<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>65
  Ontwerp en ontwikkeling
  De functie en plaats van onderzoeksactiviteiten
  in hogescholen
  augustus 2005
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>  Colofon
  Vormgeving:       Junior beeldvorming - Zoetermeer
  Druk:             Quantes - Rijswijk
  Augustus 2005
  ISBN 90 77005 31 5
  Verkoopprijs      € 10,00
  Auteursrecht
  Alle rechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen van
  deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke
  toestemming van de AWT. Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van
  organisatienaam en naam en jaartal van uitgave.
2 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Mevrouw M.J.A. van der Hoeven
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Postbus 16375
2500 BJ Den Haag
                                                                                     augustus 2005
Geachte mevrouw Van der Hoeven,
U heeft de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid gevraagd advies uit te brengen
over de plaats en functie van onderzoeksactiviteiten in hogescholen. Meer concreet heeft u ons de
volgende vragen gesteld.
Uw adviesvraag
.  Hoe kunnen we de onderzoeksactiviteiten die we verwachten van hogescholen definiëren of
   omschrijven? Hoe kunnen we hen afbakenen van het universitaire onderzoek?
.  Hoe kunnen onderzoeksactiviteiten van hogescholen een herkenbare plaats krijgen in financie-
   rings- en verantwoordingsregimes?
Afbakening
De AWT adviseert u onderzoeksactiviteiten van hogescholen te positioneren als activiteiten die
horen bij te dragen aan de instandhouding en ontwikkeling van de beroepspraktijk. Het accent
dient hierbij te liggen op ontwerp en ontwikkeling. Dit mede ter onderscheiding van het universitai-
re onderzoek dat hoort bij te dragen aan de instandhouding en ontwikkeling van de wetenschap.
Bijdrage aan opleiding centraal
Ontwerp en ontwikkeling kunnen de beroepspraktijk op twee manieren verder helpen. Zij kunnen
een omgeving bieden waarin studenten hun vaardigheden op peil brengen en zij kunnen antwoord
geven op concrete problemen. Volgens de AWT dient het eerste aspect in hogescholen voorop te
staan. Goed geschoold personeel opleiden is de kerntaak van hogescholen. Concrete problemen
oplossen, is een aanvullende taak.
Financiering en kwaliteitszorg
De AWT adviseert u ontwerp- en ontwikkelactiviteiten langs twee wegen te financieren. Ontwerp en
ontwikkeling ten behoeve van de opleiding dienen te worden gefinancierd via de Stichting
Kennisontwikkeling HBO (SKO). Ontwerp- en ontwikkelactiviteiten die bijdragen aan het oplossen
van concrete problemen dienen te worden gefinancierd via een aparte, projectmatige geldstroom.
De AWT adviseert u verder de SKO te laten toezien op de kwaliteit van ontwerp en ontwikkeling ten
behoeve van de opleiding. De AWT acht het onnodig een aparte kwaliteitszorg in het leven te roe-
pen voor ontwerp- en ontwikkelactiviteiten die helpen om concrete problemen op te lossen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Tot slot
Om hun onderzoekstaak goed te kunnen vervullen, zullen hogescholen meer personeel met onder-
zoeksvaardigheden moeten krijgen. Totdat hogescholen een vruchtbaar onderzoeksklimaat kunnen
bieden, dienen universiteiten te voorzien in deze behoefte. In dit verband adviseert de AWT u om
universiteiten krachtig te stimuleren tot experimenten met verkorte onderzoeksopleidingen.
Met vriendelijke groet,
J.F. Sistermans
voorzitter
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  Inhoud
  1         Adviesvraag                                                           7
            1.1     Achtergronden bij de adviesvraag                              7
            1.2     Voorbereiding advies                                          8
  2         De gewenste functie van onderzoeksactiviteiten in hogescholen        11
            2.1     Aard onderzoeksactiviteiten in hogescholen en universiteiten 11
            2.2     Geschoold personeel opleiden en problemen oplossen           13
            2.3     Conclusie                                                    14
  3         Aanbevelingen                                                        17
            3.1     Afbakening: bijdrage aan de beroepspraktijk via de opleiding 17
            3.2     Financiering en kwaliteitszorg van ontwerp- en
                    ontwikkelactiviteiten ten behoeve van de opleiding           18
            3.3     Financiering en kwaliteitszorg van ontwerp- en
                    ontwikkelactiviteiten ten behoeve aan het oplossen van
                    concrete problemen                                           19
            3.4     Tot slot: onderzoekers opleiden voor hogescholen             20
  Bijlagen:
  Bijlage 1         Kwantitatieve gegevens over lectoraten                       23
  Bijlage 2         Gesprekspartners                                             25
  Bijlage 3         Enkele aanzetten tot afbakening                              27
  Bijlage 4         Huidige plaats van lectoraten in hogescholen                 31
  Serie uitgebrachte adviezen van de AWT                                         33
5 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>6</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                            1                  Adviesvraag
                               Het hoger onderwijs is volop in beweging. Of het nu gaat om de onderwijstaak, de
                               onderzoekstaak of de bestuursinrichting _ alle aspecten van het bestel zijn de afge-
     DeWHWwordtherzien         lopen jaren onderwerp van discussie geweest. Het hoeft dan ook niet te verbazen
                               dat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een herziening
                               voorbereidt van de Wet op het Hoger onderwijs en het Wetenschappelijk onderzoek
                               (WHW). De WHW is intussen twaalf jaar oud en de praktijk dreigt de wet op
                               onderdelen te achterhalen.
                               Eén van de kwesties waarover de nieuwe Wet op het Hoger Onderwijs en
                               Onderzoek (WHOO) duidelijkheid moet brengen, betreft de functie en plaats van
Meerduidelijkheidnodigover     onderzoeksactiviteiten in hogescholen. Hogescholen zijn de laatste jaren steeds
   onderzoekinhogescholen      meer onderzoeksactiviteiten gaan verrichten. Maar welk type onderzoeksactiviteiten
                               horen hogescholen eigenlijk te verrichten? Hoe dienen deze zich te verhouden tot
                               universitair onderzoek? Hoe moet de overheid hen financieren? En welk type ver-
                               antwoording is van toepassing?
                               Om antwoord te krijgen op deze vragen heeft de minister van OCW de Adviesraad
                               voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) om advies gevraagd. Hierbij
                               staan de volgende adviesvragen centraal.
                               .   Hoe kunnen we de onderzoeksactiviteiten die we verwachten van hogescholen
                                   definiëren of omschrijven? Hoe kunnen we hen afbakenen van het universitaire
                                   onderzoek?
                               .   Hoe kunnen onderzoeksactiviteiten van hogescholen een herkenbare plaats
                                   krijgen in financierings- en verantwoordingsregimes?
                                  - Welke uitgangspunten dienen we te hanteren bij de financiering van onder-
                                     zoeksactiviteiten?
                                  - Hoe dienen hogescholen verantwoording af te leggen over hun onderzoeks-
                                     activiteiten?
                               1.1          Achtergronden bij de adviesvraag
                               De aanwezigheid van onderzoeksactiviteiten binnen hogescholen is een relatief
                               nieuw fenomeen. Van oudsher zijn hogescholen onderwijsinstellingen _ lange tijd
                               waren zij deel van het voortgezet onderwijs. Pas in 1986 zijn zij opgenomen in het
                               hoger onderwijs. Bij die gelegenheid heeft de wetgever hogescholen bescheiden
Onderzoekstaakhogescholen      mogelijkheden geboden om onderzoeksactiviteiten te ontplooien. De Wet op het
                  isvrijnieuw  Hoger Beroepsonderwijs uit 1986 sprak van 'personeel dat belast is met de
                             7 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>                                 verzorging van onderzoek' (artikel 53, lid 4). En de WHW stelt dat hogescholen
                                 onderzoek kunnen verrichten 'voor zover dit verband houdt met het onderwijs aan
                                 de instelling' (artikel 3.1 lid 2). Sindsdien hebben hogescholen op uiteenlopende
                                 manieren een begin gemaakt met onderzoeksactiviteiten. Een advies dat de AWT
                                 samen met de Onderwijsraad uitbracht in 2001 geeft tal van voorbeelden.1
                                 In het jaar 2000 is de discussie over de functie en plaats van onderzoeksactiviteiten
                                 in hogescholen in een stroomversnelling geraakt. Door de Lissabonverklaring te
                                 ondertekenen, hebben alle EU-landen, inclusief Nederland, de ambitie uitgesproken
                                 binnen tien jaar uit te groeien tot de meest dynamische kennissamenleving van de
Aandachtvooronderzoekstaak       wereld. Dit heeft ertoe geleid dat er veel aandacht is gekomen voor de bijdrage die
   hogescholenneemtsneltoe       hogescholen kunnen en moeten leveren aan de overdracht, verspreiding, circulatie
                                 en ontwikkeling van kennis.
