<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Weloverwogen impulsen

Strategisch investeren in zwaartepunten

Adviesraad voor

het
VW" chnologiebeleid

</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>72
  Weloverwogen impulsen
  Strategisch investeren in zwaartepunten
  november 2007
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  Colofon
  Vormgeving:       Junior beeldvorming - Zoetermeer
  Druk:             Quantes - Rijswijk
  November 2007
  ISBN 9789077005422
  Verkoopprijs      € 15,–
  Auteursrecht
  Alle rechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen van
  deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke
  toestemming van de AWT. Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van
  organisatienaam en naam en jaartal van uitgave.
2 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>  Inhoudsopgave
  Samenvatting                                                         5
  1.      Adviesvraag                                                 11
  2.      De focus van het advies                                     13
          2.1      Afbakening van het advies                          13
          2.2      Verschillende soorten zwaartepunten                14
          2.3      Aanpak                                             15
  3.      Overzicht van de investeringen in zwaartepuntvorming        17
          in onderzoek en innovatie
          3.1      Inleiding                                          17
          3.2      Overzicht van programmatische instrumenten         18
  4.      Overwegingen en conclusies                                  29
          4.1      Inleiding                                          29
          4.2      Gebrek aan een langetermijnstrategie               30
          4.3      Gebrek aan samenhang en continuïteit               37
          4.4      Sterke voorkeur voor publiek-private samenwerking  40
  5.      Aanbevelingen                                               45
  Bijlage 1        Overzicht van de incidentele investeringen         53
                   in onderzoek en innovatie
  Bijlage 2        Internationale vergelijking                        91
  Bijlage 3        Bevindingen van de Commissie van Wijzen ICES/KIS   99
  Bijlage 4        Gesprekspartners                                  103
  Serie uitgebrachte adviezen van de AWT                             104
3 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>4 Weloverwogen impulsen</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
  De overheid heeft in de afgelopen periode (ruwweg 2003-2007) veel geïnvesteerd
  in onderzoeks- en innovatieprogramma’s. Daarmee heeft zij impulsen gegeven aan
  zwaartepuntvorming in het onderzoeks- en innovatielandschap. De Adviesraad voor
  het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) onderschrijft de noodzaak van deze
  extra investeringen in zwaartepunten.1 Een relatief klein land als Nederland kan
  immers niet over de hele linie een vooraanstaande rol spelen in onderzoek en inno-
  vatie. De AWT plaatst echter wel kritische kanttekeningen bij de manier waarop de
  overheid haar programmatische financieringsinstrumenten heeft ingezet om meer
  focus en massa te creëren.
  De centrale vraag in dit advies is daarom: Hoe kan de overheid haar manier van
  investeren in onderzoeks- en innovatiezwaartepunten verbeteren?
  In dit advies onderscheidt de AWT drie typen zwaartepunten, die elk hun eigen doe-
  len en dynamiek hebben.
  •         Zwaartepunten gericht op wetenschappelijke excellentie – bedoeld om
            Nederland op een aantal specifieke gebieden een vooraanstaande rol in de
            internationale wetenschap te laten spelen;
  •         Zwaartepunten gericht op kansrijke economische gebieden – bedoeld
            om het innovatie- en concurrentievermogen van het bedrijfsleven in bepaalde
            (sleutel-)gebieden te versterken;
  •         Zwaartepunten gericht op maatschappelijke uitdagingen – bedoeld om
            bij te dragen aan oplossingen voor belangrijke maatschappelijke problemen.
  Als eerste stap heeft de AWT de belangrijkste programmatische instrumenten op
  een rij gezet om een beter inzicht te krijgen in de beleidsdoelen, de selectieprocedu-
  res, de betrokken organisaties, de totale omvang van de investeringen en de
  bestemming van de middelen.
  Overzicht van de belangrijkste programmatische instrumenten in de
  periode 2003-2007
  Innovatiegerichte onderzoeksprogramma’s (IOP)
  Het hoofddoel van een IOP is om het fundamenteel-strategisch onderzoek bij de publie-
  ke kennisinfrastructuur te versterken in een richting die aansluit bij de innovatiebehoef-
  ten van het bedrijfsleven. Naast kennisopbouw, netwerkvorming, kennisoverdracht en
  verankering zijn zwaartepuntvorming en taakverdeling belangrijke subdoelstellingen.
  Gemiddeld krijgen IOP’s een subsidie van 2 x 8 miljoen euro voor een periode van 2 x 4
  jaar. De Stuurgroep IOP speelt een centrale rol in de selectie, die gekenmerkt wordt door
  1   Zie bijvoorbeeld AWT, Balanceren met beleid: Wetenschaps- en Innovatiebeleid op hoofdlijnen (Den Haag, 2007).
5 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>  een bottom-up inventarisatie via een oproep aan het veld. Sinds 1979 zijn er meer dan
  20 IOP’s gestart, sinds 2003 kent Nederland 3 nieuwe IOP’s.
  Technologische Topinstituten (TTI)
  De hoofddoelstelling van de TTI’s is het versterken van de innovatiecapaciteit en de
  concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven door het concentreren van
  excellent wetenschappelijk onderzoek op voor het bedrijfsleven relevante gebieden
  en door het vergroten van de invloed van het bedrijfsleven op het vaststellen van de
  onderzoeksagenda. Gaandeweg zijn daarnaast kennisvalorisatie en internationale
  aantrekkingskracht belangrijke aspecten geworden. Vier TTI’s zijn in 1997 opgericht
  en gefinancierd voor een periode van 2 x 4 jaar, met twee jaar verlenging.
  Gemiddeld kregen de TTI’s een bijdrage van ca. 5 miljoen euro per jaar. De
  Commissie van Wijzen speelde een centrale rol in de bottom-up selectieprocedure,
  daarbij ondersteund door de KNAW en een adviesbureau.
  Inmiddels zijn de IOP- en TTI-instrumenten samengevoegd in een IOP-TTI module van
  het programmatische pakket van het ministerie van EZ. Dit betekent dat IOP’s en TTI’s
  alleen nog worden opgericht als onderdeel van een innovatieprogramma op een sleu-
  telgebied. Het hoofddoel van IOP’s en TTI’s is het creëren en versterken van lange ter-
  mijn strategische R&D-samenwerking tussen bedrijven en publiek gefinancierde kennis-
  instellingen in gebieden die van strategisch belang zijn voor de Nederlandse economie.
  Maatschappelijke topinstituten (MTI)
  In analogie met de Technologische Topinstituten is in 2005 het instrument
  Maatschappelijke Topinstituten in het leven geroepen door het ministerie van OCW.
  Het doel van MTI’s is het beter afstemmen van excellent wetenschappelijk onder-
  zoek op maatschappelijke vragen en uitdagingen. Inmiddels hebben drie MTI’s een
  startsubsidie gekregen van 5 miljoen euro. Een van de drie, NICIS, heeft 15 miljoen
  euro subsidie gekregen vanuit de Fes-impuls 2006 (zie hierna). NWO speelt een cen-
  trale rol in de uitvoering van het instrument.
  Bsik-impuls 2004 (ICES/KIS-3)
  Het hoofddoel van de Bsik-regeling2 is het tot stand brengen van kwalitatief
  hoogwaardige netwerken in de kennisinfrastructuur en het identificeren en stimuleren
  van kansrijke onderzoeksgebieden. Het gaat daarbij om investeringen vanuit het Fonds
  Economische Structuurversterking (Fes).3 Voorstellen voor projecten konden worden
  ingediend op vijf thema’s: ICT, Ruimtegebruik, Duurzame Systeeminnovaties, Micro-
  2   Bsik staat voor Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur.
  3   De Fes is opgericht in 1993 om een deel van de aardgasbaten te bestemmen voor financiering van extra investeringsprojec-
      ten van nationaal belang die de economische structuur versterken. Het Fes wordt beheerd namens het kabinet door de
      ministers van EZ en Financiën, en deze werden geadviseerd door de (ambtelijke) Commissie voor Wetenschap-, Technologie-
      en Informatiebeleid (CWTI). Inmiddels is de CWTI opgevolgd door de Commissie voor Economie, Kennis en Innovatie (CEKI).
6 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  systeem- en Nanotechnologie, en Gezondheids- Voedings-, Gen- en Biotechnologische
  Doorbraken. Via Bsik is 800 miljoen euro geïnvesteerd in 37 projecten met looptijden
  van 4 tot 6 jaar. De Commissie van Wijzen ICES/KIS speelde een centrale rol in het
  selectieproces, ondersteund door de KNAW en verschillende planbureaus.4
  Fes-impulsen 2005 en 2006
  In 2005 en 2006 zijn er Fes-meevallers gebruikt om innovatieprogramma’s en
  toponderzoek te stimuleren, met als doel het versterken van de kennisinfrastructuur
  in Nederland. De omvang van de impulsen voor kennis en innovatie was respectie-
  velijk 500 en 300 miljoen euro. Net als bij Bsik speelde de Commissie van Wijzen
  ICES/KIS een adviserende rol in de selectieprocedure, in samenwerking met het
  Centraal Planbureau. Belangrijke verschillen met Bsik zijn dat er geen voorafgaand
  investeringskader met thematische prioriteiten is opgesteld en dat er geen oproep
  voor voorstellen is gepubliceerd.
  Smart Mix
  Het Smart Mix instrument is een kort leven beschoren geweest: het instrument is
  stopgezet na een ronde in 2006-2007, waarin 7 programma’s zijn gehonoreerd.
  De Smart Mix had twee doelstellingen: het creëren van maatschappelijke en
  economische waarde (‘valorisatie’) en het versterken van ‘focus en massa’ in
  wetenschappelijk excellent onderzoek. Vooraf zijn er geen thema’s of prioriteiten
  gedefinieerd. Het subsidiebudget was 100 miljoen euro, waarbij OCW en EZ ieder
  de helft bijdroegen. De Adviescommissie Smart Mix speelde een centrale rol in de
  selectieprocedure, daarbij ondersteund door het Smart Mix secretariaat met mensen
  vanuit NWO en SenterNovem.
  Innovatieprogramma’s op sleutelgebieden
  Sinds 2005 werkt het ministerie van EZ volgens de zogenaamde programmatische
  aanpak, gebaseerd op de sleutelgebiedenaanpak van het Innovatieplatform. De kern
  van de programmatische aanpak voor innovatie is dat innovatieprogramma’s worden
  geïnitieerd op gebieden die voor Nederland van strategisch belang zijn, en waarop
  Nederland al een relatief sterke positie heeft. Op dit moment zijn er 6 sleutelgebieden,
  namelijk Flowers & Food, Water, High Tech Systemen & Materialen, Creatieve Industrie,
  Chemie en Pensioenen & Sociale Verzekeringen. ICT en Energietransitie zijn benoemd
  tot horizontale ‘innovatie-assen’. Innovatieprogramma’s in sleutelgebieden worden
  bottom-up ontwikkeld, waarbij de betrokken partijen zelf het voortouw nemen. De
  Strategische Advies Commissie Innovatieprogramma’s (SAC) heeft een centrale rol in
  het beoordelen van programmavoorstellen. Op dit moment (herfst 2007) zijn er vijf
  innovatieprogramma’s gestart met een gemiddelde subsidie van ca. 50 miljoen euro.
  4    ICES is de Interdepartementale Commissie Economische Structuurversterking. KIS staat voor KennisInfraStructuur.
7 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>  Thematische programma’s van NWO
  In de afgelopen periode werkte NWO volgens de stategienota 2002-2005 ‘Thema’s
  met talent’. Een van de hoofdlijnen van de strategie bestond uit negen onder-
  zoeksthema’s, benoemd om zwaartepuntvorming in excellent en vooraanstaand
  wetenschappelijk onderzoek te stimuleren. In 2002-2006 investeerde NWO ruim
  270 miljoen euro in deze thema’s. Inmiddels werkt NWO volgens de strategienota
  ‘Wetenschap gewaardeerd!’ waarin 13 thema’s worden genoemd.
  Als alle genoemde investeringsimpulsen worden samengenomen, dan blijkt dat het
  in totaal om meerjarige investeringen van circa 2,5 miljard euro gaat. In het licht
  van de totale overheidsuitgaven aan onderzoek en innovatie is dat een substantieel
  bedrag. De investering via Bsik (800 miljoen euro) was de grootste impuls, gevolgd
  door de twee Fes-impulsen van 2005 en 2006 (500 en 300 miljoen euro). Samen
  beslaan die bijna tweederde van de totale programmatische investeringen.
  Als we kijken naar de verdeling van deze middelen over de verschillende gebieden,
  blijkt dat ruim de helft van de programmatische investeringen bij de sleutelgebieden
  en de innovatie-assen terecht is gekomen. Opvallend is dat het themagebied Life
  Sciences & Gezondheid veruit het grootste deel (28%) van de investeringen krijgt,
  terwijl het niet als sleutelgebied is geïdentificeerd door het Innovatieplatform. Een
  ander opvallend punt is, dat de wel tot sleutelgebied benoemde thema’s Creatieve
  Industrie en Pensioenen & Sociale Verzekeringen slechts een marginale bijdrage
  hebben gekregen. Overigens zijn ook de bijdragen aan de sleutelgebieden Water en
  Chemie relatief bescheiden in vergelijking met High Tech Systemen & Materialen en
  Life Sciences & Gezondheid. Hierbij moeten we overigens rekening houden met het
  feit dat de sleutelgebieden ten tijde van de Bsik-impuls nog niet waren geïdentifi-
  ceerd door het Innovatieplatform (wel ten tijde van de Fes-impulsen).
  Conclusies
  Op basis van het overzicht van de programmatische investeringen trekt de AWT een
  aantal conclusies over de wijze waarop de overheid investeringsimpulsen heeft gege-
  ven. De Raad gebruikt daarbij inzichten uit een internationaal vergelijkende studie naar
  het beleid voor zwaartepuntvorming in met ons vergelijkbare, Europese landen.5 Ook
  de bevindingen van de Commissie van Wijzen ICES/KIS, die specifiek heeft gekeken
  naar de Bsik- en Fes-impulsen, zijn bij deze kanttekeningen betrokken.6
  5    Dialogic en Technopolis, Quick Scan (on the use of PPPs in) focus, mass and valorisation in scientific research in eight
       European countries (Achtergrondstudie AWT, 2007).
  6    Commissie van Wijzen ICES/KIS, Notitie over het programmeren en prioriteren van innovatief onderzoek en procedures
       voor indiening, beoordeling, selectie, financiering en monitoring van activiteiten op het gebied van onderzoek en
       innovatie vanuit het FES (Den Haag, 2007).
8 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>  Bij zijn beoordeling kijkt de AWT vanuit twee invalshoeken:
  1        De strategische inbedding van het beleidsinstrumentarium
  2        De samenhang en consistentie in het beleidsinstrumentarium
  Bovendien plaatst de AWT enkele kritische kanttekeningen bij het veelvuldig gestel-
  de vereiste van publiek-private samenwerking in de programmatische instrumenten.
  1.         Gebrek aan langetermijnstrategie
  In de afgelopen periode heeft het ontbroken aan een overkoepelende en samen-
  hangende langetermijnstrategie en investeringsagenda voor zwaartepuntvorming.
  Juist in landen die een actief innovatiebeleid voeren, zoals Nederland, is dit
  problematisch. Dan creëert het risico’s voor een goede internationale inbedding van
  nationale zwaartepunten en voor de balans tussen basisfinanciering (voor de brede
  basis) en incidentele impulsen (voor zwaartepunten). Ook is er te weinig aandacht
  geweest voor de wisselwerking tussen bottom-up en top-down zwaartepuntvorming.
  2.         Gebrek aan samenhang en continuïteit
  Door een steeds wisselend beleidsinstrumentarium en sterk variërende procedures
  heeft de overheid teveel turbulentie gecreëerd. Er was onvoldoende samenhang en
  continuïteit in de wijzen van investeren. Deze turbulentie heeft geleid tot een
  gebrek aan transparantie, met als risico dat niet het beste onderzoek is onder-
  steund. Bovendien heeft de onrust onnodig hoge transactiekosten teweeg gebracht.
  De grote beleidsturbulentie en het ontbreken van een langetermijnperspectief heb-
  ben geleid tot een gebrek aan samenhang, zowel tussen als binnen zwaartepunten.
  3.         Voorkeur voor publiek-private samenwerking
  De Nederlandse overheid legt een sterke voorkeur voor publiek-private samenwerking
  (PPS) aan de dag. Vaker dan in de ons omringende landen stelt zij een PPS-constructie
  als voorwaarde voor financiële ondersteuning. De AWT acht het nog te vroeg om een
  afgewogen oordeel te geven over alle effecten daarvan. PPS heeft een aantal voor-
  delen (bundeling van krachten, schaalvoordelen, vraagsturing, etc.), maar er zijn op
  voorhand ook een aantal kritische kanttekeningen te plaatsen. Bijvoorbeeld dat PPS
  vooral geschikt is voor het stimuleren van bestaande sterktes en gevestigde organisa-
  ties, en minder voor het stimuleren van radicale innovaties. Een tweede kanttekening is
  dat PPS vooral geschikt is voor disciplines die schaalvoordelen kunnen creëren, bijvoor-
  beeld in (bio)medische, natuurwetenschappelijke en technische disciplines. Andere
  disciplines kunnen met het vereiste van PPS minder goed uit de voeten.
9 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>   Aanbevelingen
   Naar aanleiding van deze constateringen over de wijze waarop de overheid heeft
   geïnvesteerd in zwaartepuntvorming doet de AWT de volgende aanbevelingen aan
   de regering:
   1.        Een nationale strategie
   Maak een nationale onderzoeks- in innovatiestrategie voor de langere termijn,
   waarin Nederlandse zwaartepunten krachtig worden gepositioneerd in het nationale
   èn in het internationale onderzoeks- en innovatielandschap. De Raad pleit nadruk-
   kelijk niet voor simpelweg meer top-down aansturing vanuit het centrale niveau,
   maar voor het vinden van productieve combinaties van top-down en bottom-up
   coördinatie. Nieuwe investeringen in zwaartepuntvorming dienen te wachten totdat
   er een duidelijke langetermijnstrategie voorhanden is.
   2.        Rust
   Zorg voor meer beleidsrust, vooral ook in de uitvoering van beleid. Doe dit door
   voorlopig geen nieuwe instrumenten te introduceren, door beleidsinstrumenten en
   zwaartepunten voldoende tijd te geven om zich te bewijzen, beleidsinstrumenten in
   onderlinge samenhang te ontwerpen, te zorgen voor meer uniformiteit in procedu-
   res, en door de stroomlijning interdepartementaal aan te pakken.
   3.        Reinheid
   Zorg voor een zorgvuldige, open en transparante aanpak bij de ontwikkeling van
   strategieën en strategische onderzoeksagenda’s voor de verschillende zwaartepun-
   ten. Neem voldoende tijd, mobiliseer brede betrokkenheid, zorg voor een goede
   inbedding van de investeringsimpulsen in de lopende strategische plannen van de
   kennisinstellingen. Bouw tegelijkertijd binnen de departementen meer inhoudelijke
   domeinkennis en strategische beoordelingscapaciteit op om hierbij een goede rol te
   kunnen spelen. Leer op systematische wijze van ervaringen met strategieontwikke-
   ling, en leg per type zwaartepunt andere accenten op de rol van de overheid.
   4.        Beleid op maat
   Maak alleen gebruik van publiek-private samenwerking op zwaartepuntgebieden
   die zich daarvoor lenen. Dus wanneer er goed georganiseerde en kennisintensieve
   private partijen aanwezig zijn, schaalvoordelen een belangrijke rol spelen en het
   doel is om incrementele innovatie te bevorderen. Gebruik naast incidentele investe-
   ringen via programmatische instrumenten ook niet-primair financiële instrumenten
   om zwaartepuntvorming te stimuleren.
10 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                 1              Adviesvraag
                                    De Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) constateert dat
  laatste jaren grote impulsen in   de overheid de afgelopen jaren veel heeft geïnvesteerd in het publieke onderzoeks-
        onderzoek en innovatie...   bestel. Bij meerdere gelegenheden zijn relatief grote sommen geld beschikbaar
                                    gesteld voor onderzoek en innovatie. De Bsik-impuls, twee Fes-impulsen en de
                                    Smart Mix zijn de belangrijkste voorbeelden hiervan.
                                    Het extra geld is voor een belangrijk deel beschikbaar gesteld in de vorm van nieu-
           ...via programmatische   we, programmatische instrumenten. Daarvan zijn er verschillende ontwikkeld. Over
                      investeringen het algemeen hebben deze als kenmerk dat zij:
                                    •         het onderzoek richten op mogelijke toepassing om valorisatie te bereiken;
                                    •         het onderzoek laten meefinancieren door private partijen om vraagsturing en
                                              wisselwerking te bevorderen;
                                    •         het onderzoek vormgeven in tijdelijke programma’s;
                                    •         het onderzoek concentreren in relatief grote consortia om focus en massa en
                                              daarmee excellentie te realiseren.
                                    De AWT onderschrijft de noodzaak om extra investeringen te plegen in weten-
                                    schappelijk onderzoek. Tegelijkertijd stellen we vast dat zeker de laatste rondes van
                                    extra middelen (Fes-impulsen) veel discussie hebben opgeroepen. De Commissie van
                                    Wijzen ICES/KIS,7 de Raad van Economisch Adviseurs (REA),8 het Centraal
                                    Planbureau (CPB),9 NWO10 en AWT11 zelf hebben vraagtekens geplaatst bij de manier
Belangrijk, maar vraagtekens bij    waarop de middelen zijn verdeeld. Algemeen leeft dus een gevoel dat de wijze
               wijze van investeren waarop de overheid de afgelopen jaren heeft geïnvesteerd in onderzoek in het
                                    vervolg beter moet.
                                    De noodzaak om beter te investeren in onderzoek is groot. Net als het voorgaande
                                    kabinet heeft ook dit kabinet zich voorgenomen te investeren in de wetenschap. In
                                    het Beleidsprogramma 2007-2011 van het kabinet Balkenende IV is 300 miljoen
                                    euro beschikbaar in de enveloppe Innovatie, Kennis en Onderzoek voor de periode
                                    2008-2011. En een innovatieve, concurrerende en ondernemende economie is een
                                    7   Commissie van Wijzen ICES/KIS, Notitie over het programmeren en prioriteren van innovatief onderzoek en procedures
                                        voor indiening, beoordeling, selectie, financiering en monitoring van activiteiten op het gebied van onderzoek en innova-
                                        tie vanuit het FES (Den Haag, 2007).
                                    8   Tweede Kamer 30560, nr. 3, Voorjaarsnota 2006; Advies van de Raad van Economisch Adviseurs (REA), 8 juni 2006.
                                    9   CPB, Beoordeling projecten ruimtelijke economie (Den Haag, 2006). CPB, Investeren in kennis en innovatie (Den Haag,
                                        2006). CPB, Leren van Investeren (Den Haag, 2005).
                                    10  NWO, Wetenschap gewaardeerd! NWO-strategie 2007–2010 (Den Haag, 2006).
                                    11  AWT, Beter omgaan met FES-middelen voor kennis en innovatie (Den Haag, 2006).
                                 11 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                van de zes pijlers in het regeerakkoord. Bovendien is duidelijk dat zij de Fes-syste-
                                matiek gaat veranderen.12 Tegen deze achtergrond brengt de AWT dit advies uit.
                                Centrale vraag van dit advies is: Hoe kan de overheid haar manier van investeren in
                                onderzoeks- en innovatiezwaartepunten verbeteren?
                                De beantwoording van deze vraag verloopt in aantal stappen. In hoofdstuk 2 wordt
                                de scope van dit advies verder uitgewerkt en presenteren we de vragen waarop dit
                                rapport een antwoord wil geven. In hoofdstuk 3 geven we een samenvattend
                                overzicht van de nieuwe, programmatische instrumenten waarover we spreken. In
s: wat hebben we geïnvesteerd,  Bijlage 1 is het volledige overzicht te vinden. Veel van de programmatische
      en hoe dat te verbeteren? instrumenten die zijn ontwikkeld zijn zo nieuw dat het nog niet goed mogelijk is nu
                                al een afgewogen oordeel te geven over hun functioneren – daarvoor is de looptijd
                                domweg te kort. Om toch tot een oordeel te komen, plaatsen we de manier waarop
                                Nederland investeert in programmatische instrumenten in een internationaal kader.
                                Dit doen we door het instrumentarium dat in Nederland is ontwikkeld te vergelijken
                                met het instrumentarium in zeven andere landen. Op basis hiervan kunnen we iets
                                zeggen over de vraag of de Nederlandse instrumenten in de pas lopen met
                                internationale praktijken of niet. Bovendien betrekken we bevindingen van de
                                Commissie van Wijzen ICES/KIS daarbij. In het vierde hoofdstuk presenteert de AWT
                                zijn conclusies naar aanleiding van het overzicht van de instrumenten en de
                                uitkomsten van een internationaal vergelijkende studie. Hoofdstuk 5 sluit dit advies
                                af met aanbevelingen over betere manieren van investeren in onderzoeks- en
                                innovatiezwaartepunten.
                                12   In het Coalitieakkoord van het huidige Kabinet ‘is afgesproken dat er een nieuwe voedingssystematiek wordt geformu-
                                     leerd met meer stabiliteit (vaste voeding) en goede criteria gericht op investeringen die de economische structuur ver-
                                     sterken. Op deze wijze is de voeding van het Fes niet meer afhankelijk van de veranderlijke olieprijs. In voorgaande jaren
                                     heeft de sterk fluctuerende olieprijs geleid tot een korte aanloop naar de besluitvorming over Fes-uitgaven. De vaste voe-
                                     ding leidt ertoe dat mee- en tegenvallers in de aardgasbaten niet direct leiden tot aanpassing van de voeding van het
                                     Fes. Dit voorkomt bij hoge meevallers het risico op een te korte aanloop naar de besluitvorming en bij tegenvallers het
                                     risico van bezuinigingen op lopende projecten. (…) De vaste voeding van het Fes vindt plaats met ingang van de begro-
                                     ting 2008. (…) Het kabinet zal een voorstel doen om hiervoor de Fes-wet te wijzigen.’ (Tweede Kamer 31200 D, nr. 2,
                                     Vaststelling van de begrotingsstaat van het Fonds economische structuurversterking voor het jaar 2008, Memorie van
                                     toelichting, p. 3).
                             12 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                          2   2.1
                                            De focus van het advies
                                            Afbakening van het advies
                              De hoofdvraag van dit advies is: Hoe kan de overheid haar manier van investeren in
                              onderzoeks- en innovatiezwaartepunten verbeteren?
                              Dit advies richt zich op de programmatische instrumenten die de overheid in de
    Focus op programmatische  afgelopen vier jaar heeft ingezet voor de financiering van onderzoek. De program-
nvesteringen in zwaartepunten matische instrumenten zijn onderdeel van een breder scala aan financierings-
                              mechanismen voor onderzoek en innovatie. De overheid heeft in de loop der tijd
                              verschillende soorten instrumenten ontwikkeld om het publieke onderzoeksbestel
                              mee te bekostigen: basisfinanciering, programmatische financiering, projectmatige
                              financiering en persoonsgebonden financiering.
                              •          De basisfinanciering is vooral bedoeld om de continuïteit te garanderen, om
                                         een breed scala aan onderzoeksdisciplines mee te onderhouden en om
                                         nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek mee te bekostigen. De basisfinancie-
                                         ring is gericht op het in stand houden van een brede en duurzame basis voor
                                         het wetenschappelijk onderzoek. Het gaat om ‘kennis als vermogen’.13
                              •          Programmatische financiering is vooral geschikt om zwaartepunten mee te
                                         stimuleren in onderzoeks- of innovatiegebieden die van strategisch belang
                                         zijn voor ons land.14
                              •          Projectmatige financiering is vooral geschikt om antwoorden te krijgen op
                                         concrete vragen en problemen door middel van korte termijn onderzoek,
                                         gericht op een specifieke toepassing. Het gaat om ‘kennis als product’.
                              •          Persoonsgebonden financiering is vooral bedoeld om getalenteerde (top-)
                                         onderzoekers te stimuleren en veelbelovende, opkomende gebieden een
                                         impuls te geven. Excellentie in onderzoek is hiervan het doel.
                              •          Daarnaast zijn er nog andere financieringsvormen, zoals financiering van
                                         grote onderzoeksfaciliteiten, die bijdragen aan de publieke onderzoeks-
                                         infrastructuur.
                              De AWT richt zich met dit advies op het instrumentarium van de programmatische
                              financiering, gericht op zwaartepuntvorming (focus en massa) in onderzoek en
                              innovatie.
                              13   OCW heeft bijvoorbeeld binnen het beleidsartikel ‘Onderzoek en wetenschapsbeleid’ als eerste operationele doelstelling:
                                   ‘Zorgen voor een goede toerusting en bekostiging van het onderzoeksstelsel’.
                              14   OCW heeft bijvoorbeeld binnen het beleidsartikel ‘Onderzoek en wetenschapsbeleid’ als tweede operationele doelstel-
                                   ling: ‘Zorgen voor specifieke stimulering voor kennisopbouw voor de toekomst’. EZ heeft bijvoorbeeld binnen het
                                   beleidsartikel ‘Een sterk innovatievermogen’ als derde operationale doelstelling: ‘Topprestaties op innovatiethema’s’.
                           13 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                 2.2          Verschillende soorten zwaartepunten
                                 De AWT onderscheidt drie verschillende typen zwaartepunten, die elk hun eigen
 zijn drie typen zwaartepunten:  doelen en dynamiek hebben.
                                 Zwaartepunten gericht op wetenschappelijke excellentie zijn bedoeld om een
                                 aantal specifieke gebieden in Nederland te ontwikkelen, die een vooraanstaande rol
                                 kunnen spelen in de internationale wetenschap. In Nederland speelt NWO een
                                 centrale rol in het stimuleren van dit type zwaartepunten, met name via haar
                                 strategische lijn ‘Bundeling van krachten’.15 Er zijn verschillende valide redenen voor
                                 zwaartepuntvorming in het wetenschappelijk onderzoek. Een relatief klein land als
                                 Nederland kan alleen excelleren in een beperkt aantal gebieden. Bovendien helpt
                                 een bepaalde schaalgrootte om voldoende zichtbaarheid te creëren, een
                                 internationale reputatie op te bouwen, om goede onderzoekers aan te trekken en
                                 te behouden, en om een aantrekkelijke onderzoekspartner te zijn voor andere
    …in excellente wetenschap…   partijen in internationale samenwerkingsverbanden. In vakgebieden waar dure
                                 apparatuur en faciliteiten nodig zijn, helpt zwaartepuntvorming bovendien bij het
                                 benutten van schaalvoordelen. Op de achtergrond speelt vaak ook de gedachte mee
                                 dat zwaartepunten van excellent onderzoek uiteindelijk ook economisch en
                                 maatschappelijk rendement zullen opleveren, bijvoorbeeld omdat het de
                                 aantrekkelijkheid van een land als vestigingsplaats voor kennisintensieve
                                 bedrijvigheid vergroot, of omdat het leidt tot spin-off bedrijven.
                                 Zwaartepunten gericht op kansrijke economische gebieden zijn bedoeld om
                                 het innovatie- en concurrentievermogen van het bedrijfsleven in sleutelgebieden te
                                 versterken. Het financieren van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten is hier een
                                 manier om economische valorisatie te stimuleren. De programmatische aanpak van
                                 het ministerie van Economische Zaken, die is gebaseerd op de sleutelgebieden-
                                 aanpak van het Innovatieplatform, is een duidelijk voorbeeld van het streven naar
            …in sleutelgebieden… economische zwaartepunten. De AWT heeft eerder al gepleit voor een actief
                                 innovatiebeleid waarin de overheid haar middelen geconcentreerd inzet op
                                 gebieden waarin we als land internationaal uitblinken, zowel in wetenschappelijk
                                 als in economisch opzicht.16 Redenen voor deze zwaartepuntvorming zijn onder
                                 andere dat innovatieprocessen dichte netwerken van voldoende omvang, diversiteit
                                 15  Met deze strategische lijn wil NWO komen tot meer ‘focus en massa’ in het Nederlandse onderzoek. NWO streeft naar
                                     het ‘samenballen van veelbelovend onderzoek in onderzoekszwaartepunten’. De kansen op een Europese of mondiale
                                     toppositie zijn een belangrijk criterium om in aanmerking te komen voor ondersteuning. Het doel is ‘de wetenschapsdo-
                                     meinen te versterken waarmee Nederland mondiaal al hoog scoort en substantieel te investeren in domeinen die de
                                     potentie hebben binnen afzienbare termijn een voorhoedepositie in te nemen. Om gekozen onderzoekszwaartepunten
                                     ook internationaal gewicht te geven, zullen deze zonder meer een behoorlijke omvang moeten hebben.’ (NWO,
                                     Wetenschap gewaardeerd! NWO-strategie 2007–2010 (Den Haag, 2006), p. 22).
                                 16  Meest recent nog in AWT-advies 71 (AWT, Balanceren met beleid: Wetenschaps- en Innovatiebeleid op hoofdlijnen (Den
                                     Haag, 2007)), en in een eerder stadium in AWT-advies 53 (AWT, Backing winners – Van generiek technologiebeleid naar
                                     actief innovatiebeleid (Den Haag, 2003)).
                              14 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                                en openheid vergen. Bovendien dwingt internationalisering ook hier tot speciali-
                                satie, want ook op dit vlak kan een relatief klein land als Nederland niet alles doen.
                                Zwaartepunten gericht op maatschappelijke uitdagingen zijn bedoeld om
                                oplossingen te vinden voor belangrijke maatschappelijke problemen (zorg, duur-
                                zaamheid, veiligheid, vergrijzing, etc.). Zwaartepuntvorming in onderzoeks- en
                                ontwikkelingsactiviteiten is ook hier een manier om valorisatie te bevorderen, maar
                                dan in maatschappelijk opzicht; in het publieke belang. Het huidige kabinet
                                Balkenende IV wil bijvoorbeeld een aantal maatschappelijke innovatieprogramma’s
                                starten op gebieden waarop Nederland kan uitblinken en die kunnen bijdragen aan
            …in maatschappelijk de realisatie van maatschappelijke doelen. Binnen het interdepartementale project
      valoriseerbaar onderzoek  Nederland Ondernemend Innovatieland (NOI) wordt gewerkt aan een maatschappe-
                                lijke innovatieagenda en wordt, in samenwerking met het vernieuwde
                                Innovatieplatform, een inventarisatie gemaakt van de maatschappelijke knelpunten
                                en mogelijke oplossingen. Op basis van deze agenda kunnen maatschappelijke
                                innovatieprogramma’s worden gestart. In 2008 zullen vanuit NOI drie maatschappe-
                                lijke innovatieprogramma’s starten rond energie, zorg en water.17
                                In de praktijk zijn de scheidslijnen tussen deze typen zwaartepunten overigens niet
                                altijd scherp te trekken en kunnen verschillende typen zwaartepunten elkaar ver-
                                sterken. Zo is Nederland sterk in watermanagement, maar kent ons land ook een
                                belangrijke maatschappelijke uitdaging op dat punt.
                                2.3          Aanpak
                                In dit advies zal de AWT eerst een aantal descriptieve vragen beantwoorden. Dit
                                gebeurt in de vorm van een overzicht van de belangrijkste programmatische instru-
                                menten van de afgelopen vier jaar. Vragen waarop we in hoofdstuk 3 en meer in
                                detail in Bijlage 1 een antwoord zullen geven zijn:
                                •         Wat zijn de belangrijkste programmatische instrumenten geweest in de afge-
                                          lopen vier jaar?
                                •         Wat zijn de beleidsdoelen van deze instrumenten? Wat voor type zwaarte-
                                          puntvorming staat voorop?
e beschrijven de investeringen… •         Wat is de werking van deze instrumenten?
                                •         Op welke manier zijn de middelen verdeeld? Welke gremia waren hierbij
                                          betrokken?
                                •         Hoeveel is geïnvesteerd in programmatisch onderzoek via deze instrumenten?
                                          En hoe verhoudt zich dit tot de totale onderzoeksfinanciering door de
                                          overheid?
                                •         In welke onderzoeksthema’s of -gebieden zijn deze middelen geïnvesteerd?
                                17   Ministerie van Economische Zaken en SenterNovem, Innovatieprogramma’s – Volop in bedrijf (Den Haag, 2007).
                             15 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                             In hoofdstuk 4 zullen we, op basis van het overzicht van de programmatische
                             investeringen en gebruik makend van inzichten uit een internationaal vergelijkende
                             studie (Bijlage 2), een beoordeling geven over de manier waarop de overheid in de
                             afgelopen periode (ruwweg 2003-2007) heeft geïnvesteerd in zwaartepuntvorming.
                             Daarbij zal de AWT kijken vanuit twee invalshoeken:
  …en kijken naar strategie, 1       De strategische inbedding van het beleidsinstrumentarium
samenhang en consistentie    2       De samenhang en consistentie in het beleidsinstrumentarium
                             Het advies eindigt met een aantal aanbevelingen van de AWT aan kabinet en
                             parlement (hoofdstuk 5).
                         16  Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                            3                Overzicht van de investeringen in
                                             zwaartepuntvorming in onderzoek
                                             en innovatie
                                 3.1         Inleiding
                                 In dit hoofdstuk geven we een samenvattend overzicht van de belangrijkste inciden-
                                 tele investeringen die de overheid in de afgelopen periode heeft gedaan in onder-
                                 zoek en innovatie. In navolging van de descriptieve vragen in het vorige hoofdstuk,
                                 heeft de AWT de belangrijkste programmatische instrumenten van de afgelopen
                                 vier jaar op een rij gezet. In Bijlage 1 geven we een meer uitgewerkt overzicht
                                 waarin we per instrument de beleidsdoelen en -achtergrond van het instrument
                                 beschrijven. Vervolgens wordt de werking van het instrument toegelicht. Daarbij
                                 gaan we in op de manier waarop het programma tot stand komt, de wijze waarop
                                 projectvoorstellen worden gegenereerd, beoordeeld en geselecteerd, welke criteria
                                 worden gebruikt en welke partijen daarbij betrokken zijn. Ook geven we per instru-
                                 ment een overzicht van de gehonoreerde projecten en de subsidiebedragen die de
                                 overheid ter beschikking heeft gesteld aan die projecten. We laten de hoeveelheid
                                 extra geld die in deze programma’s is geïnvesteerd via de matching dus buiten
                                 beschouwing. In paragraaf 3.2 geven we een samenvattende tabel.
