<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen 12-02-2010   08:08 Pagina 1
                       75
                                        Kennis plaatsen
                                        Onderzoeksinstituten in een veranderende
                                        omgeving
                                        januari 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010        08:08      Pagina 2
                                   Colofon
                                   Vormgeving:       Junior beeldvorming - Zoetermeer
                                   Druk:             Quantes - Rijswijk
                                   Januari 2010
                                   ISBN 978-90-77005-49-1
                                   Verkoopprijs      € 15,–
                                   Auteursrecht
                                   Alle rechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen van
                                   deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke
                                   toestemming van de AWT. Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van
                                   organisatienaam en naam en jaartal van uitgave.
                           2       Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010       08:08   Pagina 3
                                   Inhoudsopgave
                                   Samenvatting                                                       5
                                   1         Adviesvraag en focus                                     7
                                   1.1       Aanleiding voor het advies                               7
                                   1.2       Adviesvraag en benadering                                7
                                   1.3       Indeling van het advies                                  9
                                   2         Een schets van het Nederlandse institutenlandschap      11
                                   2.1       Nieuwsoortige instituten voor samenwerking in onderzoek 11
                                   2.2       Instituten van NWO en de KNAW                           13
                                   2.3       TNO, de GTI’s en de DLO-instituten                      16
                                   2.4       Overige onderzoeksinstituten                            17
                                   3         Ontwikkelingen in de omgeving                           21
                                   3.1       Ontwikkelingen in de wetenschappelijke omgeving         21
                                   3.2       Ontwikkelingen in de internationale omgeving            22
                                   3.3       Ontwikkelingen in de beleidsomgeving                    24
                                   3.4       Ontwikkelingen in de universitaire omgeving             25
                                   3.5       Ontwikkelingen in het bedrijfsleven                     27
                                   3.6       Betekenis van deze ontwikkelingen                       27
                                   4         Dynamiek in het institutenlandschap                     29
                                   4.1       Nieuwsoortige instituten voor samenwerking in onderzoek 29
                                   4.2       Instituten van NWO en de KNAW                           30
                                   4.3       TNO, de GTI’s en de DLO-instituten                      33
                                   5         Conclusies                                              37
                                   5.1       Nieuwsoortige instituten voor samenwerking in onderzoek 37
                                   5.2       Instituten van NWO en de KNAW                           40
                                   5.3       TNO, de GTI’s en de DLO-instituten                      45
                                   6         Aanbevelingen                                           49
                                   Bijlage 1         Afkortingen                                     53
                                   Bijlage 2         Gesprekspartners en projectmedewerkers          57
                           3       Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010    08:08 Pagina 4
                           4       Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010     08:08    Pagina 5
                                               Samenvatting
                                   Het Nederlandse publieke onderzoekssysteem kent naast universiteiten veel verschil-
                                   lende onderzoeksinstituten. De laatste jaren is de verzameling instituten groter en
                                   diverser geworden. De AWT (Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologie-
                                   beleid) is door de minister van OCW gevraagd om de dynamiek in het instituten-
                                   landschap te duiden en te bezien of er aanleiding is tot beleidsinterventie.
                                   In dit advies geeft de raad zijn afwegingen over de voor- en nadelen van het orga-
                                   niseren van onderzoek in zelfstandige onderzoeksinstituten. Dit doet hij in het licht
                                   van een veranderende omgeving die nieuwe eisen stelt aan het onderzoekssysteem.
                                   De raad pleit met dit advies voor een vernieuwing van de bestaande verdeling van
                                   rollen tussen onderzoeksinstituten en universiteiten. De centrale doelstelling hierbij
                                   is een sterkere gebiedsgewijze afstemming en krachtenbundeling in het
                                   Nederlandse onderzoekssyteem.
                                   De raad onderscheidt drie hoofdtypen onderzoeksinstituut. Per type geven we hier
                                   de belangrijkste aanbevelingen aan de regering.
                                   1. De instituten voor samenwerking in strategisch onderzoek
                                   De laatste jaren zijn er diverse nieuwsoortige instituten voor samenwerking in stra-
                                   tegisch onderzoek gevormd. Dit type van instituutsvorming is een flexibel beleidsin-
                                   strument om samenwerking in kennisketens en zwaartepuntvorming te stimuleren.
                                   In een gezond ‘ecosysteem’ gaan instituutsvorming en -opheffing hand in hand. De
                                   raad pleit voor het hanteren van een levenscyclusbenadering in het institutenbeleid
                                   waarbij reeds bij oprichting wordt geanticipeerd op een passende levensduur (mini-
                                   maal twee maal vier jaar) en een verantwoorde beëindiging van de programmati-
                                   sche financiering. De overheid moet duidelijkheid creëren over wat de opties zijn na
                                   afloop van de impulsfinanciering en aan instituten moet worden gevraagd om in
                                   hun strategieën hierop in te gaan.
                                   Daarnaast vindt de raad dat de overheid geen nieuwe (virtuele) onderzoeksinstitu-
                                   ten zou moeten oprichten die vooral de functie hebben om programmagelden te
                                   verdelen. Geldverdelende taken horen in principe thuis bij gevestigde intermediaire
                                   organisaties als NWO/ZonMw/STW en SenterNovem. De intermediaire structuur
                                   moet niet onnodig complex gemaakt worden door allerlei tijdelijke, vaak virtuele,
                                   organisaties te introduceren. Instituutsvorming is een kwestie van doseren. Een
                                   goede dosering helpt om het systeem sterker en vitaler te maken, maar een over-
                                   maat aan instituutsvorming zal bestaande structuren en instituties ontwrichten.
                           5       Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010     08:08    Pagina 6
                                   2. Instituten van NWO en de KNAW
                                   De raad is voorstander van meer gebiedsgewijze afstemming en verknoping van het
                                   onderzoek in het Nederlandse onderzoekssysteem en een versterking van de band
                                   tussen onderzoek en onderwijs. Daarom beveelt hij aan om in het onderzoeksbeleid
                                   expliciet te streven naar een verdere krachtenbundeling van para-universitaire insti-
                                   tuten onderling en met universiteiten. De raad pleit ervoor dat de instituten, hun
                                   koepelorganisaties (NWO en de KNAW) en de universiteiten hierover met elkaar in
                                   overleg gaan. Per geval en per onderzoeksgebied moet worden nagegaan hoe
                                   krachtenbundeling het beste vorm kan worden gegeven. Een fusie tussen para-
                                   universitaire instituten en universiteiten – als meest verregaande vorm van krachten-
                                   bundeling – is een van de mogelijkheden die expliciet op de agenda moet staan,
                                   naast strategische samenwerking in onderzoek, gedeelde faciliteiten, gezamenlijk
                                   toezicht, gedeelde aanstellingen, gezamenlijke huisvesting, etc. De raad pleit voor
                                   het principe ‘nee, tenzij’ met betrekking tot het organiseren van de functies van
                                   para-universitaire instituten buiten de universiteit. De raad benadrukt dat univer-
                                   siteiten wel aan stringente voorwaarden dienen te voldoen om para-universitaire
                                   instituten in hun gelederen te kunnen opnemen.
                                   3. TNO, de GTI’s en de DLO-instituten
                                   De raad ziet de recente invoering van vraagprogrammering bij TNO en de GTI’s als
                                   een ontwikkeling in de goede richting. De raad is een voorstander van de vorming
                                   van kennisknooppunten in het Nederlandse onderzoekssysteem door krachtenbun-
                                   deling met universiteiten, hogescholen en bedrijfsleven. TNO en de GTI’s moeten
                                   worden gestimuleerd in het maken van strategische locatiekeuzes (‘on campus’).
                                   De raad ziet de integratie van de DLO-instituten met de Wageningen Universiteit
                                   en de Hogeschool Van Hall Larenstein als een inspirerend voorbeeld dat geëvalueerd
                                   moet worden om er lessen voor krachtenbundeling uit te trekken.
                           6       Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen     12-02-2010             08:08         Pagina 7
                                 1   1.1
                                                   Adviesvraag en focus
                                                   Aanleiding voor het advies
           Steeds meer instituten …  Een aanleiding voor dit advies is de signalering dat er in de afgelopen jaren sprake
                                     is van ‘voortschrijdende instituutsvorming’. Mede dankzij programmatische en
                                     projectmatige vormen van onderzoeksfinanciering zijn er allerlei nieuwe onder-
                                     zoeksinstituten gevormd in het Nederlandse onderzoekssysteem. Het institutenland-
                                     schap wordt steeds voller en meer divers. We kennen in Nederland nu – naast de
                                     gevestigde instituten zoals TNO, de grote technologische instituten (GTI’s), de para-
                                     universitaire instituten van de KNAW en NWO, de departementale onderzoeksinsti-
                                     tuten en planbureaus – technologische topinstituten (TTI’s), maatschappelijke
          … van uiteenlopende aard   topinstituten (MTI’s) en al dan niet virtuele instituten vanuit de BSIK- en FES-impul-
                                     sen. Daarnaast zijn er allerlei onderzoeksinstituten binnen en tussen universiteiten.
                                     Ter illustratie, de KNAW-gids ‘Universiteiten en Onderzoeksinstellingen in Nederland
                                     2009’ bevat informatie over niet minder dan 309 universitaire en 183 niet-univer-
                                     sitaire onderzoeksorganisaties. Het onderzoekslandschap in Nederland is dus druk
                                     en in beweging. Het onderzoeksstelsel lijkt een complex en ongeordend geheel van
                                                                                                      1
                                     onderzoeksorganisaties te zijn geworden.
                                     1.2           Adviesvraag en benadering
    Wat betekent dit voor de kennis- De AWT is door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)
        ontwikkeling in Nederland?   gevraagd om een advies uit te brengen over de voortschrijdende instituutsvorming
                                     en betekenis hiervan voor de Nederlandse kennisinfrastructuur. De centrale vraag
                                     in dit AWT-advies is hoe we de dynamiek in het institutenlandschap moeten duiden
                                                                                                                           2
                                     en of er aanleiding is tot interventie door de overheid. Zo ja, welke beleidsmaat-
                                     regelen zijn wenselijk?
                                     Deze adviesvraag roept de volgende subvragen op:
                                     •          Welke functies hebben instituten in de Nederlandse kennisinfrastructuur?
                                     •          Vervullen de instituten die er momenteel zijn deze functies effectief en effi-
                                                ciënt, of zijn er verbeteringen mogelijk?
                                                o          Wat is de meerwaarde van zelfstandige onderzoeksinstituten?
                                                o          Wat zijn de voor- en nadelen van de rolverdeling tussen instituten en
                                                           andere spelers in de kennisinfrastructuur?
                                     1   In een rapport van Hessel Speelman uit 2006 werd ook reeds geconstateerd dat aanzienlijke delen van de publieke ken-
                                         nisinfrastructuur van Nederland complex, versnipperd en ondoorzichtig van structuur zijn. Het rapport onderscheidt ca.
                                         110 niet-universitaire kennisinstellingen, met meer dan vijftig verschillende organisatievormen. (H. Speelman (2006)
                                         Vernieuwing van de publieke kennisinfrastructuur van Nederland: Eindrapportage inzake de niet-universitaire kennis-
                                         infrastructuur, SP-TNO 0462, juni 2006).
                                     2   In het AWT-werkprogramma van 2007 is de volgende omschrijving van de thematiek te vinden: Voortschrijdende insti-
                                         tuutsvorming en betekenis hiervan voor onze publieke kennisinfrastructuur. De AWT signaleert dat in de afgelopen jaren
                                         allerlei nieuwe instituten zijn gevormd. Deze ontwikkeling is vooral opgeroepen door programmatische en projectmatige
                                         vormen van financiering. Als gevolg hiervan kennen we in Nederland nu TTI’s, GTI’s en MTI’s, BSIK-instituten (al dan niet
                                         virtueel) en allerlei instituten binnen of half buiten universiteiten et cetera. Het onderzoekslandschap in Nederland is dus
                                         druk in beweging. De voortschrijdende instituutsvorming vraagt om bezinning en misschien ook om actie.”
                                  7  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen        12-02-2010           08:08      Pagina 8
                                        •          Welk beleid zou kunnen leiden tot verbetering van de huidige situa-
                                                   tie?
   Complexiteit is niet altijd verkeerd In zijn benadering van de adviesvraag ziet de raad de toenemende complexiteit van
                                        het onderzoekslandschap niet op voorhand als problematisch. Integendeel: in ecolo-
                                        gische termen kan complexiteit ook worden geduid als teken van robuustheid en
                                        vitaliteit van het systeem (vergelijk biodiversiteit). Anderzijds zou een meer overzich-
                                        telijke en rationele ordening de aansturing van het onderzoeksstelsel vergemakkelij-
                                        ken. De raad ziet echter weinig heil in het van bovenaf opleggen van een nieuwe
                                        blauwdruk voor het institutenlandschap. Niet alleen omdat een nieuwe ordening na
                                        verloop van tijd ook weer achterhaald zal blijken te zijn, maar ook omdat de raad
    Een opgelegde blauwdruk hindert     het onderzoeksstelsel ziet als een dynamisch ecosysteem dat voortdurend verandert
                                                                                                                    3
                              dynamiek  onder invloed van ontwikkelingen in de omgeving. Voorop staat de vraag naar de
                                        vitaliteit van het stelsel en de rol die onderzoeksinstituten daarbij spelen.
        We beschouwen verschillende     Om de vraag naar de bijdrage van onderzoeksinstituten aan het Nederlandse onder-
                     typen instituut …  zoekssysteem te kunnen beantwoorden, zullen we eerst in kaart brengen welke ver-
                                        schillende soorten onderzoeksinstituten er zijn en welke functies zij hebben en
                                        welke rolverdelingen er zijn ten opzichte van andere spelers in de kennisinfrastruc-
                                        tuur. Specifiek zullen we kijken naar de vraag waarom de verschillende soorten
                                        onderzoeksinstituten zijn opgericht buiten de universitaire structuren.
         … in relatie tot verschillende Vervolgens zullen we nagaan welke relevante ontwikkelingen er zijn in de omgeving
          exogene ontwikkelingen …      van onderzoeksinstituten en wat deze betekenen voor de functies van instituten en
                                        de rolverdeling in het onderzoekssysteem. In hoeverre bieden de ontwikkelingen bij
                                        de verschillende soorten instituten een passend antwoord op de veranderingen in
                                        de omgeving? Zijn de oorspronkelijke redenen van oprichting nog steeds actueel?
                                        Wat betekenen de veranderingen voor de bijdrage van de verschillende soorten
                                        onderzoeksinstituten aan het Nederlandse onderzoeksklimaat?
     … en kijken naar de meerwaarde     De bijdrage van verschillende soorten instituten aan de vitaliteit van het
                van de instituutsvorm   Nederlandse onderzoekssysteem wordt mede bepaald door het functioneren van de
                                        andere spelers in het onderzoekssysteem, met name de universiteiten, maar ook
                                        bedrijven. Instituten zijn veelal opgericht om onderzoek te doen dat niet, of minder
                                        goed, bij universiteiten of bedrijven kon worden uitgevoerd. Bij de beoordeling van
                                        de meerwaarde van onderzoeksinstituten zal de raad daarom een afweging maken
                                        tussen de voordelen en de nadelen of risico’s van plaatsing van het onderzoek in
                                        zelfstandige instituten in het licht van een veranderende omgeving.
                                        3    Zie: Barend van der Meulen (2008) Ecologie of infrastructuur: Positie en rol van para-universitaire onderzoeksinstituten in
                                             Nederland, AWT achtergrondstudie 35, 29 september 2008.
                                     8  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010       08:08  Pagina 9
                                   1.3          Indeling van het advies
                                   In hoofdstuk 2 geeft de raad eerst een schets van het Nederlandse institutenland-
                                   schap. Dit biedt een overzicht van de soorten onderzoeksinstituten en de rollen die
                                   instituten spelen in het onderzoekssysteem. Vervolgens brengen we in hoofdstuk 3
                                   een aantal relevante ontwikkelingen in de omgeving van instituten in kaart.
                                   In hoofdstuk 4 gaan we na in hoeverre instituten (kunnen) inspelen op de verande-
                                   rende omgeving. Op basis hiervan geeft de raad in hoofdstuk 5 zijn oordeel over de
                                   bijdrage van instituten aan de vitaliteit van het Nederlandse onderzoekssysteem. Het
                                   advies sluit af met de aanbevelingen van de raad aan de regering in hoofd-
                                   stuk 6.
                           9       Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010    08:08 Pagina 10
                           10      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen       12-02-2010           08:08       Pagina 11
                                   2               Een schets van het Nederlandse
                                                   institutenlandschap
                                       In nationale onderzoekssystemen kunnen we drie hoofdtypen organisaties onder-
                                       scheiden die onderzoek uitvoeren: bedrijven, universiteiten en
                                                                      4
                      We kijken naar   onderzoeksinstituten.              In dit advies bedoelen we met onderzoeksinstituten de insti-
       onderzoeksinstituten buiten     tuten buiten de universiteiten. In de universitaire sector vinden we ook allerlei insti-
                     universiteiten …  tuten, bijvoorbeeld in de vorm van interuniversitaire instituten of interfacultaire
                                       instituten, maar deze kunnen niet onafhankelijk van het universitaire bestuur opere-
                                       ren. In dit advies richten we ons op de niet-universitaire onderzoeksinstituten in de
                                       publieke kennisinfrastructuur. Deze worden gekenmerkt door het feit dat ze een
                                       hoofddoelstelling hebben op het gebied van onderzoek op een specifiek terrein.
                                       Verder hebben ze een zekere stabiliteit en continuïteit en de nodige autonomie om
    … met een eigen onderzoeks- en     een eigen onderzoeks- en personeelsbeleid te voeren. Met de ‘voortschrijdende
                    personeelsbeleid   instituutsvorming’ is het hoofdtype van de onderzoeksinstituten verbreed met
                                       nieuwsoortige (al dan niet virtuele) instituten voor samenwerking in onderzoek die
                                       zijn opgezet rond onderzoeksprogramma’s.
             We onderscheiden drie     Hieronder maken we een onderscheid tussen (1) de nieuwsoortige instituten voor
                                                                                                 5
                         hoofdtypen    samenwerking in strategisch onderzoek , (2) de instituten van NWO en de KNAW
                                       en (3) TNO, de grote technologische instituten (GTI’s) en de DLO-instituten.
                                       Daarnaast is er een heterogene groep ‘overige instituten’, waaronder onder andere
                                       departementale onderzoeksinstituten vallen.
                                       2.1          Nieuwsoortige instituten voor samenwerking in onderzoek
                                       Sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw zijn er nieuwe soorten onderzoeksinstituten
         Tijdelijke, programmatisch    ontstaan, zoals de technologische topinstituten (TTI’s), maatschappelijke topinstitu-
         gefinancierde instituten …    ten (MTI’s) en onderzoeksconsortia vanuit de BSIK- en FES-impulsen die soms de
                                       vorm van een (al dan niet virtueel) onderzoeksinstituut hebben gekregen. In een
                                       eerder advies heeft de AWT de programmatische kennisinvesteringsimpulsen waar-
                                       uit deze nieuwsoortige instituten veelal zijn voortgekomen al uitgebreid op een rij
                                                6
                                       gezet.
                       … zoals TTI’s … De technologische topinstituten (TTI’s) waren in de tweede helft van de jaren ’90
                                       een nieuw element in de instrumentenmix van het wetenschaps- en innovatiebeleid.
                                       4   De totale uitgaven aan R&D in Nederland bedroegen in 2007 bijna 10 miljard euro. Hiervan neemt het bedrijfsleven 60
                                           procent voor zijn rekening en de universiteiten ongeveer 25 procent. Onderzoekinstituten zijn verantwoordelijk voor de
                                           rest (15 procent) van de R&D-uitgaven (CBS (2009) Kennis en economie 2008, Den Haag/Heerlen).
                                       5   Het gaat hier om instituten die in het Engels vaak worden aangeduid met termen als Co-operative Research Centres,
                                           Centres of Excellence (and Relevance) of Competence Centres. In Nederland wordt onder andere de term ‘topinstituut’
                                           gebruikt. Ze worden meestal gefinancierd door bedrijven, universiteiten en de overheid.
                                       6   AWT (2007) Weloverwogen impulsen: Strategisch investeren in zwaartepunten, Advies 72, 12 november 2007.
                                    11 Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen      12-02-2010          08:09        Pagina 12
                                      TTI’s voeren onderzoeksprogramma’s uit die kennis ontwikkelen op een beperkt,
                                      specifiek thema van nationaal economisch belang en internationale betekenis. De
                                      onderzoeksagenda’s worden opgesteld in overleg met het bedrijfsleven. De TTI’s zijn
      … voor focus en massa en voor   te zien als een beleidsantwoord op de ‘kennisparadox’ (goed wetenschappelijk
                       valorisatie, … onderzoek maar te weinig benutting van onderzoeksresultaten door bedrijven) en
                                      op de behoefte om meer focus en massa te creëren op onderzoeksgebieden die van
                                      belang zijn voor sterke R&D-intensieve sectoren in Nederland. De financiering van
                                      TTI’s wordt geregeld via publiek-private samenwerking. Het overheidsdeel is recen-
                                      telijk vaak (deels) gefinancierd vanuit het Fonds voor Economische
                                      Structuurversterking (FES), dat in principe is bedoeld voor impulsfinanciering.
