<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>67
  Tijd voor een opKIQer!
  Méér investeren in onderwijs en onderzoek
  oktober 2005
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>  Colofon
  Vormgeving:       Junior beeldvorming - Zoetermeer
  Druk:             Quantes - Rijswijk
  oktober 2005
  ISBN 90 77005 32 3
  Verkoopprijs      € 12,50
  Auteursrecht
  Alle rechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen van
  deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke
  toestemming van de AWT. Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van
  organisatienaam en naam en jaartal van uitgave.
2 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  Inhoudsopgave
  Samenvatting                                                                5
  1         Doorpakken                                                        7
  2         Andere landen nemen de handschoen op                             19
  3         Wat is nodig?                                                    31
  4         Aanbevelingen                                                    43
  Bijlage 1         Adviesvraag                                              49
  Bijlage 2         Vitalisering van de Kenniseconomie                       53
  Bijlage 3         Losing momentum!                                         57
  Bijlage 4         Recente beleidsmaatregelen op het terrein van onderwijs,
                    onderzoek en innovatie                                   61
  Bijlage 5         Kanttekeningen bij de KIQ                                63
  Bijlage 6         Achieving Excellence: de Canadese innovatiestrategie     67
  Bijlage 7         Science & innovation investment framework 2004 – 2014:   73
                    de innovatiestrategie van het Verenigd Koninkrijk
  Serie uitgebrachte adviezen van de Adviesraad voor het
  Wetenschaps- en Technologiebeleid                                          79
3 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>4 awt-advies nr. 67</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
  De Nederlandse KIQ moet omhoog!
  Nederland heeft in de afgelopen jaren een reeks van belangrijke initiatieven geno-
  men om knelpunten in onderwijs en onderzoek aan te pakken en de kennisinfra-
  structuur beter te doen aansluiten op de behoeften van de samenleving. Nederland
  doet veel – maar doet het genoeg?
  De AWT signaleert dat we in internationale vergelijkingen van concurrentiekracht en
  prestaties zijn afgezakt van de kopgroep naar het peloton: losing momentum. Dit
  heeft zijn spiegelbeeld aan de inputkant. Ook met investeringen in kennis en inno-
  vatie blijft Nederland duidelijk achter bij de landen waarmee wij ons graag vergelij-
  ken. Zowel de publieke als de private uitgaven investeringen in onderzoek als per-
  centage van ons BBP dalen, terwijl andere landen juist een inhaalslag maken.
  De relatief magere R&D-inspanningen aan private zijde mogen geen excuus zijn
  voor de overheid om vooral te wijzen naar ondernemers. Integendeel, lage private
  investeringen zijn reden voor extra overheidsinspanning. Een attractief innovatiekli-
  maat is onderwerp van overheidszorg: overheidsinvesteringen in onderwijs en onder-
  zoek vormen de basis waarop private investeringen voortbouwen. Het bedrijfsleven
  doet te weinig, maar de publieke sector mag daar niet op gaan wachten.
  De overheid erkent het probleem en heeft de laatste tijd de koers verlegd. We her-
  vormen, we investeren publieke middelen ondanks straffe economische tegenwind.
  Maar extra investeringen zijn veelal incidenteel. Wat we doen, is vooralsnog onvol-
  doende om onze ambities waar te maken. Dit kunnen we ons niet veroorloven. We
  mogen niet wachten tot de outcomes van onze kennisinvesteringen verder afkalven
  – dan is het te laat. De ontwikkeling van onze kennis en expertise, van ons innova-
  tievermogen en onze arbeidsproductiviteit, is van cruciaal belang voor de toekomst
  van Nederland. Een no-regret-beleid op dit thema is noodzakelijk. Daarover gaat dit
  advies. De kernvraag is echter niet of en met hoeveel we onze inspanningen moe-
  ten verhogen, maar hoe we dat moeten aanpakken. Hoe moeten we de institutio-
  nele randvoorwaarden inrichten om onszelf tot meer investeringen te verleiden?
  Wat moet er gebeuren?
  Onze publieke en private investeringen in onderwijs en onderzoek moeten omhoog.
  Dat staat voor de AWT als een paal boven water. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat
  we prioriteit geven aan het toekomstgericht investeren van onze collectieve en
5 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  particuliere middelen? De AWT doet in dit advies aanbevelingen om te bevorderen
  dat we gezamenlijk meer wíllen investeren in onderwijs en onderzoek, en het dan
  ook dóen. Hij concentreert zijn aanbevelingen op vijf aspecten.
  .   Visie. Bij politieke partijen, bedrijven en burgers ontbreekt momenteel een
      gevoel van urgentie. Het politieke en maatschappelijke draagvlak voor investerin-
      gen in kennisontwikkeling en innovatie is te smal. Maak het belang duidelijk. Stel
      de uitdaging de kennissamenleving tot ontwikkeling te brengen centraal in de
      beleidsontwikkeling en hanteer dit als toetssteen voor beleid op elk beleidster-
      rein.
  .   Strategie. Nederland moet niet alleen weten waar het naartoe wil, maar moet
      ook een concreet plan hebben om er te komen. Ontwikkel samen met alle
      belanghebbenden een omvattende nationale langetermijnstrategie voor de ont-
      wikkeling van de kennissamenleving. Laat die uitmonden in een realistisch maar
      solide investeringsplan met een structureel karakter en een tijdshorizon van min-
      stens tien jaar.
  .   Vertrouwen. De verhoudingen tussen overheid, kennisinstellingen en bedrijven
      worden nu teveel gekenmerkt door wederzijds wantrouwen. Dit leidt tot regel-
      drift bij de overheid en afwentelgedrag bij de andere spelers. Betere samenwer-
      king vraagt om meer helderheid over de (stelsel)verantwoordelijkheid van de
      overheid en de rollen en verantwoordelijkheden van de andere partijen. Voor de
      overheid geldt: baseer de relatie met andere partijen, en dan met name publieke
      onderwijs- en onderzoeksinstellingen, meer op het verlenen van autonomie
      binnen heldere kaders.
  .   Betrokkenheid. Consulteren gaat ons in de Nederlandse polder goed af, maar
      delegeren blijkt veel lastiger. Echte betrokkenheid vereist daadwerkelijke invloed.
      Betrek gebruikers en afnemers van kennis intensief en tijdig bij de ontwikkeling
      van het kennis- en innovatiebeleid, en geef hen vooral de ruimte bij de imple-
      mentatie. Maak afspraken over te behalen doelstellingen en geef andere partijen
      de middelen om deze naar eigen inzicht te realiseren.
  .   Volharding. Een strategie voor de ontwikkeling van de kennissamenleving is een
      zaak van lange adem. Voorkom dat deze ondermijnt wordt door (financiële)
      tegenvallers op de korte termijn. Voorzie de te ontwikkelen nationale langeter-
      mijninnovatiestrategie van een tijdpad en een reeks van procedures om te waar-
      borgen dat we vasthouden aan het voorgenomen pad.
6 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                     1                Doorpakken!
 Innovatieplatform hijst Eind 2004 publiceerde het Innovatieplatform zijn advies Vitalisering van de
             de stormbal Kenniseconomie. Daarin constateert het platform dat de Nederlandse investeringen
                         in kennis ‘ver onder het niveau [blijven] dat nodig is om onze ambitie tot de kop-
                         groep in de EU te behoren waar te maken. Onze prioriteitstelling en investeringsin-
                         spanning zijn niet consistent met onze beleden ambitie.’ Om de kloof tussen woord
                         en daad te dichten, adviseert het platform de investeringen in onderwijs en onder-
                         zoek te verhogen (zie bijlage 2). De ‘kennisinvesteringsquote’ (KIQ) moet omhoog.
                         Naar aanleiding van dit advies heeft de regering een verkenning opgesteld naar de
                         recente ontwikkeling van de publieke en private investeringen in kennis.1 Voor deze
                         verkenning heeft zij gebruik gemaakt van een studie naar de kwaliteit van het
                         Nederlandse kennissysteem in international perspectief van het CPB.2 In het verleng-
                         de van de verkenning hebben de ministers van EZ en OCW de Adviesraad voor het
                         Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) gevraagd om zijn visie te geven op de
                         ontwikkeling van de KIQ (zie bijlage 1 voor de adviesvraag).
                         We zijn op de goede weg …
                         In 2000 heeft de Europese Raad te Lissabon zich voorgenomen de Europese Unie
                         binnen tien jaar te doen uitgroeien tot ‘de meest concurrerende en dynamische
                         kenniseconomie van de wereld […] die in staat is tot duurzame economische groei
                         met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang’.3 Twee jaar later, in
                         Barcelona, heeft de Raad bovendien afgesproken maatregelen te nemen om de uit-
                         gaven aan R&D in de Europese Unie te verhogen ‘met het doel 3% van het BBP
                         voor 2010 te benaderen. Tweederde van deze nieuwe investeringen moet afkomstig
                         zijn uit de particuliere sector.’4
                         De Nederlandse regering heeft de Europese ambities ten aanzien van de kennis-
Nederland is ambitieus … samenleving meteen omarmd. Het kabinet Kok II heeft zelfs de aanvullende ambitie
                         geformuleerd Nederland voor 2010 te laten uitgroeien tot één van de drie koplo-
                         pers binnen de Europese Unie. Het kabinet Balkenende II heeft dit streven overge-
                         nomen. In tijden van grote bezuinigingen heeft het substantiële investeringen in
                         kennis en innovatie in het vooruitzicht gesteld. Parallel hieraan zijn diverse beleids-
                         1    Ministeries van EZ en OCW, juli 2005, Een verkenning naar de kennisinvesteringsquote (KIQ) en de prestaties van de ken-
                              niseconomie op hoofdlijnen.
                         2    CPB, juni 2005, Nederlands onderwijs en onderzoek in internationaal perspectief, CPB Document 88.
                         3    Europese Raad van Lissabon, 23 en 24 maart 2000, Conclusies van het voorzitterschap.
                         4    Europese Raad van Barcelona, 15 en 16 maart 2002, Conclusies van het voorzitterschap.
                      7  awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>                        maatregelen genomen gericht op structurele hervorming en verbetering van de wer-
                        king van het kennis- en innovatiesysteem (zie bijlage 4).5 Bovendien is het
                        Innovatieplatform in het leven geroepen met leden afkomstig uit overheid, bedrijven
                        en kennisinstellingen en voorgezeten door de premier. Dit heeft als missie ‘de inno-
                        vatiekracht van Nederland te versterken, zodat ons land in 2010 weer een koploper
                        is in de Europese kenniseconomie’.6
… en zet beleid in gang De AWT heeft grote waardering voor de ambities en de inzet van het kabinet. Het
                        heeft kennis en innovatie prominent op de beleidsagenda geplaatst en is er in
                        geslaagd in economisch moeilijke tijden toch energie en geld vrij te maken voor de
                        kennissamenleving.7
                        … maar we zijn er nog lang niet!
  Een behoorlijke basis We gaan bergop, maar het is nog een heel eind tot de top. Dit wordt bevestigd
  met zwakke plekken    door de KIQ-verkenning van het kabinet. Deze concludeert dat het Nederlandse
                        kennisstelsel weliswaar redelijk presteert, maar op belangrijke onderdelen achter-
                        blijft bij de ambities.8 De belangrijkste bevindingen zijn als volgt.
                        .   Het Nederlandse onderwijs functioneert over het algemeen goed voor relatief
                            weinig geld. Maar op onderdelen laat het te wensen over. Dit betreft vooral het
                            hoge aantal voortijdig schoolverlaters, de duur van de onderwijsdeelname, het
                            gemiddelde opleidingsniveau van de Nederlandse beroepsbevolking en het rela-
                            tief geringe aantal afgestudeerden in bèta- en techniekrichtingen.
                        .   Het Nederlandse onderzoek functioneert eveneens goed. De kennisontwikkeling
                            is op peil met wetenschappelijk onderzoek van hoog niveau. Het bedrijfsleven
                            innoveert relatief efficiënt en vraagt veel octrooien aan. Wel is er sprake van een
                            gebrekkige vertaling van kennis in nieuwe producten en diensten en van relatief
                            lage private investeringen in R&D.
                        .   De verbindingen in het systeem, de publiek-private relatie en de samenhang tus-
                            sen onderwijs en onderzoek, zijn voor verbetering vatbaar. Door publieke en pri-
                            vate inspanningen op het terrein van de kenniseconomie meer gezamenlijk te
                            verrichten kan het rendement worden verhoogd.
                        5    Met tal van maatregelen zijn allerlei knelpunten in onderwijs, onderzoek, kennisoverdracht en -gebruik voortvarend aan-
                             gepakt. Belangrijke initiatieven in het hoger onderwijs en het onderzoek zijn gericht op het creëren van ‘focus en
                             massa’, het stimuleren van de keuze voor bètastudies, het versterken van wetenschappelijke excellentie en het bevorde-
                             ren van een betere kennisdoorstroming tussen kennisinstellingen en bedrijven.
                        6    Http://www.innovatieplatform.nl/nl/missie/index.html
                        7    Zie bijvoorbeeld het Regeerakkoord van het kabinet Balkenende II: “Onderwijs en onderzoek zijn een essentiële basis van
                             de samenleving en de economie. Ondanks de moeilijke financieel-economische situatie wordt er niet bezuinigd op
                             onderwijs en kennis. Integendeel, het kabinet trekt juist fors extra middelen uit voor deze prioriteit in het beleid.”
                        8    De overheid volgt hierbij het CPB, dat concludeert dat het Nederlandse kennissysteem niet systematisch beter of slechter
                             functioneert dan dat van de kopgroep in Europa. Naar eigen zeggen presenteert het CPB een positiever beeld van het
                             Nederlandse kennissysteem dan andere recente studies, doordat het meer aandacht geeft aan throughput- en outputin-
                             dicatoren. Ook het CPB rapporteert een somber beeld van inputindicatoren, maar stelt daar een gemengd beeld naast
                             van throughput- en outputindicatoren. Dit gaat vergezeld van de opmerking dat er een time lag bestaat tussen input en
                             output: het huidige resultaat is mede een gevolg van inspanningen uit het verleden.
                      8 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                  In zijn reactie op de ontwikkeling van de KIQ benadrukt het kabinet dat ‘het uitein-
                                  delijk vooral gaat om het rendement en de outcome van deze investeringen.
                                  Eventuele onderprestaties van Nederland moeten in eerste instantie blijken uit slech-
                                  te prestaties (de outcome).’ De verkenning onderstreept het belang van de kabinets-
                                  inzet gericht op versterking van de kennissamenleving, maar verwijst uiteindelijk
                                  vooral naar staand beleid en recent in gang gezette initiatieven van het kabinet om
Overheid pakt knelpunten aan …    knelpunten op het gebied van onderwijs en onderzoek aan te pakken. De bood-
                                  schap is dat deze maatregelen volstaan om de toekomst met vertrouwen tegemoet
                                  te treden. Slechts op één punt worden concrete extra inspanningen in het vooruit-
                                  zicht gesteld, namelijk om betere data rond de KIQ te gaan verzamelen en om beter
                                  inzicht te verwerven in de resultaten van onderwijs- en onderzoeksbeleid.9
                                  Met alle appreciatie die wij hebben voor de kabinetsinspanningen, meent de AWT
            … maar meer is nodig  dat méér maatregelen nodig zijn om voor de toekomst klaar te staan. Een blik over
                                  de grens maakt dit duidelijk. Nederland zet er weliswaar stevig de pas in, maar
                                  andere landen lopen harder. In internationaal verband begint zich steeds duidelijker
                                  een terugval af te tekenen. De Nederlandse kennissamenleving zakt af van de
 In internationale vergelijkingen Europese kopgroep naar het peloton: losing momentum. Dat is niet alleen zichtbaar
     verliest Nederland terrein … aan de inputkant, maar ook aan de outcome-kant, in de prestaties. In absolute ter-
                                  men presteren we weliswaar nog redelijk, maar in relatieve termen verliezen we ter-
                                  rein. Veelzeggend zijn in dit verband de onderstaande figuur en citaten uit het
                                  European Innovation Scoreboard 2004 (zie kader).10 Nederland presteert gemiddeld
                                  op het gebied van innovatie (waarbij het EU-gemiddelde toch al laag ligt, omdat de
                                  recente toetreders tot de EU vrij laag scoren). We bungelen bijna helemaal onderaan
                                  waar het gaat om de gemiddelde verandering in de trendindicatoren.
                                  European Innovation Scoreboard 2004
                                     “While Sweden and Finland maintain their leadership positions, they have lost
                                     momentum somewhat. Germany and Denmark are performing well above the EU
                                     average, with Denmark in particular moving ahead quickly. Other leading coun-
                                     tries, such as the Netherlands, Ireland and France, are slowing down. Most of the
                                     new EU Member States are catching up, although from relatively low levels.
                                     The EU innovation performance has been relatively constant since 1996, whereas
                                     the US and Japan have further improved, thus widening the innovation gap.”
                                  9    De KIQ-verkenning sluit af met een aantal zaken die het kabinet wil gaan oppakken: betere data over private kennisin-
                                       vesteringen gaan verzamelen (een ‘kennisinvesteringsbarometer’), kennisinvesteringen beter in CPB-modellen verwerken,
                                       in samenspraak met de EU de problematiek van de waardering van deze investeringen op de balans van bedrijven nader
                                       verkennen, en een onderzoeksagenda Kennis en Innovatie gaan vormgeven.
                                  10   Ook in diverse andere internationale benchmarks komt naar voren dat Nederland flink terrein aan het verliezen is. Zie bij-
                                       voorbeeld de IMD World Competitiveness index waarop Nederland van een vierde plaats in 2000 is gedaald naar een vijf-
                                       tiende plaats in 2004. Of het World Competitiveness Report waar Nederland wat betreft growth competitiveness is
                                       gedaald van een derde positie in 2000 naar een twaalfde in 2004. Alhoewel dit soort benchmarks met de nodige
                                       omzichtigheid geïnterpreteerd dienen te worden, kunnen we niet ontkomen aan de conclusie dat de uitkomsten dezelf-
                                       de neerwaartse trend laten zien.
                                9 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                                   Average country trend by Summary Innovation Index
                                                         0.90
                                                                    2. Losing
                                                                                                                                                   1. Moving ahead
                                                                    momentum
                                                                                           SE
                                                         0.80
                                                                                     FI
                         2004 Summary Innovation Index
                                                         0.70
                                                                                                CH
                                                         0.60
                                                                                                DE
                                                                                                                 DK                                              IS
                                                         0.50                   IE     UK
                                                                        NL            FR               BE
                                                         0.40                   AT                                    NO
                                                                         EE
                                                                                                                                 SI
                                                         0.30                             IT    LU          ES                                PT
                                                                                                                                        BG
                                                                                     CZ                     LT         SK             HU
                                                         0.20                                          EL
                                                                                                                            LV                     CY
                                                                                                         PL                 RO
                                                         0.10
                                                                    4. Falling
                                                                    further behind                                               TR                     3. Catching up
                                                         0.00
                                                                0                         5                 10                    15          20                         25
                                                                                                     Average change in trend indicators (%)
                       Dotted lines show EU25 mean performance
                       De summary innovation index is een getal, berekend op basis van 20 indicatoren die
                       gezamenlijk de relatieve nationale prestaties op innovatiegebied weergeven.
                       Bron: European Innovation Scoreboard 2004
                       De indruk dat Nederland relatief terugvalt in prestaties op het gebied van kennis en
… op vele fronten, …   innovatie wordt bevestigd door een reeks van andere waarnemingen:
                       .                                 Het niveau van de arbeidsproductiviteit in Nederland is nog steeds relatief hoog,
                                                         maar de arbeidsproductiviteitsgroei blijft hier al jaren achter bij die in omringen-
                                                         de landen.11
                       .                                 Het Nederlandse innovatieklimaat ontwikkelt zich niet erg voorspoedig. Het
                                                         financieringsaandeel van het buitenland in de Nederlandse R&D lijkt na de sterke
                                                         groei in de jaren negentig niet meer toe te nemen.12
                       .                                 In vergelijking tot andere landen neemt Nederland ‘een zwakke tot middelmatige
                                                         positie in wat betreft het aantrekken van buitenlandse directe investeringen in
                                                         R&D’ (in docking).13
                       .                                 Er is nog steeds sprake van een brain drain van Nederlands toptalent richting VS
                                                         en pogingen een zekere brain gain te realiseren lopen nog vaak spaak.14
                       11                                Zie ministeries van EZ en OCW, juli 2005, Een verkenning naar de kennisinvesteringsquote (KIQ) en de prestaties van de
                                                         kenniseconomie op hoofdlijnen; zie OECD, Economic Survey - Netherlands 2004 (OECD STAN database).
                       12                                CWTS, Universiteit Leiden en MERIT, Universiteit Maastricht, Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie
                                                         (NOWT), Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren Rapport 2005, in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur
                                                         en Wetenschap, (nog te verschijnen).
                       13                                Zie Hugo Erken, Marcel Kleijn en Floris Lantzendörffer, 2004, Buitenlandse directe investeringen in R&D, ministerie van
                                                         EZ; zie ook Hugo Erken, Marcel Kleijn en Floris Lantzendörffer, 2005, Improving the R&D investment climate: Sharpening
                                                         a double-edged sword, ministerie van EZ.
                       14                                Het is met name schrijnend dat pogingen om de problemen met het tot Nederland toelaten van kenniswerkers van bui-
                                                         ten de EU, ofschoon reeds twee jaar geleden door het Innovatieplatform geagendeerd, nog steeds vastlopen op bureau-
                                                         cratische barrières. Zie Het Financieele Dagblad, Kenniswerkers stranden op bureaucratie, 29 augustus 2005; zie
                                                         Onderzoek Nederland, 9 september 2005.
                 10    awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                .   Het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking komt niet uit boven het
                                    gemiddelde niveau van de OESO. Kijkend naar mensen tussen 25 en 32 jaar staat
                                    Nederland in de lijst van dertig OESO-landen op de achttiende plaats waar het
                                    gaat om het percentage dat een hogere opleiding heeft afgerond en op de
                                    negentiende plaats waar het gaat om een afgeronde voortgezette opleiding.15
                                .   Nederlandse jongeren kiezen nog steeds relatief weinig voor een onderzoeks-
                                    loopbaan in een technische of natuurwetenschappelijke richting.
                                .   Nederland kent een hoge voortijdige schooluitval, in het bijzonder uit het VMBO,
                                    een aanzienlijk functioneel analfabetisme onder 15-jarigen en een moeizame
                                    doorstroom van allochtonen naar het Hoger Onderwijs.
                                Beschikbaarheid van kennis en innovatieklimaat zijn belangrijke determinanten van
                                de concurrentiekracht van een nationale economie. Ook de laatste world compe-
                                titiveness metingen wekken de suggestie dat de positie van Nederland begint te ver-
                                slechteren in internationaal verband.
