<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Scherp aan de wind!

Handvat voor een Europese strategie voor
Nederlandse (top)sectoren

Adviesraad voor het
AN chnologiebeleid
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>De Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) brengt gevraagd en ongevraagd advies
uit aan regering en parlement. Zijn onafhankelijke adviezen zijn strategisch van aard en gaan over de
hoofdlijnen van wetenschaps-, technologie- en innovatiebeleid. De leden van de AWT zijn afkomstig uit
kennisinstellingen en het bedrijfsleven. De raad staat onder voorzitterschap van Joop Sistermans. De AWT
doet zijn werk vanuit de overtuiging dat het belang van kennis, wetenschap en innovatie voor economie
en samenleving groot is en in de toekomst nog verder zal toenemen.
De raad is als volgt samengesteld:
J.F. Sistermans (voorzitter)
prof.dr. P.W. Adriaans
prof.dr. W.P. Blockmans
mw. dr. C.M. Hooymans
mw. I.G.C. Faber MBA
drs. L.J. Halvers
prof.dr. E.C. Klasen
mw. ir. M.E. van Lier Lels
A.H. Lundqvist
P. Morley Msc.
prof.dr. L.L.G. Soete
mw. dr. D.J.M Corbey (secretaris)
Het secretariaat is gevestigd in Den Haag:
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
T    070-3110920
F    070-3608992
E    secretariaat@awt.nl
W www.awt.nl
ISBN: 978-90-7700-5-77-4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>77
  Scherp aan de wind!
  Handvat voor een Europese strategie voor
  Nederlandse (top)sectoren
  augustus 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>  Colofon
  Vormgeving:        Junior beeldvorming - Zoetermeer
  Druk:              Quantes - Rijswijk
                     augustus 2011
  ISBN               978 90 77005 77 4
  Verkoopprijs       € 15,–
  Auteursrecht
  Alle rechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen van
  deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke
  toestemming van de AWT. Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van
  organisatienaam en naam en jaartal van uitgave.
2 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  Inhoudsopgave
  Samenvatting                                                                   5
  1         Inleiding: ontwikkelingen in het Europese en Nederlandse
            beleid                                                              11
  2         Zeven uitdagingen van het Europese beleid                           17
  3         Meer of minder Europa?                                              27
            3.1       Europees onderzoeksbeleid is belangrijk voor Nederland    27
            3.2       De verhouding tussen Europees en Nederlands beleid        30
            3.3       Nederlands zwaartepuntenbeleid                            33
  4         Wat zijn effecten van toekomstig Europees beleid voor Nederland?    37
            4.1       Kansen en bedreigingen in de topsectoren                  37
            4.2       Effecten per beleidslijn                                  39
  5         Conclusies en aanbevelingen                                         73
            5.1       Het sectorprofiel bepaalt de effecten van Europees beleid 73
            5.2       Aanbevelingen                                             79
  Bijlage 1           Adviesvraag                                               87
  Bijlage 2           Matrix Europa in de topsectoren                           91
  Bijlage 3           Beoordelingscriteria                                      93
  Bijlage 4           Geraadpleegde literatuur                                  95
3 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>4 Scherp aan de wind!</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>              Samenvatting
  Achtergrond en adviesvraag
  Europees beleid is het laatste decennium sterk in ontwikkeling. De Lissabonstrategie
  uit 2000 is in 2010 vervangen door een nieuwe strategie: Europe 2020. Hierin staan
  onderzoek en innovatie meer dan ooit centraal. De onderzoeks- en innovatiestrate-
  gie is uitgewerkt in het Europese ‘vlaggenschip’ van de Innovation Union. Hiermee
  wil de Europese Commissie de innovatie in Europa stimuleren en versnellen, en
  tegelijkertijd de hinderpalen wegnemen die voorkomen dat goede ideeën snel op
  de markt komen.
  In Nederland is met het aantreden van het nieuwe kabinet in 2010 ook een nieuwe
  wind gaan waaien. Het kabinet heeft met de topsectoren gekozen voor het vergro-
  ten van het concurrentievermogen van de Nederlandse economie. Daartoe heeft het
  een negental economische topsectoren aangewezen: Water, Voedsel, Tuinbouw,
  High tech, Life sciences, Chemie, Energie, Logistiek en Creatieve industrie. Voor
  deze topsectoren wordt een integrale beleidsagenda ontwikkeld. De ontwikkelingen
  in het Europese en Nederlandse beleid zijn voor de ministers van OCW en EL&I
  aanleiding geweest de AWT te vragen te adviseren over ‘Europees en Nederlands
  Onderzoeks- en Innovatiebeleid’. De twee hoofdvragen in de adviesvraag zijn:
  •         Welke trends en ontwikkelingen zijn zichtbaar in het Europees onderzoeks-
            en innovatiebeleid en wat zijn de gevolgen daarvan voor Nederland?
  •         Hoe kan Nederland het beste inspelen op veranderde beleidscontext op
            Europees niveau en waarborgen dat Europese onderzoeksprioriteiten blijven
            aansluiten bij Nederlandse prioriteiten?
  Opzet en aanpak
  In dit advies geeft de raad eerst een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen
  en trends die relevant zijn voor het Nederlandse en Europese onderzoeks- en inno-
  vatiebeleid. De raad doet dit tegen de achtergrond van een aantal belangrijke uitda-
  gingen, zoals de economische crisis, globalisering en het tekort aan private
  investeringen. Het nieuwe Europese beleid van de Innovation Union beoogt deze
  uitdagingen het hoofd te bieden en Europa competitiever maken ten opzichte van
  opkomende economieën zoals de BRIC-landen. De EU ziet daarbij de inzet van
  onderzoek en innovatie om de grote maatschappelijk uitdagingen aan te pakken
  ook als middel om uit de neerwaartse spiraal van de economische crisis te komen.
  Nieuw in het Europese beleid is meer nadruk op kennisbenutting en innovatie. Deze
  verschuiving kan invloed hebben op de manier waarop Nederland met Europees
  beleid om moet gaan. De raad analyseert vervolgens wat het uitgangspunt voor de
  Nederlandse opstelling in Europa moet zijn. De kansen en bedreigingen van de ver-
  schillende beleidslijnen uit de Innovation Union worden daarna in kaart gebracht
  voor topsectoren en andere sectoren. Vanuit deze analyse trekt de raad conclusies
  omtrent de verhouding tussen de inzet van Nederlands en Europees beleid voor ver-
  sterking van Nederlandse en Europese sectoren.
5 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  Kansen en bedreigingen
  De raad is van mening dat het Europese beleid moet worden ingezet om zwaarte-
  puntvorming op nationaal niveau te stimuleren. Het gaat daarbij om drie soorten
  zwaartepunten: economische (topsectoren), maatschappelijke en wetenschappelijke.
  Europees beleid biedt voor de zwaartepunten kansen om meer massa te creëren (door
  Europese financiering als hefboom te gebruiken) of meer focus te krijgen (door natio-
  nale en internationale prioriteiten aan elkaar te verbinden). Naast kansen kan het
  Europese beleid ook bedreigingen vormen voor Nederland. Europees beleid kan
  betekenen dat kenniswerkers, topclusters, of grootschalige infrastructuur buiten
  Nederland terecht komen. Het is daarom belangrijk om goed in te schatten hoe een
  Europese beleidslijn voor Nederland uitpakt. Om dit op een consequente manier te
  kunnen doen is het wenselijk een afwegingskader te gebruiken. Hierbij is het inschat-
  ten van de Nederlandse positie één van de belangrijkste beoordelingcriteria.
  Sterkere en zwakkere profielen
  Sectoren verschillen onderling naar economische structuur, innovatieve kracht, het
  aandeel van het MKB, geografische concentratie, de kennisbasis en op tal van ande-
  re factoren. Voor de raad zijn vooral de kennisbasis en de innovatieve kracht van
  belang. De raad maakt in de analyses verschil tussen vier soorten sectoren.
  Sectoren met een:
  1. sterke kennisbasis en sterke innovatieve bedrijvigheid;
  2. sterke kennisbasis en zwakke innovatieve bedrijvigheid;
  3. zwakke kennisbasis en sterke innovatieve bedrijvigheid;
  4. zwakke kennisbasis en zwakke innovatieve bedrijvigheid.
  Met nadruk stelt de raad dat de negen topsectoren doorgaans niet als geheel
  binnen een van de profielen vallen. Er zijn binnen elke topsector weer deelsectoren
  die anders te kwalificeren zijn. Kansen en bedreigingen kunnen anders uitpakken in
  (deel)sectoren met verschillende sectorprofielen. Sectoren met een sterke kennisba-
  sis kunnen bijvoorbeeld profiteren van versterking van de positie van de European
  Research Council (ERC), het European Institute for Innovation and Technology (EIT)
  en de implementatie van de ESFRI agenda voor grote pan-Europese onderzoeks-
  infrastructuur. In het algemeen kan worden gezegd dat Europees beleid gericht op
  menselijk kapitaal (vrije markt van onderzoekers) en de kennisbasis met name posi-
  tief uitwerkt voor deze sectoren. Het smart specialisation beleid op Europees niveau
  is ook een kans voor deze sectoren, met name als er een koppeling is met sterke,
  regionaal geclusterde innovatieve bedrijvigheid. Een zwakke kennisbasis maakt het
  moeilijk om te profiteren van Europees beleid, deze sectoren scoren slecht in
  Europese competities. Daarom is het onderhouden van de kennisbasis op nationaal
  niveau essentieel om goed te presteren in het Europees beleid en om Europees
  beleid als hefboom te kunnen gebruiken.
6 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>  Een sector met sterke innovatieve bedrijvigheid kan gebruik maken van de toename
  van Europese beleidsaandacht voor kennisbenutting en innovatie. Eén Europese
  (innovatieve) aanbestedingsmarkt, de nadruk op niet-R&D gedreven innovatie en
  meer innovatie-vriendelijke regulering zijn kansen voor deze sectoren.
  Aanbestedingsopdrachten komen in deze sectoren bijvoorbeeld gemakkelijker naar
  Nederland. Maar ook hier zijn er verschillen tussen sectoren in de uitwerking van
  Europees beleid. Sectoren met zwakke innovatieve bedrijvigheid profiteren veel min-
  der van de Europese aanbestedingsmarkt, en ook profiteren zij veel minder van de
  nadruk op niet-R&D gedreven innovatie en innovatie-vriendelijke regulering.
  Aanbevelingen
  De raad hecht grote waarde aan investeren in kennis en onderzoek. Een sterker
  Nederland draagt bij aan een sterker Europa. Nederlandse excellente kennis en
  innovaties in Europese netwerken zullen de Europese concurrentiepositie versterken.
  Met de sterktes heeft Nederland ook de meeste kans om een goede positie te ver-
  werven in Europese competities. Op deze manier draagt Europees beleid ook bij aan
  het versterken van Nederlandse sterktes. Het werkt als hefboom. Succes in en met
  Europa is echter niet altijd makkelijk; er zijn vanuit de 27 lidstaten veel belangen in
  het spel. Maar door scherp aan de wind te varen kan Nederland veel baat hebben
  bij Europees beleid. De raad geeft vijf aanbevelingen aan de Nederlandse regering
  om zo optimaal mogelijk gebruik te maken van de hefboom van Europees onder-
  zoeks- en innovatiebeleid.
  1. Versterk de positie van Europa in het mondiale speelveld
  Draag voluit bij aan het versterken van de positie van Europa als geheel. Nederland
  zal hiervan profiteren. Kennis en innovatie zijn het middel om de neerwaartse spi-
  raal van de economische crisis te keren en om Europa weer competitief te maken
  en zodoende de mondiale concurrentie aan te kunnen. Toename van de Europese
  middelen voor onderzoek en innovatie is hiervoor allereerst nodig.
  Daarnaast zal de positie van Europa verder worden versterkt door meer focus en
  massa op Europees niveau. Europa moet sectoren van mondiale klasse ontwikkelen.
  Nederland kan hieraan het beste bijdragen door de eigen sterktes in kennis en/of
  innovatie in te brengen in het Europese beleid.
  2. Gebruik Europese middelen strategisch als hefboom voor nationaal beleid
  De Nederlandse overheid moet meer strategische te werk gaan in het EU beleid.
  De drie belangrijkste uitgangspunten:
  1.        Gebruik Europees beleid als hefboom voor het creëren van meer focus en
            massa op nationaal niveau. Nationale zwaartepunten moeten daartoe
            krachtig naar voren worden geschoven in Europese discussies. Europees
            beleid biedt kansen wanneer onze zwaartepunten goed op de Europese
            agenda komen te staan.
7 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>  2.        Maak gebruik van de kansen die de Europese beleidsnadruk op kennisbenut-
            ting en innovatie biedt. Verlaat hiermee het klassieke uitgangpunt dat vooral
            fundamenteel onderzoek in aanmerking komt voor Europese samenwerkin-
            gen, en dat toegepast onderzoek nationaal of zelfs regionaal gefinancierd en
            gestimuleerd moet worden.
  3.        Spreek met één stem en bundel de Nederlandse krachten: investeer in een
            strategische binnenlandse dialoog over Europa. Dat heeft als gevolg dat de
            overheid beter en eerder op de hoogte is van de ontwikkelingen binnen de
            EU en van de wensen vanuit het veld.
  3. Sluit aan bij de Europese maatschappelijke zwaartepunten
  Sluit aan bij de Europese leidraad voor beleid, namelijk de maatschappelijke uitda-
  gingen. De maatschappelijke betekenis van onderzoek is het noodzakelijke ticket
  om Europese fondsen te verwerven. Het Nederlandse topsectorenbeleid is primair
  gericht op versterking van de concurrentiekracht. Om te kunnen profiteren van
  Europese kennis en financiering is aansluiting op de maatschappelijke uitdagingen
  essentieel. Het is daarvoor van belang om in Nederland maatschappelijke zwaarte-
  punten te definiëren en een vertaalslag te maken vanuit de uitdagingen die op
  Europees niveau worden vastgesteld naar de plannen van de topsectoren. Gebruik
  Europees beleid zo ook om maatschappelijke uitdagingen op nationaal niveau aan
  te pakken.
  4. Ontwikkel per zwaartepunt een strategisch plan voor de inzet van Europees en
      Nederlands beleid
  Ontwikkel per zwaartepunt, topsector of delen daarvan een strategische visie op
  het Europese onderzoeks- en innovatiebeleid met een duidelijke analyse van sterktes
  en zwaktes in de kennisbasis en innovatieve bedrijvigheid. Houd rekening met de
  kansen, maar ook met de bedreigingen. Wees er daarbij op bedacht dat wat voor
  Nederland slecht kan uitpakken, voor Europese zwaartepuntvorming nog altijd gun-
  stig kan zijn. Ook deze effecten moeten in het strategisch plan in kaart worden
  gebracht.
  Naast een visie op de inzet van Europees beleid moet uit het plan ook de rol van
  het Nederlandse beleid duidelijk worden. Duidelijk moet worden waarop Nederland
  moet inzetten in het Europese beleid en wat in Nederland moet worden aangepakt
  opdat de topsector dan wel zwaartepunt optimaal aan de startblokken verschijnt.
  Voor de vier sectorprofielen betekent dit het volgende:
  •         Voor sectoren met een sterke kennisbasis en sterke innovatieve bedrijvig-
            heid geldt dat EU beleid vooral veel kansen biedt. Europa als springplank voor
            het mondiale speelveld. Zorg ervoor dat deze sectoren prominent op de
            Europese agenda komen, zodat ze makkelijker het ruime sop kunnen kiezen.
8 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>  •         Voor sectoren met een sterke kennisbasis maar zwakke innovatieve bedrij-
            vigheid geldt dat EU beleid niet over de gehele breedte een gunstig effect
            heeft. Het is een kwestie van laveren en de zeilen bijzetten. Zet Nederlands
            beleid in om de Europese aansluiting te blijven garanderen; Nederlandse en
            Europese beleidsprioriteiten moet op elkaar worden afgestemd. Europese net-
            werkvorming biedt kansen om innovatieve bedrijvigheid en investeringen uit
            andere lidstaten aan te trekken. Cruciaal blijft echter dat het Nederlands beleid
            ook zelf de innovatieve bedrijvigheid versterkt via het generiek beleid.
  •         Voor sterke sectoren met een zwakke kennisbasis, maar sterke innovatie
            bedrijvigheid geldt dat kansen die EU beleid biedt beperkt zijn. Deze secto-
            ren kunnen wel voor verdere versterking van de kennisbasis de route via
            Europa volgen. Europa is dan niet meer dan een hulpmotor.
            De inzet van Nederlands generiek beleid in de kennisbasis is essentieel om
            Europees gezien competitiever te worden.
  •         Voor sectoren die op beiden fronten zwak zijn geldt dat EU beleid weinig
            kansen biedt om de EU top te bereiken. Geef geen prioriteit aan versterking
            van deze sectoren op nationaal niveau. Het absorptievermogen van de
            Nederlandse kennisbasis en innovatieve bedrijvigheid moet echter wel op peil
            blijven. Innovaties komen veelal uit onverwachte hoek en bij gunstige wind
            kunnen deze sectoren verder uitgroeien.
  5. Werk de uitgangspunten van het strategisch plan per beleidslijn uit
      en voer ze consequent door
  De hier voorgestelde strategische aanpak heeft gevolgen voor het Nederlandse
  beleid en voor de Nederlandse opstelling in Europa. Belangrijk is om de gekozen
  aanpak consequent uit te voeren in het Nederlandse en Europese beleid en om dit
  per beleidslijn te doen. Hieronder staan de belangrijkste uitgangspunten van de
  strategische aanpak voor verschillende beleidslijnen:
  •         Benut de kansen van een vrije markt van onderzoekers maar bescherm ken-
            nis waar nodig goed. Creëer een aantrekkelijk en toegankelijk klimaat voor
            kenniswerkers uit binnen- en buitenland.
  •         Wees pragmatisch bij deelname in grote infrastructuur projecten.
  •         Gebruik de Structuurfondsen voor smart specialisation. Schuif daarbij
            de toonaangevende Nederlandse innovatieve regio’s en innovatieclusters in
            het EU beleid naar voren.
  •         Maak NWO en de European Research Council (ERC) complementair.
            Voorkom daarmee dubbeling van procedures.
  •         Waarborg de mogelijkheden voor co-financiering van Europese programma’s.
            Ontwikkel een co-financieringsfonds om (bedrijfs)deelname aan Europese
            programma’s in de toekomst te garanderen en te stimuleren.
  •         Zorg voor maatwerk bij overheidsaanbestedingen en benut zo beter
            de dynamiek van een sector.
9 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>10 Scherp aan de wind!</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                           1
                                           Inleiding: ontwikkelingen in het
                                           Europese en Nederlandse beleid
                               Aanleiding en adviesvraag
                               Zeven jaar geleden adviseerde de AWT de Nederlandse regering strategisch te werk
                               te gaan in het Europese onderzoeksbeleid: overweeg zorgvuldig welk beleid het
                               best op Europees niveau gevoerd kan worden en welk beleid gebaat is bij een
                                                       1
                               nationale aanpak. De boodschap van dat advies heeft nog niet aan actualiteit inge-
                               boet. Vanaf de start van de Europese onderzoeksactiviteiten tot aan de dag van
Hoe moet Nederland omgaan      vandaag is er discussie over de rol van de EU en die van de lidstaten. Waarom, en
met Europees onderzoeks- en    met welk doel geeft de EU geld uit aan onderzoek? Hoe moet Nederland omgaan
             innovatiebeleid?  met Europees onderzoeks- en innovatiebeleid?
                               De vraag naar de koers die Nederland moet varen binnen de EU is opnieuw actueel.
                               De ministers van OCW en EL&I hebben de AWT gevraagd te adviseren over het
                               ‘Europees en Nederlands Onderzoeks- en Innovatiebeleid’. Belangrijkste aanleiding
                               hiervoor zijn de beleidsontwikkelingen aan Nederlandse en Europese kant. Deze
                               ontwikkelingen kunnen aanleiding zijn om het Nederlandse beleid te herijken om
                               de aansluiting bij Europees beleid te verbeteren. Daarnaast bieden de ontwikkelin-
                               gen in Europa ook de mogelijkheid de Nederlandse prioriteiten in Europa beter te
                               positioneren. Samenvattend zijn de twee hoofdvragen in de adviesvraag:
                               –         Welke trends en ontwikkelingen zijn zichtbaar in het Europees onderzoeks-
                                         en innovatiebeleid en wat zijn de gevolgen daarvan voor Nederland?
                               –         Hoe kan Nederland het beste inspelen op veranderde beleidscontext op
                                         Europees niveau en waarborgen dat Europese onderzoeksprioriteiten blijven
                                         aansluiten bij Nederlandse prioriteiten?
                               In Bijlage 1 is de volledige tekst van de adviesvraag terug te vinden. De raad heeft
                               de adviesvraag als volgt geïnterpreteerd. Ten eerste kijkt de raad naar hoe er moet
                               worden ingespeeld op de kansen en bedreigingen van het Europese onderzoeks- en
                               innovatiebeleid zoals vastgelegd in de Europe 2020 strategie en de Innovation
                               Union. Ten tweede kijkt de raad naar het Nederlandse beleid en hoe Europees
                               beleid kan bijdragen aan het verwezenlijken van de Nederlandse doelstellingen.
                               Belangrijke vraag hierbij is wat Nederland wil van het Europese beleid en hoe de
                               doelstellingen het beste bereikt kunnen worden.
                               Terugblik: de Amerikaanse en Chinese uitdaging
                               Het Europese onderzoeksbeleid is de laatste twintig jaar geleidelijk meer compleet
 Een kort historisch overzicht geworden. De Europese Unie is vanaf de jaren ’60 gebouwd rondom vrij verkeer
                               van goederen en van de productiefactoren arbeid en kapitaal. Kennis en onderzoek
                               speelden aanvankelijk geen rol van betekenis. Onderzoek en ontwikkeling (R&D)
                               1    Nederlands Kompas voor de Europese onderzoeksruimte, AWT-advies 57 (2004)
                            11 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                               was een instrument van lidstaten om industriepolitiek te bedrijven, zeker toen
                               directe staatssteun meer en meer verboden werd. Pas eind jaren ’80 kregen de
                               Europese onderzoeksprogramma’s enige omvang. Achtergrond hierbij was de
     Gestart als reactie op de Amerikaanse uitdaging (le défi américain), dat wil zeggen de economische over-
      Amerikaanse uitdaging    macht van de Verenigde Staten die op zijn minst deels het gevolg was van een
                               krachtig en succesvol industriebeleid. Een Europees technologieprogramma zou er
                               toe bijdragen dat nieuwe techniek niet langer geïmporteerd hoefde worden, maar
                               in Europa zou worden uitgevonden. De nationale industriepolitiek van de lidstaten
                               moest daarbij vervangen worden door Europees beleid om zo gezamenlijk het
                               hoofd te bieden aan de Amerikaanse uitdaging.
                               Dat werd in de jaren ’90 geen groot succes, in de ogen van velen werd het geld te
                               gemakkelijk aan bedrijven gegeven. De kritiek op de Europese onderzoeksprogram-
                               ma’s was echter ook meer principieel. Kennis is niet Europees, Amerikaans, Frans of
                               Duits, maar mondiaal, en de noodzaak te investeren in Europese kennis was daarom
                               niet duidelijk.
                               Twee wijzigingen waren rond de eeuwwisseling van belang. Allereerst een ferme
                               aanscherping van controleprocedures om fraude tegen te gaan. En ten tweede een
                               eerlijkere verdeling van middelen tussen lidstaten. Impliciet mocht onderzoeksgeld
                               niet alleen de rijkere lidstaten ten goede komen maar moest ook voor de armere
                               lidstaten gereserveerd worden.
                               Het kaderprogramma voor onderzoek werd echter al snel als te bureaucratisch erva-
                               ren. En daarbij bleek ook dat de Amerikaanse uitdaging springlevend bleef. Europa
                               kon in de internationale concurrentie slecht meekomen.
                               Bij de vergadering van de Europese Raad in Lissabon in 2000 werd een nieuwe
In 2000 de Lissabonstrategie   ambitieuze strategie uitgezet: Europa moest in 2010 de meest competitieve econo-
                               mie zijn. Dit creëerde ‘momentum’ voor een ambitieuzer Europees onderzoeks-
                               en innovatiebeleid en voor een verdubbeling van het budget voor onderzoek. De
                               regeringsleiders erkenden dat Europa omgevormd moest worden tot een kennis-
                               economie: er waren meer en betere investeringen in nodig in kennis, educatie en
                               innovatie. Het meest concreet was de 3% doelstelling die werd gelanceerd in
                               Barcelona in 2002: elk EU land diende minimaal 3% van het Bruto Binnenlands
                               Product (BBP) te investeren in Research & Development (1% publiek, 2% privaat).
                               Parallel aan de interne markt kwam er een Europese onderzoeksruimte, de
                               European Research Area (ERA), waarbinnen onderzoekers en kennis vrij kunnen
                               circuleren en onderzoekscentra van excellente kwaliteit floreren. Eén van de
                               hoofddoelstellingen was een betere coördinatie van het nationale onderzoeksbeleid
                               van de lidstaten, zowel tussen elkaar als met Europese intergouvernementele
                               instituties als European Space Agency (ESA), Cern en Eureka. Het kaderprogramma
                               voor onderzoek en technologische ontwikkeling werd aangepast om deze
                               doelstellingen verder te faciliteren.
                            12 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                               Maar de discussie ging voort. Waarom is Europees onderzoeksbeleid nodig? Moet
                               Nederland niet op nationaal en Europees niveau inzetten op betere samenwerking
                               met de Verenigde Staten, Japan, Korea, India, China? Wat voegt samenwerking
                               binnen Europa toe? In 2004 adviseerde de raad de regering een eigen koers te
                                        2
                               varen. Voor het fundamenteel onderzoek waren naar het oordeel van de raad de
                               Europese onderzoeksprogramma’s bijzonder nuttig. De raad zag geen reden om
                               terughoudend te zijn. Het toegepast onderzoek zou echter ‘dichtbij huis, dus in
                               Nederland bevorderd moeten worden’. Wat betreft de Nederlandse maatschappe-
                               lijke uitdagingen adviseerde de raad de Nederlandse overheid om vooral zelf
                               verantwoordelijkheid te nemen. Voor uitdagingen op mondiale schaal (klimaat-
                               verandering) of Europese schaal zou coördinatie van onderzoek binnen de EU juist
                               veel voordelen bieden.
                               Van Lissabon naar Europe 2020
                               Intussen presteerde Nederland goed binnen de Europese onderzoeksprogramma’s,
                               dat wil zeggen Nederlandse onderzoekers haalden gezamenlijk relatief veel projec-
                               ten en geld binnen. Het Europese onderzoeksbeleid kreeg ook geleidelijk meer
                               profiel. De Lissabondoelstellingen werden echter door geen enkel land gehaald.
                               Beloften van de lidstaten, en het bijbehorende Europese coördinatiemechanisme
                               hielden geen stand. Ook Nederland heeft maar een beperkt aantal van de in
                                                                                                     3
                               Lissabon overeengekomen doelstellingen gehaald.
                               De Lissabondoelstellingen werden halverwege het eerste decennium herzien. Aan
        De Chinese uitdaging   de Amerikaanse uitdaging werd een Chinese toegevoegd, de doelstellingen werden
                               vereenvoudigd, maar de focus op kennis en innovatie is gebleven. In de periode
                               2007-2008, toen de lidstaten opnieuw hun bijdrage aan de creatie van de ERA eva-
                               lueerden, werd duidelijk dat de 3% doelstelling nooit zou worden gehaald (1,82%
                               in 2000 tegen 1,9% in 2010). Ongeveer 11 miljard Euro per jaar, 15% van de totale
                               publieke bestedingen aan onderzoek van de lidstaten, werd ingezet via Europese
                               coördinatie, een bedrag dat stabiel bleef over de jaren. Om de ambitie verder kracht
                               bij te zetten werd in 2008 de European Research Area Vision for 2020 gelanceerd.
                               De ERA moet hét instrument zijn om Europa om te vormen tot een kennissamenle-
                               ving. Met de ratificering van het Verdrag van Lissabon door de lidstaten in 2009
                               werd de weg geopend om ook via wettelijke maatregelen de ERA te vervolmaken.
                               De Commissie werkt daarom nu aan een Research Area Framework waar wettelijke
                               en niet-wettelijke maatregelen samenkomen. Dit moet de opmaat zijn naar een per-
                               fecte ERA in 2014.
rope 2020: kennis en innovatie De Lissabonstrategie is inmiddels in 2010 vervangen door een nieuwe strategische
                staan centraal visie: Europe 2020. Hierin staan kennis en innovatie meer dan ooit centraal. Niet
                               2    Nederlands Kompas voor de Europese onderzoeksruimte, AWT-advies 57 (2004)
                               3    Lissabon strategie voorduurzame economische groei en werkgelegenheid in Europa, Algemene rekenkamer 2009
                           13  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                               alleen om concurrentiekracht te versterken, maar ook om bij te dragen aan de
                                                                                                            4
                               oplossing van grote maatschappelijke vraagstukken. De Europese Commissie
                               plaatst onderzoek en innovatie in het hart van het Europese beleid, als een van de
                                                                                                                           5
                               belangrijkste ‘vlaggenschepen’ van Europe 2020: het Innovation Union Flagship.
                               De discussie over de uitwerking van de nieuwe Europese ambities vindt echter
                               plaats onder een gesternte waar vrijwel alle lidstaten, ook Nederland, zwaar te
                               lijden hebben onder de economische crisis en er veel druk bestaat om minder geld
                               aan de EU af te staan. Met het nieuwe regeerakkoord zet ook Nederland in op een
                               kleinere EU begroting. De vraag is daarom of de Europese ambitie om onderzoek en
                               innovatie als motor van de Europese kenniseconomie te gebruiken, financieel waar
                               te maken is. Een reden te meer om de eerdere AWT boodschap ‘ga strategisch te
                               werk’ serieus te nemen en de koers nogmaals te bezien. Intussen heeft ook in
                               Nederland het onderzoeks- en innovatiebeleid een nieuwe dynamiek.
                               Nederlands topsectorenbeleid
                               De Nederlandse overheid voert zowel een generiek als een specifiek onderzoeks- en
                               innovatiebeleid uit. Vooral in het specifieke beleid zijn er belangrijke verschuivingen
                               zichtbaar met het aantreden van het nieuwe kabinet Rutte-Verhagen in 2010.
                               De versterking van het concurrentievermogen van de Nederlandse economie is één
                               van de speerpunten. Daartoe heeft het een negental economische topgebieden
                                              6
ederlandse regering kiest voor benoemd: Water, Voedsel, Tuinbouw, High tech, Life sciences, Chemie, Energie,
         negen topsectoren...  Logistiek en Creatieve industrie. In grote lijnen volgt het kabinet hier de keuzes die
                               gemaakt zijn door het Innovatieplatform met de sleutelgebieden aanpak. Het inzet-
                               ten op de eigen nationale sterktes door het combineren van excellente wetenschap
                               met innovatief vermogen moet de Nederlandse internationale marktpositie verbete-
                               ren. In de bedrijfslevenbrief van het ministerie van EL&I wordt het beleid rondom
                                                                                   7
                               deze topsectoren verder toegelicht. Voor de negen topsectoren zal een samenhan-
                               gende beleidsagenda ontwikkeld worden over de volle breedte van het overheidsbe-
                               leid: van buitenlandbeleid tot onderwijsbeleid, van regeldruk tot onderzoeksbeleid
                               en van ontwikkelingssamenwerking tot infrastructuur en ICT. Kernpunten van het
                               beleid zijn meer vraagsturing door het bedrijfsleven, minder specifieke subsidies,
                               meer generieke lastenverlichting en meer ruimte voor ondernemers. Ook het
waarin Europa een belangrijke  Europees beleid neemt een belangrijke positie in. Uit het Europese kaderprogramma
              positie inneemt  moeten extra middelen komen om in de topsectoren te investeren. Een groot deel
                               van de maatregelen die het kabinet voorstaat, zal een belangrijke Europese dimen-
                               sie hebben. Het terugbrengen van de regeldruk is een voorbeeld waarbij Europa
                               belangrijk is. Nederland wil zo effectief mogelijk gebruik maken van Europees beleid
                               om Nederland daarmee sterker te maken. Maar Nederland heeft naar de mening
                               4    Europe 2020: a European Strategy for smart, sustainable and inclusive growth, EC 2010.
                               5    Europe 2020 Flagship Initiative Innovation Union, EC 2010
                               6    Vrijheid en verantwoordelijkheid, Regeerakkoord CDA-VVD 2010
                               7    Naar de top: hoofdlijnen van het nieuwe bedrijfslevenbeleid, EL&I 2011
                            14 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>   van de raad ook alle belang bij het sterker maken van Europa in de mondiale
   competitie.
   Opbouw van het advies
   Dit advies is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 gaat de raad dieper in op de uit-
   dagingen waar het Europese (en Nederlandse) beleid voor staat en hoe deze wor-
   den aangepakt. Daarna bespreekt de raad in hoofdstuk 3 de belangrijkste
   overwegingen om te bepalen hoe Nederland met Europees beleid om moet gaan,
   waarna deze overwegingen in hoofdstuk 4 worden gebruikt om de kansen en
   bedreigingen van Europees beleid in kaart te brengen. Deze kansen en bedreigingen
   worden hierbij gewogen in (delen van) de drie topsectoren High tech, Life sciences
   en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen. Hoofdstuk 5 beschrijft de conclusies en aan-
   bevelingen.
15 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>16 Scherp aan de wind!</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                             2
                                             Zeven uitdagingen van het Europese
                                             beleid
    Zeven uitdagingen van het   Europa staat voor een aantal grote uitdagingen als het gaat om onderzoek en inno-
               Europese beleid  vatie. Sommige zijn intrinsiek van aard en hebben betrekking op de kennisdriehoek
                                van onderwijs, onderzoek en innovatie en hun onderlinge samenhang. Denk hierbij
                                aan zaken als behoud van de sterke kennisbasis en perfectionering van de Europese
                                innovatiemarkt. Andere uitdagingen hebben te maken met externe (wereldwijde)
                                ontwikkelingen die de prestaties en focus in onderzoek en innovatie beïnvloeden.
                                Een overzicht van zeven uitdagingen.
                                1.           De economische crisis
                                De crisis heeft de verhoudingen over de gehele wereld sterk onder druk gezet.
                                Vooral in de westerse wereld, en dan met name in Europa en de Verenigde Staten is
                                een sterke teruggang in het BBP te zien. Dit geldt echter niet of in veel mindere
                                mate voor opkomende economieën als China en India. Deze landen lijken vrijwel
                                geen gevolgen te ondervinden van de crisis. De toekomstvoorspellingen zijn somber
                                voor Europa; waar andere landen er de komende jaren weer snel bovenop lijken te
                                                                                                                   8
                                komen verloopt dit proces voor Europa veel minder snel. Dit heeft zijn weerslag op
De economische crisis drukt de  de prestaties van Europa op het gebied van onderzoek en innovatie, terwijl deze
            Europese prestaties afnemende prestaties het herstel ook weer verder dreigen te vertragen. De positie
                                van Europa in de wereld wordt minder sterk en de EU wil met de Europe 2020
                                strategie deze neerwaartse spiraal keren.