                                 In 2001 is de Stichting Kennisontwikkeling HBO (SKO) in het leven geroepen met steun
                                 van het ministerie van OCW. Deze stichting heeft tot doel om de bijdrage te vergroten
                                 van hogescholen aan de overdracht, verspreiding, circulatie en ontwikkeling van
Ditheeftgeleidtotdevorming       kennis. Hiertoe beheert de SKO een fonds waaruit lectoraten en kenniskringen worden
                vanlectoraten…   gefinancierd. Lectoren zijn hooggekwalificeerde professionals 'die ruime ervaring
                                 hebben met onderwijs en onderzoek op een bepaald vakgebied en die (…) een groot
                                 gezag genieten als deskundige'.2 Lectoren hebben een meervoudige taak. Zij dienen de
                                 kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, de professionalisering van het zittende perso-
                                 neel te stimuleren, een bijdrage te leveren aan de theorievorming en zij moeten bedrij-
                                 ven en maatschappelijke organisaties helpen innoveren. Lectoren worden in de uitvoe-
             …enkenniskringen    ring van hun taken ondersteund door zogeheten kenniskringen. Dit zijn groepen van
                                 medewerkers die voor een deel van hun tijd zijn vrijgesteld om de lectoren te onder-
                                 steunen. Bijlage 1 bevat kwantitatieve informatie over de lectoraten en plaatst deze in
                                 de context van het hoger beroepsonderwijs.
                                 De komst van lectoraten en kenniskringen heeft een flinke impuls gegeven aan de
                                 onderzoekactiviteiten van hogescholen. Mede hierom wil het ministerie van OCW
                                 bij de herziening van de WHW meer duidelijkheid scheppen over de functie en
                                 plaats van die activiteiten in hogescholen.
                                 1.2          Voorbereiding advies
                                 Bij de voorbereiding van dit advies heeft de AWT meerdere betrokkenen binnen en
                                 buiten hogescholen gesproken (zie bijlage 2). Wij willen hen op deze plaats hartelijk
                                 1    AWT en Onderwijsraad, Hógeschool van kennis _ kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en hogescholen
                                      (Den Haag, 2001), p. 43-53.
                                 2    OCW en HBO-Raad, Convenant lectoren en kenniskringen in het hoger beroepsonderwijs
                                      (Zoetermeer/Den Haag, 2001), p. 1.
                               8 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>  danken voor hun bereidheid ons te woord te staan. De uitspraken in dit advies zijn
  uiteraard niet toe te schrijven aan onze gesprekspartners _ zij komen helemaal voor
  rekening van de AWT.
9 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>10</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                          2                De gewenste functie van onder-
                                           zoeksactiviteiten in hogescholen
                              In dit hoofdstuk spreekt de AWT zich uit over de vraag welke functie onderzoeksac-
                              tiviteiten horen te hebben in hogescholen. Het antwoord op deze vraag vormt de
                              basis voor onze aanbevelingen in het volgende hoofdstuk.
                              2.1          Aard onderzoeksactiviteiten in hogescholen en
                                           universiteiten
                              De AWT onderschrijft het streven om hogescholen de taak te geven meer onder-
                              zoeksactiviteiten te ontplooien. De ambities van Nederland om uit te groeien tot
                              een kennissamenleving van allure vergen een extra inspanning van de kennisinfra-
                              structuur. Tegelijkertijd wijzen wij erop dat onderzoeksactiviteiten van hogescholen
 Universitaironderzoekhelpt   een andere functie vervullen dan onderzoeksactiviteiten van universiteiten. Het uni-
    dewetenschapvooruit…      versitaire onderzoek heeft primair tot taak een bijdrage te leveren aan de instand-
                              houding en ontwikkeling van de wetenschap in onze samenleving. Daarnaast heeft
                              het universitaire onderzoek ook een bijdrage te leveren aan de benutting van
                              wetenschappelijke kennis door bedrijven en maatschappelijke organisaties.
…onderzoekvanhogescholen      Onderzoeksactiviteiten in hogescholen hebben een andere functie. Zij dienen een
           deberoepspraktijk  bijdrage te leveren aan de instandhouding en ontwikkeling van de beroepspraktijk
                              in de samenleving.
                              Het verschil in functies tussen onderzoeksactiviteiten van hogescholen en die van
                              universiteiten maakt dat beide ook andere kenmerken hebben. Samen met de
                              Onderwijsraad hebben wij dit verschil in 2001 als volgt neergezet.3
                               Universiteiten                                           Hogescholen
                               nieuwsgierigheidsgedreven                                vraaggericht
                               nieuwe inzichten opdoen, research                        ontwikkelen, development
                               wetenschappelijk publiceren                              prototypes bouwen
                               doorgronden/begrijpen                                    nieuwe applicaties
                               verklaren                                                veranderen
                               lange termijn                                            korte termijn
                               paradigmawisseling                                       wetenschappelijk onderbouwd
                               voorspellen                                              trial & error
 Onderzoekvanhogescholen      Net als in 2001 realiseren wij ons dat de tegenstellingen die we hier schetsen ruw
    verschiltvanuniversitair  en ongenuanceerd zijn. Het schema moet zeker niet zo worden begrepen als
                   onderzoek
                              3    AWT en Onderwijsraad, Hógeschool van kennis - kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en hogescholen
                                   (Den Haag, 2001), p. 43.
                           11 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                               zouden alle onderzoeksactiviteiten van hogescholen uitsluitend kenmerken uit de
                               rechter kolom hebben. Evenmin beweren wij dat onderzoeksactiviteiten van univer-
                               siteiten uitsluitend kenmerken hebben uit de linker kolom. Op het niveau van indivi-
                               duele projecten is er veel ruimte voor variatie. Maar in het algemeen hebben onder-
                               zoeksactiviteiten van hogescholen wel meer kenmerken uit de rechter kolom.
                               Evenzeer hebben onderzoeksactiviteiten van universiteiten over het algemeen meer
                               kenmerken uit de linker kolom.
                               Doordat onderzoeksactiviteiten van universiteiten en hogescholen een andere func-
    Universitaironderzoekis    tie vervullen, hebben zij ook een andere verhouding tot hun omgeving. In de regel
            meermondiaal…      functioneert de universitaire wetenschapsbeoefening in een internationale context.
                               Universitaire onderzoekers reizen de hele wereld af en publiceren in internationale
…onderzoekvanhogescholen       tijdschriften. Onderzoeksactiviteiten van hogescholen vinden veelal plaats in een
              meerregionaal    regionale of nationale context. Onderzoekers van hogescholen onderhouden veel
                               contacten met beroepsbeoefenaars in hun directe omgeving. Natuurlijk moeten we
                               dit onderscheid niet overdrijven. Universitaire onderzoekers werken niet uitsluitend
                               internationaal; om de benutting van onderzoeksresultaten te stimuleren, richten zij
                               zich ook op hun directe omgeving. Omgekeerd zijn onderzoekers aan hogescholen
                               niet 'opgesloten' in de regio; om hun kennis op peil te houden en te verversen,
                               onderhouden zij ook contact met het buitenland.
                               In de wetenschappelijke literatuur zijn nog andere benaderingen te vinden om de
                               verschillen tussen onderzoeksactiviteiten van universiteiten en hogescholen te dui-
                               den. Enkele voorbeelden zijn:
                               .   Het onderscheid van Michael Gibbons en de zijnen tussen twee vormen van
                                   onderzoek: mode 1 en mode 2. Onderzoeksactiviteiten van hogescholen neigen
                                   naar mode 2.
                               .   Het onderscheid van Donald Stokes tussen verschillende vormen van onderzoek
                                   gericht op toepassing en begrip. Onderzoeksactiviteiten van hogescholen zijn
                                   eerder gericht op toepassing dan op fundamenteel begrip.
                               .   Het onderscheid van Bengt Åke Lundvall tussen twee vormen van innoveren:
                                   science, technology and innovation (STI) en doing, using and interacting (DUI).
                                   Onderzoeksactiviteiten van hogescholen sluiten aan bij de tweede, ambachtelijke
                                   manier van innoveren.
                               .   Het onderscheid van Donald Schön tussen twee vormen van nadenken over ons
                                   handelen: reflection on action en reflection in action. Onderzoeksactiviteiten van
                                   hogescholen lijken op reflection in action.
                               Bijlage 3 geeft een korte impressie van deze benaderingen.
                               Om de verschillen tussen de onderzoeksactiviteiten van hogescholen en universitei-
                               ten te onderstrepen, hebben de AWT en de Onderwijsraad beide in 2001 aange-
                            12 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                             duid met verschillende termen. De onderzoeksactiviteiten van universiteiten hebben
 'Onderzoek'versus'ont     - we aangeduid met de term 'onderzoek'. En de onderzoeksactiviteiten van hoge-
   werpenontwikkeling'       scholen hebben we aangeduid met de term 'ontwerp en ontwikkeling'. In het
                             vervolg van dit advies zullen we deze termen handhaven. Hierbij is het goed te
                             bedenken dat het onderscheid tussen 'onderzoek' en 'ontwerp en ontwikkeling' een
                             dubbele lading dekt: het gaat om een onderscheid in functies gekoppeld aan een
                             onderscheid in kenmerken.