                                 We beginnen met het de Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma’s (IOP).
                                 Vervolgens bespreken we de Technologische Topinstituten (TTI), de Maatschappelijke
                                 Topinstituten (MTI), de Bsik-impuls (2004), de Fes-impulsen van 2005 en 2006, de
Het gaat om IOP’s, TTI’s, MTI’s, innovatieprogramma’s in de sleutelgebieden en de Smart Mix. Voor de volledigheid
   Bsik, FES, Sleutelgebieden,   noemen we ook de thematische programma’s van NWO. De instrumenten IOP en
 Smart Mix en NWO thema’s        TTI zijn overigens inmiddels samengevoegd in één module in het nieuwe ‘program-
                                 matisch pakket’ waarmee het ministerie van Economische Zaken de sleutelgebieden
                                 wil stimuleren.
                                 Na het samenvattende overzicht in Tabel 1, zoomen we in op de financiële
                                 bedragen die met de programmatische investeringen zijn gemoeid, als antwoord op
                                 de vraag hoeveel geld er in de afgelopen vier jaar is geïnvesteerd in zwaartepunt-
                                 vorming via de genoemde programmatische instrumenten.18 We geven eerst een
                                 overzicht van de totale bedragen die de overheid voor de meerjarige programma’s
                                 ter beschikking heeft gesteld. Vervolgens geven we een overzicht van de totale
                                 investeringen per themagebied om een indruk te krijgen van de verdeling van de
                                 18  De periode van vier jaar geldt niet voor de TTI’s en IOP’s: in het overzicht nemen we de gehele investering in de TTI’s
                                     sinds 1997 en in de IOP’s sinds IOP Genomics (2000-2007) mee.
                            17   Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                middelen over de verschillende domeinen. Tenslotte relateren we de omvang van de
                                investeringsimpulsen aan de totale uitgaven aan onderzoek door de overheid (de
                                zogenaamde TOF-cijfers).
                                3.2       Overzicht van programmatische instrumenten
                                Tabel 1 is gebaseerd op een uitgebreid overzicht in Bijlage 1 van de volgende
                                instrumenten:
                                •       IOP: Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma’s
                                •       TTI: Technologische Topinstituten
                                •       MTI: Maatschappelijke Topinstituten
                                •       Bsik-impuls (ICES/KIS-3)
                                •       Fes-impuls 2005 en Fes-impuls 2006
                                •       Smart-Mix
                                •       Innovatieprogramma’s op sleutelgebieden
                                •       NWO’s thematische programma’s
                                In de tabel worden per instrument de beleidsdoelen, de omvang van de subsidie,
                                de procedures voor programma- en projectbeoordeling en selectie en de daarbij
trumenten met dezelfde doelen   betrokken gremia kort weergegeven. Uit het overzicht blijkt duidelijk dat de instru-
  maar verschillende procedures menten, ondanks accentverschillen, min of meer vergelijkbare doelstellingen heb-
                                ben. Zwaartepuntvorming, of het creëren van ‘focus en massa’, is bij alle instrumen-
                                ten onderdeel van de doelstelling. Ook het beter benutten van kennis die in de
                                publieke infrastructuur wordt geproduceerd is veelal een expliciete doelstelling.
                                Grotere verschillen zijn er in de aanpak waarop onderzoeksvoorstellen worden
                                beoordeeld en geselecteerd. De instrumenten hebben elk hun eigen criteria en pro-
                                cedures. Ook maken ze bij de evaluatie en selectie van voorstellen gebruik van hun
                                eigen stuurgroep, adviescommissie of commissie van wijzen.
                             18 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>19
                           Tabel 1. Overzicht van programmatische instrumenten
                                         Doelstelling                                                         Subsidiebudget                Procedures                                        Betrokkenen bij selectie
Weloverwogen impulsen                                                                                         (in miljoen euro)             Programmaselectie
                        IOP              Het versterken van het fundamenteel-strategisch onderzoek bij de     Gemiddeld ca. 2 mln euro      Programmaselectie                                 • Stuurgroep IOP bestaat uit ambtelijke en
                        (‘oude stijl’)   publieke kennisinfrastructuur in een richting die aansluit bij de    per IOP per jaar voor een     • Bottom-up inventarisatie via oproep aan het      niet-ambtelijke leden die worden aangewe-
                                         innovatiebehoeften van het bedrijfsleven d.m.v. een programmati-     looptijd van 2 x 4 jaar.       veld                                              zen respectievelijk benoemd door de minister
                                         sche aanpak. Op deze wijze moet het instrument bijdragen aan         Voor 2006: 17,8 mln euro op   • Eerste selectie door Stuurgroep IOP              van EZ.
                                         een betere benutting van resultaten van fundamenteel onderzoek       de EZ-begroting 2007          • Nadere uitwerking voorstellen door
                                         door het (Nederlandse) bedrijfsleven.                                                               Programmavoorbereidingscommissie
                                         Vijf subdoelen:                                                                                    • Advies van Stuurgroep IOP over instellen van
                                         • Kennisopbouw: stimuleren van basisonderzoek in gebieden die                                       een Programmacommissie voor een nieuw
                                          van strategisch belang zijn;                                                                       IOP
                                         • Netwerkvorming: stimuleren van (inter-)nationale publiek-private
                                          netwerken;                                                                                        Projectselectie
                                         • Kennisoverdracht naar het bedrijfsleven en het onderwijs;                                        • Via Calls for Proposals
                                         • Zwaartepuntvorming en taakverdeling: creëren van kritische                                       • Selectie in twee ronden: verkorte voorstellen
                                          massa en coördinatie in onderzoeksgebieden; en                                                     en uitgewerkte voorstellen
                                         • Verankering van IOP-resultaten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                                         Doelstelling                                                           Subsidiebudget                   Procedures                                       Betrokkenen bij selectie
                                                                                                                (in miljoen euro)                Programmaselectie
                        TTI              Het versterken van de innovatie- en concurrentiekracht van het         Gemiddeld ca. 5 mln euro         Selectie van TTI’s                               • Commissie van Wijzen ingesteld door
                        (‘oude stijl’)   Nederlandse bedrijfsleven door het publieke onderzoek op               per TTI per jaar voor een        • Bottom-up selectie door Commissie van           EZ/OCW/LNV ondersteund door:
                                         relevante gebieden te concentreren en de invloed van het               looptijd van 2 x 4 jaar (met      Wijzen                                          • KNAW voor beoordeling van
                                         bedrijfsleven op het vaststellen van de onderzoeksagenda te            2 jaar verlenging)               • Beoordeling op twee criteria: weten-            wetenschappelijke kwaliteit en
20                                       vergroten. TTI’s dienen dus bedrijfsrelevant onderzoek te doen op      Voor 2006: 29,6 mln euro op       schappelijke kwaliteit (excellentie) en tech-   • Adviesbureau voor beoordeling relevantie
                                         hoog internationaal niveau.                                            de EZ-begroting 2007              nologisch/economisch belang (relevantie)
                                         Belangrijke aspecten zijn focus en massa, excellentie, vraagsturing,
                                         valorisatie en internationale aantrekkingskracht                                                        Projectselectie
                                                                                                                                                 • Afhankelijk van werkwijze TTI
                                         Het versterken van de kennisinfrastructuur in Nederland d.m.v.         Totaal 800 mln euro voor 37      • Opstellen investeringskader na consultatie     • Commissie van Wijzen ICES/KIS bestaat uit
Weloverwogen impulsen
                        Bsik-impuls
                        (ICES/KIS-3)     investeringen vanuit het Fonds Economische Structuurversterking        consortia met looptijden van      van het veld. Daarbinnen prioritering van        externe experts en is ingesteld door EZ ism
                                         (Fes).                                                                 4 tot zes jaar en variërend in    vijf themagebieden: (1) ICT, (2)                 OCW, LNV, VenW, VROM.
                                         Hoofddoel Bsik-regeling:                                               omvang van 7 tot 95 mln           Ruimtegebruik, (3) Duurzame                     • KNAW (voor beoordeling van weten-
                                         • Het tot stand brengen van kwalitatief hoogwaardige netwerken         euro per consortium.              systeeminnovatie, (4) Microsysteem- en           schappelijke kwaliteit)
                                           in de kennisinfrastructuur en het identificeren en stimuleren van    (Gemiddeld 4,3 mln euro per       nanotechnologie, en (5) Gezondheids-,           • Planbureaus (CPB, SCP, MNP, RPB) en
                                           kansrijke onderzoeksgebieden.                                        consortium per jaar,              voedings-, gen- en biotechnologische             Rathenau (voor beoordeling
                                         Subdoelen:                                                             uitgaande van gemiddelde          doorbraken (waaronder genomics).                 maatschappelijke/economische relevantie)
                                         • Het ontwikkelen en uitvoeren van innovatief en hoogwaardig           looptijd van 5 jaar).            • Publicatie oproep voor projectvoorstellen
                                           onderzoek door consortia van vraag- en aanbodpartijen in de                                            binnen de thema’s door publiek-private
                                           kennisinfrastructuur;                                                                                  kennisconsortia
                                         • Het overdragen van onderzoeksresultaten naar kennisgebruikers;                                        • KNAW beoordeelt wetenschappelijke
                                         • Verankering van geproduceerde kennis binnen de bestaande                                               kwaliteit
                                           kennisinfrastructuur; en                                                                              • Planbureaus beoordelen maatschappelijke /
                                         • Een realistisch perspectief op toepassing door derden.                                                 economische relevantie
                                                                                                                                                 • CvW ICES/KIS beoordeelt projectvoorstellen
                                                                                                                                                  in onderlinge vergelijking en per
                                                                                                                                                  kennisgebied en adviseert het Kabinet
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                                 Doelstelling                                                                     Subsidiebudget                   Procedures                                     Betrokkenen bij selectie
                                                                                                                                  (in miljoen euro)                Programmaselectie
                        Fes-impulsen             Het versterken van de kennisinfrastructuur in Nederland d.m.v.                   • Fes-impuls 2005: 500 mln       • Calls for Proposals via interne procedures   Ministers van EZ en Financiën beheren Fes
                                                                                                                                                             19
                        in Onderzoek             investeringen vanuit het Fes in innovatieprogramma’s en                            euro voor 21 projecten          binnen de departementen (zonder               namens Kabinet.
                        & Innovatie              toponderzoek                                                                       (gemiddeld 23,8 mln per         publicatie)                                   De (ambtelijke) Commissie voor Wetenschap-,
                        2005 en 2006                                                                                                project, met uitschieter van   • Geen voorafgaand investeringskader na        Technologie- en Informatiebeleid (CWTI)
21                                                                                                                                  130 mln euro voor TI            consultatie van het veld zoals bij Bsik       adviseert het Kabinet
                                                                                                                                    Pharma)                        • CvW ICES/KIS en CPB beoordelen               CWTI wordt geadviseerd door Commissie van
                                                                                                                                  • Fes-impuls 2006: 300 mln        voorstellen en adviseren CWTI                 Wijzen ICES/KIS (externe experts) en Centraal
                                                                                                                                    euro voor 8 projecten          • CWTI adviseert Fes-beheerders                Planbureau (CPB)
                                                                                                                                    (gemiddeld 37,5 mln per
                                                                                                                                    project, met uitschieter van
Weloverwogen impulsen                                                                                                               150 mln voor CTMM)
                        Smart Mix                Het Smart Mix-programma heeft twee doelen:                                       Totaal 100 mln euro toege-       • Publicatie Call for Proposals                Smart Mix is gezamenlijk initiatief van EZ en
                                                 • Het creëren van maatschappelijke en economische waarde                         kend aan 7 programma’s           • Selectie in twee stappen (met verkorte en    OCW
                                                   (valorisatie) in de brede betekenis van het begrip en                          (gemiddeld 14,3 mln euro          uitgewerkte voorstellen)                      Smart Mix secretariaat is mix van SenterNovem
                                                 • Het versterken van focus en massa in wetenschappelijk                          per programma) met looptijd      • Smart Mix adviseert Adviescommissie Smart    en NWO
                                                   excellent onderzoek.                                                           van 4 tot 8 jaar.                 Mix over korte voorstellen                    Adviescommissie Smart Mix (externe experts)
                                                 Over het geheel van het Smart Mix-programma zullen beide                                                          • Externe deskundigen beoordelen               adviseert minister van EZ en Algemeen Bestuur
                                                 doelstellingen in de loop der jaren met elkaar in balans moeten                                                    wetenschappelijke kwaliteit van               NWO (namens OCW)
                                                 zijn, zowel in aandacht als ook financieel.                                                                        uitgewerkte voorstellen
                                                 Na één ronde is de Smart Mix regeling in 2007 afgeschaft.                                                         • Definitieve selectie door Adviescommissie
                                                                                                                                                                    Smart Mix obv programmavoorstel, een
                                                                                                                                                                    hoor-en-wederhoor procedure en een
                                                                                                                                                                    presentatie van het consortium
                                                                                                                                                                   • Adviescommissie adviseert minister van EZ
                                                                                                                                                                    en Algemeen Bestuur van NWO
                        19   Inclusief een ‘project’ van 22 miljoen euro voor uitwerking van 6 projectvoorstellen t.b.v. van Fes-impuls 2006.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                                      Doelstelling                                                       Subsidiebudget                   Procedures                                       Betrokkenen bij selectie
                                                                                                         (in miljoen euro)                Programmaselectie
                        Innovatie-    Met de programmatische aanpak (gebaseerd op de sleutel-            In 2006 was ca. 60 mln euro      • Innovatieprogramma’s komen bottom-up           • Strategische Adviescommissie
                        programma’s   gebiedenaanpak van het Innovatieplatform) wil EZ bedrijven en      beschikbaar voor pilot            tot stand binnen sleutelgebieden                 Innovatieprogramma’s (externe deskundigen)
                        Sleutel-      kennisinstellingen stimuleren om tot ‘topprestaties’ te komen op   innovatieprogramma’s.            Fases:                                            ingesteld door EZ (voordien werd gewerkt
                        gebieden      gebieden die van strategisch belang zijn voor de Nederlandse       Grote initiatieven binnen de     • Focus en ambitie: binnen een kansrijk           met tijdelijke adviescommissies per
22                                    economie. Focus & massa (zwaartepuntvorming, krachten-             sleutelgebieden kunnen            gebied stelt een groep ondernemers vast op       innovatieprogramma)
                                      bundeling) is daarvoor noodzakelijk. De innovatieprogramma’s       worden (en zijn reeds)            welke onderwerpen men zich wil richten.         • Tot 2006: projectdirectie EZ met medewer-
                                      dienen te worden gebaseerd op een gezamenlijke visie van           gefinancierd uit Fes-impulsen.    Als dat helder is, kunnen andere bedrijven       kers van EZ en SenterNovem verantwoorde-
                                      bedrijven en kennisinstellingen op nieuwe ontwikkelingen, op                                         en kennisinstellingen betrokken worden bij       lijk voor uitvoering van het instrument. Sinds
                                      markten en technologieën en in ambities voor de toekomst om                                          de verdere uitwerking ervan.                     2007: directie Innovatie SenterNovem.
                                      zo vraagsturing en valorisatie te realiseren.                                                       • Visie en strategische agenda: de betrokkenen
Weloverwogen impulsen                 Innovatieprogramma’s moeten internationaal onderscheidend zijn                                       stellen een visie en een strategische agenda
                                      en een gerichte focus hebben op onderdelen van een markt en                                          voor deze focus op. In de visie wordt de
                                      technologie.                                                                                         toekomstige kansen en bedreigingen
                                                                                                                                           beschreven. In de strategische agenda staat
                                                                                                                                           beschreven hoe van de visie realiteit wordt
                                                                                                                                           gemaakt en welke stappen daarvoor nodig
                                                                                                                                           zijn.
                                                                                                                                          • Toetsing: de minister van EZ krijgt de visie
                                                                                                                                           en de strategische agenda ter goedkeuring
                                                                                                                                           voorgelegd met advies van de Strategische
                                                                                                                                           Adviescommissie.
                                                                                                                                          • Na goedkeuring van de visie en de
                                                                                                                                           strategische agenda kan de agenda verder
                                                                                                                                           uitgewerkt worden tot een innovatie-
                                                                                                                                           programma.
                                                                                                                                          • Toetsing: de minister van EZ krijgt het
                                                                                                                                           concept innovatieprogramma ter
                                                                                                                                           goedkeuring voorgelegd met advies van
                                                                                                                                           de Strategische Adviescommissie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>23
                                      Doelstelling                                                       Subsidiebudget                  Procedures                                     Betrokkenen bij selectie
                                                                                                         (in miljoen euro)               Programmaselectie
                        NWO           Doel is om internationale voorhoedepositie van de Nederlandse      In 2006 waren er negen          • De thema’s zijn geselecteerd na een          • Gebiedsbesturen NWO doet uiteindelijke
Weloverwogen impulsen
                        Thematische   wetenschap te behouden en te versterken door selectief in te       thema’s met daarin een           interactief proces van identificatie van       toekenningen
                        programma’s   zetten op een aantal thema’s waarop extra inspanningen worden      portfolio van 92 programma-      wetenschappelijke trends en na consultatie    • Programmacommissie adviseert
                                      gepleegd. Inhoudelijke keuzes zijn nodig omdat de ontwikkelingen   ’s. NWO investereerd in 2004,    en afstemming met andere partijen,             gebiedsbestuur
                                      in de wetenschap steeds sneller gaan en de internationale          2005 en 2006 resp. 74, 76        waaronder KNAW en sectorraden.                • Onafhankelijke referenten beoordelen
                                      competitie groeit. Ook vanwege de toenemende kapitaalintensiteit en 83 mln euro in de              • Per thema andere opzet.                       wetenschappelijke kwaliteit.
                                      van het wetenschappelijk onderzoek is focus en massa nodig.        thematische programma’s         • Wetenschappelijke kwaliteit als belangrijk
                                                                                                                                          selectiecriterium projectvoorstellen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                                                                                  IOP
                                                                                             MTI
                                                               Smart Mix          3%
                                                                                             0%
                                                                    4%
                                                          TTI
                                                         8%
                                                                                                                           Bsik
                                                                                                                           32%
                                   Innovatieprogramma's
                                       sleutelgebieden
                                               10%
                                          NWO thema's
                                                 11%
                                                        Fes-impuls 2006                                        Fes-impuls 2005
                                                                12%                                                   20%
                                  Figuur 1. De totale investeringen per instrument (% van geaccumuleerde investeringen)
                                  De omvang van de investeringen via de verschillende instrumenten varieert en de
                                  impulsen overlappen elkaar gedeeltelijk in de tijd. In totaal gaat het om 2,5 miljard
   In totaal 2,5 miljard euro via euro investeringen. De investering via Bsik (800 miljoen euro voor de periode 2003-
programmatische instrumenten      2010) is veruit de grootste impuls geweest, gevolgd door de twee Fes-impulsen
                                  (respectievelijk 500 en 300 miljoen euro voor de periode 2005-2011). NWO heeft
                                  in de periode 2003-2006 in totaal 270 miljoen euro besteed aan onderzoeks-
                                  programma’s binnen de NWO-thema’s. De investeringen in de innovatieprogramma-
                                  ’s van het ministerie van Economische Zaken (EZ) in de sleutelgebieden zijn relatief
                                  bescheiden (10%), maar zullen in de komende tijd verder toenemen als nieuwe
                                  programma’s worden goedgekeurd en gestart.20 De investering via de Smart Mix
                                  (100 miljoen euro) is bij een eenmalige ronde (2006-2007) gebleven. Onder de
                                  subsidies voor de IOP’s hebben we de IOP Genomics (2000-2007), IOP
                                  ElektroMagnetisch VermogensTechniek (2001-2008), IOP Generieke Communicatie
                                  (2002-2010), IOP Integrale ProductCreatie- en Realisatie (IPCR) (2004-2011), IOP
                                  Self Healing Materials (2005-2012) en IOP Photonic Devices (2006-2012)
                                  meegenomen (totaal 80 miljoen euro). Bij de TTI’s hebben we alleen de vier
                                  oorsponkelijke TTI’s meegenomen onder het label TTI (totaal ruim 210 miljoen euro
                                  voor de periode 1997-2006). De nieuwe TTI’s vallen onder de Fes-impulsen.
                                  20    Op de EZ-begroting voor 2008 staan substantiële bedragen gereserveerd voor de Innovatieomnibus, het juridische kader
                                        op basis waarvan de innovatieprogramma’s financieel worden ondersteund. In 2008 gaat het om 103 miljoen euro, oplo-
                                        pend tot 139 miljoen euro in 2012. Overigens zijn de TTI- en Smart Mix-budgetten inmiddels geheel opgenomen onder
                                        het instrument Innovatieomnibus. Ook het budget van de Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma’s gaat (op termijn)
                                        op in de Innovatieomnibus. (Tweede Kamer 31200 XIII, nr. 2, Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van
                                        Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2008, Memorie van toelichting, p. 36, p. 43).
                              24  Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                                                                                         Pensioenen &
                                                            Creatieve Industrie              Sociale
                                                                       1%               Verzekeringen
                                                                                                0%
                                                                                                              Den Haag:
                                                  Chemie            Energie
                                                                                                       Residence of Peace
                                                     2%                2%
                                                                                                             and Justice
                                                                                                                   0%
                                  Ruimtelijke ordening
                                        & mobiliteit
                                             6%
                                                                                                             Life Sciences &
                                                    Water                                                       Gezondheid
                                                     7%                                                               28%
                                     Flowers & Food
                                              9%
                                                   Diversen
                                                      12%
                                                                                                           High Tech Systemen
                                                                                                                 & Materialen
                                                                            ICT                                        19%
                                                                           14%
                                  Figuur 2. Cumulatief overzicht van investeringen per themagebied.
                                  De investering in Maatschappelijke Topinstituten (MTI’s) is in vergelijking met
                                  de andere instrumenten marginaal.
                                  In Figuur 2 geven we een overzicht van de themagebieden waar de investeringen
                                  zijn terecht gekomen. Het overzicht geeft een indicatie van de verdeling van de
                                  publieke middelen die in de afgelopen jaren zijn geïnvesteerd via de genoemde pro-
 rreweg het meest geïnvesteerd    grammatische instrumenten.21 Duidelijk is dat ruim de helft van de programmatische
 Life Sciences & Gezondheid, dat  investeringen bij de sleutelgebieden (High Tech Systemen & Materialen, Flowers &
            geen sleutelgebied is Food, Water, Chemie, Creatieve Industrie en Pensioenen & Sociale Verzekeringen)
                                  en de innovatie-assen (ICT en Energietransitie) terecht is gekomen. Opvallend is dat
                                  het themagebied Life Sciences & Gezondheid veruit het grootste deel (28%) van de
                                  investeringen krijgt, terwijl het geen sleutelgebied is. Een andere opvallend punt is
                                  dat de sleutelgebieden Creatieve Industrie en Pensioenen & Sociale Verzekeringen
                                  slechts een marginale bijdrage hebben gekregen. Ook de bijdragen aan de sleutel-
                                  gebieden Water en Chemie zijn relatief bescheiden in vergelijking met die aan High
                                  Tech Systemen & Materialen en Life Sciences & Gezondheid.
                                  21    Eigen berekeningen op basis van het overzicht in Bijlage 1. Hierbij dient opgemerkt te worden dat alleen de incidentele
                                        investeringen zijn meegenomen – de totale investeringen in gebieden zijn uiteraard groter (bijvoorbeeld via de eerste en
                                        tweede geldstroom en via Eureka-projecten als ITEA en MEDEA+).
                              25  Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                                De categorie Diversen is relatief groot (12%) en bestaat uit een aantal subsidies
                                vanuit de Bsik-impuls (ondere andere Kennisnetwerk Systeeminnovaties), de
                                Fes-impuls 2005 (bijvoorbeeld Samenwerking 3 TU’s, Innosport Nederland,
                                Technostarters) en verschillende NWO-thematische programma’s.
                                Om de relatieve omvang van de incidentele investeringen duidelijk te maken plaat-
                                sen we deze in het kader van de totale overheidsinvesteringen in onderzoek. In het
                                Overzicht Totale Onderzoek Financiering (TOF) 2005-2011 wordt het budgettaire
                                kader voor de R&D-uitgaven van de verschillende ministeries gegeven, gebaseerd op
rgeleken met de totale publieke de departementale (ontwerp-)begrotingen van 2007.22 De totale (voorgenomen) uit-
   financiering van onderzoek…  gaven aan onderzoek en ontwikkeling door de departementen voor 2007 bedragen
                                bijna 4 miljard euro, waarvan tweederde (2,6 miljard euro) door het ministerie van
                                Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en eenzesde (0,7 miljard euro) door het
                                ministerie van Economische Zaken (EZ). De TOF-cijfers van de andere departemen-
                                ten zijn (veel) lager. Onderstaande tabel bevat voor de periode 2003–2007 de gege-
                                vens over de R&D-uitgaven per departement.
                                Tabel 2. TOF-cijfers per departement (op kasbasis), in miljoenen euro’s
                                (bruto-uitgaven)23
                                Departement                                                            2003       2004         2005         2006      2007
                                Onderwijs, Cultuur en Wetenschap24                                     2272,3     2338,3       2422,9       2616,9    2635,8
                                Economische Zaken                                                      562,0      562,0        515,0        555,7     660,9
                                Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit                             212,1      208,5        216,0        205,0     198,3
                                Verkeer en Waterstaat                                                  172,5      181,4        109,6        120,9     123,5
                                Volksgezondheid, Welzijn en Sport                                      89,7       91,1         87,7         118,3     121,8
                                Defensie                                                               76,4       76,9         76,6         78,4      78,8
                                Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking                        71,7       72,9         63,0         70,7      82,5
                                Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer                 41,2       39,2         36,9         72,6      67,7
                                Justitie                                                               14,3       9,2          10,0         10,2      10,7
                                Sociale Zaken en Werkgelegenheid                                       9,1        7,7          6,5          6,4       6,3
                                Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties                              0,9        1,4          1,5          1,7       1,7
                                Algemene Zaken                                                         1,8        1,7          1,6          1,6       1,5
                                Totaal                                                                 3524,0     3590,3       3547,1       3858,4    3989,5
                                22   Overigens zijn de middelen voor de WBSO (maximaal 453 miljoen euro per jaar) en de middelen die in het
                                     Coalitieakkoord zijn opgenomen m.b.t. onderzoek, niet opgenomen in het overzicht. Ook maken de Fes-middelen die
                                     nog niet naar de departementale begrotingen zijn overgeboekt geen deel uit van het overzicht. Het gaat hierbij om
                                     bedragen van 40 à 50 miljoen euro per jaar.
                                23   De cijfers voor 2003-2005 zijn de realisatiecijfers (Tweede Kamer, 29338, nr. 29, nr. 44. resp. nr. 59, Wetenschapsbudget
                                     2004). De cijfers voor 2006 zijn de vastgestelde begrotingscijfers (Tweede Kamer, 29338, nr. 59, Wetenschapsbudget 2004).
                                     De cijfers voor 2007 zijn de cijfers van de ontwerpbegroting (Tweede Kamer, 29338, nr. 59, Wetenschapsbudget 2004).
                                24   De cijfers van OCW zijn inclusief de bijdrage van LNV aan het onderzoeksgedeelte van de Wageningen Universiteit en de
                                     cijfers van LNV zijn exclusief deze bijdrage (in 2007 geschat op ongeveer 90 miljoen euro). De cijfers van OCW zijn
                                     inclusief de bijdragen van de ministeries van VROM, V&W, LNV, SZW en VWS voor de doelfinanciering TNO.
                             26 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                               Als we inzoomen op de TOF-cijfers van OCW voor 2007 blijkt dat het overgrote
                               deel (1.848 miljoen euro in 2007) naar de eerste geldstroom van de universiteiten
                               gaat.25 De een na grootste post is NWO (282 miljoen voor haar instituten en
                               projectfinanciering) gevolgd door TNO (113 miljoen euro voor basis- en doel-
…zijn de impulsen substantieel financiering). De investeringsimpulsen via de bovengenoemde programmatische
                               instrumenten (ruim 2,5 miljard voor meerjarige programma´s) zijn dus substantieel
                               te noemen, ook in verhouding tot de totale onderzoeksfinanciering door de
                               overheid.
                               25  Overigens wordt in de begroting van OCW voor 2007 1.439 miljoen euro opgevoerd als onderzoekdeel van de eerste
                                   geldstroom voor universiteiten (Tweede Kamer 30800 VIII, nr.2, Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie
                                   van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2007, p. 81). Het verschil tussen de begrotingscijfers en de
                                   TOF-cijfers komt voort uit verschillende berekeningswijzen.
                           27  Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>28 Weloverwogen impulsen</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                          4  4.1
                                           Overwegingen en conclusies
                                           Inleiding
                             In dit hoofdstuk zullen we op basis van het overzicht van de programmatische
                             investeringen (in het vorige hoofdstuk en meer uitgebreid in Bijlage 1), en gebruik
                             makend van inzichten uit een internationaal vergelijkende studie in opdracht van de
                             AWT (zie Bijlage 2), een beoordeling geven over de manier waarop de overheid in de
                             afgelopen periode (ruwweg 2003-2007) heeft geïnvesteerd in zwaartepuntvorming.26
                             Ook de bevindingen van de Commissie van Wijzen ICES/KIS, die specifiek heeft
                             gekeken naar de Bsik- en Fes-impulsen, worden hierbij betrokken (zie Bijlage 3).27
                             Bij zijn overwegingen en conclusies kijkt de AWT vanuit twee invalshoeken:
                             1          De strategische inbedding van het beleidsinstrumentarium
                             2          De samenhang en consistentie in het beleidsinstrumentarium
                             Tenslotte zullen we enkele kritische kanttekeningen plaatsen bij het veelvuldige
                             gebruik van publiek-private samenwerkingsconstructies in de programmatische
                             instrumenten.
                             Voorafgaande aan de beantwoording van bovengenoemde vragen wil de Raad
   De AWT is voorstander van benadrukken dat hij een voorstander is van het investeren in zwaartepunten. De
investeren in zwaartepunten… AWT heeft in de afgelopen jaren meerdere malen gepleit voor extra investeringen in
                             onderzoeks- en innovatieinspanningen om naast een brede basis een aantal
                             zwaartepunten te creeëren.28 Het is daarom goed dat de overheid een aantal forse
                             investeringsimpulsen heeft gegeven. Het is nog te vroeg om de effecten van de
                             programmatische instrumenten op de vorming van zwaartepunten goed te kunnen
                             26   Dialogic en Technopolis, Quick Scan (on the use of PPPs in) focus, mass and valorisation in scientific research in eight
                                  European countries (Achtergrondstudie AWT, 2007).
                             27   Commissie van Wijzen ICES/KIS, Notitie over het programmeren en prioriteren van innovatief onderzoek en procedures voor
                                  indiening, beoordeling, selectie, financiering en monitoring van activiteiten op het gebied van onderzoek en innovatie van-
                                  uit het FES (Den Haag, 2007).
                             28   Meest recentelijk nog in AWT-Advies 71 (AWT, Balanceren met beleid: Wetenschaps- en Innovatiebeleid op hoofdlijnen (Den
                                  Haag, 2007)), en in een eerder stadium in AWT-advies 53 (AWT, Backing winners – Van generiek technologiebeleid naar
                                  actief innovatiebeleid (Den Haag, 2003).
                          29 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                                beoordelen.29 De meeste programma’s lopen immers nog. Het lijkt echter wel al
                                duidelijk dat de kennisinfrastructuur is versterkt door de vele honderden miljoenen
                                euro extra investering. Er zijn veel nieuwe samenwerkingsrelaties ontstaan,
                                bijvoorbeeld tussen universiteiten en bedrijven of maatschappelijke organisaties. Het
                                is echter wel de vraag of de samenwerkingsrelaties zullen beklijven op het moment
                                dat de subsidies stoppen.
maar is kritisch over de manier De Raad ziet zeker ook aanleiding tot kritische kanttekeningen over de manieren
                        waarop  waarop de overheid heeft geïnvesteerd.
                                4.2          Gebrek aan een langetermijnstrategie
                                Een eerste belangrijke constatering van de AWT naar aanleiding van de beschrijving
                                van de investeringsimpulsen in de afgelopen periode (Bijlage 1) en de internationale
                                studie (Bijlage 2) is dat het in Nederland ontbreekt aan een richtinggevende lange-
                                termijn onderzoeks- en innovatiestrategie met een daarbijbehorend duidelijk
               Geen kader voor  investeringskader. Verschillende andere landen slagen er beter dan Nederland in om
   langetermijninvesteringen    zwaartepuntvorming in te bedden in hun langetermijnstrategie.30
                                Door het ontbreken van een heldere langetermijnstrategie hebben we ook geen
                                systematische aanpak om te komen tot een evenwichtige mix van zwaartepunten
                                en tot een wijze om deze zwaartepunten op de langere termijn te ondersteunen.
                                29  Vooraf zijn er wel inschattingen gemaakt van de mogelijke opbrengsten van de projecten, met name ook door het CPB. Het
                                    CPB heeft een aantal rapporten uitgebracht waarin de investeringsvoorstellen in het kader van de Bsik- en de Fes-impulsen
                                    worden beoordeeld. In CPB, Investeren in kennis: Een maatschappelijk-economische beoordeling van de Bsik-projecten (Den
                                    Haag, 2003) worden 67 projectvoorstellen in het kader van Bsik beoordeeld. 17 projecten krijgen het eindoordeel ‘gunstig’, 10
                                    projecten hebben een groter risico op een gunstig maatschappelijk rendement, en de overige 40 projecten krijgen het eindoor-
                                    deel ‘ongustig’. In CPB, Leren van Investeren (Den Haag, 2005) worden projectvoorstellen in het kader van de Fes-impuls 2005
                                    beoordeeld, met als uitgangspunt de vraag of een project naar verwachting bijdraagt aan de maatschappelijke welvaart. Het
                                    beeld van de projecten in het domein kennis loopt uiteen. Vier projecten worden relatief gunstig beoordeeld, vijf projecten
                                    doen een (veel) te groot beroep op publieke middelen, en twee projecten krijgen een ongunstige beoordeling. In CPB,
                                    Investeren in kennis en innovatie (Den Haag, 2006) worden de projecten in het kader van de tweede ronde van de Fes-impuls
                                    2005 beoordeeld. Het rapport concludeert dat de oogst schraal is. In CPB, Beoordeling projecten ruimtelijke economie, innova-
                                    tie en onderwijs: analyse ten behoeve van de FES-meevaller 2006 (Den Haag, 2006) worden de projecten in het kader van de
                                    Fes-impuls 2006 beoordeeld. Het gaat om 16 projecten in het domein kennis en innovatie. 6 projecten krijgen een gunstige
                                    beoordeling, 3 projecten een gemengde beoordeling, en 7 projecten een ongunstige beoordeling.
                                30  Een eerste stap op weg naar een beter strategisch kader voor investeringen is inmiddels aangekondigd door het kabinet.
                                    Als onderdeel van het interdepartementale project ‘Nederland Ondernemend Innovatieland’ (NOI) zal er een langeter-
                                    mijnstrategie worden ontwikkeld voor innovatie en ondernemerschap. (Zie Werkprogramma Nederland Ondernemend
                                    Innovatieland, Bijlage bij Tweede Kamer 27406, nr. 112, Nota ‘De kenniseconomie in zicht’; Brief minister ter aanbieding
                                    van het werkprogramma project Nederland Ondernemend Innovatieland.
                            30  Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                         Onvoldoende coördinatie tussen beleidsterreinen van OCW en EZ
                         De constatering dat Nederland er niet goed in slaagt om zwaartepuntvorming op
                         samenhangende wijze te stimuleren in het kader van een langetermijnstrategie
                         roept de vraag op waarom een dergelijk kader in Nederland ontbreekt. De AWT ziet
                         het gebrek aan coördinatie tussen de verschillende beleidsterreinen van de verschil-
                         lende betrokken ministeries als een van de oorzaken van het gebrek aan een
      Aanpak verkokerd   gedeelde langetermijnstrategie. Het ministerie van OCW, verantwoordelijk voor het
                         wetenschaps- en onderzoeksbeleid, en het ministerie van EZ, verantwoordelijk voor
                         het industriële R&D- en innovatiebeleid, slagen er niet in om samen een integrale
                         strategie op te stellen voor het vormen van zwaartepunten in (a) excellent weten-
                         schappelijk onderzoek, (b) kansrijke combinaties van kennis en bedrijvigheid en (c)
                         kennisontwikkeling ten behoeve van het oplossen van maatschappelijke problemen.
                         Natuurlijk heeft het ontbreken van een langetermijnstrategie en een systematische
                         investeringsagenda niet verhinderd dat er een rijke en gevarieerde oogst aan onder-
Rijkdom aan voorstellen, zoeksvoorstellen is. Maar tegelijkertijd stelt de AWT vast dat het in het geheel niet
 maar zijn het de beste? duidelijk is of zwaartepuntvorming verloopt op een manier die het publieke belang
                         het meest dient – vooral als het gaat om zwaartepunten waarbij economische of
                         maatschappelijke relevantie voorop staat.