                                 Nederland volgens:                                               2000         2001 2002 2003 2004 2005
                                 IMD World Competitiveness Yearbook 2004, overall ran-
                                 kings                                                                   4          6         4      13       15       13
                                 World Competitiveness Report (WEF), growth competiti-                   3          8       13       12       12        11
                                 veness ranking.16
                                Dit verlies van momentum aan de prestatiekant heeft zijn spiegelbeeld aan de input-
                                kant. Ook op het gebied van investeringen in kennis en innovatie blijft Nederland
                                duidelijk achter bij landen waarmee we ons graag vergelijken. Uit de cijfers van de
                                EU (zie bijlage 3) doemt een zorgelijk beeld op: zowel de publieke als de private uit-
                                gaven aan R&D zijn aan het dalen als percentage van ons BBP. Dit terwijl andere lan-
                                den juist op investeringsgebied een inhaalslag aan het maken zijn. Dit zorgelijke
                                beeld wordt bevestigd in het rapport van het Nederlands Observatorium van
… waaronder kennisinvesteringen Wetenschap en Technologie (NOWT) dat verschijnt in december 2005.
                                15   OECD, Education at a glance 2005, september 2005. Hier correspondeert een lage score aan de outputkant met een
                                     zwakke score aan de inputkant: Nederland staat op de twintigste plaats als het gaat om het aandeel van het BBP dat in
                                     onderwijs wordt geïnvesteerd – een vol procent van het BBP minder dan gemiddeld in de OESO en dik twee procent
                                     minder dan de VS.
                                16   De Growth Competitiveness Index (GCI) wordt berekend op basis van drie andere indices: GCI = ½ (technology index) +
                                     ¼ (public institutions index) + ¼ (macroeconomic environment index). Nederland scoort in 2003 op deze drie indices als
                                     volgt: macroeconomic environment: negende; public institutions: elfde; technology: achtiende.
                             11 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                      “[De Nederlandse R&D-intensiteit] is gedurende de laatste vijf jaar [d.w.z. in de
                                      periode 1998-2003] sterk gedaald. Als gevolg van de achterblijvende ontwik-
                                      keling van de Nederlandse investeringen in R&D is ons land enigszins achterop
                                      geraakt in vergelijking met onze buurlanden (België, Duitsland, Verenigd
                                      Koninkrijk) en de overige referentielanden in deze studie (Finland, Zweden,
                                      Zwitserland, Canada, en Australië). De Nederlandse R&D-intensiteit is nu één
                                      van de laagste van die groep landen. Nederland toont veruit de laagste groei
                                      van de investeringen gecorrigeerd voor inflatie in de afgelopen vijf jaar.
                                      Nederland investeert dus relatief weinig in kennisontwikkeling en lijkt daarmee
                                      achter te blijven bij een aantal van onze grote concurrenten in de mondiale
                                      kenniseconomie. Daarnaast zijn de huidige R&D-investeringen zijn beslist
                                      onvoldoende om de Barcelona-ambitie van 2010 waar te maken […].
                                 Publieke én private investeringen moeten omhoog
                                 Met de commissie Kok, het Innovatieplatform en de SER meent de AWT dat meer
                                 investeringen nodig zijn om de Lissabonambities dichterbij te brengen. De AWT
                                 roept de Nederlandse overheid dan ook op haar inspanningen op het gebied van
                                 onderwijs en ontwikkelingen verder te verhogen en private partijen te stimuleren
                                 hetzelfde te doen. Het Nederlandse bedrijfsleven blijft gemiddeld achter bij de bui-
Het bedrijfsleven in Nederland   tenlandse concurrentie, maar dat mag geen excuus zijn voor de overheid om vooral
                   blijft achter te wijzen naar ondernemers. Integendeel, dit is een reden voor extra overheidsin-
                                 spanning. De belangrijkste factor voor bedrijven in de overweging om (meer) R&D
        Ga er niet op wachten    in een land te doen is immers, zo komt telkenmale uit onderzoeken naar voren, de
                                 beschikbaarheid van goed opgeleide medewerkers en een aantrekkelijke, hoog-
                                 waardige kennisinfrastructuur. Private kennisinvesteringen gedijen in die zin alleen
                                 op een solide basis van publieke investeringen. Tekortschietende publieke kennis-
                                 investeringen zijn daarom veel ernstiger dan achterblijvende private uitgaven (zie
                                 kader).
                                 Overheid en bedrijfsleven investeren állebei te weinig
                                 In Barcelona heeft de Europese Raad afgesproken te streven naar een R&D inten-
                                 siteit van 3% van het BBP met een bijdrage van 2% van het bedrijfsleven. Van private
                                 zijde mag inderdaad een grotere inspanning worden verwacht dan ze op dit ogenblik
                                 levert. Maar betekent dit dat de publieke zijde kan volstaan met de bal aan de andere
                                 kant van het speelveld te leggen? Het aandeel van tweederde is geïnspireerd door de
                                 situatie in de VS, een land met een heel ander belastingregime dan Nederland.
                                 Nederland kent relatief hoge belastingtarieven en een sterk progressief regime voor
                                 de inkomstenbelasting. Op grond daarvan verwachten burgers en ondernemingen in
                                 Nederland, terecht, ook een veel hogere bijdrage van de overheid in de financiering
                                 van onderzoek en ontwikkeling en daarmee een groter aandeel in de 3%.
                             12  awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>              Ook om andere redenen moet de overheid zelf harder aan de slag. Kapitaal is
   schaars en internationaal mobiel. Grote bedrijven kunnen zich in een globaliserende
   wereld overal vestigen. Landen concurreren om bedrijven, om kapitaal. Meer kapitaal
   leidt immers tot meer werkgelegenheid en een hogere arbeidsproductiviteit. Belangrijke
   factoren in deze internationale concurrentiestrijd zijn de kwaliteit en productiviteit van
   de factor arbeid, de beschikbaarheid van kennis, de mogelijkheden om kennis te com-
   mercialiseren, regelgeving, belastingen en subsidies en andere vormen van ondersteu-
   ning.17 Recent onderzoek schetst op het gebied van deze randvoorwaarden een somber
   beeld van Nederland.18
              Grotere inspanningen van het bedrijfsleven zijn beslist hard nodig. Maar
   ofschoon de overheid het bedrijfsleven dient aan te spreken op zijn betrokkenheid en
   verantwoordelijkheid mag ze er niet op gaan wachten. Het innovatieklimaat moet wor-
   den aangepakt.19 Als de publieke sector tekortschiet, hoeven achterblijvende private uit-
   gaven geen verbazing te wekken.
              Private kennisinvesteringen zijn gericht op innovatie binnen een onderneming
   en zijn bedrijfsspecifiek. Ze zijn noodzakelijk voor de economische dynamiek en voor
   het creëren van concurrentievoordeel. Veel innovaties zijn echter verplaatsbaar en ver-
   handelbaar. Een bedrijf kan nieuwe technologie aanwenden op de plek waar deze de
   meeste toegevoegde waarde oplevert. Een bedrijf kan ook technologie laten maken of
   kopen in plaats van haar zelf te produceren (via outsourcing of het verwerven van een
   licentie).
              Publieke kennisinvesteringen zijn daarentegen generiek, gericht op de algemene
   kennis en competenties van de bevolking. Ze bepalen de arbeidsproductiviteit van de
   beroepsbevolking, en daarmee de belangrijkste determinant van het nationaal inkomen,
   en de aantrekkelijkheid van een land als vestigingsplaats. Voor bedrijfs-R&D in Nederland
   bestaan dus alternatieven, voor publieke kennisinvesteringen in Nederland echter niet.
   Meer publieke investeringen in kennis en innovatie zijn derhalve hard nodig. Het kabi-
   net onderkent dit en is er met de afspraken in het Regeerakkoord, het Paasakkoord en
   de nieuwe verdeelsleutel voor de besteding van de FES-gelden in geslaagd in moeilijke
   tijden toch energie en geld vrij te maken voor de kennissamenleving.
   17   Private kennisinvesteringen bouwen in het algemeen voort op publieke onderwijs- en onderzoeksinvesteringen; het zijn
        meer complementen dan substituten. Zie over publieke investeringen in R&D (met name contractonderzoek en gesubsi-
        dieerd onderzoek): David, P.A., Hall, B.H., Toole, A.A., 2000, Is public R&D a complement or a substitute for private
        R&D? A review of the econometric evidence, Research Policy, vol. 29, pp. 497-529.
   18   Fora (Ministry of Economic and Business Affairs, Division of Economic and Business Research, Denmark), juli 2005, Dutch
        Capacity for Productivity Growth – From Benchmarking to Policy Priorities, onderzoek in opdracht van het ministerie van
        Economische Zaken. Nederland laat volgens dit onderzoek steken vallen, onder andere op het gebied van scope and
        quality of higher education (weinig hoger opgeleiden; gebrekkige aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt); knowledge wor-
        kers (weinig onderzoekers binnen Nederlandse bedrijven; weinig buitenlandse experts); commercialisation of public rese-
        arch (management van intellectueel eigendom; kennistransfer); entrepreneurship education (aandacht voor ondernemer-
        schapsvaardigheden binnen het hoger onderwijs).
   19   Soete spreekt in dit verband over de ‘Hollandsche kennisziekte’, het uiteengroeien van de bedrijfs-R&D en het publieke
        onderzoek. Dit is het gevolg van enerzijds internationalisering van het bedrijfsleven (gepaard gaande met wereldwijd
        ‘shoppen’ voor kennis en afbouw van eigen meer fundamenteel onderzoek en centrale laboratoria), en anderzijds ‘aca-
        demisering’ van het publieke onderzoek (een grotere gerichtheid op academische prestaties in de concurrentie voor
        nationale middelen – ten koste van het toegepast onderzoek); zie Soete, L., 2004, Activeren van Kennis, in Reflectie op
        het Nederlandse Innovatiesysteem, Innovatieplatform.
13 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                                  De AWT waardeert dit zeer, maar wil wijzen op twee belangrijke zorgpunten:
                                  .   De additionele investeringen in kennis en innovatie van de laatste jaren hebben
      Extra investeringen vooral      grotendeels een incidenteel karakter. Structureel waren alleen de extra middelen
                      incidenteel     uit de kennisenveloppe. De incidentele middelen zijn bovendien vrijwel allemaal
                                      programmatisch besteed. Dit heeft de kwaliteit van de besluitvorming over de
                                      inzet van de extra middelen onder druk gezet en een zware wissel getrokken op
                                      de absorptiecapaciteit van het veld. De AWT maakt zich in dit verband grote zor-
                                      gen om de huidige gang van zaken rond de toewijzing van de FES-middelen aan
                                      projecten. Beslissingen over zeer omvangrijke investeringsbedragen worden in
Tegenover investeringen stonden       grote haast genomen, met gebruikmaking van gebrekkige procedures. Dat komt
                  bezuinigingen       de kwaliteit en effectiviteit van deze investeringen niet ten goede.
                                  .   Tegenover de extra investeringen in kennis en innovatie stonden tegelijkertijd
                                      forse bezuinigingen. Deze zijn veel minder zichtbaar in de cijfers en zijn minder
                                      prominent voor het voetlicht gekomen, maar waren niet onaanzienlijk. Harde cij-
                                      fers hieromtrent zijn erg lastig boven tafel te krijgen, maar onderstaand kader
                                      geeft een indruk.
                                  Wat er aan de ene kant bijkomt, gaat er aan de andere kant weer af
                                  Het kabinet investeert extra in wetenschappelijk onderzoek via de eerste geldstroom
                                  en via NWO. Tegelijkertijd moeten universiteiten in algemene bezuinigingsrondes een
                                  bijdrage leveren. Per saldo blijkt het budget voor universiteiten in de afgelopen jaren
                                  niet gestegen maar gekrompen te zijn. Het NOWT rapporteert dat in de periode
                                  1998 – 2003 de R&D-investeringen in het hoger onderwijs in Nederland in reële
                                  termen zijn gedaald met gemiddeld 0,5% (terwijl ze in de referentielanden zijn
                                  gestegen met gemiddeld bijna 5%).20
                                  De VSNU heeft uitgerekend dat de universiteiten tussen 2000 en 2004 zo’n 415 mil-
                                  joen euro aan extra overheidsmiddelen hebben ontvangen om ongeveer 25% meer
                                  studenten op te leiden, om bijna 50% meer medici en tandartsen af te leveren en om
                                  jonge onderzoekers betere arbeidsvoorwaarden te kunnen bieden. Daartegenover
                                  stonden in deze periode 441 miljoen euro aan bezuinigingen en ‘efficiëntiekortingen’
                                  die overeenkomen met een jaarlijkse daling van het budget van 3 à 4%. Deze trend
                                  wordt in 2006 niet gekeerd. Volgens de rijksbegroting daalt het bedrag per student
                                  van 5.600 euro per jaar in 2006 verder tot 5.200 euro in 2010. Het ziet ernaar uit dat
                                  Nederlandse universiteiten in 2005 naar schatting een aantal in de orde van 600 fte
                                  moeten inkrimpen als gevolg van bezuinigingen en kortingen op loonkosten en prijs-
                                  compensatie.
                                  NWO is de afgelopen jaren geconfronteerd met een stapeling van kortingen die intus-
                                  sen oplopen tot een niveau van 17 miljoen euro per jaar (exclusief ZBO-korting van 4
                                  20   CWTS, Universiteit Leiden en MERIT, Universiteit Maastricht, Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie
                                       (NOWT), Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren Rapport 2005, in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur
                                       en Wetenschap, (nog te verschijnen).
                              14  awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                               miljoen euro per jaar). Dit bedrag is zo groot dat het niet meer op te vangen is met
                               efficiencykortingen of kaasschaafoperaties. Uitgaande van AIO-kosten voor de werk-
                               gever van 45.000 euro per jaar of postdoc-werkgeverskosten van 70.000 euro per jaar
                               gaan in 2005 zeker 250 onderzoeksplaatsen verloren door deze korting.
                               De Algemene Onderwijsbond schrijft op 7 september 2005 op haar webpagina over
                               de onderwijsbegroting:
                                  “Sinds deze maand staat het saldo op +121 miljoen euro, ofwel een investering
                                  van een half promille. Alle andere ‘plussen’ die de minister trots presenteerde
                                  werden opgeheven door de, niet actief naar buiten gebrachte, bezuinigingen.”
                               De HBO-raad heeft becijferd dat ook de uitgaven voor HBO-onderwijs achterblijven:
                               het bedrag per student daalt van 1996 tot 2010 met maar liefst 15%. De reactie
                               van de HBO-raad op de onderwijsbegroting 2006 luidt:
                                  “Weliswaar financiert het kabinet de studentengroei, maar de investeringsim-
                                  puls is negatief. Anders dan de begroting doet vermoeden, investeert het kabi-
                                  net immers geen 60 miljoen in het HBO, maar slechts 30 miljoen. Voeg daaraan
                                  toe de bezuinigingen van 60 miljoen uit het regeerakkoord en het resultaat van
                                  drie jaar kabinet Balkenende komt in 2006 uit op een negatief investeringssaldo
                                  van 30 miljoen Euro. De onderwijsbegroting geeft dus geen juiste voorstelling
                                  van zaken.”
                               Handen aan de ploeg en doorpakken …
                               Ook al doet Nederland het in absolute zin niet slecht, in relatieve zin is er sprake
                               van een terugval ten opzichte van de landen waarmee we ons willen kunnen meten.
                               In de tijd bekeken is er sprake van losing momentum. Dit is zorgelijk en vraagt om
                               actie. Door nu te weinig te investeren in kennis en innovatie, zet Nederland zijn toe-
                               komst op het spel. De cost gaet voor de baet uyt: Nederland kan zich niet veroorlo-
Niet wachten op terugval van   ven te wachten tot de outcomes van de kennisinvesteringen verder afkalven – dan is
                    outcomes   het te laat. Ruime investeringen in onderwijs en onderzoek zijn niet alleen nodig om
                               ons vermogen om welvaart te genereren op peil te houden. Zij zijn ook van belang
                               voor het goed functioneren van onze samenleving en voor de kwaliteit van leven.
                               Nederland kan zich niet permitteren grote risico’s te lopen door misplaatste zuinig-
     No-regret beleid is nodig heid op deze punten. Essentiële beleidsterreinen als dit vragen om een no-regret
                               beleidsstrategie. De tijd dringt.
                            15 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                                 Nederland ontbeert een structureel plan voor investeringen in de kennissamen-
                                 leving. Om de kennissamenleving tot een succes te maken, is meer nodig dan inci-
          Structureel plan voor  dentele investeringen. Nederland heeft behoefte aan een structurele aanpak die kan
                 investeringen   rekenen op brede steun in politiek en samenleving.
                                 … maar hoe?
Kernvraag: niet óf maar hóe de   Dit advies gaat over de vraag hoe we KIQ omhoog kunnen krijgen. Dát de KIQ
             KIQ omhoog moet     omhoog moet, staat voor de AWT als een paal boven water. Maar hóe gaan we dat
                                 doen? Wat is daarvoor nodig? Met de huidige inzet van energie en middelen weten
                                 we onze aspiraties tot dusver onvoldoende te realiseren. Sommige andere landen lukt
                                 dat beter. Hoe komt dat? Het schort niet aan ambities en voornemens – de laatste tijd
                                 is er al heel wat in gang gezet. Blijkbaar zit er iets in onze manier van opereren dat ons
                                 verhindert om daadkrachtig te investeren in onderwijs en onderzoek. Hoe helpen we
                                 onszelf verder? Hoe zorgen we ervoor dat we substantieel meer wíllen investeren en
                                 dat dan ook echt dóen? Op deze vraag concentreert zich dit advies.
                                 De AWT meent dat de discussie over de kennissamenleving in breder verband moet
 Een zorg voor het hele kabinet  worden gevoerd. Daarom richten wij ons met dit advies tot het hele kabinet en tot
                                 politiek en samenleving in het algemeen. Daarom ook doen wij hier een poging de
                                 ontwikkeling van de kennissamenleving te plaatsen in een breder kader: het gaat
                                 niet alleen om innovatie, concurrentiekracht en economie, maar om kwaliteit van
                                 leven. De ontwikkeling van de kennissamenleving is een fundamenteel aspect van
                                 de langetermijnherstructurering waar onze samenleving middenin zit.
                                 De belangrijkste knelpunten in de ontwikkeling van de kennissamenleving liggen
                                 volgens de AWT in de institutionele randvoorwaarden waarbinnen overheid, ken-
                                 nisinstellingen, bedrijven, non-profit instellingen en andere betrokken opereren.
 Kijk naar de maatschappelijke   Deze randvoorwaarden omvatten de verdeling van verantwoordelijkheden, de zeg-
                     spelregels  genschap over wie wat moet doen en de spelregels die bepalen hoe partijen met
                                 elkaar omgaan. Zij bepalen in belangrijke mate of wij werkelijk willen investeren in
                                 de kennissamenleving, of we het dan ook echt doen en of het wat oplevert. Wil
                                 Nederland doelmatig beleid voeren, dan moeten eerst deze institutionele randvoor-
                                 waarden veranderen. Een hoge KIQ is een noodzakelijke voorwaarde om de doelen
                                 die we ons hebben gesteld te realiseren, maar het is geen voldoende voorwaarde.
                                 Daarom richt de AWT zich in dit advies op de condities die vervuld moeten zijn om
                                 de KIQ omhoog te brengen en om een hogere KIQ te laten renderen.
   Geen verdere discussies over  De AWT begeeft zich met dit advies niet in een technische discussie over specifieke
                      de cijfers beleidsinstrumenten, over de waarde van de cijfers of over de gewenste hoogte van
                                 de Nederlandse KIQ. Zulke discussies verschaffen geen antwoord op de vraag hoe-
                             16  awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                               ver onze ambities moeten reiken. Een debat over de cijfers is gedoemd te verzanden
                               en raakt de kern van de problematiek niet.21 De kern is: we zijn op weg maar gaan
Hoogste tijd om door te pakken niet hard genoeg – hoe pakken we door? Vijf jaar na ‘Lissabon’ is het de hoogste
                               tijd om een aantal randvoorwaarden beter op orde te brengen en dan te accelere-
                               ren. Langer talmen zou de kennissamenleving op een te grote achterstand plaatsen!
                               21   Er zijn veel kanttekeningen te plaatsen bij de nauwkeurigheid van de metingen van investeringen (input) en resultaten
                                    (output) en bij de betrouwbaarheid en actualiteit van deze cijfers. Er kunnen ook vragen gesteld worden over het belang
                                    van de KIQ als indicator en over de betekenis en het nut van dit getal voor de beleidsdiscussie. Met dit advies wil de
                                    AWT zich niet begeven in een debat over de betekenis en waarde van de cijfers. Hierover hebben anderen al genoeg
                                    geschreven (zie bijvoorbeeld de aangehaalde publicaties van CPB en ministeries van EZ en OCW). Niettemin heeft hij een
                                    aantal opmerkingen en kanttekeningen bij de KIQ als concept en bij de beschikbare data (zie bijlage 5).
                            17 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>18 awt-advies nr. 67</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                              2                  Andere landen nemen de
                                                 handschoen op
                                  Sinds de formulering van de Lissabonambities in 2000 is de globalisering alleen
                                  maar sneller gegaan. Het besef dat de wereld een steeds groter en opener speelveld
                                  wordt en dat economische zwaartepunten verschuiven naar Azië leidt tot steeds
          Globalisering leidt tot meer beleidsconcurrentie tussen westerse landen (denk bijvoorbeeld aan de tarieven
            beleidsconcurrentie   voor de vennootschapsbelasting). De AWT constateert dat veel omringende landen
                                  zich opmaken voor een offensief op het terrein van kennis en innovatie. Her en der
                                  nemen overheden initiatieven om de eigen positie binnen het internationale veld te
Andere landen zijn erg offensief  versterken. Een aantal landen blijkt in staat dit voortvarender te doen dan
                                  Nederland. Bij wijze van voorbeeld refereert de AWT in dit hoofdstuk aan drie lan-
                                  den: Canada, Finland en het Verenigd Koninkrijk. Zij zijn erg actief en lijken met
                                  hun daadkracht succes te boeken.22 Waar de publieke uitgaven in Nederland de
                                  laatste jaren per saldo vrijwel niet zijn toegenomen, volgen deze landen een actieve
                                  investeringsstrategie zoals de volgende initiatieven illustreren.
                                  .   Canada heeft over de periode 1997 – 2007 in totaal elf miljard Canadese dollar
                                      (ruim 7,5 miljard euro) extra geïnvesteerd in publiek onderzoek. Dit heeft het
                                      publieke onderzoeksbudget aan het eind van deze periode doen toenemen met
                                      bijna twee miljard dollar (bijna anderhalf miljard euro) per jaar. Daarmee is het
                                      publieke R&D-budget meer dan verdubbeld.23
                                  .   Finland laat het budget voor publiek gefinancierde R&D tussen 2003 en 2007
                                      stijgen met 405 miljoen euro; dit is bijna 30% nominaal.24
                                  .   Het Verenigd Koninkrijk laat het budget voor publieke R&D tussen 2004 en 2007
                                      stijgen met 5,7% per jaar in reële termen.25
                                  Waar Canada, Finland en het Verenigd Koninkrijk er wel in slagen hun inspanningen
                                  op het gebied van kennis en innovatie substantieel te verhogen, lukt dit Nederland
                                  niet. De vraag is hoe dat komt. De ontwikkelingen in Canada, Finland en het
             Is een crisis nodig? Verenigd Koninkrijk vertonen een paar opmerkelijke overeenkomsten. Elk van deze
                                  landen bevond zich een paar jaar geleden in een situatie van bedreiging of zelfs cri-
                                  sis. Het duidelijkst was dit het geval in Finland. Dat was begin jaren negentig voor
                                  zijn export sterk afhankelijk van de hout- en papierindustrie en de basismetaal-
                                  industrie. Het zag zich in die tijd geconfronteerd met een sterk oplopende werk-
                                  loosheid ten gevolge van het wegvallen van exportmarkten door het uiteenvallen
                                  22   De lijst van landen waarin interessante beleidsontwikkelingen plaatsvinden, kan worden uitgebreid met landen als
                                       Frankrijk (ontwikkeling van pôles de compétitivité; 6 miljard euro extra voor onderzoek tussen 2005 en 2007), Duitsland
                                       (2,4 miljard euro meer voor onderzoek per jaar sinds 1998), Ierland, Denemarken, Zweden, Noorwegen. De AWT beperkt
                                       zich hier tot de drie genoemde landen, enerzijds omdat het kennis- en innovatiebeleid in deze landen een prominente
                                       plaats in het overheidsbeleid inneemt, en anderzijds omdat ze vanwege hun omvang en economische structuur voor
                                       Nederland zinvolle benchmarks vormen.