              … nu onderdeel van de   Met de vernieuwing en stroomlijning van het innovatiebeleidsinstrumentarium van het
         ‘programmatische aanpak’     ministerie van Economische Zaken (EZ) zijn de TTI’s onderdeel geworden van de pro-
                                      grammatische aanpak. In deze aanpak worden met innovatieprogramma’s de krach-
                                      ten van kennisinstellingen en bedrijven gebundeld op een aantal sleutelgebieden.
                                      Hiermee worden ‘innovatie-ecosystemen’ gestimuleerd die wereldwijd kunnen concur-
                                      reren op basis van de combinatie van excellente kennis en economische slagkracht.
                                      Nederland kent momenteel negen TTI’s die inmiddels veelal gekoppeld zijn aan een
                                      innovatieprogramma.
                                      Tabel 1 Overzicht van de TTI’s
                                      Technologisch Topinstituut                                                            Innovatieprogramma
                                      Dutch Polymer Institute (DPI)                                                         Polymeren
                                      Materials innovation institute M2i (voorheen NIMR)                                    M2i
                                      Top Institute Food and Nutrition (voorheen WCFS)                                      Food & Nutrition Delta
                                                                                                                                                    7
                                      Novay (voorheen Telematica Instituut)                                                 Diensteninnovatie & ICT
                                      Top Instituut Pharma (TI Pharma)                                                      Life Sciences & Health
                                      Center for Translational Molecular Medicine (CTMM)                                    Life Sciences & Health
                                      Topinstituut BioMedical Materials (BMM)                                               Life Sciences & Health
                                      TTI Watertechnologie Wetsus                                                           Watertechnologie
                                                            8
                                      TTI Groene Genetica
                  Daarnaast MTI’s …   In analogie met de TTI’s werd in 2005 het instrument ‘maatschappelijk topinstituut’
                                      (MTI) door het ministerie van OCW geïntroduceerd. Het doel van de MTI’s is om ver-
                                      nieuwend, op de maatschappij gericht onderzoek te doen op belangrijke thema’s.
                                      Er zijn op dit moment drie MTI’s.
                                      Tabel 2 Overzicht van de MTI’s
                                      Maatschappelijk Topinstituut
                                      Netspar – Network for Studies on Pensions, Aging and Retirement
                                      HiiL – The Hague Institute for the Internationalisation of Law
                                      NICIS – Netherlands Institute for City Innovation Studies
                                      7    Dit programma is nog in ontwikkeling.
                                      8    Het TTI Groene Genetica is een topinstituut dat is geïnitieerd door het ministerie van LNV.
                                  12  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen      12-02-2010           08:09        Pagina 13
                                      Netspar opereert op het sleutelgebied Pensioenen & Sociale Verzekeringen en HiiL is
                                      werkzaam op het (opkomend) sleutelgebied The Hague, Residence of Peace and
                                      Justice. Het onderzoek van NICIS dat is gericht op vraagstukken die spelen in de
                                      steden, valt niet onder een sleutelgebied.
           … en instituten rond een   Naast de TTI’s en MTI’s kent Nederland een reeks (tijdelijke) virtuele onderzoeks-
            onderzoeksprogramma       organisaties, die zich soms als ‘instituut’ presenteren. Deze vorm van instituuts-
                                      vorming is ontstaan vanuit de behoefte een brug te slaan tussen meer academisch
                                      georiënteerde en meer toepassingsgerichte onderzoekers, en is ook een gevolg van
                                      de opkomst van onderzoeksfinanciering in de vorm van consortiacompetitie (onder
                                      andere via BSIK- en FES-impulsen). In de meeste gevallen gaat het om publiek-priva-
                                      te onderzoeksconsortia die slechts in naam instituut zijn, maar feitelijk functioneren
                                      als onderzoeksprogramma’s waarbinnen projecten worden gefinancierd (die vaak
                                      door de partners van het consortium worden uitgevoerd). Dankzij de consortiafinan-
                                      ciering is er echter wel een aantal niet-virtuele instituten ontstaan, zoals het
                                                                                       9                                 10
                                      Embedded Systems Institute (ESI) en het Holst Centre . Ook het dozijn NGI
                                                                 11
                                      Genomics Centres                waarin universiteiten, onderzoeksinstituten, bedrijven en/of
                                      maatschappelijke organisaties samenwerken en die onder de vlag van het
                                                                                               12
                                      Netherlands Genomics Initiative (NGI)                        opereren, vallen in deze categorie. Zoals
                                      gezegd, sinds 2005 worden ook TTI’s vanuit FES-impulsen gefinancierd.
                                      2.2           Instituten van NWO en de KNAW
                                      In Nederland zijn in de loop van de 20e eeuw enkele tientallen instituten voor fun-
       Para-universitaire instituten, damenteel wetenschappelijk onderzoek buiten de universiteit opgericht. Sommige
                onder twee koepels    werden rechtstreeks door (de voorganger van) het ministerie van Onderwijs, Cultuur
                                      en Wetenschap (OCW) gefinancierd en vielen dan ook direct onder de verantwoor-
                                      delijkheid van het ministerie. Andere werden indirect gefinancierd door OCW via
                                      de koepelorganisatie van NWO of de KNAW. Aan het eind van de jaren ’80 van
                                      de vorige eeuw zijn alle onderzoeksinstituten die direct onder het beheer van OCW
                                      vielen, ondergebracht bij een van de twee koepels of in het universitaire bestel.
                                      9   De voorgeschiedenis van ESI gaat terug tot de jaren ’90. Het was indertijd een van de voorstellen voor een Technologisch
                                          Topinstituut, maar werd afgewezen. Kort daarna richtte de TU/e zijn eigen Eindhoven Embedded Systems Institute (EESI)
                                          op, met steun van het bedrijfsleven. Dit instituut is uitgegroeid tot het ESI.
                                      10  Het Holst Centre is in 2005 opgericht door TNO en het Vlaamse onderzoeksinstituut IMEC.
                                      11  Centra op het gebied van Gezondheid: Cancer Genomics Centre, Celiac Disease Consortium, Centre for Medical Systems
                                          Biology, Forensic Genomics Consortium Netherlands, Netherlands Consortium for Healthy Ageing, en VIRGO Consortium.
                                          Centra op het gebied van Agro-Food: Celiac Disease Consortium, Centre for BioSystems Genomics en Nutrigenomics
                                          Consortium. Centra op het gebied van Duurzaamheid: Centre for BioSystems Genomics, Ecogenomics Consortium en
                                          Kluyver Centre for Genomics of Industrial Fermentation. Centra op het gebied van Enabling technologies: Netherlands
                                          Bioinformatics Centre, Netherlands Consortium for Systems Biology, Netherlands Metabolomics Centre, Netherlands
                                          Proteomics Centre en Netherlands Toxicogenomics Centre. Ten slotte is er een Centre for Society and Genomics.
                                      12  NGI is een van de nationale regieorganen die in de periode 2001-2004 is opgericht om sturing te geven aan de uitvoe-
                                          ring van het onderzoek op gebieden die als nationale prioriteit in het wetenschapsbeleid zijn aangemerkt. De nationale
                                          prioriteitsgebieden zijn levenswetenschappen (in het bijzonder genomica), katalyse (later verbreed tot duurzame chemie),
                                          nanotechnologie en ICT. Als eerste was er het Netherlands Genomics Initiative (NGI), gevolgd door Advanced Chemical
                                          Technologies for Sustainability (ACTS) en het Nationaal Regieorgaan voor ICT-onderzoek en -innovatie ICTRegie. Het
                                          BSIK-consortium NanoNed fungeerde de facto als regieorgaan voor nanotechnologie. De regieorganen hebben een coör-
                                          dinerende rol en in een aantal gevallen een geldverdelende taak. NGI verdeeld het geld bijvoorbeeld via NGI Genomics
                                          Centres.
                                   13 Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010            08:09      Pagina 14
                                   De verdeling van de instituten onder de twee koepels is grotendeels historisch
                                                                                                                                    13
                                   bepaald en is bijgevolg ook regelmatig onderwerp van discussie.
                                   Momenteel biedt de KNAW onderdak aan 19 instituten. NWO vormt een koepel
                                   voor negen instituten, waaronder drie FOM-instituten. De instituten die onder de
                                   vlag van de KNAW en NWO/FOM opereren, voeren veelal wetenschappelijk basis-
                                   onderzoek uit, al of niet gecombineerd met het beheer van een grote onderzoeks-
                                   faciliteit of unieke collectie.
                                   Tabel 3 Omvang personeel en uitgaven van de KNAW-instituten, 2007
                                   KNAW-instituten                                                                               Personeel          Budget
                                                                                                                                        (fte)          (M€)
                                   Geestes- en sociale wetenschappen
                                   Data Archiving & Networked Services (DANS)                                                           20,7             3,3
                                   Fryske Akademy                                                                                       45,1             1,6
                                   Huygens Instituut                                                                                    30,1             2,5
                                   Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG)                                            97,4             7,7
                                   Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV)                                        45,2             4,5
                                   Meertens Instituut                                                                                   51,5             3,5
                                   Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD)                                                 58,3             4,8
                                   Nederlands Interuniversitair Demografisch Instituut (NIDI)                                           43,8             4,8
                                   Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS)                                                      14,6             2,7
                                   Roosevelt Study Center (RSC)                                                                           9,0            0,4
                                   Virtual Knowledge Studio (VKS)                                                                         9,4            1,2
                                   Spinozacentrum voor Neuroimaging*                                                                        –              –
                                   Levenswetenschappen
                                   Centraal Bureau voor Schimmelcultures (CBS)                                                          47,6             4,6
                                   Hubrecht Instituut                                                                                 140.7             13,3
                                   Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland (ICIN)                                           83,1             6,6
                                   Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO)**                                                        192,1             15,6
                                   Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen (NIN)                                                 140,9             14,5
                                   Overig
                                   Rathenau Instituut                                                                                   35,0             5,1
                                   Waddenacademie*                                                                                          –              –
                                   Totaal                                                                                           1.064,5             97,2
                                   Bron: Rathenau (2009) Feiten en cijfers: De Nederlandse publieke onderzoeksinstituten.
                                   *    Het Spinozacentrum voor Neuroimaging en de Waddenacademie zijn opgericht in 2008.
                                   **   NWO en de KNAW hebben recent een van de drie centra van het NIOO, het Centrum voor Estuariene en Mariene
                                        Ecologie, overgeheveld naar het NIOZ van NWO.
                                   13   Zie bijvoorbeeld AWT (1995) Advies inzake de para-universitaire instituten, Advies 20, 1 februari 1995. Een ander voor-
                                        beeld is het voornemen van de toenmalige minister van OCenW in het Wetenschapsbudget 1997 om de NWO- en
                                        KNAW-instituten in één organisatie onder te brengen om daarmee dynamiek in het institutenpatroon te bevorderen
                                        (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25008, nr. 2, 17 september 1996). Met de komst van een nieuw kabinet
                                        (Kok II) en een nieuwe minister van OCenW in 1998 verdween de reorganisatie echter van tafel.
                           14      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen      12-02-2010         08:09       Pagina 15
                                      Tabel 4 Omvang personeel en uitgaven van de NWO-instituten, 2007
                                      NWO-instituten                                                                 Personeel   Uitgaven
                                                                                                                           (fte)      (M€)
                                      Exacte wetenschappen
                                      Stichting Astronomisch Onderzoek in Nederland (ASTRON)                              187,0        18,0
                                      SRON Netherlands Institute for Space Research                                       183,4        17,1
                                      Centrum voor Wiskunde en Informatica (CWI)                                          208,0        16,2
                                      FOM-instituten
                                      - Instituut voor Atoom- en Molecuulfysica AMOLF
                                      - Instituut voor Plasmafysica Rijnhuizen
                                      - Instituut voor Subatomaire Fysica NIKHEF                                          828,4        47,6
                                      Biologische, Oceanografische en Aardwetenschappen
                                      Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ)                       191,0        20,6
                                      Maatschappij- en gedragswetenschappen
                                      Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR)                    18,5         1,5
                                      Geesteswetenschappen
                                      Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (ING)*                                       42,9         3,2
                                      Totaal                                                                            1.659,2      124,3
                                      Bron: Rathenau (2009) Feiten en cijfers: De Nederlandse publieke onderzoeksinstituten
                                      * NWO en de KNAW zijn voornemens om het ING over te hevelen naar de KNAW.
        Verschillend van omvang en    De para-universitaire instituten zijn zeer verschillend in omvang en missie. Er is een
                           functie: … aantal redenen waarom instituten buiten de universiteit zijn opgericht.
                                      •         Een eerste reden was dat grootschalige of unieke onderzoeksfaciliteiten
    … grootschalige infrastructuur, …           beter bij een nationaal instituut konden worden ondergebracht dan bij een
                                                of meerdere universiteiten. In een aantal wetenschapsgebieden vereist het
                                                onderzoek de toegang tot grootschalige of unieke onderzoeksfaciliteiten
                                                waarvan de opbouw, het beheer en het onderhoud specialistische technolo-
                                                gische kennis en grote investeringen vereisen. De overweging was dat een
                                                nationaal instituut beter dan Individuele universiteiten in staat zou zijn om
                                                deze specialistische kennis in stand te houden en om de kosten voor
                                                opbouw, beheer en onderhoud te dragen. De instituten in de natuurkunde
                                                en sterrenkunde zijn bijvoorbeeld ontstaan om grootschalige infrastructuur
                                                te exploiteren en toegankelijk te maken die te groot en te duur was voor
                                                individuele universiteiten.
                                      •         Een tweede reden om een instituut buiten de universiteit op te richten was
                                                het unieke karakter van een collectie voor wetenschappelijk onderzoek.
               … unieke collecties, …           De overweging was dat collecties een langetermijninzet en expertiseopbouw
                                                nodig hebben die moeilijk viel te verwezenlijken binnen een universitaire
                                                context. Een aantal instituten in de geesteswetenschappelijke gebieden is bij-
                                                voorbeeld opgericht om unieke collecties te beheren, verder uit te breiden en
                                                te ontsluiten.
                                  15  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen     12-02-2010         08:09       Pagina 16
                                     •         Sommige instituten zijn ook opgericht om excellent multidisciplinair
       … onderzoek op speerpunten              onderzoek mogelijk te maken dat niet goed paste binnen de facultaire
                                               structuren van universiteiten. Deze instituten moeten het mogelijk maken om
                                               met voldoende kritische massa en een gerichte aanpak internationaal voor-
                                               aanstaand onderzoek te doen.
                                     •         Andere redenen van oprichting van para-universitaire instituten zijn het ver-
                                               lenen van diensten aan wetenschappers in binnen- en buitenland op het des-
                                               betreffende expertisegebied, het opleiden van onderzoekers, en het
                                               fungeren als thuisbasis voor Nederlandse onderzoekers die deelnemen aan
                                               internationale onderzoekprogramma’s. Soms speelde bij de oprichting van
                                               een instituut de overweging mee dat het desbetreffende onderzoek beter
                                               uitgevoerd zou kunnen worden door wetenschappers die vrijgesteld zijn van
                                               onderwijstaken.
                                     2.3          TNO, de GTI’s en de DLO-instituten
                                     Een derde soort onderzoeksinstituten richt zich met name op toegepaste weten-
              Instituten gericht op  schappelijke dienstverlening aan het bedrijfsleven en/of de overheid. De belangrijk-
                      toepassing: …  ste vertegenwoordigers zijn TNO, de grote technologische instituten (GTI’s) en de
                                     DLO-instituten.
                                     TNO, de Nederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onder-
                          … TNO, …   zoek, is met circa 4600 medewerkers veruit het grootste onderzoeksinstituut in
                                     Nederland. TNO is een bij wet opgerichte rechtspersoon en heeft als missie het toe-
                                     pasbaar maken van wetenschappelijke kennis om het innovatief vermogen van
                                     bedrijfsleven en overheid te versterken. TNO is opgericht in 1932 en kent een lange
                                     geschiedenis met verschillende reorganisaties. Sinds 2005 heeft TNO zijn uiteenlo-
                                     pende onderzoeksdisciplines geclusterd in vijf kerngebieden. Daarbinnen functione-
                                     ren een aantal tijdelijke kenniscentra waarin TNO samenwerkt met universiteiten en
                                     bedrijven. In het kader van de vraaggestuurde programmering door de ministeries
                                     werkt TNO aan elf onderzoeksthema's die raken aan maatschappelijke vraagstuk-
                                     ken.
                  … de vier GTI’s, … De vier GTI’s fungeren als centrum voor technologische kennis voor bedrijven en
                                     overheid en ze ontwikkelen technologieën. De GTI’s hebben een lange geschiedenis
                                                                                                                              14
                                     en werden veelal al voor de Tweede Wereldoorlog opgericht.                                  Ze zijn opgericht in
                                     gebieden die een strategisch belang hadden en hebben voor Nederland. Tot voor
                                     kort waren er vijf GTI’s, maar GeoDelft en WL | Delft Hydraulics zijn (samen met
                                     onderdelen van TNO en Rijkswaterstaat) per 2008 samengevoegd tot Deltares – het
                                     onderzoeksinstituut voor het ontwikkelen, verspreiden en toepassen van kennis
                                     voor de duurzame inrichting en het beheer van kwetsbare delta’s, kusten en rivier-
                                     14  NLR werd opgericht in 1919 (sinds 1937 is het een zelfstandige stichting), MARIN in 1929 (als Nederlands Schip Model
                                         Bassin – NSMB), WL | Delft Hydraulics in 1933, GeoDelft in 1934 en ECN in 1955 (als Reactorcentrum Nederland).
                                 16  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen    12-02-2010           08:09         Pagina 17
                                    gebieden. De andere GTI’s zijn het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), het
                                    Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) en het Maritime Research
                                    Institute Netherlands (MARIN). Het ministerie van Economische Zaken is penvoerend
                                    ministerie voor ECN en MARIN. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat is pen-
                                    voerder voor NLR en Deltares.
                                    De DLO-instituten zijn onderdeel van de Stichting DLO en hebben nauwe banden
            … en de DLO-instituten  met het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). De eerste voor-
                                    loper van de huidige DLO-instituten, het Rijkslandbouwproefstation, werd al in
                                    1877 opgericht. In 1938 werd binnen het ministerie de Directie Landbouwkundig
                                    Onderzoek (DLO) opgericht waarin verschillende onderzoeksinstituten werden
                                    ondergebracht. Eind jaren ’90 werd de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO)
                                    verzelfstandigd. De Stichting DLO, de Wageningen Universiteit en Hogeschool Van
                                    Hall Larenstein zijn in 1998 (via een personele unie) samengegaan in Wageningen
                                    Universiteit en Researchcentrum (Wageningen UR). Hierdoor is een organisatie ont-
                                    staan waarin fundamenteel, toepassingsgericht en praktijkonderzoek en onderwijs
                                    in één kennisketen zijn samengebracht. Binnen Wageningen UR zijn de instituten
                                    van de Stichting DLO en de departementen van Wageningen Universiteit op experti-
                                    segebied samengebracht in vijf organisatorische eenheden, de Sciences Groups:
                                    Plant Sciences Group, Animal Sciences Group, Agrotechnology & Food Sciences
                                                                                                                                        15
                                    Group, Environmental Sciences Group en Social Sciences Group.
                                    De relaties tussen het ministerie van LNV en DLO zijn vastgelegd in de statuten en
                                    de subsidieregeling van de Stichting DLO. De minister verleent DLO jaarlijks sub-
                                    sidies ‘ten behoeve van de uitvoering van werkplannen die strekken tot realisering
                                    van door hem vastgestelde programma’s.’ Programma’s hebben betrekking op de
                                    instandhouding en ontwikkeling van de kennisinfrastructuur in Nederland, strate-
                                                                                                                                                 16
                                    gisch en toegepast onderzoek, en wettelijke en dienstverlenende taken.                                          Circa de
                                    helft van het DLO-budget komt voor rekening van LNV.
                                    2.4          Overige onderzoeksinstituten
                                    Er zijn naast de drie hierboven beschreven soorten instituten nog vele andere insti-
              Daarnaast zijn er nog tuten. Een belangrijke categorie vormen de (van oorsprong) departementale onder-
       departementale instituten …  zoeksinstituten die beleidsondersteunend onderzoek uitvoeren. Deze instituten
                                                                                                               17
                                    vallen onder de ministeriële verantwoordelijkheid.                              Het Wetenschappelijk
                                    Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) en het Nederlands Forensisch
                                    15  Het organisatieschema van WUR telt acht instituten van de Stichting DLO: Agrotechnology & Food Sciences Group,
                                        Alterra, ASG Veehouderij, Landbouw Economisch Instituut (LEI), Plant Research International, Praktijkonderzoek Plant &
                                        Omgeving, Wageningen IMARES (Institute for Marine Resources & Ecosystem Studies) en ID Lelystad (Instituut
                                        voor Dierhouderij en Diergezondheid).Daarnaast zijn er twee instituten met Wettelijke Onderzoekstaken (WOT):
                                        het RIKILT–Instituut voor Voedselveiligheid en het Centraal Veterinair Instituut. Er zijn vier WOT-programma-units:
                                        WOT Natuur en Milieu, het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland, het Centrum voor Economische
                                        Informatievoorziening en het Centrum voor Visserijonderzoek.