                                Waar de verschillen tussen de individuele Europese lidstaten tot 2008 kleiner wer-
                                den, wijst een eerste onderzoek uit dat dit proces van convergentie als gevolg van
                                                                                                             9
                                de crisis gestopt is en wordt omgezet in divergentie; de verschillen tussen landen
                                worden groter. Daarbij vallen de hardste klappen in landen waar de innovatie-
                                prestaties toch al minder waren.
                                Een van de oorzaken van de neerwaartse spiraal in Europa is de teruggang in de
  Private investeringen blijven beschikbare private financiering voor onderzoek en innovatie. Europees onderzoek
                        achter  toont aan dat 23% van de innovatieve bedrijven de uitgaven aan R&D en innovatie
                                hebben teruggebracht als gevolg van de crisis. Voor Nederland is dit 13% in de
                                periode tussen 2008 en 2009. In elk EU land verwachten bedrijven dat de uitgaven
                                eerder verder zullen dalen dan dat ze zullen toenemen in de komende jaren. Private
                                investeringen blijven dus onder druk staan.
                                8    www.oecd.nl
                                9    Is the economic crisis impairing convergence in innovation performance across Europe?, Archibug, Filipetti 2011
                             17 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                             Voor wat betreft de publieke middelen voor onderzoek en innovatie constateerde
                             de raad al eerder dat deze in Nederland sterk onder druk staan en dat er per saldo
                             een afname is van de publieke middelen voor onderzoek en innovatie als gevolg
                                                                                              10
                             van de uitwerking van het regeerakkoord.                             Daarbij moet worden geconstateerd dat
                             Nederland als één van de weinige Europese landen niet extra investeert om uit de
                                                      11
                             crisis te geraken.           In vergelijking met andere Europese landen (zoals Duitsland,
                             Frankrijk) staan de Nederlandse publieke investeringen dus extra onder druk.
                             2.            Globalisering
                             R&D en innovatie is beperkt tot een aantal zwaartepunten in de wereld
                             Er is nog steeds sprake van een onevenredige verdeling van onderzoeks- en innova-
                             tie- gerelateerde activiteiten over de wereld. Investeringen zijn beperkt tot een rela-
 Wereldwijde toename van     tief klein aantal ‘hotspots’, en het aantal van deze hotspots neemt toe. Met name
        innovatie ‘hotspots’ in landen buiten de EU, vooral in de ‘BRIC’ landen, is er de laatste jaren een toena-
                             me van onderzoeks- en innovatie activiteiten in een aantal prominente hotspots.
                             Voorbeeld is Bangalore in India, dat wel het Silicon Valley van India wordt genoemd.
                             Gevolg is dat in de EU de investeringen in R&D door het bedrijfsleven veel lager
                             liggen dan in de landen waar deze hotspots te vinden zijn. De EU wil in de
                             toekomst ook duidelijke Europese hotspots creëren die voldoende aantrekkelijk
                             zijn om private partijen aan te trekken.
                             Toename van clustering R&D en innovatie activiteiten
                             In Europa en de rest van de wereld worden publieke en private partners in toene-
                             mende mate bij elkaar gebracht in fysieke clusters. In Europa is 38% van de werk-
                             nemers werkzaam in bedrijven actief in clusters, Europa loopt daarbij achter in
                             vergelijking met de Verenigde Staten. Ook in Nederland zien we in toenemende
                                                                                12
                             mate regionale clusters ontstaan.                      Een Europese analyse laat bijvoorbeeld zien dat
                                                                                                              13
                             Zuid-Nederland in Europa leidend is in de High tech.                                 Onlangs werd de regio rond-
                             om Eindhoven door een Amerikaanse denktank zelfs uitgeroepen tot slimste regio
                             van de wereld. Een positie die eerder door New York, Seoul en Tokyo is ingenomen.
                             Clusters hebben een grote invloed op de omgeving en hebben een belangrijke
                             functie bij de implementatie van publiek beleid. In Europa zegt 85% van de bedrij-
Meer clustering van R&D en   ven die in clusters zijn betrokken dat hun competitiviteit is toegenomen als gevolg
      innovatie activiteiten van clustering. Daarbij is er ook een duidelijk positief verband tussen het aantal
                             sterke clusters in een land en de hoogte van het BBP. Vandaar ook dat de Europese
                             10   Briefadvies van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid naar aanleiding van het regeerakkoord,
                                  AWT 2010
                             11   Crisis als kans, AWT 2010
                             12   The concept of clusters and cluster policies and their role for competitiveness and innovation, Europe Innova/Pro Inno 2008
                             13   Exploring regional structural and S&T specialisation: implications for policy, EC 2009
                          18 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                               Commissie zich meer wil gaan richten op fysieke clustering van onderzoeks- en
                               innovatieactiviteiten via smart specialisation beleid en het European Institute for
                               Innovation and Technology (EIT).
                               3.          Nieuwe vormen van innovatie
                               Nadruk op open innovatie
                               Het karakter van onderzoek en innovatie verandert de laatste decennia14. De be-
                               langrijkste drijfveer is daarbij het belang van snelheid in innovatie. Snellere en
                               efficiëntere vormen van innovatie zijn nodig om de mondiale concurrentie aan te
te nadruk op open innovatie... kunnen. Open innovatie wordt hierbij steeds meer de standaard. Bij open innovatie
                               komen innovatieprocessen in het bedrijfsleven tot stand door samenwerking van
                               verschillende partijen en door betrokkenheid van gebruikers. Door over de grenzen
                               van het eigen bedrijf heen te kijken krijgen bedrijven eerder en beter zicht op
                               innovatieve ideeën, kennis en technologieën dan wanneer zij alleen op de eigen
                               bronnen vertrouwen. R&D-investeringen worden hiermee efficiënter en effectiever
                               ingezet. Dit proces was al langere tijd gaande, maar door de economische crisis
                               wordt open innovatie nog belangrijker. Er is minder geld beschikbaar en in
                               het bedrijfsleven worden R&D-portfolio’s doorgelicht met het oog op efficiency.
                               Er worden onderzoeksafdelingen gesloten, samengevoegd of onderzoek wordt
                               uitbesteed.
                               De farmasector is hier een voorbeeld van. Daar is al langere tijd een consolidatieslag
                               gaande waarbij het leeglopen van de pijplijn voor nieuwe geneesmiddelen een
                               belangrijke oorzaak is. De crisis heeft extra druk gelegd op het doorlichten van de
                               R&D-portfolio’s. Bij Sanofi-Adventis bijvoorbeeld, een belangrijke speler in het mon-
                               diale farmaveld, heeft dit geleid tot drastische maatregelen. De portfolio wordt
                               meer gericht op de wensen van de maatschappij en er wordt meer geïnvesteerd in
                               partnerschappen met kennisinstellingen en andere bedrijven op een internationale
                                         15
                               schaal.       In Nederland heeft het doorlichten van de onderzoeksportfolio’s van MSD
                               en Solvay geleid tot (gedeeltelijke) sluiting van de Nederlandse onderzoeksafdelin-
                               gen van deze bedrijven.
                               Nationaal is TNO een voorbeeld van meer focus op internationalisering en open
                               innovatie. In de nieuwe strategie heeft TNO aangegeven in de toekomst meer in te
                               gaan zetten op open innovatie via Europese programma’s en instituties, zoals het
                                    16
                               EIT.     TNO voert voor Nederland de lijst aan in KP7 als het gaat om de meeste
                               gesloten contracten.
                               14   Zie ook: Opening van zaken. Beleid voor open innovatie, AWT-advies 68 (2006)
                               15   Zie: www.geneesmiddelendebat.nl/nieuws/nieuwsarchief/editie_25_economische_ontwikkelingen/
                               16   Innoveren met Impact, TNO strategisch plan 2011-2014
                          19   Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                Toenemend belang van niet-R&D georiënteerde innovatie
                                Een recent OECD rapport beschrijft het veranderende karakter van innovatie en de
                                toenemende nadruk op niet-technologische en niet-R&D gebaseerde vormen van
                                              17
.en een toenemende aandacht     innovatie.        Nederlands onderzoek wijst daarbij uit dat het succes van innovatie
r niet-R&D gedreven innovatie   slechts voor 25% bepaald wordt door R&D-investeringen en voor 75% door facto-
                                                                                              18
                                ren op het gebied van mens en organisatie.                        Bedrijven zouden meer moeten inzet-
                                ten op organisatie- en managementvernieuwing door te investeren in vernieuwend
                                leiderschap, plattere organisatievormen en slimmer werken om innovatief te blijven.
                                Door in te zetten op sociale innovatie zouden bedrijven het rendement van hun
                                investeringen in technologie te vergroten en hun bedrijfsresultaten te verbeteren.
                                Zo lag in dit onderzoek bij bedrijven met investeringen in slimmer werken de groei
                                van het bedrijfsresultaat gemiddeld 16 procentpunt hoger dan bij bedrijven zonder
                                dergelijke investeringen. Ook het belang van kennis over wat gebruikers en consu-
                                menten willen neemt toe. Bij deze vormen van gebruikersgedreven innovatie wor-
                                den methoden en vaardigheden vanuit de sociale wetenschappen toegepast.
                                Technologische innovatie en gebruikersgedreven innovatie gaan steeds meer hand
                                in hand. De Europese Commissie becijferde dat de link van innovatieve bedrijven
                                met de gebruikers van hun producten en diensten weliswaar toeneemt, maar op dit
                                moment nog onvoldoende is ontwikkeld in Europa. Ook in Nederland is dit een
                                punt van zorg. Met name in de ICT sector wordt dit gezien als een belangrijk aspect
                                van innovatie. Uit deze sector komen dan ook verschillende voorstellen om dit te
                                stimuleren. Voorbeeld is het ontwikkelen van living lab projecten waarbij bedrijven
                                en gebruikersgroepen vroegtijdig bij elkaar worden gebracht. MultimediaN is een
                                voorbeeld van een programma waarbij op maat gesneden ICT behoeftes worden
                                                                                                 19
                                ontwikkeld in overleg met gebruikersgroepen.                        De Innovation Union legt extra
                                nadruk op het stimuleren van deze vormen van niet-R&D gedreven innovatie, onder
                                andere door netwerkvorming en het uitwisselen van best practices.
                                4.           Menselijk kapitaal
                                Onderinvesteringen in het hoger onderwijs
                                Onderzoekers zijn het fundament van de kenniseconomie. De kennisbasis die zij
                                neerleggen is de bodem waarop Europa en Nederland groeien. Hoewel het aantal
                                onderzoekers in Europa sinds 2000 groeit, loopt de EU achter ten opzichte van de
                                Verenigde Staten en Japan als het gaat om het aandeel onderzoekers als deel van
                                het aantal werkenden. In 2008 was dit in Europa 6,3 per 1000, in de Verenigde
                                Staten was dit 9,4 per 1000 (2006) en in Japan 10,7 per 1000 (in 2006). Als Europa
 Europa investeert te weinig in het streven van 3% van het BBP in R&D in 2020 wil halen, zullen er 1 miljoen
             hoger onderwijs…   onderzoekers bij moeten komen. Deze ambitie is in de Innovation Union neerge-
                                17   OECD, New Nature of Innovation, 2010
                                18   Eindrapport Erasmus Concurrentie en Innovatie Monitor 2008-2009
                                19   http://www.multimedian.nl/nl/home.php
                            20  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                               legd. De investeringen in het hoger onderwijs zullen hiertoe fors moeten stijgen.
                               Ook in Nederland is een tekort aan onderzoekers. Verschillende gremia hebben hier
                                                                         20,21
                               al herhaaldelijk op gewezen.                      Als Nederland mee wil met de Europese ambitie
                               van 3% BBP aan R&D, dan moet in 2020 het aantal onderzoekers zijn verdubbeld
                               naar 100.000.
                               Vaardigheden onvoldoende toekomstgericht
                               Als de kennissamenleving in de EU tot wasdom komt stijgt het percentage banen
                                                                                            22
                               voor hoog opgeleiden van 25 naar 31%.                            Naast het opleiden van voldoende men-
                               sen om aan de toekomstige behoefte te voldoen zijn toekomstgerichte vaardighe-
 de geleerde vaardigheden zijn den een tweede grote uitdaging. De benodigde vaardigheden (skills) van de hoger
 onvoldoende toekomstgericht   opgeleiden veranderen. Soft skills, zoals probleemoplossend en analytisch vermo-
                               gen, communicatievaardigheden en zelfmanagement worden steeds belangrijker.
                               Om dit aan te pakken lanceerde de Europese Commissie in 2008 het New Skills for
                               New Jobs initiatief dat de mismatch in vaardigheden in de toekomst moet aanpak-
                               ken. De urgentie is zelfs zo groot dat een groot aantal leiders vanuit het bedrijfsle-
                                                                                                                        23
                               ven heeft voorgesteld een European Skills Pact op te stellen,                                om daarmee Europa
                               beter toe te rusten voor modern zakendoen.
                               In Nederland loopt de discussie over vaardigheden parallel met de discussie over de
                               hervorming van het hoger onderwijsstelsel als gevolg van het rapport van de commis-
                                                  24
                               sie Veerman.           Ook de Nederlandse regering heeft onderkend dat Nederland onvol-
                               doende is voorbereid op de vaardigheden van de toekomst. Implementatie van het
                               Veerman rapport , zoals aangekondigd in het nieuwe regeerakkoord, moet dit pro-
                               bleem aanpakken. Inmiddels is recentelijk vanuit OCW de strategische agenda voor
                               hoger onderwijs, onderzoek en wetenschap ‘Kwaliteit in verscheidenheid’ verschenen.
                               Geringe mobiliteit
                               De mobiliteit van onderzoekers is een belangrijk aandachtspunt op Europees niveau.
                               Het vrije verkeer van onderzoekers tussen EU lidstaten is onderdeel van de introduc-
                               tie van de ‘vijfde vrijheid’. Naast het vrij uitwisselen van personen, kapitaal, services
                               en goederen is kennis toegevoegd als vijfde pilaar. Hiermee moet de Europese
                               kenniseconomie gestalte krijgen. De lidstaten zijn gevraagd de barrières weg te
                               nemen die de implementatie van de vijfde vrijheid verhinderen. Pensioenbreuken en
                               het verschil in de sociale zekerheid tussen lidstaten, bijvoorbeeld, belemmeren de
                               mobiliteit van onderzoekers.
                               Ook loopt de EU achter bij het aantrekken van hooggekwalificeerd buitenlands
                               personeel ten opzichte van de rest van de geïndustrialiseerde wereld. Wereldwijd is
                               er een war on talent gaande. De EU telt momenteel niet meer dan 1,7%
                               20   Balanceren met Beleid, AWT-advies 71 (2007)
                               21   Nederland 2020: terug in de top 5, Innovatieplatform 2010
                               22   New Skills for New jobs, EC 2008
                               23   Who cares, who dares? – providing the skills for an innovative and sustainable Europe, ESB, 2009
                               24   Differentiëren in drievoud, Adviescommissie Toekomstbestendig Hoger Onderwijs Stelsel, 2010
                           21  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                                 buitenlands toptalent. In landen als Australië is dat bijna 10%, 5,3% in Zwitserland
 mobiliteit van onderzoekers is  en 3,2% in de Verenigde Staten. Europa zet in op het vergroten van de mobiliteit
                      te gering  en het aantrekken van onderzoekers van buiten Europa via programma’s zoals Marie
                                 Curie Actions, COST actions en de ERC.
                                 In de OCW internationaliseringsagenda ‘Grenzeloos Goed’ wordt expliciet aangege-
                                 ven dat ook Nederland meer internationaal onderzoekstalent moet aantrekken om
                                 competitief te blijven. Ook het Innovatieplatform gaf dit aan in het ‘1000 PhD’
                                 project. Het aantal hoogopgeleide buitenlanders werkzaam in de wetenschap en
                                 technologie in Europa en Nederland is weergegeven in Figuur 1. Ongeveer 3,4%
                                 van de werknemers in wetenschap en technologie in Nederland is afkomstig uit het
                                 buitenland. Nederland loopt daarmee achter bij andere belangrijke EU landen. Data
                                 van de OECD laten verder zien dat bijna de helft van het aantal buitenlandse ken-
                                 niswerkers in Nederland uit Europa, vooral Duitsland, Verenigd Koninkrijk en België,
                                         25
                                 komt.        Verder valt op dat slechts 29% van de kenniswerkers de intentie heeft
                                                                           26
                                 langer dan 5 jaar te blijven.
                                Figuur 1: Percentage werknemers in de wetenschap en technologie uit EU en niet-EU landen (als percentage
                                van het totaal aantal werknemers in wetenschap en technologie).27
                                 5.           Kennisbasis en valorisatie
                                 Onderinvesteringen in infrastructuur en opkomende technologieën
                                 Infrastructuur werkt als een magneet op de omgeving. Voorbeeld op Europees
                                 niveau is Cern. Dit instituut trekt onderzoekers aan van over de gehele wereld. Niet
                                 op elk terrein heeft Europa een vergelijkbare wereldklasse infrastructuur als het
                                 Cern. Vooral voor nieuwe, opkomende technologieën is de infrastructuur vaak nog
                                 beperkt ontwikkeld. Probleem hierbij is dat de kosten van het opzetten en onder-
                                 houden van infrastructuur voor nieuwe technologieën vaak zo hoog zijn dat ze voor
                                 25    Education in a glance 2009, OECD, 2009
                                 26    De internationale mobiliteit van kenniswerkers in het hoger onderwijs, Nuffic, 2005
                                 27    How mobile are highly qualified human resources in science and technology? Eurostat 2007
                             22  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                               individuele lidstaten niet zijn op te brengen. Daarbij heeft de crisis ook nog eens
                               extra druk op de budgetten gelegd.
Grootschalige investeringen in Wil Europa voldoende op de toekomst zijn voorbereid, dan zijn grootschalige
     infrastructuur zijn nodig investeringen in infrastructuur noodzakelijk. Het European Strategy Forum for
                               Research Infrastructures (ESFRI) heeft deze uitdaging opgepakt. In 2008 werd een
                               lijst gepubliceerd van 44 nieuwe infrastructuren die de komende tien jaar zouden
                               moeten worden gerealiseerd. De totale kosten voor de constructie van al deze infra-
                               structuren bedraagt meer dan 20 miljard euro. De implementatie van de ESFRI
                               agenda is een van de centrale doelstellingen in het toekomstige Europese onder-
                               zoeks- en innovatiebeleid.
                               Ook Nederland heeft met de Nationale Commissie Roadmap Grootschalige
                               Onderzoeksfaciliteiten (de commissie Van Velzen) een lijst gemaakt van voor
                               Nederland belangrijke faciliteiten. Met de implementatie van deze agenda is
                               inmiddels een start gemaakt, een aantal van de infrastructuurprojecten zijn gefinan-
                               cierd en opgestart.
                               Kennisvalorisatie nog onvoldoende ontwikkeld
                               Europa heeft de laatste jaren vooral gebouwd aan een sterke kennisbasis waarbij
                               Europese bedrijven en kennisinstellingen elkaar gemakkelijk kunnen vinden. Maar
      Kennisvalorisatie is nog Europa loopt nog steeds achter bij de Verenigde Staten gemeten in meest geciteer-
                                                                                                                        28
     onvoldoende ontwikkeld    de publicaties, internationale co-publicaties en publiek-private co-publicaties.
                               Netwerkvorming alleen is dus niet voldoende om de Verenigde Staten in te halen.
                               Nederland is binnen Europa één van de landen met de grootste wetenschappelijke
                                                                                 29
                               output en de hoogste citatiescores.                  Maar ook Nederland kent een kennisparadox;
                               het gebruik van deze excellente kennis blijft achter. Hiervoor is de laatste jaren wel
                               veel aandacht. De Nederlandse valorisatie infrastructuur professionaliseert en de
                               meeste kennisinstellingen hebben tegenwoordig aandacht voor valorisatie, tech
                               transfer offices verschijnen overal. Niettemin blijft het aantal aangevraagde paten-
                               ten door Nederlandse universiteiten en onderzoeksinstituten patenten gelijke tred
                               houden met andere kleinere Europese landen. Grotere landen liggen hier nog dui-
                               delijk voorop. Bovendien ligt Nederland achter in Europa als het gaat om de hoe-
                               veelheid start-ups. Valorisatie krijgt in de Innovation Union nog meer aandacht en
                               komt meer dan voorheen terug in de centrale doelstellingen van toekomstig
                               Europees beleid. In de ogen van de EU moet Europa nu echt de slag van kennispro-
                               ductie naar kennisbenutting gaan maken.
                               28    Innovation Union, EC 2010
                               29    Wetenschaps- en technologie indicatoren 2010, NOWT
                            23 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                                 6.          Industriële R&D en innovatie
                                 Private investeringen blijven achter
                                 Op Europees niveau, maar ook in Nederland, blijven de investeringen in R&D uit de
  Private investeringen in R&D   private sector sterk achter in vergelijking met de Verenigde Staten. Eén van de oor-
                  blijven achter zaken hiervan is dat sectoren met een hoge R&D intensiteit in Europa kleiner zijn in
                                 vergelijking met de Verenigde Staten. Ook hebben deze sectoren in Europa meer
                                 MKB dan grotere bedrijven. Gemiddeld zijn ze daarom 20% minder R&D intensief
                                 dan in de Verenigde Staten. Een ander punt van zorg is dat er op Europees niveau
                                 weinig snelgroeiende innovatieve bedrijven zijn en dat de meeste bedrijven medi-
                                 um/low tech zijn. Ook zijn in Nederland de belangrijkste economische sectoren
                                 minder R&D intensief. Voorbeeld is de dienstensector, een Nederlandse sterkte,
                                 die meer dan 70% van de economie vertegenwoordigt.
                                 Nederland heeft de laatste jaren geïnvesteerd in publiek-private samenwerking om
                                 daarmee (onder andere) private uitgaven in het Nederlandse kennissysteem te sti-
                                 muleren. Dit heeft echter niet geleid tot een significante toename van private R&D
                                 investeringen in Nederland. Vanaf het jaar 2000 is het percentage private R&D
                                 investeringen als percentage van het BBP zelfs gezakt van 1,07% naar 0,88% in
                                 2009. In de EU zijn deze percentages vrijwel stabiel: 1,21% in 2000 en 1,25% in
                                         30
                                 2009.       De verwachting is dat deze percentages in Europa -maar ook in Nederland-
                                                                                                 31
                                 verder zullen dalen als gevolg van de crisis.
                                 De EU heeft in de Innovation Union opnieuw het betrekken van het bedrijfsleven
                                 centraal gesteld in de doelstellingen. Het brengen van ideeën naar de markt moet
                                 gemakkelijker worden door het terugbrengen van de administratieve lastendruk,
                                 betere toegang tot financiering en betere business support services. De focus ligt
                                 met name op het MKB. Het MKB meer betrekken en laten profiteren van Europees
                                 beleid is de leidraad voor de toekomst.
                                 Geen EU patent
                                 De kosten voor het aanvragen van een patent in de Europese lidstaten is een dure
                                 en arbeidsintensieve bezigheid. Om deze intensieve procedure efficiënter te maken
Een EU-breed patent ontbreekt    wordt al lange tijd gesproken over het instellen van een EU-breed patent.
                                 De belangrijkste bottleneck is het taal probleem. Onlangs is er overeenstemming
                                 tussen twaalf lidstaten gekomen om voort te gaan in de ontwikkeling van een
                                 Europees patent in drie talen: Frans, Duits en Engels. Italië en Spanje sluiten zich
                                 hierbij niet aan.
                                 Nederland is altijd voorstander van de invoering van een Europees patent geweest.
                                 Europese patenten worden in toenemende mate niet geldig gemaakt in kleinere
                                 30   Data Eurostat
                                 31   The impact of the economic crisis on innovation, Pro Inno Europe 2009
                             24  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                              landen als Nederland. Bedrijven zijn hier daarom minder actief. Zo is slechts 24%
                              van alle patenten die in 2008 zijn toegekend in Europa in Nederland rechts-
                              geldig. Deze groep vertegenwoordigt wel 88% van alle patenten die in 2008 in
                              Nederland actief waren, Europese patenten zijn dus belangrijk voor Nederland.
                              Als door invoering van een Europees patent ook automatisch validatie in Nederland
                              wordt bewerkstelligd, biedt dit meer kansen voor het buitenlandse bedrijfsleven om
                              in Nederland actief te worden.
                              7.          Industriële innovatie, gebruikers en markten
                              Gelimiteerde toegang tot kapitaal
rtende bedrijven hebben maar  Voor de groei en doorgroei van startende bedrijven is kapitaal nodig. Met name het
 beperkt toegang tot kapitaal overbruggen van de ‘vallei des doods’ (valley of death) is een serieus probleem,
                              zowel in Europa als in Nederland. Voor deze fase is de behoefte aan kapitaal groot,
                              maar ook het risico voor financiers. Vooral bij jonge innovatieve ondernemingen.
                              Banken haken al snel af en ook durfinvesteerders (venture capitalists) zijn nog
                              terughoudend. In het AWT advies ‘Kapitale kansen: Slim geld voor ambitieuze
                              ondernemers’ wordt hier verder op ingegaan, ook op het Europese beleid voor de
                              kapitaalmarkt. De raad adviseert de overheid onder andere om meer gebruik te
                              maken van instrumenten die ingrijpen op het risico in de fase van de ‘vallei des
                              doods’ (zoals SEED faciliteiten, Innovatiekrediet, SBIR).
                              Te weinig innovatieve overheidsaanbestedingen
                              In Europa hebben maatregelen die innovatie stimuleren zich de laatste decennia
  Overheden maken te weinig   voornamelijk beperkt tot de aanbodkant van innovatie (supply side), met fiscale
      gebruik van innovatieve maatregelen, subsidiëring en support (zie Figuur 2). Vrij recent heeft de EU met het
                aanbesteding  Lead Market Initiative (LMI) oog gekregen voor vraagsturing van innovatie (demand
                              side) door onder andere overheidsaanbesteding (public procurement). In de
                              Verenigde Staten is deze vorm van stimuleren van innovatie al standaard via het
                              Small Business Innovation Research (SBIR) programma. Hierbij worden contracten
                              voor innovatieve producten of diensten vanuit de overheid aangeboden. Ook in
                              Nederland krijgt de vraagzijde van innovatie meer aandacht, Nederland experimen-
                              teert bijvoorbeeld sinds 2004 met SBIR regelingen.
                              In Europa wordt 17% van het BBP gegenereerd door overheidsaanbestedingen. Het
                              merendeel van de aanbestedingen is niet gericht op innovatie. De Europese
                              Commissie becijferde dat als slechts 0,5% op innovatie gericht zou zijn, dit de
                              Europese markt al 10 miljard euro kan opleveren. Centraal in de Innovation Union
                              staat daarom ook de nadruk op meer overheidsaanbestedingen van diensten en
                              producten met speciale aandacht voor innovatieve oplossingen.
                           25 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                                     Gebrek aan innovatie-vriendelijke regulering
Regelgeving is nog te vaak           Markten voor innovatieve goederen in Europa zijn vaak omgeven door regels die
   innovatie onvriendelijk           verandering in de weg staan. Hierdoor wordt innovatie belemmerd, bedrijven
                                     investeren niet snel in innovatie en er ontstaat risicomijdend gedrag. Markten zijn
                                     internationaal maar marktregels zijn grotendeels Europees bepaald. Te strikte
                                     Europese regelgeving maakt Europa bovendien onaantrekkelijk voor bedrijven om
                                     zich te vestigen; bedrijven vestigen zich op plaatsen waar de markten toegankelijk
                                     zijn en waar nieuwe innovatieve producten gemakkelijk op de markt kunnen wor-
                                     den gebracht.
                                     Voorbeeld zijn de Europese REACH-richtlijnen voor chemicaliën. Deze richtlijnen zijn
                                     bedoeld om innovatie te bevorderen. Gevaarlijke stoffen moeten vervangen worden
                                     door betere alternatieven. De regels voor markttoelating van nieuwe stoffen zijn
                                     echter zo strikt, dat bedrijven terughoudend zijn bij de introductie van nieuwe che-
                                     micaliën op de markt. Hierdoor wordt innovatie geremd. Innovatie- onvriendelijke
                                     regulering op Europees niveau zal worden aangepakt in het toekomstige beleid.
                                                       32
          Figuur 2. Taxonomie van het innovatiebeleid
                                     32   Effective innovation Policies for Europe, the missing demand side, L. Georghiou, 2006
                         26          Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                           3              Meer of minder Europa?
                              De uitdagingen voor het Nederlandse kennis- en innovatiebeleid zijn groot. De
                              Nederlandse prestaties en resultaten op het terrein van wetenschap en innovatie
                              maken in toenemende mate deel uit van een omvattend Europees beleid. Wat bete-
                              kent dit Europese beleid voor Nederland?
                              3.1         Europees onderzoeksbeleid is belangrijk voor Nederland
De EU stimuleert onderzoek en Een drietal communautaire instrumenten zijn voor Nederland van belang bij het sti-
 innovatie via communautaire  muleren van onderzoek en innovatie:
                 programma’s  –         KP7, budget ruim 53 miljard euro tot 2013;
                              –         Competitiveness and Innovation Framework programme (CIP), budget 3,6
                                        miljard euro tot 2013;
                              –         Structuurfondsen en cohesiefonds, 86 miljard euro tot 2013 (Innovatiedeel).
                              Deze instrumenten hebben allen een specifieke functie, hoewel er ook overlappen-
                              de doelstellingen zijn (zie Figuur 3). Het kaderprogramma concentreert zich op
                              excellentie (en pre-competitief) onderzoek. Het CIP is beperkt in omvang en gecon-
                              centreerd rond financiering, innovatie en validatie, terwijl de Structuurfondsen
                              praktische innovatie en clusters (infrastructuur, locale ontwikkelingen) stimuleren.
                              Naast communautaire instrumenten zijn ook intergouvernementele instrumenten als
                              EUREKA van belang geweest voor het stimuleren van onderzoek en met name inno-
                              vatie. Hieronder wordt op hoofdlijnen ingegaan op het belang van deze instrumen-
                              ten voor het Nederlandse veld.
                              Figuur 3: Samenhang tussen communautaire EU instrumenten voor onderzoek- en innovatie33
                              33   Eynergies between the EU 7th Research Framework Programme, the Competitiveness and Innovation Framework
                                   Programme and the Structural Funds, EP 2007
                           27 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                      Kaderprogramma
Het Kaderprogramma…   Hoofddoel van het kaderprogramma is om onderzoeksbeleid beter af te stemmen
                      op de economische en sociale ambities van de Europese Unie. Het is opgebouwd uit
                      vier subprogramma’s met aparte doelstellingen die samenwerking tussen industrie
                      en onderzoeksinstellingen, en tussen onderzoekers uit verschillende landen stimule-
                      ren en (gedeeltelijk) financieren. Het ERC is een onderdeel van het zevende kader-
                      programma en is gericht op fundamenteel onderzoek.
                      Nederlandse deelname in het grootste Europese onderzoeksprogramma is succes-
                                                                                                                                         34
                      vol gemeten in het aantal projecten waarin Nederlandse partners participeren.
                      De Nederlandse overheid heeft deelname van veldpartijen ook altijd gestimuleerd
                      en daartoe een professionele ondersteuningsstructuur opgezet. Dat heeft Nederland
                      financieel gezien geen windeieren gelegd; in KP6 is 6,6% van het totale budget
                      terecht gekomen bij Nederlandse organisaties, tegen een 4,4% Nederlandse
                      investering in deze fondsen. In de eerste drie jaar van KP7 werd ook 6,6% van het
                      totale budget naar Nederland gehaald, tegen een Nederlandse investering van 5%.
                      Nederland scoort daarmee in de top van landen die relatief de meeste financiële
                      ondersteuning uit dit programma halen. Naast Nederland halen kleinere ge-
                      avanceerde landen als België, Denemarken, Zweden en Finland ook meer uit het
                      kaderprogramma dan er wordt bijgedragen.
                      CIP
            …het CIP… Het Competitiveness and Innovation Programme (CIP) is een relatief nieuw EU
                      instrument met het midden- en kleinbedrijf (MKB) als belangrijkste focus. Het start-
                      te in 2007 en heeft een programma voor ondernemerschap & innovatie, één voor
                      ICT en één gericht op energie-efficiëntie. Doel is om de competitiviteit en innovati-
                      viteit van het Europese bedrijfsleven te vergroten, vooral voor het MKB. Het functio-
                      neert als aanjager en heeft daarvoor financiële en adviserende instrumenten tot
                      zijn beschikking. Het CIP is een relatief klein programma en uit de interim evaluatie
                      van het programma werd duidelijk dat er nog wel een aantal zaken verbeterd kan
                                  35
                      worden.         Onder andere de zichtbaarheid van het programma en de aansluiting
                      met Structuurfondsen (met deels overlappende doelstellingen) zijn nog onvoldoen-
                      de. Het heeft ook duidelijke successen geboekt, met name op het gebied van de
                      uitwisseling van kennis en best practices voor het MKB. In Nederland is de bekend-
                      heid van het programma relatief laag. Uit de inventarisatie van de deelnames in
                      2007 en 2008 van het EIP deel blijkt dat Nederlandse deelname grotendeels beperkt
                      is gebleven tot het eco-innovatie deel. In vergelijking met andere landen blijft
                      Nederlandse deelname behoorlijk achter.
                      34   Voor een uitgebreid overzicht van de effecten van het kaderprogramma voor kennisinstellingen en bedrijven zie: Impact
                           Europese kaderprogramma’s in Nederland, Technopolis 2009
                      35   Interim evaluation CIP, Technopolis 2010
                   28 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                           Structuurfondsen
  …en de Structuurfondsen  Via de Structuurfondsen investeert de EU in duizenden projecten in alle Europese
                           regio’s om haar belangrijkste opdracht uit te voeren: het bevorderen van economische
                           en sociale samenhang om de verschillen tussen lidstaten en regio’s kleiner te maken
                           (cohesiebeleid). De Structuurfondsen hebben een belangrijke rol in de regionale ont-
                           wikkeling. Ze bestaan uit twee fondsen: het European Regional Development Fund
                           (ERDF) en het European Social Fund (ESF). Nederland verkrijgt relatief weinig financiële
                           ondersteuning uit de Structuurfondsen (ten opzichte van andere lidstaten) en is daarin
                           vergelijkbaar met andere EU landen die het goed doen in het kaderprogramma zoals
                           Frankrijk, Duitsland en Engeland. Toch zijn de Structuurfondsen belangrijk geweest
                           voor Nederland en kunnen ze dat in de toekomst ook zijn.
