<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>64
  Innovatie zonder inventie
  Kennisbenutting in het MKB
  juli 2005
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>  Colofon
  Vormgeving:       Junior beeldvorming - Zoetermeer
  Druk:             Quantes - Rijswijk
  Juli 2004
  ISBN 90 77005 29 3
  Verkoopprijs      € 12,50
  Auteursrecht
  Alle rechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen van
  deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke
  toestemming van de AWT. Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van
  organisatienaam en naam en jaartal van uitgave.
2 awt-advies nr. xx
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  Inhoudsopgave
  Samenvatting                                                                            5
  Deel I Advies                                                                           9
  1         Advies                                                                       11
            1.1     Adviesvraag                                                          11
            1.2     Toepassers als doelgroep: bedrijven die ‘innoveren zonder inventies’ 11
            1.3     Invalshoek advies: waardering voor ‘innoveren zonder inventies’      13
            1.4     Afbakening bereik advies                                             14
            1.5     Aanpak                                                               14
  2         De innovatiepraktijk van de toepassers                                       17
            2.1     Kenmerken innovatiepraktijk: pragmatisch, doelgericht, lerend        17
            2.2     Kennispartners en samenwerking                                       20
            2.3     Verbeterpunten bij kennisverwerving en kennisbenutting               22
  3         Huidig beleid en rol overheid                                                25
            3.1     Het huidige innovatiebeleid                                          25
            3.2     De rol van de overheid                                               29
  4         Aanbevelingen                                                                33
  Deel II Toelichting                                                                    43
  1         Toepassers in het Nederlands MKB                                             45
  2         De innovatiepraktijk van de toepassers                                       51
  3         Samenwerken in de praktijk                                                   55
  Bijlage 1         Verantwoording aanpak adviestraject                                  67
  Bijlage 2         Literatuur                                                           71
                    Serie uitgebrachte adviezen van de AWT                               75
3 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
  Adviesvraag: verbeteren van kennisbenutting in het MKB….
  De minister van Economische Zaken (EZ) heeft de Adviesraad voor het Wetenschaps-
  en Technologiebeleid (AWT) advies gevraagd over de overheidsrol bij het verbeteren
  van de kennisbenutting in het midden- en kleinbedrijf (MKB). Uitgangspunt van de
  Raad is dat 'hét MKB' niet bestaat. Binnen het MKB is sprake van een grote diver-
  siteit in de wijze waarop bedrijven innoveren en daarmee ook in de behoeften en
  knelpunten wat betreft kennisbenutting. Het beleid moet hier op aansluiten.
  …. met een focus op de 'toepassers'
  Dit advies richt zich op de 'toepassers' de brede middencategorie van MKB-bedrij-
  ven die innoveren door benutting en toepassing van bestaande kennis. Anders
  gesteld: dit advies gaat over bedrijven die 'innoveren zonder inventies'. De focus op
  toepassers bakent naar twee kanten af. Enerzijds naar de grote groep 'overig MKB'
  waarvoor innovatie geen regulier onderdeel is van de bedrijfsvoering en die daar-
  mee geen doelgroep is voor het innovatiebeleid. Anderzijds geeft de focus op toe-
  passers een afbakening naar de innovatieve koplopers in het MKB. Dit zijn bedrijven
  met eigen R&D-medewerkers die wél nieuwe kennis ontwikkelen.
  Die krijgen nu weinig aandacht in beleid…
  De keuze van de Raad voor de toepassers is ingegeven door enerzijds het feit dat
  veel van het huidige innovatiebeleid inspeelt op de behoeftes van bedrijven die
  innoveren door het ontwikkelen van nieuwe kennis. De overheid besteedt het
  merendeel van haar innovatiebudget aan het stimuleren hiervan.
  …terwijl het een grote en economisch belangrijke groep MKB-bedrijven betreft
  Anderzijds signaleert de Raad dat de groep toepassers van grote betekenis is voor
  onze economie en werkgelegenheid. Het gaat om een omvangrijke groep bedrijven
  (naar schatting rond de 200 duizend bedrijven) met een flink innovatiepotentieel.
  De kracht van hun specifieke innovatiepraktijk is gestoeld op het benutten en toe-
  passen van bestaande kennis. Dat maakt dat zij vaak snel en doelmatig kunnen
  innoveren. Onder de toepassers zijn dan ook veel innovatieve bedrijven die econo-
  misch uitstekend presteren. Voor het verwezenlijken van de Lissabonambitie is deze
  groep bedrijven onmisbaar.
  Versterk daarom de innovatiepraktijk van de toepassers
  Dit advies is er primair op gericht de toepassers te ondersteunen op een manier die
  past bij hun innovatiepraktijk van 'innoveren zonder inventies'. Doel van innovatie-
  beleid voor dit deel van het MKB moet daarom niet zijn het transformeren van de
  toepassers tot kennisgedreven koplopers. Dat het een grote groep bedrijven is, mag
5 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  geen reden zijn deze te veronachtzamen. De uitdaging is juist een beleidsinstrumen-
  tarium te ontwerpen dat aansluit bij deze groep bedrijven en dat bovendien han-
  teerbaar is gezien de omvang van de groep.
  Kenmerken van die innovatiepraktijk: pragmatisch, doelgericht, lerend
  De toepassers innoveren op een pragmatische en doelgerichte manier. Het startpunt
  ligt vaak in het signaleren van nieuwe mogelijkheden in de markt of vragen van
  klanten, resulterend in verbeteringen in bestaande producten, processen of dien-
  sten. Toepassers weten daarom vrij concreet wat ze willen ontwikkelen. Ze zoeken
  vervolgens gericht naar inbreng van kennis en expertise van elders, in aanvulling op
  de eigen kennis over markt, product en productieproces. De kennisverwerving is
  daarmee sterk gericht op benutting en toepassing. Al met al is het innovatieproces
  van toepassers te benoemen als leren (learning by doing) en uitzoeken, niet als uit-
  vinden. Vandaar de typering 'innoveren zonder inventies'.
  Verbeterpunten bij kennisverwerving en kennisbenutting
  Bij het daadwerkelijk komen tot innovaties door toepassers en de daarvoor beno-
  digde kennisverwerving doet zich een aantal knelpunten voor. Aan de kant van de
  toepassers is een belangrijke constatering dat het personeel relatief laag is opgeleid.
  Hierdoor kennen ze de weg binnen de publieke kennisinstellingen vaak niet goed
  en is de absorptiecapaciteit voor kennis onvoldoende. Daarnaast signaleert de AWT
  dat sprake is van onvoldoende structurele voorzieningen voor kennisdiffusie en voor
  bedrijven is bovendien niet inzichtelijk waar ze met welke vragen naar toe kunnen.
  Ten derde is de toegankelijkheid van de voor toepassers relevante delen van de
  publieke kennisinfrastructuur voor verbetering vatbaar; de AWT kijkt daarbij vooral
  naar hogescholen en TNO.
  Bedrijven zijn primair zelf verantwoordelijk, maar ook de overheid heeft een rol
  De AWT meent dat de hierboven gesignaleerde informatieproblemen waar toepas-
  sers mee kampen en het daaruit resulterende marktfalen een actief overheidsbeleid
  rechtvaardigen. Daar voegt de AWT aan toe dat versterking van het innovatievermo-
  gen van toepassers door competentieontwikkeling ook een onderwerp van staats-
  zorg hoort te zijn. Het bepaalt in belangrijke mate de productiviteitsontwikkeling en
  concurrentiekracht van deze bedrijven; dit is ook een maatschappelijk belang.
  Aanbevelingen: versterk het innovatievermogen van toepassers
  Met dit advies pleit de AWT nadrukkelijk voor meer beleidsaandacht voor de groep
  toepassers in het MKB. De Raad realiseert zich dat dit geen geheel onontgonnen
  beleidsterrein is. De aanbevelingen bouwen dan ook deels voort op bestaand beleid
  en op beleidsexperimenten als de kennisvouchers en het RAAK-initiatief. De Raad
  pleit nadrukkelijk voor een versterking en aanscherping van dergelijke op de toepas-
  sers gerichte initiatieven. Onderstaande aanbevelingen zijn in de eerste plaats
  gericht aan de minister van EZ. Daarnaast spreekt de AWT bij enkele aanbevelingen
6 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  ook de minister van OCW aan als eerstverantwoordelijke voor de publieke kennis-
  infrastructuur. Een coherent en effectief beleid voor de toepassers vraagt om een
  goede aansluiting van EZ- en OCW-beleid.
  De aanbevelingen van de Raad zijn:
  Aanbeveling 1: Verhoog het kennisniveau in bedrijven
  .   Bevorder kennismaking tussen MKB en studenten.
  .   Stimuleer scholing van werkenden.
  .   Stimuleer de aanstelling van hoger opgeleiden in het MKB.
  Aanbeveling 2: Zorg voor een solide infrastructuur voor kennisdiffusie
  .   Bouw voort op de bestaande infrastructuur voor kennisdiffusie en maak deze
      transparanter.
  .   Zorg voor structurele financiering voor de kennisdiffusie-infrastructuur en waar-
      borg aansturing vanuit het bedrijfsleven.
  Aanbeveling 3: Ondersteun het inwinnen van advies voor innovatie
  .   Ondersteun het inwinnen van advies voor innovatie door het instrument van ken-
      nisvouchers op te schalen en het toegestane gebruik ervan te verbreden.
  Aanbeveling 4: Verbeter de aansluiting met de hogescholen en TNO
  .   Stimuleer hogescholen zich meer te richten op toepassers en spreek hen hierop
      aan.
  .   Geef TNO als opdracht mee zich meer op toepassers te richten en toets het stra-
      tegisch plan hierop.
  Aanbeveling 5: Betrek toepassers bij aanbestedingen vanuit de overheid.
  .   De overheid dient in zijn aanbestedingsbeleid bijzondere aandacht te besteden
      aan toepassers binnen het MKB en onnodig beperkende eisen te vermijden.
7 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Deel I Advies</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>                      1     1.1
                                         Adviesvraag en focus
                                         Adviesvraag EZ
                            Het ministerie van Economische Zaken (EZ) is bezig met het herijken van zijn innova-
                            tiebeleid. Een onderdeel daarvan is het beleid gericht op kennisoverdracht naar en
                            kennisbenutting in het midden- en kleinbedrijf (MKB). In dit kader heeft de minister
                            van EZ de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) gevraagd
                            advies te geven over de manier waarop de kennisbenutting in het MKB ten behoeve
                            van innovaties verbeterd kan worden en wat hierin de rol van de overheid zou
                            kunnen zijn.
                            1.2          Toepassers als doelgroep: bedrijven die 'innoveren
                                         zonder inventies'
     'Het' MKB bestaat niet Voor beantwoording van de adviesvraag is het niet vruchtbaar om over 'het MKB' in
                            algemene zin te spreken. Binnen de grote groep middelgrote en kleine bedrijven is
                            sprake van een grote diversiteit in innovatiepraktijken en daarmee ook in behoeften
                            en knelpunten wat betreft kennisbenutting.1 In overleg met het ministerie van EZ
                            heeft de AWT er expliciet voor gekozen dit advies toe te spitsen op de toepassers
'Toepassers' innoveren met  van kennis: de brede middencategorie van MKB-bedrijven die innoveren door
           bestaande kennis benutting en toepassing van bestaande kennis, en niet zozeer door het ontwikkelen
                            van nieuwe kennis. Anders gesteld: dit advies gaat over bedrijven die 'innoveren
                            zonder inventies'.2 Onderstaand kader geeft twee voorbeelden van toepassers. Het
                            illustreert dat innovatie en economisch succes heel goed mogelijk zijn zonder zelf
                            nieuwe kennis te ontwikkelen.
                            Innoveren en groeien met bestaande kennis, twee voorbeelden uit de praktijk
                            Bunnik Plants
                            In 1988 startten de drie broers Bunnik in Bleiswijk een bromeliakwekerij en -handel.
                            Inmiddels kent het bedrijf tweehonderd medewerkers en levert het door heel
                            Europa complete producten ('plant, pot en meer') aan vestigingen van grote winkel-
                            1    De AWT heeft dit eerder uitgewerkt in zijn advies Netwerken met kennis (2003a). De hieronder volgende indeling in
                                 groepen is in dit advies geïntroduceerd en toegelicht.
                            2    Onder innoveren verstaat de AWT 'het met succes naar de markt brengen van nieuwe of verbeterde of meer concurre-
                                 rende producten, processen, diensten of organisatievormen'. Door hier de nadruk te leggen op 'innovatie zonder inven-
                                 tie' benadrukt de Raad dat innovatie niet verward moet worden met inventie. Inventie is 'het bedenken van iets geheels
                                 nieuws'. Dit kan weliswaar leiden tot innovatie, maar daarvoor is dan vaak nog een heel traject nodig van ontwikkeling
                                 en commercialisering.
                      11    awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                   formules als Ikea. Regelmatig introduceert Bunnik Plants nieuwe soorten kamerplan-
                                   ten op de markt en ontwerpt daarvoor zelf de bijpassende potten. De toegevoegde
                                   waarde van Bunnik Plants komt voor een belangrijk deel uit deze continue ver-
                                   nieuwing van het assortiment en de integratie van het hele proces van het kweken
                                   van de plant tot het uitstallen in de winkel. De planten zijn eigenlijk niet meer dan
                                   een grondstof voor het eindproduct. Dit neemt niet weg dat de kassen van Bunnik
                                   Plants tot de meest geautomatiseerde van de sector behoren en zeer energiezuinig
                                   zijn.
                                   MTSA Technopower
                                   MTSA Technopower is in 1994 ontstaan door de verzelfstandiging van de techni-
                                   sche ondersteuning van Shell/Billiton Research Arnhem. In 10 jaar tijd is het aantal
                                   medewerkers verviervoudigd van 16 naar nu 75 werknemers, onder andere door
                                   overname van de sectie Techniek van KEMA. MTSA heeft ruime ervaring in techni-
                                   sche ontwikkelingsprojecten, vooral; van eerste concept en ontwerp via productie
                                   tot productieondersteuning en after sales service. MTSA is gespecialiseerd in die
                                   gebieden waarin niet volstaan, daar levert MTSA zeer diverse en innovatieve oplos-
                                   singen op basis van slimme combinaties van bestaande kennis en technologieën. Zo
                                   werd bijvoorbeeld een installatie ontworpen om zachthout te verduurzamen zonder
                                   gebruik van chemicaliën. Verder ontwikkelde MTSA een installatie om biomassa om
                                   te zetten in olie, een testinstallatie voor de Noord/Zuidlijn en vele andere innovatie-
                                   ve projecten. MTSA werkte ook mee aan de 'veilige insluiting' van de kerncentrale
                                   in Dodewaard.
   ' Ontwikkelaars' en 'volgers'   De AWT rekent zowel 'ontwikkelaars' en 'volgers' tot de brede groep van de
  behoren tot de ' toepassers' …   toepassers. Ontwikkelaars zijn bedrijven die innoveren door slimme, nieuwe combi-
                                   naties te maken van bestaande kennis en technologieën, gericht op vernieuwen of
                                   verbeteren van producten, diensten of processen. Volgers zijn bedrijven waar inno-
                                   veren vooral een zaak is van implementeren van beproefde kennis en technologieën
                                   (bijv. het aanschaffen van kant-en-klare apparatuur of software) ter verbetering van
                                   productieprocessen en producten of ter verhoging van de efficiëntie.
daarnaast zijn er ' koplopers' en  De focus op de toepassers als middencategorie van het MKB geeft een afbakening
                     ' overig MKB' naar twee kanten. Enerzijds is dat naar de grote groep 'overig MKB' waarvoor inno-
                                   vatie geen regulier onderdeel is van de bedrijfsvoering en die daarmee geen doel-
                                   groep is van innovatiebeleid. De focus op de toepassers geeft anderzijds een afba-
                                   kening naar de innovatieve koplopers in het MKB. Dit zijn kennisintensieve bedrij-
                                   ven die al dan niet in samenwerking met kennisinstellingen wél nieuwe kennis ont-
                                   wikkelen die ten grondslag ligt aan hun innovaties. De Raad kiest ervoor deze groep
                                   in dit advies buiten beschouwing te laten omdat veel van het huidige innovatiebe-
                                   leid juist inspeelt op de behoeftes en ervaren knelpunten van deze bedrijven.
                                   Hiermee miskent de Raad uiteraard niet het grote belang van dergelijke koplopers
                                12 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                               voor onze economie. Deze bedrijven beschikken over een creativiteit, dynamiek en
                               groeipotentieel die onmisbaar zijn voor een gezonde economische ontwikkeling.
     Geen strakke en statische De Raad hanteert deze afbakeningen niet al te strak en statisch. Tussen de hier
                   afbakening  onderscheiden groepen MKB zijn geen scherpe grenzen te trekken. Bovendien
                               bewegen bedrijven zich in de loop van de tijd soms door deze indeling heen.
                               Daardoor is een precieze omvang van de groepen lastig aan te geven. Op basis van
                               bestaande onderzoeken en classificaties3 kan wel een ruwe inschatting gegeven
                               worden die enig gevoel geeft van de omvang van de groep toepassers in Nederland,
                               namelijk zo'n 200.000 bedrijven.
                               1.3          Invalshoek advies: waardering voor 'innoveren
                                            zonder inventies'
Toepassers beschikken over een De AWT pleit met dit advies voor extra (beleids)aandacht voor de toepassers in het
     groot innovatiepotentieel MKB en hun manier van innoveren. De Raad benadrukt dat die eigen manier van
                               innoveren waardering verdient en als zodanig van grote economische betekenis is.
                               Het betreft een grote groep bedrijven (too big to ignore) met een groot _ deels nog
                               onbenut _ innovatiepotentieel die een belangrijke bijdrage aan onze economie en
                               werkgelegenheid levert. De Raad wijst erop dat economische groei niet alleen te
                               verwachten is van de kennisintensieve en kennisgedreven innovatieve bedrijven.4
                               Een innovatiepraktijk gestoeld op het benutten en toepassen van bestaande kennis
                               kan een zeer winstgevende manier van ondernemen zijn. Onder de toepassers zijn
                               dan ook veel bedrijven die economisch uitstekend presteren. De Raad wijst erop dat
                               realisatie van de Lissabonambities ook niet kan zonder de toepassers hierbij te
                               betrekken en zonder aandacht voor versterking van hun innovatief vermogen.5
                               De meubelindustrie: een Europese groeisector
                               De meubelindustrie is met bijna een half miljoen werknemers één van de meest
                               omvangrijk industrieën in de EU. Tussen 1961 en 1990 was de meubelindustrie met
                               een jaarlijkse groei van 4,5% na de computerindustrie de sterkste groeisector. Dat
                               terwijl in die periode de concurrentie vanuit lage lonen landen als Mexico, Oost
                               Europa en Taiwan flink toenam. De Europese meubelindustrie kon zich onderschei-
                               den met haar flexibiliteit en snelle product- en procesinnovatie. Daarvoor moest ze
                               zich wel transformeren tot een flexibele, designintensieve industrie met tal van spe-
                               cialisaties. Recent onderzoek toont aan dat lokale innovatiesystemen waarbij
                                3   EIM (2003a), VNO-NCW (2004). In de toelichting (deel II.1) zijn nadere gegevens te vinden over diverse in-delingen van
                                    het MKB en de daarbij behorende inschattingen van omvang van groepen.
                                4   Het is goed te realiseren dat kennisintensieve en kennisgedreven bedrijven lang niet altijd goede econo-mische prestaties
                                    neerzetten. Zo is de gemiddelde (verwachte) winst uit onderneming in kennisintensieve bedrijven niet hoger dan in
                                    andere bedrijven (Baumol (2002) pagina 40, voetnoot 6)
                                5   Ook de Europese regeringsleiders benadrukten in hun conclusies bij de Voorjaars Raadsvergadering over de midterm
                                    review van de Lissabonambities het belang van een goede ondersteuning van het innovatieve en snelgroeiende MKB en
                                    van innovatieve samenwerkingsverbanden en regionale en lokale innovatiecentra. (Raad van de Europese Unie (2005)).
                            13 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                               bedrijven samenwerken in regionale infrastructuren van hoge kwaliteit met toegang
                               tot topontwerpers en hoogopgeleide werknemers de sleutel vormen tot dit succes.6
Versterk de toepassers in hun  Dit advies is derhalve primair erop gericht te bezien welke beleidsmaatregelen
      eigen innovatiepraktijk  gewenst zijn om de toepassers te faciliteren op een manier die past bij hun innova-
                               tiepraktijk van 'innoveren zonder inventies'. Het gaat erom het innovatievermogen
                               en de innovatiekracht van toepassers te versterken en zodoende het innovatiepo-
                               tentieel van deze groep bedrijven beter te benutten. Voor alle duidelijkheid: voor de
                               AWT staat dus niet als doel voorop om méér toepassers zich te laten ontwikkelen
                               tot kennisgedreven koplopers. Uiteraard is het prima als dit gebeurt, maar met dit
                               advies bepleit de AWT niet zozeer toepassers tot andere manieren van innoveren
                               aan te zetten, maar juist om met het innovatiebeleid aan te sluiten bij hun eigen
                               innovatiepraktijk. De Raad realiseert zich terdege dat het hierbij gaat om een grote
                               groep bedrijven. Deze omvang maakt het vrijwel onmogelijk om hen één voor één
                               te bereiken. De omvang van de groep mag echter in de ogen van de Raad geen
                               reden zijn deze groep te veronachtzamen of te besluiten tot een voor beleidsmakers
                               meer behapbare afbakening en inperking van de doelgroep. Het vergt veeleer extra
                               creativiteit in het bedenken en ontwerpen van beleidsinstrumentarium dat aansluit
                               en aanslaat bij deze groep bedrijven, en dat tegelijkertijd hanteerbaar is gezien de
                               omvang van de groep.
                               1.4          Afbakening bereik advies
          Advies richt zich op Dit advies gaat over kennisbenutting ten behoeve van innovaties door de toepassers
             kennisbenutting   in het MKB. Het richt zich op de samenwerking en wisselwerking tussen de toepas-
                               sers en de voor hen meest relevante kennispartners. De vraag is hoe deze samen-
                               werking te optimaliseren en daarmee innovatie te bevorderen. De vraagstelling en
                               focus van het advies betekent dat aanpalende beleidsterreinen die ook van invloed
                               zijn op de innovatiekracht en -mogelijkheden van deze groep MKB buiten beschou-
                               wing blijven. Denk bijvoorbeeld aan de toegang tot kapitaal, aan wetgeving rond-
                               om intellectueel eigendomsrecht, aan de ruimte tot innoveren die door regelgeving
                               en hoge lastendruk is ingeperkt of aan opvolgingsvraagstukken in familiebedrijven.
                               Dit zijn welbekende knelpunten die door de ondernemers vaak worden gezien als
                               een belangrijke barrière voor innovatie.
                               1.5          Aanpak
                               De Raad heeft voor dit advies naast een uitgebreid literatuurscan gebruik gemaakt
                               van diverse reeds beschikbare achtergrondstudies en interviewverslagen die hij in
                                6   Hirsch-Kreinsen e.a. (2003)
                            14 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>   het kader van eerdere AWT-adviezen heeft uitgevoerd. Daarnaast zijn specifiek voor
   dit advies ca. 60 aanvullende gesprekken gevoerd en is gericht gezocht naar interes-
   sante buitenlandse ervaringen rond de thematiek van dit advies. In bijlage 1 is deze
   aanpak nader aangegeven, inclusief een lijst van gesprekspartners. Bijlage 2 bevat
   een lijst van gebruikte literatuur.
15 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                             2                  De innovatiepraktijk van de
                                                toepassers
                                   Dit hoofdstuk beschrijft de innovatiepraktijk van de toepassers en gaat daarbij spe-
                                   cifiek in op de samenwerking met kennispartners. Op basis hiervan stelt de Raad
                                   een aantal knelpunten vast waar hij zich met zijn aanbevelingen op zal richten. In
                                   dit hoofdstuk schetst de Raad de hoofdlijnen. In de toelichting is hierover meer
                                   achtergrondinformatie opgenomen.
