<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>61
  Een vermogen betalen
  De financiering van universitair onderzoek
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>  Colofon
  Vormgeving:       Junior beeldvorming - Zoetermeer
  Druk:             Quantes - Rijswijk
  Februari 2005
  ISBN 90 77005 27 7
  Verkoopprijs      € 12,50
  Auteursrecht
  Alle rechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen van
  deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke
  toestemming van de AWT. Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van
  organisatienaam en naam en jaartal van uitgave.
2 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  Inhoudsopgave
            Samenvatting                                                          5
  1         Ambitie en focus van het advies                                       9
                    Ambitie van het advies                                        9
                    Focus van het advies                                          9
  2         Context van het advies                                               11
  3         Discussies over financiering                                         13
                    Financiering verder horizontaliseren?                        13
                    Kwaliteit verder belonen?                                    14
                    Meer prikkels in het systeem?                                14
  4         Positie van de AWT                                                   17
                    Wat willen we van het universitair onderzoek?                17
                    Stevige basis in de eerste geldstroom                        19
                    Hoogvlakte met pieken                                        20
                    Juiste prestaties belonen                                    20
                    Transparant en eenvoudig                                     21
  5         Beoordeling huidige financiering                                     23
                    Uitdaging 1: meer focus en massa                             24
                    Uitdaging 2: meer benutting                                  24
                    Uitdaging 3: behoud van onderzoekscapaciteit in studentrijke
                    vakgebieden                                                  25
                    Uitdaging 4: een hanteerbare omvang van matching             25
                    Uitdaging 5: meer transparantie                              26
                    Kwaliteits is géén uitdaging                                 27
  6         Aanbevelingen                                                        29
  Bijlage 1         Discussies over de financiering van universitair onderzoek   35
  Bijlage 2         Veranderingen in de financiering van universitair onderzoek  37
  Bijlage 3         Veranderingen in de praktijk van universitair onderzoek      47
  Bijlage 4         Gesprekspartners                                             53
  Bijlage 5         Internationale vergelijking                                  55
                    Lijst van uitgebrachte adviezen                              61
3 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>4 awt-advies nr. 61</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
  De financiering van het universitaire onderzoek staat volop ter discussie. Veel partij-
  en menen dat de manier waarop universiteiten nu geld krijgen voor hun onderzoeks-
  taak toe is aan verandering. Met dit advies wil de AWT de discussie over dit onder-
  werp verrijken en verdiepen. De centrale vraag luidt: ‘hoe moet de financiering van
  het universitaire onderzoek worden ingericht om de doelstellingen daarvan optimaal
  te (doen) realiseren’.
  Dit advies gaat over alle geldstromen die naar het universitaire onderzoek vloeien.
  Wij doen hier dus uitspraken over de inrichting van zowel de eerste, de tweede als
  de derde geldstroom.
  Eisen aan financiering
  Binnen de publieke kennisinfrastructuur hebben universiteiten volgens de AWT twee
  taken: zij moeten onderzoekers en afgestudeerden opleiden en grensverleggend,
  risicodragend onderzoek doen. Deze taken kunnen zij niet overlaten aan andere
  kennisinstellingen. Universiteiten vormen de motor achter de kennisinfrastructuur
  van ons land.
  Om hun taken naar behoren uit te voeren, horen universiteiten volgens de AWT
  vooral ‘kennis als vermogen’ te leveren. Niet het doen van vindingen, maar het
  behoud van vindingrijkheid hoort centraal te staan binnen universiteiten. Dit heeft
  grote gevolgen voor de financiering van het universitaire onderzoek. Zo’n systeem
  moet volgens de AWT minimaal:
  … een stevige basis bieden in de eerste geldstroom …
  De ontwikkeling van ‘kennis als vermogen’ vergt diepte-investeringen.
  Onderzoekslijnen hebben lang nodig om tot wasdom te komen. Vaak is niet bekend
  welk onderzoek in de toekomst van grote waarde zal blijken te zijn. Bovendien is
  onderzoek een creatief proces waarvan de uitkomsten niet altijd te voorspellen zijn.
  Om deze redenen hebben de universiteiten behoefte aan een lump sum financiering
  die langjarige zekerheid biedt.
  … een hoogvlakte met pieken ondersteunen …
  Als klein, open land moet Nederland goed aangesloten zijn op de wereldwijde pro-
  ductie van kennis en deze goed ontsluiten en weten te benutten. Dit vereist dat we
  hier wetenschappelijk onderzoek doen over de volle breedte van het spectrum. Op
  deze hoogvlakte moeten we streven naar de ontwikkeling of uitbouw van een
  beperkt aantal pieken. Deze moeten ontstaan op gebieden die voor Nederland cru-
  ciaal zijn of op gebieden waarin we al heel goed zijn.
5 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  … de juiste prestaties belonen …
  Het is billijk om instellingen die goed presteren een groter aandeel uit de rijksbijdra-
  ge te gunnen dan instellingen die minder goed presteren. Maar de kunst is om de
  juiste prestaties te belonen. Volgens de AWT hoort de rijksbijdrage in ieder geval
  prestaties te belonen op het gebied van menselijk kapitaal. Daarom vinden wij het
  opportuun om universitair onderzoek voor een deel te financieren op basis van het
  aantal promovendi en afgestudeerden.
  … en transparant en eenvoudig zijn.
  Elk stelsel ter financiering van het universitaire onderzoek moet eenvoudig zijn om
  de administratieve lasten te beperken en eventueel misbruik te voorkomen. En het
  moet transparant te zijn om het draagvlak voor die financiering te behouden, dan
  wel te vergroten.
  Uitdagingen
  De AWT vindt de bestaande inrichting van de totale financiering van het universitai-
  re onderzoek op onderdelen verouderd. Het huidige systeem is ontworpen voor een
  tijd waarin de internationale concurrentie binnen het onderzoek gering was, de
  omvang van de tweede en derde geldstroom binnen de perken bleef en van de uni-
  versiteiten geen grote bijdrage werd verwacht aan onze innovatiekracht. Deze tijd
  bestaat niet meer. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw staat de financiering
  van het universitaire onderzoek volgens de AWT voor vijf grote uitdagingen. In het
  universitaire onderzoek bestaat behoefte aan …
  1. … meer focus en massa …
  Dit is nodig om de kwaliteit en vitaliteit van onderwijs en onderzoek veilig te stellen
  in die gebieden waar sprake is van versnippering of subkritische massa. Bovendien
  stelt de voortschrijdende internationalisering van de wetenschap en het toenemen-
  de belang van de wisselwerking tussen onderzoekers en gebruikers steeds zwaarde-
  re eisen aan de herkenbaarheid en zichtbaarheid van onderzoeksgroepen. Om hierin
  verandering te brengen, moeten in de financiering van het universitaire onderzoek
  prikkels worden ingebouwd om gericht focus en massa te realiseren.
  2. … meer benutting van kennis …
  Nederland wil uitgroeien tot een kennissamenleving van allure. Daartoe zal de rela-
  tie tussen het universitaire onderzoek en de Nederlandse samenleving moeten wor-
  den versterkt. Op dit moment verrichten universiteiten al veel contractonderzoek.
  De AWT juicht dit toe, maar stelt ook vast dat de benutting van wetenschappelijke
  kennis in Nederland achterblijft bij wat wenselijk is. Universiteiten moeten worden
  uitgedaagd om een nog betere bijdrage te leveren aan de benutting van weten-
  schappelijke kennis.
6 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>  3. … behoud van onderzoekscapaciteit in studentrijke gebieden …
  In delen van de alfa- en gammawetenschappen is sprake van een zeer hoge onder-
  wijslast. Hierdoor staat de onderzoekscapaciteit in die disciplines onder grote druk:
  onderwijs moet te allen tijde doorgang vinden, de rek wordt gevonden in onder-
  zoekstijd. De AWT acht dit ongewenst. Het universitaire onderzoek moet zo gefi-
  nancierd worden dat het vermogen om nieuwe kennis te produceren en over te
  dragen over de hele breedte behouden blijft.
  4. … een hanteerbare omvang van matching …
  De laatste jaren is het bedrag dat omgaat in de tweede en derde geldstroom enorm
  gestegen. Het beslag van matching op de eerste geldstroom is navenant gegroeid.
  Hierdoor staan universiteiten voor een lastige keuze. Of zij blijven hun matchings-
  verplichtingen opbrengen door in te teren op hun investeringscapaciteit. Of zij bren-
  gen de matchingsverplichtingen omlaag door hun inkomsten uit de tweede en
  derde geldstroom te verminderen. Geen van beide opties is houdbaar zodat een
  snelle aanpak van de problematiek rond matching nodig is.
  5. … en meer transparantie.
  Het blijkt lastig om zicht te krijgen op de precieze omvang van de derde geld-
  stroom. Daarnaast ontbreekt voor de buitenwacht het zicht op de ratio achter de
  toedeling van een belangrijk deel van de eerste geldstroom. De AWT acht dit onge-
  wenst. Om het publieke draagvlak voor universitair onderzoek duurzaam in stand te
  houden, moet het transparanter gefinancierd worden.
  Aanbevelingen
  Voorgaande uitdagingen wachten op een antwoord. Met het oog hierop doet de
  AWT zes aanbevelingen. Deze zijn gericht aan meerdere betrokkenen, de ministers
  van OCW en EZ voorop.
  1. Zet de tweede geldstroom zo in dat deze focus en massa in het universi-
  taire onderzoek sterker bevordert.
  De minister van OCW dient NWO (inclusief STW) de bevordering van focus en
  massa als duidelijke taak mee te geven en de organisatie hierop aan te spreken.
  Hiertoe dient de bevordering van focus en massa een prominente plaats te krijgen
  in de nieuwe strategienota van NWO.
  2. Breng meer samenhang aan binnen het EZ-deel van de derde geldstroom
  zodat dit de benutting van het universitaire onderzoek beter stimuleert.
  Op dit moment bestaan er al tal van programma’s en projecten om het universitair
  onderzoek beter te laten aansluiten op economische vragen: Bsik, TTI’s, IOP’s, het
7 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  EZ-deel van de smart mix et cetera. Dit geld is al beschikbaar en kan effectiever
  worden ingezet door er meer regie op te zetten.
  3. Vergroot het compartiment in het onderzoeksdeel van de eerste geld-
  stroom dat afhankelijk is van het aantal uitgereikte diploma’s.
  Op dit moment worden onderzoeksmiddelen in de eerste geldstroom al voor 15%
  toegekend op basis van het aantal uitgereikte diploma’s. Door dit compartiment te
  vergroten, ontvangt de onderzoekscapaciteit in studentrijke disciplines een extra
  impuls. Wij denken hierbij aan een verhoging met enkele procenten.
  4. Herzie de matchingssystematiek zodanig dat financiers uitgaan van de
  stelregel dat zij de integrale kosten dienen te betalen tenzij er sprake is
  van een publiek wetenschappelijk belang.
  De AWT roept de minister van OCW op het initiatief te nemen tot instelling van een
  zogeheten Financiers Forum. In dit forum moeten alle financiers en kennisinstellin-
  gen komen tot heldere afspraken en gedragsregels over de financiering van univer-
  sitair onderzoek.
  5. Maak de samenstelling van de strategische overwegingen component
  transparanter.
  De AWT adviseert de minister van OCW om de samenstelling van de eerste geld-
  stroom, in het bijzonder van de strategische overwegingen component, transparan-
  ter te maken.
  6. Zet géén stappen om de eerste geldstroom verder te dynamiseren.
  De voorgaande aanbevelingen komen bovenop de invoering van de smart mix in
  2006 en bovenop een te voorziene groei van de tweede en derde geldstroom.
  Verder dynamiseren van de eerste geldstroom zal ertoe leiden dat de productie van
  kennis als vermogen onder grote druk komt te staan. Daarom adviseert de AWT de
  minister van OCW om géén stappen te zetten die moeten leiden tot een verdere
  dynamisering van de eerste geldstroom.
8 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                         1                Ambitie en focus van het advies
                             De financiering van het universitaire onderzoek staat volop ter discussie. Veel partij-
                             en menen dat de manier waarop het universitaire onderzoek wordt gefinancierd toe
                             is aan verandering (zie bijlage 1 voor een schets van de recente discussies). De AWT
                             neemt deze geluiden serieus en brengt daarom op eigen initiatief een advies uit. Dit
                             beantwoordt de volgende vraag.
                                       ‘Hoe moet de financiering van het universitaire onderzoek worden ingericht
                                       om de doelstellingen daarvan optimaal te (doen) realiseren?’
                             Ambitie van het advies
        Discussie verrijken  Met dit advies wil de AWT de discussie over de financiering van het universitaire
            en verdiepen …   onderzoek verrijken en verdiepen. Terwijl veel bijdragen aan die discussie concrete
                             oplossingen en maatregelen aandragen, doet de AWT een stap terug. Wij doen dat
                             door de financiering van het universitaire onderzoek te plaatsen in het licht van de
                             taakstelling van dat onderzoek. In het verlengde hiervan analyseert de AWT de uit-
… door financiering te zien  dagingen waaraan de financiering van het universitaire onderzoek het hoofd moet
 in relatie tot taakstelling bieden. Op basis van deze analyse komen wij tot aanbevelingen voor veranderingen
              universiteiten in de financiering van het universitaire onderzoek.
                             Focus van het advies
    Inrichting financiering  Dit advies gaat over de inrichting van de financiering van het universitaire onder-
     centraal, niet omvang   zoek. Het gaat met andere woorden over de vragen waartoe en hoe we het univer-
                             sitaire onderzoek betalen. Deze inrichtingsvragen staan los van vragen over de
                             omvang van die financiering. Ongeacht de omvang van de totale financiering van
                             het universitaire onderzoek zal de overheid altijd uitspraken moeten doen over de
                             inrichting daarvan. Hierover gaat dit advies.
            Geldstromen in   In dit advies staat de inrichting van de eerste, de tweede en de derde geldstroom
                samenhang    centraal. Deze geldstromen functioneren in samenhang en beïnvloeden elkaar over
                   bekijken  en weer. Daarom doet de AWT hier uitspraken over de inrichting van álle geldstro-
                             men naar het universitaire onderzoek.
     Universitaire taken in  In dit advies beschouwen wij het universitaire onderzoek in relatie tot de overige
      samenhang bekijken     taken van universiteiten: onderwijs en kennisoverdracht. In de praktijk hangen deze
                             awt-advies nr. 61
                          9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>   taken nauw samen. Daarmee heeft de financiering van het universitaire onderzoek
   onvermijdelijk gevolgen voor de uitvoering van onderwijs en kennisoverdracht. De
   financiering van beide andere taken blijft in dit advies buiten beschouwing.
10 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                         2                 Context van het advies
                             De afgelopen decennia is de financiering van het universitaire onderzoek ingrijpend
                             gewijzigd (zie bijlage 2 voor een overzicht). De grootste verandering is dat het
Tweede en derde geldstroom   belang van de tweede en derde geldstroom sterk is toegenomen. Intussen wordt de
         zijn sterk gegroeid helft van alle universitaire onderzoekers betaald uit de tweede en derde geldstroom.
                             Hierbij is de eerste geldstroom niet gegroeid. Gecorrigeerd voor inflatie was de rijks-
                             bijdrage voor onderzoek en onderwijs samen in 2003 even groot als in 1983.
                             Parallel hieraan is de inrichting van de eerste geldstroom veranderd. Tot 1983 wees
                             de overheid universiteiten geen aparte middelen toe voor onderzoek. Feitelijk finan-
                             cierden universiteiten hun onderzoeksactiviteiten destijds uit onderwijsmiddelen. In
                             1984 heeft de overheid een apart onderzoekscompartiment geïntroduceerd in de
                             eerste geldstroom.1 Na enige experimenten met de voorwaardelijke financiering
                             werden de onderzoeksmiddelen steeds meer verdeeld op basis van prestaties. Dit
                             gold in 2003 voor circa 35% van de onderzoeksmiddelen uit de eerste geldstroom.
                             De veranderingen in de drie geldstromen hebben ervoor gezorgd dat de totale
                             financiering van het universitaire onderzoek thans voor bijna 60% plaatsvindt op
                             basis van prestaties (zie tabel 1). Ongeveer 40% van de hele financiering van het
   60% van alle financiering universitaire onderzoek is momenteel niet direct gerelateerd aan prestaties; dit is de
           gebeurt op basis  zogeheten Strategische Overwegingen Component (SOC). De verdeelsleutel van
              van prestaties deze SOC over de universiteiten is overigens in de loop van de tijd herhaaldelijk
                             gewijzigd. Met de introductie van de zogeheten smart mix in 2006 zal het prestatie-
                             gerelateerde deel van de totale financiering van het universitaire onderzoek verder
                             stijgen tot ongeveer tweederde.
                              1   Aanvankelijk werden deze middelen geoormerkt toegekend. In de jaren negentig is de overheid overgegaan tot een
                                  systeem van lump sum financiering met nog steeds een aparte toerekening voor onderzoek. Dit compartiment in de
                                  rijksbijdrage was overigens aanzienlijk groter dan de middelen die vóór 1993 werden geoormerkt voor onderzoek. De
                                  reden hiervoor is dat onder de noemer ‘onderzoek’ veel eerste geldstroommiddelen zijn gevat die voordien voor heel
                                  andere taken waren geoormerkt (bestuur, maatschappelijke dienstverlening). In die zin oogt het compartiment ‘onder-
                                  zoek’ in de eerste geldstroom sinds 1993 veel groter dan feitelijk beschikbaar is voor het uitvoeren van onderzoek.