                                  23   Government of Canada, The Budget Plan 2005, hoofdstuk 4, p.128.
                                  24   Science and Technology Policy Council of Finland, 2003, Knowledge, innovation and internationalisation, p. 42.
                                  25   UK government, 2004, Science & innovation investment framework 2004 – 2014, p. 9.
                               19 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                               van de Sovjetunie. Ook in Canada en het Verenigd Koninkrijk ontstond in de jaren
                               negentig een collectief gevoel van onbehagen. Canada was van oudsher een
                               resource based economy die sterk was in productie van delfstoffen en hout. Dit leek
                               niet voldoende basis te verschaffen om het huidige welvaartspeil in de toekomst te
                               handhaven. Investeringen in de kennisinfrastructuur en in R&D waren er in de jaren
                               tachtig onder druk gekomen en er was sprake van een omvangrijke braindrain,
                               vooral naar de VS. Het VK ging in de jaren tachtig door een periode van economi-
                               sche sanering waarbij de industriële productie met eenderde werd gereduceerd. In
                               de jaren negentig ontleende het zijn concurrentiekracht aan de relatief lage arbeids-
                               kosten. Tegelijkertijd ontstonden er steeds meer zorgen over de duurzaamheid van
                               dit concurrentievoordeel en over productiviteitsontwikkeling en innovatie.
Kiezen voor de kenniseconomie  In reactie op deze ervaringen hebben de drie landen in de jaren negentig veel
                               nadruk gelegd op de ontwikkeling van de kenniseconomie. Zij hebben processen
                               van beleidsontwikkeling, consultatie en draagvlakontwikkeling in gang gezet die
                               geleid hebben tot de breed gedragen overtuiging dat de toekomstige ontwikkeling
                               van welvaart en welzijn afhankelijk is van het vermogen tot innovatie. In het
                               Verenigd Koninkrijk is dit gepaard gegaan met de publicatie van een reeks van
                               beleidsnotities (white papers), die gefungeerd heeft als uitgangspunt voor discussie
                               met bedrijfsleven en kennisinstellingen.26 In Canada heeft in 2001 een brede discus-
                               sie plaatsgevonden met bijeenkomsten in het hele land en deelname van diverse
                               departementen. In Finland is de betrokkenheid van diverse publieke en private
                               belangen bij de beleidsvorming het meest expliciet geïnstitutionaliseerd. Daar vindt
                               de discussie plaats binnen gremia als de Science and Technology Policy Council
                               (STPC).
                               Wat hebben koplopers gemeen?
                               De beleidsprocessen in Canada, Finland en het Verenigd Koninkrijk hebben alle
                               geleid tot de ontwikkeling van een expliciete en omvattende kennis- en innovatie-
                               strategie voor de publieke en de private sector. Deze strategieën worden nu voort-
                               varend geïmplementeerd. De AWT heeft het proces van beleidsontwikkeling en
                               implementatie in de genoemde landen geanalyseerd. Dit heeft ons op het spoor
                               gebracht van vijf elementen die belangrijk zijn om te komen van ambitie tot imple-
               Vijf bouwstenen mentatie, van woorden tot daden.
                               .   Visie. Er is sprake van een breed gedeelde visie dat kennisontwikkeling en inno-
                                   vatie centrale thema’s zijn in het sociaal-economisch beleid. Deze visie leidt tot
                                   consensus over een kennis- en innovatiebeleid dat een investeringskarakter heeft
                                   en dat gericht is op de lange termijn.
                               26   Department of Trade and Industry, May 1993, Realising our Potential: A Strategy for Science, Engineering and
                                    Technology; Department of Trade and Industry, June 2000, Excellence and opportunity – a science and innovation policy
                                    for the 21st century.
                            20 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                              .   Strategie. Er is een plan om te komen tot versterking van kennisontwikkeling,
                                  kennisverspreiding en innovatiekracht. Dit plan is integraal van karakter. Het
                                  strekt zich uit over het gehele traject van onderwijs, opleiding en vaardigheden-
                                  ontwikkeling. Het dekt publiek en privaat, fundamenteel en toegepast onder-
                                  zoek. Het adresseert kennistransfer en samenwerking. En het beperkt zich niet
                                  tot economische doelstellingen maar omvat ook ecologische en sociale doelstel-
                                  lingen. Het plan is uitgewerkt in termen van concrete (meetbare) doelen en
                                  instrumenten.
                              .   Vertrouwen. Men schenkt vertrouwen aan de eigen kennisinstellingen en bedrij-
                                  ven en geeft hen de ruimte, de middelen en de verantwoordelijkheid om te sla-
                                  gen op het pad van kennis en innovatie.
                              .   Betrokkenheid. Het overheidsbeleid wordt breed gedragen. De overheid verlaat
                                  zich niet alleen op regelgeving en economische prikkels om bedrijven, kennisin-
                                  stellingen en andere partijen in beweging te krijgen. Zij tracht ook zaken in
                                  beweging te krijgen door tijdig overleg te voeren, door begrip te kweken, door
                                  afspraken te maken.
                              .   Volharding. Er zijn voorzieningen in het leven geroepen die zorgen voor discipli-
                                  ne, die de consistentie van het kennis- en innovatiebeleid garanderen op lange
                                  termijn. Deze voorzieningen waarborgen dat geplande investeringen daadwerke-
                                  lijk worden gedaan en dat niet ongemotiveerd wordt afgeweken van langeter-
                                  mijndoelen.
                              We lichten deze vijf elementen hieronder toe aan de hand van voorbeelden uit de
                              drie genoemde landen.
                              1 Visie
                              Landen als Finland en het Verenigd Koninkrijk, maar vooral Canada, hanteren een
Een brede visie op de kennis- brede visie op kennisontwikkeling en innovatie. Daarin gaat het niet alleen om de
              samenleving …   kenniseconomie, maar om de kennissamenleving. Een kennissamenleving biedt bur-
                              gers ruime kansen tot ontplooiing via onderwijs en opleiding, maar ook door deel-
                              name aan arbeidsprocessen en maatschappelijk leven. Dit draagt bij aan de veer-
                              kracht van mensen in een steeds complexere samenleving, aan de flexibiliteit van
                              werknemers en ondernemers, aan de weerbaarheid van individuen die geconfron-
                              teerd worden met steeds meer keuzemogelijkheden, verantwoordelijkheden en risi-
                              co’s. Dit draagt ook bij aan de kwaliteit van de samenleving zelf: aan de sociale
                              samenhang en de onderlinge solidariteit, aan de rationaliteit van het politieke pro-
                              ces en aan de publieke moraal.
                              Een dergelijke brede visie op het belang van kennisontwikkeling en innovatie leidt
                … centraal in tot een helder langetermijnperspectief op de gewenste maatschappelijke ontwikke-
       de beleidsvorming, …   ling. Door de kennissamenleving consequent te hanteren als langetermijnperspectief
                          21  awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                    gaan kennisontwikkeling en innovatie fungeren als centrale referentiepunten in de
                                    ontwikkeling van het overheidsbeleid. Beleid wordt in Canada, Finland en het
                                    Verenigd Koninkrijk steeds meer getoetst op zijn bijdrage aan de versterking van de
                                    concurrentiepositie van de nationale economie en de ontwikkeling van de kennissa-
                                    menleving. Sociaal-economisch beleid wordt consequent ontworpen met vragen in
                                    het achterhoofd over zijn betekenis voor de concurrentiekracht van bedrijven en
                                    voor de economische en sociale weerbaarheid van burgers.27
                                    Kortom, de visie op het belang van kennisontwikkeling en innovatie in de genoem-
                                    de landen is breder dan de Nederlandse visie, maar spoort hier verder in grote lijnen
                                    mee. Veel wezenlijker verschillen zitten in het belang dat aan deze visie wordt
                                    gehecht en in de manier waarop ze wordt gehanteerd in het beleidsproces. Zij
                                    wordt uitgedragen vanuit de hoogste regionen van het landsbestuur en wordt inge-
         ... toetssteen voor beleid zet als centrale toetssteen in de beleidsontwikkeling.28 Vraagstukken van innovatie
                                    en concurrentiekracht nemen in deze landen een meer centrale plaats in op de
                                    beleidsagenda. De ontwikkeling van de kennissamenleving vormt er het raamwerk
                                    voor het denken over beleid. Dit leidt bijna vanzelf tot meer overtuigingskracht en
                                    politieke wil om schaarse energie en middelen op deze thema’s te richten en tot
                 Meer politieke wil meer ambitie om dit beleid te laten te slagen.
                                    2 Strategie
                                    Een overtuigende visie, een mobiliserend en enthousiasmerend perspectief, een
                                    gedeelde ambitie, dit zijn slechts eerste stappen naar een solide kennis- en innova-
Van visie naar plan en uitvoering   tiebeleid. Deze visie moet vertaald worden in een strategie, in concrete doelstellin-
                                    gen en in instrumenten om die doelen te realiseren, in een plan van aanpak. De
                                    Canadese overheid onderscheidt drie uitdagingen en heeft voor elk van deze doelen
                                    streefwaarden en prioriteiten geformuleerd. De overheid van het Verenigd
                                    Koninkrijk heeft op soortgelijke wijze een strategie geformuleerd voor de periode
                                    2004 – 2014. Hierin worden zes ambities gesteld waaraan doelstellingen worden
                                    verbonden die tot in detail zijn uitgewerkt in streefwaarden, acties en indicatoren
                                    om de voortgang te meten. Deze strategieën worden in het volgende kader kort
                                    aangeduid, en zijn in bijlagen 6 en 7 uitgebreider weergegeven om de mate van
                                    concreetheid en detail te illustreren.
                                    27   Dit was voorheen anders. In Finland was vroeger bijvoorbeeld het regionale perspectief dominant in de beleidsontwikke-
                                         ling: bij de formulering van economisch beleid stond de vraag wat de betekenis was voor regionale ontwikkeling cen-
                                         traal.
                                    28   Zie voor Canada: Government of Canada, 2002, Achieving Excellence – Investing in people, knowledge and opportunity,
                                         en tevens Knowledge Matters – Skills and learning for Canadians; zie voor Finland: STPC of Finland, 2003, Knowledge,
                                         innovation and internationalisation; zie voor het Verenigd Koninkrijk: HM Treasury, DTI and DfES, 2004, Science & inno-
                                         vation investment framework 2004 – 2014.
                                 22 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>   Achieving Excellence: de Canadese innovatiestrategie
   1. Addressing the knowledge performance challenge – Create and use knowledge
       strategically to benefit Canadians: promote the creation, adoption, and commerciali-
       zation of knowledge.
   2. Addressing the skills challenge – Increase the supply of highly qualified people:
       ensure the supply of people who create and use knowledge.
   3. Addressing the innovation environment challenge – Work toward a better innova-
       tion environment: build an environment of trust and confidence, where the public
       interest is protected and marketplace policies provide incentives to innovate.
   Science & innovation investment framework 2004 – 2014: de innovatiestrategie
   van het VK
   1. World class research at the UK’s strongest centres of excellence.
   2. Sustainable and financially robust universities and public laboratories across the UK.
   3. Greater responsiveness of the publicly-funded research base to the needs of the
       economy and public services.
   4. Increased business investment in R&D, and increased business engagement in dra-
       wing on the UK science base for ideas and talent.
   5. A stronger supply of scientists, engineers and technologists.
   6. Confidence and increased awareness across UK society in scientific research and its
       innovative applications.
   Opvallend is dat alle beleidsdocumenten van de drie genoemde landen ervan uit-
   gaan dat de overheid in dezen vanzelfsprekend een taak heeft. Het is aan de over-
   heid om in samenspraak met anderen ambities te formuleren, doelen te stellen, ini-
   tiatieven te ontplooien en budget te investeren.29 Uitgangspunt is de gestelde ambi-
   tie. Het beleid is erop gericht om deze ambitie te verwezenlijken door het noodza-
   kelijke commitment te verkrijgen en de benodigde middelen te mobiliseren. De
   omvang van de financiële inspanningen van de overheid wordt bepaald in een over-
   leg- en onderhandelingsproces. Dit alles geschiedt op basis van geloofsovertuigin-
   gen en krachtsverhoudingen en niet zozeer op basis van maatschappelijke kosten-
   29    Het Britse beleidsdocument, Science & innovation investment framework 2004 – 20014, heeft een bijlage The economic
         case for investment in science and research. Deze tekst gaat niet over de vraag waar en in hoeverre er in het geval van
         kennisontwikkeling en innovatie sprake is van marktfalen, hoe de omvang hiervan te meten en in hoeverre dit een over-
         heidstaak impliceert. Hij gaat ook niet over internationale kennisspillovers en de mogelijkheden dat de baten van natio-
         nale investeringen weglekken. Hij geeft daarentegen een overzicht van empirische studies die het belang voor welvaarts-
         ontwikkeling van een sterke publieke kennisinfrastructuur en van directe contacten tussen publiek onderzoek en bedrijfs-
         leven aantonen. Geconstateerd wordt dat nationale innovatiesystemen in de richting van meer ‘open innovatie’ bewe-
         gen, en dat de publieke kennisinfrastructuur daarop moet inspelen. De Role for government to support public research
         wordt als volgt samengevat:
        •      The private sector generally does not have the incentive to invest in knowledge made publicly available because it
               could not earn a return. The Government therefore funds this type of research, particularly the more fundamental,
               long-term research that is unlikely to have immediate application but has the potential for greatest spillover bene-
               fit.
        •      Companies and individuals often face difficulties financing training that leads to skills that are transferable amongst
               employers. The Government therefore supports undergraduate and postgraduate training, as well as other types of
               education and training.
        •      In addition to funding, the government also has an important role to play in managing the national research
               system to deliver effectively and sustainably over the medium term.
23 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                        baten-analyses of berekeningen van marginale efficiëntie. Benchmarking blijkt in dit
                        proces een belangrijk mechanisme om te komen tot een bepaling van de omvang
                        van de inspanningen. Landen kijken naar elkaar om te bepalen welk deel van het
                        Bruto Binnenlands Product ze nastreven in kennis en innovatie te investeren.
                        3 Vertrouwen
  Samenwerking vereist  Om een kennis- en innovatiestrategie uit te werken en ten uitvoer te brengen, moe-
 wederzijds vertrouwen  ten veel partijen samenwerken. In dit verband zijn de relaties tussen overheid en
                        kennisinstellingen en die tussen overheid en bedrijfsleven cruciaal. Om te komen tot
                        productieve samenwerking moeten niet alleen de coördinatiemechanismen tussen
                        de verschillende betrokkenen goed in elkaar zitten. Ook de sociale relaties moeten
                        goed zijn – het nationale kennis- en innovatiesysteem moet gefundeerd zijn op een
                        ruime hoeveelheid ‘sociaal kapitaal’. Dit sociaal kapitaal lijkt goed ontwikkeld in
                        Canada en het Verenigd Koninkrijk. De meeste Angelsaksische landen kunnen
                        bogen op een world class knowledge base. Een reeks van de kennisinstellingen in
                        het Verenigd Koninkrijk en Canada figureert hoog op wereldranglijsten en de over-
                        heid steekt niet onder stoelen of banken dat ze daar trots op is.
                        In het algemeen kennen deze landen een systeem waarbij kennisinstellingen in
          Autonomie …   hoge mate autonoom zijn en de overheid veel gebruik maakt van indirecte sturings-
                        mechanismen. Meestal wordt deze verhouding binnen kennisinstellingen zelf ver-
                        taald in een hoge mate van autonomie van de medewerkers. In de praktijk komt dit
                        neer op het appreciëren van de professionaliteit van medewerkers van kennisinstel-
                        lingen, het respecteren van zelfstandigheid en het schenken van vertrouwen.
… binnen heldere kaders Het behoud van wederzijds vertrouwen vereist een zorgvuldige vormgeving van institutio-
                        nele kaders en het actief bevorderen van een goede verstandhouding. Institutionele
                        kaders (financieringsmechanismen en -voorwaarden, regels voor het omgaan met
                        octrooien, toelatingseisen, collegegeld, arbeidsvoorwaarden, onderzoekskwaliteit, kennis-
                        exploitatie en dergelijke) kunnen vertrouwensrelaties bevorderen of ondermijnen. Een
                        goede verstandhouding impliceert een open oog voor de problemen waarmee de andere
                        partij kampt en de bereidheid deze te helpen oplossen. Canada, Finland en het Verenigd
                        Koninkrijk onderscheiden zich niet zozeer van Nederland door hun continue zoektocht
                        naar institutionele verbeteringen – overal is het beleid in beweging – maar veeleer door
                        de hoge kwaliteit van de verstandhouding tussen overheid en kennisinstellingen.
                        Heldere kaders, strakke arrangementen, eenduidige stimulansen, autonomie
                        De overheid van het Verenigd Koninkrijk heeft in overleg met belanghebbenden
                        duidelijk vastgesteld wat het van de kennisinstellingen verwacht. Er is een uitgebrei-
                        de lijst van globale doelstellingen opgesteld die de overheid met de kennisinstellin-
                        gen wil realiseren en waarop zij de kennisinstellingen aanspreekt (zie bijlage 7).
                    24  awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>   Deze doelstellingen zijn uitgewerkt in helder gedefinieerde strategische prioriteiten
   voor de Higher Education Funding Councils (voor de eerste geldstroom) en de
   Research Councils (voor de tweede geldstroom). Deze prioriteiten liggen aan de
   basis van de investeringsplannen voor de lange termijn van deze financieringsorga-
   nisaties. Dit vormt het kader waarbinnen de kennisinstellingen opereren.
   Om te zorgen dat de beoogde doelstellingen gehaald worden, stuurt de overheid de
   kennisinstellingen aan op hoofdlijnen en met de blik op de lange termijn.
   Institutionele arrangementen zijn erop gericht kennisinstellingen ruimte te verschaf-
   fen om op efficiënte wijze een bijdrage te leveren aan nationale doelen.
   .   Increases in Research Council and HE Funding Council investments over a sustai-
       ned period will enable the UK’s major research-intensive universities to plan and
       deliver their own research strategies more effectively. A comprehensive perfor-
       mance management system […] will provide a more robust mechanism for trans-
       lating the overall strategic priorities for the science base into specific aims and
       objectives for the Research Councils and other delivery agents, and will allow the
       balance of investment across the Science Budget to be adjusted in response to a
       more strategic view of new priorities.
   Binnen de kaders die de overheid vaststelt, worden kennisinstellingen aangemoe-
   digd om hun eigen strategische plannen te ontwikkelen. Om te waarborgen dat
   deze plannen sporen met de generieke strategische prioriteiten van de overheid,
   worden allerlei stimulansen gecreëerd. Onlangs zijn bijvoorbeeld de beoordelingscri-
   teria van de Research Assessment Excercise bijgesteld om kennisinstellingen meer te
   stimuleren tot interdisciplinair werk en tot maatschappelijk relevant onderzoek.
   Tevens zijn financiële stimulansen ontwikkeld om onderzoekers meer te prikkelen
   tot kennistransfer.
   .   The new approach to assessing research […] will provide greater reward, and
       thus stronger incentives, for academics to work on both research relevant to
       users and work which crosses disciplinary boundaries.
   .   Universities will be incentivised to build on the progress made in commercialising
       their research and working collaboratively with business, through increased fun-
       ding for the Higher Education Innovation Fund […]. Public sector research labora-
       tories will be similarly encouraged and funded to develop their own knowledge
       transfer missions.
   Helderheid en sturing op hoofdlijnen impliceert dat de overheid niet tracht bij te stu-
   ren met secundaire mechanismen en door additionele regelgeving. In die geest heeft
   de overheid van het Verenigd Koninkrijk besloten tot een meer strikte scheiding tus-
   sen sturing via de eerste en tweede geldstroom, door Research Councils onderzoek
   te laten bekostigen op basis van volledige kostprijs: geen bijsturing van de besteding
   van middelen uit de eerste geldstroom langs de weg van de tweede geldstroom.
25 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                       .   [T]he Research Councils will be funded […] to increase the share of full economic
                           costs which they provide to universities for the projects they sponsor. […], thus
                           enabling universities to invest more of their core funding in supporting projects
                           from other external funders and their own self-directed work.
                       HM Treasury, DTI and DfES, Science & innovation investment framework 2004 – 2014.
                       4 Betrokkenheid
                       Een nationale investeringsstrategie staat of valt met de bereidheid van alle betrok-
Samen verantwoordelijk kenen om mee verantwoordelijkheid te dragen voor onderzoek en ontwikkeling,
                       opleiding en training. Het bedrijfsleven is hierbij een belangrijke partij. Alle nationa-
                       le overheden kampen met het probleem dat bedrijven alleen langetermijninvesterin-
                       gen plegen als ze daar brood in zien – voor zichzelf. Overheden kunnen de effecti-
                       viteit van hun innovatiebeleid vergroten en de bereidheid van bedrijven om te
                       investeren in kennis versterken door bedrijven meer te betrekken bij de ontwikke-
                       ling van een nationale investeringsstrategie. Deze betrokkenheid van het bedrijfsle-
                       ven is vooral in Finland sterk ontwikkeld. Daar is sprake van zorgvuldige afstemming
                       en hechte samenwerking (zie kader).
                       Geen betrokkenheid zonder invloed
                       In Finland speelt TEKES, de evenknie van de uitvoeringsorganisatie SenterNovem,
                       een belangrijke rol in de uitvoering van het innovatiebeleid. Er bestaat een belang-
                       rijk verschil in de verhouding tussen het Nederlandse ministerie van EZ en
                       SenterNovem enerzijds en de verhouding tussen TEKES en de Finse overheid ander-
                       zijds. Dit verschil is te begrijpen door vier fasen te onderscheiden in het beleidspro-
                       ces: i) beleidsontwerp, ii) programmaontwerp, iii) programmamanagement en iv)
                       programmabeheer en -uitvoering. In Nederland is SenterNovem alleen verantwoordelijk
                       voor programmabeheer en -uitvoering en vervult het ministerie van EZ de andere drie
                       taken. In Finland draagt TEKES eindverantwoordelijkheid voor alle fasen behalve het
                       beleidsontwerp zelf. Interessant is dat TEKES het programmaontwerp intern doet, vaak
                       met ondersteuning van belanghebbenden in het bedrijfsleven. Hiermee geeft de Finse
                       overheid een zeker vertrouwen aan het bedrijfsleven om publieke gelden op een goede
                       manier te besteden. Het voordeel van deze constructie is meer inzet van praktijkkennis
                       uit het bedrijfsleven in de programmaontwikkeling en daarmee een betere aansluiting
                       van het innovatiebeleid op de behoeften van bedrijven.30
                       Naast betrokkenheid van het bedrijfsleven is ook het engagement van andere partijen van
                       groot belang. In het Verenigd Koninkrijk heeft de overheid het volgende aangekondigd:
                       30   Zie Technopolis Group, November 2004, ‘The role of Innovation Policy Agencies in the Finnish, Swedish and Flemmish
                            Innovation Systems’. Een van de bevindingen van deze studie luidt: Meer actieve betrokkenheid van stakeholders bij beleid
                            zoals bijvoorbeeld in Finland vereist andere steunmodaliteiten (niet alleen generieke instrumenten) en andere programmaont-
                            werpprocessen.
