nadrukkelijk als een window of opportunity. Bij alle verdere discussies over de
                              onderzoeksbekostiging dient de matchingsproblematiek als belangrijk element
                              meegenomen te worden.
                              Herzie de matchingssystematiek: 'integrale kosten betalen tenzij …'
                              De Raad roept de minister van OCW _ vanuit zijn verantwoordelijkheid voor een
                              goed functionerend wetenschapssysteem _ op om veranderingen door te voeren
  toelaatbaarheid matching    in de systematiek van onderzoeksfinanciering. De kwestie die hierbij centraal staat,
             centrale vraag   is de toelaatbaarheid van matching van onderzoeksprojecten in de tweede en
                              derde geldstroom met middelen uit de eerste geldstroom. Wanneer kan gedeel-
vergoeden integrale kosten,   telijk 'bijpassen' van projectkosten worden toegestaan en wanneer moeten inte-
                    tenzij... grale kosten in rekening worden gebracht? De Raad beveelt de minister van OCW
                         40   AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>  ... er sprake is van publiek    aan de volgende stelregel te hanteren:37 'Financiers van onderzoek dienen de inte-
    wetenschappelijk belang       grale kosten van onderzoek te betalen, tenzij er sprake is van versterking van de
                                  publieke kennisinfrastructuur en een publiek wetenschappelijk belang.'
                                  Deze stelregel is gebaseerd op een onderscheid tussen de volgende twee situaties:
                                  .  Versterking van de kennisinfrastructuur, initiatief bij kennisinstelling.
                                     In deze situatie is sprake van de subsidiëring van onderzoek dat bijdraagt aan
                                     de versterking van de publieke onderzoeksinfrastructuur en een publiek weten-
                                     schappelijk belang dient _ bijvoorbeeld omdat inzichten worden ontwikkeld
                                     met een behoorlijke afstand tot een markt of toepassing, of doordat de kennis
                                     publiekelijk toegankelijk is. Het gaat om onderzoek dat aansluit bij de publieke
                                     taakstelling van kennisinstellingen. In dit geval ligt het initiatief bij de kennisin-
                   initiatief bij    stellingen zelf. Zij kunnen op zoek gaan naar aanvullende middelen voor de
               kennisinstelling      gekozen onderzoekslijnen _ bijvoorbeeld om bepaald onderzoek versneld uit te
                                     kunnen voeren. In wezen is hierbij sprake van 'sponsoring' van onderzoek door
                                     derden waarbij een multiplier effect optreedt voor de kennisinstelling. In plaats
                                     van de kennisinstelling die matching levert bij een subsidieregeling doet zich
                                     de omgekeerde situatie voor: de financier levert matching (of beter: sponso-
                                     ring) aan de kennisinstelling. Betalen van de integrale kostprijs door de finan-
                                     cier is in dit geval niet reëel of aan de orde. Dit model ligt dicht bij de open
      hogere vergoeding dan          programma's van NWO. Hierbij merkt de Raad wel op dat hogere vergoedin-
                 50% gewenst         gen dan de nu gebruikelijke 50% wenselijk zijn.
                                  .  Benutting van de kennisinfrastructuur, initiatief bij opdrachtgever.
                                     In deze situatie is sprake van de bekostiging van onderzoek met een vooraf,
                                     door een opdrachtgever gedefinieerde doel- en vraagstelling. Het initiatief ligt
           in overige gevallen       in dit geval bij een partij buiten de kennisinstelling, bij een 'opdrachtgever' die
tenminste 100% vergoeden             een meer of minder nauw omschreven resultaat wil bereiken. De kennisinstel-
                                     ling beschikt weliswaar over de competenties en faciliteiten, maar het onder-
                                     zoek draagt als zodanig niet bij aan het publiek wetenschappelijk belang _
                                     bijvoorbeeld omdat geheimhouding of octrooirechten worden bedongen of
                                     omdat er sprake is van toepassing van al bekende, algemene principes. In dit
                                     geval zou de opdrachtgever een reële prijs moeten betalen voor het onderzoek:
      ook als er sprake is van       minimaal 100% van de integrale kosten. Voor alle duidelijkheid: er kan in deze
                publiek belang       tweede situatie zeer wel sprake zijn van een duidelijk publiek belang (bijvoor-
                                     beeld bijdragen aan een innovatieve, productieve economie of een goede evi-
                                     dence base voor overheidsbeleid). Maar dat wil nog niet zeggen dat dit
                                    37 Deze lijn van redeneren komt overeen met de stellingname zoals die recent in het VK is betrokken, zie
                                        The sustainability of University Research, OST, 2003, p.23.