                          11 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                           Tabel 1: opbouw totale financiering universitair onderzoek in 2003.2
                                                                                                    Omvang                 aandeel
                                                               
                                                                   SOC                              M€ 926                 42%
                                                                                                                                     
                                                                   diploma’s                        M€ 213                 10%
                           1e geldstroom
                                                                   promoties                        M€ 174                 8%
                                                                                                                                         Prestaties
                                                                   onderzoeksscholen                M€       91            4%
                           2e geldstroom                                                            M€ 238                 11%
                           3e geldstroom                                                            M€ 587                 26%
                           Totaal                                                                   M€ 2229                100%
Het aantal onderzoekers    Behalve de financiering is ook de praktijk van het universitaire onderzoek de afge-
      is toegenomen …      lopen decennia gewijzigd (zie bijlage 3). Tal van maatregelen zijn genomen om de
                           programmering te verbeteren (onderzoeksscholen), de kwaliteit te verhogen (visita-
                           ties) en de opleiding van onderzoekers te verbeteren (onderzoeksscholen). Tussen
   … hun productiviteit    1980 en 2001 is het aantal onderzoekers bijna 70% gestegen. Veel van deze groei
          is gestegen …    is gerealiseerd in de tweede en derde geldstroom. Parallel hieraan is de producti-
                           viteit van het universitaire onderzoek gestegen. In 2001 produceerden universitaire
                           onderzoekers anderhalf maal meer publicaties dan in 1980. Deze stijging is niet ten
                           koste gegaan van de kwaliteit. De impact van wetenschappelijke publicaties van
    … en de kwaliteit is   Nederlandse onderzoekers behoort tot de hoogste ter wereld. Afgemeten aan dit
         hoog gebleven     criterium horen Nederlandse universiteiten tot de beste van Europa.
                           Voornoemde ontwikkelingen vormen de achtergrond van de huidige, felle discussies
                           over de financiering van het universitaire onderzoek. Kern hiervan is de vraag of en
                           hoe de financiering van het universitaire onderzoek moet worden gedynamiseerd.
                           ‘Dynamiseren’ wil hier zeggen dat de financiering van het universitaire onderzoek
                           minder afhankelijk wordt van toekenningen op basis van historische voeten.
                           2    B. Jongbloed en C. Salerno, De bekostiging van het universitaire onderwijs en onderzoek in Nederland. Modellen, the-
                                ma’s en trends, p. 43 (te vinden op www.awt.nl als AWT-werkdocument 2004). NWO, Jaarboek 2003 (Den Haag 2004),
                                p. 85. De cijfers over de omvang van de derde geldstroom zijn afkomstig van het CBS. Zij hebben betrekking op 2002 en
                                zijn inclusief de contractinkomsten van de WUR.
                     12    awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                             3                Discussies over financiering
                                 In de voorbereiding op dit advies heeft de AWT veel partijen gesproken die betrok-
                                 ken zijn bij de financiering van het universitaire onderzoek (zie bijlage 4). Uit deze
                                 gesprekken bleek dat de meningen over dit onderwerp sterk uiteenlopen. Partijen
                                 zijn het oneens over de vraag of en hoe de financiering van het universitaire onder-
                                 zoek moet worden gedynamiseerd. Deze meningsverschillen hebben vooral betrek-
                                 king op drie kwesties:
                                 ■         de wens om de financiering verder te ‘horizontaliseren’;
                                 ■         de wens om kwaliteit sterker te belonen;
                                 ■         de wens om meer prikkels in het systeem te brengen.
                                 Financiering verder horizontaliseren?
    Verticale financiering van   Onderzoeksmiddelen komen de universiteit van twee kanten binnen: van boven
           OCW naar Colleges     (van het departement van OCW naar het College van Bestuur) en van opzij (van
                 van bestuur …   overige financiers naar onderzoeksgroepen). De verticale financiering van universi-
                                 tair onderzoek gebeurt in de eerste geldstroom. Deze middelen worden lump sum
                                 uitgekeerd aan de instellingen. Zij kunnen deze middelen gebruiken om langjarig
                                 een eigen profiel te kiezen en een eigen strategie te volgen. De horizontale finan-
                                 ciering van het universitaire onderzoek vindt plaats in de tweede en derde geld-
                                 stroom. Individuele groepen binnen de instellingen ontvangen deze middelen op
… horizontale financiering van   basis van (contractuele) afspraken van onderzoeksgroepen met derden. Bijgevolg is
        andere financiers naar   de strategische bestedingsvrijheid klein: de betreffende middelen moeten worden
           onderzoeksgroepen     ingezet voor specifieke projecten en programma’s.
                                 De AWT heeft niemand ontmoet die meende dat uitsluitend de ene of de andere
                                 vorm gehanteerd moest worden. Maar de meningen lopen uiteen over de vraag
             Meer horizontale    waar de balans tussen beide vormen van financiering dient te liggen. Een aantal
        financiering gewenst?    partijen is van mening dat het universitaire onderzoek te sterk verticaal gefinancierd
                                 wordt. Huns inziens is een sterkere financiering op project- of programmabasis
                                 noodzakelijk. Dat zou de responsiviteit, kwaliteit en efficiëntie van het universitaire
                                 onderzoek vergroten. Hier tegenover staan partijen die menen dat de horizontalise-
                  Of juist niet? ring van de financiering te ver is voortgeschreden. Huns inziens kunnen instellingen
                                 geen adequaat profiel kiezen noch een eigen strategie voeren als het merendeel
                                 van hun inkomsten sterk kan variëren in de tijd. Verder wijzen zij op het beslag van
                                 matchingsverplichtingen op de eerste geldstroom, waardoor de bestedingsruimte in
                                 de eerste geldstroom gering is.
                             13  awt-advies. nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                             Kwaliteit sterker belonen?
                             Kwaliteit is een belangrijk aspect van wetenschappelijk onderzoek – daarover zijn
                             alle partijen in Nederland het eens. Maar over het hoe en waarom van kwaliteit
                             lopen de meningen sterk uiteen. Partijen denken uiteenlopend over de vraag welke
                             kwaliteit te bevorderen en hoe dat te doen.
                             ■         Welke kwaliteit bevorderen?
Wetenschappelijke kwaliteit  Voor een aantal partijen is goed universitair onderzoek identiek aan onderzoek dat
                 gewenst …   wordt gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften met een hoog impactcijfer. In
                             deze opvatting staat of valt de kwaliteit van onderzoek dus met de kwaliteit van
                             academische publicaties. Hierbij gaat het in essentie om het geschreven woord
                             omdat dat bijdraagt aan de global stock of knowledge. Andere partijen hanteren
    … en maatschappelijke    een breder kwaliteitsbegrip. Zij beoordelen onderzoek niet alleen op wetenschapsin-
                             houdelijke criteria, maar ook op kwaliteitscriteria verbonden aan het inspelen op
                             maatschappelijke vragen, het aangaan van netwerken en de overdracht van kennis.
                             Goed onderzoek presteert in deze opvatting niet alleen goed in de academische
                             wereld, maar evenzeer in de buitenwereld.
                             ■         Hoe kwaliteit bevorderen?
      Kwaliteit bevorderen   Sommige partijen menen dat de kwaliteit van universitair onderzoek moet worden
    via financiële prikkels? bevorderd door er financiële prikkels aan te koppelen. Onderzoekers die goed werk
                             afleveren, dienen eerder in aanmerking te komen voor onderzoeksmiddelen dan
                             onderzoekers die minder goed werk doen. Dit mechanisme geldt vanzelfsprekend
                             voor de tweede en derde geldstroom en moet volgens hen worden uitgebreid tot
                             de eerste geldstroom. Hierbij staat hun een systeem voor ogen als de Research
                             Assessment Exercise in het Verenigd Koninkrijk.
              Of juist niet? Andere partijen menen dat van financiële prikkels een te eenzijdig effect zal uit-
                             gaan. Zij verwachten meer van de uitkomsten van visitaties en de leereffecten die
                             daaruit voortvloeien. Kwaliteit is immers niet eendimensionaal, maar veelvormig.
                             Om kwaliteit vast te stellen is dus maatwerk vereist – maatwerk in de vorm van visi-
                             taties. Deze moeten het inzicht en de prikkel leveren om de kwaliteit van het onder-
                             zoek verder te verbeteren.
                             Meer prikkels in het systeem?
   Maken vaste voeten lui?   Op dit moment vindt de financiering van het universitaire onderzoek voor bijna
                             60% plaats op basis van prestaties. Het resterende deel van hun onderzoeks-
                             inkomsten ontvangen universiteiten op basis van vaste voeten (zie tabel 1). Het veld
                         14  awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                          waardeert deze situatie uiteenlopend. Een aantal partijen is van mening dat de
                          financiering van het universitaire onderzoek te weinig afhankelijk is van prestaties.
                          Huns inziens prikkelen vaste toewijzingen in de eerste geldstroom onderzoekers te
                          weinig om excellent onderzoek te verrichten. Hierdoor zouden de kwaliteit en effi-
                          ciëntie van het onderzoek in Nederland achterblijven bij wat mogelijk is. Andere
                          partijen wijzen erop dat van de tweede en derde geldstroom al veel prikkels uitgaan
Of reageren onderzoekers  om goede prestaties te leveren. Deze prikkels blijven niet beperkt tot tweede en
     vooral op hun peers? derde geldstroomprojecten, maar werken via matching door in de eerste geld-
                          stroom. Los hiervan wijzen zij erop dat het vooruitzicht van een financiële beloning
                          niet de belangrijkste drijfveer is voor onderzoekers om goed te presteren.
                          Onderzoekers worden vooral gedreven door de wens wetenschappelijk erkenning te
                          verwerven en zo prestige op te bouwen. De wetenschappelijke gemeenschap is op
                          dit punt zeer competitief zodat er voldoende prikkels zijn ingebouwd in het univer-
                          sitaire onderzoek.
                      15  awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>16 awt-advies nr. 61</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                            4                 Positie van de AWT
                                 In het vorige hoofdstuk hebben wij drie kwesties beschreven die een centrale rol
                                 spelen in de discussies over de financiering van het universitaire onderzoek. Ons
                                 inziens kunnen we hierover pas zinvol discussiëren als we weten wat we eigenlijk
                                 verwachten van het universitaire onderzoek. Daarom behandelt de AWT in dit
                                 hoofdstuk eerst die kernvraag. Pas daarna geven wij ons standpunt in de aangestip-
                                 te discussies.
                                 Wat willen we van het universitaire onderzoek?
                                 In deze paragraaf gaat de AWT ‘back to basics’. De financiering van het universitai-
                                 re onderzoek dient immers aan te sluiten bij de wensen die samenleving daaraan
                                 stelt. Om deze wensen te scherp te krijgen, moeten we kijken naar het totaal van
                 Back to basics! publieke kennisinstellingen. Behalve universiteiten bestaan er ook NWO- en KNAW-
                                 instituten, hogescholen en allerlei intermediaire kennisinstituten (TNO, GTI’s et cete-
                                 ra). Van al deze kennisinstellingen verwacht de samenleving verschillende prestaties:
                                 het is niet wenselijk om ze allemaal op hetzelfde spoor te zetten.
                                 Binnen de publieke kennisinfrastructuur hebben universiteiten vooral twee taken: zij
Universiteiten moeten mensen     moeten zorgdragen voor goed opgeleide professionals (onderzoekers en afgestu-
  opleiden en grensverleggend    deerden) en dienen grensverleggend, risicodragend onderzoek uit te voeren. Geen
               onderzoek doen    van deze taken kan structureel worden verricht door andere kennisinstellingen.
                                 Universiteiten vormen de motor achter de kennisinfrastructuur van ons land. Zij
                                 leveren de denkkracht – goed opgeleide professionals en grensverleggende ideeën –
                                 waarop de rest van de kennisinfrastructuur, publiek én privaat, is aangewezen. Deze
                                 denkkracht te leveren, is de belangrijkste taak van het universitaire onderzoek.3
                                 Een goede uitvoering van deze taken vergt dat universiteiten zich vooral toeleggen
 Kennis als vermogen centraal:   op ‘kennis als vermogen’: versterken van het vermogen om nieuwe kennisontwikke-
  vindingrijkheid ontwikkelen,   lingen te doorgronden, daarop voort te bouwen en te komen tot nieuwe kennisont-
           niet vindingen doen   wikkeling. Uiteraard zijn de antwoorden op concrete onderzoeksvragen – ‘kennis als
                                 product’ – ook belangrijk. In het spectrum van alle kennisinstellingen dienen univer-
                                 siteiten zich er echter op te concentreren dat de capaciteit om onderzoeksvragen te
                                 kunnen beantwoorden binnen de samenleving op peil blijft. Niet het doen van vin-
                                  3   Zie ook A. Salter et al., Talent, not technology – the impact of publicly funded research on innovation in the UK (Sussex
                                      2000). R. Florida en W.M. Cohen, ‘Engine of infrastructure? The university role in economic development.’ In L. M.
                                      Branscomb, F. Kodama en R. Florida Industrializing knowledge (Cambridge MA, 1999), pp. 589-610. D.E. Stokes,
                                      Pasteur’s quadrant – basis science and technological innovation (Washington 1997).
                             17  awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>   dingen, maar het behoud van vindingrijkheid is de specifieke taak van het universi-
   taire onderzoek. Nederland kan niet alleen oogsten, het moet ook zaaien. En dat
   zaaien moet bij uitstek plaatsvinden in de universiteiten.
   De AWT signaleert dat er twee zienswijzen bestaan op het belang van (universitair)
   onderzoek: een waarbij ‘kennis als product’ voorop staat en een waarbij de nadruk
   ligt op ‘kennis als vermogen’.
   In de zienswijze van ‘kennis als product’ gaat het vooral om de concrete resultaten
   van onderzoeksprojecten – om de inhoudelijke bijdragen van onderzoeksprogram-
   ma’s aan de vergroting van ons inzicht. Universitair onderzoek moet in deze ziens-
   wijze vooral theorieën en feiten opleveren die ons leren hoe de werkelijkheid in
   elkaar zit. Deze kunnen vervolgens dienen als input voor vervolgonderzoek of voor
   innovaties. Weten of en hoe een bepaald enzym werkt, ontdekken welke nieuwe
   elementen nog stabiel zijn, beschrijven hoe de grammatica van onbekende talen
   werkt, inzichtelijk maken welke interacties ontstaan in een klaslokaal – dit zijn alle-
   maal voorbeelden van ‘kennis als product’ die vooral zijn neerslag vindt in artikelen
   en boeken.
   In de zienswijze van ‘kennis als vermogen’ ligt de nadruk juist op de competentie
   om nieuwe inzichten te ontwikkelen. Universitair onderzoek dient in deze zienswijze
   niet alleen om onze voorraad aan kennis te vergroten. Het dient ook en vooral om
   die competenties te ontwikkelen en in stand te houden die nodig zijn om nieuwe
   kennisontwikkelingen te doorgronden, daarop voort te bouwen en te komen tot
   nieuwe kennisontwikkeling. In staat zijn om nieuwe situaties met vertrouwde
   middelen te lijf te gaan en om bekende situaties met nieuwe ogen te bezien – dat
   is de crux van kennis als vermogen. Deze competentie kan slechts bestaan in en
   door het samenspel van goed opgeleide mensen, goed geoutilleerde infrastructuren
   en de global stock of knowledge.
   Beide zienswijzen hebben hun eigen merites en sluiten elkaar niet uit. Ook in de
   benadering die de nadruk legt op ‘kennis als product’ is duidelijk dat zo’n product
   alleen kan worden geleverd als de vereiste competenties aanwezig zijn. Tegelijkertijd
   draagt de levering van kennisproducten weer bij aan het vergroten en versterken
   van dat kennisvermogen. Omgekeerd geldt hetzelfde: als de nadruk wordt gelegd
   op ‘kennis als vermogen’ is duidelijk dat een dergelijk vermogen niet kan bestaan
   zonder de in het verleden geleverde onderzoeksresultaten. En uiteraard is er ook in
   de zienswijze van ‘kennis als vermogen’ altijd sprake van inhoudelijke resultaten van
   onderzoeksprojecten.
   Hoewel beide benaderingen elkaar niet uitsluiten, maakt het bij de vertaling naar
   beleid wel verschil vanuit welke zienswijze we redeneren. Willen we zoveel mogelijk
   kwalitatief hoogwaardige onderzoeksproducten, al dan niet vanuit een vraagstu-
18 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                            ring? Of willen we intellectuele denkkracht op topniveau ontwikkelen en verster-
                            ken? Voor het universitaire onderzoek pleit de AWT voor een sterke focus op ‘ken-
                            nis als vermogen’
                            In dit advies vervult de stelling dat universitair onderzoek vooral dient te leiden tot
                            kennis als vermogen een spilfunctie. De standpunten die de AWT ontwikkelt in dit
                            hoofdstuk en de volgende vloeien hieruit voort. De rode draad hierbij is dat de
                            financiering van universitair onderzoek vooral dient bij te dragen aan de vorming
   Benader universiteiten   van kennis als vermogen. Universiteiten moeten primair worden behandeld als zaai-
           als zaaibedden   bedden, als plaatsen waar de kiemen worden gelegd voor nieuw talent en nieuwe
                            ideeën. Deze oogst hoeft niet noodzakelijk binnengehaald te worden in de univer-
                            siteiten zelf – dat kan ook elders gebeuren. Met deze gedachte in het achterhoofd
                            geven wij nu aan wat de belangrijkste vereisten zijn waaraan de financiering van
                            het universitaire onderzoek dient te voldoen.
                            Stevige basis in de eerste geldstroom
   Universiteiten moeten    Met alle partijen in het veld is de AWT van mening dat zowel de horizontale als de
stevige lump sum hebben     verticale financiering van het universitaire onderzoek gewenst zijn. Wij stellen ons
         want onderzoek:    echter op het standpunt dat een stevige basis in de eerste geldstroom nodig is. Om
                            de productie van kennis als vermogen duurzaam te kunnen financieren, moeten
                            universiteiten beschikken over een stevige basisfinanciering. Dit kan om drie rede-
                            nen niet gebeuren in projecten of programma’s.
                            ■         Allereerst hebben onderzoekslijnen een lange tijd nodig om tot wasdom te
          heeft tijd nodig;           komen. Dit vertaalt zich in het instellen van onderzoeksgroepen en gaat
                                      gepaard met de aanstelling van mensen en de aanschaf van apparatuur.
                                      Financiering van onderzoek in een aantal kortere termijnen kan dit groeipro-
                                      ces schade toebrengen.
                            ■         Bovendien is onbekend welk onderzoek in de toekomst van grote waarde zal
 heeft vrije ruimte nodig;            blijken te zijn – wetenschappelijk dan wel maatschappelijk. Voor ‘vrij’ onder-
                                      zoek moet dus de nodige ruimte worden gereserveerd.
