<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>82
   Waarde creëren
   uit maatschappelijke
   uitdagingen
   oktober 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>  Colofon
  Illustratie:       Sylvia Weve
  Druk:              Quantes - Rijswijk
  Oktober 2013
  ISBN               9789077005637
  Verkoopprijs       € 12,50
  Auteursrecht
  Alle auteursrechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen
  van deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke
  toestemming van de AWT. Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van
  organisatienaam en naam en jaartal van uitgave.
2 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  Inhoudsopgave
  Samenvatting			                                                                  5
  1     Inleiding			                                                               9
        Adviesvraag		                                                             10
        Achtergrond		                                                             10
        Aanpak en leeswijzer                                                      11
  2     Beschrijving		                                                            13
        Wat zijn maatschappelijke uitdagingen?                                    13
        Wat doen kennisinstellingen aan maatschappelijke uitdagingen?             16
        De focus van dit advies                                                   18
  3     Analyse			                                                                19
        Marktfalen			                                                             19
        De remedie: overheidsbeleid om maatschappelijke waarde te helpen creëren  21
        Maar de overheid kan tekortschieten                                       22
  4     Vier casussen en een blik over de grens                                   25
        Conclusies uit de vier casussen                                           29
        Wat kunnen we leren van de EU en van andere landen                        31
  5     Conclusies en kompas                                                      35
        Conclusies			                                                             35
        Kompas			                                                                 37
  6     Aanbevelingen		                                                           41
  Bijlage 1: Adviesvraag                                                          47
  Bijlage 2: Instrumenten voor maatschappelijke uitdagingen                       49
  Bijlage 3: D  e casussen en de vragen voor de casussen                         51
                Casus energie                                                     54
                Casus mobiliteit                                                  75
                Casus zorg                                                        94
                Casus veiligheid                                                 106
  Bijlage 4: Gesprekspartners en deelnemers aan rondetafelgesprekken             121
  Bijlage 5: Serie uitgebrachte adviezen van de AWT                              123
3 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>4 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
  Wij staan voor maatschappelijke uitdagingen, als burgers, als bedrijfsleven, als weten-
  schappers, als overheid. Deze uitdagingen stellen ons voor opgaven, maar vormen ook
  kansen. Voor bedrijven zijn ze de markten van de toekomst, voor ambitieuze onderne-
  mers een perspectief op nieuwe waardecreatie. Voor creatieve wetenschappers zijn ze
  een pad naar wetenschappelijke en maatschappelijke erkenning. Voor burgers zijn ze
  een uitnodiging tot betrokkenheid in de ontwikkeling van een veiligere, duurzamere en
  gezondere samenleving. Voor de overheid vormen maatschappelijke uitdagingen een
  mogelijkheid en een oproep om zich in een nieuwe rol te profileren. Soms is dat als par-
  ticipant en ondersteuner, vaak als makelaar of regisseur van een gezamenlijke aanpak,
  en soms als ondernemende voortrekker. Maatschappelijke uitdagingen vragen in onze
  tijd om een overheid die met kennis van zaken weet te inspireren en te motiveren, die
  rolvast is en consistent beleid voert.
  De AWT (Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid) vindt dat we de po-
  tentie van maatschappelijke uitdagingen in Nederland beter kunnen benutten. Topsecto-
  ren en kennisinstellingen hechten al veel belang aan het aanpakken van maatschappe-
  lijke uitdagingen. Tegelijkertijd constateert de AWT dat daadkracht en coördinatie in de
  praktijk nog te wensen overlaten. Daarmee worden kansen gemist.
  De aanbevelingen rusten op drie pijlers: leiderschap, governance en marktontwikkeling.
  Waar maatschappelijke uitdagingen in het geding zijn, is er behoefte aan meer leider-
  schap, aan gezamenlijke verantwoordelijkheid, initiatief en regie. Leiderschap is nodig
  om urgentie te creëren, prioriteiten te stellen, deze uit te dragen, te inspireren en conti-
  nuïteit te garanderen. Goed leiderschap en helderheid omtrent verantwoordelijkheden
  maken governance gemakkelijker en faciliteren een productieve samenwerking tussen
  overheid en veldpartijen, en tussen het ministerie van Economische Zaken en de betrok-
  ken vakdepartementen of vakdirecties. Een overheid die leiderschap toont, biedt daar-
  mee houvast aan bedrijven en kennisinstellingen. Een goede samenwerking kan als ant-
  woord op maatschappelijke uitdagingen de creatie van nieuwe markten ondersteunen.
  De AWT is ervan overtuigd dat de drie pijlers gezamenlijk een stevige basis vormen
  waarop een nieuwe dynamiek in Nederland kan ontstaan. Deze dynamiek zal helpen om
  economische en maatschappelijke waarde te creëren op basis van maatschappelijke uit-
  dagingen. In dat kader formuleert de AWT de volgende – korte samengevatte – aanbe-
  velingen (zie de hoofdtekst voor de volledige aanbevelingen):
5 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  Aan de regering:
  1.   Toon meer leiderschap. Bouw voort op het topsectoren- en profileringsbeleid, en
       zorg daarbinnen inzake de maatschappelijke uitdagingen voor inspirerend en effectief
       leiderschap. Inspireer en moedig bedrijven en kennisinstellingen aan tot Dutch solu-
       tions voor global challenges. Sluit waar mogelijk aan bij industrieel leiderschap.
  2.   Zorg voor meer focus. Kies samen met het relevante veld van bedrijven, kennisin-
       stellingen en universiteiten voor een beperkt aantal thema’s of icoonprojecten:
       punten aan de horizon. Neem hiervoor deelthema’s binnen de Grand Challenges van
       Horizon 2020. Selecteer die deelterreinen waarop Nederland kan uitblinken en leg
       keuzes en financiering – tot 2020 – vast.
  3.   Bevorder marktcreatie. Help markten ontstaan voor producten en diensten die bij-
       dragen aan de aanpak van maatschappelijke uitdagingen. Faciliteer markten voor
       duurzaam geproduceerde producten via regelgeving, de aanpak van marktverstorin-
       gen en innovatiegericht overheidsaankoopbeleid.
  4.   Trek nadrukkelijk samen op. Neem de regie, investeer in onderling vertrouwen
       tussen departementen en treed gezamenlijk naar buiten: ‘je gaat er samen over’.
  De AWT beveelt de minister van Economische Zaken aan:
  1.   Zet binnen het topsectorenbeleid meer in op maatschappelijke uitdagingen.
       Doe dit samen met bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden. Zet deze koers in
       door: i) samen in te zetten op een aantal binnen de Grand Challenges te selecteren
       Nederlandse zwaartepunten; ii) intensiever samen te werken met andere departe-
       menten; iii) de governance-structuur van de topsectoren zo in te richten dat er meer
       ruimte is voor een adviserende rol van de vakdepartementen; iv) de bijdrage van de
       topsectoren aan de maatschappelijke uitdagingen met specifiek instrumentarium te
       stimuleren; v) samen een beter gebruik te maken van het hele scala van beschikbare
       beleidsinstrumenten om transitieagenda’s te realiseren en daarbij meer de ruimte op
       te zoeken binnen de Europese regels.
  2.   Lever maatwerk. Maatschappelijke uitdagingen verschillen van elkaar in de mate
       waarin en de manier waarop ze binnen de kaders van het topsectorenbeleid
       geadresseerd kunnen worden. Varieer de aanpak.
  De AWT beveelt de minister van OCW aan:
  1.   Meer profilering op maatschappelijke uitdagingen. Moedig universiteiten,
       hogescholen en kennisinstellingen aan om zich in het kader van hun profilering nog
       meer te richten op de door Nederland te selecteren zwaartepunten binnen de
       Grand Challenges. Stem de toewijzing van overheidsmiddelen hierop verder af.
       Doe dit in dialoog met besturen van universiteiten en kennisinstellingen, NWO en
       de vakdepartementen.
6 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>  2.   Een meer gezamenlijk optreden in Brussel. Zorg voor een optimale aansluiting
       op Horizon 2020 vanuit Nederland door de vakdepartementen en het veld intensie-
       ver daarbij te betrekken.
  De AWT beveelt de ministers van de andere vakdepartementen aan:
  1.   Wees meer innovatiegericht. Neem medeverantwoordelijkheid voor kennisont-
       wikkeling en innovatie binnen de topsectoren. Zet zoveel mogelijk binnen de con-
       text van het topsectorenbeleid in op de gezamenlijk gekozen zwaartepunten die
       binnen het domein van het departement liggen. Wees hierbij regisseur en zo nodig
       voortrekker.
  2.   Neem initiatief. Zoek meer de dialoog met het ministerie van Economische Zaken
       over de eigen onderzoeks- en innovatieagenda waar die geadresseerd kan worden
       binnen het topsectorenbeleid.
  3.   Breng expertise in huis. Investeer meer in eigen (technische en sociaalweten-
       schappelijke) vakkennis op het terrein van de maatschappelijke uitdagingen binnen
       het domein van het departement en realloceer zo nodig bestaande departementale
       capaciteit, zodat het departement de rol van gezaghebbende gesprekspartner in de
       relatie met bedrijven en kennisinstellingen beter kan spelen.
  Het opvolgen van deze aanbevelingen kan ervoor zorgen dat Nederland voorop komt te
  lopen in Europa: langs deze weg ontstaat een geïntegreerde aanpak van de drie in Hori-
  zon 2020 gescheiden pijlers: wetenschappelijke excellentie, industrieel leiderschap en
  maatschappelijke uitdagingen.
7 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>8 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>      Overheden hebben een rol bij
                                    1                        Inleiding
                                       Allerhande maatschappelijke uitdagingen vragen om oplossingen. Wereldwijd is er
     maatschappelijke uitdagingen      schaarste aan energie, hulpbronnen en schoon water. Er zijn conflicten binnen en tussen
                                       samenlevingen, er is armoede, er zijn ziektes en er zijn veiligheidsvraagstukken. Het is
                                       een publiek belang deze uitdagingen aan te pakken. Overheden hebben hierbij een rol.
                                       Uiteraard nemen maatschappelijke uitdagingen een prominente plaats in op de beleids-
                                       agenda’s van de Nederlandse overheid. Dat is nodig, maar niet voldoende. Zonder lei-
                                       derschap blijft beleid een papieren exercitie, die mensen, bedrijven, kennisinstellingen en
               Leiderschap is nodig    belangenorganisaties niet in beweging zet. De AWT is ervan overtuigd dat leiderschap,
                                       een aansprekende visie en een gedeelde ambitie nodig zijn om de grote maatschappe-
                                       lijke problemen aan te pakken. Maar het doorvertalen van ambities naar stimulansen
                                       voor bedrijven, kennisinstellingen en consumenten is minstens even belangrijk.
Nederland stimuleert topsectoren ...   Binnen het economisch beleid van Nederland is gekozen voor de ‘topsectorenaanpak’.