                         Beter laat dan nooit: de ontwikkeling van een beleidskader voor zwaarte-
                         puntvorming in Vlaanderen31
                         De Vlaamse regering stimuleert al meer dan twintig jaar de vorming van zwaarte-
                         punten in het Vlaamse onderzoeks- en innovatielandschap.32 Tot voor kort gebeurde
                         dat, net als in Nederland, zonder duidelijk beleidskader. De laatste jaren begon het
                         ad hoc karakter van de initiatieven echter te wringen omdat het niet goed mogelijk
                         bleek de relevantie en budgettaire prioriteiten goed af te wegen. Het risico op
                         ‘wildgroei’ werd te groot. De regering kwam tot de conclusie dat een goed uitge-
                         werkt beleidskader voor zwaartepuntvorming noodzakelijk was, mede ook met het
                         oog op de ontwikkeling richting open innovatie en de voortgaande internationalise-
                         ring van onderzoek en innovatie. Juist voor een kleine regio als Vlaanderen werd de
                         ontwikkeling van een strategische visie als noodzakelijk gezien, om ook internatio-
                         naal iets te betekenen te hebben. In 2005 introduceerde de regering een nieuw
                         beleidskader waarin een systematische benadering werd gegeven voor de
                         31  Vlaamse Regering, De Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel,
                             Nota aan de Vlaamse Regering, ‘Een beleidskader voor steun aan grote kenniscentra ten behoeve van innovatie’, (Brussel,
                             2005); http://www.iwt.be/downloads/algemeen/opdrachten_vr/innovatiesteun_vr/notavr_beleidskader_kenniscentra.doc.
                         32  Het gaat daarbij om initiatieven als IMEC (1984; microelektronica), VITO (1991; energie, milieu- en materialentechnolo-
                             gie), VIB (1995; biotechnologie), IBBT (2003; ICT) en zes Excellentiepolen (2004/2005).
                      31 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                          uitwerking en selectie van zwaartepunten. Zo wordt er duidelijk onderscheid
                          gemaakt tussen twee duidelijk gedefinieerde manieren voor zwaartepuntvorming:
                          competentiepolen en strategische onderzoekscentra.33
                          Met betrekking tot de rijke en gevarieerde oogst aan programma’s en projecten,
                          constateerden we in hoofdstuk 3 al dat vooral het themagebied Life Sciences &
                          Gezondheid, de sleutelgebieden High Tech Systemen & Materialen en Flowers & Food
                          en de innovatie-as ICT hebben geprofiteerd van de incidentele investeringen. Het is
                          opvallend dat de meeste investeringen naar het themagebied Life Sciences &
                          Gezondheid zijn gegaan, terwijl dat niet als sleutelgebied is geïdentificeerd.
                          Tegelijkertijd kunnen we ook vaststellen dat de sleutelgebieden Water, Chemie,
                          Creatieve Industrie en Pensioenen & Sociale Verzekeringen (vooralsnog) relatief weinig
  Verdeling over gebieden hebben geprofiteerd van de investeringsimpulsen. De AWT constateert dat een
onvoldoende onderbouwd    duidelijk verhaal ontbreekt over de vraag waarom het ene themagebied zoveel meer
                          heeft geprofiteerd van investeringsimpulsen dan het andere, en waarom de meeste
                          investeringen zijn gegaan naar een gebied dat niet als sleutelgebied is erkend.34
                          Hoe kom je tot een systematische aanpak voor zwaartepuntvorming?
                          In het UK Foresight Programma35 worden ‘uitdagende visies’ op de ontwikkeling van
                          themagebieden gemaakt die bedoeld zijn als input in huidige strategievorming. Een
                          belangrijk element in de Britse aanpak, naast het mobiliseren van inhoudelijke
                          expertise over trends en toekomstige ontwikkelingen, is het betrekken van leidende
                          personen in overheid, wetenschap en bedrijfsleven. In het VK gaat het om een ‘rol-
                          ling programme’ waarbij op elk moment drie à vier themagebieden worden behan-
                          deld. Voordat een themagebied op de agenda komt, ondergaat het eerst een uitge-
                          breid interactief selectieproces. De projecten duren meestal een à anderhalf jaar.
                          Een literatuurstudie en ‘horizon scanning’ zijn vast onderdeel van de exercitie.
                          Deelnemers worden goed ondersteund door ervaren teams met voldoende kennis
                          van het themagebied. Bovendien wordt er nauw samengewerkt met een netwerk
                          van experts en betrokkenen. Het gaat in dit soort projecten uiteraard niet om het
                          33  In dezelfde periode nam de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (VRWB) het initiatief om een langetermijn referentie-
                              kader te ontwikkelen voor onderzoek en innovatie in Vlaanderen . In de eerste stap werd een relatieve positieanalyse
                              gemaakt van Vlaanderen op het vlak van wetenschappelijk onderzoek, technologische ontwikkeling, innovatie en econo-
                              mische activiteit. In de tweede stap werd een internationale trendanalyse gedaan van belangrijke ontwikkelingen voor de
                              komende tien jaar. Daarop volgde een breed consultatieproces met experts uit de verschillende sectoren en kennisinstel-
                              lingen, om aan de hand van de informatie en inzichten uit de eerste en tweede stap te komen tot een prioriteitsstelling.
                              Uiteindelijk zijn er zes strategische clusters voor Vlaanderen geselecteerd.
                          34  De meeste investeringen zijn gegaan naar Life Sciences & Gezondheid, een gebied dat door het Innovatieplatform in
                              2004 als potentieel sleutelgebied werd genoemd, net als Chemie, Logistiek en Duurzame Energie. Voordat het
                              Innovatieplatform een inventarisatie maakte van de sleutelgebieden, was de aanpak van EZ gericht op sleuteltechnolo-
                              gieën waarbinnen focus en massa werd nagestreefd. In de Innovatiebrief (Ministerie van Economische Zaken, In Actie
                              voor innovatie: Aanpak van de Lissabon-ambitie (Den Haag, 2003)) worden met name ICT en life sciences (genomics)
                              genoemd als sleuteltechnologieën. In het Wetenschapsbudget 2004 van OCW worden ICT, nanotechnologie en geno-
                              mics/life sciences genoemd als ‘drie grote nationale prioriteiten’ (Tweede Kamer 29338, nr.1, Wetenschapsbudget 2004;
                              Nota Wetenschapsbudget 2004 ‘Focus op excellentie en meer waarde’, p. 7).
                          35  Zie http://www.foresight.gov.uk/ voor meer informatie over het UK Foresight programme.
                       32 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                                voorspellen van de toekomst van een themagebied. Het doel is een beter inzicht te
                                krijgen in dynamiek van het gebied en een ‘awareness’ van de verschillende manie-
                                ren waarop de toekomst kan ontwikkelen en de gevolgen daarvan voor de huidige
                                strategie. Typische uitkomsten van dit soort exercities zijn onder andere grondige
                                reviews van het desbetreffende veld, visies op toekomstige ontwikkelingen (op basis
                                van inzichten in achterliggende drijvende krachten), voorstellen voor acties door
                                verschillende partijen, en netwerken van experts en betrokkenen voor doorgaande
                                dialoog naar aanleiding van verdere ontwikkelingen in het desbetreffende gebied.
                                De kritiek van de AWT over het ontbreken van een strategisch kader om wel-
                                overwogen investeringsbeslissingen in te nemen, stemt overeen met de bevindingen
       Onvoldoende inzicht in   van de Commissie van Wijzen ICES/KIS. Zij constateerde onlangs met betrekking tot
                 witte vlekken  de Fes-impulsen ook dat er bij de maatschappelijke en economische thema´s geen
                                totaalbeeld van de problematiek bestaat. Er is onvoldoende inzicht in de ‘witte vlekken’
                                waarvoor de kennisinfrastructuur ingeschakeld zou moeten worden om tot oplossingen
                                te komen. ‘De inbreng en de selectie van investeringsvoorstellen weerspiegelt daardoor
                                niet noodzakelijkerwijs de maatschappelijke en economische prioriteiten.’ Verder con-
                                stateerde de Commissie van Wijzen ICES/KIS eveneens dat het ontbreken van een dui-
                                delijk prioriteringskader voor wetenschappelijk en innovatief onderzoek als gevolg
                                heeft dat ‘in onvoldoende mate [wordt] gewerkt aan samenhang, zwaartepuntvorming
                                en concentratie van de Nederlandse kennisinfrastructuur.’36
                                De AWT concludeert dat het in de afgelopen periode heeft ontbroken aan een
                                overkoepelende en samenhangende langetermijnstrategie en investeringsagenda
        Al met al: te impulsief voor zwaartepuntvorming. De Raad ziet dit als een van de hoofdoorzaken van de
                                onsamenhangende manier waarop investeringsimpulsen zijn gepleegd.
                                Actief beleid vraagt om een strategisch kader
                                De Nederlandse overheid heeft met haar ‘backing winners’ benadering gekozen voor
                                een relatief actief onderzoeks- en innovatiebeleid.37 Juist bij een actief hands on onder-
Hands on beleid vergt een visie zoeks- en innovatiebeleid is een strategisch kader noodzakelijk. Sommige andere
                                landen, met Zwitserland als duidelijk voorbeeld, kiezen nadrukkelijk niet voor een actief
                                innovatiebeleid, maar zetten vooral in op het creëren van klimaat waarin ongebonden
                                wetenschappelijk onderzoek gedijt. In een dergelijke hands off benadering krijgt
                                bottom-up zwaartepuntvorming in gebieden van excellent wetenschappelijk onderzoek
                                de nadruk. Instrumenten zijn daarin gericht op de publieke kennisinfrastructuur, niet
                                36  Commissie van Wijzen ICES/KIS, Notitie over het programmeren en prioriteren van innovatief onderzoek en procedures
                                    voor indiening, beoordeling, selectie, financiering en monitoring van activiteiten op het gebied van onderzoek en innova-
                                    tie vanuit het FES (Den Haag, 2007).
                                37  Dit blijkt ook uit de internationaal vergelijkende studie over de wijze waarop Nederland en omringende landen zwaarte-
                                    puntvorming stimuleren. (Dialogic en Technopolis, Quick Scan (on the use of PPPs in) focus, mass and valorisation in
                                    scientific research in eight European countries (Achtergrondstudie AWT, 2007)).
                            33  Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                               op bedrijven. De overheid hoeft dan niet veel energie te steken in het formuleren van
                               strategische thema’s en een evenwichtige mix van beleidsinstrumenten. De keuzes
                               worden vooral bepaald door de ontwikkelingen in de wetenschap zelf. De idee is dat
                               toponderzoek getalenteerde onderzoekers en innovatieve bedrijven aantrekt en leidt
                               tot nieuwe bedrijvigheid via spin-offs van universiteiten. Deze aanpak is echter vooral
                               geschikt voor het (indirect) stimuleren van wetenschaps- en technologiegebieden waar
                               wetenschappelijke ontwikkelingen en kennisintensieve bedrijvigheid hand in hand
                               gaan, zoals in de life sciences. Andere gebieden komen dan niet aan bod, en de
                               overheid stuurt haar eigen vraag onvoldoende.
                               Visie- en strategieontwikkeling in Finland via FinnSight 2015
                               In 2005 zijn Tekes en de Finse Academie gezamenlijk begonnen met het FinnSight
                               2015 project om een langetermijnvisie voor kennis en innovatie in Finland te
                               ontwikkelen. Het doel van het project was om focusgebieden te identificeren op het
                               gebied van wetenschap, technologie, maatschappij en het bedrijfsleven, en om
                               prioriteiten hierbinnen te stellen.
                               Het project hielp bij het definiëren van Finland’s Strategic Centres of Excellence in
                               Science, Technology and Innovation die zwaartepunten moeten gaan vormen in het
                               Finse onderzoeks- en innovatiesysteem. Daarnaast droeg het project bij aan betere
                               samenwerking tussen de Academie van Finland en Tekes en aan een multidiscipli-
                               nair debat over de toekomst van het Finse onderzoeks- en innovatiesysteem.
                               Het werk werd gedaan in tien panels met daarin vooraanstaande experts uit de
                               wereld van onderzoek en het bedrijfsleven. De panels identificeerden veranderingen
                               en uitdagingen in de onderzoeks- en innovatieomgeving en evalueerden manieren
                               waarop deze beantwoord konden worden. De opzet van het project met panels was
                               bedoeld om een platform te bieden voor open discussie over de toekomst tussen
                               zoveel mogelijk mensen. Naast een beter inzicht in kansen en bedreigingen hielp
                               het project ook om een gedeeld inzicht en visie te creëren en om op basis daarvan
                               issues en maatregelen onder de aandacht van beleidsmakers te brengen.
                               Net als de meeste andere omringende landen heeft Nederland besloten om niet
                               alleen op indirecte wijze zwaartepuntvorming te bevorden. De Nederlandse aanpak
                               wordt gekenmerkt door een actief hands on innovatiebeleid, waarin kansrijke com-
                               binaties van bedrijvigheid en kennis op een directe wijze worden versterkt. Onze
                               instrumenten zijn vooral gericht op het stimuleren van combinaties van de publieke
                               kennisinfrastructuur en bedrijven of maatschappelijke organisaties. In een dergelijke
Een actieve overheid is nodig… aanpak heeft de overheid een meer inhoudelijke en regisserende rol. Zij moet
                               immers het publieke belang in het oog houden en ervoor zorgen dat die initiatieven
                               worden ondersteund, die het meeste opleveren voor de Nederlandse maatschappij.
                               Een dergelijk actief beleid vergt een heldere langetermijnstrategie en een systemati-
                               sche aanpak voor de selectie en opbouw van verschillende typen zwaartepunten.
                            34 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                             Hiermee wil de AWT overigens niet suggereren dat de Nederlandse overheid vooral
 …die top-down en bottom-up  top-down moet sturen om focus en massa te creëren. In de praktijk is het de
                  combineert uitdaging om productieve combinaties van top-down en bottom-up coördinatie te
                             vinden. Het intermediaire niveau tussen nationale strategie en onderzoeksagenda’s
                             van onderzoeksgroepen speelt hierin een centrale rol. Omdat daar de brede thema’s
                             worden vertaald in specifieke onderzoeks- en toepassingsgebieden die richting-
                             gevend zijn voor de onderzoeksagenda’s op het niveau van kennisinstellingen,
                             onderzoeksgroepen en onderzoekers. Voorbeelden van intermediaire organisaties
                             in Nederland zijn de nationale regieorganen en NWO. Omgekeerd helpt het inter-
                             mediaire niveau bij het formuleren van een relevant en breed gedragen nationaal
                             strategisch kader.
                             De AWT concludeert dat het ontbreken van een langetermijnstrategie vooral
                             problematisch is wanneer de overheid een actief innovatiebeleid voert.
                             Nederlandse zwaartepuntvorming in een internationale context
                             In aanvulling op de bevinding dat het streven naar zwaartepuntvorming niet wordt
                             gericht door een langetermijnstrategie, constateert de AWT dat er onvoldoende
                             wordt ingespeeld op de kansen en bedreigingen vanuit de internationale en
Kansen in Europa onvoldoende Europese omgeving. Bij de investeringsimpulsen in de afgelopen periode is niet
                       benut systematisch rekening gehouden met de mogelijkheden die er zijn om het Europese
                             onderzoeks- en innovatiebeleid te gebruiken om meer massa te creëren (door
                             Europese financiering als hefboom te gebruiken) of meer focus te krijgen (door
                             pro-actief Europese onderzoeksagenda’s te beïnvloeden en nationale agenda’s te
                             relateren aan internationale thema’s en prioriteiten). Overigens wordt bij de
                             programmatische aanpak voor innovatie van het ministerie van EZ beter ingespeeld
                             op de internationale context dan bij de andere investeringsimpulsen. In het
                             innovatieprogramma Point-One (nano-elektronica en embedded systemen) wordt
                             bijvoorbeeld nadrukkelijk de Europese strategische onderzoeksagenda gebruikt bij
                             het formuleren van een eigen onderzoeksagenda. Hoofdrolspelers in Point-One (o.a.
                             Philips, NXP, ASML) spelen ook vooraanstaande rollen op het Europese niveau.
                             Andere landen zijn actiever in benutten internationale kansen
                             De internationaal vergelijkende studie (Bijlage 2) laat zien dat Nederland kansen laat
                             liggen op het Europese en internationale niveau en de prioriteiten en thema’s die daar
                             geformuleerd zijn. Landen als Zweden en Finland proberen actiever dan Nederland het
                             Europese en nationale niveau op elkaar af te stemmen, onder andere door pro-actief de
                             Europese agenda’s te beïnvloeden en door Europese financiering te gebruiken als een
                             manier om meer focus te creëren in het nationale onderzoeks- en innovatiesysteem.
                             Sommige landen (Ierland, Oostenrijk) gebruiken de Europese onderzoeksagenda als een
                             hefboom om meer invloed te hebben op kennisinstellingen en onderzoekers, bijvoor-
                             beeld door nationale financiering expliciet te koppelen aan Europese financiering.
                          35 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                                  De AWT concludeert dat het in Nederland ontbreekt aan een strategie waarin de
                                  kansen vanuit de internationale en Europese omgeving worden benut voor het
                                  vormen van internationaal aansprekende nationale zwaartepunten.
                                  Geen duidelijke balans tussen structurele investeringen en incidentele impulsen
                                  De AWT constateert dat het ontbreken van een strategisch kader met bijbehorende
                                  investeringsagenda gepaard is gegaan met een gebrek aan onderbouwing voor de
      Omvang impulsen ook niet    omvang van de diverse impulsen. De totale omvang van de programmatische
                    onderbouwd    investeringen is voor een belangrijk deel bepaald door de stijging van de olieprijs en
                                  de daaraan gerelateerde meevallende aardgasbaten en de ruimte die daardoor
                                  ontstond in het Fes.
                                  Uit de samenvattende overzichten van de instrumenten in Hoofdstuk 3 blijkt dat de
                                  totale omvang van de incidentele investeringen via programmatische instrumenten
                                  dermate groot is geworden dat de balans tussen structurele financiering (voor de
                                  brede basis in het onderzoeksbestel) en incidentele financiering (voor zwaarte-
ico’s voor continuïteit en balans puntvorming) verandert. Bovendien worden door het principe van matching
                                  verschillende soorten van financiering en doelen met elkaar verknoopt, wat niet
                                  bijdraagt aan een stevige balans. Naarmate de incidentele investeringen groter
                                  worden, zal de matchingsdruk ook toenemen, waardoor nog meer basisfinanciering
                                  wordt ‘vastgelegd’. Kennisinstellingen moeten een steeds groter deel van hun
                                  basisfinanciering voor langere periodes vastleggen. De combinatie van forse
                                  incidentele investeringen (vooral nà 2005), de verknoping met de eerste
                                  geldstroom, en het gebruik van een onsamenhangende mix van instrumenten,
                                  schept risico’s op het vlak van de continuïteit en kwaliteit van de hoogvlakte in het
                                  onderzoekssysteem. De absorptiecapaciteit komt onder druk te staan. Vooral in die
                                  gebieden waar de bulk van de incidentele investeringen terecht komen, kunnen
                                  spanningen ontstaan.38 Op het niveau van de instellingen hebben de instellingen
                                  uiteraard zelf ook een verantwoordelijkheid in het vinden van een goede balans
                                  tussen incidentele en structurele financiering. Tegelijkertijd wordt de bewegings-
                                  ruimte van instellingen ingeperkt door de opkomst van een nieuwe tussenlaag van
                                  allerlei nieuwe organisatievormen (bijvoorbeeld de TTI’s en Bsik-consortia) die
                                  worden opgericht om de onderzoeksprojecten in goede banen te leiden.
                                  De AWT concludeert dat er bij de forse incidentele investeringen in de ‘pieken’
                                  onvoldoende rekening is gehouden met de noodzaak van een goede balans in het
                                  onderzoeks- en innovatiesysteem tussen structurele basisfinanciering en incidentele
                                  impulsen.
                                  38  Een van de spanningen ontstaat op het vlak van het vinden van grote aantallen geschikte onderzoekers om alle nieuwe
                                      vacatures tijdig op te vullen.
                               36 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                          4.3         Gebrek aan samenhang en continuïteit
                          Een tweede constatering als we de programmatische investeringen op een rij
                          zetten, is dat er sprake is van een opeenstapeling van soortgelijke instrumenten
                          voor soortgelijke doelen (zoals excellentie, focus en massa, kennisvalorisatie, samen-
     Opeenstapeling van   werking tussen publieke kennisinfrastructuur en bedrijfsleven). In de periode 2003-
          instrumenten…   2007 zijn naast de al bestaande Technologische Topinstituten en de IOPs, de Bsik-
                          impuls, de Fes-impulsen 2005 en 2006, de Smart Mix, de Maatschappelijke
                          Topinstituten, het ‘programmatisch pakket’ van het ministerie van Economische
                          Zaken voor innovatieprogramma’s in de sleutelgebieden en thematische
                          programma’s van NWO geïntroduceerd. De initiatieven en maatregelen in het
                          onderzoeks- en innovatiebeleid volgen elkaar dus in hoog tempo op. De doelen van
                          de initiatieven liggen wel in elkaars verlengde, maar de instrumenten veranderen
                          vrijwel jaarlijks. Daarmee veranderen ook de indieningsvereisten, de inhoudelijke
                          focusgebieden, de betrokken partners, etc. Dit leidt tot een chaotisch proces met
                          veel, steeds wisselende spelers. Dat kan niet optimaal bijdragen aan een bestendige
   …chaos en turbulentie  opbouw van zwaartepunten.
                          De vroegtijdige stopzetting van de Smart Mix is een duidelijk voorbeeld van de
                          snelle veranderingen in het beleidsinstrumentarium. Ook uit de internationaal
                          vergelijkende studie (Bijlage 2) blijkt dat de turbulentie in het Nederlandse
                          beleidsinstrumentarium in vergelijking met omringende landen opvallend groot is.39
                          De AWT concludeert dat er onvoldoende samenhang en continuïteit is geweest in
                          de manier waarop de overheid in de afgelopen periode extra investeringen heeft
                          gedaan in onderzoek en innovatie. Hierdoor is er teveel turbulentie gecreëerd, met
                          name door het steeds wisselende beleidsinstrumentarium en wijzen van uitvoeren.
                          Consequenties van turbulentie voor de indieners
                          Uit het overzicht van de verschillende beleidsinstrumenten blijkt dat de opeens-
                          tapeling van instrumenten gepaard gaat met een grote diversiteit in procedures
                          voor indiening, beoordeling, selectie, monitoring en evaluatie. Elk instrument heeft
                          zijn eigen manier waarop de besluitvorming is georganiseerd en maakt gebruik van
                          verschillende adviserende gremia en uitvoerende instanties. De AWT constateert dat
                          als gevolg daarvan indieners te maken hebben met telkens andere besluitvormings-
                          procedures, beoordelingscriteria, adviserende gremia’s en uitvoerende instanties. Dit
Gebrek aan transparantie, levert een al met al weinig transparant geheel op. Het gebrek aan transparantie kan
    lobbyisme en hogere   ertoe leiden dat niet altijd de meest veelbelovende projectvoorstellen worden inge-
        transactiekosten  diend door de sterkste consortia. Het gebrek aan transparantie bevoordeelt partijen
                          39  Dialogic en Technopolis, Quick Scan (on the use of PPPs in) focus, mass and valorisation in scientific research in eight
                              European countries (Achtergrondstudie AWT, 2007).
                      37  Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                                die goed zijn ingevoerd in de beleidsontwikkelingen en die een sterke lobby kunnen
                                organiseren. Het leidt bovendien tot grotere (administratieve) belasting voor alle
                                indieners en evaluatoren, en zo tot hoge transactiekosten. Het gaat vooral om tijd,
                                die beter aan onderzoek en innovatie ware besteed.
                                Specifiek met betrekking tot de twee Fes-impulsen constateerde de Commissie van
                                Wijzen ICES/KIS in een eerder stadium al dat de informatievoorziening bij de
                                Fes-impulsen over Calls for Proposals te wensen over laat.40 Niet alleen is er soms
                                (te) weinig tijd tussen een call en de deadline voor indiening, de calls voor de
                                Fes-impulsen 2005 en 2006 zijn zelfs louter via interne procedures binnen de
                                departementen verlopen en niet openbaar gepubliceerd. De toegankelijkheid en de
                                transparantie van uitgangspunten en selectiecriteria zijn onvoldoende geweest.41
                                De AWT concludeert dat de turbulentie in het beleidsinstrumentarium heeft geleid
                                tot een gebrek aan transparantie voor kennisinstellingen en andere partijen. Dit
                                schept het risico dat niet het beste onderzoek wordt ondersteund. Bovendien zijn er
                                onnodig hoge kosten ontstaan door de diversiteit in procedures.
                                Consequenties voor zwaartepuntvorming
                                De programmatisch instrumenten hebben elk een eigen wijze van prioriteren en
                                selecteren. De thema’s die als prioriteit worden gekozen zijn bovendien veelal wei-
                                nig uitgewerkt en in algemene termen geformuleerd. Hierdoor is het onduidelijk of
                                alle onderzoeks- en innovatieprojecten uiteindelijk optellen tot een samenhangend
Het telt niet op tot een geheel proces van zwaartepuntvorming. De AWT is van mening dat door de ad hoc wijze
                                van investeren er te weinig aandacht is besteed aan de samenhang tussen en
                                binnen de zwaartepunten. De meerwaarde van het combineren van wetenschappe-
                                lijke zwaartepunten (vooral gericht op internationale excellentie), economische
                                zwaartepunten (vooral gericht op innovatie- en concurrentievermogen van het
                                Nederlandse bedrijfsleven) en maatschappelijke zwaartepunten (vooral gericht op de
                                gebieden van staatszorg) wordt onvoldoende gezocht. Het resultaat van deze wijze
                                van investeren is dat het vormen van zwaartepunten niet optimaal verloopt. Er zijn
                                (te)veel losse gebieden, zonder duidelijke samenhang tussen de gebieden. Ook de
                                optelsom van initiatieven per themagebied levert een onoverzichtelijk geheel op.
                                40   Deze commissie heeft een belangrijke adviserende rol gespeeld bij de Bsik- en Fes-impulsen en kent deze initiatieven dus
                                     van binnenuit.
                                41   Commissie van Wijzen ICES/KIS, Notitie over het programmeren en prioriteren van innovatief onderzoek en procedures
                                     voor indiening, beoordeling, selectie, financiering en monitoring van activiteiten op het gebied van onderzoek en
                                     innovatie vanuit het FES (Den Haag, 2007).
                            38  Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>                              Een voorbeeld van omsamenhangende opbouw van zwaartepunten
                              Een voorbeeld van de onsamenhangende wijze waarop de overheid in de afgelopen
                              jaren heeft geïnvesteerd is het sleutelgebied High Tech Systemen & Materialen. Voor
                              dit gebied zijn diverse initiatieven na (en naast) elkaar in het leven geroepen op het
                              gebied van nano-elektronica en embedded systemen, zoals de Bsik-programma’s
                              NanoNed, Smart Surroundings en het Embedded Systems Institute, het Holst
                              Centrum (Fes-impuls 2005) en het innovatieprogramma Point-One. De synergie tus-
                              sen de verschillende initiatieven is echter niet optimaal. Het gaat om organisaties en
                              initiatieven die elk nog steeds hun eigen, net iets uiteenlopende, doelen hebben.
                              Met de introductie van de programmatische aanpak voor innovatie in 2005 (geba-
                              seerd op de sleutelgebiedenaanpak van het Innovatieplatform) heeft het ministerie
                              van EZ een aanzet gegeven tot een meer samenhangende wijze van investeren in
                              sleutelgebieden danwel economische zwaartepunten. De innovatieprogramma’s in
                              het kader van de programmatische aanpak hebben nadrukkelijk de bedoeling om
                              meer samenhang en regie in het (sleutel-)gebied te introduceren. Het is nog te
                              vroeg om te beoordelen of deze innovatieprogramma’s hierin zullen slagen. De rela-
                              tie tussen de zes sleutelgebieden,42 de drie maatschappelijke themagebieden van
                              het beleidsprogramma 2007-2011,43 en de 13 wetenschappelijke themagebieden
                              van NWO44 is echter allesbehalve duidelijk.
                              Het opbouwen van zwaartepunten is een zaak van de lange adem. Een bekend
                              voorbeeld van een succesvol zwaartepunt dat dankzij consequente jarenlange
                              ondersteuning tot bloei is gekomen, is het Vlaamse IMEC (sinds 1984).45 Het kost
                              tijd om excellent onderzoek te bundelen in wetenschappelijke zwaartepunten die
                              een internationale aantrekkingskracht hebben. Evenzo kost het tijd om kansrijke
                              combinaties van kennis en bedrijvigheid tot ontplooiing te laten komen in sleutel-
Zwaartepuntvorming vereist    gebieden. Niet alleen het opbouwen van netwerken en geavanceerde onderzoeks-
  stabiliteit en continuïteit faciliteiten kost tijd, dit geldt ook voor het produceren van kennis en het vertalen
                              van kennis in innovatieve producten en diensten.
                              42   De huidige sleutelgebieden zijn: Flowers & Food, High Tech Systemen & Materialen, Water, Creatieve Industrie, Chemie
                                   en Pensioenen & Sociale Verzekeringen.
                              43   In het kader van het project ‘Nederland Ondernemend Innovatieland’ (NOI) worden in het Beleidsprogramma 2007-2011
                                   drie technologiegebieden genoemd waarop maatschappelijke innovatieprogramma's worden gestart, namelijk Energie,
                                   Zorg en Water. Deze drie programma's worden gevolgd door een beperkt aantal andere programma's, zoals voor veilig-
                                   heids- en agro-innovatie.
                              44   In haar strategienota 2007-2010 kiest NWO voor 13 onderwerpen als drager van een thematisch programma: Conflict
                                   en veiligheid; Creatieve industrie; Culturele dynamiek; Duurzame aarde; Dynamica van complexe systemen; Gebruik van
                                   nanowetenschap en –technologie; Hersenen en cognitie; Kennisbasis voor ICT-toepassingen; Kwaliteit van leven –
                                   Dynamiek van levenslopen; Maatschappelijk verantwoord innoveren; Nieuwe instrumenten voor de gezondheidszorg;
                                   Nieuwe methoden voor productie, opslag, transport en gebruik van energie; en Systeembiologie.
                              45   IMEC (Interuniversitair Micro-Elektronica Centrum) is het grootste onafhankelijke Europese onderzoekscentrum op het
                                   gebied van micro-elektronica, nanotechnologie, ontwerpmethodes en technologieën voor ICT-systemen. IMEC startte in
                                   1984, als onderdeel van een omvangrijk programma in micro-elektronica van de eerste Vlaamse Regering.
                          39  Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                             De tijd en continuïteit die nodig zijn om levensvatbare en internationaal aanspre-
                             kende zwaartepunten op te bouwen, verhouden zich slecht met de hierboven
                             geconstateerde turbulentie en het gebrek aan samenhang. Ook is de gemiddelde
                             looptijd van de programmatische instrumenten (van 4 tot 8 jaar) in verhouding kort.
                             De AWT concludeert dat de grote beleidsturbulentie en het gebrek aan lange-
                             termijnperspectief leiden tot een gebrek aan samenhang zowel tussen als binnen
                             zwaartepunten.
                             4.4           Sterke voorkeur voor publiek-private samenwerking
                             Een derde constatering van de AWT op basis van het overzicht van de beleidsinstru-
                             menten (in Bijlage 1), is dat de Nederlandse overheid een sterke voorkeur heeft
                             voor het gebruik van publiek-private samenwerking (PPS) om zwaartepuntvorming
PPS is een veel gestelde eis te bevorderen.46 Om in aanmerking te komen voor subsidies vanuit de meeste pro-
                             grammatische instrumenten, dienen publieke onderzoeksinstellingen samen te wer-
                             ken met private partijen. Ook uit de internationaal vergelijkende studie (in Bijlage 2)
                             blijkt dat Nederland aanzienlijk vaker dan in omringende landen PPS-constructies als
                             voorwaarde stelt voor ondersteuning.
                             De AWT concludeert dat de Nederlandse overheid een sterke voorkeur heeft voor
                             PPS-arrangementen in de vormgeving van haar programmatische instrumenten.
                             In de laatste jaren zet de overheid steeds vaker PPS-constructies in om grote publie-
                             ke investeringsprojecten te realiseren. De AWT constateert dat deze toename ook te
                             zien is in het onderzoeks- en innovatiebeleid. In het algmeen zet de overheid PPS
                             vaak in om betere kwaliteit te realiseren of om (publieke) kosten te besparen. Ook
                             in onderzoeks- en innovatiebeleid zet de overheid PPS om deze redenen in. Door
                             cofinanciering van private partijen te stimuleren wordt een hefboomwerking gecre-
    PPS kan goed werken…     ërd voor publieke financiering. Via een bundeling van publieke en private krachten
                             kunnen schaalvoordelen ontstaan en kan de kwaliteit van het onderzoek toenemen.
                             Specifiek voor het domein van onderzoek en innovatie zet de overheid PPS ook in
                             om de wisselwerking tussen publieke en private partijen expliciet te bevorderen.
                             Door de samenwerking tussen vraag- en aanbodpartijen te stimuleren zullen de
                             relevantie van het onderzoek en de kans op valorisatie van onderzoeksresultaten
                             toenemen. Vraagsturing van onderzoek en netwerkvorming zijn dan ook belangrijke
                             46   Een algemene definitie van PPS is ‘een samenwerkingsverband waarbij overheid en bedrijfsleven, met behoud van eigen
                                  identiteit en verantwoordelijkheid, gezamenlijk een project realiseren op basis van een heldere taak- en risicoverdeling.’
                                  (Kenniscentrum PPS, Ministerie van Financiën, http://www.minfin.nl/nl/onderwerpen,publiek-private-samenwerking).
                         40  Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   subdoelstellingen van het beleid.47 Daarnaast kan het PPS-mechanisme helpen bij
   het (versneld) introduceren van de facto standaarden, hetgeen onze bedrijven een
   belangrijk concurrentievoordeel kan opleveren.
   Er zijn verschillende vormen van PPS: bij een IOP is de mate van betrokkenheid van
   bedrijven minder intensief dan bij een Technologisch Topinstituut, zowel in termen
   van co-financiering als in betrokkenheid bij de aansturing van het onderzoek.48
   Op dit moment is nog niet duidelijk in hoeverre de verschillende vormen van PPS
   goed werken. De AWT acht het nog te vroeg om een afgewogen oordeel te geven
   over de bedoelde en onbedoelde positieve en negatieve effecten. Op voorhand is
   echter wel duidelijk dat er alternatieven voor PPS zijn, en dat er bij PPS ook een
   aantal kanttekeningen te plaatsen is.
   Publieke versus publiek-private route van zwaartepuntvorming
   Ideaaltypisch zijn er twee manieren waarop de overheid zwaartepuntvorming kan
   stimuleren: de route waarbij de overheid met name de publieke sector stimuleert,
   en de route waarbij de overheid vooral combinaties van publiek en privaat stimuleert.
   Het Zwitserse beleid is een voorbeeld van de publieke route. Het is vooral gericht op
   het versterken van excellent wetenschappelijk onderzoek, oftewel zwaartepuntvorming
   in de publieke kennisinfrastructuur. Bedrijven komen niet in aanmerking voor directe
   R&D-steun. Het idee is dat zwaartepunten in excellent wetenschappelijk onderzoek
   nieuwe innovatieve bedrijvigheid genereren (via spin-offs) en bestaande R&D-intensieve
   bedrijven aantrekken. De vorming van economische en/of maatschappelijke (sleutel-
   )gebieden wordt alleen op indirecte wijze gestimuleerd, via de route van wetenschap-
   pelijke zwaartepunten die private bedrijvigheid genereren en aantrekken. De Zwitserse
   benadering past goed bij de historisch gegroeide rolverdeling in de kennisinfrastruc-
   tuur. Anders dan in Nederland bestaat er een expliciete differentiatie tussen de univer-
   siteiten die zich leent voor een benadering met weinig actief innovatiebeleid. Zo heeft
   47   Een leidende gedachte achter het gebruik van PPS is dat er sprake is van een kennisparadox, waarin Nederlandse bedrij-
        ven er onvoldoende in slagen om de goede publieke kennisbasis te gebruiken als bron voor innovatie. Het bestaan van
        deze paradox is echter niet onomstreden. (Zie bijvoorbeeld Giovanni Dosi, Patrick Llerena and Mauro Sylos Labini, ‘The
        relationships between science, technologies and their industrial exploitation: An illustration through the myths and reali-
        ties of the so-called ‘European Paradox’’, Research Policy, Vol. 35, Issue 10, December 2006, pp. 1450-1464).
        Alternatieven voor het bevorderen van innovatie richten zich minder op het bevorderen van publiek-private wisselwer-
        king, en meer op het versterken van enerzijds de publieke kennisinfrastructuur (d.w.z. grensverleggend basisonderzoek)
        en anderzijds de private sector (d.w.z. industriële R&D en innovatie).
   48   Bij een TTI is de publiek-private samenwerking geïnstitutionaliseerd in de vorm van een rechtspersoon en heeft daarmee
        aansturingsbevoegdheid over onderzoekers en apparatuur van publiek gefinancierde kennisinstellingen. Bij een IOP-
        samenwerkingsverband is er geen sprake van een rechtspersoonlijkheid bezittend verband van publiek gefinancierde
        kennisinstellingen en ondernemers. Een wezenskenmerk van het IOP is dat bij het moment van de keuze van een onder-
        zoeksterrein er nog géén of incidentele samenwerking tussen publiek gefinancierde kennisinstellingen en bedrijven
        bestaat; er is dan nog geen publiek-privaat netwerk. Het IOP is een instrument voor het versnellen van de ontwikkeling
        van deze netwerken in het programmatisch onderzoek. Bij TTI’s wordt voortgebouwd op reeds bestaande netwerken.
        (Subsidieregeling IOP-TTI-module van de experimentele Kaderregeling subsidies innovatieprojecten, Staatscourant,
        14 november 2005, nr. 221, p. 11).
41 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                              Zwitserland twee topuniversiteiten op internationaal niveau (ETH Zurich en EPF
                              Lausanne), en daarnaast verschillende ‘gewone’ universiteiten op nationaal niveau en
                              meerdere HBO-achtige instellingen op regionaal niveau. In de taakverdeling richten de
                              topuniversiteiten zich op internationaal excellent onderzoek, en de andere instellingen
                              meer op toegepast onderzoek en kennistransfer. Competitieve financiering met weten-
                              schappelijke kwaliteit als selectiecriterium versterkt deze
                              zwaartepuntvorming van onderop bij de topuniversiteiten. De onderzoeksgroepen
                              houden relatief grote vrijheid in het definiëren van hun onderzoeksagenda’s.49 In
                              Zwitserland blijkt deze aanpak goed te werken.