                           Van de totaal verwachte 2 miljard euro investeert Nederland meer dan 800 miljoen
                                                                                                                36
                           euro uit de Structuurfondsen in onderzoek en innovatie in de periode tot 2013.
                           Het grootste deel van dit geld wordt gebruikt om regionaal innovatiebeleid te co-
                           financieren. In de periode 2007-2009 bijvoorbeeld, werd in Nederland 676 miljoen
                           voor regionale innovatieprojecten gealloceerd, waarvan 31% gefinancierd vanuit
                           ERDF, 48% vanuit de regio en 22% vanuit nationale bronnen. Voor de regio’s is het
                           daarom ook een significante bron van inkomsten voor innovatieprojecten. In de perio-
                           de 2000-2006 zou regionaal innovatiebeleid in Nederland waarschijnlijk niet hebben
                           overleefd zonder Structuurfondsen. De fondsen worden voornamelijk gebruikt om
                           toegepast onderzoek te stimuleren. Vooral het MKB is daarbij een belangrijke speler.
                           Intergouvernementele samenwerking: EUREKA
EUREKA als instrument voor Op intergouvernementeel gebied zijn er twee belangrijke langlopende initiatieven:
    intergouvernementele   COST en EUREKA. Ze concentreren zich op toepassingsgericht onderzoek via net-
             samenwerking  werkvorming tussen bedrijven, universiteiten en kennisinstellingen. COST wordt
                           voornamelijk gefinancierd via KP7. Het heeft een focus op het initiëren van net-
                           werkvorming en financiert zelf geen onderzoek. COST heeft een sterke werkrelatie
                           met EUREKA. Binnen EUREKA worden wel onderzoeksprojecten gefinancierd.
                           Projecten worden op nationaal niveau gefinancierd volgens nationale regelgeving,
                           de EU neemt hierin niet financieel deel. EUREKA richt zich voornamelijk op kleinere
                           projecten van kortere duur met een beperkt aantal deelnemers. Ook zijn er een
                           aantal grote clusterprogramma’s zoals ITEA en MEDEA. Grote (internationale) bedrij-
                           ven en MKB geven aan vaak meer aan dit soort intergouvernementele projecten te
                           hebben gehad dan aan communautaire Europese programma’s.
                           Waar de Europese communautaire programma’s moeite hebben om het bedrijfs-
                           leven te binden, neemt deelname van het bedrijfsleven – met name MKB – aan
                                                                             37
                           EUREKA de laatste jaren alleen maar toe.             Ook de EU heeft dit gezien en heeft
                           daarom het – op het MKB gerichte – Eurostars programma opgezet dat loopt via
                           EUREKA en wordt gefinancierd door de EU.
                           36   Europees cohesiebeleid in Nederland, EC 2010
                           37   http://www.eurekanetwork.org/
                        29 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                          Nederland doet het goed in EUREKA. EUREKA geldt daarbij vooral als internationali-
                          seringinstrument van het MKB; toegang tot buitenlandse markten is één van de
                          belangrijkste doelstellingen om mee te doen. Daarnaast is internationale toegang
                          tot kennis, technologie en infrastructuur een belangrijke doelstelling. In de periode
EUREKA is belangrijk voor 2001-2008 hoorde Nederland bij de koplopers in deelname aan EUREKA, hoewel de
              Nederland   deelname in het aantal projecten over deze periode wel afneemt. In Nederland
                          komt 81% van de deelnemers in deze periode uit grote bedrijven of MKB, dat is
                                                                                38
                          meer dan het gemiddelde van 66%.
                          De bijdrage vanuit de hierboven genoemde EU-fondsen is in financieel opzicht
                          belangrijk geweest voor Nederland. Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven
                          hebben in de eerste drie jaar van KP7 bijvoorbeeld ruim één miljard euro ontvan-
                                                                                      39
                          gen, ongeveer 350 miljoen euro per jaar.                        Ter vergelijking; de beschikbare midde-
                          len voor de topsectoren in Nederland (exclusief Europese financiering) zijn ongeveer
                                                                          40
                          1,4 miljard euro tot en met 2015.                     Maar het gaat niet alleen om geld.
                          Uit de recente evaluatie van het kaderprogramma wordt duidelijk waarom onder-
                                                                                           41
                          zoekers meedoen in Europese programma’s:
                          –         In onderzoeksprojecten is complementaire expertise belangrijk. Deze experti-
                                    se is niet altijd binnen Nederland te halen;
                          –         de maatschappelijke en ecologische uitdagingen zijn veelal niet nationaal van
                                    aard;
                          –         (grote) infrastructuur kan vaak alleen tot stand komen door gezamenlijke
                                    inzet van expertise en financiële middelen.
                          Onderzoekers doen dus vooral mee in Europa vanwege de mogelijkheden voor een
                          grotere impact van hun onderzoek door internationale samenwerking.
                          3.2         De verhouding tussen Europees en Nederlands beleid
                          De vraag is of Nederland het nog beter kan doen in het nieuwe Europese beleid. Is
                          er reden om meer of minder op Europa in te zetten in het onderzoeks- en innova-
 Meer of minder Europa?   tiebeleid? Om deze vraag te beantwoorden is het van belang nog eens na te gaan
                          wat precies de meerwaarde is van Europees onderzoeks- en innovatiebeleid ten
                          opzichte van nationaal beleid.
                          Uitgangspunt daarbij is het subsidiariteitsbeginsel dat uitgaat van soevereiniteit in
                          eigen kring: beleid wordt in principe zo dicht mogelijk bij de burger gevoerd. De
                          voorkeur ligt binnen de EU dus bij het nationale niveau, alleen wanneer er evidente
                          38   Eureka project facts 2001-2008. www.eurekanetwork.org
                          39   Nederland in KP7, AgentschapNL 2011
                          40   Naar de top: hoofdlijnen van het nieuwe bedrijfslevenbeleid, EL&I 2011
                          41   Impact Europese Kaderprogramma’s in Nederland, Technopolis 2009
                       30 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                 voordelen zijn is een hogere of Europese schaal gewenst.42 De SER is eerder uitvoerig
                                                                                                                                          43
 Het principe van subsidiariteit op subsidiariteit ingegaan in de reactie op de Europe 2020 strategie.                                        Wanneer pro-
                                 blemen (en de oplossingen) grensoverschrijdend zijn, ligt samenwerking binnen
                                 Europa voor de hand. Dat is ook het geval wanneer het functioneren van de interne
                                 markt in het geding is of de concurrentievoorwaarden (gelijk speelveld). Efficiëntie en
                                 schaalvoordelen kunnen daarnaast belangrijke drijfveren zijn van verdere integratie.
                                 De SER stelt dat er argumenten zijn voor publieke R&D bekostiging op nationaal en
                                 Europees niveau. De keuze is afhankelijk van de prioriteiten van de overheid: indien
                                 schaalvoordelen, risicospreiding en het adresseren van externe effecten de doorslag
                                 geven, dan ligt een grotere EU-rol voor de hand. De toegang tot netwerken is hierbij
                                                                                 44
                                 een ander belangrijk argument.                     Maar indien nationale of regionale verschillen
                                 belangrijk zijn, blijft de nationale schaal belangrijk. Er ligt altijd een delicate balans
                                 tussen het Europese en het nationale niveau van beleid en van bekostiging.
                                 Voor een goede afweging zijn uiteraard ook de (gepercipieerde) nadelen van verdere
                                 europeanisering relevant: in het algemeen is dat verlies aan nationale zeggenschap,
                                 minder mogelijkheden een eigen nationale koers te varen, een minder heldere politie-
                                 ke verantwoordelijkheid, vaak meer bureaucratie en voor de rijkere landen ook directe
                                 kosten. Om de toegevoegde waarde van de EU te bepalen moet een onderscheid
nderscheid tussen drie soorten   gemaakt worden in de soort van onderzoek: fundamenteel onderzoek, toegepast
                    onderzoek    onderzoek en meer op implementatie/innovatie gericht onderzoek, zoals demonstra-
                                 tieprojecten.
                                 Fundamenteel onderzoek
ndamenteel onderzoek: Europa     Fundamenteel onderzoek is meestal precompetitief: er zijn geen marktbelangen en
         geeft schaalvoordelen   private investeerders zijn er (nog) niet. Voor onderzoekers zijn grensoverschrijdende
                                 contacten van belang, en de schaalvoordelen zijn evident: hoe groter de vijver van
                                 talent, hoe excellenter het onderzoek, en hoe beter Europa als geheel presteert.
                                 Toegang tot netwerken speelt daarnaast een belangrijke rol. Fundamenteel onder-
                                 zoek wordt vaak publiek gefinancierd, de kennis en inzichten zijn dan openbaar en
                                 hebben het karakter van een publiek goed. Dat rechtvaardigt Europese financiering.
                                 Toch kunnen er ook nadelen van verdere europeanisering zijn en die gaan verder
                                 dan de bekende klachten over Brusselse bureaucratie. Indien al het beleid voor fun-
                                 damenteel onderzoek in Europa geconcentreerd zou worden is het moeilijk binnen
                                 de Nederlandse samenleving een brede kennisbasis in stand te houden. Dat kan lei-
                                 den tot verschraling van de kennissamenleving, een vervreemding van de ontwikke-
                                 ling van de wetenschap en een afname van de motivatie van jongeren om zich te
                                 bekwamen in de wetenschap.
                                 42   Article 5, para. 3 TFEU (ex Art. 5 ECT): “Under the principle of subsidiarity, in areas which do not fall within its exclusive
                                      competence, the Union shall act only if and insofar as the objectives of the proposed action cannot be sufficiently achie-
                                      ved by the Member States, either at central level or at regional and local level, but can rather, by reason of the scale or
                                      effects of the proposed action, be better achieved at Union level.”
                                 43   Europa 2020: de nieuwe Lissabonstrategie, SER 2009
                                 44   Subsidiarity and EU support for innovation, Pro-Inno Europe 2008
                             31  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                               Toegepast onderzoek
                               Eerder oordeelde de raad dat hoe toegepaster het onderzoek is, hoe minder redenen
                                                                             45
oegepast onderzoek: Europees   er zijn voor Europese interventie.                Voor toegepast onderzoek is het moeilijk te aan-
 beleid heeft voor- en nadelen vaarden dat bedrijven (lidstaten) geld verdienen met door de EU gefinancierd onder-
                               zoek. Kennis moet daarom gedeeld worden. Maar deze eis staat enthousiaste
                               deelname van bedrijven vaak in de weg. Bedrijven willen meedoen om kennis te
                               vinden, maar niet om hun unieke kennis te gaan delen met concurrenten. De beste
                               bedrijven met de beste kennis kunnen daarom terughoudend blijven. Nadeel van ver-
                               dere Europeanisering van toegepast onderzoek is dat maximale excellentie op deze
                               manier niet wordt bereikt.
                               Maar er zijn ook voordelen te noemen. Ten eerste maakt toegepast onderzoek dat
                               gericht is op het oplossen van (gedeelde) maatschappelijke problemen sneller voort-
                               gang als de krachten gebundeld worden. De kennis die uit deze onderzoeksprojec-
                               ten voortkomt is publiek en wordt sneller en breder geïmplementeerd. Ten tweede
                               bieden de Europese intergouvernementele programma’s (EUREKA) mogelijkheden
                               om te werken met zelf gekozen partners, zonder al te veel bureaucratie. Dat maakt
                               het gemakkelijker kennis te delen, waardoor de grotere schaal snellere vooruitgang
                               mogelijk maakt. Ten derde bieden netwerken waarbinnen onderzoekers en bedrij-
                               ven zich begeven nieuwe kansen. Ten vierde is er hetzelfde effect als aan de funda-
                               mentele kant: onderzoekers en instellingen uit verschillende landen leren elkaars
                               procedures kennen. Dat leidt tot een zekere harmonisatie en vermindering van dub-
                               bel werk. Ten slotte komt door Europese financiering grootschalige onderzoeksinfra-
                               structuur binnen handbereik. Dit alles maakt de Europese onderzoeksprestaties
                               beter waardoor Europa aan concurrentiekracht kan winnen.
                               Innovatie
                               Innovatiebeleid is vooral gericht op het stimuleren van het bedrijfsleven. Dat kan
                               verschillende vormen aannemen. Leerprogramma’s om innovatief vermogen te ver-
    Europees innovatiebeleid:  groten. Directe steun om innovatie te financieren en invoering van stimulansen voor
             Schaalvoordelen?  innovatie. Wetgeving om producenten te dwingen schonere en zuinigere auto’s,
                               koelkasten, verlichting e.d. te produceren. De stimulansen en de wetgeving zijn
                               onderdeel van de Europese interne markt. De Europese schaal heeft daarbij evidente
                               voordelen. Bij directe steun voor innovatie spelen – net als bij toegepast onderzoek
                               – commerciële belangen zeker een rol. Dan wordt het moeilijker om kennis te
                               delen. De motivatie om die taak in Europese handen te leggen is bij nationale over-
                               heden doorgaans gering. Al eerder zijn er vraagtekens geplaatst bij een te grote rol
                                                                                46
                               voor de EU in het innovatiebeleid.                   Er is bijvoorbeeld weinig bewijs dat supranatio-
                               naal innovatiebeleid gericht op het MKB leidt tot grensoverschrijdende effecten of
                               schaalvoordelen. De Nederlandse overheid heeft vragen geuit bij een grotere rol van
                               45   Nederlands Kompas voor de Europese onderzoeksruimte, AWT-advies 57 (2004)
                               46   Subsidiarity and economic reform in Europe, Gelauff, Grilo, Lejour 2008
                            32 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                              Europa in het innovatiebeleid. In de kabinetsreactie op de Europe 2020 strategie
                              wordt dit onderkend: ‘De verhouding tussen EU en nationaal innovatiebeleid, zowel
                              inhoudelijk als financieel behoeft iets meer duidelijkheid’.
                              Conclusie: naar nieuwe verhoudingen tussen nationaal en Europees
                              beleid?
                              Meer geld voor onderzoek en innovatie kan de concurrentiekracht van Europa ten
                              opzichte van onder andere China en de Verenigde Staten vergroten. Dat is een dui-
                              delijk gezamenlijk belang. Meer geld voor fundamenteel onderzoek is daarbij rela-
                              tief het gemakkelijkst te bereiken, omdat commerciële toepassing over het
                              algemeen niet aan de orde zijn en daarom interne concurrentieverhoudingen geen
                              rol spelen. Financiering van toegepast onderzoek en zeker ook van innovatie ligt in
                              het algemeen eerder bij individuele lidstaten of regio’s. Maar de uitdaging is om
                              rondom maatschappelijke vraagstukken de handen ineen te slaan en de krachten te
                              bundelen. Europees gefinancierd onderzoek richt zich in de nieuwe strategie dan
                              ook steeds meer op de maatschappelijke uitdagingen.
                              De economische crisis en Europe 2020 geven extra aanleiding om de verhouding
                              tussen Nederlands en Europees beleid opnieuw te doordenken. Kennisbenutting en
                              innovatie krijgen in de beleidsvoorstellen een veel sterkere Europese component.
                              Het accent ligt zeker niet alleen op fundamenteel onderzoek: toegepast onderzoek
                              en het innovatiebeleid europeaniseren verder. De vraag die gesteld kan worden is of
   Wat is de betekenis van de het oude uitgangspunt (fundamenteel onderzoek Europees, toegepast nationaal of
           Europese focus op  zelfs regionaal) nog voldoet. Er kunnen nieuwe redenen zijn dat enige herijking op
kennisbenutting en innovatie? dit punt gewenst is. Om op die vraag een antwoord te geven gaat de volgende
                              paragraaf in op de Nederlandse prioriteiten. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens dieper in
                              op de beleidslijnen in het toekomstige Europese beleid.
                              3.3         Nederlands zwaartepuntenbeleid
                              Nederland moet consistent zijn in de uitvoering van het eigen beleid, ook richting
                              Europa. Het Nederlandse onderzoeks- en innovatiebeleid is de laatste jaren gericht
                              op het creëren van meer focus en massa, meer zwaartepuntvorming. De raad is
                              voorstander van zwaartepuntvorming op nationaal niveau. Hij adviseerde al eerder
                              om een substantieel deel van de innovatiestimulering in te zetten op een beperkt
        Nederlandse focus op  aantal zwaartepunten. Daarmee ontstaat een momentum om de kansen rond een
                                                                                    47
        zwaartepuntvorming    aantal bestaande en potentiële sterktes te benutten.     Voor de raad gaat het daar-
                              bij om zwaartepuntvorming op drie verschillende niveaus:
                              –         zwaartepunten gericht op wetenschappelijke excellentie;
                              –         zwaartepunten gericht op kansrijke economische gebieden;
                              47   Backing Winners, AWT-advies 53 (2003)
                           33 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                               –         zwaartepunten gericht op de maatschappelijke uitdagingen.
                               In het wetenschapsbeleid is het creëren van zwaartepunten al langere tijd een
                                                48
                               speerpunt.          OCW heeft de laatste jaren drie zwaartepunten benoemd die weten-
                               schappelijk voor Nederland van groot belang zijn; genomics, ICT en nanotechnolo-
                               gie. Dit gebeurt naast het generieke wetenschaps- en innovatiebeleid.
                               In het innovatiebeleid heeft de overheid met de innovatieprogramma’s van EL&I en
                               de sleutelgebieden van het Innovatieplatform bevestigd dat het Nederlandse beleid
                               in wil zetten op de eigen economische zwaartepunten. De overheid heeft negen
                               economische topsectoren erkend. In deze topsectoren wordt een belangrijke rol
                               toegedicht aan het Europese beleid; 50 miljoen euro moet door het Nederlandse
                               bedrijfsleven uit het toekomstige Europese kaderprogramma worden verkregen.
                               In de recent uitgebrachte plannen van de topsectoren valt op dat Europees beleid
                               betrekkelijk weinig voorkomt, maar dat er grote verschillen zijn tussen de sectoren.
                               Sectoren als Life sciences en High tech zijn concreter in hun Europese plannen dan
                               sectoren als Logistiek en Energie (zie Bijlage 2 voor een overzicht). Hierbij dient wel
                               de kanttekening te worden gemaakt dat ‘inzet op Europa’ geen criterium was bij
                               het opstellen van de plannen. Verder spelen in de topsectorplannen de maatschap-
                               pelijke uitdagingen een rol op de achtergrond. De link met het Europese beleid
                               hiervoor, zoals de EIPs of JPI’s, wordt maar beperkt gelegd.
                               De diversiteit van de plannen is echter groot met betrekking tot de inzet op de
                               maatschappelijke uitdagingen, het vergroten van de concurrentiekracht staat cen-
                               traal. De aanpak van de maatschappelijke uitdagingen staat wel centraal in de
                               Maatschappelijke Innovatie Agenda’s (MIA’s) van EL&I, die als maatschappelijke
                                                                                           49
                               zwaartepunten kunnen worden gezien.                            Deze MIA’s lopen af in 2013 en continue-
                               ring is door het huidige kabinet niet voorzien.
 Europees beleid kan nationale Europees beleid biedt kansen voor nationale zwaartepuntvorming. De raad is van
waartepuntvorming versterken   mening dat het Europese beleid zwaartepunten verder kan versterken, als er vol-
                               doende wordt ingespeeld op de kansen vanuit de Europese omgeving en er reke-
                               ning gehouden wordt met de nadelen. Hij constateerde daarbij al eerder dat bij de
                               investeringen onvoldoende systematisch rekening is gehouden met de mogelijkhe-
                               den die het Europese beleid biedt om meer massa te creëren (door Europese finan-
                               ciering als hefboom te gebruiken) of meer focus te krijgen (door nationale en
                                                                                                          50
                               internationale prioriteiten aan elkaar te relateren).                         Een duidelijke visie op subsidia-
                               riteit is hierbij de rode draad: Waar zetten we Europees beleid in (communautair,
                               intergouvernementeel of via instituties) en waar nationaal beleid?
                               48   OCW, Wetenschapsbudget 2004
                               49   De nu lopende MIA’s zijn: energie, veiligheid, water, onderwijs, duurzame agro- en visserijketens en duurzame
                                    mobiliteit.
                               50   Weloverwogen impulsen, AWT-advies 72 (2007)
                           34  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>   Het is bij voorbaat moeilijk te zeggen hoe een Europese beleidslijn uitpakt voor
   Nederland. In de praktijk komt het er dus op neer dat Nederland de wijsheid moet
   hebben om te bepalen wat te doen. De Europese beleidsvoorstellen volgen elkaar
   snel op en het zoeken van een weg hierin is vaak moeilijk. Om toch op een conse-
   quente manier hiermee om te gaan is het wenselijk een afwegingskader te gebrui-
   ken. In het AWT advies uit 2004 ‘Nederlands kompas voor de Europese
   onderzoeksruimte’ is een dergelijk kader uitgewerkt. Het afwegingskader is een
   handvat voor overheidspartijen bij het strategisch benaderen van Europese initiatie-
   ven. Er zijn daarbij inhoudelijke en functionele criteria gedefinieerd waarop nieuwe
   activiteiten of instrumenten op Europees niveau beoordeeld kunnen worden. De
   inhoudelijke en functionele beoordelingscriteria zijn nog steeds onveranderd van
   toepassing. Deze beoordelingcriteria zijn terug te vinden in Bijlage 3. Onderstaand
   hoofdstuk gaat verder in op het afwegingskader.
35 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>36 Scherp aan de wind!</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                          4
                                          Wat zijn effecten van toekomstig
                                          Europees beleid voor Nederland?
                              4.1         Kansen en bedreigingen in de topsectoren
                              In de Europe 2020 strategie wordt het stimuleren van onderzoek en innovatie cen-
                              traal geplaatst in het streven naar een Europese kenniseconomie en het oplossen
                              van de maatschappelijke uitdagingen. Het vlaggenschip van de Innovation Union
Kansen en bedreigingen in de  neemt een centrale plaats in bij de uitwerking daarvan, hierin wordt het Europese
                 topsectoren  streven verder vorm gegeven in een groot aantal beleidslijnen. De raad zet hier de
                              belangrijkste (10) beleidslijnen op een rij en gaat daarbij in op een belangrijk onder-
                              deel van het afwegingskader: het inschatten van de Nederlandse positie. Hierbij
                              gaat het om twee hoofdvragen:
                              a.        Wat zijn de kansen en bedreigingen van Europees beleid voor de
                                        Nederlandse sectoren?
                              b.        Welke inspanningen/investeringen moet Nederland leveren om de kansen te
                                        pakken of bedreigingen weg te nemen?
                              Uit de grote hoeveelheid Europese beleidslijnen beperkt de raad zich tot de lijnen
                              waarbij echt fundamentele keuzes te maken zijn voor het Nederlandse beleid.
                              In bovenstaand hoofdstuk 3 zijn de kansen en bedreigingen van verdere europeani-
                              sering van fundamenteel en toegepast onderzoek en innovatie genoemd. Om de
                              kansen en bedreigingen van Europees beleid verder te toetsen aan de praktijk wordt
                              gekeken naar de drietal topsectoren in een aantal casestudies. Hierdoor krijgt de
                              raad een beter beeld over hoe het veld denkt over de Europese ontwikkelingen en
            Drie casestudies: hoe Nederland zich zou moeten opstellen in de Europese discussies. In de cases
                              wordt gekeken naar drie (delen van) de topsectoren: (1) High tech (met name
                              embedded systems), (2) Life sciences (met name medische technologie, farma en
                              biotechnologie; niet de zorg) en (3) Tuinbouw & Uitgangsmaterialen (met name
                              plantenveredeling).
                              High Tech
                   High Tech  De High tech sector is door het Innovatieplatform erkend als sleutelgebied en is
                              door het huidige kabinet benoemd als topsector. De bijdrage aan het BBP van deze
                              sector is 6,7%. Op dit gebied heeft Nederland zowel een sterke kennisbasis
                              als sterke innovatieve bedrijvigheid, met name in de high tech systemen en materia-
                                   51
                              len.     25% van de R&D uitgaven in Nederland vindt plaats in deze sector die een
                              productiewaarde heeft van 56 miljard euro. 57% hiervan wordt gegenereerd in
                              het buitenland.
                              51    Voortgang sleutelgebieden, Innovatieplatform 2009.
                          37  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>              Het belang van het Europese beleid in deze sector is terug te vinden in de Europese
              deelname, met name in het ICT thema van KP6 en KP7. Uit de evaluatie van KP6
              blijkt dat Nederland met name op de thema’s micro components en embedded
              systems goed scoort, zowel door een sterke bedrijfsdeelname als een sterke deelna-
              me vanuit de kennisinstellingen. De goede prestaties vanuit KP6 worden doorgetrok-
              ken in KP7. 32% van de Nederlandse subsidie in het ICT thema wordt door MKB en
                                                        52
              groot bedrijfsleven verkregen.                In het onderdeel Components, systems and enginee-
              ring van het ICT thema halen Nederlandse deelnemers gemiddeld het meeste
              subsidie binnen met een retour van 7,4%. In totaal is er in dit onderdeel 60,4 mil-
              joen euro toegekend aan Nederlandse deelnemers (totaal ICT thema 201,7 miljoen
              euro).
              Life Sciences
Life Sciences Life sciences, meer specifiek de medische of rode Life sciences, zijn door het huidige
              kabinet benoemd als topsector. De rode Life sciences sector was geen sleutelgebied
              bij het Innovatieplatform. De bijdrage aan het BBP van deze sector is 3,7%, het
              aantal werkenden ruim 24.000. De rode Life sciences zijn belangrijk voor Nederland
              omdat er een sterke kennisbasis aanwezig is, met name in de medische technolo-
              gie, biotechnologie en farmacie. In deze analyse wordt specifiek gekeken naar deze
              deelsectoren, niet naar innovatie in de zorgsector. Medische technologie heeft ook
              een belangrijk aandeel in het High tech topgebied met toepassingen als medical
              imaging. Meer dan 80% van de revenuen in deze sector komt van grote bedrijven
              als MSD, Abbott en Philips. Het recent aangekondigde vertrek van (delen van)
                                                                                              53
              Abbott en MSD uit Nederland zet de sector daarom onder druk.                       Dit kan zorgen
              voor een daling in de omzet van 21% en een afname van de Nederlandse innova-
              tiecapaciteit. Het rendement uit R&D investeringen ligt in deze sector al lager; de
              hefboom ligt net boven de 1 terwijl de gemiddelde hefboom van het Nederlandse
                                                                  54
              bedrijfsleven ligt tussen de 2 en 2,5.
              De sterkte van de kennisbasis uit zich in deelname en succes in het Europese kader-
              programma. Na het ICT thema haalde Nederland de meeste subsidie uit het Health
              thema (KP7 tot nu toe 167,9 miljoen euro). Het EU onderzoek is hier vooral funda-
              menteel van karakter geweest. Dit zie je terug in de deelname vanuit de kennis-
              instellingen in KP7; 89% van de Nederlandse subsidies in dit thema gaat naar
              kennisinstellingen, 8% naar het bedrijfsleven. Kennisinstellingen hebben een domi-
              nante positie.
              De totaal behaalde retour is met 9% hoog in dit thema, met name op het gebied
              van translationeel onderzoek.
              52   Nederland in KP7, AgentschapNL 2010
              53   Dutch Life sciences Outlook 2011
              54   Meer rendement uit R&D, Jansen et al., Rotterdam School of management 2008
           38 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                                Tuinbouw en uitgangsmaterialen
inbouw en uitgangsmaterialen    In deze topsector kijken we met name naar de uitgangsmaterialen. Hierin is de
                                plantenveredeling één van de Nederlandse sterktes, met een zeer sterkte internatio-
                                nale exportpositie. De totale omzet (export plus gebruik in Nederland van de sector)
                                                                                                                                                  55
                                wordt geschat op 2,5 miljard euro, verdiend door ongeveer 10 000 personen.
                                De belangrijkste groei in deze sector zit in markten buiten Europa.
                                De belangrijkste deelsectoren zijn tuinbouw (bloemen en groenten), gevolgd door
                                aardappel. Nederland heeft hier zowel een sterke kennisbasis als een sterke innova-
                                tieve bedrijvigheid. De grootste groentezaden bedrijven hebben allen een hoofd-
                                vestiging of een belangrijke vestiging voor onderzoek in Nederland. Deze sector
                                heeft ook een duidelijke band met de sector agro-food.
                                In KP7 wordt de plantenveredeling voornamelijk ondergebracht in het thema Food,
                                agriculture fisheries and biotechnology. In dit thema is de Nederlandse retour met
                                11,4% (71,2 miljoen euro) het hoogste van alle thema’s. Nederland staat daarmee
                                op de tweede plaats na het Verenigd Koninkrijk. In dit subthema wordt 14% van de
                                subsidies aan het MKB en het grote bedrijfsleven toegekend.
                                4.2         Effecten per beleidslijn
                                1. Menselijk kapitaal
                                Vrij verkeer van onderzoekers: kansen en bedreigingen
timuleren van vrije verkeer van Het stimuleren van de mobiliteit van onderzoekers is fundamenteel om het vrije ver-
                  onderzoekers  keer van kennis in de EU (de vijfde vrijheid) te bereiken. Ratificatie van het verdrag
                                van Lissabon heeft de EU meer mogelijkheden gegeven om dit verder vorm te
                                geven. De implementatie van een European Research Area Framework, die voorstel-
                                len voor wetgeving en beleid bevat ter vervolmaking van de ERA, wordt het vehikel
                                hiervoor. Nieuw Europees beleid moet de barrières verder wegnemen voor mobiliteit
                                                                                           56
                                en open recruitment van onderzoekers.                         Zo wordt er nagedacht over stroomlijning
                                van de randvoorwaarden voor migratie, zoals de ontwikkeling van een Europees
                                visum voor kenniswerkers (blue card) of een pan-Europees pensioenfonds.
                                Nederland heeft mobiliteit ook altijd benoemd als één van de belangrijkste doel-
                                                                57
                                stellingen van de ERA.
                                Wat de effecten zijn van een vrije markt voor onderzoekers voor Nederland is
                                onduidelijk. NOWT becijferde dat Nederland aan het begin van deze eeuw een rela-
                                tief hoge brain drain van hooggeschoolden kende, terwijl de brain gain dit niet
                                55   Veredelde zaken, CGN Rapport 14, 2009
                                56   Het vergroten van de mobiliteit is naast onderdeel van het vlaggenschip van de Innovation Union belangrijk onderdeel
                                     van de EU2020 vlaggenschepen Youth on the Move en New Skills for New Jobs.
                                57   Zie ook: Groenboek Europese onderzoeksruimte, kabinetsreactie, 2007
                             39 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>                                compenseerde.58 Hierbij werd ook geconcludeerd dat Nederland geen grote aan-
                                trekkingskracht op kennismigranten uitoefent in vergelijking met andere OESO lan-
                                den. Recenter meldde het SEO dat Nederland aantrekkelijker voor kennismigranten
                                is dan buurlanden als het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, Denemarken en
                                          59
                                België.       Groot probleem voor een goed beeld blijft het gebrek aan vergelijkbare
                                internationale gegevens.
                                Uitgaande van het meest recente SEO rapport lijkt het goed te gaan met de aan-
                                trekkingskracht van Nederland, maar het vrije verkeer van onderzoekers kan voor
                                Nederland verschillende effecten hebben. Een kans voor Nederland is dat er netto
                                meer onderzoekers worden aangetrokken dan er vertrekken: brain gain.
     Brain drain of brain gain? Daarentegen is een bedreiging dat er meer onderzoekers Nederland gaan verlaten
                                dan er binnenkomen: brain drain.
                                Wat zijn de effecten van een vrije markt voor onderzoekers in de topsectoren?
                                De drie geanalyseerde topsectoren hebben een sterke kennisbasis en daarbij geldt
                                dat het aantrekken van goede onderzoekers van groot belang is om de kwaliteit te
                                waarborgen. Deze sectoren zijn R&D-intensief en bedrijven en kennisinstellingen zijn
Sectoren zijn non-stop op zoek  in Nederland non-stop op zoek naar toptalent, zowel binnen als buiten Europa. De
                naar toptalent  drie sectoren zijn in toenemende mate afhankelijk van buitenlandse kenniswerkers,
                                er worden over het algemeen onvoldoende Nederlandse onderzoekers opgeleid.
                                Met name in de High tech is dit een groot probleem. In Nederland ontstaat een
                                steeds groter tekort aan hoogopgeleide technici. Dit kan niet door Nederland alleen
                                worden opgevangen, de interne aanwas vanuit Nederland is te beperkt.
                                Nederland scoort wat betreft het opleiden van hoogopgeleide technici zelfs onder
                                het EU-gemiddelde en ver onder de koplopers Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en
                                         60
                                Polen.
                                Ook wordt het werk en onderzoek in deze sector steeds specialistischer. Bedrijven
                                en onderzoeksinstituten ontkomen er niet aan om internationaal samen te werken
                                en specialisten internationaal te rekruteren. Bedrijven als NXP gebruiken daarbij
                                vaak hun buitenlandse vestigingen om mensen te werven en op te leiden, vervol-
                                gens worden deze mensen over de gehele wereld uitgezonden. De wereld is hier
                                het speelveld; men beperkt zich niet tot Europa. Binnen Europa is de competitie
                                voor onderzoekers in de High tech groot, door heel Europa zijn er tekorten. Dit is
                                niet alleen een specifiek Nederlands probleem. Rekrutering van mensen van buiten
                                de EU is daarom essentieel.
                                58   NOWT Wetenschapsindicatoren 2010
                                59   Wat beweegt kennismigranten? SEO Economisch Onderzoek 2010
                                60   Progress towards the Lisbon objectives in education and training – indicators and benchmarks 2008, EC 2008
                             40 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                          Ook in de rode Life sciences topsector zijn er problemen met het vinden van goede
                          onderzoekers. Meer specialisten zijn ook hier nodig (bijvoorbeeld bio-informatici) en
                          de vacatures kunnen niet worden opgevuld door alleen Nederlanders. Onderzoekers
                          komen vanuit de gehele wereld. Veel onderzoekers in deze sector vertrekken rich-
                          ting de Verenigde Staten om daar ervaring op te doen vanwege de goede reputatie,
                          infrastructuur en andere randvoorwaarden. In een groot aantal gevallen komen
                          deze mensen weer terug met hun kennis, maar is het – aldus geïnterviewden –
                          vervolgens moeilijk ze een plaats te bieden omdat ze vaak niet meer op tijdelijke
                          contracten willen werken. Permanente posities zijn in deze sector in kennisinstellin-
                          gen en bedrijfsleven moeilijk te vinden. Daarbij maakt de onzekere werkgelegenheid
                          in het grote bedrijfsleven in deze sector het ook minder aantrekkelijk om terug te
                          komen. Hierin verschilt de rode Life sciences van de High tech en plantenveredeling.
                          Uitzondering vormen artsen die onderzoek willen doen. Nederland is voor hen juist
                          wel een interessante plek vanwege de universitaire medische centra waar ze de
                          mogelijkheid hebben patiëntenzorg te combineren met onderzoek.