                                   2.1          Kenmerken innovatiepraktijk: pragmatisch,
                                                doelgericht, lerend
  Aanzet tot innovatie komt uit de Kenmerkend voor de toepassers is dat zij op een pragmatische en doelgerichte
                           markt…  manier innoveren, waarbij het startpunt van innovaties is gelegen in het zien en
                                   oppakken van nieuwe kansen. De aanzet hiertoe komt vaak voort uit concrete vra-
                                   gen of geconstateerde behoeften in specifieke marktsegmenten, uit ideeën opge-
                                   daan van klanten, leveranciers, concurrenten/concullega's of uit ideeën vanuit het
                                   eigen bedrijf. Daarnaast zijn beurzen, seminars en andere bijeenkomsten waar
en betreft vaak verbeteringen van  ideeën en ervaringen worden uitgewisseld van groot belang. De aard van innovaties
 estaande producten en processen   door toepassers betreft veelal aanpassingen en verbeteringen van bestaande pro-
                                   ducten, processen, diensten en/of distributiemethoden. Hierbij maken zij gebruik
                                   van bestaande kennis en op de markt verkrijgbare technologie, waardoor zij vaak
                                   snel en doelmatig kunnen innoveren.
et ontbreekt aan tijd en mogelijk- Het daadwerkelijk zien van innovatiekansen en er naar handelen is geen sinecure.
              heden voor innovatie Het ontbreekt toepassers vaak aan tijd en soms ook aan mogelijkheden om zich te
                                   bezinnen op veranderingen in de bedrijfsomgeving en de plek die het eigen bedrijf
                                   daarin inneemt of kan innemen. Door de hectiek van de dag komt het vooruitzien
                                   nog wel eens in de knel. Uiteraard komt dan in het verlengde hiervan het inschat-
                                   ten van het soort kennis die nodig is (de vraagarticulatie) ook in het gedrang even-
                                   als het intern dan wel extern organiseren van de benodigde expertise. Een extra
                                   complicatie is het relatief lage aandeel hoger opgeleiden bij de toepassers waardoor
                                   de ondernemer minder goed de weg vindt naar (en binnen) bijvoorbeeld een hoge-
                                   school of universiteit.
                                   Als eenmaal een innovatiekans is benoemd, komt het aan op de realisatie: de voor-
                                   bereiding (zoeken van samenwerkingspartners en organiseren van het innovatietra-
                                   ject) en uitvoering (ontwikkeling van de innovatie en testen). Daarbij ziet de Raad
                                   de volgende karakteristieke punten in het innovatieproces van toepassers waarmee
                                   in de vormgeving van beleid rekening gehouden moet worden.
                             17    awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>oepassers integreren kennis uit   .   Integratie van kennis. Toepassers hebben voor een concrete innovatie behoefte
        verschillende bronnen…        aan integratie van kennis uit diverse bronnen; ze zijn op zoek naar slimme combi-
                                      naties en handige toepassingen.
… zijn daardoor afhankelijk van   .   Afhankelijkheid van externe kennispartners. De toepassers hebben een ster-
              externe partijen…       ke behoefte aan inbreng van kennis van elders in aanvulling op de kennis over de
                                      markt, product en het productieproces waar ze zelf over beschikken.7 Ze hebben
                                      immers geen eigen capaciteit en faciliteiten om zelf kennis te ontwikkelen. Geen
                                      eigen research dus, maar vooral de ontwikkelaars doen wel zelf de ontwikkeling
                                      (development). Toepassers zoeken door middel van samenwerking in innovatie
                                      vooral toegang tot state of the art kennis, actuele informatie en complementaire
                                      expertise. Dat laatste kan technische, maar ook sociaal-wetenschappelijke of
                                      commerciële expertise betreffen.
          Kennisverwerving- en    .   Op benutting en toepassing gerichte kennisverwerving. Als toepassers star-
      overdracht vallen samen…        ten aan een innovatietraject weten zij vrij concreet wat ze willen ontwikkelen. De
                                      vraag is dan hoe dat het beste kan: welke kennis en expertise is daarvoor nodig
                                      en waar kunnen ze die vinden. Kennisverwerving of -overdracht valt zodoende
                                      voor een flink deel samen met directe kennisbenutting in innovatietrajecten.8 De
                                      ontvankelijkheid van toepassers voor kennisoverdracht zonder enig zicht op de
                                      toepassingsmogelijkheden is beperkt.
            …resultaten moeten    .   Relatief korte doorlooptijd van innovaties en geringe planning.
              snel zichtbaar zijn     Innovatietrajecten kennen vaak een korte doorlooptijd. De toepassers hanteren
                                      een korte tijdshorizon van idee tot uitvoering, het streven is om snel tot succes
                                      en resultaat te komen. Ook hanteren toepassers vaak geen uitgebreide, langere
                                      termijn projectplanningen.
            Niet uitvinden maar   Al met al is voor de toepassers de kern van het proces van innoveren te benoemen
 leren is de kern van innoveren   als leren (learning by doing) en uitzoeken, niet als uitvinden. Leren in de zin van het
               bij de toepassers  zich eigen maken van kennis en het _ slim en hoogwaardig _ toepassen en benut-
                                  ten daarvan. Vandaar de typering 'innovatie zonder inventie'. Deze manier van inno-
                                  veren onderscheidt zich van de meer kennisgedreven innovatiepraktijk zoals te vin-
                                  den in grote bedrijven en bij kennisintensieve koplopers in het MKB. In de literatuur
                                  over kennis- en innovatie wordt hierbij wel gesproken van het verschil tussen een
                                  DUIaanpak van innovatie (Doing, Understanding, Interacting) en een STI-benadering
                                  (Science, Technology and Innovation).
                                  7    Uit onderzoek blijk ook dat 90% van de innovaties in samenwerking worden gerealiseerd EIM (2005b); dit betreft ook
                                       vormen van samenwerking waarbij kennis niet centraal staat
                                  8    Tegelijkertijd wordt de precieze kennisvraag vaak pas duidelijk in de dialoog tussen de toepasser en ken-nispartner die
                                       daarin elkaars kennis en mogelijkheden leren kennen. Voor de toepasser wordt daarmee ook pas helder welke mogelijk-
                                       heden de samenwerking precies biedt. Deze mogelijkheden zijn weer van grote invloed op de bereidheid van de onder-
                                       nemer om een dergelijk traject in te gaan. De wil tot kennisverwerving en innoveren ('willen') kan daarom niet altijd hel-
                                       der worden onderscheiden van de mogelijkheid (het 'kunnen') daartoe.
                              18  awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>   Twee innovatiepraktijken: STI en DUI
   Innovatieroutines kunnen in de praktijk van verschillend karakter zijn. Twee uitersten
   van het spectrum kunnen gekenschetst worden als innovatie gedreven door de ken-
   nisontwikkeling (science push) of door de praktijk (demand pull). Kennisgedreven
   innovatie wordt ook wel aangeduid met de letters STI (Science, Technologie,
   Innovation), praktijkgedreven innovatie als DUI (Doing, Understanding, Interacting).9
   Bij de STI-praktijk ligt de nadruk op R&D en het creëren van expliciete, gecodificeer-
   de kennis. Het gaat hierbij om know-what (kennis over feiten, informatie) en know-
   why (kennis over principes en wetmatigheden). De gedachte is hier dat deze kennis,
   eenmaal aanwezig, leidt tot het onderscheiden van toepassingsmogelijkheden in
   nieuwe producten en diensten. Bedrijven die volgens dit model werken, hebben
   nauwe banden met consultants en kenniscentra als universiteiten en technologische
   instituten, een hoog niveau van ICT-voorzieningen en relatief veel personeel met een
   wetenschappelijke opleiding.
   Waar STI start in het laboratorium, begint DUI in de praktijk. Bij DUI staat de inzet
   van praktijkkennis centraal. Hierbij gaat het om know-how (vaardigheden, compe-
   tenties) en know-who (het interne en externe netwerk en de (sociale) vaardigheden
   om hier effectief gebruik van te maken). Dit is vaak tacit knowledge en heeft in veel
   gevallen een specifiek en lokaal karakter.
   Uiteraard moet het onderscheid tussen STI en DUI niet al te strikt genomen worden.
   Zo combineren veel bedrijven een STI-aanpak met elementen van vraaggedreven
   innovatie, bijv. tot uiting komend in de aansturing van R&D-afdelingen. Innovatie
   vraagt vaak juist om het verbinden van een kennisgedreven en een praktijkgedreven
   aanpak. Uit onderzoek komt naar voren dat een dergelijke gecombineerde aanpak
   tot aanzienlijk betere innovatieprestaties leidt.10
                                       STI                            DUI
    - Drijver van innovatie            - Science push:                - Demand pull:
                                         Wetenschappelijke of techni-   praktische behoefte
                                         sche mogelijkheid
    - Dominante kennis voor - Expliciete, formele kennis;             - Impliciete, informele kennis
      innovatie                          domeinkennis                   (tacit, lokaal); competenties en
    - Kennis betreft primair - Know what en know why                    houding
    - Innovatie is vooral              - Onderzoeken en uitvinden     - Know how en know who
    - Organisatie van inno-            - Specialisatie (aparte        - Uitzoeken en learning by doing
      vatie                              verantwoordelijkheid: R&D-   - Integratie (gedeelde verantwoor-
                                         afdeling)                      delijkheid: productie, marketing)
   9    Lundvall e.a. (2004a), Berg Jensen e.a. (2004)
   10   Berg Jensen e.a. (2004)
19 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                                2.2          Kennispartners en samenwerking
                                Uitgaande van bovenstaande karakteristieken van de innovatiepraktijk van toepas-
                                sers is de vervolgvraag waar en hoe toepassers aansluiting vinden bij andere partijen
                                om hun innovaties daadwerkelijk te realiseren. Voor wat betreft de kennispartners
                                van de toepassers acht de AWT de volgende observaties relevant:11
ennispartners komen vooral uit  .   De kennispartners van de toepassers zijn voor een belangrijk deel dezelfde partij-
        de eigen bedrijfskolom      en als waar de inspiratie tot vernieuwing en innovatie vandaan komt: de eigen
                                    bedrijfskolom of keten. Allereerst zijn de eigen medewerkers een belangrijke
                                    kennisbron. Daarnaast zijn leveranciers en afnemers belangrijke kennispartners,
                                    maar ook concurrenten c.q. concullega's. Ook private advies- en ingenieurs-
                                    bureaus zijn een veelgezochte kennispartner
       Universiteiten zijn geen .   Samenwerking met universiteiten is voor deze groep bedrijven veelal niet aan de
     natuurlijke kennispartner      orde; daarvoor spreekt men te weinig dezelfde taal en is universitaire kennis vaak
                                    nog te weinig direct toepasbaar. Bovendien lopen de tijdstrajecten te zeer uiteen
                                    (i.e. te lange onderzoekstrajecten in universiteiten versus de door bedrijven
                                    gewenste resultaten op korte termijn).
       Hogescholen vaak wel…    .   De aansluiting bij hogescholen loopt soepeler. Hogescholen zijn vanwege hun
                                    gerichtheid op de beroepspraktijk een natuurlijke kennispartner voor de toepas-
                                    sers. Daarbij vormen ze in de eerste plaats een belangrijke leverancier van goed
                                    geschoold personeel. Daarnaast hebben ze met de toepassers ook een directe
                                    uitwisseling van kennis, bijvoorbeeld door gastcolleges of betaalde opdrachten.
                                    De meest omvangrijke interactie vind echter plaats via de afstudeerstages waar-
                                    van er jaarlijks zo'n 50 duizend plaatsvinden. Het voorbeeld in dit kader is hier-
                                    van een mooie illustratie.
                                Ambulancebouwer Visser Carrosserie uit Leeuwarden
                                Waar de samenwerking met kennispartners toe kan leiden laat de ontwikkeling van
                                de ambulancebouwer Visser Carrosserie uit Leeuwarden zien. In 1999 stond het
                                bedrijf er weinig florissant voor. De orderportefeuille was zo dun dat naast de
                                ambulances ook begrafenisauto's gebouwd moesten worden. Deze verwatering van
                                de strategische focus bemoeilijkte een gerichte innovatiestrategie, een vicieuze cir-
                                kel dreigde. Nu, 5 jaar later, is het bedrijf gegroeid van 11 naar 50 werknemers en
                                staat het op het punt marktleider te worden in Nederland en is het klaar voor een
                                flinke internationale expansie. De weg omhoog werd gevonden door het inschake-
                                len van een student van de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden die als afstudeer-
                                opdracht een kwaliteitssysteem opzette. Daardoor kwamen twee grote opdrachten
                                van de overheid binnen. De directeur had de smaak te pakken en met behulp van
                                afstudeerders werden geavanceerde crashtesten uitgevoerd, een innovatieve elektri-
                                sche installatie ontworpen en een oersterk en ultralicht koolstof composiet
                                11   Gebaseerd op CBS (2005), EIM (2005b), Senter (2003a en 2003b) alsmede interviews.
                             20 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                                  gevonden waardoor een totale gewichtbesparing van meer dan 20% mogelijk was
                                  en waarmee hogere en snellere ambulances gebouwd kunnen worden. Deze inno-
                                  vaties zetten het bedrijf op een flinke voorsprong tegenover de concurrentie.
 …rol lectoren hierbij nuanceren  .   De sterkere oriëntatie van hogescholen op de beroepspraktijk en de aandacht
                                      voor onderzoeksvaardigheden bij studenten12 leiden tot meer en voor beide par-
                                      tijen interessantere contacten. Deze samenwerking komt echter zeker niet vanzelf
                                      op gang. Van beide kanten vraagt dit nog de nodige inspanning. Het lectoraat
                                      speelt in deze ontwikkeling een belangrijke rol vanwege hun aanjaagrol in het
                                      onderwijs (het aanleren van onderzoeksattitude en -vaardigheden bij de studen-
                                      ten) en door het professionaliseren van docenten. De Raad heeft in eerdere
                                      adviezen de invoering van het lectoraat dan ook ondersteund. De Raad consta-
                                      teert echter dat de themakeuze van lectoraten maar ten dele aansluit bij voor de
                                      groep toepassers relevante thema's. Dit is voor een belangrijk deel verklaarbaar
                                      vanuit het perspectief van de hogescholen die veel opleidingen verzorgen op ter-
                                      reinen die voor het MKB niet direct relevant zijn (cultuur, pedagogiek, zorg). Dit
                                      gegeven nuanceert echter wel de betekenis van het lectoraat voor de toepassers.
           Ook TNO en GTI's zijn  .   Naast de hogescholen vormen ook TNO en de GTI's een vanzelfsprekende kenni-
anzelfsprekende kennispartners        spartner voor de toepassers vanwege hun wettelijke taak van het verrichten van
                                      toepassingsgericht onderzoek en advisering en voorlichting hierover.
            Niet alleen regionale .   Toepassers zoeken graag samenwerking met kennispartners uit de eigen regio,
                   samenwerking       maar zij beperken zich hiertoe zeker niet. Als toepassers op zoek zijn naar rele-
                                      vante kennis en kennispartners dan weten zij deze vaak ook buiten de regio en
                                      indien nodig over de landsgrenzen te vinden.
  Syntens, kennisinstellingen en  .   Het vinden van de juiste kennispartner en het vormgeven van de samenwerking
 private initiatieven makelen en      is voor toepassers, zeker in het begin, lastig. Om dit proces te ondersteunen zijn
                        schakelen     publieke intermediairs in het leven geroepen. Daarvan is Syntens een belangrijke
                                      speler. Daarnaast zijn er private initiatieven van brancheorganisaties en hebben
                                      diverse kennisinstellingen, al dan niet gezamenlijk, een loket. Diensten lopen uit-
                                      een van het ontwikkelen van ondernemingsplannen en innovatieprojecten tot het
                                      'matchen' met kennispartners en het aanvragen van subsidies. Sommige dienst-
                                      verleners richten zich op een regio of een sector, andere op een productieketen
                                      of een technologie (zie onderstaand kader). Kenmerkend is dat bij veel van deze
                                      initiatieven marktpartijen een voortrekkersrol op zich nemen. Dit is voor de groep
                                      toepassers een geëigende manier van hen benaderen: deze groep ondernemers
                                      voelt zich het sterkst aangesproken en geïnspireerd door andere ondernemers of
                                      bedrijven. Men spreekt elkaars taal. De AWT tekent op dat in het veld de ver-
                                      nieuwde aanpak van Syntens, met een nadruk op vraagsturing vanuit bedrijven
                                      en samenwerking met andere partijen als brancheverenigingen, positief wordt
                                      gewaardeerd.
                                  12    HBO-Raad (2004), Innovatieplatform (2004)
                               21 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                 Enkele voorbeelden van bestaande initiatieven voor de toepassers
                 Eén van de oudste en meest succesvolle op de toepassers gerichte initiatieven is het
                 TechnologieCentrum NoordNederland (TCNN). TCNN richt zich op het bevorderen
                 van de samenwerking tussen het MKB en de publieke kennisinstellingen van het
                 noorden: de RUG, het van Hall instituut, TNO en de vier noordelijke hogescholen.
                 TCNN stelt een projectvoorstel op met betrekking tot opzet, personeel, planning,
                 plaats, faciliteiten, kwaliteit, begroting en financiering toegesneden op het bedrijf.
                 Vervolgens wordt het project onder verantwoordelijkheid van het TCNN door de
                 betrokken kennisinstellingen uitgevoerd. De subsidie kan daarbij oplopen tot maxi-
                 maal 50% van de projectkosten.
                 In de regio Eindhoven bestaan twee interessante initiatieven. Sinds begin 2003
                 bestaat het Automotive Technology Centre (ATC). Het ATC is een initiatief van de
                 Federatie Holland Automotive waarin 'kopstukken' vanuit de industrie zitting heb-
                 ben als DAF Trucks, Inalfa, Bova en Benteler/PD&E. Naast het bedrijfsleven zijn o.a.
                 het ministerie van EZ, TNO, TU Eindhoven, vakbond De Unie en intermediaire orga-
                 nisaties als Syntens, de BOM, NV LIOF en de NEVAT betrokken. Het ATC is direct
                 van belang voor de toepassers door kennisontwikkelings- en kennisuitwisselings-
                 projecten tussen bedrijven en kennisinstellingen en bedrijven onderling. Daarnaast
                 richt het ATC zich op het beschikbaar komen van gekwalificeerd personeel op HBO
                 en universitair niveau dat aansluit op de behoeften van het bedrijfsleven.
                 Een ander voorbeeld is het ApplicatieCentrum Productietechnologie (ACP) dat eind
                 2004 is gestart in Eindhoven. Doel is het ontsluiten van kennis voor het innoverende
                 MKB door het matchen van de ondernemer met de juiste kennispartner. Bij het ACP
                 zijn aangesloten branches, bedrijven en kennisinstellingen. Het ACP denkt technisch
                 en bedrijfskundig met de ondernemer mee en zorgt dat deze vanuit het netwerk
                 verschillende aanbiedingen krijgt voor het oplossen van zijn probleem. Het ACP
                 bewaakt de voortgang van projecten en kan een bescheiden bijdrage in de kosten
                 leveren.
                 2.3          Verbeterpunten bij kennisverwerving en
                              kennisbenutting
Knelpunten zijn: Tot dusver is een korte schets gegeven van de innovatiepraktijk van toepassers en
                 hun (potentiële) kennispartners. Bij het daadwerkelijk komen tot innovaties en de
                 daarvoor benodigde kennisverwerving en kennisbenutting doet zich een aantal
                 knelpunten voor. De AWT vindt dat op de volgende punten duidelijk winst is te
                 boeken.
             22  awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre> relatief laag opleidingsniveau…  a. Competenties van medewerkers en absorptiecapaciteit binnen bedrijven.
                                      Kennisverwerving en -benutting staat en valt met de aanwezigheid van mensen
                                      die daartoe in staat zijn. Dit vergt medewerkers die in staat zijn vanuit hun oplei-
                                      ding en ervaring kennisontwikkelingen te volgen en gesprekspartner kunnen zijn
                                      voor medewerkers in kennisinstellingen. Toepassers hebben echter relatief weinig
                                      hoger opgeleiden in dienst. Hun absorptiecapaciteit is kortom niet optimaal. Uit
                                      onderzoeken komt telkenmale een duidelijk verband naar voren tussen de aan-
                                      wezigheid van hoger opgeleide medewerkers in het bedrijf en de mate van inno-
                                      vatie van het bedrijf.13
                … onduidelijke en b. Versterking van de 'kennisdiffusie-infrastructuur'
 onvolledige infrastructuur voor      Zoals hierboven kort geschetst is er zeker geen sprake van een tabula rasa wat
                  kennisdiffusie…     betreft infrastructuur voor kennisdiffusie. Toch ziet de Raad hierbij de volgende
                                      knelpunten:
                                      - Onvoldoende structurele voorzieningen voor kennisdiffusie. De middelen voor
                                          de diverse initiatieven gericht op kennisdiffusie komen uit een veelheid van
                                          bronnen, die zich niet expliciet richten op kennisbenutting van de toepassers
                                          (bijvoorbeeld gelden voor achterstandsregio's). Daarmee vormt deze incidente-
                                          le financiering geen duurzame basis voor de initiatieven.
                                      - In het verlengde hiervan is er een gebrek aan regie op nationaal niveau,
                                          waardoor dekking van initiatieven niet verzekerd of optimaal is en er
                                          tegelijkertijd dubbelingen kunnen ontstaan.
                                      - Bovendien zijn initiatieven vaak sterk gelieerd aan één van de mogelijke
                                          kennispartners waardoor ze niet als voldoende onafhankelijk gezien worden.
                                      - Intransparantie voor bedrijven: waar kunnen ze met welke vraag naar toe?
…niet optimale toegankelijkheid   c. Toegankelijkheid van de voor de toepassers relevante delen van de
      van TNO en hogescholen…         publieke kennisinfrastructuur.
                                      Binnen de publieke kennisinfrastructuur ziet de AWT hogescholen en TNO als de
                                      meest interessante kennispartners voor de toepassers. Zij zijn echter nog niet
                                      optimaal toegankelijk voor de toepassers.
                                      Bij de hogescholen ziet de AWT als voornaamste knelpunt dat docenten onvol-
                                      doende in staat zijn en ruimte krijgen om bij te dragen aan een betere interactie
                                      met de beroepspraktijk, in dit geval de toepassers. Verdere kwaliteitsverhoging en
                                      professionalisering van docenten is nodig, als ook _ expliciet _ tijd en prioriteit
                                      voor actieve begeleiding van stages en afstudeeropdrachten. Wat betreft de lec-
                                      toren wees de Raad in eerdere adviezen14 op het gevaar van academisering. De
                                      (academische) achtergrond van veel lectoren versterkt dit gevaar. Een valkuil blijft
                                      dat lectoren zich te zeer richten op het doen van onderzoek die bijdraagt aan
                                      nieuwe theoretische inzichten maar te ver af komt te staan van de (beroeps)prak-
                                   13  EIM (2005a): "Hoog opgeleide ondernemers zijn vaker innovatief. […] Hoger opgeleide nieuwe onder-nemers zijn ook
                                       meer innovatief in de zin dat ze vaker een nieuwe product-marktcombinatie introduceren of gebruik maken van nieuwe
                                       technologieën."
                                   14  AWT (2001, 2003a)
                               23 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                               tijk. Ook de betekenis van het lectoraat voor het onderwijs via de curricula en
                               stages is nog beperkt. Juist daar liggen echter kansen voor een brede doorwer-
                               king in de richting van de toepassers.
                               Naast hogescholen zijn ook de intermediaire kennisinstellingen als TNO, DLO en
                               de GTI's een potentieel belangrijke kennispartner en -bron voor de toepassers.