                            ■         Tot slot is onderzoek een creatief proces waarvan de uitkomsten niet altijd te
                                      voorspellen zijn. Waar zich nieuwe kansen lijken voor te doen, moet binnen
          en laat zich niet           onderzoekslijnen voldoende ruimte zijn voor nieuwe invallen en flinke koers-
               voorspellen            wijzigingen.
                            Om deze redenen hebben de universiteiten behoefte aan een financiering die lang-
                            jarige zekerheid biedt. Volgens de AWT dient de overheid de rol van investeerder te
                            spelen die universiteiten dit werkkapitaal verschaft. Zij dient het universiteiten
                            mogelijk te maken om de productie van kennis als vermogen duurzaam te financie-
                            ren. Dit vereist een stevige basisfinanciering van het universitaire onderzoek lump
                            sum uit te keren.
                        19  awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                              Hoogvlakte met pieken
                              Volgens de AWT dient de financiering van het universitaire onderzoek te bevorderen
                              dat er een hoogvlakte met pieken ontstaat, dan wel behouden blijft. Het universitai-
                              re onderzoekslandschap moet in de breedte voldoende kwaliteit bieden en op
                              onderdelen echte pieken laten zien.
       Nederland moet veel    Een brede hoogvlakte is gewenst omdat Nederland een klein, open land is. Hooguit
        buitenlandse kennis   2% van alle nieuwe inzichten die jaarlijks worden ontwikkeld, komt uit Nederland.
       kunnen absorberen …    De overige 98% komt uit het buitenland. Voor (maatschappelijke) innovaties en
                              (wetenschappelijke) doorbraken kan Nederland dus niet alleen vertrouwen op eigen
                              kracht. Het is cruciaal om goed aangesloten te zijn op de wereldwijde productie van
                              kennis en deze goed te ontsluiten en weten te benutten. Dit vereist dat er in
                              Nederland wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan over de volle breedte van het
… en moet daarom goed zijn    spectrum. Nederland kan de buitenlandse productie alleen oogsten als we in eigen
       over de volle breedte  huis voldoende vermogen hebben om die oogst binnen te halen. Hierbij moet de
                              kwaliteit van het onderzoek onbetwist zijn.
Pieken gewenst op gebieden    Op de hoogvlakte zal Nederland moeten streven naar ontwikkeling, behoud of uit-
     die belangrijk zijn voor bouw van een beperkt aantal pieken. Excellentie kan en hoeft niet te worden nage-
               Nederland …    streefd over de gehele breedte. Pieken dienen te ontstaan op die gebieden die voor
                              Nederland cruciaal zijn – denk hierbij aan kennis die van strategisch belang is voor
                              economische sleutelgebieden of voor maatschappelijke vraagstukken.4 In disciplines
                              die worden gedreven door wetenschappelijke nieuwsgierigheid moet excellentie
                              eveneens worden ontwikkeld, behouden en uitgebouwd. Hierbij kan men denken
   … en op gebieden waarop    aan onderzoek op gebieden waarop Nederland nu al zeer sterk is zoals de (theoreti-
        we al heel goed zijn  sche) fysica, astronomie, levenswetenschappen en economie.
                              Juiste prestaties belonen
                              De AWT meent dat er al veel prikkels werkzaam zijn binnen het universitaire onder-
        Onderzoek is al heel  zoek. Het is niet overdreven om de (universitaire) wetenschap één van de meest
                competitief   competitieve sectoren van de Nederlandse samenleving te noemen. Hierbij blijken
                              vooral de niet-financiële prikkels zeer werkzaam: onderzoekers zijn uiterst gevoelig
                              voor hun status binnen de wetenschappelijke gemeenschap en het oordeel van hun
                              peers. Dit gezegd zijnde, blijft echter de vraag hoe de totale rijksbijdrage aan het
                              universitair onderzoek jaarlijks tussen de instellingen verdeeld moeten worden. De
                              AWT acht het billijk dat instellingen die goed presteren een groter aandeel uit de
                               4   Zie AWT, Nederlands kompas voor de Europese onderzoeksruimte – strategisch kader voor de internationalisering van
                                   het onderzoeks- en innovatiebeleid (Den Haag 2003), pp. 32-36.
                           20 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>         Juiste prestaties rijksbijdrage ontvangen dan instellingen die minder goed presteren. De kunst is ech-
                  belonen  ter de juiste prestaties te belonen.
                           Vanuit onze stelling dat kennis als vermogen voorop dient te staan in het universi-
                           taire onderzoek komen wij tot de conclusie dat de rijksbijdrage in ieder geval
                           prestaties op het gebied van menselijk kapitaal dient te belonen. Dit betekent dat
                           het opportuun is om universitair onderzoek voor een deel te financieren op basis
In elk geval prestaties op van het aantal promovendi en afgestudeerden. Daarnaast zou het ook opportuun
       menselijk kapitaal  zijn om universiteiten te belonen voor hun prestaties op hun bijdrage aan de hoog-
                  belonen  vlakte met pieken. Dat wil zeggen: op hun strategische keuzes in de op- en afbouw
                           van onderzoeksgroepen (portfoliomanagement). Dit laat zich echter slecht vertalen
                           in meetbare prestatiecriteria die te hanteren zijn bij toewijzing van geldstromen.
                           Andere wegen, vooral overleg, zijn meer geëigend om universiteiten hiertoe aan te
                           zetten.
                           Transparant en eenvoudig
                           Elk stelsel ter financiering van het universitaire onderzoek dient eenvoudig en trans-
                           parant te zijn. Het dient eenvoudig te zijn om de administratieve lasten te beperken
                           en eventueel misbruik te voorkomen. En het dient transparant te zijn om het draag-
                           vlak voor die financiering te behouden, dan wel te vergroten.
                        21 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>22 awt-advies nr. 61</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                       5               Beoordeling huidige financiering
                          In dit hoofdstuk beoordelen wij het hele systeem ter financiering van het universitai-
                          re onderzoek (eerste, tweede en derde geldstroom in samenhang) in het licht van
                          de wensen die wij in het vorige hoofdstuk hebben geformuleerd. Om deze beoor-
                          deling meer diepgang te geven, hebben we een beknopte internationale vergelij-
                          king gemaakt van systemen om het universitaire onderzoek te financieren (zie bijla-
                          ge 5).5
                          De AWT vindt dat de bestaande inrichting van de totale financiering van het univer-
                          sitaire onderzoek op onderdelen is verouderd. Het huidige systeem is ontworpen
                          voor een periode waarin de internationale concurrentie binnen het onderzoek
                          gering was, de omvang van de tweede en derde geldstroom binnen de perken bleef
                          en van de universiteiten geen grote bijdrage werd verwacht aan onze innovatie-
Systeem is op onderdelen  kracht. Binnen die randvoorwaarden heeft het huidige systeem ter financiering van
             verouderd …  het universitaire onderzoek goede prestaties geleverd. De uitstekende prestaties van
                          het Nederlandse universitaire onderzoek getuigen hiervan. Maar de wereld is veran-
                          derd. Tegenwoordig concurreren Nederlandse onderzoeksgroepen steeds meer met
                          buitenlandse collega’s in plaats van met elkaar. De tweede en derde geldstroom zijn
                          bijna net zo groot geworden als de eerste geldstroom. En van universiteiten wordt
                          verwacht dat zij een aanwijsbare bijdrage leveren aan onze innovatiekracht.
                          Deze en andere ontwikkelingen plaatsen de financiering van het universitaire onder-
                          zoek voor een aantal uitdagingen. Voordat de AWT deze uitdagingen bespreekt,
                          willen wij benadrukken dat niet alles kommer en kwel is. Positief is dat de bestaan-
… maar eerste geldstroom  de financiering van het universitaire onderzoek voorziet in een stevige basis in de
   voldoet in hoofdlijnen eerste geldstroom. Dit maakt dat universiteiten hun onderzoekslijnen langdurig kun-
                          nen financieren en zo kennis als vermogen overeind weten te houden. Daarnaast
                          maken de variabele delen in de eerste geldstroom dat universiteiten worden aange-
                          zet tot prestaties op het gebied van menselijk kapitaal. Anders dan veel andere par-
                           5   Uit deze vergelijking blijkt dat het zeer moeilijk is om een gedegen internationale vergelijking te maken van de financie-
                               ring van het universitaire onderzoek. Er doen zich allerlei statische problemen voor. Allereerst zijn er geen gegevens
                               bekend over de omvang van de geldstromen voor het universitaire onderzoek alleen. Zo er al gegevens zijn, hebben die
                               betrekking op alle universitaire taken samen: onderwijs, onderzoek en kennisoverdracht. Verder wordt de eerste geld-
                               stroom voor het universitaire onderzoek in Nederland systematisch te hoog ingeschat. Onze eerste geldstroom voor
                               onderzoek bevat ook toewijzingen voor andere universitaire taken (beheer/bestuur en kennisoverdracht) en dient om alle
                               vormen van overhead (pensioenen, gebouwen en dergelijke) te financieren. In andere landen zijn deze posten vaak geen
                               onderdeel van de eerste geldstroom. Daarnaast wordt de omvang van de tweede geldstroom in Nederland systematisch
                               onderschat. In andere landen worden subsidies die innovatie stimuleren (Bsik, Genomics, subsidies van Senter et cetera)
                               vaak gerekend tot de tweede geldstroom. In Nederland is dat niet het geval. Tot slot is onbekend welk deel van de
                               derde geldstroom betrekking heeft op inkomsten uit contractonderzoek en welk deel op andere inkomsten (uit contrac-
                               tonderwijs, uitgeverijen, restauratieve voorzieningen et cetera). Dit kan leiden ertoe leiden dat inkomsten uit contract-
                               onderzoek sterk worden overdreven.
                          awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                             tijen vindt de AWT de opbouw van de eerste geldstroom dus in grote lijnen goed
                             doordacht en passend bij wat we van universiteiten willen.
                             Uitdaging 1: meer focus en massa
                             In het universitaire onderzoek is meer focus en massa gewenst. Dit is allereerst
     Kwaliteit en vitaliteit nodig om de kwaliteit en vitaliteit van onderwijs en onderzoek veilig te stellen in die
             veiligstellen … gebieden waar sprake is van versnippering of subkritische massa. Bovendien stelt de
                             voortschrijdende internationalisering van de wetenschap en het toenemende belang
                             van de wisselwerking tussen onderzoekers en gebruikers steeds zwaardere eisen
                             aan de herkenbaarheid en zichtbaarheid van onderzoeksgroepen. Wil Nederland
       … en internationale   internationaal blijven meetellen dan is selectief aanzienlijk meer focus en massa
  zichtbaarheid vergroten    nodig.
                             De AWT is zich ervan bewust dat nu al stappen worden gezet om meer focus en
       Er gebeurt al veel …  massa aan te brengen in het universitaire onderzoek. Het sectorplan natuurweten-
                             schap, het sectorplan wetenschap & technologie, de thema’s van NWO, Bsik,
                             Genomics, ACTS – dit zijn allemaal initiatieven die ertoe moeten bijdragen om meer
                             focus en massa aan te brengen in het universitaire onderzoek. De AWT heeft hier
                             waardering voor, maar constateert dat verdere stappen nodig zijn. De financiering
                             van het universitaire onderzoek bevat nu weinig prikkels om gericht focus en massa
                             te realiseren. De AWT acht dit onwenselijk. Ons inziens hoort de stimulering van
… maar financiële prikkels   focus en massa meer dan in het verleden onderdeel te zijn van de financiering van
              zijn gewenst   het universitaire onderzoek.
                             Uitdaging 2: meer benutting
                             Nederland wil uitgroeien tot een kennissamenleving van allure. Daartoe zal de rela-
     Resultaten onderzoek    tie tussen het universitaire onderzoek en de Nederlandse samenleving moeten wor-
            beter benutten   den versterkt. Alle betrokken partijen hebben hieraan een bijdrage te leveren. Van
                             (potentiële) gebruikers van kennis mag worden verwacht dat zij zorgdragen voor
                             een hoogwaardige articulatie van lange termijn vraagstukken en hun absorptiecapa-
                             citeit van kennis op peil brengen dan wel houden. Van universiteiten mag worden
                             verwacht dat zij aanspreekbare en betrouwbare partners zijn die maatschappelijke
                             vragen adequaat weten te vertalen in onderzoeksvragen. Om kennisuitwisseling en
                             –verspreiding te bevorderen, dienen universiteiten expliciete strategieën te ontwik-
                             kelen. Deze strategieën behoren uiteraard te stroken met de doelstellingen van de
                             universiteiten.
       Universiteiten doen   De AWT stelt vast dat universiteiten op dit moment al veel contractonderzoek ver-
                   al veel … richten. In 2001 was circa 30% van hun onderzoeksinkomsten afkomstig uit de
                         24  awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                              derde geldstroom. Bovendien ontwikkelen de instellingen afzonderlijk en collectief
                              strategieën om de maatschappelijke benutting van wetenschappelijke kennis te
                              (doen) verbeteren. De AWT juicht dit soort initiatieven van harte toe. Tegelijkertijd
                              constateren wij dat de benutting van wetenschappelijke kennis in Nederland achter-
                              blijft bij wat wenselijk is. De verantwoordelijkheid om deze achterstand goed te
                              maken, kan en mag niet alleen bij de universiteiten worden neergelegd. Andere
                              partijen – bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen – hebben
                              hierin tevens een belangrijke rol. Universiteiten kunnen en moeten wel worden uit-
 … maar extra inspanning is   gedaagd om hun bijdrage aan de benutting van wetenschappelijke kennis nog
                     gewenst  beter vorm te geven. Financiële prikkels kunnen hierbij een rol spelen.
                              Uitdaging 3: behoud van onderzoekscapaciteit in studentrijke
                              vakgebieden
                              Onderzoek in studentrijke vakgebieden heeft het niet gemakkelijk in Nederland. In
   In sommige disciplines is  delen van de alfa- en gammawetenschappen is sprake van een zeer hoge onder-
de onderwijslast erg hoog …   wijslast met hoge student/staf ratio’s. Hierdoor staat de onderzoekscapaciteit in de
                              betreffende disciplines onder grote druk: onderwijs moet te allen tijde doorgang
                              vinden, de rek wordt gevonden in onderzoekstijd. Deze situatie wordt verergerd
                              door het feit dat de financieringsmogelijkheden buiten de eerste geldstroom door-
    … en lijdt het onderzoek  gaans beperkt zijn. De tweede en derde geldstroom subsidiëren drie tot vier maal
                   daaronder  meer onderzoekers in de technische, medische en natuurwetenschappen dan in de
                              alfa- en gammawetenschappen. In delen van de alfa- en gammawetenschappen
                              dreigt het universitaire onderzoek dan ook te worden uitgehold.
                              De AWT acht dit een ongewenste situatie. De financiering van het universitaire
                              onderzoek hoort zo te zijn ingericht dat het vermogen om nieuwe kennis te produ-
                              ceren en over te dragen over de breedte behouden blijft. De huidige financiering
                              draagt hiervoor onvoldoende zorg.
                              Uitdaging 4: een hanteerbare omvang van matching
                              In 2005 zal naar schatting 50% van de inkomsten die universiteiten ontvangen voor
       Universiteiten leggen  onderzoek afkomstig zijn uit de tweede en derde geldstroom. Deze inkomsten dek-
       op elke euro subsidie  ken niet de integrale kosten van het onderzoek dat daarvoor wordt uitgevoerd. In
                  84 cent toe de regel dekken onderzoekssubsidies slechts 54% van de integrale kosten.6 Dit
                              betekent dat universiteiten 84 eurocent moeten toevoegen aan iedere euro onder-
                               6   Zie Ernst & Young accountants, De omvang van matching. Onderzoek naar de effecten van matching van tweede en
                                   derde geldstroomfinanciering op de beleidsruimte van Nederlandse, publieke kennisinstellingen (Achtergrondstudie AWT
                                   2004).
                           25 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                              zoekssubsidie die zij ontvangen. Zij kunnen deze matching slechts opbrengen met
                              behulp van de enige andere inkomstenbron die zij hebben – de eerste geldstroom.
Tweede en derde geldstroom    De AWT heeft al eerder uitgesproken dat het principe van matching voordelen
       zijn sterk gegroeid …  biedt. Het biedt onderzoeksfinanciers de zekerheid dat universiteiten niet zomaar
                              subsidies werven. Juist omdat zij zelf geld moeten bijleggen, zullen universiteiten
                              selectief moeten zijn in de projecten waarvoor zij subsidie trachten te krijgen. Maar
                              de laatste jaren is het bedrag dat omgaat in de tweede en derde geldstroom enorm
                              gestegen. Hierdoor is het beslag van matching op de eerste geldstroom eveneens
    … zodat matchingsdruk     sterk gegroeid. Het is zeker dat deze trend in de toekomst blijft doorzetten. In deze
                  erg hoog is situatie worden de universiteiten in de verleiding gebracht een keuze te maken uit
                              twee mogelijkheden.
                              ■         Zij blijven de matchingsverplichtingen opbrengen en betalen die kosten uit
           Dit kan leiden tot           hun investeringscapaciteit. Dit scenario brengt de continuïteit van de univer-
      onderinvesteringen …              sitaire infrastructuur ernstig in gevaar. In zijn advies De prijs van succes waar-
                                        schuwt de AWT uitdrukkelijk voor dit scenario.7
                              ■         Zij brengen de matchingsverplichtingen omlaag door de omvang van de
                                        inkomsten uit de tweede en derde geldstroom te verminderen. Feitelijk is dit
     … of tot uitblijven van            scenario zeer moeilijk te realiseren omdat universiteiten een flink deel van
        gewenst onderzoek               hun prestige en continuïteit ontlenen aan inkomsten uit de tweede en derde
                                        geldstroom. Als dit scenario toch gerealiseerd wordt, betekent dit dat maat-
                                        schappelijk gewenst onderzoek niet wordt uitgevoerd en dat focus en massa
                                        niet ontstaan.