                             41   AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>                                   gepaard moet of mag gaan met financiering onder de integrale kostprijs van
                                   het onderzoek. Dit kan alleen indien sprake is van een bijdrage aan het nauwer
                                   gedefinieerde publiek wetenschappelijk belang.38
                               De Raad realiseert zich dat er tussen de twee aangegeven situaties een heel spec-
                               trum ligt. De doelstellingen van financiers kunnen immers meer en minder nauw
                               gedefinieerd zijn en de mate waarin een onderzoeksactiviteit aansluit bij de
                               publieke kennistaak en de eigen strategische keuzen van een kennisinstelling kan
                               ook variëren. De Raad vindt dat het uiteindelijk aan de kennisinstellingen zélf is
          OCW moet heldere     om per geval een goede afweging te maken. In paragraaf 4.3 gaat hij hier nader
      richtlijnen ontwikkelen  op in. Het is echter aan de minister van OCW om _ vanuit zijn coördinerende ver-
                               antwoordelijkheid voor het onderzoeksstelsel _ heldere richtlijnen te ontwikkelen
                               op hoofdlijnen. Binnen dit raamwerk kunnen kennisinstellingen en financiers dan
                               hun onderhandelingen voeren en hun eigen afwegingen maken.
                               Hoe dan ook acht de Raad verandering in de matchingssystematiek noodzakelijk.
verhoging eerste geldstroom    Verandering geniet de voorkeur boven alternatieve oplossingen als een verhoging
             niet de oplossing van de eerste geldstroom waardoor kennisinstellingen meer speelruimte krijgen
                               om matchingsverplichtingen op te vangen. Behalve dat deze oplossing momen-
                               teel niet opportuun lijkt, acht de Raad dit ook niet de goede aanpak. Alhoewel
                               zo'n pragmatische oplossing de kennisinstellingen zeker enige ruimte oplevert lost
    problematiek structureel   zij het probleem niet echt op. Als we de matchingssystematiek niet structureel
                    aanpakken  aanpakken, zal het systeem bij een steeds toenemende omvang van de tweede en
                               derde geldstroom in de toekomst toch weer tegen zijn grenzen oplopen.
                               Ontwikkelen gezamenlijke gedragsregels financiers: oprichten 'Financiers
                               Forum'
     cultuur van onvolledige   De Raad vindt dat de cultuur waarin het vanzelfsprekend is niet de integrale
  dekking kosten doorbreken    kosten van onderzoek te betalen doorbroken moet worden. Hij roept de minister
                               van OCW op het initiatief te nemen om in samenspraak met de diversiteit aan
                               financiers en de kennisinstellingen te komen tot heldere afspraken en gedrags-
                               regels.39 Centraal daarbij staat de gedeelde verantwoordelijkheid voor de instand-
                                  38 Er zijn ook situaties te bedenken waarin het publiek belang van een onderzoeksprogramma dermate
                                     zwaarwegend wordt geacht, dat financiering onder de integrale kostprijs gelegitimeerd is. De Raad is
                                     in dan echter van mening dat de consequenties van een dergelijke beslissing niet afgewenteld mogen
                                     worden op de kennisinstellingen. De financier moet zorgen dat de integrale kosten van de deelne-
                                     mende kennisinstellingen gedekt zijn, bijvoorbeeld door compensatie van een onderdekking van de
                                     kosten via een budgettoekenning aan de eerste geldstroom.
                                  39 Ook de instellingen zelf en de VSNU hebben hier een taak. De VSNU kent al een gedragscode rond
                                     contractonderzoek. De Raad adviseert de VSNU deze te updaten en beter toe te zien op de naleving.
                            42 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                               houding van de publieke kennisinfrastructuur en de daartoe benodigde finan-
                               ciering op kortere en langere termijn: voor huisvesting, onderzoeksapparatuur,
                               faciliteiten, begeleiding et cetera. De Raad is van mening dat deze verantwoor-
                               delijkheid niet eenzijdig bij de kennisinstellingen en de minister van OCW kan
                               worden gelegd. Alle financiers van onderzoek moeten hun verantwoordelijkheid
        niemand is gebaat bij  nemen. Financiers die menen dat zij alleen marginale kosten hoeven te vergoe-
uitholling kracht en kwaliteit den omdat de infrastructuur voor onderzoek er 'vanzelf' is en in stand blijft,
            kennisinstellingen gaan voorbij aan de noodzaak van vervangingsinvesteringen. De opbrengsten
                               op de korte termijn mogen wel aanlokkelijk lijken, maar niemand is gebaat bij
                               de uitholling van de kracht en kwaliteit van instellingen over de langere termijn.