                               Deze kennisinstellingen zijn echter de afgelopen jaren door de overheid op het
                               pad van marktwerking gezet en moeten in toenemende mate hun eigen finan-
                               ciering in de markt realiseren. Dit heeft geleid tot een verschuiving in de focus
                               van deze instituten waarbij ze zich meer zijn gaan richten op de grotere en
                               kennisintensievere bedrijven. Dit is op zich begrijpelijk, het is voor deze kennis-
                               instituten eenvoudiger deze bedrijven als 'klant' te bedienen. Daar komt bij dat
                               de beperkingen verbonden aan basis- en doelfinanciering de focus op grotere
                               bedrijven en op hoogwaardige kennisontwikkeling en -toepassing nog eens extra
                               stimuleren. In het verlengde van het rapport van de ad hoc commissie
                               'Brugfunctie TNO en GTI's'15 acht de Raad verdere stappen wenselijk om deze
                               intermediaire kennisinstellingen weer beter toegankelijk voor en gericht op het
                               MKB te maken, in het bij-zonder de toepassers.
                           d. Belangentegenstellingen bij samenwerking kanaliseren en zodoende
                               samenwerking faciliteren.
…en tegengestelde belangen     Juist samenwerking en kennisuitwisseling tussen bedrijven onderling is voor de
             van bedrijven     toepassers een belangrijke manier om tot innovaties te komen. Bedrijven voelen
                               zich het meest aangesproken en geïnspireerd door collegabedrijven. Door con-
                               currentie en begrijpelijke terughoudendheid om kennis te delen komt dit echter
                               minder uit de verf dan wenselijk is. Dit speelt tussen individuele bedrijven maar
                               ook bij brancheorganisaties. De leden zijn vaak elkaars concurrenten en kunnen
                               daarom terughoudend staan tegenover een actieve innovatiestimulering door de
                               brancheorganisatie.16
                           15   Ad hoc commissie 'Brugfunctie TNO en GTI's' (2004)
                           16   EIM (2004a)
                           awt-advies nr. 64
                        24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                          3                  Huidig beleid en rol overheid
                                Dit hoofdstuk beschrijft de hoofdlijnen van het huidige beleid en legt deze naast de
                                in het voorgaande hoofdstuk beschreven innovatiepraktijk van de toepassers en de
                                daar geconstateerde knelpunten. Vervolgens geeft de Raad haar visie op de rol van
                                de overheid als het gaat om kennisbenutting door de toepassers.
                                3.1          Het huidige innovatiebeleid
                                De kernvraag is in hoeverre het huidige beleid goed aansluit op de noden en
                                behoeften van de toepassers. De Raad beziet in dit licht met waardering enkele
   Recente beleidsexperimenten  recente beleidsexperimenten, zoals de invoering van kennisvouchers, de ontwikke-
sluiten aan op behoeften van de ling van het lectoraat, de stimulering van regionale netwerken rondom hogescholen
                    toepassers… (het RAAK-initiatief) en de ondersteuning van clusters en netwerken door Syntens.
                                Deze instrumenten en aanpakken bieden de toepassers duidelijk kansen, maar het
                                blijft een opgave om niet alle beleidsinspanningen te laten neerslaan bij de _ in
                                innovatiebeleidsland vaak behendig opererende _ koplopers in het MKB. Bij de ver-
                                dere vormgeving van deze instrumenten moet daarom specifiek gelet worden op de
                                aansluiting bij de innovatiepraktijk van de toepassers.
                                De Kennisvouchers
                                Het ministerie van EZ een pilot gestart met innovatievouchers. Het doel is om MKB-
                                ondernemingen kennis te laten maken met kennisaanbieders en om de diffusie van
                                beschikbare technologische kennis te stimuleren. Eind 2004 zijn honderd vouchers
                                ter waarde van EUR 7.500 per stuk toegekend en in 2005 andermaal vierhonderd
                                stuks. MKB-ondernemers kunnen daarmee toepassingsgerichte onderzoeksvragen
                                uitzetten bij kennisinstellingen. De aanvragen waren binnen een dag zwaar overte-
                                kend, waarna toewijzing op basis van loting plaatsvond. De AWT steunt het doel
                                van de regeling en is zeer gecharmeerd van de (potentiële) eenvoud en laagdrempe-
                                ligheid ervan. De huidige wijze van verdeling van vouchers baart hem echter zor-
                                gen. Aanvragers moeten er snel bij zijn en ook koplopers, bedrijven die de weg
                                naar de kennisinstellingen al lang gevonden hebben, dingen mee. Dit maakt het
                                voor toepassers, bedrijven waarvoor deze vouchers nu juist bedoeld zijn, die hier-
                                mee geholpen kunnen worden om de weg naar kennis voor innovatie te leren ken-
                                nen, erg lastig.
                                RAAK en het voorbeeld van Utrecht Design
                                Het ministerie van OCW heeft voor 2005 zes miljoen beschikbaar gesteld om bran-
                                ches, ondernemers en hogescholen in staat te stellen regionale kennisnetwerken te
                                vormen. Doel is innovaties _ die mogelijk elders al in een andere vorm bestaan _
                           25   awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                  toepasbaar te maken voor het MKB. Daarbij moet zoveel mogelijk worden aange-
                                  sloten op de marktkansen in de regio. De eerste voorstellen zijn door een onafhan-
                                  kelijke commissie beoordeeld op de mate waarin de projecten aansluiten bij de
                                  vraag van het MKB en op regionale ontwikkelingen. Eén van de gehonoreerde pro-
                                  gramma's is Utrecht Design van de Hogeschool van Utrecht. Dit programma behelst
                                  zowel projecten die als doel hebben concrete innovaties op te leveren (innovatiepro-
                                  jecten) als de zogenaamde kennisprojecten een blijvende structuur voor kennisuit-
                                  wisseling zoals een Designloket (met databank), -atelier (ontmoetingsplaats), -biën-
                                  nale (publieksmanifestatie), -fabriek (netwerk van bedrijven) en -etalage (voor het
                                  uitdragen van nieuwe inzichten en ervaringen). De kennisprojecten bieden ook aan-
                                  knopingspunten om nieuwe projectideeën te lanceren.
                                  De hierboven beschreven beleidsexperimenten nemen niet weg dat het Nederlandse
maar het beleid is vooral gericht innovatiebeleid als geheel nog altijd sterk gericht is op kennisontwikkeling, op for-
   op ontwikkeling van nieuwe     mele R&D, en daarmee op industriële bedrijven. Het beleid legt daarmee weinig
                        kennis…   nadruk op kennisdiffusie en kennisgebruik en komt zo voornamelijk tegemoet aan
                                  de behoeften van grote bedrijven en koplopers binnen het MKB. In de afgelopen
                                  jaren is deze nadruk op eerdere fasen van R&D nog versterkt.17 Onderstaande tabel
                                  laat zien dat meer dan de helft van het innovatiebudget van EZ via de WB-SO wordt
                                  verstrekt. Dit komt daarmee terecht bij ongeveer veertienduizend bedrijven per jaar
                                  die zelf aan R&D doen.18 Daarnaast wordt rond 35% van het totale budget uitgege-
                                  ven aan kennisontwikkeling via ondersteuning van kennisinfrastructuur en samen-
                                  werkingsprojecten. Technopartner is vooral gericht op koplopers. Ook Syntens werkt
   …met weinig aandacht voor      voor een deel voor deze groep. De totale rekening voor kennisoverdracht naar
                   kennisdiffusie ondernemingen (SKO) en via branches (SKB) bedraagt slechts 2% van het EZ inno-
                                  vatiebudget.
                                  Verdeling van het EZ innovatiebudget 2005 (totaal 760 miljoen euro)
                                   Instrument                                       Doel                                                  Deel bud-
                                                                                                                                           get in %
                                   - WBSO                                           - Speur en ontwikkelingswerk                                52
                                   - Subsidies kennisinfrastruc-                    - Bijdragen aan TNO, GTI's, TTI's,                          14
                                     tuur                                             STW en IOP's
                                   - Innovatiesubsidie                                                                                          13
                                     Samenwerkingsprojecten
                                   - Sectorgerichte stimulering                     - Micro-elektronica / lucht- en                              8
                                                                                      ruimtevaart
                                   - Technopartner                                                                                               3
                                   - Bijdrage aan Syntens                                                                                        4
                                   - Kennisoverdracht (SKO en                                                                                    2
                                     SKB)
                                   - Overig                                                                                                      4
                                  Bron: ministerie van EZ (2004)
                                  17   Trendchart (2003), p2
                                  18   De WBSO heeft een jaarlijks budget van rond 400 miljoen euro, waarvan rond tweederde bij bedrijven met minder dan
                                       250 werknemers terecht komt. Jaarlijks zijn er ongeveer 3.000 nieuwe WBSO-gebruikers. Zie voor een evaluatie: Brouwer
                                       e.a. (2002).
                               26 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                               Regionaal en lokaal beleid kent overigens vaak een sterkere focus op de toepassers.
                               Dit geldt vooral voor achterstandregio's waar met regionale gelden succesvolle initi-
                               atieven zijn gestart.19
Ook internationaal gezien doet Ook vanuit internationaal perspectief bezien, besteedt het Nederlandse beleid rela-
         Nederland weinig aan  tief weinig aandacht aan voor de toepassers zo belangrijke activiteiten op het
                kennisdiffusie gebied van kennisverspreiding. De onderstaande figuur vergelijkt Nederland met een
                               vijftal andere Europese landen op het punt van instrumenten gericht op 'innovation
                               culture'.20 Vooral op het punt van onderwijs en training, mobiliteit, innovatiemana-
                               gement en clustervorming en samenwerking doet Nederland veel minder. Daar staat
                               tegenover dat Nederland relatief veel uitgeeft aan kenniscreatie.21
                               Investeringen in "Innovation Culture" in euro per capita in Nederland en gemiddeld
                               in een vijftal andere landen
                               Bron: den Hertog en Segers (2003)
                               Met zijn nadruk op R&D ondersteunt het innovatiebeleid op dit moment vooral
                               onderzoek en ontwikkeling en sluit aan op wat in het voorgaande hoofdstuk is aan-
                               geduid als een kennisgedreven innovatieaanpak. Het sluit veel minder aan op een
                               praktijkgedreven innovatieaanpak waarbij het draait om competentieontwikkeling,
                               kennisassemblage en -toepassing, productaan-passing, de ontwikkeling van niche-
                               producten en learning-by-doing. Juist veel toepassers leunen zwaar op deze manier
                               van innoveren.22
                               19   Bureau Bartels (2004).
                               20   De benchmark countries zijn Denemarken, Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Finland en Frankrijk. De instrumenten zijn inge-
                                    deeld volgens de EU trendchart.
                               21   Afhankelijk van de precieze verdeling van instrumenten over de categorieën geeft Nederland hieraan tussen de 15 en 50%
                                    meer aan uit de benchmarklanden (Den Hertog en Segers (2003)). Overigens moeten deze getallen met de nodige voor-
                                    zichtigheid geïnterpreteerd worden omdat de toedeling van budgetten van diverse nationale regelingen over de categorie-
                                    ën altijd deels arbitrair is en de Trendchart gegevens op basis waarvan dit is gedaan niet altijd helemaal bijgewerkt zijn.
                               22   Dit wil niet zeggen dat het MKB met het huidige instrumentarium helemaal niet bereikt wordt. Ongeveer 60% van de
                                    totale uitgaven voor innovatiebeleid komt bij het MKB terecht (zie ministerie van EZ (2005)). Het merendeel van deze
                                    innovatiemiddelen loopt echter via de fiscale stimulering van onderzoek- en ontwikkelingswerk (WBSO) en komt daarmee
                                    ten goede aan een beperkt segment van het MKB, naar verwachting vooral bij de koplopers.
                            27 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>De AWT constateert een scheef-   De AWT concludeert dan ook dat er in Nederland sprake is van een scheefgroei in
ei ten nadele van de toepassers  de aandacht van het beleid en in de inzet van middelen. Het Nederlandse beleid
                                 nog te veel geënt op de gedachte dat innovatie vooral voortvloeit uit kennisontwik-
                                 keling. Dit spoort niet met de innovatiepraktijk van een groot deel van de innovatie-
                                 ve bedrijven, de toepassers. Het beleid richt zich te weinig op kenniscirculatie, ont-
                                 wikkeling van samenwerkingsverbanden en verhoging van de absorptiecapaciteit
                                 van bedrijven. Overzicht over praktische mogelijkheden, het vermogen om innova-
                                 tietrajecten te organiseren en de absorptiecapaciteit van bedrijven worden al te
                                 gemakkelijk verondersteld aanwezig te zijn.
 De herijking van het EZ instru- De meest recente beleidsontwikkeling is dat de minister van EZ een brief naar de
       mentarium biedt kansen    Tweede Kamer heeft gestuurd over de Herijking Financieel Instrumentarium.23 Hierin
                                 staan de grote lijnen van een nieuwe opzet van het instrumentarium ter bevorde-
                                 ring van innovatie verwoord. De Raad ziet hierin zeker aanzetten voor beleid waar
                                 de toepassers van kunnen profiteren. Of dit ook daadwerkelijk het geval zal zijn
                                 hangt sterk af van de nadere invulling van de regelingen. Onderstaand kader gaat
                                 op enkele van deze punten verder in.
                                 EZ 'Herijking financieel instrumentarium' innovatiebeleid
                                 .   De AWT ondersteunt de hoofdlijnen van deze herijking van harte. Vooral de
                                     voorgestelde aanpak in het 'programmatisch pakket' met zijn nadruk op kansrij-
                                     ke gebieden en de 'maatwerk'aanpak spreekt de Raad aan. Hij ziet hierin zijn
                                     eerdere pleidooien voor Backing winners gestalte krijgen.
                                 .   Voor wat betreft het MKB en meer specifiek de groep toepassers acht de Raad
                                     de vermindering, stroomlijning en samenwerking van loketten een goede zaak.
                                     Dit komt de transparantie ('waar ik kan terecht?') ten goede.
                                 .   De Raad vindt het aantrekkelijke van de pilot met IPC's
                                     (InnovatiePrestatieContracten) dat dit inzet op zelforganisatie, veel ruimte laat
                                     voor maatwerk en bovendien een mogelijkheid biedt om het innovatiestimule-
                                     ringsinstrumentarium beter toegankelijk te maken. De programmatische aanpak
                                     van een IPC kan echter voor de toepassers hoogdrempelig zijn. Om dit te voorko-
                                     men zijn goede afspraken over toegang tot het netwerk van een IPC en kennis-
                                     diffusie vereist.
                                 .   In het verlengde hiervan vraagt de AWT blijvende aandacht voor het versterken
                                     van brancheorganisaties. Daadkrachtige brancheorganisaties zijn in het kader van
                                     het zelforganiserend vermogen van de private sector van groot belang. Mits ze
                                     de competenties daartoe ontwikkelen, zijn ze bij uitstek gepositioneerd om ken-
                                     niscirculatie voor een grote groep bedrijven te faciliteren. De AWT plaatst daarom
                                     vraagtekens bij het verdwijnen van de SKB, zonder dat op een andere manier
                                     wordt voorzien in stimulering van sterke brancheorganisaties.
                                  23   Ministerie EZ (2005).
                              28 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                                 .   De AWT ziet méér hoger opgeleiden in het MKB, vooral ook bij toepassers, als
                                     een belangrijk aangrijpingspunt voor het versterken van het innovatievermogen
                                     van deze bedrijven. Met het verdwijnen van de SKO-regeling is hiervoor nu geen
                                     expliciete aandacht meer. Hij pleit ervoor in de 'maatwerk'aanpak die de herijking
                                     biedt ruime aandacht te houden juist voor het _ tijdelijk _ in dienst nemen van
                                     hoger opgeleiden.
                                 .   Binnen het pogrammatisch pakket (de innovatieprogramma's) lijkt vooral een rol
                                     voorzien voor koplopers binnen het MKB, namelijk voor bedrijven die zelf deelne-
                                     men aan onderzoeksactiviteiten. De AWT meent dat het van belang is ook toe-
                                     passers die niet zélf aan onderzoek doen, te betrekken in deze innovatieprogram-
                                     ma's. Serieuze aandacht voor demonstratieprojecten en infrastructuur voor ken-
                                     nisdiffusie rond de innovatieprogramma's is nodig.
    Beleid OCW ook belangrijk    Naast het kennis- en innovatiebeleid van EZ is voor de toepassers veel beleid van het
             voor de toepassers  ministerie van OCW zeker zo belangrijk. Dit betreft alsmede het beleid betreffende
                                 hogescholen en ROC's het beleid met betrekking tot levenslang leren. In 2003 stel-
                                 de de Raad met betrekking tot levenslang leren vast dat diverse bestaande over-
                                 heidsmaatregelen op dit punt niet gecontinueerd werden. De Raad wees erop het
                                 een verkeerd signaal te vinden om bestaande opties af te schaffen, zonder duidelijk
                                 zicht op nieuwe regelingen.24 Op dit moment zijn er nog steeds geen vervangende
                                 instrumenten. Er vinden onderzoeken en experimenten plaats die moeten uitmon-
                                 den in een advies dat in 2007 aan het nieuwe kabinet wordt aangeboden.25
                                 3.2          De rol van de overheid
       De nadruk op R&D komt     Het relatief zware accent op R&D in het Nederlandse innovatiebeleid kan verklaard
                     voort uit … worden uit twee factoren, de ene praktisch en de andere conceptueel van aard. Een
                                 praktische reden waarom deze nadruk zo is gegroeid, is dat Nederland, in tegenstel-
…de (historische) aanwezigheid   ling tot bijvoorbeeld een land als België, altijd de hoofdvestiging van een aantal
         van enkele grote R&D    grote bedrijven met sterke R&D-capaciteiten binnen zijn grenzen heeft gehad. De
         intensieve bedrijven…   primaire doelgroep van het Nederlandse beleid was daardoor steeds een groep
                                 grote, R&D-intensieve bedrijven. België heeft zich, anders dan Nederland, altijd veel
                                 meer gericht op competentieontwikkeling met het oog op het MKB. De AWT meent
                                 dat het inspelen op de behoeften van grote, R&D-intensieve bedrijven die volgens
                                 een overwegend kennisgedreven innovatiemodel werken niet mag leiden tot het
                                 veronachtzamen van MKB-bedrijven die op een meer praktijkgedreven manier inno-
                                 veren.
                                 24   AWT (2003a); de Raad wijst specifiek op het aflopen van de tijdelijke EZ-regeling Scholingsimpuls, het af-schaffen van de
                                      mogelijkheid in de vpb tot aftrek van scholingskosten voor beroepsgerelateerde opleidin-gen van medewerkers en het
                                      stopzetten van de OCW-regeling KeBB (Kennisuitwisseling Beroepsonderwijs Bedrijfsleven) . Ook de Onderwijsraad (2003)
                                      benadrukte in zijn advies het belang van financiële maatrege-len ter bevordering van levenslang leren.
                                 25   Projectdirectie Leren & Werken (2005).
                              29 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>n door de focus op spillovers als De conceptuele reden waarom zich in Nederland een innovatiebeleid met een zwaar
        legitimering voor beleid  accent op R&D heeft ontwikkeld, is dat de legitimering van dit beleid altijd vooral is
                                  gezocht in een specifiek soort marktfalen. Innovatiebeleid wordt in Nederland voor-
                                  al gezien als een antwoord op het verschijnsel dat kennisontwikkeling gepaard gaat
                                  met positieve externe effecten (spillovers). Deze spillovers leiden tot onderinveste-
                                  ring in R&D door bedrijven. De overheid subsidieert bedrijfs-R&D om ondernemin-
                                  gen te compenseren voor het feit dat ze niet in staat zijn zich de volledige baten
                                  van kennisontwikkeling toe te eigenen, en daarom minder in R&D investeren dan
                                  vanuit maatschappelijk oogpunt wenselijk zou zijn. Innovatiebeleid kan echter ook
                                  gelegitimeerd worden door een ander soort marktimperfectie. De markt voor kennis
                                  en kennisproducten faalt omdat deze weinig transparant is. Een markt functioneert
                                  immers alleen optimaal, indien vragers en aanbieders wederzijds gunstige mogelijk-
                                  heden voor transacties kunnen overzien en de daarmee gepaard gaande risico's
                                  goed inschatten. Dit is in het geval van kennisproducten, waaronder technologie,
                                  veelal niet het geval. De overheid voert daarom een beleid gericht op informatiever-
                                  strekking.
                                  Het eerste argument ten gunste van innovatiebeleid, het bestaan van kennisspill-
                                  overs, heeft in de Nederlandse beleidsdiscussie altijd meer gewicht in de schaal
                                  gelegd dan het tweede argument, de intransparantie van de markt voor kennis.26
                                  Het kennisspilloverargument is vooral van belang waar het gaat om bedrijven die
                                  innoveren op basis van eigen R&D-inspanningen, het intransparantie-argument
                                  waar het gaat om toepassers. Toepassers zijn relatief kleine bedrijven met beperkte
                                  mogelijkheden voor interne arbeidsdeling en specialisatie en met een beperkt scala
                                  aan binnenshuis beschikbare competenties. Voor innovatie, een proces dat een
                                  beroep doet op een breed spectrum aan competenties, op diverse typen technische,
                                  organisatorische en commerciële kennis en op de beschikbaarheid van een netwerk
                                  aan contacten, is een toepasser aangewezen op externe partijen. Echter, om de
                                  mogelijke bijdragen van externe partijen te kunnen inschatten en waarderen, ont-
                                  breken vaak kennis en expertise. Dit frustreert het functioneren van de markt voor
   Toepassers lopen vooral aan    kennis. De AWT meent dat de informatieproblemen waar toepassers mee kampen
    tegen informatieproblemen     en het daaruit resulterende marktfalen een solide legitimering vormen voor een
                                  actief overheidsbeleid ter versterking van het innovatievermogen van de toepassers.
                                  Overheidsbeleid om de innovatiekracht van toepassers te vergroten kan maatschap-
                                  pelijk gewenst zijn vanwege bovenstaande vormen van marktfalen. Daar voegt de
 Ook competentieontwikkeling      AWT aan toe dat versterking van innovatievermogen door competentieontwikkeling
               is een staatszorg  in zijn ogen ook een onderwerp van staatszorg hoort te zijn. Verhoging van het
                                  innovatievermogen van het bedrijfsleven is een maatschappelijk belang, omdat dit
                                  in belangrijke mate de productiviteitsontwikkeling en de concurrentiekracht van
                                  bedrijven bepaalt. Productiviteit en concurrentiekracht van bedrijven zijn niet alleen
                                  26   Ofschoon het tweede argument wel degelijk onderkend wordt: zie Donders en Nahuis (2004).
                              30  awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                               bepalend voor private, maar ook voor collectieve inkomensstromen. Ze zijn tevens
                               van belang voor vestigingsklimaat, culturele ontwikkeling en kwaliteit van leven in
                               een land.
                               Bij alle overheidsoptreden geldt dat het alleen wenselijk is indien de maatschappe-
                               lijke baten de maatschappelijke kosten overstijgen en er sprake is van additionaliteit
                               (geen crowding out). Ook moet gewaakt worden voor 'overheidsfalen', een ver-
                               schijnsel waarbij de kosten van goedbedoeld beleid achteraf hoger blijken te zijn
Innovatie blijft voor alles de dan de gemiste baten ten gevolge van marktfalen. Innovatie behoort tot de kern
  verantwoordelijkheid van     van het ondernemerschap. Innoveren is dan ook voor alles de eigen verantwoorde-
             de ondernemer     lijkheid van de ondernemer. Voor de continuïteit van elk bedrijf is het van belang
                               dat het management zijn blik tot achter de horizon richt en bereid is te investeren in
                               kennis en vaardigheden die pas op termijn zullen renderen. Dergelijke investeringen
                               zijn altijd met risico's omgeven. Het is aan bedrijven zelf om de mogelijkheden te
                               benutten die de markt biedt. Overheidsbeleid mag er niet toe leiden dat bedrijven
                               die dit ondernemerschap niet aan de dag leggen in leven gehouden worden ten
                               koste van meer dynamische en efficiënte concurrenten. De overheid kan het paard
                               weliswaar naar het water leiden, maar kan het niet doen drinken.