                                    16  Zie Regeling subsidie Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek.
                                    17  Dit in tegenstelling tot zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s), die niet
                                        direct onder het gezag van een ministerie vallen. TNO en NWO zijn voorbeelden van RWT’s/ZBO’s.
                                 17 Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010           08:09        Pagina 18
                                   Instituut (NFI) vallen bijvoorbeeld onder het ministerie van Justitie. Het Koninklijk
                                   Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), de vijf landelijke diensten met onder-
                                   zoekstaken van Rijkswaterstaat en het Kennisinstituut Mobiliteitsbeleid (KiM) vallen
                                   onder het ministerie van Verkeer & Waterstaat. Het Rijksinstituut voor
                                   Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM) is een zelfstandig onderdeel van het
                                   ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en voert ook onderzoek uit voor
                                   de ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en
                                                                                             18
                                   Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.                         Het ministerie van OCW heeft bijvoor-
                                   beeld het Instituut Collectie Nederland (ICN) en de Rijksdienst voor Archeologie,
                                   Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) onder zijn hoede.
                                   Daarnaast zijn er drie planbureaus. Dit zijn wetenschappelijke instituten met een
            … drie planbureaus, …  beleidsadviesfunctie die rechtstreeks onder een departement vallen. Het Centraal
                                   Planbureau CPB is onderdeel van het ministerie van Economische Zaken, het
                                   Planbureau voor de Leefomgeving valt onder het ministerie van Volkshuisvesting,
                                   Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Sociaal en Cultureel Planbureau SCP
                                   valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en
                                           19
                                   Sport.
                                   De Universitair Medische Centra (UMC’s) zijn een aparte categorie ‘instituten’. Het
                  … acht UMC’s, …  gezondheidsonderzoek concentreert zich voor het overgrote deel binnen deze
                                   UMC’s. Deze gremia stemmen in federatief verband (de NFU) beleid rond de domei-
                                                                                                                20
                                   nen Onderwijs en Opleiding, Onderzoek en Zorg af.                                De acht UMC’s hebben een
                                   geformaliseerde relatie met een universiteit. Gezien het bijzondere karakter van de
                                   UMC’s in NFU-verband, heeft de raad deze organisaties niet specifiek een plek
                                   gegeven in het onderhavige advies.
                                   Tenslotte is er een categorie van (deels) publiek gefinancierde onderzoeksinstituten
                                   waarvan sommige sociaalwetenschappelijk onderzoek of medisch onderzoek uitvoe-
                                   ren. Voorbeelden hiervan zijn het Nederlands instituut voor onderzoek van de
                                   gezondheidszorg (NIVEL), het Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en
                       … en meer   Ziektepreventie (NIGZ), het Nederlands Kanker Instituut (NKI), het Instituut
                                                                                                                            21
                                   Clingendael, het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) , het Verwey-Jonker
                                   Instituut en het Afrika-Studiecentrum (ASC).
                                   18  Om een idee van de omvang van (de grootste van) deze instituten te geven: bij het RIVM werken ongeveer 1.500 mede-
                                       werkers en de rijksbijdrage aan het RIVM vanuit diverse ministeries was in 2007 ongeveer 232 miljoen euro; het KNMI
                                       heeft 500 mensen in dienst en staat voor zo’n 60 mln euro op de rijksbegroting; bij het NFI werken ongeveer 540 men-
                                       sen en bij het WODC zo’n 90.
                                   19  In april 2008 is het Ruimtelijk Planbureau samengevoegd met het Milieu- en Natuurplanbureau tot het Planbureau voor
                                       de Leefomgeving. Het PBL heeft zo’n 250 medewerkers in dienst; het CPB 170 en het SCP ruim 90.
                                   20  Zie www.nfu.nl.
                                   21  Het BPRC was tot 1994 een onderdeel van TNO, maar het toenmalige TNO Primatencentrum werd in 1994 een zelfstan-
                                       dige stichting die voor het grootste deel wordt gefinancierd door het ministerie van OCW.
                              18   Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen     12-02-2010     08:09    Pagina 19
      Dit advies gaat over de eerste In dit advies zal de raad zich richten op de eerste drie hoofdsoorten onderzoeks-
                         drie typen  instituten. De categorie van ‘overige instituten’ is te heterogeen en de instituten zijn
                                     veelal te idiosyncratisch om er eenduidige uitspraken over te doen. De raad advi-
                                     seert de regering wel om nog eens goed naar de departementale onderzoeksinstitu-
                                     ten te (laten) kijken om te bezien of er reden is voor veranderingen in beleid.
                                  19 Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010    08:09 Pagina 20
                           20      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010        08:09        Pagina 21
                                3              Ontwikkelingen in de omgeving
                                   Om de dynamiek in het onderzoekslandschap te duiden en om de rollen van institu-
          We schetsen vijf exogene ten in het onderzoekssysteem te kunnen beoordelen, kijken we eerst naar de ont-
                    ontwikkelingen wikkelingen in de omgeving van onderzoeksinstituten. Hieronder schetsen we een
                                   aantal onderling samenhangende ontwikkelingen in verschillende deelomgevingen
                                   van instituten. Hoewel de deelomgevingen niet scherp zijn af te bakenen, maken
                                   we om analytische redenen een onderscheid tussen de wetenschappelijke omge-
                                   ving, de internationale omgeving, de beleidsomgeving, de universitaire omgeving en
                                   de omgeving van het bedrijfsleven.
                                   3.1          Ontwikkelingen in de wetenschappelijke omgeving
       Nieuwe onderzoeksgebieden   Een belangrijke ontwikkeling in de wetenschappelijke omgeving is de opkomst van
         komen tot ontwikkeling, … nieuwe onderzoeksgebieden als informatie- en communicatietechnologieën, levens-
                                   wetenschappen, nieuwe materialen en nanotechnologieën. Veel landen hebben
                                   deze gebieden als strategisch belangrijk aangemerkt, omdat juist in deze gebieden
                                   grote doorbraken en belangrijke bijdragen aan maatschappelijke en economische
                                   doelen worden verwacht. Het gaat hier veelal om multidisciplinaire gebieden die de
                                   traditionele disciplinaire grenslijnen overschrijden. Deze nieuwe onderzoeksgebieden
                                   raken bovendien steeds meer met elkaar verweven. Zo biedt de combinatie van
                                   nano-, bio-, informatie- en cognitieve (NBIC-)technologieën verregaande nieuwe
                                   mogelijkheden voor onderzoek en innovatie. De nieuwe, snelgroeiende onderzoeks-
           … vaak in netwerken van domeinen zijn vaak niet zozeer gebaseerd op grote fysieke onderzoeksfaciliteiten,
       complementaire organisaties maar meer op gedistribueerde complementaire faciliteiten en/of samenwerkende
                                   complementaire instituten. In die zin wijken deze gebieden af van de ‘big science’
                                   gebieden die in de vorige eeuw vroegen om grootschalige onderzoeksfaciliteiten
                                   zoals bijvoorbeeld deeltjesversnellers en radiotelescopen.
                                   ‘Search regimes’ en institutionalisering van onderzoek
                                   Onderzoeksgebieden hebben volgens Andrea Bonaccorsi hun eigen specifieke
                                                                                                               22
                                   ‘search regime’ dat bepalend is voor de dynamiek.                              Search regimes kunnen wor-
                                   den gekarakteriseerd aan de hand van groeisnelheid (snel of langzaam), diversiteit
                                   (divergerend of convergerend) en complementariteit (op het vlak van infrastructuur
                                   of van menselijk kapitaal en instituten). De dynamiek verschilt per regime en elk
                                   type search regime biedt specifieke mogelijkheden voor institutionele oplossingen
                                   voor de organisatie van onderzoek. Zo worden gevestigde onderzoeksgebieden
                                   zoals bijvoorbeeld hoge-energiefysica, astronomie, ruimteonderzoek, oceanografie
                                   en nucleaire technologie veelal gekenmerkt door relatief langzame groei, conver-
                                   22  Andrea Bonaccorsi (2005) Better policies vs better institutions in European science, Paper presented to the PRIME
                                       General Conference, Manchester, January 7-9, 2005.
                                21 Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen       12-02-2010          08:09      Pagina 22
                                       gentie en complementariteit op het vlak van (grootschalige) fysieke infrastructuur.
                                       De institutionele oplossing in de vorm van een fysiek onderzoeksinstituut rondom
                                       een grote onderzoeksfaciliteit past goed bij dit soort search regimes. De nieuwe
                                       opkomende gebieden in de nano-, levens-, informatie- en cognitieve weten-
                                       schappen worden daarentegen gekenmerkt door snelle groei, divergentie en
                                       complementariteit op het vlak van menselijk kapitaal en instituten. Bij dit soort
                                       onderzoeksgebieden passen meer flexibele institutionele oplossingen.
                                       De opkomst van de nieuwe onderzoeksgebieden gaat samen met de opkomst van
    Vaak betreft het multidisciplinair nieuwe contextgedreven, probleemgerichte en inter- of transdisciplinaire vormen
                                                                    23
                          onderzoek    van kennisproductie.             Onderzoek speelt zich steeds vaker af op het raakvlak van
                                       academische disciplines of in een multidisciplinaire context. De klemtoon in het
                                       wetenschappelijk onderzoek verschuift daarmee van individuele onderzoekers naar
                                       (multidisciplinaire) teams en wereldwijde onderzoeknetwerken.
                                       Het gedistribueerde karaker van onderzoek wordt versterkt door ontwikkelingen
                                       in de internationale omgeving (internationalisering van R&D), het beleid (nieuwe
                                       programmatische financieringsinstrumenten), het bedrijfsleven (‘open innovatie’) en
                                       de mogelijkheden die worden geboden door informatie- en communicatietechnolo-
                                       gieën (e-Science).
                                       3.2          Ontwikkelingen in de internationale omgeving
                                       Internationalisering van onderzoekssystemen is een andere belangrijke ontwikkeling
    Vraag naar en aanbad van kennis    in de omgeving van onderzoeksinstituten. Onderzoeksinstituten krijgen almaar meer
               internationaliseren, …  te maken met een internationale markt. Zowel de vraag naar als het aanbod van
                                       kennis internationaliseren: Nederlandse bedrijven en overheden zoeken wereldwijd
                                       naar kennis en kennisproducenten van topniveau, en buitenlandse onderzoeksinsti-
                                       tuten bieden in toenemende mate hun diensten ook in Nederland aan.
       … bijvoorbeeld binnen de ERA    De opkomst van de Europese Onderzoeksruimte (ERA) is onderdeel van deze trend,
                                       waarbij nationale grenslijnen steeds minder belangrijk worden. Internationalisering
                                       noopt tot sterkere profilering en voldoende focus en kritische massa van onder-
                                       zoeksinstituten om mee te kunnen blijven doen in internationale competitie en
                                       samenwerking.
                                       Nationale overheden zetten in hun wetenschaps- en innovatiebeleid daarom in op
     Overheden zetten daarom in op     het stimuleren van internationaal zichtbare en herkenbare zwaartepunten. Dit geldt
                      zwaartepunten    zeker ook voor Nederland, dat als relatief klein land niet op alle fronten in de voor-
                                       hoede kan meedoen. Om internationaal concurrerend te blijven wordt krachtenbun-
                                       deling tussen kennisinstellingen (en kennisintensieve bedrijven) belangrijker.
                                       23  Gibbons, Michael; Camille Limoges, Helga Nowotny, Simon Schwartzman, Peter Scott, & Martin Trow (1994) The new
                                           production of knowledge: the dynamics of science and research in contemporary societies, London: Sage
                                   22  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen     12-02-2010           08:09        Pagina 23
                                     Internationalisering betekent ook dat de relatie tussen onderzoeksinstituten en de
    Onderzoeksinstituten kijken over nationale overheid verandert en ingewikkelder wordt. Enerzijds worden instituten
                de landsgrenzen, …   minder afhankelijk van de nationale overheid als bron van onderzoekfinanciering
                                     naarmate ze meer internationale bronnen weten te vinden en een internationaal
                                     profiel ontwikkelen. Het kan ertoe leiden dat de nationale missie van onderzoeksin-
                                     stituten – waarin vaak een bijdrage aan de versterking van het nationale innovatie-
                                     en concurrentievermogen voorop staat – op gespannen voet komt te staan met het
                                     ontwikkelen van een internationaal profiel.
                                     Anderzijds worden de instituten juist belangrijker voor nationale overheden naarma-
            … en bepalen mede het    te ze een sterker internationaal profiel krijgen. De aanwezigheid van internationaal
                  vestigingsklimaat  gerenommeerde onderzoeksinstituten draagt bij aan de internationale profilering
                                     van een land en vormt een belangrijke factor in het vestigingsklimaat voor (clusters
                                     van) kennisintensieve bedrijvigheid. Nationale overheden zetten steeds vaker in op
                                     het creëren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor kennisintensieve activitei-
                                     ten.
                                     Voorbeeld: de Deense reactie op globalisering
                                     Het Deense onderzoekssysteem heeft de laatste jaren flinke veranderingen onder-
                                     gaan. Een van de eerste aanzetten tot verandering werd gegeven door het rapport
                                                                                           24
                                     van de Danish Research Commission                         in 2001 met daarin aanbevelingen voor een
                                     versterking van de samenhang en coördinatie in het onderzoekssysteem en voor de
                                     betere wisselwerking tussen de publieke kennisinstellingen en bedrijven. De hervor-
                                     mingen kwamen in een stroomversnelling toen in 2006 de Deense
                                     Globaliseringsstrategie verscheen waarin de versterking van de internationale con-
                                                                                                                                    25
                                     currentiekracht van het Deense onderzoek een hoofdrol speelde.
                                     De Globaliseringsstrategie heeft als een van de hoofddoelstellingen dat
                                     Denemarken een internationaal concurrerend onderzoekssysteem krijgt met univer-
                                     siteiten van wereldklasse. Deense universiteiten moeten getalenteerde studenten en
                                     onderzoekers uit binnen- en buitenland kunnen aantrekken en behouden. Ze moe-
                                     ten de basis kunnen leggen voor een dynamische, duurzame maatschappelijke en
                                     economische ontwikkeling. Naast hervormingen in het bestuur van de universitei-
                                     ten, in het onderwijs en in de financiering werd ingezet op het fuseren van univer-
                                     siteiten en publieke onderzoeksinstituten.
                                     In minder dan een jaar werd het aantal universiteiten en onderzoeksinstituten
                                     teruggebracht van 12 naar 8 universiteiten en van 13 naar 3 onderzoeksinstituten.
                                     24  Zie http://en.vtu.dk/publications/2001/report-from-the-danish-research-commission/report-from-the-danish-research-com-
                                         mission.
                                     25  Zie http://www.globalisering.dk voor meer informatie over de Deense Globaliseringsstrategie ‘Progress, Innovation and
                                         Cohesion Strategy for Denmark in the Global Economy’.
                                  23 Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen       12-02-2010         08:09         Pagina 24
                                       Het proces is niet top-down opgelegd aan de kennisinstellingen maar tot stand
                                       gekomen op basis van onderhandelingen tussen universiteiten en instituten. Het
                                       proces kan worden gekenschetst als een tweezijdige ‘beauty contest’, waarbij insti-
                                       tuten zich zo aantrekkelijk mogelijk presenteerden aan universiteiten en universitei-
                                       ten zich van hun kant probeerden te verkopen aan instituten.
                                       De redenen voor de herstructurering waren divers. De gedachte was dat grotere
                                       universiteiten meer mogelijkheden hebben om een grotere internationale zichtbaar-
                                       heid te creëren. Er zou meer synergie behaald kunnen worden door nauw verwante
                                       onderwerpen samen te voegen. Bovendien heeft het bestuur bij grotere universitei-
                                       ten in principe meer mogelijkheden om strategisch onderzoeksbeleid te voeren. Ten
                                       slotte was een reden dat door de fusie van universiteiten en instituten fundamen-
                                       teel en toepassingsgericht onderzoek en onderwijs konden worden samengebracht.
                                       Dit zou de verspreiding van nieuwe kennis (naar studenten, promovendi, onderzoe-
                                       kers) vergemakkelijken.
                                       Voor het Deense parlement was met name ook dit laatste punt een belangrijke
                                       reden om instituten bij universiteiten onder te brengen. In AWT-termen gaat het
                                       om de versterking van ‘kennis als vermogen’ – de competenties en vaardigheden
                                       van onderzoekers die via het verrichten van onderzoek worden opgedaan. Nieuwe
                                       kennis moet worden verspreid, doorstromen, niet blijven hangen in instituten die in
                                       isolatie opereren aan de grenzen van de wetenschap.
                                       3.3          Ontwikkelingen in de beleidsomgeving
                                       In het verleden was een groot aantal onderzoeksinstituten rechtstreeks opgehangen
                                       aan een departement, maar hervormingen in het overheidsbestuur hebben onder
     Veel publieke instituten zijn ‘op andere geleid tot andere beheers- en financieringsrelaties. Voor de publieke onder-
                  afstand’ geplaatst   zoeksinstituten betekent dit dat ze ‘op afstand’ zijn gezet. Ze zijn bijvoorbeeld
                                       ondergebracht onder een koepelorganisatie zoals NWO of de KNAW of onder een
                                                                                                                                              26
                                       universiteit. Of ze zijn gereorganiseerd in de vorm van een agentschap                                     zoals het
                                       RIVM. In het nieuwe sturingsmodel gaat de toegenomen bestuurlijke afstand
                                       gepaard met zwaardere eisen van verantwoording en transparantie over de manier
                                       waarop de overheidsbijdrage wordt besteed en de resultaten die daarmee geboekt
                                       zijn. Vaak worden meerjarige prestatieafspraken gemaakt met de instituutsleiding
                                       door de departementen of de koepelorganisaties. De voortgang wordt jaarlijks
                                       gemonitord en de prestaties worden periodiek geëvalueerd.
                                       Een andere trend – die de autonomie van instituten weer inperkt – is dat de overheid
   De overheid stuurt het onderzoek    steeds meer verwacht dat het onderzoek in de publieke kennisinfrastructuur wordt
                          met geld, …  gericht op maatschappelijke en/of economische doelen. Om het publiek gefinancierde
                                       26  Een agentschap valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid, maar is een zelfstandig onderdeel van een ministerie
                                           met een eigen directie, een eigen begroting en een eigen financiële administratie.
                                    24 Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen        12-02-2010     08:09    Pagina 25
                                        onderzoek relevanter te maken voor het bedrijfsleven of maatschappelijke thema’s,
                                        heeft de overheid ervoor gekozen om vaker te sturen op thema’s via een reeks van
                                        programmatische instrumenten. Publieke onderzoeksinstellingen zijn voor de financie-
                                        ring van hun onderzoek meer en meer afhankelijk van programmatische financiering.
                                        De inzet vanuit het beleid om het wetenschappelijk onderzoek meer te richten op
          … niet alleen inhoudelijk, …  maatschappelijke en economische vraagstukken is verweven met de opkomst van
                                        nieuwe, multidisciplinaire, gedistribueerde manieren van kennisproductie. Vragen
                                        vanuit de maatschappij en het bedrijfsleven zijn immers vaak complex en vragen om
                                        inter- en transdisciplinaire benaderingen, en dus om samenwerking tussen verschil-
                                        lende disciplines, onderzoeksgroepen en onderzoeksinstituten.
                                        De sturing van de overheid is in toenemende mate ook gericht op (het verbeteren
     … maar ook op organisatorische     van) de organisatie van onderzoek en van het onderzoekssysteem. Voorbeelden
                                doelen  hiervan zijn instrumenten gericht op zwaartepuntvorming, vraagsturing, multidisci-
                                        plinaire en/of publiek-private samenwerking en talentontwikkeling. Als gevolg hier-
                                        van is er een duidelijke trend in het Nederlandse onderzoekssysteem van een
                                        complexer en dichter wordende intermediaire structuur tussen enerzijds de overheid
                                        en anderzijds de uitvoerders van onderzoek. Het onderzoekssysteem krijgt met de
                                        opkomst van onderzoeksconsortia en regieorganen steeds meer een matrixstructuur.
                                        Enerzijds draagt dit bij aan de flexibiliteit in het systeem en past het bij de opkomst
                                        van nieuwe ‘search regimes’. Anderzijds wordt het onderzoekssysteem hierdoor
                                        complexer en nemen de overheadkosten toe.