                              De AWT acht geen van beide opties wenselijk. Niemand heeft baat bij de uitholling
                              van de universitaire infrastructuur of bij het uitblijven van maatschappelijk gewenst
                              onderzoek. Daarom achten wij een snelle aanpak van de problematiek rond mat-
                              ching noodzakelijk. De AWT vindt het rondetafelgesprek met financiers en kennisin-
                              stellingen, georganiseerd door de staatssecretaris van OCW eind januari 2005, een
                              eerste stap in de goede richting.
                              Uitdaging 5: meer transparantie
                              De huidige financiering van het universitaire onderzoek is weinig transparant. Het
Omvang derde geldstroom is    blijkt lastig om zicht te krijgen op de precieze omvang van de derde geldstroom.
      niet precies bekend …   Daarnaast ontbreekt voor de buitenwacht het zicht op de ratio achter de toedeling
                              van een belangrijk deel van de eerste geldstroom. Veel van de SOC-gelden zijn in
                              het verleden toegekend op basis van langjarige afspraken (bijvoorbeeld om interuni-
                              versitaire voorzieningen op één plaats in stand te houden). Het ministerie van OCW
                              maakt onvoldoende inzichtelijk wat deze langjarige afspraken behelzen en hoe deze
                              7    Zie AWT, De prijs van succes. Over matching van onderzoekssubsidies in kennisinstellingen (Den Haag 2004).
                           26 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                               doorwerken in de verdeling van de SOC over universiteiten. Het gevolg is dat de
                               SOC voor de buitenwacht het karakter heeft van een black box. De AWT vindt dit
                               ongewenst. Publieke middelen voor onderzoek dienen sowieso transparant toebe-
                               deeld te worden. Zonder een dergelijke transparantie zal het maatschappelijk draag-
                               vlak voor de bekostiging van het universitaire onderzoek snel eroderen. Daarom die-
                               nen de geldstromen naar het universitaire onderzoek inzichtelijker te worden –
     … en SOC lijkt te veel op zowel binnen de instellingen (omvang derde geldstroom) als binnen het ministerie
                een black box  van OCW (samenstelling van de SOC).
                               Kwaliteit is géén uitdaging
                               Tot slot wil de AWT uitdrukkelijk uitspreken dat de academische kwaliteit van het
Kwaliteit onderzoek is goed …  universitaire onderzoek in Nederland geen aanleiding geeft tot veranderingen in de
                               financiering. Gemeten naar de impact van wetenschappelijke publicaties hoort het
                               Nederlandse onderzoek al tot de wereldtop (zie bijlage 3). Om hun wetenschappe-
                               lijke positie in de wereld te verbeteren, zijn sommige landen (Verenigd Koninkrijk,
                               Hong Kong, Nieuw Zeeland, Israël) ertoe overgegaan de financiering van universitei-
                               ten afhankelijk te maken van oordelen over de academische kwaliteit van hun
                               prestaties. De AWT vindt dit geen voorbeeld om te volgen. Een dergelijke koppeling
                               zou zijn doel voorbij schieten en kan ongewenste neveneffecten sorteren. Zij kan
                               onder meer leiden tot een toename van administratieve lasten, tot een afname van
                               de benutting van kennis, tot een onderinvestering in nieuwe risicovolle onderzoeks-
                               lijnen en tot een beperking van het spectrum waarop onderzoek wordt uitgevoerd.8
   … dus daarvoor hoef je de   Hierom vindt de AWT prestaties in termen van academische kwaliteit (bijvoorbeeld
             financiering niet hoge impactscores) een te smalle basis voor de financiering van het universitaire
                aan te passen  onderzoek.
                                8   Zie A. Geuna, ‘The changing rationale for European university research funding – are there negative unintended conse-
                                    quences?’ In Journal of economic issues, vol. 53 (2001), pp. 607-632.
                            27 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>28 awt-advies nr. 61</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                          6                Aanbevelingen
                              Afgaande op de uitdagingen die wij hebben gesignaleerd in het vorige hoofdstuk zijn
                              ingrepen gewenst in de totale financiering van het universitaire onderzoek. Deze con-
                              statering is niet nieuw – veel partijen menen dat de financiering van het universitaire
                              onderzoek moet veranderen (zie bijlage 1). Hierbij zoeken zij de oplossing vooral in
                              een herinrichting van de eerste geldstroom. Wij doen dit uitdrukkelijk niet. Volgens de
     Eerste geldstroom voor   AWT dienen de eerste, tweede en derde geldstroom in samenhang te worden
               stabiele basis beschouwd. Hierbij zien wij de eerste geldstroom als het werkkapitaal dat universitei-
                              ten de mogelijkheid biedt om kennis als vermogen te ontwikkelen. Dit impliceert dat
                              de eerste geldstroom een stabiele en betrouwbare geldstroom moet zijn die slechts
                              over een langere periode – met een cyclus van 10 tot 20 jaar – verandert. Dit wordt
                              volgens ons het best gerealiseerd door een substantiële vaste voet te behouden,
                              gecombineerd met een deel dat wordt toegewezen op basis van parameters. De
                              bestaande inrichting van de eerste geldstroom voldoet in dit opzicht dus goed.
Tweede en derde geldstroom    De AWT ziet de tweede en derde geldstroom als de manier bij uitstek om gestalte
                 voor sturing te geven aan de wens of noodzaak tot meer inhoudelijke sturing van het universi-
                              taire onderzoek. Hierbij blijft de stuurkracht van de tweede en derde geldstroom
                              niet beperkt tot de projecten en/of programma’s die daaruit worden gefinancierd.
                              Inkomsten uit de tweede en derde geldstroom belonen als het ware het succes van
                              de strategie die universiteiten starten met hun eerste geldstroom (‘zaaien om te
  Succes in tweede en derde   kunnen oogsten’). Daarmee oefenen de tweede en derde geldstroom een behoor-
    geldstroom vergt goede    lijke sturing uit op de inzet van de eerste geldstroom. Universiteiten kunnen zulke
            strategie binnen  inkomsten immers alleen verwerven als zij hun eerste geldstroommiddelen strate-
               universiteiten gisch aanwenden en kwaliteit bieden.
                              Al met al kiest de AWT voor een benadering waarbij wij de verschillende geldstro-
                              men een eigen functie toewijzen.
                              1.        De eerste geldstroom is een basisfinanciering die de ontwikkeling van kennis
                                        als vermogen mogelijk moet maken. Deze geldstroom verschaft universitei-
                                        ten het werkkapitaal waarop zij hun strategie kunnen baseren (zonder dat ze
                                        die strategie daar helemaal uit kunnen betalen). Toewijzing van deze geld-
                                        stroom moet deels op vaste voeten gaan en deels op prestatiegerelateerde
                                        parameters.
                              2.        De tweede geldstroom dient ervoor te zorgen dat focus en massa ontstaan
                                        in het universitaire onderzoek. Hierbij moet zowel de wetenschappelijke als
                                        de maatschappelijke kwaliteit worden gestimuleerd. Om de werking van de
                                        eerste geldstroom minder zwaar te belasten dient de tweede geldstroom
                                        minder gepaard te gaan met tendering en matching.
                           29 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                              3.        De derde geldstroom dient ervoor om maatschappelijke vragen en wensen
                                        tot uitdrukking te laten komen in het universitaire onderzoek. Andere finan-
                                        ciers dan researchcouncils kunnen langs deze weg onderzoek uitzetten. Dat
                                        kan gaan van meer fundamenteel tot meer toegepast en van kennis als ver-
                                        mogen tot kennis als product. Ook in deze geldstroom zal de last van mat-
                                        ching en tendering moeten worden verlicht.
                              Aanbeveling 1
                              Zet de tweede geldstroom zo in dat deze focus en massa in het universitaire onder-
                              zoek sterker bevordert.
                              De AWT adviseert de minister van OCW om de tweede geldstroom zo in te zetten
Tweede geldstroom voor focus  dat deze de totstandkoming van focus en massa in het universitaire onderzoek ster-
                   en massa   ker stimuleert. De minister dient NWO (inclusief STW) de bevordering van focus en
                              massa als duidelijke taak mee te geven en de organisatie hierop aan te spreken.
                              Hiertoe dient de bevordering van focus en massa een prominente plaats te krijgen
                              in de nieuwe strategienota van NWO.
                              Op dit ogenblik kent NWO al enkele initiatieven die in deze richting gaan, zoals
                              ACTS en het Darwin-centrum. De AWT adviseert om deze aanzetten krachtig uit te
                              bouwen en NWO in meer gevallen een regietaak te geven of op zich te laten
                              nemen. Hierbij kan het gaan om gebieden die wetenschappelijk van belang zijn,
       NWO regietaak geven    maar evenzeer om gebieden die maatschappelijk van belang zijn. Welke gebieden in
                              aanmerking komen voor regie moet worden vastgesteld in dialoog tussen NWO,
                              universiteiten, overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Een goed
                              functionerend mechanisme van maatschappelijke en wetenschappelijke verkennin-
                              gen kan hierbij een belangrijke rol spelen. De ruimte voor een goede uitvoering van
                              de regietaak gericht op focus en massa dient te komen uit een verkleining van het
   Minder open programma’s    aandeel van open NWO-programma’s. Dat kan ook omdat de noodzaak om NWO
                              kwaliteit te laten bevorderen nu zeer veel kleiner is dan in het verleden. De vele
                              maatregelen om kwaliteit van onderzoek te bevorderen, van NWO en anderen, heb-
                              ben intussen vrucht afgeworpen. De AWT pleit ervoor dat NWO zich nu met extra
                              inspanning richt op de realisatie van focus en massa in het universitaire onderzoek.
                              Hierbij is het verstandig enige ruimte te houden voor open programma’s. Deze blij-
                              ven een belangrijke functie vervullen: zij brengen opbloeiende gebieden onder de
                              aandacht van onderzoeksregisseurs.
                              Ten einde het ontstaan van focus en massa te bevorderen, dient de regierol van
     Toekenning op basis van  NWO gepaard te gaan met een verandering in de toewijzing van onderzoekssubsi-
                 track record dies. Meer dan in het verleden moeten de onderzoekssubsidies een substantiële
                              omvang hebben en moeten zij gegarandeerd zijn voor een langere periode dan nu
                           30 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                             het geval is. Toekenning dient te geschieden op basis van track record met een dui-
                             delijke verantwoording achteraf. Van tendering zal in de toekomst minder gebruik
                             moeten worden gemaakt. Dit zal tevens de administratieve lasten verminderen die
                             drukken op het universitaire onderzoek.
                             Aanbeveling 2
                             Breng meer samenhang aan binnen het EZ-deel van de derde geldstroom zodat dit
                             de benutting van het universitaire onderzoek beter stimuleert.
                             De AWT adviseert de minister van EZ om zijn deel van de derde geldstroom zo in te
                             zetten dat de benutting van universitair onderzoek wordt gestimuleerd. Op dit
     Benutting stimuleren in moment bestaan er al tal van programma’s en projecten om het universitair onder-
           derde geldstroom  zoek beter te laten aansluiten op economische vragen: Bsik, TTI’s, IOP’s, het EZ-deel
                             van de smart mix et cetera. Dit geld is al beschikbaar en kan effectiever worden
                             ingezet door er meer regie op te zetten. Met het oog hierop heeft het
                             Innovatieplatform voorgesteld om Senter/Novem uit te bouwen tot een krachtige
                             taakorganisatie met meer beleidsvrijheid. De AWT onderschrijft dit voorstel en
                             merkt op dat de transformatie van Senter/Novem tot een organisatie die mede
                             onderzoek programmeert veel voeten in aarde zal hebben. Daarom adviseren wij
        Meer regie nodig van om die organisaties die al veel ervaring hebben op dit terrein, bijvoorbeeld STW,
              Senter/Novem   nauw te betrekken bij deze verandering.
                             Aanbeveling 3
                             Vergroot het compartiment in het onderzoeksdeel van de eerste geldstroom dat
                             afhankelijk is van het aantal uitgereikte diploma’s.
                             De AWT adviseert de minister van OCW om de toekenning van onderzoeksmiddelen
 Meer geld verdelen op basis in de eerste geldstroom sterker afhankelijk te maken van het aantal uitgereikte
   van aantallen diploma’s … diploma’s. Hiermee wordt bereikt dat de onderzoekscapaciteit in studentrijke disci-
                             plines niet verder wordt uitgehold. Wij denken hierbij aan een verhoging van het
                             huidige compartiment in de eerste geldstroom (thans 15%) met enkele procenten.
                             Omdat het macrobudget van de eerste geldstroom beperkt is, zal deze aanbeveling
                             leiden tot een verplaatsing van onderzoeksmiddelen binnen en tussen instellingen.
                             Meer in het bijzonder zal een beperkt deel van onderzoeksmiddelen uit de eerste
                             geldstroom verschuiven van de technische disciplines naar de - en -disiplines. De
                             AWT realiseert zich dat dit pijnlijke keuzes met zich mee kan brengen. Tegelijkertijd
… maar verhoging voorzichtig stellen wij vast dat de groei in de tweede en derde geldstroom vooral ten goede is
                 doorvoeren  gekomen aan de technische, natuurwetenschappelijke en medische disciplines.
                          31 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                               De AWT adviseert verder om de ophoging van het betreffende compartiment staps-
                               gewijs door te voeren. Dit teneinde te voorkomen dat zich grote schokken voor-
                               doen binnen met name de technische universiteiten, leidend tot abrupte afbouw
                               van onderzoeksinfrastructuur.
                               Aanbeveling 4
                               Herzie de matchingssystematiek zodanig dat financiers uitgaan van de stelregel dat
                               zij de integrale kosten dienen te betalen tenzij er sprake is van een publiek weten-
                               schappelijk belang.
                               De AWT adviseert de minister van OCW veranderingen door te voeren in de syste-
Financiers: integrale kosten   matiek van onderzoeksfinanciering vanuit zijn verantwoordelijkheid voor een goed
            betalen, tenzij …  functionerend wetenschapssysteem. Hierbij gaat het om de toelaatbaarheid van
                               matching van onderzoeksprojecten in de tweede en derde geldstroom met midde-
                               len uit de eerste geldstroom. De AWT beveelt de minister van OCW aan in dezen
                               uit te gaan van de stelregel dat financiers van onderzoek de integrale kosten van
                               onderzoek te betalen, tenzij er sprake is van versterking van de publieke kennisin-
                               frastructuur en een publiek wetenschappelijk belang. Deze stelregel kan pas in
                               praktijk worden gebracht indien alle betrokken partijen doordrongen zijn van het
                               nut en de noodzaak daarvan. Daarom roept de AWT de minister van OCW op het
Minister: stel een Financiers  initiatief te nemen tot instelling van een zogeheten Financiers Forum. In dit forum
                     Forum in  moeten alle financiers en kennisinstellingen komen tot heldere afspraken en
                               gedragsregels over de financiering van universitair onderzoek.
                               Verder herhaalt de AWT hier zijn eerdere aanbeveling aan universiteiten om de
                               omgang met matchingsverplichtingen te verbeteren.9 Universiteiten dienen mat-
              Universiteiten:  chingsverplichtingen in te kaderen in een heldere strategie en daarnaar te handelen.
             kader matching    Zij dienen lokale ‘gedragsregels’ te ontwikkelen met betrekking tot matching. En zij
               in strategie in dienen effectieve management informatiesystemen te ontwikkelen om financiële
                               verplichtingen te monitoren en te beheersen.
                               Aanbeveling 5
                               Maak de samenstelling van de strategische overwegingen component transparanter.
      Meer transparantie in    De AWT adviseert de minister van OCW om de samenstelling van de eerste geld-
          samenstelling SOC    stroom, in het bijzonder van de strategische overwegingen component, transparan-
                               ter te maken. Op dit ogenblik hebben belanghebbende partijen maar weinig inzicht
                                9   Zie AWT, De prijs van succes. Over matching van onderzoekssubsidies in kennisinstellingen (Den Haag 2004).
                           32  awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                               in de gronden waarop de inrichting van de SOC berust. De AWT acht dit onwense-
                               lijk en adviseert de minister de samenstelling van de eerste geldstroom voor de bui-
                               tenwacht transparanter te maken.
                               Aanbeveling 6
                               Zet géén stappen om de eerste geldstroom verder te dynamiseren.
                               In de voorgaande pagina’s heeft de AWT vijf aanbevelingen gedaan om de financie-
                               ring van het universitaire onderzoek te herzien. Deze aanbevelingen komen boven-
Geen verdere dynamisering …    op de invoering van de smart mix in 2006 en bovenop een te voorziene groei van
                               de tweede en derde geldstroom. Volgens de AWT levert dit pakket van maatregelen
                               voldoende prikkels op om de uitdagingen aan te gaan die zijn gesignaleerd in het
                               vorige hoofdstuk. Een verdere dynamisering van de eerste geldstroom is dan ook
                               niet noodzakelijk, ja zelfs onwenselijk. Verder dynamiseren van de eerste geld-
                               stroom zal er namelijk toe leiden dat de productie van kennis als vermogen onder
                               grote druk komt te staan. Dit kan ernstige effecten hebben voor de continuïteit,
  … anders lopen continuïteit  vitaliteit en kwaliteit van de Nederlandse kennisinfrastructuur. Daarom adviseert de
       en vitaliteit onderzoek AWT de minister van OCW om géén stappen te zetten die moeten leiden tot een
                        gevaar verdere dynamisering van de eerste geldstroom.
                               Tot slot
                               Ter afsluiting van dit advies wil de AWT erop aandringen om het instrument van
Prikkel niet alleen met geld … financiering met mate te gebruiken. Het is voor financiers heel verleidelijk om te
                               proberen al hun wensen ten aanzien van het universitaire onderzoek gerealiseerd te
                               krijgen met behulp van de financiering. Maar de overheid kan universiteiten niet
                               alleen beïnvloeden langs de weg van de financiering. Zij beschikt ook over andere
                               manieren om dat te doen. De AWT wijst vooral op het belang van het voeren van
     … maar voer ook overleg   een beleidsrijke dialoog met de universiteiten.10 Hierin kunnen bovenstaande uitda-
                               gingen aan de orde worden gesteld.