                                       Het bedrijfsleven werkt in negen topsectoren samen met kennisinstellingen en de over-
                                       heid om zijn concurrentiepositie te verbeteren. De belangrijkste doelen zijn i) het concur-
                                       rentievermogen van Nederland te behouden of te verbeteren, ii) de Nederlandse R&D
                                       verder te laten toenemen, en iii) publiek-private samenwerking in R&D verder te ontwik-
                                       kelen.1 Voor de agenda’s van de negen topsectoren zijn innovatiebehoeften die voort-
                                       vloeien uit concurrentieoverwegingen leidend.
                ... en profilering van Binnen het wetenschapsbeleid is gekozen voor het profileringsbeleid. Daarbij gaat het
                   kennisinstellingen  om het verbeteren van de kwaliteit en doelmatigheid van onderzoek door het creëren
                                       van ‘focus en massa’. Dit moet de internationale positie van het onderzoek verstevigen
                                       en de wetenschappelijke, maar ook de maatschappelijke impact versterken.
                                       Binnen het topsectorenbeleid en het profileringsbeleid komen maatschappelijke vraag-
   Europa richt onderzoek direct op    stukken indirect aan bod. Anders dan binnen het Europese beleid, waar maatschappe-
     maatschappelijke uitdagingen      lijke uitdagingen centraal staan in de derde pijler van het nieuwe Europese onderzoeks-
                                       programma Horizon 2020, is er in Nederland niet de keuze gemaakt om het beleid
                                       rondom maatschappelijke uitdagingen te structureren. Daardoor ontbreekt een gerichte
                                       en samenhangende aanpak en staat waardecreatie door het aanpakken van maatschap-
                                       pelijke uitdagingen niet centraal.
                                       1
                                           In termen van indicatoren: i) in de top 5 op de ranglijst van het WEF komen en blijven, ii) 2,5 procent van het BBP in R&D investe-
                                           ren, en iii) deelname van publieke en private partijen voor meer dan 500 miljoen euro in Topconsortia voor Kennis en Innovatie,
                                           waarvan tenminste 40 % gefinancierd wordt door het bedrijfsleven.
                                     9 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                                      Adviesvraag
                 Hoe kan Nederland    Het kabinet vraagt de AWT om advies uit te brengen over de vraag hoe in Nederland
maatschappelijke uitdagingen het      optimaal kan worden bijgedragen aan de aanpak van maatschappelijke uitdagingen via
                    best aanpakken?   i) het topsectorenbeleid, ii) het profileringsbeleid, en iii) het Europese kaderprogramma
                                      Horizon 2020, dan wel een combinatie van deze beleidsprogramma’s.2
 En hoe kan Nederland hierbij het     Waar het Nederlandse beleid is gestructureerd langs de lijnen van topsectoren, stelt het
        best aansluiten bij Europa?   Europese beleid zoals vervat in Horizon 2020 ook maatschappelijke uitdagingen cen-
                                      traal, met duurzaamheid als overkoepelende doelstelling. Nederland richt zich op het sti-
                                      muleren van specifieke, economisch belangrijke capaciteiten (en dus op de aanbodzijde),
                                      terwijl Europa bepaalde collectieve problemen aanpakt (en daarmee de vraagzijde als
                                      aangrijpingspunt neemt). Nederland onderschrijft het belang van de Europese maat-
                                      schappelijke uitdagingen. De vraag is daarom hoe ervoor gezorgd kan worden dat deze
                                      twee benaderingen goed op elkaar aansluiten en evenwichtige economische groei gene-
                                      reren. Het gaat erom simultaan ons concurrentievermogen te bevorderen en recht te
                                      doen aan maatschappelijke behoeften en duurzaamheid.
                                      Achtergrond
   Het topsectorenbeleid legt het     In de invulling van het topsectorenbeleid heeft de agenda van de EU, zowel programma-
     initiatief bij het bedrijfsleven tisch als financieel, tot nu toe een bescheiden rol gespeeld. Bij de invulling van het Ne-
                                      derlandse topsectorenbeleid ligt het initiatief primair bij het bedrijfsleven. Nederlandse
                                      bedrijven bepalen hun innovatieagenda op basis van economische perspectieven. Toch
                                      raken maatschappelijke uitdagingen en topsectorenbeleid aan elkaar. Bedrijven dragen
                                      graag bij aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken wanneer deze zich verta-
                                      len in marktvraag. In de bedrijfslevenbrief van 11 september 2011 staat dit als volgt ver-
                                      woord: ‘Maatschappelijke vraagstukken als klimaatverandering en schaarste (water,
                                      voedsel, energie), vergrijzing (high tech, life sciences & health) bieden kansen aan het
                                      Nederlandse bedrijfsleven. […] In de topsectoren is veel aandacht voor de koppeling van
                                      economische kansen aan maatschappelijke uitdagingen in de vorm van publiek-private
                                      samenwerking.’ Het is de vraag of de kansen in de praktijk optimaal benut worden.
    Het profileringsbeleid legt het   Nederlandse kennisinstellingen (zowel universiteiten als publieke onderzoeksinstituten)
initiatief bij de kennisinstellingen  zijn verregaand autonoom. Zij bepalen hun eigen onderzoeksagenda en kiezen zelf de
                                      gebieden waarop ze zich willen profileren. Het is evenwel aan de overheid om te waar-
                                      borgen dat onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van maatschappelijke uitdagingen
                                      voldoende tot hun recht komen op de agenda’s van kennisinstellingen en bedrijven. In
                                      de praktijk profileren veel universiteiten en kennisinstellingen zich op allerlei maatschap-
                                      pelijke thema’s. Thema’s als klimaat, energie, voedsel, zorg en veiligheid inspireren veel
                                      fundamenteel en toegepast onderzoek. De vraag is nochtans in hoeverre maat-
                                      2
                                         De volledige adviesvraag is opgenomen in bijlage 1.
                                   10 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                    schappelijke uitdagingen de profileringsstrategie van kennisinstellingen bepalen, en of
                                    dit gebeurt in samenhang met het topsectorenbeleid en Horizon 2020.
               Spelen bedrijven en  Horizon 2020, het Europese programma voor onderzoek en innovatie, heeft drie pijlers:
kennisinstellingen voldoende in op  een voor fundamenteel onderzoek, een voor industrieel leiderschap, en een voor onder-
   maatschappelijke uitdagingen?    zoek rondom de zes maatschappelijke uitdagingen. Nederland deed en doet het goed in
                                    de opeenvolgende Europese kaderprogramma’s. Om positie te behouden is een goede
                                    aansluiting van Nederlandse op Europese prioriteiten nodig en een werkwijze die gericht
                                    is op multidisciplinariteit en op samenwerking over de hele kennisketen, van fundamen-
                                    teel naar toegepast onderzoek en naar benutting van kennis.
           het gaat niet alleen om  De AWT onderschrijft het belang van evenwichtige groei. Hij meent dat het aanpakken
 maatschappelijke belangen, maar    van maatschappelijke uitdagingen economische en maatschappelijke waarde creëert.
     ook om economische kansen.     Maatschappelijke uitdagingen bieden kansen voor marktcreatie, voor het ontwikkelen
                                    van markten voor producten en diensten die bijdragen aan de leniging van collectieve
                                    behoeften en aan verduurzaming van economie en samenleving.
                                    Aanpak en leeswijzer
                                    Ter voorbereiding van zijn advies heeft de AWT vier experts gevraagd om een casestudy
                                    te schrijven. Daarnaast is een conceptversie van het advies besproken met een aantal
                                    deskundigen en betrokkenen (zie de lijst in bijlage 4).
                                    Leeswijzer. De AWT baseert zijn advies op de genummerde overwegingen in de vol-
                                    gende drie hoofdstukken. Deze betreffen achtereenvolgens de aard van de maatschap-
                                    pelijke uitdagingen, de inzet van het bedrijfsleven en de inzet van de kennisinstellingen
                                    (hoofdstuk 2). Dan volgen de redenen waarom de markt deze uitdagingen onvoldoende
                                    oppakt, de instrumenten die de overheid kan inzetten om hier iets aan te doen en de
                                    beperkingen waar de overheid tegenaan loopt (hoofdstuk 3). Daarna komen vier casus-
                                    sen aan bod, gevolgd door ervaring in enkele andere landen (hoofdstuk 4). Na de over-
                                    wegingen volgen conclusies (hoofdstuk 5). Het advies besluit met aanbevelingen (hoofd-
                                    stuk 6).
                                       Dit advies is voorbereid door een projectgroep onder leiding van Martin Schuurmans.
                                       Thecla Bodewes, Valerie Frissen en Luc Soete waren lid van de projectgroep. Vanuit
                                       de staf waren Dorette Corbey en Paul Diederen verantwoordelijk en hebben Sophie
                                       Roborgh en Kathleen Torrance bijdragen geleverd.
                                 11 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>12 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                  2                  Beschrijving
                                     Dit hoofdstuk beschrijft achtereenvolgens wat de AWT onder maatschappelijke uitdagin-
                                     gen verstaat, wat de topsectoren aan deze uitdagingen doen, en wat de inzet van de
                                     kennisinstellingen hierop is. Ten slotte omschrijft het de focus van dit advies.
                                     Wat zijn maatschappelijke uitdagingen?
Maatschappelijke uitdagingen zijn    1.   Omschrijving. Maatschappelijke uitdagingen zijn collectieve behoeften waarin on-
collectieve behoeften die bedrijven       voldoende of niet voorzien wordt door bedrijven. In een markteconomie reageren
     onvoldoende of niet oppakken         ondernemers op behoeften van klanten door het aanbieden van producten en dien-
                                          sten. Bedrijven zijn in staat om aan een breed scala van behoeften te voldoen: bak-
                                          kers bakken brood, kappers knippen haar, aannemers bouwen huizen. Er blijven
                                          echter behoeften over waaraan bedrijven onvoldoende of niet voldoen. In deze ca-
                                          tegorie vallen collectieve behoeften of maatschappelijke uitdagingen. Economen
                                          spreken van publieke goederen (ook waar het niet gaat om goederen in de strikte
                                          zin van het woord). Hier heeft de overheid een rol te spelen, soms door het helpen
                                          creëren van een markt, soms op andere wijze.
                      Het Europese   2.   De Europese invulling. De Europese Unie identificeert in Horizon 2020 de volgende
    onderzoeksprogramma Horizon           maatschappelijke uitdagingen: i) gezondheid, demografische verandering en wel-
              2020 identificeert zes      zijn; ii) voedselveiligheid, duurzame landbouw, marien en maritiem onderzoek en
     maatschappelijke uitdagingen         de bio-economie; iii) veilige, schone en efficiënte energie; iv) slim, groen en geïnte-
                                          greerd vervoer; v) klimaatmaatregelen, hulpbronnenefficiëntie en grondstoffen; vi)
                                          inclusieve, innovatieve en veilige samenleving. Deze zes maatschappelijke uitdagin-
                                          gen hebben gemeen dat het gaat om omvangrijke opgaven voor de toekomst
                                          waarvoor kennisontwikkeling en innovatie onontbeerlijk zijn.