                                        3.4          Ontwikkelingen in de universitaire omgeving
                                        Universiteiten hebben grotendeels te maken met dezelfde ontwikkelingen in de
   Universiteiten moeten zich sterker   omgeving als waar onderzoeksinstituten op in moeten spelen. Ook universiteiten
                          profileren, … voelen steeds sterker de noodzaak zich duidelijker te profileren en te positioneren in
                                        netwerken. De opkomst van internationale rankings versterkt deze ontwikkeling. De
                                        profileringsdrang gaat gepaard met concurrentie om getalenteerde (internationale)
                                        studenten en onderzoekers en met de noodzaak tot samenwerking in (internationa-
                                        le) netwerken. Universiteiten staan voor de opgave om een duidelijker onderzoeks-
                                        profiel te creëren door speerpunten of inhoudelijke zwaartepunten in het
                                        universitaire onderzoek te vormen. Daarbij krijgen (interdisciplinaire) universitaire
                                        onderzoeksinstituten een belangrijkere rol ten opzichte van de faculteiten. In
                  … bijvoorbeeld met    Nederland heeft de Universiteit Twente bijvoorbeeld al haar onderzoek onderge-
                onderzoeksinstituten    bracht in zes (interfacultaire) speerpuntinstituten. De TU Delft heeft het onderzoek
                                        betreffende maatschappelijke vraagstukken rond energie, infrastructuur, leefomge-
                                        ving en gezondheid gebundeld in vier instellingsbrede, multidisciplinaire onder-
                                        zoeksplatforms, de Delft Research Initiatives. De Universiteit Utrecht heeft vijftien
                                        focusgebieden voor het onderzoek aangewezen waarin onderzoek van (bewezen)
                                        zeer hoge kwaliteit uit verschillende onderzoeksdisciplines thematisch bijeen wordt
                                        gebracht. Ook andere universiteiten hebben soortgelijke onderzoeksinstituten.
                                    25  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen      12-02-2010     08:09    Pagina 26
                                      Een voorbeeld van een universitair onderzoeksinstituut
                                      Een voorbeeld van een multidisciplinair universitair onderzoeksinstituut is het
                                      MESA+ Institute for Nanotechnology van de Universiteit Twente. Dit instituut is
                                      inmiddels uitgegroeid tot een van de grotere nanotechnologie-onderzoeksinstituten
                                      in de wereld. In MESA+ werken verschillende onderzoeksgroepen samen. Er werken
                                      ongeveer 475 mensen, waarvan 275 aio’s en postdocs. Het instituut beschikt over
                                      eigen NanoLab-faciliteiten. De omzet is 45 miljoen euro per jaar, waarvan 60%
                                      wordt verkregen in competitie om externe financieringsbronnen.
                                      Het succes van MESA+ is voor een deel voortgekomen uit de grondige reorganisatie
                                      die de Universiteit Twente heeft doorgevoerd om beter te kunnen inspelen op de
                                      veranderende omgeving. Onderdeel van de herinrichting was dat de faculteiten
                                      opnieuw werden ingedeeld en dat de onderzoeksinstituten als het ware uit de
                                      faculteiten werden ‘gekanteld’. Onderwijs en onderzoek werden zodoende ont-
                                      vlecht en kregen beide een betere focus en sterkere profilering. Onderwijs werd
                                      aangestuurd via de faculteiten en onderzoek via onderzoeksinstituten. De instituten
                                      werden zelfstandige eenheden met een eigen wetenschappelijk directeur.
                                      Bovendien werd het bestuursmodel van de universiteit aangepast: naast het College
                                      van Bestuur en de decanen werden ook de wetenschappelijk directeuren van de
                                      instituten opgenomen in het Universitair Management Team. Een ander element
                                      was de invoering van managementcontracten tussen het College van Bestuur en de
                                      decanen en wetenschappelijk directeuren.
                                      Om op internationaal toonaangevend niveau wetenschappelijk onderzoek te ver-
    Profilering noopt tot coördinatie richten (en onderwijs aan te bieden), staan universiteiten voor de opgave om te zoe-
                   en samenwerking    ken naar onderlinge samenwerking. Een voorbeeld hiervan is een eerste aanzet tot
                                      krachtenbundeling van de TU Delft, de TU Eindhoven en de Universiteit Twente in
                                      de 3TU.Federatie. Gezamenlijk wordt gewerkt aan versterking van focus en massa
                                      op voor de Nederlandse kenniseconomie belangrijke onderzoeksgebieden via vijf
                                      gezamenlijke Centres of Competence. Binnen elk van deze Centres of Competence
                                      is op een deelgebied een gezamenlijk Centre of Excellence opgezet om samen een
                                      vernieuwende impuls te geven aan het onderzoek op deze deelgebieden via het
                                      opbouwen van nieuwe leerstoelgroepen. Het succes van het 3TU-initiatief zal af-
                                      hangen van welke verdere stappen naar samenwerking er gezet zullen worden,
                                      maar het initiatief is een duidelijke indicatie van het toegenomen belang van inter-
                                      institutionele samenwerking en afstemming.
                                      Daarnaast nemen universiteiten hun ‘derde taak’ serieuzer, en wordt het kennis-
                                      valorisatiebeleid geprofessionaliseerd. Universiteiten zoeken in toenemende mate
                                      zelf direct contact met (kennisintensieve) bedrijven.
                                  26  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen        12-02-2010        08:09       Pagina 27
                                        3.5          Ontwikkelingen in het bedrijfsleven
                                        Een belangrijke trend in het bedrijfsleven is een toenemende internationale
                                                                                                      27
    Bedrijven doen steeds meer R&D      offshoring en outsourcing van private R&D.                        Daarnaast is er ook sprake van een
                                                                                                                             28
                     in samenwerking    toenemende ‘nationale’ outsourcing / insourcing van R&D.                                Dat betekent dat een
                                        aantal specifieke R&D-activiteiten door bedrijven wordt uitbesteed (of overgeheveld)
                                        richting universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstituten. Bovendien gaat toene-
                                        mende specialisatie van R&D gepaard met outsourcing richting kleinere bedrijven
                                        met een nieuwe rol van de grote private onderzoekslaboratoria als ‘open’ systeem-
                                        innovatie-infrastructuur. Bedrijven doen onderzoek dus steeds meer in samenwer-
                                        king met kennisinstellingen en andere bedrijven omdat ze niet langer zelf al het
                                        onderzoek in eigen huis kunnen en (willen) doen. Naast bilaterale samenwerking
                                        (contractonderzoek) wordt multilaterale samenwerking in publiek-private netwerken
                                        en consortia belangrijker. We zien dus een vermaatschappelijking van het private
                                        onderzoek en een toename van publiek-private samenwerking in R&D. De aanwe-
                                        zigheid van sterke (publiek gefinancierde) onderzoeksinstellingen speelt een belang-
          Vermaatschappelijking van     rijke rol in de regionale verankering van deze zich ontwikkelende ‘open’
                       bedrijfs-R&D …   systeeminnovatie-infrastructuur.
                 … en Open Innovatie    In ‘open innovatie’ staan kennisdeling en samenwerking in ketens en netwerken
                                        voorop. Belangrijke issues daarbij zijn het omgaan met de spanning tussen samen-
                                        werking en concurrentie, het maken van duidelijke afspraken over intellectueel
                                        eigendom en de financiering van de onderzoeks- en innovatieactiviteiten. In het
                                        algemeen geldt dat er steeds hogere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van het
                                        (interne en externe) management van instituten.
                                        3.6          Betekenis van deze ontwikkelingen
    Consequenties voor instituten: …    De optelsom van ontwikkelingen in de omgeving heeft een aantal consequenties
                                        voor onderzoeksinstituten en de rolverdeling in de publieke kennisinfrastructuur.
                                        Noodzaak van sterkere profilering en positionering in netwerken
                … sterker profileren, … In de eerste plaats wordt profilering en positionering in nationale en internationale
                                        kennisproducerende netwerken belangrijker voor onderzoeksinstituten. Een sterk en
                                        herkenbaar profiel wordt belangrijker om mee te kunnen doen in (inter)nationale
                                        competitie en samenwerking. Hetzelfde geldt overigens voor andere kennisinstellin-
                                        gen zoals universiteiten.
                                        Nieuwe verhouding tot universiteiten
    … positie kiezen ten opzichte van   In de tweede plaats verandert de verhouding van onderzoeksinstituten tot univer-
                      universiteiten, … siteiten. Traditionele grenzen tussen universiteiten en onderzoeksinstituten vervagen
                                        als gevolg van instituutsvorming binnen en tussen universiteiten, aanpassingen in de
                                        governance van universiteiten, hun grotere (internationale) profileringsdrang en hun
                                        27  Zie ook AWT (2007) Bieden en binden: Internationalisering van R&D als beleidsuitdaging, Advies 69, 24 januari 2007.
                                        28  Zie ook AWT (2006) Opening van zaken: Beleid voor Open innovatie, Advies 68, 6 juli 2006.
                                    27  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen     12-02-2010     08:09    Pagina 28
                                     toegenomen aandacht voor kennisvalorisatie. Redenen om instituten buiten de uni-
                                     versiteit te plaatsen zullen hierdoor verschuiven.
     … en de eigen plaats binnen het Zichtbare strategische betekenis van instituten
        kennis- en innovatiesysteem  In de derde plaats betekenen internationalisering van onderzoek en de opkomst van
         steeds opnieuw legitimeren  open innovatie dat van instituten (en andere kennisinstellingen) wordt verwacht dat
                                     ze een bijdrage leveren aan de nationale concurrentiepositie, het nationale weten-
                                     schapsklimaat en/of het vestigingsklimaat voor kennisintensieve activiteiten.
                                     Instituten zullen moeten aantonen dat zij een bijdrage leveren aan een vitaal ken-
                                     nis- en innovatiesysteem in Nederland (en Europa).
                                     In het verlengde hiervan verandert de beheers- en financieringsrelatie met de over-
                                     heid. Instituten moeten duidelijker laten zien dat ze bijdragen aan beleidsdoelen.
                                     Ook worden de financieringsstructuren complexer doordat de overheid zwaarte-
                                     puntvorming, publiek-private samenwerking en/of vraagsturing wil stimuleren.
                                     Het onderzoekssysteem krijgt steeds meer de vorm van een matrixstructuur waarin
                                     onderzoeksinstituten, universiteiten en bedrijven op programmatische wijze samen-
                                     werken in onderzoeksconsortia en al dan niet virtuele samenwerkingsinstituten.
                                  28 Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen       12-02-2010      08:09   Pagina 29
                                    4              Dynamiek in het institutenlandschap
                                       De ontwikkelingen in de omgeving hebben geleid tot de nodige dynamiek in het
                                       institutenlandschap. Zo zijn er bij verschillende instituten reorganisaties en herstruc-
                                       tureringen geweest. Veel instituten zoeken nauwere samenwerking met universitei-
                                       ten, met elkaar en/of met bedrijven. Bovendien begeeft een aantal instituten zich
                                       succesvol op internationale markten en in internationale samenwerkingsverbanden.
                                       De onderzoeksprogrammering van instituten wordt in het algemeen sterker gericht
                                       op vragen vanuit de maatschappij of het bedrijfsleven. Dit gaat samen met een
                                       diversificatie van financieringsbronnen, bijvoorbeeld door deelname in verschillende
                                       programma’s en onderzoeksconsortia.
    Belangrijkste ontwikkelingen per   We zullen hieronder per type onderzoeksinstituut een aantal relevante ontwikkelin-
                        type instituut gen schetsen.
                                       4.1          Nieuwsoortige instituten voor samenwerking in onderzoek
                                       De snelle opkomst van nieuwe instituutsvormen zoals de TTI’s, de MTI’s, en diverse
                                       andere samenwerkingsinstituten is een van de zichtbaarste veranderingen in het
                                       Nederlandse onderzoekslandschap. De ontwikkeling is in een stroomversnelling
              Veel incidenteel geld …  gekomen door het beschikbaar komen van relatief grote sommen onderzoeksgeld
                                       vanuit het FES. Het ontstaan van deze nieuwsoortige instituten is te zien als een
                                       reactie op de combinatie van wetenschapsinhoudelijke ontwikkelingen, de opkomst
                                       van nieuwe strategische onderzoeksdomeinen, ontwikkelingen in het wetenschaps-
                                       en innovatiebeleid richting zwaartepuntvorming en publiek-private samenwerking,
                                       internationalisering van het onderzoek, de opkomst van ‘open innovatie’ en toene-
                                       mende profilering van universiteiten via speerpuntinstituten en inzet op kennis-
                                       valorisatie.
     … helpt nieuwe accenten in het    De samenwerkingsinstituten passen bij de nieuwe (transdisciplinaire, gedistribueer-
         onderzoeksbeleid te leggen    de) manieren van kennisproductie. Ze bevinden zich veelal in strategische onder-
                                       zoeksgebieden en hebben vaak als expliciet doel om de wisselwerking tussen
                                       publieke kennisinstellingen en het bedrijfsleven te verbeteren. Ze dienen ook bij te
                                       dragen aan de internationale profilering van het Nederlandse onderzoeks- en inno-
                                       vatiesysteem en het verbeteren van het vestigingsklimaat voor kennisintensieve
                                       activiteiten.
                                       De nieuwe instituten zijn relatief flexibel en kunnen zich aanpassen aan veranderen-
                                       de eisen vanuit de omgeving. De TTI’s zijn bijvoorbeeld onderdeel geworden van de
                                       programmatische aanpak waarmee het ministerie van Economische Zaken ‘ecosyste-
                                       men’ van grote bedrijven, kleine bedrijven en kennisinstituten wil stimuleren zodat
                                    29 Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen        12-02-2010           08:09      Pagina 30
                                        ze internationaal kunnen (blijven) concurreren op basis van de combinatie van excel-
                                                                                                   29
                                        lente kennis en economische slagkracht.
                                        Het totaalbeeld levert een heterogene verzameling op van meer of minder virtuele
   Tijdelijke instituten om flexibel in onderzoeksorganisaties die kunnen worden gezien als aanpassingen aan een veran-
       te spelen op een veranderende    derende institutionele en wetenschappelijke omgeving. De snelle opkomst en veel-
                            omgeving    heid van nieuwe onderzoekssamenwerkingsinstituten is enerzijds een teken van
                                        vitaliteit en responsiviteit in het Nederlandse onderzoekssysteem, maar roept ander-
                                        zijds ook vragen op over mogelijke ‘wildgroei’ en gevolgen voor het onderzoeks-
                                        ecosysteem en de reguliere onderzoeksinstellingen.
                                        4.2           Instituten van NWO en de KNAW
                                        NWO en haar instituten
                                                                                                                 30
                                        In haar strategienota ‘Wetenschap gewaardeerd!’                              positioneert NWO haar institu-
        NWO-instituten om nationaal     ten nadrukkelijk als middel om op nationaal niveau krachten te bundelen.
               krachten te bundelen …   Krachtenbundeling binnen Nederland is nodig om op specifieke gebieden een voor-
                                        aanstaande rol te spelen met voldoende focus en kritische massa. NWO zet daarom
                                        in op het intensiveren van de samenwerking van haar instituten met universitaire
                                        groepen en andere onderzoeksorganisaties. NWO-instituten dienen dus een duide-
                                        lijke bijdrage te leveren aan het wetenschappelijk klimaat in Nederland en aan de
                                        internationale aantrekkingskracht van Nederland op onderzoekers.
                                        De NWO-instituten zijn ontstaan in gebieden waar grote researchfaciliteiten een
                         … vooral rond  belangrijke rol spelen. Deze faciliteiten waren voor afzonderlijke universiteiten te
             onderzoeksinfrastructuur   duur en werden daarom op nationaal niveau gerealiseerd onder beheer bij NWO-
                                        instituten. De instituten van NWO ontlenen hun reden van bestaan grotendeels aan
                                        het nationale voorzieningenkarakter. De faciliteiten dienen toegankelijk te zijn voor
                                        alle universiteiten. Vanwege het nationale voorzieningenkarakter is NWO terughou-
                                        dend met het plaatsen van haar instituten ‘on campus’ bij een universiteit. Lokale
                                        onderzoekers zouden immers teveel hun stempel op het instituut kunnen druk-
                                              31
                                        ken.
                                        Binnen de institutenorganisatie van NWO speelt de Stichting voor Fundamenteel
                                        Onderzoek der Materie (FOM) een belangrijke rol. Het beleid van FOM is gericht
                                        op het handhaven en zo nodig versterken van de internationale kwaliteit van
                                        de Nederlandse natuurkunde en op het verhogen van de FOM-bijdragen aan
                                        de Nederlandse kenniseconomie. FOM heeft drie instituten onder haar hoede (zie
                                        29   Als onderdeel hiervan hebben de ‘oude’ TTI’s hun naam veelal aangepast. Zo heeft het Wageningen Centre for Food
                                             Sciences (WCFS) zijn naam veranderd in Top Institute Food and Nutrition (TIFN) en is het Netherlands Institute for Metals
                                             Research (NIMR) verder gegaan onder de naam Materials innovation institute (M2i).
                                        30   NWO (2006) Wetenschap gewaardeerd! NWO-strategie 2007-2010, Den Haag.
                                        31   De NWO-instituten NIKHEF, AMOLF en CWI zijn overigens gehuisvest op het Science Park Amsterdam, tesamen met de
                                             faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica (FNWI) van de UvA.
                                    30  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010        08:09      Pagina 31
                                   paragraaf 2.2). Deze FOM-instituten beheren onderzoeksinfrastructuur en bezitten
                                   een eigen technische staf, werkplaatsen en dergelijke. Omdat krachtenbundeling
                                   belangrijker wordt om internationaal mee te kunnen blijven doen, probeert FOM –
                                   samen met het NWO-gebied Natuurkunde – zwaartepuntvorming op een beperkt
                                   aantal thema’s tot stand te brengen. Daarbij voert FOM een nationale regie en
                                   gebruikt ze een integrale aansturing van het fysisch onderzoek bij het geheel van
                                                                               32
                                   FOM-instituten en universitaire groepen.       De organisatievorm instituut is voor FOM
                                   een belangrijke manier om de nodige krachtenbundeling tot stand te brengen rond-
                                   om grote faciliteiten.
                                   In de aansturing van de NWO- en FOM-instituten spelen zesjaarlijkse evaluaties (met
                                   behulp van het Standard Evaluation Protocol (SEP)) een belangrijke rol. Deze evalua-
                                   ties bieden mogelijkheden voor interventie, waarbij in principe ook het voortbestaan
                                   van een instituut aan de orde wordt gesteld. De instituten dienen minimaal ‘zeer
                                   goed’ te scoren.
                                   De KNAW en haar instituten
                                   De KNAW positioneert zichzelf als forum, geweten en stem van de wetenschap. Zij
           KNAW-instituten om de   heeft als doel de kwaliteit en de belangen van de wetenschap te bevorderen en zich
        Nederlandse wetenschap te  in te zetten voor een optimale bijdrage van de Nederlandse wetenschap aan de cul-
                     profileren, … turele, sociale en economische ontwikkeling van de samenleving. De KNAW ziet
                                   haar instituten als een goede manier om kritische massa te creëren en bij te dragen
                                   aan internationale profilering van het Nederlandse wetenschapssysteem.
                                   Instituutsfinanciering wordt door de KNAW gezien als de ‘zware artillerie’ onder de
                                   instrumenten waarmee de Nederlandse wetenschap internationaal een vuist kan
                                   maken.
                                   De KNAW verlangt van haar instituten dat ze een duidelijk herkenbaar nationaal en
                                   internationaal aanspreekpunt zijn met een heldere positionering in relevante natio-
                                   nale en internationale netwerken. Een KNAW-instituut dient een missie van lande-
                                   lijke betekenis te vervullen die niet elders in Nederland wordt vervuld. Een instituut
                                   van de KNAW dient een leidende rol te spelen in de onderzoeksagenda in zijn
                                   onderzoeksdomein. Andere onderzoeksgroepen moeten gemakkelijk kunnen aan-
                                   sluiten als dat meerwaarde oplevert.
           … in samenwerking met   Vanuit het oogpunt van zwaartepuntvorming vindt de KNAW samenwerking met
                    universiteiten andere onderzoekgroepen en -instituten van vitaal belang voor elk KNAW-instituut.
                                   De KNAW bevordert daarom wisselwerking met universiteiten, onder andere door
                                   het aanstellen van bijzondere en deeltijdhoogleraren vanuit de instituten aan de
                                   universiteiten en door (tijdelijke) aanstellingen van excellente onderzoekers vanuit
                                   de universiteiten aan de instituten. Waar mogelijk wil de KNAW haar instituten ‘on
                                   32   FOM (2008) FOM Jaarboek 2007, Utrecht.
                                31 Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010           08:09       Pagina 32
                                   campus’ huisvesten, vlakbij een passende universiteit. Enkele instituten zijn reeds
                                                                                  33
                                   nabij een universiteit gevestigd.                   In die zin gaat de KNAW een stap verder dan
                                   NWO, die haar instituten niet te veel onder de invloed van lokale belangen wil
                                   brengen vanwege het nationale voorzieningenkarakter.
                                   Net als bij de NWO-instituten vindt de evaluatie van de KNAW-instituten plaats vol-
                                   gens het landelijk gehanteerde Standard Evaluation Protocol (SEP). KNAW-instituten
                                   moeten in evaluaties ‘excellent’ of ten minste ‘zeer goed’ beoordeeld worden. Als
                                   een instituut bij herhaling zijn doelen niet haalt, dan volgt een ‘rood licht’ procedu-
                                   re. Reorganisatie, fusie of opheffing kunnen het gevolg zijn.
                                   De KNAW heeft in het recente verleden een paar keer ingegrepen in haar portfolio.