                               De koe kan niet alleen gemolken worden, zij moet ook regelmatig worden
                               gevoerd.
                               De Raad realiseert zich dat hij de minister van OCW belast met een zware coör-
                               dinerende taak. De Raad constateert dat verschillende financiers de problema-
                               tiek erkennen en willen bijdragen aan de handhaving van een goede positie en
            financiers moeten  kwaliteit van de onderzoeksinfrastructuur. Toch is er nog het nodige zendings-
                 doordrongen   werk te verrichten; financiers zullen doordrongen moeten worden van hun
                raken van hun  medeverantwoordelijkheid voor de instandhouding van een vitale kennisinfra-
   medeverantwoordelijkheid    structuur. De AWT realiseert zich dat de minister van OCW de andere financiers
                               niet direct kan aansturen of dwingen om anders tewerk te gaan. De minister van
                               OCW kan en moet echter wél deze problematiek bespreekbaar maken. Daarom
   instellen Financiers Forum  adviseert de Raad de minister een 'Financiers Forum' in te stellen, een platform
                               waar de financiering van onderzoek besproken wordt. De minister van OCW kan
                               in dit Forum niet alleen helderheid scheppen over de toelaatbaarheid van de
                               inzet van publieke middelen (matching vanuit de eerste geldstroom), maar ook
                               afspraken maken over de manier waarop de gedeelde verantwoordelijkheid voor
                               de instandhouding van de kennisinfrastructuur vorm wordt gegeven.
                               Helderheid over de financiële consequenties van onderzoeksinitiatieven en voor
                               welke kosten een bijdrage van financiers kan worden verwacht moeten daarbij
                               centrale thema's zijn.
                               Voorzichtigheid betrachten met open tendering
      terughoudend zijn met    De Raad beveelt financiers aan terughoudend om te gaan met open tenderpro-
               open tendering  cedures, zeker in combinatie met matching. In navolging van ervaringen en
                               inzichten uit het Verenigd Koninkrijk acht de Raad het redelijk dat financiers ver-
                               antwoordelijkheid nemen voor de kosten van een tenderprocedure en die
                            43 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   afwegen tegen de voordelen.40 Een goede vuistregel is dat de kosten van indie-
   ning en beoordeling van aanvragen niet hoger mogen zijn dan 5% van het te
   besteden budget. In veel gevallen zal blijken dat een gesloten tendering te prefe-
   reren is. Hierbij gaat het om een oproep aan een beperkte groep van partijen
   waarvan bekend is dat zij het gewenste onderzoek kunnen uitvoeren. Mochten
   financiers toch kiezen voor een open tendering dan is een voorronde aan te beve-
   len waarin geïnteresseerden een korte omschrijving insturen van hun competen-
   ties en plannen. Slechts een selectie uit de voorronde zou uitgenodigd moeten
   worden om een volledig voorstel in te dienen.41 Hiermee wordt versnippering van
   middelen voorkomen en wordt aansluiting verkregen bij bestaande sterktes.42 De
   Raad roept de minister van OCW op dit, vanuit zijn verantwoordelijkheid voor een
   goed functionerende kennisinfrastructuur, te bespreken met de financiers van
   onderzoek _ bijvoorbeeld in het 'Financiers Forum'.
   4..2 Heldere verantwoordingsrelaties:
              aanspreken en ondersteunen van kennis-
              instellingen bij omgaan met matching
   a. De Raad adviseert de minister van OCW zijn stelselverantwoordelijkheid con-
       creet te maken door kennisinstellingen aan te spreken op hun omgang met
       matching.
     - Spreek helder uit dat een goede bedrijfsvoering, inclusief het opvangen
        van matchingsverplichtingen, de verantwoordelijkheid is van de kennisinstel-
        ling zelf.
     - Maak de omgang met matching onderdeel van een 'beleidsrijke
        dialoog' met de kennisinstellingen.
   b. De Raad adviseert de VSNU een stuurgroep in te stellen die ondersteuning
       biedt bij methodiekontwikkeling om kosten transparant te maken en de prijs
       van onderzoek vast te stellen.
      40 'Getting the evidence: using research in policy making', Report by the Comptroller and Auditor General,
          HC 586-I session 2002-2003: 16 April 2003; 'Commissioning social research, a good practice guide',
          Social Research Association, second edition revised november 2002.