             Deze maatschappelijke   3.   Diversiteit. De maatschappelijke uitdagingen in Horizon 2020 verschillen van elkaar
            uitdagingen verschillen       op diverse dimensies. Ten eerste, sommige uitdagingen liggen primair op het bord
   onderling en vereisen maatwerk         van overheden en organisaties in de publieke sector en andere worden tot op ze-
                                          kere hoogte opgepakt door het bedrijfsleven. Ten tweede, sommige uitdagingen
                                          vragen vooral om organisatorische, institutionele en sociale innovaties: andere ma-
                                          nieren om dingen samen op te lossen. Voor andere uitdagingen is nieuwe technolo-
                                          gie of een nieuw gebruik van technologie nodig. Ten derde, sommige uitdagingen
                                          vragen een grensoverschrijdende, internationale aanpak (klimaat, besmettelijke
                                          ziekten), terwijl andere veeleer regionaal of lokaal zijn (welzijn, inclusiviteit). Ten
                                          vierde, sommige lijken veraf of weinig urgent (klimaatverandering), terwijl andere
                                          uitdagingen mensen direct raken (congestie, kwaliteit van zorg). Vanwege deze ver-
                                          schillen moeten deze uitdagingen elk op hun eigen manier aangepakt worden.
                                          Marktontwikkeling is in sommige gevallen makkelijker dan in andere.
                                  13 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                                   Wat doen topsectoren nu aan maatschappelijke uitdagingen?
              Topsectoren hebben   4.     Topsectoren en R&D. Binnen de topsectoren zijn de afgelopen twee jaar topteams
  maatschappelijke uitdagingen op         gevormd, plannen gemaakt, agenda’s en roadmaps opgesteld er zijn ook al hier en
                hun agenda staan          daar calls for proposals uitgeschreven. In hun agenda’s voor onderzoek en ontwik-
                                          keling en hun innovatiecontracten besteden de topsectoren aandacht aan maat-
                                          schappelijke uitdagingen. Veel maatschappelijke uitdagingen vragen om een geza-
                                          menlijke inzet vanuit diverse topsectoren. Daartoe zijn er verschillende
                                          sectoroverschrijdende plannen ontwikkeld. Er zijn bijvoorbeeld plannen bij de top-
                                          sectoren Tuinbouw en Uitgangsmaterialen (T&U), Agri&Food en Water om samen
                                          de problemen rond voedselvoorziening en voedselzekerheid in ontwikkelingslanden
                                          aan te pakken. De topsectoren Chemie, Agri&Food, Energie, Water en T&U) werken
                                          samen op het terrein van de Biobased Economy, een breed thema dat ook een pro-
                                          minente plaats heeft in Horizon 2020. Dit heeft geleid tot het afsluiten van het in-
                                          novatiecontract Biobased Economy en de oprichting van een Topconsortium voor
                                          Kennis & Innovatie (TKI) Biobased Economy onder de vleugels van de topsector
                                          Chemie.
Ook zoeken topsectoren aansluiting 5.     Topsectoren en de Europese Grand Challenges. Alle topsectoren besteden in hun
                  bij Horizon 2020        innovatieagenda’s aandacht aan de maatschappelijke thema’s die in Horizon 2020
                                          geagendeerd zijn. De Chemie zet bijvoorbeeld in op vergroening en besteedt aan-
                                          dacht aan de grondstoffenproblematiek. Life Sciences & Health (LSH) richt zich op
                                          de aanpak en preventie van ziekten. De Creatieve industrie zoekt inhoudelijke aan-
                                          sluiting bij Horizon 2020, onder meer door in te zetten op ‘inclusive, innovative and
                                          secure societies. HTSM sluit met zijn roadmaps en zijn onderzoek aan enabling
                                          technologies (waaronder nanotechnologie en ICT) bij tenminste vijf van de Grand
                                          Challenges van Horizon 2020 aan.3 Daarbij hebben de topteams per in Horizon
                                          2020 genoemde maatschappelijke uitdaging een van hun boegbeelden aangewe-
                                          zen als verantwoordelijke voor de coördinatie van de gezamenlijke inspanningen op
                                          dit terrein (zie tabel 1). De meeste maatschappelijke uitdagingen raken meerdere
                                          topsectoren.
                                   3
                                      N
                                       anotechnologie en ICT zijn breed inzetbaar bij maatschappelijke uitdagingen; zie ICT bijvoorbeeld de meerjarenafspraken hier-
                                      over uit 2008 (http://www.ictmarktmonitor.nl/ict-marktmonitor-2013/). Verder is HTSM de hoeder van de Roadmap Security.
                                14 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                               Tabel 1: Maatschappelijke uitdagingen en topsectoren
                                  Maatschappelijke uitdagingen Horizon 2020               Coördinerende topsector          Te betrekken sectoren
                                 Health, demographic change and well-being                LSH                              HTSM, AGROFOOD, T&U,
                                                                                                                           CREATIEF, CHEMIE
                                 European bioeconomy challenges: food security,           AGROFOOD                         T&U, CHEMIE, WATER
                                 sustainable agriculture and forestry, marine and
                                 maritime and inland water research
                                 Secure, clean and efficient energy                       ENERGIE                          HTSM, WATER, CHEMIE,
                                                                                                                           AGROFOOD, T&U
                                 Smart, green and integrated transport                    LOGISTIEK                        WATER, HTSM, T&U, CHE-
                                                                                                                           MIE
                                 Climate action, resource efficiency and raw              WATER                            CHEMIE, T&U, AGROFOOD
                                 materials
                                 Europe in a changing world - Inclusive, innovative       CREATIEVE INDUSTRIE              Alle sectoren
                                 and reflective societies
                                 Secure societies - protecting freedom and security       HTSM                             CREATIEF, WATER
                                 of Europe and its citizens
                                 Industrieel leiderschap in Horizon 2020
                                  Ondersteunende en industriële technologieën              HTSM                             Alle sectoren
     Dit is niet voldoende om  6.      Troeven beter benutten. Bedrijven pakken maatschappelijke uitdagingen weliswaar
maatschappelijke uitdagingen           op, maar niet voldoende om de maatschappelijke problemen op het gebied van kli-
      afdoende op te pakken            maat, energie, voedsel, water of zorg daadwerkelijk op te lossen. Nederland heeft
                                       relatief veel internationaal toonaangevende bedrijven, en een sterke positie wat be-
                                       treft onderzoek en kennisontwikkeling. In de diverse ranglijsten staat Nederland of
      Nederland blijft achter          staan Nederlandse kennisinstellingen hoog. Toch loopt Nederland niet voorop als
             bij andere landen         het gaat om de aanpak van maatschappelijke uitdagingen. Met de vergrijzing zal de
                                       incidentie van dementie de komende jaren naar verwachting behoorlijk stijgen.
                                       Frankrijk heeft daarom een omvangrijk programma opgezet om de behandeling van
                                       de ziekte van Alzheimer te verbeteren. Een recente publicatie van het PBL laat zien
                                       dat Duitsland en Denemarken verder zijn met de transitie naar een economie die
                                       gebaseerd is op hernieuwbare energie en grondstoffen en op schone technologie.4
                                       Nederland heeft wel een aantal belangrijke troeven in handen; de kennis en de lo-
                                       gistiek zijn aanwezig om forse stappen te zetten op de weg naar een ‘groenere’
                                       economie. Een ‘groene groeistrategie’ is nodig, aldus het PBL. Een breed gedragen
                                       strategie kan ook nodig zijn voor andere uitdagingen.
                               4
                                   Planbureau voor de Leefomgeving (2013), ‘Vergroenen en verdienen – Op zoek naar kansen voor de Nederlandse economie’.
                            15 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                                     Wat doen kennisinstellingen aan maatschappelijke uitdagingen?
      Kennisinstellingen profileren  7.      Profilering. Kennisinstellingen ontwikkelen geleidelijk een onderscheidend profiel in
 zich momenteel meer op thema’s              hun wetenschappelijk onderzoek. Inzet op wetenschappelijke excellentie en concur-
                  dan op disciplines         rentie tussen onderzoeksgroepen om schaarse middelen bevorderen op zichzelf het
                                             ontstaan van onderzoekszwaartepunten. Specialisatie en profielontwikkeling zijn
                                             daarbij nog versterkt door de instelling van onderzoeksscholen en graduate schools
                                             en de ontwikkeling van sectorplannen. Met de uitvoering van de strategische
                                             agenda van 2011 krijgt profilering nu nog een extra impuls. Profilering is nu meer
                                             dan in het verleden thematisch. Waar instellingen zich vroeger vooral op disciplines
                                             of subdisciplines profileerden, onderscheiden ze zich nu, onder invloed van deze
                                             strategische agenda met zijn nadruk op topsectoren, maatschappelijke uitdagingen
                                             en valorisatie, meer op multidisciplinaire thema’s en toepassingsgebieden. Profile-
                                             ringsplannen in de sfeer van de sociale wetenschappen voeren bijvoorbeeld thema’s
                                             op als duurzaamheid, inrichting van de samenleving, Nederland in een internatio-
                                             nale context, de stedelijke samenleving, ondernemerschap, communicatie en soci-
                                             aalwetenschappelijke aspecten van gezondheid. Disciplines als sociologie, econo-
                                             mie, bestuurskunde en psychologie worden veeleer genoemd als de noodzakelijke
                                             expertise ten behoeve van het onderzoek binnen de genoemde thematiek. De klas-
                                             sieke disciplines houden een belangrijke dienende functie ten behoeve van bredere,
                                             veelal discipline overstijgende, thema’s.5
   In de prestatieafspraken tussen   8.      Prestatieafspraken. In lijn met de voornemens uit de ‘strategische agenda hoger on-
overheid en kennisinstellingen zijn          derwijs, onderzoek en wetenschap’ van 2011, heeft het kabinet eind 2012 met vrij-
 de maatschappelijke uitdagingen             wel alle bekostigde hogescholen en universiteiten prestatieafspraken gemaakt.6 In
                      meegenomen             deze prestatieafspraken tussen individuele universiteiten of hogescholen en de
                                             overheid is vastgelegd wat de instelling wil realiseren op het gebied van onderwijs-
                                             kwaliteit en studiesucces van studenten, profilering van onderwijs, zwaartepuntvor-
                                             ming in onderzoek, en valorisatie. De overheid heeft de kennisinstellingen in dit ka-
                                             der uitdrukkelijk gevraagd om in hun profileringsplannen aansluiting te zoeken bij
                                             de topsectoren en bij de Grand Challenges uit Horizon 2020. Afgesproken is dat
                                             ruim 7 procent van het totale onderwijsbudget aan het realiseren van de overeen-
                                             gekomen prestaties wordt gekoppeld. Het bedrag dat hiervoor beschikbaar is, loopt
                                             op van 80 miljoen euro in 2012 tot 325 miljoen in 2016.
   De Europese onderzoeksagenda      9.      Kennisinstellingen en de Europese Grand Challenges. Conform de verlangens van
  klinkt door in de strategieën van          de overheid refereren vrijwel alle kennisinstellingen in hun profileringsstrategiëen
                 kennisinstellingen          aan de thema’s die aansluiten bij de topsectoren en de maatschappelijke uitdagin-
                                             gen in Horizon 2020. Voor enkele academische kennisinstellingen zijn maatschap-
                                             pelijke uitdagingen zelfs leidend in hun profileringsstrategie. Voorbeelden hiervan
                                     5
                                        KNAW
                                            (2013), Witte Vlekken – Effecten van universitaire profilering en topsectorenbeleid op de wetenschap in Nederland;
                                        een eerste kritische reflectie.