                                10  Zie AWT, Wijsheid achteraf – de verantwoording van universitair onderzoek (Den Haag, 2003).
                            33 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>34 awt-advies nr. 61</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>b1               Discussies over de financiering
                 van universitair onderzoek
    In de herfst van 2001 heeft het kabinet vijf verkenningen uitgebracht voor toekom-
    stig beleid. In één daarvan heeft het vastgesteld dat de kwaliteit, toegankelijkheid
    en doelmatigheid van het universitaire onderzoek moeten worden vergroot. Daarom
    wilde het de financiering van het universitaire onderzoek herzien. Het kabinet zag
    drie opties om dat te doen:
    ■         instellingen centraal stellen (onderzoek financieren op basis van prestaties
              van universiteiten);
    ■         onderzoekers centraal stellen (onderzoek financieren op basis van project-
              voorstellen van onderzoekers);
    ■         gebruikers centraal stellen (onderzoek financieren op basis van vouchers in
              handen van mogelijke gebruikers).11
    Om deze opties verder uit te werken, heeft het ministerie van OCW de werkgroep
    Bekostiging Onderzoek Lange Termijn (BOLT) ingesteld. Haar eindrapport verscheen
    in mei 2002 en zette bovengenoemde opties op een rij zonder een voorkeur uit te
    spreken.12 Doordat de meningen sterk uiteen liepen, heeft het rapport van de werk-
    groep BOLT geen directe gevolgen gehad.
    In de herfst van 2003 hebben verscheidene partijen de discussie over de financie-
    ring van het universitaire onderzoek nieuw leven ingeblazen. Het Centraal Plan
    Bureau heeft de aftrap gegeven door in oktober 2003 ‘Prikkel de prof’ uit te bren-
    gen. In dat rapport pleitte het CPB ervoor de uitkering van middelen uit de eerste
    geldstroom sterker afhankelijk te maken van de prestaties van instellingen. Hiermee
    koos het in feite voor de eerste optie van het kabinet. Dit systeem kon volgens het
    CPB worden gecombineerd met een overheveling van gelden uit de eerste geld-
    stroom naar de tweede geldstroom (de tweede optie van het kabinet).13
    Kort daarop heeft de minister van OCW het Wetenschapsbudget voor het jaar 2004
    uitgebracht. Ook dat document bepleitte een verandering van de inrichting van de
    rijksbijdrage. Die zou langs drie wegen gerealiseerd moeten worden.
     11  Ministerie van OCW, Grenzeloos leren. Een verkenning naar onderwijs en onderzoek in 2010 (Den Haag, 2001), pp. 67-
         73.
     12  B. Jongbloed, Bekostiging universitair onderzoek: perspectieven op een nieuw sturingsarrangement. Rapport van de
         Werkgroep Financiering Master, subwerkgroep bekostiging onderzoek lange termijn (Enschede, 2002).
     13  Marc Pomp, Richard Venniker en Marcel Canoy, Prikkel de prof. Een analyse van de bekostiging van universitair onder-
         zoek (Den Haag, 2003).
 35 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>   ■         Door een nieuw compartiment te introduceren in de rijksbijdrage voor de
             valorisatie van kennis. Dit zou duidelijk moeten maken dat de valorisatie van
             kennis behoort tot de kerntaken van universiteiten.
   ■         Door een systeem te ontwikkelen om de prestaties van universitaire onder-
             zoekers in kaart te brengen. Op termijn zou deze informatie de basis moeten
             gaan vormen voor een koppeling van uitkeringen uit de eerste geldstroom
             aan prestaties (vergelijkbaar met de eerste optie van het kabinet).
   ■         Door een smart mix te introduceren in de vorm van €100 miljoen extra aan
             subsidies van de ministeries van OCW en EZ. Parallel hieraan zou in de eerste
             geldstroom een extra compartiment moeten worden geïntroduceerd ter
             grootte van €100 miljoen dat meebeweegt met de uitkering van deze gel-
             den.14
   Deze en andere initiatieven hebben veel stof doen opwaaien. Vooralsnog heeft dit
   niet geleid tot een breed gedragen consensus. Partijen zijn en blijven het oneens
   over de vraag of en hoe de financiering van het universitaire onderzoek moet wor-
   den gedynamiseerd. Op aandringen van het Innovatie Platform heeft het kabinet
   intussen wel besloten om de smart mix in te voeren in 2006. Over de precieze vorm-
   geving van dit instrument hebben de betrokken departementen – OCW en EZ – nog
   geen overeenstemming bereikt.15
    14  Ministerie van OCW, Wetenschapsbudget 2004. Focus op excellentie en meer waarde (Den Haag, 2003), pp. 9-14
    15  ‘Impasse bij de invulling van de smart mix’. Onderzoek Nederland 137, 14 januari 2005, p. 3.
36 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>b2               Veranderingen in de financiering
                 van universitair onderzoek
    Op dit ogenblik wordt de onderzoekstaak van universiteiten gefinancierd uit drie
    geldstromen. De eerste geldstroom of rijksbijdrage is afkomstig van het ministerie
    van OCW. De tweede geldstroom is afkomstig van NWO. En de derde geldstroom is
    afkomstig van overige financiers. Deze bijlage beschrijft hoe deze geldstromen de
    afgelopen twintig jaar zijn veranderd.
    Veranderingen in de eerste geldstroom
    De financiering van universitair onderzoek als aparte taak is van vrij recente datum.
    Tot 1984 ontvingen universiteiten hun rijksbijdrage op basis van het aantal inge-
    schreven studenten. Hieruit moesten zij al hun activiteiten financieren, inclusief het
    onderzoek. Hierdoor konden de universiteiten de sterke groei van het aantal stu-
    denten in de jaren zestig en zeventig paren aan een sterke uitbreiding van hun
    onderzoekscapaciteit. In 1959 gaven zij €30 miljoen uit aan onderzoek; in 1976
    was dat €393 miljoen.16
    Eind jaren zeventig stelde toenmalig minister van onderwijs Pais deze praktijk ter
    discussie. Hij betwijfelde dat de behoefte aan en de kwaliteit van het universitaire
    onderzoek gelijke pas hadden gehouden met de uitbreiding ervan. Daarom bracht
    Pais in 1979 de Beleidsnota Universitair Onderzoek uit, kortweg BUOZ. Deze schet-
    ste de contouren van een onderzoeksbeleid dat was gebaseerd op de volgende uit-
    gangspunten.17
    ■         Het universitaire onderzoek moest duidelijk zichtbaar worden. De onderzoeks-
              taak van universiteiten moest apart gefinancierd worden.
    ■         De programmering en de beoordeling van het universitaire onderzoek dien-
              den te verbeteren. Er moest een relatie komen tussen beoordeling en finan-
              ciering.
    ■         Universiteiten dienden expliciet verantwoording af te leggen over de midde-
              len die zij besteedden aan onderzoek.
    ■         Versnippering van het onderzoek moest worden voorkomen. Landelijke taak-
              verdeling was gewenst.
     16  Zie CBS, Speur- en ontwikkelingswerk in Nederland (Voorburg 1976).
     17  Ministerie van O&W, Beleidsnota universitair onderzoek (Den Haag 1979), pp. 26-30.
 37 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>   ■         Het universitaire onderzoek moest mede gestuurd worden door maatschap-
             pelijke vragen. Hierbij was een rol weggelegd voor ZWO.
   In 1984 gaf Pais’ opvolger Deetman de plannen voor een herziening van de rijksbij-
   drage concreet gestalte. Hij introduceerde het zogeheten Plaatsen Geld Model
   (PGM) dat universiteiten vergoedingen bood voor hun personeelslasten op basis van
   een aantal compartimenten (zie tabel 2).
   Tabel 2: compartimenten in Plaatsen Geld Model (1984).18
   A1              Onderwijs                                                             39%
                   Onderwijsgebonden onderzoek                                           13%
                   Bestuur en beheer                                                      5%
   A2              Vrij onderzoek                                                         9%
   Am              Maatschappelijke dienstverlening                                       7%
   B               Voorwaardelijk gefinancierd onderzoek                                 27%
   Tabel 2 maakt duidelijk dat het universitaire onderzoek in het Plaatsen Geld Model
   werd gefinancierd via drie compartimenten:
   ■         via het onderwijsgebonden onderzoek dat gefinancierd werd op basis van
             het aantal studenten (13%);
   ■         via het vrije onderzoek dat gefinancierd werd op basis van vaste voeten
             (9%);
   ■         en via het voorwaardelijk gefinancierd onderzoek dat gefinancierd werd via
             selectief toegewezen budgetten (27%).
   Vooral de invoering van de voorwaardelijke financiering had veel voeten in aarde.
   Om in aanmerking te komen voor toewijzingen uit dit compartiment moesten uni-
   versiteiten voorstellen indienen voor onderzoeksprogramma’s. Deze werden beoor-
   deeld op wetenschappelijke kwaliteit en/of maatschappelijke urgentie.
   Goedgekeurde programma’s konden vijf jaar lang rekenen op financiering. Na
   afloop van die termijn moesten universiteiten opnieuw werven voor inkomsten. Dit
   kon resulteren in een herverdeling van middelen tussen instellingen.
   Aanvankelijk voelden universiteiten weinig voor de voorwaardelijke financiering. Zij
   beschouwden dit instrument als een aanslag op hun autonomie. Maar gaandeweg
   nam hun reserve af. Dit was vooral het geval bij de programmering en beoordeling
   van het universitaire onderzoek. Op beide punten voerden universiteiten veranderin-
   gen door die aanmerkelijk verder gingen dan de wettelijke eisen. In de tweede helft
   van de jaren tachtig ontwikkelden zij een nieuw systeem voor de waarborging van
    18  T. Groot en J. van de Poel, Financieel management van non-profit organisaties (Groningen 1985), pp. 162-165.
38 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>   de kwaliteit van het universitaire onderzoek.19 En eind jaren tachtig verbeterden zij
   de organisatie van het onderzoek door onderzoeksscholen in te voeren.20
   Alles bij elkaar waren de effecten van de voorwaardelijke financiering gemengd.
   Deze maatregel had geen effect in die zin dat de beoogde herverdeling van midde-
   len tussen universiteiten uitbleef. Na twee rondes is de voorwaardelijke financiering
   in 1994 afgeschaft. Maar deze beleidsmaatregel zette universiteiten wel aan tot een
   veel actiever beleid ten aanzien van de programmering en beoordeling van het
   onderzoek. Overigens was het niet alleen de voorwaardelijke financiering die uni-
   versiteiten hiertoe aanzette. Andere maatregelen uit die tijd, zoals de invoering van
   het Aio-stelsel en de operatie Taakverdeling en Concentratie, hadden zeker zoveel
   invloed.
   Eind jaren tachtig kwam de financiering van het universitaire onderzoek opnieuw
   ter discussie te staan. Dit had twee aanleidingen: een politieke en een bestuurlijke.
   De politieke aanleiding was gelegen in veranderende opvattingen over de verhou-
   ding tussen overheid en universiteiten. Al in 1985 had minister Deetman de wens
   geuit de bemoeienis van de overheid met de universiteiten te verminderen.21 Een
   instrument als de voorwaardelijke financiering strookte hier slecht mee. Eind jaren
   tachtig klonk de wens om de universiteiten op afstand te plaatsen van de overheid
   steeds luider. De goede ervaringen met de invoering van een kwaliteitssysteem en
   van onderzoeksscholen zullen hier niet vreemd aan zijn geweest.
   De bestuurlijke aanleiding tot een nieuwe doordenking van de financiering was
   gelegen in de werking van het Plaatsen Geld Model. Dat model was gebaseerd op
   normen voor de uitvoering van de onderwijs- en onderzoekstaak (aantallen beno-
   digde medewerkers per eenheid onderwijs en onderzoek) met daaraan gekoppeld
   een normbedrag voor de financiering per medewerker. In de jaren tachtig nam de
   omvang van de totale eerste geldstroom echter sterk af. Gecorrigeerd voor inflatie
   kromp zij tussen 1983 en 1990 bijna 25%. Dit leidde tot forse spanningen binnen
   het systeem. Achtereenvolgende jaren konden universiteiten volgens het Plaatsen
   Geld Model aanspraak maken op een grotere rijksbijdrage dan hun werd toege-
   kend. Deze spanning werd hanteerbaar gemaakt door de kaasschaaf in stelling te
   brengen. Het verschil tussen het beschikbare macrobudget en de som van individue-
   le instellingsbudgetten werd proportioneel verdeeld over de universiteiten. Hierdoor
   ging de beoogde samenhang tussen toegewezen middelen en taken verloren.
   Tegen deze achtergrond introduceerde Deetmans opvolger Ritzen in 1993 het
   Hoger Onderwijs Bekostigingsmodel. Dit werkte met budgetten die politiek werden
    19  Zie J. Spaapen, C. van Suyt, A. Prins & S. Blum, Evaluatie van vijf jaar voorwaardelijke financiering (Zoetermeer 1988).
    20  Zie H. Sonneveld, Promotoren, promovendi en de academische selectie. De collectivisering van het Nederlandse promo-
        tiestelsel 1984-1995 (Amsterdam 1997).
    21  Ministerie van O&W, Hoger onderwijs, autonomie en kwaliteit (Den Haag 1985).
39 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   vastgesteld en die vervolgens werden verdeeld over de universiteiten. De budgetten
   hadden dus het karakter van toewijzingen en niet van reële vergoedingen. Waar
   mogelijk werden de beschikbare budgetten tussen universiteiten verdeeld op basis
   van hun prestaties. De budgetten werden zoveel mogelijk uitgekeerd als lump sum.
   De vele specifieke uitkeringen die het Plaatsen Geld Model kende, werden samen-
   gevoegd tot één budget zonder bestedingsbeperking. Een dergelijke vorm van uit-
   kering werd meer in overeenstemming geacht met de autonomie die men de
   universiteiten wenste te geven.
   Net als zijn voorganger werkte het Hoger Onderwijs Bekostigingsmodel met com-
   partimenten. Voor elk van de universitaire taken was een bepaald deel van het bud-
   get gereserveerd (zie tabel 3).
   Tabel 3: compartimenten in Hoger Onderwijs Bekostigingsmodel (1993).22
                                   Studenten/diploma’s                                    23,25%
   Onderwijs
                                   Verwevenheid                                            7,75%
                                   Basisvoorziening                                       10,35%
                                   Promoties                                               3,45%
   Onderzoek
                                   Strategische overwegingen component                     55,2%
                                   Onderzoeksscholen                                           0%
   In vergelijking met de compartimenten van het Plaatsen Geld Model valt een aantal
   zaken op. Allereerst zijn de toewijzingen voor de onderwijstaak in het Hoger
   Onderwijs Bekostigingsmodel kleiner. Vóór 1993 kreeg het onderwijs 39% van het
   budget toegewezen. Na 1993 was dit 31%. Deze daling van het onderwijscompar-
   timent wordt veroorzaakt doordat de collegegelden na 1993 niet meer tot de eerste
   geldstroom worden gerekend. De toewijzingen voor het onderzoek stegen daaren-
   tegen sterk: van 49% tot 69%. Deze stijging wordt veroorzaakt doordat alle univer-
   sitaire taken anders dan het onderwijs (maatschappelijke dienstverlening, bestuur en
   beheer) nu zijn opgenomen in het onderzoekscompartiment. Dit veroorzaakt een
   aanzienlijke ‘vervuiling’. Het compartiment ‘onderzoek’ in de eerste geldstroom
   oogt veel groter dan feitelijk beschikbaar is voor het uitvoeren van onderzoek.
   Een tweede verschil betreft de verdeling van middelen tussen universiteiten. In het
   nieuwe model was deze in principe afhankelijk van de prestaties van universiteiten.
   Vooralsnog werd deze wens alleen werkelijkheid bij de financiering van het onder-
   wijs. Bij de financiering van het onderzoek was alleen het compartiment dat betrek-
   king had op de promoties afhankelijk van prestaties. De basisvoorziening en de stra-
   tegische overwegingen component werden verdeeld volgens vaste voeten. Het com-
   partiment onderzoeksscholen was bedoeld voor de toekomst – in 1993 bleef het
   leeg.
    22  T. Groot en J. van de Poel, Financieel management van non-profit organisaties (Groningen 1985), pp. 166-168.
40 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>   Eind jaren negentig is de structuur van het Hoger Onderwijs Bekostigingsmodel tij-
   delijk verlaten. Geconfronteerd met dalende studentenaantallen vreesde de minister
   dat een financieringsstelsel dat afhankelijk was van prestaties de financiële continuï-
   teit van de instellingen zou bedreigen. Daarom koos minister Ritzen in 1997 voor
   een vorm van capaciteitsbekostiging die minder sterk afhankelijk was van prestaties.
   Dit heeft maar kort geduurd. In 1999 heeft Ritzen zelf nader invulling gegeven aan
   het compartiment onderzoeksscholen – een ingreep die de financiering van het
   onderzoek weer meer afhankelijk maakte van prestaties. Zijn opvolger Hermans
   keerde in hoofdlijnen terug naar het Hoger Onderwijs Bekostigingsmodel. In 2003
   ging hij zelfs een stap verder door de basisvoorziening in het onderzoeksdeel afhan-
   kelijk te maken van het aantal uitgereikte masterdiploma’s. Als gevolg hiervan
   wordt thans een derde van de eerste geldstroom voor het onderzoek toegewezen
   op basis van prestaties (namelijk het basisdeel dat nu is gerelateerd aan het aantal
   diploma’s, de aantallen promoties en de deelname aan onderzoeksscholen, zie tabel
   4). Met de invoering van de smart mix in 2006 zal de prestatieafhankelijkheid van
   toewijzingen in de eerste geldstroom aanzienlijk worden vergroot.
   Tabel 4: rijksbijdrage aan de universiteiten (M€, niet gecorrigeerd voor inflatie).23
            Onderwijs                                     Onderzoek                                           Totaal
                                    Basis        Promoties            Scholen                  SOC
   1993           571,3            145,2                88,6                 0               742,1          1.547,2
   1994           572,0            146,5              102,8                  0               739,6          1.560,9
   1995           583,7            150,5              114,5                  0               739,2          1.587,9
   1996           579,6            157,1              123,6                  0               766,4          1.626,7
   1997           576,1            160,5              128,3                  0               780,8          1.645,7
   1998           582,7            165,2              134,0               90,8               711,7          1.683,3
   1999           617,2            174,8              143,6               90,8               756,5          1.782,9
   2000           696,8            187,6              154,9               90,8               817,3          1.947,4
   2001           753,7            194,0              160,2               90,8               848,5          2.047,3
   2002           837,9            204,3              155,3               90,8               911,9          2.200,2
   2003           901,2            213,4              173,8               90,7               925,7          2.304,8
   De uitspraak dat de rijksbijdrage voor het onderzoek voor een derde wordt toege-
   wezen op basis van prestaties geldt overigens alleen op het niveau van de sector.