      41 Aanzetten tot een dergelijke procedure met expressions of interest zijn gevolgd bij Bsik en het zesde
          Kaderprogramma van de EU. Verder uitproberen van deze aanpak, na geleerde lessen, is wenselijk.
      42 Een nadeel van gesloten tendering kan zijn dat interessante nieuwkomers worden uitgesloten. De
          Britse publicaties (zie eerdere voetnoten) achten het stimuleren van nieuwkomers echter niet altijd
          wenselijk. Het kan juist gewenst zijn om gebruik te maken van bestaande sterktes (efficiency in aan-
          besteding van onderzoek) of bestaande sterktes uit te bouwen (verbetering van de kwaliteit van
          onderzoek). Een dergelijke afweging moet centraal staan bij het kiezen van de tenderingsvorm.
44 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                         In de vorige paragraaf heeft de Raad aanbevelingen gedaan die zijn gericht op de
                         financiers van onderzoek en op de minister van OCW in zijn coördinerende rol. Als
                         tegenhanger van de zo geschapen goede randvoorwaarden, is het zaak de ken-
                         nisinstellingen aan te spreken op hun omgang met matching. Niet alleen om ken-
                         nisinstellingen rekenschap te vragen, maar ook om hen te sterken in hun onder-
                         handelingen met financiers.
                         Minister OCW: Kennisinstellingen aanspreken op hun omgang met matching
                         De Raad beveelt de minister van OCW aan helder uit te spreken dat kennisinstel-
                         lingen uiteindelijk zélf verantwoordelijk zijn voor een deugdelijke bedrijfsvoering.
 kennisinstellingen zelf Zij dienen de integrale kosten van diverse activiteiten te kennen en deze mee te
 verantwoordelijk voor   nemen in de besluitvorming over deelname aan subsidieregelingen in tweede en
         bedrijfsvoering derde geldstroom. Als projecten onder de integrale kostprijs worden verricht,
                         dient dit een bewuste beslissing te zijn die is ingekaderd door strategische doel-
                         stellingen en financiële afwegingen. Kennisinstellingen moeten immers niet alleen
                         bepaald onderzoek wíllen uitvoeren, zij moeten de kosten daarvan ook kunnen
                         dragen. Onderstaand kader bevat _ ter inspiratie _ de tekst die de HEFCE in het
                         Verenigd Koninkrijk wil opnemen in zijn financiële memorandum.
                         "Institutions should know and understand the full economic costs of the activities that
                         they undertake and this information should be taken into account within their mana-
                         gement decision making processes.
                         Institutions should seek to recover the full economic costs of all their activities, whe-
                         ther pricing is determined by reference to those full economic costs or by reference to
                         prevailing market conditions. While their may be cases for individual projects or acti-
                         vities to be priced below their full economic costs, this should be done as a conscious
                         decision, within the context of strategic objectives."
                         Bron: The sustainability of university research. OST, 2003, pag. 24
                         De minister van OCW is niet klaar met een algemene uitspraak dat kennisinstel-
 minister OCW spreekt    lingen zélf verantwoordelijk zijn. De Raad vindt dat de minister de instellingen
instellingen hierop aan  hierop vervolgens ook dient aan te spreken. Bijvoorbeeld door te verlangen dat de
                         kennisinstellingen inzichtelijk maken welke beleidsmatige en financiële criteria zij
                         hanteren bij het aangaan van matchingsverplichtingen. En door aan te geven hoe
                         zij zorgdragen voor een goede inkadering van beslissingen over matching in de
                         strategische profilering. Een dergelijke verantwoording kan onderdeel zijn van de
                         'beleidsrijke' dialoog waarvoor de Raad eerder heeft gepleit.43
                            43    Zie AWT-Advies 51. Wijsheid achteraf. De verantwoording van universitair onderzoek. Juni 2003
                      45 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>                          VSNU: Ondersteuning met methodiekontwikkeling en instellen stuurgroep
stuurgroep instellen voor De Raad heef eerder geconcludeerd dat het nu niet gemakkelijk is om de integra-
 ontwikkeling methodiek   le kosten van projecten inzichtelijk te krijgen. Op dit punt zijn verbeteringen drin-
                          gend gewenst. Daarom adviseert de Raad kennisinstellingen een transparante
                          methodiek te ontwikkelen voor kostenberekeningen van onderzoek op project- en
                          programmaniveau. Hij roept de VSNU op een stuurgroep in te stellen die good
                          practices uitwisselt en de methodiekontwikkeling begeleidt.44 De stuurgroep kan
     transparante kosten  tevens kennisinstellingen helpen de kostentoerekening en beprijzing van onder-
            en beprijzing zoeksprojecten te integreren in hun strategische en financiële besluitvorming,
                          zodanig dat de kracht en kwaliteit van instellingen op de langere termijn veilig
                          wordt gesteld.