                            31 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                              4                  Aanbevelingen
                                    De AWT heeft in de vorige hoofdstukken verwoord waarom het innovatiebeleid zich
                                    sterker dient te richten op toepassers. In dit hoofdstuk geeft hij aan hoe dit zou
                                    moeten gebeuren. Hiertoe formuleert hij onderstaande aanbevelingen. Vanwege de
                                    omvang van de groep toepassers heeft de Raad gezocht naar beleidsmaatregelen
                                    met een breed bereik en die tegelijkertijd goed aansluiten bij de innovatiepraktijk
 nbevelingen als aanscherping van   van de toepassers. De aanbevelingen bouwen deels voort op bestaand beleid en op
                 bestaand beleid…   beleidsexperimenten als kennisvouchers en het RAAK-initiatief, maar pleiten
                                    nadrukkelijk voor een versterking en aanscherping hiervan. De aanbevelingen
                                    luiden:
                                    1.        Verhoog het kennisniveau in bedrijven.
                                    2.        Zorg voor een solide infrastructuur voor kennisdiffusie.
                                    3.        Ondersteun het inwinnen van advies voor innovatie.
                                    4.        Verbeter de aansluiting met de hogescholen en TNO.
                                    5.        Betrek toepassers bij aanbestedingen vanuit de overheid.
 ichten zich op ministers van EZ en Deze aanbevelingen zijn in de eerste plaats gericht aan de minister van EZ, die om
                              OCW   dit advies heeft verzocht. Daarnaast spreekt de AWT bij enkele aanbevelingen ook
                                    de minister van OCW aan als eerstverantwoordelijke voor de publieke kennisinfra-
                                    structuur. Een coherent en effectief beleid voor de toepassers vraagt om een goede
                                    aansluiting van EZ- en OCW-beleid. Hieronder werkt de AWT zijn aanbevelingen
                                    verder uit.
                                    Aanbeveling 1: Verhoog het kennisniveau in bedrijven
                                    a) Bevorder kennismaking tussen MKB en studenten.
                                    b) Stimuleer scholing van werkenden.
                                    c) Stimuleer de aanstelling van hoger opgeleiden in het MKB.
                                    Het opleidingsniveau van werknemers en directeur/eigenaren van de toepassers ligt
ennisniveau van belang voor inno-   gemiddeld onder dat van grote bedrijven. Een laag opleidingsniveau heeft een
                  vatief vermogen   negatieve invloed op het innovatief vermogen van een bedrijf. Een hoger oplei-
                                    dingspeil vergemakkelijkt de samenwerking met kennisinstellingen en bedrijven met
                                    complementaire kennis. Vruchtbare samenwerking vereist immers een voldoende
                                    gedeelde kennisbasis. De AWT pleit daarom voor het verhogen van het kennis-
                                    niveau binnen bedrijven langs de volgende beleidslijnen.
                              33    awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                                Aanbeveling 1a: Bevorder kennismaking tussen MKB en studenten.
Meer kennismaking tussen MKB    Stages, onderzoeks- en afstudeeropdrachten bieden een belangrijke laagdrempelige
                  en studenten  impuls voor kenniscirculatie en daarmee tot innovatie. In Nederland zijn reeds vele
                                goede praktijken welke uitbreiding en navolging verdienen. De AWT roept bedrij-
                                ven, kennisinstellingen én de overheid op (nog) meer werk te maken van stages.27
                                Het bedrijfsleven kan hiertoe bijvoorbeeld open dagen voor studenten en afstudeer-
                                ders organiseren en stageplaatsen en duale leer-trajecten aanbieden. Opleidingen
                                dienen te zorgen voor betere voorlichting via studiebegeleiders en voor goede
                                begeleiding, vooral bij stages.28 Stages e.d. zijn niet alleen direct relevant voor het
                                innovatievermogen van bedrijven, maar studenten in het hoger onderwijs krijgen zo
                                ook een beter beeld van de mogelijkheden die een carrière in het MKB hen biedt.
                                Aanbeveling 1b: stimuleer scholing van werkenden.
   Werknemers moeten blijven    Om verdere kennis- en vaardigheidsontwikkeling van werkenden te bevorderen,
                      doorleren raadt de AWT de overheid aan om:
                                .   Meer werk te maken van 'levenslang leren' en de trend van de afgelopen jaren
                                    om het doorleren steeds minder financieel te stimuleren te keren. De Raad acht
                                    de lange tijdsspanne tussen afschaffen van eerdere regelingen en daadwerkelijk
                                    optuigen van nieuw beleid _ pas na de volgende kabinetsformatie zoals aange-
                                    kondigd in het Actieplan Levenslang leren _ ongewenst.
                                .   Brancheorganisaties te stimuleren bestaande sectorale O&O-fondsen meer dan
                                    nu in te zetten voor expertiseontwikkeling bij toepassers.
                                .   De informatie over het scholingsaanbod van opleidingen29 en het resultaat van
                                    diverse vormen van opleiding (Elders Verworven Competenties) te stroomlijnen.
                                De verdere scholing van werkenden kan ook een impuls krijgen door de experimenten
                                die binnenkort starten met verkorte duale leerwegen in het HBO. Deze bieden vooral
                                MBO-opgeleiden de mogelijkheid om op een praktische manier verder te studeren.
                                Aanbeveling 1c: stimuleer aanstelling van hoger opgeleiden in het MKB..
 Stimuleer het in dienst nemen  Door het tijdelijk in dienst nemen van een hoger opgeleide kan een toepasser zicht
         van hoger opgeleiden   krijgen op de mogelijkheden en de voordelen die dit biedt. De vroegere KIM-rege-
                                ling in Nederland heeft, net als vergelijkbare buitenlandse regelingen, goede resul-
                                taten laten zien.30 De AWT raadt de minister van EZ aan om een dergelijke vorm van
                                ondersteuning binnen de herijking van het beleidsinstrumentarium een herkenbare
                                plaats te geven. Deze faciliteit zou moeten openstaan voor bedrijven die een laag
                                aantal hoger opgeleiden in dienst hebben en zou niet tot studenten in een techni-
                                sche discipline beperkt moeten blijven.
                                27   Inspiratie hiervoor is te vinden in enkele andere landen waar expliciet stagebeleid wordt gevoerd. Zo kent Frankrijk een
                                     uitgebreide regeling voor stages, van niveaus vergelijkbaar met het VMBO tot academisch gepromoveerden. Zie
                                     www.anvar.fr.
                                28   Aanbeveling 4a gaat hier nader op in.
                                29   Bijvoorbeeld via een portal als het door Nederland Kennisland en Kennisnet ontwikkelde www.lerenaanbod.nl.
                                30   KIM staat voor 'Kennisdragers in het MKB'; deze regeling is in 2001 veranderd naar 'SKO-vernieuwingsprojecten' voor
                                     het technologievolgend MKB. Vergelijkbare buitenlandse regelingen zijn het Regional Innovator Scheme in Denemarken
                                     en het Teaching Company Scheme in het VK.
                             34 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                                  Aanbeveling 2: Zorg voor een solide infrastructuur voor
                                                              kennisdiffusie
                                  a) Bouw voort op bestaande infrastructuur voor kennisdiffusie en maak deze
                                      transparanter.
                                  b) Zorg voor structurele financiering voor de kennisdiffusie-infrastructuur en waar-
                                      borg aansturing vanuit het bedrijfsleven.
orzie in een infrastructuur voor  Kennisdiffusie en kenniscirculatie zijn van groot belang ter versterking van het inno-
ennisdiffusie die aansluit bij de vatievermogen van toepassers. Hiertoe is een stevige en transparante kennisdiffusie-
       innovatiepraktijk van de   infrastructuur benodigd die aansluit bij de innovatiepraktijk van toepassers. Dit bete-
                      toepassers  kent dat betrokken intermediairs in staat moeten zijn om:
                                  .   Toepassers te ondersteunen in het leggen van contacten met bronnen van
                                      kennispartners. Dit vraagt om het meedenken met de ondernemer over zijn
                                      vraag (vraagarticulatie) en waar nodig begeleiding bij de opzet van het innovatie-
                                      project.31
                                  .   Toepassers actief tegemoet te treden. Het actief etaleren van de mogelijkhe-
                                      den om een innovatieproces aan te pakken en om samenwerking met kennispart-
                                      ners te entameren, is een belangrijke taak. Dat kan door korte innovatiescans uit
                                      te voeren bij bedrijven, maar ook door potentiële partners met elkaar in contact
                                      te brengen.
                                  .   Netwerk- en clustervorming te faciliteren. Dit kan worden gedaan door het
                                      organiseren van bijeenkomsten waar ondernemers en andere potentiële kenni-
                                      spartners elkaar ontmoeten.
                                  .   Integraal advies te verstrekken, waarbij technische kennis wordt gecombi-
                                      neerd met expertise op het terrein van strategieontwikkeling, marktverkenning,
                                      organisatie en financiering van innovatie en innovatie management.
                                  Om het functioneren van de kennisdiffusie-infrastructuur te bevorderen, raadt de
                                  AWT de minister van Economische Zaken het volgende aan:
                                  Aanbeveling 2a: Bouw voort op de bestaande infrastructuur voor kennisdif-
                                  fusie en maak deze transparanter.
                                  Nederland kent een grote diversiteit aan intermediairs die kennisdiffusie tot hun
                                  taak rekenen.32 De Raad beziet die diversiteit positief, de behoeften vanuit bedrijven
                                  en sectoren zijn immers eveneens divers. Maar het geheel is daarmee _ zeker voor
                                  bedrijven _ niet erg overzichtelijk. De AWT steunt dan ook het EZ-herijkingsinitiatief
                                  om het aantal loketten te verminderen en de onderlinge doorverwijzing te
    Vergroot de transparantie…
                                  31   De 16-uursgrens die Syntens nu hanteert als limiet voor haar dienstverlening komt over als statisch en een arbitraire afba-
                                       kening. Verschillende EU-lidstaten hanteren meer flexibele tijdsinvesteringen vanuit met Syntens vergelijkbare organisaties,
                                       welke aanzienlijk langere publiek gefinancierde adviestrajecten mogelijk maken.
                                  32   Naast Syntens, Kamers van Koophandel, Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen, de EVD, SenterNovem en bijv. het
                                       Octrooicentrum Nederland aan publieke zijde, zijn aan private zijde brancheorganisaties, adviseurs en ingenieursbureaus
                                       actief en hebben diverse kennisinstellingen, al dan niet gezamenlijk, een loket.
                               35 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                                 verbeteren. Hij roept de overheid op om aan publieke zijde niet alleen de loketten
                                 op nationaal niveau te betrekken, maar ook die op regionaal niveau, en om tevens
…en betrek daar ook de private   aansluiting bij private initiatieven te zoeken.
                initiatieven bij
                                 Aanbeveling 2b: Zorg voor structurele financiering van de
                                 kennisdiffusie-infrastructuur en waarborg aansturing vanuit het bedrijfsleven.
                                 Gezien het grote belang van kennisdiffusie voor de groep toepassers en het goed
                                 kunnen oppakken van de hierboven onderscheiden taken, raadt de AWT het vol-
                                 gende aan:
         Zorg voor structurele   .   Draag zorg voor structurele financiering van de infrastructuur voor kennisdiffusie;
                 financiering…       maak deze minder afhankelijk van incidentele middelen. Maak deze financiering
                                     van de benodigde kennisdiffusie-infrastructuur onderdeel van de herijking van
                                     het EZ-instrumentarium, o.a. door het een herkenbare plek te geven in de voor-
                                     genomen Innovatie Prestatie Contracten alsmede in de programmatisch lijn.
     …wijs de middelen toe in    .   Wijs de structurele middelen toe in competitie, voor een bepaalde periode, op
                   competitie…       basis van projectvoorstellen (zie onderstaand kader met een voorbeeld van een
                                     dergelijke aanpak in Vlaanderen). Dit teneinde 'vastroesten' in bestaande aan-
                                     pakken te vermijden en flexibiliteit van het geheel aan kennisdiffusie-infrastruc-
                                     tuur te behouden. De organisatie van de competitie en de toewijzing van de
                                     middelen kan het beste op nationaal niveau plaatsvinden om een evenwichtige
                                     verdeling over regio's, sectoren en dergelijke te garanderen.
 …en geef het bedrijfsleven de   .   Waarborg aansturing van de kennisdiffusie-infrastructuur vanuit het bedrijfs-
                    leidende rol     leven. Projectvoorstellen kunnen worden ingediend door zowel publieke als pri-
                                     vate partijen, onder de voorwaarde dat het bedrijfsleven de leidende rol speelt.
                                     Dit biedt de beste garantie dat de activiteiten aansluiten bij de behoeftes van
                                     toepassers.
                                 De Vlaamse markt voor 'het opwekken van sluimerend innovatiepotentieel'
                                 In Vlaanderen heeft het Vlaamse Instituut voor de Aanmoediging van Innovatie door
                                 Wetenschap en Technologie (IWT) in 2002 de regionale innovatiestimulering (VIS-
                                 RIS) aanbesteed. Doel is het opwekken van sluimerend innovatiepotentieel bij
                                 bedrijven. Uiteindelijk zijn zes projecten gehonoreerd van Kamers van Koophandel
                                 en/of regionale ontwikkelingsmaatschappijen. Deze krijgen voor vier jaar 80% van
                                 de personeelskosten vergoed. De adviseurs hanteren een actieve aanpak. Ieder
                                 bezoekt zo'n 45 bedrijven waarmee een innovatie-audit wordt gedaan. In 10% van
                                 de gevallen leidt dit tot een innovatiestudie of -project. Na 4 jaar volgt een nieuwe
                                 aanbesteding waarbij de partij wint die het beste aan kan geven de noden van het
                                 MKB in de regio te verstaan. Zo hoopt men te waarborgen dat deze adviesfunctie
                                 niet 'verambtelijkt' en daarmee op afstand komt te staan van de doelgroep.
                                 awt-advies nr. 64
                             36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                                  Aanbeveling 3: Ondersteun het inwinnen van advies voor innovatie
                                  Ondersteun het inwinnen van advies voor innovatie door het instrument van kennis-
                                  vouchers op te schalen en het toegestane gebruik ervan te verbreden.
                                  Om de weg naar potentiële partners en kennisinstellingen te leren kennen, is enige
                                  begeleiding en steun in de rug noodzakelijk. Om die reden pleit de AWT voor een laag-
 ennisvouchers goed instrument    drempelig instrument om het inwinnen van advies te financieren. Hiervoor kan worden
  samenwerking te stimuleren...   voortgebouwd op het experiment met de kennisvouchers (zie kader hieronder).
                                  Kennisvoucher in Zuid-Nederland
                                  Bij het eerste experiment in Zuid Nederland met de kennisvoucher voor het MKB,
                                  werd de voucher ingezet als middel om de ondernemers aan te zetten tot innovatie-
                                  ve samenwerkingsverbanden. Dat bleek ook nodig. Bedrijven stonden zeker niet te
                                  springen om met een kennisinstelling in zee te gaan. De voucher gaf vaak de door-
                                  slag, was het noodzakelijke smeermiddel. Betrokken bedrijven liepen gemiddeld al
                                  zo'n 3 jaar met de gestelde vraag rond. De helft maakte nooit eerder gebruik van
                                  andere organisaties om technische vragen op te lossen. De evaluatie concludeert
                                  daarom: "De kennisvoucher is vooral geschikt als bewustwordingstool. Aanbevolen
                                  wordt om de kennisvoucher niet als subsidie-instrument maar hoofdzakelijk ter sen-
                                  sibilisering in te zetten om langs deze weg de awareness te kweken bij het MKB [...]
                                  De voucher biedt bedrijven de mogelijkheid een experiment uit te voeren met ken-
                                  nisdragende bedrijven waar men zelf niet zou aankloppen vanwege de hectiek van
                                  alledag en de onbekendheid met kennisleveranciers."33
                                  Voordelen van kennisvouchers zijn het vraaggestuurde karakter van de activiteiten
                                  die ermee worden bekostigd, de flexibiliteit van het instrument en de lage admi-
                                  nistratieve lasten. Deze regeling zou daarvoor wel op de volgende manier moeten
                                  worden aangepast:
     ...daarvoor zijn er wel meer .   Zorg voor opschaling van het instrument kennisvouchers om het bereik onder de
                          nodig…      doelgroep van toepassers te vergroten.
                                  .   Beperk de toegang tot kennisvouchers tot bedrijven die géén gebruik maken van de
voor een gerichtere doelgroep …       WBSO. Dit teneinde de kennisvouchers (die snel overtekend raken) zoveel mogelijk
                                      bij de toepassers _ die in de regel geen eigen R&D doen _ terecht te laten komen.
   … inzetbaar voor een bredere   .   Zorg voor inhoudelijke verbreding van de kennisvouchers; dit is noodzakelijk
                    kennisvraag…      omdat toepassers vaak in eerste instantie niet zozeer behoefte hebben aan speci-
                                      fieke technologische kennis als wel aan inzicht in technische en commerciële
                                      haalbaarheid en in de mogelijkheden om een innovatieproject op te zetten.
                                      Daarom zou een kennisvoucher niet alleen aankoop van technologische kennis
                                      maar ook van zogenaamd 'gespecialiseerd advies' moeten dekken.34 In lijn hier-
                                  33   Remijnse (2004).
                                  34   Van "gespecialiseerd advies" is sprake als dergelijk advies niet vaker dan eens in de drie jaar nodig is. De term is nader
                                       gedefinieerd door de Europese Commissie, op verzoek van de Vlaamse overheid, om aan te geven welk type advies met
                                       subsidie verkregen kan worden zonder in strijd te zijn met de mededingingswetgeving van de EU. In Vlaanderen is dit ver-
                                       volgens gebruikt bij de vormgeving van hun regeling adviescheques voor het MKB.
                                  awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                     mee verdient het de voorkeur te gaan spreken van 'innovatievouchers' in plaats
                                     van kennisvouchers.
       …bij meer kennispartners  .   Breid de lijst van toegestane private kennispartners uit. Voor toepassers zijn met
                                     name private ingenieurs- en adviesbureaus relevant. Ook zou besteding van de
                                     voucher bij kennisleveranciers in andere landen tot de mogelijkheden moeten
                                     gaan behoren.
                                 De Vlaamse adviescheques
                                 Eén van de meest ruime en veelomvattende regelingen op dit gebied bestaat in
                                 Vlaanderen. Daar bestaat sinds 1999 een regeling om het MKB te stimuleren om
                                 gespecialiseerd advies in te winnen. De zogenaamde adviescheques kunnen bij elke
                                 private adviseur ingediend worden zolang deze maar gecertificeerd is. Daarbij is
                                 zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande certificeringsystemen. Het moet hierbij
                                 gaan om advies dat niet regelmatig, maximaal eens in de 3 jaar, aangevraagd
                                 wordt. Dat kan technisch, maar ook bijvoorbeeld juridisch of organisatorisch advies
                                 zijn. Het advies mag geen betrekking hebben op wettelijk verplichte adviezen (deze
                                 voorwaarde is opgesteld nadat er een run op de cheques was ontstaan door gara-
                                 gehouders die werden geconfronteerd met nieuwe eisen rondom bodemverontreini-
                                 ging). De overheid financiert de helft van een adviestraject met een maximum van
                                 bijna 25 duizend euro per jaar. Tot 2001 werd hier slechts mondjesmaat gebruik van
                                 gemaakt. Na een ingrijpende vereenvoudiging van de regeling (de adviescheques
                                 kunnen eenvoudig via het internet worden aangevraagd) is dit veranderd. Het bud-
                                 get is verruimd van minder dan één miljoen euro in 2001 naar 15 miljoen euro per
                                 jaar vanaf 2005.
                                 Aanbeveling 4: Verbeter de aansluiting met de hogescholen en TNO
                                 a) Stimuleer hogescholen zich meer te richten op toepassers en spreek hen hierop
                                     aan.
                                 b) Geef TNO als opdracht mee zich meer op toepassers te richten en toets het stra-
                                     tegisch plan hierop.
                                 Waar universiteiten de functie hebben grensverleggend onderzoek te doen en nieu-
                                 we kennis te ontwikkelen, ligt het veel meer op het pad van hogescholen en TNO
                                 om beschikbare kennis te verspreiden en ten behoeve van concrete innovatietrajec-
ogescholen en TNO zijn natuur-   ten te helpen toepassen. Binnen de publieke kennisinfrastructuur zijn daarom vooral
lijke kennispartner voor de toe- hogescholen en TNO relevante partners voor toepassers. Om deze wisselwerking
                         passers tussen hogescholen en TNO enerzijds en toepassers anderzijds verder gestalte te
                                 geven, beveelt de AWT het volgende aan.
                                 awt-advies nr. 64
                              38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                                 Aanbeveling 4a: stimuleer hogescholen zich meer te richten op toepassers
                                 en spreek hen hierop aan.
  Spreek hogescholen aan op…     De Raad beveelt de minister van OCW aan om in verantwoordingsgesprekken met
                                 hogescholen aan de orde te stellen op welke wijze zij invulling geven aan hun rol
                                 richting de toepassers. In het verlengde hiervan roept de Raad hogescholen op een
                                 aantal maatregelen te nemen om de wisselwerking met de toepassers te verbeteren.
                                 De Raad denkt daarbij aan de volgende punten:
     …werk maken van stages…     .   Maak meer werk van stages en afstudeerprojecten van studenten binnen MKB-
                                     bedrijven en zorg daarbij vooral ook voor een goede c.q. betere begeleiding door
                                     docenten. Hiervoor moet niet alleen geïnvesteerd worden in verdere expertiseont-
                                     wikkeling van docenten maar moet ook meer tijd voor de opzet van stageprojec-
                                     ten en voor begeleiding ter beschikking worden gesteld. In het HRM-beleid van
                                     hogescholen dient dit een aandachtspunt te zijn. Daarnaast verdient het overwe-
                                     ging afdelingen die relatief veel doen aan kenniscirculatie hiervan ook de (in
                                     financiële termen) eigen vruchten te laten plukken.
e aansluiting van lectoraten bij .   Laat bij het aantrekken van lectoren naast onderzoeks- en onderwijservaring ook
                      het MKB,…      affiniteit met _ en ervaring in de beroepspraktijk zwaar meewegen. Voor
                                     lectoraten die direct relevant zijn voor MKB is bedrijfservaring een must. Betrek
                                     het (georganiseerde) MKB in de regio ook nauwer bij de keuzes voor invulling
                                     van de voor het MKB relevante lectoraten en hun leer-opdrachten. Dat kan bij-
                                     voorbeeld via regulier overleg tussen hogeschool en MKB of via vertegen-
                                     woordiging van het MKB in de Raad van Advies van de hogeschool.
  …en de toegankelijkheid voor   .   Werk aan een betere toegankelijkheid voor bedrijven. Bijvoorbeeld door de
                       bedrijven     samenwerking te zoeken met organisaties uit de kennisdiffusie-infrastructuur
                                     (bijv. Syntens, regionale of branchegewijze expertisecentra, maar ook netwerken
                                     van ROC's). Of door een laagdrempelig aanspreekpunt voor toepassers in te stel-
                                     len, zoals een regioregisseur of een MKB-loket.
                                 De AWT tekent bij dit alles nadrukkelijk aan dat het verzorgen van hoogwaardig
                                 beroepsonderwijs de hoofdtaak van hogescholen is en blijft en daarmee om mensen
                                 op te leiden die in de beroepspraktijk een _ innovatieve _ bijdrage kunnen leveren.
                                 Die opleidingstaak van hogescho-len mag nooit in het gedrang komen.35
                                 Aanbeveling 4b: geef TNO als opdracht mee zich meer op toepassers te rich-
                                 ten en toets het strategisch plan hierop.