                             2.2          Geschoold personeel opleiden en problemen
                                          oplossen
                             De belangrijkste stelling van de AWT in dit advies is dat ontwerp en ontwikkeling in
                             hogescholen een eigen functie hebben: zij dienen bij te dragen aan de ontwikkeling
                             van de beroepspraktijk. Hogescholen kunnen dit doel op grofweg twee manieren
 Ontwerpenontwikkeling       dichterbij brengen. Allereerst kunnen zij de beroepspraktijk verder helpen door
            dragenbijaan     geschoold personeel af te leveren. Problemen goed kunnen analyseren, weten wat de
            deopleiding…     nieuwste technieken zijn, buiten gebaande paden kunnen denken _ dit zijn allemaal
                             voorbeelden van de indirecte bijdrage die hogescholen kunnen leveren aan de ontwik-
                             keling van de beroepspraktijk. Ontwerp en ontwikkeling zijn hierbij van cruciaal belang:
                             door ontwerp- en ontwikkelactiviteiten te verrichten, trainen studenten en docenten
                             die vaardigheden waarmee zij de beroepspraktijk verder kunnen helpen.
                             Daarnaast kunnen hogescholen de beroepspraktijk verder helpen door een
                             antwoord te geven op concrete vragen die daar leven. Een prototype ontwikkelen,
  …enhelpenproblemen         een nieuw HRM-systeem ontwerpen, een zoeksysteem voor patiëntengegevens opti-
                  oplossen   maliseren _ dit zijn allemaal voorbeelden van concrete, directe bijdragen die hoge-
                             scholen met ontwerp en ontwikkeling kunnen leveren aan de ontwikkeling van de
                             beroepspraktijk.
                             De AWT is van mening dat deze bijdragen aan de beroepspraktijk elkaar niet uitslui-
                             ten. Studenten en docenten kunnen hun vaardigheden om problemen op te lossen
                             niet oefenen of verder ontwikkelen zonder concrete problemen aan te pakken.
                             Evenmin kunnen docenten en studenten praktische problemen oplossen als zij de
                             vaardigheden missen om die problemen te lijf te gaan. Goed geschoold personeel
                             opleiden en concrete problemen oplossen zijn, met andere woorden, twee zijdes
                             van dezelfde medaille.
                             Beide manieren om de beroepspraktijk vooruit te helpen hangen dus nauw samen.
                             Maar bij de positionering en financiering van hogescholen kan de overheid ervoor
                             kiezen het éne dan wel het andere aspect meer gewicht te geven. De AWT is van
   Bijdrageaanopleiding      mening dat ontwerp- en ontwikkelactiviteiten van hogescholen vooral horen bij te
dientcentraaltestaan…        dragen aan de opleiding van geschoold personeel. Concrete problemen oplossen, is
                         13  awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                                 wel degelijk belangrijk, maar hoort niet op de eerste plaats komen. Voor dit stand-
                                 punt hebben wij twee redenen.
                                 .   Goed geschoold personeel opleiden, is de kerntaak van hogescholen. Binnen de
   …wantopleidenisdekern       -     Nederlandse situatie bestaan hiervoor geen echte alternatieven. Daarom is het
      taakvanhogescholen…            essentieel dat hogescholen hun studenten goed blijven opleiden. Hierbij worden
                                     ontwerp- en ontwikkelactiviteiten steeds belangrijker. De beroepspraktijk wordt
                                     steeds complexer en dit vergt nieuwe vaardigheden. Meer dan in het verleden
                                     moeten afgestudeerden in de praktijk taken verrichten die men kan aanduiden
                                     als 'onderzoek': situaties doorlichten, analyseren in het licht van bekende kennis,
                                     afwegingen maken over te volgen aanpak en dergelijke. Hogescholen dienen
                                     studenten hierop voor te bereiden door hen in aanraking te brengen met ontwik-
                                     keling en ontwerp. Hierbij is contact met de beroepspraktijk cruciaal. Studenten,
                                     maar ook docenten, kunnen hun onderzoeksvaardigheden alleen zinvol ontwik-
                                     kelen voor zover zij betrekking hebben op praktijkproblemen.
                                 .   Voor de opleidingstaak van hogescholen bestaan geen alternatieven, maar voor
  …envooroplossenvanpro        -     hun adviserende rol richting beroepspraktijk zijn die er wel. Nederland kent een
blemenbestaanalternatieven           heel scala aan instanties die bedrijven en maatschappelijke organisaties kunnen
                                     bijstaan in het oplossen van concrete problemen: ingenieursbureaus, adviesbure-
                                     aus, (contract)onderzoeksinstituten et cetera. Bedrijven en maatschappelijke
                                     organisaties weten nu nog niet altijd even goed de weg te vinden naar dergelijke
                                     organisaties. Gelet op de ambities van Nederland om een kennissamenleving van
                                     allure te worden, is er op dit punt zeker ruimte voor verbetering. Omdat hoge-
                                     scholen al goede contacten onderhouden met het werkveld in het kader van hun
                                     onderwijsactiviteiten ligt het voor de hand hen mede in te schakelen voor het
                                     oplossen van concrete problemen. Maar we moeten dit wel in perspectief blijven
                                     zien. Hogescholen zijn slechts één van de mogelijke kennispartners van bedrijven
                                     en maatschappelijke organisaties. Zij kunnen niet klaar staan voor álle vragen uit
                                     de praktijk, maar hoogstens een (bescheiden) aanvulling leveren op het bestaan-
                                     de kennisaanbod.
                                 2.3          Conclusie
                                 Samenvattend is de AWT van mening dat ontwerp- en ontwikkelactiviteiten van
                                 hogescholen een eigen doel hebben: zij horen bij te dragen aan de ontwikkeling
                                 van de beroepspraktijk. Deze bijdrage kan grofweg twee vormen aannemen.
                                 Ontwerp en ontwikkeling kunnen de beroepspraktijk verder helpen doordat zij een
                                 omgeving bieden waarin afstudeerders hun vaardigheden op peil brengen. En ont-
      Bijdragevanontwerpen       werp en ontwikkeling kunnen de beroepspraktijk helpen ontwikkelen doordat zij
    ontwikkelingaanopleiding     antwoord geven op concrete vragen uit de praktijk. De eerste bijdrage ligt helemaal
                       centraal  in het verlengde van de traditionele kerntaak van hogescholen. Door ontwerp en
                             14  awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                           ontwikkeling binnen hun muren te halen, verrijken en verdiepen hogescholen de
                           opleiding. Zo bieden zij studenten de mogelijkheid om nieuwe vaardigheden te
                           verwerven.
                           De tweede bijdrage is relatief nieuw voor hogescholen. Natuurlijk droegen
                           hogescholen in het verleden ook al bij aan de oplossing van praktische problemen in
                           de beroepspraktijk. In veel van de stages en afstudeervakken die hogescholen orga-
                           niseerden voor hun studenten gebeurde dit vrijwel vanzelf. Maar de laatste jaren
                           krijgt dit aspect meer nadruk. De overheid stimuleert hogescholen een bijdrage te
                           leveren aan innovaties in (kleine en middelgrote) bedrijven en maatschappelijke
                           organisaties. De AWT onderschrijft dit beleid.4 Gelet op de Nederlandse ambities is
Ontwerpenontwikkeling      een extra inspanning van de kennisinfrastructuur gewenst. Tegelijkertijd moet de
 aanniettezeerinzetten     overheid hogescholen niet overvragen. Hogescholen kunnen de Nederlandse
            vooroplossen   kennisparadox niet alleen oplossen. Daarvoor bestaan er simpelweg teveel vragende
                problemen  partijen in de beroepspraktijk. En hogescholen hebben bovenal een andere taak te
                           verrichten. Zij horen primair bij te dragen aan de ontwikkeling van de beroepsprak-
                           tijk door goed geschoold personeel op te leiden.
                            4   Recent heeft de AWT de minister van Economische Zaken geadviseerd hogescholen te stimuleren om meer aandacht te
                                geven aan de groep toepassers in het MKB. Meer in het bijzonder hebben wij geadviseerd:
                                .       meer werk te maken van stages en afstudeerprojecten van HBO-studenten binnen het MKB;
                                .       affiniteit met en ervaring in de beroepspraktijk zwaarder te laten wegen bij de aanstelling van lectoren;
                                .       hogescholen beter toegankelijk te maken voor bedrijven.
                                Zie AWT, Innovatie zonder inventie - kennisbenutting in het MKB (Den Haag, 2005), p. 39.
                        15 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>16</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                      3               Aanbevelingen
                         In dit hoofdstuk doet de AWT aanbevelingen en geeft daarmee antwoord op de
                         adviesvragen.
                         .   Hoe kunnen we de onderzoeksactiviteiten die we verwachten van hogescholen
                             definiëren of omschrijven? Hoe kunnen we hen afbakenen van het universitaire
            Adviesvragen     onderzoek?
                         .   Hoe kunnen onderzoeksactiviteiten van hogescholen een herkenbare plaats
                             krijgen in financierings- en verantwoordingsregimes?
                            - Welke uitgangspunten dienen we te hanteren bij de financiering van
                               onderzoeksactiviteiten?
                            - Hoe dienen hogescholen verantwoording af te leggen over hun onderzoeks-
                               activiteiten?