                                   Zo is in 2005 het Nederlands Instituut voor Wetenschappelijke Informatiediensten
                                   (NIWI) opgeheven. Uit het NIWI zijn twee nieuwe KNAW-instituten voortgekomen:
                                                                                                            34
                                   Data Archiving and Networked Services (DANS)                                 voor data archivering en Virtual
                                                                                                                     35
                                   Knowledge Studio (VKS) op het gebied van e-science.                                   Een tweede voorbeeld is de
                                   fusie van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek (NIH) en het
                                   Interuniversitair Oogheelkundig Instituut (IOI) in het Nederlands Instituut voor
                                   Neurowetenschappen (NIN). Een derde voorbeeld is de recente overheveling van het
                                   Centrum voor Estuariene en Mariene Ecologie (CEME) naar het Koninklijk
                                   Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ).
                                   Meer dan in het verleden wil de KNAW haar rijkgeschakeerde verzameling van
     Naar een dynamische portfolio instituten beheren als een dynamische portfolio waarmee zij kan inspelen op ver-
                                   anderingen in de (wetenschappelijke) omgeving. De KNAW wil haar onderzoeks-
                                   organisatie en de samenstellende delen gaandeweg een scherper profiel geven door
                                   het maken van portfoliokeuzes. Dat wil zeggen dat binnen de aandachtsgebieden
                                   een beperkt aantal zwaartepunten wordt gekozen. Zo nodig zullen reorganisaties
                                   worden doorgevoerd. De KNAW heeft een (beperkt) Strategiefonds voor strategi-
                                   sche vernieuwingen in instituten. Met haar Strategiefonds kan de KNAW aan haar
                                   instituten tijdelijke impulsen geven voor organisatorische en programmatische ver-
                                   nieuwing. De wendbaarheid van een instituut wordt niet alleen bevorderd door de
                                   onderzoeksprogrammering flexibeler te maken, maar ook door in het personeels-
                                   beleid meer flexibiliteit te creëren. Zolang er bij de instituten sprake is van een lage
                                   33  Het Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen (NIN) is gevestigd op het terrein van het Academisch Medisch
                                       Centrum van de Universiteit van Amsterdam; het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) bij de
                                       Universiteit Leiden; het Hubrecht Instituut bij de Universiteit Utrecht (Het Hubrecht Instituut heeft bovendien in februari
                                       2008 een vergaande samenwerking gesloten met het Universitair Medisch Centrum Utrecht); het Centraal Bureau voor
                                       Schimmelcultures (CBS) bij de Universiteit Utrecht; het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO) wordt gehuisvest op het
                                       terrein van Wageningen Universiteit en Researchcentrum.
                                   34  DANS wordt mede ondersteund door NWO. DANS zorgt sinds zijn oprichting in 2005 voor de opslag en blijvende toe-
                                       gankelijkheid van onderzoeksgegevens in de alfa- en gammawetenschappen. Daartoe ontwikkelt DANS zelf duurzame
                                       archiveringsdiensten, bevordert het dat anderen dat doen, en werkt het samen met databeheerders om ervoor te zorgen
                                       dat zoveel mogelijk data vrij beschikbaar komen voor gebruik in het wetenschappelijk onderzoek.
                                   35  De Bibliografie van de Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap (BNTL), die werd gemaakt op de afdeling
                                       Neerlandistiek van het NIWI, is bij het Huygens Instituut voortgezet in een technisch en inhoudelijk vernieuwde vorm.
                               32  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen     12-02-2010         08:09        Pagina 33
                                     mobiliteit onder vaste medewerkers stagneert een geregelde instroom van ‘vers
                                     bloed’ en blijft het lastig om jonge, talentvolle onderzoekers een helder loopbaan-
                                     perspectief te bieden. KNAW-instituten dienen een kweekvijver voor jong
                                     (inter)nationaal onderzoekstalent te zijn of te worden.
                                     Bij een dynamische portfolio van instituten hoort ook de mogelijkheid van het
                                     opnemen van nieuwe instituten. De KNAW hanteert een aantal voorwaarden. Zo
                                     moeten kandidaatinstituten een overtuigende bijdrage leveren aan het wetenschap-
                                     pelijk klimaat in Nederland en uitzicht bieden op een vooraanstaande wetenschap-
                                     pelijk positie. Er dient bovendien een overtuigend draagvlak te zijn vanuit het veld.
                                     Nieuwe instituten moeten ook passen in de portfolio die van oudsher bestaat uit
                                     instituten in de levenswetenschappen en geestes- en sociale wetenschappen.
                                     Herverkaveling tussen NWO en de KNAW
       Door uitruil meer samenhang   In 2008 hebben NWO en de KNAW besloten om te komen tot een herverkaveling
                onder beide koepels  van instituten om meer samenhang in de portfolio’s te krijgen, waardoor de moge-
                                     lijkheden tot programmering en sturing voor zowel NWO als de KNAW worden ver-
                                     groot en het beheer van de instituten wordt vereenvoudigd. NWO en de KNAW
                                     hebben recent besloten om het Centrum voor Estuariene en Mariene Ecologie, een
                                     van de drie centra van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO), over te bren-
                                     gen van de KNAW naar NWO en samen te voegen met het Nederlands Instituut
                                     voor Onderzoek der Zee (NIOZ). Omgekeerd zal het Instituut voor Nederlandse
                                     Geschiedenis (ING), het enige geesteswetenschappelijke instituut binnen NWO, dan
                                     worden overgebracht naar de KNAW, waar het nauw zal gaan samenwerken met
                                     het Huygens Instituut.
                                     4.3          TNO, de GTI’s en de DLO-instituten
                                     TNO en de GTI’s
                                     Mede naar aanleiding van het AWT-advies ‘Het nut van de grote technologische
                                                   36
                                     instituten’ , het AWT-briefadvies ‘Over de brug – Beoordelingskader voor de brug-
                                                                                                              37
                                     functie van de intermediaire kennisinfrastructuur’                            en de daarop volgende evalua-
                                                                                                                                                          38
                                     tie door de Ad Hoc Commissie ‘Brugfunctie TNO en GTI’s’ (‘Commissie Wijffels’)
                                     is een aantal significante veranderingen bij TNO en de GTI’s in gang gezet. Een
    Afbouw van basisfinanciering uit belangrijke ontwikkeling is de introductie van vraagprogrammering en -financiering
                                                                39
                     en opbouw van   bij TNO en de GTI’s.           De afschaffing van de basisfinanciering en de invoering van
             vraagprogrammering …    vraagprogrammering van TNO en de GTI’s past in de bredere trend waarin de stu-
                                     36   AWT (1998) Advies inzake de para-universitaire instituten, Advies 32, februari 1998.
                                     37   AWT (2002) Over de brug – Beoordelingskader voor de brugfunctie van de intermediaire kennisinfrastructuur, Briefadvies
                                          3 december 2002.
                                     38   Ad hoc Commissie ‘Brugfunctie TNO en GTI’s’, De kracht van directe verbindingen, Den Haag, mei 2004. In de evaluatie
                                          werd nagegaan of TNO en de GTI’s het tot stand brengen van de slag van onderzoek naar innovatie goed weten te reali-
                                          seren
                                     39   Wetenschapsbudget 2004, Tweede Voortgangsrapportage 2006 Kennis voor de samenleving, Implementatie
                                          Kabinetstandpunt Brugfunctie TNO/GTI’s, Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 29338, nr. 56.
                                 33  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen      12-02-2010          08:09     Pagina 34
                                      ringsrelaties worden vernieuwd. Sturing door de overheid van TNO en de GTI’s vindt
                                      primair plaats door overleg over de programmering van onderzoek vanuit maat-
                                      schappelijke en economische vraagstukken. Financiering wordt directer gekoppeld
                                      aan de kwaliteit en de relevantie van het onderzoek. Wanneer het overleg over de
                                      programmering niet tot resultaat leidt, kan dit consequenties hebben voor de finan-
                                      ciering van de onderzoeksprogramma’s van TNO en de GTI’s. De invoering van
                                      vraagprogrammering heeft als doel om het onderzoek beter te laten aansluiten bij
                                      de maatschappelijke vraagstukken en om zo de effectiviteit van het onderzoek van
                                      TNO en de GTI’s te verhogen, en de kennisbenutting voor maatschappelijke vraag-
                                      stukken bij bedrijven, organisaties en in de maatschappij als geheel te verbeteren. Er
     … rond twaalf maatschappelijke   zijn twaalf maatschappelijke thema's beschreven om richting te geven aan het
                             thema’s  maatschappelijke georiënteerde onderzoek bij TNO en de GTI’s. De financiering van
                                      het overheidsbudget voor TNO en de GTI's loopt via de onderzoeksprogramma's die
                                      worden uitgevoerd binnen de verschillende maatschappelijke thema's. In 2010 zal
                                      de vraagsturing volledig zijn ingevoerd (en in 2011 worden geëvalueerd).
                                      Een uitgangspunt bij de programmatische financiering is dat de kwaliteit en conti-
                                      nuïteit van het onderzoek, continuïteit van het instituut, internationale samenwer-
                                      king en publiek-private samenwerking ook op de langere termijn voldoende
                                      gewaarborgd moeten zijn. Dit is namelijk niet vanzelfsprekend op het moment dat
                                      de basisfinanciering wegvalt.
                                      Een ander aangrijpingspunt voor sturing is het overleg tussen de overheid en de
     Overleg over instituutsstrategie instituten over de Strategische Plannen van de instituten. Onderwerp van gesprek
                                      zijn de langetermijnkoers van het instituut, de ontwikkelingen in de technologie-
                                      portfolio, en de (internationale) netwerken.
                                      De instituten hebben een zelfstandige positie. De overheid participeert daarom niet
                                      in de Raden van Toezicht van de instituten. De door de instituten uitgevoerde perio-
                                      dieke evaluaties worden aangevuld met externe evaluaties. Deze externe evaluaties
                                      worden in opdracht van de overheid – in nauw overleg met de instituten – uitge-
                                      voerd.
                                      TNO
   De gedaantewisseling van TNO: …    TNO heeft naar aanleiding van de evaluatie door de Commissie Wijffels een verbeter-
                                      plan opgesteld waarin een aantal doelen werd gesteld, waaronder de versterking van
                                      de markt- en klantoriëntatie, aansturing van de organisatie via vijf kerngebieden, de
                                      versterking van de programmatische aansturing van kennisontwikkeling, de ontwik-
                                      keling van kennismanagement, de intensivering van de samenwerking met overhe-
                                      den, universiteiten en bedrijfsleven, de versterking van de aanpak richting startende
                                      ondernemingen en een vergroting van de efficiëntie en financiële slagkracht.
                                                                                                         40
                                      Op basis van dit verbeterplan zijn diverse veranderingen ingezet.     Zo is de organi-
                                      40  Strategisch Plan TNO 2007–2010.
                                  34  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen         12-02-2010           08:09        Pagina 35
   … organisatie rond vijf thema’s, …    satorische opzet van TNO diepgaand gewijzigd met de bundeling van disciplines in
                                         vijf samenhangende kerngebieden. Er is een Programma ‘Kennisoverdracht MKB’
                                         opgesteld dat door Syntens, hogescholen en brancheorganisaties wordt ingevuld
                                         met projecten. De samenwerking met universiteiten is geïntensiveerd. In 2007 werk-
                                         te TNO samen met universiteiten via 25 kenniscentra, 55 leerstoelen en meer dan
                                         250 promovendi. In Utrecht op de universitaire campus de Uithof heeft TNO toe-
                                         gepaste aardwetenschappen en milieukunde gepositioneerd. Daardoor is daar een
                                         sterk conglomeraat voor klimaatonderzoek en leefomgeving ontstaan, waar ook
       … verhuizing van instituten, …    KNMI, RIVM en Wageningen UR bij zijn aangesloten. TNO heeft verder besloten
                                         om in nanotechnologie en scheidingstechnologie bij Delft aan te sluiten en om
                                         automotive in Helmond te concentreren, niet ver van Eindhoven.
                                         TNO richt zich meer dan vroeger op het opereren in netwerken, consortia en
                                         publiek-private samenwerkingsverbanden, zowel als partner en als initiatiefnemer
                   … intensivering van   en coördinator van samenwerkingsprojecten. In die zin gaat TNO mee in de trend
                     samenwerking, …     richting ‘open innovatie’. TNO zal ook een beroep doen op de capaciteit van derden
                                         in de vorm van uitbestedingsrelaties. Door de internationalisering van R&D en door
                                         een grotere ontwikkelingssnelheid, worden alle betrokken partijen, en dus ook TNO,
                                         gedwongen zich te focussen op hun kerncompetenties. Op deze focusgebieden
                                         moet TNO kritische massa opbouwen en internationaal toonaangevend zijn. TNO is
                                         daarom meer in internationale netwerken van onderzoeksinstituten, universiteiten
                … internationalisering   en bedrijven gaan opereren. TNO werkt bijvoorbeeld ook structureel samen met het
                                                                                                                                                               41
                                         Zweedse instituut FOI, het Oostenrijkse instituut Joanneum en het Noorse SINTEF.
                                         De GTI’s
                                         De GTI’s ontwikkelen gaandeweg een sterker internationaal profiel onder invloed
                                         van de internationalisering van R&D. Een eerste voorbeeld hiervan is de fusie in
    Profilering en krachtenbundeling     2008 van GeoDelft, WL | Deflt Hydraulics en delen van Rijkswaterstaat en TNO in
                            bij de GTI’s Deltares. Door bundeling van krachten is Deltares beter in staat multidisciplinair
                                         onderzoek te doen en om een vooraanstaand internationaal kennisinstituut te wor-
                                         den. Het nieuwe instituut beschikt over een unieke combinatie van kennis en
                                                                                                                   42
                                         ervaring op het gebied van water en ondergrond.
                                         Een tweede voorbeeld van een GTI dat een sterker internationaal profiel ontwikkelt,
          Internationalisering van het   is ECN. ECN functioneert als ‘taakinstituut’, dat wil zeggen dat het onderzoekspro-
                    energieonderzoek     gramma wordt bepaald door de behoeften van de rijksoverheid en primair is gericht
                                         op maatschappelijke belangen. In die zin opereert ECN dus vooral als een nationaal
                                         41   In 2004 heeft TNO een belang van 10% genomen in Joanneum Research. In 2008 ondertekenden TNO en het Noorse
                                              SINTEF een intentieverklaring voor het ontwikkelen en op de markt brengen van hun gezamenlijke diensten op de vakge-
                                              bieden Olie en Gas, Energie en Materialen en Bouw en Infrastructuur.
                                         42   WL | Delft Hydraulics was gericht op nationale en internationale watervraagstukken, GeoDelft op vraagstukken op het
                                              gebied van geo-engineering en TNO Bouw en Ondergrond – Bodem en Grondwater op vraagstukken op het gebied van
                                              grondwaterbeheer, bodemsanering en het beheer en gebruik van de ondergrond. Rijkswaterstaat is gericht op bescher-
                                              ming tegen overstromingen en op schoon en voldoende water voor alle gebruikers. De kennisontwikkeling voor delta-
                                              vraagstukken is door Rijkswaterstaat overgedragen aan Deltares.
                                     35  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010          08:09         Pagina 36
                                   instituut. Energie-innovatie vindt echter plaats in een globaliserende wereld waarin
                                   het belang van nationale grenzen afneemt. Het energie-, klimaat- en R&D-beleid
                                   wordt in toenemende mate op Europees niveau bepaald, en ook de financiering van
                                   (energie- en klimaat)onderzoek door de EU neemt toe. Bovendien heeft ECN te
                                   maken met een groeiende vraag van niet-Nederlandse industrie. Als reactie op deze
                                   ontwikkelingen streeft ECN ernaar een krachtige Europese speler te worden, zowel
                                   naar de Europese overheid als naar het internationale bedrijfsleven, maar wel vanuit
                                                                                               43
                                   een sterke en erkende nationale positie.                        De internationalisering komt onder ande-
                                   re tot uitdrukking in het verwerven van buitenlandse opdrachten, het personeelsbe-
                                   leid (meer buitenlandse werknemers) en de communicatie (Engelstalige
                                                         44
                                   nieuwsbrieven).            In het kader van krachtenbundeling heeft ECN sinds eind 2008
                                   een (weliswaar kleine) ECN-dependance op de High Tech Campus bij Eindhoven.
                                   Deze locatie is strategisch gekozen vanwege de mogelijkheden voor samenwerking
                                   met andere kennisinstellingen (zoals het Holst Centre) en bedrijven in een ‘open
                                   innovatie’ omgeving.
                                   De DLO-instituten
                                   Het samengaan van de DLO-instituten met de Wageningen Universiteit en het
                                   Praktijkonderzoek (PO) in het Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR) is
              Vergaande krachten   een significante verandering geweest in de inrichting van het institutenlandschap
           bundeling in de groene  voor wat betreft het landbouwkundig onderzoek. Door de bundeling van de land-
             kennisinfrastructuur  bouwuniversiteit, onderzoekinstituten en hoger beroepsonderwijs is een organisatie
                                   ontstaan waarin fundamenteel, beleidsgericht en toegepast onderzoek en onderwijs
                                   in één kennisketen zijn samengebracht. De netwerkorganisatiestructuur biedt in
                                   principe meer mogelijkheden voor interdisciplinaire samenwerking in onderzoek en
                                                                                                                                    45
                                   voor de doorstroming van kennis van onderzoek naar onderwijs.
                                   43  ECN, Strategisch plan 2007-2011.
                                   44  In mei 2009 heeft ECN een samenwerkingsovereenkomst gesloten met het Amerikaanse National Renewable Energy
                                       Laboratory (NREL) waarin afspraken zijn gemaakt over het uitwisselen van kennis, detachering van personeel, gebruik van
                                       elkaars onderzoeksfaciliteiten, gezamenlijke projecten en het onderling uitbesteden van onderzoek. (Persbericht ECN,
                                       ‘ECN werkt samen met toonaangevend Amerikaans onderzoekinstituut’, 28 mei 2009).
                                   45  Een evaluatie van de wijzigingen in het landbouwkundig onderzoek in 2006 concludeerde onder meer dat de samenwer-
                                       king tussen universiteit en DLO is geïntensiveerd, dat multidisciplinaire samenwerking is toegenomen, en dat er focus en
                                       massa is gecreëerd. Bovendien is dankzij de vraagfinanciering de vraaggerichtheid van DLO en de bruikbaarheid van ken-
                                       nis toegenomen, aldus het evaluatierapport. (Berenschot, 2006, Groene kennis (de)centraal? Evaluatie van de wijzigingen
                                       in het landbouwkundig onderzoek, Utrecht, 28 november 2006).
                               36  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen       12-02-2010          08:09         Pagina 37
                                    5              Conclusies
                                       De raad constateert dat het institutenlandschap in het Nederlandse onderzoeks-
                                       systeem steeds voller en heterogener is geworden. Het staat als gevolg van een
                                       optelsom van ontwikkelingen in de wetenschappelijke en institutionele omgeving
                                       voor een aantal uitdagingen om internationaal concurrerend te blijven en een
                                       krachtige bijdrage te kunnen blijven leveren aan de Nederlandse kennismaatschap-
                                       pij. Zo wordt het belangrijker om sterke, goed geprofileerde kennisinstellingen in de
                                       publieke kennisinfrastructuur te hebben die op specifieke gebieden een internatio-
                                       naal vooraanstaande rol kunnen spelen. De positionering van kennisinstellingen in
                                       nationale en internationale kennisproducerende netwerken groeit in belang. Van
                                       onderzoeksinstituten (en andere kennisinstellingen) wordt verwacht dat ze sterker
                                       dan voorheen een zichtbare bijdrage leveren aan de nationale concurrentiepositie,
                                       het nationale wetenschapsklimaat en/of het vestigingsklimaat voor kennisintensieve
                                       activiteiten.
        Instituten en universiteiten:  Uit de inventarisatie van ontwikkelingen bij de verschillende soorten instituten blijkt
       wat is tegenwoordig de beste    dat deze in het algemeen actief op zoek zijn naar een passende respons op de ver-
                         rolverdeling? anderingen in hun omgeving. De raad ziet positieve ontwikkelingen, maar de
                                       belangrijkste vraag blijft of de historisch gegroeide rolverdeling tussen onderzoeks-
                                       instituten, universiteiten en bedrijven ook in de toekomst het beste perspectief
                                       biedt op een vitaal onderzoekssysteem in Nederland. Door de veranderingen in de
                                       omgeving van instituten is het nodig om een nieuwe afweging te maken tussen de
                                       gewenste en ongewenste effecten van het organiseren van onderzoek in zelfstan-
                                       dige instituten. Hieronder geeft de raad voor de verschillende soorten onderzoeks-
                                                                               46
                                       instituten zijn afwegingen.
                                       5.1          Nieuwsoortige instituten voor samenwerking in onderzoek
                                       De raad plaatst de opkomst van instituten voor samenwerking in strategisch onder-
                                       zoek in het perspectief van een veranderende omgeving die nieuwe eisen stelt aan
            Tijdelijke instituten voor de organisatie en aansturing van het wetenschappelijk onderzoek. De instituutsvor-
    samenwerking op speerpunten …      ming is een reactie op een toenemende vraag naar trans- en interdisciplinair onder-
                                       zoek in strategische gebieden. Ook in het buitenland zijn in de afgelopen jaren
                                       nieuwe ‘centres of excellence’, ‘cooperative research centres’ en ‘competence cen-
                                       tres’ ontstaan. De functie van de nieuwe instituutsvormen ligt volgens de raad voor-
                                       al in het organiseren van inter- en transdisciplinair onderzoek in (opkomende)
                                       onderzoeksgebieden, het bundelen van onderzoekskrachten en het vormen van
                                       strategische zwaartepunten.