                          4..3 Kennisinstellingen: verhelderen omgang
                                     met matchingsverplichtingen
                          De Raad adviseert de Colleges van Bestuur van kennisinstellingen de omgang met
                          matchingsverplichtingen te verbeteren.
                          a. Kader matchingsverplichtingen in in een heldere strategie en handel daarnaar.
                          b. Stel lokale gedragsregels op voor het aangaan van matchingsverplichtingen.
                          c. Ontwikkel effectieve management informatiesystemen voor het monitoren en
                              beheersen van financiële verplichtingen.
                          De Raad heeft zijn aanbevelingen tot dusver vooral gericht op de minister van
                          OCW en de financiers, teneinde de kaders waarbinnen kennisinstellingen hebben
                          te opereren zo helder mogelijk te maken. Binnen die kaders zijn echter de kennis-
                          instellingen zélf verantwoordelijk voor een goede totale bedrijfsvoering.
                          Kader matchingsverplichtingen in in een heldere strategie en handel daarnaar
        heldere strategie De Raad roept de afzonderlijke kennisinstellingen op aan te gane matchingsver-
       instellingen nodig plichtingen goed in te kaderen in de strategie en profilering van de instelling. Dit
                          vergt allereerst helderheid over de strategie en inhoudelijk profilering, van afzon-
                          derlijke faculteiten én van de instelling als geheel. Voor de meeste instellingen is
                          versterking hiervan gewenst. Het is zaak inschrijving in tweede en derde geld-
                             44 Ook op dit punt kan Nederland zijn voordeel doen met de reeds opgedane inzichten en ervaringen
                                 in het Verenigd Koninkrijk. Daar wordt al enige tijd gewerkt aan een Transparant Approach to Costing
                                 (TRAC) en is een Joint Costing and Pricing Steering Group (JCPSG) ingesteld. Zie The sustainability of uni-
                                 versity research. OST, 2003.
                       46 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                                stroomprojecten en daarmee samenhangende matchingsverplichtingen serieus af
                                te wegen in het licht van die strategie en profilering. Uiteraard is het daarbij
    met goede balans tussen     belangrijk een goed evenwicht te vinden tussen benodigde bewegingsvrijheid op
       sturing en flexibiliteit decentraal niveau en de noodzaak tot centrale sturing. Maar van kennisinstellin-
                                gen mag zonder meer verwacht worden dat zij strategische afwegingen maken en
                                zich niet _ op decentraal niveau _ laten verlokken door de beschikbaarheid van
                                allerlei subsidieregelingen. De Raad vindt dat kennisinstellingen op dit punt hun
                                eigen verantwoordelijkheid beter moeten waarmaken.
                                Stel lokale gedragsregels op voor aangaan van matchingsverplichtingen
heldere lokale gedragsregels    Behalve uitspraken over de strategie (welk onderzoek willen we?) vergt een hel-
             rond matching ...  dere omgang met matching ook uitspraken over lokale gedragsregels. Hierbij
                                gaat het om de criteria die een instelling hanteert voor goedkeuring van een
                                onderzoeksproject onder de integrale kostprijs. Op lokaal niveau zou, naar de
                                mening van de Raad, dezelfde stelregel moeten gelden als op nationaal niveau:
                                'Financiers van onderzoek dienen de integrale kosten van onderzoek te betalen,
                                tenzij er sprake is van versterking van de publieke kennisinfrastructuur en een
                                publiek wetenschappelijk belang.' De Raad roept kennisinstellingen op om,
                                binnen het raamwerk van gedragsregels op het niveau van het gehele financie-
                                ringsstelsel (zie paragraaf 4.1) gedragsregels te ontwikkelen binnen de eigen
                                instelling.