   Tussen instellingen bestaan forse verschillen. Alleen bij de algemene universiteiten
   komt de samenstelling van de eerste geldstroom in de buurt van het landelijk
   gemiddelde. Technische universiteiten ontvangen grotere vaste voeten dan
   gemiddeld, universiteiten met grote gammafaculteiten kleinere (zie tabel 5). Een
   deel van deze verschillen kan worden verklaard uit de aan-, dan wel afwezigheid
   23   B. Jongbloed en C. Salerno, De bekostiging van het universitaire onderwijs en onderzoek in Nederland. Modellen, the-
        ma’s en trends (Achtergrondstudie AWT 2004), pp. 39-43. Deze cijfers tonen dat de eerste geldstroom sinds 1993 sterk
        is gegroeid. Hierbij moet worden bedacht dat diezelfde geldstroom tussen 1983 en 1993 sterk is geslonken.
        Gecorrigeerd voor inflatie was de gehele eerste geldstroom in 2003 even groot als in 1983.
41 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   van kapitaalsintensieve onderzoeksfaciliteiten. In technische universiteiten kan vrij-
   wel geen enkele faculteit buiten zulke voorzieningen. Universiteiten met grote gam-
   mafaculteiten behoeven daarentegen weinig zware onderzoeksfaciliteiten.
   Algemene universiteiten nemen weer een tussenpositie in.
   Tabel 5: samenstelling van de rijksbijdrage voor onderzoek per instelling (2003).24
               Basis (diploma’s)          Promoties                Scholen              SOC
   Landelijk               15%                 12%                     6%              66%
   RL                      14%                 13%                     6%              67%
   UU                      17%                 15%                     7%              61%
   RUG                     18%                 12%                     9%              61%
   EUR                     22%                 14%                     6%              58%
   UM                      24%                 13%                     4%              59%
   UVA                     16%                 13%                     7%              64%
   VU                      18%                 12%                     6%              64%
   KUN                     20%                 14%                     5%              61%
   UvT                     31%                  8%                     5%              56%
   TUD                      8%                  7%                     5%              79%
   TUE                      6%                 15%                     9%              69%
   UT                       9%                 13%                     5%              73%
   Veranderingen in de tweede geldstroom
   De tweede geldstroom heeft een lange geschiedenis. In 1950 werd ZWO opgericht
   om het (natuur)wetenschappelijk onderzoek in Nederland te bevorderen. Daartoe
   vervulde ZWO twee taken: zij hield eigen instituten in stand en verleende univer-
   siteiten subsidies om onderzoek uit te voeren. De toekenning van subsidies
   geschiedde op basis van competitie. Individuele onderzoekers moesten hun plannen
   voorleggen aan ZWO waarna de besten werden beloond. Het waren de onderzoe-
   kers die subsidies ontvingen, niet de instellingen. Lange tijd waren de onderzoekers
   die ZWO subsidieerde niet in dienst van de universiteiten. Zij waren in dienst van
   ZWO en gestationeerd bij de universiteiten. Deze situatie is pas in 1998 gewijzigd.
   In de jaren tachtig vond een ingrijpende verandering plaats. Tot dan toe was ZWO
   een organisatie geweest van, voor en door onderzoekers. Projecten die gesubsidi-
   eerd werden, kwamen bottom up tot stand. Individuele onderzoekers ontwikkelden
   projectvoorstellen en legden deze voor aan ZWO. Al naar gelang de wetenschappe-
   lijke kwaliteit van de voorstellen werden zij goed- of afgekeurd. De BUOZ-nota had
   echter ook een lans gebroken voor een programmatische benadering waarbij ZWO
   zou letten op de maatschappelijke kwaliteit van onderzoeksvoorstellen. Om dit
    24  Zie voetnoot 23.
42 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>   voorstel handen en voeten te geven, werd ZWO in 1988 omgevormd tot NWO. De
   nieuwe organisatie moest niet meer alleen bottom up werken, maar ook top down.
   NWO moest niet alleen de voorstellen van onderzoekers volgen, maar ook eigen
   prioriteiten stellen. In de jaren negentig is deze benadering consequent uitgewerkt
   in de thematische programma’s van NWO. Zodoende kunnen universiteiten nu op
   grofweg twee manieren middelen verwerven bij NWO: langs de weg van de open
   programma’s en langs de weg van de thematische programma’s. In beide gevallen
   verloopt de toekenning van subsidies in competitie. Alleen de beste voorstellen
   worden beloond.
   De subsidies die NWO verleent, vergoeden slechts een deel van de kosten. NWO
   vergoedt de integrale personeelskosten plus een opslag. Veel van de materiële
   kosten die gemoeid zijn met NWO-projecten komen voor rekening van de univer-
   siteiten – de zogeheten matching. Dit gebruik is verklaarbaar uit de geschiedenis
   toen onderzoekers op NWO-projecten op de loonlijst stonden van NWO en niet van
   de universiteiten. Maar een grote concentratie van NWO-onderzoekers bij één uni-
   versiteit kan de kosten van de matching flink doen stijgen. Om dit probleem te
   ondervangen, kende het Plaatsen Geld Model een voorziening waarbij de toeken-
   ningen voor het onderzoek deels afhankelijk waren van de aantallen ZWO-onder-
   zoekers. Bij de overgang naar het Hoger Onderwijs Bekostigingsmodel is deze voor-
   ziening afgeschaft. Tegelijkertijd is de tweede geldstroom van NWO naar de univer-
   siteiten aanzienlijk gestegen. Tabel 6 brengt dit in beeld voor de laatste jaren.
   Gegevens over voorgaande jaren zijn niet beschikbaar.
   Tabel 6: subsidies van NWO aan universiteiten (M€).25
                                                      2001         2002               2003
   Centrale organisatie                                38,3        76,7               18,7
   Aard- en levenswetenschappen                        16,7        16,4               23,8
   Chemische wetenschappen                             16,3        16,3               15,0
   Exacte wetenschappen                                35,1          8,7              10,9
   Geesteswetenschappen                                13,1        13,0               15,7
   Maatschappij- en gedragswetenschappen               23,9        17,1               24,3
   Medische wetenschappen                              15,7        20,4               32,9
   Natuurwetenschappen                                    –            –              39,6
   Technische wetenschappen                            24,1        31,2               45,6
   Tropenonderzoek                                      4,3          4,6               5,2
   Nationale Computer faciliteiten                      1,3          1,5               1,2
   Genomics                                               –          3,6              22,5
   Katalyseonderzoek                                      –            –               0,6
   Totaal                                            188,9        209,6              256,0
    25  NWO, Jaarboeken 2001, 2002 en 2003 (Den Haag, 2002-2004).
43 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   Veranderingen in de derde geldstroom
   Net als de tweede geldstroom kent de derde geldstroom een lange geschiedenis. Al
   sinds het begin van de twintigste eeuw verrichtten universiteiten contractonder-
   zoek.26 Lange tijd had dit een incidenteel karakter – vaak was contractonderzoek
   afhankelijk van toevallige contacten tussen opdrachtgevers en onderzoekers. Sinds
   de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben derde geldstroomactiviteiten een struc-
   tureel karakter gekregen. In het verlengde van de BUOZ-nota hebben kabinetten
   een beleid uitgestippeld om de contractinkomsten van universiteiten te doen ver-
   groten.
   Dit beleid is allereerst tot stand gekomen doordat de rijksoverheid meer onderzoek
   is gaan uitbesteden aan universiteiten. Hierbij ging het om twee typen onderzoek:
   beleidsondersteunend onderzoek en innovatieondersteunend onderzoek. Het eerste
   type onderzoek moest een antwoord geven op vragen van de overheid zelf. Voor
   dit type onderzoek is nooit een samenhangend, rijksbreed beleid geformuleerd. Dit
   in tegenstelling tot het innovatieondersteunend onderzoek. Sinds het verschijnen
   van de Innovatienota in 1979 heeft de overheid meerdere instrumenten ontwikkeld
   om de economische structuur van Nederland te versterken (IOP’s, STW, ICES-KIS et
   cetera). Om hiervoor in aanmerking te komen werden en worden voorstellen van
   universitaire onderzoekers onderworpen aan beoordelingen. Vaak hadden en heb-
   ben deze procedures een competitief karakter. Het aandeel van deze subsidies in de
   inkomsten van universiteiten is de afgelopen decennia fors gestegen.
   Niet alleen de overheid heeft fors bijgedragen aan de groei van het contractonder-
   zoek. Andere partijen hebben dat ook gedaan. Binnen de non-profit sector hebben
   vooral de zogeheten collectebusfondsen veel onderzoek uitbesteed aan universitei-
   ten. In veel gevallen gaat het hierbij om onderzoeksgelden die in competitie verwor-
   ven moeten worden. Ook bedrijven zijn steeds meer gebruik gaan maken van de
   diensten van universiteiten. Terwijl zij in de jaren tachtig en negentig sterk hebben
   bezuinigd op hun eigen onderzoek, zijn bedrijven in dezelfde periode steeds meer
   onderzoek gaan uitbesteden aan onderzoeksinstellingen. Een deel hiervan is neer-
   geslagen bij universiteiten. Tot slot hebben internationale organisaties zich eveneens
   ontwikkeld tot krachtige sponsors van het universitaire onderzoek. Vooral de groei
   van Europese Kaderprogramma’s heeft ervoor gezorgd dat universiteiten in toene-
   mende mate middelen ontvangen van buiten de landsgrenzen. In veel gevallen gaat
   het ook hierbij om middelen die universiteiten in competitie moeten verwerven.
   Al met al heeft de vraag naar contractonderzoek zich de afgelopen jaren krachtig
   ontwikkeld. Overheden, collectebusfondsen, bedrijven en internationale organisaties
   26   P. Baggen, J.Faber en E. Homburg, ‘Opkomst van een kennismaatschappij’, in J. Schot, H.Lintsen en A. Rip (red.),
        Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Deel VII (Zutphen 2003), pp. 159-164.
44 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>   hebben hier steeds grotere budgetten voor gecreëerd. Universiteiten hebben goed
   ingespeeld op deze vraag: tussen 1990 en 2001 stegen hun inkomsten uit contract-
   onderzoek met 175% (zie tabel 7). Dat is niet geheel vrijwillig gebeurd.
   Universiteiten hebben de markt voor contractonderzoek ook aangeboord omdat de
   chronische bezuinigingen op de eerste geldstroom hen daartoe dwongen. Lange tijd
   konden zij hun onderzoekscapaciteit slechts op peil houden door bezuinigingen op
   de eerste geldstroom te compenseren met extra inkomsten in de derde geldstroom.
   Aan die strategie zit overigens een grens. In de regel dekken vergoedingen voor
   contractonderzoek slechts een deel van de kosten. Zodoende kunnen extra inkom-
   sten uit de derde geldstroom de bezuinigingen op de eerste geldstroom nooit volle-
   dig compenseren.
   Tabel 7: subsidies aan universiteiten voor contractonderzoek (M€).27
                 Totaal         Overheid         Non-profit   Bedrijven Internationaal
   1990             231                85                  70        50            25
   1991             268                98                  80        56            34
   1992             299               110                  87        59            43
   1993             328               118                  90        65            55
   1994             325               107                 101        64            54
   1995             398               154                 113        70            60
   1996             404               159                 116        69            60
   1997             433               170                 120        81            62
   1998             486               171                 157        93            67
   1999             507               162                 164       113            69
   2000             547               156                 163       148            79
   2001             637               199                 209       154            75
   Conclusies
   De afgelopen decennia is de financiering van het universitaire onderzoek ingrijpend
   gewijzigd. Allereerst is het onderzoek toen pas onderscheiden als apart te financie-
   ren activiteit. Lange tijd werd het universitaire onderzoek gefinancierd als opslag op
   het onderwijs. Pas in 1984 is dit veranderd. Verder valt op dat de financiering van
   het universitaire onderzoek in de afgelopen twintig jaar sterk gediversifieerd is. Tot
   1980 financierden universiteiten het merendeel van hun onderzoeksactiviteiten uit
   de rijksbijdrage. Nadien zijn de tweede en derde geldstroom steeds belangrijker
   geworden. In 2001 namen zij circa 40% van de totale onderzoeksfinanciering voor
   hun rekening. Veel van het geld dat zo wordt verdeeld, moet worden verworven in
   competitie.
   27   CBS, Kennis en economie 2003 (Den Haag 2004), p. 147.
45 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>   De eerste geldstroom als geheel is niet gegroeid. Gecorrigeerd voor inflatie was de
   rijksbijdrage die universiteiten ontvingen voor onderwijs en onderzoek in 2003 even
   groot als in 1983.28 Wel is de manier veranderd waarop dit budget werd verdeeld
   over en toegewezen aan de universiteiten. De verdeling van de totale eerste geld-
   stroom tussen de universiteiten is steeds meer afhankelijk gemaakt van hun presta-
   ties. In 2003 was de rijksbijdrage aan het onderzoek voor circa 35% afhankelijk van
   prestaties. De wijze van toewijzing is eveens veranderd: universiteiten hebben
   steeds minder budgetten gekregen met bestedingsbeperking. De rijksbijdrage heeft
   de vorm gekregen van een lump sum waarover de universiteiten naar eigen inzicht
   kunnen beschikken. Deze vorm van uitkering werd en wordt in overeenstemming
   geacht met de autonomie van universiteiten.
   28   B. Jongbloed en C. Salerno, De bekostiging van het universitaire onderwijs en onderzoek in Nederland. Modellen, the-
        ma’s en trends (Achtergrondstudie AWT 2004), pp. 37-43.
46 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>b3               Veranderingen in de praktijk
                 van universitair onderzoek
    Parallel aan de financiering is ook de praktijk van het universitaire onderzoek
    drastisch gewijzigd. Deze bijlage illustreert die verandering voor een aantal punten.
    Aantallen onderzoekers
    Tabel 8 laat zien dat het aantal universitaire onderzoekers tussen 1980 en 2001 is
    gegroeid met 68%. Deze stijging is mede mogelijk gemaakt doordat de gemiddelde
    beloning van universitaire onderzoekers na 1986 sterk is gedaald. De introductie
    van het Aio-stelsel is hierbij doorslaggevend geweest.
    De groei van het aantal universitaire onderzoekers is voor het grootste deel gereali-
    seerd binnen de tweede en derde geldstroom. Tabel 8 laat zien dat er tussen 1980
    en 2001 ongeveer 1100 onderzoekers zijn bijgekomen in de eerste geldstroom. In
    diezelfde periode zijn de aantallen onderzoekers in de tweede en derde geldstroom
    gegroeid met respectievelijk 2000 en 2500 fte. In beide gevallen komt dit neer op
    een verdrievoudiging van de oorspronkelijke aantallen. Deze sterke groei heeft gere-
    sulteerd in een slinkend aandeel van de eerste geldstroom onderzoekers in de totale
    onderzoekspopulatie van universiteiten. Terwijl eerste geldstroom onderzoekers in
    1980 driekwart uitmaakten van de totale onderzoekspopulatie vormen zij anno
    2001 nog maar de helft. Het aandeel van tweede en derde geldstroom onderzoe-
    kers is navenant gestegen: van een kwart in 1980 tot de helft in 2001.
    Tabel 8: aantal en verdeling van universitaire onderzoekers.29
                                  Absolute aantallen                                         Relatieve aandelen
                  Totaal          1e GS          2e GS          3e GS            1e GS           2e GS           3e GS
    1980           8278           6030            1010          1239              73%             12%             15%
    1983           9242           6183            1372          1687              67%             15%             18%
    1986         11184            6959            1800          2426              62%             16%             22%
    1989         13128            7801            1954          3373              59%             15%             26%
    1992         14430            8243            2312          3875              57%             16%             27%
    1995         14545            8197            2438          3911              57%             17%             27%
    1998         14276            7594            2600          4028              53%             18%             29%
    2001         13946            7192            3010          3744              52%             22%             27%
     29  OC&W, Wetenschappelijke verslagen 1993: kwantitatieve informatie (Zoetermeer 1996). VSNU, Digitaal ontsloten cijfers
         onderzoek 2001. In de cijfers over 2001 ontbreekt de TUD. In werkelijkheid ligt het aantal onderzoekers dus hoger en is het
         aandeel van de bètaonderzoekers groter. Toevoeging van de TUD aan de cijfers van 2001 heeft waarschijnlijk weinig invloed
         op de verhouding tussen eerste, tweede en derde geldstroom.
 47 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   Verdeling over disciplines
   Tabel 9 laat zien dat niet alle disciplines in gelijke mate hebben geprofiteerd van de
   toename van het aantal onderzoekers in de eerste, tweede en derde geldstroom. In
   de eerste geldstroom hebben geen grote verschuivingen plaatsgevonden tussen dis-
   ciplines. In 1980 was ongeveer 60% van alle eerste geldstroom onderzoekers werk-
   zaam in de -disciplines (exacte, technische, medische en landbouwwetenschap-
   pen). Circa 40% van alle eerste geldstroom onderzoekers werkte toen in de - en
   -disciplines. In 2001 waren deze verhoudingen niet veranderd. Bij de tweede geld-
   stroom ligt dit niet veel anders. Afgezien van een aanvankelijke stijging tussen 1980
   en 1983 zijn de verhoudingen tussen de -disciplines en de - en -disciplines nau-
   welijks veranderd. In de derde geldstroom hebben vooral de -disciplines geprofi-
   teerd van de groei. In 1980 huisvestten de -disciplines 65% van alle contract-
   onderzoekers. In 2001 was hun aandeel gegroeid tot 82%.