                   26  awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>         “The Government will launch a new grants scheme to build the capacity
         of citizens, the science community and policy makers to engage in the
         dialogue necessary to establish and maintain public confidence in making
         better choices about critical new areas in science and technology. The
         Government will also work closely with others in the public, charity and
         private sectors to promote coherence in the growing range of initiatives
         for encouraging public engagement with science and technology.”
         (Science & innovation investment framework 2004 – 2014).
   Canada heeft veel energie en tijd gestoken in het organiseren van deze betrokken-
   heid. Na het uitbrengen van Canada's Innovation Strategy (februari 2002) heeft de
   regering een uitgebreide consultatieronde gehouden, om reactie op en commitment
   voor de strategie te verkrijgen (zie kader). Een breed scala aan belanghebbenden is
   hierbij betrokken: grote en kleinere bedrijven, academia, lokale en provinciale over-
   heden, werkgevers- en werknemersorganisaties, NGO’s. Er zijn regionale, nationale
   en sectorale bijeenkomsten georganiseerd, naast expert roundtables en best practi-
   ces bijeenkomsten. Al met al hebben 10.000 Canadezen aan de discussies deelge-
   nomen. De consultatieronde is afgesloten met een national summit waar prioriteiten
   en actieplannen zijn besproken. De regering heeft daar toegezegd om de prioritei-
   ten die naar voren zijn gebracht ook daadwerkelijk aan te pakken. Eén voorbeeld
   hiervan is het instellen van een extra fonds voor indirecte kosten, omdat dit voor
   kennisinstellingen een belangrijk probleem vormt.
   A call for action
   The innovation goals that Canada should strive to achieve, a number of which are iden-
   tified in this paper, are ambitious but measurable. They are beyond the reach of any
   single institution, or group of stakeholders acting alone. Canadians must work together
   to achieve them, leveraging all our strengths and achievements in the process.
                Small, medium-sized and large firms, universities and colleges across the
   country, research hospitals and technical institutes, provincial, territorial and municipal
   governments, First Nations, urban and rural communities, the voluntary sector and indi-
   vidual Canadians make important contributions to innovation. Innovations within these
   diverse organizations can contribute to wealth creation, better stewardship, improved
   governance and a stronger social fabric. Their ideas and initiatives underscore the
   importance of respecting mutual strengths and responsibilities. Their diversity highlights
   the need to recognize and understand the varied social, economic or jurisdictional cir-
   cumstances that must be accommodated to create a culture of innovation across
   Canada. In this context, the Government of Canada invites Canadians to consider how
   they can bring their ideas, resources and talents to bear on the innovation challenge.
                Over the coming months, the Government of Canada will engage provincial
   and territorial governments and business and academic stakeholders to develop, and
   contribute to, a national innovation strategy. We will listen to Canadians’ views on the
   suggested priority areas for action by the Government of Canada. Should obstacles and
27 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                                     constraints be identified, the Government of Canada is committed to working with all
                                     players in the innovation system to overcome them. Should new avenues of progress
                                     be suggested, the Government of Canada is committed to exploring them. If there are
                                     areas where the government can innovate to enable others to perform better, it will.
                                     Government of Canada, 2002, ‘Achieving Excellence’.
                                     5 Volharding
                                     Onderwijs en opleiding, onderzoek, de ontwikkeling van een kennisvoorsprong en
                                     van een comparatief voordeel, innovatie en adoptie, de verspreiding en toepassing
Investeren voor de lange termijn …   van nieuwe kennis, technologie en vaardigheden – het zijn allemaal zaken van
                                     lange adem. Resultaten van investeringsbeslissingen worden pas zichtbaar na jaren
                                     en ontplooien zich pas ten volle na een decennium of meer. Kennisinvesteringen
                                     dragen pas vrucht op de lange termijn. Ze leveren alleen wat op als ze jaar op jaar
                                     worden volgehouden. Daarom is het noodzakelijk te waarborgen dat deze investe-
            … vereist zelfdiscipline ringen structureel zijn. Men mag het zichzelf niet te gemakkelijk maken om af te
                                     wijken van het investeringspad. Landen als Canada, Finland en het Verenigd
                                     Koninkrijk hanteren daarom een langetermijninvesteringsplan en verbinden daaraan
                                     een mechanisme dat zorgt voor continuïteit. In Finland worden afspraken over de
                                     investeringsstrategie vastgelegd in wetgeving (zie bijvoorbeeld de Finse wet op het
                                     hoger onderwijs, waarin forse jaarlijkse budgetstijgingen zijn vastgelegd). De STPC –
                                     waar bewindslieden, topmensen uit bedrijfsleven en kennisinstellingen en onafhan-
                                     kelijke experts elkaar ‘bij de les’ houden – houdt de implementatie in de gaten. Om
                                     niet af te wijken van de afgesproken koers meet het Verenigd Koninkrijk jaarlijks de
                                     voortgang in termen van een reeks van tevoren vastgestelde indicatoren. De resulta-
                                     ten van deze metingen worden gepubliceerd en gebruikt in een van tevoren vastge-
                                     steld overlegproces (zie kader).
                                     Waarborgen voor continuïteit: het Verenigd Koninkrijk
                                     This strategy is supported by clear targets for achievement on all these dimensions,
                                     against which the government and others will be able to track performance over
                                     the coming decade. The Government will publish an annual stocktake on progress
                                     against the attributes of the science and innovation system as set out in the frame-
                                     work, reaching a judgement on progress informed by a range of indicators. To
                                     inform periodic reviews of public spending, the Government will conduct every two
                                     years a detailed assessment of the progress towards the goals for each attribute. In
                                     drawing up this assessment, it will consult widely across departments, and with
                                     other stakeholders including the Funders Forum, to reach a balanced judgement
                                     about UK-wide progress on science and innovation, and the implications for future
                                     policy. (…) Many of these ambitions are dependent on the actions of other research
                                     funders, the private sector, and education institutions and professionals. The
                                     Government will therefore use this set of indicators and goals as the basis for a dia-
                                  28 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>   logue with stakeholders over the coming years, regarding progress and the
   contributions of public and private funding and other actions towards achieving the
   UK’s longer term science and innovation goals.
             HM Treasury, DTI and DfES, Science & innovation investment framework
   2004 – 2014.
29 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>30 awt-advies nr. 67</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                           3               Wat is nodig?
                              De AWT meent dat de Nederlandse KIQ te laag is. Dat ligt niet aan de ambities en
                              de intenties, maar aan de vertaling hiervan in beleid en implementatie. Het ligt niet
                              aan de woorden, maar aan de daden. In dit advies stelt de AWT de vraag aan orde
       Van woorden naar daden hoe van woorden tot daden te komen. Waaraan schort het op dit moment, wat
                              ontbreekt er, wat moet worden versterkt of verbeterd om de daad bij het woord te
                              voegen? Uit zijn analyse concludeert de AWT dat de vijf elementen die goed wer-
                              ken in Canada, Finland en het Verenigd Koninkrijk in Nederland versterking behoe-
                              ven. Om te komen tot substantiële actie zijn visie, strategie, vertrouwen, betrokken-
                              heid en volharding nodig. In dit hoofdstuk geven wij onze kijk op de betekenis van
                              deze vijf elementen in de Nederlandse context.
                              1 Visie
                              Om werkelijk in beweging te komen, heeft Nederland een heldere visie op de ken-
      Wervend en mobiliserend nissamenleving nodig die wervend en mobiliserend is. Alleen dan zal de ontwikke-
                              ling van de kennissamenleving de nodige politieke aandacht verwerven en het
                              benodigde draagvlak krijgen. Alleen dan zullen private en publieke partijen bereid
                              zijn echt te investeren in de toekomst. Een visie is alleen wervend en mobiliserend
                              indien deze:
                              .   Het belang van de zaak onderstreept. Het moet helder zijn dat het bij de ontwik-
                                  keling van de kennissamenleving niet gaat om een marginaal aspect van de
                                  inrichting van onze samenleving. Het gaat om wezenlijke vragen over hoe we als
                                  gemeenschap willen leven en functioneren.
                              .   Centraal staat in het denken over beleid. De visie op de ontwikkeling van de
                                  kennissamenleving moet het raamwerk vormen voor de discussie over econo-
                                  misch, sociaal en cultureel beleid. Het moet de toetssteen zijn voor het denken
                                  over mogelijke richtingen in het beleid.
                              Op dit moment schort het hieraan. Er is geen gedeelde, brede visie op de aard en
                              het belang van de kennissamenleving. In Nederland overheerst een smalle visie op
Het gaat om méér dan economie de kennissamenleving. Het is geen term die een breed publiek positief in de oren
                              klinkt. De discussie erover gaat veelal niet verder dan de economische aspecten: het
                              handhaven van de concurrentiekracht door innovatie. De aandacht in politiek en
                              beleid voor kernthema’s rond de ontwikkeling van de kennissamenleving – onder-
                              zoek, onderwijs, innovatie – beperkt zich hierdoor tot technici en specialisten. De
                              AWT meent dat de overheid haar visie op de kennissamenleving moet verbreden en
                              dat zij deze visie anders moet gebruiken in het beleidsproces.
                           31 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                                Een brede visie op de kennissamenleving
                                De ontwikkeling van de kennissamenleving is een fundamenteel proces in de lange-
                                termijnevolutie van onze maatschappij. Nederland bevindt zich in een fase van
                                geleidelijke heroriëntatie. In ons land is na de Tweede Wereldoorlog een verzor-
          De verzorgingsstaat … gingsstaat opgebloeid. Deze ontwikkeling vond plaats in de context van een verzuil-
                                de en relatief gesloten samenleving, waarbinnen collectieve structuren als politieke
                                partijen, kerken, vakbonden en werkgeversorganisaties sterk ontwikkeld waren. Een
                                verzorgingsstaat kent een systeem van overlegprocedures, voorzieningen en vang-
                                netten op het gebied van inkomen, onderwijs en gezondheidszorg die worden gefi-
                                nancierd uit verplichte solidariteitsbijdragen. Hij dekt voor zijn burgers een aantal
                                risico’s af en neemt hen een aantal lastige verantwoordelijkheden uit handen. Maar
                                hiermee beperkt hij ook keuzemogelijkheden en creëert hij een hoge belasting- en
                                premiedruk.
                                De verzorgingsstaat staat al jaren onder druk ten gevolge van drie bekende facto-
                                ren: vergrijzing, globalisering en individualisering. Vergrijzing leidt tot een stijging
                                van het aantal afhankelijken per werkende; globalisering leidt tot een intensievere
                                internationale concurrentie; individualisering leidt tot meer sociale mobiliteit en
                                minder vanzelfsprekende solidariteit. Vandaar het inzicht dat ‘de verzorgingsstaat
                                die we kennen onhoudbaar wordt’ en het besef dat een transformatie noodzakelijk
           … wordt omgebouwd    is. Deze transformatie is ingezet in de jaren tachtig van de vorige eeuw, maar is nog
                                lang niet afgerond. Wij gaan toe naar een samenleving die minder berust op unifor-
                                me collectieve structuren en verplichte onderlinge solidariteit en meer op individuele
                                vrijheid en verantwoordelijkheid. In alle domeinen van het leven wordt de keuzevrij-
De burger meer verantwoordelijk heid geleidelijk groter. Hier hoort bij dat de verantwoordelijkheid voor allerhande
                                keuzes meer op de schouders van het individu terecht komt. Arbeidsorganisaties
                                verwachten ondernemerschap van werknemers; netwerksturing komt in de plaats
                                van hiërarchie; risico’s komen meer voor rekening van burgers en minder voor die
                                van de staat.
                                In allerlei opzichten stelt de maatschappij waarheen wij op weg zijn hogere eisen
                                aan de weerbaarheid en veerkracht van mensen dan in het verleden. Zij stelt hoge
                                eisen aan het vermogen van mensen om informatie te overzien en te verwerken,
                                om rationele keuzes te maken, om risico’s in te schatten, om individueel verant-
                                woordelijkheid te dragen. Meer kennis en andere vaardigheden zijn nodig om zich
                                te kunnen redden op de arbeidsmarkt en in het maatschappelijk leven.
                                De overheid krijgt in dit licht in de toekomst een andere rol binnen de maatschap-
                                pij. De staat ontwikkelt zich van een institutie die voor een rechtvaardige inkomens-
                                verdeling zorgt tot een institutie om een rechtvaardige verdeling van kansen en ont-
                                wikkelingsmogelijkheden te waarborgen. Het is een publiek belang mensen degelijk
 Een gemeenschap van weerbare   toe te rusten voor een goed functioneren in deze nieuwe maatschappij. In de ver-
                      burgers … zorgingsstaat waren de samenhang van de samenleving, de onderlinge solidariteit
                             32 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                   en de publieke moraal gebaseerd op de binding van het individu aan het collectief.
                                   In de toekomst moet deze samenhang op een andere manier worden geborgd. De
                                   AWT meent dat investeren in de ontwikkeling van de kennissamenleving de enige
       … is een collectief belang  reële optie is in dit verband. Waar de staat zich geleidelijk terugtrekt als hoeder van
                                   het individu moet hij het individu toerusten met de mogelijkheden en instrumenten
                                   om zich zoveel mogelijk zelf te kunnen redden. Deze instrumenten bestaan uit ken-
                                   nis, vaardigheden en attitudes en worden ontwikkeld door onderwijs, opleiding en
                                   ervaring.
                                   Een ander gebruik: toetssteen voor beleid
                                   De erkenning dat de ontwikkeling van de kennissamenleving een noodzakelijke
                                   voorwaarde is om de fundamentele uitdagingen van deze tijd en van de toekomst
                                   aan te kunnen, moet ertoe leiden dat dit thema centraal komt te staan in de
                                   beleidsontwikkeling.
                                   Nederland kampte ten tijde van de kabinetten Kok vooral met het werkloosheids-
                                   probleem. Daarom werden sociaal-economische beleidsvraagstukken toen vooral
                                   benaderd vanuit werkgelegenheidsperspectief: wat betekent beleid voor ‘werk,
             Een ankerpunt voor    werk, en nog eens werk’? Werkgelegenheidsdoelstellingen stonden voorop. Elk
                            beleid beleid met andere primaire doelstellingen – op het gebied van belastingen, milieu,
                                   mobiliteit, et cetera – werd getoetst op zijn consequenties voor de werkgelegen-
                                   heid. Sinds het aantreden van het eerste kabinet Balkenende ziet de Nederlandse
                                   overheid het op orde houden van de overheidsfinanciën in tijden van economische
                                   tegenwind als een belangrijke taak. Daarom staat de laatste jaren in het beleid de
                                   vraag naar de betekenis voor de financiële positie van de overheid centraal: wat
                                   betekenen beleidsmaatregelen in het licht van belastingdruk, financieringstekort en
                                   overheidsschuld?
                                   Hoewel begrijpelijk binnen de context van dat moment, heeft een focus op werkge-
                                   legenheid of overheidsfinanciën de laatste jaren niet altijd geleid tot een beleid dat
                                   bevorderlijk was voor investeringen in kennis. Waar keuzes moesten worden
                                   gemaakt tussen investeringen in scholing en kennisontwikkeling of uitgaven leidend
                                   tot consumptie (lastenverlichting voor burgers, uitgaven aan gezondheidszorg, aflos-
                                   sing van staatsschuld) is vaak de voorkeur gegeven aan de laatste. De overheidsbud-
                                   getten voor innovatiebeleid zijn gekrompen. Scholen en kennisinstellingen zijn langs
                                   allerlei wegen onder druk gezet om hun efficiëntie te verhogen. Er is bezuinigd op
                                   opleidingen, universiteiten en onderzoeksinstituten.
                                   Er komen nieuwe uitdagingen op ons af en de AWT meent dat het tijd is voor een
           Twee uitdagingen: de    nieuw perspectief. Nederland staat nu en in de komende jaren voor minstens twee
kwaliteit van de samenleving en    grote opgaven. De eerste is de verbetering van de kwaliteit van onze maatschappij:
   de collectieve voorzieningen    de leefbaarheid van stad en platteland, de integratie van minderheden, veiligheid,
                                   mobiliteit en milieu. De tweede is het toekomstbestendig maken van onze
                                33 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                             collectieve voorzieningen: de sociale zekerheid, het onderwijs, de gezondheidszorg.
                             We zitten midden in een herstructureringsproces van deze collectieve structuren. De
                             overheid richt haar aandacht en energie voornamelijk op deze structuren, op de
                             instituties, op de randvoorwaarden waarbinnen we ons leven leiden. Maar de kwa-
                             liteit van de samenleving is niet alleen afhankelijk van wetten, regels en randvoor-
    Maar vergeet de burgers  waarden. Zij is ook en vooral afhankelijk van de intellectuele en culturele bagage
                        niet van haar leden. Collectieve structuren functioneren niet vanzelf – dit is afhankelijk
                             van de capaciteiten en attitudes van mensen. Om mensen in staat te stellen goed te
                             functioneren binnen de nieuwe maatschappelijke en economische randvoor-
                             waarden, hebben we individueel en collectief veel (nieuwe) kennis en vaardigheden
                             nodig.
                             Het kader dat richting geeft aan de beleidsontwikkeling moet daarom bestaan uit
Complementaire ambities: de  twee complementaire ambities. De ambitie om de kwaliteit van de samenleving te
  samenleving en de mensen   verbeteren en om onze collectieve structuren toekomstbestendig maken moet staan
                             naast de ambitie om mensen toe te rusten voor de toekomst door de kennissamen-
                             leving tot bloei te brengen. Investeren in kennis en innovatie zou niet langer moe-
                             ten worden opgevat als een geïsoleerd fenomeen dat is geboren uit economische
                             noodzaak. Het moet een centraal vehikel zijn dat ons vooruitbrengt op het door ons
                             gekozen ontwikkelingspad.
                             2 Strategie
                             Een wervende en mobiliserende visie die centraal staat in het beleid is een noodza-
         Nationale integrale kelijke maar geen voldoende voorwaarde om in beweging te komen. Een visie moet
      langetermijnstrategie  worden vertaald in een strategie. De AWT meent dat de Nederlandse overheid op
                             dit punt een voorbeeld kan nemen aan de benadering in Canada en het Verenigd
                             Koninkrijk. De volgende elementen spreken hem in deze benadering zeer aan.
                             .   Het ontwikkelen van een strategie voor de lange termijn. De overheid neemt het
                                 initiatief om een marsroute en investeringspad voor de lange termijn uit te zet-
                                 ten, gemarkeerd met piketpaaltjes langs de weg.
                             .   Het benoemen van een aantal concrete speerpunten. Op basis van een analyse
                                 van sterktes en zwaktes, kansen en bedreigingen benoemt de overheid een
                                 beperkt aantal kernpunten waarop de inspanningen worden gericht.
                             .   Het ontwikkelen van een integrale benadering. De gekozen strategie pakt uitda-
                                 gingen in samenhang aan, op het gebied van onderwijs, vanaf de basisschool en
                                 het lager beroepsonderwijs tot aan de universiteit, vaardighedenontwikkeling,
                                 onderzoek en innovatie.
                             .   De vertaling van doelstellingen in termen van concrete en meetbare targets. De
                                 overheid zorgt dat doelstellingen zoveel mogelijk worden geconcretiseerd en
                                 gekwantificeerd.
                         34  awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                          .   De koppeling van doelen aan instrumenten. Bij elk gesteld doel specificeert de
                              strategie hoe van plan naar doel toe te werken, welke acties daartoe te onderne-
Structureel in plaats van
                              men en wie dat gaat doen.
                 ad hoc …
                          Op dit moment ontbreekt het in Nederland aan een doortimmerde strategie voor de
                          lange termijn voor de ontwikkeling van de kennissamenleving. Er is geen integraal
                          plan van aanpak dat is gefundeerd op een heldere beleidsvisie. Beleidsmaatregelen
                          en investeringen hebben een incidenteel karakter. Zij zijn vaak meer bedoeld om
                          acute knelpunten weg te nemen dan om toekomstgericht beleid te ontwikkelen.
                          Vaak worden zij ingegeven door financiële meevallers (de hoge aardgasbaten) of
                          door politieke spanningen (het Paasakkoord). Dit heeft twee negatieve gevolgen.
                          Allereerst investeren we minder dan wenselijk zou zijn en doen we ons als maat-
                          schappij daarmee op termijn tekort.31 Daarnaast onderhouden we onze onderwijs-
                          en onderzoeksinfrastructuur onvoldoende en ondermijnen we iets dat later moeilijk
                          weer op te bouwen is. Het ontbreken van een langetermijnstrategie leidt tot een
                          kortetermijnoriëntatie die meer is gericht op efficiëntieverbetering dan op vernieuw-
                          ing (zie kader).
                          Ideeën voor de ontwikkeling van een nationale langetermijnstrategie voor kennis-
… en met genoeg budget
                          ontwikkeling en innovatie zijn in de Nederlandse beleidsliteratuur ruimschoots
                          voorhanden.32 Maar het schort veelal aan de vertaling in een breed plan en de uit-
                          werking in concrete acties. We hebben behoefte aan een vertaling van ideeën in
                          structureel beleid met een tijdshorizon van minstens tien jaar, voorzien van structu-
                          rele middelen voor die periode, gevolgd door voortvarende en consequente imple-
                          mentatie.33
                          31   Wanneer de productiviteit van de investeringen stijgt, is het rationeel om het investeringsbedrag te verhogen. De
                               gedachte dat we misschien zo weinig investeren in onderwijs en onderzoek, omdat we dat zo efficiënt doen en dus
                               maar weinig hóeven te investeren, is vreemd vanuit dit perspectief. Immers, hoe efficiënter je ergens in bent, hoe aan-
                               trekkelijker het is om daarin te investeren – daar heeft een investering een hoog rendement. Aan publieke zijde hier stij-
                               gen de investeringen niet bij een stijging van de productiviteit, omdat er geen mechanisme dat onder deze omstandighe-
                               den voor verhoging van het budget zorgt (met dekking uit extra belastingen of met een beroep op de kapitaalmarkt) –
                               integendeel. Aan private zijde zorgt concurrentie er (weliswaar op gebrekkige wijze) voor dat investeringen tenderen
                               naar het niveau waarop marginale opbrengsten gelijk zijn aan marginale kosten (zie bijvoorbeeld Baumol, W.J., 2002,
                               The Free-Market Innovation Machine, Princeton University Press, hoofdstuk 4, ‘wapenwedloopmodel’).