                                        46  De categorie ‘overige instituten’ blijft hier buiten beschouwing omdat deze te divers is om algemene uitspraken over te
                                            doen.
                                    37 Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen          12-02-2010           08:09      Pagina 38
                                          De inzet van deze instituten zorgt ervoor dat het onderzoeksstelsel steeds meer een
    … zorgen voor dwarsverbanden en       matrixstructuur krijgt waarin universiteiten, onderzoeksinstituten, bedrijven en/of
                                   focus  maatschappelijke organisaties op tijdelijke basis samenwerken in programma’s en
                                          projecten. Dit draagt bij aan het creëren van dwarsverbanden in het onderzoeks-
                                          systeem en het ontstaan van focus en kritische massa in het onderzoek. Het geeft
                                          een stimulans om samen te werken aan onderzoeksthema’s met een strategisch
                                          belang voor Nederland.
                                          Het programmatisch gefinancierd instituut voor samenwerking in onderzoek is een
          Ze zijn flexibel, maar er zijn  nuttig instrument dat gericht en flexibel kan worden ingezet. Deze vorm van insti-
                              risico’s: … tuutsvorming brengt echter ook risico’s en ongewenste effecten met zich mee indien
                                                                                                                                                                47
                                          het onvoldoende overwogen gebeurt en als flankerende maatregelen ontbreken.
                                          Instituten voor het financieren en sturen van onderzoek
         … geld verdelen in plaats van    Veel van de nieuwe instituten die in de afgelopen jaren zijn opgericht hebben in de
                     onderzoek doen …     praktijk vooral een geldverdelende taak. Tijdelijke financiering leidt tot een korte
                                          planningshorizon aan de kant van de instituutsmanagers. Mede daarom investeren
                                          ze beperkt in eigen mensen en faciliteiten en zetten ze veel onderzoek uit.
                                          Topinstituten en samenwerkingsinstituten als BMM en CTMM schrijven bijvoorbeeld
                                          zelf oproepen uit voor onderzoeksvoorstellen en verdelen de middelen voor onder-
                                          zoek. De vorming van dit soort instituten draagt dus bij aan het almaar voller wor-
                                          den van de intermediaire structuur tussen onderzoekers en hun financiers.
                                          Naarmate meer (intermediaire) partijen zich gaan bezighouden met de verdeling van
              … leidt tot fragmentatie,   onderzoeksgelden, ontstaat er op de eerste plaats een risico op een gebrek aan
   inconsistentie en intransparantie, …   samenhang in de financiering en sturing van onderzoek en aan transparantie. De
                                          onderzoekswereld krijgt telkens te maken met andere vormen van onderzoekspro-
                                          grammering, organisatie en management.
                                          Als financieringsstromen steeds meer via nieuwe intermediaire organisaties gaan
                                          lopen, ontstaat op de tweede plaats een risico op een gebrek aan professionaliteit
      … verlies van efficiëntie en hoge   en doelmatigheid in de verdeling van onderzoeksmiddelen. De positie van de regu-
                    transactiekosten, …   liere geldverdelende organisaties zoals NWO/ZonMw/STW en SenterNovem wordt
                                          uitgehold en verzwakt. Mogelijke schaalvoordelen blijven liggen en overheadkosten
                                          en administratieve lasten worden onnodig hoog.
                                          Op de derde plaats heeft de opkomst van nieuwe programmatisch gefinancierde
      … en verwatering van de positie     samenwerkingsinstituten gevolgen voor het functioneren van universiteiten en
                       van instellingen   publieke onderzoeksinstituten. Een deel van de beslissingen over de onderzoeks-
                                          programmering en de inzet van personeel wordt immers gedelegeerd aan nieuwe
                                          47  Ook het Rathenau Instituut wijst in zijn rapport over dertig jaar onderzoeksfinanciering op risico’s en ongewenste effec-
                                              ten van de complexe financieringsstromen als gevolg van instituutsvorming. (Anouschka Versleijen (red.) et al., (2007)
                                              Dertig jaar publieke onderzoeksfinanciering in Nederland 1975-2005, Den Haag: Rathenau Instituut).
                                      38  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen      12-02-2010       08:09      Pagina 39
                                      samenwerkingsinstituten, die hierdoor daadkrachtig kunnen opereren. Tegelijkertijd
                                      leidt het echter ook tot een verminderde slagkracht en autonomie van universitei-
                                      ten en publieke onderzoeksinstituten.
                                      Instituutsvorming is dus een kwestie van doseren. Een goede dosering helpt om
                                      het systeem sterker en vitaler te maken, maar een overmaat aan instituutsvorming
                                      zal bestaande structuren en instituties ontwrichten.
                                      Het tijdelijke en virtuele karakter van de instituten
                                      De samenwerkingsinstituten worden programmatisch en dus tijdelijk gefinancierd.
       Tijdelijke financiering maakt  Vaak zijn ze opgericht met een impulsfinanciering, in de verwachting dat ze na een
                  sturing mogelijk, … periode van acht tot tien jaar op eigen benen moeten kunnen staan. Het potentië-
                                      le voordeel van de tijdelijkheid van het financieringsarrangement is de mogelijkheid
                                      voor de financier om op zeker moment de koers van de geldstromen te verleggen,
                                      afhankelijk van de resultaten of nieuwe prioriteiten. Maar de tijdelijkheid van de
                                      financiering heeft ook keerzijden. De raad ziet twee risico’s.
                                      Op de eerste plaats bestaat het gevaar dat tijdelijk niet tijdelijk blijkt te zijn. In de
         … maar blijkt vaak lastig te praktijk blijkt vaak dat na afloop van de financieringsperiode het instituut niet zelf-
                          stoppen, …  standig kan voortbestaan en geen ‘exitstrategie’ heeft. Een exitstrategie kan ver-
                                      schillende elementen bevatten, afhankelijk van het succes van het instituut. Het
                                      kan gaan om een plan om het instituut op een verantwoorde manier op te heffen
                                      met borging en overdracht van de opgebouwde kennis en expertise. Het kan ook
                                      gaan om een plan om het instituut een plek te geven in de reguliere kennisinfra-
                                      structuur, bijvoorbeeld onder de paraplu van een universiteit of een andere instel-
                                      ling. Bij gebrek aan een exitstrategie kan de overheid in de situatie komen waarin
                                      financiering moeilijk te stoppen is.
                                      Op de tweede plaats leidt de tijdelijkheid van de financiering tot het risico van
                        … en lokt een opportunistisch gedrag aan de zijde van de partners in samenwerkingsinstituten.
          kortetermijnoriëntatie uit  Deze zullen de consortiumfinanciering zien als een van de mogelijke kanalen voor
                                      de financiering van hun activiteiten. Zodra deze financiering stopt, zullen ze hun
                                      blik weer richten op alternatieve financieringsbronnen. Ze zijn weinig geneigd
                                      eigen middelen in de ontwikkeling van het instituut te investeren. Dit draagt niet
                                      bij aan de langetermijninzet die nodig is om zwaartepunten in onderzoek te ont-
                                      wikkelen.
                                      Conclusie
                                      De afgelopen jaren heeft de Nederlandse overheid de vorming van tijdelijke onder-
   Gebrek aan langetermijnstrategie   zoeksinstituten krachtig gestimuleerd via diverse investeringsimpulsen. Het heeft
          heeft tot wildgroei geleid  daarbij ontbroken aan een langetermijnstrategie en een bijbehorende investerings-
                                                                                     48
                                      agenda voor zwaartepuntvorming.                    Mede daardoor zijn de bovengenoemde risi-
                                      48  AWT (2007) Weloverwogen impulsen: Strategisch investeren in zwaartepunten, Advies 72, 12 november 2007.
                                   39 Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen        12-02-2010          08:09        Pagina 40
                                        co’s op diverse plekken aan het licht getreden. Om hierop een antwoord te formu-
                                        leren, heeft de interdepartementale programmadirectie Kennis en Innovatie
                                        inmiddels in het kader van het project Nederland Ondernemend Innovatieland een
                                        langetermijnstrategie gepresenteerd en wordt er gewerkt aan een Meerjaren
                                        Innovatie en Kennis Kompas (MIKK). Dit moet een beter overwogen instituuts-
                                        vorming mogelijk maken.
                                        De raad concludeert dat het instrument van programmatisch gefinancierde samen-
     Instituutsvorming ja – maar met    werkingsinstituten weloverwogen en gedoseerd dient te worden ingezet. Dit is in
                       mate en beleid   de afgelopen periode onvoldoende gebeurd. Hierdoor is de balans te ver doorge-
                                        schoten ten koste van de stabiliteit in de kennisinfrastructuur en de transparantie
                                        en efficiëntie in de verdeling van onderzoekmiddelen. De raad ziet met name de
                                        opkomst van instituten die feitelijk alleen maar een geldverdelende taak hebben als
                                        ongewenst.
                                        5.2          Instituten van NWO en de KNAW
                                        In eerdere discussies over de positie van de para-universitaire instituten is veel
   Instituten onder KNAW en NWO is      nadruk gelegd op een mogelijke vermenging van taken bij NWO en KNAW en op
                         niet ideaal, … het feit dat de verdeling van de instituten over de twee koepels onlogisch is. Ook
                                        de raad vindt het combineren van de functie van instituutsbeheer met de verdeling
                                        van de tweede geldstroom (NWO) of met het zijn van ‘forum, geweten en stem van
                                        de wetenschap’ (KNAW) in principe onjuist. Ook de opsplitsing van de instituten
                                        over twee portfolio’s, met nog talloze andere, min of meer duurzame, instituten
                                        daarnaast, is verre van ideaal. Maar voor de raad zijn deze overwegingen, hoewel
                                        relevant, uiteindelijk van secundair belang. De raad plaatst de para-universitaire
                                        instituten in het perspectief van de meerwaarde die de zelfstandige positie heeft
         … maar van secundair belang    voor de vitaliteit van het Nederlandse onderzoekssysteem, gegeven de optelsom van
                                        veranderingen in de omgeving.
                                        De raad constateert dat de evaluaties (op basis van het SEP) laten zien dat de institu-
         Instituten functioneren goed   ten van NWO en de KNAW in het algemeen ‘zeer goed’ tot ‘excellent’ functioneren.
                                        Een reserve hierbij is echter dat onderzoek naar 137 evaluaties heeft aangetoond dat
                                        meer dan 80% van de beoordelingen een score van 4 tot 5 opleverde. Het is daarom
                                                                                                                                                 49
                                        de vraag of deze methodiek wel voldoende onderscheidend functioneert.                                       Bij een
                                        aantal instituten is de laatste jaren een grondige koerswijziging ingezet om beter te
                                        kunnen inspelen op een veranderende omgeving. De raad is positief over de veran-
                                        deringen en accentverschuivingen in de strategieën van de instituutsbeheerders NWO
                                        en de KNAW (zie het vorige hoofdstuk). Beide koepelorganisaties leggen sterker de
                                        nadruk op de nationale en internationale profilering van hun instituten en de bijdra-
                                        ge die instituten dienen te leveren aan het wetenschappelijk klimaat in Nederland.
                                        49  Zie de evaluatierapporten van de instituten die kunnen worden geraadpleegd op de websites van NWO en de KNAW.
                                            De reserves met betrekking tot het onderscheidend vermogen van evaluaties gelden overigens niet alleen onderzoeks-
                                            instituten, maar ook universiteiten.
                                    40  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen      12-02-2010           08:09        Pagina 41
         Recente koersveranderingen   Terecht zetten zowel NWO als de KNAW in op nauwere samenwerking van hun insti-
                                                                          50
                     verdienen steun  tuten met universiteiten.               Ook is er meer aandacht voor de internationale positie
                                      van de onderzoekinstituten, een modern HRM-beleid en een professioneel instituuts-
                                      management. Bovendien wordt van instituten verwacht dat ze sturend kunnen zijn
                                      voor de onderzoeksagenda en een bijdrage leveren aan het creëren van meer natio-
                                      nale focus en massa in het onderzoek. Positief is ook dat NWO en de KNAW bezig
                                      zijn afspraken te maken over het stroomlijnen van hun portfolio’s van instituten en
                                      dat de KNAW ernaar streeft een actiever portfoliobeleid te voeren, ook al zijn de
                                      (financiële) mogelijkheden daartoe beperkt. De raad constateert dat er sprake is van
                                      de nodige dynamiek in het para-universitaire deel van het institutenlandschap. Op
                                      langere termijn is het echter de vraag of de historisch gegroeide rolverdeling tussen
                                      universiteiten en para-universitaire instituten voldoende garanties biedt voor een
                                      vitaal onderzoekssysteem in Nederland.
                                      Voor- en nadelen van para-universitaire instituten
    Academisch onderzoek buiten de    De raad ziet diverse aantrekkelijke kanten aan het organiseren van wetenschappelijk
      universiteit bevordert focus en onderzoek buiten de universiteit in een zelfstandig instituut. Het geeft instituten de
                     zichtbaarheid, … mogelijkheid om zich sterk te profileren en te focussen op excellentie. Dit bevordert
                                      de zichtbaarheid van het onderzoek, ook internationaal. Daarnaast kunnen nationa-
                                      le instituten een geschikte organisatievorm zijn om een nationale regierol te vervul-
                                      len. Dit is vooral aan de orde bij instituten die ooit zijn opgericht om grootschalige
                                      of unieke onderzoeksfaciliteiten te beheren en Nederlandse wetenschappers hier
                                      toegang toe te bieden. Dankzij deze instituten met een nationaal voorzieningenka-
                                      rakter is vooraanstaand wetenschappelijk onderzoek mogelijk gemaakt. Het voor-
                … en helpt nationale  deel van deze nationale instituten is dat ze faciliteiten bieden die voor individuele
                                                                                                                                         51
        voorzieningen te organiseren  universiteiten zeer kostbaar en complex zijn om te onderhouden.                                        Een ‘neutraal’
                                      instituut kan zorgen voor gedeelde faciliteiten met gelijke toegang voor alle univer-
                                      siteiten. Een instituut met een kostbare faciliteit kan bovendien een coördinerende
                                      en krachtenbundelende rol spelen tussen universiteiten. Met het oog op de interna-
                                      tionalisering van onderzoeksinfrastructuur wordt deze regie steeds belangrijker.
                                      Zelfstandige instituten hebben ten slotte de mogelijkheid om slagvaardig te opere-
                                      ren en flexibel op ontwikkelingen in de omgeving te reageren.
        Daartegenover staan afstand   Tegenover deze voordelen staan nadelen. Kort aangeduid, het onderbrengen van
     tot het onderwijs, versnippering wetenschappelijk onderzoek in een instituut buiten de universiteit belemmert de
                         en isolement kruisbestuiving van onderzoek en onderwijs, het draagt bij aan de versnippering van
                                      het onderzoek en het onbenut laten van schaalvoordelen, en het draagt risico’s in
                                      zich op het terrein van personeelsbeleid.
                                      50  Een goed voorbeeld hiervan is de strategische alliantie tussen het UMC Utrecht en het Hubrecht Instituut van de KNAW.
                                          Vanaf 2008 is het Hubrecht Instituut in financiering en aansturing een gezamenlijk instituut van het UMC Utrecht en KNAW.
                                      51  Er zijn overigens diverse voorbeelden waaruit blijkt dat ook universiteiten in staat zijn om grote onderzoeksfaciliteiten te
                                          beheren. Zo is het Reactor Instituut Delft (RID) met zijn kernreactor onderdeel van de TU Delft en is het High Field
                                          Magnet Laboratory (HFML) onderdeel van de Radboud Universiteit Nijmegen. Een ander voorbeeld is de Universiteit
                                          Leiden die uitgebreide collecties beheert.
                                   41 Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen      12-02-2010          08:09     Pagina 42
                                      De raad meent dat als gevolg van ontwikkelingen in het onderzoekslandschap het
                                      gewicht van de voordelen de laatste tijd is gedaald, en dat de nadelen daardoor
                                      relatief zwaarder zijn gaan wegen. Daaruit trekt hij de conclusie dat mogelijkheden
                                      om para-universitaire instituten dichter tegen universiteiten aan te schuiven meer
                                      serieuze aandacht verdienen dan in het verleden. Hij tekent daar echter meteen bij
                                      aan dat het onderbrengen van deze instituten bij universiteiten naast voordelen ook
                                      nadelen en risico’s kent. Dit licht hij hieronder toe.
                                      De voordelen op hun retour
      Instituten kunnen ook bloeien   Een sterke profilering, een focus op excellentie en het koesteren van een sterke
             binnen universiteiten, … internationale reputatie is voor een onderzoeksinstituut heel belangrijk. In beginsel
                                      kan dit ook georganiseerd worden in instituten binnen een universiteit. Daarvoor is
                                      wel vereist dat een universiteit hiervoor duidelijk kiest. Het moet passen in de univer-
                                      sitaire strategie en de universiteit moet consequent aan deze strategie vasthouden.
                                      De raad ziet de laatste jaren een aantal positieve ontwikkelingen bij sommige uni-
             … mits universiteiten de versiteiten, die erop wijzen dat ze steeds beter in staat zijn om instituten te accom-
      voorwaarden daarvoor bieden     moderen. De bestuurlijke autonomie biedt universiteiten in principe de mogelijkheid
                                      om instituten beter te accommoderen. Daarnaast signaleert de raad verbeteringen
                                      in de bestuursstructuur en de slagkracht. Er zijn sprekende voorbeelden waaruit
                                      blijkt dat excellent multidisciplinair onderzoek heel goed uitgevoerd kan worden in
                                                                                      52
                                      universitaire onderzoeksinstituten.                 Universiteiten lijken zich sterker te gaan profile-
                                      ren met eigen onderzoeksinstituten. Het besef groeit dat deze instituten alleen slag-
                                      vaardig kunnen functioneren als ze voldoende autonomie en perspectief krijgen om
                                      een effectieve invulling te geven aan het interne en externe management van het
                                      instituut. De tussenlaag van directeuren van onderzoeksinstituten wordt bijgevolg
                                      almaar belangrijker als verbindende schakel tussen het universiteitsbestuur en het
                                      onderzoek in de onderzoeksgroepen, maar ook als schakel met de buitenwereld.
                                      Als de modernisering van universiteiten en de professionalisering van het universi-
                                      teitsbestuur verder doorzetten, zullen universiteiten steeds betere inbeddingsmoge-
                                      lijkheden kunnen bieden voor slagvaardig opererende onderzoeksinstituten.
                                      Een andere ontwikkeling bij universiteiten is het ontstaan van nieuwe interuniversi-
                                      taire onderzoeksinstituten die vergelijkbare rollen kunnen gaan spelen als para-
                                      universitaire instituten. Een aanzet hiertoe is bijvoorbeeld de oprichting van de 3TU-
                                      onderzoeksinstituten waarin de drie technische universiteiten hun onderzoek bun-
                                      delen. Deze samenwerkingsinstituten zijn onderdeel van het bredere 3TU-initiatief
                                      waarin de drie technische universiteiten streven naar krachtenbundeling om samen
                                      hun positie, zowel nationaal als internationaal, verder te versterken en daarmee de
                                      positie van het Nederlandse kennis- en innovatiesysteem te versterken.
                                      52   Naar het voorbeeld van MESA+ in Twente is al eerder in dit advies verwezen (zie paragraaf 3.4).
                                   42 Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen      12-02-2010     08:09     Pagina 43
                                      De raad meent verder dat ook een ander voordeel van de para-universitaire organi-
                                      satievorm tegenwoordig aan belang inboet, namelijk dat instituten een nationale
                                      coördinerende of dienstverlenende rol kunnen spelen. Dit geldt met name voor
                                      instituten met een nationaal voorzieningenkarakter.
     De behoefte aan instituten met   De raad signaleert dat in veel vakgebieden de noodzaak van het centraal organise-
                       een nationaal  ren van grootschalige infrastructuur in een nationaal instituut steeds minder speelt.
    voorzieningenkarakter is gedaald  Dit geldt voor de opkomende gebieden in nano-, levens-, informatie- en cognitieve
                                      wetenschappen. Maar het geldt ook in de ‘big science’-gebieden, waar door inter-
                                      nationalisering en digitalisering van grote onderzoeksinfrastructuur het organiseren
                                      van goede toegang van Nederlandse onderzoeksinstellingen tot in Europa gedeelde
                                      of gedistribueerde faciliteiten belangrijker wordt dan het in Nederland (volledig) in
                                      huis hebben van grote faciliteiten en bijbehorende technische diensten. De
                                      bestaansreden van nationale instituten rondom grote faciliteiten wordt daarmee ook
                                      een onderdeel van de (voorzichtige) opkomst van een Europese Onderzoeksruimte.
                                      Op de langere termijn zal er ruimte komen voor alternatieve organisatievormen om
                                      de toegang van onderzoekers in Nederland tot grote faciliteiten te organiseren. Met
                                      andere woorden, de voordelen om deze functie buiten de universiteiten te organise-
                                      ren gaan slechts op voor een beperkt aantal gebieden en in de toekomst zullen de
                                      voordelen ook voor deze gebieden wellicht minder evident worden.