                         3.1          Afbakening: bijdrage aan de beroepspraktijk
                                      via de opleiding
                         De AWT zoekt de afbakening van onderzoeksactiviteiten in hogescholen ten opzich-
                         te van die in universiteiten in de functie van dergelijke activiteiten. Het universitaire
                         onderzoek dient vooral bij te dragen aan de instandhouding en ontwikkeling van de
Ontwerpenontwikkeling    wetenschap. Ontwerp- en ontwikkelactiviteiten in hogescholen dienen primair bij te
moetenbijdragenaande     dragen aan de instandhouding en ontwikkeling van de beroepspraktijk. De belang-
       beroepspraktijk…  rijkste manier om dit te realiseren, loopt volgens de AWT via de opleiding van goed
                         geschoold personeel. Meer dan in het verleden verwacht de beroepspraktijk van
                         afgestudeerden vaardigheden die men kan aanduiden als onderzoeksvaardigheden.
   …doordeopleidingte    Hogescholen dienen studenten hierop voor te bereiden door hen in aanraking te
           ondersteunen  brengen met ontwikkeling en ontwerp. Ontwerp en ontwikkeling kunnen de
                         beroepspraktijk ook op een andere manier dienen _ zij kunnen leiden tot de oplos-
                         sing van concrete vragen uit de praktijk. De AWT ziet de waarde hiervan in, maar
                         waarschuwt tegelijkertijd voor overspannen verwachtingen. Meehelpen concrete
                         problemen op te lossen, is niet de primaire taak van hogescholen _ daarvoor
                         bestaan andere instanties. Voor de hoofdtaak van hogescholen _ goed gekwalifi-
                         ceerd personeel opleiden _ bestaan in de Nederlandse situatie geen echte alterna-
                         tieven.
                         Aanbeveling 1
                         De AWT adviseert de minister van OCW om ontwerp- en ontwikkelactiviteiten van
                         hogescholen te positioneren als activiteiten die horen bij te dragen aan de instand-
                         houding en ontwikkeling van de beroepspraktijk. Het opleiden van goed geschoold
                         personeel dient hierbij voorop te staan.
                      17 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                                3.2          Financiering en kwaliteitszorg van ontwerp- en
                                             ontwikkelactiviteiten ten behoeve van de opleiding
                                In de ogen van de AWT hebben ontwerp- en ontwikkelactiviteiten van hogescholen
                                primair bij te dragen aan het opleiden van goed geschoold personeel. Concreet
                                houdt dit in dat ontwerp en ontwikkeling een substantiële bijdrage horen te leveren
                                aan de verbetering van het onderwijs en aan de professionalisering van docenten.
                                Samen met de Onderwijsraad hebben wij vastgesteld dat juist op dit gebied in 2001
                                nog een wereld te winnen was. Hogescholen en overheid hebben dit advies ter
                                harte genomen en de SKO in het leven geroepen. De lectoraten die de SKO finan-
Ondersteuningvanopleiding       ciert, zijn vooral bedoeld om de verbetering van het onderwijs en de professionali-
verlooptvooralvialectoraten     sering van docenten aan te jagen en te versnellen. Langs deze weg geven lectora-
                                ten mede vorm aan een kerntaak van hogescholen: goed geschoold personeel op te
                                leiden.
                                Juist omdat lectoraten cruciaal zijn voor de kerntaak van hogescholen ligt het voor
  Financierlectoratennietvia    de hand om hun activiteiten te financieren via de lumpsum. Toch pleit de AWT hier
                 delumpsum…     niet voor. Financiering van lectoraten via de lumpsum gaat namelijk uit van de eind-
                                situatie waarin hogescholen al veel ervaring hebben met ontwerp- en ontwikkelacti-
                                viteiten. Dat is nu nog niet het geval: in hogescholen zijn ontwerp en ontwikkeling
                                volop in beweging (zie bijlage 4). In deze situatie acht de AWT het raadzaam om
                                ontwerp- en ontwikkelactiviteiten in hogescholen gedurende bepaalde tijd een ste-
                                vige impuls te geven. De financiering van lectoraten dient hierbij aan te sluiten; zij
                                dient dus het karakter te hebben van een financiële impuls. Dit voorkomt dat
                                middelen bestemd voor ontwerp- en ontwikkelactiviteiten 'verwateren' en (deels)
                                worden ingezet voor andere doeleinden. Het maakt bovendien dat ontwerp- en
                                ontwikkelactiviteiten en hun financiering helder zichtbaar worden.
                                Om deze redenen acht de AWT het wenselijk dat de financiering van ontwerp en ont-
            …maarviadeSKO       wikkeling vooralsnog blijft lopen via de SKO. Op deze manier is het mogelijk een vin-
                                ger aan de pols te houden en hogescholen al in een vroeg stadium een leerproces te
                                laten doorlopen. Op de langere termijn zal de financiering van ontwerp- en ontwikke-
                                lactiviteiten in hogescholen zeker onderdeel moeten worden van de lumpsum. Maar
                                voorlopig acht de AWT het beter de bestaande situatie te handhaven.
                                Aanbeveling 2
                                De AWT adviseert de minister van OCW om de financiering van lectoraten te laten
                                lopen via de SKO.
                                Het spreekt vanzelf dat lectoraten goed moeten functioneren. De huidige procedure
Kwaliteitszorg ondersteuning    via de SKO bevat procedures om hierop toe te zien. Aanvragen voor lectoraten wor-
          opleidingviadeSKO     den vooraf getoetst en aanvragen die zijn toegekend, worden achteraf geëvalueerd.
                                De AWT is van mening dat deze vorm van kwaliteitszorg goed past bij het stadium
                             18 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                waarin de ontwerp- en ontwikkelactiviteiten van hogescholen zich thans bevinden.
                                Het is te overwegen om de kwaliteitszorg voor lectoraten op de lange termijn te
                                laten verlopen via de visitaties van het onderwijs. Dan kan duidelijk worden of en
                                hoe ontwerp- en ontwikkelactiviteiten van hogescholen bijdragen aan de kwaliteit
                                van het onderwijs. Maar op de korte termijn zien wij geen reden om de kwaliteits-
                                zorg voor lectoraten te veranderen.
                                Aanbeveling 3
                                De AWT adviseert de minister van OCW om de kwaliteitszorg van lectoraten te laten
                                lopen via de SKO.
                                3.3          Financiering en kwaliteitszorg van ontwerp- en
                                             ontwikkelactiviteiten ten behoeve van het oplossen
                                             van concrete problemen
                                Ontwerp- en ontwikkelactiviteiten in hogescholen kunnen ook een bijdrage leveren
                                aan de beantwoording van concrete vragen uit de praktijk. De AWT acht het raad-
                                zaam om dit aspect van ontwerp en ontwikkeling te laten verlopen via een aparte,
   Financierbijdrageaan         projectmatige geldstroom. Hierbij staat ons een geldstroom voor ogen die lijkt op de
innovatieviaeigengeld         - derde geldstroom van het universitaire onderzoek.5 Deze bestaat uit inkomsten uit
                    stroom…     contractonderzoek (afkomstig van private en publieke partijen) en uit subsidies om
                                innovatie te stimuleren (vaak afkomstig van SenterNovem). Wat betreft het verrich-
                                ten van contractonderzoek moet de overheid erop toezien dat hogescholen _ en
                                overigens ook universiteiten _ de volledige kosten van het onderzoek in rekening
                                brengen. Anders dreigt geld voor ontwerp- en ontwikkelactiviteiten onttrokken te
    …zieeroptoedatdit           worden aan middelen voor het onderwijs. Bovendien dreigt anders ook oneigenlijke
        fullcost   gebeurt...   concurrentie met andere publieke of private kennisaanbieders. Om de bijdrage van
                                hogescholen aan innovaties in bedrijven en maatschappelijke organisaties te
          ...stelbestaande      stimuleren, kan de overheid bestaande subsidieprogramma's (Bsik, de nieuw te
    programma’sopen...          ontwikkelen Omnibusregeling van EZ et cetera) actief openstellen voor hogescholen.
                                Daarnaast kan zij aparte subsidieprogramma's in het leven roepen. De financiering
                                van ontwerp en ontwikkeling via de Stichting Innovatie Alliantie (SIA) _ de zoge-
      ...encreëernieuwe         heten RAAK-gelden _ is hiervan een voorbeeld. Het voornemen om innovatie in de
                programma’s     publieke sector in de toekomst op eenzelfde manier te stimuleren, spreekt de AWT
                                aan.
                                5    De AWT ziet geen ruimte voor een tweede geldstroom naar hogescholen. De tweede geldstroom voor het universitaire
                                     onderzoek (NWO, KNAW) is vooral bedoeld om de ontwikkeling van de wetenschapsbeoefening te stimuleren.
                                     Onderzoeksactiviteiten in hogescholen dienen een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de beroepspraktijk, niet
                                     van de wetenschapsbeoefening. Daarom komen hogescholen niet in aanmerking voor onderzoekssubsidies uit de tweede
                                     geldstroom.
                            19  awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                              Aanbeveling 4
                              .   De AWT adviseert de minister van OCW erop toe te zien dat hogescholen de vol-
                                  ledige kosten in rekening brengen bij het verrichten van contractonderzoek.