                          In de plantenveredeling is het tekort in de aanwas van jonge onderzoekers al enige
                          jaren geleden erkend. Het is moeilijk plantenwetenschappers te vinden omdat er
                          binnen Nederland te weinig mensen worden opgeleid. Plantenwetenschappen
                          wordt door veel studenten niet als erg aantrekkelijk ervaren; de sector heeft wat
                          dat betreft een imagoprobleem. Op dit moment wordt hard gewerkt aan imagover-
                          betering.
                          Ook in deze sector wordt veel buitenlands talent geworven, met name veel Aziaten
                          op AIO en post-doc posities. Door het opzetten van het topinstituut Groene
                          Genetica is er impuls gekomen aan de kennisbasis en in het opleiden van onderzoe-
                          kers. Deze mensen blijven ook graag in Nederland vanwege de goede kennisbasis
                          en internationaal leidende bedrijven in de sector die in Nederland zijn gevestigd.
                          Deze bedrijven rekruteren actief bij de Nederlandse opleidingen. Ook vanuit de EU
                          komen onderzoekers graag in Nederland werken, hoewel er concurrentie is van
                          EU-buurlanden als Frankrijk en Duitsland.
Grote afhankelijkheid van Samenvattend kan gezegd worden dat Nederland in toenemende mate afhankelijk
       buitenlands talent wordt van buitenlands talent, met name in sectoren met een sterk bedrijfsleven.
                          Een vrije markt van onderzoekers op Europees niveau maakt het gemakkelijker om
                          mensen te halen en in deze sectoren is dit naar verwachting ook geen probleem,
                          omdat Nederland voldoende aantrekkelijk is. Europese onderzoekers zijn daarbij
                          slechts een klein deel van het mondiale onderzoekerpotentieel en geen enkele
                          sector kijkt daarom ook specifiek alleen binnen Europa.
                       41 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                               Kansen voor Nederland
                               Een vrije markt voor onderzoekers biedt kansen om de toekomstige Nederlandse
                               tekorten aan onderzoekers in de topsectoren op te vangen. Het biedt kansen voor
   Kans op brain gain, maar... een brain gain. Van groot belang is wel dat de overheid, de kennisinstellingen en
                               het bedrijfsleven de aantrekkelijkheid van de topsectoren voor onderzoekers waar-
                               borgt en versterkt.
maak Nederland aantrekkelijk,  Om Nederland aantrekkelijk te houden voor onderzoekers zal de overheid op natio-
                           en  naal niveau een aantal zaken moeten waarborgen:
                               –         Een meerjarige financiële planning. Korte termijn perspectieven voor onder-
                                         zoekers leveren problemen op om mensen te behouden en aan te trekken.
                                         Betrouwbaarheid en zekerheid op lange termijn van de kant van de overheid
                                         is hierin dus essentieel. Onduidelijke afspraken over de eindigheid van subsi-
                                                                                                                 61
                                         dies leiden tot onzekerheid waardoor onderzoekers eerder vertrekken.
                               –         Zorg dragen voor goede randvoorwaarden, de zg. pull-factoren. Deze facto-
                                         ren bepalen de aantrekkingskracht van een land. Naast werk en loopbaan
                                         moeten er goede voorzieningen zijn voor een prettig woon- en leefklimaat.
                                                                                                 62
                                         En ook het toelatingsbeleid moet goed geregeld zijn.       Vooral woon- en
                                         leefklimaat zijn belangrijke randvoorwaarden voor onderzoekers om hier te
                                         komen, maar ook om te blijven.
                               –         Verbeter de carrièremogelijkheden voor onderzoekers. Als doorgroei en
                                         doorontwikkeling op orde is, zullen onderzoekers ook langer blijven. Dit
                                         geldt vooral voor senior onderzoekers in kennisinstellingen en bedrijfsleven.
                                         Sterke innovatieve bedrijvigheid is hierbij belangrijk.
                               De verwachting is dat een vrije markt voor onderzoekers in Europa kansen biedt
                               voor de topsectoren, maar Europese onderzoekers alleen kunnen het gat niet dich-
                               ten. Binnen Nederland moeten daarom ook meer onderzoekers worden opgeleid.
                               De raad ondersteunt en onderstreept daarom de ambities van de Kennis en
                                                                                                                     63
                               Innovatie Agenda (KIA) om meer jong talent te laten instromen in de wetenschap.
                               Deze ambitie is in lijn met de Europese ambities om meer onderzoekers op te leiden.
                               Om de instroom van buitenlands talent te verbeteren moet Nederland in Europa
                               inzetten op een verdere opening van Europese programma’s voor derde landen. In
                               de Innovation Union wordt dit benoemd als een ‘issue of common concern’ van de
 versimpel toegang van talent  EU lidstaten. Samenwerking met derde landen, zoals China, maakt de toegang tot
             uit derde landen  internationaal toptalent groter. Het stroomlijnen en vergemakkelijken van de (admi-
                               nistratieve) toegang tot Europa van kenniswerkers uit derde landen is daarbij essen-
                               tieel. Op het moment wordt te veel hinder ondervonden van ingewikkelde, lange
                               toelatingsprocedures. Introductie van de EU Blue Card moet deze hindernissen weg-
                               nemen. De Blue Card voorziet in één aanvraagprocedure voor de werkgever en
                               61   Zie ook: Kennis Plaatsen, AWT-advies 75 (2010)
                               62   Wat beweegt kennismigranten? SEO Economisch Onderzoek 2010
                               63   Kennisinvesteringsagenda 2006-2016, Innovatieplatform 2006
                           42  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                                 migrant. Het moet verder zorgen voor basale socio-economische rechten zoals deze
                                 in het land van bestemming gangbaar zijn. Voorbeelden zijn gelijke werkomstandig-
                                                                                                                      64
                                 heden, gezondheidszorg, sociale zekerheid en pensioenen.                                 Ook wordt het voor
                                 werknemers na anderhalf jaar mogelijk om binnen de EU lidstaten van baan te ver-
                                 anderen zonder opnieuw een werkvergunning aan te hoeven vragen. In 2011 moet
                                 deze Blue Card zijn ingevoerd in de lidstaten.
nnisbescherming wordt steeds     Kennisbescherming wordt bij een vrije markt voor onderzoekers steeds belangrijker.
                    belangrijker Onderzoekers komen en gaan met hun kennis, die overal vandaan komt en overal
                                 gedeeld wordt. Om de innovatieve bedrijvigheid te beschermen is het belangrijk dat
                                 hierover op internationaal niveau goede afspraken worden gemaakt en dat regelge-
                                 ving hierover tussen EU lidstaten wordt gelijkgetrokken. Harmonisatie van het IP
                                 regime van verschillende lidstaten is hiervoor belangrijk. Een Europees patent is
                                 hiervoor het fundament.
                                 De raad is bovendien van mening dat vanuit Nederland en Europa meer aandacht
                                 geschonken moet worden aan de voorfase van het octrooi. Het is van groot belang
                                 dat ook de vroege kennisproducten goed worden beschermd. Onder andere afspra-
                                 ken over eigendomsrechten, gebruikersrechten, (toegang tot) achtergrondkennis,
                                 management van IP en compensatieafspraken zijn hiervoor belangrijk. Hier liggen
                                 nog belangrijke verschillen tussen EU lidstaten. Voorbeeld is het professor privilege
                                 system dat in sommige lidstaten wordt gehanteerd (b.v. Zweden en Italië) dat het
                                 eigendom van onderzoeksresultaten aan individuele professoren of onderzoekers
                                                                                                      65
                                 geeft, in plaats van aan onderzoeksorganisaties.
                                 2. Infrastructuur
                                 ESFRI: kansen en bedreigingen
en aantrekkelijk Europa vraagt   State-of-the-Art infrastructuur is nodig om als Europa aantrekkelijk te blijven voor
 state-of-the-art infrastructuur onderzoekers en bedrijven. Er zijn verschillende soorten infrastructuur, de belang-
                                 rijkste zijn single sited (op een specifieke locatie), distributed (een netwerk) en
                                 virtual (een digitaal netwerk). Een onderzoek naar Europese onderzoeksfaciliteiten
                                 concludeert dat tweederde van alle faciliteiten single sited zijn. De kosten van het
                                 opzetten van een faciliteit verschillen sterk per domein, maar de gemiddelde kosten
                                 zijn 60 miljoen euro, met een minimum van 20 miljoen. De jaarlijkse operationele
                                 kosten liggen rond de 10% van de constructiekosten. Driekwart van de grote
                                 faciliteiten zijn te vinden in de vier grootste EU landen Frankrijk, Duitsland,
                                                                                 66
                                 het Verenigd Koninkrijk en Italië.
                                 64   Towards an EU Blue Card? The Proposed Delegation of National High-Skilled Immigration Policies to the EU-Level,
                                      L. Cerna, ISA Annual Conference 2008
                                 65   Voluntary guidelines on framework conditions for joint programming in research 2010, beschikbaar via
                                      http://www.era.gv.at/space/11442/directory/19999/doc/21643.html
                                 66   Trends in European Research Infrastructures, EC/ESF, 2007
                              43 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>                             De kosten voor het opzetten en onderhouden van deze verschillende soorten infra-
                             structuur zijn niet op te brengen door individuele lidstaten. In 2002 is dit door de
             ESFRI-programma Commissie onderkend en is het European Strategy for for Research Infrastructures
                             (ESFRI) opgezet die een lijst van Europese prioriteiten heeft geproduceerd voor toe-
                             komstige onderzoeksinfrastructuur.
                             In de nieuwe innovatiestrategie is het doel om in 2015 60% van de door ESFRI
                             geprioriteerde infrastructuur gelanceerd of gecompleteerd te hebben. De totale
                             financiële omvang van de ESFRI projecten is echter zo groot (totaal ongeveer
                             20 miljard), dat forse investeringen van de lidstaten zullen worden gevraagd.
                             De EU heeft slechts in beperkte mate geld uitgetrokken voor de voorbereidingsfase
                             (preparatory phase) en de echte implementatie (construction phase) zal dus van de
                             lidstaten moeten komen.
                             Implementatie van ESFRI projecten is vaak een langdurig politiek en bestuurlijk tra-
                             ject waardoor het momentum van een zich aandienende nieuwe technologie of
                             infrastructuur verloren dreigt te gaan. De langetermijnplanning weerhoudt met
                             name het bedrijfsleven vaak om te investeren. Deelname vanuit het bedrijfsleven is
                             dan ook zeer mager en private investeringen blijven achter. Bedrijven maken vooral
                             via publiek-private samenwerking gebruik van de faciliteiten, geschat wordt dat
                                                                                                                                  67
                             16% van de onderzoekstijd van de faciliteiten door bedrijven wordt benut.                                 Om
                             private en publieke financiering te stimuleren, wil de Commissie in de toekomst ook
                             de Structuurfondsen inzetten om locale infrastructuur via het smart specialisation
                             beleid te stimuleren.
                             In Nederland heeft het Innovatieplatform in 2005 in het rapport ‘Kennisambitie en
                             researchinfrastructuur’ het belang van grootschalige onderzoeksfaciliteiten onder-
                             streept en gewezen op de noodzaak om meer structureel te investeren. In antwoord
                             op dit rapport werd eind 2005 een eenmalige impuls gegeven van 100 miljoen
                             euro, waarmee vijf grote faciliteiten zijn gerealiseerd op verschillende weten-
                                                      68
                             schapsterreinen.            Daarna is in reactie op de ESFRI-roadmap de Nederlandse road-
                             map Grootschalige Onderzoeksfaciliteiten opgesteld. Deze geeft aan wat de
                             Nederlandse prioriteiten zijn en hoe ze aansluiten op de Europese prioriteiten. De
Ook in Nederland een roadmap roadmap omvat 25 voorstellen voor grootschalige onderzoeksfaciliteiten. De laatste
                             stand van zaken is dat vijftien grote infrastructuren zijn geselecteerd in verband met
                                                                            69
                             aansluiting op de ESFRI agenda.                   In 2008 is een start gemaakt met de prioritering
                             van vijf initiatieven waarvoor een bedrag van 63 miljoen euro op de NWO-begroting
                                                     70
                             is gereserveerd.            Daarnaast zijn er vijf ESFRI-faciliteiten geselecteerd die niet zo
                             zeer financiële als wel Nederlandse politieke steun behoeven teneinde ze een goede
                             67   De rol en meerwaarde van grote onderzoeksfaciliteiten, Technopolis 2011
                             68   Zie http://www.nwo.nl/nwohome.nsf/pages/NWOA_6JUG34
                             69   http://www.closingthedeal.nl/news/7460/waar-staan.html
                             70   Brief van minister van OCW aan de Tweede Kamer van 26 november 2008, kamerstuk 21 501-30/22 112, nr. 197
                                  (Projecten: E-ELT, CLARIN, ESSurvey, BBMRI, KM3Net)
                          44 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>   uitgangspositie te geven in de Europese onderhandelingen.71 Ook zijn er middelen
                                                                                                              72
   gereserveerd voor NWO, oplopend tot 20 miljoen euro structureel in 2011.                                       Vanuit
   Europa hebben inmiddels elf projecten met daarin Nederlandse partners een zoge-
                                                             73
   noemde preparatory grant ontvangen.
   Wat zijn de effecten van de implementatie van de ESFRI agenda voor Nederland?
   Een kans voor Nederland is dat het mee kan liften met pan-Europese infrastructuur
   (facility sharing). Het hoeft dan niet zelf alle infrastructuur in huis te hebben. Dit
   geldt met name voor fysieke infrastructuur. Een bedreiging daarbij is wel dat alle
   grote, met name fysieke, infrastructuur buiten Nederland terecht komt en dat
   Nederland de spin-off rond een dergelijke fysieke infrastructuur misloopt. Ook maakt
   de grote financieringsdruk die het opzetten en onderhouden van grote infrastructuur
   met zich meebrengt het moeilijk voor Nederland om het initiatief te nemen.
   Wat zijn de effecten van implementatie van de ESFRI agenda in de top-
   sectoren?
   De Europese Commissie heeft geen geld voor implementatie van de (volledige)
   roadmap. Op dit moment is er bij de meeste lidstaten ook onvoldoende geld om
   volledig deel te nemen in alle infrastructuur projecten, hoewel sommige landen nog
   steeds actief investeren. Frankrijk heeft bijvoorbeeld onlangs 260 miljoen euro geïn-
   vesteerd in negen projecten in de Life sciences voor een periode van tien jaar.
   De EU heeft ook prioriteiten gesteld met de toegekende preparatory grants en
   hoopt dat dit leidt tot publieke co-investeringen vanuit de lidstaten. Het aantrekken
   van private investeringen is een probleem omdat de infrastructuur vaak zeer funda-
   menteel van aard is. Er wordt tot nu toe maar in beperkte mate door de industrie in
   infrastructurele projecten geïnvesteerd en gebruik van gemaakt.
   In de High tech en plantenverdeling speelt de ESFRI agenda geen grote rol in
   Nederland. De benodigde infrastructuur is meestal niet zo groot en duur dat het
   pan-Europees moet worden opgezet. Deze infrastructuur wordt door bedrijven en
   kennisinstellingen zelf opgezet. In de ogen van bedrijven duurt het opzetten van
   Europese infrastructuur vaak ook te lang; ze willen snel kunnen inspelen op opko-
   mende technologieën en niet wachten tot Europese besluitvorming is afgerond.
   Vooral in de High tech is het onderzoek zodanig internationaal, dat facility sharing
   geen probleem is. Zo participeren de internationaal opererende bedrijven als ASML
   en NXP bijvoorbeeld in het ESFRI project PRINS (Paneuropean Research
   Infrastructure for Nano-Structures), waaraan verder geen Nederlandse kennisinstel-
   lingen meedoen.
   71   Nederlandse Roadmap grootschalige onderzoeksfaciliteiten, 2008 (projecten SHARE, ESS, PRINS, SKA en EATRIS)
   72   Nederlandse roadmap grootschalige onderzoeksfaciliteiten, kabinetsreactie, 2009
   73   http://ec.europa.eu/research/infrastructures/index_en.cfm?pg=preparatory_phase_projects
45 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>ESFRI is belangrijk voor de Life In de rode Life sciences speelt grote pan-Europese infrastructuur wel een belangrijke
                       sciences  rol. Twee voorbeelden zijn hier BBMRI (Biobanking and Biomolecular Resources
                                 Research Infrastructure) en EATRIS (European Advanced Translational Research
                                 InfraStructure in Medicine). Voor BBMRI is de financiering rond via FES. Voor EATRIS
                                 was geen nationale financiering gereserveerd; dit project stond in de nationale
                                 roadmap geprioriteerd voor alleen politieke steun. Er is vanuit het veld veel druk
                                 geweest om het coördinatorschap van EATRIS en daarmee het administratieve
                                 hoofdkantoor naar Nederland te krijgen, wat uiteindelijk ook gelukt is.
                                 BBMRI
                                 Onderlinge samenwerking tussen biobanken is essentieel voor beter onderzoek, betere
                                 diagnostiek en behandeling van talrijke multifactoriële aandoeningen zoals kanker, diabetes,
                                 en hart- en vaatziekten. In Europees verband werd het belang van samenwerkende biobanken
                                 erkend en ESFRI bracht het proces van integratie van biobanken op Europees niveau in een
                                 stroomversnelling. Het leidde tot de start van het Europese Biobanking and Biomolecular
                                 Resources Research Infrastructure (BBMRI.) Na 3 jaar doen 53 consortia uit 30 landen hierin
                                 mee.
                                 BBMRI-NL is het Nederlandse nationale knooppunt binnen BBMRI-EU. Zij vormt het
                                 Nederlandse samenwerkingsverband tussen biobanken. Het is zelf geen biobank, maar facili-
                                 teert de onderlinge samenwerking door harmonisatie en verrijking van bestaande biobanken.
                                 BBMRI-NL is een initiatief van onderzoekers en clinici uit de acht Universitair Medische Centra
                                 en andere kennisinstellingen. Het Europese BBMRI-initiatief ontving een starting grant van
                                 5 miljoen euro vanuit Brussel.
                                 NWO heeft een budget van 22,5 miljoen euro ter beschikking gesteld voor de eerste fase van
                                 de Nederlandse ‘hub’ van BBMRI-EU.
                                 EATRIS
                                 EATRIS is een consortium van toonaangevende centra op het gebied van geneeskundig trans-
                                 lationeel onderzoek uit (vooralsnog) negen EU-lidstaten. Deze centra werken samen om de
                                 concurrentiepositie van Europa op het gebied van translationeel onderzoek te versterken.
                                 EATRIS ondersteunt deze centra teneinde de Europese onderzoekers toegang te geven tot de
                                 benodigde state-of-the-art infrastructuur en faciliteiten voor biomedisch translationeel onder-
                                 zoek. EATRIS zal ook bijdragen aan verbeterde kennisuitwisseling en standaardisering van
                                 biomedische gegevens. Het uiteindelijke doel is een snellere vertaling van fundamenteel
                                 biomedisch onderzoek naar concrete producten en diensten ten behoeve van de patiënt.
                                 Het administratieve hoofdkantoor van EATRIS is met succes naar Nederland gehaald. De toe-
                                 wijzing ervan was een politiek besluit. De hoofdrolspelers CTMM, ZonMw en NFU en later ook
                                 het ministerie van VWS ambieerden het hoofdkantoor naar Nederland te halen vanuit de
                                 opvatting dat zulke hoofdkantoren bijdragen aan de aantrekkingskracht van Nederland.
                                 In dit geval had Nederland te maken met concurrentie vanuit Italië.
                             46  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                                 Kansen voor Nederland
                                 Uitgangspunt voor Nederland is dat Europees beleid bij moet dragen aan zwaarte-
      ESFRI moet bijdragen aan   puntvorming in Nederland, dit geldt ook voor deelname aan Europese ESFRI projec-
          zwaartepuntvorming     ten. In een case-by-case benadering moet daarbij gekeken worden in hoeverre
                                 Nederland ook echt een leidende rol wil spelen en waar we alleen mee willen doen.
                                 De nationale roadmap is daarvoor een belangrijk instrument. Omdat technologische
                                 ontwikkelingen snel kunnen gaan, is het van belang een regelmatige update van de
                                 roadmap te maken. Op deze manier is duidelijk wat de Nederlandse prioriteiten zijn
                                 en hoe de overheid zich in het Europees beleid moet opstellen. Aansluiting bij
                                 Europese infrastructuur is belangrijk, maar op het moment dat op Europees niveau
                                 wordt gekozen voor prioriteiten die niet bij de eigen zwaartepunten aansluiten,
                                 moet Nederland terughoudend zijn met steun. Ook moet er een duidelijk exit-
                                 strategie zijn als blijkt dat zich de ontwikkelende infrastructuur alsnog niet bijdraagt
                                 aan nationale zwaartepuntvorming.
                                 Voor de raad is daarbij de geringe (financiële) steun vanuit het bedrijfsleven een
                                 punt van zorg. Ook in bijvoorbeeld BBMRI en EATRIS is de private steun nog gering.
                                 Juist omdat het hier om fundamentele onderzoeksinfrastructuur gaat is steun vanuit
                                 de publieke sector op zijn plaats, maar moet er een duidelijke strategie zijn om
                                 binnen de looptijd van een project private steun te verwerven. Uiteindelijk is dit
                                 essentieel om na de opstartfase te kunnen blijven bestaan.
                                 3. Kaderprogramma’s voor onderzoek
                                 De naam van de opvolger van het zevende kaderprogramma (KP7) staat inmiddels
                                 vast: Horizon 2020. Omwille van de leesbaarheid wordt het hier nog aangeduid als
                                 KP8. KP7 is de tot nu toe grootste investering geweest die de EU heeft gedaan in
                                 het fundament van de Europese kennissamenleving. Het programma heeft een
                                 wereldwijde uitstraling en is van fundamenteel belang voor de Europese kennisin-
                                                                   74
                                 stellingen en industrie.              In 2013 loopt KP7 af waarna een start gemaakt wordt met
        Nederland succesvol in   het Horizon 2020, ofwel KP8. Voor Nederland verloopt KP7 tot nu toe in financiële
             Kaderprogramma      zin gunstig met een totaal retourpercentage van 6,6%. Per jaar worden ongeveer
                                 1200 onderzoekers vanuit het kaderprogramma gefinancierd. Het succes is vooral te
                                 danken aan de bottom-up initiatieven van individuele onderzoekers en bedrijven die
                                 goede projectvoorstellen schrijven. Uit de evaluatie van KP6 blijkt dat het grootste
                                 deel van geld is gegaan naar hoger onderwijs- en onderzoeksinstellingen (785 mil-
                                 joen euro, 71%), industrie haalt hiervan 176 miljoen euro (16%) binnen aan subsi-
                                 diegelden. Met deze verdeling loopt Nederland in de pas met de Europese
                                 gemiddeldes. Naast de bijdrage in geld is de meerwaarde voor het Nederlandse veld
                                                                                                    75
                                 uit te drukken in een aantal duidelijke effecten:
 Deelname KP belangrijk voor     –          Duurzame netwerkvorming en samenwerking met de beste onderzoekers en
nis, netwerk en internationale              bedrijven;
                     profilering
                                 74   Interim Evaluation of the seventh framework programmme, EC 2010
                                 75   Impact Europese kaderprogramma’s in Nederland, Technopolis 2009
                              47 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   –          Nieuwe kennis en inzichten;
   –          Internationale profilering van onderzoekers en onderzoeksgroepen.
   De tussentijdse evaluatie van KP7 heeft wel een aantal aandachtspunten aan het
   licht gebracht. Met name de administratieve lastendruk en het achterblijven van
   deelname uit het MKB zijn belangrijke punten voor verbetering. In KP7 blijft de
   Nederlandse MKB deelname (12%) tot nu toe zelfs achter bij het Europese
                                76
   gemiddelde (15%).                Ook het slagingspercentage van ingediende projecten is rela-
   tief laag. In de toekomstige programma’s moet dit veranderen. De Innovation Union
   geeft een aantal uitgangpunten voor het toekomstige kaderprogramma om deze
   problemen aan te pakken. Simplificatie en gebruikersvriendelijkheid zijn daarbij
   essentieel om ook het MKB te verleiden mee te doen. Daarnaast komt er meer
   afstemming van de onderzoeks- en innovatiedimensies, mede door verdere stroom-
   lijning van het kaderprogramma met het Competitiveness and Innovation
   Framework Programme (CIP) en de Structuurfondsen. Ook wordt er gestreefd naar
   het verder openen van het kaderprogramma voor derde landen om op deze manier
   ook de toegang tot internationale markten buiten Europa te kunnen vergroten.
   Op dit moment loopt de consultatie van de lidstaten over het vervolg op KP7 en is
   er weinig te zeggen over de exacte invulling ervan. Naar verwachting gaan de ERC,
   het EIT en de nieuwe European Innovation Partnerships (EIPs) een belangrijke rol
   spelen bij de invulling van KP8. Ook zullen maatschappelijke uitdagingen een pro-
   minente plaats binnen het nieuwe kaderprogramma. In deze analyse gaat de raad
   afzonderlijk in op deze instrumenten.
   4. European Research Council (ERC)
   Versterking positie van de ERC: kansen en bedreigingen
   Het onderhouden van de sterke Europese kennisbasis is één van de belangrijkste
   Europese prioriteiten. De European Research Council (ERC) is daarvoor een belang-
   rijk instrument. De ERC is voornamelijk bedoeld voor ongebonden, nieuwsgierig-
   heidgedreven onderzoek; investigator driven frontier research. Het is daarmee de
   Europese tegenhanger van NWO. ERC is onderdeel van KP7 en heeft een budget
   van 7,5 miljard euro van 2007 tot 2013, 15% van KP7.
   Nederlandse onderzoekers doen het goed in de ERC. Nederland staat op de derde
   plaats als het gaat om het aantal toekenningen per 1000 onderzoekers en op de
   tweede plaats (na Zwitserland) als het gaat om het aantal toekenningen per miljoen
   inwoners (zie Figuur 4). Meer dan 50% van de gehonoreerde aanvragen gaat naar
   onderzoekers uit Frankrijk, Duitsland en het VK, met Nederland, Italië, Spanje en
                                          77
   Israël in de tweede groep.
   76   Nederland in KP7, AgentschapNL 2010
   77   Interim evaluation of the 7th framework programme, EC 2010
48 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>ERC stimuleert excellente Uit recente cijfers blijkt dat de ERC doet wat het moet doen; ervoor zorgen dat
        wetenschap(pers)  excellente wetenschappers in Europa blijven en ook excellente wetenschappers van
                          buiten Europa aantrekken. Onderzoekers die via de ERC worden gefinancierd heb-
                          ben meestal ook al meer dan gemiddeld de beschikking over nationale fondsen
                          – het is de Europese top – en de ERC helpt ze bij de beslissing om in Europa te blij-
                          ven. Daarnaast heeft de ERC een belangrijk effect op de synchronisatie van peer
                          review procedures in Europa, een aantal landen heeft de ERC procedures inmiddels
                                                                 78
                          al integraal overgenomen.
                          De nieuwe Europese strategie zet in op een sterkere positie van de ERC. Wat bete-
   EU wil een sterker ERC kent een sterker ERC met een groter budget voor Nederland? Een sterker ERC biedt
                          in eerste instantie een aantal kansen voor Nederland. Nederlandse onderzoekers
                          doen het goed en zullen waarschijnlijk ook goed blijven presteren vanwege de kwa-
                          liteit van de kennisbasis. NWO procedures zijn in lijn met ERC procedures en
                          Nederlandse onderzoekers zijn daarom goed voorbereid. De vraag is echter of dit zo
                          zal blijven. Andere landen raken snel gewend aan de ERC procedures en nemen ze
                          zelfs één op één over. Daarnaast verandert met een groter wordend ERC de verhou-
                          ding tussen NWO en de ERC. De vraag is hoe de competitie op Europees niveau (via
                          de ERC) zich met een nationale competitie (via NWO) zal moeten verhouden.
                                                                    79
                          Figuur 4: ERC toekenningen per land
                          78   Towards a World class frontier research organisation, ERC review panel 2009
                          79   Aangepast uit: Recommendations on German Science Policy in the European Research Area, Wissenschaftsrat 2010
                       49 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>                                Wat zijn de effecten van een groter ERC voor de topsectoren?
                                Binnen de drie geanalyseerde topsectoren wordt niet erg verschillend gedacht over de
                                ERC en de Europese plannen om de ERC een prominentere positie te geven bij het
                                versterken van de kennisbasis; met een excellente kennisbasis trekt de EU meer talent
                                en bedrijvigheid aan. De rol van de ERC lijkt daarbij onomstreden. Het onderscheid zit
                                hem eerder in de manier waarop kennisinstellingen en bedrijven met de ERC omgaan.
    ERC is te academisch voor   Voor bedrijven is de ERC niet zeer relevant; het wordt als te academisch gezien. Ook
                      bedrijven ervaren bedrijven de inspanningen in relatie tot de geringe kans van slagen als te
                                hoog. Voor bedrijven ligt het onderzoek ook vaak te ver van de eigen prioriteiten.
Kennisinstellingen voorstander  De kennisinstellingen uit de bestudeerde topsectoren zijn voorstander van een ver-
             van versterkte ERC sterkt ERC. De kennisinstellingen zijn ervan overtuigd dat een versterkt ERC met meer
                                financiële middelen het houden of aantrekken van internationaal toptalent in
                                Nederland zal vergemakkelijken. Nu zijn het nog teveel kruimels en worden toponder-
                                zoekers met veel grotere bedragen gelokt naar Azië of de Verenigde Staten. Er is ver-
                                trouwen dat het onderzoek in Nederland in de bestudeerde topsectoren van een
                                dergelijk topniveau is dat ze in te toekomst hier blijven of hier naar toe komen. ERC
                                kan hierbij helpen, vooral ook om onderzoekers van buiten Europa aan te trekken.
                                Binnen kennisinstellingen worden onderzoekers gestimuleerd om een ERC-grant te
                                bemachtigen. Deze persoonsgebonden subsidies zijn financieel interessant en hebben
                                status. In de meeste gevallen zien onderzoekers het als de slagroom op de taart.
                                Het verwerven van een ERC subsidie levert status en extra geld, maar men is niet
                                financieel afhankelijk van deze subsidies.
                                Nederlandse onderzoekers doen het goed in de ERC. ERC procedures zijn in lijn met
                                NWO procedures en dit wordt als een groot voordeel gezien door het veld. Op ter-
                                mijn zou dit kunnen veranderen als andere lidstaten ERC procedures overnemen
                                waardoor Nederland geen competitief voordeel meer heeft. Als alle nationale proce-
                                dures vanuit de lidstaten worden gesynchroniseerd, zou Nederland positie kunnen
                                verliezen. Door de drie topsectoren, maar ook door NWO, wordt dit echter niet als
                                zeer bedreigend gezien; de kwaliteit van de onderzoeker is leidend en er is vertrou-
                                wen dat onderzoekers in Nederland goed blijven presteren.
                                Kansen voor Nederland
                                Er is vertrouwen bij de topsectoren dat in de toekomst Nederland goed zal blijven
                                presteren bij een groter wordend ERC. Het competitieve voordeel van Nederland
                                verdwijnt als onderzoekers uit andere lidstaten ook gewend zijn aan ERC procedu-
                                res. Op dat moment is er sprake van een echt level-playing field en zullen onderzoe-
                                kers in Nederland op kwaliteit moeten concurreren met onderzoekers uit de andere
                                Europese lidstaten. De sterkte van de kennisbasis is dan leidend. De kans op succes
                                is dan het grootst als Nederland inzet op de zwaartepunten waar een sterke kennis-
                                basis aanwezig is en sterke onderzoekers aanwezig zijn. De Nederlandse overheid
                             50 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>                       moet daarom zwaartepuntvorming via de ERC stimuleren.
                       De vraag is echter wat de meerwaarde is van twee gelijksoortige competities via
                       NWO en via de ERC. De ERC starting en advanced grants hebben nu al grote gelij-
                       kenis met de NWO Vernieuwingsimpuls. Onderzoekers proberen vaak ook bij beide
                       competities geld te verwerven.
                       Bij een groter wordende ERC met meer financiële mogelijkheden is er sprake van
                       een suboptimaal systeem waarin onderzoekers zich zowel via nationale en Europese
                       competities inzetten voor financiering. Het schrijven van onderzoeksvoorstellen kost
                       veel tijd en met twee sets van voorwaarden, twee verschillende formats voor indien-
                       ding en twee procedures zal dat nog meer tijd gaan kosten. Het integreren van
                       gelijksoortige competities is dan een logische stap. Nederland zou zich moeten
Integreer ERC en NWO   inzetten voor één Europese competitie. NWO zou op dat moment onderdeel kun-
           competities nen zijn van de ERC, net zoals De Nederlandsche Bank onderdeel uitmaakt van het
                       systeem dat onder leiding staat van de Europese Centrale Bank. Het handhaven van
                       geografische grenzen in de competitie heeft dan geen functie meer. NWO kan daar-
                       bij de uitvoering van een deel van de Europese competitie op zich nemen. Dit onder
                       voorwaarde dat ook de andere lidstaten in dit systeem meedoen. NWO houdt daar-
                       naast nog steeds een aanvullende taak bij het bewaken van een sterke, brede
                       Nederlandse kennisbasis.
                       ERC is gelanceerd in KP7 en wordt naar alle waarschijnlijkheid een belangrijke com-
                       ponent van KP8. Het wordt het instrument om de Europese kennisbasis verder te
                       versterken. Om meer aan te sluiten bij de doelstellingen van de Innovation Union
                       lanceert de ERC nu ook proof of concept financiering die het mogelijk moet maken
                                                                                                     80
                       om goede ideeën versneld naar de markt te kunnen brengen.                        Bij de ERC komt er
                       dus meer nadruk op het toepasbaar maken van fundamentele kennis. Ook in
                       Nederland heeft NWO in de nieuwe strategie meer aandacht voor kennisbenutting,
                                                                                                        81
                       hier lopen de prioriteiten van NWO en ERC steeds meer parallel.                     In het medische
                       onderzoek heeft ZonMw deze doelstelling ook, evenals STW voor het technisch
                       wetenschappelijk onderzoek.
                       Voor de zwaartepunten is de toepassing van fundamentele kennis essentieel. Vanuit
                       de geanalyseerde topsectoren wordt ook meer aandacht gevraagd voor de moge-
                       lijkheden om in te zetten op meer kennisbenutting via de ERC. In de rode Life scien-
                       ces heeft Nederland met het translationele onderzoek een sterkte in huis waarvoor
   Heb oog voor meer   binnen de ERC meer aandacht zou moeten zijn. Op dit moment is het vrijwel niet
      kennisbenutting  mogelijk hiervoor financiering te krijgen via de ERC. In de High tech geldt hetzelfde
                       voor de engineering. Nederland zou in Europees verband in moeten zetten op het
                       verruimen van de mogelijkheden om via de ERC ook deze vormen van onderzoek
                       gefinancierd te krijgen.