                                 De AWT is van mening dat toepassers binnen het MKB expliciet door TNO zouden
                                 moeten worden aangemerkt als een primaire doelgroep. De AWT beveelt de
Expliciteer dat de toepassers de minister van EZ en van OCW aan om TNO hier nadrukkelijk een taakopdracht te
rimaire doelgroep zijn van TNO   geven, het strategisch plan hierop te toetsen en TNO hierover te laten verantwoor-
                                 den. In de ogen van de AWT moet het benoemen van toepassers als doelgroep een
                                 aantal specifieke consequenties voor TNO hebben:
                                 35   In juli 2005 brengt de AWT een apart advies uit over de functie en plaats van onderzoeksactiviteiten in hogescholen. In
                                      dit advies wordt in grotere mate van detail ingegaan op de rol van hogescholen ten aan-zien van het MKB alsmede
                                      andere vragende partijen.
                              39 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                                 .   TNO moet zich meer dan tot nog toe toeleggen op wisselwerking en kennis-
                                     circulatie boven eenzijdig kennisoverdracht in de richting van deze groep
                                     bedrijven. Meer dan op het moment moet aansluiting worden gezocht bij de
                                     waardevolle lessen die getrokken kunnen worden uit de praktijkgedreven
                                     innovatieaanpak van toepassers. De AWT ziet een taak voor TNO om die prak-
                                     tijkkennis en -ervaringen te verzamelen, te bundelen, nader te analyseren en
                                     terug te geven aan het veld.
                                 .   De _ geabstraheerde _ kennisvragen van toepassers dienen tevens door te
                                     werken in de programmering van het strategisch onderzoek van TNO. Bij het
                                     komen tot een goede vraagarticulatie kunnen brancheorganisaties of de
                                     recent binnen TNO aangestelde Branche Account Managers een rol spelen.
                                 Aanbeveling 5: Betrek toepassers bij aanbestedingen vanuit
                                                                de overheid
                                 De overheid dient in zijn aanbestedingsbeleid bijzondere aandacht te besteden
                                 aan toepassers binnen het MKB en onnodig beperkende eisen te vermijden.
nut als overheid ook het instru- De laatste aanbeveling is om het MKB en meer in het bijzonder de toepassers
  ment van de aanbestedingen     nadrukkelijk in te schakelen bij _ al dan niet innovatieve _ aanbestedingen van
                                 de overheid. De Raad geeft hierbij de volgende aandachtspunten:
                                 .   Overweeg het stellen van streefcijfers voor aankopen via MKB of de verplich-
                                     ting bij sommige overheidsopdrachten om het MKB mede in te schakelen. De
                                     praktijk in de VS biedt inspiratie. 36
                                 .   Vermijd onnodig beperkende eisen in het aanbestedingsproces van aankopen
                                     voor de overheid welke juist het MKB raken. Denk daarbij in het bijzonder aan
                                     de zogenaamde 'bedrijfsvorm gerichte geschiktheidseisen', die nu vaak zoda-
                                     nig zijn geformuleerd dat het MKB daar niet aan kan voldoen (bijvoorbeeld
                                     dat een opdracht niet groter mag zijn dan een bepaald percentage van de
                                     jaaromzet, dat een bedrijf een landelijke dekking moet bieden, dat een offerte
                                     met een referentielijst gepaard moet gaan). De AWT meent dat deze eisen _
                                     zeker voor opdrachten van een kleinere omvang _ met het oog op een goede
                                     mogelijkheid voor het MKB om mee te dingen tegen het licht gehouden
                                     dienen te worden.
                                 36   In de VS is het bij wet vastgesteld dat federal agencies meetbare aanbestedingsdoelen moeten stellen; zo geldt momen-
                                      teel dat 23% van alle overheidsaankopen geacht worden door het MKB geleverd te worden. (zie www.sba.gov/busines-
                                      sop/basics). Verder is het zo dat sommige federale contracten (bijv. veel grote defensiecontracten) procurement-vereisten
                                      kennen waarbij een zeker deel van het werk samen met het MKB uitgevoerd dient te worden. Daarnaast kennen diverse
                                      federale programma's een partnering vereiste, waarbij een groter bedrijf dat meedingt naar een contract de samenwer-
                                      king moet zoeken met een MKB-bedrijf. Het Advanced Technology Program in NIST is hier een voorbeeld van (zie
                                      www.atp.nist.gov).
                              40 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>   .   Streef naar meer transparantie en lagere transactiekosten in het proces van
       overheidsaanbestedingen. Aanbestedingen zouden bijvoorbeeld vaker via het
       internet kenbaar gemaakt kunnen worden, waarbij een format geboden wordt
       waarmee bedrijven hun offerte kenbaar kunnen maken.
   Aldus vastgesteld te Den Haag, juli 2005
   J.F. Sistermans (voorzitter)
   mw. dr. V.C.M. Timmerhuis (secretaris)
41 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Deel II Toelichting</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>   Inleiding
   Niet uitvinden maar leren is de onmisbare stap om tot innovatie te komen. 1 Een
   nieuwe vinding kan een belangrijk ingrediënt zijn van een innovatie, maar niet
   meer dan dat. Innovatie vindt ook plaats zonder inventie, op basis van bestaande
   kennis en technologie. Innovatie kan echter niet zonder leren, zonder het op een
   nieuwe wijze bijeenbrengen van inzichten en het anders combineren van infor-
   matie, zonder op een nieuwe manier een brug te slaan tussen kennis, technolo-
   gie en markt. 2 Innovatie zonder inventie is een belangrijk maar veelal veronacht-
   zaamd verschijnsel. Inventie is een overgewaardeerde peiler onder innovatie. 3
   Dit advies gaat over innovatie zonder inventie. Het gaat over bedrijven die syste-
   matisch hun producten en productiviteit verbeteren, die leren en daarmee zich-
   zelf op een hoger plan tillen. Dit betreft een substantieel deel van het MKB:
   bedrijven die innovatief zijn zonder zelf uit te zijn vinden.
   Deze toelichting schetst de innovatiepraktijk van de bedrijven in het Nederlandse
   MKB die hiervan hun specialiteit hebben gemaakt, de ontwikkelaars en volgers.
   Bedrijven die innoveren door bestaande kennis toe te passen. Daarom worden ze
   samen de toepassers genoemd. Eerst wordt een globaal beeld van deze toepas-
   sers geschetst. Daarna beschrijft de AWT in grote lijnen de innovatiepraktijk van
   deze bedrijven. Vervolgens neemt hij de samenwerking van deze bedrijven ten
   behoeve van innovatie onder de loep. In tekstkaders worden een aantal relevante
   theoretische inzichten gepresenteerd, een paar actoren nader beschreven en
   voorbeelden van best practices gegeven.
1  Toepassers in het Nederlandse MKB
   A. Het Nederlandse MKB
   Tot het midden- en kleinbedrijf (MKB) worden bedrijven gerekend met één tot 250
   werknemers. Dat zijn er in Nederland ruim 650 duizend (inclusief zelfstandigen zon-
   der personeel). Het MKB biedt werkgelegenheid aan 2,8 miljoen personen. Dat is
   bijna 60% van het totaal aan werkgelegenheid in het bedrijfsleven.
    1      Zie bijvoorbeeld Smith (2004), Lundvall (2004a)
    2      Schumpeter (1934) zag the carrying out of new combinations als het definiërende kenmerk van de entrepreneur.
    3      Technopolis (2005)
45 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>    De omzet van het MKB bedraagt 450 miljard euro, ruim 50% van de omzet van het
    gehele Nederlandse bedrijfsleven.4
    Kengetallen
    Aantal bedrijven:                                   666.000
    Aandeel MKB:                                        99%
    Werknemers totaal (excl. overheid):                 4.8 miljoen
    Werknemers in MKB:                                  2.8 miljoen (58%)
    Omzet totaal bedrijfsleven:                         875 miljard euro
    Omzet MKB:                                          450 miljard euro (51%)
    Onderstaande figuur geeft een beeld van de verdeling van het MKB naar bedrijfsgrootte.
    De zakelijke dienstverlening en de handel vormen met elk een kwart van de werk-
    gelegenheid ruimschoots de grootste sectoren in het MKB. De andere sectoren ont-
    lopen elkaar niet veel en variëren tussen de 12% voor de industrie tot 8% voor de
    horeca.
    B. Indeling MKB naar innovatiepraktijk
    In een eerder advies5 heeft de AWT een indeling gemaakt in vier soorten Midden en
    Klein Bedrijf. Deze indeling is gebaseerd op de plek die kennis- en innovatie
    innemen in de organisatie en strategie van het bedrijf:
   Koplopers          - die zelf onderzoek en ontwikkeling (laten) uitvoeren en een
                        eigen R&D-staf hebben
   Ontwikkelaars      - die geen eigen onderzoek doen maar wel ontwikkeling
                                                                                    }
                        maar geen eigen R&D staf hebben. Innovaties bestaan uit
                        slimme combinaties van bestaande kennis en technologieën
   Volgers            - die geen eigen R&D-staf hebben. Innovaties bestaan vooral
                        uit het implementeren van bestaande kennis en technologie,    De toepassers
                        vooral in het productieproces
   Overig MKB         - waarbij innovatie geen onderdeel is van bedrijfsvoering
   4      http://www.MKB.nl/Het_midden-_en_kleinbedrijf
   5      AWT (2003a)
46 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>    De ontwikkelaars en de volgers onderscheiden zich van de groep overig MKB door
    te innoveren. Van de koplopers onderscheiden ze zich door niet zelf nieuwe kennis
    te ontwikkelen, maar door te innoveren door het toepassen van bestaande kennis.
    Dit advies richt zich op deze groep bedrijven. De Raad zal kortheidshalve de groep
    ontwikkelaars en volgers aanduiden als 'de toepassers'.
    Definities onderzoek, ontwikkeling en nieuwe kennis
    Bij de indeling spelen de begrippen onderzoek en ontwikkeling een centrale rol. De
    raad gaat daarbij uit van de definities zoals die in de EU worden gehanteerd:7
    - fundamenteel onderzoek, dat gericht is op de uitbreiding van de algemene
        wetenschappelijke en technische kennis en geen industriële of commerciële doel-
        stellingen heeft;
    - industrieel onderzoek, dat onderzoek is met het oog op de ontwikkeling van
        nieuwe producten, processen of diensten of de verbetering van bestaande pro-
        ducten, processen of diensten;
    - pre-concurrentiële ontwikkeling, waarbij de resultaten van industrieel onderzoek
        worden omgezet in plannen, schema's of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of
        verbeterde producten, processen of diensten (bijvoorbeeld fabricage van een eer-
        ste prototype, demonstratieprojecten, modelprojecten, enz.).
    In de praktijk doen zich uiteraard bepaalde grijze gebieden voor. Dat is ook het
    geval bij het onderscheid tussen nieuwe en bestaande kennis. Vooral de ontwikke-
    laars kunnen bestaande technologie en kennis toepassen op een dermate nieuwe
    manier dat in feite sprake is van nieuwe kennis.
    De waarde van deze indeling ligt in de eerste plaats in de aandacht voor de zeer
    verschillende innovatiepraktijk van de bedrijven die vaak als één groep worden
    beschouwd, als 'het MKB'. 'Het MKB' bestaat echter niet, ook niet als het gaat om
    de manier waarop deze bedrijven innoveren. Tegelijkertijd zijn de hier onderschei-
    den categorieën in de praktijk lang niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden.
    Bedrijven zullen zich op het ene moment als een ontwikkelaar gedragen en een
    periode daarna als volger, en andersom.
    C. Omvang van de groep toepassers
    Er zijn geen betrouwbare gegevens over de omvang van deze groepen. Op basis
    van bestaande onderzoeken en classificaties kan wel een ruwe inschatting gegeven
    worden. In haar nota Innovatiebevordering MKB8 schat VNO-NCW in dat er onge-
    veer 10 duizend koplopers zijn, 140 duizend ontwikkelaars, 70 duizend volgers en
    280 duizend overig MKB. VNO-NCW rekent de eerste drie groepen tot het innova-
    tieve MKB, waarbij met name de grens tussen de volgers en het overig MKB niet
    sterk valt te trekken. De groep ontwikkelaars en volgers omvat volgens deze schat-
    ting dus ruim 200 duizend bedrijven. Hierbij moet overigens wel bedacht worden
    7    Europese Commissie (1996)
    8    VNO-NCW (2004)
47 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>   dat de volgers en de ontwikkelaars in het algemeen aanzienlijk meer werknemers
   hebben dan de groep overig MKB. Bij deze laatste groep is de bedrijfsomvang
   gemiddeld 3 werknemers9 terwijl bedrijven van ontwikkelaars en volgers vaak enkele
   tientallen werknemers hebben. De verschillende innovatiestijlen komen in vrijwel alle
   sectoren van de economie voor. Ook tussen diensten en industrie bestaan geen
   grote verschillen.
   Grote en kleine bedrijven - koplopers, ontwikkelaars en volgers
   De markt fungeert als een selectieomgeving voor bedrijven en concurrentie op de
   markt is een selectiemechanisme. Dit selectiemechanisme functioneert blijkbaar
   zodanig, dat in veel bedrijfstakken zowel grote als kleine aanbieders kunnen
   overleven. De reden hiervoor moet worden gezocht in het feit dat grote en kleine
   bedrijven verschillende sterke en zwakke punten hebben, zich op de markt op
   verschillende niches richten en binnen een sector verschillende functies vervullen.
   Net zoals in veel sectoren zowel grote als kleine bedrijven overleven, weten zich ook
   naast koplopers ontwikkelaars en volgers te handhaven. Koplopers hanteren een
   andere strategie dan ontwikkelaars en volgers. Waar koplopers het moeten hebben
   van innovativiteit en technische superioriteit, drijven toepassers veeleer op flexibi-
   liteit, klantgerichtheid (het leveren van maatwerk) en kostenbewustzijn. Ook kop-
   lopers en toepassers spelen een verschillende rol binnen het economisch systeem _
   beide rollen zijn nuttig en leveren rendement op. Voor innovatiebeleid impliceert dit
   dat de beleidsdoelstelling niet moet zijn om van elke toepasser een koploper te
   maken, maar om toepassers te helpen hun functie van toepasser beter te vervullen.
   Een aantal organisaties die zich (onder andere) op het MKB richten als Syntens,
   SenterNovem en TNO richten zich overigens op een beperktere groep bedrijven dan
   de ruim 200 duizend toepassers van de bovenstaande schatting. De doelgroep van
   deze organisaties varieert tussen de 40 en 75 duizend bedrijven. De inperking van
   de doelgroep is gedaan door ook bedrijven met minder dan 5 werknemers uit te
   sluiten alsmede een aantal sectoren als de horeca en detailhandel waar technologi-
   sche innovatie geen grote rol speelt en/ of die niet als 'stuwend' (lees: (regionaal)
   exporterend) zijn aan te merken. Bij TNO speelt bovendien mee dat er een aantal
   gebieden is waarop zij geen expertise hebben, zij kunnen de toepassers daar simpel-
   weg niet bedienen.
   Bedrijfsomvang en/ of sector zijn echter te grove criteria. Ook binnen de horeca en
   detailhandel is veel innovatie mogelijk die ten goede komt aan de Nederlandse con-
   sument en vaak wel degelijk exportmogelijkheden biedt. Denk bij de detailhandel
   alleen maar aan Ahold dat is ontstaan uit het kruidenierszaakje in Oostzaan dat
   Albert Heijn sr. in 1887 van zijn vader overnam. Hetzelfde geldt voor bedrijfjes met
   minder dan 5 werknemers. Nog los van de starters kan ook in al langer bestaande
   9    Inschatting op basis van EIM (2003a).
48 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   bedrijven wel degelijk veel potentieel zitten. De Raad hanteert daarom voor de
   afbakening van de doelgroep toepassers niet de precieze bedrijfsomvang of sector,
   maar de globale innovatiepraktijk van het individuele bedrijf.
   D. Kenmerken van de toepassers
   Tot de groep toepassers rekent de AWT bedrijven die, naast de reeds eerder
   genoemde kenmerken van innoveren door het toepassen van bestaande kennis, als
   volgt kunnen worden getypeerd:
   .  Kenners van de klant. Dit type MKB zit dicht op de markt; ondernemers ken-
       nen hun klanten vaak persoonlijk en onderhouden nauwe relaties met hen.
       Daardoor hebben zij veel _ veelal impliciete _ kennis van hun behoeften, wensen
       en problemen. Dit biedt kansen voor vraaggestuurde innovatie.
   .  Flexibele bedrijven. Minder mensen maken een organisatie al snel platter, met
       korte lijnen en weinig vertragende bureaucratie.10 Kleinere organisaties zijn in
       staat snel de hoeveelheid en samenstelling van de productie en de organisatie
       hiervan aan te passen in reactie op wensen van klanten of op het ontdekken van
       nieuwe kansen.
   .  Kenners van producten en processen. Vaak vormen deze bedrijven een kristal-
       lisatiepunt van kennis omtrent specifieke (niche)producten: kennis van productie-
       processen, van de markt, van toekomstige behoeften en ontwikkelingsperspec-
       tieven.
   .  Echte ondernemers. Deze MKB-ers zijn vaak initiatiefrijke probleemoplossers.
       Het zijn mensen die graag zelfstandig en onafhankelijk opereren en daarmee
       beschikken over een grote vernieuwingskracht.
   BOB: klein en innovatief
   BOB staat voor 'Bewegingstechnologisch Ontwerp Bureau'. BOB is een Haags
   bedrijfje dat zes jaar geleden is gestart door enkele bewegingstechnologen van de
   Hogeschool Haaglanden. Er werken nu vier mensen in vaste dienst en daarnaast
   lopen er altijd wel wat afstudeerders rond van de hogeschool. Deze worden ingezet
   op specifieke ontwikkelingsprojecten. Daarbij gaat het vaak om het zodanig aanpas-
   sen van bestaande apparaten dat deze voor een bepaalde groep beter bruikbaar
   worden. Jaarlijks worden zo'n zes ontwikkelingsprojecten uitgevoerd. BOB is begon-
   nen met advies op het gebied van arbeidsreïntegratie maar ontwikkelt nu vooral
   innovatieve concepten rondom ergonomie, de interactie tussen mens en machine.
   Onlangs nog won BOB de ID-NL uitvindersprijs met de BOB-up. De BOB-up is een
   (eenvoudige) toevoeging aan de rollator waarmee deze in staat is stoepen op te
   gaan en drempels te nemen. De kerncompetentie van BOB is het ontwikkelen van
   innovatieve producten. Voor het in productie brengen van deze innovatieve produc-
   tie schakelt BOB de wat grotere productiebedrijven in. Hierbij blijkt het wel vaak
   lastig om deze mee te krijgen in het denken over nieuwe producten.
   10    Van der Weerdt, Volberda, Verwaal (2004).
49 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>   Deze ondernemingskenmerken zijn zonder meer bevorderlijk voor dynamiek en
   innovatie. Daar staan echter andere kenmerken tegenover die innovatie kunnen
   bemoeilijken:
   .   Minder ruimte voor risico's. In het algemeen hebben kleine bedrijven een
       schaalnadeel als het gaat om het nemen van financiële risico's. Ze hebben minder
       mogelijkheden om financiële risico's te spreiden over uiteenlopende activiteiten en
       (mede daardoor) meer moeite met het aantrekken van kapitaal. Een extra complica-
       tie is de vergrijzing onder de eigenaar-directeuren in het MKB. Vaak is voor hen is de
       waarde van het bedrijf tevens hun pensioenvoorziening. Aangezien innovatie altijd
       een zeker risico inhoudt zijn zij daar terughoudend mee.
   .   Weinig expertise op het gebied van strategieontwikkeling en een korte
       tijdshorizon. Binnen veel MKB-bedrijven is de aandacht van het management
       vaak vooral gericht op bedrijfsvoering en operationele beslissingen en minder op
       bedrijfsontwikkeling op de lange termijn. Veel ondernemers in het MKB hebben
       een technische achtergrond en een grote affiniteit met het product dat ze produ-
       ceren; vaak hebben ze minder affiniteit met de bedrijfseconomische aspecten van
       het ondernemen. Ze hanteren vaak een korte tijdshorizon voor investeringen, en
       dat geldt ook (en misschien nog wel meer) voor investeringen in kennis; er is dan
       sprake van een onbalans tussen de exploratie van nieuwe mogelijkheden en de
       exploitatie van bestaande kennis.11
   .   Relatief weinig hoger opgeleiden.Een groot deel van het MKB heeft een eige-
       naar-directeur zonder hogere opleiding. Van de eigenaar-directeuren heeft zo'n
       10% een universitaire opleiding gevolgd; bijna 30% van de eigenaar-directeuren
       heeft een HBO-opleiding afgerond. Onder de werknemers liggen deze percenta-
       ges lager.12 Dit aantal neemt overigens wel sterk toe.13 Vooralsnog wordt het MKB
       echter door veel hoger opgeleiden in Nederland niet als het meest aantrekkelijke
       deel van de arbeidsmarkt gezien. Dientengevolge blijft de absorptiecapaciteit
       voor nieuwe kennis van veel van deze MKB-bedrijven achter. Evaluaties van maat-
       regelen waarmee in het verleden een toename van het aantal hoger opgeleiden
       in het MKB is bevorderd, duiden op een hoge mate van effectiviteit. Nielsen
       (1999) signaleert dat een toename van hoger opgeleiden de samenwerking met
       kennisinstituten verdubbelt. Onderzoek uit Denemarken14 bevestigt dit beeld. De
       KIM-evaluatie15 laat zien dat bijna 80 procent van de 'kennisdragers' na afloop
       van de gesubsidieerde periode in dienst bij het betrokken bedrijf blijft.
    11  Nooteboom (2004).
    12  Een kwart van de werknemers heeft een HBO of WO opleiding gevolgd (EIM, 2004c).
    13  Zo nam het aantal HBO'ers in het MKB tussen 1996 en 2002 toe met 26% en het aantal WO'ers met 18% (EIM
        (2004d).
    14  LundVinding (2002).
    15  Bureau Bartels (1996).
50 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>2                 De innovatiepraktijk van
                  toepassers
    De innovatiepraktijk van de toepassers verschilt van die van de koplopers in het
    MKB. Bij koplopers is de ontwikkeling van innovaties op basis van eigen R&D een
    expliciet onderdeel van de bedrijfsstrategie. Dit zijn de bedrijven die concurreren
    door als eerste een nieuw product in de markt te zetten. Hun onderzoeks- en
    ontwikkelingsactiviteiten zijn gericht op het maken van deze nieuwe producten op
    basis van eigen nieuwe kennis en inzichten. Ontwikkelaars en volgers daarentegen
    hebben lang niet altijd een bedrijfsstrategie op papier staan waar innovatie een
    expliciet onderdeel van is. Innovaties betreffen ook minder vaak geheel nieuwe pro-
    ducten, maar meer nieuwe modellen of varianten. Hun ontwikkelingswerk is gericht
    op aanpassing van bestaande producten voor specifieke nichemarkten of toepassin-
    gen. Bovendien volgen ze niet louter een productdifferentiatiestrategie maar con-
    curreren ze ook meer op kosten. Bij nieuwe productieprocessen vormen de leveran-
    ciers een belangrijke bron van inspiratie en kennis. De innovatiepraktijk van de toe-
    passers kan als volgt nader worden gekarakteriseerd:
    .   Nauwe aansluiting van kennisverwerving en benutting. Omdat toepassers
        relatief kleine bedrijven zijn die geen capaciteit hebben om de kennisontwikke-
        ling in de wijde omgeving in de gaten te houden en om zelf onderzoek te doen,
        die gericht zijn op de ontwikkeling van nicheproducten en op de korte termijn,
        gebeurt kennisverwerving bij toepassers vaak zeer doelgericht. Het doel van
        innovatie is voor hen de verbetering van een specifiek product of proces. Dit
        tekent ook processen van kennisuitwisseling met toepassers: kennisoverdracht en
        -benutting vallen als het ware samen.
    .   Gerichtheid op kennisintegratie. Succesvolle toepassers beschikken over de
        vaardigheid om kennis uit verschillende bronnen te integreren in nieuwe produc-
        ten en processen. Dit kan nieuwe producten opleveren die niet zozeer gebaseerd
        zijn op nieuwe kennis, maar op nieuwe combinaties en nieuwe toepassingen van
        bestaande kennis.