                                     6
                                        Ministerie van OCW (2011), Kwaliteit in verscheidenheid – Strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek en wetenschap.
                                  16 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                                    zijn de Rijksuniversiteit Groningen met energy, healthy ageing, and sustainable soci-
                                    ety, en de TU-Eindhoven, waar energy, health en smart mobility strategic areas zijn.
                                    Door de hogescholen worden eveneens de maatschappelijke uitdagingen als lei-
                                    draad benoemd. Dat de Europese agenda met zijn Grand Challenges in toene-
                                    mende mate bepalend wordt voor de Nederlandse wetenschap, is door de VSNU
                                    gedocumenteerd.7 De AWT juicht dit toe. Het belang van ‘Europa’ (in casu de ERC
                                    en het zevende Kaderprogramma) is dat van NWO in budgettaire omvang al voor-
                                    bijgestreefd en daarom heeft de themakeuze van de Europese Commissie dan ook
                                    een grote impact op de profilering van het Nederlandse universitaire onderzoek. De
                                    Grand Challenges die centraal staan in Horizon 2020, zijn terug te vinden in de pro-
                                    fielkeuzes van de universiteiten (zie tabel 2 voor een indicatie op hoofdlijnen).
   Overheidsbestedingen aan    10. Onderzoek voor de publieke zaak. Een indicatie van het belang van maatschappe-
         onderzoek, veelal ten      lijke uitdagingen in het onderzoek kan ten slotte nog ontleend worden aan de on-
behoeve van maatschappelijke        derzoeksbestedingen van de rijksoverheid.8 De departementen van de rijksoverheid
           uitdagingen, dalen       gaven in 2011 samen een bedrag van 4.975,1 miljoen euro uit aan onderzoek. Dit
                                    totaalbedrag daalt volgens plan tot 4.286,7 miljoen in 2017. Het leeuwendeel van
                                    deze bestedingen komt van het departement van OCW en is overwegend voor de
                                    bekostiging van fundamenteel onderzoek, waarvan uiteraard een belangrijk deel
                                    gerelateerd is aan maatschappelijke uitdagingen. De overige departementen be-
                                    steedden samen ruim 1.618 miljoen in 2011 en vallen terug naar zo’n 962 miljoen
                                    in 2017 (een bezuiniging van ruim 40 procent). De bedragen die deze departemen-
                                    ten aan onderzoek besteden, hebben een meer toepassingsgericht karakter, komen
                                    voor een groot deel terecht bij instellingen als TNO, DLO en de GTI’s, en zijn over-
                                    wegend gericht op maatschappelijke uitdagingen.
                               7
                                 VSNU (2012), Prestaties in perspectief – Trendrapportage universiteiten 2000 – 2020.
                               8
                                 Rathenau Instituut (2013), TOF (Totale Onderzoek Financiering) 2011 – 2017.
                            17 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                                   Tabel 2: Inhoudelijke aansluiting universiteiten bij Grand Challenges EU9
                                              Secure,        Food security,     Health, de-     Smart, green  Climate          Inclusive,
                                              clean and      sustainable        mographic       and integra-  action,          innovative
                                              efficient      agriculture        change and      ted transport resource effi-   and secure
                                              energy         and the bio-       wellbeing                     ciency and       societies
                                                             economy                                          raw materials
                                     EUR                                              X                X            X                 X
                                     LEI             X              X                 X                             X                 X
                                     RU                             X                 X                             X                 X
                                     RUG             X              X                 X                             X                 X
                                     TiU                                              X                             X                 X
                                     TUD             X                                X                X
                                     TU/e            X                                X                X
                                     UM              X              X                 X                X            X                 X
                                     UT              X                                X                X            X                 X
                                     UU              X              X                 X                             X                 X
                                     UvA             X              X                 X                X            X                 X
                                     VU              X              X                 X                X            X                 X
                                     WU              X              X                 X                             X
                                   De focus van dit advies
      Een advies over onderzoek en 11. Focus en afbakening. Enerzijds is er het topsectorenbeleid. Dit is ingezet ten be-
   innovatie voor maatschappelijke        hoeve van het verdienvermogen van Nederland. Niet alle nieuwe goederen en dien-
uitdagingen waaraan marktkansen           sten die binnen de topsectoren ontwikkeld worden en die de concurrentiekracht
                    verbonden zijn        van Nederland versterken, helpen bij het oplossen van maatschappelijke uitdagin-
                                          gen. Anderzijds zijn er de maatschappelijke uitdagingen. Deze zijn divers van aard
                                          en niet allemaal op te lossen met nieuwe goederen en diensten van het Neder-
                                          landse bedrijfsleven. Er is veel onderzoek en ontwikkelwerk nodig voor de aanpak
                                          van maatschappelijke uitdagingen buiten de topsectoren. Dit advies concentreert
                                          zich op die maatschappelijke uitdagingen waaraan de topsectoren een belangrijke
                                          bijdrage kunnen leveren (zie figuur 1).
                                                                                 Focus van het advies:
                                        Voor maatschappelijke                                                      Voor concurrentiekracht
                                              uitdagingen              Voor maatschappelijke uitdagingen via             topsectoren
                                                                            het benutten van marktkansen
                                   Figuur 1: Toepassingsgebieden van onderzoek en innovatie
                                   9
                                      Ibidem, p. 22.
                                18 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                  3                     Analyse
                                     Dit hoofdstuk staat stil bij de redenen waarom de markt maatschappelijke uitdagingen
                                     onvoldoende of niet oppakt, bij de mogelijkheden voor de overheid om hierop een ant-
                                     woord te formuleren, en bij de oorzaken van het feit dat de overheid hierin te weinig
                                     slaagt.
                                     Marktfalen
        De markt faalt als bedrijven 12. Marktfalen. Als bedrijven niet uit zichzelf in de vervulling van behoeften voorzien,
behoeften niet vervullen, ofschoon          hoewel dit voor de maatschappij meer waarde zou opleveren dan het kost, spreken
          de totale baten de kosten         we van marktfalen. De onzichtbare hand van de markt werkt dan niet goed. De sa-
                        overtreffen         menleving als geheel kan erop vooruit gaan, maar het gebeurt niet als ondernemers
                                            geen mogelijkheden zien om met een bepaalde activiteit geld te verdienen. In de
                                            economische literatuur zijn allerlei omstandigheden beschreven waarin onderne-
                                            mingen geen kans zien sluitende business cases te formuleren, terwijl het vervullen
                                            van behoeften vanuit collectief oogpunt meer waarde oplevert dan het kost.10
Bedrijven pakken maatschappelijke    13. Vormen van marktfalen. In het geval van maatschappelijke uitdagingen zijn er aller-
    uitdagingen onvoldoende op ...          lei specifieke redenen waarom bedrijven de behoeften die in de samenleving be-
                                            staan onvolledig of niet oppakken. Met andere woorden, er zijn specifieke vormen
                                            van marktfalen die verklaren waarom ondernemers onvoldoende mogelijkheden
                                            zien winst te maken met activiteiten waaraan vanuit de maatschappij behoefte is –
                                            en wel zoveel behoefte dat de baten de kosten overtreffen. Ondernemers pakken
                                            maatschappelijke uitdagingen niet op als:
           als de maatschappelijke          a. Er geen markt tot ontwikkeling komt. Een ondernemer vindt of creëert alleen
   behoefte niet in marktvraag tot              een markt, als er een vragende partij is die bereid is zijn product of dienst te ko-
               uitdrukking komt, ...            pen. Een vrager is daar alleen toe bereid als dit product persoonlijk nut oplevert.
                                                Markten voor brood, zorg en onderwijs kunnen functioneren, omdat degene die
                                                betaalt ook degene is die van de aankoop profiteert. Een omvangrijke markt voor
                                                schone energie ontstaat niet, omdat het profijt van het feit dat energie schoon
                                                geproduceerd wordt terecht komt bij de samenleving als geheel en niet bij de in-
                                                dividuele koper.11
                                     10
                                        O ver marktfalen, zie bijvoorbeeld Teulings, C.N., Bovenberg, A.L., Van Dalen, H.P. (2003), ‘De Calculus van het publieke belang’,
                                        Kenniscentrum voor Ordeningsvraagstukken. Zie ook Theeuwes, J. et al. (2012), ‘Durf te meten – Eindrapport expertwerkgroep
                                        effectmeting’, en dan met name hoofdstuk 1, ‘marktfalen en bedrijvenbeleid’. Zie over marktfalen ook AWT-advies 71, ‘Balance-
                                        ren met beleid’, paragraaf 3 van het deel ‘Toelichting’. Zie voor een analyse van marktfalen en innovatie CPB (2011), ‘Innovatie-
                                        beleid in Nederland: De (on)mogelijkheden van effectmeting’. Zie voor marktfalen en systeemfalen in relatie tot innovatiebeleid
                                        WRR (2008) ‘Innovatie vernieuwd – Opening in viervoud’, Amsterdam University Press.
                                     11
                                        In sommige gevallen (zoals bijvoorbeeld waar het gaat om defensiematerieel of om infrastructuur: wegen, spoorlijnen, dijken,
                                        hoogspanningslijnen) is de overheid zelf de enige vragende partij. Of een markt tot ontwikkeling komt en of ondernemers
                                        hierop inspelen, is dan afhankelijk van beleid.
                                  19 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>   als de markt door interventies           b. M  arkten verstoord zijn. Een ondernemer pakt maatschappelijke uitdagingen
                     verstoord is, ...           alleen op als hij zijn kosten goed kan maken op de markt. Op allerlei markten is
                                                 dat niet mogelijk vanwege interventies die invloed hebben op de prijs. Onderne-
                                                 mers stappen niet in de levering van duurzaam geproduceerde energie, als fos-
                                                 siele brandstoffen subsidies genieten. Ze stappen niet in privaat onderwijs of pri-
                                                 vate zorg, als publieke aanbieders dit beneden de kostprijs aanbieden. Ze
                                                 investeren niet in openbaar vervoer als overheden markten in het voordeel van
                                                 bestaande aanbieders reguleren. Hiermee is niet gezegd dat deze interventies er
                                                 niet zouden moeten zijn – ze zijn er vaak om goede redenen –, maar is alleen
                                                 gesignaleerd dat ze ondernemers ervan kunnen weerhouden maatschappelijke
                                                 uitdagingen op te pakken.