                        80   ERC press release ‘New ERC funding initiative to spur innovation’, 2011
                        81   Groeien met kennis, NWO strategie 2011-2014
                    51 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>                                5. European Institute for Innovation and Technology (EIT)
                                Versterken positie EIT: kansen en bedreigingen
                                Het EIT startte als de Europese tegenhanger van het Amerikaanse Massachusetts
                                Institute of Technology (MIT). Het wordt gezien als best practice voor excellentie in
                                innovatie in Europa en is in de ogen van de EU een essentieel onderdeel van de
                                                                                                  82
                                omslag naar een Europese kenniseconomie.                             Het is het eerste initiatief dat de ver-
T integreert de kennisdriehoek  schillende aspecten van de kennisdriehoek (kennis- educatie-innovatie) integreert in
                                één instituut.
                                In zogenaamde Knowledge and Innovation Communities (KICs) wordt deze kennis-
                                driehoek verder vormgegeven. Een KIC is een innovatie ecosysteem: een netwerk
                                van wetenschappers en mensen uit het bedrijfsleven die samen de achterstand op
                                het gebied van innovatie binnen Europa willen wegwerken. Door de samenwerking
                                met internationale partners uit kennisinstellingen en bedrijfsleven wordt zowel de
                                effectiviteit van onderzoek en ontwikkeling als de mobiliteit van onderzoekers ver-
                                groot. De opgezette KICs hebben een looptijd van zeven tot vijftien jaar en een
                                jaarlijks budget van 50-100 miljoen euro. Nederlandse kennisinstellingen en
                                bedrijfsleven nemen deel in alle drie van de tot nu toe geselecteerde KICs en heb-
                                ben een belangrijke rol gespeeld in de opstartfase. De overheid heeft in deze fase
                                slechts een zeer kleine rol gespeeld.
                                Er is wel veel commentaar op de KICs. Uit de evaluatie van het EIT blijkt dat de
                                angst bestaat dat de KICs relatief gesloten gemeenschappen worden waarbij nieuw-
                                                                                            83
                                komers zich moeilijk kunnen aansluiten.                         Er is bovendien veel discussie over de
                                administratieve lastendruk vanuit de EU, vooral met betrekking tot regelgeving over
                                intellectueel eigendom. Op dit moment staan de KICs echter nog in de startblokken
                                en is er nog weinig te zeggen over het halen van de doelstellingen.
                                In de Innovation Union wordt de rol van het EIT belangrijker. Er zullen meer KICs
    EU wil een grotere rol voor worden opgezet en ze krijgen een belangrijke rol bij het onderwijs op het gebied
                        het EIT van entrepreneurship. Dit moet uiteindelijk ook leiden tot een officiële EIT-degree.
                                Ook krijgen de KICs een rol bij de aanpak van de grote maatschappelijke uitdagin-
                                gen op Europees niveau.
                                Wat zijn de effecten van een sterkere rol voor het EIT voor Nederland? In eerste
                                instantie zal het kansen bieden om actief te worden in nieuwe KICs en om op deze
                                manier de kennisdriehoek in bepaalde sectoren sterker te integreren. Vooral de kop-
                                peling met het onderwijs wordt door het veld gewaardeerd. Bedreigingen zijn te
                                verwachten aan de kant van co-financiering; 75% van de KIC kosten moeten door
                                het veld worden opgebracht. De EU financiert de KICs voor slechts 25%. Het wordt
                                82   Zie http://eit.europa.eu/home.html
                                83   External Evaluation of the European Institute of Innovation and Technology, EC 2011
                             52 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>                                 steeds moeilijker deze co-financiering op te brengen, omdat zowel bedrijven als
                                 kennisinstellingen financieel in zwaar weer terecht zijn gekomen. Aan Nederlandse
                                 zijde biedt de in het regeerakkoord aangekondigde omzetting van subsidies in
                                 revolving funds onzekerheid over toekomstige co-financieringsmogelijkheden.
                                 Wat zijn de effecten van een groter EIT voor de topsectoren?
                                 Vanuit het EIT zijn inmiddels drie KICs gestart: KIC ICT Labs, KIC InnoEnergy en KIC
        Nederlandse bedrijven    Climate. In alle drie de KICs zijn Nederlandse partners actief uit bedrijven en kennis-
n kennisinstellingen zijn actief instellingen. Vooral de grote multinationale bedrijven als DSM, Shell, Philips en NXP
                     in de KICs  zijn actief.
                                 De Nederlandse High tech sector is vanaf het begin betrokken geweest bij de
                                 opstart van het EIT en neemt volop deel aan de KIC ICT en in de KIC InnoEnergy.
                                 De deelnemers zijn het erover eens dat het succes van de KICs nog moet blijken.
         Moeilijke opstartfase   De KICs zitten 1,5 jaar na aanvang nog altijd in de opstartfase. Het succes komt
                                 aan op de uitvoering. Veel gehoorde klachten zijn dat de processen bestuurlijk inge-
                                 wikkeld zijn, lang duren en dat de spelregels te lang onduidelijk zijn.
                                 De deelnemende partijen twijfelden er echter niet aan om in te stappen. Ten eerste
                                 staan ze achter het doel; het met elkaar verbinden van onderwijs, onderzoek en
                                 innovatie in één initiatief met locaties in verschillende lidstaten. Het biedt de kans
                                 om best practices te delen.
                                 Ten tweede heerst het gevoel dat je de boot niet mag missen. Deelname aan een
                                 KIC is goed voor het netwerk en het op de hoogte blijven van nieuwe informatie.
                                 Daarbij wordt het EIT waarschijnlijk een belangrijke peiler in KP8. Bij zulke trajecten
                                 is het van belang dat je tijdig aan tafel zit en dat je mee kunt beslissen over de
                                 vorm en inhoud. Opvallend is dat het financiële gewin als overweging van secundair
                                 belang wordt beschouwd.
                                 Bedrijven en kennisinstituten in de High tech zien de samenwerking met concurren-
                                 ten binnen het EIT niet als een bedreiging. Het delen van kennis en het eventuele
                                 verlies van positie weegt niet op tegen de meerwaarde die er te halen is. Bedrijven
                                 kunnen niet meer alle kennis in eigen huis hebben wat samenwerking met andere
                                 partijen, zoals deelname in een KIC, steeds noodzakelijker maakt. Daarbij maken
                                 bedrijven vooraf een duidelijke kosten-baten afweging over hun inbreng. De core
                                 business wordt in huis gedaan, deze kennis wordt niet gedeeld.
                                 De topsectoren rode Life sciences en plantenveredeling hebben op hun terrein
                                 geen KIC. Wel is er enthousiasme te vinden voor het opzetten van een nieuwe KIC.
                                 De belangstelling voor de KIC heeft in beide sectoren dezelfde overwegingen als bij
                                 partijen uit de High tech sector: KIC geldt als een extra samenwerkings- en financie-
                                 ringskans. En partijen onderschrijven het belang van samenwerking in de kennis
                             53  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>                               driehoek. Punt van zorg in deze sectoren is dat een groot deel van de publieke en
                               private co-financiering vastzit in Nederlandse publiek-private samenwerkingen.
Governance en co-financiering  De topsectoren zien bedreigingen rondom het EIT op twee vlakken, te weten de co-
        vormen bedreigingen    financiering en de governance. De EU-financiering van 25% wordt als laag gezien.
                               Kennisinstellingen kunnen de co-financiering moeilijk opbrengen en bedrijven
                               vinden het snel een te grote investering en geven er dus geen prioriteit aan.
                               De afhankelijkheid van nationale en regionale publieke co-financiering is daarom
                               groot. Omdat de co-financiering uit een groot aantal verschillende bronnen komt
                               moet ook verantwoording worden afgelegd aan die verschillende bronnen, wat
                               de governance ingewikkeld maakt. In de InnoEnergy KIC zit naast nationale co-
                               financiering bijvoorbeeld ook 6 miljoen euro van de provincie Noord-Brabant.
                               Als nationale en regionale middelen wegvallen dan komt de co-financiering en
                               daarmee deelname in Europese programma’s zoals het EIT in gevaar. En het is daar-
                               bij de vraag of de nieuwe alternatieve financieringsinstrumenten, zoals de revolving
                               funds waarop de regering inzet, de toekomstige behoefte aan co-financiering kan
                               dekken. Grote, internationaal opererende bedrijven geven aan dat als er via de
                               revolving funds niet aan de co-financieringsmogelijkheden kan worden voldaan in
                               Nederland, er via buitenlandse vestigingen naar mogelijkheden wordt gezocht om
                               toch mee te kunnen doen. Het gevaar bestaat dat daarmee onderzoek uit
                               Nederland verdwijnt.
                               Kansen voor Nederland
                               Centraal binnen het EIT staat de verbinding van de kennisdriehoek. Het succes van
                               de Nederlandse deelname tot nu toe ligt vooral in de hoge mate van zelforganisatie
                               van de Nederlandse partners in een KIC. Bedrijven en kennisinstellingen die mee-
                               doen hebben vaak al een lange traditie van samenwerking en kunnen daarom
                               gemakkelijk instappen. Ook uit de evaluatie van het EIT bleek dat de eerste KICs
                               zijn georganiseerd rond partners die al langere tijd samenwerken. De raad is van
                               mening dat Nederlandse deelname in nieuwe KICs zich in eerste instantie moet con-
Concentreer op de topsectoren  centreren op de zwaartepunten. Hier is de mate van zelforganisatie relatief hoog.
                               Ook zijn hier vaak gezamenlijke strategische agenda’s en zijn de mogelijkheden tot
                               co-financiering het grootst. De deelname van private partijen is hierbij belangrijk,
                               het ligt dan ook voor de hand deelname aan KICs in eerste instantie te concentre-
                               ren rond de topsectoren.
                               Omdat de spelregels van de KICs nog in ontwikkeling zijn, dient de Nederlandse
                               overheid er voor te waken dat de spelregels zo worden dat het aantrekkelijk voor
                               Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen wordt om deel te nemen. En dat de
                               spelregels niet gekaapt worden door de Europese politieke belangen. Bijvoorbeeld,
                               het verplicht stellen van diversiteit van landen en/of soorten bedrijven werkt belem-
   Kwaliteit moet leidend zijn merend. Kwaliteit moet leidend zijn- en blijven.
                           54  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                             De KICs hebben een belangrijke locale uitstraling. Regionale clusters van kennisin-
                             stellingen en bedrijvigheid uit verschillende landen werken hier samen. Regionaal
                             beleid heeft hier daarom ook een belangrijke rol. De nadruk op regionaal econo-
                             misch beleid (met een belangrijke rol voor de regionale ontwikkelingsmaatschappij-
                             en) in het regeerakkoord is in lijn met de Europese ambities van het EIT en het
                             smart specialisation beleid. Daarbij vindt de raad dat er voldoende aandacht moet
                             zijn voor het governance aspect. Het door elkaar lopen en overlappen van verant-
                             woordelijkheden op regionaal, nationaal en Europees niveau moet niet leiden tot
                             onduidelijkheden in de aansturing en teveel bureaucratische verantwoording.
                             6. Innovatie-vriendelijke publieke aanbesteding
                             Innovatie-vriendelijke publieke aanbesteding: kansen en bedreigingen
                             Zoals in hoofdstuk 2 ook al is aangegeven, is er de laatste jaren een grote nadruk
                             geweest op maatregelen gericht op de aanbodzijde van innovatie bij de overheid.
                             De Innovation Union zet daarom ook in op vraagsturing van innovatie, onder ande-
De EU inzet is de voltooiing re via de voltooiing van één Europese aanbestedingsmarkt (single procurement mar-
         van één Europese    ket) waarbij elke lidstaat budget moet reserveren voor publieke aanbesteding
      aanbestedingsmarkt     gericht op innovatieve producten en diensten. In 2004 werd becijferd dat slechts
                             3% van de biedingen op aanbestedingen in Europese lidstaten internationaal zijn,
                             er liggen dus kansen om de markt voor innovatieve overheidaanbestedingen meer
                                                                 84
                             internationaal te maken.
                             Een onderdeel van het innovatief aanbesteden dat de Europese Commissie hoog op
                        PCP  de agenda heeft staan, is precommercial public procurement (PCP). Via PCP kan de
                             overheid opdrachtgevers stimuleren om van een innovatief idee tot een economisch
                             levensvatbaar product te komen. Het gaat hierbij om het aanbesteden van oplossin-
                             gen die anders nog niet commercieel haalbaar zouden zijn.
                             Nederland loopt samen met het Verenigd Koninkrijk voorop in Europa als het gaat
                             om (innovatieve) aanbestedingsmaatregelen en wordt in Europa daarom vaak als
                             best practice genoemd. Nederland heeft met PIANOo inmiddels ook een expertise-
                             centrum voor publieke aanbesteding opgezet waar kennis vanuit verschillende
                                                                        85
                             overheden wordt gebundeld.                    Nederlandse overheden kopen jaarlijks voor ongeveer
                             60 miljard euro in. Overheden zijn verplicht om zich daarbij te houden aan Europese
                             regelgeving, de aanbestedingsrichtlijnen (EAR). De bedoeling van deze richtlijnen is
                             om internationale marktwerking bij het verkrijgen van overheidsopdrachten te
                             bevorderen. De weg naar een Europese aanbestedingsmarkt is met de Europese
                             aanbestedingsrichtlijnen al geruime tijd geleden ingezet, maar de regels worden niet
                             door alle lidstaten op dezelfde wijze geïmplementeerd, toegepast en nageleefd.
                             Ook in Nederland komt internationalisering maar beperkt van de grond.
                             84   A report on the functioning of public procurement markets in the EU, EC 2004
                             85   www.pianoo.nl
                          55 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>                              Een analyse van 980 Europese overheidsaanbestedingen door de Nederlandse over-
Nog weinig aanbestedingen op  heid in de periode 2002-2007 liet zien dat slechts 5 internationale EU contracten
              Europese schaal werden gesloten (0,5%). Vaak ging het daarbij om zeer specialistische apparatuur
                                                                                                             86
                              of diensten die niet in Nederland werden aangeboden.                              Recente voorbeelden – het
                              Britse RBS die ‘huisbank’ van de Nederlandse overheid is geworden of een Duits
                              concern dat 120 windmolens in Nederland gaat bouwen – doen een eerste kente-
                              ring vermoeden.
                              Internationalisering wordt ook belemmerd doordat de toelatingseisen voor kleinere
                              innovatieve MKB bedrijven vaak streng zijn in Europese aanbestedingprocedures en
                              ook zijn de toelatingseisen op buitenlandse markten vaak een probleem. Procedures
                              duren vaak ook lang, waardoor het MKB vaak interesse verliest om mee te doen.
                              Nederland kent een eigen toepassing – in navolging van de Verenigde Staten – op
   Nederland heeft eigen SBIR het gebied van PCP: Small Business Innovation Research (SBIR). SBIR wordt sinds
                  programma   2009 op steeds grotere en bredere schaal toegepast en is een aanbestedingsinstru-
                              ment waarbij de Nederlandse overheid de kracht van aanbesteding gebruikt voor
                              het vinden van innovatieve oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken. SBIR-
                              projecten richten zich op de ontwikkelfase. Twee voorbeeldprojecten zijn ‘Static
                              Cooling’, waarbij de Rotterdamse Penintentaire Inrichting Noordsingel als eerste
                              overheidsgebouw een koelsysteem kreeg waaraan alleen water en lucht te pas
                              komen. Een ander voorbeeld is ‘Digidijk’ dat heeft geleid tot betere dijkbewaking
                              via satelliettechnologie.
                              Wat zijn de effecten van het creëren van één Europese aanbestedingsmarkt voor
                              Nederland? Als de synchronisatie van procedures en een level-playing field op
                              Europees niveau echt een feit wordt, biedt dit kansen voor het Nederlandse (innova-
                              tieve) bedrijfsleven om buitenlandse opdrachten binnen te halen. Nu worden er
                              slechts zeer beperkt buitenlandse opdrachten binnengehaald, zeker door het MKB.
                              Een bedreiging hierbij is dat de competitie op Europees niveau toeneemt en dat
                              opdrachten naar buitenlandse partijen kunnen gaan. Lidstaten kunnen manieren
                              blijven zoeken om hun eigen industrie te beschermen waardoor er nooit echt spra-
                              ke kan zijn van één Europese aanbestedingsmarkt. Ook de Europese staatssteunre-
                              gels zijn hier belangrijk. De interpretatie en implementatie van deze regels moet
                              uniform zijn in de Europese lidstaten, waardoor concurrentieverstoring wordt tegen-
                              gegaan. De tijdelijke Europese maatregelen om (decentrale) overheden meer ruimte
                              te verlenen voor staatssteun aan bedrijven die door de crisis zijn getroffen, werken
                              hierbij vertroebelend. Deze maatregelen blijven in 2011 van kracht sommigen lopen
                              zelfs door tot in 2012-2013. Er wordt door de EU lidstaten intensief gebruik
                              gemaakt van deze maatregelen, EU landen gaven in 2008 279 miljard Euro uit aan
                                                                                                                     87
                              staatssteun (2,24% van het BBP), vier keer meer dan in 2007.                              Ook Nederland ver-
                              leende in 2008 2,73% van het BBP aan staatsteun, onder andere aan een aantal
                                          88
                              banken.
                              86   Europees aanbesteden, onmogelijk, onnodig of anders..? P.C Tanghe 2007
                              87   http://www.europa-nu.nl/id/vi3bgauyv3o0/europese_staatssteun_tijdens_de
                              88   http://epp.eurostat.ec.europa.eu/tgm/table.do?tab=table&init=1&plugin=1&language=en&pcode=tsier100
                           56 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>                               Wat zijn de effecten van één Europese aanbestedingmarkt voor de topsectoren?
                               Zoals hierboven is aangegeven is de weg naar een Europese aanbestedingsmarkt via
                               de Europese aanbestedingsrichtlijnen al geruime tijd geleden ingezet, maar gaan
                               lidstaten er op hun eigen manier mee om en komt de europeanisering van de aan-
toren sceptisch over komst van bestedingsmarkt maar beperkt van de grond. Deze praktijk doet de meeste geïnter-
      één aanbestedingsmarkt   viewden vanuit de topsectoren sceptisch reageren op de doelstelling te komen tot een
                               Europese level-playing field. Het vermoeden is dat er weinig zal veranderen. Overheden
                               zullen – indien ze dat willen – de aanbesteding zo formuleren dat eigen bedrijven een
                               voorsprong hebben in de aanvraag. Dat gebeurt nu ook al. Zeker in de plantenverede-
                               ling waarbij het veel om voedingszaden gaat is de verwachting dat men de kennis- en
                               productiebasis zoveel mogelijk in eigen land wil houden.
Eén aanbestedingsmarkt biedt   Niettemin is tevens de verwachting dat mocht de Europese aanbestedingmarkt er
                       kansen  komen dit dan kansen biedt voor het Nederlandse bedrijfsleven. Vooral de High tech
                               en plantenverdeling zullen door het (relatief) sterke nationale bedrijfsleven een sterke
                               positie kunnen innemen. In de High tech sector is de verwachting groot; in veel over-
                               heidsaanbestedingen zijn High tech onderdelen, zoals chips, een belangrijke compo-
                               nent. Denk bijvoorbeeld aan het SBIR-project Digidijk. Zeker bedrijven als NXP, ASML
                               of Philips met vestigingen door heel Europa zullen via hun lokale vestigingen opdrach-
                               ten kunnen binnenhalen. Verder heeft deze sector veel te winnen bij de opschaling
                               op EU-niveau; de Nederlandse markt is te klein. Groeimarkten liggen echter ook buiten
                               Europa, vooral in Azië. De Europese markt is interessant om nieuwe innovatieve
                               producten in de markt te zetten en te testen om ze daarna ook verder buiten Europa
                               te vermarkten.
                               Voor rode Life sciences ligt dat door het grotendeels ontbreken van multinationale
                               bedrijven anders. De Europese aanbestedingsmarkt is alleen interessant voor deze
                               MKB-rijke sector als aanbestedingen klein van formaat en specifiek qua inhoud zijn,
                               innovatieve aanbestedingen via SBIR lijken hiervoor bij uitstek geschikt.
                               Overheden dienen bij de (innovatieve) aanbesteding rekening te houden met de
                               Europese regels voor staatssteun. In alle sectoren speelt de angst dat Nederland zich
                               bij de interpretatie van de Europese staatssteunregels te streng opstelt waardoor het
                               Nederlandse bedrijfsleven aanbestedingsopdrachten mis zou kunnen lopen. Dit wordt
                               gezien als een serieuze bedreiging. Veel bedrijven geven aan de indruk te hebben dat
                               Nederland vaak het netste jongetje van de klas wil zijn, terwijl andere lidstaten het
                               eigen bedrijfsleven wel in bescherming nemen. Of ze hebben de indruk dat de kennis
                               van de staatssteunregels vooral op lokaal niveau te laag is wat leidt tot risicomijdend
                               gedrag van diezelfde overheid. Voor wat betreft de staatssteun is het probleem dat
                               het niet mogelijk is om één enkele vuistregel te geven. Afhankelijk van de soort steun,
                               de aard van het project en de onderneming kunnen immers verschillende regels gelden.
                               Hieruit volgt dat voor elk project afzonderlijk zal moeten worden gekeken of dit onder
                               één van de vrijstellingen van staatssteun valt. Maatwerk en voldoende expertise is
                               derhalve essentieel.
                            57 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>                               Kansen voor Nederland
                               De Europese inzet op meer (innovatieve) aanbestedingen wordt alom geprezen, het
                               biedt kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven. De bedreiging dat bij een echte
                               Europese aanbestedingsmarkt meer opdrachten buiten Nederland terecht komen,
                               wordt gezien als onderdeel van de aanbestedingsmarkt, als onderdeel van het spel.
                               Daarnaast is er vertrouwen dat sectoren met sterke innovatieve bedrijvigheid de
                               competitie met buitenlandse concurrenten gemakkelijk aankunnen.
nut potentieel vaan innovatief De raad is van mening dat Europese en Nederlandse overheden het potentieel van
                  aanbesteden  innovatieve aanbesteden veel meer zouden moeten benutten.
                               De Nederlandse overheid kan via aankoopbeleid, via het creëren van nieuwe mark-
                               ten en via PCP/SBIR-achtige constructies innovatie sterk stimuleren. Een actieve inzet
                               betekent onder meer dat de overheid:
                               •         budgetten vrij moet maken;
                               •         de aanbestedingscriteria moet herijken waarbij de mate van kwaliteit en
                                         innovatie naast de (lage) prijs komt te staan;
                               •         voor meer bewustwording zorgt door de informatievoorziening over innova-
                                         tieve aanbesteding stevig uit te breiden, zowel richting marktpartijen als
                                         eigen organisaties (met name lokale en regionale overheden);
                               •         goed meedenkt over slimme aanbestedingsopdrachten. Waar is de innovatie
                                         te halen?
                               In het AWT advies Kapitale Kansen zijn een aantal aanbevelingen voor het beter
                               functioneren van SBIR verder uitgewerkt. Een aandachtspunt is bovendien dat de
                               innovatieve aanbestedingsprogramma’s zich niet alleen moeten richten op het MKB.
                               SBIR heeft bijvoorbeeld vaak een te beperkte scope. Ook de grote industrie heeft
                               baat bij dergelijke PCP-achtige programma’s. Daarbij is het wel belangrijk rekening
Dynamiek sectoren vraagt om    te houden met de dynamiek in een sector; heeft de sector meer baat bij kleinere
                     maatwerk  SBIR-achtige instrumenten gericht op het MKB (zoals in rode Life sciences sector) of
                               juist meer aan instrumenten gericht op het grotere bedrijfsleven. Betere voorlichting
                               aan regionale overheden over de mogelijkheden om innovatieve aanbesteding ver-
                               der in te voeren wordt door de sectoren als een kans gezien. Een groot deel van de
                               overheidsaanbestedingen komt immers uit de regio.
                               Met betrekking tot het toepassen van de Europese staatssteunregels bij aanbeste-
Interpreteer staatssteunregels dingen adviseert de raad om hierbij de grenzen van de Europese regelgeving op te
          niet onnodig streng  zoeken, zodat het Nederlandse bedrijfsleven optimaal kan profiteren.
                           58  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>                            7. Niet R&D- gedreven innovatie
                            Meer inzet op niet- R&D gedreven innovatie: kansen en bedreigingen
                            Een deel van de innovatieve bedrijven voert R&D zelf uit, binnen de eigen muren.
                            Maar niet alle innovaties zijn gebaseerd op eigen R&D. Deze bedrijven worden door
                            de EC aangeduid als ‘niet- R&D gedreven innovatieve bedrijven’. Binnen Europa
                            voert 46% van de innovatieve bedrijven geen eigen R&D uit. De verschillen tussen
                            de individuele lidstaten zijn groot. In Denemarken is slechts 8% van de innovatieve
                            bedrijven niet-R&D gedreven, in Bulgarije 91% (zie Figuur 5). Voor Nederland is
                            het aandeel van niet-R&D gebaseerde innovatieve bedrijvigheid klein ten opzichte
                            van andere lidstaten, slechts 17%. Daarbij is Nederland na Denemarken de laagst
                                                                      89
                            scorende lidstaat op dit punt.                Het grootste deel (83%) van de innovatieve bedrij-
                            ven in Nederland voert dus eigen R&D uit.
                            Hoe innoveren niet-R&D gedreven bedrijven? Europees onderzoek toont aan dat
                            deze bedrijven hun innovatieactiviteiten voornamelijk baseren op geavanceerde
                            machines en computer systemen die zijn aangeschaft om nieuwe producten en
                            services in de markt te zetten. Maar ook innovatie-gerelateerde training, design en
                            marketing zijn belangrijk voor innovatie bij deze bedrijven. Om deze bedrijven van-
                            uit het Europees beleid te ondersteunen is meer aandacht nodig voor deze vormen
                            van innovatie. Tot nu toe lag de nadruk van het EU-instrumentarium sterk op R&D-
                            of technologie-gebaseerde innovatie. Nederland heeft zich altijd sterk gemaakt voor
                                                                                       90
                            inzet op deze ‘andere’ vormen van innovatie.                  Nederland heeft met de diensten-
                            sector ook een belangrijke economische activiteit waarin innovatie niet altijd R&D
                            gebaseerd is.
Niet-R&D innovatie volop op Deze ‘zachte’ vormen van innovatie (bv. design, business modellen, sociale innova-
       de Brusselse agenda  tie) worden nu ook expliciet meegenomen in de innovatiestrategie van de EU. In de
                            ogen van de EU is niet-R&D gedreven innovatie ook noodzakelijk om de opbreng-
                            sten van R&D gebaseerde innovatie op een evenredige manier over de EU te verde-
                            len. Er wordt concrete actie ondernomen; om de creatieve sector meer te betrekken
                            bij innovatie wil de Europese Commissie een European Design Leadership board en
                            een European Creative Industries Alliance opzetten. Ook wil de Commissie een
                            onderzoeksprogramma voor sociale innovatie opzetten en wil het een European
                            Social Innovation Pilot lanceren dat als virtueel hub moet dienen voor het delen van
                            expertise. Het European Social Fund (ESF) investeerde in het verleden al substantieel
                            in sociale innovatie, met name in capacity building, kennisoverdracht tussen lidsta-
                            ten en (onder andere) in innovatieve activiteiten gerelateerd aan nieuwe vormen van
                            werkorganisatie, vaardigheden en productiviteitsverbetering. De meeste overheden
                            89   European Innovation Scoreboard, Pro Inno, 2007
                            90   Zie ook Kabinetsstandpunt Europe 2020.
                         59 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>   hebben aangegeven behoefte te hebben aan meer experimenten en een opschaling
   van de activiteiten. In Nederland werd in 2006 hiervoor het Nederlands Centrum
   voor Sociale Innovatie (NCSI) opgericht. Het NCSI bevordert en initieert innovaties
   op het terrein van management, organisatie en arbeid in organisaties.
   De inzet op niet-R&D gedreven innovatie biedt kansen voor Nederland. Het delen
   van kennis hierover is dus belangrijk. Nederland heeft ook een sterke creatieve
   sector – benoemd als topsector – die in deze kruisbestuiving een belangrijke rol kan
   spelen. Een bedreiging is dat Europees beleid op dit gebied er ook voor kan zorgen
   dat andere lidstaten meer profiteren dan Nederland omdat ze er afhankelijker van
   zijn dan Nederland.
   Figuur 5: R&D en niet-R&D gedreven innovatie in de Europese lidstaten91
   91    Innovation Union, a rationale for action, EC 2010
60 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>                               Wat zijn de effecten van meer aandacht voor niet R&D gedreven innovatie
                               voor de topsectoren?
Sectoren erkennen belang van   Vanuit de drie topsectoren wordt het belang van niet-R&D gedreven innovatie
 niet-R&D gedreven innovatie   onderstreept. Een nieuwe technologische ontwikkeling volstaat niet; de verkoop van
                               producten hangt in grote mate af van zaken als goede marketing, design, nieuwe
                               businessmodellen en gebruiksgedreven visies. Ook is er het besef dat de groeiende
                               focus op maatschappelijke uitdagingen vraagt om een meer interdisciplinaire aan-
                               pak. En dat sociale innovaties als het ontwikkelen van nieuwe managementvaardig-
                               heden of het hanteren van nieuwe organisatieprincipes bijdraagt aan het versterken
                               van de productiviteit en organisatie wordt alom erkend. Het bedrijfsleven neemt
                               hierbij het voortouw, kennisinstellingen zijn hier veel minder mee bezig.
                               De blik in de drie sectoren staat gericht op dit soort nieuwe innovaties. In de High
                               tech sector wordt bijvoorbeeld het belang van ‘look and feel’ al geruime tijd erkend
                               en toegepast. Philips is bijvoorbeeld zeer actief in dit veld. In de rode Life sciences
                               krijgt het perspectief van de zorggebruiker een steeds centralere rol in (technologi-
                               sche) innovaties. En in de plantenverdeling draait het niet alleen meer om het ont-
                               wikkelen van het beste ras, maar krijgt ook het nadenken over hoe het product in
                               de schappen gaat belanden groeiende aandacht. Opvallend is wel dat in de bestu-
                               deerde sectoren veel toeleverende MKB bedrijven aanwezig zijn die geen eindpro-
                               ducten in de markt zetten. Hier speelt niet-R&D gedreven innovatie een kleinere rol.
                               In het algemeen is men van mening dat deze vorm van innovatie vooral in de dien-
                               stensector een belangrijke rol speelt. Hier bieden de Europese activiteiten daarom
                               grote kansen. Omdat Nederland ook weinig internationale hotspots heeft in deze
                               sector, biedt de Europese aanpak kansen om Europese markten verder te verken-
                               nen. De dienstenrichtlijn die moet zorgen voor een vrije markt van diensten in de
                               EU, kan hierbij behulpzaam zijn.
                               Kansen voor Nederland
                               De vraag die alom werd gesteld vanuit de sectoren was in hoeverre de overheid een
                               rol heeft in de ontwikkeling van niet-R&D gedreven innovatie. Nieuwe marketing-
                               strategieën zijn bijvoorbeeld onderdeel van de core business van een bedrijf en hier
Rol van de overheid is beperkt heeft de overheid geen directe rol. De raad is van mening dat de overheid hier
                               terughoudend moet zijn. Ze heeft een bescheiden rol en moet zich concentreren op
                               het stimuleren van kennisdeling en kruisbestuiving tussen sectoren. In Nederland
                               kan dit door het koppelen van de topsector Creatieve Industrie met de andere top-
                               sectoren, waardoor creatieve innovaties beter worden gekoppeld aan technologi-
 Betrek de creatieve industrie sche innovaties. Het beter naar voren schuiven van de creatieve industrie in de
                                                                                                                                                        92
                               Europese discussies biedt kansen voor verdere internationalisering van deze sector.
                               Ook moet er bij innovatief aanbesteden door de overheid meer aandacht zijn voor
                               vormen van niet-R&D gedreven innovatie.
                               92   In de monitoring van de sleutelgebieden werd internationalisering van de Creatieve Industrie genoemd als één van de
                                    verbeterpunten naast zelforganisatie en economische kracht.
                            61 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>                               8. Innovatie-vriendelijke regulering
                               Innovatie-vriendelijke regulering: kansen en bedreigingen
                               Naast publieke aanbesteding is ook de introductie van innovatie-vriendelijke regule-
Regulering heeft grote invloed ring een vorm van vraagsturing van innovatie. Het creëren van nieuwe markten voor
                  op innovatie nieuwe technologieën is meer gekoppeld aan beslissingen met betrekking tot regu-
                               lering dan aan subsidies. Een geharmoniseerde reguleringsomgeving is hiervoor
                               essentieel. De regulatoire randvoorwaarden moeten zo worden ingericht dat op het
                               moment dat een nieuw product de markt bereikt, er nieuwe marktplaatsen
                               gevormd kunnen worden. In het Lead Market Initiative (LMI) van de EU wordt deze
                                                                                                                       93
                               aanpak voor zes verschillende markten geïmplementeerd.                                      In deze markten wordt
                               nationale en internationale regelgeving onderzocht op innovatievriendelijkheid en
                               worden best practices tussen verschillende lidstaten uitgewisseld. Veel regulering
                               blijkt nog zeer gefragmenteerd en de invoering van Europese regelgeving loopt in
                               de verschillende lidstaten vaak verre van synchroon waardoor marktgroei wordt
                               geremd.
                               De aandacht voor innovatie-vriendelijke regulering wordt belangrijker in het toe-
                               komstige Europese innovatiebeleid. Naast hoofdlijn in de Innovation Union is dit één
                               van de hoofdlijnen van het Europese vlaggenschip An industrial policy for the glo-
                               balisation Era. De Commissie komt ook met wetgeving die standaardisatie moet ver-
                               gemakkelijken en wil de eigen wetgeving en die van de lidstaten screenen op
                               innovatievriendelijkheid om op deze manier de randvoorwaarden op de Europese
                               markten meer te synchroniseren. Meer afstemming tussen de verschillende lidstaten
                               biedt kansen voor Nederlandse bedrijven op buitenlandse markten, maar biedt ook
                               kansen voor buitenlandse bedrijven op de Nederlandse markt. Daarnaast kan regel-
                               geving voor specifieke sectoren ongunstig uitvallen. Ook kunnen landen zonder
                               sterke innovatieve bedrijvigheid strengere wetgeving willen om eigen markten te
                               beschermen.
                               Wat zijn de effecten van de nadruk op meer innovatie-vriendelijke
                               Europese regulering voor de topsectoren?