                          32   Zie onder andere de diverse publicaties van het Innovatieplatform, van de SER en van de AWT.
                          33   Het Innovatieplatform heeft in een advies over de KIQ voorgesteld om een aanzet te maken voor een investeringsagen-
                               da, in eerste instantie gericht op een aantal specifieke knelpunten. De AWT juicht dit initiatief toe en benadrukt het
                               belang van een structurele en integrale aanpak. De ministeries van EZ en SZW hebben in september 2005 een ‘Nationaal
                               Hervormingsprogramma Nederland 2005-2008 in het kader van de Lissabonstrategie’ gepubliceerd. Deze strategie gaat
                               vergezeld van een document ‘Bijdrage van de Nederlandse sociale partners aan de realisering van het Nationaal
                               Hervormingsprogramma 2005-2008 in het kader van de Lissabonstrategie’. Voor de komende paar jaar geven deze plan-
                               nen een samenhangend overzicht van het ingezette beleid en de bijdragen van private partijen hieraan. Ze leveren goede
                               bouwstenen voor de ontwikkeling van een nationaal plan voor langetermijninvesteringen in de kennissamenleving.
                       35 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                     Een langetermijnstrategie voor de kennisinfrastructuur
                     Het Nederlandse wetenschapsbeleid zou goed verankerd moeten zijn in een nationa-
                     le langetermijnstrategie voor kennisontwikkeling en innovatie. De afgelopen jaren
                     was de voornaamste inzet van het wetenschapsbeleid te komen tot een verbetering
                     van de efficiëntie en de kwaliteit van de kennisinfrastructuur. Dit beleid heeft tot op
                     zekere hoogte (en in zekere richting) succes gehad, zoals metingen van publicaties
                     en citaties illustreren. Maar het heeft ook nadelen met zich meegebracht.
                     .   Het onderzoek met een langetermijnfocus heeft geleden onder de druk om te
                         scoren op de korte termijn.
                     .   Investeringen in onderhoud en vernieuwing van onderzoeksinfrastructuur zijn
                         achtergebleven.
                     .   De aantrekkelijkheid van een onderzoeksloopbaan is erop achteruit gegaan zodat
                         promotieplaatsen aan Nederlandse universiteiten vaak moeten worden ingevuld
                         door buitenlanders en het personeelsbestand aan universiteiten vergrijst.
                     Als gevolg van dit beleid is de gerichtheid op kortetermijnresultaten toegenomen
                     ten koste van de geneigdheid te investeren voor de lange termijn. Voortgang op
                     deze weg zal het vermogen van de kennisinfrastructuur om in de toekomst ade-
                     quaat te presteren steeds meer ondermijnen. Het perspectief voor verdere efficiën-
                     tieverbetering is beperkt; het laaghangend fruit is hier onderhand wel geplukt. Het
                     is tijd voor een nieuwe strategie, voor investeringen en voor een nieuw elan.
                     3 Vertrouwen
                     Ontwikkeling van de kennissamenleving vergt inspanningen van de overheid en van
                     vele andere partijen. Ondernemers, werknemers, burgers, bedrijven, stichtingen en
                     charitatieve organisaties, van allen is de bereidheid nodig om mee te werken aan en
Onderling vertrouwen te investeren in een langetermijnontwikkeling met onzekere uitkomsten. De over-
          moet beter heid kan dit proces hooguit stimuleren en faciliteren, maar niet sturen of dirigeren.
                     Gezamenlijk en gecoördineerd investeren stelt specifieke eisen aan de verhoudingen
                     tussen de partijen. Een belangrijke voorwaarde is het bestaan van vertrouwen. De
                     AWT meent dat op dit punt nog veel te winnen is. Inconsistenties in onder andere
                     het innovatiebeleid van de laatste jaren hebben het vertrouwen van het bedrijfsle-
                     ven in de overheid niet bevorderd.34 Ook met het vertrouwen tussen de overheid en
                     kennisinstellingen is het in Nederland niet bijster goed gesteld.
                     Mede onder invloed van voortgaande ontvlechting van overheidsorganisaties (ver-
                     zelfstandiging, privatisering), meer marktallocatie en budgettaire druk is de verhou-
                     ding tussen overheid en kennisinstellingen de afgelopen jaren ingrijpend veranderd
                     – voor een belangrijk deel in de goede richting. Overheid en kennisinstellingen zijn
                     34   Niet alleen heeft het budget dat de laatste jaren voor innovatiebeleid beschikbaar was behoorlijk gefluctueerd, tevens
                          was het instrumentarium weinig stabiel – ook in 2005 is er weer een herijking geweest.
                  36 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                             meer op afstand van elkaar komen te staan en hun relatie heeft een formeler karak-
                             ter gekregen. De Nederlandse wetgever erkent dat sturing van bovenaf in deze rela-
                             tie algauw de intrinsieke, door interesse gedreven motivatie van kenniswerkers
                             ondermijnt.35 De professionele gedrevenheid van onderzoekers en docenten, in de
                             praktijk broodnodig voor een goed functioneren, verdraagt weinig sturing.
                             Professionals voelen zich door directe aansturing snel aangetast in hun autonomie
                             en verliezen de ‘wil om te winnen’. Er ontstaat dan een ambtelijke cultuur die is
                             gericht op uitvoering in plaats van een ondernemende cultuur die is gericht op
                             exploratie.
Op papier veel autonomie …   Op papier hebben de Nederlandse universiteiten en andere kennisinstellingen veel
                             autonomie. In de praktijk heeft de overheid echter tegelijkertijd andere middelen
                             ingezet om toch te kunnen blijven sturen. De nadruk in de relatie tussen overheid
                             en kennisinstellingen is steeds meer komen te liggen op aansturing via regels en
                             financieringsvoorwaarden met een grote nadruk op competitie om middelen
                             ex ante (tendering) en afrekenmechanismen ex post (accountability). Naast de for-
                             mele sturing via de eerste en tweede geldstroom heeft de overheid allerlei vormen
  … maar in de praktijk veel van bijsturing in het leven geroepen, ad hoc bronnen van financiering voor specifie-
                  bijsturing ke doelstellingen en met allerhande regelgeving en verantwoordingsverplichtingen
                             omkleed (bijvoorbeeld het studeerbaarheidsfonds, de Bsik-gelden, de
                             Vernieuwingsimpuls). Deze wijze van financiering is in feite een vorm van geïnstituti-
                             onaliseerd wantrouwen. Hij leidt tot hoge regeldruk, transactiekosten en administra-
                             tieve lasten.
                             Een veelheid aan bijsturing met regels en prestatieafspraken werkt averechts. De
                             beste universiteiten en onderzoeksinstituten in de wereld hebben een grote mate
                             van autonomie. De AWT meent dat de verhouding tussen overheid en kennisinstel-
                             lingen minder dan nu gekenmerkt moet zijn door aan-, bij-, toe- en zijsturing, door
                             controle en afrekening. Vergroting van doelmatigheid en verhoging van efficiëntie
                             zijn niet gediend bij nog meer beheersing. De overheid moet haar stelselverant-
Stelselverantwoordelijkheid  woordelijkheid langs andere wegen waarmaken. Uitgangspunt hoort daarbij te zijn
         anders waarmaken    dat de overheid zich rekenschap geeft van haar eigen rol tegenover kennisinstellin-
                             gen: ze is als stelselverantwoordelijke niet primair zelf belanghebbende, ze is vooral
                             facilitator. Direct belanghebbenden zijn studenten, werkgevers, ondernemers,
                             docenten, onderzoekers.
          Autonomie binnen   De AWT vindt dat de overheid haar stelselverantwoordelijkheid moet invullen door
             heldere kaders  vanuit de rol van facilitator heldere kaders te stellen, daarbinnen autonomie te verle-
                             nen en uit te gaan van zelfsturing. Zij moet vertrouwen op professionaliteit. Kaders
                             35   Hiermee wordt ook rekening gehouden in de nieuwe Wet op het Hoger Onderwijs en Onderzoek (WHOO) die eind 2005
                                  wordt ingediend.
                          37 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                         zijn helder als ze duidelijk maken wat de overheid op hoofdlijnen van de kennisin-
                         stellingen verwacht. Ze specificeren nationale ambities en doelstellingen op het
                         gebied van wetenschappelijke ontwikkeling, academisch onderwijs en kennisontwikke-
                         ling ten behoeve van innovatie (zie bijvoorbeeld ook hoe dit is uitgewerkt in Canada en
                         het Verenigd Koninkrijk). Ze gaan vergezeld van eenduidige en transparante mechanis-
                         men om beschikbare middelen te verdelen. Kennisinstellingen zetten binnen de gege-
                         ven kaders hun eigen koers uit, al naargelang de situatie vereist in concurrentie of in
                         samenwerking met elkaar. Deze richtinggevende kaders dienen in dialoog met alle
                         belanghebbenden tot stand te komen en moeten onderdeel zijn van de nationale lan-
                         getermijnstrategie. Kennisinstellingen dienen aanspreekbaar te zijn op hun koers en
                         prestaties. De overheid moet ervoor zorgen dat kennisinstellingen achteraf verantwoor-
Verantwoording achteraf  ding afleggen, zowel naar de overheid (verticaal) als naar belanghebbenden (horizon-
                         taal). Over ervaren knelpunten aan beide zijden moeten overheid en kennisinstellingen
                         het gesprek aangaan en afspraken maken.36 De overheid moet zeer terughoudend zijn
                         met zijsturing via aparte programma’s en regelingen.
                         Het waarmaken en invullen van stelselverantwoordelijkheid en het sturen op hoofd-
                         lijnen vereist een omslag in de benadering van de kennisinstellingen door de verant-
                         woordelijke bestuurders en beleidsmakers aan overheidszijde. Deze omslag binnen
   Een andere opstelling het bestuur kan alleen maar slagen, indien deze gedragen wordt door parlement en
      van het parlement  politiek. Bestuurders kunnen zich niet richten op kaderstelling en hoofdlijnen als ze
                         door parlementariërs voortdurend ter verantwoording worden geroepen over de
                         details van de uitvoering. In de ogen van de AWT zou het politieke debat met name
                         over de invulling van de stelselverantwoordelijkheid moeten gaan.
                         De AWT kan zich in dit verband goed vinden in de voorstellen die de RMO doet in zijn
                         advies Bevrijdende kaders en in de lijnen die de WRR uitzet in Bewijzen van goede
                         dienstverlening en de SER in Ondernemerschap voor de publieke zaak. Hij ziet belang-
                         rijke parallellen tussen de ontwikkelingen die RMO, WRR en SER signaleren in de
                         publieke sector en de ontwikkelingen in het publieke onderzoek (zie kader). De AWT is
                         ervan overtuigd dat meer ‘kaderstelling en horizontalisering’ een beter perspectief
                         biedt dan meer sturing om maximaal resultaat uit de kennisinfrastructuur te halen.
                         Bevrijdende kaders (RMO, 2002)
                         De RMO stelt dat de manier waarop de overheid is georganiseerd niet meer past bij
                         de huidige samenleving. De overheid is te vaak geneigd om zelf te sturen en centra-
                         le regels uit te vaardigen. Veel burgers, professionals en instellingen voelen zich
                         gevangenen van ingewikkelde systemen. Door de overmaat van regels wordt de stu-
                         ring van de overheid juist minder effectief. Beter is het dat de overheid strikte
                         kaders stelt en zo ruimte organiseert voor burgers en uitvoerende instellingen om
                         hun activiteiten in te richten volgens eigen inzicht.
                         36   Het HBO-convenant lijkt in dit verband een goed voorbeeld – mits het wordt nageleefd.
                      38 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>   De oplossing moet volgens de RMO komen uit kaderstelling en horizontalisering.
   Kaderstelling betekent dat de overheid zich terugtrekt op enkele kernregels. Er zijn
   dan veel minder regels nodig, maar deze worden wél strikt gehandhaafd. De over-
   heid bewaakt de grenzen van het speelveld, daarbinnen ontstaat ruimte voor bur-
   gers en instellingen. Horizontalisering wil zeggen dat professionals en publieke
   instellingen zich vooral moeten richten op burgers en op elkaar en veel minder op
   de eisen van de rijksoverheid. De verantwoording die instellingen afleggen, moet zo
   worden ingericht dat burgers actief betrokken raken bij het functioneren van de
   instellingen. Ook moeten instellingen zich meer met elkaar vergelijken op hun func-
   tioneren en prestaties.
   Bewijzen van goede dienstverlening (WRR, 2004)
   De WRR analyseert problemen rond de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid
   van de maatschappelijke dienstverlening. Hij constateert een toenemende spanning
   tussen het institutionele regime waarbinnen deze sectoren functioneren, de oriënta-
   tie waarmee de dienstverlenende instellingen opereren en de vragen van cliënten.
   Deze spanning wordt versterkt door de strikte scheiding tussen beleid en uitvoering,
   tussen doelen en middelen en tussen overheid en markt. Het gevolg is dat een geïn-
   stitutionaliseerd wantrouwen ontstaat tussen overheden, burgers, instellingen en
   professionals met een eenzijdige nadruk op regelen, disciplineren, afrekenen en
   controleren. De WRR pleit voor een wisseling van perspectief dat beoogt te kapitali-
   seren op de aanwezige kwaliteit in de maatschappelijke dienstverlening.
   Ondernemerschap voor de publieke zaak (SER, 2005)
   De SER pleit voor het stimuleren van ondernemerschap binnen publieke dienstverle-
   ners (waaronder kennisinstellingen) door een specifieke invulling van de eigen ver-
   antwoordelijkheid van overheid, publieke ondernemingen en burgers.
   .   De overheid dient zich veel meer dan nu te richten op haar systeemverantwoor-
       delijkheid en moet deze ook waarmaken. Het is bij uitstek aan politiek en over-
       heid om publieke belangen ten aanzien van kwaliteit, toegankelijkheid en derge-
       lijke van voorzieningen te borgen door doelstellingen en randvoorwaarden helder
       te formuleren en door toezicht goed te bewaken.
   .   Ondernemingen in de publieke dienstverlening zullen zich midden in de samenle-
       ving moeten plaatsen. Dat houdt in dat de organisatie klanten en burgers profes-
       sioneel en ‘op maat’ bedient, dat zij de dialoog aangaat met de samenleving
       (zich responsief opstelt) en verantwoording aflegt over de wijze waarop invulling
       wordt gegeven aan de maatschappelijke opdracht.
   .   Maar de missie van ondernemerschap voor de publieke zaak kan pas slagen als
       ook burgers en klanten zich verantwoordelijk voelen voor het reilen en zeilen van
       de publieke dienstverlening.
39 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>                              4 Betrokkenheid
                              Om gezamenlijk de kennissamenleving te ontwikkelen, is engagement nodig.
                              Betrokkenheid van alle partijen – leraren, onderzoekers, ondernemers, financiers,
                              beleidsmakers, gebruikers – is onmisbaar om een langetermijnstrategie aan te scher-
                              pen, uit te werken en te implementeren. Betrokkenheid betekent hier meer dan alleen
Betrokkenheid betekent mede   geconsulteerd worden. Het betekent medeverantwoordelijkheid voelen en dragen en
verantwoordelijkheid en mede  vaak ook mee investeren. Het is aan de overheid om deze betrokkenheid te organise-
                   investeren ren en te waarborgen. Om het engagement van andere partijen op te wekken, is het
                              nodig om ze daadwerkelijk invloed te geven op de uitkomsten van het proces, om ze
                              een zekere mate van zeggenschap te verlenen. De Finse overheid doet dit bijvoorbeeld
                              door de positionering van TEKES (zie kader in het vorige hoofdstuk). De betrokkenheid
                              van het Finse bedrijfsleven bij het innovatiebeleid is zo hoog omdat het bedrijfsleven
                              via TEKES zelf de programmatische invulling van het beleid meebepaalt.
     Consulteren gaat goed …  Consulteren gaat in de Nederlandse polder over het algemeen heel redelijk.
                              Betrokkenheid van direct belanghebbenden bij de ontwikkeling van het Nederlandse
                              kennis- en innovatiebeleid is traditioneel hoog. De communicatie tussen bestuurders
                              van kennisinstellingen, organisaties van werkgevers en beleidsmakers is intensief.
                              Natuurlijk kunnen partijen zich niet altijd even goed herkennen in de uitkomst,
                              maar in het algemeen is er een behoorlijk draagvlak voor resulterende compromis-
                              sen. Desondanks ziet de AWT een aantal wenselijke verbeteringen.
                              .   De kring van direct belanghebbenden met een intensieve betrokkenheid bij de
                                  ontwikkeling van het innovatie- en kennisbeleid (en ook van het onderwijsbeleid)
                                  is vrij smal en loopt via koepelorganisaties. Dit leidt tot vervreemding bij burgers,
                                  kiezers en politici, maar ook bij tal van organisaties die moeten profiteren van dit
                                  beleid: bedrijven, overheidsinstellingen, lagere overheden, maatschappelijke
                                  organisaties. Verbreding van de kring van betrokkenen en meer interactie over de
                                  Nederlandse innovatiestrategie is gewenst.
                              .   Betrokkenheid speelt zich veelal af in een sfeer van weinig transparante persoon-
                                  lijke netwerken en lobbyende belangengroepen. Daarom leidt dit vaak tot een
                                  gebrek aan slagvaardigheid bij het maken van keuzes, een versnippering van
                                  middelen over een teveel aan doelen, een strategie van het ‘sparen van kool en
                                  geit’. De gehanteerde procedures in de beleidsontwikkeling voor interactie met
                                  het veld, kunnen verbeterd worden waar het gaat om het vermogen prioriteiten
                                  en posterioriteiten te stellen.37
                              .   Bedrijven uitdagen om te innoveren door innovatief aan te besteden. De over-
                                  heid kan het bedrijfsleven mobiliseren en innovatie effectief uitlokken door uitda-
                                  gende vragen in de markt te brengen, bijvoorbeeld op gebieden van energie,
                                  milieu, infrastructuur en watermanagement.
                              37   Dit speelt met name waar het gaat om investeringen in de omvangrijkere infrastructurele projecten. Men kan in dit ver-
                                   band bijvoorbeeld denken aan de gang van zaken rond de verdeling van FES-middelen ter versterking van de kennisinfra-
                                   structuur (Bsik), de oprichting van Maatschappelijke Topinstituten (MTI’s), de oprichting van TTI-Farma.
                           40 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                                Het delen van verantwoordelijkheid in de Nederlandse polder kan beter.
                                Betrokkenheid van direct belanghebbenden bij de invulling en uitvoering van het
  … maar echte betrokkenheid    Nederlandse kennis- en innovatiebeleid is veelal van een laag niveau. Beleids-
                    vergt meer  uitvoeringsorganisaties consulteren betrokken partijen weliswaar vaak, onder andere
                                door hen uit te nodigen deel te nemen in maatschappelijke adviesraden of begelei-
                                dingscommissies. Maar van daadwerkelijk meebepalen van de precieze koers en te
                                nemen acties is minder sprake. Hier is volgens de AWT winst te behalen. Om te
                                komen tot grotere betrokkenheid bij de uitvoering van beleid en tot meer commit-
                                ment aan de nationale innovatie-inspanning, hoort de overheid zich te beperken tot
                                sturen op hoofdlijnen. Ze zou betrokkenen daadwerkelijk invloed moeten geven op
                                de invulling en uitvoering van het beleid, bijvoorbeeld op de keuze van stimulerings-
                                gebieden, op onderzoeksprogrammering en op de onderlinge verdeling van midde-
                                len. Het is aan de overheid om heldere kaders te stellen. Het is gewenst daarbinnen
                                direct belanghebbenden meer autonomie te verlenen om concreet invulling te geven
                                aan acties.
                                In dit verband verdient betrokkenheid van het bedrijfsleven speciale aandacht.
                                Gemeten naar internationale maatstaven is de R&D-intensiteit van bedrijven in
                                Nederland laag.38 Nu wordt het niveau van R&D-investeringen door bedrijven in ster-
                                ke mate bepaald door de sector waarin ze opereren. De typisch Nederlandse sector-
                                structuur levert dan ook een deel van de verklaring voor achterblijvende bedrijfsin-
                                vesteringen.39 Ook is bekend dat grotere bedrijven hun beslissingen over R&D-inspan-
                                ningen maken in een internationale context, waarbij overwegingen van thuismarkt,
Bedrijven niet alleen verleiden groeimarkten elders en aantrekkelijkheid van het lokale ondernemers- en innovatiekli-
       maar ook invloed geven   maat een grote rol spelen. De uitdaging voor Nederland is in deze context drieërlei.
                                .   Werken aan een meer uitdagend en uitnodigend innovatieklimaat – in brede zin.
                                    Het is een overheidstaak om via regelgeving en met publieke investeringen de
                                    aantrekkelijkheid voor bedrijven om in Nederland R&D-investeringen te plegen te
                                    vergroten. De overheid dient zich bewust te zijn van de internationale concurren-
                                    tie om kapitaal en kenniswerkers. Vanuit dat besef dient ze de randvoorwaarden
                                    voor onderzoek en innovatie te optimaliseren en daarmee het bedrijfsleven tot
                                    meer R&D-investeringen te verleiden.
                                .   Bedrijven gericht betrekken bij en committeren aan het in Nederland te voeren
                                    beleid. Bij de ontwikkeling van beleid dienen bedrijven het vertrouwen te krijgen
                                    dat de knelpunten die zij zien, worden gehoord en opgepakt. En bij de uitvoering
                                    van beleid kan aan bedrijven meer directe zeggenschap worden gegeven over
                                    precieze invulling, acties en besteding van middelen. In het verlengde hiervan kan
                                38   Hierbij kan worden opgemerkt dat ook het aandeel van de private uitgaven aan onderwijs in Nederland relatief laag is,
                                     zeker in vergelijking tot niet-Europese OECD-landen. Voor een belangrijk deel hangt dit verschil samen met een andere
                                     institutionele structuur en een ander belastingregime. Echter, ook hier valt nog winst te behalen door met belastingmaat-
                                     regelen de aantrekkelijkheid van particuliere investeringen in (eigen) scholing en opleiding te vergroten.
                                39   Schattingen laten zien dat een kwart tot de helft van de vermeende achterstand in private R&D-uitgaven kan worden ver-
                                     klaard uit de Nederlandse sectorstructuur. Zie H. Hollanders en B. Verspagen, De invloed van de sectorstructuur op de
                                     R&D-uitgaven van en het aantal toegekende patenten aan het Nederlandse bedrijfsleven (Maastricht, 2001).
                             41 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>                                de overheid bedrijven aanspreken op hun inzet en betrokkenheid, onder meer
                                door afspraken te maken over de acties die zij op zich nemen en over de (R&D)-
                                investeringen die zij plegen.
                            .  Bedrijven uitdagen om te innoveren door innovatief aan te besteden. De overheid
                                kan het bedrijfsleven mobiliseren en innovatie effectief uitlokken door uitdagen-
                                de vragen in de markt te brengen, bijvoorbeeld op gebieden van energie, milieu,
                                infrastructuur en watermanagement.