                                De lokale gedragsregels hebben tevens betrekking op de wijze van besluitvorming
                                over het al dan niet matchen van onderzoeksprojecten. De centrale richtlijnen
        ... en spelregels over  moeten goed afgestemd worden met decentraal te nemen initiatieven. Om dit
     mandatering financiële     integrale bestuur te ondersteunen, zijn heldere spelregels nodig over mandatering
                verplichtingen  van financiële verplichtingen. Hierbij dient een inhoudelijke toetsing plaats te vin-
                                den (past het bij de inhoudelijke profilering?) alsook een financiële toets (kunnen
                                we de financiële verplichtingen aangaan, de 'weelde' dragen?). Er zijn universitei-
                                ten die werken met budgetten (mandatering binnen bepaalde grenzen) en stra-
                                tegische reserves op faculteitsniveau en/of reserves op instellingsniveau. Dit kan
                                een manier zijn om een robuuste, centrale strategie te combineren met flexibiliteit
                                op facultair niveau. De Raad adviseert de instellingen om best practices met elkaar
                                uit te wisselen.
                                Ontwikkel effectieve management informatiesystemen
betere informatiesystemen ...   De Raad heeft eerder geconstateerd dat de bestaande managementinformatie-
                                systemen in de kennisinstellingen vaak niet toereikend zijn om de financierings-
                            47  AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>    ... om goede uitvoering stromen te beheersen.45 Hij spoort de instellingen aan op korte termijn manage-
   strategie te waarborgen  mentinformatiesystemen op te zetten die transparantie bieden en een goede uit-
                            voering van de strategische keuzen kunnen waarborgen.46 De eerder bepleitte
                            stuurgroep 'Methodiekontwikkeling' kan hierbij ondersteuning bieden.
                            Intern moet het beeld verdwijnen dat het aantrekken van middelen die dekking
                            geven van de additionele uitgaven goed is. Medewerkers moeten leren denken in
onderzoekers moeten leren   termen van kosten en beseffen dat het aantrekken van verliesgevend onderzoek
           denken in kosten de financiële positie van de instelling ondermijnt. Het lijkt zo aantrekkelijk om
                            steeds meer middelen aan te trekken _ de infrastructuur wordt immers groten-
                            deels verzorgd door het centrale bestuur _ maar dit leidt op den duur tot een als-
                            maar groter verlies.
                            Naar buiten toe moeten de instellingen inzicht kunnen geven in de daadwerke-
                            lijke kosten van onderzoek. Allereerst omdat instellingen een deugdelijke verant-
  transparantie kosten ook  woording moeten kunnen afleggen over hun totale bedrijfsvoering. Daarnaast is
 naar buiten toe belangrijk transparantie belangrijk in discussies met financiers. Instellingen brengen zichzelf
                            in een kwetsbare positie ten opzichte van financiers als zij niet kunnen aantonen
                            welke kosten gemoeid zijn met de uitvoering van onderzoek en daarmee een
                            onderbouwing kunnen geven van de te verwachten bijdrage van financiers.
                            4..4 Tot slot
                            Nu alle aanbevelingen zijn gegeven, wil de Raad nogmaals ingaan op de context
                            van dit advies: de toename van de tweede en derde geldstroom en de 'dynami-
                            sering' van de eerste geldstroom. Eerder heeft de Raad gesteld dat hij juist van-
                            wege deze ontwikkelingen bezinning op de matchingsproblematiek urgent acht.
    bezinning op matching   Bij alle verdere discussies over veranderingen in de bekostigingssystematiek dient
                     urgent de matchingsproblematiek meegenomen te worden. Dit advies is hierbij
                               45 Het is verheugend om te zien dat enkele universiteiten duidelijke voortgang hebben gemaakt; zij zijn
                                   begonnen met het berekenen van integrale tarieven en het communiceren daarvan naar de decen-
                                   trale niveaus. Toch moet er nog veel verbeterd worden. Niet alleen zijn de administratieve systemen
                                   nog teveel gebaseerd op kostenplaatsen, waardoor goede toerekening van kosten moeilijk is, maar
                                   ook is de begrotingssystematiek in veel gevallen nog teveel gericht op het sluitend krijgen van de
                                   korte termijn exploitatierekening.
                               46 Financiële beheerssystemen de bedoelde strategische keuzes echter niet vervangen. Zulke systemen
                                   zijn vooral bedoeld om de uitvoering van de strategische keuzes te bewaken.
                         48 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                           behulpzaam doordat het aangrijpingspunten levert voor een andere omgang met
                           matching. De kern hiervan is gelegen in de volgende redenering, die relevant is
                           in elke toekomstige verdeling en verhouding van geldstromen.
                           .   Voor onderzoek dat géén publiek wetenschappelijk belang dient in principe
                               altijd (minstens) 100% van de integrale kosten betaald te worden;
                           .   Voor onderzoek dat een publiek wetenschappelijk belang dient, is enige mat-
                               ching vanuit de kennisinstelling gerechtvaardigd. Hoeveel matching voor reke-
                               ning van de kennisinstelling kan en mag komen, hangt af van de omvang van
                               de eerste geldstroom in verhouding tot de beschikbare subsidiegelden.