   Al deze ontwikkelingen bij elkaar maken dat het aandeel van de -disciplines in het
   universitaire onderzoek tussen 1980 en 2001 is gegroeid ten opzichte van de - en
   -disciplines. In 1980 vond 65% van al het universitaire plaats in de -disciplines en
   in 2001 was hun aandeel gegroeid tot 70%. Hierbij moet worden bedacht dat juist
   - en -wetenschappen zijn aangewezen op universiteiten. In Nederland worden de
   -disciplines voor een aanzienlijk deel bedreven buiten de universiteiten (bedrijven,
   GTI’s, TNO, KNAW, NWO en dergelijke). Bij de - en -disciplines is dat veel minder
   het geval.30
   Tabel 9: aandeel van disciplines in geldstromen.31
                    1e geldstroom         2e geldstroom            3e geldstroom     alle geldstromen
                               /                    /                     /             /
   1980            62%         38%       84%           16%        65%          35%   65%         35%
   1983            63%         37%       76%           24%        64%          36%   65%         35%
   1986            63%         37%       74%           26%        65%          35%   65%         35%
   1989            62%         38%       74%           26%        71%          29%   66%         34%
   1992            61%         39%       73%           27%        73%          27%   66%         34%
   1995            62%         38%       73%           27%        81%          19%   69%         31%
   1998            63%         37%       77%           23%        82%          18%   71%         29%
   2001            61%         39%       77%           23%        82%          18%   70%         30%
   30    NOWT, Wetenschaps- en technologie-indicatoren 2003 (Den Haag 2003), p. 111.
   31   Zie voetnoot 29
48 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>   Output
   Tabel 10 laat zien dat de groei van het aantal universitaire onderzoekers gepaard is
   gegaan met een toename van hun output. Tussen 1980 en 2001 steeg het aantal
   dissertaties met 200%, het aantal wetenschappelijke publicaties met 150% en het
   aantal vak publicaties met 130%!
   Tabel 10: output van universitair onderzoek. 32
                     Dissertaties Wetenschappelijke publicaties        Vak publicaties
   1980                      833                       19.735                   6.786
   1983                    1.098                       28.069                   9.301
   1986                    1.153                       31.998                  12.078
   1989                    1.718                       39.684                  14.815
   1992                    2.167                       44.804                  17.158
   1995                    2.564                       49.050                  15.479
   1998                    2.527                       51.409                  16.314
   2001                    2.534                       51.066                  15.820
   Productiviteit
   De output van het universitaire onderzoek is niet alleen gestegen door de toename
   van de onderzoekscapaciteit. De productiviteit van het onderzoek is eveneens toe-
   genomen, zoals blijkt uit tabel 11. In 2001 publiceerde elke onderzoeker 54% meer
   wetenschappelijke artikelen dan een collega in 1980. Deze toename is deels een
   gevolg van veranderingen in de financiering van het onderzoek. Veranderingen in
   de organisatie van het onderzoek, de internationalisering van het onderzoek en de
   opkomst van prestatiegericht gedrag onder onderzoekers spelen eveneens een rol.
   Tabel 11: productiviteit van universitair onderzoek per fte (1980 = 100).33
                     Dissertaties Wetenschappelijke publicaties        Vak publicaties
   1980                      100                           100                    100
   1983                      118                           127                    123
   1986                      102                           120                    132
   1989                      130                           127                    138
   1992                      149                           130                    145
   1995                      176                           142                    130
   1998                      176                           151                    140
   2001                      181                           154                    139
   32   Zie voetnoot 29.
   33   Zie voetnoot 29.
49 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   Kwaliteit
   De kwaliteit van het Nederlandse heeft niet te lijden gehad van deze veranderingen.
   Tabel 12 laat zien dat Nederland goed scoort in termen van het aantal geproduceer-
   de onderzoeksartikelen. In termen van de impact van die artikelen scoort Nederland
   zelfs uitstekend – alleen de Verenigde Staten en Zwitserland doen het hier beter.
   Alle onderdelen van de onderzoeksinfrastructuur (universiteiten, researchinstellin-
   gen, bedrijven) dragen bij aan dit succes.
   Tabel 12: aantal en impact wetenschappelijke publicaties (1998-2001).34
                        Aantal artikelen             Rang           Impact artikelen    Rang
   Verenigde Staten            1.269.036                1                          1,42    2
   Verenigd Koninkrijk           354.724                2                          1,21    4
   Japan                         337.810                3                          0,85   18
   Duitsland                     313.712                4                          1,09    9
   Frankrijk                     231.550                5                          1,01   13
   Canada                        164.182                6                          1,21    5
   Italië                        150.013                7                          0,95   17
   Rusland                       127.965                8                          0,32   29
   China                         115.403                9                          0,41   27
   Spanje                        106.023               10                          0,85   19
   Australië                     103.648               11                          1,01   12
   Nederland                      93.129               12                          1,25    3
   India                          73.787               13                          0,37   28
   Zweden                         72.469               14                          1,13    8
   Zwitserland                    65.878               15                          1,44    1
   Zuid Korea                     57.399               16                          0,65   21
   België                         47.685               17                          1,09   10
   Israël                         46.336               18                          1,06   11
   Taiwan                         44.457               19                          0,65   22
   Polen                          43.518               20                          0,55   24
   Brazilië                       43.373               21                          0,55   25
   Denemarken                     37.086               22                          1,17    6
   Finland                        34.371               23                          1,15    7
   Oostenrijk                     33.854               24                          0,98   15
   Noorwegen                      23.195               25                          1,01   14
   Turkije                        23.013               26                          0,44   26
   Griekenland                    21.736               27                          0,71   20
   Mexico                         21.014               28                          0,60   23
   Nieuw Zeeland                  20.961               29                          0,96   16
   Oekraïne                       20.304               30                          0,28   30
   34    NOWT, Wetenschaps- en technologie-indicatoren 2003 (Den Haag 2003), p. 99.
50 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>   Onlangs heeft de Europese Commissie een rapport gepubliceerd waarin zij indivi-
   duele instellingen vergeleek op de impact van de artikelen die zij hebben geprodu-
   ceerd. Aan dit onderzoek kleven zeer veel haken en ogen, maar het vormt wel een
   indicatie voor de kwaliteit van het Nederlandse universitaire onderzoek. Onder de
   twintig beste universiteiten van Europa bevinden zich namelijk zeven Nederlandse.
   Geen ander land staat met zoveel instellingen in de top 20 (zie tabel 13).
   Tabel 13: de twintig belangrijkste Europese universiteiten.35
                                                    Impactscore van publicaties
   Universiteit van Cambridge                                                  1,55
   Universiteit van Oxford                                                     1,48
   Technische Universiteit Eindhoven                                           1,40
   Technische Universiteit München                                             1,40
   Universiteit van Edinburg                                                   1,35
   Universiteit Twente                                                         1,34
   Universiteit van Freiburg                                                   1,34
   Universiteit Karlsruhe                                                      1,34
   Erasmus Universiteit                                                        1,32
   Universiteit van Straatsburg                                                1,32
   Universiteit Stuttgart                                                      1,34
   Université Catholique de Louvain                                            1,30
   Universiteit van Londen                                                     1,29
   Universiteit van Helsinki                                                   1,29
   Universiteit Leiden                                                         1,25
   Universiteit van Amsterdam                                                  1,25
   Technische Universiteit Delft                                               1,24
   Technische Universiteit Denemarken                                          1,24
   Vrije Universiteit                                                          1,22
   Universiteit van Antwerpen                                                  1,20
   35   Europese Commissie, Third European report on science & technology indicators 2003 (Brussel 2003), pp. 310-314.
51 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>52 awt-advies nr. 61</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>b4               Gesprekpartners
    In de voorbereiding op dit advies heeft de AWT gesprekken gevoerd met de volgen-
    de personen.
    ■         Mw. drs. J.A. van den Bandt-Stel (secretaris technologiecommissie VNO-NCW)
    ■         Dhr. dr. J.A. Bartelse (hoofd beleid VSNU)
    ■         Dhr. ir. J.E.J. van Bergen (vice-voorzitter College van Bestuur Universiteit
              Leiden)
    ■         Dhr. drs. W. te Beest (lid College van Bestuur UTwente)
    ■         Dhr. dr. C.A. van Bochove (directeur onderzoeks- en wetenschapsbeleid
              ministerie OCW)
    ■         Dhr. drs. J.P. Broersen (beleidsmedewerker ministerie EZ)
    ■         Mw. drs. B.P.M. Claassen (beleidsmedewerker Sociaal Economische Raad)
    ■         Dhr. drs. J. Dijk (stafdirecteur onderzoeksstrategie Wageningen Universiteit)
    ■         Dhr. prof. dr. F.A. van der Duyn Schouten (rector magnificus, College van
              Bestuur Universiteit Tilburg)
    ■         Mw. dr. J.C.M. van Eijndhoven (voorzitter College van Bestuur Erasmus
              Universiteit)
    ■         Dhr. drs. R. Endert (programmamanager directie hoger onderwijs OCW)
    ■         Dhr. drs. Th. Grosveld (projectmedewerker Innovatieplatform)
    ■         Mw. dr. F.M.L. Heijs (afdelingshoofd directie onderzoeks- en wetenschaps-
              beleid ministerie OCW)
    ■         Dhr. mr. E.M. d’Hondt (voorzitter VSNU)
    ■         Dhr. dr. B.W.A. Jongbloed (senior onderzoeker CHEPS)
    ■         Dhr. prof. dr. E.C. Klasen (Raad van Bestuur LUMC)
    ■         Dhr. dr. M.A. Kooyman (plv. voorzitter College van Bestuur Rijksuniversiteit
              Groningen)
    ■         Leden van de technologiecommissie VNO-NCW
    ■         Dhr. prof. dr. F. Leijnse (voorzitter HBO-Raad)
    ■         Dhr. prof. dr. W.J.M. Levelt (president KNAW)
    ■         Dhr. ir. G.J. van Luijk (voorzitter College van Bestuur Technische Universiteit
              Delft)
    ■         Dhr. drs. R. Minnée (waarnemend directeur hoger onderwijs ministerie OCW)
    ■         Dhr. drs. C.H. Moen (algemeen directeur KNAW)
    ■         Dhr. drs. H.J.Th. Nieuwenhuis (plaatsvervangend directeur Innovatie,
              ministerie EZ)
    ■         Dhr. prof. dr. P. Nijkamp (voorzitter NWO)
    ■         Dhr. dr. S.J. Noorda (voorzitter College van Bestuur Universiteit van
              Amsterdam)
    ■         Mw. drs. T. van Raalten (bestuur Promovendi Netwerk Nederland)
 53 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>   ■         Dhr. prof. dr. ir. R. Rabbinge (decaan Wageningen Universiteit)
   ■         Dhr. dr. J.M.M. Ritzen (voorzitter College van Bestuur Universiteit Maastricht)
   ■         Dhr. dr. L.J. Roborgh (directeur generaal hoger onderwijs en wetenschapsbe-
             leid ministerie OCW)
   ■         Dhr. mr. J.H. Schraven (voorzitter VNO-NCW)
   ■         Dhr. R. Slotman (beleidsmedewerker HBO-Raad)
   ■         Dhr. prof. dr. T. Sminia (rector magnificus, College van Bestuur Vrije
             Universiteit Amsterdam)
   ■         Dhr. prof. dr. ir. L. Speelman (rector magnificus, Raad van Bestuur
             Wageningen Universiteit)
   ■         Dhr. drs. V.I. Spoormaker (voorzitter Promovendi Netwerk Nederland)
   ■         Dhr. drs. J.C.G. van Steen (beleidsmedewerker onderzoeks- en wetenschaps-
             beleid ministerie OCW)
   ■         Dhr. ir. R.J. de Wijkerslooth (voorzitter College van Bestuur Radboud
             Universiteit Nijmegen)
   ■         Dhr. dr. H.H. F. Wijffels (voorzitter Sociaal Economische Raad)
   ■         Dhr. drs. J.N. van Yperen (coördinator directie hoger onderwijs ministerie
             OCW)
   ■         Dhr. dr. D.C. Zijderveld (hoofd algemene beleids- en bestuurszaken NWO)
   ■         Dhr. ir. J. Zuidam (voorzitter technologiecommissie VNO-NCW)
54 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>b5  m         Internationale vergelijking
    Een internationale benchmarking van de financiering van universitair onderzoek is
    lastig. Om te beginnen, verschilt de inbedding van het universitaire onderzoek in de
    nationale onderzoeksinfrastructuur van land tot land. Deze verschillen kunnen grote
    gevolgen hebben voor de financiering van universitair onderzoek. Daarnaast is het
    niet goed mogelijk geldstromen internationaal te vergelijken. Op basis van de
    beschikbare gegevens zijn geen eenduidige conclusies te trekken.
    Inbedding in de nationale onderzoeksinfrastructuur
    In Nederland wordt op grofweg drie plaatsen onderzoek verricht: in bedrijven, uni-
    versiteiten en researchinstellingen (TNO, NWO-instituten, KNAW-instituten, GTI’s et
    cetera). Tabel 14 laat zien dat Nederlandse bedrijven in 2001 meer dan de helft van
    alle onderzoek verrichten. Universiteiten zijn goed voor een kwart en researchinstel-
    lingen voor een zevende.
    Tabel 14: onderzoeksuitgaven in Nederland naar plaats van besteding (2001).36
                                             Absoluut                              Relatief
    Bedrijven                        € 4712 miljoen                                   58%
    Universiteiten                   € 2184 miljoen                                   27%
    Researchinstellingen             € 1194 miljoen                                   15%
    Totaal                           € 8090 miljoen                                 100%
    Internationaal valt dit uitgavenpatroon enigszins uit de toon. Uitgedrukt als percen-
    tage van het bruto binnenlands product besteden bedrijven in veel Westerse landen
    substantieel meer aan onderzoek dan Nederlandse. In Finland, de Verenigde Staten
    en Japan zijn de bedrijfsuitgaven aan onderzoek zelfs het dubbele van die in
    Nederland (zie tabel 15). Dit verschil kan voor ongeveer de helft worden verklaard
    uit de specifieke sectorstructuur van de Nederlandse economie. Vooral de geringe
    omvang van de high-tech industrie speelt Nederland hierbij parten.37
     36  CBS, Kennis en economie 2003 (Voorburg 2004), p. 137.
     37  H. Hollanders & B. Verspagen, De invloed van de sectorstructuur op de R&D-uitgaven van en het aantal toegekende
         patenten aan het Nederlandse bedrijfsleven (Maastricht 2001), pp. 6-11. NOWT, Wetenschaps- en technologie-indicato-
         ren 2003 (Den Haag 2003), pp. 28-34.
 55 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>   Terwijl bedrijven in ons land minder uitgeven aan onderzoek dan hun buitenlandse
   concurrenten doen Nederlandse universiteiten dat juist meer. Alleen Finse univer-
   siteiten besteden een groter deel van het bruto binnenlands product aan onder-
   zoek. In de overige Westerse landen besteden universiteiten in de regel een kleiner
   deel van het bruto binnenlands product aan onderzoek.
   Tabel 15: onderzoeksuitgaven naar plaats van besteding als percentage van het BBP (1999/2001).38
                                 Bedrijven       Universiteiten Researchinstellingen  Totaal
   Nederland                       1,10%                  0,51%              0,28%   1,89%
   België                          1,40%                  0,47%              0,09%   1,96%
   Duitsland                       1,76%                  0,40%              0,33%   2,49%
   Frankrijk                       1,37%                  0,41%              0,42%   2,20%
   Verenigd Koninkrijk             1,28%                  0,41%              0,21%   1,90%
   Denemarken                      1,42%                  0,43%              0,35%   2,19%
   Finland                         2,42%                  0,61%              0,37%   3,40%
   Noorwegen                       0,97%                  0,42%              0,24%   1,62%
   Italië                          0,53%                  0,33%              0,21%   1,07%
   Spanje                          0,50%                  0,30%              0,16%   0,96%
   Portugal                        0,27%                  0,30%              0,26%   0,83%
   Verenigde Staten                2,10%                  0,40%              0,32%   2,82%
   Japan                           2,28%                  0,45%              0,36%   3,09%
   De relatief grote uitgaven aan universitair onderzoek in Nederland zijn niet alleen
   afkomstig van de overheid. Ook bedrijven dragen het nodige bij. Tabel 16 laat zien
   van welke financiers universiteiten onderzoeksmiddelen ontvangen. Hieruit blijkt dat
   Nederlandse universiteiten relatief veel geld krijgen van bedrijven. Alleen Belgische
   en Duitse universiteiten ontvangen een groter deel van hun onderzoeksmiddelen
   van bedrijven. Finse en Amerikaanse universiteiten, die toch een naam hebben hoog
   te houden op het gebied van industrieel-academische samenwerking, ontvangen
   relatief minder geld van bedrijven dan Nederlandse universiteiten!
   38    CBS, Kennis en economie 2003 (Voorburg 2004), p. 192.
56 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>   Tabel 16: financiering van universitair onderzoek naar bron van herkomst (1999/2001).39
                               Overheid           Bedrijven      PNP  Buitenland   Universiteiten
   Nederland                      86,7%                7,1%     2,7%       3,4%                 –
   België                         65,4%              10,9%      0,6%       9,9%            13,2%
   Duitsland                      87,0%              11,3%          –          –            1,7%
   Frankrijk                      91,5%                2,7%     0,3%       2,1%             3,4%
   Verenigd Koninkrijk            64,7%                7,1%    16,4%       7,8%             4,0%
   Denemarken                     89,4%                1,9%     4,8%       3,9%                 –
   Finland                        86,4%                5,6%     1,2%       6,0%             0,8%
   Noorwegen                      86,7%                5,1%     3,3%       2,9%             2,1%
   Italië                         94,4%                4,8%         –      0,9%                 –
   Spanje                         72,1%                6,9%     1,0%       4,6%            15,4%
   Portugal                       88,7%                1,2%     3,3%       3,4%             3,4%
   Verenigde Staten               71,7%                5,7%     6,3%           –           17,0%
   Japan                          50,2%                2,5%     0,2%           –           47,1%
   Niet alleen Nederlandse universiteiten ontvangen relatief grote bijdragen van bedrij-
   ven voor onderzoek. Ook Nederlandse researchinstellingen doen dat. Tabel 17 laat
   zien waar researchinstellingen hun onderzoeksgeld vandaan halen. Hieruit blijkt dat
   Nederlandse samen met Japanse researchinstellingen eenzaam aan de top staan als
   het gaat om verwerving van onderzoeksmiddelen van bedrijven.