    .   Wel kennisintensief. De toepassers doen zelf geen onderzoek. Dat neemt niet
        weg dat hun innovatieproces wel degelijk kennisintensief kan zijn. Het gaat dan
        alleen niet om kosten voor R&D maar om de kosten van inkoop van kennis en
        technologie via advies, opleiding en kapitaalgoederen. Het blijkt dat R&D uitga-
        ven binnen de innovatieve investeringen van bedrijven zelden de boventoon voe-
        ren. Alleen bij de allergrootse bedrijven is dit ongeveer de helft van de uitgaven.
        Bij MKB-bedrijven ligt het aandeel kapitaalgoederen gemiddeld boven de 50%
        en dat van R&D onder de 15%. Voor grote bedrijven benaderen de uitgaven aan
        R&D een aandeel van 30%.16
    16    Smith (2004).
51 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>   Om te innoveren, zoeken toepassers naar beschikbare kennis. Ze hebben geen eigen
   capaciteit en faciliteiten om zelf onderzoek te doen, maar maken gebruik van ken-
   nis die aanwezig is binnen de eigen organisatie of bij andere organisaties, bijvoor-
   beeld bij leveranciers, klanten, advies- en ingenieursbureaus en intermediairs.17 Ze
   maken incidenteel gebruik van de diensten van brancheverenigingen, van Syntens
   en van kennisinstellingen als hogescholen en TNO.18
   Zweedse kennisintensieve toepassers
   Eind jaren '90 zijn in Zweden vier empirische studies gedaan naar kennis- en compe-
   tentieontwikkeling in bedrijven met een lage R&D intensiteit. Daaruit bleek het
   belang van impliciete kennis, van het vermogen om kennis uit verschillende bronnen
   bijeen te brengen, en van de kracht om de creativiteit van alle medewerkers te
   mobiliseren. Een gedetailleerd onderzoek van een innovatieproces in de pulp en
   papierindustrie liet zien dat slechts 20% van de innovatie-uitgaven als R&D in de
   boeken kwamen. De installatie van een nieuwe machine ter waarde van 300 miljoen
   euro bracht wel veel innovatie met zich mee, maar nauwelijks R&D uitgaven. Kennis
   en competenties waren belichaamd (embodied) in de nieuwe machine die is ontwik-
   keld in nauwe samenwerking tussen de papierfabriek en de apparatenbouwer.
   .   Geringe planning van innovatie. Toepassers werken in het algemeen pragma-
       tisch en vraaggestuurd. Dit leidt tot een geringe mate van planning bij innovatie.
       Problemen die om een oplossing vragen en die de aanzet vormen tot innovatie,
       dienen zich immers onregelmatig aan. Bij innovatie is daarom vaak geen sprake
       van een uitgebreide, lange termijn projectplanning. Hierin schuilt een van de
       belangrijkste fricties tussen onderzoek, beleid en praktijk. Enerzijds vraagt dit van
       (potentiële) kennispartners en beleidsmakers de nodige flexibiliteit.
       Innovatiestimuleringsregelingen houden bijvoorbeeld in het algemeen geen reke-
       ning met deze snel wisselende focus binnen het MKB. Tenderprocedures, waarbij
       (ruim) van tevoren (gedetailleerde) plannen ingediend moeten worden, sluiten
       hier slecht bij aan. Anderzijds vraagt het van MKB-ers meer aandacht voor plan-
       ning. Het blijkt immers dat het uitwerken van een lange termijn projectplan voor
       een innovatietraject in het MKB de kans op succesvolle innovatie wel degelijk ver-
       hoogt.19
   .   Samenwerking. Toepassers werken veel samen met externen om te kunnen
       innoveren. Samenwerking en kennisuitwisseling lijkt steeds meer een voorwaarde
       te zijn om tot innovatie te komen. Volgens EIM-onderzoek spelen bij maar liefst
       90% van de innovaties externe partijen een rol en in 40% van de gevallen zijn
       dat zelfs drie of meer partijen.20 Overigens gaat het hierbij lang niet altijd om
   17   Senter (2003a en 2003b).
   18   EIM (1999a), Bureau Bartels (2001).
   19   EIM (2002a).
   20   EIM (2005b).
52 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>       kennisuitwisseling. Toepassers werken wel beduidend minder samen dan koplo-
       pers. Bovendien knopen zij relaties aan met andere partijen. Ze werken bijvoor-
       beeld nauwelijks samen met universiteiten, maar wel met andere partijen in de
       keten.
   Boomaplant innoveert met zijn leverancier
   Boomaplant is een bedrijf in het Westland met 15 werknemers dat zich heeft
   gespecialiseerd in het kweken van heesters in de kas. Om verdere automatisering en
   robotisering mogelijk te maken was de introductie van een rolcontainer noodzake-
   lijk, een systeem waarmee het kweekgoed automatisch door de kas beweegt. Deze
   techniek komt al veel voor in kassen maar nog niet als het gaat om het kweken van
   bomen. Voor het kweken van deze soort heesters is het nog niet eerder toegepast.
   De introductie van het systeem vergt nog wel de nodige aanpassingen. Daarvoor
   werkt Boomaplant intensief samen met de leverancier van de rolcontainer. Inspiratie
   wordt opgedaan bij andere bedrijven die het systeem hanteren en Boomaplant
   brengt zijn kennis van het productieproces van heesters in de kas in.
   .   Binnen en buiten de regio. De toepassers beperken zich in hun zoektocht naar
       de beste kennispartner niet tot de eigen regio of zelfs tot Nederland. Als de
       beste testfaciliteit in Duitsland staat dan is dan maakt de toepasser daar gebruik
       van. Ook uit onderzoek21 blijkt dat veel kennis nationaal gezocht wordt. De natio-
       nale schaal blijkt even vaak gebruikt te worden als de lokale en regionale schaal
       samen.
    21  EIM (1999b).
53 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>3               Samenwerken in de praktijk
   Toepassers zijn relatief kleine ondernemingen met een hoge mate van specialisatie.
   In het innovatieproces is samenwerking voor hen een essentieel element.
   Samenwerking met anderen ten behoeve van innovatie is ten gevolge van nieuwe
   ICT-toepassingen en voortgaande internationalisering de laatste jaren alleen maar
   urgenter geworden. Toetredingsbarrières zijn geslecht, veilige nichemarkten verdwe-
   nen en levenscycli van producten zijn korter geworden. Technologische vooruitgang,
   welvaartstoename en massaindividualisering belonen bedrijven die open staan voor
   vraagsturing en ketenomkering. Dit alles noopt tot meer coördinatie en samenwer-
   king, niet alleen in day-to-day business, maar ook in innovatietrajecten. In deze
   paragraaf schetsen we een beeld van de samenwerking van toepassers met andere
   organisaties in verschillende fasen van het innovatietraject.
   Samenwerken: waartoe en met wie?
   Bij het innoveren werken toepassers om verschillende redenen samen met andere
   organisaties:
   .   Enerzijds wordt samengewerkt omdat individuele bedrijven uit het MKB relatief
       klein zijn. Er wordt samengewerkt om kosten en risico's te delen, om schaalvoor-
       delen te realiseren, om gezamenlijk een sterke marktpositie te ontwikkelen of om
       tot onderlinge afstemming te komen. Dat laatste kan nodig zijn wanneer er in
       ketenverband aan innovatie gewerkt wordt of wanneer gemeenschappelijke
       standaarden van belang zijn.
   .   Anderzijds wordt samengewerkt omdat bedrijven uit het MKB intern niet over
       alle benodigde kennis en relevante informatie beschikken. Specialisatie is immers
       een wezenskenmerk van kleine ondernemingen. Daarom wordt vaak kennis uit-
       gewisseld of gedeeld. Tekorten zijn er vaak niet alleen aan technische maar ook
       aan commerciële en managementkennis.
   Om tot innovatie te komen, is vaak samenwerking met anderen noodzakelijk. Een
   bedrijf kan een samenwerkingsrelatie aangaan, al dan niet op eigen initiatief, met
   allerlei andere partijen, bijvoorbeeld met private partners. Dit kunnen andere bedrij-
   ven in de keten zijn (zoals leveranciers, afnemers, ketenregisseurs _ bedrijven die
   ketensamenwerking coördineren), maar ook 'concullega's', partners in een horizon-
   taal samenwerkingsverband, of onafhankelijke adviseurs. Samenwerking wordt
   gedreven door gemeenschappelijke belangen _ er moet sprake zijn van een 'win-
   win-situatie'. Partners in een verticaal samenwerkingsverband hebben een gemeen-
   schappelijk belang in het zo efficiënt mogelijk bedienen van een markt van eindge-
   bruikers. Ze hebben echter een tegengesteld belang waar het gaat om het verdelen
   van de totale revenuen. Het gemeenschappelijk belang van partners in een horizon-
   taal samenwerkingsverband is in het algemeen beperkter. Een dergelijk samenwer-
55 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   kingsverband wordt in het algemeen aangegaan om van schaalvoordelen te profite-
   ren en om kosten te delen. Er wordt gezamenlijk geconcurreerd met ondernemin-
   gen buiten het samenwerkingsverband en er wordt onderling geconcurreerd zodra
   de innovatie voor elk van de partners beschikbaar is. Horizontale samenwerking
   gaat daarom meestal niet verder dan samen plannen, organiseren, ontwikkelen en
   testen, en eventueel het afspreken van normen en standaarden.
   De keuze van de beste kennispartner is geen gemakkelijke en ook het samenwerken
   zelf vergt aanzienlijke inspanning en vaardigheden. Bovendien vereist de voortdu-
   rend veranderende omgeving een continue heroriëntatie van de samenwerkingsstra-
   tegie. Daarbij hoort ook het beëindigen van niet langer productieve samenwerkings-
   verbanden. De kunst is om de juiste balans te vinden tussen het netwerken (het leg-
   gen van nieuwe contacten) en de samenwerking (benutten van bestaande relaties).22
   Daarbij moet ook een afweging worden gemaakt tussen enerzijds het gemak van
   samenwerken met partijen die 'dichtbij' staan in cultuur en kennis en met partijen
   waarvoor dit minder geldt maar die (daardoor) wel meer nieuws toe te voegen heb-
   ben.23 De toepassers, en dan vooral de volgers, beschikken niet altijd over voldoende
   tijd en kennis om dit alliantiespel goed te spelen. Daardoor kunnen zij waardevolle
   samenwerkingsverbanden missen, maar ook juist te lang vast houden aan bestaan-
   de, onproductieve/verstarrende, samenwerkingsverbanden. Het MKB zou daarom
   kunnen winnen bij vergroting van de alliantievaardigheden en het nemen van meer
   tijd om de strategie regelmatig te evalueren en aan te passen. Eventueel kunnen
   naar aanleiding daarvan nieuwe partners gezocht worden.
   Samenwerking met private partners in verticaal of horizontaal verband kan in veel
   gevallen een oplossing bieden voor de problemen waar bedrijven in het MKB tegen-
   aan lopen, het gebrek aan schaalgrote en het tekort aan interne expertise en com-
   petenties. Daarnaast kunnen bedrijven zich wenden tot onafhankelijke adviseurs om
   de genoemde problemen het hoofd te bieden. Er is dan veeleer sprake van een
   markttransactie dan een samenwerkingsrelatie.
   Samenwerking met andere organisaties ten behoeve van innovatie kan in verschil-
   lende fasen van het innovatietraject plaatsvinden. De AWT onderscheidt er vier:
   .   Het zien van innovatiekansen, de inspiratiefase;
   .   De voorbereiding, het plannen van een innovatietraject en het organiseren van de
       uitvoering van dit traject (inclusief het vinden van partners en het organiseren
       van de samenwerking);
   .   De uitvoering, de ontwikkeling van een innovatie (bijvoorbeeld het ontwerpen en
       het maken en testen van een prototype);
   22  Hansen (1999).
   23  Nooteboom (2004) spreekt in dit kader van de 'optimale cognitieve afstand': voor innovatie en leren moet de afstand
       groot genoeg zijn om elkaar iets nieuws te kunnen vertellen, maar niet zo groot dat we elkaar niet verstaan en het niet
       eens kunnen worden.
56 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>        Introduceren: het in de markt zetten van een productinnovatie of het implemen-
        teren van een procesinnovatie.
    Hieronder passeren deze vier fasen achtereenvolgens de revue. Bij elke fase wordt
    aangegeven hoe en met wie toepassers in het MKB samenwerken en tegen welke
    problemen ze aanlopen.
    a. Zien van de kansen
    Innovatie begint met het voelen van een noodzaak, het krijgen van een goed idee
    en het zien van een kans. Het bewustzijn van noodzaak enerzijds en mogelijkheden
    anderzijds is cruciaal voor innovatie. Soms is deze onvoldoende aanwezig bijvoor-
    beeld omdat in sommige sectoren weinig concurrentie is. Ook kan het zijn dat
    ondernemers bepaalde ontwikkelingen onvoldoende aan zien komen. In de praktijk
    blijkt dat in meer dan de helft van de gevallen de klant de inspiratiebron vormt
    voor een innovatie. In 22% van de gevallen is dat de concurrent.24 Bij de klant kan
    het zo zijn dat de ondernemer zelf (nieuwe) wensen in kaart brengt maar ook dat
    de klant actief zijn wensen communiceert. Binnen de keten kunnen vooral grotere
    bedrijven zo een waardevolle rol spelen in de richting van hun toeleveranciers. In
    de eerste plaats in de bewustwording door het stellen van eisen maar ook in de
    latere fasen (zie kader ASML hier en Océ in paragraaf ontwikkelen en testen).
    ASML en haar toeleveranciers
    ASML is een bedrijf dat erg afhankelijk is van haar toeleveranciers. Daarom voert
    het een actief beleid om het supplier netwerk te versterken. Daartoe is het QLTC
    (Quality, Logistics, Technology and Costs)-systeem ontworpen waarmee nauwgezet
    de ontwikkeling van de toeleveranciers gemonitored kan worden. ASML wil deze
    methodiek nu ook meer gaan inzetten als een MKB-volgsysteem. Daarin worden
    eisen gesteld aan toeleveranciers op de genoemde gebieden, maar ook bijvoor-
    beeld aan de ontwikkeling van de klantenbestand, zodat de toeleveranciers minder
    afhankelijk worden van de zeer conjunctuurgevoelige vraag van ASML. De MKB-
    toeleveranciers krijgen vanuit ASML voor dit verbetertraject begeleiding door eigen
    accountmanagers. Bij een aantal toeleveranciers heeft dit al geleid tot het betreden
    van nieuwe markten met betere en breder inzetbare producten. Een mooi voor-
    beeld is het bedrijf BoTech BV, dat van origine granieten producten als specialiteit
    had, zoals grafzerken en keukenbladen. ASML herkende hier de competentie van
    het bewerken van zware steensoorten in. Een competentie die goed van pas komt
    bij de productie van de machines waarmee chips gemaakt worden waarbij stabi-
    liteit van het grootste belang is. Op dit moment exporteert BoTech BV deze produc-
    ten over de hele wereld en is marktleider op dit gespecialiseerde gebied.
    24   EIM (2005).
57 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   Ook externe partijen als adviseurs kunnen inspiratie bieden om tot innovatie te komen. Ze
   kunnen bedrijven helpen innovatieve kansen te onderscheiden en in het verlengde daarvan
   kennisvragen te articuleren. Deze vorm van advisering is voor dat deel van het MKB dat
   niet tot de koplopers behoort geen overbodige luxe. Hiervoor zijn diverse oorzaken, zoals
   gebrek aan tijd en middelen (innovatie gaat vaak ten kosten van winstgevendheid op de
   korte termijn) en aan kennis van trends en marktontwikkelingen (kansen en
   bedreigingen).25
   Waar het bewustzijn tekort schiet is ook geen expliciete vraag. Daardoor komt via de
   markt ook te weinig aanbod tot stand. Deze rol nemen traditioneel publieke en collectieve
   partijen op zich zoals brancheorganisaties en Kamers van Koophandel. In de meeste lan-
   den bestaat ook een door de overheid gefinancierde organisatie die ondernemers van
   'eerstelijns' advies voorziet. In Nederland vervult sinds 1998 Syntens die rol (zie kader).
   Syntens stelt hiervoor adviescapaciteit van 16 uur gratis aan MKB-ers ter beschikking en
   gebruikt hierbij onder andere de 'innovatiescan'. Het feit dat een heel grote groep MKB-
   ers niet bereikt wordt, suggereert dat hier mogelijkheden voor verbetering liggen.
   Syntens
   Een bijzondere plek neemt de organisatie Syntens, ontstaan in 1998 door een fusie
   tussen de InnovatieCentra en IMK-Voorlichting, in. De missie van Syntens is aanzet-
   ten tot succesvol innoveren, het versterken van het innovatievermogen van onderne-
   mend Nederland en zo een bijdrage te leveren aan duurzame groei. Jaarlijks ont-
   vangt Syntens hiertoe een subsidie van rond 53 miljoen euro (34 miljoen basissubsi-
   die en 19 miljoen doelsubsidie) waarmee ruim 275 fulltime adviseurs op pad wor-
   den gestuurd.
   In 2004 bereikte Syntens bijna 18,5 duizend klanten, waarvan 46% nieuwe. Slechts
   25% hiervan behoorde tot de zelf vastgestelde doelgroep (5-200 werknemers in
   industrie, bouw, groothandel, vervoer, milieu en overige dienstverlening, zakelijke
   dienstverlening). De meest recente evaluaties dateren uit 2002.26 De gemiddelde
   klanttevredenheid was 7,7. Tussen de regio's zijn geen grote verschillen. De samen-
   werking met branches verloopt goed, maar die met kennisinstellingen, in het bijzon-
   der met de universiteiten, minder. Syntensadviseurs blijken niet altijd voldoende
   bekend met kennisaanbod in de regio. Een reden waarom veel niet-doelgroepers,
   vaak kleine kennisintensieve starters, worden bereikt, heeft te maken met inschat-
   ting van adviseurs dat daar innovatiewinst en groei bereikt kan worden. De rol van
   Syntens bij nieuwe klanten is vaak die van aanjager en begeleider (vraagarticulatie)
   en die bij bestaande klanten meer procesbegeleider en doorverwijzer.
   Met het businessplan 2005 heeft Syntens haar doelgroep sterker afgebakend tot die
   bedrijven die willen en kunnen innoveren. De strategie is om deze sectorgewijs en
   proactief te benaderen. Tot nu toe werd eigenlijk iedereen geholpen, ook veel
   bedrijven van minder dan 5 personen. Daar ging wel tot 50% van de tijd in zitten.
   25   Bodewes en de Jong, Innovaties in het MKB, in Risseeuw en Thurik (2003).
   26   Evaluaties EIM (2000) en Bureau Bartels (2001).
58 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>   Tot de missie van de publieke instelling blijft bewustmaking door het proactief
   benaderen van bedrijven behoren, maar de primaire doelgroep zijn de bedrijven die
   kunnen en willen innoveren. De overige bedrijven zullen steeds meer naar het (uit-
   gebreide) InnovatieNet worden verwezen waar digitale hulpmiddelen (zelfevaluaties,
   vraagarticulatie, doorverwijzing, partnership e.d.) te vinden zijn. Ook zijn er voor die
   groep de workshops. Een interessante ontwikkeling is de inzet van zogenaamde
   sectorverkenners bij Syntens. Deze krijgen de opdracht om voor hun sector (ICT,
   food, transport en logistiek, health en maak- en procesindustrie) interessante ont-
   wikkelingen, innovaties en kennis op te sporen en via het intranet aan de adviseurs
   bekend te maken. Zo kan Syntens een rol spelen in de diffusie van innovaties van
   de toepassers.
   Ook wanneer de overheid de verantwoordelijkheid voor het eerstelijns advies op
   zich neemt hoeft de uitvoering niet door haar zelf ter hand te worden genomen. In
   de praktijk blijken ondernemers gemakkelijker te communiceren met andere onder-
   nemers of met organisaties met een achtergrond in dezelfde sector. Daarom vormen
   partijen als brancheorganisaties en private adviesbureaus ook een vruchtbare part-
   ner om het eerstelijns advies te verzorgen. Dat kan door een deel hiervan aan te
   besteden, zoals in Vlaanderen is gedaan, waar Het Vlaamse Instituut voor de
   Aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) in 2002 de
   regionale innovatiestimulering (VIS-RIS) heeft aanbesteed. Doel was het aanjagen
   van bedrijven met een sluimerend innovatiepotentieel. Uiteindelijk zijn zes projecten
   gehonoreerd van kamers van koophandel en/of regionale ontwikkelingsmaatschap-
   pijen, kennisinstellingen en brancheorganisaties.27
   Een mogelijk nadeel van uitbesteding is het risico dat het afrekenen van een externe
   partij op resultaten al snel kan leiden tot perverse effecten (adverse selectie). Het uit-
   eindelijke doel is het vergroten van de innovatie-inspanning van de toepassers. Het is
   echter gemakkelijker een ontwikkelaar te begeleiden tot en in een innovatietraject dan
   een volger waarvan de succeskans lager is en de (tijds)investering aanzienlijk hoger.
   b. Voorbereiding
   Het uitwerken van een innovatief idee is niet meer dan een eerste stap. Daarna
   moet een plan opgesteld worden om het idee te realiseren, om de innovatie te ont-
   wikkelen. Er moet een tijdsplanning en een budget worden vastgesteld. Er moeten
   partners worden gevonden, bijvoorbeeld technisch adviseurs en leveranciers van
   productiemiddelen, maar ook partijen die zorgdragen voor financiering, distributie
   en marketing. Dit vereist het samenbrengen van veel specialistische expertise in een
   vaak weinig doorzichtig speelveld.
   In allerlei ketens blijken bedrijven een spilfunctie te spelen in de ontwikkeling van
   27   Deze krijgen voor vier jaar 80% van de personeelskosten vergoed. De adviseurs blijken een erg actieve aanpak te hante-
        ren. Ieder bezoekt zo'n 45 bedrijven waarmee een innovatie-audit wordt gedaan. In 10% van de gevallen leidt dit tot een
        innovatiestudie of -project. Na 4 jaar volgt een nieuwe aanbesteding waarbij de partij wint die het beste aan kan geven
        de noden van het MKB in de regio te verstaan. Zo hoopt men te waarborgen dat deze adviesfunctie niet 'verambtelijkt'
        en daarmee op afstand komt te staan van de doelgroep.
59 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   innovatieplannen. Ze treden op het gebied van vernieuwingen op als ketenregisseur;
   ze coördineren vernieuwing door kennisuitwisseling, samenwerking en afstemming
   te organiseren. Vaak nemen de grotere partijen in de keten deze rol op zich.
   Océ en zijn toeleveranciers
   Wijdeven was een leverancier van trafo's aan Océ met zo'n 80 man personeel. In
   1996 kreeg deze het verzoek om meet te draaien in een Kennis Intensief Cluster
   van Syntens. Doel was het mede ontwikkelen van nieuwe kopieermachine van Océ.