                              .   De AWT adviseert de minister van EZ bestaande innovatiesubsidies zoveel moge-
                                  lijk actief open te stellen voor hogescholen.
                              .   De AWT adviseert de ministers van OCW en EZ waar nodig aparte subsidiepro-
                                  gramma's in het leven te roepen om de bijdrage van hogescholen aan innovatie
                                  in bedrijven en maatschappelijke organisaties te stimuleren.
                              Ontwerp en ontwikkeling ten behoeve van innovatie in bedrijven en maatschappe-
                              lijke organisaties zullen vaak, zo niet altijd de vorm aannemen van projecten met
 Geenapartekwaliteitszorg     duidelijke opdrachtgevers. Deze opdrachtgevers zijn in de beste positie om zich een
    nodigvoorbijdrageaan      oordeel te vormen van de kwaliteit van de geleverde prestaties. De AWT acht het
                    innovatie dan ook niet nodig om een apart kwaliteitszorgsysteem in het leven te roepen voor
                              dit aspect van ontwerp en ontwikkeling. Wel dient de overheid periodiek te evalue-
                              ren of innovatie-instrumenten als zodanig effectief zijn. Deze periodieke evaluaties
                              van regelingen bestaan al en het valt aan te bevelen hen in de toekomst te handha-
                              ven.
                              Aanbeveling 5
                              De AWT adviseert de minister van OCW geen apart kwaliteitszorgsysteem te ont-
                              wikkelen voor de bijdrage van ontwerp en ontwikkeling aan innovatie.
                              3.4          Tot slot: onderzoekers opleiden voor hogescholen
                              Een goede vervulling van hun onderzoekstaak vergt dat hogescholen beschikken
                              over (veel) meer personeel met onderzoeksvaardigheden dan nu het geval is. Sinds
  Hogescholenhebbenmeer       enkele maanden woedt in Nederland een discussie over de vraag welke instellingen
      onderzoekersnodig…      die onderzoekers horen op te leiden. Horen de universiteiten dat te doen of kunnen
                              hogescholen dat zelf af? Voor beide standpunten zijn aanhangers te vinden. De
                              AWT is van mening dat hogescholen nog niet in staat zijn zelf gekwalificeerde
                              onderzoekers op te leiden. Op dit moment leveren ontwerp en ontwikkeling vooral
       …enkunnendieniet       een bijdrage aan het bacheloronderwijs (eerste cyclus) en soms aan het masteron-
             zelfopleiden…    derwijs (tweede cyclus). Maar hogescholen hebben nu geen onderzoeksgroepen van
                              zo'n omvang en kwaliteit dat zij de opleiding van onderzoekers (derde cyclus) zelf
                              ter hand kunnen nemen. Zij hebben geen vruchtbaar onderzoeksklimaat waarin de
                              opleiding van onderzoekers tot haar recht kan komen. Het nagenoeg ontbreken van
                              gepromoveerd personeel aan hogescholen onderstreept dit. Daarom vindt de AWT
…maardeuniversiteitenwel      het de taak van universiteiten de onderzoekers op te leiden waaraan hogescholen
                              behoefte hebben.
                           20 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                            Onlangs heeft de AWT bovendien bepleit dat universiteiten verkorte onderzoeksoplei-
                            dingen aanbieden.6 De kennissamenleving heeft immers niet alleen behoefte aan
                            meer, maar ook aan andersoortige onderzoekers. Om te voorzien in deze behoefte
                            dienen universiteiten meer variatie aan te brengen in de opleiding van onderzoekers.
    Universiteitenmoeten    Naast het klassieke promotietraject is het wenselijk ook verkorte onderzoeksoplei-
korteonderzoeksopleiding    dingen te ontwikkelen. Het gaat dan om opleidingen die niet uitmonden in een
               opzetten…    dissertatie,7 maar onder meer aandacht besteden aan onderzoeksmethoden, reflectie
                            en rapportagetechnieken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een opleiding tot beleids-
                            onderzoeker of een opleiding waarin mensen systematisch leren te reflecteren op
                            een beroep. Nederland loopt niet voorop in het ontwikkelen van dergelijke onder-
                            zoeksopleidingen. Engelstalige landen hebben al veel meer van dit soort opleidin-
                            gen, veelal onder de naam professional doctorates. Het ligt in de rede om dit soort
                            opleidingen op te zetten in samenspraak met het afnemend veld. Uiteraard hoeft de
                            feitelijke begeleiding van niet-academische onderzoekers zich niet uitsluitend af te spe-
                            len binnen de muren van de universiteit. Betrokkenheid van andere, kennisintensieve
                            partijen is toe te juichen. Maar het recht om de bijbehorende graden te verlenen, moet
    …meteeneigengraad       worden voorbehouden aan universiteiten.
                            Aanbeveling 6
                            De AWT adviseert de minister van OCW om universiteiten krachtig te stimuleren tot
                            experimenten met verkorte onderzoeksopleidingen. Zolang hogescholen geen
                            vruchtbaar en stimulerend onderzoeksklimaat hebben, dient het recht zulke graden
                            te verlenen voorbehouden te worden aan universiteiten.
                            Aldus vastgesteld te Den Haag, augustus 2005
                            J.F. Sistermans (voorzitter)
                            mw. dr. V.C.M. Timmerhuis (secretaris)
                            6    AWT, Briefadvies onderzoeksloopbanen (Den Haag, 15 juli 2005).
                            7    De titel van dr. of PhD dient voorbehouden te blijven aan klassieke promoties en gekoppeld te blijven aan een proefschrift
                                 dat voldoet aan internationaal geldende wetenschappelijke maatstaven.
                         21 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>22</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>b1                Kwantitatieve gegevens over
                  lectoraten
     Het HBO is een zeer diverse sector. Hogescholen bereiden studenten voor op de uit-
     oefening van alle mogelijke beroepen. In 2004 waren bijna 350.000 studenten
     ingeschreven aan hogescholen. Tweederde daarvan volgde een economische, peda-
     gogische of sociaal-agogische richting (zie tabel 1).
     Tabel1:ingeschrevenstudentenaanhogescholen(voltijds,deeltijdsenduaal),2000-2004
                                     2000            2001         2002           2003     2004
     economisch(heo)              104.895         110.341       110.389        115.467  120.542
     pedagogisch(hpo)              55.754          58.235        60.072         65.089   67.892
     technisch(htno)               57.054          57.336        56.866         57.473   57.377
     sociaal-agogisch(hsao)        45.670          45.848        45.403         46.057   47.426
     gezondheidszorg(hgzo)         25.399          25.464        26.143         27.318   28.658
     kunsten(kuo)                  18.794          18.954        18.575         18.969   19.515
     agrarisch(hao)                  8.207           8.445        8.323          8.457    8.119
     totaal                       315.773         324.623       325.771        338.830  349.529
     Bron: HBO-Raad
     Aan hogescholen waren in 2004 33.548 personeelsleden verbonden. Hiervan werk-
     te een aanzienlijk deel in deeltijd zodat de totale formatieruimte beperkter was:
     25.111 fte in 2004. Onbekend is hoe dit personeel verdeeld was over de verschil-
     lende sectoren. Daarom is het niet mogelijk student/staf ratio's te berekenen voor
     alle sectoren afzonderlijk. Voor het HBO als geheel lag deze ratio in 2004 op 13,5
     studenten per staflid (zie tabel 2).
     Tabel2:personeelaanhogescholen(onderwijzendenondersteunend),2000-2004
                                       2000           2001          2002          2003    2004
     aantalpersonen                   30.158         31.357       32.056         33.548  34.100
     aantalfte's                      22.485         23.366       24.236         24.814  25.111
     student/stafratio                  13,6            13,4         13,0          13,2     13,5
     Bron: HBO-Raad
     Een deel van het personeel dat verbonden is aan hogescholen bestaat uit lectoren.
     Tussen 2002 en 2005 is het aantal lectoren snel gegroeid. In februari 2002 stond
     het aantal lectoraten dat de SKO had gefinancierd op 18. Drie jaar later was dat
     gestegen tot 207 (zie tabel 3).
     Tabel3:aantallectorateninhogescholen(peildatumaanhetbeginvanelkjaar),2002-2005
     2002
     2002 2003 2004       20032005             2004                2005
        18                  86                   178                 207
     18        86     178     207
     Bron: SKO
 23 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>   Om de lectoraten te financieren, ontvangen de hogescholen jaarlijks een bijdrage
   van de SKO. In 2001 bedroeg de subsidie van de SKO aan hogescholen 14,5 mil-
   joen euro. In 2004 was dit bedrag opgelopen tot 30,4 miljoen euro. Volgens afspra-
   ken zal de subsidie die wordt verdeeld via de SKO verder stijgen tot 50,4 miljoen
   euro in 2008 (zie tabel 4).
   Tabel4:begrotingSKOvolgensafspraken,2001-2008
           2001        2002        2003        2004       2005     2006      2007      2008
       M€14,75       M€30,4      M€30,4     M€30,4     M€35,4    M€38,4    M€50,4    M€50,4
   Bron: convenanten HBO-Raad en OCW.