   Tabel 17: financiering van researchinstellingen naar bron van herkomst (1999/2001).40
                               Overheid           Bedrijven      PNP  Buitenland   Universiteiten
   Nederland                      65,9%              21,0%      1,0%      11,5%             0,6%
   België                         67,9%                5,6%     0,5%      25,8%             0,2%
   Duitsland                      81,7%                7,4%     4,3%       6,1%             0,6%
   Frankrijk                      93,8%                2,2%     2,0%       2,1%                 -
   Verenigd Koninkrijk            71,0%              15,3%      9,0%       4,2%             0,4%
   Denemarken                     74,1%                4,9%    13,9%       7,1%                 –
   Finland                        79,9%              10,3%      0,2%       9,6%                 –
   Noorwegen                      74,3%              14,3%      3,7%       7,7%                 –
   Italië                         95,0%                2,0%     1,0%       2,0%                 –
   Spanje                         80,2%                6,8%     3,6%       9,2%             0,2%
   Portugal                       86,8%                4,4%     2,8%       6,1%                 –
   Verenigde Staten               83,2%                3,6%    13,2%           –                –
   Japan                          76,4%              19,0%      4,5%       0,1%                 –
   39    CBS, Kennis en economie 2003 (Voorburg 2004), p. 212
   40    CBS, Kennis en economie 2003 (Voorburg 2004), p. 212.
57 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>   Al met al bestaan er dus meerdere patronen in de uitbesteding van onderzoek door
   bedrijven. In landen als België, Duitsland en Italië besteden bedrijven hun onderzoek
   liever uit aan universiteiten dan aan researchinstellingen. In landen als Spanje en de
   Verenigde Staten hebben bedrijven geen duidelijke voorkeur. Daar besteden zij hun
   onderzoek in vergelijkbare mate uit aan universiteiten en researchinstellingen. In de
   overige landen besteden bedrijven hun onderzoek het liefst uit aan researchinstellin-
   gen.
   Ondanks de relatief grote bijdragen van bedrijven aan het universitaire onderzoek
   behoort Nederland tot de laatste categorie.41 Ook hier gaan bedrijven liever in zee
                                                                       42
   met researchinstellingen dan met universiteiten. Dat bedrijven hier toch veel bijdra-
   gen aan het universitaire onderzoek hangt samen met hun relatief geringe uitgaven
   aan eigen laboratoria. De relatief lage uitgaven aan onderzoek in eigen huis worden
   zo gecompenseerd door relatief hoge uitgaven aan onderzoek buitenshuis – vooral
   in researchinstellingen, maar ook in universiteiten.
   Geldstromen vergeleken
   In veel Westerse landen wordt het universitaire onderzoek gefinancierd op een zelf-
   de manier als in Nederland. Vrijwel overal krijgen universiteiten van de overheid een
   basisfinanciering voor delen van hun onderwijs, onderzoek en kapitaalsvoorzienin-
   gen. Deze rijksbijdrage wordt in veel gevallen aangevuld door een tweede geld-
   stroom afkomstig van research councils of vergelijkbare intermediaire organisaties.
   Daarnaast ontvangen universiteiten veelal nog andere inkomsten (voor contracton-
   derwijs, contractonderzoek en andere diensten) die de derde geldstroom vormen.
   Helaas is het onmogelijk om alleen voor het onderzoek een internationale vergelij-
   king te maken van de eerste, tweede en derde geldstroom. De gegevens hiervoor
   ontbreken. Het is wel mogelijk een internationaal overzicht te geven van de finan-
   cieringsstromen die universiteiten ontvangen voor al hun taken samen (zie tabel
   18). Dit overzicht moet met de nodige omzichtigheid worden behandeld. Achter de
   gepresenteerde gegevens gaat een wereld van nationale verschillen weer. In sommi-
   ge landen komen bijvoorbeeld pensioenkosten of huisvestingslasten niet ten laste
   van de eerste geldstroom. In die gevallen valt de eerste geldstroom veel lager uit
   dan in de Nederlandse situatie waar bijna alle kosten van het universitaire onder-
   zoek zijn opgenomen in de drie geldstromen.
    41  Zie ook CBS, Kennis en economie 2003 (Voorburg 2004), pp. 141-144.
    42  Onlangs heeft de commissie Wijffels voorgesteld om deze taakverdeling tussen universiteiten en researchinstellingen aan
        te scherpen. Zie Ad hoc commissie “Brugfunctie TNO en GTI’s”, De kracht van directe verbindingen (Den Haag 2004)
58 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>   Tabel 18: geldstromen naar universiteiten voor onderwijs, onderzoek en kennisoverdracht
   (1998/1999). 43
                                        Eerste       Collegegelden                  Tweede                Derde
                                  Geldstroom                                    Geldstroom         Geldstroom
   Nederland                             64%                     6%                     5%                 25%
   Duitsland                             82%                        -                  12%                   6%
   Frankrijk                             66%                     3%                    23%                   9%
   Verenigd Koninkrijk                   40%                     9%                     5%                 46%
   Denemarken                            63%                     3%                    16%                 18%
   Zweden                                57%                        -                   8%                 35%
   Verenigde Staten                      37%                   20%                     15%                 28%
   Japan                                           63%                                  3%                 35%
   Australië                             43%                   19%                      5%                 33%
   In de negen landen is de eerste geldstroom de belangrijkste inkomstenbron van de
   universiteiten. In de meeste landen vormt zij circa 60% van de inkomsten met uit-
   schieters naar boven en beneden. De uitschieters naar beneden worden veel kleiner
   als we de collegegelden bij de eerste geldstroom optellen. In verreweg de meeste
   landen worden de eerste geldstroommiddelen voor onderzoek grotendeels verdeeld
   op grond van historische overwegingen. Nederland is wat betreft de omvang van de
   eerste geldstroom een middenmoter.
   De omvang van de tweede geldstroom varieert. Hier zijn drie groepen te onder-
   scheiden. Franse en Deense universiteiten ontvangen relatief veel inkomsten uit de
   tweede geldstroom. Zweden, Duitsland en de VS nemen een middenpositie in met
   respectievelijk 8%, 12% en 15%. Nederlandse, Australische, Japanse en Britse uni-
   versiteiten ontvangen niet meer dan 5% van hun inkomsten uit de tweede geld-
   stroom. Hierbij moet wel worden bedacht dat Nederlandse universiteiten in de
   derde geldstroom relatief veel inkomsten genereren met een tweede geldstroom
   karakter. Het gaat dan vooral om inkomsten uit regelingen van het ministerie van EZ
   (IOP’s, ICES/KIS et cetera). Als we deze inkomsten optellen bij de inkomsten uit de
   tweede geldstroom wordt Nederland een goede middenmoter. De verschillen wor-
   den nog kleiner als we bedenken dat de cijfers in tabel 18 uit 1998/1999 zijn.
   Sindsdien is de absolute en relatieve omvang van de tweede geldstroom in
   Nederland sterk toegenomen (zie tabel 1 en 6).
   De derde geldstroom omvat een scala aan inkomsten, waaronder die uit contract-
   onderzoek, contractonderwijs, bedrijfsmatige activiteiten, giften, vermogen en ver-
   huur. Vanwege het heterogene karakter van de derde geldstroom is het zeer lastig
   om vast te stellen welk deel betrekking heeft op onderzoek. De negen landen laten
   43   Deze paragraaf is gebaseerd op B. Jongbloed & H. Vossensteyn, Eerste, tweede en derde geldstroom in negen
        universitaire stelsels (Enschede 2001).
59 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>   een divers beeld zien. Het Verenigd Koninkrijk, Zweden, Japan en Australië zijn kop-
   lopers. Nederland behoort met Denemarken tot de middenmoot. Duitsland en
   Frankrijk zijn de landen met het kleinste aandeel derde geldstroom.
   Uit de beschikbare gegevens blijkt dat Nederland zich in een middenpositie bevindt
   met de financiering van zijn universiteiten. De eerste en derde geldstroom zijn niet
   uitgesproken groot. Wel is de tweede geldstroom aan de lage kant. Voor de finan-
   ciering van het onderzoek hebben deze conclusies weinig zeggingskracht. De
   gepresenteerde gegevens hebben betrekking op alle taken van de universiteiten
   samen. Daarnaast gaan er achter deze cijfers grote institutionele verschillen schuil.
   Tot slot zijn de cijfers sterk verouderd – zij houden geen rekening met de sterke
   groei die de tweede en derde geldstroom de afgelopen jaren hebben doorgemaakt
   en nog steeds doormaken.
60 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>   Serie uitgebrachte adviezen van de
   Adviesraad voor het Wetenschaps-
   en Technologiebeleid
   61 Een vermogen betalen. De financiering van universitair onderzoek.
        Februari 2005.
        ISBN 90 77005 27 7. € 12,50.
   60 Samen slimmer in ketens. Competenties in supply chainmanagement als concur-
        rentiefactor voor Nederlandse bedrijven. December 2004
        ISBN 90 77005 25 0. € 12,50.
   59 Tijd om te oogsten! Vernieuwing in het innovatiebeleid. Juni 2004.
        ISBN 90 77005 24 2. € 12,50.
   58 De prijs van succes. Over matching van onderzoekssubsidies in kennisinstellin-
        gen. April 2004.
        ISBN 90 77005 22 6. € 12,50.
   57 Nederlands kompas voor de Europese onderzoeksruimte. Strategisch kader voor
        de internationalisering van het onderzoeks- en innovatiebeleid. Januari 2004.
        ISBN 90 77005 21 8. € 12,50.
   56 Netwerken met kennis. Kennisabsorptie en kennisbenutting door bedrijven.
        November 2003.
        ISBN 90 77005 20 X. € 12,50.
   55 Wat van ver komt... De vormgeving van het Nederlandse bilaterale onderzoeks-
        beleid. Oktober 2003.
        ISBN 90 77005 19 6. € 9,00.
   54 1+1>2. De bevordering van multidisciplinair onderzoek. September 2003.
        ISBN 90 77005 18 8. € 12,50.
   53 Backing winners. Van generiek technologiebeleid naar actief innovatiebeleid. Juli
        2003.
        ISBN 90 77005 17 X. € 15,00.
   52 Kennis van criminaliteit. Juni 2003. ISBN 90 77005 16 1. 9,00
   51 Wijsheid achteraf. De verantwoording van universitair onderzoek. Juni 2003.
        ISBN 90 77005 15 3. € 9,00
   50 Naar een nieuw maatschappelijk contract. Synergie tussen publieke kennisinstell-
        lingen en de Nederlandse kennissamenleving. Januari 2003.
        ISBN 90 77005 14 5. € 5,00
   49 Gewoon doen!? Perspectief op de Barcelona-ambitie ‘3% BBP voor O&O’. Juli
        2002.
        ISBN 90 77005 11 0. € 9,08
61 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>   48 KP6 laten werken. Stimuleren Nederlandse deelname: profijt en beleid. Juli
        2002. ISBN 90 77005 10 2. € 12,50
   47 Hógeschool van Kennis. Kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en hogescho-
        len. Juli 2001.
        ISBN 90 77005 05 6. € 11,34
   46 Handelen met kennis. Universitair octrooibeleid omwille van kennisbenutting.
        Juni 2001.
        ISBN 90 77005 03 X. € 9,08
   45 Over stromen. Kennis - en innovatieopgaven voor een waterrijk Nederland.
        Advies en Verkenning door de AWT, NRLO en RMNO, juni 2000. € 11.34
   44 Investeren in onderzoek, april 2000.
        ISBN 90 346 3823 5. € 9,08
   43 Halfslachtige wetenschap. Onderbenutting van vrouwelijk potentieel als existen-
        tieel probleem voor academia, januari 2000.
        ISBN 90 346 3798 0. € 11,34
   42 Communicatie over wetenschap en techniek, november 1999.
        ISBN 90 346 3758 1. € 9,08
   41 Vitaliteit en kritische massa. Strategie voor de natuur- en technische weten-
        schappen, augustus 1999.
        ISBN 90 346 3724 7. € 13,61
   40 Cultureel erfgoed en wetenschapsbeoefening. Advies van de AWT en de Raad
        voor Cultuur, juli 1999.
   39 Advies HBO en Kenniscirculatie. Advies van de AWT en de Onderwijsraad, juni
        1999.
   38 Hoofdlijnen Innovatiebeleid, juni 1999.
        ISBN 90 346 3685 2; € 11,34.
   37 Hoofdlijnen Wetenschapsbeleid, februari 1999.
        ISBN 90 346 3658 5; € 11,34.
   36 Ruimtevaartbeleid, juli 1998.
        ISBN 90 346 3590 2; € 11,34.
   35 Prioriteiten 1998, beleidsadvies naar aanleiding van de verkenningen uit de peri-
        ode 1996-1998, juni 1998.
        ISBN 90 346 3586 4; € 13,61.
   34 Reactie op Strategisch Plan TNO 1999-2002, maart 1998.
        ISBN 90 346 3549 x; € 9,08.
   33 Onschatbare rijkdom aan kennis; financiële verslaglegging en innovatief
        vermogen van ondernemingen, maart 1998.
        ISBN 90 346 3534 1; € 11,34.
   32 Het nut van de grote technologische instituten, februari 1998.
        ISBN 90 346 3532 5; € 13,61.
   31 De structurele behoefte aan informatici, februari 1998.
        ISBN 90 346 3527 9; € 11,34.
62 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>   30 Reactie op ontwerp-HOOP 1998, november 1997.
        ISBN 90 346 3502 3; € 11,34.
   29 Wisselwerking tussen ‘zachte’ en ‘harde’ kennis, oktober 1997.
        ISBN 90 346 3488 4; € 11,34.
   28 Een werkzaam leven lang leren, juli 1997.
        ISBN 90 346 3460 4; € 11,34.
   27 De invloed van wet- en regelgeving op innovaties, maart 1997.
        ISBN 90 346 3420 5; € 13,61.
   26 Reactie op het Wetenschapsbudget 1997, oktober 1996.
        ISBN 90 346 3359 4; € 13,61.
   25 Oude wereld, nieuwe kansen.... Kennisuitwisseling met Oost-Azië, juni 1996.
        ISBN 90 346 3312 8; € 13,61.
   24 Report on the Netherlands position on the Fifth Framework Programme of the
        EU, april 1996.
        ISBN 90 346 3307 1; € 11,34.
   23 Regionaal Technologiebeleid, november 1995.
        ISBN 90 346 3241 5; € 11,34
   22 Onderzoek is mensenwerk; ruimte voor management van human resources, juli
        1995.
        ISBN 90 346 3203 2; 13,61.
   21 Advies over relatie overheid-TNO, april 1995.
        ISBN 90 346 3167 2; € 9,08.
   20 Advies inzake de para-universitaire instituten, februari 1995.
        ISBN 90 3463156 7; € 9,08.
   19 Exploitatie van universitaire kennis, februari 1995.
        ISBN 90 346 3151 6; € 9,08.
   18 Jaarbeschouwing 1994, oktober 1994.
        ISBN 90 346 3115 x; € 9,08.
   17 Verankering van onderzoekstimuleringsprogramma’s, oktober 1994.
        ISBN 90 346 3108 7; € 9,08.
   16 Technologiebeleid en economische structuur, april 1994.
        ISBN 90 346 3071 4; € 15,88.
   15 Advies over onderzoekscholen, januari 1994.
        ISBN 90 346 2900 7; € 9,08.
   14 Advies over de NWO-organisatie, oktober 1993.
        ISBN 90 346 3011 0; € 9,08.
   13 Nederland Vestigingsland, april 1993.
        ISBN 90 346 2991 0; € 13,61.
   12 Advies over het Strategisch Beleidsdocument 1993, maart 1993.
        ISBN 90 346 2986 4; € 9,08.
   11 Technici en onderzoekers: kwaliteit en kwantiteit, december 1992.
        ISBN 90 346 2973 2; € 11,34
63 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>   10 Jaarbeschouwing 1992: Vier aandachtspunten voor het Kabinetsbeleid,
        oktober 1992.
        ISBN 90 346 2955 4; € 11,34.
   9    Opmaat voor profilering; advies inzake het Meerjarenplan 1993-1997 van NWO,
        juli 1992.
        ISBN 90 346 2923 6; € 11,34.
   8    Advies inzake de apparatuurvoorziening voor het (para-)universitaire onderzoek,
        juli 1992.
        ISBN 90 346 2917 1; € 11,34.
   7    Advies inzake de verhouding tussen nationaal en internationaal W&T-beleid,
        mei 1992.
        ISBN 90 346 2820 5; € 11,34.
   6    Techniek & Maatschappij; advies over de factor techniek voor de maatschappij
        van morgen, mei 1992.
        ISBN 90 346 2813 2; € 11,34.
   5    Advies inzake het Beleidsplan Wetenschap en Technologie 1991-1994 van het
        Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, april 1992.
        ISBN 90 346 2807 8; € 6,81.
   4    Wetenschappen en weten scheppen; advies over de overheidsfinanciering van
        universitair onderzoek, januari 1992.
        ISBN 90 346 2751 9; € 11,34.
   3    Jaarbeschouwing 1991, oktober 1991.
        ISBN 90 346 2679 2; € 4,54.
   2    Advies inzake de Technische Universiteiten (te zamen met de Adviesraad
        voor het Hoger Onderwijs (ARHO) uitgebracht), juli 1991.
        ISBN 90 346 2617 2; € 11,34.
   1    Advies Voorstellen voor de agenda van de Overlegcommissie Verkenningen, juli
        1991.
        ISBN 90 346 2628 8; € 6,81.
   AWT-publicaties zijn te bestellen via www.awt.nl.
   Het is ook mogelijk schriftelijk of telefonisch te bestellen bij:
   AWT Secretariaat
   Javastraat 42
   2585 AP Den Haag
   T 070-3110920
   F 070-3608992
   E secretariaat@awt.nl
   Vermeld u duidelijk titel, ISBN en afleveradres.
64 awt-advies nr. 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>