       Beheer van collecties kan ook  Een nationale dienstverlenende rol is vooral aan de orde bij instituten die ooit zijn
              binnen een universiteit opgericht om een unieke en waardevolle collectie voor wetenschappelijk onderzoek
                                      te beheren, verder uit te breiden en te ontsluiten. De raad ziet voordelen om dit
                                      buiten de universiteit te organiseren omdat universiteiten onvoldoende (financiële)
                                      garanties lijken te kunnen bieden om deze functie te vervullen. De raad onderkent
                                      het risico dat universiteiten zich in tijden van nood gedwongen kunnen zien om te
                                      bezuinigen op een collectie om financiële middelen vrij te spelen. Het onderbrengen
                                      van een dergelijk instituut bij een universiteit zou solide waarborgen vereisen voor
                                      continuïteit en financiering. Wel vindt de raad dat instituten moeten kunnen aanto-
                                      nen dat hun collectie (nog steeds) voldoende waarde heeft voor het wetenschappe-
                                      lijk onderzoek om financiering vanuit het wetenschapsbudget te rechtvaardigen.
                                      Kortom, de voordelen om deze functie buiten de universiteiten te organiseren gaan
                                      slechts op indien de instituten zich in de eerste plaats richten op het relevant en
                                      toegankelijk maken van hun collectie voor (universitair) onderzoek.
                                      Voor de para-universitaire instituten die hun bestaansreden niet vinden in een natio-
                                      nale coördinerende of dienstverlenende rol, maar bijvoorbeeld in het organiseren van
                                      excellent multidisciplinair onderzoek of het bieden van een thuisbasis aan Nederlandse
                                      onderzoekers die deelnemen aan internationale onderzoeksprogramma’s, is de meer-
                                      waarde van de para-universitaire status vooral afhankelijk van de ontwikkelingen bij
                                      de Nederlandse universiteiten. Naarmate universiteiten er (gezamenlijk) beter in slagen
                                      dit soort functies te vervullen, wegen de voordelen minder op tegen de nadelen.
                                  43  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen       12-02-2010         08:09        Pagina 44
                                       De nadelen meer voelbaar
   Een innige band tussen onderwijs    De raad ziet belangrijke nadelen in het organiseren van onderzoek buiten de univer-
           en onderzoek is belangrijk  siteit. In de eerste plaats kan dit ten koste gaan van de innige band die er dient te zijn
                                       tussen het wetenschappelijk onderzoek en het wetenschappelijk onderwijs, met name
                                       in de masters- en doctoraatsfase. Belangrijke functies van het verrichten van funda-
                                       menteel onderzoek zijn immers het onderhouden en trainen van onderzoekscapaciteit,
                                       het aansluiting houden op alle relevante wetenschappelijke ontwikkelingen in de
                                       wereld, en het kanaliseren van nieuwe kennis voor verder gebruik in Nederland. Dit
                                       gaat beter, naarmate een onderzoeksinstituut dichter bij een of meer universiteiten is
                                       gepositioneerd. In een eerder advies concludeerde de raad al dat het door de overheid
                                       gefinancierde, fundamentele onderzoek bij voorkeur binnen de universiteiten plaats
                                       zou moeten vinden, omdat het onderzoek op die wijze de grootste uitstraling kan heb-
                                                                                                                   53
                                       ben op de opleiding van studenten en onderzoekers.                              Slechts bij uitzondering moet
                                       gekozen worden voor (nieuwe) onderzoeksinstituten buiten de universiteiten.
                                       Para-universitaire instituten dienen er voor te zorgen dat de verbinding met het
                                       wetenschappelijk onderwijs, ondanks de organisatorische afstand, zo innig mogelijk
                                       is, bijvoorbeeld via deeltijdaanstellingen van onderzoekers aan universiteiten, deel-
                                       name in onderzoeksscholen of graduate schools en/of vestiging in de nabijheid van
                                       een universiteit. De raad is verheugd steeds meer bewegingen in deze richting te
                                       signaleren.
                                       Een tweede nadeel van het organiseren van onderzoek buiten de universiteit is dat
          Versnippering is ongunstig   het kan leiden tot versnippering van het wetenschappelijk onderzoek binnen het
        gegeven internationalisering   Nederlandse onderzoekssysteem. Dit geldt des te meer als para-universitaire institu-
                                       ten en universiteiten weinig prikkels krijgen om hun strategieën en onderzoeks-
                                       agenda’s op elkaar af te stemmen.
                                       In de derde plaats zijn er nadelen op het gebied van personeelsbeleid. Een para-uni-
                  Isolatie belemmert   versitair instituut kan een ‘gouden kooi’ vormen voor onderzoekers, waardoor er
                 personeelsbeleid en   onvoldoende ruimte is voor talentvolle jonge onderzoekers en voor doorstroming.
                       doelmatigheid   Ten opzichte van universiteiten zijn para-universitaire instituten relatief kleine orga-
                                       nisaties met minder mogelijkheden voor personeelsbeleid (carrièreontwikkeling,
                                       talentontwikkeling). Universitaire organisaties hebben het voordeel van schaalgroot-
                                       te, waardoor er niet alleen meer mogelijkheden zijn op het gebied van personeels-
                                       beleid maar ook op het vlak van financieel beleid, huisvestingsbeleid, etc.
                                       Inhoudelijk biedt een universitaire omgeving ook meer aanknopingspunten voor
                                       dwarsverbanden tussen verschillende onderzoeksgroepen.
     Intensievere samenwerking met     De verbindingen tussen instituten en universiteiten zijn sinds de jaren ’90 van de
         een universiteit is wenselijk vorige eeuw zeker beter geworden. Niettemin valt bij een verdere integratie van
                                       53   Zie AWT (1995) Advies inzake de para-universitaire instituten, Advies 20, 1 februari 1995
                                   44  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen        12-02-2010       08:09   Pagina 45
   De nadelen van para-universitaire    instituten binnen universiteiten nog veel te winnen. Het bevordert dat onderwijs
   instituten wegen steeds zwaarder     nog beter wordt gevoed door onderzoek, dat onderzoeksinspanningen strategisch
                                        worden gefocust en dat personeel kan doorstromen. Echter, tegenover de voordelen
                                        van een verdere universitaire inbedding staan ook nadelen. Het risico bestaat dat
                                        instituten die worden ondergebracht binnen universiteiten in hun bewegingen
                                        beperkt worden en daardoor inboeten aan bestuurlijke slagkracht en flexibiliteit en
                                        aan het vermogen om financiering aan te trekken. Ook bestaat het gevaar dat uni-
                                        versiteiten instituten zo zwaar met onderwijstaken belasten, dat de kwaliteit van
                                        het onderzoek daardoor in gevaar komt. Integratie van onderzoeksinstituten binnen
     Intensievere samenwerking met      universiteiten stelt zware eisen aan het universitair bestuur – eisen waaraan op dit
          een universiteit is wenselijk moment veelal nog niet wordt voldaan.
                                        Alvorens over te gaan tot een universitaire inbedding van para-universitaire institu-
       Universitaire inbedding alleen   ten dient geborgd te worden dat de betreffende universiteit aan de volgende voor-
                  onder voorwaarden     waarden voldoet. In de eerste plaats moet de universiteit instituten de nodige
                                        autonomie bieden – en kunnen blijven bieden – zodat ze hun slagkracht en flexibi-
                                        liteit niet verliezen. In de tweede plaats moeten universiteiten een modern en pro-
                                        fessioneel personeelsbeleid voeren zodat instituten in staat blijven om de beste
                                        onderzoekers aan te trekken en te binden en om doorstroming mogelijk te maken.
                                        In de derde plaats dienen universiteiten een strategisch onderzoeksbeleid te voeren
                                        met een duidelijke en onderscheidende profilering van het universitaire onderzoek
                                        waarin het instituut een logische plaats heeft. In de vierde plaats dienen universitei-
                                        ten hun beleid goed op elkaar af te stemmen. Het wordt dan minder noodzakelijk
                                        om een ‘neutraal’ nationaal onderzoeksinstituut op afstand van de universiteiten te
                                        hebben. Ten slotte dienen universiteiten een dynamische omgeving te bieden waar-
                                        in impulsen worden gegeven voor inhoudelijke dynamiek.
                                        Conclusie
   De nadelen van para-universitaire    De voordelen van het organiseren van onderzoek in para-universitaire instituten die
             instituten wegen steeds    golden ten tijde van de oprichting van deze instituten, nemen af in belang. De
                           zwaarder …   nadelen treden daarmee sterker op de voorgrond. De raad concludeert dat het
                                        belangrijk is deze nadelen aan te pakken. Per geval staat te bekijken hoe dat het
                                        best kan worden gedaan.
                                        Waar er sprake is van een nationale coördinerende of dienstverlenende rol, kan het
     … en moeten worden aangepakt       zijn dat dit vraagt om intensivering van de samenwerking met universiteiten op het
                                        terrein van onderwijs, onderzoeksprogrammering en personeelsbeleid. Deze krach-
                                        tenbundeling kan bijvoorbeeld in de vorm van intensieve samenwerking in het
                                        onderzoek, betrokkenheid bij graduate schools, gezamenlijk investeren in onder-
                                        zoek en onderzoeksfaciliteiten, gezamenlijk toezicht, gedeelde aanstellingen en
                                        co-locatie op de campus.
                                    45  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010           08:09         Pagina 46
                                   Waar van een dergelijke nationale coördinerende of dienstverlenende rol geen spra-
                                   ke (meer) is, zou het onderbrengen van para-universitaire instituten bij universiteiten
                                   een reële optie kunnen zijn, mits aan de zijde van de universiteit aan de hierboven
                                                                                        54
                                   genoemde voorwaarden is voldaan.                         Met name voor instituten die geen nationaal
                                   voorzieningenkarakter hebben, ligt een heel nauwe associatie of fusie met een
                                   daarvoor geschikte universiteit voor de hand.
                                   5.3          TNO, de GTI’s en de DLO-instituten
                                   De belangrijkste functie van TNO, de GTI’s en de DLO-instituten is het toepasbaar
                                   maken van wetenschappelijke kennis om het innovatief vermogen van bedrijfsleven
                                   en overheid te versterken. Ze hebben een complementaire functie ten opzichte van
                                   universiteiten dankzij hun meer directe toepassingsgerichtheid (kennis als product)
                                   en ten opzichte van de instituten voor samenwerking in strategisch onderzoek
                                   dankzij hun meer permanente status (die de opbouw van kennis als vermogen
                                   mogelijk maakt).
                                   TNO, de GTI’s en de DLO-instituten hebben zich elk op hun eigen manier aangepast
                                   aan de veranderingen in hun omgeving. Ze blijken in staat om in te spelen op een
                                   veranderende omgeving en een waardevolle rol te blijven spelen in het Nederlandse
                                   onderzoekssysteem.
                                   TNO en de GTI’s
                TNO intensiveert   In de strategie van TNO is steeds meer aandacht voor het opereren in netwerken,
                samenwerking, …    consortia en publiek-private samenwerkingsverbanden. Het is een goede zaak dat
                                   TNO zoekt naar verdere intensivering van de samenwerking met de universiteiten en
                                   dat TNO onderzoeksactiviteiten on campus plaatst. De raad is een voorstander van
                                   verdere intensivering en uitbreiding van de samenwerking naar andere universitei-
                                   ten. TNO kan met haar locatiebeleid en onderzoeksstrategie een goede bijdrage
                                   leveren aan de vorming van nationale zwaartepunten en kennisknooppunten.
                   … net als GTI’s Ook de GTI’s hebben meer aandacht voor nauwere krachtenbundeling met andere
                                   kennisinstellingen en met bedrijven. Interessante voorbeelden zijn Deltares en de
                                   ECN-dependance op de High Tech Campus bij Eindhoven. Strategische locatiekeuze
                                   is een goede stap op weg naar nauwere samenwerking in het innovatie-ecosysteem.
                                   54  Een interessant voorbeeld van krachtenbundeling tussen een universiteit en een instituut is het Karlsruher Institut für
                                       Technologie (KIT) dat onlangs (in oktober 2009) werd gevormd door een fusie tussen het Forschungszentrum Karlsruhe en
                                       de Universität Karlsruhe. In KIT worden de missies van beide organisaties gebundeld: een universiteit (van de deelstaat
                                       Baden-Württemberg) met onderwijs- en onderzoekstaken en een onderzoeksinstituut van de Helmholtz-Gemeinschaft dat
                                       Federale onderzoeksprogramma’s uitvoert. KIT telt ongeveer 8000 werknemers en heeft een jaarlijks budget van circa
                                       € 700 miljoen, waarmee het een van de grootste onderzoeks- en onderwijsinstellingen ter wereld is. Een van de doelen is
                                       om een toppositie te krijgen in specifieke onderzoeksgebieden. De fusie moet KIT in staat stellen om de beste experts ter
                                       wereld aan te trekken, om toonaangevend te worden in onderwijs en promotie van jonge wetenschappers, om een leidend
                                       Europees energie-onderzoekscentrum te worden, om een internationaal zichtbare rol in nanowetenschappen te spelen en
                                       om een leidende innovatiepartner van het bedrijfsleven te worden. (Zie http://www.kit.edu/english/about_kit.php voor meer
                                       informatie over KIT). Zulke vormen van samenwerking werden in het algemeen aangemoedigd door de extra financiering
                                       van de Bondsregering en de regeringen van de 16 Duitse deelstaten in het kader van de Exzellenzinitiative.
                               46  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen      12-02-2010          08:09         Pagina 47
         Vraagprogrammering biedt     Voor zowel TNO als de GTI’s is de invoering van vraagprogrammering een belangrij-
                goede perspectieven   ke ontwikkeling die betere prikkels geeft aan de instituten om zich goed te positio-
                                      neren en te profileren. Omdat de vraagprogrammering van TNO en de GTI’s pas in
                                      2010 volledig zal zijn ingevoerd, en dan ook zal worden geëvalueerd, is het nog te
                                      vroeg om tot een definitief oordeel te komen over de vraag of de nieuwe aanpak
                                      de gewenste effecten zal hebben. De beoogde effecten van de aanpak zijn een
                                      gerichter onderzoek met een betere kennisbenutting voor maatschappelijke vraag-
                                      stukken als resultaat; meer toepassingen in het bedrijfsleven; en meer samenwer-
                                      king tussen de instituten waardoor de kwaliteit van wetenschap en onderzoek
                                                        55
                                      hoger wordt.           de raad is positief over de ingezette richting, waarbij van de depar-
                                      tementen wordt gevraagd de regierol te nemen bij het formuleren van de maat-
                                                                 56
                                      schappelijke vraag,             en van de instituten wordt verwacht dat ze de aldus
                                      geformuleerde vraag vertalen in concrete onderzoeksvoorstellen.
                                      De DLO-instituten
          Integratie van het ‘groene’ Een verregaande vorm van krachtenbundeling was het samenbrengen van de DLO-
       kenniscluster is veelbelovend  instituten, Wageningen Universiteit en de Hogeschool Van Hall Larenstein in
                                      Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR). In de visie van de raad is deze
                                      integratie een veelbelovende ontwikkeling die in principe past bij de veranderingen
                                      in de omgeving. Alle schakels uit de kennisketen zijn samengebracht in een organi-
                                      satorisch geheel. Afhankelijk van de historisch gegroeide rolverdelingen en de
                                      specifieke kenmerken van onderzoeksgebieden zijn verschillende vormen van
                                      krachtenbundeling passend.
                                      55  Zie de website van OCW over Vraagprogrammering en financiering
                                          (http://www.minocw.nl/toegepastewetenschap/609/Vraagprogrammering-en-financiering.html).
                                      56  In een eerder Briefadvies pleitte de AWT voor een sterkere regierol van de minister van OCW. Deze zou meer koers moe-
                                          ten geven aan de gewenste ontwikkeling van het Nederlandse onderzoeksbestel om meer duidelijkheid te bieden over
                                          de kaders waarbinnen de verschillende onderzoeksinstellingen hun eigen strategie ontwikkelen. (AWT (2006) De strate-
                                          gische plannen van TNO, NWO en KNAW, Briefadvies, 20 juli 2006).
                                  47  Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010    08:09 Pagina 48
                           48      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010        08:09    Pagina 49
                           6                   Aanbevelingen
                                   Hieronder formuleren we vier sets van aanbevelingen, die respectievelijk betrekking
                                   hebben op de nieuwsoortige instituten voor samenwerking in onderzoek, op de
                                   instituten van NWO en KNAW, op de universiteiten en op TNO, de GTI’s en de DLO-
                                   instituten.
                                   Aanbevelingen ten aanzien van de nieuwsoortige instituten voor
                                   samenwerking in onderzoek
                                   Deze aanbevelingen hebben betrekking op al dan niet virtuele onderzoeksinstituten
                                   die zijn opgezet rond onderzoeksprogramma’s. Ze zijn tijdelijk van karakter en pro-
                                   grammatisch gefinancierd, maar voeren tot op zekere hoogte wel een eigen onder-
                                   zoeks- en personeelsbeleid. De raad beveelt de ministers van EZ en OCW (en andere
                                   relevante vakdepartementen) het volgende aan:
                                   •         Hanteer een levenscyclusbenadering waarbij reeds bij de oprichting van pro-
                                             grammatisch gefinancierde instituten voor samenwerking in onderzoek
                                             wordt geanticipeerd op een passende levensduur en een verantwoorde
                                             beëindiging van de (impuls)financiering.
                                             o       Geef de instituten de kans om zich te bewijzen door een financiering
                                                     van minimaal twee maal vier jaar te geven – uiteraard met de nodige
                                                     monitoring en (mid-term)evaluatie waardoor slecht functionerende
                                                     instituten tussentijds kunnen worden gestopt. Schep vanaf het begin
                                                     helderheid over de afbouw van de financiering en werk in dat kader
                                                     bijvoorbeeld met rolling forecasts.
                                             o       Creëer bij aanvang duidelijkheid over de opties voor instituten na de
                                                     beëindiging van de impulsfinanciering (zoals opheffing of opname in
                                                     de reguliere kennisinfrastructuur) en vraag instituten in hun meerja-
                                                     renstrategieën hierop in te gaan (bijvoorbeeld in een exitstrategie).
                                   •         Zorg voor een transparante intermediaire structuur tussen financiers en uit-
                                             voerders van onderzoek en breng geldverdelende taken zoveel mogelijk
                                             onder bij bestaande organisaties zoals NWO/ZonMw/STW en SenterNovem.
                                             Richt geen aparte instituten op met alleen geldverdelende taken.
                                   •         Stel bij de periodieke evaluaties stelselmatig de vraag naar het voortbestaan
                                             van programmatisch gefinancierde instituten in het licht van de geleverde
                                             bijdrage aan de ambities en doelen in de nationale langetermijnstrategie
                                             voor kennis en innovatie.
                                   Bij instituutsvorming dient vooraf expliciet rekening te worden gehouden met het feit
                                   dat elk instituut een eindige levensduur heeft. Instituutsvorming hoort in de ogen van
                                   de raad gehanteerd te worden als een flexibel instrument om expertise bijeen te bren-
                                   gen en samenwerking gestalte te geven. Dit moet niet als vanzelf leiden tot perma-
                           49      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010        08:09     Pagina 50
                                   nente institutionele structuren. In een vitaal onderzoeksecosysteem gaan instituutsvor-
                                   ming en instituutsopheffing hand in hand.
                                   Om het verlies aan verschillende vormen van opgebouwd kapitaal (in termen van kennis,
                                   onderzoekers, netwerken en faciliteiten) te beperken, dienen vooraf eisen te worden
                                   gesteld aan het borgen van kennis en aan kennisoverdracht. Tijdens zijn leven moet het
                                   instituut periodiek worden beoordeeld op de wijze waarop ervoor wordt gezorgd dat
                                   kennis wordt overgedragen aan andere onderzoekers, kennisinstellingen en gebruikers.
                                   Daarnaast geldt dat instituten voor een periode gefinancierd dienen te worden die
                                   past bij de aard van het voorgenomen onderzoek en de te verwachten periode
                                   waarop investeringen vrucht zullen dragen. In lijn met zijn eerdere advies
                                   ‘Weloverwogen impulsen’ (2007) pleit de raad hierin voor meer beleidsrust en een
                                   transparante aanpak. Zo kan worden voorkomen dat er onnodig veel tijd en energie
                                   gaat zitten in het ontwikkelen van projectvoorstellen voor steeds weer nieuwe al
                                   dan niet virtuele instituten.
                                   Aanbevelingen ten aanzien van de instituten van NWO en de KNAW
                                   Ten aanzien van de para-universitaire instituten beveelt de raad de minister van
                                   OCW het volgende aan:
                                   •         Streef in het onderzoeksbeleid expliciet naar verdere krachtenbundeling van
                                             para-universitaire instituten onderling en met universiteiten. Vraag aan de
                                             KNAW, NWO en de universiteiten om een gesprek met elkaar aan te gaan
                                             om de verschillende mogelijkheden voor krachtenbundeling en de voor- en
                                             nadelen daarvan in kaart te brengen. Beschouw fusie (op termijn) als een
                                             serieuze optie. Stuur in elk geval aan op strategische samenwerking in
                                             onderzoek, gezamenlijke investeringen in faciliteiten, gezamenlijk toezicht,
                                             gedeelde aanstellingen, gezamenlijke huisvesting.