   Afgezet tegen de bedragen die omgaan in de rijksbijdrage die hogescholen jaarlijks
   ontvangen, zijn de uitkeringen van de SKO bescheiden. In 2001 ontvingen hoge-
   scholen ruim 1,4 miljard euro rijksbijdrage van het ministerie van OCW _ de subsi-
   dies van SKO in datzelfde jaar vormden 1% van dit bedrag. Hierbij moeten we
   bedenken dat de totale begroting van het HBO, inclusief collegegelden, aanmerke-
   lijk hoger is dan de rijksbijdrage. In 2004 was de rijksbijdrage gestegen tot ruim 1,6
   miljard euro wat 'slechts' vijftig maal zo veel is als de subsidies van de SKO (zie
   tabel 6).
   Tabel5:rijksbijdrageaanhetHBOinmiljoeneneuro's,2000-2004
               2000          2001           2002          2003       2004
          M€1.284        M€1.424        M€1.546       M€1.580      M€1.659
   Bron: OCW.
   De verdeling van het aantal lectoraten over de sectoren volgt de omvang van de
   rijksbijdrage. Hiermee zijn sectoren met een hoge rijksbijdrage (kuo, hao, kuo) in
   het voordeel boven sectoren met een lage rijksbijdrage (heo, hsao). Relatief 'rijke'
   opleidingen trekken bovendien relatief weinig studenten en omgekeerd. Het gevolg
   is dat grote sectoren, zoals het hoger economisch onderwijs en het hoger sociaal-
   agogisch onderwijs, relatief weinig lectoren per student hebben. Kleine sectoren,
   zoals het hoger kunstonderwijs en het hoger agrarisch onderwijs, hebben juist rela-
   tief veel lectoren per student (zie tabel 6). Hoe dan ook is het aantal lectoren per
   student zeer bescheiden.
   Tabel6:verdelingvanlectoratenoversectorenin2004
                              heo      hpo      htno    hsao   hgzo     kuo     hao   overig
    Aantal lectoren             32       28        32      18     18      23       9      47
    Per 1000 studenten        0,27     0,41      0,56    0,38   0,63    1,18    1,11    0,13
   Bron: SKO.
24 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>b2               Gesprekspartners
    In de voorbereiding op dit advies heeft de AWT gesprekken gevoerd met de
    volgende personen.
    HBO-Raad                                    de heer drs. R.H. Slotman
    Hogeschool Eindhoven                        de heer dr. J. Steyaert
    Hogeschool van Utrecht                      de heer prof.dr. F. Leijnse
    Ministerie OCW                              de heer mr. J. den Oudsten
    Ministerie OCW                              mevrouw dr. F.M.L. Heijs
    MKB Nederland                               mevrouw ir. G. Visser-van Erp
    Onderwijsraad                               de heer prof.dr. A.M.L. van Wieringen
    Rijksacademie van beeldende kunsten         mevrouw drs. E.M.W.A. van Odijk
    Van Hall Leeuwarden                         mevrouw ir. E. Schaper
    VSNU                                        de heer mr. E.M. d'Hondt
    WUR                                         de heer ir. W.J.A. Hanekamp
    HBO-Raad                                    de heer drs. A.B. de Graaf
    Hogeschool Zeeland                          mevrouw dr. A. de Groene
    Ministerie OCW                              de heer drs. R.C. Endert
    VSNU                                        de heer dr. J.A. Bartelse
    WUR                                         mevrouw ir. W. van Eck
 25 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>26</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>b3               Enkele aanzetten tot afbakening
    Mode 1 versus mode 2
    Een bekende poging om verschillende typen onderzoek af te bakenen, komt van
    een aantal auteurs onder leiding van Michael Gibbons. In 1994 introduceerden zij
    het onderscheid tussen kennis van het type mode 1 en kennis van het type mode 2.
    Grofweg komt dit onderscheid neer op het volgende.
    Mode1                                        Mode2
    . wordt geproduceerd in academische context; . wordt geproduceerd in context van toepassingen;
    . wordt gewogen door peer group;             . wordt gewogen door extended peer group;
    . is disciplinair van aard;                  . is transdisciplinair van aard;
    . is homogeen van aard;                      . is heterogeen van aard;
    . is niet reflexief van aard;                . is reflexief van aard;
    Volgens Gibbons et al. is de kennis die van oudsher wordt ontwikkeld aan univer-
    siteiten vooral mode 1. Maar de laatste jaren zou dit 'traditionele' onderzoek steeds
    meer concurrentie krijgen van andere vormen van onderzoek. In bedrijven, overhe-
    den, NGO's en dergelijke zou steeds meer mode 2 kennis worden geproduceerd.
    Deze nieuwe vorm van kennis verdringt de oude niet, maar vult haar aan. Naast
    mode 1 kennis zouden we dus steeds meer mode 2 kennis krijgen.
    In enkele recente positionpapers heeft de HBO-Raad zich laten inspireren door dit
    onderscheid. Zijns inziens maakt de opkomst van mode 2 kennis duidelijk dat hoge-
    scholen een eigen, volwaardige onderzoekstaak moeten hebben. Daar waar univer-
    siteiten mode 1 kennis produceren (traditioneel, disciplinair onderzoek), horen
    hogescholen mode 2 kennis te produceren (nieuw, transdisciplinair onderzoek).
    Bohr, Pasteur, Edison en Peterson
    Een andere poging om verschillende typen onderzoek te onderscheiden, komt van
    de Amerikaanse onderzoek Donald Stokes. Hij schreef in 1997 een boek _ Pasteurs
    quadrant _ waarin hij tracht af te rekenen met de tegenstelling tussen fundamen-
    teel en toegepast onderzoek. Zijns inziens is die tegenstelling onterecht omdat
    onderzoek zowel fundamenteel als toegepast tegelijk kan zijn. De ontwikkelingen in
    de biotechnologie bewijzen dit.
 27 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>     Om de tegenstelling tussen fundamenteel en toegepast onderzoek te overstijgen,
     plaatst Stokes beide concepten niet meer tegenover elkaar, maar haaks op elkaar.
     Dit levert een kwadrant op met vier vakken.
                                              Welgerichtopfundamenteelbegrip
                                                                                        Welgerichtoptoepassing
                   Nietgerichtoptoepassing
                                              Bohr                          Pasteur
                                             Peterson                          Edison
                                              Nietgerichtopfundamenteelbegrip
     In elk van deze vakken plaatst Stokes één onderzoeker die zijns inziens uitblonk in
     het betreffende type onderzoek.
     .   Wel gericht op fundamenteel begrip, maar niet op toepassing: de atoomfysica
         van Niels Bohr. Deze was volstrekt academisch en vond alleen een publiek bij col-
         lega academici.
     .   Wel gericht op fundamenteel begrip en ook op toepassing: de microbiologie van
         Louis Pasteur. Deze kreeg respons van collega academici, maar vond ook veel
         weerklank onder zuiveltechnologen. Pasteur ontleende van zijn ideeën voor
         onderzoek aan zuiveltechnologische problemen!
     .   Niet gericht op fundamenteel begrip, maar wel op toepassing: de ontwikkeling
         van een werkende telefoon door Thomas Edison. Dit onderzoek was zuiver ont-
         wikkelingswerk, gericht op het verkrijgen van een werkend prototype. Van de
         elektrotechnische theorie had Edison weinig kaas gegeten.
     .   Niet gericht op fundamenteel begrip en niet op toepassing: het onderzoek van
         Roger Peterson, schrijver van zeer gewaardeerde vogelboeken. Dit soort onder-
         zoek is vaak amateuronderzoek met een encyclopedische inslag. Op het eerste
         gezicht lijkt dit soort kennis nutteloos, maar het kan de basis leggen voor nieuwe
         theorieën (evolutietheorie, klimatologie, geologie et cetera).
     Als we het onderzoek van de hogescholen in dit schema onderbrengen zou het
     vooral in de hoek van Edison zitten. Dat van de universiteiten vooral in de hoek van
     Bohr. De hoek van Pasteur kent meer voortrekkers: zowel (technische) universiteiten
     als bijvoorbeeld TNO verrichten onderzoeksactiviteiten van deze aard.
     STI versus DUI
     Weer een andere visie presenteert de Deense innovatieguru Bengt Åke Lundvall. In
     een recent paper introduceert hij een onderscheid tussen twee manieren om te
     komen tot innovatie: kennisgedreven innovatie, ook welk aangeduid met de letters
28   awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>   STI (science, technology, innovation) en praktijkgedreven innovatie, ook wel DUI
   genoemd (doing, using, interacting).
   Bij de STI-praktijk ligt de nadruk op onderzoek en het creëren van expliciete, gecodi-
   ficeerde kennis. Het gaat hierbij om know what (kennis over feiten, informatie) en
   know why (kennis over principes en wetmatigheden). De gedachte is dat deze ken-
   nis, eenmaal aanwezig, leidt tot het onderscheiden van toepassingsmogelijkheden in
   nieuwe producten en diensten. Waar STI start in het laboratorium, begint DUI in de
   praktijk. Bij DUI staat de inzet van praktijkkennis centraal. Hierbij gaat het om know
   how (vaardigheden, competenties) en know who (interne en externe netwerken en
   de vaardigheden om hiervan gebruik te maken). Dit is vaak tacit knowledge en
   heeft in veel gevallen een specifiek en lokaal karakter.