                            5 Volharding
                            Kiezen voor een strategie en een investeringstraject is noodzakelijk. Maar, cruciaal is
                            niet alleen kunnen kiezen, maar ook aan keuzes kunnen vasthouden in de uitvoe-
                            ring. Daarvoor moet er eerst en vooral een goed investeringsplan voor de lange ter-
                            mijn zijn. Dit mag niet al te rigide zijn. Het moet rekening houden met onzekerhe-
                            den en flexibel genoeg zijn om te kunnen inspelen op veranderde omstandigheden
                            en nieuwe inzichten. Maar het moet wel voldoende concreet zijn en houvast bie-
                            den. Van tevoren alleen een algemeen kader vastleggen, schept het risico dat de
                            afgesproken koers verlaten wordt en dat alle plannen verzanden. Bij dit soort trajec-
                            ten bestaat immers de neiging om externe veranderingen aan te grijpen om prio-
                            riteiten ter discussie te stellen of te wijzigen, uitvoeringstrajecten te vertragen of te
                            verleggen, de aandacht te richten op andere dingen. Om dit te voorkomen, maar
                            toch ruimte te behouden voor bijsturing is het gewenst niet alleen stevige afspraken
                            te maken met alle belanghebbenden, maar ook voorzieningen te treffen die dwin-
Dwing jezelf tot discipline gen tot zelfdisciplinering. De AWT ziet hiervoor twee complementaire aangrijpings-
                            punten.
                            .   Institutionele voorzieningen (zoals in Finland): laat een gremium op hoog niveau,
                                met vertegenwoordigers van de belangrijkste belanghebbenden – in Finland de
                                STPC, hier het Innovatieplatform? – het beleid in de gaten houden en eventueel
                                argumenteren en meebeslissen over wenselijke koerswijzigingen.
                            .   Procedurele voorzieningen (zoals in het Verenigd Koninkrijk): leg ex ante vast hoe
                                het beleid wordt gemonitord en hoe de voortgang wordt gemeten (zie bijlage 7
                                voor de lange lijst van indicatoren waarover de overheid het Verenigd Koninkrijk
                                elk jaar rapporteert). Spreek af met wie deze gegevens worden gedeeld en
                                besproken en hoe de uitkomsten worden behandeld.
                            Tot slot
                            Kiezen voor de kennissamenleving is een politieke keuze: een keuze voor een speci-
                            fiek pad van maatschappelijke ontwikkeling, voor een kwalitatief hoogwaardige
   Politieke keuze: de wil  samenleving. Het is meer dan een strategie om economisch het hoofd boven water
         om te investeren   te houden. De bereidheid om hierin te investeren, hangt af van de aantrekkelijkheid
                            van dit perspectief. Het succes van een investeringsstrategie hangt af van onderling
                            vertrouwen, betrokkenheid en volharding.
                         42 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>      Een vanzelfsprekende
                          4                Aanbevelingen
                              De overheid heeft vanzelfsprekend een taak in het voorbereiden van Nederland op
               overheidstaak  de toekomst. Sterker nog, ze is daar primair verantwoordelijk voor. Dat geldt niet
                              alleen voor de toekomstbestendigheid van onze collectieve structuren, maar ook
                              voor investeringen in de capaciteiten van mensen en van de samenleving als geheel.
                              Mensen moeten worden toegerust om zich in de toekomst te redden en te ont-
                              plooien in economisch en sociaal opzicht, individueel en collectief. Dit is een geza-
                              menlijk belang. Het vraagt van de overheid om te investeren in kennis en innovatie
                              – meer dan ze nu doet!
                              Te weinig investeren in kennisontwikkeling en innovatie brengt onaanvaardbare
                              risico’s met zich mee: verlies van waardevol menselijk kapitaal (braindrain), vertrek
                              van hoogwaardige productieactiviteiten en van R&D uit Nederland (offshoring), ver-
                              slechtering van het vestigingsklimaat, verzwakking van de internationale positie van
                              het Nederlands onderzoek en ondergraving van de absorptiecapaciteit. De kwaliteit
                              van de samenleving zal er waarschijnlijk onder leiden, Nederland wordt een minder
                              aantrekkelijk land om in te werken en te leven. De neiging bestaat om eindeloos te
                              debatteren over de orde van grootte van elk van deze risico’s, evenals over de ter-
                              mijn waarop ze spelen en de ernst van de mogelijke schade. Hoe groot is de kans
                              dat bedrijfs-R&D uit Nederland vertrekt, hoe lang gaat dat duren en hoe erg is dat,
                              wat is het rendement op een investering in kennis, hoe groot zijn de spillovers?
                              Harde antwoorden op dit soort vragen zijn niet te krijgen. De AWT meent dat het
Een no-regret beleid is nodig hoe dan ook geraden is een no-regret beleid te volgen. Noch de baten van kennis-
                              investeringen noch de risico’s van onderinvestering zijn eenduidig meetbaar. Daarom
                              moet we ervoor zorgen dat publieke kennisinvesteringen voldoende ruim worden.
                              Nederland kan zich niet veroorloven de boot te missen.
                              Overheid, investeer meer in kennis en innovatie
                              In dit advies roept de AWT de Nederlandse overheid op de daad bij het woord te
                              voegen: doe wat je in Barcelona hebt beloofd. Investeer meer in kennis en verleidt
                              zo het bedrijfsleven om hetzelfde te doen. Over dit laatste hebben we in een eerder
                              advies een reeks aanbevelingen gedaan om het innovatieklimaat te verbeteren en
    Faciliteer private R&D …  private R&D te faciliteren. Deze aanbevelingen worden in het onderstaande kader
                              samengevat – ze blijven stuk voor stuk onverkort relevant. In dit advies gaat de
                              AWT verder. We roepen niet alleen de overheid op om het bedrijfsleven beter te
   … maar investeer ook zelf  faciliteren, maar ook en vooral om zélf meer te doen.
                           43 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                         AWT-Advies Gewoon doen!? – Perspectief op de Barcelona-ambitie ‘3% voor O&O
                         In een eerder advies heeft de AWT aanbevolen om het vestigingsklimaat te verbete-
                         ren en om meer private inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling
                         uit te lokken. Concreet zijn deze aanbevelingen uitgewerkt onder de volgende
                         kopjes:
                         Zorg voor een stimulerend innovatieklimaat en goede vestigingsvoorwaarden.
                         .   Stimuleer ondernemerschap, waaronder technostarters.
                         .   Regel intellectuele eigendomsverhoudingen.
                         .   Draag zorg voor een aantrekkelijk fiscaal klimaat.
                         .   Geef meer aandacht gewenst voor regionaal innovatiebeleid.
                         .   Toets wet- en regelgeving op consequenties voor innovatie.
                         .   Lever mededingingsbeleid op maat.
                         Faciliteer private O&O.
                         .   Zorg voor voldoende menselijk kapitaal.
                         .   Zorg voor een hoogwaardig publiek onderzoeksbestel en goede kenniscirculatie.
                         .   Vereenvoudiging technologiesubsidies.
                         .   Ga door met de WBSO.
                         Het advies eindigt met de volgende opmerking:
                             “Eén ding is zeker: bezuinigen van overheidswege op uitgaven ten behoeve
                            van wetenschap en innovatie is uit den boze. Nederland heeft zich voorgeno-
                            men om binnen acht jaar uit te groeien tot één van de meest krachtige en
                            duurzame kenniseconomieën ter wereld. Mede als gevolg van straffe bezuini-
                            gingen op overheidsinvesteringen in het verleden is de kloof met deze doelstel-
                            ling nu al groot. Verdere bezuinigingen op wetenschap en technologie zou die
                            kloof alleen maar vergroten en de Lissabondoelstelling feitelijk onhaalbaar
                            maken.”
                         De KIQ moet omhoog – de hamvraag is hoe
                         De vraag is niet óf de KIQ omhoog moet, maar hóe we de KIQ omhoog kunnen
                         brengen – het liefst op korte termijn. Hiervoor biedt de AWT hieronder een aantal
                         handreikingen die zijn bedoeld om te bevorderen dat we meer willen investeren.
                         Om te komen tot hogere kennisinvesteringen moet de overheid het voor private
                         partijen én voor zichzelf aantrekkelijker maken om deze investeringen daadwerkelijk
                         te plegen. De AWT beveelt daarom aan een aantal stappen te nemen en een aantal
Motiveren en mobiliseren arrangementen in het leven te roepen die partijen motiveren en mobiliseren om te
                         investeren in kennis.
                      44 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>    Het héle kabinet is aan zet Met zijn aanbevelingen richt de AWT zich tot het kabinet in zijn geheel. In onze
                                ogen dienen de ambities op het terrein van de kennissamenleving gedeeld en
                                onderschreven te worden over de volle breedte van het bestuur. Meer in het bijzon-
                                der richten wij ons tot de departementen van EZ, OCW en Financiën. Van deze drie
                                departementen mag het initiatief verwacht worden tot de ontwikkeling en imple-
                                mentatie van een kennis- en innovatiestrategie. Het zal niet als een verrassing
                                komen dat wij onze aanbevelingen in lijn met onze analyse richten op versterking
                                van de vijf genoemde voorwaarden voor actie. De aanbevelingen zijn toegespitst op
                                het terrein van wetenschaps-, onderzoeks- en innovatiebeleid – op deze terreinen
                                heeft de AWT zijn expertise en hier ligt zijn mandaat – maar zouden doorgetrokken
                                kunnen worden naar het terrein van het onderwijsbeleid.
                                1 Visie
                                De AWT beveelt aan om de uitdaging de kennissamenleving tot ontwikkeling te
De kennissamenleving centraal   brengen centraal te stellen in de beleidsontwikkeling en als toetssteen voor
                                beleid te hanteren. Hiervoor is noodzakelijk dat het kabinet een wervende en
                                mobiliserende visie op de kennissamenleving ontwikkelt en uitdraagt die kan reke-
                                nen op een breed politiek en maatschappelijk draagvlak voor kennis- en innovatie-
                                beleid. Die visie moet:
                                .   uitgaan boven een nauw begrepen economisch belang en ingebed zijn in een
                                    bredere visie op de gewenste maatschappelijke ontwikkeling – en daarmee de
                                    kokers van OCW en EZ overstijgen;
                                .   een centrale plaats innemen in het overheidsbeleid en algemeen gebruikt worden
                                    om beleidsinitiatieven de maat te nemen.
                                2 Strategie
                                De AWT beveelt aan om in dialoog met belanghebbenden een omvattende natio-
       Een integrale nationale  nale langetermijnstrategie te ontwikkelen voor de ontwikkeling van de kennissa-
         langetermijnstrategie  menleving. Deze dient:
                                .   aandacht te hebben voor het hele bereik van onderwijs, vaardighedenontwikke-
                                    ling, onderzoek en innovatie;
                                .   een tijdshorizon te hebben van ten minste tien jaar;
                                .   voorzien te zijn van een marsroute en tijdpad, concrete speerpunten, doelstellin-
                                    gen en meetbare targets, instrumenten en indicatoren;
                                .   uit te monden in een realistisch maar solide investeringsplan met een structureel
                                    karakter.
                                Om hiertoe te komen, pleiten wij ervoor lessen te trekken uit de ervaringen van
                                andere landen en aan de hand daarvan relevante benchmarks vast te stellen.
                             45 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>                            Rekening houdend met de specifieke kenmerken van Nederland dient er langs deze
                            weg een robuust plan te komen voor de toekomst.
        Publieke én private Een structureel investeringsplan voor de lange termijn zoals hier bedoeld, beperkt
           investeringen …  zich niet tot overheidsinvesteringen. Het legt ook afspraken over bijdragen van pri-
                            vate zijde vast. Kijkend naar het publieke deel van de investeringen in onderzoek, is
                            de AWT van mening dat voor de inzet van deze middelen een de balans hersteld
                            moet worden tussen enerzijds versterking van de basiskennisinfrastructuur en
    … voor een brede basis  anderzijds programmatische inzet ter versterking van zwaartepunten (het creëren
                met pieken  van focus en massa) of ter versterking van kennisoverdracht en –benutting (zoals
                            bijvoorbeeld via Bsik wordt gedaan).
                            De ontwikkeling van een lange termijnstrategie en een structureel investeringsplan
                            vergt de inbreng van alle belanghebbende partijen. De AWT ondersteunt het initia-
                            tief van het Innovatieplatform om de dialoog tussen belanghebbenden vorm te
                            geven en een aanzet te leveren voor de ontwikkeling van een nationale langeter-
                            mijnstrategie.
Het gaat om investeringen,
       niet om consumptie   De AWT is in dit verband uiteraard van mening dat publieke uitgaven aan onderwijs
                            en onderzoek in de begrotingssystematiek niet als consumptieve bestedingen moe-
                            ten worden behandeld, maar als investeringen. Deze uitgaven leveren kenniskapi-
                            taal op met een productief en duurzaam karakter dat van belang is voor de toe-
                            komst van ons land. Het is dan ook onverstandig publieke investeringen in onder-
                            zoek en onderwijs bij bezuinigingsoperaties over één kam te scheren met overheids-
                            uitgaven die een meer consumptief karakter hebben. De gang van zaken van de
                            afgelopen jaren, waarin beleidsintensiveringen en extra investeringen voor een
                            groot deel meer dan teniet werden gedaan door generieke bezuinigingen, moet
                            worden vermeden.
                            3 Vertrouwen
                            De AWT beveelt aan om de relatie tussen overheid en publieke kennisinstellingen
        Autonomie binnen    (waaronder instellingen voor hoger onderwijs) meer te baseren op het verlenen van
             heldere kaders autonomie binnen heldere kaders. In dit kader bepleit hij het volgende.
                            .   Geef de stelselverantwoordelijkheid inhoud: formuleer heldere kaders, die op
                                hoofdlijnen duidelijk maken wat de overheid van de Nederlandse kennisinstel-
                                lingen verwacht. Zorg voor instrumenten om deze kaders streng te bewaken en
                                indien nodig consequenties te verbinden aan het al dan niet realiseren van afspraken.
                            .   Daag kennisinstellingen (waaronder begrepen universiteiten, hogescholen, publie-
                                ke onderzoeksinstellingen) uit zelf tot een ontwikkelingsstrategie te komen. Ga
                                hierover de dialoog met hen aan, stel hen mede op basis daarvan middelen ter
                                beschikking en vraag hen zoveel mogelijk achteraf om verantwoording.
                         46 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                          .   Zwicht niet voor de verleiding kennisinstellingen met allerlei ad hoc beleid bij te
                              sturen in de besteding van de hun toegewezen middelen of via het opleggen van
                              matchingsverplichtingen.
                          .   Stel naar analogie van het Ondernemersklankbord Regeldruk (Commissie Stevens)
                              een Klankbord Regeldruk Kennisinstellingen in, samengesteld uit bestuurders uit
                              het kennisveld, om voor deze sector de (onnodige) regeldruk en administratieve
                              lasten in kaart te brengen.
                          4 Betrokkenheid
                          De AWT beveelt aan gebruikers en afnemers van kennis – met name het bedrijfsle-
                          ven, maar ook organisaties zonder winstoogmerk zoals collectebusfondsen – inten-
                          sief en tijdig te betrekken bij de ontwikkeling en de implementatie van de
  Luisteren, overleggen,  nationale kennis- en innovatiestrategie. Hem staat drie dingen voor ogen.
          invloed geven   .   Consulteer en engageer. Verbreed het overleg over het kennis- en innovatie-
                              beleid en over het nationale investeringsplan in de ontwikkelingsfase om zo te
                              komen tot een breder draagvlak en een grotere betrokkenheid.
                          .   Spreek aan en spreek af. Intensiveer het overleg met het bedrijfsleven om te
                              komen tot meer ‘commitment’ en tot verdergaande afspraken over kennisont-
                              wikkeling in Nederland. Dit niet alleen in het kader van de opzet van TTI’s of de
                              ontwikkeling van de intermediaire kennisinfrastructuur (TNO, DLO, de GTI’s),
                              maar ook waar het gaat om investeringen die bedrijven zelf doen in kennisont-
                              wikkeling, innovatie en opleiding.
                          .   Delegeer en autoriseer. Stel heldere kaders vast en leg een stuk van de ver-
                              antwoordelijkheid voor de programmatische invulling van het innovatiebeleid
                              neer bij het bedrijfsleven zelf. Bewerkstellig zo een nauwere aansluiting tussen
                              behoeften en instrumentarium.
                          5 Volharding
                          De AWT beveelt aan om de nationale langetermijnstrategie voor kennisontwikke-
Organiseer zelfdiscipline ling en innovatie te voorzien van een tijdpad en een set van indicatoren waarover
                          jaarlijks wordt gerapporteerd. Hij beveelt aan om deze voortgangsrapportages jaar-
                          lijks voor te leggen aan het Innovatieplatform met een verzoek om advies en om ze
                          in te brengen in overleg tussen overheid met kennisinstellingen en met bedrijfsle-
                          ven. Hij beveelt aan om de voortgangsrapportage, samen met de adviezen van
                          Innovatieplatform en andere partijen, jaarlijks te agenderen in het kabinetsoverleg.
                          Waar nodig moet dit leiden tot besluitvorming over verdere implementatie en even-
                          tuele aanpassing of bijsturing.
                       47 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   Van woorden naar daden!
   “Solide oplossingen vragen tijd” luidt het citaat uit de troonrede 2005 dat de dag
   na prinsjesdag prijkt op de openingspagina van de website van de Nederlandse
   regering. Dit geldt niet alleen voor de ombouw van de sociale zekerheid, het nieu-
   we zorgstelsel of de integratie van minderheden, maar ook voor de versterking van
   de kennisinfrastructuur en de ontwikkeling van de kennissamenleving. Daarom
   roept de AWT de regering op om deze taak daadkrachtig en met de nodige volhar-
   ding aan te pakken – en zo het verloren ‘momentum’ terug te brengen in de ont-
   wikkeling van de samenleving.
   Aldus vastgesteld te Den Haag, oktober 2005
   J.F. Sistermans (voorzitter)
   mw. dr. V.C.M. Timmerhuis (secretaris)
48 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>b1                Adviesvraag
    Adviesaanvraag van het ministerie Onderwijs, Cultuur en wetenschap en het
    ministerie van Economische Zaken over de verkenning van de kennisinvesterings-
    quote (KIQ).
    Aanleiding
    Het kabinet onderkent in haar reactie op het Innovatieplatform advies Vitalisering
    van de kenniseconomie het belang van het voorstel om te komen tot een hogere
    kennisinvesteringsquote (KIQ).40 Dit vooral vanuit de gedachte dat het maatschappe-
    lijke rendement hierbij gebaat zal zijn. Het uitgangspunt van de regering is dat
    Nederland op het terrein van de kennissamenleving wil behoren tot de koplopers
    van Europa. Het kabinet heeft dan ook een verkenning verricht naar de ontwikke-
    ling van de publieke en private KIQ in Nederland. In deze KIQ-verkenning zijn de
    uitgaven van onderwijs en onderzoek vergeleken met die in een aantal referentie-
    landen.41 De verkenning is 8 juli 2005 naar de Tweede Kamer gestuurd en is als bij-
    lage bij deze adviesaanvraag bijgevoegd.
    In de verkenning staat aangegeven dat het kabinet hecht aan een advies van de
    AWT over dit onderwerp. De onderhavige adviesaanvraag van het ministerie van
    Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en het ministerie van Economische Zaken
    (EZ) is de uitwerking van dit verzoek. In deze notitie wordt een aantal vragen aan
    de orde gesteld die in het advies aan de orde zouden kunnen komen.
    De kennisinvesteringsquote: toelichting en context
    Een centraal element in de analyse van het Innovatieplatform is dat in Nederland de
    prioriteitstelling en investeringsinspanning niet consistent zijn met de beleden ambi-
    tie. In het rapport wordt de hoogte van de KIQ (zie kader) als symbool gezien voor
    deze analyse.
    Passage KIQ in rapport Innovatieplatform
    Het investeringsniveau in kennis blijft in Nederland, zowel publiek als privaat, ver onder
    het niveau dat nodig is om onze ambitie tot de kopgroep in de EU te behoren waar te
    maken. Een simpele rekensom leert dat we in Nederland ongeveer 1600 euro per
    inwoner aan onderwijs en R&D uitgegeven. Dat ligt ongeveer op het EU-gemiddelde,
    maar het ligt sterk onder dat van landen als België en Duitsland (1800 euro), Finland
    40   Zie reactie op het rapport Vitalisering van de kenniseconomie, 8 februari 2005.
    41   Als referentielanden is de set landen gekozen die het CPB ook hanteert in haar analyse. Het gaat om de Verenigde
         Staten, de Scandinavische landen (Denemarken, Zweden en Finland) en de buurlanden België, Duitsland, Frankrijk en het
         Verenigd Koninkrijk (voorzover cijfers beschikbaar). Zie P. Antenbrink et al. (2005), Nederlands onderwijs en onderzoek in
         internationaal perspectief, CPB Document No. 88, CPB, Den Haag.
 49 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   (bijna 2100 euro), Denemarken (2200 euro) en Zweden (meer dan 2400 euro). De ken-
   nisinvesteringsquote (KIQ) van Nederland lag in 2001 met een percentage van 6,8 van
   het BBP op een relatief laag niveau. Ter vergelijking: in België ligt deze op 8,6% van
   het BBP. Koplopers zijn de VS (10,2%), Zweden (10,8%) en Korea (11,1%).
   Het innovatieplatform staat niet alleen in deze analyse. Ook in het rapport Kok wor-
   den zorgen geuit over het investeringsniveau. Natuurlijk is bij de KIQ als indicator
   een aantal kanttekeningen te zetten. De belangrijkste zijn:
   .   Meest recente cijfers gaan over 2001. Na die periode stagneerde het BBP en is
       ook sprake geweest van ombuigingen en investeringen op het terrein van de
       KIQ.
   .   Investeringen zijn slechts een zijde van de medaille; uiteindelijk gaat het natuur-
       lijk ook om de resultaten van die uitgaven aan onderwijs en onderzoek (de zoge-
       naamde kennisproductiviteit).
   Het kabinet geeft in de verkenning aan dat de (ontwikkeling van de) KIQ een indi-
   cator is die beleidsmakers en politici kan attenderen op ontwikkelingen van de rela-
   tieve positie van Nederland voor wat betreft de investeringen in onderwijs en
   onderzoek. Het kabinet is vooral van mening dat het uiteindelijk gaat om het rende-
   ment en de resultaten van deze investeringen. Eventuele onderprestaties van
   Nederland moeten in eerste instantie blijken uit slechte resultaten. In dit geval kan
   een verkenning van de KIQ als één van de analyse-instrumenten van pas komen.
   Een lage score betekent echter geen kant-en-klaar beleidsrecept. Natuurlijk erkent
   het kabinet wel dat investeringen van kennis van belang zijn voor de Nederlandse
   kenniseconomie.
   Adviesaanvraag AWT
   In de verkenning van de KIQ is de Nederlandse positie vooral geplaatst in het per-
   spectief van de ambities die het kabinet heeft op het terrein van de kennisecono-
   mie. Daarbij is aandacht besteed aan de verschillende onderdelen waaruit de KIQ is
   opgebouwd (publiek, privaat, verschillende onderzoeks- en onderwijstypen). Meer
   concreet is in beeld gebracht:
   .   een zo actueel mogelijk overzicht van de KIQ;
   .   een schets van de ontwikkeling van de KIQ over meerdere jaren (periode 1991-
       2001);
   .   een overzicht van de effectiviteit van de investeringen;
   .   een internationale vergelijking op de punten 1 tot en met 3;
   .   vooruitblik naar 2007.
   De verkenning sluit af met het plaatsen van het kabinetsbeleid in het perspectief
   van de gesignaleerde knelpunten in de kenniseconomie. De ministeries van OCW en
   EZ zijn vooral geïnteresseerd in de visie van de AWT op de volgende vragen:
50 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>   .   Wat zijn de belangrijkste trends en drijvende factoren achter de investeringsbe-
       slissingen van partijen?