                              Andere landen, waaronder Finland, Vlaanderen en Nederland, voeren een actiever
                              hands on innovatiebeleid gericht op het versterken van (bestaande) sterke en kansrijke
                              combinaties van bedrijvigheid en kennis. De overheid ondersteunt zwaartepuntvorming
                              in gebieden die van strategisch belang zijn voor de maatschappij of nationale economie.
                              Bedrijven zijn nadrukkelijk een doelgroep van het beleid en worden gestimuleerd meer
                              R&D te doen en meer samen te werken met andere bedrijven en kennisinstellingen. Het
                              stimuleren van publiek-private samenwerking (PPS) past goed in deze benadering.
                              PPS vooral geschikt voor bestaande sterktes
                              Een eerste kanttekening die de AWT wil plaatsen bij het gebruik van PPS, is dat een
                              belangrijke voorwaarde voor PPS is dat vragende partijen voldoende in staat en
…als er sterke partijen zijn… bereid zijn mee te denken, mee te organiseren en mee te financieren. De publieke
                              en private partners moeten een gedeelde visie hebben die wordt onderbouwd door
                              een stevig lange termijn commitment om de gemeenschappelijke doelen te halen.
                              De AWT acht het type instrument dus vooral bruikbaar in situaties met partijen die
                              in hoge mate kennisintensief zijn (voldoende absorptiecapaciteit hebben) en vol-
                              doende financiële mogelijkheden hebben om te investeren. Bovendien zijn PPS-
                              arrangementen complexe constructies die een zwaar beroep doen op het admi-
                              nistratieve en organisatorische vermogen van de betrokken organisaties.
                              Het gebruik van dit instrument impliceert dus dat met name gebieden (kunnen)
                              worden ondersteund, waarin bedrijven en organisaties actief zijn met voldoende
                              competenties, organiserend vermogen en financiële middelen. Voorstellen in domei-
                              nen met kennisintensieve of kapitaalkrachtige bedrijven hebben een grotere kans
                              van slagen dan voorstellen uit domeinen waarin dit soort (vaak grotere) bedrijven er
                              49  ETH Zurich en EPF Lausanne vormen samen met vier onderzoeksinstituten het zogenaamde ETH-domein, met een eigen
                                  ETH-Raad die verantwoordelijk is voor onderzoeks- en innovatiebeleid in dat domein. Wetenschappelijke excellentie is
                                  het uitgangspunt, ook op het vlak van dienstverlening aan overheden en bedrijven. Kernelementen in het ETH-innovatie-
                                  beleid zijn het verwerven van patenten en licenties en het opzetten van nieuwe bedrijven om de resultaten van het eigen
                                  onderzoekswerk te valoriseren. Het idee is dat hierdoor veelbelovende, toekomstgerichte onderzoeksgebieden tot bloei
                                  komen en nieuwe hoogwaardige banen worden gecreëerd voor onderzoekers en gerelateerde beroepen en diensten.
                                  Voor meer informatie, zie de website van de ETH-Raad (http://www.eth-rat.ch).
                           42 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                                 (nog) niet zijn of zich in het buitenland bevinden. PPS werkt in de praktijk dus in
                                 het nadeel van (opkomende) gebieden waarin nog geen ‘gevestigde orde’ van
                                 bedrijven is, met voldoende organiserend vermogen. Daarmee is het instrument
                                 minder geschikt om radicale of ontwrichtende innovaties te stimuleren, juist omdat
…die incrementeel innoveren…     die vaak geïnitieerd worden door buitenstaanders, nieuwkomers en uitdagers.50 PPS
                                 lijkt vooral geschikt voor incrementele innovaties, dat wil zeggen innovaties binnen
                                 bestaande technologische regimes en paradigma’s. De AWT waarschuwt dus dat
                                 door het veelvuldig gebruik van PPS het grensverleggend onderzoek in het gedrang
                                 kan komen.
                                 PPS vooral geschikt voor disciplines waar schaalvoordelen bestaan
                                 Een belangrijke doelstelling van PPS is, dat het leidt tot schaalvoordelen en een
                                 betere kwaliteit van onderzoek. De AWT wil hierbij de kanttekening plaatsen dat
                                 schaalvoordelen echter niet in alle gebieden even sterk aanwezig zijn. Ze werken
                                 met name in gebieden waar dure onderzoeksfaciliteiten nodig zijn en waar gewerkt
                                 wordt binnen gedeelde paradigma’s. Het gaat dan vooral om de (bio)medische,
                                 natuurwetenschappelijke en technische vakgebieden. Uit het overzicht blijkt dat de
                                 meeste gehonoreerde projectvoorstellen inderdaad uit die hoek komen. In de Smart
                                 Mix zijn bijvoorbeeld alle projectvoorstellen uit de alfa- en gamma-wetenschappen
                                 in een vroegtijdig stadium reeds afgevallen. De AWT waarschuwt dat de voorkeur
                                 van het gebruik van PPS in de praktijk lijkt te leiden tot een (onbedoelde) bias rich-
…en leunen op disciplines met    ting (bio)medisch, natuurwetenschappelijk en technisch onderzoek. De facto heeft
               schaalvoordelen   de manier waarop de incidentele middelen worden ingezet (in grote brokken), dus
                                 wel effecten op de inhoud van het onderzoek in het publieke onderzoeksbestel.
                                 In het algemeen geldt dat zwaartepunten niet per se groot hoeven te zijn. De
 Maar groot is niet altijd beter omvang dient te zijn afgestemd op de aanwezigheid van schaalvoordelen, en de
                                 noodzaak van grote investeringen. Bovendien dient er rekening te worden gehou-
                                 den met de absorptie- en onderzoekscapaciteit van het veld.
                                 PPS als een van de opties
                                 Een derde kanttekening die de AWT wil plaatsen is dat er een breed scala aan
                                 instrumenten beschikbaar is voor het stimuleren van zwaartepuntvorming (en valori-
                                 satie) naast het subsidiëren van samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven
 Er zijn alternatieven voor PPS  via PPS. Voorbeelden van alternatieven zijn het samenvoegen van Technologische
                                 Instituten met universiteiten, het bijstellen van de missie van universiteiten, het ver-
                                 anderen van financieringscriteria, het stimuleren van ondernemerschap binnen ken-
                                 nisinstellingen, het creëren van spin-offs, etc. Elk land probeert een balans te vinden
                                 in de mix van instrumenten. Het feit dat in Nederland PPS in onderzoek en innova-
                                 50   Gevestigde bedrijven zijn vaak geneigd om ‘ontwrichtende innovaties’ te negeren, omdat de performance in het begin
                                      veel minder is dan bestaande technologieën of producten en omdat de markt veel kleiner is. Zelfs als een ‘disruptieve’
                                      innovatie wordt erkend, zullen bestaande bedrijven vaak terughoudend zijn omdat ze dan zouden concurreren met hun
                                      bestaande (en winstgevender) technologische aanpak. (Clayton M. Christensen, The Innovator’s Dilemma: When new
                                      technologies cause great firms to fail, Harvard Business School Press, Boston MA, 1997).
                             43  Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>   tie relatief sterk ontwikkeld is, heeft wellicht te maken met onze overlegcultuur
   gericht op consensus. Ook het feit dat het gebrek aan wisselwerking tussen
   (publieke) producenten en (private) gebruikers van kennis in het onderzoeks- en
   innovatiebeleid als een van de belangrijkste knelpunten in het Nederlandse
   onderzoeks- en innovatiesysteem wordt gezien, draagt bij aan de populariteit van
   PPS in beleidskringen. Private bijdragen (in kind of in cash) worden gezien als
   garantie van betrokkenheid van het bedrijfsleven bij het onderzoek en, uiteraard,
   als een manier om de onderzoeks-budgetten te vergroten. Het gebruik van PPS is
   overigens niet rechtstreeks te koppelen aan goede prestaties in onderzoek en
   innovatie, omdat sommige van de best presterende landen op dit gebied (zoals
   Zwitserland) nauwelijks gebruik maken van dit instrument. Ook bij de Strategische
   Onderzoekscentra in Vlaanderen (IMEC, VITO, VIB, IBBT) wordt PPS niet als
   voorwaarde voor ondersteuning gesteld.51
   51  De hoofdcriteria voor ondersteuning bij de Strategische Onderzoekscentra zijn (aantoonbare) wetenschappelijke excellen-
       tie en groot valorisatiepotentieel. Expliciet wordt gesteld dat prioriteit gegeven moet worden aan ‘disruptief’ basisonder-
       zoek (nieuwe technologieplatformen). Eenmaal geselecteerd, worden er echter wel duidelijke prestatieafspraken
       gemaakt met de centra op het vlak van wetenschappelijke productie en economische en maatschappelijke valorisatie van
       resultaten. (Vlaamse Regering, De Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse
       Handel, Nota aan de Vlaamse Regering, ‘Een beleidskader voor steun aan grote kenniscentra ten behoeve van innovatie’
       (Brussel, 2005), http://www.iwt.be/downloads/algemeen/opdrachten_vr/innovatiesteun_vr/notavr_beleidskader_kenni-
       scentra.doc).
44 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>                              5                Aanbevelingen
                                  Uit de vorige hoofdstukken bleek dat er in de afgelopen jaren veel is geïnvesteerd
                                  in onderzoek en innovatie via programmatische instrumenten om zwaartepuntvor-
                                  ming (focus en massa) te stimuleren. De AWT is een verklaard voorstander van
                                  zwaartepuntvorming in het Nederlandse onderzoeks- en innovatielandschap,52 maar
                                  concludeert tegelijkertijd dat de wijze waarop de overheid in de afgelopen jaren
                                  heeft geïnvesteerd in zwaartepunten een aantal significante tekortkomingen heeft.
                                  In de eerste plaats ontbreekt een duidelijke overkoepelende langetermijnstrategie
                                  en bijbehorende investeringsagenda. In de tweede plaats is er sprake van een over-
                                  matige turbulentie in het beleidsinstrumentarium. Tenslotte constateerde de AWT
                                  een overmatige inzet van publiek-private samenwerkingsconstructies.
                                  Naar aanleiding van de conclusies van de Raad over de wijze waarop de overheid
                                  heeft geïnvesteerd in zwaartepuntvorming doet de AWT de volgende aanbevelingen:
                                  Aanbeveling 1. Een nationale strategie
                                  Maak een nationale onderzoeks- in innovatiestrategie, waarin het Nederlandse de
                                  zwaartepunten krachtig worden gepositioneerd in het nationale èn in het interna-
                                  tionale onderzoeks- en innovatielandschap. De Raad pleit nadrukkelijk niet voor
                                  simpelweg meer top-down aansturing vanuit het centrale niveau, maar voor het
                                  vinden van productieve combinaties van top-down en bottom-up coördinatie. Het
                                  gaat om multi-level en multi-actor strategieontwikkeling. Nieuwe investeringen in
                                  zwaartepuntvorming dienen te wachten totdat er een duidelijke langetermijnstrate-
                                  gie voorhanden is.
                                  De AWT adviseert de regering een heldere nationale onderzoeks- en innovatiestrate-
u eerst een strategie, voordat er gie te ontwikkelen die een richtinggevend kader biedt voor de verschillende publie-
      verder wordt geïnvesteerd   ke en private partijen die betrokken zijn bij het ontwikkelen van de verschillende
                                  zwaartepunten.53 Cruciale elementen in deze strategie zijn:
                                  •         Een scherpe keuze, gebaseerd op heldere criteria, over de combinatie van
                                            wetenschappelijke pieken, economische sleutelgebieden en maatschappelijk
                                            georiënteerde programma’s waarop Nederland op de langere termijn gaat
                                  52  De AWT pleitte eerder al voor de ontwikkeling en instandhouding van een ‘hoogvlakte met pieken’ in de kennisinfra-
                                      structuur en het stimuleren van sleutelgebieden. Zie bijvoorbeeld AWT-advies 71 (AWT, Balanceren met beleid:
                                      Wetenschaps- en Innovatiebeleid op hoofdlijnen (Den Haag, 2007).
                                  53  Ook in een eerder advies (AWT, Tijd voor een op KIQer! Méér investeren in onderwijs en onderzoek (Den Haag, 2005))
                                      deed de Raad de aanbeveling om in dialoog met belanghebbenden een omvattende nationale langetermijnstrategie te
                                      ontwikkelen voor de ontwikkeling van de kennissamenleving. Deze strategie dient ‘aandacht te hebben voor het hele
                                      bereik van onderwijs, vaardighedenontwikkeling, onderzoek en innovatie; een tijdshorizon te hebben van ten minste tien
                                      jaar; voorzien te zijn van een marsroute en tijdpad, concrete speerpunten, doelstellingen en meetbare targets, instrumen-
                                      ten en indicatoren; en uit te monden in een realistisch maar solide investeringsplan met een structureel karakter.’ (p. 45).
                              45  Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                                       inzetten. Bouw daarbij voort op wat er reeds is opgebouwd en zorg ervoor
                                       dat het aantal zwaartepunten beperkt blijft;
                             •         Een helder verhaal over de samenhang tussen de verschillende wetenschap-
                                       pelijke pieken, economische sleutel-gebieden en maatschappelijk georiën-
                                       teerde programma’s. Profiteer optimaal van mogelijke dwarsverbanden en
                                       synergie;
                             •         Een duidelijke keuze over de balans tussen enerzijds het stimuleren van een
                                       aantal specifieke zwaartepunten en anderzijds het instandhouden van brede
                                       kennisbasis. Neem daarbij de vitaliteit van het gehele stelsel als uitgangspunt
                                       en laat het stimuleren van de ‘pieken’ niet ten koste gaan van de ‘hoog-
                                       vlakte’.54 Dat betekent ook dat financieringstromen voor de verschillende
                                       doelen niet met elkaar verknoopt moeten worden;
                             •         Een krachtige positionering van de nationale zwaartepunten in een interna-
                                       tionale en Europese omgeving. Gebruik het internationale niveau (bijvoor-
                                       beeld het 7e Kaderprogramma van de Europese Commissie) om meerwaarde
                                       te creëren op het nationale niveau in termen van scherpere focus en grotere
                                       massa.
                             De AWT adviseert de regering om te wachten met nieuwe investeringen in zwaarte-
Geen nieuwe sleutelgebieden… punten totdat er een nationale onderzoeks- en innovatiestrategie is. Hiermee wordt
                             voorkomen dat er weer op een ad hoc manier wordt geïnvesteerd, zonder dat dui-
                             delijk is of met de investering het nationale belang op de langere termijn het meest
                             gediend is.55
                             De overheid is eindverantwoordelijk voor de nationale strategie en de afwegingen
                             en keuzes daarin, maar de strategie dient te worden ontwikkeld in dialoog tussen
                             overheid, wetenschap, bedrijfsleven, publieke organisaties en burgers. Een nationale
                             strategie kan alleen werken als er een draagvlak voor is en als zij wordt ingebed en
                             vertaald in de strategieën en plannen van andere partijen. De overheid dient de
                             veldpartijen daar ook actief op aan te spreken. De overheid heeft zo een coördine-
                             rende rol om, met gepaste flexibiliteit, de benodigde consistentie te bewaken.
                             54  Vanuit haar stelselverantwoordelijkheid dient de overheid er voor te zorgen dat het streven naar ‘pieken’ niet ten koste
                                 gaat van de ‘hoogvlakte’. In dat verband adviseerde de AWT al eerder om de financiële stromen voor beide doelen niet
                                 met elkaar te verknopen: lump sum financiering is bedoeld voor het creëren en in stand houden van een stevige en
                                 brede basis. Incidentele investeringsimpulsen zijn bedoeld voor het creëren van een aantal specifieke zwaartepunten op
                                 strategische gebieden. Zie AWT, Een vermogen betalen: De financiering van universitair onderzoek (Den Haag, 2005).
                             55  Sepcifiek naar aanleiding van de gang van zaken bij de Fes-impulsen bracht de AWT een briefadvies uit waarin de Raad
                                 ervoor pleitte om de zaken zo te regelen, dat beschikbaar geld nooit meer op zoek gaat naar programma’s. Als er op
                                 een gegeven moment onvoldoende goede programma’s beschikbaar zijn, blijft het geld in het Fes, geoormerkt voor ken-
                                 nis en innovatie en beschikbaar voor impulsen op de benoemde thema’s binnen de strategie. De AWT adviseerde om een
                                 fonds te vormen voor kennis en innovatie dat werkt als een kapitaalfonds. Het beoogde fonds dient een onafhankelijk
                                 bestuur te krijgen om te garanderen dat alleen initiatieven die voldoen aan kwalitatieve en strategische criteria worden
                                 beloond. (AWT, Beter omgaan met Fes-middelen voor kennis en innovatie (Den Haag, 2006).
                          46 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                De AWT is positief over het voornemen van het kabinet om in samenwerking met
                                het Innovatieplatform een langetermijnstrategie te ontwikkelen in het kader van het
wel een dialoog, gericht op een project Nederland Ondernemend Innovatieland (NOI).56 Gezien het belang van een
          integraal perspectief dergelijke overkoepelende strategie waarin de verschillende beleidsterreinen op het
                                gebied van wetenschap, onderzoek, innovatie, ondernemerschap, industrie en maat-
                                schappelijke vraagstukken in een samenhangend kader worden geplaatst, moet dit
                                grondig en voortvarend worden aangepakt. Het ministerie van EZ en het ministerie
                                van OCW hebben hierin een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Gebruik het Project
                                NOI om de verschillende visies op sturing van het wetenschaps- en innovatiesysteem
                                (hands on versus hands off) en organisatorische scheidslijnen tussen de ministeries
                                van EZ en OCW te overbruggen. Juist in een tijd waarin OCW vooral inzet op bot-
                                tom-up vorming van wetenschappelijke zwaartepunten via persoonsgebonden finan-
                                ciering, EZ voortgaat met de vorming van economische zwaartepunten via de sleutel-
                                gebiedenaanpak en het Innovatieplatform zich stort op maatschappelijke vraagstuk-
                                ken, is er volgens de AWT dringend behoefte aan een integraal perspectief waarin
                                deze zwaartepunten in onderlinge samenhang kunnen worden gestimuleerd.57
                                Aanbeveling 2. Rust
                                Zorg voor meer beleidsrust, vooral ook in de uitvoering van beleid. Doe dit door
                                voorlopig geen nieuwe instrumenten te introduceren, door beleidsinstrumenten en
                                zwaartepunten voldoende tijd te geven om zich te bewijzen, beleidsinstrumenten in
                                onderlinge samenhang te ontwerpen, te zorgen voor meer uniformiteit in procedures,
                                en door de stroomlijning interdepartementaal aan te pakken.
                                De AWT adviseert de regering om te zorgen voor meer beleidsrust in haar streven
        Voorlopig geen nieuwe   naar meer ‘focus en massa’ in onderzoek en innovatie. Deze aanbeveling bevat een
               instrumenten…    aantal elementen:
                                •         Introduceer voorlopig geen nieuwe programmatische instrumenten voor het
                                          stimuleren van zwaartepunten.
                                •         Houd bij het managen van het beleidsinstrumentarium rekening met het feit
                                          dat een tijdshorizon van gemiddeld minstens 8 à 10 jaar noodzakelijk is om
                                          structurele effecten te bereiken op de output, het gedrag en de strategie van
                                          (samenwerkende) partijen. Geef zwaartepunten dus voldoende tijd om te
                                          groeien en houd het instrumentarium tussentijds zoveel mogelijk stabiel.
                                56  In het kader van Pijler 2 in het Beleidsprogramma 2007-2011 schrijft het kabinet dat er ‘een langetermijnstrategie [komt]
                                    voor innovatie en ondernemerschap door samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven, wetenschap en onderwijs. Het
                                    innovatieplatform nieuwe stijl ondersteunt deze strategie.’
                                57  Het pleidooi van de AWT voor een interdepartementale aanpak wordt nog verder versterkt door het feit dat, in afwach-
                                    ting van de wijziging van de Fes-wet in 2009, een overgangsregeling van kracht zal zijn waarbij een aantal ministeries de
                                    beschikking krijgt over hun eigen Fes-enveloppen. Dit impliceert dat interdepartementale coördinatie niet meer nodig is
                                    bij het toewijzen van Fes-gelden. Deze verkokering gaat in tegen de noodzaak om tot betere interdepartementale
                                    afstemming te komen. (Tweede Kamer 31200 D, nr. 3, Vaststelling van de begrotingsstaat van het Fonds economische
                                    structuurversterking voor het jaar 2008 ; Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden, en "Kabinet ruilt FES-
                                    wet voor verkokering", Onderzoek Nederland, nr. 196, p. 2).
                             47 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                              •       Houd bij het ontwerpen van eventueel nieuwe instrumenten rekening met
                                      de inpassing in het totale pakket van instrumenten dat door de verschillende
                                      departementen wordt ingezet om wetenschappelijke, economische en maat-
                                      schappelijke zwaartepunt te stimuleren. Houd het totaal aan instrumenten
                                      overzichtelijk.
                              •       Zorg voor meer uniformiteit in procedures voor selectie, monitoring van
                                      voortgang en evaluatie bij de verschillende instrumenten gericht op zwaarte-
 ...eerst de gereedschapskist         puntvorming. Daarbij dienen de selectie- en evaluatieprocedures voor onder-
                    opruimen          zoeksvoorstellen uiteraard helder en zorgvuldig te zijn. Maak waar mogelijk
                                      ook gebruik van past performance in de selectieprocedures. De transactie-
                                      kosten zullen door deze stroomlijning dalen.
                              •       Organiseer een sterke interdepartementale coördinatie om de stroomlijning
                                      en uniformering van het instrumentarium mogelijk te maken, daarbij aanslui-
                                      tend op de interdepartementele strategievorming (zie Aanbeveling 1).
                              Aanbeveling 3. Reinheid
                              Zorg voor een zorgvuldige, open en transparante aanpak bij de ontwikkeling van
                              strategieën en strategische onderzoeksagenda’s voor de verschillende zwaartepun-
                              ten. Neem voldoende tijd, mobiliseer brede betrokkenheid en zorg voor een goede
                              inbedding van de investeringsimpulsen in de lopende strategische plannen van de
                              kennisinstellingen. Bouw binnen de departementen meer inhoudelijke domeinkennis
                              en strategische beoordelingscapaciteit op om hierbij een goede rol te kunnen spe-
                              len. Leer op systematische wijze van ervaringen met strategieontwikkeling, en leg
                              per type zwaartepunt andere accenten op de rol van de overheid.
                              De AWT adviseert de regering om ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van strate-
                              gieën en strategische onderzoeks-agenda’s voor de verschillende zwaartepunten op
Organiseer een open proces…   een meer zorgvuldige, open en transparante manier gebeurt. Voorkom dat een klei-
                              ne groep partijen vroegtijdig het initiatief teveel naar eigen hand zet en daarmee
                              ongewenste padafhankelijkheden en lock-ins creëert.
                              •       Neem voldoende tijd om goede strategieën uit te werken voordat grote
                                      investeringsimpulsen worden gegeven.
                              •       Mobiliseer brede interne en externe inhoudelijke expertise over het desbetref-
                                      fende themagebied. De AWT stelt voor om per zwaartepunt breed samenge-
                                      stelde panels op te richten, waarin ook burgers en toekomstige gebruikers
                                      een stem krijgen. Zet daarbij bij voorkeur ook buitenlandse deskundigen in.
                              •       Maak investeringsimpulsen afhankelijk van de ontwikkeling van goede stra-
                                      tegieën en agenda’s en zorg dat deze inhoudelijk goed zijn ingebed in de
                                      lopende strategische plannen van de kennisinstellingen. Stel hoge eisen aan
                                      de kwaliteit van voorstellen.
                          48  Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>                               De AWT adviseert de regering om binnen de departementen meer inhoudelijke
                               domeinkennis op te bouwen.58 Deze aanbeveling komt voort uit het besef dat stra-
                               tegieontwikkeling een multi-level multi-actor proces is, waarbij de centrale overheid
                               slechts een van de spelers is, naast kennisinstellingen, bedrijven, maatschappelijke
maar wees zelf ook goed op de  organisaties, intermediaire organisatie en andere overheden. De centrale overheid
                     hoogte…   heeft een belangrijke rol om het interactieve proces van strategieontwikkeling in
                               goede banen te leiden en het algemene belang in het oog te houden. Hiervoor
                               heeft de overheid niet alleen procesmatige kennis nodig, maar ook inhoudelijke
                               domeinkennis – meer dan op dit moment aanwezig is.
                               •         Wees als overheid een goede gesprekspartner voor de verschillende partijen in
                                         de strategische (sleutel-)gebieden. Bouw voldoende competenties op om als
                                         hoeder van het algemene belang de verschillende bijdragen en belangen van
                                         wetenschap, industrie en maatschappelijke partijen tegen elkaar af te wegen.
                               •         Leer op systematische wijze van ervaringen met strategieontwikkeling voor de
                                         verschillende zwaartepunten, en zorg dat de leerervaringen gedeeld worden
                                         binnen en tussen de departementen.58 Het interactief ontwikkelen van strate-
                                         gieën blijft een complex proces. Voorkom daarom dat iedere keer opnieuw
                                         het wiel moet worden uitgevonden en een ad hoc aanpak wordt gevolgd.
                               •         Leg per type zwaartepunt andere accenten op de rollen die de overheid moet
                                         spelen. Bij wetenschappelijke zwaartepunten kan de rol van de overheid rela-
                                         tief hands off zijn, omdat daar excellente wetenschap het leidende principe is.
                                         De overheid kan hier vertrouwen op instrumenten als bottom-up clustering,
                                         open competitie van talent (persoonsgebonden financiering), het financieren
                                         van een beperkt aantal onderzoeksfaciliteiten en stimuleren van de mobiliteit
…en onderscheidt de drie typen           van kenniswerkers. Bij maatschappelijke zwaartepunten is de overheid zelf
               zwaartepunten             een belangrijke stakeholder en vragende partij en dient zij dus een actievere
                                         inhoudelijke rol te spelen in de strategieontwikkeling. Bij economische zwaar-
                                         tepuntvormen zijn de groeikansen en absorptiecapaciteit van Nederlandse
                                         bedrijven belangrijke overwegingen. De overheid heeft een belangrijke rol in
                                         het waarborgen van het algemene belang op de langere termijn.
                               Aanbeveling 4. Beleid op maat
                               Maak alleen gebruik van publiek-private samenwerking (PPS) op zwaartepuntgebie-
                               den die zich daarvoor lenen. Dat betekent dat goed georganiseerde en kennisinten-
                               sieve private partijen aanwezig zijn, schaalvoordelen een belangrijke rol spelen en
                               het doel is om incrementele innovatie te bevorderen. Gebruik naast incidentele
                               investeringen via programmatische instrumenten ook niet-primair financiële instru-
                               menten om zwaartepuntvorming te stimuleren.
                               58  In het kader van het AWT-advies 63, deed de AWT eerder al een vergelijkbare aanbeveling in het kader van het kennis-
                                   beleid van de overheid: ‘De ontwikkeling van een personeelsbeleid dat past bij de kennisintensiteit van een departement.
                                   Dat behelst dat beleidsmedewerkers voldoende kennis van hun beleidsterrein in huis hebben en dat ze deze kennis kun-
                                   nen onderhouden. Reken medewerkers ook af op inhoudelijke prestatiecriteria en laat de balans niet doorslaan naar pro-
                                   cescompetenties.’ (AWT, Kennis voor beleid – beleid voor kennis (Den Haag, 2005)).
                            49 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>                       De AWT adviseert de regering om PPS alleen alleen te gebruiken in die situaties
                       waarin het geschikt is. Maak daarom eerst een goede diagnose van de situatie,
                       voordat PPS als middel wordt ingezet, en hou rekening met de mogelijke bijwerkin-
PPS wanneer het kan…   gen en neveneffecten. Criteria voor de inzet van PPS zijn:
                       •         Bedrijven en organisaties zijn voldoende in staat om kennisvragen te articule-
                                 ren en onderzoeksresultaten te absorberen, en zij hebben voldoende organi-
                                 serend vermogen en financiële armslag.
                       •         Schaalvoordelen spelen een belangrijke rol (eerder in biomedische, natuur-
                                 wetenschappelijke en technische onderzoeksgebieden dan in de alfa- en
                                 gammawetenschappen);
                       •         Het doel van de interventie is incrementele innnovatie, eerder dan radicale,
                                 ontwrichtende innovatie.
                       De AWT is voorstander van het gebruik van PPS als de situatie zich daarvoor leent,
                       ook omdat het goed past bij het Nederlandse cultuur van overleg en consensus.
                       Tegelijkertijd moet niet uit het oog worden verloren dat PPS slechts een van de
                       instrumenten is die gedoseerd moet worden ingezet.
                       In het algemeen pleit de AWT voor een het inzetten van een breed spectrum aan
    …maar vergeet de   instrumenten, waaronder ook niet-primair financiële instrumenten, om zwaarte-
    alternatieven niet puntvorming te realiseren.59 De Raad pleit voor het inzetten van:
                       •         Beleidsrijke dialoog. Gebruik overleg om partijen te bewegen bij te dragen
                                 aan meer focus en massa in onderzoek en innovatie. Een goed georganiseer-
                                 de interactieve strategieontwikkeling en adequate inhoudelijke domeinkennis
                                 bij de overheid bieden hiervoor aanknopingspunten (zie Aanbeveling 3);60
                       •         Inbouwen van de juiste prikkels in de omgeving. Maak investeringsimpulsen
                                 afhankelijk van een goede inbedding van voorstellen in goed uitgewerkte
                                 collectieve strategie (zie Aanbeveling 3);61
                       •         Geleidelijke clustering en herconfiguratie van bestaande partijen in de kennis-
                                 infrastructuur. De AWT vindt het initiatief van de drie technische universiteiten
                                 om hun krachten te bundelen in een 3TU-Federatie om samen hun positie te
                                 versterken een veelbelovend voorbeeld hiervan.
                       59  Bij de sleutelgebiedenaanpak van EZ is het bijvoorbeeld een grote uitdaging om lessen te trekken uit ervaringen met het
                           ontwikkelen van innovatieprogramma’s in het ene sleutelgebied die ook relevant zijn voor het andere sleutelgebied.
                       60  PPS wordt behalve voor zwaartepuntvorming ook voor valorisatie van onderzoeksresultaten ingezet. Valorisatie kan ook op
                           veel verschillende manieren worden bereikt. Voorbeelden van manieren om kennisvalorisatie en vraagsturing te bevorderen
                           zijn het stimuleren van de mobiliteit van mensen, de vorming van spin-offs binnen kennisinstellingen, het delen van onder-
                           zoeksfaciliteiten, het goed regelen van intellectueel eigendom van onderzoeksresultaten, het ruimte geven aan contract-
                           onderzoek en advisering, het samenwerken bij onderwijs en training, het gezamenlijk publiceren, het deelnemen aan confe-
                           renties en professionele netwerken en besturen en informele contacten en netwerken (Bongers, Den Hertog, Vandeberg en
                           Segers, Naar een meetlat voor wisselwerking. Verkenning van de mogelijkheden voor meting van kennis-uitwisseling tussen
                           publieke kennisinstellingen en bedrijven/maatschappelijke organisaties (AWT-achtergrondstudie, 2003).
                       61  Zie ook AWT, Wijsheid achteraf: De verantwoording van universitair onderzoek (Den Haag, 2003), waarin de Raad pleit voor
                           een ‘beleidsrijke dialoog met een committerend karakter’.
                       62  Het Canada Fund for Innovation (CFI) werkt bijvoorbeeld op deze manier: subsidies vanuit dit fonds aan universiteiten zijn
                           onder meer afhankelijk van de vraag of de ingediende voorstellen voldoende zijn ingebed in de strategie van universiteiten.
                   50  Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   •         Betere ondersteuning van consortia voor onderzoek en innovatie met expertise
             over onderzoeksmanagement, modellen voor afspraken over Intellectueel
             Eigendom, vormgeven van principles of responsible partnering, etc. Juist bij grote
            programma’s is professionalisering van het onderzoeks- en instituutsmanage-
            ment onmisbaar (zie Aanbeveling 3 over het systematisch leren van ervaringen).
   Aldus vastgesteld te Den Haag, november 2007.
   J.F. Sistermans, voorzitter
   mw.drs. B.J. van den Bergh MKM, secretaris
51 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>52 Weloverwogen impulsen</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>b1            Overzicht van de incidentele
              investeringen in onderzoek en
              innovatie
    In deze bijlage wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste incidentele
    investeringen die de overheid in de afgelopen periode heeft gedaan in onderzoek
    en innovatie. We beginnen met het oudste instrument, de Innovatiegerichte
    Onderzoeksprogramma’s (IOP). Vervolgens bespreken we de Technologische
    Topinstituten (TTI), de Bsik-impuls (2004), de Fes-impulsen van 2005 en 2006,
    de innovatieprogramma’s in de sleutelgebieden, de Smart Mix en tenslotte de
    thematische programma’s van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk
    Onderzoek (NWO). Overigens is het financiële instrumentarium van EZ in de laatste
    twee jaar grondig herzien en zijn IOP en TTI samengevoegd in één module, als
    onderdeel van het ‘programmatisch pakket’ waarmee het ministerie van
    Economische Zaken (EZ) de sleutelgebieden wil stimuleren.
    1.        Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma’s (IOP’s)
    Doel en achtergrond van het instrument
    Het IOP-instrument bestaat al sinds de nota Technologische Innovatie van 1979. Het
    werd door het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen geïntroduceerd en is in
    1983 als onderdeel van het technologiebeleid overgegaan naar het ministerie van
    Economische Zaken. Het IOP was onderdeel van een beleid dat gericht was op het
    stimuleren van de innovativiteit van het Nederlandse bedrijfsleven en het vergroten
    van kansen voor het benutten van technologische innovaties. De achtergrond van
    dit beleid was de constatering dat innovativiteit van de Nederlandse industrie in de
    jaren ’70 van de vorige eeuw te gering was geworden. Met het IOP werd gepro-
    beerd zaken als ondernemerschap en toegepast onderzoek een nieuwe impuls te
    geven, en om samenwerking tussen industrie en kennisinstellingen te versterken.
    Het centrale doel van het IOP is om via een programmatische aanpak het fundamen-
    teel-strategisch onderzoek bij de publieke kennisinfrastructuur te versterken in een
    richting die aansluit bij de innovatiebehoeften van het bedrijfsleven. Op deze wijze
    moet het instrument bijdragen aan een betere benutting van resultaten van fundamen-
    teel onderzoek door het (Nederlandse) bedrijfsleven.
    Het hoofddoel werd geoperationaliseerd in vijf subdoelen:
    •       kennisopbouw: stimuleren van basisonderzoek in gebieden die van
            strategisch belang zijn;
 53 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>   •       netwerkvorming: stimuleren van (inter-)nationale publiek-private netwerken;
   •       kennisoverdracht naar het bedrijfsleven en het onderwijs;
   •       zwaartepuntvorming en taakverdeling: creëren van kritische massa en coördi-
           natie in onderzoeksgebieden;
   •       verankering van IOP-resultaten.
   Centrale gedachte achter het IOP-instrument is het betrekken van bedrijven bij het
   wetenschappelijk basisonderzoek. Deze betrokkenheid bestaat met name uit mee-
   denken tijdens ideeëngeneratie en het deelnemen aan begeleidings-commissies van
   onderzoeksprojecten. Vertegenwoordigers van bedrijven krijgen de mogelijkheid kri-
   tisch mee te denken met de AiO’s, postdocs en hun begeleiders met de bedoeling
   dat daardoor beter gericht en relevanter onderzoek wordt gedaan, promovendi een
   betere aansluiting op het bedrijfslevenkrijgen, en nieuwe en intensievere publiek-
   private netwerken tussen universiteiten en bedrijven ontstaan.
   Sinds 1979 zijn er meer dan 20 IOPs gestart op verschillende technologiegebieden.
   Ieder IOP heeft een Programmaplan met een looptijd van maximaal 4 jaar. Daarna
   kan het programma eenmalig verlengd worden met eenzelfde periode. Doorgaans
   is daarna nog ca. 3 jaar nodig voor de verankering van de resultaten. De jaartallen
   in onderstaande tabel geven aan in welke periode EZ zich gecommitteerd heeft
   voor kennisopbouw (dus exclusief de verankeringsperiode).
   Overzicht IOP´s (subsidiebedragen in miljoen euro)
   IOP Mens-Machine Interactie (1998-2006)                                          10,7
   Het onderzoek is gericht op ontwerp, implementatie en evaluatie van ‘intelligente
   systemen’. Deze focus past in het bredere onderwerp Ambient Intelligence. Het
   onderzoeksprogramma is beperkt tot multi-user toepassingen, ofwel mens-mens
   interactie ondersteund door een intelligent systeem, of meerdere gebruikers die
   interacteren met een dergelijk systeem.
   IOP Precisietechnologie (1999-2006)                                              14,9
   Precisietechnologie is nodig om producten te maken, die een hoge vorm- of maat-
   nauwkeurigheid moeten hebben, of om producten of onderdelen snel en zeer pre-
   cies te positioneren. De technologie is van belang voor uiteenlopende producten en
   apparaten, zoals microsystemen, gsm-telefoons, wafersteppers, apparaten voor
   massa-opslag van data, kopieerapparaten, optische instrumenten, medische appara-
   ten en instrumenten voor sterrenkunde en ruimtevaart.
   IOP Genomics (2000-2007)                                                         36,4
   Genomics omvat het in kaart brengen van het genoom (sequentie analyse van het
   DNA), het onderzoek naar de werking van genen en de manier waarop erfelijke
   eigenschappen zoals vastgelegd in genen, zich via RNA, eiwitten en metabolieten
54 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>   vertalen naar het functioneren van een cel en uiteindelijk het gehele organisme. Het
   IOP Genomics maakt deel uit van de Nationale Genomics strategie van het kabinet.
   IOP ElektroMagnetisch VermogensTechniek (2001-2008)                                  7,9
   Elektromagnetische vermogenstechniek richt zich op geïntegreerde elektromagneti-
   sche systemen die zich kenmerken door een hoge vermogensdichtheid, hoge fre-
   quentie en hoog rendement, waarbij rekening wordt gehouden met de elektrische,
   magnetische, thermische en mechanische ontwerpaspecten. Het onderzoek in dit
   IOP is gericht op het bieden van oplossingen voor problemen in de energiesector in
   Nederland, nl. een verstopt elektriciteitsnet, eenrichtingsverkeer van distributienet-
   ten, een tekort aan stekkerdozen, een teveel aan energieverslindende ICT-appara-
   tuur en verstoring door elektromagnetische velden.