    STI                                        DUI
    Maakt vooral gebruik van en draagt bij aan Maakt vooral gebruik van en draagt bij aan
    expliciete kennis.                         impliciete kennis.
   Uiteraard is dit onderscheid niet haarscherp. In de STI-praktijk wordt wel degelijk
   gebruik gemaakt van impliciete kennis. Elke ondernemer die dit aspect verwaar-
   loost, komt van een koude kermis thuis! Dat geldt ook voor de DUI-praktijk waarin
   expliciete kennis wel degelijk een grote rol speelt. Het onderscheid is dus vooral ver-
   gelijkenderwijs: de éne praktijk van innovatie heeft meer affiniteit met de éne vorm
   van kennis en omgekeerd.
   Dit heeft ook gevolgen voor het onderzoek. 'Klassiek' wetenschappelijk universitair
   onderzoek zal het best tot zijn recht komen in een STI-context. Ontwerp- en ont-
   wikkelactiviteiten van hogescholen zullen op hun beurt beter tot hun recht komen
   in een DUI-context.
   Reflection on action versus reflection in action
   Een laatste onderscheid dat relevant kan zijn, stamt van de Amerikaanse manage-
   mentwetenschapper Donald Schön. Hij maakt een onderscheid tussen twee vormen
   van leren en/of onderzoeken. Reflection on action is de klassieke vorm van
   leren/onderzoeken. Als we tegen een probleem aanlopen dat we niet kunnen oplos-
   sen, doen we bij reflection on action een stap terug en gaan we op zoek naar de
   oorzaken. Als we die oorzaken hebben geïdentificeerd, proberen we vervolgens de
   technieken te vinden om greep te krijgen op de verschijnselen in kwestie. En als die
   technieken beschikbaar zijn, kunnen we het betreffende probleem oplossen.
29 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>   Reflection in action werkt anders. Hier is de benadering niet theoretisch, maar prag-
   matisch. Als we tegen een probleem aanlopen dat we niet zomaar kunnen oplos-
   sen, gaan we niet op zoek naar de oorzaken, maar kiezen we een andere aanpak.
   Hier is dus geen sprake van een sprong naar de theorie, maar van trail and error _
   niet omdat theorie onaantrekkelijk zou zijn, maar omdat de situatie bijvoorbeeld te
   complex is. Dit proces van zoeken en onderzoeken kan net zo lang doorgaan tot
   het probleem is opgelost
   De verdienste van Schön is dat hij laat zien dat trial and error geen blind proces
   hoeft te zijn. Reflection in action kan gestructureerd verlopen: het kan een heu-
   ristisch zoekproces zijn waarbij we nu eens dit, dan eens dat onderdeel van de
   benadering variëren. Dit soort heuristieken wordt ontwikkeld in de praktijk en
   wordt overgedragen in een leerling-leermeester verhouding (net als overigens
   reflection on action). Wie weet levert het hiermee een model voor ontwerp en ont-
   wikkelactiviteiten.
30 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>b4               Huidige plaats van lectoraten in
                 hogescholen
    Het is moeilijk algemene uitspraken te doen over 'de plaats' van ontwerp- en ont-
    wikkelactiviteiten in hogescholen. Studenten en docenten houden zich immers op
    allerlei plekken in hogescholen bezig met ontwerp en ontwikkeling. De afgelopen
    jaren hebben hogescholen deze activiteiten echter geconcentreerd in lectoraten en
    kenniskringen. Zodoende geven lectoraten en kenniskringen een bruikbaar beeld
    van de inbedding van ontwerp- en ontwikkelactiviteiten in hogescholen.
    Intussen zijn er verscheidene evaluaties verschenen van het functioneren van lecto-
    raten en kenniskringen. Twee daarvan verschenen zeer recent.8 Bij elkaar leveren
    deze twee rapporten het volgende beeld op.
    .   Op dit moment hebben lectoren vier taken. Zij dienen de kwaliteit van het
        onderwijs te verbeteren, de professionalisering van het zittende personeel te sti-
        muleren, een bijdrage te leveren aan de theorievorming en bedrijven en maat-
        schappelijke organisaties helpen innoveren. In principe zouden deze doelstellin-
        gen elkaar moeten aanvullen, maar in de praktijk blijken veel lectoraten hier niet
        toe in staat. Door omstandigheden gedwongen, zien veel lectoraten zich
        genoodzaakt om hun aandacht te beperken tot één of twee van hun taken. Het
        aantal lectoraten dat het hele spectrum van taken weet te bestrijken, neemt wel
        langzaam toe.
    .   Hogescholen hebben een begin gemaakt met de ontwikkeling van een strategi-
        sche visie op de positie van lectoraten en kenniskringen. Sommige instellingen
        (bijvoorbeeld Fontys Hogescholen, Hogeschool Zuyd, Haagse Hogeschool,
        Hogeschool Rotterdam) hebben hierbij gekozen voor een duidelijk inbedding van
        hun ontwerp- en ontwikkelactiviteiten in de stad en in de regio. In dit verband
        hebben zij meerjarige raamovereenkomsten afgesloten met lokale overheden.
    .   Lectoren zijn voor het overgrote deel universitair opgeleid. Circa eenderde is
        gepromoveerd en ongeveer 20% combineert het lectoraat met een aanstelling
        aan een universiteit. Niet alle lectoren hadden bij de start van hun lectoraat een
        goed zicht op de sterke gerichtheid van hogescholen op onderwijs. Zij verwacht-
        ten meer te kunnen doen aan theorievorming en aan innovatie binnen bedrijven
        en maatschappelijke organisatie dan praktisch mogelijk is.
    8    Commissie Tussentijdse evaluatie lectoren en kenniskringen, Succesfactoren voor lectoraten in het HBO (Den Haag,
         2005). F. van Duuren, Conceptrapportage enquête lectoraten (Loenen 2005).
 31 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>   .   Tot op heden zijn lectoraten en kenniskringen maar mondjesmaat betrokken bij
       de verbetering van het onderwijs. Lectoren dragen incidenteel bij aan curricula:
       zij verzorgen nieuwe vakken, leveren bijdragen aan cursussen en dergelijke. Maar
       zij zijn nauwelijks betrokken bij de begeleiding van stagiaires of afstudeerders.
       Slechts hier en daar worden studenten betrokken bij ontwerp en ontwikkeling.
   .   In veel hogescholen zijn lectoraten en kenniskringen de enige plek waar docen-
       ten zich kunnen richten op ontwerp en ontwikkeling. Daar buiten hebben docen-
       ten maar weinig mogelijkheden om hun (onderzoeks)vaardigheden verder te ont-
       wikkelen. Dit komt doordat hogescholen docenten vooral aanstellen om 'voor de
       klas te staan'. Verder maken hogescholen nauwelijks gebruik van de capaciteit
       voor deskundigheidsbevordering. In veel hogescholen is 10% van de aanstelling
       gereserveerd voor de professionalisering van docenten. Voor een deel van de
       docenten zou het verrichten van ontwerp en ontwikkeling een uitstekende invul-
       ling van deze tijd zijn. Maar de beschikbare uren worden nauwelijks ingeroosterd
       zodat het gevaar bestaat dat zij 'weglekken' naar andere activiteiten.
   .   In veel lectoraten staat de bijdrage aan theorievorming nog in de kinder-
       schoenen. De weinige lectoraten waar theorievorming wel is gelukt, hebben een
       stevige verankering in een extern netwerk. In die gevallen konden vragen uit de
       praktijk worden opgepakt en worden veralgemeniseerd tot een theory of
       practice.
   .   Bijdragen van hogescholen aan innovatie in bedrijven en maatschappelijke orga-
       nisaties zijn nog beperkt. Afgezien van die hogescholen waar een strategisch
       raamwerk is ontwikkeld, zijn de contacten met de beroepspraktijk vaak nog inci-
       denteel en afhankelijk van personen. Dit leidt er onder meer toe dat de inkom-
       sten uit contractonderzoek achterblijven bij de verwachtingen. Geen enkel lecto-
       raat kan zichzelf bedruipen uit de inkomsten van contractactiviteiten.
32 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>        Serieuitgebrachteadviezenvande
        AdviesraadvoorhetWetenschaps-
        enTechnologiebeleid
   65 Ontwerp en ontwikkeling. De functie en plaats van onderzoeksactiviteiten in
        hogescholen. Augustus 2005.
        ISBN 90 77005 31 5. € 10,00.
   64 Innovatie zonder inventie. Kennisbenutting in het MKB. Juli 2005.
        ISBN 90 77005 29 3. € 12,50.
   63 Kennis voor beleid - beleid voor kennis. Mei 2005.
        ISBN 90 77005 28 5. € 12,50.
   62 De waarde van weten.De economische betekenis van universitair onderzoek.
        April 2005.
        ISBN 90 77005 005. € 9,00.