 Sectoren hechten belang aan   In de drie sectoren wordt het belang van wetgeving die harmonisatie vergemakke-
        innovatieve regulering lijkt en innovatie bevordert, onderstreept. De topsectoren hebben baat bij een
                               geharmoniseerde interne Europese markt, de Nederlandse markt is klein. Een level-
                               playing field op Europese schaal is aantrekkelijk. Europees beleid biedt hier dus
                               kansen. De sectoren hebben verder hoge verwachtingen van de stimulerende wer-
                               king die van innovatie-vriendelijke regulering uitgaat. Ze vinden dat de overheid in
     Dwingende overheid kan    sommige gevallen een dwingende rol op zich moet nemen om innovatie te stimule-
          stimulerend werken   ren, omdat het bedrijfsleven dit uit zichzelf niet zal doen. Voorbeeld waar dit
                               93   De zes markten zijn eHealth, sustainable construction, protective textiles, bio based products, recycling, renewable
                                    energies.
                            62 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>                        gewerkt heeft is de uitfasering van de gloeilampen. Dit was voor het bedrijfsleven
                        een stimulus om de verbeterde en milieuvriendelijkere ledlampen (verder) te ontwik-
                        kelen. Een ander voorbeeld zijn de nieuwe Europese wettelijke vereisten voor ver-
                        mindering van CO2-uitstoot bij personenauto’s. Zij hebben grote druk uitgeoefend
                        op de auto industrie om voertuigen te ontwikkelen die minder brandstof verbruiken
                        en lagere emissieniveaus hebben.
Regelgeving is soms ook Regelgeving kan ook bedreigend zijn voor Nederlandse sectoren, iedere sector kent
            bedreigend  wel voorbeelden hiervan. In de plantenverdeling is een voorbeeld van EU-regelge-
                        ving die bedreigend is voor de sector de strenge regelgeving rondom Genetisch
                        Gemodificeerde Organismes (GGO’s). Tegelijkertijd is het zo dat verscherpte GGO-
                        regelgeving ertoe heeft geleid dat de Nederlandse veredelingssector zich ging rich-
                        ten op andere vormen van veredeling via niet-GGO technologieën. Met succes,
                        want de Nederlandse sector heeft zich kunnen ontwikkelen tot koploper op het
                        gebied van zaadveredeling op basis van niet-GGO technologieën.
Twee voorbeelden: GGO   Europa en Genetische Gemodificeerde Organismes (GGO’s)
                        In de plantenveredelingssector is men ervan overtuigd dat de Europese regelgeving op het
                        gebied van genetisch gemodificeerde organismes (GGO’s) voor de sector negatief uitpakt.
                                                                                                                                94
                        Onder druk van de negatieve publieke opinie – een groeiend wantrouwen tegen GGO’s                          –
                        gelden sinds 1988 strenge regels rondom GGO’s. Teelt, handel en het gebruik zijn aan zeer
                        strenge regels gebonden.
                        In de jaren ’90 vond in Nederland veel onderzoek plaats naar GGO’s onder meer bij verschil-
                        lende groente-, fruit- en sierbloemgewassen. Na 2000 als gevolg van de invoering van nog
                        restrictievere regelgeving daalt het aantal onderzoeksvelden zeer sterk. De ontwikkeling en
                        innovatie van GGO’s vindt nu voornamelijk buiten de EU plaats. In 2009 groeide het aantal
                                                                                                                         95
                        hectare met GGO’s wereldwijd met 7% naar een totaal van 134 miljoen hectare.                         De koplo-
                        pers zijn de Verenigde Staten (64 mln. hectare), Brazilië (21,4), Argentinië (21,3), India (8,4) en
                        Canada (8,2) en meer en meer ook China loopt hierbij voorop en bouwt de voorsprong snel
                        uit. Bovendien worden in steeds meer landen GGO-gewassen toegelaten en gecultiveerd.
                        Vanuit de sector wordt gevreesd dat de EU bezig is aan een achterhoede gevecht.
                        Ook kunnen Europese regels voor individuele lidstaten ongunstig uitvallen of door
                        nationale overheden te streng of te los worden geïnterpreteerd. Voorbeeld van een
                        strenge interpretatie uit de rode Life sciences sector is het kindgebonden onderzoek
                        door het bedrijf Prosensa. Uiteindelijk zou een te strenge interpretatie van de
                        Europese regels ervoor kunnen zorgen dat bedrijven uit Nederland vertrekken.
                        94   Europese Commissie: Europeans and Biotechnology in 2005: Patterns and Trends, 2005; Zie:
                             http://ec.europa.eu/research/biosociety/public_understanding/eurobarometer_en.htm
                        95   http://www.gmo-compass.org/eng/agri_biotechnology/gmo_planting/257.global_gm_planting_2009.html
                     63 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>                    Prosensa Prosensa en Duchenne Spierdystrofie
                             In 2009 rondde de commissie Doek zijn rapport ‘Medisch-wetenschappelijk onderzoek met kin-
                             deren in Nederland’ af. Eén van de conclusies was dat het voor wetenschappers gemakkelijker
                             gemaakt moet worden om medisch-wetenschappelijk onderzoek met kinderen te kunnen doen.
                             Dit soort onderzoek is aan zeer specifieke voorwaarden gebonden. Regelgeving hierover is in
                             Brussel afgestemd en opgenomen in de Richtlijn Goede Klinische Praktijken. Elke lidstaat
                             implementeert de richtlijn op eigen wijze. Een voorbeeld daarvan vormt het experimentele
                             medicijn dat het Leidse Biotechbedrijf Prosensa heeft ontwikkeld tegen Duchenne spierdystro-
                             fie. Recent publiceerden onderzoekers in het New England Journal of Medicine dat het
                                                                   96
                             medicijn veilig en effectief is.         Het klinisch onderzoek met kinderen dat aan deze conclusies
                             voorafging wilde het bedrijf aanvankelijk in Nederland uitvoeren. Uit ethische gronden werd
                             de toestemming in eerste instantie niet gegeven, waarna het klinisch onderzoek werd uitge-
                                                                                                                                       97
                             voerd in België en Zweden; Europese landen waar dezelfde Europese richtlijn van kracht is.
                             De regels zijn inmiddels verruimd waardoor het kindergebonden onderzoek van Prosensa ook
                             in Nederland kan worden uitgevoerd.
                             De voorbeelden maken duidelijk dat er voor- en nadelen zijn en dat Europese regel-
                             geving zorgvuldig afgewogen moet worden. Regelgeving kan voor innovatie ongun-
                             stig uitpakken, ook door de implementatie op nationaal niveau.
                             Kansen voor Nederland
                             Goed overleg vooraf met de betrokken sectoren over de implicaties van de regelge-
                             ving is belangrijk. Het is essentieel op tijd inspraak te hebben op Europees niveau.
Overleg tijdig met betrokken Grote bedrijven, zoals binnen de High tech sector, hebben goede eigen ingangen in
                    sectoren Brussel. Veelal rechtstreeks maar ook via nationale en Europese koepelorganisaties
                             proberen deze bedrijven het beleid vooraf te beïnvloeden. Hierin trekken ze beperkt
                             op met de Nederlandse overheid. De lidstaat Nederland is veelal pas verderop in het
                             regelgevingstraject betrokken en dat wordt ervaren als a) erg laat – veel staat al
                             vast en b) erg gecompliceerd.
                             De Nederlandse overheid moet in deze trajecten vooral zorgen dat de Nederlandse
                             belangen voldoende worden gediend. Grote multinationale ondernemingen hebben
                             immers de mogelijkheid om innovatie te verplaatsen uit Nederland om aan nationa-
                             le of Europese regelgeving te ontkomen, hiervoor moet worden gewaakt. De
                             Nederlandse overheid moet dus voldoende aandacht hebben voor de kansen en
                             bedreigingen van Europese regelgeving voor het Nederlandse bedrijfsleven. Dit geldt
 Waak over de belangen van   met name voor het MKB; voor het midden- en kleinbedrijf is de weg naar Brussel te
                    het MKB  lang en te gecompliceerd. De afhankelijkheid van koepelorganisaties en de overheid
                             is voor deze sector groot. De topsectoren aanpak biedt de mogelijkheid al bij de uit-
                             werking van de plannen, in een vroeg stadium, regelgeving expliciet mee te nemen.
                             96   http://www.nejm.org/doi/full/10.1056/NEJMoa1011367#t=articleTop
                             97   http://www.medicalfacts.nl/2011/03/29/geneesmiddelenonderzoek-met-kinderen-nederland-op-achterstand/
                          64 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>                             9. Smart specialisation
                             Meer inzet op smart specialisation: kansen en bedreigingen
                             Territoriale samenwerking wordt in de Europese plannen sterker aangezet in het
                             smart specialisation beleid. Meer aandacht voor smart specialisation betekent meer
      Europa gaat clustering nadruk op het vormen van fysieke onderzoeks- en innovatieclusters in de regio; het
                stimuleren…  slim uitbouwen van regionale sterktes. De nabijheid van actoren in de innovatieke-
                             ten wordt hierbij belangrijker. Smart specialisation gaat vaak samen met clustering
                             van onderzoeks- en innovatieactiviteiten. De EU wil dit faciliteren door het beter
                             koppelen van het regionale beleid (Structuurfondsen) aan het onderzoeks- en inno-
                             vatiebeleid.
                             In het European Institute for Innovation and Technology (EIT) is dit proces al gaan-
                             de. De KICs zijn lokaal georganiseerd, er zit zowel nationaal, regionaal als Europees
                             geld in en de nadruk ligt op de combinatie van onderwijs, onderzoek en innovatie.
                             De intentie van de EU is niet om overal onderzoeks- en innovatieclusters te laten
                             ontstaan binnen Europa. Er wordt geconcentreerd op bestaande Europese sterktes.
                             Uiteindelijk is het de bedoeling dat slechts één of enkele clusters overblijven per
…maar wil geen wildgroei aan ‘specialisatie’. Hierbij is de uitgangsgedachte van de EU dat elk land minimaal één
                    clusters of meerdere excellente clusters heeft. Om deze ontwikkelingen kracht bij te zetten
                             roept de commissie een smart specialisation platform in het leven dat de lidstaten
                             moet helpen dit beleid te implementeren. In eerste instantie zijn de lidstaten hier
                             zelf aan zet, verwacht wordt dat ze plannen ontwikkelen om de Structuurfondsen
                             te koppelen aan innovatie en smart specialisation in de periode na 2013.
                             Het belang van clustering wordt in Nederland onderschreven in het Regeerakkoord:
                             “Het is voor de economische ontwikkeling en innovatie belangrijk dat bedrijven
                             geclusterd kunnen opereren,…..”. De clusters zullen maximaal worden gefaciliteerd
                             in het nieuwe beleid en regio’s gaan daarbij een belangrijke rol spelen. Over het
                             gebruik van Structuurfondsen voor clustering is de overheid onduidelijk. Primair
                             vindt de Nederlandse overheid dat de Structuurfondsen en cohesiefondsen in de
                             toekomst alleen bestemd moeten zijn voor de minst welvarende regio’s in de minst
                             welvarende lidstaten, waardoor het aandeel van de Structuurfondsen in de EU
                                                                             98
                             begroting substantieel kan dalen.
                             Maar toch wordt de inzet van de Structuurfondsen voor clustering van belang
                                       99
                             geacht.       In de visie van Nederland moeten Europese landen en regio’s daarbij wel
                             duidelijk maken wat de meerwaarde van de inzet is; niet overal moeten nieuwe
                             clusters ontstaan.
                             98   Nederlands Position Paper Toekomst Cohesiebeleid, ministerie van EL&I, 2010
                             99
                                  De toekomst van het cohesiebeleid, Kabinetsreactie, 2011
                          65 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>                           Wat zijn de effecten van het smart specialisation beleid voor Nederland? Nederland
                           heeft een aantal sterke clusters die Europees competitief zijn en een prominentere
                           rol kunnen gaan spelen in Europa. Inzet op versterking van bestaande clusters via
                           smart specialisation biedt hier dus kansen. Daarnaast is het meteen ook een bedrei-
                           ging; er zullen ook Nederlandse clusters zijn die de Europese competitie niet
                           overleven en daarmee Europese steun gaan verliezen.
                           De autonomie van de Nederlandse regio’s kan ook een probleem vormen bij het
                           naar voren schuiven van Nederlandse clusters vanuit één nationale visie. Iedere regio
                           zal voor de eigen kansen blijven gaan.
                           Wat zijn de effecten van smart specialisation beleid voor de topsectoren?
                           De sectoren zijn het erover eens dat clustering steeds belangrijker wordt. Clusters
                           hebben ook een grote aantrekkingskracht op kenniswerkers en infrastructuur.
Sectoren vinden clustering Clustering wordt ook noodzakelijk geacht om te kunnen overleven. Innovaties wor-
belangrijk en noodzakelijk den steeds ingewikkelder en specialistischer en de inbreng van andere partijen is
                           cruciaal om innovaties verder naar de markt te krijgen. Het fysiek concentreren van
                           partners in de innovatieketen vergroot daarbij de efficiëntie.
                           Clustering werkt echter niet van boven af maar moet van onderop komen, het kan
                           niet door de overheid geforceerd worden. Vandaar dat er vanuit de bestudeerde
Twijfels over haalbaarheid topsectoren vraagtekens gezet worden bij de Europese inzet op smart specialisation.
               EU-plannen  Het onderliggende concept wordt onderschreven, maar velen vragen zich af hoe de
                           EU haar plannen, waarbij één of enkele topclusters overblijven, wil gaan verwezen-
                           lijken. Binnen de EU spelen immers sterke nationale belangen mee. Het zal voor een
                           lidstaat moeilijk te accepteren zijn wanneer een eigen cluster buiten de topclusters
                           valt. Daar komt nog bij dat gebieden als voedsel en energie ook nog eens maat-
                           schappelijk gevoelig liggen.
                           De High tech sector ziet niettemin alleen maar kansen wanneer Europa zich gaat
                           inzetten op het versterken van de smart specialisation. De High tech sector kent
                           sterke clusters in Twente, rondom Delft en rondom Eindhoven, waarbij Brainport
                           Eindhoven tot de Europese en mondiale top behoort. De overtuiging is dat de laat-
                           ste de Europese concurrentie aankan. De aanwezigheid van sterke kenniscentra,
                           sterke bedrijvigheid en een goede internationale ligging maakt de regio Eindhoven
                           bijzonder aantrekkelijk. De samenwerking binnen de kennisdriehoek is hier op orde.
                           Wel zijn er verbeterpunten:
                           –         Nederlandse High tech regio’s zouden zich meer als één regio moeten posi-
                                     tioneren richting Europa met elk hun specialiteit.
                           –         Betere afstemming van de regionale strategische agenda’s en tegelijkertijd
                                     meer coördinatie van de nationale overheid is noodzakelijk. Er is behoefte
                                     aan eenduidige samenwerking tussen de verschillende overheidslagen.
                        66 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>                                Vanuit de plantenveredeling en rode Life sciences topsectoren worden soortgelijke
                                geluiden gehoord. De plantenveredeling kent sterke internationaal leidende clusters
                                zoals Food Valley rond Wageningen. Ook in de rode Life sciences is er sprake van
                                clustering. Voorbeeld is het Leiden Bio Science Park, één van de grootste biomedi-
                                sche clusters van Europa. In deze sector zijn echter weinig multinationals (zoals
                                grote farma bedrijven) te vinden in de clusters, in tegenstelling tot de High tech en
                                plantenveredeling.
                                Met name in de High tech en plantenveredeling is er vertrouwen dat de
                                Nederlandse clusters een Europese competitie zullen overleven; Nederland heeft hier
                                sterke en mondiaal vooraanstaande innovatieve bedrijvigheid. In de rode Life scien-
                                ces wordt aangegeven dat er hier stevige competitie is van buitenlandse clusters.
                                Kansen voor Nederland
                                Aangezien het bij smart specialisation beleid in Europa om met name bestaande
                                excellente clusters gaat, zou de Nederlandse inzet geënt moeten zijn op het naar
et smart specialisation in voor voren schuiven van de zwaartepunten met een sterke kennisbasis en sterke innova-
               de topsectoren   tieve bedrijvigheid. In de topsectoren zijn veel van deze clusters aanwezig. De raad
                                is van mening dat de Nederlandse overheid dan wel Nederland (inclusief samenwer-
     Positioneer Nederland als  kende grensregio’s) meer als één regio zou moeten neerzetten om sterker te staan
                      één regio ten opzichte van buitenlandse clusters.
                                Smart specialisation biedt ook kansen voor sectoren met nog beperkte innovatieve
                                bedrijvigheid, zoals de rode Life sciences. Clustering van belangrijke spelers in de
                                kennisbasis trekt Europese en Nederlandse bedrijven aan, op termijn kan het zorgen
                                voor acquisitie van buitenlandse en Nederlandse investeringen.
                                Dat regio’s hierin de lead krijgen, zoals in het regeerakkoord is uitgesproken, vindt
                                de raad een goede ontwikkeling. Zij hebben beter zicht op wat er speelt en hebben
                                een belangrijke rol bij het optimaliseren van de randvoorwaarden voor het functio-
                                neren van clusters. Wel zal er tussen de regio’s meer afstemming moeten komen en
                                hierin moet de nationale overheid een belangrijke coördinerende rol spelen. Zo zou
                                in de governance – zeker richting Europa – gestreefd moeten worden naar een
                                meer één-regio-uitstraling.
                                De raad vindt daarnaast dat Nederland voluit moet inzetten op het gebruik van de
Gebruik structuurfondsen voor   Structuurfondsen voor smart specialisation in Nederland. Daarbij moet goed worden
           smart specialisation gekeken hoe de krachtenverhoudingen liggen binnen Europa en in welke sectoren
                                Nederland een onderscheidende rol kan spelen.
                             67 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>                               De inzet op interregionale samenwerking tussen internationale clusters acht de raad
                               van groot belang voor de verdere ontwikkeling van de Nederlandse topclusters. Het
                               kabinet doet in de reactie over de toekomst van het cohesiebeleid een aantal voor-
                               stellen voor het verbeteren van territoriale samenwerking die de raad onder-
                                          100
                               schrijft:
                               –          Geef meer ruimte aan functionele regio’s.
                               –          Flexibiliseer de programmagebieden in de Europese territoriale samenwer-
nterregionale samenwerking is             king om meer recht te doen aan specifieke aard en geografie van de regio-
     belangrijk voor Nederland            nale economische ontwikkelingen.
                               –          Laat de programma’s van Europese territoriale samenwerking bijdragen aan
                                          de doelstellingen van Europe 2020.
                               10. European Innovation Partnerships (EIPs) en de maatschappelijke
                                     uitdagingen
                               EIPs: kansen en bedreigingen
                               EIPs worden het nieuwe vehikel op Europees niveau om de maatschappelijke uitda-
                               gingen (societal challenges) te adresseren. Gegeven de omvang van de problemen
                               en de schaarste aan middelen is het essentieel dat deze uitdagingen op een goed
      EIP zet maatschappelijke gecoördineerde manier worden aangepakt. De EIPs worden opgezet rond de maat-
          uitdagingen centraal schappelijke uitdagingen en zullen alle relevante actoren betrekken over de gehele
                               keten van onderzoek en innovatie, op EU, nationaal en regionaal niveau. Het moet
                               de investeringen coördineren, regelgeving en standaarden implementeren en de
                               vraagsturing van innovatie stimuleren; en dat alles in samenhang.
                               Bij onderzoek en innovatie gaat het om meer maatwerk te krijgen ten behoeve van
                               de maatschappelijke uitdagingen. Flexibiliteit is belangrijk; er is geen one size fits all
                               benadering mogelijk. De EU start met een pilot op het gebied van Active and
                               Healthy Ageing. Op dit moment bevindt het initiatief zich nog in de opstartfase.
                               Andere onderwerpen die later mogelijk aan bod komen zijn water, energie en mobi-
                               liteit.
                               Belangrijk instrument bij de aanpak van de maatschappelijke uitdagingen en belang-
                               rijk onderdeel van de EIP aanpak zijn de Joint Programming Initiatives (JPI’s).
                               Inmiddels zijn tien JPI’s van start gegaan met als doel de nationale onderzoeksin-
                               spanningen op de maatschappelijke uitdagingen beter te coördineren. Er worden
                               gezamenlijke visies en onderzoeksagenda’s ontwikkeld. Individuele lidstaten hebben
                               de leiding bij de verdere uitwerking. Nederland heeft de leiding bij de uitwerking van
                                                                                                                                    101
                               het JTI op het gebied van Health, Food and prevention of Diet related diseases.
                               100  Nederlandse kabinetsreactie De toekomst van het cohesiebeleid, 2011
                               101  Joint Programming in research 2008-2010 and beyond, High Level Group on Joint programming, 2010
                            68 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>                              Nederland heeft de Maatschappelijke Innovatie Agenda’s (MIA’s). Meer dan bij de
                              topsectoren en innovatieprogramma’s is bij de zeven MIA’s een maatschappelijke
                              uitdaging het uitgangspunt. Hiervoor is echter slechts een beperkt budget beschik-
                              baar (258 miljoen euro tot 2013). Continuering na deze periode is onzeker, het
                              Regeerakkoord richt zich op de economische sterktes van de topsectoren
                              Wat zijn de kansen en bedreigingen van de focus op de maatschappelijke uitdagin-
                              gen en de EIPs voor Nederland? De uitdagingen die op Europees niveau spelen,
                              spelen vaak ook op nationaal niveau. Energie en water zijn Europese uitdagingen,
                              maar zijn ook lopende MIA’s.
                              Een geïntegreerde aanpak biedt de kans om de problemen gezamenlijk aan te pak-
                              ken en niet per betrokken sector. Deze aanpak brengt de mogelijkheid om buiten-
                              landse kennis te gebruiken op nationaal niveau. Ook kan Nederlandse kennis en
                              innovatie Europees worden ingebracht, wat de toegang tot internationale markten
                              vergroot.
                              De afnemende nationale focus op de maatschappelijke uitdagingen verzwakt echter
                              de Nederlandse positie op dit terrein. De topsectoren zijn met name gericht op hui-
                              dige en toekomstige economische sterktes. Het Nederlandse veld is daarom niet
                              optimaal aangesloten bij de maatschappelijke uitdagingen zodat mogelijk niet alle
                              relevante stakeholders in beeld zijn. Ook de coördinatie tussen de departementen
                              is een uitdaging omdat verantwoordelijkheden in de aanpak van maatschappelijke
                              uitdagingen vaak over verschillende departementen heen liggen. De vraag is
                              bijvoorbeeld hoe het topsectorenbeleid aansluit bij de maatschappelijke agenda’s
                              die binnen vakdepartementen als VWS en I&M centraal staan.
                              Wat zijn de effecten van de EIPs voor de topsectoren?
                              EIPs brengen alle partners samen om gezamenlijk een agenda op te stellen op het
                              gebied van onderzoek en innovatie, inclusief alle randvoorwaarden zoals regulering
                              en standaardisatie. Ze zullen daarbij alle barrières in kaart brengen die innovaties
                              weerhouden de markt te bereiken. Over het algemeen wordt een dergelijke aanpak
   Sectoren enthousiast over  vanuit het veld ondersteund. De urgentie voor het aanpakken van de maatschappe-
          integrale aanpak…   lijke uitdagingen wordt gezien als acuut en moet daarom ook snel op de rails wor-
                              den gezet. Betrokkenen vanuit de drie topsectoren geven aan dat een integrale
                              benadering van de maatschappelijke uitdagingen zoals voorgesteld in de EIPs,
                              noodzakelijk en waardevol is. Vrijwel unaniem wordt echter de bezorgdheid uitge-
maar vrezen bestuurlijke druk sproken over de zware politieke en bestuurlijke druk op het proces, waardoor het
                              mogelijk lang kan duren voordat het echt zal gaan lopen. Dit wordt als een serieuze
                              bedreiging gezien, de insteek is ‘eerst zien dan geloven’. Vooral het bedrijfsleven is
                              kritisch.
                           69 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>                                De governance van een EIP dreigt topzwaar te worden als Europese, nationale en
                                regionale overheden zich met financiering en co-financiering gaan bemoeien, net
                                zoals in het smart specialisation beleid het geval is. Een integrale aanpak betekent
                                ook dat bestaande (onderzoeks- en innovatie)instrumenten in samenhang met
                                elkaar worden ingezet om de uitdaging aan te pakken. Te verwachten valt daarom
                                dat de kansen en bedreigingen van de individuele beleidslijnen – zoals hierboven
                                besproken – ook gelden voor de EIPs. Ook de bestudeerde topsectoren vinden daar-
                                om dat op individuele basis moet worden nagedacht over de inzet van de instru-
                                menten en de kansen en bedreigingen die spelen.
                                In de rode Life sciences wordt er vanuit veld en beleid actief ingezet op de eerste
                                pilot EIP op het gebied van Active en Healthy Ageing. Deze EIP heeft ook uitdruk-
                                kelijk binding met de High tech topsector, bijvoorbeeld als het gaat om de inzet van
                                geavanceerde apparatuur voor zelfstandig leven en wonen. Hierbij worden ook de
                                verzekeraars actief betrokken. Maar het gaat bijvoorbeeld ook over de pensioen-
                                voorziening, waar Netspar zich in Nederland uitdrukkelijk mee bezighoudt. Dit geeft
                                aan hoe divers de stakeholders zijn. De topsectoren zijn niet voldoende opgelijnd
                                langs deze maatschappelijke uitdagingen en ze zien hier dan ook een discrepantie,
                                maar ook een rol voor de overheid om de juiste partijen op het juiste moment te
                                betrekken.
                                Kansen voor Nederland
Raad onderschrijft de integrale De raad ondersteunt de integrale aanpak van de EIP’s die de Europese Commissie
aanpak maar waarschuwt voor     voorstaat. Europese samenwerking op het terrein van onderzoek en innovatie biedt
 een topzware EIP governance    een krachtiger en meer samenhangend antwoord op de maatschappelijke uitdagin-
                                gen. Hij vreest wel dat de governance van het EIP topzwaar wordt en adviseert de
                                overheid hierover in Europees, nationaal en regionaal beleid goede afspraken te
                                maken.
                                De raad is van mening dat voor de verdere invulling van de EIPs Nederland in eerste
                                instantie de nationale maatschappelijke zwaartepunten in Europa naar voren moet
                                brengen. Alleen is op dit moment niet duidelijk wat de maatschappelijke zwaarte-
                                punten zijn. De Nederlandse regering heeft met de topsectoren gekozen voor de
                                nadruk op het versterken van de concurrentiekracht en de raad signaleert hierbij
                                een spanningsveld met de maatschappelijke agenda van de Europese Commissie.
                                Tabel 1 geeft een indicatie hoe de verwevenheid tussen de topsectoren en de
                                maatschappelijke uitdagingen is. Elke Europese maatschappelijke uitdaging heeft
                                raakvlakken met meerdere topsectoren. Andersom wordt duidelijk dat een topsector
                                als High tech raakvlakken heeft met alle Europese maatschappelijke uitdagingen.
                            70  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>        De raad adviseert een visie op te stellen ten aanzien van de Nederlandse inzet voor
        de maatschappelijke uitdagingen. Deze ‘maatschappelijke agenda’ moet opgezet
        worden in overleg tussen de verschillende (vak)departementen, zodat de agenda
        breed gedragen wordt. Verder is het belangrijk dat zowel het bedrijfsleven – via de
        topsectoren – als maatschappelijke organisaties bij de ontwikkeling van de agenda
        betrokken raken. Op deze manier is er voldoende aandacht voor de Nederlandse
        dimensie in de aanpak van de maatschappelijke uitdagingen die op Europees niveau
        spelen. De overheid kan daarmee ook de juiste nationale spelers in de Europese dis-
        cussies naar voren schuiven.
   Tabel 1: Relatie tussen de Europese maatschappelijke uitdagingen102 en de topsectoren
   EU maatsch.           Globale             Afnemende          Vergrijzing         Publieke           Pandemieën         Veiligheid
   uitdagingen:          opwarming           voorraden                              gezondheid
                                             energie, water
   Topsector:                                voeding
   Water                 x                    x                                    x                                      x
   Voedsel               x                    x                 x                  x                                      x
   Tuinbouw &
                         x                    x                 x                  x                                      x
   uitgangsmaterialen
   High tech             x                    x                 x                  x                   x                  x
   Life Sciences         x                    x                 x                  x                   x                  x
   Chemie                x                    x                 x                  x                   x                  x
   Energie               x                    x                                                                           x
   Logistiek             x                    x                 x                  x                   x                  x
   Creatieve                                                    x
   industrie
        102  Er is nog geen definitieve beslissing genomen over de geprioriteerde maatschappelijke opgaven, enkele worden
             genoemd naar aanleiding van de Declaratie van Lund, zie hiervoor:
             http://cordis.europa.eu/fetch?CALLER=EN_NEWS&ACTION=D&RCN=31013
71      Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>72 Scherp aan de wind!</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>                         5   5.1
                                         Conclusies en aanbevelingen
                                         Het sectorprofiel bepaalt de effecten van Europees beleid
                             Bovenstaande analyse laat zien hoe Nederland zich het best kan opstellen in de
                             Europese discussies om ervoor te zorgen dat Europa optimaal bijdraagt aan
                             Nederlandse zwaartepuntvorming. Het toont aan dat per beleidslijn en per sector
                             er verschillen zijn in de manier waarop Europees beleid uitwerkt, waardoor er
                             consequenties zijn voor de Nederlandse opstelling.
                             Goed inzicht in de sterkte van de kennisbasis en van de innovatieve bedrijvigheid
                             binnen een sector is belangrijk om de Nederlandse opstelling in Europese discussies
                             te kunnen bepalen. In deze analyse wordt verschil gemaakt tussen sectoren met een
                             sterke of zwakke kennisbasis, gekoppeld aan sterke of zwakke innovatieve bedrij-
                             vigheid (in vergelijking met het buitenland).
                             De sterkte van de kennisbasis is gekoppeld aan de kwaliteit en de kwantiteit van de
                             kennisproductie. De citatie impact is een belangrijke kwaliteitsparameter.
                             Belangrijke indicatoren voor de kwantiteit van de kennisproductie zijn de hoeveel-
                                                                                     103
                             heid publicaties en het aantal onderzoekers.
                             De sterkte van de innovatieve bedrijvigheid is de mate waarin bedrijven in staat zijn
                             om nieuwe innovaties in de markt te zetten. Indicatoren voor het bepalen van de
                             kwaliteit en kwantiteit van de innovatieve bedrijvigheid in een sector zijn onder
                             andere de exportpositie (internationaal marktaandeel), het aantal internationale
                             topspelers en de productiviteit. Met deze criteria maakt de raad onderscheid
                             tussen vier sectorprofielen. Sectoren met een:
Vier sectorprofielen zijn te 1.        sterke kennisbasis en sterke innovatieve bedrijvigheid;
            onderscheiden    2.        sterke kennisbasis en zwakke innovatieve bedrijvigheid;
                             3.        zwakke kennisbasis en sterke innovatieve bedrijvigheid;
                             4.        zwakke kennisbasis en zwakke innovatieve bedrijvigheid.
                             In het kader op de volgende pagina worden voorbeelden genoemd van sectoren die
                             (in grote lijnen) aan de sectorprofielen voldoen. Hoe pakt het Europese beleid uit
                             voor deze sectoren met de verschillende profielen? En wat is de consequentie daar-
                             van voor het Nederlandse beleid? In Tabel 3 staan de consequenties met betrekking
                             tot de inzet van Nederlands en Europees beleid samengevat voor de vier sectorpro-
                             fielen. Het gaat hierbij niet alleen om topsectoren; deze sectorprofielen kunnen op
                             alle sectoren maar ook op delen van topsectoren worden toegepast. Een sector kan
                             sterk zijn maar onderdelen bevatten waar zwaktes in de kennisbasis of innovatieve
                             bedrijvigheid aanwezig zijn of vice versa. Neem bijvoorbeeld de sector Energie (zie
                             103   NOWT wetenschaps- en technologie indicatoren 2010
                         73  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>                                ook kader hieronder) waar generiek over gezegd kan worden dat de bedrijvigheid
                                niet volledig ontwikkeld is, maar waarbij een deelsector als ‘bij- en meestook van
ofielanalyse biedt een handvat  biomassa’ een positieve uitzondering is. De profielanalyse biedt een handvat voor
                    voor beleid beleid. Per sector zal de specifieke sectordynamiek een belangrijke rol spelen bij de
                                bepaling van het profiel. Hieronder gaat de raad in op de vier sectorprofielen zoals
                                ze in Tabel 3 zijn beschreven.
                                Sectoren, Topsectoren en sectorprofielen
                                Zijn er voorbeelden van sectoren met de vier sectorprofielen? Als eerste kijkt de raad
                                hierbij naar de topsectoren. Topsectoren hebben profiel 1, 2 of 3 (zie Tabel 2). De
                                topsectoren zijn voortgekomen uit de sleutelgebieden en opkomende sleutelgebie-
                                den van het Innovatieplatform. Opkomende sleutelgebieden waren Logistiek, Energie
                                en Life sciences & Health. Deze sectoren werden door het Innovatieplatform nog niet
                                als volwaardig sleutelgebied gezien, maar hadden de potentie om door te groeien.
                                Aan een aantal voorwaarden om als volwaardig sleutelgebied te worden gezien werd
                                                     104
                                niet voldaan.             In de Logistiek was het zelforganiserend vermogen onvoldoende
                                ontwikkeld terwijl in de Life sciences en de Energie sectoren de economische positie
                                en de (innovatieve) bedrijvigheid nog onvoldoende ontwikkeld waren.
                                Ook binnen de sleutelgebieden zijn er verschillen in profiel, in de tussentijdse evalu-
                                atie van de sleutelgebiedenaanpak is hier uitgebreid op ingegaan. Hieruit bleek dat
                                zes sleutelgebieden een sterke kennisbasis en sterke (innovatieve) bedrijvigheid heb-
                                ben. In het sleutelgebied Creatieve Industrie is de kennispositie nog onvoldoende
                                ontwikkeld. Bij deze indeling moet de kanttekening gemaakt worden dat onderde-
                                len van deze sectoren een ander profiel kunnen hebben dan de gehele sector.
                                 Tabel 2. Relatieve sterktes en zwaktes in de topsectoren
                                                        Kennisbasis        Innovatieve         Sectorprofiel
                                                                           bedrijvigheid
                                 Topsector:
                                 Water                 +                    +                 1
                                 Voedsel               +                    +                 1
                                 Tuinbouw &
                                                       +                    +                 1
                                 uitgangsmaterialen
                                 High tech             +                    +                 1
                                                                                                                  * Het topteam Creatieve Industrie heeft
                                 Life Sciences         +                    _                 2                     aangegeven dat er een vraaggestuurde
                                                                                                                    sectorbrede onderzoeksagenda moet wor-
                                 Chemie                +                    +                 1                     den ontwikkeld. Over de aansluiting tus-
                                                                                                                    sen onderzoek en innovatie wordt in het
                                 Energie               +                    _                 2                     advies van het topteam verder gezegd:
                                                                                                                    ‘Voor een sterke creatieve industrie is het
                                 Logistiek             +                    +                 1
                                                                                                                    van groot belang dat bedrijven en kennis-
                                 Creatieve                                                    3                     instellingen elkaar feilloos weten te vinden
                                                       _*                   +
                                 industrie                                                                          en van elkaar profiteren. Dat is nu echter
                                                                                                                    niet het geval’.