   IOP Generieke Communicatie (2002-2010)                                               7,0
   Het onderzoek is gericht op het vinden van generieke oplossingen voor ‘ambient
   communicatie’: ontspannings-, informatie- en regelbehoeften van individuele perso-
   nen in hun privé omgeving. Centraal staat de vraag wat er nodig is om te komen
   tot een universele architectuur voor de koppeling van de gebruikersomgeving met
   de buitenwereld.
   IOP Integrale ProductCreatie- en Realisatie (IPCR) (2004-2011)                       7,8
   Het onderzoek is gericht op de ontwikkeling van generieke methoden en hulp-
   middelen ter ondersteuning van ontwerpers in de maakindustrie. Het accent ligt op
   het ontwerpen van complexe producten met een hoge innovatiegraad waarin meer-
   dere vakdisciplines worden toegepast. Voorbeelden van dit soort producten zijn
   kopieermachines, machines voor fabricage van chips, autos, verpakkingsmachines
   en printers.
   IOP Self Healing Materials (2005-2012)                                            ca. 10
   Het onderzoek richt zich op zelf-herstellende structurele materialen: polymeren,
   metalen, civiele materialen en composieten & laminaten. In eerste instantie zijn er
   drie leidende onderzoeksvragen: Hoe kan een zelfherstellend mechanisme worden
   geïntroduceerd in structurele materialen? Hoe kan het zelfherstellend effect worden
   gekwantificeerd in productprestatie? Hoe kan het potentieel van dergelijke nieuwe
   materialen worden benut in nieuwe producten? Het onderzoek dient uiteindelijk te
   leiden tot een nieuwe klasse van betrouwbare en duurzame materialen.
   IOP Photonic Devices (2006-2012)                                                  ca. 11
   Het onderzoek richt zich op twee thema’s, nl. (a) ontwikkeling van geavanceerde
   lichtbronnen & detectie systemen; en (b) applicaties van photonic devices in ‘health
   & medicine’.
55 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>   Werking van het instrument
   Eind 2005 is het IOP-instrument ondergebracht in het ‘programmatisch pakket’ van
   het ministerie van Economische Zaken (EZ) en is de regeling veranderd (zie hierna).
   Een IOP ‘oude stijl’ werd via een interactief bottom-up proces geselecteerd. EZ wilde
   met de selectieprocedure vraagsturing realiseren en ook al in een vroeg stadium
   commitment en draagvlak creëren bij publieke en private partijen. Het proces verliep
   in grote lijnen als volgt.
   Op verzoek van EZ inventariseren organisaties als NWO, STW, FOM, VNO/NCW, TNO
   en SenterNovem of er in ‘het veld’ ideeën bestaan voor nieuwe IOP’s. Aan initiatief-
   nemers in het veld wordt vervolgens gevraagd om hun voorstel nader uit te werken
   in ruwe schetsen. Deze ruwe schetsen worden voor een eerste selectie voorgelegd
   aan de Stuurgroep IOP, die bestaat uit ambtelijke en niet-ambtelijke leden die wor-
   den aangewezen respectievelijk benoemd door de minister van EZ. Aan de positief
   beoordeelde initiatiefnemers wordt gevraagd om de initiatieven voor een IOP nader
   uit te werken in de vorm van een Programmaplan door een Programma-
   voorbereidingscommissie (PVC). De Stuurgroep IOP brengt tenslotte zijn advies uit
   aan EZ welke IOP’s kunnen worden opgestart. Bij goedkeuring wordt de PVC
   veranderd in een Programmacommissie (PC).
   Op basis van het onderzoeksprogramma publiceert een IOP in een paar ronden Calls
   for Proposals waarop universiteiten en non-profit onderzoeksinstellingen (individueel
   of in samenwerking met elkaar) voorstellen kunnen indienen in het desbetreffende
   themagebied. Een onderzoeksproject wordt daarbij gedefinieerd als een coherent
   geheel van activiteiten dat nieuw is voor Nederland, en dat bestaat uit fundamen-
   teel onderzoek, industrieel onderzoek en eventueel experimentele ontwikkeling, of
   een combinatie van hiervan. De nadruk bij IOP’s ligt op fundamenteel onderzoek.
   Het projectvoorstel moet aannemelijk maken dat het een positieve bijdrage zal leve-
   ren aan de Nederlandse economie, en het moet passen in de specifieke doelstellin-
   gen van het desbetreffende IOP. Elk IOP bestaat uit een aantal projecten waarop
   meerdere onderzoekers (meestal AiO’s) actief zijn. Elk project heeft een begelei-
   dingscommissie met daarin ook vertegenwoordigers van gebruikers.
   Het gemiddelde subsidiebudget voor een IOP-programma is gemiddeld ongeveer 8
   miljoen euro voor een periode van vier jaar. De meeste IOP’s worden verlengd met
   een tweede periode van vier jaar waardoor het totale subsidiebedrag circa 16 mil-
   joen euro is.63 Gemiddeld lopen er zo’n 5 à 6 IOP’s tegelijkertijd, elkaar deels over-
   lappend in de tijd. In 2008 lopen nog tien IOP’s.64
   63  Op de EZ-begroting 2008 worden de volgende bedragen genoemd (in miljoen euro): 19,7 voor 2006, 18,9 voor 2007, 4,3
       voor 2008, 8,5 voor 2009, 10,7 voor 2010, 4,7 voor 2011 en 10,0 voor 2012. (Tweede Kamer 31200 XIII, nr. 2, Vaststelling
       van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2008; Memorie van toelichting).
       Nieuwe IOP’s kunnen in het kader van de innovatieprogramma’s op sleutelgebieden worden opgestart. Het budget van de
       Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma’s gaat (op termijn) op in de Innovatieomnibus.
   64  Naast de acht genoemde IOP’s zijn dat IOP Beeldverwerking (gestart in 1996) en IOP ElektroMagnetisch Vermogens-
       Techniek (gestart in 1997). Deze IOP’s zijn momenteel in de slotfase van verspreiding en verankering van de opgedane ken-
       nis in de maatschappij.
56 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>   2.         Technologisch Topinstituten (TTI’s) – wetenschap voor
              het bedrijfsleven
   Doel en achtergrond van het instrument
   Het TTI-instrument komt voort uit de nota ‘Kennis in Beweging’ (1995) waarin werd
   gepleit voor het bijeenbrengen van vraag naar en aanbod van kennis en het verster-
   ken van excellent basisonderzoek in de Nederlandse kennisinfrastructuur, met name
   in onderzoeksgebieden die van belang zijn voor sterke R&D-intensieve sectoren in
   Nederland.
   In 1996 werd het TTI-programma gestart met als doel het versterken van de innova-
   tie- en concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven door het publieke onder-
   zoek op relevante gebieden te concentreren en de invloed van het bedrijfsleven op
   het vaststellen van de onderzoeksagenda te vergroten. TTI´s dienen op een beperkt
   specifiek thema van internationale betekenis kennis te ontwikkelen die antwoorden
   geeft op fundamenteelstrategische vragen van het bedrijfsleven. In latere jaren is
   daarnaast ook nadruk komen te liggen op de toepassing van de ontwikkelde kennis
   door bedrijven en de internationale inbedding en kennispositie van de TTI’s. Met
   andere woorden, naast focus en massa, excellentie en vraagsturing zijn ook kennis-
   valorisatie en de internationale aantrekkingskracht belangrijke aspecten geworden.
   TTI’s zijn virtuele ‘centres of excellence’ voor strategisch basisonderzoek. Ze zijn
   opgezet als publiek-private samenwerkingen waarbij het bedrijfsleven 25%, kennis-
   instellingen 25% en de overheid 50% van de financiering voor hun rekening namen.
   Overzicht Technologische Topinstituten (EZ-bijdragen in miljoen euro)
   Vier TTI’s ‘oude stijl’:
   EZ-bijdrage aan de vier TTI’s 1997-2004                                              150
   Wageningen Centre for Food Sciences (WCFS)
   Het WCFS is inmiddels doorgestart als het Top Institute Food & Nutrition (TIFN). Het
   onderzoeksprogramma is gericht op de ontwikkeling van nieuwe en verbeterde voe-
   dingsmiddelen. Hoofdthema’s zijn Voeding en Gezondheid; Structuur en
   Functionaliteit; en Microbiële Functionaliteit en Veiligheid.
   Dutch Polymer Institute (DPI)
   Het DPI richt zich op R&D die relevant is voor de polymeerproducerende en -verwer-
   kende industrie. In het DPI zijn de verschillende disciplines van het polymeeronder-
   zoek geïntegreerd: polymeerchemie, polymeerfysica en polymeerverwerking. In het
   onderzoeksprogramma worden de volgende Technology Areas onderscheiden:
   1. Polyolefins 2. Engineering Plastics 3. Coating technology 4. Rubber technology
   5. Functional polymer systems 6. High Throughput Experimentation 7. Bio-Inspired
57 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>   8. Plastic Electronics. Daarnaast biedt het corporate research programma ruimte voor
   nieuwe kansrijke ontwikkelingen.
   Netherlands Institute for Metals Research (NIMR)
   Het NIMR richt zich op R&D die relevant is voor de Nederlandse metaalindustrie.
   Onderzoeksgebieden zijn metaalwetenschap, metaalproductie en metaalenginee-
   ring. Het NIMR kent vier onderzoeksprogramma’s: (1) Micro/nano engineering; (2)
   Macro engineering; (3) Materials production; en (4) Levensduur.
   Telematica Instituut (TI)
   Het uitvoeren van onderzoek in ICT-systemen, -toepassingen en de maatschappelijke
   voorwaarden voor grootschalig gebruik van deze toepassingen. Strategisch onder-
   zoek op lange termijn en toepassingsgericht onderzoek voor de korte termijn.
   Voor de middellange termijn stelt het Telematica Instituut een aantal expertisegebie-
   den vast waarin het wil excelleren: (1) Media Interaction; (2) Intelligent
   Communication; (3) Cognitive Systems; (4) Interacting People; (5) Networked
   Business; en (6) Service Architectures.
   Werking van het instrument
   Samen met het IOP-instrument is het TTI-instrument in 2005 ondergebracht in het pro-
   grammatisch pakket van EZ en is de regeling veranderd (zie hierna). De TTI’s ‘oude stijl’
   zijn via bottom-up aanpak geselecteerd in een open tender procedure in 1996. De
   selectieprocedure verliep in grote lijnen als volgt. Een Commissie van Wijzen werd inge-
   steld om EZ te adviseren. Er werden 18 voorstellen ingediend die elk extern werden
   beoordeeld op zowel wetenschappelijke kwaliteit (excellentie) als technologisch/
   economisch belang (relevantie) door respectievelijk KNAW en een adviesbureau. Na
   een selectieproces bleken van de zeventien ingediende voorstellen voor onderzoeks-
   gebieden, zes te voldoen aan het concept van een potentieel TTI. In de business plan
   fase vielen twee voorstellen af (op het gebied van transport en logistiek en duurzame
   energie). Medio 1997 zijn vier TTI’s opgericht en begin 1998 officieel geopend.
   Uit de evaluatie van het TTI-instrument in 2005 blijkt dat de vier TTI’s goed hebben
   gepresteerd. Elk instituut heeft op eigen wijze invulling gegeven aan zijn onder-
   zoeksstrategie omdat de competenties van bedrijven om inhoud te geven aan
   vraagsturing en actief deel te nemen aan het onderzoek per sector verschilt. Daarbij
   moesten de TTI’s voorkomen dat er door bedrijven teveel nadruk wordt gelegd op
   korte termijn probleemoplossend toepassingsgericht onderzoek. De kern van het
   onderzoeksprogramma moet bestaan uit een combinatie van fundamenteel onder-
   zoek, toepassingsgericht onderzoek en preconcurrentiële ontwikkeling. De werking
   van de TTI-formule blijkt sterk afhankelijk te zijn van de absorptiecapaciteit van de
   bedrijven. Daar waar deelnemers een relatief lage absorptiecapaciteit hebben, zijn
   aanvullende inspanningen nodig om kennisoverdracht te realiseren.
58 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>   Hoewel het instrument indertijd werd opgezet met het idee dat de TTI’s op termijn
   zonder structurele overheidssubsidie zouden moeten kunnen functioneren, blijkt uit
   de eindevaluatie dat substantiële programmafinanciering van de rijksoverheid nodig
   blijft. Omdat de vier TTI’s hun plannen volgens verwachting hebben uitgevoerd,
   besloot de minister van EZ om voor de jaren 2006 en 2007 de subsidie op globaal
   het bestaande niveau te handhaven.
   In de periode 1997-2004 heeft EZ in totaal circa 150 miljoen bijgedragen aan de
   TTI’s. Dat betekent dat de EZ-bijdrage gemiddeld ongeveer 5 miljoen euro per jaar
   per TTI was.65 Van deze150 miljoen ging circa 41 naar WCFS, 37 naar DPI, 39 naar
   NIMR en 32 naar TI.66
   3.            IOP-TTI module van het programmatisch pakket
   In het kader van de ‘herijking’ van het financiële instrumentarium van EZ in 2005
   zijn het IOP- en TTI-instrument gefuseerd. Samen vormen ze de zogenaamde IOP-
   TTI-module67 die onderdeel is van het ‘programmatisch pakket’ van EZ. Het pro-
   grammatisch pakket bevat alle instrumenten die EZ kan inzetten om de sleutelge-
   bieden te ondersteunen. Het IOP- en TTI-instrument zijn dus onderdeel geworden
   van de sleutelgebiedenaanpak waarmee EZ specifiek inzet op het ondersteunen van
   gebieden die van strategisch belang zijn voor de Nederlandse economie.
   Het programmatisch pakket is bedoeld om publiek-private samenwerking te stimule-
   ren en gebruikt een open, bottom-up aanpak. De innovatieprogramma’s op de sleu-
   telgebieden worden gezamenlijk vorm gegeven door publieke en private stakehol-
   ders. Een IOP en een TTI kunnen dus onderdeel uitmaken van innovatieprogramma’s,
   afhankelijk van de behoefte en de mogelijkheden. Elk sleutelgebied zal een of meer-
   dere ‘custommade’ innovatie-programma’s krijgen, met of zonder IOP’s of TTI’s. De
   innovatieprogramma’s zijn afhankelijk van het zelforganiserend vermogen in ‘het
   veld’ en het (financiële) commitment van de partijen. Binnen de geselecteerde inno-
   vatieprogramma’s, kunnen bedrijven en samenwerkingen tussen bedrijven, kennisin-
   stellingen en lokale overheden project-voorstellen indienen in onderlinge competitie.
   65   In 2006 zijn aan de Technologische Topinstituten de volgende bedragen betaald (in miljoen euro): WCFS: 9,58; NIMR: 6,73;
        DPI: 8,95; TI: 5,55. (Tweede Kamer, 31031 XIII, nr. 6, Jaarverslag en slotwet Ministerie van Economische Zaken 2006; Lijst
        van vragen en antwoorden). Het TTI-budget is in de EZ-begroting van 2008 geheel opgenomen onder het instrument
        Innovatieomnibus. De TTI’s kunnen in het kader van de innovatieprogramma’s voorstellen indienen voor medefinanciering
        voor hun meerjarige programma’s voor strategisch onderzoek. Voor 2008 is een overgangsregime ingesteld; voorzover de
        voorstellen niet gehonoreerd (kunnen) worden, wordt de EZ-bijdrage gefaseerd afgebouwd, zodat de TTI’s de lopende pro-
        gramma’s kunnen afronden (Tweede Kamer 31200 XIII, nr. 2, Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van
        Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2008; Memorie van toelichting).
   66   Technopolis, Evaluation Leading Technological Institutes (Amsterdam, 2005), p. 12.
   67   ‘Subsidieregeling IOP-TTI-module van de experimentele Kaderregeling subsidies innovatieprojecten’.
59 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>   In de nieuwe opzet hebben IOP’s en TTI’s als hoofddoel het creëren en versterken
   van lange termijn strategische R&D-samenwerking tussen bedrijven en publiek gefi-
   nancierde kennisinstellingen in gebieden die van strategisch belang zijn voor de
   Nederlandse economie. Het IOP blijft primair gericht op het versterken van funda-
   menteel onderzoek aan Nederlandse universiteiten en kennisinstellingen in de rich-
   ting van strategische onderzoeksbehoeften van het Nederlandse bedrijfsleven. Het
   doel van de TTI’s is (blijft) het creëren van kennis op een specifiek thema (met inter-
   nationale betekenis) waarmee antwoord wordt gegeven op fundamenteelstrategi-
   sche vragen van het Nederlandse bedrijfsleven.
   De gemeenschappelijke doelen van IOP en TTI zijn:
   •        optimale focus en massa op de technologievelden die worden ondersteund;
   •        wisselwerking tussen bedrijven en publiek gefinancierde kennisinstellingen;
   •        valorisatie en verankering om een brug te slaan tussen kennis en kassa; en
   •        bijdrage aan duurzame ontwikkeling.
   IOP’s staan meer aan het begin van de kennisketen dan TTI’s. IOP’s zijn gericht op
   opkomende gebieden, terwijl TTI’s gericht zijn op meer uitgekristalliseerde (sleutel-)
   gebieden. Een TTI kan bijv. een vervolg zijn op een IOP.
   Het instrument IOP is ook inhoudelijk veranderd door de ruimte voor experimentele
   ontwikkeling en door de mogelijkheid dat bedrijven ook een deel van het onder-
   zoek/de ontwikkeling uitvoeren. Er is meer nadruk gelegd op valorisatie. De advise-
   ring is aangepast. Er is nu per IOP een adviescommissie (voorheen programmacom-
   missie) die adviseert aan de Minister over de tenderresultaten.
   IOP’s en TTI’s hebben geen afzonderlijk budget meer. Nieuwe initiatieven kunnen
   vanuit bijvoorbeeld Fesgelden worden gefinancierd. Voortzetting van de financiering
   van de vier eerste TTI’s of de financiering van nieuwe TTI’s (of TTI-achtige construc-
   ties) kan alleen als deze meerjarige onderzoeksprogramma’s een integraal onderdeel
   zijn van een breder innovatieprogramma. Hierbij moet worden aangetoond dat de
   betreffende publiek-private onderzoekssamenwerking een belangrijk knelpunt voor
   innovatie wegneemt.
   SenterNovem zorgt voor het beheer en monitoring van de bestaande en nieuwe
   IOP’s en TTI’s.
   Voor wat betreft de IOP’s geldt de IOP-TTI regeling sinds 2005 zowel voor de nog
   lopende IOP’s (Photonic Devices, Self Healing Materials, EMVT, Genomics, IPCR en
   Generieke Communicatie) als voor eventueel nieuw te starten IOP’s.
   Voor wat betreft de TTI’s geldt dat er inmiddels een nieuwe TTI is opgericht en dat
   er twee een opstartsubsidie hebben gekregen.68 Voor de bestaande TTI’s geldt de
   nieuwe IOP-TTI-regeling met ingang van het subsidiejaar 2007.
   68  Het Center for Translational Molucular Medicine (CTMM) is een TTI-achtig instituut dat 150 miljoen euro subsidie heeft
       gekregen vanuit de Fes-impuls 2006.
60 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>   Overzicht nieuwe TTI’s (in miljoen euro)
   Top Instituut Pharma                                            130 (Fes-impuls 2005)
   Het doel van TI Pharma is om dankzij meer structurele publiek-private samenwer-
   king een korter medicijnontwikkelingstraject mogelijk te maken, en tegelijkertijd de
   risico’s van klinische mislukking van potentiële nieuwe medicijnen te verkleinen. Het
   onderzoek richt zich op vijf thema’s: (1) (Auto-)Immuun ziektes, (2) Cardiovasculaire
   ziektes, (3) Kanker, (4) Infecties/Vaccines, and (5) Hersenziektes.
   Opstartsubsidie voor TTI’s uit Fes:
   TTI Groene Genetica                                              20 (Fes-impuls 2005)
   Het TTI Groene Genetica is een initiatief van bedrijven in de sector plantaardig uit-
   gangsmateriaal (zaden, stekken, knollen, bollen, weefselkweekplanten, jonge plan-
   ten) en kennisinstellingen om de kennisinfrastructuur op de vakgebieden plantenge-
   netica, plantenfysiologie en plantenziektenkunde te versterken.
   TTI Watertechnologie (TTIW)                                      35 (Fes-impuls 2006)
   Het TTI Watertechnologie is onderdeel van het Innovatieprogramma
   Watertechnologie in het sleutelgebied Water. Het Binnen het Innovatieprogramma
   Watertechnologie zijn vier clusters benoemd, waarop de onderzoeksinspanningen
   de komende jaren gericht moeten zijn: Drink- en industriewatervoorziening;
   Afvalwatertechnologie; Sensor-technologie, Monitoring en Control; en Interactie
   natuurlijke systemen.
   4.         Maatschappelijke Topinstituten (MTI’s) -
              wetenschap voor de maatschappij
   Doel en achtergrond van het instrument
   In 2005 is het instrument ‘Maatschappelijk Topinstituut’ (MTI) door het ministerie
   van OCW geïntroduceerd als instrument voor vernieuwend, op de samenleving
   gericht onderzoek. Het begrip MTI is geïntroduceerd door het Innovatieplatform
   (werkgroep Wijffels). Er is een bewuste analogie met de Technologische
   Topinstituten (TTI’s), vanuit de gedachte dat ook Topinstituten gericht op maat-
   schappelijke problemen wenselijk zijn. MTI’s zijn gericht op een betere afstemming
   tussen actuele, maatschappelijke vragen en beschikbaar wetenschappelijk potenti-
   eel. Net als bij TTI’s gaat het bij MTI’s om het koppelen van excellent onderzoek en
   vragende partijen, waaronder in het bijzonder ook vertegenwoordigers van het
   overheidsbeleid, zoals departementen. Drie MTI’s (in wording) hebben een startsub-
   sidie gekregen (via NWO / MaGW) van 5 miljoen euro als startkapitaal.
61 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>   Overzicht van Maatschappelijke Topinstituten                                                    15 m€
   •         Netspar (Network for Studies on Pensions, Aging and Retirement)
   •         HILL (Hague Institute for the Internationalisation of Law)
   •         NICIS (Netherlands Institute of City Innovation Studies)
   Netspar is onderdeel van het sleutelgebied Pensioenen & Sociale Verzekeringen, ter-
   wijl HILL deel uitmaakt van het opkomende sleutelgebied ‘The Hague, residence of
   Peace and Justice’. In de komende jaren zullen de MTI’s verder worden uitgebouwd
   om de regiefunctie te versterken. De meest betrokken departementen
   (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie en Sociale Zaken) zullen zich
   ervoor inspannen bij gebleken succes de continuïteit te waarborgen. Financiering
   van de MTI’s verloopt via aanvragen in het kader van Smart Mix en het Fes.
   Inmiddels heeft het NICIS 15 miljoen euro subsidie toegekend gekregen in de Fes-
   impuls 2006 (zie hierna).69
   Werking van het instrument
   NWO speelt een centrale rol bij de uitvoering van het instrument en de beoordeling
   van de (wetenschappelijke) kwaliteit van nieuwe MTI’s. Namens OCW doet NWO de
   ingangsselectie, benoemt besturen en voert evaluaties uit. Goedgekeurde MTI’s zul-
   len programmafinanciering krijgen voor een looptijd van vier tot zes jaar.
   MTI’s zijn geïntroduceerd als nieuw instrument in het kader van pogingen van
   departementen om hun kennisvraag beter te articuleren en beter onderling te coör-
   dineren, en om te komen tot een flexibele rijksbrede aanpak van programma’s en
   projecten. In een interdepartementale werkgroep voor departementale vraagprio-
   riteiten onderzoek (met daarin deelnemers vanuit EZ, BZK, LNV, VROM, VenW, SZW
   en OCW) werd een aantal mogelijke onderwerpen en thema’s voor onderzoek
   beoordeeld. Een deel van de aanloopgelden voor de Smart Mix (zie hierna) was
   beschikbaar voor onderzoek van groot maatschappelijk belang op departementale
   aandachtsterreinen. Het doel van de werkgroep was om eerst een aantal duidelijke
   inhoudelijke keuzes te maken en vervolgens in een breder kader na te gaan waar
   departementen knelpunten en lacunes in de kennisinfrastructuur zitten. Er werd uit-
   eindelijk gekozen voor drie projecten die zijn uitgewerkt in de hierboven genoemde
   MTI’s in oprichting. De criteria waren: urgentie, breed draagvlak, mogelijkheid tot
   snelle uitvoering, onderwerp in het hart van het departementaal beleid, geen moge-
   lijkheid van (voldoende) financiering via een andere weg, uitzicht op continuering
   en overeenstemming met Regeerakkoord en relevante beleidsdocumenten.
   69   NWO-MaGW, Implementatienota: Wetenschap binnen MaGW gewaardeerd! NWO-strategie 2007 – 2010
        (Den Haag, 2006).
62 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>   5.          Bsik-impuls (ICES/KIS-3)
   Doel en achtergrond van het instrument70
   Het Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (Bsik) is bedoeld voor
   investeringen vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (Fes) ter verster-
   king van de kennisinfrastructuur in Nederland. Zeven ministeries zijn betrokken bij
   Bsik: EZ, OCW, LNV, VWS, Financiën, VenW en VROM. Binnen de zogenaamde
   Interdepartementale Commissie Economische Structuurversterking (ICES), die is
   ingesteld om investeringsprojecten te stimuleren die de economische structuur van
   Nederland versterken, richt de werkgroep ICES/KIS zich speciaal op projecten in de
   kennisinfrastructuur (KIS).71 Deze werkgroep ICES/KIS bestaat sinds 1994 en speelt
   een belangrijke voorbereidende rol in het investeringsbesluitvormingsproces.
   Bsik (ICES/KIS-3) is de derde investeringsimpuls die voorafgegaan werd door eerdere
   impulsen ICES/KIS-1 in 1994 en ICES/KIS-2 in 1998. De omvang van de toegekende
   subsidies is in de drie ronden flink toegenomen: van 113 miljoen euro in ICES/KIS-1,
   naar 211 miljoen euro in ICES/KIS-2 (12 projecten), tot 800 miljoen euro in
   ICES/KIS-3 (Bsik) (37 projecten).
   Het hoofddoel van de Bsik-regeling is het tot stand brengen van kwalitatief hoog-
   waardige netwerken in de kennisinfrastructuur en het identificeren en stimuleren
   van kansrijke onderzoeksgebieden. Subdoelen zijn:
   •        het ontwikkelen en uitvoeren van innovatief en hoogwaardig onderzoek
            door consortia van vraag- en aanbodpartijen in de kennisinfrastructuur;
   •        het overdragen van onderzoeksresultaten naar kennisgebruikers;
   •        verankering van geproduceerde kennis binnen de bestaande kennisinfra-
            structuur; en
   •        een realistisch perspectief op toepassing door derden.
   Het Bsik-instrument beoogt bij te dragen aan het creëren van zwaartepunten door-
   dat het is gericht op een beperkt aantal, vaak multidisciplinaire themagebieden die
   in wetenschappelijk opzicht kansrijk, en in maatschappelijk en economisch relevant
   zijn voor Nederland. Er konden projectvoorstellen worden ingediend op vijf thema-
   gebieden: (1) ICT, (2) Ruimtegebruik, (3) Duurzame systeeminnovatie, (4)
   Microsysteem- en nanotechnologie, en (5) Gezondheids-, voedings-, gen- en bio-
   technologische doorbraken (waaronder genomics). Drie van deze thema’s betreffen
   de ‘nationale prioriteiten’ ICT, nanotechnologieën en genomics/life sciences.
   70  Tweede Kamer 29338, nr. 55, Wetenschapsbudget 2004; Brief minister ter aanbieding Voortgangsrapportage
       Wetenschapsbudget 2007; Zie ook: website Bsik op www.senternovem.nl/bsik.
   71  Inmiddels is de ICES veranderd in ICRE (Interdepartementale Commissie voor de Ruimtelijke Economie).
63 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>   Werking van het instrument
   Bij het Bsik-proces is geleerd van ervaringen met ICES/KIS-2, waar departementen
   vroeg in het proces projecten zijn gaan voordragen. De departementen waren vrij in
   de wijze waarop ze geconstateerde lacunes in kennis en kennisinfrastructuur samen
   met partijen in het veld willen opvullen. Er waren in die beginfase bijvoorbeeld geen
   heldere procedures en subsidievoorwaarden en ook geen officiële openbare oproep
   om met voorstellen te komen.72 Dit werd door partijen in de kennisinfrastructuur
   ervaren als sterk departementaal gedomineerd en te weinig transparant en rechtsze-
   ker. Het keuzeproces van projecten werd gezien als te top-down. Niet alle projecten
   hebben voldoende aangetoond dat ze voldoen aan de gestelde voorwaarden voor
   toekenning van de investeringsimpuls. Partijen die goed de weg wisten in de depar-
   tementen hebben voordeel gehad omdat de procedure niet zomaar voor iedereen
   open was. De aanpak via de lijn van de departementen leidde er bovendien toe dat
   er geen sprake was van een samenhangende investeringsimpuls omdat departemen-
   ten onderling om de beschikbare middelen gingen concurreren.
   De leerervaringen van ICES/KIS-2 hebben geleid tot het formuleren van procesdoe-
   len voor ICES/KIS-3 (Bsik): rechtszekerheid, transparantie en een brede betrokken-
   heid van het veld. Bovendien moesten consortia beter zichtbaar gaan maken wat
   voor prestaties zij zouden gaan leveren en diende onderlinge concurrentie tussen
   departementen worden voorkomen.73
   Om nut en noodzaak van de Bsik-impuls te bepalen is een inventarisatie uitgevoerd van
   in het veld (bedrijven, overheden en kennisinstellingen) levende ideeën. De ideeën zijn
   vervolgens in samenspraak met het veld gebundeld in kennisthema’s, die door externe
   werkgroepen in themarapporten verder zijn uitgewerkt en geconcretiseerd. Vervolgens
   zijn de partijen uitgenodigd om met investeringspakketten in het kader van een ‘call
   for expressions of interest’ het belang van investeringen in het desbetreffende ken-
   nisthema te onderbouwen. Het CPB heeft deze investeringspakketten beoordeeld,
   onder meer op duidelijkheid en legitimiteit. Op basis van deze beoordeling zijn de uit-
   eindelijke kennisthema’s (ook wel aangeduid als zwaartepunten) geselecteerd.72
   Aanvragen voor subsidie kunnen worden aangevraagd op een van de vijf thema’s
   door ‘kennisconsortia’,75 d.w.z. publiek-private samenwerkingsverbanden van ken-
   nisaanbieders en kennisvragers met tenminste één ondernemer en ten minste één
   72  De Beuk, Evaluatie ICES/KIS3-proces – Eindrapportage (Hippolytushoef, 2005), p. 17.
   73  De Beuk, Evaluatie ICES/KIS3-proces – Eindrapportage (Hippolytushoef, 2005), p. 17.
   74  AMvB Besluit Subsidies Investeringen Kennisinsfrastructuur (Besluit van 16 december 2002, houdende regels inzake de
       verstrekking van subsidies ten behoeve van investeringen in de kennisinfrastructuur (Besluit subsidies investeringen ken-
       nisinfrastructuur), Staatsblad 2002, 649).
   75  Mogelijke deelnemers aan kennisconsortia zijn kennisinstellingen, bedrijven, overheden, maatschappelijke organisaties en
       bestaande ICES/KIS-2 organisaties. (Informatieblad SenterNovem).
   76  Het is echter mogelijk dat de ondernemer als deelnemer aan het consortium bij uitzondering niet is vereist. Dit geldt als
       het consortium voldoende kwaliteit en middelen heeft om een kennisproject uit te voeren en er op het betreffende ken-
       nisgebied geen ondernemers zijn die desgevraagd kunnen of willen deelnemen in het kennisconsortium. (Informatieblad
       SenterNovem).
64 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>   universiteit of onderzoeksinstelling.76 Aanvragen worden door verschillende organi-
   saties beoordeeld. De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen
   (KNAW) verzorgt de wetenschappelijke beoordeling en de planbureaus (CPB, SCP,
   MNP, RPB en Rathenau-Insituut) zorgen voor de maatschappelijk-economische
   beoordeling. Vervolgens worden de projectvoorstellen beoordeeld in onderlinge ver-
   gelijking en per kennisgebied door de Commissie van Wijzen ICES/KIS. De commis-
   sie brengt hierover advies uit aan het Kabinet. De commissie bestaat uit deskundi-
   gen op het kennisgebied waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambte-
   naren. De voorzitter en de leden worden door de minister van EZ benoemd (in over-
   leg met de andere ministers die het aangaat). Na het advies besluit het Kabinet
   definitief over de projecten die in aanmerking komen voor de subsidie en hoe het
   budget voor de subsidieregeling verdeeld wordt over de vijf kennisthema’s.
   Uiteindelijk verzorgen de verschillende departementen de commitering.
   Eind november 2003 en na een tweede tranche begin 2004 besloot het Kabinet om
   in totaal 800 miljoen euro Bsik-subsidie toe te kennen aan 37 consortia. De subsidie
   per kennisproject bedraagt max 50% van de subsidiabele projectkosten. De consor-
   tia voeren veelal omvangrijke en multidisciplinaire programma's uit die vier tot zes
   jaar in beslag zullen nemen. Van de 37 projecten zijn er 9 projecten in het thema
   ICT, 3 projecten in het thema nanotechnologieën, 12 projecten in het thema geno-
   mics/life sciences, 8 in het thema duurzame systeeminnovaties en 5 in het thema
   hoogwaardig ruimtegebruik (zie onderstaand overzicht)
   Overzicht Bsik-projecten (subsidies in miljoen euro)77
   Thema Micro/nanotechnologie                                                        130
   • NanoNed, Nanotechnologienetwerk in Nederland (2005-2010)                          95
   • MicroNed, Microsysteemtechnologie Nederland (2004-2009)                           28
   • Biomade, Bio-Organic Materials & Devices (2004-2008)                               7
   Thema ICT                                                                          215
   • LOFAR, Low Frequency Array (2004-2009)                                            52
   • GigaPort Next Generation Network (2004-2008)                                      40
   • Freeband Communication (2004-2008)                                                30
   • Embedded Systems Institute (ESI) (2004-2011)                                      25
   • VL-e, Virtual Laboratory for e-Science (2004-2009)                                20
   • MultimediaN (2004-2008)                                                           16
   • ICIS, Interactive Collaborative Information Systems (2004-2009)                   14
   • BRICKS (2004-2009)                                                                12
   • Smart Surroundings (2004-2009)                                                     7
   77  SenterNovem, Bsik in Beeld (Den Haag, 2005).
65 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>   Thema Gezondheidsdoorbraken (genomics / life sciences)                          165
   • Netherlands Proteomics Centre* (2003-2008)                                     25
   • DPTE: Dutch Program For Tissue Engineering (2005-2009)                         25
   • Biorange* (2004-2009)                                                          22
   • Neuro-Bsik mouse phenomics (2003-2009)                                         13
   • Trauma related neurological disorders (TREND) (2004-2011)                      12
   • Ecogenomics: the living soil* (2004-2010)                                      11
   • VIRGO: Genomics of hostrespiratory virus interactions* (2004-2010)             11
   • Molecular imaging of ischemic heart disease (2004-2009)                        11
   • Nutrigenomics* (2003-2009)                                                     10
   • Cyttron (2004-2008)                                                             9
   • Stem cells in development and disease (2004-2008)                               9
   • Celiac Disease Consortium* (2004-2009)                                          8
   Thema Duurzame systeeminnovaties                                                156
   • TransForum Agro & Groen (2004-2010)                                            30
   • Transumo (2004-2010)                                                           30
   • B-Basic: Chemistry and energy for sustainability (2004-2009)                   25
   • Next generation infrastructures (2004-2012)                                    20
   • Proces- en systeeminnovatie in de bouwsector (2004-2009)                       15
   • We@Sea: Large Scale windpower generation offshore (2004-2008)                  13
   • CO2-afvang, transport en opslag (CATO) (2004-2008)                             13
   • KSI, Kennisnetwerk Systeem Innovaties (2004-2010)                              10
   Thema Hoogwaardig Ruimtegebruik                                                 134
   • Klimaat voor Ruimte (2004-2009)                                                40
   • Vernieuwend Ruimtegebruik (2004-2009)                                          30
   • Delft Cluster (2004-2008)                                                      22
   • Leven met water (2004-2009)                                                    22
   • Ruimte voor geo-informatie (2004-2009)                                         20
   De zes projecten met een * zijn onderdeel van het strategisch actieplan van het
   Netherlands Genomics Initiative (NGI).
   Nationale regie-organen
   In de periode voorafgaand aan de sleutelgebieden van het Innovatieplatform, werd
   door de overheid gewerkt met het concept sleuteltechnologieën om meer focus en
   massa te creëren in gebieden die van belang zijn voor de Nederlandse concurrentie-
   positie op langere termijn. De sleuteltechnologieën waren levenswetenschappen (in
   het bijzonder genomics), katalyse (later verbreed tot duurzame chemie), nanotech-
   nologie en informatie- en communicatietechnologieën. Voor drie van deze gebieden
66 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>   is een tijdelijk regie-orgaan opgericht om te komen tot een gecoördineerde aanpak
   en wijze van investering. Hieronder worden achtereenvolgens besproken het
   Netherlands Genomics Initiative (NGI), ACTS en ICTRegie. Deze nationale regie-
   organen verschillen onderling in opzet en omvang. De regie-organen zijn zelf geen
   investeringsprogramma’s maar zijn verantwoordelijk voor het beheer en/of de coör-
   dinatie hiervan. NGI voert bijvoorbeeld de nationale strategie genomics uit, waarin
   ook onderzoeksprogramma’s vanuit IOP, Bsik en NWO opgenomen zijn.