   .   Wat ziet de AWT als de belangrijkste effecten van het investeringsgedrag van
       partijen in de afgelopen periode, zowel positief als negatief? Het kan dan gaan
       om effecten op de kwaliteit van het systeem, maar ook om bredere economische
       effecten.
   .  Wat zijn de belangrijkste beleidsconclusies die naar de mening van de AWT zou-
       den moeten volgen uit de analyse van het kabinet van de KIQ?
   Tot slot
   Aangezien de KIQ de investeringen op het terrein van onderwijs en onderzoek
   betreft, wordt de Onderwijsraad eveneens gevraagd om advies uit te brengen. Een
   gezamenlijk advies over de KIQ-verkenning is wellicht het overwegen waard.
51 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>52 awt-advies nr. 67</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>b2                Vitalisering van de kenniseconomie
    Fragmenten uit:
           “Vitalisering van de Kenniseconomie – Het beter ontwikkelen en benutten
           van de mogelijkheden van mensen als de sleutel voor een dynamische
           kenniseconomie”
    Advies Werkgroep dynamisering kennis- en innovatiesysteem, geschreven door
    Herman Wijffels en Thomas Grosfeld, 4 november 2004.
    Uit het hoofdstuk oorzaken.
    Investeringen blijven achter bij de ambities
    Het benutten van mogelijkheden vraagt in de eerste plaats om het investeren in het
    verkrijgen en behouden ervan. Het investeringsniveau in kennis blijft in Nederland,
    zowel publiek als privaat, ver onder het niveau dat nodig is om onze ambitie tot de
    kopgroep in de EU te behoren waar te maken. Onze prioriteitstelling en investe-
    ringsinspanning zijn niet consistent met onze beleden ambitie. Een simpele reken-
    som leert dat we in Nederland ongeveer 1600 euro per inwoner aan onderwijs en
    R&D uitgegeven. Dat ligt ongeveer op het EU gemiddelde, maar het ligt sterk onder
              Korea
           Zweden
                 VS
      Denemarken
            Finland
             Belgie
          Duitsland
              Japan
                 VK
         Nederland
                    0   1        2      3       4       5   6       7       8   9      10       11  12
                      publiek onderwijs   publiek onderzoek   privaat onderwijs   privaat onderzoek
    dat van landen als België en Duitsland (1800 euro), Finland (bijna 2100 euro),
    Denemarken (2200 euro) en Zweden (meer dan 2400 euro).
    De kennisinvesteringsquote (KIQ) van Nederland lag in 2001 met een percentage
    van 6,8 van het BBP op een relatief laag niveau. Ter vergelijking (zie ook onder-
    staande figuur), in België ligt deze op 8,6% van het BBP. Koplopers zijn de VS (10,2%
    van het BBP), Zweden (10,8%) en Korea (11,1% van het BBP). Alle partijen, zowel in
    de publieke als de private sector zijn debet aan het lage investeringsniveau.
    De kennisinvesteringsquote van de overheid blijft nog steeds achter. In 2001
    bedroegen de totale Nederlandse publieke uitgaven aan onderwijsinstellingen 4,5
    procent van het BBP waarmee ze op hetzelfde niveau als in 1995 liggen. Deze
 53 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>   investeringen liggen ver onder die van Europese landen als België (6,0% BBP),
   Zweden (6,3% BBP), Denemarken (6,8% BBP) en Finland (5,7% BBP). De publieke
   R&D investeringen vertonen een dalende trend en liggen nu rond de 0,7% BBP, ter-
   wijl deze bijvoorbeeld in 1991 nog 0,95% van het BBP bedroegen. Deze daling is
   vooral veroorzaakt door de daling van de R&D bij universiteiten. Wel is een toena-
   me waarneembaar in de private bijdragen aan de R&D bij kennisinstellingen. De
   onderzoeksuitgaven in Nederland van de researchinstellingen en de universiteiten
   samen, komen op 0,79% van het BBP. De R&D-intensiteit van de Nederlandse
   publieke sector is daarmee nog wel wat hoger dan gemiddeld in de landen van de
   EU en de OECD (0,69%, respectievelijk 0,71%).
   De recente intensiveringen van het Kabinet zijn een stap in de goede richting, maar
   om aan deze achterblijvende ontwikkeling een einde te maken zullen in de toe-
   komst additionele middelen moeten worden vrijgemaakt, zeker gezien de ambities.
   Ook van private partijen mogen extra investeringen worden verwacht. De private
   investeringen in onderwijs zijn Europees gezien redelijk aan de maat (met 0,4%
   BBP) maar liggen wel ver onder het OECD gemiddelde (1,4% BBP). Verder is de
   R&D-intensiteit van bedrijven in Nederland naar internationale maatstaven laag.
   Vanaf 1999 is de R&D intensiteit verder verzwakt (van 1,14% BBP in 1999 naar
   1,03% BBP in 2002). Deze ligt nu op ongeveer hetzelfde niveau als 1995 (1,04%
   BBP), terwijl deze intensiteit in landen om ons heen is toegenomen. Volgens het
   NOWT kennen deze investeringen een negatieve trend. Hoewel een deel van de
   achterstand kan worden verklaard door de Nederlandse sectorstructuur is hier zeker
   ruimte voor en noodzaak tot verbetering. De grote winst zal hier moeten komen
   van het MKB, aangezien de grote bedrijven internationaal bezien een behoorlijke
   R&D-intensiteit kennen (de zogenoemde Big Seven verrichten nog steeds ongeveer
   de helft van de totale private R&D). Er is overigens een positieve ontwikkeling waar-
   neembaar in de R&D-investeringen van het MKB. Ook het opvoeren van de kennis-
   investeringen in de dienstensector is hier van belang. In landen zoals de VS en het
   Verenigd Koninkrijk valt op dat de R&D investeringen in de dienstensector fors toe-
   nemen. Private partijen moeten wel worden geprikkeld om te investeren. Dat vraagt
   dus om een aantrekkelijk vestigings- en innovatieklimaat, om een hoge kwaliteit
   van de kennisinfrastructuur en om het bevorderen van synergie tussen publieke en
   private investeringen.
   Uit het hoofdstuk vitalisering
   Overheid: beleid richten op verhoging KIQ
   Ook de overheid zal in het eigen beleid een slag extra moeten maken. Er moeten
   meer publieke middelen beschikbaar komen voor onderwijs en onderzoek. Om onze
   koploperambitie te kunnen realiseren zal de publieke KIQ naar een niveau moeten
   dat vergelijkbaar is met bv. de Scandinavische landen. Met de smartmix, een struc-
   turele intensivering voor publiek-private samenwerking en excellent onderzoek,
54 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>   wordt een eerste stap gezet. Meer stappen zullen moeten volgen om de uitgaven
   voor onderwijs en onderzoek binnen het geheel van overheidsuitgaven, de prioriteit
   te geven die zij in een kennissamenleving verdienen.
   Naast additionele middelen kan ook winst worden behaald met het slimmer aan-
   wenden van bestaande middelen. De werkgroep beveelt aan te werken aan een
   Nederlandse variant op de Amerikaanse SBIR-regeling. Deze verplicht overheidsin-
   stanties een bepaald percentage van hun onderzoeksbudget aan te besteden bij
   MKB-bedrijven. Hiermee kan de positie van het MKB worden versterkt en worden ze
   ook zelf geprikkeld om meer te investeren. Thans worden door NWO (STW) en TNO
   enige experimenten uitgevoerd die raakvlakken vertonen met de SBIR-regeling in de
   VS. Een verdergaande variant van de SBIR is om voor (een bepaald type) kennisvra-
   gen van de overheid de gedwongen winkelnering af te schaffen en de mogelijkheid
   te openen ook private kennis-ondernemingen in te schakelen. Uit de evaluatie van
   TNO en GTI’s kwam naar voren dat de overheid als vragende partij meer en gerich-
   ter de verantwoordelijkheid moet nemen voor het formuleren van onderzoeksvragen
   die voor de samenleving van belang zijn op middellange en lange termijn. Tevens
   zou bezien kunnen worden hoe consumptieve overheidsuitgaven, zoals o.m. die
   voor de sociale zekerheid, ingezet kunnen worden ter versterking van de kennis-
   economie. De werkgroep overheid en innovatie werkt op dit moment aan een
   advies over de diverse rollen die de overheid t.a.v. innovatie kan spelen.
55 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>56 awt-advies nr. 67</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>b3               Losing momentum!
    Nederland verliest terrein, niet zozeer in absolute termen als wel relatief ten opzich-
    te van andere landen. De volgende gegevens van investeringen in onderzoek
    illustreren dit.
    OECD-gegevens (zie tabel hieronder) laten zien dat het aandeel van de bruto
    binnenlandse investeringen in onderzoek en ontwikkeling in het bruto binnenlands
    product (GERD / GDP) in Nederland tussen 1999 en 2002 relatief scherp zijn
    gedaald tot beneden het niveau van begin jaren ’90, terwijl ze gemiddeld in de
    OECD vrijwel constant zijn gebleven. De daling ten opzichte van eind jaren ’90 is
    vooral een gevolg van terugvallende O&O-uitgaven door bedrijven (BERD), met
    ongeveer 0.15% van het BBP. Daarmee is het aandeel van de O&O-investeringen
    door bedrijven in het BBP weer terug op het niveau van 1991. De daling aan de
    publieke kant, met name in het hoger onderwijs (HERD) en niet zozeer in de over-
    heidsinvesteringen aan onderzoek en ontwikkeling (GOVERD), heeft reeds eerder
    plaatsgevonden. Tussen begin en eind jaren ’90 is het aandeel van O&O-uitgaven in
    het hoger onderwijs met ongeveer 0.07% van het BBP gedaald en daarna tamelijk
    constant gebleven. Gemiddeld laat de OECD een vrij constant patroon in de
    genoemde uitgavencategorieën zien, behalve op het terrein van het hoger onder-
    wijs: daarin heeft een substantiële stijging plaatsgevonden.
                                           R&D-uitgaven als % van het BBP
      2.5
          2
      1.5
          1
      0.5
          0
             91        92            93 94     95           96 97      98          99 0        1           2 3
                      NL: GERD / GDP       NL: BERD / GDP         NL: HERD / GDP        NL: GOVERD / GDP
                      OECD: GERD / GDP     OECD: BERD / GDP       OECD: HERD / GDP      OECD: GOVERD / GDP
    Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators
 57 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>          In Key Figures 2005 on Science, Technology and Innovation – Towards a European
          Knowledge Area, gepubliceerd in juli 2005, signaleert de Europese Commissie het
          volgende:
                                               “Investment in the knowledge-based economy varies greatly across
                                               Member States. The Nordic countries are characterised by a level of
                                               investment which is far beyond that of the EU-15 average and by growth
                                               rates close to or above the average. These countries are well prepared
                                               and are rapidly transforming their economies into knowledge-based
                                               economies. The UK, Belgium and Austria show an investment level ahead
                                               of the EU-15 average and growth rates close to or above the average. The
                                               Southern countries are lagging behind, although Portugal has almost rea-
                                               ched the average investment level. Spain, in particular, is not catching up
                                               with the rest of Europe. Greece is catching up very rapidly. Finally, a last
                                               group consisting of Germany, Ireland, the Netherlands and France is close
                                               to or slightly ahead of the EU-15 average in terms of investment level but
                                               is losing momentum with low investment growth rates over the past five
                                               years.”
          Dit laatste wordt geïllustreerd door de volgende figuur: het niveau van de
          Nederlandse kennisinvesteringen lag in 2002 dicht bij het EU-gemiddelde, maar de
          gemiddelde groei van deze investeringen, gemeten over de periode 1997 tot 2002,
          lag er duidelijk onder.
                                          Figure 1.2.1 Composite indicator of investment in the knowledge-based economy - relative country positions in 2002 and
                                                                                         annual growth rate 1997-2002 (1)
                                          6%
                                                          EL
                                          5%
     Investment growth rate (1997-2002)
                                          4%
                                                                                                                                                 DK
                                          3%
                                                                                                            UK
                                                                                                      BE
                                                                                    PT
                                                                            IT
                                          2%                                             EU-15 (2)                                    FI
                                                                                                           AT                                               SE
                                                                             ES
                                                                                            NL
                                          1%                                                               FR
                                                                                     DE
                                                                                    IE
                                          0%
                                               2,0       2,5          3,0          3,5               4,0            4,5         5,0        5,5        6,0          6,5
                                                                                                     Investment level in 2002
          Bron: Key Figures 2005 on Science, Technology and Innovation – Towards a European Knowledge Area,
          European Commission, July 2005
58   awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>     Het kennisinvesteringsniveau van Nederland is laag in vergelijking met de prestaties
     die geleverd worden (zie de figuur hieronder). Nederland deed het in 2000 bijvoor-
     beeld nog heel redelijk op het gebied van publicaties en octrooien. Huidige
     opbrengsten zijn het resultaat van investeringen in het verleden. Het is de vraag hoe
     lang relatief goede prestaties volgehouden kunnen worden, wanneer investerings-
     niveaus terugvallen.
                                           Figure 1.2.2 Investment vs Performance in the knowledge-based economy - relative country positions in 2002
                                    6,5
                                    6,0                                                                                                                                 SE
     Investment level in 2002 (1)
                                    5,5                                                                                                                DK
                                                                                                                                                                   FI
                                    5,0
                                    4,5
                                                                                                                               FR
                                                                                                                                                UK
                                    4,0                                                                                              BE               AT
                                                        PT                                                               EU-15 (3)               NL           DE
                                    3,5                                                                                                    IE
                                                                                 ES
                                    3,0                                                                   IT
                                    2,5                                                         EL
                                    2,0
                                          2,0            2,5              3,0             3,5                  4,0                   4,5                    5,0              5,5
                                                                                         Performance level in 2002 (2)
     Bron: Key Figures 2005 on Science, Technology and Innovation – Towards a European Knowledge Area,
     European Commission, July 2005
     De laatste figuur op de volgende pagina laat tenslotte zien dat het over de periode
     1997 tot 2002 vooral de private sector is geweest die de investeringen heeft terug-
     gebracht.
59   awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>     Figure 2.2.5 GERD financed by business enterprise and by government as % of GDP - average annual growth, 1997-2002 (1)
                                                                                                                         10
     GERD financed by government as % of GDP - average annual growth
                                                                                                                        LT
                                                                                                                            8
                                                                                                                            6
                                                                                                                                           HU
                                                                                                                                                                                                   PT
                                                                                                                  CZ
                                                                                                                            4
                                                                                                                                           BE                                            CY
                                                                                                                                                     AT
                                                                                                                                                               ES
                                                                                                                                                                                   EE         EL
                                                                                                                            2         FR                      SI
                                                                                                                                           JP
                                                                                                                  UK
                                                                                                                                                                   FI
                                                                                                             IE     US
                                                                                                                             0
                                                                       -20    -15   -10                 -5                       0                        5         SE   10             15         20   25
                                                                                                                                                DE                       DK
                                                                                                                                     EU-25
                                                                                                                            -2
                                                                                                   PL
                                                                                                                       NL
                                                                             SK
                                                                                                                            -4
                                                                                                                                                                              LV
                                                                                                                            -6
                                                                                          GERD financed by business enterprise as % of GDP - average annual growth
      Bron: Key Figures 2005 on Science, Technology and Innovation – Towards a European Knowledge Area,
      European Commission, July 2005
60   awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>b4               Recente beleidsmaatregelen op het
                 terrein van onderwijs, onderzoek en
                 innovatie
     Onderdeel                   Knelpunten                      Bestaand beleid of initiatieven
     Primair onderwijs,          - Terugdringen van het aantal - Diverse initiatieven gericht op realiseren
     Voortgezet onderwijs,         voortijdige schoolverlaters     beleidsdoelstellingen Lissabon/onderwijs
     Beroepsonderwijs en volwas- - Terugdringen van dreigende - Kabinetsreactie op Beroepswijs
     seneneducatie                 leraren-tekorten                Beroepsonderwijs (werkgroep Leijnse)
                                 - Versterking van leven lang    - Beleidsplan onderwijspersoneel
                                   leren
                                 - Terugdringen van het analfa-
                                   betisme
     Hoger onderwijs             - Vergroting van het aantal     - Nieuwe WHW
                                   afgestudeerden in bèta-       - Nieuwe WSF 2000
                                   studies                       - Nieuw Bekostigingsbesluit WHW
                                 - Het creëren van een           - Experimenten met een open bestel
                                   ‘hoogvlakte met pieken’       - Experimenten met collegegelddifferentia-
                                                                   tie en selectie
                                                                 - Experimenten met bonus voor bètastu-
                                                                   denten
                                                                 - Deltaplan bèta/techniek
     R&D – publiek en            - Verhoging van de R&D inten-   - Fiscaal klimaat, verlaging Vpb
     privaat en de wisselwerking   siteit, met name ook in het   - Herijking instrumentarium
     ertussen                      MKB                           - Mededinging
                                 - Meer aandacht voor talent-    - Sleutelgebieden aanpak
                                   gedreven onderzoek(ers)       - Innovatievouchers
                                 - Versterking van het gebruik   - Casimir
                                   van wetenschappelijke         - Instelling van de commissie dynamisering
                                   kennis door bedrijfsleven       financieringsstructuur universitair onder-
                                                                   zoek, (onder andere gericht op prestatie-
                                                                   bekostiging)
                                                                 - Invoering van de smart mix, gericht op
                                                                   excellentie en valorisatie
                                                                 - Het uitbrengen van een notitie over het
                                                                   promotiestelsel en de loopbanen van
                                                                   jong talent.
                                                                 - Implementatie advies Commissie Wijffels
                                                                   evaluatie TNO/GTI’s
     Scholing                    - Verbetering van het onder-    - Verankeren scholingsimpuls
                                   houden van menselijk kapi-    - Verankeren EVC
                                   taal tijdens loopbaan         - Acties groeibrief
                                 - Stimuleren sociale innovatie
                                   (taskforce sociale innovatie)
 61 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>62 awt-advies nr. 67</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>b5               Kanttekeningen bij de KIQ
    De KIQ is gedefinieerd als het aandeel van de uitgaven aan onderwijs en onderzoek,
    zowel publiek als privaat, in het bruto binnenlands product. De KIQ probeert de
    inspanningen te meten die we ons getroosten om innovatiever, productiever en
    welvarender te worden.
    Er kunnen allerlei opmerkingen worden geplaatst bij deze indicator. Zo somt de
    KIQ-verkenning van de ministeries van EZ en OCW van juni 2005 een vijftal beper-
    kingen van deze maatstaf op:
    .  de KIQ is een inputindicator;
    .  een KIQ-meting levert geen beleidsrecept op;
    .  beschikbare data lopen achter bij de actualiteit en dekken niet alle investeringen;
    .  de KIQ is een aggregaat van ongelijksoortige componenten;
    .  het verloop wordt niet alleen bepaald door veranderingen in kennisinvesteringen,
        maar ook door fluctuaties in BBP.
    De AWT wil hieraan de volgende kanttekeningen toevoegen.
    1. Uitgaande van de gangbare definitie, is het de vraag of de metingen van de KIQ
        wel betrouwbaar zijn. Er zit wel enig licht tussen de gemeten inspanning en de
        werkelijke inspanning – de meting is verre van perfect. Een paar voorbeelden:
          .   Niet alle uitgaven aan kennis komen in de R&D-cijfers en in de KIQ terecht,
              bijvoorbeeld uitgaven aan private niet-technologische kennisontwikkeling,
              advieswerk, software, marketing, immateriële activa en licenties.
          .   Niet alle investeringen die in Nederland worden gedaan in R&D, en dus wel
              in de KIQ zitten, komen ten goede aan de Nederlandse economie. Als
              resultaten van Nederlandse R&D elders commercieel worden aangewend,
              schiet Nederland er nog weinig mee op.
          .   Andersom is het ook mogelijk dat Nederland profiteert van de R&D-uitgaven
              die elders worden verricht, wanneer resultaten daarvan hier productief
              worden aangewend.
          .   Mogelijk worden niet alle in Nederland door internationaal opererende
              bedrijven geregistreerde R&D-uitgaven ook daadwerkelijk in Nederland
              besteed. Waar R&D-uitgaven in de boeken terecht komen, kan met fiscale
              voor- en nadelen te maken hebben.
          .   Een integraal overzicht van de uitgaven aan postinitieel onderwijs, zowel
              door bedrijven als door particulieren, in Nederland ontbreekt.
    2. Los van de meetproblemen is het de vraag hoe informatief voor de beleidsont-
        wikkeling een aggregaat als de KIQ eigenlijk is, en wel om drie redenen.
          .   De omvang van de diverse uitgavencategorieën in de KIQ, lopend vanaf
              investeringen in basisonderwijs tot aan geld voor bedrijfs-R&D, is erg
 63 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>             verschillend. Publieke onderwijsinvesteringen zijn bijvoorbeeld relatief groot
             in verhouding tot universitair onderzoek of private R&D. Een substantiële
             procentuele verandering in universitair onderzoek of in bedrijfs-R&D raakt in
             zo’n aggregaat vrijwel buiten beeld.
         .   Het tijdsverloop waarna de verschillende uitgavencategorieën in de KIQ
             resultaat sorteren, loopt sterk uiteen. Private investeringen in onderzoek
             leveren resultaat op binnen een paar jaar, publieke onderzoeksinvesteringen
             gemiddeld pas na een veel langere periode. Private onderwijsinvesteringen
             zijn vaak specifiek en sorteren effect op korte termijn; publieke onderwijs-
             investeringen zijn generiek en vertalen zich pas op termijn van vele jaren in
             zichtbare effecten.
         .   De motieven die schuil gaan achter de diverse uitgavencategorieën in de KIQ
             zijn heel verschillend. Publieke kennisinvesteringen zijn inspanningen gericht
             op het creëren van aantrekkelijke vestigingscondities voor bedrijven, net als
             bijvoorbeeld verlagingen van de vennootschapsbelastingbelasting en
             verschaffing van bedrijfssubsidies. Private kennisinvesteringen zijn investe-
             ringen om een unique selling point te genereren, en worden daarom
             afgewogen tegenover investeringen in marketing, merkontwikkeling en
             reclame.
   3. Tenslotte kan de vraag gesteld worden of de KIQ wel een goede maat is voor
       hetgeen we willen weten. Gezocht wordt een indicator die de inspanningen van
       Nederland meet om innovatiever, productiever en welvarender te worden, relatief
       ten opzichte van andere landen. Als dit het doel is, dan kan de KIQ wellicht ver-
       beterd worden door hem anders samen te stellen. Hierbij zou gedacht kunnen
       worden aan de volgende mogelijkheden.
         .   Uitgaven aan onderwijs aan leerplichtige kinderen kan er misschien uit.
             Landen waarmee we ons willen vergelijken, verschillen nauwelijks in
             inspanningen dit op dit gebied. Voor zover deze verschillen er zijn, zijn ze
             het gevolg van institutionele verschillen, verschillen in lerarensalarissen en
             demografische effecten. Het onderwijs op dit niveau is gericht op basis-
             vorming en draagt ook niet echt bij tot de ontwikkeling van innovativiteit en
             creativiteit.
         .   Investeringen in onderwijs na de leerplichtige leeftijd behoren wel tot de
             relevante inspanningen. Hier zou echter een weging kunnen worden toe-
             gepast die verschillen in belang weergeven tussen alpha-, bèta- en gamma-
             onderwijs en tussen privaat en publiek gefinancierd onderwijs.