                                            c. V eel actoren van elkaar afhankelijk zijn. Als het aanpakken van een maat-
     als er sprake is van lock-in, ...          schappelijke uitdaging het doorbreken van padafhankelijkheid (lock-in) behelst,
                                                is gecoördineerde actie van alle betrokken partijen vereist, dus van bedrijven,
                                                overheden en burgers. Dit vraagt om effectieve coördinatiemechanismen. Indivi-
                                                dueel zijn ondernemers vaak niet in staat padafhankelijkheden te doorbreken
                                                vanwege gevestigde belangen en mogelijk opportunistisch gedrag van andere
                                                partijen.
als R&D-resultaten weglekken, ...           d. R  esultaten van R&D wegvloeien. Wanneer voor het aanpakken van maat-
                                                 schappelijke uitdagingen bovendien kennisontwikkeling noodzakelijk is, spelen
                                                 de vormen van marktfalen een rol die bij investeringen in R&D gebruikelijk zijn:
                                                  i. K ennislekken. Als een ondernemer moet investeren in R&D om te innove-
                                                     ren, dan kan dit gepaard gaan met het wegvloeien van onderzoeksresultaten,
                                                     bijvoorbeeld vanwege gebrekkige mogelijkheden om intellectueel eigendom
                                                     te beschermen. De baten van R&D komen dan op een andere plaats terecht
                                                     dan de lasten. De ondernemer zal daarom niet geneigd zijn op volle kracht te
                                                     investeren.
                                                  ii. A symmetrische informatie. Als een ondernemer externe financiering no-
                                                       dig heeft en een kapitaalverstrekker moet overtuigen van de perspectieven
     of als R&D moeilijk extern te                     van een (op maatschappelijke uitdagingen georiënteerd) R&D-traject, stuit hij
                  financieren valt.                    op het probleem van asymmetrische informatie. Innovatietrajecten zijn inhe-
                                                       rent risicovol en de mogelijkheid van externe financiers om in te schatten of
                                                       zo’n traject perspectiefvol is, zijn beperkt. Externe financiers kunnen daarom
                                                       terughoudend zijn om in de innovatie te investeren.
                                  20   Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                                    De remedie: overheidsbeleid om maatschappelijke waarde
                                    te helpen creëren
De overheid beschikt over een scala 14. Instrumenten. De overheid heeft de keuze uit allerhande instrumenten om de ver-
 van instrumenten om bij te sturen       schillende vormen van marktfalen te adresseren. Er zijn legio mogelijkheden om
                                         marktontwikkeling te stimuleren. Het gaat om (zie ook de tabel in bijlage 2):
                                         a. Regels en wetten die geboden en verboden omvatten. Voorbeelden van dit
                                              type command en control wetgeving zijn wetten die via normen en standaarden
                                              grenzen stellen aan het gebruik van pesticiden, aan de uitstoot van auto’s, aan
                                              vervuiling door de industrie, en wetten die eisen stellen aan de veiligheid van bij-
                                              voorbeeld voedsel en medicijnen. Meestal zijn dit wetten die op Europees niveau
                                              worden ingevoerd om zo een gelijk speelveld voor bedrijven te waarborgen en
                                              ongelijke concurrentie te voorkomen.
                                         b. Marktconforme instrumenten die niet zozeer de markt insnoeren, als wel de
                                              prijsvorming op die markt beïnvloeden. Voorbeelden zijn cap and trade systemen
                                              zoals emissiehandel en biotickets, waarmee men milieuverbeteringen binnen de
                                              keten verhandelbaar maakt. Ze verplichten niet tot innovatie, maar kunnen deze
                                              wel rendabel maken. De overheid heeft geen grip op gedrag van individuele be-
                                              drijven – wel op het geheel (via de cap).
                                         c. S ubsidies, kredieten, belastingfaciliteiten, heffingen en accijnzen. De eer-
                                             ste belonen ‘gewenst’ gedrag, bijvoorbeeld overschakelen op duurzame energie
                                             of isolatie van woningen en de laatste ontmoedigen ‘ongewenst’ gedrag, bij-
                                             voorbeeld autorijden of roken. Niet alleen nationale R&D-programma’s vallen in
                                             deze categorie, maar ook stimuleringsprogramma’s van de nationale overheid
                                             voor participatie in Europese programma’s. Het innovatiebeleid bevat (onder
                                             meer) een mix van stimuleringsregelingen, kredietfaciliteiten en fiscale maatrege-
                                             len.
                                         d. Informatieverschaffing om de transparantie van de markt te verbeteren en om
                                              consumenten te betrekken. Daaronder vallen verplichte etikettering om kenmer-
                                              ken van een product (zoals energiegebruik of voedingswaarde) kenbaar te ma-
                                              ken en productdifferentiatie te bevorderen. Consumenten kunnen dan kiezen
                                              voor betere, gezondere, diervriendelijkere of duurzamere producten.
                                         e. D  eals-aanpak. Afspraken met de sector (green deals, convenanten) waarin het
                                              bedrijfsleven belooft te investeren in betere technieken, processen of producten.
                                              De overheid faciliteert door belemmeringen weg te halen.
                                 21 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                         f. Z  elf een markt creëren. Via aankoopbeleid kan de overheid een prille markt
                                              (early market) creëren voor producten waarvoor anders geen markt tot stand zou
                                              komen. Daarbij kan de overheid ook zelf zaken ter hand nemen, bijvoorbeeld in
                                              de aanleg van dijken en andere infrastructuur, op het terrein van defensie en op
                                              dat van onderzoek en ontwikkeling. Ook kan zij zelf het initiatief nemen om pro-
                                              ducten te laten ontwikkelen, bijvoorbeeld via de SBIR-regeling.
                                    15. Radicale innovatie. De meeste instrumenten (wetgeving, cap and trade systemen)
      Systeeminnovatie vereist vaak       bevorderen vooral incrementele innovatie, dus kleine veranderingen in producten
               zwaardere middelen         en diensten. Radicale innovatie vraagt dat de overheid instrumenten inzet die ‘sys-
                                          teemfalen’ adresseren. Dan kan door langetermijnbeleid en grootschalige investe-
                                          ringen met een langetermijnplanning, waardoor private partijen in kunnen stappen.
                                    16. Maatschappelijke innovatieagenda’s. Innovatiebeleid ten behoeve van maatschap-
    Voorheen zijn maatschappelijke        pelijke uitdagingen is door het kabinet Balkenende IV speerpunt van beleid ge-
  uitdagingen interdepartementaal         maakt door een Interdepartementale Programmadirectie Kennis en Innovatie in het
   op beperkte schaal geadresseerd        leven te roepen. Vanuit deze directie zijn maatschappelijke innovatieagenda’s
             met ‘Maatschappelijke        (MIA’s) opgesteld om innovatie een stimulans te geven, onder meer op het terrein
                 Innovatieagenda’s’       van veiligheid, gezondheid, water, duurzame agro- en visserijketens, energie. Be-
                                          oogd was om aan te sluiten bij in Nederland sterk ontwikkelde technologiegebie-
                                          den die maatschappelijk een duidelijke relevantie hebben. Op basis van de agenda’s
                                          zijn concrete maatschappelijke innovatieprogramma’s ontwikkeld. De MIA-aanpak is
                                          ondertussen verlaten; de innovatieprogramma’s zijn niet allemaal geëvalueerd. Het
                                          lijkt erop dat het onderbrengen van de maatschappelijke innovatieprogramma’s bij
                                          een directie tussen de ministeries de afstemming belemmerde van deze program-
                                          ma’s met het overige innovatie-instrumentarium. Het blijkt een uitdaging om met
                                          verschillende departementen tot een integraal beleid en een geïntegreerde imple-
                                          mentatie te komen.
                                    De overheid kan tekortschieten
                                    17. Overheidsfalen. Ondanks de aanwezigheid van een veelvoud aan instrumenten om
De overheid kan om diverse redenen        marktfalen te repareren en ondanks alle goede wil en inzet, kan de overheid falen
                    tekortschieten:       in de taak om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken.12 Daarvoor kunnen ver-
                                          schillende redenen zijn: i) gebrek aan doorzettingsmacht, ii) gebrek aan besef van
                                          urgentie, iii) gebrek aan intern coördinatievermogen, en iv) gebrek aan extern coör-
                                          dinatievermogen.
                                    12
                                       G
                                        ewoonlijk gebruikt men de term overheidsfalen in contrast met marktfalen: als een overheid beleid voert om marktfalen te re-
                                       pareren en in dat laatste maar beperkt of niet in slaagt vanwege karakteristieken die inherent zijn aan overheidsinterventies (zo-
                                       als welvaartsverliezen ten gevolge van belastingheffing), spreekt men van overheidsfalen. Onze definitie bouwt voort op dit
                                       idee.
                                 22 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>   te weinig doorzettingsvermogen            a. G ebrek aan doorzettingsmacht. Doorzettingsmacht kan ontbreken wanneer
  tegenover gevestigde belangen, ...             er sprake is van padafhankelijkheden of van krachtige gevestigde belangen die
                                                 van de bestaande situatie profiteren. Een voorbeeld van het eerste is ons ver-
                                                 voerssysteem, dat vooral gebaseerd is op autogebruik. Een voorbeeld van het
                                                 tweede is de energievoorziening, die vooral draait op fossiele energie. Grootver-
                                                 bruikers uit de land- en tuinbouw en de industrie zijn voor hun concurrentie-
                                                 kracht afhankelijk van deze goedkope, maar vervuilende energie en hebben
                                                 grote belangen bij handhaving van lage energieprijzen. Gevestigde belangen
                                                 vormen grote weerstanden om maatschappelijke uitdagingen met innovaties
                                                 aan te pakken. Doorzettingsmacht vraagt ook tijd, geduld en langdurige rolvast-
                                                 heid.
           te weinig draagvlak voor          b. G  ebrek aan ambitie en besef van urgentie. Besef van urgentie is nodig om
               onmiddellijke actie, ...           grote veranderingen tot stand te brengen en om belanghebbenden bereid te
                                                  vinden hierin substantiële hoeveelheden tijd, geld en moeite te investeren. De
                                                  urgentie van maatschappelijke uitdagingen is in het algemeen niet objectief vast
                                                  te stellen – het is een politiek vraagstuk. Hoe urgent is het dat wij vandaag, hier
                                                  in Nederland, iets doen vanwege klimaatverandering, voedselveiligheid, vergrij-
                                                  zing, zeespiegelstijging of grondstoffenschaarste? En als de urgentie al wordt
                                                  onderkend, hoe groot moet dan de inspanning van de publieke sector idealiter
                                                  zijn om verandering tot stand te brengen? Het beantwoorden van dit type vra-
                                                  gen ligt in handen van de politiek. Een oriëntatie op de korte termijn en gere-
                                                  gelde kabinetswisselingen kunnen het moeilijk maken een overtuigende visie en
                                                  een langetermijnperspectief vast te blijven houden en rolvast toe te passen.
                te veel fragmentatie         c. G ebrek aan intern coördinatievermogen. Binnen de publieke en semipu-
           binnen de overheid en de              blieke sector schort het soms aan regie, coördinatie en samenwerking: de gover-
              semipublieke sector, ...           nance schiet tekort. In het domein van de gezondheidszorg zijn er bijvoorbeeld
                                                 tal van publieke en semipublieke organisaties actief die bijdragen aan verande-
                                                 ring, innovatie, en het ontwikkelen van nieuwe markten, waaronder het ministe-
                                                 rie van VWS, academische ziekenhuizen, medische en farmacologische facultei-
                                                 ten, reguliere ziekenhuizen en huisartsenposten, financiers als ZonMw en NWO,
                                                 en tal van anderen. Voor elk van deze partijen geldt dat de complexiteit van de
                                                 relevante netwerken te groot kan zijn, missies en belangen strijdig kunnen zijn
                                                 met die van andere publieke partijen of departementen, afstemmingsmechanis-
                                                 mes kunnen haperen, communicatie tekort kan schieten, schakels in ketens kun-
                                                 nen ontbreken, perverse prikkels in het systeem kunnen sluipen.
en te weinig vermogen om publieke            d. G  ebrek aan extern coördinatievermogen. De aansluiting van het publieke
  en private partijen samen te laten              domein op het private domein kan tekort schieten. De verantwoordelijkheid
                           optrekken.             voor het aangaan van maatschappelijke uitdagingen ligt weliswaar primair bij de
                                                  overheid, maar voor het uitvoeren of aanpakken van deze uitdagingen doet de
                                   23   Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>            overheid doorgaans een beroep op private partijen. In deze aansluiting van pu-
            bliek op privaat kunnen legio valkuilen voor innovatieprocessen en voor markt-
            ontwikkeling zitten: ook hier schiet de governance soms tekort.