   61 Een vermogen betalen. De financiering van universitair onderzoek.
        Februari 2005
        ISBN 90 77005 27 7. € 12,50.
   60 Samen slimmer in ketens. Competenties in supply chain management als concur-
        rentiefactor voor Nederlandse bedrijven. December 2004
        ISBN 90 77005 25 0. € 12,50.
   59 Tijd om te oogsten! Vernieuwing in het innovatiebeleid. Juni 2004.
        ISBN 90 77005 24 2. € 12,50.
   58 De prijs van succes. Over matching van onderzoekssubsidies in kennisinstellin-
        gen. April 2004.
        ISBN 90 77005 22 6. € 12,50.
   57 Nederlands kompas voor de Europese onderzoeksruimte. Strategisch kader voor
        de internationalisering van het onderzoeks- en innovatiebeleid. Januari 2004.
        ISBN 90 77005 21 8. € 12,50.
   56 Netwerken met kennis. Kennisabsorptie en kennisbenutting door bedrijven.
        November 2003.
        ISBN 90 77005 20 X. € 12,50.
   55 Wat van ver komt... De vormgeving van het Nederlandse bilaterale onderzoeks-
        beleid. Oktober 2003.
        ISBN 90 77005 19 6. € 9,00.
   54 1+1>2. De bevordering van multidisciplinair onderzoek. September 2003.
        ISBN 90 77005 18 8. € 12,50.
   53 Backing winners. Van generiek technologiebeleid naar actief innovatiebeleid. Juli
        2003.
        ISBN 90 77005 17 X. € 15,00.
   52 Kennis van criminaliteit. Juni 2003.
        ISBN 90 77005 16 1. € 9,00
33 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>   51 Wijsheid achteraf. De verantwoording van universitair onderzoek. Juni 2003.
        ISBN 90 77005 15 3. € 9,00
   50 Naar een nieuw maatschappelijk contract. Synergie tussen publieke kennisinstell-
        lingen en de Nederlandse kennissamenleving. Januari 2003.
        ISBN 90 77005 14 5. € 5,00
   49 Gewoon doen!? Perspectief op de Barcelona-ambitie '3% BBP voor O&O'. Juli
        2002.
        ISBN 90 77005 11 0. € 9,08
   48 KP6 laten werken. Stimuleren Nederlandse deelname: profijt en beleid. Juli
        2002.
        ISBN 90 77005 10 2. € 12,50
   47 Hógeschool van Kennis. Kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en hogescholen.
        Juli 2001.
        ISBN 90 77005 05 6. € 11,34
   46 Handelen met kennis. Universitair octrooibeleid omwille van kennisbenutting.
        Juni 2001.
        ISBN 90 77005 03 X. € 9,08
   45 Over stromen. Kennis - en innovatieopgaven voor een waterrijk Nederland.
        Advies en Verkenning door de AWT, NRLO en RMNO, juni 2000. € 11.34
   44 Investeren in onderzoek, april 2000.
        ISBN 90 346 3823 5. € 9,08
   43 Halfslachtige wetenschap. Onderbenutting van vrouwelijk potentieel als existen-
        tieel probleem voor academia, januari 2000.
        ISBN 90 346 3798 0. € 11,34
   42 Communicatie over wetenschap en techniek, november 1999.
        ISBN 90 346 3758 1. € 9,08
   41 Vitaliteit en kritische massa. Strategie voor de natuur- en technische weten-
        schappen, augustus 1999.
        ISBN 90 346 3724 7. € 13,61
   40 Cultureel erfgoed en wetenschapsbeoefening. Advies van de AWT en de Raad
        voor Cultuur, juli 1999.
   39 Advies HBO en Kenniscirculatie. Advies van de AWT en de Onderwijsraad, juni
        1999.
   38 Hoofdlijnen Innovatiebeleid, juni 1999.
        ISBN 90 346 3685 2; € 11,34.
   37 Hoofdlijnen Wetenschapsbeleid, februari 1999.
        ISBN 90 346 3658 5; € 11,34.
   36 Ruimtevaartbeleid, juli 1998.
        ISBN 90 346 3590 2; € 11,34.
   35 Prioriteiten 1998, beleidsadvies naar aanleiding van de verkenningen uit de peri-
        ode 1996-1998, juni 1998.
        ISBN 90 346 3586 4; € 13,61.
   34 Reactie op Strategisch Plan TNO 1999-2002, maart 1998.
34 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>        ISBN 90 346 3549 x; € 9,08.
   33 Onschatbare rijkdom aan kennis; financiële verslaglegging en innovatief
        vermogen van ondernemingen, maart 1998.
        ISBN 90 346 3534 1; € 11,34.
   32 Het nut van de grote technologische instituten, februari 1998.
        ISBN 90 346 3532 5; € 13,61.
   31 De structurele behoefte aan informatici, februari 1998.
        ISBN 90 346 3527 9; € 11,34.
   30 Reactie op ontwerp-HOOP 1998, november 1997.
        ISBN 90 346 3502 3; € 11,34.
   29 Wisselwerking tussen 'zachte' en 'harde' kennis, oktober 1997.
        ISBN 90 346 3488 4; € 11,34.
   28 Een werkzaam leven lang leren, juli 1997.
        ISBN 90 346 3460 4; € 11,34.
   27 De invloed van wet- en regelgeving op innovaties, maart 1997.
        ISBN 90 346 3420 5; € 13,61.
   26 Reactie op het Wetenschapsbudget 1997, oktober 1996.
        ISBN 90 346 3359 4; € 13,61.
   25 Oude wereld, nieuwe kansen.... Kennisuitwisseling met Oost-Azië, juni 1996.
        ISBN 90 346 3312 8; € 13,61.
   24 Report on the Netherlands position on the Fifth Framework Programme of the
        EU, april 1996.
        ISBN 90 346 3307 1; € 11,34.
   23 Regionaal Technologiebeleid, november 1995.
        ISBN 90 346 3241 5; € 11,34
   22 Onderzoek is mensenwerk; ruimte voor management van human resources, juli
        1995.
        ISBN 90 346 3203 2; € 13,61.
   21 Advies over relatie overheid-TNO, april 1995.
        ISBN 90 346 3167 2; € 9,08.
   20 Advies inzake de para-universitaire instituten, februari 1995.
        ISBN 90 3463156 7; € 9,08.
   19 Exploitatie van universitaire kennis, februari 1995.
        ISBN 90 346 3151 6; € 9,08.
   18 Jaarbeschouwing 1994, oktober 1994.
        ISBN 90 346 3115 x; € 9,08.
   17 Verankering van onderzoekstimuleringsprogramma's, oktober 1994.
        ISBN 90 346 3108 7; € 9,08.
   16 Technologiebeleid en economische structuur, april 1994.
        ISBN 90 346 3071 4; € 15,88.
   15 Advies over onderzoekscholen, januari 1994.
        ISBN 90 346 2900 7; € 9,08.
   14 Advies over de NWO-organisatie, oktober 1993.
35 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>        ISBN 90 346 3011 0; € 9,08.
   13 Nederland Vestigingsland, april 1993.
        ISBN 90 346 2991 0; € 13,61.
   12 Advies over het Strategisch Beleidsdocument 1993, maart 1993.
        ISBN 90 346 2986 4; € 9,08.
   11 Technici en onderzoekers: kwaliteit en kwantiteit, december 1992.
        ISBN 90 346 2973 2; € 11,34
   10 Jaarbeschouwing 1992: Vier aandachtspunten voor het Kabinetsbeleid,
        oktober 1992.
        ISBN 90 346 2955 4; € 11,34.
   9    Opmaat voor profilering; advies inzake het Meerjarenplan 1993-1997 van NWO,
        juli 1992.
        ISBN 90 346 2923 6; € 11,34.
   8    Advies inzake de apparatuurvoorziening voor het (para-)universitaire onderzoek,
        juli 1992.
        ISBN 90 346 2917 1; € 11,34.
   7    Advies inzake de verhouding tussen nationaal en internationaal W&T-beleid,
        mei 1992.
        ISBN 90 346 2820 5; € 11,34.
   6    Techniek & Maatschappij; advies over de factor techniek voor de maatschappij
        van morgen, mei 1992.
        ISBN 90 346 2813 2; € 11,34.
   5    Advies inzake het Beleidsplan Wetenschap en Technologie 1991-1994 van het
        Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, april 1992.
        ISBN 90 346 2807 8; € 6,81.
   4    Wetenschappen en weten scheppen; advies over de overheidsfinanciering van
        universitair onderzoek, januari 1992.
        ISBN 90 346 2751 9; € 11,34.
   3    Jaarbeschouwing 1991, oktober 1991.
        ISBN 90 346 2679 2; € 4,54.
   2    Advies inzake de Technische Universiteiten (te zamen met de Adviesraad
        voor het Hoger Onderwijs (ARHO) uitgebracht), juli 1991.
        ISBN 90 346 2617 2; € 11,34.
   1    Advies Voorstellen voor de agenda van de Overlegcommissie Verkenningen, juli
        1991.
        ISBN 90 346 2628 8; € 6,81.
   AWT-publicaties zijn te bestellen via www.awt.nl.
36 awt-advies nr. 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>