                               Naarmate deze subsidiegelden in omvang toenemen, dient overall een lagere
                               matching van de kennisinstellingen gevraagd te worden.
hier geen uitspraken over  De Raad doet in dit advies bewust geen uitspraken over de gewenste omvang van
       gewenste omvang     de geldstromen, in absolute zin en ten opzichte van elkaar. Met dit advies heeft
             geldstromen   hij de aandacht vooral willen vestigen op de systematiek en praktijk van matching
                           en de doorwerking daarvan op de kennisinfrastructuur op kortere én langere ter-
      maar aandacht voor   mijn. Hierbij is hij steeds van de vooronderstelling uitgegaan dat alle partijen in
   doorwerking matching    Nederland _ dus ook de financiers van onderzoek _ belang hebben bij publieke
                           kennisinstellingen die vitaliteit kunnen paren aan kwaliteit. Het zou volgens de
                           Raad van cynisme getuigen om matching alleen als een probleem van de kennis-
   gezamelijke aanpak en   instellingen te zien. Het is tijd voor een gezamenlijke aanpak en actie, met een
               actie nodig coördinerende rol voor de minister van OCW.
                           Aldus vastgesteld te Den Haag, april 2004
                           J.F. Sistermans
                           Voorzitter
                           Mw. dr. V.C.M. Timmerhuis
                           Secretaris
                       49  AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>   Bijlagen
   Bijlage 1:
   Overzicht aandelen financiers in tweede en derde geldstroom
   De in tabel 1 van de hoofdtekst aangegeven cijfers voor het beslag van matching
   op de eerste geldstroommiddelen van de onderzochte instellingen vertonen forse
   verschillen per instelling. Elk van de instellingen heeft een bepaalde mix van finan-
   ciers, met verschillende voorwaarden. Van die financiers baseert een belangrijk
   deel de subsidie op de marginale kosten. Maar bijvoorbeeld het ministerie van
   Economische Zaken hanteert in haar huidige regelingen vaak een subsidie van
   50% op een variant van de integrale kosten: de directe kosten plus een forfaitaire
   opslag voor overhead (vast percentage van de directe personeelskosten). De EU
   kent twee systemen: 50% van de integrale kosten, of 100% van de additionele
   kosten. Om meer inzicht te geven in de gevolgen van die mix, zijn in onder-
   staande tabellen de aandelen van de verschillende financiers in de tweede en
   derde geldstroom van de onderzochte instellingen weergegeven, met de daaraan
   gepaarde matchingspercentages.47
   Tabel A1: aandeel financiers in de tweede en derde geldstroom per universiteit
   (als percentage van de totale tweede
                                                                      universiteit
   financier                                Twente   Wageningen        Eindhoven      Utrecht    Tilburg
   NWO, KNAW                                   23         13               35             6         20
   EU Kaderprogramma’s                         14         23                6             2
   subsidies nationaal                         16         41               10            21         6
   subsidies internationaal                               15
   contractonderzoek                           47          3               49            36         74
   internationale overheden, niet EU                       5
   collectbusfondsen                                                                     18
   overige                                                                               17
      47 Het betreft hier de gegevens van de onderzochte faculteiten, zoals die in de bijlagen van het rapport
           van Ernst & Young terug te vinden zijn.
51 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   Tabel A2: Matchingspercentage (aanvulling subsidie door kennisinstelling uit
   eigen middelen) per financier en instelling (als percentage van de integrale
   kosten)
                                                              universiteit
   financier                              Twente   Wageningen Eindhoven    Utrecht Tilburg
   NWO, KNAW                                53          55        50         49       59
   EU Kaderprogramma’s                      50          16        12         37
   subsidies nationaal                      35          33        58         43       58
   subsidies internationaal                             18
   contractonderzoek                        55          39        54         39       26
   internationale overheden, niet EU                    18
   collectbusfondsen                                                         53
   overige                                                                   42
   Uit bovenstaande tabellen blijkt dat bijvoorbeeld Eindhoven voor 97% geconfronteerd
   wordt met financiers die 50% of meer aan aanvulling vragen (Twente 88%), terwijl dit
   voor Wageningen maar voor 20% van de totale geldstroom geldt (Tilburg 45,7%,
   Utrecht 21%). Opvallend zijn de verschillen die veroorzaakt worden door de vergoe-
   dingsbasis bij de EU-Kaderprogramma's en de effecten van selectieve omgang met
   contractonderzoek.