                                 + sterkte, _ zwakte; voor sectorprofielen zie tekst
                                104   Zie hiervoor: Voorstellen sleutelgebieden aanpak, Innovatieplatform 2004; Voortgang sleutelgebieden en tussentijdse
                                      evaluatie sleutelgebieden aanpak, Innovatieplatform 2009
                             74 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>                                 Sterke kennisbasis, sterke innovatieve bedrijvigheid
rk, sterk: Europees beleid biedt Voor sectoren met een sterke kennisbasis en sterke innovatieve bedrijvigheid biedt
                  vooral kansen  EU beleid vooral veel kansen. De sterke kennisbasis trekt onderzoekers, infrastruc-
                                 tuur en bedrijvigheid. Deelname in EU programma’s als ESFRI, ERC en EIT biedt kan-
                                 sen. Nederland kan met deze sectoren een leidende positie in Europa verwerven,
                                 waardoor het bijdraagt aan het sterker maken van Europa in de mondiale competi-
                                 tie. Andere EU landen kunnen immers profiteren van de sterke Nederlandse kennis-
                                 basis en innovatieve bedrijvigheid via Europese netwerken. Deelname in EU
                                 programma’s vanuit deze sectoren is gemakkelijker in vergelijking met andere secto-
                                 ren door private co-financiering die hier voorhanden is.
                                 Voor bedrijven in deze sectoren is de mondiale markt vaak het speelveld; perfectio-
                                 nering van de Europese innovatiemarkt is belangrijk maar wordt gezien als de
                                 springplank naar de rest van de wereld. De EU inzet op innovatie-vriendelijke regu-
                                 lering, één aanbestedingsmarkt en niet-R&D gedreven innovatie biedt kansen voor
                                 bedrijven in deze sectoren. De nadruk op smart specialisation heeft positieve effec-
                                 ten. Veel van deze sectoren hebben sterke regio’s en clusters die in Europa een pro-
                                 minente positie kunnen innemen (bv. Brainport, Food Valley).
                                 Maar niet alle kennisinstellingen en bedrijvigheid in deze sectoren zijn in clusters
                                 georganiseerd. EU beleid biedt voor deze sectoren de mogelijkheid om clustering in
                                 gang te zetten waardoor kennisinstellingen en bedrijvigheid elkaar gemakkelijker
                                 kunnen vinden. De inzet op de maatschappelijke uitdagingen en de EIPs bieden
                                 kansen voor deze sectoren, mits ze voldoende georiënteerd zijn op deze uitdagin-
                                 gen.
                                 Sterke kennisbasis, zwakke innovatieve bedrijvigheid
 rk, Zwak: Europees beleid pakt  Voor topsectoren met een sterke kennisbasis maar zwakke innovatieve bedrijvigheid
t over de hele breedte goed uit  heeft EU beleid niet over de gehele breedte een gunstig effect. Deze sectoren heb-
                                 ben de potentie om onderzoekers, onderzoeksinfrastructuur en bedrijvigheid aan te
                                 trekken. Maar in vergelijking met sectoren met zowel een sterke kennisbasis als
                                 sterke innovatieve bedrijvigheid is de aantrekkingskracht voor infrastructuur en
                                 onderzoekers hier minder door het ontbreken van innovatieve bedrijvigheid. De
                                 deelname vanuit de private sector aan infrastructuur- en onderzoeksprojecten is hier
                                 dan ook beperkt. Voor onderzoekers zijn er minder mogelijkheden om door te
                                 groeien naar het bedrijfsleven (minder publiek-private mobiliteit) en dat maakt
                                 Nederland minder aantrekkelijk om te blijven.
                                 Europees beleid kan er op termijn voor zorgen dat innovatieve bedrijvigheid vanuit
                                 het buitenland wordt aangetrokken via netwerkvorming en acquisitie. Daar staat
                                 tegenover de kans dat Nederlandse kennis in het buitenland wordt gevaloriseerd
                                 waardoor de spin-off van de kennis niet in Nederland terecht komt.
                                 Aanbestedingsopdrachten vanuit het buitenland komen in deze sectoren niet snel
                                 in Nederland terecht, omdat er weinig innovatieve bedrijvigheid is. Rondom smart
                              75 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>                                specialisation speelt nog sterker de vraag of clusters, voor zover ze aanwezig zijn,
                                sterk genoeg zijn in Europa. Niettemin bieden smart specialisation en ook het EIT
                                kansen om publieke en private partijen fysiek dichter bij elkaar te brengen en om
                                ondernemerschap te stimuleren. Het biedt kansen om met name het MKB beter te
                                laten aansluiten bij de kennisbasis. Een probleem in deze sectoren is de co-financie-
                                ring. Co-financiering uit de private sector is beperkt waardoor het moeilijk is om
                                mee te doen in Europese consortia.
                                Europees beleid gericht op versterking van de kennisbasis heeft in deze sectoren
                                een belangrijke rol. In Europese competities (zoals ERC, KP) zijn deze sectoren
                                potentieel succesvol. Europees beleid kan hier werken als een hefboom voor de
                                sterke kennisbasis waardoor deze nog sterker kan worden. Nederlands beleid is hier
                                nodig om de kennisbasis sterk te houden, anders neemt het succes in Europese
                                competities af. Private co-financiering is in deze sectoren een probleem vanwege de
                                zwakke innovatieve bedrijvigheid.
                                Voor het verbeteren van de innovatieve bedrijvigheid van deze sectoren zal Nederland
                                zelf ook meer activiteiten moeten ondernemen. De absorptie van kennis op nationaal
                                niveau moet groter worden, dit kan onder meer door het stimuleren van onderne-
                                merschap en door meer gerichte inzet op innovatief aanbesteden door de overheid.
                                Belangrijk hierbij is dat er sprake is van consistentie van beleid, zodat gedurende lan-
                                gere tijd de innovatieve bedrijvigheid in de sector kan worden versterkt.
                                Zwakke kennisbasis, sterke innovatieve bedrijvigheid
                   Zwak, Sterk: Als de kennisbasis zwak is maar de innovatieve bedrijvigheid sterk zijn de kansen
beleid biedt beperkte kansen…   die EU beleid biedt veel kleiner dan in sectoren met een sterke kennisbasis.
                                Onderzoekers, infrastructuur en bedrijvigheid zullen niet snel naar Nederland toeko-
                                men als gevolg van EU beleid. De kansen om succesvol te zijn in Europese competi-
                                ties als de ERC zijn klein.
                                Ook co-financiering vanuit de kennisbasis is een probleem, waardoor deelname in
                                Europese consortia moeilijk wordt. Nederland kan in deze sectoren wel kennis van-
                                uit het buitenland halen via bedrijven die met buitenlandse kennisinstellingen
                                samenwerken. Verder valt voor de bedrijven in deze sectoren te overwegen om deel
                                te nemen aan EIT KICs om toegang te krijgen tot kennis. Op deze manier kan
                                Europa helpen om een Nederlandse zwakte te versterken en werkt het Europees
                                beleid complementair.
                                Een Europese aanbestedingsmarkt is gunstig voor deze sectoren, het biedt kansen
                                opdrachten naar Nederland te halen. Om optimaal van de hefboom functie van
derland moet eerst investeren   Europees beleid gebruik te maken moet het Nederlands beleid investeren in het ver-
              in de kennisbasis sterken van de kennisbasis. Als dat niet gebeurt, zullen ook bedrijven op den duur
                                uit Nederland vertrekken waardoor de positie van deze sectoren nog verder ver-
                                zwakt.
                            76  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>                             Zwakke kennisbasis, zwakke innovatieve bedrijvigheid
 Zwak, Zwak: EU beleid biedt Voor sectoren met zowel een zwakke kennisbasis als een zwakke innovatieve bedrij-
nauwelijks kansen om de top  vigheid biedt EU beleid weinig kansen om de top te bereiken. Onderzoekers, infra-
                 te bereiken structuur en bedrijvigheid zullen niet snel naar Nederland toekomen.
                             EU programma’s als ESFRI, ERC en EIT hebben Nederlandse kennisinstellingen mis-
                             schien incidenteel wat te bieden, maar het succes zal zeer klein zijn. Smart speciali-
                             sation beleid heeft weinig effect. Ook aan de EIPs hebben deze sectoren weinig bij
                             te dragen. Voor deze zwak-zwakke sectoren biedt het Europese beleid wel kansen
                             om kennis en innovatieve bedrijvigheid uit Europese samenwerking te halen.
                             Co-financiering is hier echter een groot probleem vanwege de geringe publieke en
                             private middelen op nationaal niveau. De beleidinzet en -uitdaging voor deze secto-
                             ren aan Nederlandse kant is zeer klein; EU beleid kan hier complementair werken
                             om incidenteel nog te kunnen profiteren. Dit is van belang om uiteindelijk de
                             breedte van de kennisbasis – en de kennissamenleving – op nationaal niveau te
                             kunnen garanderen, om de aansluiting bij internationale netwerken te behouden en
                             om op toekomstige ontwikkelingen in te kunnen spelen.
                          77 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>Tabel 3. De gevolgen van EU beleid voor Nederlandse sectoren met verschillende profielen.
 EU beleid op          Menselijk kapitaal:            Kennisbasis                                    Industriële R&D                                 Industriële innovatie,                           Smart specialisation                           Consequenties m.b.t. inzet Europees
 gebied van:           vrije markt van                                                                                                               gebruikers & markten                             subsidiariteit                                 vs. nationaal beleid
                       onderzoekers
 NL Sectoren:
 Sterke kennisbasis,   Brain gain: Onderzoekers komen - Kansen voor NL onderzoekers in het ERC.      - Kansen voor NL deelname in EIT.               - Kansen voor binnenhalen EU aanbestedings-      - Versterking NL clusters in deze sectoren.    - Sterke kennisbasis zorgt voor succes in Europese
 Sterke innovatieve    naar NL.                       - Potentie om onderzoeksinfrastructuur naar    - Kansen voor NL deelname in EU kader-            opdrachten door NL bedrijven.                  - NL kan in EU leidende positie nemen en           competities. Meer kans op Europese deelname door
 bedrijvigheid                                          NL te halen, mogelijkheden voor gebruik        programma.                                    - Innovatie vriendelijke regulering bevordert      EU positie versterken.                           meer inzet op EU beleid.
                                                        door private partijen goed.                   -EIP: goede positie mits aangesloten bij         innovatie bedrijven en opent buitenlandse
                                                        Potentie om EU risicokapitaal voor start-ups   de EU maatschappelijke uitdagingen.             markten.                                       - Niet in alle sectoren is onderzoek en        - Sterke innovatieve bedrijvigheid: Mondiale markt is
                                                        uit kennissector binnen te halen.             -Goede mogelijkheden voor publieke en                                                             innovatieve bedrijvigheid geclusterd.            belangrijk. EU beleid voor voltooien EU markt is bela
                                                      - Versterking positie EU als geheel: NL brengt   private cofinanciering van EU programma’s.    - Kansen voor niet- R&D gedreven innovatie.                                                         rijk, EU is een springplank naar de mondiale markt.
                                                        kennis naar EU via netwerkvorming.            -Versterking positie EU als geheel: NL bedrij-                                                  - Andere landen hebben sterkere clusters,
                                                                                                       vigheid brengt kennis uit R&D naar EU via                                                        NL heeft een competitieve achterstand .      - NL beleid nodig om kennisbasis te onderhouden.
                                                                                                       samenwerking.
 Sterke kennisbasis,   Brain Gain: Onderzoekers komen - Kansen voor NL onderzoekers in het ERC.      - Kansen voor NL deelname in EU kader-          - EU Aanbestedingsopdrachten komen buiten        - Weinig clusters want weinig bedrijvigheid:   - Sterke kennisbasis zorgt voor succes in Europese
 Zwakke innovatieve    naar NL, maar minder publiek-  - Potentie om onderzoeksinfrastructuur naar      programma.                                      NL terecht.                                      EU beleid biedt kansen voor meer clustering.     competitie. Meer kans op EU deelname door meer
 bedrijvigheid         private mobiliteit.              NL te halen, maar minder gebruik door        - NL kan profiteren van toegang tot industriële                                                                                                     inzet op EU beleid.
                                                        minder private partijen.                       R&D van andere lidstaten: spin-off komt       - Innovatie vriendelijke regulering heeft        - Andere landen hebben sterkere clusters,       - Zwakke innovatieve bedrijvigheid; Europees beleid
                                                      - Potentie om EU risicokapitaal voor start-ups   buiten NL terecht.                              beperkt effect.                                  NL heeft een competitieve achterstand .          maakt absorptie NL kennis op EU niveau mogelijk.
                                                        uit kennissector binnen te halen.            - EIT: private investering blijven achter,                                                                                                          Op langere termijn potentie tot acquisitie van buiten-
                                                      - Versterking positie EU als geheel: NL brengt   co-financiering is een probleem .             - Weinig kansen voor niet- R&D gedreven                                                             landse bedrijvigheid en investeringen.
                                                        kennis naar EU via netwerkvorming.           - EIP: onvoldoende aangesloten bij de EU          innovatie.                                                                                    - Consistentie van nationaal beleid nodig om innovatiev
                                                                                                       maatschappelijke uitdagingen.                                                                                                                    bedrijvigheid te versterken en om kennisbasis te
                                                                                                                                                                                                                                                        onderhouden.
                                                                                                                                                                                                                                                     - Meer aandacht voor kennisvalorisatie en innovatief
                                                                                                                                                                                                                                                        aanbesteden op nationaal niveau is noodzakelijk.
 Zwakke kennisbasis,   Brain drain: Onderzoekers      - Weinig kansen voor NL onderzoekers in        - Versterking positie EU als geheel: NL bedrij- - Kansen voor binnenhalen EU aanbestedings-      - Weinig clusters want weinig kennis.;         - Zwakke kennisbasis: mogelijkheden om deel te nemen
 Sterke innovatieve    vertrekken uit NL.               het ERC.                                       vigheid brengt kennis uit R&D naar EU via       opdrachten door NL bedrijven.                    EU beleid heeft beperkt effect.                 in EU programma’s zijn klein. NL beleid nodig om kenn
 bedrijvigheid                                        - Weinig kansen voor binnenhalen onder-          samenwerking.                                 - Innovatievriendelijke regulering bevordert in-                                                   basis te versterken.
                                                        zoeksinfrastructuur door NL;                 - EIT: publieke investering blijven achter,       novatie bedrijven en opent buitenlandse        - Andere landen hebben sterkere clusters,
                                                        kansen voor facility sharing                   co-financiering is een probleem.                markten.                                         NL heeft een competitieve achterstand.       - Sterke innovatieve bedrijvigheid: Mondiale markt is be
                                                      - NL kan kennis uit andere EU lidstaten halen  - EIP: niet aangesloten bij de EU maatschap-    - Kansen voor niet- R&D gedreven innovatie.                                                        langrijk. EU beleid voor voltooien EU markt is belangri
                                                        via samenwerking.                              pelijke uitdagingen.                                                                                                                             EU is een springplank naar de mondiale markt.
 Zwakke kennisbasis,   Brain drain: Onderzoekers      - Weinig kansen voor NL onderzoekers in        - Te zwakke basis om succesvol mee te doen      - EU Aanbestedingsopdrachten komen buiten        - Weinig clusters want weinig bedrijvigheid     - Zwakke kennisbasis: mogelijkheden om deel te nemen
 Zwakke innovatieve    vertrekken uit NL.               het ERC.                                       in EU programma’s als EIT, KP en EIP.           NL terecht.                                      en weinig kennis: EU beleid heeft geen          in EU programma’s zijn klein.
 bedrijvigheid                                        - Weinig kansen voor binnenhalen onderzoeks-                                                                                                      effect.                                      - Zwakke innovatieve bedrijvigheid; weinig absorptie-
                                                        infrastructuur door NL;                                                                      - Weinig effect innovatie vriendelijke                                                             vermogen NL en EU kennis. NL beleidsuitdaging is klei
                                                        kansen voor facility sharing                                                                   regulering en inzet op niet-R&D gedreven                                                         geen inzet nationaal beleid. EU beleid kan complemen
                                                      - NL kan kennis uit andere EU lidstaten halen                                                    innovatie.                                                                                       werken om zwaktes in kennisbasis aan te pakken en o
                                                        via samenwerking.                                                                                                                                                                               breedte van de kennisbasis te onderhouden.
                                                                                                                                                                                                                                                        EU en NL beleid hebben weinig effect.
Bedreigingen: cursief gedrukt in bruin; kansen: in zwart.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>                                5.2         Aanbevelingen
rsterk de positie van Europa in Aanbeveling 1. Versterk de positie van Europa in het mondiale speelveld
        het mondiale speelveld  Draag voluit bij aan het versterken van de positie van Europa als geheel. Gezien de
                                slechter wordende (economische) positie van Europa in de wereld zal Europa alle
                                zeilen moeten bijzetten. Kennis en innovatie zijn het middel om de neerwaartse
                                spiraal van de economische crisis te keren en om Europa weer competitief te
                                maken. Hiervan zal Nederland profiteren. De raad is daarom van mening dat een
                                                                                                                                       105
                                toename van de Europese middelen voor onderzoek en innovatie nodig is.
                                In analogie met het Nederlandse zwaartepuntenbeleid is de raad van mening dat de
                                Europese positie versterkt wordt door meer focus en massa op Europees niveau.
                                Europa moet sectoren van mondiale klasse ontwikkelen waarin excellente kennis en
                                innovatieve bedrijvigheid worden gebruikt om de concurrentiepositie van Europa te
                                versterken en de maatschappelijke uitdagingen aan te pakken. Nederland kan het
                                beste bijdragen aan Europese zwaartepuntvorming door de eigen sterktes in kennis
                                en/of innovatie in te brengen in het Europese beleid. Ook andere lidstaten profite-
                                ren in dat geval van de door Nederland ingebrachte sterktes.
    Gebruik Europese middelen   Aanbeveling 2. Gebruik Europese middelen strategisch als hefboom
  strategisch als hefboom voor                           voor nationaal beleid
               nationaal beleid Ga strategisch te werk in het EU beleid. Een drietal uitgangspunten zijn belangrijk
                                voor de positiebepaling en een meer strategische opstelling van Nederland in Europa:
                                1.        Gebruik Europees beleid als hefboom voor het creëren van meer focus en
                                          massa op nationaal niveau. Nationale zwaartepunten moeten daartoe
                                          krachtig naar voren worden geschoven in Europese discussies;
                                2.        Maak gebruik van de kansen die de Europese beleidsnadruk op kennisbenut-
                                          ting en innovatie biedt;
                                3.        Spreek met één stem: investeer in een strategische binnenlandse dialoog
                                          over Europa.
    Zet de zwaarepunten op de   Ad 1: Europees beleid biedt kansen wanneer onze zwaartepunten goed op de
              Europese agenda   Europese agenda komen te staan. Nederland heeft dan alle belang bij een verrui-
                                ming van de Europese fondsen voor onderzoek en innovatie. Het competitieve voor-
                                deel dat Nederland met zijn zwaartepunten heeft kan zwaartepuntvorming verder
                                versterken en de hefboomwerking van Europees beleid bevorderen. Ook draagt
                                Nederland op deze manier bij aan Europese zwaartepuntvorming en het versterken
                                van de Europese positie.
                                105  Toename van het onderzoeks- en innovatiebudget kan onder andere bereikt worden door het ombuigen van andere
                                     Europese fondsen naar onderzoek en innovatie, zoals landbouwsubsidies.
                             79 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>                                 Ad 2: De EU wil nu echt werk maken van het oplossen van de Europese kennispara-
nut de kansen die Europa biedt   dox. In het beleid betekent dit meer nadruk op instrumenten gericht op kennis-
  kennisbenutting en innovatie   benutting en innovatie. Vooral Nederlandse topsectoren met een sterke kennisbasis
                                 en sterke innovatieve bedrijvigheid kunnen hiervan profiteren. Europees beleid biedt
                                 hier bijvoorbeeld kansen om meer overheidsaanbestedingen binnen te halen, om
                                 meer gebruik te maken van het smart specialisation beleid en van de nadruk op
                                 niet-R&D gedreven innovatie. Dit betekent ook dat de Nederlandse overheid de uit-
                                 gangspunten van het klassieke subsidiariteitsprincipe – fundamenteel onderzoek
                                 Europees; toegepast onderzoek nationaal of zelfs regionaal – moet herzien of hier
                                 pragmatischer mee moet omgaan.
                                 Ad 3: Nederland is constructief en actief betrokken bij de totstandkoming van het
                                 Europese onderzoeksbeleid. Voor de toekomstige grotere en meer strategische EU
                                 programma’s (zoals de EIPs) wordt het echter steeds belangrijker om Nederlandse
                                 partijen goed te kunnen betrekken. Voldoende kennis en ervaring bij de overheid
                                 om als facilitator op te treden is daarom essentieel.
                                 De AWT heeft eerder advies gegeven hoe deze kennis zo goed mogelijk kan wor-
                                                              106
                                 den georganiseerd.                Uitgangspunt daarvoor is een proactieve houding in Brussel
                                 en een goed netwerk van stakeholders die de overheid op de hoogte houden van
                                 wensen vanuit het veld en van de ontwikkelingen in de EU. De Nederlandse overheid
   Investeer in een strategische is actief in Brussel, maar kan de dialoog met de stakeholders nog strategischer
           dialoog met het veld  organiseren en minder afhankelijk zijn van ad hoc contacten. Hierin moet worden
                                 geïnvesteerd. Daarbij hoort dat de overheid een meer hiërarchische ambtelijke
                                 insteek heeft bij de beïnvloeding van de Europese agenda. Ook moet de overheid
                                 meer gebruik maken van de kennis van het grote bedrijfsleven. Deze bedrijven heb-
                                 ben goede contacten in Brussel waardoor ze snel op de hoogte zijn van de relevante
                                 ontwikkelingen. Ze worden vaak vroegtijdig door de EU geraadpleegd over nieuwe
                                 ontwikkelingen. Ook kennen deze bedrijven de nationale beleidsprioriteiten goed.
                                 Met andere woorden: zorg voor een goede en voldoende zware vertegenwoordi-
                                 ging en belangenbehartiging op alle niveaus: Europese Commissie, Europese Raad,
                                 raadswerkgroepen, Europees parlement. Werk samen met gelijkgestemde landen,
                                 zoek medestanders. Trek schouder aan schouder op met het Nederlandse bedrijfs-
                                 leven en kennisinstellingen.
       Sluit aan bij de Europese Aanbeveling 3. Sluit aan bij de Europese maatschappelijke
               maatschappelijke                             zwaartepunten
               zwaartepunten…    Sluit aan bij de Europese leidraad voor beleid, namelijk de maatschappelijke uitda-
                                 gingen. De maatschappelijke betekenis van onderzoek is het noodzakelijke ticket
                                 om Europese fondsen te verwerven. De European Innovation Partnerships (EIPs)
                                 worden belangrijk bij de aanpak van deze uitdagingen. Ook is het de focus van de
                                 Joint Programming Initiatives (JPI’s). Het Nederlandse topsectorenbeleid is primair
                                 106  Kennis voor beleid, beleid voor kennis, AWT-advies 63 (2005)
                              80 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>                               gericht op versterking van de concurrentiekracht. Om te kunnen profiteren van
                               Europese kennis en financiering is aansluiting op de maatschappelijke uitdagingen
                               essentieel. Naast het definiëren van economische zwaartepunten (topsectoren) en
                               wetenschappelijke zwaartepunten is het daarbij van belang in Nederland maat-
                               schappelijke zwaartepunten te definiëren. Op dit moment is onduidelijk wat deze
                               zwaartepunten zijn.
                               De maatschappelijke zwaartepunten moeten uit de plannen van de topsectoren
…en verbind de plannen van de  komen, er moet een vertaalslag worden gemaakt. Omdat de maatschappelijke uit-
            Topsectoren ermee  dagingen aanknopingspunten hebben met meerdere topsectoren moet er goede
                               afstemming komen tussen de topsectoren. De raad vraagt zich af of de afstemming
                               tussen de topsectoren voldoende verzekerd is. Een goede interdepartementale
                               samenwerking is hiervoor noodzakelijk. Het opstellen van een maatschappelijke
                               innovatie agenda waarin stakeholders uit topsectoren, maatschappelijke organisa-
                               ties en (vak)departementen gezamenlijk (bijvoorbeeld via platforms) de Nederlandse
                               maatschappelijke zwaartepunten definiëren is hiervoor een geschikt middel. Ook
                               moet daaruit duidelijk worden hoe deze zwaartepunten aansluiten bij de Europese
                               prioriteiten.
                               Voor het aanpakken van de Nederlandse maatschappelijke zwaartepunten moet
                               Europees beleid worden gebruikt. Nederlands en Europees beleid werken op deze
                               manier complementair. Hiertoe moet de overheid de Nederlandse maatschappelijke
                               zwaartepunten in de Europese discussies prominent op de agenda zetten.
Ontwikkel een strategisch plan Aanbeveling 4. Ontwikkel per zwaartepunt een strategisch plan voor de
 voor de inzet van Europees en                     inzet van Europees en Nederlands beleid
             nationaal beleid… Ontwikkel per zwaartepunt een strategische visie op het Europese onderzoeks- en
                               innovatiebeleid met een duidelijke analyse van sterktes en zwaktes in de kennisbasis
                               en innovatieve bedrijvigheid. Houd rekening met de kansen, maar ook met de
                               bedreigingen: Europees beleid kan ook betekenen dat topclusters, hubs, centres of
                               excellence of grootschalige infrastructuur buiten Nederland terechtkomen. Dat heeft
                               tot gevolg dat kenniswerkers vertrekken (brain drain) en dat Nederland minder aan-
                               trekkelijk wordt voor investeerders. Dit kan voor Nederland slecht uitpakken, maar
                               uiteindelijk kan dit voor Europese zwaartepuntvorming gunstig uitpakken. Ook deze
                               effecten moeten in het strategisch plan in kaart worden gebracht. De raad is van
                               mening dat gezonde concurrentie tussen lidstaten op termijn zowel de Nederlandse
                               als de Europese positie verder versterkt.
                               Naast een visie op de inzet van Europees beleid moet uit het plan ook de rol van
                               het Nederlandse beleid duidelijk worden. Waar wordt Nederlands en waar Europees
                               beleid ingezet om een sector verder te versterken? Met andere woorden: waar
                               moet Nederland op inzetten in het Europese beleid en wat moet in Nederland wor-
                               den aangepakt om optimaal aan de startblokken te verschijnen?
                            81 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>…per sectorprofiel In het algemeen geldt:
                   •         Voor sectoren met een sterke kennisbasis en sterke innovatieve
                             bedrijvigheid: Nederland moet het ruime sop kiezen.
                             Nederlandse markten zijn voor deze sectoren vaak niet groot genoeg: de
                             wereld is het speelveld. Europa is belangrijk om nieuwe innovaties uit te
                             testen op kleinere schaal, grote afzetmarkten liggen meer en meer buiten
                             Europa. Zorg ervoor dat deze sectoren prominent op de Europese agenda
                             komen, dit draagt bij aan zwaartepuntvorming op Europees niveau. Bedenk
                             daarbij dat gerichte intergouvernementele samenwerking met sterke partner-
                             landen (ook buiten Europa) voor deze sectoren vaak beter werkt dan com-
                             munautaire programma’s zoals het EU kaderprogramma. Zet Nederlands
                             beleid in om de kennisbasis op hoog niveau te houden.
                   •         Voor sectoren met een sterke kennisbasis maar zwakke innovatieve
                             bedrijvigheid: Nederland moet laveren en alle zeilen bijzetten.
                             Europese netwerkvorming biedt kansen om innovatieve bedrijvigheid en
                             investeringen uit andere lidstaten aan te trekken. Zet Nederlands beleid in
                             om de Europese aansluiting te blijven garanderen; Nederlandse en Europese
                             beleidsprioriteiten moet op elkaar worden afgestemd. Het onderhouden van
                             de sterke kennisbasis op nationaal niveau is daarbij een voorwaarde om suc-
                             cesvol te zijn in Europa.
                             Cruciaal is dat het Nederlandse beleid ook zelf de innovatieve bedrijvigheid
                             versterkt. Zet daarvoor in op innovatieve aanbesteding, zodat Nederlandse
                             bedrijven op de overheidsmarkt een kans hebben zich te ontwikkelen en
                             daardoor Europees competitiever worden. Stimuleer valorisatie op nationaal
                             niveau. Concentreer hierbij op de sectoren die de potentie hebben door te
                             groeien naar economische of maatschappelijke zwaartepunten en voer het
                             beleid consistent, over langere tijd, door.
                   •         Voor de sectoren met een zwakke kennisbasis maar sterke innovatieve
                             bedrijvigheid: Nederland moet Europees beleid als hulpmotor gebruiken.
                             Deze sectoren kunnen voor verdere versterking de route via Europa volgen
                             om kennis te halen. Maar: de inzet van Nederlands beleid is essentieel,
                             Nederland moet zelf belangrijke stappen zetten. Nationale investeringen in
                             de kennisbasis (onder andere via NWO) zijn nodig om Europees gezien
                             competitiever te worden. Anders verdwijnt bedrijvigheid op termijn uit
                             Nederland. Deze sectoren kunnen niet alleen op Europees beleid steunen.
                             Daarnaast dient Nederlands beleid te worden ingezet om aansluiting bij de
                             Europese kennisbasis te vergroten, alleen dan kunnen deze sectoren er effec-
                             tief gebruik van maken. Benut de kansen van innovatief aanbesteden in
               82  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>                                        Europa en Nederland om de absorptie van kennis door het bedrijfsleven te
                                        stimuleren.
                              •         Voor sectoren die op beide fronten zwak zijn: Nederland moet op
                                        gunstige wind wachten.
                                        Deze sectoren kunnen vooral veel kennis en innovatie halen uit Europa
                                        waardoor Nederlandse aansluiting bij Europese netwerken in stand blijft. Het
                                        absorptievermogen van de Nederlandse kennisbasis en innovatieve bedrijvig-
                                        heid moet op peil blijven. Bijvoorbeeld in het geval van de maatschappelijke
                                        uitdagingen. Ook komen nieuwe innovaties vaak uit sectoren die klein en
                                        zwak beginnen. Bij gunstige wind kunnen deze sectoren verder uitgroeien.
                                        Geef geen prioriteit aan versterking van deze sectoren op nationaal niveau
                                        maar stimuleer wel participatie in Europese programma’s, zoals het ERC, om
                                        op deze wijze een brede, algemene kennisbasis in stand te houden.
Aanbevelingen per beleidslijn Aanbeveling 5. Werk de uitgangspunten van het strategisch plan per
                                                    beleidslijn uit en voer ze consequent door
                              De hier voorgestelde strategische aanpak heeft gevolgen voor het Nederlandse
                              beleid en voor de Nederlandse opstelling in Europa. Belangrijk is om de gekozen
                              aanpak consequent uit te voeren in het Nederlandse en Europese beleid en om dit
                              per beleidslijn te doen. Hieronder staan de belangrijkste uitgangspunten van de
                              strategische aanpak voor verschillende beleidslijnen samengevat.
                              A.        Benut de kansen van een vrije markt van onderzoekers maar bescherm
                                        kennis goed
                              Om Nederlandse zwaartepunten te laten profiteren van een vrije markt van onder-
 Zorg voor goed klimaat voor  zoekers zal Nederland zijn kansen moeten benutten en een goed en toegankelijk
              kenniswerkers   klimaat moeten creëren voor Nederlandse onderzoekers, onderzoekers uit andere
                              EU landen en onderzoekers uit derde landen. Vanuit Nederland kan dit ondermeer
                              door:
                              •         meer duidelijkheid over de termijn van financiering van onderzoek te geven;
                              •         het waarborgen van goede randvoorwaarden zoals woon- en leefklimaat en
                                        toelatingsbeleid;
                              •         het verbeteren van de carrièremogelijkheden van onderzoekers;
                              •         te investeren in de terugkeer van Nederlandse onderzoekers in het buiten-
                                        land.
                              In Europa kan dit door:
                              •         verdere opening van Europese programma’s voor derde landen;
                              •         het Europees toelatingsbeleid beter in te richten voor het aantrekken van
                                        niet-EU kenniswerkers.
                          83  Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>         Bescherm kennis goed   Maar: bescherm je kennis waar nodig goed. Onderzoekers blijven over het alge-
                                meen kort en vertrekken met de kennis, de kenniscirculatie is groot. Zorg voor
                                goede bescherming van kennisproducten. Een Europees patent is belangrijk, maar
                                niet genoeg. Maak goede afspraken op Europees niveau over de bescherming van
                                kennisproducten in de fase voor een patent.
                                B.        Wees pragmatisch in deelname bij grote infrastructuur projecten
          Pas een case-by-case  Bij het meedoen met of initiatief nemen bij het opzetten van grote pan-Europese
               benadering toe   onderzoeks-faciliteiten (zoals ESFRI) is door Nederland een case-by-case benadering
                                gewenst. Infrastructuur moet aansluiten bij de behoefte vanuit de topsectoren en
                                andere zwaartepunten. Twee voorwaarden voor deelname zijn hierbij relevant. Een
                                duidelijke exit-strategie om tijdig uit te kunnen stappen als een project niet aan de
                                door Nederland gestelde voorwaarden voldoet en een duidelijke visie op het betrek-
                                ken van private partijen gedurende de opstartfase van een groot infrastructuur pro-
                                ject. Hiervoor is het belangrijk dat ESFRI meer bekend wordt bij het bedrijfsleven,
                                met name het MKB. Brancheorganisaties kunnen hierbij behulpzaam zijn. Ook kun-
                                nen de prioriteiten van het bedrijfsleven op deze manier beter in de discussies wor-
                                den meegewogen.
                                C.        Gebruik de Structuurfondsen voor smart specialisation
et de structuurfondsen in voor  Nederland moet voluit gebruik maken van de Structuurfondsen om smart specialisa-
           smart specialisation tion op nationaal niveau verder vorm te geven. De overheid moet daarbij nationale
                                toonaangevende innovatieve regio’s en innovatieclusters in het EU beleid actief naar
                                voren schuiven. Daarbij moet de overheid Nederland meer als één regio neerzetten
                                in Europese discussies.
                                Verruiming van Europese fondsen voor interregionale ontwikkeling is voor
                                Nederland essentieel. Nederland is klein, smart specialisation beperkt zich niet tot
                                de Nederlandse landsgrenzen. De overheid moet daarom in Europa meer aandacht
                                vragen voor de Europese inzet op functionele regio’s. Flexibele, grensoverschrijden-
                                de programmagebieden sluiten beter aan bij de regionale economische ontwikkelin-
                                gen.