   Wijdeven zou daarbij met elektrotechnici en plaatwerkers een nieuw hoofdstroom-
   bord ontwikkelen. Het proces werd begeleid vanuit Océ en door Syntens. Dat bete-
   kende allereerst trainingen productontwikkeling en veel (lange) kennismakingsbij-
   eenkomsten met de partners om het noodzakelijke vertrouwen te kweken. Het
   resultaat was een omslag van het bedrijf naar multidisciplinair werken. Er bestaat nu
   een vaste samenwerking met andere meedenkende toeleveranciers. deel van de pro-
   ductie wordt uitbesteedt aan een eigen vestiging in Tsjechië. Anno 2005 werken er
   140 man bij Wijdeven.28
   Ook de rol van de kennisintensieve dienstverleners neemt in belang toe. Zij vervullen
   steeds meer de rol die machinebouwers speelden in het verleden die door het verza-
   melen van lokale ervaringen en de verwerking hiervan in een nieuwe generatie
   machines zorgden voor de verspreiding van kennis in de keten. Langs deze weg
   vond lokaal en decentraal ontwikkelde kennis zijn weg naar toepassing. De rol van
   kennisintensieve dienstverleners en handelsondernemingen is niet beperkt tot
   uitwisseling en inzet van technische kennis, maar heeft ook te maken met manage-
   ment, organisatie, marketing en financiering en het in contact brengen van bedrij-
   ven die elkaar iets te bieden hebben
   Een voorbeeld van de kennisintensieve dienstverleners zijn de kleine advies- en
   ingenieursbureaus die in de praktijk vaak de rol van organisator van innovatiepro-
   cessen in netwerken van MKB spelen. Technische advies- en ingenieursbureaus wor-
   den ingeschakeld voor het uitvoeren van haalbaarheidsstudies voor een voorgeno-
   men nieuw product of de optimalisatie van het productieproces, en daarnaast voor
   advisering bij de eventuele daaraan gekoppelde aanschaf van nieuwe apparatuur. Zo
   bleek bijvoorbeeld dat bij de in het kader van de SKO-regeling uitgevoerde haal-
   baarheidsstudies in alle gevallen gebruik werd gemaakt van deze bureaus.29 De
   meest genoemde reden om deze technische bureaus in te schakelen is de onafhan-
   kelijkheid van de adviseurs. Naast het leveren van typische domeinkennis en com-
   merciële kennis kunnen adviesbureaus een belangrijke rol vervullen als makelaar en
   schakelaar. Zij beschikken vaak over grote netwerken en deze kunnen behulpzaam
   zijn bij het opzetten van samenwerkingsverbanden. Zij vormen ook een belangrijke
   28  Derix (2002) en www.wijdeven.nl.
   29  Senter (2003a en 2003 b).
60 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>   schakel in de vraagarticulatie en de kennisuitwisseling tussen MKB-bedrijven en
   kennisinstellingen.30
   Ook grote bedrijven kunnen belangrijke leveranciers van kennis zijn. Zo heeft DSM
   zijn laboratorium in Geleen toegankelijk gemaakt voor andere bedrijven via de
   Kenniswinkel. Deze is opgericht in 1996 en nu onderdeel van de open campus. De
   winkel is bedoeld om de kennis binnen DSM Research, aanwezig binnen zo'n hon-
   derd verschillende disciplines, voor externe klanten beschikbaar te maken. De DSM
   Kenniswinkeliers vertalen de vragen die van buiten komen naar behapbare brokken
   voor de wetenschappers binnen DSM Research. Jaarlijks maken nu ongeveer 300
   bedrijven hier gebruik van. Bij het experiment met kennisvouchers in
   Zuid-Nederland bleek de goede toegankelijkheid van DSM Research waar meer dan
   40% van de vouchers werd besteedt. Philips heeft een vergelijkbaar initiatief geno-
   men met zijn High Tech Campus.
   Een aantal brancheorganisaties vervullen nu reeds een belangrijke rol bij het organi-
   seren van innovatietrajecten.31 Ze bieden directe vormen van kennisoverdracht en
   bedrijfsondersteuning. Verschillende brancheorganisaties proberen daarnaast ken-
   nisvragen voor hun bedrijven te bundelen, om daarmee een belangrijker gespreks-
   partner bij kennisinstellingen te worden.32 Veel andere brancheorganisaties zijn ech-
   ter nog aan het zoeken naar de juiste vormen en eigen rol hierin. De voornaamste
   belemmeringen zijn een gebrek aan kennis en middelen en het beperkte mandaat
   van de leden. Belangentegenstellingen tussen leden kunnen een al te actieve rol van
   een branchevereniging in de weg staan; leden kunnen belang (denken te) hebben
   bij het niet-innoveren van concurrenten of toetreders.33
   Ondernemers onder elkaar: Studieclubs in de land/tuinbouw
   Eén van de meest succesvolle vormen van op kennis gerichte samenwerking tussen
   toepassers zijn de zogenaamde studieclubs in de land- en tuinbouw. Deze vormen
   een belangrijk onderdeel van vitale regionale cluster. Hierin komen ondernemers
   regelmatig bijeen om gezamenlijk hun wijze van produceren en de geboekte resul-
   taten te bespreken en zo van en met elkaar te leren. Veel van deze studieclubs zijn
   in de jaren '80 gesticht en begeleid door adviseur van het toenmalige DLV of één
   van de productschappen. De laatste jaren is (met de verzelfstandiging van DLV in de
   jaren '90) de begeleiding voor deze initiatieven afgenomen. Ook is de bereidheid
   van ondernemers onderling om kennis te delen afgenomen.
   30   EIM (2003c).
   31   Remijnse (2004).
   32   EIM (2004a).
   33   Juist de vraagarticulatie ('kennisbehoefte verzamelen, doorgeven en invullen') zien de brancheorganisaties niet als hun
        taak. Zeker bij kleinere branches is dit de eerste taak die ze laten vallen. Ze zien het laten ontwikkelen en doorgeven van
        kennis wel als een belangrijke taak, maar verwachten hier minder aan te gaan doen.
61 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>   Ook regionale partijen als provincies en Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen en
   Kamers van Koophandel nemen initiatieven. Net als verschillende kennisinstellingen
   die trachten ondernemers te ondersteunen in de eerste stappen op het innovatietra-
   ject. Ze hebben de afgelopen jaren bijvoorbeeld geëxperimenteerd met vormen van
   een laagdrempelig aanspreekpunt, een MKB-loket. Ondernemers kunnen hier
   eenvoudig terecht met hun vraag en hoeven niet zelf op zoek naar de juiste per-
   soon in de kennisinstelling. Dit is zowel aan universiteiten (bijvoorbeeld UvA,
   Tilburg) als aan Hogescholen (regioregisseur aan de Haagse Hogeschool, MKB
   Loketten aan INHolland) gebeurd, als in gezamenlijke initiatieven (United Brains van
   Fontys Hogeschool en TU Eindhoven; Technologie Centrum Noord Nederland van RU
   Groningen, diverse noordelijke Hogescholen en TNO; Food Valley Innovation Link
   van WUR en de 'groene' hogescholen). Deze loketten zijn meer dan enkel een door-
   geefluik en maar spelen in veel gevallen een actieve rol in de vraagarticulatie.
   TechnologieCentrum Noord-Nederland
   In 1998 is in Groningen het TechnologieCentrum Noord-Nederland (TCNN) van start
   gegaan. TCNN richt zich op het adviseren, ontwikkelen en uitvoeren van samenwer-
   kingsprojecten tussen het Noordelijk MKB en de publieke kennisinstellingen t.w. de
   Rijksuniversiteit Groningen, TNO, ASTRON en de vijf noordelijke hogescholen. TCNN
   heeft hiervoor een staf van 9 medewerkers en 14 gedetacheerden uit de betrokken
   kennisinstellingen. Elk project start met een projectvoorstel waarin opzet, personeel,
   planning, plaats, faciliteiten, kwaliteit, begroting en financiering beschreven staan
   en dat bij goedkeuring onder verantwoordelijkheid van TCNN door de betrokken
   kennisinstelling(en) wordt uitgevoerd. TCNN is zakelijk verantwoordelijk , de kennis-
   instelling inhoudelijk. Omdat het meestal om innovatieve projecten gaat helpt TCNN
   het bedrijf hiervoor subsidie te verkrijgen bv. via SenterNovem of de NIOF-regeling
   (Noordelijke Innovatie Ondersteunings Faciliteit uit het Kompas-programma). De
   exploitatie van TCNN wordt betaald door de kennisinstellingen (± 50%) en uit
   Kompasgelden (EZ, Noordelijke Provincies en Europese Fonds voor Regionale
   Ontwikkeling (EFRO)).
   Een evaluatie uit 2004 laat goede resultaten zien. In zes jaar werden zo'n 600 indi-
   viduele bedrijfsprojecten uitgevoerd met per project een gemiddelde omvang van 20
   duizend euro (variatie van 5 tot 70). Daarnaast werden een twintigtal proactieve
   (cluster) projecten uitgevoerd (variatie 50.000 euro _ 1,5 mlj euro). Deze projecten
   leiden tot meer dan 135 nieuwe of verbeterde producten en 65 verbeterde of nieu-
   we processen en diensten. Geschat wordt dat de uitgelokte investeringen en extra
   en behouden omzet op grond van deze projecten meer dan 80 mlj. euro respectie-
   velijk 60 mlj. euro bedraagt. Door de projecten zijn er meer dan twee duizend
   arbeidsplaatsen bijgekomen en behouden waaronder 250 op HBO/HBO+ niveau. De
   jaarlijkse omzet aan noordelijke MKB-projecten van de deelnemende kennisinstellin-
   gen is een factor 7 gestegen ten opzichte van de omzet van 1998.
62 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>   Het lectoraat is een recent initiatief aan de publieke zijde dat een rol kan spelen in
   het aanpakken van de knelpunten die toepassers ervaren in het organiseren van
   hun innovatietrajecten.
   Het lectoraat in Hogescholen
   De onderzoeksfunctie van de hogescholen krijgt de laatste jaren vooral vorm door
   de introductie van het lectoraat. Het lectoraat is met een convenant tussen het
   ministerie van OCW en de HBO-Raad in oktober 2001 in het leven geroepen. Doel
   van het lectoraat is de verbetering van zowel de kwaliteit van het onderwijs (curri-
   culumvernieuwing en professionalisering docenten) als van de externe oriëntatie
   van de hogeschool (kenniscirculatie naast kennisontwikkeling en onderzoek). Voor
   de lectoren is vanaf 2007 ruim 50 miljoen euro per jaar beschikbaar.
   De invulling van het lectoraat is zeer vrij gelaten. Dit betreft zowel de inhoud, de
   omschrijving van de leeropdracht, als de organisatie, de samenstelling en inzet van
   de kenniskring en de inzet van docenten en studenten. De diversiteit is dan ook
   groot. Op grond van de eerste evaluaties rijst het volgende beeld:34
   .   Lectoren richten zich primair op praktisch, toegepast onderzoek waarbij er geen
       scherp onderscheid is tussen onderzoek en advies.
   .   Lectoren richtten zich op de koplopers en de ontwikkelaars binnen het MKB. De
       groep volgers wordt aanzienlijk minder bereikt. Dit heeft onder andere te maken
       met een verschil in tijdshorizon. Het lectoraat werkt met een langlopend onder-
       zoeksprogramma. Kennisvragen van volgers vallen hier vaak lastig in te passen.
   .   De externe doorwerking (inktvlekwerking) van het lectoraat is nog beperkt. Het
       aantal docenten buiten de kenniskring dat via de lector wordt bereikt is beperkt.
       Dit wordt mede veroorzaakt door beperkte capaciteit, een gebrek aan tijd en
       organisatorische beperkingen (botsende eisen van flexibiliteit voor onderzoek en
       advies enerzijds en planning van roosters voor het onderwijs anderzijds).
   .   De doorwerking van het lectoraat naar het onderwijs (de curricula) is nog
       beperkt. Lectoren richten zich weinig op onderwijsontwikkeling; ze hebben hier
       slechts beperkt tijd voor.
   .   Er zijn nog geen hechte banden met de rest van de kennisinfrastructuur en nog
       minder met het (georganiseerde) MKB. De invloed van het MKB bij de totstand-
       koming van lectoraten en de invulling van het lectoraat (themakeuze en de invul-
       ling van de kenniskring) is beperkt.
   Eind 2004 is een nieuw convenant getekend. Dit stelt als doel dat in 2008 de ken-
   nisontwikkeling in de kenniskringen is doorvertaald in het onderwijs (opleidingstruc-
   turen, curricula en professionalisering docenten). Ook moeten de lectoraten aanslui-
   ten bij regionale zwaartepunten. Een opmerkelijk punt is dat in het profiel van de
   34    Commissie Tussentijdse Evaluatie Lectoren en Kenniskringen (2004 en 2005), Dijk12 (2004).
63 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>   lector de nadruk ligt op zijn onderwijs- en onderzoekservaring. Er wordt in het
   geheel geen ervaring in of affiniteit met het de beroepspraktijk geëist. Dit zal een
   soepele communicatie tussen hogeschool en MKB, in het bijzonder tussen lectoren
   en ondernemers, niet gemakkelijker maken. Dit staat in scherp contrast met de situ-
   atie in Duitsland waar alle docenten in het beroepsonderwijs minimaal 5 jaar wer-
   kervaring in het bedrijfsleven moeten hebben.
   De meeste kennis uit hogescholen komt het MKB nog altijd via studenten en afge-
   studeerden binnen. Enerzijds doen jaarlijks rond de 50 duizend studenten van hoge-
   scholen een afstudeerstage. Anderzijds vindt van deze afstudeerders 40% een baan
   in het MKB. Ofschoon het aantal stages hoog is, is de betrokkenheid van docenten
   vaak beperkt. Docenten hebben vaak weinig tijd om studenten te begeleiden en om
   in gesprek te treden met bedrijven. Het lectoraat zou door een betere coördinatie
   van de externe contacten van hogescholen kunnen bijdragen aan een verbetering
   van deze situatie.
   c. Uitvoering
   Samenwerking tussen bedrijven krijgt praktisch vorm in het samen ontwikkelen van
   een nieuw product of een nieuw productieproces en het testen daarvan in de prak-
   tijk. In de praktijk gaat dit vaak onder leiding van een groot bedrijf; MKB heeft hier
   vaak de rol van toeleverancier.
   Ook kennisinstellingen lectoren en kennisintensieve dienstverleners hebben in dit
   proces een functie.
   Laser Applicatie Centrum: winst voor universiteit en MKB
   Eind 2004 hebben de Universiteit Twente, de Koninklijke Metaalunie en een viertal
   leveranciers het Laser Applicatie Centrum (LAC) opgericht. Daarbij stelt de
   Universiteit onderzoekscapaciteit en laserapparatuur ter beschikking aan onderne-
   mers in het MKB-metaal. Deze beschikken daarmee over een 'proeftuin' waar zij
   innovatieve ideeën en concepten kunnen vertalen naar haalbare, winstgevende toe-
   passingen. Het LAC brengt de ondernemers ook in contact met andere kennispart-
   ners dan de UT. Ook organiseert het LAC in alle regio's van het land bedrijven-
   clusters om bedrijven in aanraking te brengen met moderne lasertechnologieën. Het
   initiatief heeft een startsubsidie gekregen uit het regiofonds van de Kamers van
   Koophandel. Op basis daarvan is nu één medewerker op aangenomen. Betaalde
   advies en onderzoeksopdrachten moeten de inkomsten genereren om uit te kunnen
   breiden 3-5 kenniswerkers. Het voordeel voor de TU is dat veel van de kortcyclische
   vragen van ondernemers die lastig in hun proces passen nu via het LAC worden
   beantwoord. Bovendien leert de universiteit zo ook wat er leeft onder de onderne-
   mers. Via de Metaalunie heeft een aantal ondernemers een kennisvoucher weten te
   bemachtigen. Dit heeft hen net over de drempel weten te trekken.
64 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>   In samenwerkingsverbanden tussen bedrijven is een trendmatige verschuiving in de
   taakverdeling waar te nemen. Producten worden steeds meer modulair opgebouwd
   (bijvoorbeeld van auto of een computer, maar ook een diepvriespizza of een
   gemengd boeket) en grote bedrijven leggen steeds meer de verantwoordelijkheid
   voor ontwerp en ontwikkeling van specifieke onderdelen of modulen bij hun toele-
   veranciers. Hiermee wordt de flexibiliteit en snelheid van het MKB als toeleverancier
   gecombineerd met de managementcapaciteiten van het grootbedrijf.35
   Voorbeeld: het hydraulisch cluster in Noord Nederland
   Tot een paar jaar gelden produceerde AMCA, een klein bedrijf met 25 man perso-
   neel uit het Groningse Ten Post, als enige hydraulische stuurschuiven. Een onderdeel
   van hydraulische apparaten voor bouwmachines, zware industrie, water-en scheeps-
   bouw of speciale machines zoals simulatoren. Alle grote concurrenten kropen bij
   elkaar om complete systemen te leveren aan de klant. Zij deden dit omdat de afne-
   mers onvoldoende geschoold technisch personeel in huis hebben om zelf uit losse
   onderdelen complete systemen te ontwerpen en samen te stellen. Deze ontwikke-
   ling vormde een ernstige bedreiging voor het voortbestaan van bedrijven als AMCA
   die een enkel onderdeel produceerden. Zo werd het idee geboren om samenwer-
   king te zoeken met andere bedrijfjes uit Noord Nederland die allemaal een eigen
   radertje konden maken in een compleet eindproduct. Omdat elke keten zo sterk is
   als zijn zwakste schakel was de selectie van partners van groot belang. Er staat nu
   een elftal dat complete systemen kan leveren, bestaande uit; een snel toeleverings-
   bedrijf, een elektronicabedrijf, een expert op het gebied van draai-doorvoeren, een
   pompenleverancier, een fabrikant van cilinders, een 24-uurservice, een specialist op
   documentatie en een mechanisch constructie bedrijf, leidingen en slangen, stuur-
   schuiven, etc. Dit proces is ondersteund door de NOM en Syntens.
   Het samen ontwikkelen en testen van innovaties is door de overheid sinds de jaren
   '90 steeds actiever gestimuleerd. Dit kwam tot uitdrukking in het op het werk van
   Porter geïnspireerde clusterbeleid.36 EZ heeft daarbij de vorming van clusters gesti-
   muleerd langs drie lijnen: het scheppen van voorwaarden, 'makelen en schakelen'
   en optreden als veeleisende marktpartij klant.37 EZ heeft een vaak succesvolle facili-
   terende rol gespeeld bij tal van clusters. Vooral het makelen schakelen en bieden
   van strategische informatie werd gewaardeerd. Ook op projectniveau waren de
   resultaten positief.
   Van oudsher is aan publieke zijde TNO de kennisinstelling die samen met of in
   opdracht van bedrijven werkt aan de ontwikkeling van innovaties (naast DLO voor
   de 'groene' sector, iets meer dan half zo groot als TNO, en de GTI's). TNO is meer
   gericht op koplopers in het MKB dan op het peloton en werkt vooral voor en met
   35   Porter (1990).
   36   EZ (1997).
   37   TNO (2004).
65 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>   bedrijven die een expliciete kennisbehoefte weten te articuleren en die hun eigen
   complementaire expertise inbrengen (zie kader).
   TNO
   TNO heeft bij wet de taak er voor te zorgen dat 'op toepassing gericht onderzoek op
   doelmatige wijze dienstbaar wordt gemaakt aan het algemeen belang (..)' door het
   verrichten van onderzoek en het toegankelijk maken en overdragen van resultaten van
   dit onderzoek door middel van voorlichting en advisering, het begeleiden en onder-
   steunen van derden bij de toepassing van dit onderzoek. Deze doelstelling/ taakop-
   dracht sluit goed aan op de behoeftes van bedrijven die niet zelf aan onderzoek doen,
   de toepassers.
   Met ruim 5000 medewerkers zet TNO per jaar meer dan 550 miljoen euro om. In 2003
   ontving TNO een basisfinanciering van OCW van 79 miljoen en een doelfinanciering
   van 90 miljoen euro, waarvan ongeveer eenderde van EZ, bestemd voor cofinanciering
   (in 2005 wordt daarvan 5 miljoen aan het nieuwe MKB kennisoverdrachtprogramma
   besteed). In 2003 besteedde het bedrijfsleven 164 miljoen euro bij TNO, waarvan 40%
   uit het MKB afkomstig was. De rest van de omzet is afkomstig uit cofinanciering, uit
   het buitenland en van overheden.38
   In de jaren '90 is TNO vanuit EZ (mede) ingezet om grote bedrijven aan Nederland te
   binden door het verzorgen van een aantrekkelijke kennisinfrastructuur.39 Eind jaren '90
   zijn vanuit EZ geen middelen meer beschikbaar gesteld voor de (overigens positief geë-
   valueerde) TNO-MKB kennisoverdrachtprogramma's. Ook richtte TNO zich meer op een
   strategie van groei door inkomsten uit de markt. Deze toegenomen commerciële oriën-
   tatie vormt een belemmering voor dat deel van het MKB dat weinig ervaring heeft met
   innovatieprojecten en terugschrikt voor de klok die meteen gaat lopen bij TNO.
   In 2004 constateerde de Ad hoc Commissie brugfunctie dat TNO en de GTIs een deel
   van het bedrijfsleven, en dan met name het MKB, onvoldoende bereiken. Het kabinet
   nam dit oordeel over alsook het pleidooi van de commissie voor meer vraagoriëntatie.
   In reactie hierop heeft TNO de kennisoverdracht richting het MKB weer nadrukkelijker
   opgepakt. Het leggen van contacten met het MKB gebeurt via intermediairen als
   Syntens en de brancheorganisaties.
   d. Introduceren
   Naarmate men opschuift in het innovatietraject van het ontwikkelen in de richting
   van het testen en het introduceren van een innovatie, verlaat men de precompeti-
   tieve fase en wordt samenwerking steeds meer gehinderd door tegengestelde
   belangen. Met het verlaten van de pre-competitive fase laten we ook het domein
   van het actieve innovatiebeleid achter ons. Het introduceren van een nieuw product
   of het implementeren van een nieuw proces is bij uitstek een taak die een privaat
   doel dient, een instrument is in het concurrentieproces en daarom bij ondernemers
   thuishoort. De overheid dient zich hier te beperken tot randvoorwaardelijk beleid.
   38   TNO (2004).
   39   In reactie ook op de commissie Blankert (1995).
66 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>b1            Verantwoording aanpak
              adviestraject
    De Raad heeft voor dit advies naast een uitgebreid literatuurscan (zie bijlage 2)
    gebruik gemaakt van diverse reeds beschikbare achtergrondstudies en interviewver-
    slagen die hij in het kader van eerdere AWT-adviezen heeft uitgevoerd. De belang-
    rijkste zijn:
    .   Een uitgebreide interviewronde (ca. 100 gesprekken) met vertegenwoordigers
        van hogescholen en 'afnemers' van kennis van hogescholen ten behoeve van het
        AWT/Onderwijsraad-advies Hogeschool van kennis; kennisuitwisseling tussen
        beroepspraktijk en hogescholen. (AWT-advies nr. 47, augustus 2001)
    .   Een interviewronde (ca. 40 gesprekken) in een breed scala van bedrijven ten
        behoeve van het AWT-advies Backing Winners. Van generiek technologiebeleid
        naar actief innovatiebeleid. (AWT-advies nr. 53, juli 2003)
    .   Een interviewronde (ca. 25 interviews) gehouden met bedrijven, koepelorganisa-
        ties, ministeries en intermediaire organisaties en een breed scala aanbedrijven in
        het kader van het advies Netwerken met kennis, kennisabsorptie en kennisbenut-
        ting door bedrijven. (AWT-advies nr. 56, november 2003)
    .   Twee door Senter – in opdracht van de AWT – uitgevoerde onderzoeken naar
        informatiebronnen voor innovatie bij MKB-bedrijven middels een analyse van het
        gebruik van de SKO- en de SKB-regeling:
           - Een analyse van de regeling SKO (subsidie kennisoverdracht ondernemers).
              (april 2003).
           - Een analyse van 20 projecten uit de Subsidieregeling Kennisoverdracht
              Brancheorganisaties MKB (april 2003).
    .   Het door EIM – in opdracht van de AWT – uitgevoerde onderzoek Wat doen
        innovatieve bedrijven om aan kennis voor innovatie te komen; onderzoek naar de
        benutting van de publieke kennisinfrastructuur (november 2003). Dit document
        is beschikbaar als werkdocument op de website van de AWT (www.awt.nl).
    .   Een door Dialogic – in opdracht van AWT – uitgevoerde uitdieping van de CIS-3
        gegevens: Uitdieping diensten CIS-3. Quick scan naar het effect van bedrijfs-
        grootte en branche op innovativiteit, april 2004. Deze studie is te vinden op de
        website van de AWT onder werkdocumenten (www.awt.nl).
    .   Het door EIM –in opdracht van de AWT- uitgevoerde onderzoek Mythe en werke-
        lijkheid; gedrag van innovatieve dienstverleners in zeven sectoren (maart 2005).