   Het concept van Nationale Regie-Organen is te zien als een nieuwe vorm van gover-
   nance in het onderzoeks- en innovatiebeleid waarmee betere interdepartementale
   coördinatie mogelijk werd gemaakt en de traditionele kloof tussen de wereld van
   het wetenschaps- en onderzoeksbeleid (OCW / NWO) en die van het industriële
   R&D- en innovatiebeleid (EZ / SenterNovem) moest helpen verkleinen of omzeilen.
   Juist in de geselecteerde technologiegebieden is goede coördinatie nodig omdat het
   gaat om combinaties van meerdere wetenschappelijke disciplines, een breed scala
   aan toepassingsgebieden en meerdere betrokken ministeries.
   Netherlands Genomics Initiative (NGI)
   In juli 2001 besloot het kabinet dat de Nederlandse genomics-kennisinfrastructuur
   aanzienlijk diende te worden versterkt78 en stelde daartoe een substantiële hoeveel-
   heid middelen ter beschikking (190 miljoen euro voor een periode van vijf jaar), die
   op basis van een nationale strategie moeten worden ingezet. Bij convenant tussen
   de betrokken ministers en NWO werd in augustus 2001 het Nationaal Regie-Orgaan
   Genomics (Netherlands Genomics Initiative, NGI) opgericht. De opdracht van het
   regie-orgaan was het formuleren en ten uitvoer brengen van de nationale strategie.
   NGI is gehuisvest bij NWO maar heeft een onafhankelijke positie. NGI bestrijkt de
   hele kennisketen van fundamenteel onderzoek tot en met de toepassing, inclusief
   de aandacht voor maatschappelijke aspecten. Ook de opleiding van mensen en de
   internationale positionering van genomics krijgt aandacht.
   Een korte chronologie van NGI begint in 1998 met een studiereis van EZ naar de
   Verenigde Staten om meer zicht te krijgen op de ontwikkelingen in het
   Amerikaanse genomics onderzoek. Mede naar aanleiding hiervan stelde het Kabinet
   een Ambtelijke Stuurgroep Genomics in. De TechnologieRadar (1998) bevestigde
   dat genomics een strategische technologie was voor Nederland. De vervolgwork-
   shops die EZ organiseerde leverden input voor een Strategisch Actieplan Genomics.
   Om het actieplan verder te onderbouwen en legitimeren werd in november 2000 de
   onafhankelijke Tijdelijke Adviescommissie Kennisinfrastructuur Genomics ingesteld
   met de vraag om te adviseren of er, en zo ja welke, investeringen in de genomics-
   78  Op basis van het advies van de Tijdelijke Adviescommissie Kennisinfrastructuur Genomics.
67 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>   kennisinfrastructuur noodzakelijk waren. De commissie bevestigde de hoofdlijnen
   van het actieplan en pleitte voor een integrale aanpak over de gehele innovatieke-
   ten. Dit vroeg om een nieuwe manier van aansturen van het onderzoek en daarbij
   passende nieuwe institutionele vormen. Het advies was om voor de uitvoering van
   het pakket van maatregelen een nationaal regie-orgaan in te stellen. Dit regie-
   orgaan moest een nationale strategie ontwikkelen en de maatregelen in samenhang
   aansturen. Voorgesteld werd dit regie-orgaan in te brengen bij NWO, maar los van
   de bestaande NWO-gebiedsstructuren en met een eigen directeur en Raad van
   Toezicht. Het regie-orgaan moest immers haar taken en verantwoordelijkheden
   zelfstandig kunnen uitvoeren. Dit advies werd overgenomen door het kabinet.
   Het proces waarin NGI tot stand werd gebracht is een voorbeeld van hoe de over-
   heid stakeholders kunnen betrekken bij het ontwikkelen van programma’s zonder
   slachtoffer te worden van lobbyisme. Een van de succesfactoren was dat de interde-
   partementale stuurgroep bestond uit ambtenaren met voldoende inhoudelijke kennis
   van zaken op het gebied van genomics en met een een sterke ‘sense of urgency’.
   Vertegenwoordigers van ‘het veld’ werd een sterke rol gegeven in het vaststellen van
   de inhoud en de prioriteiten van de voorziene investeringen. Tegelijkertijd werd het
   actieplan pas goedgekeurd na zorgvuldige beoordeling. De onafhankelijke advies-
   commissie fungeerde als een filter tussen gewenste vraagsturing en ongewenst
   lobbyisme. De totstandkoming van NGI is dus een interessant voorbeeld van een
   productieve combinatie van bottom-up en top-down governance.
   In 2002 werd het National Genomics Initiative (NGI) opgezet als een onafhankelijk
   tijdelijk regie-orgaan. NGI heeft drie opdrachten: het bouwen aan een excellente
   kennisinfrastructuur op het terrein van genomics, het stimuleren van maatschappe-
   lijk en economisch gebruik van de onderzoeksresultaten en het bijdragen aan maat-
   schappelijke verankering van genomics. NGI bepaalt onder meer de regie over de
   verdeling van de middelen die de ministeries van OCW, EZ, LNV, VWS en VROM in
   2001 ter beschikking hebben gesteld voor onderzoek naar het genoom. Gedurende
   de eerste termijn, 2002-2007, heeft NGI een krachtig en dynamisch netwerk tot
   stand gebracht met als kern elf grootschalige NGI Genomics Centres die gericht zijn
   op maatschappelijk belangrijke onderwerpen als voeding, gezondheid en duurzaam-
   heid. In onderstaand overzicht worden de verschillende centra op een rij gezet. Er
   zijn vijf Zwaartepunten,79 twee nationale Technologiecentra en vier Innovatieve
   Clusters. Bij de zwaartepunten gaat het om fundamenteel wetenschappelijk onder-
   zoek en bij de innovatieve clusters om toepassingsgericht onderzoek (cf. de Bsik-
   impuls80). Naast deze centra bestaat het nationale genomics programma uit een
   79   Een van de zwaartepunten richt zich op maatschappelijke aspecten van genomics en communicatie.
   80   In het kader van de aanvraagronde voor Bsik werden afspraken gemaakt dat deze door NGI zouden worden verzorgd.
        NGI heeft daartoe een oproep gedaan ter voorbereiding van het opstellen van een samenhangend pakket voorstellen
        gericht op versterking van de Genomics Infrastructuur. Accenten zijn: grote apparatuur, bio-informatica, proteomics en
        innovatieve clusters gericht op de bevordering van hoogwaardige bedrijvigheid.
68 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>   aantal programma’s en zgn. speciale activiteiten. De eerste centra zijn gestart in
   2002, en in 2005 waren alle centra en programma’s operationeel. Ook de NWO-
   programma’s Genomics, BioMolecular Informatics en het IOP Genomics maken
   onderdeel uit van de nationale strategie.
   Overzicht Genomics Centra en programma’s (NGI investeringen in miljoen euro)
   Zwaartepunten                                                                      73,0
   • Centre for BioSystems Genomics
   • Centre for Medical Systems Biology
   • Cancer Genomics Centre
   • Kluyver Centre for Genomics of Industrial Fermentation
   • Centre for Society and Genomics
   Technologiecentra                                                                  63,6
   • Netherlands Bioinformatics Centre (incl. Bsik-project Biorange)
   • Netherlands Proteomics Centre (Bsik)
   Innovatieve Clusters                                                               39,5
   • Celiac Disease Consortium (Bsik)
   • Ecogenomics Consortium (Bsik)
   • Nutrigenomics Consortium (Bsik)
   • VIRGO Consortium (Bsik)
   Programma’s                                                                        83,9
   • Horizon Programme
   • Fellowship Programme
   • Innovatieve Genomics Clusters
   • IOP Genomics
   • NWO Genomics
   • NWO BioMolecular Informatics
   Speciale activiteiten                                                               4,8
   • Netherlands Toxicogenomics Centre
   • Netherlands Metabolomics Centre
   • Netherlands Consortium for Healthy Ageing
69 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>   De totale (bruto) begroting van NGI is 312 miljoen euro. Hierbij zijn ook inbegrepen
   de middelen die via IOP Genomics (36 miljoen euro) en de Bsik-impuls (86 miljoen
   euro) ter beschikking zijn gesteld.81 Van de geplande omzet van 312 miljoen euro is
   tot en met 2006 190 miljoen euro gerealiseerd.82
   Regie-orgaan ACTS
   Net als Genomics werd Katalyse eind jaren ’90 door de TechnologieRadar geïdentifi-
   ceerd als één van belangrijke technologieën die van strategisch belang zijn voor het
   Nederlandse bedrijfsleven.83 In 2000 werd door EZ het initiatief genomen Katalyse
   verder uit te werken in een technology roadmap. In de exercitie werkten experts uit
   de industrie, de wetenschap en de overheid samen om R&D strategieën verder uit
   te werken. Een van de uitkomsten van de workshops was dat samenwerking in
   onderzoek noodzakelijk was om de uitdagingen van de roadmap aan te gaan.
   Bovendien was conclusie dat er een nieuwe organisatiestructuur nodig was om de
   publiek-private onderzoeks-samenwerking te organiseren.84 In 2002 werden de
   krachten op het gebied van katalyseonderzoek in Nederland gebundeld in ACTS,
   het platform Advanced Catalytic Technologies for Sustainability. Sindsdien heeft
   ACTS zich ontwikkeld tot het nationale platform voor alle partijen in het brede
   gebied van katalyse, duurzaamheid en daaraan gerelateerde chemie. ACTS kon pro-
   fiteren van het feit dat katalyse een vrij hecht veld is. Het academisch onderzoek is
   bijvoorbeeld georganiseerd in het Nederlands Instituut voor Onderzoek in de
   Katalyse (NIOK), en vanuit het NIOK werd in 1996 de Vereniging Industriële Raad
   Van Advies van Niok (VIRAN) opgericht waarin een forum werd gecreëerd voor uit-
   wisseling van kennis en ideeën vanuit de Katalyse industrie en voor de coördinatie
   van industriële aansturing van onderwijs en onderzoek op het gebied van katalyse.
   ACTS is dus het gevolg van een interactief proces, waarbij stakeholders een duide-
   lijke bijdrage hebben kunnen leveren aan het tot stand komen van een gezamen-
   lijke onderzoeksstrategie en een bijbehorende organisatiestructuur.
   De missie van ACTS is het initiëren en ondersteunen van de ontwikkeling van inno-
   vatieve technologische concepten voor de duurzame productie van materialen en
   energiedragers. Met haar activiteiten moet ACTS bijdragen aan een duurzame eco-
   nomische groei, en aan het versterken van de kennisinfrastructuur in Nederland.
   81   De begroting van NGI maakt onderdeel uit van de begroting van NWO. Niet alle middelen die voor de Nationale
        Genomics Strategie door het kabinet beschikbaar zijn gesteld lopen echter over de begroting en rekening van NWO. IOP
        Genomics loopt via de begroting van EZ (totaal 36,4 miljoen euro) en voor Bsik en ERA-Net fungeert NWO als bank (res-
        pectievelijk 86,1 miljoen en 2,5 miljoen euro). OCW heeft voor zes Bsik-projecten de subsidies rechtstreeks aan de des-
        betreffende penvoerders beschikbaar gesteld.
   82   NGI, Jaarverslag 2006 (Den Haag, 2007), p. 68.
   83   De geïdentificeerde technologieën waren: katalyse, scheidingstechnologie, gentechnologie, bioprocestechnologie, poly-
        meren, composieten, oppervlaktebehandelingen, productieautomatisering, energie, mechatronica, data- en kennissyste-
        men, software engineering en multimedia en interactie. (Ministerie van Economische Zaken, Technologieradar
        Technologieprofielen: Profielen van 15 technologiegebieden (Den Haag, 1998)).
   84   Ministerie van Economische Zaken, Technology Roadmap Catalysis: Catalysis, key to sustainability (Den Haag, 2001).
70 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>   Bovendien moet ACTS jong onderzoekstalent aantrekken en vasthouden.
   De onderzoeksportfolio van ACTS is inmiddels gegroeid en had eind 2005 een
   omvang van meer dan 100 miljoen euro, en bevatte vijf onderzoeksprogramma’s
   (2003-2011) waarin niet alleen alle Nederlandse universiteiten betrokken zijn maar
   ook de meeste chemische bedrijven in Nederland. ACTS werkt bovendien nauw
   samen met NWO Chemische Wetenschappen in het ontwikkelen van een visie en
   een strategie voor het wetenschappelijk onderzoek in de chemie en verwante
   gebieden. ACTS heeft een belangrijke rol gespeeld in de keuze van Chemische
   Industrie als sleutelgebied.
   Overzicht programma’s ACTS (in miljoen euro)85
   • Biobased Sustainable Industrial Chemicals (B-Basic)                                                                  28,3
   • Duurzaam waterstof                                                                                                   16,5
   • Integration of Biosynthesis and Organic Synthesis (IBOS)                                                             12,8
   • Advanced Sustainable Processes by Engaging Catalytic Processes (ASPECT)                                              11,7
   • Process on a Chip (PoaC)                                                                                              7,2
   De totale begroting 2007 van ACTS bedraagt ruim 84 miljoen euro (periode 2002-
   2011), met bijdragen van NWO, EZ, VROM en bedrijfsleven.86
   Regieorgaan ICT-onderzoek en -innovatie
   Vanaf 2001 is het beleid op het gebied van ICT-kennis en Innovatie vormgegeven met
   het actieplan ‘Concurreren met ICT-Competenties: Kennis en Innovatie voor De
   Digitale Delta’ (april 2000).87 Als uitvloeisel van het actieplan werd in 2002 het ICT-
   Forum ingesteld, met daarin vertegenwoordigers van onderzoeksinstellingen, bedrijfs-
   leven en gebruikers. Het forum kan gezien worden als een voorloper van het ICT
   regieorgaan. Het kreeg als taak mee om een jaarlijkse visie op het ICT-onderzoek in
   Nederland te formuleren en om de samenhang in het ICT-onderzoek te bevorderen. In
   mei 2003 presenteerde het Forum zijn eerste manifest met een agenderende visie op
   ICT-onderzoek. Een van de bijbehorende aanbevelingen ter verbetering van de organi-
   satie van het ICT-onderzoek was om een regieorgaan op te richten. De ervaringen met
   het regieorgaan voor genomics (NGI) vormden een inspiratie hiervoor.88
   85  NWO, Begroting 2007 en meerjarencijfers 2008 t/m 2011 (Den Haag, 2006).
   86  NWO, Begroting 2007 en meerjarencijfers 2008 t/m 2011 (Den Haag, 2006).
   87  In het actieplan wordt gewerkt langs drie hoofdlijnen: ‘ICT-clusters’ om doorbraken in belangrijke toepassingsgebieden
       te stimuleren; ‘Kennis & Technologie’ ter versterking van op de marktbehoefte afgestemde kennisopbouw en betere
       benutting van die kennis; en ‘Kennisdragers en efficiënte inzet van ICT’.
   88  Oorspronkelijk wilde het ICT-Forum zich omvormen tot een regieorgaan naar het model van het Regie-Orgaan Genomics,
       door op te treden als centraal punt bij het verdelen van publiek onderzoeksgeld, gebruik makend van een samenhangend
       stelsel van instrumenten. In de praktijk heeft ICTRegie geen grote taak gekregen bij het verdelen van onderzoeksmiddelen.
71 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>   Het concept van een regieorgaan werd vervolgens opgenomen in het nieuwe actie-
   plan ‘Concurreren met ICT-Competenties: Regie- en Rendement in de ICT-kennis-
   keten’ (mei 2004). Het op te richten Regieorgaan ICT-onderzoek en -innovatie kreeg
   als taak om het ICT-onderzoek te versterken, daarin focus en kritische massa aan te
   brengen, te zorgen voor een goede internationale inbedding van het ICT-onderzoek
   en een betere benutting van de onderzoekresultaten. Het regieorgaan moest
   daartoe een stevige ICT-onderzoeksagenda neerzetten met een uitdagende
   vraagstelling, die richtinggevend is voor de gehele ICT-kennisketen. Om het
   regieorgaan hiertoe in staat te stellen zou het moeten worden samengesteld uit
   gezaghebbende vertegenwoordigers vanuit alle onderdelen van de kennis- en
   innovatieketen, zowel uit bedrijven als uit kennisinstellingen.
   Uiteindelijk ondertekenden de ministers van EZ en OCW in september 2004 een
   convenant voor de oprichting van het Regieorgaan voor ICT-onderzoek en -innovatie
   (kortweg ICTRegie). NWO, in samenwerking met SenterNovem, kreeg de taak om het
   regieorgaan op te zetten. Het regieorgaan werd ingesteld voor de periode van 2004
   tot 2010. EZ, OCW en NWO stelden elk 5 miljoen euro beschikbaar voor de periode
   2004-2006, 15 miljoen in totaal. Tegelijk met het convenant werd de samenwerkings-
   overeenkomst tussen SenterNovem en NWO getekend, waarin afspraken werden
   gemaakt voor de gezamenlijke vormgeving en ondersteuning van ICTRegie.
   In oktober 2005 presenteerde ICTRegie haar eerste ‘Strategisch Plan ictRegie
   2005–2010: Het veld aan zet’. Een jaar later verscheen de ‘ICT-Innovatieagenda
   2006–2010: ICT in actie’ waarin ICTRegie zijn centrale rol beschrijft als ‘het
   vergroten van het elan, de interactie en de dynamiek en het stimuleren van
   creativiteit.’ Met de ICT-Innovatieagenda wil ICTRegie een bijdrage leveren aan de
   nadere invulling van de Kennisinvesteringsagenda van het Innovatieplatform waarin
   ICT wordt opgevoerd als ‘innovatie-as’ dwars door alle (sleutel-)gebieden heen.
   Inmiddels bedraagt de totale begroting van ICTRegie 23 miljoen euro (periode
   2004-2011). Hiervan wordt 6 miljoen euro besteed aan innovatieprogramma’s en
   4 miljoen euro aan Nederlandse ICT-Kenniscongressen.87
   6.          Fes-impulsen 2005 en 2006
   Doel en achtergrond van het instrument
   Het Fonds Economische Structuurversterking (Fes) werd in 1993 opgericht om via
   dit Fonds een deel van de aardgasbaten te bestemmen voor de financiering van
   89  NWO, Begroting 2007 en meerjarencijfers 2008 t/m 2011 (Den Haag, 2006). Naast de eerder genoemde bijdragen aan
       de programmamiddelen door EZ, OCW en NWO van elk 5 miljoen euro, staan ook bijdragen van EZ, OCW en NWO op
       de begroting voor beheers- en apparaatskosten (ca. 5 miljoen).
72 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>   extra investeringsprojecten van nationaal belang die de economische structuur ver-
   sterken. Omdat de gasbaten tijdelijk zijn mogen ze alleen worden gebruik voor tij-
   delijke projecten. Het Fes wordt gevoed door gasbaten en door rentevrijval. De
   omvang van de gasbaten is afhankelijk van de dollarkoers, de olieprijs en ontwikke-
   ling van het volume.90
   De Investeringsimpuls 2005 is het resultaat van besluitvorming in het zgn.
   Paasakkoord en nadere besluitvorming bij begrotingsvoorbereiding 2006 over de
   extra inkomsten Fes. Dankzij hogere baten uit het aardgas was er veel extra geld
   beschikbaar vanuit het Fes. In het Paasakkoord was besloten om Fes-meevallers (ten
   opzichte van de Voorjaarsnota 2005) voor de helft te bestemmen voor kennis- en
   innovatieprojecten, en voor de andere helft voor investeringen in de ruimtelijke eco-
   nomische structuur.91 Voor de Investeringsimpuls 2005 is binnen het Fes in totaal
   500 miljoen euro gereserveerd voor Innovatieprogramma’s/toponderzoek (zie kader
   hieronder). Voor de Investeringsimpuls 2006 werd 300 miljoen gereserveerd voor
   onderzoek en innovatie.
   Werking van het instrument
   Het Fes wordt namens het kabinet beheerd door de minister van Economische
   Zaken en de minister van Financiën. Het kabinet wordt geadviseerd door de ambte-
   lijke overlegorganen Interdepartementale Commissie Ruimtelijke Economie (ICRE)
   voor de ruimtelijk-economische projecten en de Commissie voor Wetenschap-,
   Technologie- en Informatiebeleid (CWTI)92 voor de investeringsprojecten over kennis
   en innovatie. Voor wat betreft de kennis- en innovatieprojecten is het gebruikelijk
   dat bij de selectie van investeringsprojecten de CWTI wordt geadviseerd door de
   zogenoemde ‘Commissie van Wijzen’ ICES/KIS die bestaat uit deskundigen uit ‘het
   veld’ en door het Centraal Planbureau (CPB). De Commissie van Wijzen oordeelt
   over de wetenschappelijke kwaliteit en over de samenhang binnen de kennisinfra-
   structuur. Het Centraal Planbureau (CPB) beoordeelt de vraag in hoeverre projecten
   de maatschappelijke welvaart vergroten. Om de uiteenlopende projectvoorstellen
   tegen elkaar te kunnen afwegen wordt veelal een maatschappelijke kostenbaten-
   analyse gemaakt van de projecten die worden ingediend in het Fes. Departementen
   kunnen projectvoorstellen indienen.
   90   Zie voor achtergronden bij het Fes: Studiegroep Begrotingsruimte, 12e Rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte:
        Vergrijzing en Houdbaarheid (Den Haag, 2006). Hoofdstuk 5 in het rapport is gewijd aan het Fes.
   91   Met de meevaller worden voor de periode tot en met 2010 bedoeld extra Fes-inkomsten die additioneel zijn t.o.v. de
        stand uit de Voorjaarsnota 2005. Voor de periode 2011–2020 worden als extra Fes-inkomsten beschouwd de inkomsten
        die uitgaan boven het niveau dat uitgangspunt was bij de totstandkoming van de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit.
        Dergelijke Fes-meevallers kunnen aldus bijdragen aan een groter aandeel voor onderwijs, kennis en innovatie. (Tweede
        Kamer 30300 D, nr. 2, Vaststelling van de begrotingsstaat van het Fonds economische structuurversterking voor het jaar
        2006; Memorie van toelichting).
   92   Inmiddels is het CWTI veranderd in een bredere interdepartementale Commissie voor Economie, Kennis en Innovatie
        (CEKI).
73 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>   a) Fes-impuls 2005
   De voorbereiding van de totale besluitvorming over de Fes-meevaller in 2005 is in
   een aantal fases verlopen. In het voorjaar is de gebruikelijke procedure doorlopen
   van advisering door de ICRE en CWTI, met daarbij toetsing van de voorstellen door
   het CPB. In het voorjaar 2005 heeft het CPB in totaal 11 projecten op het terrein
   van kennis beoordeeld. Deze beoordeling gaf een wisselend beeld te zien. In de
   hierop volgende afweging van het kabinet zijn sommige voorstellen geheel
   afgevallen en zijn andere voorstellen verbeterd door aanscherping van budgetten,
   meer selectiviteit en door duidelijke voorwaarden te stellen aan de eigen bijdrage
   van andere partijen.
   Door de aanhoudende stijging in olie- en gasprijzen bleek de uiteindelijke meevaller
   in het Fes groter dan halverwege 2005 nog werd voorzien. In juli is besloten tot een
   additionele investeringsimpuls. Daarbij moest niet alleen rekening worden gehou-
   den met de Fes-criteria, maar moest ook 50% voor onderwijs, kennis en innovatie
   worden bestemd. In korte tijd werden projectvoorstellen ingediend door de departe-
   menten. De besluitvorming over deze voorstellen heeft in verschillende tranches van
   eind 2005 tot en met begin 2006 plaatsgevonden.
   b) Fes-impuls 2006
   Voor de Fes-impuls 2006 was in totaal 1,9 miljard beschikbaar.93 Ten behoeve van
   de invulling van deze Fes-impuls zijn door de departementen projectvoorstellen in
   de domeinen ruimtelijke economie, kennis & innovatie en onderwijs ingebracht.
   De voorstellen voor het kennisdomein zijn na een selectie (o.a. een toets op Fes-
   waardigheid) door de CWTI getoetst door het CPB en de Commissie van Wijzen
   ICES/KIS. Vervolgens heeft de CWTI de Fes-beheerders geadviseerd over deze
   projectvoorstellen.
   Voor de innovatieprojecten die door het CPB en door de Commissie van Wijzen
   ICES/KIS als ‘gunstig’ zijn beoordeeld heeft het kabinet Fes-middelen ter beschik-
   king gesteld. Innovatievoorstellen waarover het CPB en de Commissie van Wijzen
   verschillend oordeelden (maar één van de twee is gunstig) zijn na aanpassing en
   onder voorwaarden opgenomen. Voorstellen die negatief scoorden zijn niet geho-
   noreerd.
   In onderstaand kader wordt een overzicht gegeven van de subsidies vanuit de
   Fes-impulsen 2005 en 2006 aan onderzoek en innovatie. De subsidies aan de TTI’s
   (TI Pharma, TTI Groene Genetica, TTI Watertechnologie) en de MTI’s i.o. werden al
   eerder besproken in voorafgaande paragrafen.
   93  Aanvankelijk had het kabinet besloten dat in de zomer van 2006 een Fes-impuls van 1,4 miljard euro zou plaatsvinden.
       Daarna zijn in de zomer van 2006 echter de aardgasbaten als gevolg van de aanhoudend hogere olieprijs aangepast.
       Voor het Fes betekent deze aanpassing een stijging van de voeding met circa 1,5 miljard euro ten opzichte van eerdere
       ramingen. Het kabinet heeft besloten om de nieuwe Fes-meevaller op dat moment niet geheel te bestemmen. Alleen de
       extra aardgasbaten die samenhangen met een hogere olieprijs in 2006 zijn met uitgaven belegd. Het gaat dan om 0,5
       miljard extra.
74 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>   Overzicht Fes-impulsen in onderzoek & innovatie (in miljoen euro)
   Fes-impuls 2005 (besluitvorming juni)                                  359
   • Topinstituut Pharma                                                  130
   • Samenwerking 3 TU’s                                                   50
   • Holst centrum (IMEC-NL & TNO)                                         40
   • ICT & maatschappelijke sectoren                                       40
   • Innovatieprogramma’s / sleutelgebieden                                40
   • TNO clean rooms voor nanotechnologie                                  17
   • Technostarters                                                        12
   • TNO automotive                                                        11
   • Ecologisch onderzoeksprogramma toekomstige transgene gewassen         10
   • Plantkundig onderzoek                                                  9
   Fes-impuls 2005 (besluitvorming augustus)                              141
   • TTI WCFS+ (huidige naam: Top Institute Food & Nutrition)              33
   • TTI Groene genetica                                                   20
   • PPS Scheidingstechnologie (Dutch Separation Technology Institute)     15
   • Innosport Nederland                                                   15
   • GATE - Game Research for Training and Entertainment                   10
   • Phytophtora resistente aardappel                                      10
   • Creatieve industrie – technostarters                                   5
   • Veiligheidsverbetering door Information Awareness                      5
   • Potato Genoom Sequencing consortium                                    3
   • Ruimte voor water én economische ontwikkeling in Haaglanden            3
   • Zes projecten om een goed voorstel uit te werken tbv FES-impuls 2006  22
   Fes-impuls 2005 (totaal)                                               500
   FES-impuls 2006                                                        300
   • Centre for Translational Molecular Medicine CTMM                     150
   • TTI watertechnologie                                                  35
   • Parelsnoer (universitaire medische centra)                            35
   • Impuls veterinaire aviaire influenza onderzoek                        15
   • MTI voor de steden, NICIS                                             15
   • ITER (internationale proefcentrale voor fusie-energie in Frankrijk)   15
   • RSV-vaccin                                                            28
   • Restant veterianaire aviaire influenza                                 5
75 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>   7.          Smart Mix
   Doel en achtergrond van het instrument
   In het Wetenschapsbudget 2004 is besloten vanuit de kennisenveloppe extra geld
   uit te trekken voor de dynamise-ring van de kennisketen, oplopend tot 100 miljoen
   per jaar in 2007 en daarna (waarvan 50 miljoen via de OCW-begroting en 50 mil-
   joen via de EZ-begroting). De bedoeling was dit bedrag aan te vullen met maximaal
   100 miljoen per jaar uit de eerste geldstroom, met bestaande budgetten en met bij-
   dragen van het bedrijfsleven. De Smart Mix werd ingezet om actie te ondernemen
   tegen de versnippering van onderzoeksmiddelen en tegen de kennisparadox. De
   Smart Mix kent daarom twee doelstellingen:94
   •        het creëren van maatschappelijke en economische waarde (valorisatie) in de
            brede betekenis van het begrip (door de versterking van de wisselwerking
            tussen bedrijven en publieke kennisinstellingen)
   •        het versterken van focus en massa in wetenschappelijk excellent onderzoek
            (versterking van excellente onderzoeksgroepen aan de universiteiten)
   Over het geheel van het Smart Mix-programma zullen beide doelstellingen in de loop
   der jaren met elkaar in balans moeten zijn, zowel in aandacht als ook financieel.
   Smart Mix subsidieert excellent onderzoek op alle mogelijke (wetenschappelijke)
   gebieden en in alle maatschappelijke sectoren. Er worden vooraf geen thema’s of
   zwaartepunten gedefinieerd, maar het onderzoek moet wel gerelateerd zijn aan
   vraagstukken uit de markt en maatschappij. Het onderzoek beslaat bij voorkeur de
   gehele kennis- en innovatieketen: van fundamenteel en toegepast onderzoek tot en
   met preconcurrentiële ontwikkeling (prototype). De nadruk op onderdelen mag ver-
   schillen. Jaarlijks is er circa 100 miljoen euro beschikbaar voor ondersteuning van
   consortia van kennisinstellingen en bedrijven en/of maatschappelijke organisaties.
   De subsidie uit het Smart Mix-programma is bedoeld als programmafinanciering en
   niet bestemd voor instituutsfinanciering. Over het geheel van de inzet van de
   middelen voor het Smart Mix programma moeten de twee doelstellingen (focus &
   massa en valorisatie) in min of meer gelijke mate worden gehonoreerd.
   De verwachte gemiddelde programmakosten variëren tussen de 3 à 10 miljoen euro
   per jaar gedurende 4 à 8 jaar. Maximaal 60% van de totale subsidiabele kosten van
   een onderzoeksvoorstel komen voor subsidie door Smart Mix in aanmerking. De
   gehanteerde kostendefinitie komt overeenkomt met die van de Subsidieregeling
   IOP-TTI module.
   94  Ministerie van Economische Zaken en ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Subsidieregeling Smart Mix
       (Staatscourant 27 maart 2006, nr. 61), p. 11.
76 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>   Overzicht gehonoreerde Smart Mix-programmavoorstellen (in miljoen euro)95
   •        MEMPHIS: Merging Electronics and Micro and Nano
            Photonics in integrated systems                                                                              18
            Memphis staat voor het samensmelten van elektronica en fotonica waarbij
            nieuwe geavanceerde bouwstenen ontstaan voor een grote hoeveelheid ver-
            schillende apparaten. Deze bouwstenen moeten steeds kleiner worden met
            toenemende besturingsfunctionaliteit en geschikt worden gemaakt voor
            onder andere de medische industrie, communicatiemiddelen, displays, en
            verlichting. Lionix BV is penvoerder. Partners: o.a. de 3 TU’s, AMC, VU,
            Erasmus MC, Philips, ASML, FEI, Tempress, Imec, PhoeniX, Genexis.
   •        BRAINGAIN: brain-computer and computer-brain interfaces                                                    14,6
            Het consortium gaat krachten bundelen op het gebied van Brain-Computer en
            Computer-Brain Interfacing. Doel is om recente ontwikkelingen op het gebied
            van de analyse en beïnvloeding van hersenactiviteit toe te passen ten behoeve
            van verbetering van de levenskwaliteit en prestatie van zowel patiënten als
            gezonde personen. Radboud Universiteit Nijmegen is penvoerder. Partners: de
            universiteiten van Nijmegen, Utrecht, Maastricht en Twente, TNO en een aantal
            grote (o.a. Philips) en kleine bedrijven en patiëntengroeperingen
   •        SMARTPIE: SMART systems based on integrated PIEzo                                                           7,1
            SMARTPIE zal de Nederlandse industrie excellente piëzotechnologie ter
            beschikking stellen, ontwerpregels voor piëzosensoren en piëzoactuatoren
            voor consumenten en professionele nieuwe materiaal combinaties van piëzo
            met MEMS en polymeren te ontwikkelen. Stichting Applied Piezo is penvoer-
            der. Partners: o.a. de drie TU’s, Océ, Aemics, C2V, d-Switch en Imotec.
   •        NIMIC: Nano Imaging under industrial conditions                                                              14
            Het doel van NIMIC is om een scala aan fysische, chemische en biologische
            verschijnselen zichtbaar te maken die plaatsvinden op de schaal van atomen
            en moleculen. De krachtige, nieuwe microscopen die NIMIC ontwikkelt, wor-
            den toegepast op o.a. katalyse, borstkankeronderzoek en nanotechnologie.
            TU Delft is penvoerder. Partners: o.a. TU Delft, Universiteit Leiden, FEI
            Company, Leiden Probe Microscopy, Albemarle Catalysts Company BV, Leiden
            Universitair Medisch Centrum (LUMC), Nederlands Kanker Instituut – Antoni
            van Leeuwenhoek Ziekenhuis (NKI/ AvL), Shell Global Solutions International
   •        New generation screens for drugs                                                                             14
            Het consortium gaat medicijnen ontwikkelen tegen ouderdomsziekten van
            botten en gewrichten. Nieuwe onderzoeksmodelen gebaseerd op zebravissen
            zullen gebruikt worden in plaats van de kostbare zoogdiermodelen.
   95  Subsidiebedragen gebaseerd op: Tweede Kamer 31031 VIII, nr. 6, Jaarverslag en slotwet ministerie van Onderwijs,
       Cultuur en Wetenschap 2006; Lijst van vragen en antwoorden, p. 8. Zie ook de website van Smart Mix voor een
       overzicht van de zeven winnaars: http://www.smartmix.nl/site/cm_bestanden/display_bestand.asp?id=10002569.
77 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>           Universiteit Leiden is penvoerder. Partners: Hubrecht Laboratorium, RU
           Nijmegen, SERPO Reptilenzoo Delft; VU Medisch Centrum; Galapagos BV;
           Arthrogen BV; Progentix BV; Glaxo Smith Kline Ltd.; SERONO; ZFScreens BV;
           Universiteit Leiden; Leidse Universiteit Medisch Centrum; Agendia BV;
           Amsterdam Medisch Centrum (AMC).
   •       TeRM: Translational excellence in Regenerative Medicine                       15
           Regeneratieve geneeskunde richt zich op lichaamseigen herstel van aangeda-
           ne weefsels en organen. Er is veel translationeel onderzoek nodig om deze
           technologie in patiënten toe te passen. Het TeRM programma is gericht op
           bot, kraakbeen, hart en bloedvaten. Universiteit Twente is penvoerder.
           Partners: o.a. Universiteit Twente, TU Eindhoven, UMC Utrecht, UMC St
           Radboud, Leids Universitair Medisch Centrum, UMCG, CARIM –
           CArdiovascular Research Institute Maastricht, Erasmus MC, Progentix, Signifix
           – Quality Consultants and Regulatory Affairs in Life Sciences, CellCoTec –
           Cartilage Repair Technology.
   •       CATCHBIO: Catalysis for Sustainable Chemicals from Biomass                  16,6
           Biomassa is het duurzame alternatief voor fossiele grondstoffen. CatchBio
           gaat nieuwe energetisch efficiënte katalysatoren en schonere processen ont-
           wikkelen. Dit moet resulteren in een hoogwaardige omzetting van biomassa
           in goedkope biobrandstoffen, chemicaliën en farmaceutica en een lagere
           emissie van broeikasgassen. Het Nederlands Instituut voor Onderzoek in de
           Katalyse (NIOK, Universiteit Utrecht) is penvoerder. Partners: o.a. Universiteit
           Utrecht, Universiteit van Amsterdam, TU Delft, Universiteit Twente,
           Universiteit Leiden, RU Nijmegen, TU Eindhoven, Rijksuniversiteit Groningen,
           Energieonderzoek Centrum Nederland, Wageningen Agrotechnology and
           Food Innovations, Shell Global Solutions, DSM Research, Dow Benelux, BASF
           Nederland, Organon, Sasol Technology, Avantium, Albemarle Catalysts,
           BIOeCON, Hybrid Catalysis, Vibspec.
   Werking van het instrument
   De beschikbare middelen worden weggezet in minimaal één jaarlijkse toekennings-
   ronde. Programmavoorstellen kunnen worden ingediend door consortia en worden
   beoordeeld op twee centrale criteria: (1) focus en massa in excellent wetenschappe-
   lijk onderzoek en (2) economische, sociaalmaatschappelijke of culturele waardecrea-
   tie. Een programmavoorstel moet op beide criteria goed scoren, maar de nadruk
   kan uiteenlopen. De ingediende programmavoorstellen worden behandeld door het
   Smart Mix secretariaat (een mix van NWO en SenterNovem) en een breed samenge-
   stelde Adviescommissie Smart Mix.
   De selectieprocedure bestaat uit twee stappen, ook om zo de administratieve
   belasting voor consortia zo veel mogelijk te beperken. Consortia dienen als eerste
   stap een vooraanmelding in te dienen. Na toetsing op volledigheid en eventuele
78 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>   afstemming met desbetreffende regieorganen (ACTS, NGI en ICTRegie) voorziet het
   secretariaat de ontvangen vooraanmeldingen van een kort advies. Vervolgens wor-
   den ze door de Adviescommissie beoordeeld op de twee genoemde criteria. De best
   scorende consortia worden uitgenodigd een uitgewerkt programmavoorstel in te
   dienen. In de tweede stap wordt de wetenschappelijke kwaliteit van de uitgewerkte
   programmavoorstellen beoordeeld door externe deskundigen. De definitieve selectie
   gebeurt op basis van het programmavoorstel, een hoor en wederhoor procedure en
   een presentatie van het consortium voor de adviescommissie. De Adviescommissie
   adviseert de minister van EZ en het Algemeen Bestuur van NWO.