24 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                             4                  Vier casussen en een blik
                                                over de grens
                                Om meer inzicht in de praktijk van beleid te krijgen, kijken we naar vier casussen. Deze
                                vertegenwoordigen elk een cluster van maatschappelijke uitdagingen: energie, mobili-
                                teit, zorg en veiligheid. De casussen zijn zo gekozen dat ze op het eerste gezicht ver-
                                schillen in de mate waarin padafhankelijkheid een rol speelt en in de mate waarin de
                                overheid een rol heeft (zie tabel 3). In bijlage 3 staan de vragen die per casus gesteld zijn
                                en de volledige casusbeschrijvingen. Onvermijdelijk geeft elke casusbeschrijving een se-
                                lectie van feiten met een zekere kleuring. De AWT heeft getracht zijn conclusies zoveel
                                mogelijk op de feiten en zo min mogelijk op de kleuring te baseren. De casussen wor-
                                den gevolgd door een paragraaf over lessen uit ervaringen in andere landen.
                                Tabel 3: De aard van de casussen
                                                           Sterk sturende rol van overheid   Minder directe betrokkenheid
                                 Sterke lock-in            Mobiliteit: NS, wegennet          Energie: elektriciteitsvoorziening
                                 effecten                  Veiligheid: defensie              Mobiliteit: brandstoffen
                                 Minder sterke lock-in     Zorg: care                        Mobiliteit: voertuigen
                                                           Veiligheid: cyber
                                Energie
Onze energievoorziening is niet 18. De kern van de maatschappelijke uitdaging in het geval van energie is, in de woor-
                     duurzaam         den van Horizon 2020, de transitie naar een ‘betrouwbaar, duurzaam en concurre-
                                      rend energiesysteem’. Momenteel is ons energiesysteem voornamelijk gebaseerd op
                                      het gebruik van fossiele brandstoffen. Deze energiebronnen zijn niet hernieuwbaar,
                                      moeten geïmporteerd worden, en hun gebruik draagt bij aan klimaatverandering.
                                      De negatieve externe effecten van het gebruik van fossiele brandstoffen komen
                                      nauwelijks in de prijs tot uitdrukking. Dit leidt tot een te grote inzet van deze
                                      brandstoffen (marktfalen), en heeft bovendien als consequentie dat alternatieve –
                                      hernieuwbare, duurzame – energiebronnen niet concurrerend zijn. Investeringen in
  Alternatieve energiebronnen         alternatieve energie blijven dan beperkt. Dat geldt voor de investeringen in produc-
       komen onder de huidige         tiecapaciteit en in R&D, waardoor leereffecten – learning by doing, het aflopen van
marktomstandigheden moeilijk          de leercurve – maar langzaam optreden en waardoor schaalvoordelen (het ontwik-
                  van de grond        kelen van een alternatieve infrastructuur) maar beperkt gerealiseerd worden. Een
                                      transitie naar een betrouwbaar, duurzaam en concurrerend energiesysteem vereist
                                      overheidsinterventie, in essentie om de redenen die hierboven worden genoemd.
  het energieakkoord mist een         Het recent onder leiding van de SER afgesloten energieakkoord zet in op 14 pro-
  duidelijke focus op innovatie       cent duurzame energie in 2020 (conform de Europese richtlijn Hernieuwbare Ener-
                                      gie), en op 16 procent in 2023. Daarnaast is het doel jaarlijks 1,5% energie te be-
                                      sparen. Een duidelijke focus op innovatie ontbreekt. PBL en ECN hebben een
                                      doorrekening gemaakt van het energieakkoord en signaleren dat een aantal inno-
                                      vatieve technische opties (elektrificatie van auto’s, innovaties gericht op energiebe-
                             25 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                                             sparing, innovatieve technologie zoals CCS en biomassavergassing) nauwelijks
                                             nieuwe impulsen krijgt. Ze concluderen dan ook dat “gegeven de ambitie van het
                                             energieakkoord voor 2050 – namelijk het zetten van grote stappen richting een
                                             energievoorziening die in 2050 volledig klimaatneutraal is – het aanbeveling ver-
                                             dient spoedig een innovatieagenda uit te werken.”13
  Topsectoren kunnen bijdragen aan           Topsectoren kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de aanpak van de maat-
            verduurzaming van onze           schappelijke uitdagingen op energiegebied. Niet alleen is ontwikkeling en innovatie
energievoorziening, maar ze kunnen           op energiegebied de kernopgave van een van de negen topsectoren, ook hebben
                        dit niet alleen      andere topsectoren er alle belang bij hun energie-efficiëntie te verhogen en hun
                                             productieprocessen en producten duurzamer te maken. Daar liggen kansen voor
                                             cross-overs. Voor een belangrijk deel ligt de sleutel voor het aanpakken van de
                                             energieproblematiek echter buiten de topsectoren, met name binnen de bouwsec-
                                             tor (die noch R&D-intensief is, noch veel exporteert). Het aanpakken van de ener-
                                             gie-uitdaging kan zich daarom niet alleen afspelen binnen de grenzen van het top-
                                             sectorenbeleid.
                                        Mobiliteit
  Ons mobiliteitssysteem belast het     19. De maatschappelijke uitdaging met betrekking tot mobiliteit van personen wordt
         milieu en leidt tot congestie       door de Europese Commissie gevat in termen van het realiseren van een slim, groen
                                             en geïntegreerd transportsysteem. De voornaamste problemen van ons huidige
                                             transportsysteem liggen op het terrein van de milieubelasting, de congestie van het
                                             systeem en de veiligheid. De uitdaging is om op deze punten verbeteringen te reali-
                                             seren tegen beperkte kosten en met behoud van comfort. Een van de kenmerken
                                             van ons transportsysteem is dat het draait op fossiele brandstoffen, die verkocht
                                             worden tegen prijzen waarin de negatieve externe effecten niet afdoende verdis-
                                             conteerd zijn. Een ander kenmerk is dat het gebruik van de weginfrastructuur niet
                                             aan de gebruiker in rekening wordt gebracht, maar uit de algemene middelen
                                             wordt bekostigd. Beide kenmerken leiden tot een ‘overconsumptie’ van, met name
    Alternatieve vormen van vervoer          privaat, autovervoer (marktfalen). Dit leidt naast teveel milieubelasting tot conges-
             komen onder de huidige          tie. Omdat de werkelijke kosten van privaat, gemotoriseerd vervoer niet volledig
     marktomstandigheden moeilijk            door de gebruiker worden gedragen, maar deels op de maatschappij worden afge-
                         van de grond        wenteld, hebben alternatieve vormen van vervoer moeite om concurrerend te zijn.
                                             Openbaar vervoer kan enigszins concurreren dankzij subsidies. Daar alternatieve
                                             vormen van transport al beginnen met een concurrentienadeel vanwege falen in de
                                             markt voor ‘autovervoer’, komen ze maar moeilijk van de grond. Ook hier leidt deze
                                             achterstand tot lage investeringen in productiecapaciteit, tot een achterblijven van
                                             leereffecten en van het optreden van schaaleffecten, en tot relatief weinig inspan-
                                             ningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling. De stap maken naar een
                                             slim, groen en geïntegreerd transportsysteem vereist het ingrijpen van de overheid,
                                             voornamelijk vanwege de redenen die hierboven genoemd worden.
                                        13
                                           PBL en ECN (september 2013), ‘Het Energieakkoord: wat gaat het betekenen? Inschatting van de gemaakte afspraken’, pag. 7.
                                     26 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>   Topsectoren kunnen bijdragen aan          Er is dan wel een topsector logistiek, maar deze richt zijn inspanningen voorname-
        een slimmer, groener en meer         lijk op het vervoer van goederen. De ontwikkeling van nieuwe logistieke systemen
geïntegreerd vervoerssysteem, maar           kan bijdragen aan efficiënter en duurzamer vervoer en aan beperking van conges-
                       er is meer nodig      tie, maar het terugdringen van de vervoersbehoefte staat uiteraard niet hoog op de
                                             prioriteitenlijst van de sector. Ook heeft de ontwikkeling van een andere vervoersin-
                                             frastructuur binnen de topsector geen prioriteit (elektrisch rijden neemt bijvoorbeeld
                                             geen belangrijke plaats in op de innovatieagenda van de topsector logistiek). Sys-
                                             teemverandering door ontwikkeling van nieuwe infrastructuur ligt op het bord van
                                             de overheid. Het is mogelijk de mobiliteitsproblematiek voor een deel binnen de ka-
                                             ders van het topsectorenbeleid aan te pakken, maar er is meer nodig.
                                        Zorg
    Ons zorgsysteem loopt aan tegen     20. Binnen het domein van de zorg zijn talloze uitdagingen aan te wijzen, waarvan er
            tekorten aan personeel en        een behoorlijk aantal maatschappelijke uitdagingen genoemd kunnen worden. In
             budgettaire beperkingen         algemene termen gaat het om mensen langer gezond en energiek te laten zijn, om
                                             een zekere mate van solidariteit in het zorgsysteem te bewaren, om de schaarse ar-
                                             beidskrachten die er zijn doelmatig in te zetten en de beschikbare capaciteit recht-
                                             vaardig over behoeften te verdelen, om te waarborgen dat het zorgsysteem voorbe-
                                             reid is om toekomstige zorgbehoeften en calamiteiten op te vangen, om te komen
                                             tot een zorgsysteem dat de zorg levert die zo goed mogelijk aansluit op de behoef-
                                             ten van de patiënt – en dat allemaal zonder dat de kosten uitstijgen boven het ver-
                                             mogen en de bereidheid deze op te brengen. Net als het geval is in de energievoor-
                                             ziening en het personenvervoer, is in de zorg sprake van een verstoorde – of een
                                             gebrek aan – marktwerking. Zorgdiensten worden niet door zorgaanbieders aan
                                             zorgvragers verkocht zoals appels en peren door marktkooplieden aan consumen-
                                             ten. Kenmerkend is dat de zorgvragers niet zelf voor de geleverde diensten betalen.