                                D.        Maak NWO en de European Research Council (ERC) complementair
                                Een grotere rol voor de ERC met relatief meer geld voor fundamenteel onderzoek is
                                een kans voor Nederlandse zwaartepunten met een sterkte kennisbasis. Ook NWO
                                zet in op versterking van de kennisbasis van deze wetenschappelijke zwaartepun-
                                ten. Op een aantal gebieden overlappen ERC en NWO competities echter, deze
                                ‘dubbelingen’ moeten eruit worden gehaald. Het gaat hierbij met name om de
                                generieke, persoonsgebonden competitie via het ERC en via NWO. Nederland zou
                                zich moeten inzetten voor één Europese competitie waarbij (een deel van) NWO
                                onderdeel kan zijn van een netwerk van nationale research councils onder leiding
                                van de ERC.
                             84 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>                               Nederland moet dus blijven investeren in wetenschappelijke zwaartepunten maar
                               moet de ERC daar strategischer bij inzetten. NWO en ERC moeten daarbij comple-
                               mentair worden ingezet. Wat niet via het ERC kan, moet door NWO worden uitge-
                               voerd.
k NWO en ERC complementair     NWO heeft nog wel een duidelijk complementaire rol in het thematische beleid. Zo
                               hebben sectoren met een zwakke kennisbasis het moeilijk om mee te komen in de
                               ERC. Bij NWO blijft de complementaire taak om op nationaal niveau strategisch in
                               te zetten: sectoren met een sterke innovatiepositie, maar zwakke kennisbasis moe-
                               ten versterkt worden. NWO moet bovendien voorbereidend blijven voor persoons-
                               gebonden competities via de ERC voor jonge onderzoekers.
                               E.        Waarborg de mogelijkheden voor co-financiering van Europese
                                         programma’s
                               Europa wil de toegang tot Europese programma’s voor het bedrijfsleven, met name
                               het MKB, vergroten. De afnemende deelname is al jaren een punt van zorg. De raad
                               acht het terugdringen van de regeldruk rondom Europese programma’s (met name
                               het kaderprogramma) essentieel om bedrijfsdeelname te stimuleren. Ook de
                               Nederlandse overheid moet deelname van het bedrijfsleven aan Europese program-
                               ma’s stimuleren.
  Stimuleer deelname van het   Maatwerk is hierbij nodig. Per branche moet goed worden gekeken welke soort
                 bedrijfsleven bedrijven kunnen profiteren van Europees beleid. Concentreer bijvoorbeeld op het
                               innovatieve MKB dat gebruik maakt van bestaande kennis of dat zelf kennis ontwik-
                                      107
                               keld.       De Europese nadruk op niet- R&D-gedreven innovatie biedt kansen voor het
                               bedrijfsleven. Ook het smart specialisation beleid biedt kansen. Het schept de
                               mogelijkheid om aan te sluiten bij regionale kennis- en innovatieclusters en schept
                               toegang tot buitenlandse markten door samenwerking tussen clusters van verschil-
                               lende lidstaten.
                               Voor Europese deelname is co-financiering vaak een voorwaarde. De Nederlandse
                               omzetting van subsidies in revolving funds geeft mogelijk extra problemen om co-
                               financiering te vinden om in Europa deel te nemen. De overheid moet er daarom
                               voor waken dat er voldoende co-financieringsmogelijkheden blijven. Op nationaal
                               niveau dient de overheid hiervoor een co-financieringsfonds op te zetten, zodat co-
                               financiering geen limiterende factor wordt voor Europese deelname.
                               F.         Zorg voor maatwerk bij overheidsaanstedingen
     Benut het potentieel van  Nederlandse en Europese overheden moeten het potentieel van innovatie-vriende-
      innovatief aanbesteden   lijke publieke aanbesteding (waaronder PCP/SBIR) beter benutten en er meer gericht
                               op inzetten. De raad heeft hier herhaaldelijk voor gepleit. De EU gaat hier in de toe-
                               komst ook meer gebruik van maken. Daarbij is het belangrijk oog te hebben voor
                               het profiel van een sector, maatwerk is nodig. Sectoren met een zwakke innovatie-
                               107  Zie ook: Innovatie zonder interventie, advies 64, AWT 2005.
                            85 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>   basis hebben mogelijk meer behoefte aan kleinere meer op de ontwikkelfase
   gerichte aanbestedingen voor het MKB, terwijl aanbestedingen in andere sectoren
   zich meer moeten richten op het grotere bedrijfsleven. Om de Nederlandse zwaarte-
   punten optimaal te ondersteunen moet de overheid hier rekening mee houden bij
   positiebepaling in Europese discussies.
   Bij het opstellen van aanbestedingen door de Nederlandse overheid moeten de
   grenzen van de Europese (staatssteun)regelgeving worden opgezocht, zodat het
   Nederlandse bedrijfsleven optimaal kan blijven profiteren. Speel minder op safe.
   Zoek daarbij expliciet dwarsverbanden tussen topsectoren, evenals meer aandacht
   voor niet-R&D gedreven innovatie. Zet meer in op innovatief aanbesteden voor
   maatschappelijke uitdagingen.
   Aldus vastgesteld te Den Haag, augustus 2011
   J.F. Sistermans (voorzitter)
   mw. dr. D.J.M. Corbey (secretaris)
86 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>b1  Aan:
                Adviesvraag
    De voorzitter van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid
    De heer J.F. Sistermans
    Javastraat 42
    2585 AP Den Haag
    Ontvangen op 2 september 2010
    Betreft Adviesvraag Europees en Nederlands Onderzoeks- en Innovatiebeleid
    Geachte heer Sistermans,
    In het werkprogramma 2010 van AWT/AER is het onderwerp 'Europees en
    Nederlands Onderzoeks- en Innovatiebeleid' opgenomen. Aanleiding hiervoor is een
    veranderende beleidsomgeving zowel aan Europese als aan Nederlandse zijde.
    Aan Europese zijde zijn de laatste jaren de kaderprogramma’s voor concurrentiever-
    mogen en innovatie (CJP) en voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7)
    uitgebreid. Onderdeel van de uitbreiding van KP7 was onder andere de oprichting
    van de European Research Council (ERC). Naast de uitbreiding van de kaderpro-
    gramma's zijn ook andere Initiatieven gestart, zoals de oprichting van het European
    Institute of Innovation & Technology (EIT). De komende tijd zal het Europese onder-
    zoeks- en innovatielandschap naar alle waarschijnlijkheid aan meer veranderingen
    onderhevig zijn.
    Europa vraagt Nederland om inbreng en positionering voor nieuwe beleidsontwik-
    keling. Hierbij zijn ook de beleidsdoelstellingen op Europees niveau onderwerp van
    discussie. Daarnaast Is het Nederlandse onderzoeks- en Innovatiebeleid ook in
    beweging. De Intensivering van het Europese onderzoeks- en innovatiebeleid kan
    aanleiding zijn om het Nederlandse beleid te herijken. Ook kan het kansen bieden
    om de aansluiting bij het Europese beleid waar nodig te verbeteren en biedt het
    mogelijkheden om het Europese beleid in voor Nederland positieve zin te beïnvloe-
    den.
    Op dit moment wordt in Brussel gewerkt aan een nieuwe onderzoeks- en
    innovatiestrategie, die eind september door de Europese Commissie gepubliceerd
    zal worden. De strategie vormt de uitwerking van het kerninitiatief 'Innovation
    Union ' van de Europa 2020 strategie voor Groei en Banen. De strategie zal het
    fundament leggen voor een vernieuwd Europees onderzoeks- en innovatiebeleid en
    zal een aanvulling zijn op de toekomstvisie voor de Europese onderzoeksruimte
    (ERA-vision 2020) en aansluiten op de toekomstvisie voor de open Europese hoger
    onderwijsruimte (Bolognaprocess 2020).
    Naast de discussies over de onderzoeks- en innovatiestrategie is ook de voorberei-
 87 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>   ding voor de opvolger van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en tech-
   nologische ontwikkeling (KP7) onlangs begonnen. Dit nieuwe kaderprogramma zal
   in 2014 van start gaan. Ook in Nederland is de discussie hierover op gang geko-
   men. Belangrijke vragen zijn hoe Nederland zo effectief mogelijk gebruik kan
   maken van een nieuw programma en hoe het programma vormgegeven moet wor-
   den. Naar verwachting zal de ‘Innovation Union' ook leidend zijn bij de vormgeving
   van het nieuwe kaderprogramma.
   In Nederland heeft de Tweede Kamer in volle breedte steun gegeven aan de motie
   van Kamerlid Hamer die het kabinet oproept bij de aangekondigde heroverwegin-
   gen uit te gaan van de ambitie om het onderwijs en de wetenschap in Nederland
   tot de mondiale top 5 te laten behoren. Het terrein van onderwijs en onderzoek is
   daarmee het enige terrein waarop de Tweede Kamer nu al expliciet een dergelijke
   doelstelling voor de lange termijn heeft geformuleerd . Ook het Innovatieplatform
   heeft de ambitie uitgesproken om Nederland te laten behoren tot de top 5 van lan-
   den met de grootste concurrentiekracht en productiviteitsgroei. Hiermee heeft
   Nederland een stevige ambitie uitgesproken waarin het Europese beleid een belang-
   rijke rol zal spelen.
   Adviesvraag
   Samenvattend verzoek ik u met het advies antwoord te geven op de volgende vragen:
   1.        Welke trends en ontwikkelingen zijn zichtbaar In het Europese onderzoeks- en
             innovatiebeleid en wat zijn de gevolgen daarvan voor Nederland?
   2.        Hoe kan Nederland het beste inspelen op veranderende beleidscontext op
             Europees niveau en waarborgen dat Europese onderzoeksprioriteiten blijven
             aansluiten bij Nederlandse prioriteiten?
   Daartoe dienen de volgende subvragen te worden beantwoord:
   Ad 1.
   Welke effecten die voor Nederland van belang zijn hebben onder meer de
   volgende trends en ontwikkelingen?
   –         De implementatie van de Europa 2020 strategie voor het Nederlandse onder-
             zoeks- en innovatiebeleid.
   –         De ratificatie van het verdrag van Lissabon.
   –         Het steeds meer convergeren van het Europese onderzoeks- en innovatiebeleid.
   –         het veranderen van het Europese Regiobeleid.
   –         Het ontstaan van nieuwe instrumenten zoals Joint Programming.
   –         Een mogelijke herschikking van middelen naar aanleiding van de discussie rond
             de nieuwe financiële perspectieven (vanaf 2014).
88 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>   Ad 2.
   –         Welke zijn de Nederlandse belangen en speerpunten In het Europese onder-
             zoeks- en innovatiebeleid?
   –         Hoe kan Nederland het meest effectief vla Europa zijn prioriteiten realiseren?
   –         Hoe kunnen de Europese en Nederlandse investeringen in onderzoek en inno-
             vatie elkaar wederzijds versterken
   –         Zijn Nederlandse bedrijven en instellingen voldoende toegerust om optimaal
             binnen Europa te functioneren?
   Voorafgaand aan deze adviesvraag heeft u met medewerkers van het ministerie van
   Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de medewerkers van het ministerie van
   Economische Zaken constructief overleg gevoerd over de afbakening van het advies,
   Ik verzoek u ook gedurende het adviestraject nauw contact te houden met de betrok-
   ken medewerkers over het verloop en de timing ervan.
   Mede namens de minister van Economische Zaken,
   de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
   Maria van Bijsterveldt – Vliegenhart
   Voorafgaand aan deze adviesvraag heeft u met mijn medewerkers constructief over-
   leg gevoerd over de afbakening van het advies en betrokkenheid van EZ bij het
   adviestraject.
   Ik verzoek u ook gedurende het adviestraject nauw contact te houden met mijn
   ministerie over verloop en timing van het adviestraject en tussentijdse inhoudelijke
   punten.
   Maria J.A. van der Hoeven
   Minister van Economische Zaken
89 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>90 Scherp aan de wind!</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>b2                    Matrix Europa in de topsectoren
    EU beleid          Menselijk       Kennisbasis en            Innovatie, gebruikers           Maatschappelijke
                       kapitaal        Industriële R&D           en markten                      Uitdagingen (MU)
    Topsector:
    Water              Stimuleer komst  Inzetten op Kader-        Regelgeving, Venture capital  Aandacht voor MU,
                       kennismigranten  programma                                               geen link met EU beleid
    Voedsel            Stimuleer komst  Inzetten op Kader-        Regelgeving, ETP en Eureka    Aandacht voor MU, link
                       kennismigranten  programma en JPI                                        met EU beleid via JPI
    Tuinbouw &         _                Inzetten op Kader-        Regelgeving                   Aandacht voor MU,
    uitgangsmaterialen                  programma                                               geen link met EU beleid
    High tech          Stimuleer komst  Inzetten op Kader-        Regelgeving, Venture capital, Aandacht voor MU, geen
                       kennismigranten  programma en EIT          Eureka, JTI                   link met EU beleid
    Life Sciences      Stimuleer komst  Benut Europese fondsen    Regelgeving, JTI en ETP       Aandacht voor MU,
                       kennismigranten  voor kennis, inzetten op                                link met EU beleid via EIP
                                        ESFRI
    Energie            _                Benut Europese fondsen    Regelgeving                   Aandacht voor MU,
                                        voor kennis                                             geen link met EU beleid
    Chemie             Stimuleer komst  Inzetten op Kader-        Regelgeving                   Aandacht voor MU,
                       kennismigranten  programma en EIT                                        geen link met EU beleid
    Logistiek          _                Benutten van EU           Regelgeving                   Aandacht voor MU,
                                        onderzoeksgeld                                          geen link met EU beleid
    Creatieve          Stimuleer komst  Benutten van Europese     Europese aanbesteding,        Aandacht voor MU, link
    industrie          kennismigranten  programma’s               aansluiting bij EU platform   met EU beleid via EIP
                                                                  Creative Industries Alliance
 91     Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>92 Scherp aan de wind!</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>b3              Beoordelingscriteria
    Inhoudelijke en Functionele beoordelingscriteria voor activiteiten en instrumenten
    binnen Europees onderzoeks- en innovatiebeleid:
    Inhoudelijke criteria:
    1 ‘Lokaliteit’; betreft het een onderwerp dat typisch voor Nederland van belang is,
    of is het veeleer Europees of mondiaal? Gaat het over problemen of kennisbehoef-
    ten waarop gezamenlijke programma’s ingezet kunnen worden of gaat het om ken-
    nisontwikkeling die wij per se dicht bij huis willen houden? Sluit het bijvoorbeeld
    aan bij onze zwaartepunten in bedrijvigheid of bij specifiek Nederlandse maatschap-
    pelijke vraagstukken?
    2 Schaalvergroting en kritische massa; soms zijn dermate grote investeringen in
    bijvoorbeeld onderzoekfaciliteiten nodig, dat internationale samenwerking nodig
    wordt. Is voor dit onderzoek de Europese schaal nodig, kan het nationaal opgezet
    worden of is het beter in bilaterale samenwerking uit te voeren? De
    benodigde kritische massa verschilt immers per onderwerp, type onderzoek of te
    gebruiken faciliteiten en onderzoeksinfrastructuur.
    3 Inschatting van de Nederlandse positie; is de Nederlandse kennisinfrastructuur
    in staat om de Europese concurrentie op dit gebied aan te gaan? Zijn wij in staat
    strategische allianties op dit gebied te ontwikkelen? Bestaat het gevaar resources
    (geld, mensen, faciliteiten) kwijt te raken aan landen die er beter voorstaan? Wat
    zijn onze eigen sterktes, zwaktes en potentiële sterktes op dit gebied? Wat zijn die
    van de andere landen? Oftewel, hoe is de ´kennismarkt´ op dit gebied geordend en
    welke kansen liggen hier voor Nederland? Liggen die in samenwerking, zo ja, met
    wie?
    4 Bijdrage aan de Europese onderzoeksruimte of aan de Europese eenwor-
    ding; draagt het instrument of de activiteit bij aan de doelstelling van de Europese
    onderzoeksruimte om te komen tot meer synergie in onderzoek? Draagt het bij aan
    de Europese eenwording in culturele, sociale, wetenschappelijke of economische
    zin?
    5 Bijdrage aan kennisbenutting; draagt het instrument of de activiteit bij aan het
    oplossen van praktische, private of publieke, problemen? Is het gericht op actuele
    vraagstukken van bepaalde partijen, of is het meer door weetgierigheid gedreven?
    Zijn er cliënten, patiënten, klanten of expliciete opdrachtgevers betrokken bij de
    opzet?
 93 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>   Functionele criteria:
   6 Subsidiariteit en proportionaliteit; betreft het een activiteit voor de Europese
   Commissie of kan het op nationaal, of zelfs regionaal, niveau uitgevoerd worden?
   De formele eis van subsidiariteit vereist immers dat beleid op het laagst mogelijke
   niveau wordt uitgevoerd. Voor het onderzoek geldt straks dat het een gezamenlijke
   verantwoordelijkheid betreft. Dan treedt het proportionaliteits-criterium in werking,
   dat stelt dat de door de Commissie voorgestelde maatregelen zo eenvoudig en
   handhaafbaar mogelijk moeten zijn voor de lidstaten. Voor het Nederlands beleid
   rest dan de vragen: zijn de Europese maatregelen uitvoerbaar, hoe kunnen wij met
   ons beleid zo goed mogelijk inspelen op het Europese? Welke aanpassingen zijn
   wenselijk, welke mogelijk?
   7 Effectiviteit; de mate waarin het doel wordt bereikt met de inzet van een instru-
   ment. Bijvoorbeeld: in welke mate draagt dit instrument bij aan vermindering van
   fragmentatie van onderzoeksactiviteiten, in welke mate bevordert het beleid het
   innovatievermogen? Betreft het hier dus effectieve maatregelen die het gestelde
   doel bereiken, of niet?
   8 Efficiëntie; de mate waarin middelen doelmatig worden ingezet. Welke investe-
   ringen zijn gemoeid met de inzet ten opzichte van de opbrengsten? Hoe verhoudt
   zich dit tot de investeringen - opbrengstenratio van andere instrumenten? Is dit dus
   een efficiënte en snelle manier om het te organiseren? Is de voorgestelde uitvoe-
   ringsorganisatie in staat dit efficiënt te doen?
   9 Transparantie; inzichtelijkheid over wat wordt gevraagd, beoogd en geregeld.
   Wat zijn de procedures? Welke partijen zijn, op welke manier, betrokken? Wie is
   aan te spreken op de gang van zaken, is dit één partij, met relevante bevoegdhe-
   den? Draagt dit beleid bij aan een transparantere onderzoeks- en innovatieruimte?
   Of maakt het de complexe Europese werkelijkheid nog onoverzichtelijker dan hij al
   is? Komt het niet in conflict met ander Europees beleid?
   10 Flexibiliteit; het aanpassingsvermogen aan wisselende omstandigheden.
   Kunnen partijen relatief makkelijk aan- of afhaken? Zijn bijstellingen in aanpak of
   doelstellingen mogelijk? Is het instrument of het mechanisme ter coördinatie van
   Europees onderzoek eventueel op te heffen?
   11 Legitimiteit; is de procedure van het instrument of de activiteit betrouwbaar?
   Wordt hij als legitiem ervaren door de betrokken partijen? Wordt de uitvoerende
   partij als de juiste gezien? Is er misschien sprake van een zogenaamd ‘democratisch
   tekort’?
94 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>b4  Documenten
                Geraadpleegde literatuur
    •    Adviescommissie Toekomstbestendig Hoger Onderwijs Stelsel, Differentiëren in
         drievoud (2010)
    •    Agentschap NL, Nederland in KP7 (2010)
    •    Algemene Rekenkamer, Lissabon strategie voor duurzame economische groei en
         werkgelegenheid in Europa (2009)
    •    Archibugi, D. & Filippetti, A., Is the crisis impairing convergence in innovation in
         Europe? (2011) via http://www.irpps.cnr.it/
    •    AWT, advies 53, Backing Winners (juli 2003)
    •    AWT, advies 57, Nederlands kompas voor de Europese onderzoeksruimte –
         Strategisch kader voor de internationalisering van het onderzoeks- en
         innovatiebeleid (januari 2004)
    •    AWT, advies 63, Kennis voor beleid – beleid voor kennis (mei 2005)
    •    AWT, advies 64, Innovatie zonder inventie. Kennisbenutting in het MKB
         (juli 2005)
    •    AWT, advies 68, Opening van zaken. Beleid voor Open Innovatie (juni 2006)
    •    AWT, advies 71, Balanceren met beleid. Wetenschaps- en Innovatiebeleid op
         hoofdlijnen (maart 2007)
    •    AWT, advies 72, Weloverwogen impulsen – Strategisch investeren in
         zwaartepunten (november 2007)
    •    AWT, advies 75, Kennis plaatsen – Onderzoeksinstituten in een veranderde
         omgeving (januari 2010)
    •     AWT, Briefadvies van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en
         Technologiebeleid naar aanleiding van regeerakkoord (2010)
    •    AWT, Briefadvies: Crisis als kans (2010)
    •    Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN), Veredelde Zaken – de
         toekomst van de plantenveredeling in het licht van de ontwikkelingen in het
         octrooirecht en het kwekersrecht, rapport 14 (2009)
    •    Cerna, L, Towards an EU Blue Card? The Proposed Delegation of National High-
         Skilled Immigration Policies to the EU-Level, (maart 2008) via
         http://www.euractiv.com
    •    Commissie Nationale Roadmap grootschalige onderzoeksfaciliteiten,
         Nederlandse Roadmap grootschalige onderzoeksfaciliteiten (oktober 2008)
    •    Erasmus Universiteit Rotterdam, Eindrapport Erasmus Concurrentie en Innovatie
         Monitor 2008-2009 (december 2009)
    •    ERC, New ERC funding initiative to spur innovation (press release) (maart 2011)
    •    ERC, Towards a world class frontier research organization (juli 2009)
 95 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>   •    ESRC Centre on Migration, Policy and Society, Towards an EU Blue Card? The
        Proposed Delegation of National High-Skilled Immigration Policies to the EU-
        Level (2008)
   •    Eureka, Eureka project facts 2001-2008 (june 2008) via
        http://www.eurekanetwork.org
   •    Europe INNOVA / PRO INNO, Concept of clusters and cluster policies and their
        role for competitiveness and innovation Europe (2008)
   •    European Business Summit, Who cares, who dares? – providing the skills for an
        innovative and sustainable Europe (2009)
   •    Europees Parlement, Synergies between the EU 7th Research Framework
        Programme, the Competitiveness and Innovation Framework Programme and
        the Structural Funds – PE 385.645 (mei 2007)
   •    Europese Commissie, A rationale for action (SEC (2010) 1161) (2010)
   •    Europese Commissie, A report on the functioning of public procurement
        markets in the EU – benefits from the application of EU directives and
        challenges for the future (februari 2004)
   •    Europese Commissie, Europe2020 – a European strategy for smart, sustainable
        and inclusive growth (2010)
   •    Europese Commissie, Europees cohesiebeleid in Nederland (2010)
   •    Europese Commissie, External Evaluation of the European Institute of Innovation
        and Technology (mei 2011)
                                                            th
   •    Europese Commissie, Interim evaluation of the 7        framework programme –
        report of the Expert Group (november 2010)
   •    Europese Commissie, New Skills for New jobs - Anticipating and matching
        labour market and skills needs COM (2008) 868/3 (2008)
   •    Europese Comissie, Progress towards the Lisbon objectives in education and
        training – indicators and benchmarks 2008 (2008)
   •    Europese Commissie/European Science Foundation, Trends in European Research
        Infrastructures - Analysis of data from the 2006/07 survey (juli 2007)
   •    Europese Commissie, Exploring regional structural and S&T specialization:
        implications for policy (2009)
   •    Europese Commissie, Flagship Initiative Innovation Union – COM(2010) 546 final
        (2010)
   •    Eurostat, How mobile are highly qualified human resources in science and
        technology? In Statiscs in Focus 75/2007 (2007)
   •    Gelauff, G. Grilo, I. en Lejour, A. (eds), Subsidiarity and Economic Reform in
        Europe (2008)
   •    Georghiou, L., Effective innovation Policies for Europe, the missing demand side
        (september 2006) via www.EU2006.fi
   •    High Level Group on Joint Programming, Joint Programming in research 2008-
        2010, and beyond (november 2010)
   •    Innovatieplatform, Kennisinvesteringsagenda 2006-2016 - ‘Doel: Nederland,het
        land van talenten! (mei 2006)
96 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>   •    Innovatieplatform, Nederland 2020: terug in de top 5 (2010)
   •    Innovatieplatform, Voortgang Sleutelgebieden en tussentijdse evaluatie
        Sleutelgebieden-aanpak (januari 2009)
   •    Jansen, J.J.P., Vrande, V. van de & Volberda, H.W., Eindrapport: ‘Meer
        Rendement uit R&D’. Nederlandse Life Sciences en Medische Technologie (2008)
   •    Kabinetsreactie, De toekomst van het Cohesiebeleid - Reactie op de openbare
        consultatie over de toekomst van het cohesiebeleid in de conclusies van het
        Vijfde Cohesieverslag (februari 2011)
   •    Kabinetsreactie, Europe 2020 (maart 2010)
   •    Kabinetsreactie, Groenboek De Europese Onderzoeksruimte: Nieuwe
        Perspectieven (COM 2007/161 definitief) (juni 2007)
   •    Kabinetsreactie, Nederlandse roadmap grootschalige onderzoeksfaciliteiten (juni
        2009)
   •    Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Naar de top:
        hoofdlijnen van het nieuwe bedrijfslevenbeleid (2011)
   •    Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Nederlands position
        paper Toekomst Cohesiebeleid (juni 2010)
   •    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Brief van minister van OCW
        aan de Tweede Kamer van 26 november 2008, kamerstuk 21 501-30/22 112,
        nr. 197 (november 2008)
   •    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Implementatie
        wetenschapsbudget 2004 (juni 2004)
   •    Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie (NOWT),
        Wetenschaps- en technologie indicatoren (2010)
   •    Nuffic, De internationale mobiliteit van kenniswerkers in het hoger onderwijs –
        Een kwantitatief onderzoek (februari 2005)
   •    NWO, Groeien met kennis – NWO strategie 2011-2014 (juni 2010)
   •    OECD, Education in a glance 2009 (2009)
   •    OECD, New Nature of Innovation (2010)
   •    Porter, M.E., Clusters, innovation and competitiveness (2009) via
        http://www.isc.hbs.edu/
   •    Pro Inno Europe, European Innovation Scoreboard 2007 – comparative analysis
        of innovation performance (februari 2008)
   •    Pro Inno Europe, Subsidiarity and EU support for innovation (juni 2008)
   •    Pro Inno Europe, The impact of the economic crisis on innovation – analysis
        based on the Innobarometer 2009 survey (2009)
   •    Regeerakkoord VVD-CDA, Vrijheid en verantwoordelijkheid (2010)
   •    SEO Economisch Onderzoek, Wat beweegt kennismigranten? - Een analyse van
        de concurrentiekracht van NL bij het aantrekken van kennismigranten (april
        2010)
   •    SER, Europa 2020: de nieuwe Lissabonstrategie (juni 2009)
   •    Tanghe, P.C., Europees aanbesteden, onmogelijk, onnodig of anders..? (2007)
        via www.pianoo.nl
97 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>   •    Technopolis, De rol en meerwaarde van grote onderzoeksfaciliteiten (februari
        2011)
   •    Technopolis, Impact Europese kaderprogramma’s in Nederland – syntheserapport
        (oktober 2009)
   •    Technopolis, Interim evaluation of the Competitiveness and Innovation
        Framework Programme (2007 – 2013) (maart 2010)
   •    The Decision Group en Life Science Health, Life Science Outlook 2011 (2011)
   •    TNO, Innoveren met Impact – TNO strategisch plan 2011-2014 (2010)
   •    Wissenschaftsrat, Recommendations on German Science Policy in the European
        Research Area (2010)
   Websites
   •    www.geneesmiddelendebat.nl/nieuws/nieuwsarchief/
        editie_25_economische_ontwikkelingen/
   •    http://www.multimedian.nl/nl/home.php
   •    www.eurekanetwork.org
   •    http://www.era.gv.at/space/11442/directory/19999/doc/21643.html
   •    http://www.nwo.nl/nwohome.nsf/pages/NWOA_6JUG34
   •    http://ec.europa.eu/research/infrastructures/index_en.cfm?pg=preparatory_
        phase_projectsc
   •    http://eit.europa.eu/home.html
   •    http://www.europa-nu.nl/id/vi3bgauyv3o0/europese_staatssteun_tijdens_de
   •    http://epp.eurostat.ec.europa.eu/tgm/table.do?tab=table&init=1&plugin=
        1&language=en&pcode=tsier100
   •    http://cordis.europa.eu/fetch?CALLER=EN_NEWS&ACTION=D&RCN=31013
   •    http://www.closingthedeal.nl/news/7460/waar-staan.html
   •    http://ec.europa.eu/research/biosociety/public_understanding/eurobarometer_
        en.htm
   •    http://www.gmo-
        compass.org/eng/agri_biotechnology/gmo_planting/257.global_gm_planting_
        2009.html
   •    http://www.nejm.org/doi/full/10.1056/NEJMoa1011367#t=articleTop
   •    http://www.medicalfacts.nl/2011/03/29/geneesmiddelenonderzoek-met-
        kinderen-nederland-op-achterstand/
   Projectmedewerkers: de heer L. Rietveld, de heer R. Verschuur
98 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>   Serie uitgebrachte adviezen van de AWT
   76 Kapitale kansen. Slim geld voor ambitieuze ondernemers.
        Februari 2011. ISBN 978 90 77005 52 1. € 15,00.
   75 Kennis plaatsen. Onderzoeksinstituten in een veranderende omgeving.
        Januari 2010. ISBN 978 90 77005 52 1. € 15,00.
   74 Kennis zonder grenzen. Kennis en innovatie in mondiaal perspectief. Januari 2010.
        ISBN 978 90 77005 48 4. € 15,00.
   73 Meer laten gebeuren. Innovatiebeleid voor de publieke sector. Maart 2008.
        ISBN 978 90 77005 43 9. € 15,00.
   72 Weloverwogen impulsen. Strategisch investeren in zwaartepunten.
        November 2007. ISBN 978 90 77005 42 2. € 15,00.
   71 Balanceren met beleid. Wetenschaps- en Innovatiebeleid op hoofdlijnen. Maart
        2007. ISBN 978 90 77005 39 2. € 12,50.
   70 Alfa en Gamma stralen. Valorisatiebeleid voor de Alfa- en
        Gammawetenschappen. Maart 2007. ISBN 978 90 77005 38 5. € 12,50.
   69 Bieden en binden. Internationalisering van R&D als beleidsuitdaging. December
        2006. ISBN 90 77005 37 4. € 12,50.
   68 Opening van zaken. Beleid voor Open innovatie. Juni 2006.
        ISBN 90 77005 35 8. € 12,50.
   67 Tijd voor een opKIQer! Méér investeren in onderwijs en onderzoek.
        Oktober 2005. ISBN 90 77005 32 3. € 12,50.
   66 Diensten beter bedienen. Innovatiebeleid voor diensten.
        September 2005. ISBN 9077005307. € 12,50.
   65 Ontwerp en ontwikkeling. De functie en plaats van onderzoeksactiviteiten in
        hogescholen. Augustus 2005. ISBN 90 77005 31 5. € 10,00.
   64 Innovatie zonder inventie. Kennisbenutting in het MKB. Juli 2005.
        ISBN 90 77005 29 3. € 12,50.
   63 Kennis voor beleid - beleid voor kennis. Mei 2005. ISBN 90 77005 28 5.
        € 12,50.
   62 De waarde van weten. De economische betekenis van universitair onderzoek.
        April 2005. ISBN 90 77005 005. € 9,00.
   61 Een vermogen betalen. De financiering van universitair onderzoek.
        Februari 2005. ISBN 90 77005 27 7. € 12,50.
   60 Samen slimmer in ketens. Competenties in supply chain management als
        concurrentiefactor voor Nederlandse bedrijven. December 2004.
        ISBN 90 77005 25 0. € 12,50.
   59 Tijd om te oogsten! Vernieuwing in het innovatiebeleid. Juni 2004.
        ISBN 90 77005 24 2. € 12,50.
   58 De prijs van succes. Over matching van onderzoekssubsidies in
        kennisinstellingen. April 2004. ISBN 90 77005 22 6. € 12,50.
99 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>    57 Nederlands kompas voor de Europese onderzoeksruimte. Strategisch kader voor
         de internationalisering van het onderzoeks- en innovatiebeleid. Januari 2004.
         ISBN 90 77005 21 8. € 12,50.
    56 Netwerken met kennis. Kennisabsorptie en kennisbenutting door bedrijven.
         November 2003. ISBN 90 77005 20 X. € 12,50.
    55 Wat van ver komt... De vormgeving van het Nederlandse bilaterale
         onderzoeksbeleid. Oktober 2003. ISBN 90 77005 19 6. € 9,00.
    54 1+1>2. De bevordering van multidisciplinair onderzoek. September 2003.
         ISBN 90 77005 18 8. € 12,50.
    53 Backing winners. Van generiek technologiebeleid naar actief innovatiebeleid.
         Juli 2003. ISBN 90 77005 17 X. € 15,00.
    52 Kennis van criminaliteit. Juni 2003. ISBN 90 77005 16 1. € 9,00.
    51 Wijsheid achteraf. De verantwoording van universitair onderzoek. Juni 2003.
         ISBN 90 77005 15 3. € 9,00.
    50 Naar een nieuw maatschappelijk contract. Synergie tussen publieke
         kennisinstelllingen en de Nederlandse kennissamenleving. Januari 2003.
         ISBN 90 77005 14 5. € 5,00.
    49 Gewoon doen!? Perspectief op de Barcelona-ambitie ‘3% BBP voor O&O’.
         Juli 2002. ISBN 90 77005 11 0. € 9,08.
    48 KP6 laten werken. Stimuleren Nederlandse deelname: profijt en beleid. Juli
         2002. ISBN 90 77005 10 2. € 12,50.
    47 Hógeschool van Kennis. Kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en
         hogescholen. Juli 2001. ISBN 90 77005 05 6. € 11,34.
    46 Handelen met kennis. Universitair octrooibeleid omwille van kennisbenutting.
         Juni 2001. ISBN 90 77005 03 X. € 9,08.
    45 Over stromen. Kennis - en innovatieopgaven voor een waterrijk Nederland.
         Advies en Verkenning door de AWT, NRLO en RMNO, juni 2000. € 11.34.
    44 Investeren in onderzoek, april 2000. ISBN 90 346 3823 5. € 9,08.
    43 Halfslachtige wetenschap. Onderbenutting van vrouwelijk potentieel als
         existentieel probleem voor academia januari 2000. ISBN 90 346 3798 0.
         € 11,34.
    AWT-publicaties zijn te bestellen via www.awt.nl.
    Eerdere adviezen van de AWT zijn ook te vinden op de website.
100 Scherp aan de wind!
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>