   In de eerste ronde van het Smart Mix instrument dienden 155 consortia (!) een
   vooraanmelding in.96 Na de eerste selectieronde dienden 18 consortia een uitge-
   werkt voorstel in (300 miljoen euro gevraagde subsidie). Na de tweede selectieron-
   de kregen zeven uitgewerkte programmavoorstellen een positief advies van de
   Adviescommissie Smart Mix. Opvallend is dat alle voorstellen zich bevinden in de
   natuurwetenschappelijke, technische of (bio-)medische disciplines.
   Inmiddels is de Smart Mix regeling al na één ronde gestopt door het nieuwe kabinet.
   8.          Innovatieprogramma’s op sleutelgebieden97
   Doel en achtergrond
   In het innovatiebeleid van EZ wordt sinds 2005 gewerkt volgens de programmati-
   sche aanpak die voor een belangrijk deel is gebaseerd op de sleutelgebiedenaan-
   pak, zoals voorgesteld door het Innovatieplatform. Uitgangspunt bij het nieuwe
   beleid is dat Nederland kiest voor gebieden die een belangrijke bijdrage kunnen
   leveren aan duurzame economische groei in Nederland en internationaal onder-
   scheidend zijn. Deze keuzes worden in de eerste plaats door bedrijven en kennisin-
   stellingen zelf gemaakt, maar EZ vervult daarbij een actieve faciliterende rol. Binnen
   het instrumentarium van EZ is het ‘programmatisch pakket’ gericht op innovatiepro-
   gramma’s voor sleutelgebieden. Deze programma’s beogen de interactie en wissel-
   werking tussen de private sector en de publieke kennisinfrastructuur te stimuleren.
   Slechts een beperkt deel van de subsidie gaat naar het publieke onderzoeksbestel.
   Innovatieprogramma’s moeten internationaal onderscheidend zijn en een gerichte
   focus hebben op onderdelen van een markt en technologie waarin Nederland kan
   uitblinken. Programma’s omvatten niet alleen R&D-projecten, maar zijn juist ook
   gericht op het toepassen en het vermarkten van kennis. Stimulering van het MKB
   en start-ups en benutting van ‘human capital’ door vraag en aanbod op de arbeids-
   96  Er werd voor 2,1 miljard euro aangevraagd, terwijl er 100 miljoen beschikbaar was.
   97  Ministerie van Economische Zaken, Investeren in innovatieprogramma’s. Sleutelgebiedenaanpak: samenwerken aan inno-
       vatie op kansrijke gebieden (Den Haag, 2006).
79 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>   markt beter op elkaar aan te laten sluiten zijn van groot belang. Voor de realisatie
   van de programma’s moet met name het bedrijfsleven financieel commitment tonen
   en bereid zijn tot (grote) investeringen.
   Het Innovatieplatform heeft zes sleutelgebieden geïdentificeerd: Flowers & Food,
   Water, High Tech Systemen en Materialen, Creatieve Industrie, Chemie en Pensioenen
   en Sociale Verzekeringen. Daarnaast is er een opkomend sleutelgebied op het gebied
   van dienstverlening: The Hague, Residence of Peace and Justice.98 ICT en energie spe-
   len een belangrijke rol als ‘innovatie-as’ in alle sectoren van de economie.
   Bij zijn voorstellen voor sleutelgebieden in 2004 vond het Innovatieplatform dat een
   aantal gebieden, waaronder Life Sciences & Gezondheid, (nog) niet tot sleutelge-
   bied benoemd kon worden omdat het nog niet voldeed aan alle criteria.99 In de vier-
   de voortgangsrapportage van EZ over de sleutelgebieden en de programmatische
   aanpak (september 2007) vermeldt EZ dat inmiddels wordt gewerkt aan de ontwik-
   keling van innovatieprogramma’s op het gebied van Life Sciences & Gezondheid,
   Materialen en Chemie/polymeren.
   Nieuwe ontwikkeling: Maatschappelijke innovatieprogramma’s
   Het kabinet Balkenende IV heeft in 2007 het interdepartementale project Nederland
   Ondernemend Innovatieland (NOI) gestart waarbinnen wordt gewerkt aan een
   maatschappelijke innovatieagenda, op basis waarvan nieuwe maatschappelijke inno-
   vatieprogramma’s zullen worden gestart. Bij de innovatieprogramma’s op de sleutel-
   gebieden zijn de ambities van bedrijven en kennisinstellingen leidend, terwijl maat-
   schappelijke innovatieprogramma’s worden ontwikkeld op basis van maatschappe-
   lijke vraagstukken. In 2008 zullen vanuit NOI de eerste drie maatschappelijke inno-
   vatieprogramma’s starten rond energie, zorg en water.100
   Er zijn op dit moment vijf innovatieprogramma’s gestart om de sleutelgebieden te
   versterken. Het gaat om programma’s voor nanotechnologie en embedded systems,
   voeding, de automobielsector, watertechnologie en de maritieme sector.
   98   Ministerie van Economische Zaken, Investeren in innovatieprogramma’s. Sleutelgebiedenaanpak: samenwerken aan inno-
        vatie op kansrijke gebieden (Den Haag, 2006).
   99 De criteria zijn: (1) Zijn de voorgestelde acties effectief en doelmatig? (2) En hebben ze betrekking op een combinatie
        van bedrijvigheid en kennis met: aansprekende en motiverende zakelijke en maatschappelijke ambities; organiserend ver-
        mogen en commitment van de betrokken partijen; diverse en mondiaal concurrerende economische bedrijvigheid; en in
        internationaal perspectief hoogwaardige kennis en technologie. (Innovatieplatform, Voorstellen Sleutelgebiedenaanpak.
        Ambitie, excellentie en actie. Van dijkgraaf tot art director: voorstellen tot actie van het Innovatieplatform (Den Haag,
        2004).
   100 Ministerie van Economische Zaken en SenterNovem, Innovatieprogramma’s: Volop in bedrijf (Den Haag, 2007).
80 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>   Overzicht innovatieprogramma’s op sleutelgebieden (subsidie in miljoen euro)101
   1. Sleutelgebied High Tech Systemen & Materialen
   Innovatieprogramma Point-One (nanoelektronica & embedded systemen)
   (2006-2010)                                                                                                                54
   Het programma Point-One (Pole of innovative technology on nanoelectronics and
   embedded systems) heeft de ambitie om een op excellentie gericht innovatiecluster
   voor nanotechnologie en embedded systemen te vormen van samenwerkende
   bedrijven en kennisinstellingen. Op termijn moet Nederland wereldleider zijn op
   deze gebieden met een faam vergelijkbaar met Silicon Valley. Het programma is
   opgericht door ASML, Philips, NXP, ASMI, het Holst Center en het ESI. In 2006 is
   gestart met het pilot-programma Point-One waarin inmiddels twee ‘Boegbeeld’-pro-
   jecten zijn gestart en de strategische onderzoeksagenda verder is uitgewerkt. Point-
   One heeft vier programmalijnen, die zich met name richten op ‘excellente R&D’,
   ‘open innovatie’, een ‘centrale rol voor MKB en startups’ en het ‘bevorderen en
   benutten van menselijk kapitaal’. EZ heeft voor de periode 2006-2010 54 miljoen
   euro beschikbaar gesteld voor Point-One.102
   Overheidsondersteuning van nanoelektronica en embedded systemen is breder dan
   Point-One. Reeds lopende initiatieven zijn: het Holst Centre (40 miljoen euro uit
   Fes-impuls 2005), het Embedded Systems Institute (25 miljoen via Bsik), MicroNed en
   NanoNed (28 en 95 miljoen via Bsik) en de grote strategische Eureka-projecten op het
   gebied van micro-electronicastimulering ITEA en MEDEA+ (ca. 43 miljoen per jaar).
   Innovatieprogramma High Tech Automotive Systems (2007-2011)                                                                42
   In mei 2006 zetten toeleveringsbedrijven in de Automotive sector een eerste stap
   op weg naar een nieuw innovatieprogramma met de publicatie van een strategische
   visie. Met behulp van dit visiedocument werd geprobeerd het draagvlak in de sector
   te verbreden. Vervolgens werkten de initiatiefnemers verder aan de strategische
   agenda. Nadat de visie en de strategische agenda aan de minister zijn aangeboden
   werd in mei 2007 bekend dat EZ 42 miljoen euro reserveert op de begroting voor
   het High Tech Automotive Systems (HTAS) gedurende 2007-2011.103
   De verhuizing van TNO Automotive van Delft naar Eindhoven ter versterking van het
   kenniscluster Brainport werd eerder al ondersteund met 11 miljoen euro uit Fes-impuls
   2005.
   101 De meest recente informatie over de programmatische aanpak van EZ is te vinden in de vierde voortgangsrapportage van
        EZ over de sleutelgebiedenaanpak: Ministerie van Economische Zaken en SenterNovem, Innovatieprogramma’s: Volop in
        bedrijf (Den Haag, 2007).
   102 EZ werkt aan een faciliteit waar vanaf 2008, 41 miljoen euro per jaar is gereserveerd voor internationale activiteiten
        oplopend naar 42,5 miljoen euro in 2010. (Ministerie van Economische Zaken en SenterNovem, Innovatieprogramma’s:
        Volop in bedrijf (Den Haag, 2007), p. 15).
   103 Ministerie van Economische Zaken en SenterNovem, Innovatieprogramma’s: Volop in bedrijf (Den Haag, 2007), p. 16. Zie
        ook: Persbericht EZ, 24 mei 2007, ‘Van der Hoeven stelt 42 miljoen euro beschikbaar voor innovatie automobielsector’.
81 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>   Innovatieprogramma (in ontwikkeling) Materialen
   In 2006 heeft het Technologisch Topinstituut NIMR het initiatief genomen om samen
   met industriële bedrijven, kennisinstellingen en de overheid een innovatieprogramma
   te ontwikkelen op het gebied van materialen: ‘Materials to innovate the industry’
   (M2i). Het programmavoorstel M2i zal in oktober 2007 aan de Strategische
   Adviescommissie ter advies worden voorgelegd. Op basis van dit advies zal naar
   verwachting voor het einde van dit jaar besluitvorming kunnen plaatsvinden.104
   2. Sleutelgebied Flowers & Food
   Innovatieprogramma Food and Nutrition Delta (FND) (2006-2010)                                                   124,5
   Dit innovatieprogramma is opgezet door meer dan 60 partijen, waaronder alle groot-
   bedrijven, het MKB, brancheorganisaties en kennisinstellingen, in samenwerking met
   de ministeries van EZ en LNV. Het FND-programma heeft als doel om van Nederland
   de leidende regie in Europa te maken voor innovatie in Food & Nutrition. Het FND-
   programma ondersteunt innovatieve projecten in de voedingsmiddelenindustrie en
   het deel van de industrieketen ná de oogst. De onderwerpen waarop het FND-pro-
   gramma zich richt zijn voedselkwaliteit, smaakstructuur en voedselveiligheid. De
   doelstellingen zijn (1) het ondersteunen van een duurzame en competitieve voe-
   dingsindustrie en het versterken van het vermogen van de Europese voedingsin-
   dustrie om nieuwe markten te creëren en te exploiteren die minder gevoelig voor
   prijsconcurrentie zijn; (2) het op een termijn van 3-8 jaar creëren van sterkere en
   meer innovatieve MKB-bedrijven die een dominante rol in de markt kunnen spelen
   en als toeleverancier kunnen optreden voor grote bedrijven; (3) goede mogelijkheden
   creëren voor spinning out en spinning in van technische innovaties in de innovatieke-
   ten; en (4) het bevorderen van de kwaliteit van leven van mensen door voedingspro-
   ducten te produceren die een gezond voedingspatroon en levensstijl bevorderen.
   Binnen het FND-programma voert het TTI Wageningen Centre for Food Sciences
   (WCFS+, inmiddels omgedoopt tot Top Institute Food & Nutrition) een onderzoeks-
   programma uit dat is gericht op het ontwikkelen van nieuwe strategische kennis
   voor producten en processen. De EZ-bijdrage aan dit topinstituut is 61 miljoen euro
   (2006-2009).105
   Daarnaast worden er vanuit het FND-programma R&D-projecten gefinancieerd die
   zijn gericht op het vertalen van de kennis op het gebied van ‘Food & Nutrition’ naar
   nieuwe producten, processen en diensten (marktgedreven innovatie). Ook zal er
   activiteiten worden ondersteund om het MKB meer dan nu tot innovatie aan te
   zetten (competentieontwikkeling van het MKB). Voor dit tweede onderdeel van het
   104 Ministerie van Economische Zaken en SenterNovem, Innovatieprogramma’s: Volop in bedrijf (Den Haag, 2007), p. 18.
   105 Ministerie Ministerie van Economische Zaken en SenterNovem, Innovatieprogramma’s: Volop in bedrijf (Den Haag, 2007),
       p. 23.
82 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>   FND-innovatieprogramma is voor de peroiode 2006-2010 63,5 miljoen euro
   beschikbaar.106 Waar relevant zal het FND-programma proberen aan te sluiten bij
   andere initiatieven zoals het TTI Groene Genetica, het TI Pharma en de Nationale
   Genomics strategie.
   Innovatie en Kennisagenda Tuinbouwcluster
   De Stuurgroep Tuinbouwinnovatie heeft in samenwerking met de tuinbouwketen en
   kennisinstellingen een innovatie- en kennisagenda voor het tuinbouwcluster107
   opgesteld om daarmee het sleutelgebied Flowers & Food nader uit te werken.
   Hierin wordt beschreven wat moet worden gedaan om de internationale toppositie
   van de Nederlandse tuinbouw voor de toekomst te borgen en uit te bouwen. Er
   worden zes speerpunten onderscheiden: Greenports, hart van internationale
   netwerken; Energieweb en Kas als Energiebron; TTI Groene Genetica; Markt en
   consument, gezondheid en welbevinden; Intelligente kas in een intelligente keten;
   Leren innoveren. De eesrte drie speerpunten zijn uitgewerkt en in gang gezet.
   Nadat de agenda in juli 2005 was aangeboden aan de ministers van LNV en EZ zijn de
   initiatiefnemers verder gegaan met het oprichten van de Stichting Innovatie Flowers &
   Food108 en een werkorganisatie om de agenda om te zetten in een innovatiepro-
   gramma voor de overige drie speerpunten. In juni 2007 werd door de Stichting het
   ‘Innovatieprogramma Flowers & Food 2007-2012: Winnen aan waarde’ gepresenteerd.
   Het Innovatieprogramma vergt over de volledige looptijd een investering van 120
   miljoen euro, met een overheidsbijdrage van 61,5 miljoen euro. Er is nog geen beslis-
   sing genomen door de overheid over de financiering van dit innovatieprogramma.
   Voor de uitvoering van het eerste speerpunt, het ‘Greenport(s) Manifest’ heeft het
   Kabinet 45 miljoen euro gereserveerd.
   Voor de uitvoering van het derde speerupunt, TTI Groene Genetica109 (een initiatief
   van de Nederlandse plantenveredelingsbedrijven in samenwerking met de branche-
   vereniging Plantum NL en de kennisinstellingen) is 20 miljoen beschikbaar gesteld
   uit de Fes-impuls 2005 voor het opzetten van dit topinstituut dat in 2007 is gestart.
   3. Sleutelgebied Water
   Binnen het brede sleutelgebied Water zij ntwee programma’s gestart op de onder-
   werpen Watertechnologie en Maritiem Cluster. Een derde programma op het gebied
   van Deltatechnologie is in ontwikkeling.
   106 Zie ook Persbericht EZ, 13 september 2006, ‘63,5 miljoen euro beschikbaar voor innovatieprogramma Food & Nutrition
        Delta’.
   107 Stuurgroep Tuinbouwinnovatie, Innovatie- en Kennisagenda Tuinbouwcluster 2020: Flowers & Food (Zoetermeer, 2005).
   108 Website van de stichting: http://www.flowersfood.nl/.
   109 Het TTI Groene Genetica is gericht op het ontwikkelen van nieuw plantmateriaal waarmee optimale groei, ontwikkeling
        en productie gerealiseerd kan worden onder nieuwe teelt- en milieucondities. Drie kerndisciplines worden gecombineerd
        in onderzoek: genetica, plantenziektenkunde en plantenfysiologie.
83 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>   Innovatieprogramma Watertechnologie (2006-2011)                                                                        45
   Nederland beschikt over veel wetenschap en ervaring op het gebied van waterzuive-
   ringtechnologie. Specifieke aandachtsgebieden van de sector zijn kwaliteit van
   drinkwater (gezondheid) en kwaliteit van oppervlaktewater (milieu). Nieuwe uitda-
   gingen op innovatiegebied zijn de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn
   Water en de verwezenlijking van de Millennium Development Goals.
   Naar aanleiding van de uitnodiging van het Innovatieplatform om de sleutelgebieden
   nader in te vullen heeft de waterzuiveringssector een gemeenschappelijke visie en
   ambitie ontwikkeld en een strategische agenda geformuleerd. Vervolgens heeft de
   Stuurgroep Watertechnologie het innovatieprogramma opgesteld, waarbij drie werk-
   groepen de drie pijlers van het programma verder hebben uitgewerkt.110 Na indiening
   van het voorstel werd het voorstel positief beoordeeld door de Strategische
   Adviescommissie. Inmiddels ondersteunt EZ het programma dat de volgende onder-
   delen bevat: (i) een TTI Watertechnologie; (ii) de subsidieregeling InnoWATOR111; (iii)
   de Garantieregeling voor Launching Customers; (iv) internationale R&D samenwer-
   king; en (v) exportbevordering voor consortia. Voor de periode 2006 t/m 2010 is
   door de overheid in totaal 80 miljoen euro gereserveerd om de uitvoering van onder-
   delen uit het Innovatieprogramma Watertechnologie te ondersteunen. Hieronder val-
   len 35 miljoen uit de Fes-impuls 2006 voor het TTI Watertechnologie, 25 miljoen
   voor de regeling innoWATOR, 10 miljoen voor internationale samenwerkingsprojec-
   ten in R&D en 8 miljoen voor proef- en demonstratieprojecten.112
   Maritiem Innovatieprogramma (2007-2012)                                                                              39,5
   De maritieme sector die bij de opzet van het innovatieprogramma betrokken is,
   bestaat uit offshore, maritieme maakindustrie (onder andere scheepswerven) en
   natte waterbouw (baggeraars). Gezamenlijk is een visiedocument en een strategische
   agenda opgesteld. De visie en de agenda zijn vertaald in het Maritiem Innovatie
   Programma (MIP). De offshore wil de komende jaren een belangrijke rol gaan spelen
   op de terreinen diepzeewinning en de LNG supply chain. Hiervoor is een technolo-
   giedoorbraak nodig. Voor de maritieme maakindustrie ligt de nadruk op het
   ontwikkelen van een aantal niches, zoals snelle patrouillevaartuigen. Hiervoor zijn
   product- en procesontwikkeling belangrijk. De natte waterbouw zet zich in voor een
   110 De werkgroep Onderzoek en Ontwikkeling richtte zich op de lange termijn onderzoeksagenda, het verkennen van de
       mogelijkheden voor een TTI Watertechnologie en het onderzoeken van een manier om onderzoeksprojecten te genere-
       ren en te financieren. De werkgroep Innovaties naar de thuismarkt richtte zich op de snelle marktintroductie van
       bestaande kennis en verkende de mogelijkheden van een risico- of garantiefonds. De werkgroep Innovaties voor de
       exportmarkt richtte zich op kansrijke productmarktcombinaties.
   111 De subsidieregeling InnoWATOR is erop gericht om kennis te vertalen naar nieuwe producten en diensten, bijvoorbeeld
       op het gebied van afvalwaterzuivering of drinkwater. Met de regeling kunnen projectvoorstellen worden ondersteund
       waarbinnen bedrijven en kennisinstellingen samenwerken aan onderzoek en ontwikkeling voor innovaties.
   112 Ministerie van Economische Zaken en SenterNovem, Innovatieprogramma’s: Volop in bedrijf (Den Haag, 2007), p. 29. Zie
       ook Persbericht EZ, 28 september 2006, ‘Van Gennip stelt 45 miljoen extra beschikbaar voor innovatieprogramma
       Watertechnologie’.
84 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>   deelprogramma dat de ecologische effecten van deze sector beter voorspelbaar
   maakt. Na een positief advies van de Strategische Adviescommissie stelde EZ in juni
   2007 39,5 miljoen euro beschikbaar voor het innovatieprogramma voor de maritieme
   sector.113 De speerpunten van het innovatieprogramma zijn onder andere: winning
   van olie en gas in extreem diep water; nieuwe technieken en methoden voor win-
   ning en transport van vloeibaar aardgas; specialisatie in complexe schepen voor spe-
   ciale toepassingen (bijvoorbeeld snelle patrouillevaartuigen en baggerschepen);
   investeringen in goed opgeleide mensen en behoud van personeel; en het opheffen
   innovatiedrempels (aanpassing van verouderde wet- en regelgeving).
   Deltatechnologie
   In de Innovatiebrief van V&W (mei 2006) wordt een innovatieprogramma beschreven
   waarin vijf thema’s zijn uitgewerkt in concrete publiek-private innovatieacties, name-
   lijk Ruimte voor de rivier; Kust; Kaderrichtlijn water; Leven in een verstedelijkte Delta;
   en Water en informatie. Het innovatieprogramma is het startpunt voor de Stuurgroep
   DeltaTechnologie die werd gelanceerd in november 2006. De stuurgroep gaat wer-
   ken aan het opstellen van een innovatie- en implementatieprogramma gericht op
   een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten binnen
   Nederland én aan het versterken van de positie van het Nederlandse bedrijfsleven op
   de internationale watermarkt. De Stuurgroep heeft de ambitie om dé ontmoetings-
   plaats te zijn voor publieke en private partijen en is gericht op het samenbrengen
   van vraag en aanbod. In het kader van vraagsturing wordt er een duidelijke link
   voorzien met het instituut Deltares dat in 2007 zal worden opgericht.114
   Aan het project Ruimte voor water én economische ontwikkeling in Haaglanden
   werd in een eerder stadium 3 miljoen euro ter beschikking gesteld in de Fes-ronde
   2005.
   4. Sleutelgebied Creatieve industrie
   Programma voor de Creatieve Industrie                                                                                  15,4
   In oktober 2005 presenteerde het kabinet de Brief Cultuur en Economie ‘Ons
   Creatieve Vermogen’ waarin een pakket maatregelen werd aangekondigd, met als
   doel een brug te slaan tussen creativiteit en economie. Dit pakket is het Programma
   113 Ministerie van Economische Zaken en SenterNovem, Innovatieprogramma’s: Volop in bedrijf (Den Haag, 2007), p. 32. Zie
        ook Persbericht EZ, 20 juni 2007, ‘39,5 miljoen euro voor Maritiem Innovatie Programma’.
   114 In Deltares wordt de in Nederland aanwezige kennis, ervaring en specialisten op het gebied van water en ondergrond
        gebundeld. Daarmee wil het de internationale kennis- én concurrentiepositie van Nederland versterken. Deltares wil tot
        de internationale top behoren op het gebied van innovatieve kennis van water en ondergrond. Het instituut levert dien-
        sten aan zowel de overheid als het bedrijfsleven en streeft een intensieve samenwerking na met kennisinstituten in
        binnen- en buitenland. Twee Grote Technologische Instituten (WL | Delft Hydraulics en GeoDelft), delen van TNO Bouw
        en Ondergrond en delen van de specialistische diensten (DWW, RIKZ en RIZA) van Rijkswaterstaat vormen samen het
        nieuwe instituut. De personele omvang van Deltares bedraagt in de startfase 700 tot 800 fte. De omzet is 80 miljoen
        euro per jaar. Zie voor meer informatie: http://www.deltares.nl.
85 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>   voor de Creatieve Industrie en heeft als doel de economische potentie van cultuur
   en creativiteit te versterken door het creatieve vermogen van het Nederlandse
   bedrijfsleven een impuls te geven. Voor de uitwerking van de brief Cultuur en
   Economie werd een bedrag van 15,4 miljoen euro uitgetrokken voor de periode
   2005-2008. Deze middelen zijn afkomstig uit de begrotingen van EZ en OCW.115 De
   meest omvangrijke post betreft een reservering van 8 miljoen euro voor de Creative
   Challenge Call, die is bedoeld als eerste aanzet om de door het kabinet gewenste
   verbindingen en dynamiek tussen cultuur en economie tot stand te brengen.
   Het Programma voor de Creatieve Industrie bestaat uit 5 actielijnen:116 (1) Actieve
   verbindingen leggen tussen creatieve bedrijfstakken, andere delen van het
   Nederlandse bedrijfsleven en kennisinstellingen;117 (2) Financiële condities voor crea-
   tieve bedrijven verbeteren door financieringsmogelijkheden nadrukkelijker te richten
   op creatieve sectoren en door arrangementen te creëren die hun financiële basis
   versterken; (3) De randvoorwaarden rondom intellectueel eigendom verbeteren; (4)
   Internationalisering intensiveren; en (5) De zakelijke onderbouw van het cultureel
   management professionaliseren.
   Het programma is experimenteel en tijdelijk van aard, en EZ en OCW zullen op basis
   van tussentijdse evaluatie nagaan of de gewenste verbinding tussen creatieve
   bedrijfstakken en de economie een duurzaam karakter heeft – of dat structurele
   voorzieningen nodig zijn om de aansluiting te realiseren.
   5. Sleutelgebied Chemie
   Er is een Regiegroep Chemie opgericht om het initiatief te nemen om te komen tot
   een strategisch plan met daarin de visie en ambitie van de sector. Deze Regiegroep
   heeft in juli 2006 een businessplan gepresenteerd. Het innovatieprogramma is nog
   in ontwikkeling. Voordat Chemie tot sleutelgebied werd benoemd zijn er al een
   aantal programma’s gestart waaraan de overheid een financiële bijdrage heeft gele-
   verd. Reeds genoemd werd het TTI Dutch Polymer Institute (DPI), het Katalyse-pro-
   gramma bij ACTS (Bsik-impuls) en het programma PPS Scheidingstechnologie (Fes-
   ronde 2005). Ook het TI Pharma (Fes-ronde 2005) en instituten voor nieuwe materi-
   alen hebben raakvlakken met de chemie.
   115 Daarbij worden de middelen die ter beschikking worden gesteld deels gevonden door een herschikking binnen de
       bestaande middelen van OCW en EZ en deels door een verbreding van de doelgroep van de bestaande instrumenten op
       de EZ-begroting. (Bijlage bij: Tweede Kamer 27406, nr. 57, Nota ‘De kenniseconomie in zicht’; Brief minister en staatsse-
       cretarissen bij 'Ons creatieve vermogen, brief cultuur en economie', p. 50).
   116 Bijlage bij: Tweede Kamer 27406, nr. 98, Nota ‘De kenniseconomie in zicht’; Brief minister en staatssecretaris ter aanbie-
       ding van de voortgangsrapportage over het Programma voor de Creatieve Industrie).
   117 Het instrument hiervoor is de Creative Challenge Call, een tender om partijen uit de creatieve bedrijfstakken en de overi-
       ge sectoren bij elkaar te brengen met als doel innovatie te stimuleren.
86 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>   6. Sleutelgebied Pensioenen & Sociale Verzekeringen
   De ondersteuning van het sleutelgebied Pensioenen & Sociale Verzekeringen is
   vooralsnog beperkt tot de startsubsidie (5 miljoen euro) die het Maatschappelijk
   Topinstituut Netspar (Network for Pensions Ageing and Retirement) heeft gekregen.
   Netspar is gestart op 30 maart 2005 en voert sindsdien de onderzoeksagenda van
   Netspar uit.
   Themagebied Life Sciences & Gezondheid
   Life Sciences & Gezondheid is bij uitstek een multidisciplinair gebied. Belangrijke
   disciplines zijn biotechnologie, genomics, nanotechnologie, materiaaltechnologie en
   informatietechnologie. Alhoewel het gebied niet is erkend als sleutelgebied door
   het Innovatieplatform, is EZ al wel begonnen met het inventariseren of en op welk
   specifiek terrein een innovatieprogramma kan worden ontwikkeld.
   Programma’s die al liepen voordat de sleutelgebiedenaanpak werd geïntroduceerd
   zijn o.a. Bio-Partner en het National Genomics Initiative (NGI). Daarnaast zijn er
   recent een aantal (grote) publiek-private samenwerkingen gestart in het gebied,
   namelijk het TopInstituut Pharma (130 miljoen euro uit de Fes-impuls 2005), het
   Center for Translational Molecular Medicine (CTMM) (150 miljoen euro uit de
   Fes-impuls 2006) en het BioMedical Materials initiatief (BMM) (60 miljoen over-
   heidsbijdrage gevraagd). De idee is om deze initiatieven in te bedden in een
   meerjarig innovatieprogramma. Diverse bedrijven (zowel grote bedrijven als MKB-
   bedrijven) en technologieplatforms (TI Pharma, CTMM, BMM) zijn gestart met een
   inventarisatie van de sector. Samen met andere partijen hebben zij een gemeen-
   schappelijke focus en visie voor Life Sciences & Gezondheid opgesteld. Vervolgens
   wordt een strategische agenda ingediend, die als basis voor een innovatie-program-
   ma kan gaan dienen. De samenwerking is verbreed met partijen, werkzaam op het
   gebied van medische biotechnologie, medische technologie en bio-informatica.
   In 2006 is een Initiatiefgroep Life Sciences & Gezondheid (LSG) begonnen met het
   uitwerken van een innovatieprogramma. In december 2006 werd het voorstel inge-
   diend bij EZ en werd vervolgens voorgelegd aan de Strategische Adviescommissie
   Innovatieprogramma’s. Begin 2007 adviseerde de commissie het plan nader uit te wer-
   ken en opnieuw aan de commissie voor te leggen. Het aangepaste conceptvoorstel
   ‘Life Sciences & Gezondheid: Capitalizing on Knowledge’ is in mei 2007 ingediend bij
   EZ. Het innovatieprogramma bestaat uit drie actielijnen: (1) Verbeteren toegang tot
   (durf-)kapitaal en kredietfaciliteiten; (2) Versterken van (inter-)nationale samenwerkin-
   gen door middel van (internationale) ‘collaboration grants’, gedeelde faciliteiten en
   (internationale) netwerkbijeenkomsten en conferenties; en (3) Coördinatie en
   Representatie. De overheid wordt gevraagd het initiatief te ondersteunen met 55-85
   miljoen euro subsidie en 165 miljoen krediet voor de komende vijf jaar.
87 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>   Werking van het instrument
   Programma’s komen vraaggestuurd en bottom-up tot stand: het initiatief ligt bij de
   bedrijven en kennisinstellingen, de overheid faciliteert. Het tonen van financieel
   commitment door het bedrijfsleven en bereidheid tot (grote) investeringen zijn voor-
   waarden voor de realisatie van de programma’s. In 2006 heeft EZ de Strategische
   Adviescommissie Innovatieprogramma’s ingesteld om voorstellen voor innovatiepro-
   gramma’s te beoordelen op hun bijdrage aan duurzame economische groei van
   Nederland. Het is een onafhankelijke commissie die wordt voorgezeten door SER-
   voorzitter Alexander Rinnooy Kan en verder bestaat uit leden met deskundigheid op
   het vlak van internationale trends en kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven.
   Uiteindelijk stelt de Minister vast welke programma’s in aanmerking komen voor
   (financiële) ondersteuning. Indien een programma wordt erkend, besluit EZ over de
   eventuele inzet van financiële middelen of van andere instrumenten. Financiële
   ondersteuning kan worden geboden vanuit het ‘programmatisch pakket’ (ook wel
   genoemd de Omnibusregeling).
   De Projectdirectie Innovatieprogramma’s met medewerkers van EZ en SenterNovem
   heeft kansrijke (sleutel)gebieden verkend, het bedrijfsleven en de kennisinstellingen
   ondersteund bij de totstandkoming van innovatieprogramma’s en het proces bege-
   leid voor de bestaande sleutelgebieden en eventueel nieuwe kansrijke gebieden.
   Ook andere ministeries, STW en Syntens zijn in dit proces betrokken. Vanaf 2007
   zal de tijdelijke Projectdirectie permanent worden ingebed in de nieuw vorm te
   geven uitvoeringsstructuur van EZ.118
   In 2006 was circa 60 miljoen euro beschikbaar voor de (pilot) innovatieprogramma’s.
   Grote initiatieven, zoals de oprichting van Technologische Top Instituten (TTI’s) of
   andere publiek-private samenwerkingsprogramma’s, kunnen worden gefinancierd uit
   de Fes-middelen. Vanaf 2007 kunnen ook de Smart Mix-middelen worden ingezet
   voor voorstellen die passen binnen de programmatische aanpak.
   9.          Thematische programma’s van NWO
   Het is een van de uitgangspunten van het wetenschapsbeleid dat op nationaal niveau
   de krachten gebundeld moeten worden om de Nederlandse wetenschap te kunnen
   laten meespelen in de internationale voorhoede. In haar afgelopen strategieperiode
   2002-2005 onderscheidde NWO negen thema’s die accenten leggen op belangwek-
   kende, innovatieve of strategische ontwikkelingen in de wetenschap. Het gaat om
   ontwikkelingen die door hun snelheid, breedte en vereiste schaal uitstijgen boven wat
   mogelijk is binnen de beperkingen van de basisfinanciering van individuele onder-
   118 Ministerie van Economische Zaken, Investeren in innovatieprogramma’s. Sleutelgebiedenaanpak: samenwerken aan inno-
       vatie op kansrijke gebieden (Den Haag, 2006).
88 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>   zoeksinstellingen. De thema’s zijn geselecteerd na een interactief proces van
   identificatie van wetenschappelijke trends en na consultatie en afstemming met
   andere belanghebbenden, waaronder verkenningenuitvoerende instanties als KNAW
   en sectorraden. Binnen de negen thema´s is de afgelopen jaren een rijk geschakeerd
   portfolio aan programma´s ontwikkeld. In 2006 omvatten de thema´s in totaal
   92 programma´s. NWO investeerde in 2004, 2005 en 2006 respectievelijk 74, 76 en
   83 miljoen euro in de thema’s, wat neerkomt op ca. 15% van de NWO-begroting.
   In verhouding met de Fes-impulsen gaat het veelal om thematische
   programma’s van relatief bescheiden omvang.
   Overzicht van NWO-bestedingen aan onderzoek op het terrein van de thema’s (in miljoen euro)
   NWO-thema’s                          2002 2003    2004     2005    2006     Totaal       Programma’s
                                                                               2002-2006     in 2006
   Fundamenten van levensprocessen      1,9  5,5     31,6     28,9    31,5     99,4         14
   Systeem aarde                        1,1  6,5     9,9      15,7    16,8     50           21
   Digitalisering en informatisering    4,1  4,9     7,3      7,7     9,2      33,2         14
   Opkomende technologieën              0,5  1,9     9,0      8,8     10,8     31           17
   Cultureel erfgoed                    0,8  3,6     4,8      3,8     3,7      16,7         8
   Nanowetenschappen                    0,3  0,2     5,1      4,0     3,0      12,6         11
   Cognitie en gedrag                   1,1  2,2     2,0      2,6     3,1      11           2
   Bestuur in beweging                  0,5  0,6     2,5      2,2     2,0      7,8          2
   Ethische en maatsch. aspecten van
   onderzoek en innovatie               0,0  0,2     1,9      2,7     2,7      7,5          3
   Totaal                               11,5 27,2    74,2     76,5    82,9     272,3        92
   Bron: jaarverslagen en begrotingen NWO.
   Per thema wordt een andere opzet gevolgd. Zo zijn de middelen voor een NWO-
   thema als Cognitie en gedrag geconcentreerd in twee onderzoeksprogramma’s, ter-
   wijl bij Systeem aarde is gekozen voor een gedifferentieerde benadering via 21 pro-
   gramma’s. De gemiddelde omvang van programma’s varieert van 300.000 euro bij
   het thema nanowetenschappen tot 2,3 miljoen euro bij het thema fundamenten
   van levensprocessen. De gemiddelde omvang van NWO-programma’s (ca. 900.000
   euro per jaar in 2006) is echter relatief klein vergeleken met de innovatieprogram-
   ma’s vanuit de Bsik- en Fes-impulsen.
89 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>   NWO Strategie 2007-2010 en zwaartepuntvorming
   Voor de komende strategieperiode 2007-2010 zet NWO in op 13 onderwerpen als
   drager van een thematisch programma.119 De meeste thematische programma’s voor
   de periode 2007–2010 zijn nieuw ten opzichte van de vorige periode. NWO heeft
   een aantal stappen gevolgd om te komen tot deze keuze voor thema’s. Eerst is een
   inventarisatie gemaakt van prioriteiten van diverse maatschappelijke en intermediai-
   re organisaties, met name de sleutelgebieden, de aandachtsgebieden van VNO-
   NCW, de thema’s van TNO en de GTI’s, de (rijksbrede) strategische agenda van
   departementen, en verkenningen van de KNAW de sectorraden (COS) en anderen.
   Uit deze exercitie volgde een lijst van zeventig onderwerpen. Vervolgens is gekeken
   naar belangrijke internationale wetenschappelijke ontwikkelingen en de weten-
   schappelijke potentie in Nederland op genoemde domeinen. Aan de hand van deze
   twee invalshoeken is uiteindelijk bepaald waar de meest vruchtbare verbindingen
   tot stand gebracht zouden kunnen worden. De thematische programma’s zijn nog
   open en zullen verder moeten worden afgestemd met de desbetreffende weten-
   schappelijke en maatschappelijke partijen.
   Met deze thematische programma’s wil NWO zwaartepunten creëren met multi-
   disciplinaire onderzoeksprogramma's op wetenschappelijk en/of maatschappelijk
   actuele onderwerpen. Overigens heeft NWO additionele middelen nodig om deze
   nieuwe thema’s te realiseren.