                                             Dat doen de verzekeraars en de overheid. Karakteristiek is verder dat ze ook niet de
                                             hoeveelheid zorgdiensten die afgenomen worden bepalen. Dat doen doorgaans de
                                             zorgaanbieders. Beide kenmerken kunnen leiden tot overconsumptie van zorg. In
                                             het geval van de zorg hebben we het niet over een privaat systeem, maar over een
Ontwikkeling en implementatie van            systeem waarin de overheid zelf aan de knoppen zit. Alleen de overheid kan de
  een alternatieve organisatie van de        transitie naar een zorgsysteem dat de kosten in de hand houdt richting geven. Hier-
    zorg is erg lastig en ontmoet veel       voor zijn vooral institutionele innovaties noodzakelijk, wellicht ondersteund met
                             weerstand       nieuwe technologie.
   Topsectoren kunnen bijdragen aan          De topsector Life Sciences & Health (LSH) draagt bij aan technologieontwikkeling
   kostenbeheersing in de zorg, maar         voor de gezondheidszorg. Ook de propositie van NWO in het kader van LSH en de
 zijn slechts een van de vele schakels       inzet van Horizon 2020 op het zorgdomein zijn gericht op het genereren van tech-
                    in het zorgsysteem       nologische innovatie. Uiteraard liggen hier aantrekkelijke mogelijkheden voor waar-
                                             decreatie en marktontwikkeling. Niettemin is duidelijk dat de dynamiek van ontwik-
                                             kelingen in de zorg haar oorsprong voor een belangrijk deel buiten de topsectoren
                                             vindt, en wel in medische faculteiten en universitair medische centra, en in publieke
                                             onderzoeksinstellingen en algemene ziekenhuizen. Ook lopen belangen deels uit-
                                     27 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                                         een: waar de maatschappij gediend is bij een beperking van de totale zorgkosten, is
                                         dit noch voor het bedrijfsleven, noch voor het publiek onderzoek een belangrijke
                                         prikkel. De maatschappelijke uitdagingen binnen de zorg vragen om een beleid dat
                                         deels in de topsectorenaanpak past, en deels daarbuiten gestalte moet krijgen.
                                    Veiligheid
   Ons veiligheidssysteem ziet zich 21. Het waarborgen van veiligheid is een kerntaak van de overheid. Veiligheid is bij uit-
       geconfronteerd met nieuwe         stek een publiek goed. Het veiligheidsdomein telt daarom net zoveel maatschappe-
         bedreigingen en slinkende       lijke uitdagingen als er veiligheidsthema’s zijn. Deze casus kijkt naar drie: territoriale
                          budgetten      veiligheid (defensie), interne veiligheid (openbare orde) en digitale veiligheid. Veilig-
                                         heid wordt door de overheid geleverd en door de burgers collectief genoten – er is
                                         geen sprake van een markt voor veiligheid (afgezien van bepaalde nichemarkten,
                                         zoals de markt voor bewakingsdiensten). Dit houdt verband met het geweldsmono-
                                         polie van de overheid. De aard van de uitdagingen in het veiligheidsdomein is over
                                         het algemeen om kostenefficiënt veiligheid te waarborgen, gegeven zich steeds
                                         verder ontwikkelende bedreigingen (waaronder de laatste tijd zaken als terrorisme
                                         en cybercriminaliteit). Waar het gaat om veiligheid is het private initiatief nauwelijks
                                         relevant. Men zou kunnen stellen dat het private initiatief van alle kanten faalt in
                                         het leveren van veiligheid (en dat is altijd al zo geweest) – veiligheid is het school-
                                         voorbeeld van een publiek goed, en daarmee van een maatschappelijke uitdaging.
                                         Het handhaven van veiligheid heeft iets van een technologiewedloop, gericht op
                                         het technisch bijhouden en inhalen van degenen die de openbare, digitale of terri-
                                         toriale veiligheid bedreigen. Net als in de zorg is kostenbeheersing hierbij een domi-
    Nieuwe bedreigingen nopen tot        nant thema en is daartoe vooral behoefte aan nieuwe vormen van organisatie en
 nieuwe vormen van organisatie en        sturing. Voor defensie gaat het daarbij om bundeling van krachten binnen Europa
                      samenwerking       en om het exploiteren van mogelijkheden tot synergie tussen het militaire en het ci-
                                         viele domein. Voor openbare orde draait het om de ontwikkeling van een regierol
                                         die sturing geeft aan ontwikkeling en innovatie binnen departementen (Veiligheid &
                                         Justitie, Defensie) en gemeenten (waar de primaire verantwoordelijkheid voor open-
                                         bare orde ligt). Voor digitale veiligheid gaat het om internationale coördinatie
                                         (cybercrime is bij uitstek internationaal) en om het stroomlijnen van publieke en
                                         private verantwoordelijkheden en bevoegdheden.
  Topsectoren kunnen een bijdrage        Het topsectorenbeleid kan, met name via de topsector HTSM, een bijdrage leveren
        leveren aan technologische       aan de technologische kant van innovatie in het veiligheidsdomein. Veiligheid heeft
innovatie in het veiligheidsdomein,      weliswaar raakvlakken met elk van de topsectoren, maar is in geen van alle een do-
              maar er is meer nodig      minant thema. Waar marktontwikkeling binnen het veiligheidsdomein aan de orde
                                         zou kunnen zijn, bijvoorbeeld in het geval van defensiematerieel, is de Nederlandse
                                         markt veelal te klein om het bedrijfsleven voldoende perspectief op een aantrekke-
                                         lijke business case te bieden. De grootste uitdagingen voor het beleid liggen mo-
                                         menteel op het terrein van governance, met een leidende rol voor de overheid. Top-
                                         sectoren kunnen een beperkte bijdrage leveren aan het aangaan van de
                                         uitdagingen op veiligheidsgebied.
                                 28 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                                   Conclusies uit de vier casussen
                                   22. Uit de casussen trekt de AWT de volgende zeven conclusies:
           Bij maatschappelijke         a. Transities zijn nodig. Transities zijn complexe transformatieprocessen waarin
uitdagingen gaat het veelal om               technologische veranderingen en sociale veranderingen samenkomen. Het over-
               transitie-opgaven             stappen op andere brandstoffen en duurzame energie bij energie en mobiliteit
                                             vraagt nieuwe techniek in combinatie met infrastructurele, organisatorische en
                                             institutionele aanpassingen om decentrale energieopwekking of elektrisch rijden
                                             tot een succes te maken. De transitie in de zorg is vraagt een fundamentele ver-
                                             andering binnen de samenleving om kostenstijgingen binnen de perken te hou-
                                             den. Bij veiligheid heeft de benodigde transitie betrekking op verandering van de
                                             aard van de bedreigingen: minder oorlogsdreiging, meer terrorismedreiging.
                                             Daarnaast is er opkomst van nieuwe kwetsbaarheden: de cyberomgeving is
                                             kwetsbaar voor aanvallen. Innovatieagenda’s nu zijn vaak gericht op technolo-
                                             gieontwikkeling, niet op transities.
     Markten voor alternatieve,         b. M  oeizame marktontwikkeling. Binnen de energiesector is er nauwelijks een
innovatieve oplossingen komen                markt voor echt vernieuwende producten. Omdat Europese doelstellingen voor
          niet vanzelf tot stand             duurzame energie vastliggen tot 2020 (en niet verder), wordt gezocht naar
                                             goedkope oplossingen voor de korte termijn: biomassa in plaats van wind, bouw
                                             van molens op basis van bestaande technieken. Markten voor duurzame mobili-
                                             teit komen niet tot ontwikkeling vanwege te grote prijsverschillen. In de zorg
                                             zijn er geen prikkels om producten te ontwikkelen die kosten besparen: noch de
                                             patiënt, noch de arts heeft hier een direct belang bij. Om hiervoor markten te
                                             doen ontstaan, zijn institutionele hervormingen vereist. Wanneer er sterke
                                             padafhankelijkheden zijn (zoals bij energie en mobiliteit), is marktontwikkeling
                                             voor duurzame varianten vaak extra moeilijk.
          Er is geen silver bullet      c. M aatwerk is noodzakelijk. Maatschappelijke uitdagingen verschillen en kun-
                                            nen daarom niet allemaal op dezelfde manier worden aangepakt. Zo loopt bij-
                                            voorbeeld de mate waarin eerdere keuzes de keuzevrijheid nu beperken (lock-in)
                                            uiteen, net als de mate waarin nieuwe technologie nodig is (minder bij zorg,
                                            meer bij andere uitdagingen), en de mate waarin burgers of consumenten be-
                                            trokken zijn en bereid zijn te betalen voor verandering. Bovendien verschilt de
                                            mate waarin Nederland zelf het beleid kan bepalen. Rondom energie is Europees
                                            beleid richtinggevend. In mindere mate geldt dat ook voor mobiliteit: aan auto’s
                                            en brandstoffen worden Europese eisen gesteld. Toelating van nieuwe medicij-
                                            nen of behandelingen op de markt is voor een deel een Europese verantwoorde-
                                            lijkheid. Nederland heeft echter een eigen keus rondom vergoedingen van
                                            nieuwe medicijnen. Defensie is een zaak van multilaterale samenwerking. Deze
                                            verschillen vragen maatwerk.
                                29 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>   Er is bij transities behoefte aan      d. R  egievoerende overheid. Leiderschap aan overheidszijde werkt, zoals de casus
    regievoering door de overheid              veiligheid laat zien. Leiderschap bevordert ook consistentie in beleid. Daaraan
                                               heeft het in het verleden nogal eens ontbroken (bijvoorbeeld in het energiebe-
                                               leid: wel subsidie, geen subsidie). Waar de verantwoordelijkheid voor een do-
                                               mein expliciet bij haar is belegd, zoals in het geval van defensie, heeft de over-
                                               heid het makkelijker om een maatschappelijke uitdaging aan te pakken. Dan is
                                               samenwerking met de relevante topsectoren goed mogelijk. Waar de verant-
                                               woordelijkheid minder exclusief bij de overheid ligt en meer met private partijen
                                               gedeeld wordt, of waar verantwoordelijkheid wordt gedeeld door meerdere de-
                                               partementen, blijkt het moeilijker voor vakdepartementen om een goede rolin-
                                               vulling te vinden en treden er governance-problemen op.
            Soms moet de overheid         e. Ondernemende overheid. In sommige gevallen is voor de aanpak van maat-
                ook voortrekker zijn           schappelijke uitdagingen een ambitieuze invulling van de overheidsrol als voor-
                                               trekker – als ‘entrepreneurial state’ – gewenst. Dit is vooral wanneer het gaat
                                               om het verkennen van nieuwe ontwikkelingsrichtingen met grote onzekerheden
                                               en eventuele baten op de langere termijn.14 De overheid kan hierbij af en toe
                                               stuiten op de grenzen die EU-regelgeving stelt ten aanzien van vrije markttoe-
                                               gang en concurrentie. De Europese aanbestedingsregels laten slechts in beperkte
                                               mate een voorkeur voor innovatieve oplossingen toe. De Europese mede-
                                               dingingsregels staan onder strikte voorwaarden steun voor innovatieve oplossin-
                                               gen toe. Het is van belang deze ruimte wel te benutten.