         .   Waar aan de kant van het onderwijs algauw teveel wordt meegepakt, wordt
             aan de onderzoekszijde te weinig meegenomen. Met name informele R&D
             valt gauw buiten beeld. Innovatie-inspanningen op de werkvloer, in ontwerp,
             in praktijktoepassingen en in dienstensectoren worden vaak niet als zodanig
             geregistreerd. Hier zou iets aan gedaan moeten worden.
64 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>         .   Aan de onderzoekskant zou de KIQ verder moeten worden uitgebreid met
             investeringen in zaken die essentieel zijn voor kennisontwikkeling of er
             complementair aan zijn. Hierbij kan vooral gedacht worden aan ICT-inves-
             teringen (software en hardware).
   Al met al vindt de AWT dat een KIQ van enigerlei vorm, ondanks de bovenstaande
   kanttekeningen, zeker een relevante indicator. Het begrip vestigt de aandacht op de
   Nederlandse kennisinvesteringen en heeft de discussie daarover een nieuwe impuls
   gegeven.
65 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>66 awt-advies nr. 67</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>b6               Achieving Excellence: de
                 Canadese innovatiestrategie
    1. Addressing the Knowledge Performance Challenge
    The Government of Canada proposes the following goals, targets and federal priori-
    ties to help more firms develop and commercialize leading-edge innovations.
    Goals
    .  Vastly increase public and private investments in knowledge infrastructure to
        improve Canada’s R&D performance.
    .  Ensure that a growing number of firms benefit from the commercial application
        of knowledge.
    Targets
    .  By 2010, rank among the top five countries in the world in terms of R&D perfor-
        mance.
    .  By 2010, at least double the Government of Canada’s current investments in
        R&D.
    .  By 2010, rank among world leaders in the share of private sector sales attributa-
        ble to new innovations.
    .  By 2010, raise venture capital investments per capita to prevailing U.S. levels.
    Government of Canada Priorities
    1. Address key challenges for the university research environment. The Government
        of Canada has committed to implementing the following initiatives:
       .  Support the indirect costs of university research. Contribute to a portion of the
          indirect costs of federally supported research, taking into account the particu-
          lar situation of smaller universities.
       .  Leverage the commercialization potential of publicly funded academic rese-
          arch. Support academic institutions in identifying intellectual property with
          commercial potential and forging partnerships with the private sector to com-
          mercialize research results.
       .  Provide internationally competitive research opportunities in Canada. Increase
          support to the granting councils to enable them to award more research
          grants at higher funding levels.
    2. Renew the Government of Canada’s science and technology capacity to respond to
        emerging public policy, stewardship and economic challenges and opportunities.
       .  The Government of Canada will consider a collaborative approach to investing
          in research in order to focus federal capacity on emerging science based issues
          and opportunities. The government would build collaborative networks across
 67 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>          government departments, universities, non-government organizations and the
          private sector.
   3. Encourage innovation and the commercialization of knowledge in the private
       sector.
      .   Provide greater incentives for the commercialization of world-first innovations.
          The Government of Canada will consider increased support for established
          commercialization programs that target investments in biotechnology, informa-
          tion and communications technologies, sustainable energy, mining and forestry,
          advanced materials and manufacturing, aquaculture and eco-efficiency.
      .   Provide more incentives to small and medium-sized enterprises (SMEs) to adopt
          and develop leading-edge innovations. The Government of Canada will consi-
          der providing support to the National Research Council Canada’s Industrial
          Research Assistance Program to help Canadian SMEs assess and access global
          technology, form international R&D alliances, and establish international tech-
          nology-based ventures.
      .  Reward Canada’s innovators. The Government of Canada will consider imple-
          menting a new and prestigious national award, given annually, to recognize
          internationally competitive innovators in Canada’s private sector.
      .  Increase the supply of venture capital in Canada. The Business Development
          Bank of Canada will pool the assets of various partners, invest these proceeds
          in smaller, specialized venture capital funds and manage the portfolio on
          behalf of its limited partners.
   2. Addressing the Skills Challenge
   The Government of Canada proposes the following goals, targets and federal priori-
   ties to develop, attract and retain the highly qualified people required to fuel
   Canada’s innovation performance.
   Goals
   .   Develop the most skilled and talented labour force in the world.
   .   Ensure that Canada receives the skilled immigrants it needs and helps immigrants
       to achieve their full potential in the Canadian labour market and society.
   Targets
   .   Through to 2010, increase the admission of Master’s and PhD students at
       Canadian universities by an average of 5 percent per year.
   .   By 2002, implement the new Immigration and Refugee Protection Act and regu-
       lations.
   .   By 2004, significantly improve Canada’s performance in the recruitment of
       foreign talent, including foreign students, by means of both the permanent
       immigrant and the temporary foreign workers programs.
68 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>   .   Over the next five years, increase the number of adults pursuing learning oppor-
       tunities by 1 million.
   Government of Canada Priorities
   1. Produce new graduates. The Government of Canada will consider the following
       initiatives:
      .   Provide financial incentives to students registered in graduate studies pro-
          grams, and double the number of Master’s and Doctoral fellowships and scho-
          larships awarded by the federal granting councils.
      .   Create a world-class scholarship program of the same prestige and scope as
          the Rhodes Scholarship; support and facilitate a coordinated international stu-
          dent recruitment strategy led by Canadian universities; and implement changes
          to immigration policies and procedures to facilitate the retention of internatio-
          nal students.
      .   Establish a cooperative research program to support graduate and postgradua-
          te students and, in special circumstances, undergraduates, wishing to combine
          formal academic training with extensive applied research experience in a work
          setting.
   2. Modernize the Canadian immigration system. The Government of Canada has
       committed to:
      .   Maintain higher immigration levels and work toward increasing the number of
          highly skilled workers.
      .   Expand the capacity, agility and presence of the domestic and overseas immi-
          gration delivery system to offer competitive service standards for skilled wor-
          kers, both permanent and temporary.
      .   Brand Canada as a destination of choice for skilled workers.
      .   Use a redesigned temporary foreign worker program and expanded provincial
          nominee agreements to facilitate the entry of highly skilled workers, and to
          ensure that the benefits of immigration are more evenly distributed across the
          country.
   3. Addressing the Innovation Environment Challenge
   The Government of Canada proposes the following goals, targets and federal priori-
   ties to protect Canadians and encourage them to adopt innovations; encourage
   firms to invest in innovations; and attract the people and capital upon which inno-
   vation depends.
   Goals
   .   Address potential public and business confidence challenges before they develop.
   .   Ensure that Canada’s stewardship regimes and marketplace framework policies
       are world-class.
69 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>   .   Improve incentives for innovation.
   .   Ensure that Canada is recognized as a leading innovative country.
   Targets
   .   By 2004, fully implement the Council of Science and Technology Advisors’ guidel-
       ines to ensure the effective use of science and technology in government deci-
       sion making.
   .   By 2010, complete systematic expert reviews of Canada’s most important ste-
       wardship regimes.
   .   Ensure Canada’s business taxation regime continues to be competitive with those
       of other G-7 countries.
   .   By 2005, substantially improve Canada’s ranking in international investment
       intention surveys.
   Government of Canada Priorities
   1. Ensure effective decision making for new and existing policies and regulatory pri-
       orities. The Government of Canada will consider the following initiatives:
      .  Support a “Canadian Academies of Science” to build on and complement the
          contribution of existing Canadian science organizations.
      .  Undertake systematic expert reviews of existing stewardship regimes through
          international benchmarking, and collaborate internationally to address shared
          challenges.
   2. Ensure that Canada’s business taxation regime is internationally competitive.
      .  The Government of Canada will work with the provinces and territories to
          ensure that Canada’s federal, provincial and territorial tax systems encourage
          and support innovation.
   3. Brand Canada as a location of choice.
      .  The Government of Canada has committed to a sustained investment branding
          strategy. This could include Investment Team Canada missions and targeted
          promotional activities.
   4. Addressing Community-Based Innovation Challenges
   The Government of Canada proposes the following goals, targets and federal priori-
   ties to support innovation in communities across the country.
   Goals
   .  Governments at all levels work together to stimulate the creation of more
       clusters of innovation at the community level.
   .  Federal, provincial/territorial and municipal governments cooperate and supple-
       ment their current efforts to unleash the full innovation potential of communities
       across Canada, guided by community-based assessments of local strengths,
       weaknesses and opportunities.
70 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>   Targets
   .  By 2010, develop at least 10 internationally recognized technology clusters.
   .  By 2010, significantly improve the innovation performance of communities across
       Canada.
   .  By 2005, ensure that high-speed broadband access is widely available to Canadian
       communities.
   Government of Canada Priorities
   1. Support the development of globally competitive industrial clusters.
      .  The Government of Canada will accelerate community-based consultations
         already under way to develop technology clusters where Canada has the
         potential to develop world class expertise, and identify and start more clusters.
   2. Strengthen the innovation performance of communities.
      .  The Government of Canada will consider providing funding to smaller commu-
         nities to enable them to develop innovation strategies tailored to their unique
         circumstances. Communities would be expected to engage local leaders from
         the academic, private and public sectors in formulating their innovation strate-
         gies. Additional resources, drawing on existing and new programs, could be
         provided to implement successful community innovation strategies.
      .  As part of this effort, the Government of Canada will work with industry, the
         provinces and territories, communities and the public to advance a private sec-
         tor solution to further the deployment of broadband, particularly for rural and
         remote areas.
71 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>72 awt-advies nr. 67</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>b7               Science & innovation investment
                 framework 2004 – 2014: de
                 innovatiestrategie van het
                 Verenigd Koninkrijk
    1. World class research at the UK’s strongest centres of excellence:
       .  Maintain overall ranking as second to the USA on research excellence, and cur-
          rent lead against the rest of the OECD; close gap with leading two nations
          where current UK performance is third or lower; and maintain UK lead in pro-
          ductivity.
       .  Retain and build sufficient world class centres of research excellence, depart-
          ments as well as broadly based leading universities, to support growth in its
          share of internationally mobile R&D investment and highly skilled people.
    2. Sustainable and financially robust universities and public laboratories across the
        UK:
       .  Ensure sustainability in research funding accompanied by demonstration by
          universities and public laboratories of robust financial management to achieve
          sustainable levels of research activity and investment.
    3. Greater responsiveness of the publicly-funded research base to the needs of the
        economy and public services:
       .  Research Councils’ programmes to be more strongly influenced by and delive-
          red in partnership with end users of research.
       .  Continue to improve UK performance in knowledge transfer and commerciali-
          sation from universities and public labs towards world leading benchmarks
    4. Increased business investment in R&D, and increased business engagement in
        drawing on the UK science base for ideas and talent:
       .  Increase business investment in R&D as a share of GDP from 1¼ per cent
          towards goal of 1.7 per cent over the decade.
       .  Narrow the gap in business R&D intensity and business innovation performance
          between the UK and leading EU and US performance in each sector, reflecting
          the size distribution of companies in the UK.
    5. A strong supply of scientists, engineers and technologists by achieving a step
        change in:
       .  The quality of science teachers and lecturers in every school, college and uni-
          versity, ensuring national targets for teacher training are met.
       .  The results for students studying science at GCSE level.
 73 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>      .   The numbers choosing SET subjects in post-16 education and in higher educa-
          tion.
      .   The proportion of better qualified students pursuing R&D careers.
      .   The proportion of minority ethic and women participants in higher education.
   6. Confidence and increased awareness across UK society in scientific research and
       its innovative applications:
      .   Demonstrate improvement against a variety of measures, such as trends in
          public attitudes, public confidence, media coverage, and acknowledgement
          and responsiveness to public concerns by policy-makers and scientists.
74 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>   Bijbehorende doelen en jaarlijks te meten
   indicatoren
   1: World class excellence
   1.1 Share of world citations, overall and in each of   - Maintain overall ranking as second to the USA,
       the broad nine science disciplines                   and current lead against rest of OECD. Close gap
                                                            with leading two nations where current UK per-
                                                            formance is third or lower
   1.2 Citations per unit GDP                             - Maintain UK lead in impact and research produc-
                                                            tivity across these indicators
   1.3 Citations per researcher                           - Maintain UK lead in impact and research produc-
                                                            tivity across these indicators
   1.4 Citations per unit of research spend in higher     - Maintain UK lead in impact and research produc-
       education                                            tivity across these indicators
   1.5 Benchmark research strength and impact of top      - UK to retain sufficient world class centres of rese-
       ten UK universities against international peers      arch excellence to continue to attract internatio-
                                                            nally mobile R&D investment and highly skilled
                                                            people, to support delivery of overall goal of hig-
                                                            her R&D intensity and innovation impact
   1.6 Benchmark research strength and impact of top -      UK to retain sufficient world class centres of rese-
       ten UK public research centres against internatio-   arch excellence to continue to attract internatio-
       nal peers within the relevant subject area           nally mobile R&D investment and highly skilled
                                                            people, to support delivery of overall goal of hig-
                                                            her R&D intensity and innovation impact
   1.7 Benchmark research strength and impact of top      - Ensure that leading UK centres are complemented
       ten UK universities against second tier of next      by a broader network of strong institutions, depart-
       twenty institutions                                  ments and centres, to create a dynamic and compe-
                                                            titive market for research funding and people
   1.8 Benchmark research strength and impact of top      - Ensure that leading UK centres are complemented
       ten research departments/centres in each broad       by a broader network of strong institutions,
       discipline against second tier of next twenty        departments and centres, to create a dynamic and
       departments/centres                                  competitive market for research funding and people
   2: Financial sustainability
   2.1 Research costs versus revenues (public and priva- -  Ensure a financially sustainable level of activity
       te) across higher education sector                   across UK higher education sector by early in
                                                            2010 decade, avoiding overreliance on non-rese-
                                                            arch incomes and underinvestment in research
                                                            infrastructure
   2.2 Share of full economic costs paid by Research      - Research Councils to provide close to full econ-
       Councils for projects conducted in universities      omic cost (FEC) of university projects (taking
                                                            account of capital funding streams)
   2.3 Research costs versus revenues (public and priva- -  Ensure a financially sustainable level of activity
       te) across public sector research establishments.    across UK public sector research establishments
                                                            by early in 2010 decade, avoiding over-reliance
                                                            on non-research incomes and under-investment in
                                                            research infrastructure.
   3: Responsiveness
   3.1 Research Councils’ engagement with business        - Research Councils’ programmes more strongly
       and public service R&D users in design, co-fun-      influenced by and delivered in partnership with
       ding and delivery of R&D programmes                  end users of research
   3.2 The quantity of patent applications and grants     - Overall improvement in performance against
       from higher education institutions and public sec-   these metrics, towards worldleading benchmarks
75 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>       tor research establishments, relative to total rese-
       arch activity
   3.3 The quantity and value of HEI and PSRE intellectual    - Overall improvement in performance against
       property licences, relative to total research activity   these metrics, towards worldleading benchmarks
   3.4 HEI and PSRE income from business for contract         - Overall improvement in performance against this
       research, relative to total research activity            metric, towards world-leading benchmarks
   3.5 Research publications jointly authored between         - Overall improvement in performance against
       science base and industry, relative to total rese-       these metrics, towards worldleading benchmarks
       arch activity
   3.6 Quantity and economic value of spin-outs compa-        - Overall improvement in performance against
       nies from HEIs and PSREs, relative to total rese-        these metrics, towards worldleading benchmarks
       arch activity
   3.7 Level of business confidence in university know-       - Continued improvement
       ledge transfer activities
   4: Business investment and engagement
   4.1 Business investment in R&D as a share of GDP           - Increase from 1¼ per cent towards goal of 1.7
                                                                per cent over the decade
   4.2 Business R&D intensity by sector                       - Narrow the gap in performance between the UK
                                                                and leading international competitors in each sec-
                                                                tor, reflecting the size distribution of companies
                                                                in the UK
   4.3 Investment in innovation-directed activities, inclu- -   Narrow the gap in performance between the UK
       ding R&D, as a percentage of business turnover           and leading international competitors in each sec-
                                                                tor, reflecting the size distribution of companies
                                                                in the UK
   4.4 Proportion of businesses that collaborate with         - Increase to reach leading position in Europe and
       HEIs and PSREs                                           close gap with the US
   4.5 Patents granted per capita                             - Narrow the gap in performance between the UK
                                                                and leading international competitors in each sector
   4.6 Business innovation performance, as measured by -        Narrow the gap in performance between the UK
       basket of indicators (share of firms which had           and leading international competitors in each sector
       introduced new product, service or process
       improvement; share of firms which are ‘innovation
       active’
   5: Supply of scientists, engineers and
   technologists
   5.1 Science GCSEs                                          - To improve science GCSE results
   5.2 Recruitment into science teacher training              - To eliminate as far as possible the undershooting
                                                                of the national Initial Teacher Training targets by
                                                                2007/08
   5.3 SET participation at Alevel and other level three      - To increase the number of young people choosing
       equivalents                                              to study these subjects
   5.4 Post-16 learner success                                - To improve success rates in SET
   5.5 Qualifications of the post 16 workforce                - To achieve a fully professionally qualified FE and
                                                                training workforce in post-16 SET teaching
   5.6 Post 16 inspection results                             - To improve the number of institutions graded
                                                                outstanding or good on the quality of SET tea-
                                                                ching and learning
   5.7 Recruitment and retention of SET teachers in the -       To reduce shortages
       post 16 sector
   5.8 Graduates in SET subjects                              - To increase the numbers qualifying
   5.9 PhDs per head of population                            - To maintain international rank and remain above
                                                                the average for the G8 countries over ten years
   5.10 Quality of researchers                                - To increase the UK ranking of citation share in
                                                                nine research fields to top three in G8 in 7-9
76 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>                                                           super units of assessment by 2006
   5.11 Proportion of minority ethnic and women          - To increase at various levels, including among
         participants in higher education                  researchers, lecturers, professors and senior pro-
                                                           fessors
   5.12 Recruitment and retention trends in HE           - To monitor with particular regard to shortages
         institutions                                      reported by the UCEA
   6: Public engagement
   6.1 Independently measured trends in public attitudes - Evidence of high and sustained levels of positive
       towards key science and technology issues           attitudes to science, engineering and technology
   6.2 Independently measured trends in public confi-    - Evidence of improvement in the level of public
       dence in science and technology policy              confidence in scientific advice from government
   6.3 Acknowledgement and responsiveness to public -      Evidence of improvement OST SIG is also working
       concerns by policymakers and scientists             closely with other analysts to ensure that all forms
                                                           of evidence are fully considered by policy makers
                                                           and to ensure better co-ordination of research.
   6.4 Trends in media coverage of science and techno- -   Evidence of broad and balanced coverage, with
       logy issues                                         wide public engagement and confidence
77 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>78 awt-advies nr. 67</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>   Serie uitgebrachte adviezen van de
   Adviesraad voor het Wetenschaps- en
   Technologiebeleid
   67 Tijd voor een opKIQer! Méér investeren in onderwijs en onderzoek.
        Oktober 2005.
        ISBN 90 77005 32 3. € 12,50.
   66 Diensten beter bedienen. Innovatiebeleid voor diensten.
        September 2005.
        ISBN 9077005307. € 12,50.
   65 Ontwerp en ontwikkeling. De functie en plaats van onderzoeksactiviteiten in
        hogescholen. Augustus 2005.
        ISBN 90 77005 31 5. € 10,00.
   64 Innovatie zonder inventie. Kennisbenutting in het MKB. Juli 2005.
        ISBN 90 77005 29 3. € 12,50.
   63 Kennis voor beleid - beleid voor kennis. Mei 2005.
        ISBN 90 77005 28 5. € 12,50.
   62 De waarde van weten.De economische betekenis van universitair onderzoek.
        April 2005.
        ISBN 90 77005 005. € 9,00.
   61 Een vermogen betalen. De financiering van universitair onderzoek.
        Februari 2005
        ISBN 90 77005 27 7. € 12,50.
   60 Samen slimmer in ketens. Competenties in supply chain management als concur-
        rentiefactor voor Nederlandse bedrijven. December 2004
        ISBN 90 77005 25 0. € 12,50.
   59 Tijd om te oogsten! Vernieuwing in het innovatiebeleid. Juni 2004.
        ISBN 90 77005 24 2. € 12,50.
   58 De prijs van succes. Over matching van onderzoekssubsidies in kennisinstellin-
        gen. April 2004.
        ISBN 90 77005 22 6. € 12,50.
   57 Nederlands kompas voor de Europese onderzoeksruimte. Strategisch kader voor
        de internationalisering van het onderzoeks- en innovatiebeleid. Januari 2004.
        ISBN 90 77005 21 8. € 12,50.
   56 Netwerken met kennis. Kennisabsorptie en kennisbenutting door bedrijven.
        November 2003.
        ISBN 90 77005 20 X. € 12,50.
   55 Wat van ver komt... De vormgeving van het Nederlandse bilaterale onderzoeks-
        beleid. Oktober 2003.
        ISBN 90 77005 19 6. € 9,00.
   54 1+1>2. De bevordering van multidisciplinair onderzoek. September 2003.
        ISBN 90 77005 18 8. € 12,50.
   53 Backing winners. Van generiek technologiebeleid naar actief innovatiebeleid.
        Juli 2003.
79 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>        ISBN 90 77005 17 X. € 15,00.
   52 Kennis van criminaliteit. Juni 2003.
        ISBN 90 77005 16 1. € 9,00
   51 Wijsheid achteraf. De verantwoording van universitair onderzoek. Juni 2003.
        ISBN 90 77005 15 3. € 9,00
   50 Naar een nieuw maatschappelijk contract. Synergie tussen publieke kennisinstell-
        lingen en de Nederlandse kennissamenleving. Januari 2003.
        ISBN 90 77005 14 5. € 5,00
   49 Gewoon doen!? Perspectief op de Barcelona-ambitie '3% BBP voor O&O'. Juli
        2002.
        ISBN 90 77005 11 0. € 9,08
   48 KP6 laten werken. Stimuleren Nederlandse deelname: profijt en beleid. Juli
        2002.
        ISBN 90 77005 10 2. € 12,50
   47 Hógeschool van Kennis. Kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en hogescholen.
        Juli 2001.
        ISBN 90 77005 05 6. € 11,34
   46 Handelen met kennis. Universitair octrooibeleid omwille van kennisbenutting.
        Juni 2001.
        ISBN 90 77005 03 X. € 9,08
   45 Over stromen. Kennis - en innovatieopgaven voor een waterrijk Nederland.
        Advies en Verkenning door de AWT, NRLO en RMNO, juni 2000. € 11.34
   44 Investeren in onderzoek, april 2000.
        ISBN 90 346 3823 5. € 9,08
   43 Halfslachtige wetenschap. Onderbenutting van vrouwelijk potentieel als existen-
        tieel probleem voor academia, januari 2000.
        ISBN 90 346 3798 0. € 11,34
   42 Communicatie over wetenschap en techniek, november 1999.
        ISBN 90 346 3758 1. € 9,08
   41 Vitaliteit en kritische massa. Strategie voor de natuur- en technische weten-
        schappen, augustus 1999.
        ISBN 90 346 3724 7. € 13,61
   AWT-publicaties zijn te bestellen via www.awt.nl.
   Eerdere adviezen van de AWT zijn ook te vinden op de website.
80 awt-advies nr. 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>