                                   •         Vraag de para-universitaire instituten, hun koepelorganisaties en de univer-
                                             siteiten om in hun meerjarenstrategieën aan te geven hoe zij in de komende
                                             jaren zullen bijdragen aan een sterkere krachtenbundeling in het
                                             Nederlandse onderzoekssysteem en stel hiervoor ook de nodige middelen in
                                             het vooruitzicht.
                                   •         Zorg ervoor dat de complementariteit en meerwaarde ten opzichte van uni-
                                             versiteiten expliciet aan de orde komt in de (zelf-)evaluaties van para-univer-
                                             sitaire instituten.
                                   De raad pleit voor meer afstemming en verknoping van het onderzoek in Nederland
                                   en voor een sterkere krachtenbundeling in het Nederlandse onderzoekssystemen
                                   tussen duidelijk geprofileerde universiteiten en onderzoeksinstituten. Er is daarbij
                                   niet één recept voor alle instituten. Per geval en per onderzoeksterrein moet wor-
                                   den nagegaan hoe de krachtenbundeling het beste vorm kan worden gegeven en
                                   welke rol de instituten daarbij kunnen spelen. Een nauwere associatie of fusie van
                           50      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010      08:09    Pagina 51
                                   een para-universitair instituut met een universiteit is een van de mogelijkheden die
                                   op de agenda moet staan. Dit heeft voordelen voor het Nederlandse onderzoeks-
                                   systeem (vorming van zwaartepunten, kennisknooppunten), voor universiteiten (een
                                   sterker profiel, inspiratie van het onderwijs, meer massa, hogere ranking, etc.) en
                                   voor instituten (betere toegang tot jonge onderzoekers, betere mogelijkheden voor
                                   doorstroming van onderzoekers, beheersmatige samenwerking, schaalvoordelen,
                                   etc.). De raad pleit voor het principe ‘nee, tenzij’ met betrekking tot het organiseren
                                   van de functies van para-universitaire instituten buiten de universiteit.
                                   De raad wijst erop dat een volledige fusie van een para-universitaire instituut met
                                   een universiteit alleen aanbevelenswaardig is als universiteiten een geschikte
                                   (bestuurlijke) omgeving kunnen bieden waarin onderzoeksinstituten slagvaardig
                                   kunnen opereren. Dat betekent onder andere dat een universiteit voldoende auto-
                                   nomie moet geven aan onderzoeksinstituten, dat zij een modern personeelsbeleid
                                   voert, een duidelijk strategisch profiel en een langetermijnstrategie heeft waar het
                                   instituut in past, en dat universiteiten onderling samenwerken en onderzoeksagen-
                                   da’s afstemmen. Naar het oordeel van de raad ontbreekt het in veel gevallen nog
                                   aan voldoende waarborgen voor het floreren van onderzoeksinstituten (zie in dit
                                   verband het volgende blok aanbevelingen).
                                   In afwachting van de verdergaande krachtenbundeling van instituten en universiteiten
                                   is de raad voorstander van een meer logische verdeling van instituten over de twee
                                   koepels. Bij de verdeling dient in overweging genomen te worden dat de KNAW meer
                                   dan NWO aandacht heeft voor het plaatsen van instituten bij een universiteit.
                                   Met betrekking tot het beheer van de para-universitaire instituten door de koepels,
                                   adviseert de raad aan de koepelorganisaties om bij de periodieke beoordeling van
                                   het functioneren van instituten expliciet te toetsen of de para-universitaire status
                                   van een instituut nog steeds voldoende meerwaarde oplevert. Het nieuwe Standard
                                   Evaluation Protocol 2009-2015 biedt daarvoor de mogelijkheden onder het criteri-
                                   um Vitality & feasibility en in de aanwijzingen voor de zelfevaluatie van instituten.
                                   De complementariteit en meerwaarde ten opzichte van universiteiten dient expliciet
                                   aan de orde te komen in de (zelf-)evaluaties. Kwaliteit van onderzoek is een nood-
                                   zakelijke, maar geen voldoende voorwaarde om het bestaan van een instituut bui-
                                   ten de universiteit te rechtvaardigen. Instituten dienen duidelijk aan te geven
                                   waarom ze een aparte positie in het bestel nodig (blijven) hebben en op welke wijze
                                   ze bijdragen aan een verdere krachtenbundeling met universiteiten.
                                   Aanbeveling ten aanzien van de universiteiten
                                   De raad wijst erop dat de rol en toekomst van instituten van diverse aard nauw ver-
                                   weven is met de wijze waarop universiteiten zich ontwikkelen. De raad heeft als lan-
                                   getermijnvisie een onderzoekssysteem waarbij para-universitaire instituten niet langer
                                   nodig zijn omdat de universiteiten (individueel of collectief) in staat zijn de verschillen-
                           51      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010        08:09    Pagina 52
                                   de rollen van para-universitaire instituten over te nemen. De overheid heeft vanuit
                                   haar stelselverantwoordelijkheid de taak om de nationale coherentie in het onder-
                                   zoekssysteem en de vorming van zwaartepunten te stimuleren en de wisselwerking
                                   tussen kennisinstellingen en bedrijfsleven te bevorderen. Een van de manieren waarop
                                   de overheid dit kan bevorderen, is door van universiteiten te verlangen om langeter-
                                   mijnplannen op te stellen waarin zij zichzelf positioneren ten opzichte van de nationa-
                                   le zwaartepunten en invulling geven aan de wijze waarop zij krachten willen
                                   bundelen. Vanuit die visie beveelt de raad de minister van OCW het volgende aan:
                                   •         Stimuleer universiteiten om een onderscheidend onderzoeksprofiel te ont-
                                             wikkelen dat is afgestemd op het profiel van andere universiteiten en andere
                                             actoren in het veld.
                                   •         Spreek universiteiten aan op een professioneel en slagvaardig bestuur, een
                                             organisatiestructuur, een strategisch onderzoeksbeleid en een modern HRM-
                                             beleid, passend bij nieuwe manieren van kennisproductie en samenwerking
                                             in transdisciplinaire en organisatiegrenzen overschrijdende netwerken.
                                   •         Stimuleer een sterkere gebiedsgewijze afstemming onder universiteiten, en
                                             ook in het bredere onderzoekssysteem, bijvoorbeeld door evaluaties niet per
                                             instelling maar per gebied te organiseren.
                                   Aanbevelingen ten aanzien van TNO, de GTI’s en de DLO-instituten
                                   Tenslotte doet de raad de ministers van OCW en EZ ten aanzien van TNO, de GTI’s
                                   en de DLO-instituten de volgende aanbevelingen:
                                   •         Ga door met het ingezette veranderingsproces bij TNO en de GTI’s richting
                                             vraagprogrammering en krachtenbundeling.
                                   •         Streef ernaar dat de GTI’s, TNO en het universitaire en HBO-onderzoek
                                             elkaar versterken. Hierbij wordt aangenomen dat het eigen proces tot
                                             verdere integratie van de drie TU’s wordt voorgezet.
                                   Met het oog op de ingezette veranderingen bij TNO, de GTI’s en de DLO-instituten
                                   ziet de raad op dit moment geen aanleiding voor grote veranderingen in het beleid
                                   ten aanzien van deze instituten. De veranderingen bij TNO en de GTI’s, waaronder
                                   de introductie van de vraagprogrammering en de afbouw van de basisfinanciering,
                                   dienen in 2011 geëvalueerd te worden om te bezien of de gewenste effecten inder-
                                   daad worden gerealiseerd. Ook de krachtenbundeling van Wageningen Universiteit
                                   en DLO verdient een evaluatie.
                                   Via strategische locatiekeuzes en samenwerking kunnen instituten als TNO en de
                                   GTI’s bijdragen aan krachtenbundeling, meer nationale coherentie en onderschei-
                                   dende profielen van de kennisinstellingen in het Nederlandse onderzoekslandschap.
                                   Aldus vastgesteld te Den Haag, januari 2010
                                   J.F. Sistermans (voorzitter)                           dr. P.J.M. Diederen (plv. secretaris)
                           52      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010    08:09 Pagina 53
                      b1           ACTS
                                               Afkortingen
                                                          Advanced Chemical Technologies for Sustainability
                                   ASTRON                 Stichting Astronomisch Onderzoek in Nederland
                                   AWT                    Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid
                                   BMM                    BioMedical Materials program
                                   BSIK                   Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (ook
                                                          bekend als ICES/KIS-3)
                                   CBS                    Centraal Bureau voor de Statistiek
                                   CBS (KNAW)             Centraal Bureau voor Schimmelcultures
                                   CERN                   European Organization for Nuclear Research
                                   CIDC                   Centraal Instituut voor Dierziektecontrole Lelystad
                                   CPB                    Centraal Planbureau
                                   CTMM                   Center for Translational Molecular Medicine
                                   CWI                    Centrum voor Wiskunde en Informatica
                                   DANS                   Data Archiving and Networked Services
                                   DLO                    Dienst Landbouwkundig Onderzoek
                                   DPI                    Dutch Polymer Institute
                                   ECN                    Energie-onderzoek Centrum Nederland
                                   ERA                    European Research Area
                                   EU                     Europese Unie
                                   EZ                     Ministerie van Economische Zaken
                                   FA                     Fryske Akademy
                                   FES                    Fonds Economische Structuurversterking
                                   FOM                    Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie
                                   FOM-AMOLF              Instituut voor Atoom- en Molecuulfysica
                                   FOM-NIKHEF             Nationaal Instituut voor Kernfysica en hoge Energie Fysica
                                   FOM-Rijnhuizen         Instituut voor Plasmafysica
                                   GTI’s                  Grote Technologische Instituten
                                   HILL                   The Hague Institute for the Internationalisation of the Law
                                   HRM                    Human resource management
                                   ICIN                   Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland
                                   ICN                    Instituut Collectie Nederland
                                   ICT                    Informatie- en Communicatietechnologie
                                   IISG                   Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
                                   ING                    Instituut voor Nederlandse Geschiedenis
                                   IOI                    Interuniversitair Oogheelkundig Instituut
                                   KB                     Koninklijke Bibliotheek
                                   KEMA                   NV tot Keuring van Elektrotechnische Materialen (die is dit
                                                          oorspronkelijke afkorting)
                                   KiM                    Kennisinstituut Mobiliteitsbeleid
                           53      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010    08:09 Pagina 54
                                   KITLV                  Koninklijk Instituut voor Taal- , Land- en Volkenkunde
                                   KNAW                   Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen
                                   KNMI                   Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut
                                   LEI                    Landbouw Economisch Instituut
                                   LNV                    Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
                                   NETSPAR                Network for Studies on Pensions, Aging and Retirement
                                   LEI                    Landbouw Economisch Instituut
                                   M2I                    Materials innovation institute
                                   MARIN                  Maritiem Research Instituut Nederland
                                   MTI                    Maatschappelijk Topinstituut
                                   NBIC                   Nanotechnologie, Biotechnologie, Informatietechnologie en
                                                          Cognitieve wetenschappen
                                   NEN                    Nederlands Normalisatie-instituut
                                   NFI                    Nederlands Forensisch Instituut
                                   NIAS                   Netherlands Institute for Advanced Study
                                   NICIS                  Netherlands Institute for City Innovation Studies
                                   NIDI                   Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut
                                   NIGZ                   Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en
                                                          Ziektepreventie
                                   NIH                    Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek
                                   NIOD                   Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie
                                   NIOO                   Nederlands Instituut voor Ecologie
                                   NIOZ                   Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee
                                   NIMR                   Netherlands Institute for Metals Research
                                   NIN                    Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen
                                   NIVEL                  Nederlands Instituut voor Onderzoek van de
                                                          Gezondheidszorg
                                   NIVR                   Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en
                                                          Ruimtevaart
                                   NKI                    Nederlands Kanker Instituut
                                   NLR                    Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium
                                   NMi                    Nederlands Meetinstituut
                                   NCSR                   Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en
                                                          Rechtshandhaving
                                   NWO                    Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
                                   OCW                    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
                                   PPO                    Praktijkonderzoek Plant & Omgeving
                                   PUI                    Para-universitair instituut
                                   RACM                   Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en
                                                          Monumenten
                                   R&D                    Research and Development
                                   RDMZ                   Rijksdienst voor de Monumentenzorg
                                   RIKZ                   Rijksinstituut voor Kust en Zee
                           54      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010    08:09 Pagina 55
                                   RIZA                   Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en
                                                          Afvalwaterbehandeling
                                   RKD                    Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie
                                   ROB                    Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek
                                   RIVM                   Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne
                                   SAF/NIKHEF             FOM-Instituut voor Subatomaire Fysica, onderdeel van
                                                          NIKHEF
                                   SCP                    Sociaal Cultureel Planbureau
                                   SER                    Sociaal Economische Raad
                                   SKO                    Bureau Strategische Kennisontwikkeling
                                   SRON                   SRON Netherlands Institute for Space Research
                                   STW                    Stichting Technische Wetenschappen
                                   TI                     Telematica Instituut
                                   TI Pharma              Top Institute Pharma
                                   TIFN                   Top Institute Food and Nutrition
                                   TNO                    Nederlandse Organisatie voor Toegepast
                                                          Natuurwetenschappelijk Onderzoek
                                   TTI                    Technologisch TopInstituut
                                   V&W                    Ministerie van Verkeer en Waterstaat
                                   VKS                    Virtual Knowledge Studio
                                   VROM                   Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
                                                          Milieubeheer
                                   VSNU                   Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten
                                   VWS                    Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
                                   WCFS                   Wageningen Centre for Food Sciences
                                   WHW                    Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk
                                                          Onderzoek
                                   WODC                   Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
                                   WRR                    Wetenschappelijke raad voor het Regeringsbeleid
                                   WUR                    Wageningen Universiteit & Researchcentrum
                                   ZonMw                  Nederlandse Organisatie voor Gezondheidsonderzoek en
                                                          Zorginnovatie
                           55      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010    08:09 Pagina 56
                           56      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010      08:09     Pagina 57
                      b2                       Gesprekspartners
                                   Ter voorbereiding op dit advies heeft de AWT gesproken met de volgende personen.
                                   dhr. ir. A.J. Baayen (Deltares)
                                   dhr. dr. P. Baggen (VSNU)
                                   dhr. prof.dr. H.J. Bennis (Meertens Instituut)
                                   mw. drs. B.J. van den Bergh MKM (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                                   Wetenschap)
                                   dhr. dr. K. H. Chang (Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie – FOM)
                                   dhr. prof.dr. J.C. Clevers (Hubrecht Instituut)
                                   dhr. drs. R.J.P. Dekker (NWO)
                                   dhr. prof.dr. R.H. Dijkgraaf (KNAW)
                                   dhr. prof.dr. J.J. Engelen (NWO)
                                   mw. dr. F.M.L. Heijs (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)
                                   dhr. prof.dr. W.J.M. Levelt (emeritus) (Max Planck Institute for Psycholinguistics /
                                   KNAW)
                                   dhr. prof.dr. Th. Mulder (KNAW)
                                   dhr. prof.dr. P. Nijkamp (NWO)
                                   dhr. dr. S.J. Noorda (VSNU)
                                   dhr. dr.ir. J.M.M. Ritzen (Universiteit Maastricht)
                                   mw. drs. P.J. Roemer (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)
                                   mw. mr. G.R. Valenti (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)
                                   mw. prof.dr. L.E.M. Vet (Nederlands Instituut voor Ecologie NIOO)
                                   Betrokken raadsmedewerkers:
                                   dr.ir. J.J. Deuten, dr. P.J.M. Diederen, drs. B.J. Overbeek.
                           57      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010    08:09 Pagina 58
                           58      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010     08:09    Pagina 59
                                   Serie uitgebrachte adviezen van de AWT
                                   73 Meer laten gebeuren. Innovatiebeleid voor de publieke sector. Maart 2008.
                                       ISBN 978 90 77005 43 9. Verkoopprijs € 15,00.
                                   72 Weloverwogen impulsen. Strategisch investeren in zwaartepunten.
                                       November 2007. ISBN 978 90 77005 42 2. € 15,00.
                                   71 Balanceren met beleid. Wetenschaps- en Innovatiebeleid op hoofdlijnen. Maart
                                       2007. ISBN 978 90 77005 39 2. € 12,50.
                                   70 Alfa en Gamma stralen. Valorisatiebeleid voor de Alfa- en
                                       Gammawetenschappen. Maart 2007. ISBN 978 90 77005 38 5. € 12,50.
                                   69 Bieden en binden. Internationalisering van R&D als beleidsuitdaging. December
                                       2006. ISBN 90 77005 37 4. € 12,50.
                                   68 Opening van zaken. Beleid voor Open innovatie. Juni 2006.
                                       ISBN 90 77005 35 8. € 12,50.
                                   67 Tijd voor een opKIQer! Méér investeren in onderwijs en onderzoek.
                                       Oktober 2005. ISBN 90 77005 32 3. € 12,50.
                                   66 Diensten beter bedienen. Innovatiebeleid voor diensten.
                                       September 2005. ISBN 9077005307. € 12,50.
                                   65 Ontwerp en ontwikkeling. De functie en plaats van onderzoeksactiviteiten in
                                       hogescholen. Augustus 2005. ISBN 90 77005 31 5. € 10,00.
                                   64 Innovatie zonder inventie. Kennisbenutting in het MKB. Juli 2005.
                                       ISBN 90 77005 29 3. € 12,50.
                                   63 Kennis voor beleid - beleid voor kennis. Mei 2005. ISBN 90 77005 28 5.
                                       € 12,50.
                                   62 De waarde van weten. De economische betekenis van universitair onderzoek.
                                       April 2005. ISBN 90 77005 005. € 9,00.
                                   61 Een vermogen betalen. De financiering van universitair onderzoek.
                                       Februari 2005. ISBN 90 77005 27 7. € 12,50.
                                   60 Samen slimmer in ketens. Competenties in supply chain management als
                                       concurrentiefactor voor Nederlandse bedrijven. December 2004.
                                       ISBN 90 77005 25 0. € 12,50.
                                   59 Tijd om te oogsten! Vernieuwing in het innovatiebeleid. Juni 2004.
                                       ISBN 90 77005 24 2. € 12,50.
                                   58 De prijs van succes. Over matching van onderzoekssubsidies in
                                       kennisinstellingen. April 2004. ISBN 90 77005 22 6. € 12,50.
                                   57 Nederlands kompas voor de Europese onderzoeksruimte. Strategisch kader voor
                                       de internationalisering van het onderzoeks- en innovatiebeleid. Januari 2004.
                                       ISBN 90 77005 21 8. € 12,50.
                                   56 Netwerken met kennis. Kennisabsorptie en kennisbenutting door bedrijven.
                                       November 2003. ISBN 90 77005 20 X. € 12,50.
                                   55 Wat van ver komt... De vormgeving van het Nederlandse bilaterale
                                       onderzoeksbeleid. Oktober 2003. ISBN 90 77005 19 6. € 9,00.
                           59      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>000482_AWT75_bw_V2:Kennis Plaatsen   12-02-2010     08:09   Pagina 60
                                   54 1+1>2. De bevordering van multidisciplinair onderzoek. September 2003.
                                       ISBN 90 77005 18 8. € 12,50.
                                   53 Backing winners. Van generiek technologiebeleid naar actief innovatiebeleid.
                                       Juli 2003. ISBN 90 77005 17 X. € 15,00.
                                   52 Kennis van criminaliteit. Juni 2003. ISBN 90 77005 16 1. € 9,00.
                                   51 Wijsheid achteraf. De verantwoording van universitair onderzoek. Juni 2003.
                                       ISBN 90 77005 15 3. € 9,00.
                                   50 Naar een nieuw maatschappelijk contract. Synergie tussen publieke
                                       kennisinstelllingen en de Nederlandse kennissamenleving. Januari 2003.
                                       ISBN 90 77005 14 5. € 5,00.
                                   49 Gewoon doen!? Perspectief op de Barcelona-ambitie ‘3% BBP voor O&O’.
                                       Juli 2002. ISBN 90 77005 11 0. € 9,08.
                                   48 KP6 laten werken. Stimuleren Nederlandse deelname: profijt en beleid. Juli
                                       2002. ISBN 90 77005 10 2. € 12,50.
                                   47 Hógeschool van Kennis. Kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en
                                       hogescholen. Juli 2001. ISBN 90 77005 05 6. € 11,34.
                                   46 Handelen met kennis. Universitair octrooibeleid omwille van kennisbenutting.
                                       Juni 2001.ISBN 90 77005 03 X. € 9,08.
                                   45 Over stromen. Kennis - en innovatieopgaven voor een waterrijk Nederland.
                                       Advies en Verkenning door de AWT, NRLO en RMNO, juni 2000. € 11.34.
                                   44 Investeren in onderzoek, april 2000. ISBN 90 346 3823 5. € 9,08.
                                   43 Halfslachtige wetenschap. Onderbenutting van vrouwelijk potentieel als
                                       existentieel probleem voor academia, januari 2000. ISBN 90 346 3798 0.
                                       € 11,34.
                                   AWT-publicaties zijn te bestellen via www.awt.nl.
                                   Eerdere adviezen van de AWT zijn ook te vinden op de website.
                           60      Kennis plaatsen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>