   Naast deze thema’s wil NWO in de komende periode een nieuw instrument
   ontwikkelen, namelijk het Nationaal Research Initiatief (NRI), bestemd voor die
   wetenschapsgebieden waar Nederland mondiaal al een toppositie inneemt. Doel is
   om de mondiale toppositie van vooraanstaande onderzoeksgroepen op een
   geselecteerd domein verder te versterken. Criteria bij de beslissing tot financiering
   zijn ‘past performance’ van de deelnemende onderzoeksgroepen en de ‘hoogst
   denkbare wetenschappelijke prestaties in de nabije toekomst’. Het primaire
   criterium is wetenschappelijke excellentie. Een NRI zal veelal worden uitgevoerd
   door een samenwerkingsverband tussen verschillende onderzoeksgroepen en
   instituten. Een NRI heeft een doorlooptijd van zo’n zes tot acht jaar en wordt op
   basis van het full-cost-principe gefinancierd. Voor de integrale financiering van een
   NRI wil NWO een totaalbedrag van 30 tot 50 miljoen euro beschikbaar stellen.
   119 Het gaat om de volgende thema’s: (1) Conflicten en veiligheid; (2) Creatieve industrie; (3) Culturele dynamiek; (4)
       Duurzame aarde; (5) Dynamica van complexe systemen; (6) Gebruik van nanowetenschap en –technologie; (7) Hersenen
       en cognitie; (8) Kennisbasis voor ICT-toepassingen; (9) Kwaliteit van leven – Dynamiek van levenslopen; (10)
       Maatschappelijk verantwoord innoveren; (11) Nieuwe instrumenten voor de gezondheidszorg; (12) Nieuwe methoden
       voor productie, opslag, transport en gebruik van energie; en (13) Systeembiologie.
90 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>b2              Internationale vergelijking
    In deze bijlage wordt een overzicht gegeven van bevindingen van een internationale
    vergelijkende studie waarin de Nederlandse aanpak om focus en massa en valorisa-
    tie te versterken (veelal door middel van publiek-private samenwerkingsconstructies)
    wordt vergeleken met de aanpakken om deze doelen te bereiken van een aantal
    andere landen. De Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT)
    heeft zelf een aantal aandachtspunten geformuleerd bij de bevindingen van de stu-
    die.
    In een achtergrondstudie120 bij dit advies wordt de manier waarop Nederland zwaar-
    tepuntvorming stimuleert vergeleken met de aanpak van een aantal andere landen,
    te weten Oostenrijk, Denemarken, Finland, Vlaanderen, Ierland, Zweden en
    Zwitserland. Er zijn grote verschillen in de historisch gegroeide institutionele en cul-
    turele contexten in de verschillende landen. Daardoor kunnen oplossingen die wer-
    ken in het ene land niet zonder meer worden toegepast in een ander land.
    Niettemin levert een internationale vergelijking interessante observaties en aankno-
    pingspunten voor verbetering op.
    Het gebruik van focus als middel om onderzoek te leiden naar gebieden die rele-
    vant zijn voor het nationale bedrijfsleven, om op die manier de kansen voor (natio-
    nale) valorisatie te vergroten, is onderdeel van een algemene trend in meerdere lan-
    den. Het Nederlandse streven naar zwaartepuntvorming past dus in een algemeen
    patroon.
    Naast deze valorisatie gericht op het bedrijfsleven, wordt valorisatie gericht op
    maatschappelijke thema’s (bijv. klimaatverandering, vergrijzing, veiligheid) ook
    steeds meer erkend als een belangrijke doelstelling. Dit vereist veelal multidiscipli-
    nair onderzoek, met daarin vaak ook een rol voor (toegepaste) sociale wetenschap-
    pen. In Finland en Zwitserland stijgt het (nog kleine) aandeel van de sociale weten-
    schappen in innovatiestimulering reeds. Ook in Nederland is er toenemende aan-
    dacht voor maatschappelijke thema’s (bijv. Maatschappelijke Topinstituten, maat-
    schappelijke component in genomics en nanotechnologieprogramma’s). In de nieu-
    we beleidsplannen van het kabinet Balkende IV (2007-2011) is een betere benutting
    van innovatie om maatschappelijke vraagstukken op te lossen een van de centrale
    punten.
    120 Dialogic en Technopolis, Quick Scan (on the use of PPPs in) focus, mass and valorisation in scientific research in eight
        European countries (Achtergrondstudie AWT, 2007). Het doel van deze studie was om in kaart te brengen hoe in het
        beleid van een aantal andere vergelijkbare Europese landen omgegaan wordt met focus, massa en valorisatie van
        wetenschappelijke onderzoek, met daarbij speciale aandacht voor de rol van PPS.
 91 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>   In de praktijk blijkt het streven naar focus, massa en valorisatie veelal gepaard te
   gaan met de introductie van nieuwe instrumenten, nieuwe instituties en financie-
   ringskanalen, eerder dan met het bijstellen van bestaande instrumenten, instituties
   en financieringskanalen. Nederland is hierop geen uitzondering. Integendeel, in ver-
   gelijking met andere landen is er in Nederland een relatief hoge mate van beleid-
   sturbulentie, met name in de uitvoering. Meer dan in de meeste andere landen vol-
   gen de initiatieven en maatregelen in het onderzoeks- en innovatiebeleid elkaar in
   snel tempo op. De doelen liggen wel in elkaars verlengde, maar de instrumenten
   veranderen per jaar. Een belangrijk bezwaar tegen beleidsturbulentie is dat het extra
   kosten met zich mee brengt, omdat aanvragers telkens geconfronteerd worden met
   andere procedures en criteria.
   Daarnaast is het feit dat vooral de succesrijke landen worden gekenmerkt door rela-
   tief weinig turbulentie een indicatie dat veel beleidsturbulentie op zichzelf niet leidt
   tot betere prestaties van het onderzoeks- en innovatiesysteem. Juist omdat onder-
   zoek en innovatie vaak langlopende processen zijn, is het voortdurend introduceren
   van nieuwe beleidsinitiatieven niet bevorderlijk. Het is immers de vraag of het reac-
   tievermogen van het onderzoeks- en innovatiesysteem de snelle veranderingen in de
   beleidsomgeving kan bijbenen.
   In sommige landen (Ierland, Finland en Zwitserland) wordt de beleidsturbulentie
   gedempt door het feit dat wordt gewerkt met een meerjarige cyclus en een
   (financieel) meerjarenplan waarin tussentijds niet veel wordt veranderd. Dit lijkt
   een langetermijnperspectief in beleid te bevorderen, ook in het onderzoeks- en
   innovatiebeleid.
   Aandachtspunt: Een grote turbulentie in (uitvoering van) beleid past niet goed bij
   de dynamiek van het onderzoeks- en innovatiesysteem.
   Het streven naar zwaartepuntvorming is in de meeste landen ingebed in een
   nationale onderzoeks- en innovatiestrategie. In sommige landen, bijvoorbeeld
   de Scandinavische landen, is de nationale onderzoeks- en innovatiestrategie op haar
   beurt expliciet ingebed in een bredere nationale groeistrategie. Een dergelijke
   integrale benadering lijkt ertoe bij te dragen dat het onderzoeks- en innovatie-
   systeem als een geïntegreerd systeem wordt gezien en gemanaged. Het draagt
   ertoe bij dat wetenschappelijke excellentie en economische/maatschappelijke
   valorisatie in onderlinge samenhang kunnen worden nagestreefd. In Nederland
   ontbreekt een duidelijke integrale onderzoeks- en innovatiestrategie die is ingebed
   in bredere nationale (en internationale) kaders. Een achterliggende oorzaak lijkt
   hiervoor te zijn dat het onderzoeks- en innovatiebeleid is opgesplitst tussen het
   ministerie van Economische Zaken (EZ) enerzijds en het ministerie van Onderwijs,
   Cultuur en Wetenschap (OCW) anderzijds, zonder dat er nauwe samenwerking is
   tussen de beide departementen.
92 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>   Aandachtspunt: Een integrale nationale onderzoeks- en innovatiestrategie helpt bij
   het consequent en afgewogen inzetten op verschillende typen zwaartepuntvorming,
   en het weloverwogen inzetten van programmatische instrumenten – ook in relatie tot
   andere soorten financiering. Het voorkomt turbulentie in de (uitvoering van) beleid.
   In vergelijking met andere landen is de internationale dimensie in het Nederlandse
   nationale onderzoeks- en innovatiebeleid nog weinig prominent. Zo maakt Nederland
   relatief weinig expliciet gebruik van de Europese onderzoeksagenda in haar streven
   naar zwaartepuntvorming. Sommige landen (Ierland, Oostenrijk) gebruiken de
   Europese onderzoeksagenda als een hefboom om meer invloed te hebben op
   kennisinstellingen en onderzoekers, bijvoorbeeld door nationale financiering expliciet
   te koppelen aan Europese financiering. Landen als Zweden en Finland lopen voorop
   als het gaat om het inbedden van hun nationale onderzoeks- en innovatiesysteem in
   een internationaal (Scandinavisch, Europees) kader. Zij proberen actief het Europese
   en nationale niveau op elkaar af te stemmen, onder andere door pro-actief de
   Europese agenda’s te beïnvloeden. Ze gebruiken Europese financiering als een manier
   om meer focus te creëren in het nationale onderzoeks- en innovatiesysteem. In het
   algemeen geldt echter dat de EU-onderzoeksagenda’s meer worden gebruikt voor
   creëren van massa dan voor focus.
   Aandachtspunt: Zwaartepuntvorming op nationaal niveau kan profiteren van
   (initiatieven tot) zwaartepuntvorming op Europees niveau.
   Het opstellen van een onderzoeks- en innovatiestrategie op nationaal niveau blijkt
   het meest productief als het doorwerkt in de strategieën van regio’s, instellingen en
   onderzoeksgroepen. Een pure top-down aanpak waarin zwaartepunten op het
   nationale beleidsniveau worden geïdentificeerd en worden doorvertaald en
   geïmplementeerd in de strategieën van instellingen en onderzoeksgroepen komt in
   de praktijk nergens voor. Een overkoepelende nationale onderzoeksstrategie beperkt
   zich immers noodzakelijkerwijs tot de grote lijnen en het aanwijzen van thema’s.
   Op zichzelf zorgen deze thema’s nog niet voor focus in onderzoeksagenda’s van
   instellingen en onderzoeksgroepen, daarvoor zijn ze te breed. In de praktijk gaat het
   om combinaties van top-down en bottom-up coördinatie. Het intermediaire
   niveau tussen nationale strategieën en onderzoeksagenda’s van onderzoeksgroepen
   speelt hierin een centrale rol omdat hier de brede maatschappelijke thema’s worden
   vertaald in specifieke onderzoeks- en toepassingsgebieden die richtinggevend zijn
   voor de onderzoeksagenda’s van de onderzoeksgroepen. In Nederland zijn
   bijvoorbeeld organisaties als de regieorganen en NWO een belangrijke schakel.
   De manier waarop top-down en bottom-up coördinatie worden gecombineerd om
   zwaartepuntvorming te stimuleren verschilt per land. Een land als Zwitserland kiest
   voor een hands off benadering, waarbij bottom-up zwaartepunt-vorming de nadruk
93 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>   krijgt. Het Zwitserse beleid is vooral gericht op het versterken van excellent
   wetenschappelijk onderzoek. De idee is dat (zwaartepunten in) excellent weten-
   schappelijk onderzoek nieuwe innovatieve bedrijvigheid genereren en bestaande
   R&D-intensieve bedrijven aantrekken. De internationaal gerenommeerde federale
   technische universiteiten spelen een belangrijke rol hierin. Andere landen, waaron-
   der Nederland, Finland en Vlaanderen, voeren een actiever hands on innovatiebeleid
   gericht op het versterken van (bestaande) sterke en kansrijke combinaties van
   bedrijvigheid en kennis. Bedrijven zijn nadrukkelijk een doelgroep van het beleid
   worden gestimuleerd meer R&D te doen en meer samen te werken met andere
   bedrijven en kennisinstellingen. Het stimuleren van publiek-private samenwerking
   past goed in deze benadering. In Zwitserland, daarentegen, krijgen bedrijven geen
   rechtstreekse R&D-steun.
   De manier waarop top-down en bottom-up coördinatie worden gecombineerd,
   hangt mede af van de historisch gegroeide rolverdeling in de kennisinfrastructuur. In
   een land als Zwitserland is er een beperkt aantal topuniversiteiten op internationaal
   niveau, en zijn er daarnaast verschillende ‘gewone’ universiteiten op nationaal
   niveau en meerdere HBO-achtige instellingen op regionaal niveau. Zwaartepunten in
   excellent wetenschappelijk onderzoek ontstaan juist bij de topuniversiteiten, en
   competitieve financiering met wetenschappelijke kwaliteit als selectiecriterium,
   versterkt deze zwaartepuntvorming van onderop. De onderzoeksgroepen houden
   relatief grote vrijheid in het definiëren van hun onderzoeksagenda’s. In sommige
   landen is competitieve financiering van instellingen geïntroduceerd (bijvoorbeeld in
   Zweden), juist om meer differentiatie in de kennisinfrastructuur te krijgen. In
   Finland en Zweden zijn daarnaast internationale Centres of Excellence geïntrodu-
   ceerd als een nieuwe manier om meer excellente zwaartepunten te vormen.
   Aandachtspunt: Bij zwaartepuntvorming gaat het om het vinden van productieve
   combinaties van top-down en bottom-up coördinatie. Welke combinatie productief
   is, hangt af van de historisch gegroeide context het type zwaartepuntvorming dat
   wordt nagestreefd. Zwaartepuntvorming via een hands off benadering en een
   nadruk op bottom-up coördinatie werkt in situaties waarin wordt gestreefd naar
   zwaartepuntvorming in de (publieke) kennisinfrastructuur. Zwaartepunten van excel-
   lent onderzoek dragen vervolgens bij aan een aantrekkelijk klimaat voor innovatief
   ondernemerschap waardoor de internationale concurrentiepositie wordt verstevigd.
   Een meer actieve hands on benadering met meer nadruk op top-down coördinatie
   werkt in situaties waarin op een meer directe manier wordt gestreefd naar
   zwaartepuntvorming in (sleutel-)gebieden die van strategisch belang zijn voor
   de maatschappij of de nationale economie. Het gaat dan om het versterken van
   kansrijke combinaties van bedrijvigheid en kennis.
94 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>   Valorisatie van onderzoeksresultaten van de publieke kennisinfrastructuur wordt in
   alle landen gezien als een belangrijke doelstelling van het onderzoeks- en
   innovatiebeleid. Een breed scala aan instrumenten is hiervoor beschikbaar, zoals het
   subsidiëren van samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven via publiek-
   private samenwerkingsconstructies (PPS), het stimuleren van ondernemerschap, het
   creëren van spin-offs, het samenvoegen van Technologische Instituten met
   universiteiten, het bijstellen van de missie van universiteiten, het veranderen van
   financieringscriteria, etc. Elk land probeert een balans te vinden in de mix van
   instrumenten. In Nederland lijkt de balans relatief ver doorgeslagen naar PPS.
   Meer dan in andere landen lijkt PPS in Nederland te worden gezien als een panacee
   voor het stimuleren van zowel valorisatie als focus en massa. Het feit dat in
   Nederland PPS in onderzoek en innovatie relatief sterk ontwikkeld is, heeft wellicht
   te maken met de overlegcultuur in Nederland, die gericht is op consensus. Ook de
   onderliggende analyse van het onderzoeks- en innovatiebeleid, waarin gebrek aan
   wisselwerking tussen (publieke) producenten en (private) gebruikers van kennis als
   een van de belangrijkste knelpunten in het Nederlandse onderzoeks- en innovatie-
   systeem wordt gezien121, draagt bij aan de populariteit van PPS in beleidskringen.
   Private bijdragen (in kind of in cash) worden gezien als garantie van betrokkenheid
   van het bedrijfsleven bij het onderzoek en, uiteraard, als een manier om de onder-
   zoeksbudgetten te vergroten. Het gebruik van PPS is overigens niet rechtstreeks te
   koppelen aan goede prestaties in onderzoek en innovatie, omdat sommige van de
   best presterende landen op dit gebied (zoals Finland en Zwitserland) nauwelijks
   gebruik maken van dit instrument.
   Aandachtspunt: Het gebruik van PPS voor zwaartepuntvorming is niet vanzelf-
   sprekend. PPS is niet altijd de beste manier om excellentie, focus en massa en/of
   valorisatie te bevorderen.
   De rol die universiteiten geacht worden te spelen in het creëren van (verschillende
   typen) zwaartepunten is verschillend in verschillende landen. Zo is de ‘derde taak’
   (kennisvalorisatie) van universiteiten is niet in alle landen even sterk ontwikkeld. In
   landen als Zwitserland en Oostenrijk wordt toegepast onderzoek en valorisatie
   gezien als vooral een taak voor regionale universiteiten en hogescholen. De topuni-
   versiteiten worden geacht zich te richten op excellent wetenschappelijk onderzoek.
   121 Deze ‘Nederlandse paradox’ (goed onderzoek, maar onvoldoende benutting ervan door bedrijven) is een variant van de
       ‘Europese Paradox’, de veronderstelling dat EU-landen een leidende rol in de wereld spelen in termen van toonaangeven-
       de wetenschappelijke output, maar achterblijven als het gaat om het vermogen deze sterkte om te zetten in welvaarts-
       verhogende innovaties. Deze paradox wordt door een aantal wetenschappers, waaronder Giovanni Dosi, in twijfel
       getrokken. De Europese zwaktes liggen namelijk zowel in het systeem van wetenschappelijk onderzoek, als in een rela-
       tief zwakke industrie. Daarom zou er in het beleid veel minder aandacht moeten worden gegeven aan verschillende vor-
       men van ‘netwerken’ en ‘wisselwerking’ en meer aan beleid gericht op het versterken van zowel grensverleggend onder-
       zoek als het bedrijfsleven. (Giovanni Dosi, Patrick Llerena and Mauro Sylos Labini, ‘The relationships between science,
       technologies and their industrial exploitation: An illustration through the myths and realities of the so-called ‘European
       Paradox’’, Research Policy, Vol. 35, Issue 10, December 2006, pp. 1450-1464.
95 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>   De duidelijke arbeidsverdeling in bijvoorbeeld Zwitserland tussen federale en regio-
   nale universiteiten, hogescholen en bedrijfsleven wijkt sterk af van de situatie in
   Nederland, waar alle universiteiten zowel wetenschappelijke excellentie als ook
   valorisatie nastreven. In Finland hebben universiteiten en hogescholen beide een
   expliciete regionale valorisatietaak.
   Het ontbreken van een formele valorisatietaak hoeft overigens niet te betekenen
   dat universiteiten geen commerciële activiteiten ontplooien. De Zwitserse federale
   universiteiten zijn een goed voorbeeld van hoe wetenschappelijke excellentie
   economische activiteiten voortbrengt en stimuleert.
   Voorbeeld: het Zwitserse Eldgenössische Technische Hochschule – domein
   De twee Zwitserse topuniversiteiten (ETH Zurich en EPF Lausanne) vormen samen
   met vier onderzoeksinstituten122 het ETH-domein met een eigen ETH-Raad die
   verantwoordelijk is voor onderzoeks- en innovatiebeleid in dat domein. Ook op het
   vlak van dienstverlening aan overheden en bedrijven is wetenschappelijke excellen-
   tie het uitgangspunt. Om dit mogelijk te maken wordt geïnvesteerd in excellente
   onderzoeksfaciliteiten en expertise. Kernelementen in het ETH-innovatiebeleid zijn
   het verwerven van patenten en licenties en het opzetten van nieuwe bedrijven om
   de resultaten van het eigen onderzoekswerk te valoriseren. De idee is dat hierdoor
   veelbelovende, toekomstgerichte onderzoeksgebieden tot bloei komen en nieuwe
   hoogwaardige banen worden gecreëerd voor onderzoekers en gerelateerde
   beroepen en diensten.123
   In het algemeen speelt de publieke kennisinfrastructuur verschillende rollen in
   zwaartepuntvorming. Publieke kennisinstellingen kunnen direct bijdragen aan
   zwaartepuntvorming in specifieke themagebieden, bijvoorbeeld via PPS-constructies
   waarin strategisch onderzoek wordt gedaan met directe relevantie voor kennisge-
   bruikers. Kennisinstellingen kunnen ook indirect een bijdrage leveren, bijvoorbeeld
   door zich te richten op (toekomstige) zwaartepunten in strategische gebieden op de
   langere termijn via het opbouwen van patentportfolio’s, het creëren van spin-offs en
   het opleiden van excellente onderzoekers in die gebieden.
   Aandachtspunt: De arbeidsverdeling in de kennisinfrastructuur verschilt per land. De
   Nederlandse verdeling geeft verschillende instituten vergelijkbare taken. Valorisatie is
   bijvoorbeeld een taak van alle universiteiten, onderzoeksinstituten en hogescholen.
   Een aantal andere landen heeft een duidelijker onderscheid in taakstelling.
   122 Deze vier onderzoeksinstituten zijn het Paul Scherrer Institute (PSI), het Swiss Federal Institute for Forest, Snow and
       Landscape Research (WSL), het Swiss Federal Laboratories for Materials Testing and Research (EMPA), en het Swiss
       Federal Institute for Environmental Science and Technology (EAWAG).
   123 Voor meer informatie, zie de website van de ETH-Raad (http://www.eth-rat.ch).
96 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>   Samengevat blijkt uit de achtergrondstudie dat de aandacht voor focus, massa en
   valorisatie een algemene trend is. Nederland valt op door een relatief grote mate
   van beleidsturbulentie, zonder dat er van een goede afstemming tussen de verschil-
   lende niveaus in het onderzoekssysteem sprake is. De inbedding van de program-
   matische instrumenten in een overkoepelende onderzoeks- en innovatiestrategie is
   in een aantal omringende landen sterker. Hetzelfde geldt voor de inbedding in bre-
   dere nationale en internationale kaders. De voorliefde in Nederland voor PPS als
   organisatievorm om zowel excellentie als valorisatie in zwaartepunten te bevorde-
   ren, wordt zeker niet door alle vergelijkbare landen gedeeld.
97 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>98 Weloverwogen impulsen</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>b3             Bevindingen van de Commissie van
               Wijzen ICES/KIS
    In deze bijlage worden de bevindingen gepresenteerd van een van de gremia die
    nauw betrokken is geweest bij de selectie van onderzoeksprogramma’s in het kader
    van ICES/KIS (Bsik) en Fes-impulsen 2005 en 2006, namelijk de Commissie van
    Wijzen ICES/KIS (CvW). De CvW heeft in het kader van de investeringen vanuit het
    Fes een adviserende rol gespeeld.124 In het voorjaar (27 maart 2007) heeft de CvW
    een notitie over haar bevindingen gericht aan het Ministerie van Economische
    Zaken. De ervaringen met het indienen, beoordelen, selecteren en financieren van
    onderzoeksprogramma’s uit het Fes bieden interessante aanknopingspunten voor
    een oordeel over de manier waarop in de laatste jaren door de overheid is geïn-
    vesteerd in kennis en innovatie.
    Op basis van haar betrokkenheid bij de monitoring van de voortgang van ICES/KIS-
    projecten constateert de CvW dat de kennisinvesteringsimpulsen hebben geleid ‘tot
    een substantiële versterking van de kennisinfrastructuur en het ontstaan van vele
    nieuwe samenwerkingsrelaties.’ De interactie tussen de kennisinfrastructuur en het
    bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties is bevorderd, en mede daardoor zijn
    de kansen op valorisatie van onderzoeksresultaten vergroot.
    Terwijl de vraaggerichtheid van de kennisinfrastructuur dus lijkt te zijn versterkt,
    ontbreekt het echter aan een totaalbeeld van de kennisbehoeften van de
    Nederlandse overheid en het bedrijfsleven. De maatschappelijke en economische
    thema’s zijn niet duidelijk (in onderlinge samenhang) uitgewerkt. Een prioriterings-
    kader ontbreekt waardoor niet zeker is dat de beste projectvoorstellen worden inge-
    diend en geselecteerd. De CvW is van mening dat Bsik een relatief gunstige uitzon-
    dering is omdat hier, in tegenstelling tot de Fes-impulsen 2005 en 2006, wel ‘zorg-
    vuldig en transparant een breed investeringskader [werd] geschapen na consultatie
    van het veld.’ De CvW constateert vervolgens dat door het ontbreken van een prio-
    riteringskader er te weinig wordt gewerkt aan samenhang, zwaartepuntvorming en
    concentratie van de Nederlandse kennisinfrastructuur. Het gebrek aan samenhang
    geldt ook (en in sterkere mate) voor de relaties met de internationale kennisinfra-
    structuur.
    Met betrekking tot de procedures voor indiening, beoordeling, selectie en financie-
    ring van voorstellen constateert de CvW dat er een opeenvolging en opeenstapeling
    van verschillende beleidsinitiatieven en –instrumenten is die allemaal min of meer
    dezelfde doelstellingen hebben en op dezelfde (onderzoeks- en innovatie-)activitei-
    124 Het gaat hierbij om ICES/KIS-2, ICES/KIS-3 (Bsik), en de Fes-impulsen 2005 en 2006.
 99 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>    ten betrekking hebben. Indieners hebben te maken met slecht op elkaar afgestem-
    de besluitvormingsprocedures, beoordelingscriteria, adviserende gremia’s en uitvoe-
    rende instanties. Dit is niet alleen weinig transparant voor kennisinstellingen en
    maatschappelijke partijen, maar is ook ‘niet bevorderlijk voor een consistente priori-
    tering van overheidsfinanciering van onderzoeksinitiatieven.’ Een andere procedu-
    reel punt is dat de informatievoorziening over Calls for Proposals te wensen over
    laat. Niet alleen is er soms (te) weinig tijd tussen een Call en de deadline voor indie-
    ning, ook zijn de calls voor de Fes-impulsen 2005 en 2006 via interne procedures
    binnen de departementen verlopen en niet gepubli-ceerd. De toegankelijkheid en
    de transparantie van uitgangspunten en selectiecriteria zijn onvoldoende geweest,
    met name in de laatste twee Fes-rondes.
    De extra financieringsimpulsen hebben als onbedoeld effect dat het absorberend
    vermogen van het onderzoeksbestel onder druk komt te staan. Het gaat daarbij niet
    alleen om de matchingsverplichtingen en de tijd en geld die gepaard gaan met het
    indienen van een projectvoorstel, maar ook om de beschikbaarheid van onderzoe-
    kers (vaak AiO’s) in bepaalde wetenschapsgebieden. De omvang van de impulsen is
    niet altijd voldoende afgestemd op de beschikbaar-heid van onderzoekers.
    Niet alleen de samenhang tussen programma’s (zwaartepunten) is een aandachts-
    punt, ook de samenhang binnen programma’s is een punt van zorg van de CvW.
    Met name als gebruik wordt gemaakt van ‘secundary tendering’ om een program-
    ma te vullen met projecten is de samenhang tussen de projecten niet altijd duidelijk.
    Hierdoor is de programmatische meerwaarde niet altijd duidelijk. Dit gebrek aan
    samenhang is gerelateerd aan de vaak gebrekkige uitwerking van de (omvangrijke)
    programmavoorstellen, onder meer op het vlak van doelstellingen en aanpak, intel-
    lectueel eigendom en verankering van de resultaten na afloop van het programma.
    Ook is er lang niet in alle programma’s en projecten sprake van een goede gover-
    nance structuur met duidelijke taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden, en
    verantwoordingsprocedures (nulmeting, monitoring, evaluatie).
    De CvW constateert dat bij Bsik de betrokkenheid van de intermediaire kennisinstel-
    lingen (TNO, GTI’s, TTI’s) en het bedrijfsleven niet altijd sterk genoeg is waardoor de
    verankering van onderzoeksresultaten suboptimaal is. Ook de bijdrage van de over-
    heid aan de verankering van de resultaten is nog te beperkt.
100 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>    Eindadvies Commissie van Wijzen ICES/KIS naar aanleiding van haar
    ervaringen met ICES/KIS-2123
    In 2005 deed de Commissie van Wijzen ICES/KIS aanbevelingen naar aanleiding van
    haar ervaringen met de voorganger van de Bsik-impuls, namelijk ICES/KIS-2. In haar
    eindadvies geeft de Commissie van Wijzen ICES/KIS (CvW) een beoordeling van de
    12 projecten op vijf criteria:
    •       versterking van de kennisinfrastructuur;
    •       versterking van de economische structuur;
    •       publiek-private samenwerking;
    •       synergie en samenwerking tussen de projecten;
    •       verankering van de voortgebrachte kennis.
    Op basis van deze criteria komt de CvW per project tot uitspraken over de mate
    waarin de projecten als geslaagd kunnen worden beschouwd. Over vier projecten
    (Experimentele Faciliteiten, Gigaport, Habiforum en WTCW) concludeert de commis-
    sie dat deze zijn geslaagd. Volgens de CvW zijn verder twee projecten redelijk
    geslaagd (Biomade en Delft Cluster) en vijf projecten onvoldoende geslaagd
    (Connekt, KLICT, NIDO, OLS en SKB). Over één project, Technocentra, stelt de CvW
    vast dat zij vanwege het onderscheiden karakter van dit project geen algemeen oor-
    deel kan uitspreken over de mate waarin dit project is geslaagd.
    De CvW heeft ook een gemengd oordeel over de gehele ICES/KIS-2 impuls. Zo is de
    CvW kritisch over de geringe mate waarin door de projecten actie is genomen om
    de ontwikkelde kennis in de kennisinfrastructuur te verankeren. Positief is de com-
    missie over de samenwerking binnen de projecten tussen kennisinstellingen, over-
    heid en private partijen.
    De CvW formuleert op basis van haar conclusies over de opbrengsten van de afzon-
    derlijke projecten en van de totale impuls een aantal aanbevelingen.
    •       Formuleer bijaanvang van de projecten transparante en meetbare project-
            doelstellingen en mijlpalen. Op basis van deze doelstellingen en mijlpalen
            kan de voortgang van de projecten tussentijds gemeten worden.
    •       Omschrijf de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de ver-
            schillende partijen in het ICES/KIS-3 traject en leg dit vast in een aansturings-
            model. Deze aanbeveling moeten er bijvoorbeeld voor zorgen dat – beter
            dan bij ICES/KIS-2 het geval was – de uit het monitoringstraject voortvloeien-
            de aanwijzigen aan projecten ook daadwerkelijk worden uitgevoerd.
    •       Breng het financiële beheer van de projecten onder bij één uitvoeringsorga-
            nisatie. Dit komt de eenduidigheid in de financiële en inhoudelijke voort-
            gangsrapportages ten goede, waardoor ook de onderlinge vergelijking tus-
            sen projecten beter mogelijk is.
101 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>    •       Geef in het monitoringstraject van ICES/KIS-3 structureel aandacht aan de
            noodzaak tot verankering van de onderzoeksresultaten en het betrekken van
            de vraagzijde bij de projecten. Op die manier kan beter worden voorkomen
            dat kennisontwikkeling teveel plaatsvindt binnen een specifiek voor het
            project opgerichte uitvoerings-organisatie en er te weinig aansluiting is met
            de expertise en vraag van de bestaande publieke en private partijen in de
            kennisinfrastructuur.
102 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>b4             Gesprekspartners
    In de voorbereiding op dit advies heeft de AWT gesprekken gevoerd met de
    volgende personen.
    Mw. drs. J.A. van den Bandt (VNO-NCW)
    Dhr. dr. J.A. Bartelse (OCW)
    Dhr. prof.dr. P. van den Besselaar (Rathenau Instituut)
    Dhr. drs. E.A.A.M. Broesterhuizen (KNAW)
    Dhr. dr. K.H. Chang (NWO/FOM)
    Dhr. dr.ir. B.M. Geerken (NWO)
    Dhr. T. Gorter MSc (TTI Dutch Separation Technology Institute)
    Dhr. drs. J.H. de Groene (EZ)
    Dhr. drs. T.R.A. Grosfeld (NXP)
    Mw. dr. F.M.L. Heijs (OCW)
    Dhr. drs. J.B.M. Heijs (SenterNovem)
    Mw. drs. J.A. Hoekstra (LNV)
    Dhr. dr.ir. J.G.H. Joosten (TTI Dutch Polymer Institute)
    Dhr. dr. J.K. Koppen (NWO)
    Dhr. drs.ing. A.N.M. Langendorff (TU Eindhoven)
    Dhr. prof.dr.ir. L.J.M. Nieuwenhuis (ICTRegie)
    Dhr. prof.dr. P. Nijkamp (NWO)
    Dhr. prof.dr. M. Rem (ICTRegie)
    Dhr. dr.ir. J.J.M. Ritzen (Universiteit Maastricht)
    Dhr. dr. T.J.A. Roelandt (EZ)
    Mw. drs. M.C. Schouwstra (EZ)
    Mw. dr. Nora van der Wenden (EZ)
    Dhr. ir. W.L. van Wijngaarden (SenterNovem)
    Dhr. prof.ing. W.C.L. Zegveld (Commissie van Wijzen ICES/KIS)
    Dhr. ir. W.J. Zwalve (SenterNovem)
    Dhr. dr. D. Zijderveld (Netherlands Genomics Initiative)
    Betrokken raadsmedewerkers + raadsleden:
    Projectmedewerkers                               Dhr. dr. P. Baggen
                                                     Dhr. dr. J.J. Deuten
    Subgroepleden:                                   Mw. dr. C.M. Colijn-Hooymans
                                                     Dhr. drs. L.J. Halvers
                                                     Prof. dr. E.C. Klasen
103 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>    Serie uitgebrachte adviezen van de AWT
    72 Weloverwogen impulsen. Strategisch investeren in zwaartepunten.
        November 2007. ISBN 978 90 77005 42 2. € 15,00.
    71 Balanceren met beleid. Wetenschaps- en Innovatiebeleid op hoofdlijnen.
        Maart 2007. ISBN 978 90 77005 39 2. € 12,50.
    70 Alfa en Gamma stralen. Valorisatiebeleid voor de Alfa- en
        Gammawetenschappen. Maart 2007. ISBN 978 90 77005 38 5. € 12,50.
    69 Bieden en binden. Internationalisering van R&D als beleidsuitdaging.
        December 2006. ISBN 90 77005 37 4. € 12,50.
    68 Opening van zaken. Beleid voor Open innovatie. Juni 2006.
        ISBN 90 77005 35 8. € 12,50.
    67 Tijd voor een opKIQer! Méér investeren in onderwijs en onderzoek.
        Oktober 2005. ISBN 90 77005 32 3. € 12,50.
    66 Diensten beter bedienen. Innovatiebeleid voor diensten. September 2005.
        ISBN 9077005307. € 12,50.
    65 Ontwerp en ontwikkeling. De functie en plaats van onderzoeksactiviteiten in
        hogescholen. Augustus 2005. ISBN 90 77005 31 5. € 10,00.
    64 Innovatie zonder inventie. Kennisbenutting in het MKB. Juli 2005.
        ISBN 90 77005 29 3. € 12,50.
    63 Kennis voor beleid - beleid voor kennis. Mei 2005. ISBN 90 77005 28 5.
        € 12,50.
    62 De waarde van weten.De economische betekenis van universitair onderzoek.
        April 2005. ISBN 90 77005 005. € 9,00.
    61 Een vermogen betalen. De financiering van universitair onderzoek.
        Februari 2005. ISBN 90 77005 27 7. € 12,50.
    60 Samen slimmer in ketens. Competenties in supply chain management als
        concurrentiefactor voor Nederlandse bedrijven. December 2004.
        ISBN 90 77005 25 0. € 12,50.
    59 Tijd om te oogsten! Vernieuwing in het innovatiebeleid. Juni 2004.
        ISBN 90 77005 24 2. € 12,50.
    58 De prijs van succes. Over matching van onderzoekssubsidies in
        kennisinstellingen. April 2004. ISBN 90 77005 22 6. € 12,50.
    57 Nederlands kompas voor de Europese onderzoeksruimte. Strategisch kader voor
        de internationalisering van het onderzoeks- en innovatiebeleid. Januari 2004.
        ISBN 90 77005 21 8. € 12,50.
    56 Netwerken met kennis. Kennisabsorptie en kennisbenutting door bedrijven.
        November 2003. ISBN 90 77005 20 X. € 12,50.
    55 Wat van ver komt... De vormgeving van het Nederlandse bilaterale
        onderzoeksbeleid. Oktober 2003. ISBN 90 77005 19 6. € 9,00.
    54 1+1>2. De bevordering van multidisciplinair onderzoek. September 2003.
        ISBN 90 77005 18 8. € 12,50.
104 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>    53 Backing winners. Van generiek technologiebeleid naar actief innovatiebeleid.
        Juli 2003. ISBN 90 77005 17 X. € 15,00.
    52 Kennis van criminaliteit. Juni 2003. ISBN 90 77005 16 1. € 9,00
    51 Wijsheid achteraf. De verantwoording van universitair onderzoek.
        Juni 2003. ISBN 90 77005 15 3. € 9,00.
    50 Naar een nieuw maatschappelijk contract. Synergie tussen publieke
        kennisinstelllingen en de Nederlandse kennissamenleving. Januari 2003.
        ISBN 90 77005 14 5. € 5,00
    49 Gewoon doen!? Perspectief op de Barcelona-ambitie '3% BBP voor O&O'.
        Juli 2002. ISBN 90 77005 11 0. € 9,08.
    48 KP6 laten werken. Stimuleren Nederlandse deelname: profijt en beleid.
        Juli 2002. ISBN 90 77005 10 2. € 12,50.
    47 Hógeschool van Kennis. Kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en
        hogescholen. Juli 2001. ISBN 90 77005 05 6. € 11,34.
    46 Handelen met kennis. Universitair octrooibeleid omwille van kennisbenutting.
        Juni 2001. ISBN 90 77005 03 X. € 9,08.
    45 Over stromen. Kennis - en innovatieopgaven voor een waterrijk Nederland.
        Advies en Verkenning door de AWT, NRLO en RMNO, juni 2000. € 11.34.
    44 Investeren in onderzoek, april 2000. ISBN 90 346 3823 5. € 9,08.
    43 Halfslachtige wetenschap. Onderbenutting van vrouwelijk potentieel als existentieel
        probleem voor academia, januari 2000. ISBN 90 346 3798 0. € 11,34.
    AWT-publicaties zijn te bestellen via www.awt.nl.
    Eerdere adviezen van de AWT zijn ook te vinden op de website.
105 Weloverwogen impulsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>106 Weloverwogen impulsen</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>