        Dit onderzoek is als AWT-achtergrondstudie nr. 31 gepubliceerd en is te vinden
        op de website van de AWT (www.awt.nl).
 67 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>   Daarnaast zijn specifiek voor dit advies ca. 60 aanvullende gesprekken gevoerd en is
   gericht gezocht naar interessante buitenlandse ervaringen rond de thematiek van
   dit advies. Met de volgende personen is in het kader van dit advies gesproken. De
   Raad dankt hen van harte voor hun medewerking. Uiteraard is het in het advies
   gestelde geheel voor rekening van de Raad.
   Gesprekspartners
   Applicatiecentrum Productietechnologie         De heer F. Kramer
   BiBiz                                          De heer W.Th. Fokkema
   BOB                                            De heer M. Schaaper
   Boomaplant B.V.                                De heer B. van Luijk
   Bunnink Plants                                 De heer H. Bunnik
   De kat tooling & moulding b.v./Leonardo
   management consultancy                         De heer ir. T.F.J. Lenssen
   EIM                                            De heer drs. J.P.J. de Jong
   Erasmus Universiteit Rotterdam                 De heer dr.ing. F.A.J. van den Bosch
   FME                                            De heer ing. G. Huizinga
   FME                                            De heer drs. P.M. van Roon
   Fontys Hogeschool Eindhoven                    De heer drs. C.J.M. Geenen
   FTC                                            De heer K.A. Deppe
   HBO-Raad                                       De heer drs. A. de Graaf
   HBO-Raad                                       De heer drs. J.C. Koeslag
   HBO-Raad                                       De heer R.H. Slotman
   Hogeschool INHOLLAND Diemen                    De heer dr. D.G. Andriessen
   Hogeschool van Arnhem en Nijmegen              De heer dr.ir. J.P. Pauwelussen
   MetaalUnie                                     De heer drs. F.C. van Engelenburg
   Ministerie van EZ                              Mevrouw ir. K. Jongkind
   Ministerie van EZ                              De heer drs. H.J.T. Nieuwenhuis
   Ministerie van LNV                             De heer dr.ir. J.H.M. Davina
   Ministerie van OCW                             De heer drs. R.C. Endert
   Ministerie van OCW                             De heer mr. J. den Oudsten
   MKB Nederland                                  De heer drs. L.M.L.H.A. Hermans
   MKB Nederland                                  De heer drs. K.A. Ravesloot
   MKB Nederland                                  Mevrouw ir. G. Visser-van Erp
   NEVAT                                          De heer J.A. van der Spek
   NEVI                                           De heer J. Snijder
   NEVI Opleidingen BV                            De heer drs. H. Bruijstens
   NOM                                            De heer F.R. van der Meulen
   Nutri-akt                                      Mevrouw A. van Ginkel-Res
   Onderwijsraad                                  Mevrouw dr. L. van de Venne
   Projectbureau Innovatieplatform                De heer drs. S. Akkerman
68 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>   Regieraad Bouw                                  De heer M. van Hattem
   Regioregisseur Haaglanden                       Mevrouw drs. M. Fenijn
   SenterNovem                                     De heer ir. W.J. Zwalve
   Syntens                                         De heer drs. H. Hovestadt
   Syntens                                         De heer P. Koudstaal
   Syntens                                         De heer drs.ing. H.M. Lardenoye
   Syntens                                         De heer A.M.J. Schurgers
   Syntens                                         Mevrouw ir. M. van der Veen
   TechnologieCentrum Noord-Nederland              De heer dr.ir. P.A. Gielen
   TNO                                             De heer drs.ir. J.B.M. Louwe
   TNO                                             De heer ir. G.W.J. Oldeman
   TNO                                             De heer ir. J.A. Vogel
   TU Eindhoven                                    De heer prof.dr. G. Duysters
   TU Eindhoven                                    De heer prof.dr. A. de Man
   Veldwerk Nederland                              De heer ir. P. Duijsings
   Verkaart Groep                                  De heer ir. H. Verkaart
   Visser Carrosserie BV                           De heer R. Pol
   VNO-NCW                                         De heer drs. C. Oudshoorn
   VNO-NCW                                         De heer dr. A. ten Wolde
   VU Amsterdam                                    De heer prof. T. Elfring
   WUR LEI                                         De heer prof.dr. G. Beers
   Denemarken
   Aalborg University                              Mr. prof. B.A. Lundvall
   Copenhagen Business School                      Mr. F. Poulfelt
   Dansk Industri                                  Mr. M. Ornsholt
   Ministry of Science Technology and Innovation   Mr. K.N. Jacobsen
   Ministry of Science Technology and Innovation   Mr. S. Larsen
   Ministry of Science Technology and Innovation   Ms. M. Reuss
   National agency for Enterprise and Construction Mr. K. Birk
   National agency for Enterprise and Construction Mr. P.A. Norn
   België
   IWT                                             De heer L. de Buyser
   IWT                                             De heer B. de Potter
   IWT                                             De heer P. Zeeuwts
   Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap           De heer T. Ampe
   Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid             Mevrouw E. Monard
69 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>70 awt-advies nr. 64</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>b2               Literatuur
    - Ad hoc Commissie Brugfunctie TNO en GTI's, De kracht van directe
        verbindingen, mei 2004
    - Andriessen, Wat maakt uw organisatie uniek?: ondernemen in met intellectueel
        kapitaal in de kenniseconomie, april 2004
    - AWT, Tijd om te oogsten! Vernieuwing in het innovatiebeleid, juni 2004
    - AWT, Netwerken met Kennis; kennisabsorptie en kennisbenutting door bedrijven,
        november 2003a
    - AWT, Backing Winners; van generiek technologiebeleid naar actief innovatiebe-
        leid, juli 2003b
    - AWT, Hogeschool van kennis; kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en hoge-
        scholen, juli 2001
    - Baumol, Four Sources of Innovation and Stimulation of Growth in the Dutch
        Economy, september 2003
    - Baumol, W.J., The Free-Market Innovation Machine - Analyzing the Growth
        Miracle of Capitalism, 2002
    - Berenschot, Verweij, Kolk, Vogelaar, Rapportage stakeholdersanalyse technolo-
        giemonitor voor MKB-Nederland/ EZ, februari 2003
    - Berg Jensen, Johnson, Lorenz en Lundvall, Absorptive capacity, forms of know-
        ledge and economic development, 2004
    - Brouwer, Den Hertog, Poot, Segers, WBSO nader beschouwd,
        EZ onderzoeksreeks juni 2002
    - Bureau Bartels, De rol van provincies op het gebied van innovatie en kenniseco-
        nomie, november 2004
    - Bureau Bartels, Evaluatie Syntens, 2001
    - Bureau Bartels, Kennis maakt kracht, evaluatie van de regeling kennisdragers in
        het midden en kleinbedrijf, 1996
    - CBS, Kennis en economie 2004, 2005
    - CBS, Innovatie bij de kleinste bedrijven (1998-2000), oktober 2003
    - Commissie Tussentijdse Evaluatie Lectoren en Kenniskringen, Succesfactoren voor
        lectoraten in het HBO, 2005
    - Commissie Tussentijdse Evaluatie Lectoren en Kenniskringen, Een steen in de vij-
        ver: de introductie van lectoraten in het HBO, 2004
    - Derix, Het succes van samen; Verkenningen in co-development en clustering,
        tweede editie, 2002
    - Dialogic, Naar een meetlat voor wisselwerking, oktober 2003
    - Dijk12, van Bruggen, de Vries, Kenniscirculatie HBO en MKB: Rol en positie lecto-
        raten; stand van zaken 2004, oktober 2004
    - Donders en Nahuis, De risico's van kiezen, in: ESB maart 2004
 71 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>   - Duysters, Partner or perish, surviving in the network economy, inaugurele rede,
       juni 2001
   - EIM, Nieuw ondernemerschap in herstel : Global Entrepreneurship Monitor 2004,
       mei 2005a
   - EIM, Een bron van vernieuwing, 2005b
   - EIM Van Mythe naar werkelijkheid; gedrag van innovatieve dienstverleners in
       zeven sectoren, 2005c
   - EIM, Pleijster, Innovatief ondernemerschap en de rol van brancheorganisaties:
       een exploratieve toets, juli 2004a
   - EIM, Ondernemen in de ambachten 2003, 2004b
   - EIM, Opleidingsniveau MKB-beleidspanel, december 2004c
   - EIM, Opleidingsniveau in MKB stijgt, juni 2004d
   - EIM en rZO, Kansrijker door samenwerking, kenmerken en resultaten van samen-
       werking door kleine ondernemingen, 2003
   - EIM, Willen en kunnen innoveren: een segmentatie van het MKB, 2003a
   - EIM, De kortste route naar een kennisrijk MKB, 2003b
   - EIM, Wat doen innovatieve bedrijven zelf om aan kennis voor inovatie te
       komen?, 2003c
   - EIM, de Jong en Prince, Effectief technologisch innoveren; De rol van niet-tech-
       nologische aspecten bij innovatie in industriële bedrijven, oktober 2002a
   - EIM, Nulmeting Syntens, 2000
   - EIM, uit Beijerse, Kennis op maat van het MKB: Kennismanagement voor onder-
       nemers, april 1999a
   - EIM, MKB-Kenniscirkels: Waar zoekt het MKB welke kennis?, december 1999b
   - Europese Commissie, Observatory of European SMEs, Competence development
       in SMEs, 2003/1
   - Europese Commissie, Observatory of European SMEs, SMEs and cooperation,
       2003/5
   - Europese Commissie, DG Employment and social affairs, New forms of work
       organisation: The obstacles to wider diffusion, 2002
   - Europese Commissie, Mededeling van de Commissie - Communautaire kaderre-
       geling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling, Publicatieblad C 45,
       17.02.1996
   - Gelauff, Makel-schakel in het licht van buitenlandse ervaringen, CPB
       Memorandum, januari 2002
   - Hansen, The search-transfer problem: the role of weak ties in sharing knowledge
       across organization subunits, 1999
   - HBO Raad, Innovatieagenda hogescholen: maximale participatie en kenniscircula-
       tie, januari 2004
   - HBO Raad en VNO-NCW, Aan de slag met innovatie: versterking rol HBO in de
       kenniscirculatie met het MKB, september 2004
   - Hertog, den en Segers, Service innovation policies: a comparative study, 2003
72 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>   - Hirsch-Kreinsen, Jacobson, Laestadius, Smith, Low-Tech Industries and the
       Knowledge Economy: State of the Art and Research Challenges, augustus 2003
   - IBO Regionaal, Economisch Beleid in de toekomst, IBO 2003-2004, nr. 5
   - IBO technologiebeleid, Samenwerken en stroomlijnen: Opties voor een effectief
       innovatiebeleid, 2002
   - Innovatieplatform, Eindvoorstellen Dynamisering Beroepsonderwijs, oktober 2004
   - Lund Vinding, Absorptive capacity and innovative performance: A human capital
       approach, 2002
   - Lundvall, Innovation Policy in the Learning Economy; Contribution to the Dutch
       Innovation Platform, mei 2004a
   - Lundvall, Lorenz en Drejer, Report from the Loc Nis policy workshop 'How
       Europe's economies learn, maart 2004
   - Lorenz en Valeyre, Organisational change in Europe: national models or the
       Diffusion of a new 'One best way'?, DRUID WP n04-04, juni 2003
   - Man, de en Duysters, Samenwerking en innovatie: Literatuuroverzicht van de
       relatie tussen innovatiekracht en interorganisatorische samenwerking, 2002
   - Man, de en Duysters, De positie van Nederlandse bedrijven in innovatie-
       netwerken, 2003
   - Ministerie van EZ, Sterke basis voor topprestaties: vernieuwde EZ-instrumenten
       voor ondernemers, notitie bij de brief over Herijking Financieel Instrumentarium
       aan de Tweede Kamer, 30 mei 2005
   - Ministerie van EZ, Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van
       Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2005, memorie van toelichting, 2004
   - Ministerie van EZ, Clusterbrief, 1997
   - Ministerie OCW, Actieplan Leven Lang Leren, november 2004
   - Nederland Kennisland, Kennis als water; 4 vragen over leven lang leren en wat
       huiswerk, juni 2004
   - Nooteboom, Innovatie: theorie en beleid, inaugurele rede, oktober 2004
   - Nonaka en Takeuchi, The knowledge creatig company, 1995
   - Onderwijsraad, Werk maken van een leven lang leren, november 2003
   - Porter, The Competitive Advantage of Nations, 1990
   - Projectdirectie Leren & Werken, Leren & Werken versterken; Plan van aanpak
       2005-2007, mei 2005
   - Raad van de Europese Unie, Conclusies van de voorzitter, 04.05, 23 maart 2005
   - Remijnse, Marketingbureau Mary, Eindevaluatie project kennisvouchers Zuid-
       Nederland, 2004
   - Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, Loont het investeren in het
       personeel?, januari 2003
   - Risseeuw, Thurik, Handboek Ondernemers en Adviseurs: management en econo-
       mie van het midden- en kleinbedrijf, 2003
   - Schumpeter, The Theory of Economic Development, 1934
   - Senter, Informatiebronnen voor innovatie bij MKB-bedrijven, Een analyse van 20
       projecten uit de Subsidie-regeling Kennisoverdracht Brancheorganisaties MKB,
       april 2003a
73 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>   - Senter, Informatiebronnen voor innovatie bij MKB-bedrijven, een analyse van de
       regeling SKO, april 2003b
   - SER, Interactie voor innovatie, 2003
   - Smith, The 'knowledge economy' and distributed knowledge bases in low and
       medium technology industries, 2004
   - Stichting van de Arbeid, Inventarisatie naar de aard en omvang van scholingsin-
       spanningen van sociale pertners in bedrijfstakken en ondernemingen, oktober
       2002
   - Stokes, Pasteur's Quadrant; basic science and technological innovation, 1997
   - Technopolis, Making Technological Knowledge Work - A study of the Absorptive
       Capacity of Irish SMEs, februari 2005
   - Technopolis, Evaluatie van het clusterbeleid, 2002
   - TNO, Jaarverslag 2003, 2004
   - Trendchart, Country Report, The Netherlands: covering period september 2002-
       august 2003, 2003
   - Van der Weerdt, Volberda, Verwaal, Firm size and flexibility: when less is more,
       2004
   - VNO-NCW, Innovatiebevordering MKB, 2004
74 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>        Serie uitgebrachte adviezen van de
        Adviesraad voor het Wetenschaps-
        en Technologiebeleid
   64 Innovatie zonder inventie. Kennisbenutting in het MKB. Juli 2005.
        ISBN 90 77005 29 3. € 12,50.
   63 Kennis voor beleid - beleid voor kennis. Mei 2005.
        ISBN 90 77005 28 5. € 12,50.
   62 De waarde van weten.De economische betekenis van universitair onderzoek.
        April 2005.
        ISBN 90 77005 005. € 9,00.
   61 Een vermogen betalen. De financiering van universitair onderzoek.
        Februari 2005
        ISBN 90 77005 27 7. € 12,50.
   60 Samen slimmer in ketens. Competenties in supply chain management als concur-
        rentiefactor voor Nederlandse bedrijven. December 2004
        ISBN 90 77005 25 0. € 12,50.
   59 Tijd om te oogsten! Vernieuwing in het innovatiebeleid. Juni 2004.
        ISBN 90 77005 24 2. € 12,50.
   58 De prijs van succes. Over matching van onderzoekssubsidies in kennisinstellin-
        gen. April 2004.
        ISBN 90 77005 22 6. € 12,50.
   57 Nederlands kompas voor de Europese onderzoeksruimte. Strategisch kader voor
        de internationalisering van het onderzoeks- en innovatiebeleid. Januari 2004.
        ISBN 90 77005 21 8. € 12,50.
   56 Netwerken met kennis. Kennisabsorptie en kennisbenutting door bedrijven.
        November 2003.
        ISBN 90 77005 20 X. € 12,50.
   55 Wat van ver komt... De vormgeving van het Nederlandse bilaterale onderzoeks-
        beleid. Oktober 2003.
        ISBN 90 77005 19 6. € 9,00.
   54 1+1>2. De bevordering van multidisciplinair onderzoek. September 2003.
        ISBN 90 77005 18 8. € 12,50.
   53 Backing winners. Van generiek technologiebeleid naar actief innovatiebeleid. Juli
        2003.
        ISBN 90 77005 17 X. € 15,00.
   52 Kennis van criminaliteit. Juni 2003.
        ISBN 90 77005 16 1. € 9,00
   51 Wijsheid achteraf. De verantwoording van universitair onderzoek. Juni 2003.
        ISBN 90 77005 15 3. € 9,00
   50 Naar een nieuw maatschappelijk contract. Synergie tussen publieke kennisinstell-
        lingen en de Nederlandse kennissamenleving. Januari 2003.
        ISBN 90 77005 14 5. € 5,00
75 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>   49 Gewoon doen!? Perspectief op de Barcelona-ambitie '3% BBP voor O&O'. Juli
        2002.
        ISBN 90 77005 11 0. € 9,08
   48 KP6 laten werken. Stimuleren Nederlandse deelname: profijt en beleid. Juli
        2002.
        ISBN 90 77005 10 2. € 12,50
   47 Hógeschool van Kennis. Kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en hogescholen.
        Juli 2001.
        ISBN 90 77005 05 6. € 11,34
   46 Handelen met kennis. Universitair octrooibeleid omwille van kennisbenutting.
        Juni 2001.
        ISBN 90 77005 03 X. € 9,08
   45 Over stromen. Kennis - en innovatieopgaven voor een waterrijk Nederland.
        Advies en Verkenning door de AWT, NRLO en RMNO, juni 2000. € 11.34
   44 Investeren in onderzoek, april 2000.
        ISBN 90 346 3823 5. € 9,08
   43 Halfslachtige wetenschap. Onderbenutting van vrouwelijk potentieel als existen-
        tieel probleem voor academia, januari 2000.
        ISBN 90 346 3798 0. € 11,34
   42 Communicatie over wetenschap en techniek, november 1999.
        ISBN 90 346 3758 1. € 9,08
   41 Vitaliteit en kritische massa. Strategie voor de natuur- en technische weten-
        schappen, augustus 1999.
        ISBN 90 346 3724 7. € 13,61
   40 Cultureel erfgoed en wetenschapsbeoefening. Advies van de AWT en de Raad
        voor Cultuur, juli 1999.
   39 Advies HBO en Kenniscirculatie. Advies van de AWT en de Onderwijsraad, juni
        1999.
   38 Hoofdlijnen Innovatiebeleid, juni 1999.
        ISBN 90 346 3685 2; € 11,34.
   37 Hoofdlijnen Wetenschapsbeleid, februari 1999.
        ISBN 90 346 3658 5; € 11,34.
   36 Ruimtevaartbeleid, juli 1998.
        ISBN 90 346 3590 2; € 11,34.
   35 Prioriteiten 1998, beleidsadvies naar aanleiding van de verkenningen uit de peri-
        ode 1996-1998, juni 1998.
        ISBN 90 346 3586 4; € 13,61.
   34 Reactie op Strategisch Plan TNO 1999-2002, maart 1998.
        ISBN 90 346 3549 x; € 9,08.
   33 Onschatbare rijkdom aan kennis; financiële verslaglegging en innovatief
        vermogen van ondernemingen, maart 1998.
        ISBN 90 346 3534 1; € 11,34.
   32 Het nut van de grote technologische instituten, februari 1998.
76 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>        ISBN 90 346 3532 5; € 13,61.
   31 De structurele behoefte aan informatici, februari 1998.
        ISBN 90 346 3527 9; € 11,34.
   30 Reactie op ontwerp-HOOP 1998, november 1997.
        ISBN 90 346 3502 3; € 11,34.
   29 Wisselwerking tussen 'zachte' en 'harde' kennis, oktober 1997.
        ISBN 90 346 3488 4; € 11,34.
   28 Een werkzaam leven lang leren, juli 1997.
        ISBN 90 346 3460 4; € 11,34.
   27 De invloed van wet- en regelgeving op innovaties, maart 1997.
        ISBN 90 346 3420 5; € 13,61.
   26 Reactie op het Wetenschapsbudget 1997, oktober 1996.
        ISBN 90 346 3359 4; € 13,61.
   25 Oude wereld, nieuwe kansen.... Kennisuitwisseling met Oost-Azië, juni 1996.
        ISBN 90 346 3312 8; € 13,61.
   24 Report on the Netherlands position on the Fifth Framework Programme of the
        EU, april 1996.
        ISBN 90 346 3307 1; € 11,34.
   23 Regionaal Technologiebeleid, november 1995.
        ISBN 90 346 3241 5; € 11,34
   22 Onderzoek is mensenwerk; ruimte voor management van human resources, juli
        1995.
        ISBN 90 346 3203 2; € 13,61.
   21 Advies over relatie overheid-TNO, april 1995.
        ISBN 90 346 3167 2; € 9,08.
   20 Advies inzake de para-universitaire instituten, februari 1995.
        ISBN 90 3463156 7; € 9,08.
   19 Exploitatie van universitaire kennis, februari 1995.
        ISBN 90 346 3151 6; € 9,08.
   18 Jaarbeschouwing 1994, oktober 1994.
        ISBN 90 346 3115 x; € 9,08.
   17 Verankering van onderzoekstimuleringsprogramma's, oktober 1994.
        ISBN 90 346 3108 7; € 9,08.
   16 Technologiebeleid en economische structuur, april 1994.
        ISBN 90 346 3071 4; € 15,88.
   15 Advies over onderzoekscholen, januari 1994.
        ISBN 90 346 2900 7; € 9,08.
   14 Advies over de NWO-organisatie, oktober 1993.
        ISBN 90 346 3011 0; € 9,08.
   13 Nederland Vestigingsland, april 1993.
        ISBN 90 346 2991 0; € 13,61.
   12 Advies over het Strategisch Beleidsdocument 1993, maart 1993.
        ISBN 90 346 2986 4; € 9,08.
77 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>   11 Technici en onderzoekers: kwaliteit en kwantiteit, december 1992.
        ISBN 90 346 2973 2; € 11,34
   10 Jaarbeschouwing 1992: Vier aandachtspunten voor het Kabinetsbeleid,
        oktober 1992.
        ISBN 90 346 2955 4; € 11,34.
   9    Opmaat voor profilering; advies inzake het Meerjarenplan 1993-1997 van NWO,
        juli 1992.
        ISBN 90 346 2923 6; € 11,34.
   8    Advies inzake de apparatuurvoorziening voor het (para-)universitaire onderzoek,
        juli 1992.
        ISBN 90 346 2917 1; € 11,34.
   7    Advies inzake de verhouding tussen nationaal en internationaal W&T-beleid,
        mei 1992.
        ISBN 90 346 2820 5; € 11,34.
   6    Techniek & Maatschappij; advies over de factor techniek voor de maatschappij
        van morgen, mei 1992.
        ISBN 90 346 2813 2; € 11,34.
   5    Advies inzake het Beleidsplan Wetenschap en Technologie 1991-1994 van het
        Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, april 1992.
        ISBN 90 346 2807 8; € 6,81.
   4    Wetenschappen en weten scheppen; advies over de overheidsfinanciering van
        universitair onderzoek, januari 1992.
        ISBN 90 346 2751 9; € 11,34.
   3    Jaarbeschouwing 1991, oktober 1991.
        ISBN 90 346 2679 2; € 4,54.
   2    Advies inzake de Technische Universiteiten (te zamen met de Adviesraad
        voor het Hoger Onderwijs (ARHO) uitgebracht), juli 1991.
        ISBN 90 346 2617 2; € 11,34.
   1    Advies Voorstellen voor de agenda van de Overlegcommissie Verkenningen, juli
        1991.
        ISBN 90 346 2628 8; € 6,81.
   AWT-publicaties zijn te bestellen via www.awt.nl.
   Het is ook mogelijk schriftelijk of telefonisch te bestellen bij:
   AWT Secretariaat
   Javastraat 42
   2585 AP Den Haag
   T 070-3110920
   F 070-3608992
   E secretariaat@awt.nl
   Vermeld u duidelijk titel, ISBN en afleveradres.
78 awt-advies nr. 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>