   Bijlage 2:
   Commentaar bij gemiddeld matchingspercentage
   Op basis van de door de universiteiten aangegeven integrale tarieven en de mat-
   chingspercentages per financier, berekent Ernst & Young dat de gemiddelde mat-
   ching over alle instellingen heen 46% bedraagt. De vraag kan gesteld worden in hoe-
   verre de gekozen mix van instellingen invloed heeft op die uitkomst. Daarbij kunnen
   twee elementen nader bekeken worden, die verschillen tussen instellingen blootleg-
   gen en daarmee de gevoeligheid voor de gekozen mix. Deze twee elementen zijn:
   .   de variatie in matchingspercentage per financier
   .   de variatie in tariefstellingen van de instellingen
   Variatie in matchingspercentages
   Niet alle instellingen hebben te maken met een zelfde mix van financiers. Per financier
   kan echter wel gesteld worden dat de voorwaarden voor subsidie min of meer gelijk
52 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>   zijn.48 Daarop zijn, zoals uit bijlage 1 blijkt, twee duidelijke uitzonderingen: EU-projec-
   ten en contractonderzoek.
   De EU kent twee verschillende grondslagen voor kostenberekening van projecten:
   50% van 'full costs' en 100% van 'additional costs'. Afhankelijk van de werkelijke
   kostenstructuur van instellingen kan het één of het ander gunstig zijn.49
   Contractonderzoek valt wel onder de gangbare definitie van de derde geldstroom,
   maar in feite is er geen sprake van matching in de zin van het aanvullen van subsidie-
   gelden. Het gaat hier om het accepteren van contracten tegen een bepaalde prijs, die
   al dan niet tot dekking van integrale kosten leidt. De mate waarin contractonderzoek
   geaccepteerd wordt met vergoeding beneden de integrale kostprijs varieert van uni-
   versiteit tot universiteit. Als deze beide variatiebronnen uit de berekening van het
   gemiddelde matchingspercentage geëlimineerd worden, is het resultaat ruim 47%,
   nauwelijks afwijkend van het eerder berekende gemiddelde.
   Variatie in tariefstelling
   Universiteiten kennen verschillen in integrale kostenniveaus. Dat mag ook verwacht
   worden vanuit de gedachte dat verschillende soorten onderzoek in verschillende mate
   gebruik maken van (dure) onderzoeksapparatuur. Daar staat tegenover dat bijvoor-
   beeld ICT zeer brede ingang heeft gevonden, ook andere onderzoeksvelden dan de
   technisch-wetenschappelijke en medische krijgen steeds meer te maken met kosten
   van technische hulpmiddelen. De onderzochte universiteiten bieden in dit verband
   een goed spectrum, van technische en medische tot economische onderzoeksacti-
   viteiten. Bijlage 1 biedt een aardig handvat om te kijken naar hoe verschillen in kosten
   in de praktijk uitwerken. Het mooiste beeld wordt verkregen door te kijken naar het
   vergoedingenniveau voor NWO projecten. Dat leidt tot de conclusie dat de tarieven
   een variatie van ongeveer ±10% vertonen.
   Schatting nauwkeurigheid gemiddeld matchingspercentage
   Beide variatiebronnen kunnen gecombineerd worden in een eenvoudige nauwkeu-
   righeidsanalyse. De uitkomst daarvan is dat het gemiddelde matchingspercentage kan
   variëren tussen 42 en 50%. Eventuele 'mix-effecten' zijn voornamelijk terug te voeren
   op verschillen in tarieven tussen instellingen. De gekozen mix biedt voldoende
      48 Om toch optredende verschillen te elimineren, verschillen die bijvoorbeeld voortkomen uit verande-
           ring van voorwaarden in de tijd, heeft Ernst & Young meerdere projecten per financier en instelling
           onderzocht.
      49 Opgemerkt dient te worden dat de EU-definitie van 'additional costs' ruimer is dan normaal onder
           marginale kosten wordt verstaan.
53 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>   houvast om de extrapolatie naar het niveau van het totale universitaire bestel te
   maken. Ernst & Young heeft bij de berekening van het beslag van matching op eerste
   geldstroommiddelen de situatie doorgerekend voor matchingspercentages van 40 en
   50%, dus een iets ruimere range dan hier als nauwkeurigheid wordt aangegeven.
54 AWT-advies nr. 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>