Vakdepartementen hebben wat te            f. V akdepartementen. Innovatie gedreven door maatschappelijke uitdagingen is
       winnen door in te zetten op            niet altijd een speerpunt bij vakdepartementen of vakdirecties. Daardoor worden
    innovatie in het kader van het            kansen gemist: er wordt geïnvesteerd in bestaande technieken zonder oog te
                  topsectorenbeleid           hebben voor technologische ontwikkeling of er wordt ingezet op symptoombe-
                                              strijding in plaats van het ontwikkelen van structurele oplossingen. Er bestaat een
                                              zekere terughoudendheid bij departementen om voluit in het topsectorenbeleid
                                              te stappen. Daaraan kunnen afwijkende agenda’s ten grondslag liggen, maar
                                              ook een zekere angst om autonomie, prestige of zeggenschap over financiële
                                              middelen te verliezen.
     Voor EZ valt er wat te winnen        g. Ministerie van Economische Zaken. Omgekeerd slaagt het ministerie van EZ
                als het meer met de            er te weinig in de vakdepartementen bij het topsectorenbeleid te betrekken en
  vakdepartementen samenwerkt                  maakt het te weinig gebruik van de instrumenten die door andere departemen-
                                               ten kunnen worden ingezet om maatschappelijke ontwikkelingen bij te sturen.
                                               Een interdepartementaal gecoördineerde inzet van wetgeving (normen, verplich-
                                               tingen), stimuleringsregelingen, structurele publiek-private samenwerking (lange
                                               termijn samenwerkingsrelaties van overheden met onderzoeksinstellingen en be-
                                               drijven), en innovatiegericht aankoopbeleid kunnen bijdragen aan de aanpak
                                     14
                                        Zie Mazzucato, M. (2011), The entrepreneurial state, London: Demos.
                                  30 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                                                van maatschappelijke uitdagingen via innovatie en marktontwikkeling voor
                                                innovatieve producten.
                                      Wat kunnen we leren van de EU en van andere landen
     Andere landen geven goede        23. Nederland kan leren van andere landen, zeker van landen die maatschappelijke uit-
                     voorbeelden:          dagingen tot uitgangspunt van beleid maken. We hebben gekeken naar de VS, het
                                           VK, Duitsland, Denemarken en Israel. Uit onze rondgang trekken we de volgende
                                           lessen:
een punt aan de horizon zetten, ...        a. Duidelijke ambities formuleren helpt. De Amerikaanse regering kadert maat-
                                               schappelijke uitdagingen in als kans in plaats van als probleem, en koppelt con-
                                               crete doelen hieraan. Grand challenges ‘set and meet ambitious goals that will
                                               improve our quality of life and establish the foundation for the industries and
                                               jobs of the future’. Een concreet en inspirerend doel daagt uit. Voorbeelden van
                                               actuele doelen uit de VS zijn: het ontwikkelen van zonnecellen die zo goedkoop
                                               als verf zijn, het ontwikkelen van anti-kanker medicijnen die gezonde cellen ont-
                                               zien, en het opslaan van de gehele inhoud van de Library of Congress op een
                                               apparaat dat zo groot is als een suikerklontje. De Amerikaanse regering inves-
                                               teert daarnaast fors in nanotechnologie, ruimtevaart en neurologisch onderzoek.
                                               Denemarken stelt als doel honderd procent energie uit hernieuwbare bronnen te
                                               realiseren in de energie- en transportsector in 2050 en dan onafhankelijk te zijn
                                               van fossiele brandstoffen (Energy Agreement 2012-2020 en Energy Strategy
                                               2050). Langetermijndoelen komen de continuïteit van beleid ten goede.
            prioriteiten stellen, ...      b. Kiezen is nodig. De Duitse Hightech-Strategie 2020 is gericht op het bevorde-
                                                ren van onderzoek binnen vijf belangrijke onderzoeksvelden. In Israël werden in
                                                2012 vier onderzoeksgebieden aangemerkt als national priority research fields
                                                door het Ministerie van Science and Technology, namelijk brain science, super-
                                                computing en cyber security, oceanografie, en alternatieve transportbrandstof-
                                                fen. Deze onderzoeksinspanningen moeten onder andere de gevolgen van de
                                                vergrijzing beperken, cyberdreigingen afwenden, het gebruik van de oceaan als
                                                bron van brandstof, voedsel, drinkwater en medicinale doeleinden versterken,
                                                en de afhankelijkheid van Arabische brandstof verkleinen.
     vanuit een integrale visie en         c. E en overkoepelende visie en strategie. In het VK en in Denemarken is er een
              strategie werken, ...            succesvolle afstemming van verschillende overheidsprogramma’s. Zo zijn er in het
                                               VK ‘partnerships for older people’ opgericht (2005-2009), gericht op het leveren
                                               van (vooral preventieve) diensten gericht op de gezondheid en het welzijn van
                                               ouderen, waarbij 29 lokale overheden betrokken waren. Dit beleid sloot aan bij
                                               dat van andere departementen en de doelen werden mede ondersteund door
                                               het Ageing well programma van het Ministerie van Pensioenen. Deze holistische
                                               aanpak was deels gebaseerd op input vanuit de samenleving. In Denemarken is
                                 31   Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                                              een soortgelijke afstemming zichtbaar in de aanpak van de uitstoot van broeikas-
                                              gassen en de vergroening van de economie. Deze specialisatie wordt onder-
                                              steund door verschillende programma’s, zoals de Climate Adaptation Strategy,
                                              de Danish Business Strategy on Climate Change, de Green Growth Agreement,
                                              de Energy Agreement 2012-2020, en de Energy Strategy 2050. De strategie is
                                              daarnaast gekoppeld aan het hervormingspakket ‘Denmark at work – challenges
                                              for the Danish economy towards 2020’. Naast de aanpak van de maatschappe-
                                              lijke uitdagingen is het doel de concurrentiekracht te versterken tegen de achter-
                                              grond van toenemende globalisering. Op basis van een ‘globalisation council’,
                                              bestaande uit vertegenwoordigers uit de triple helix werden hieraan 350 con-
                                              crete initiatieven en beleidssuggesties gekoppeld.
 onderzoeksbeleid, innovatiebeleid        d. S  amenhang is gewenst tussen het onderzoeksbeleid en het innovatiebeleid.
en de aanpak van maatschappelijke              Het Europese programma Horizon 2020 combineert wetenschappelijke excellen-
         uitdagingen integreren, ...           tie (fundamenteel onderzoek) , industrieel leiderschap (toepassingsgericht onder-
                                               zoek en innovatie) en maatschappelijke uitdagingen (toepassingsgericht onder-
                                               zoek). De pijlers zijn echter nauwelijks geïntegreerd. In Denemarken wordt
                                               innovatie, onderzoek en onderwijs gecoördineerd door het nieuw opgerichte
                                               Ministry of Science, Innovation and Higher Education in 2011. Binnen de Duitse
                                               Hightech-Strategie 2020 werken kennisinstellingen, hoger onderwijs en bedrijfs-
                                               leven samen en is er de mogelijkheid om gezamenlijk precompetitief onderzoek
                                               te verrichten.
                   investeringen in       e. Investeren in fysieke ecosystemen. De Duitse Hightech-Strategie 2020 inves-
   onderzoeksinfrastructuur hierop             teert ook sterk in onderzoekscampussen. Tien voorstellen kunnen financiële
                     afstemmen, ...            steun ontvangen, die oploopt tot 2 miljoen euro per campus. Vooral in de VS
                                               wordt daarnaast groot belang gehecht aan innovatie op lokaal niveau. Gemeen-
                                               ten worden hierbij gezien als een belangrijk focuspunt en als de opkomende
                                               aanjagers van innovatie. Sommige burgemeesters van steden (zoals Michael
                                               Bloomberg in New York City met zijn het Mayoral Policy Lab) voeren actief
                                               innovatiebeleid.
              rekening houden met         f. A andacht voor Reverse Innovation. Ontwikkelingslanden spelen een steeds
         ontwikkelingen in andere             grotere rol in de aanpak van maatschappelijke uitdagingen. Veelal door de situa-
            (opkomende) landen, ...           tie genoodzaakt, worden hier nieuwe oplossingen geformuleerd, of wordt hier
                                              geëxperimenteerd met nieuwe oplossingen. Een concreet voorbeeld hiervan is
                                              mHealth, gezondheidstechnologieën die via mobiele telefoons werken. In toene-
                                              mende mate worden de groeiende markten in ontwikkelingslanden gezien als
                                              eerste markt voor innovatieve producten, die vervolgens op westerse markten
                                              worden gelanceerd (trickle up-innovation).
                                 32  Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>        en op de aanpak van       g. N  ieuwe governance-arrangementen. De Europese Commissie heeft de aan-
maatschappelijke uitdagingen           zet gegeven om nieuwe governance-arrangementen te ontwikkelen om maat-
    toegesneden governance-            schappelijke uitdagingen samen met bedrijven, kennisinstellingen en overheden
 arrangementen ontwikkelen             aan te pakken: European Innovation Partnerships (EIPs):
                                       “De activiteiten van EIP’s strekken zich uit over de hele onderzoeks- en innovatie-
                                       keten en brengen alle relevante spelers op EU-, nationaal en regionaal niveau sa-
                                       men om:
                                       (i) Onderzoek en ontwikkeling een impuls te geven;
                                       (ii) Investeringen in demonstratieprojecten en pilots te coördineren;
                                       (iii)	Noodzakelijke regulering en implementatie van standaarden te versnellen en
                                              daarop al vooruit te lopen;
                                       (iv)	Door een betere coördinatie van overheidsaankoopbeleid publieke vraag
                                              naar innovaties te genereren, om daarmee te zorgen dat doorbraken snel
                                              een markt vinden.
                                       In plaats van deze stappen onafhankelijk van elkaar te zetten, zoals nu gebruike-
                                       lijk, beogen de EIP’s ze gelijktijdig voor te bereiden en te implementeren, om
                                       daarmee doorlooptijden te verkorten. [...]
                                              EIP’s worden alleen opgestart in die gebieden, en stappen alleen in die activi-
                                       teiten, waarin overheidsinterventie duidelijk gelegitimeerd is en waar doelen
                                       sneller en doelmatiger gerealiseerd kunnen worden door het combineren van
                                       R&D-inspanningen en vraagontwikkeling op EU- en nationaal en regionaal
                                       niveau.”15
                                       Er zijn EIP’s op het gebied van Active & Healthy Ageing, Smart Cities and Com-
                                       munities, Agricultural Sustainability and Productivity, Water en Raw Materials.
                                       Het European Institute of Innovation and Technology (EIT), is een vroeg voor-
                                       beeld van een EIP. Het is vooral gericht op de vertaling van innovatie in nieuwe
                                       bedrijfsactiviteiten en op de ontwikkeling van innovatief ondernemerschap. Het
                                       EIT trekt EU-breed de aandacht van consortia van kennisinstellingen en bedrij-
                                       ven. Nederland is sterk vertegenwoordigd binnen het EIT.
                             15
                                Zie http://ec.europa.eu/research/innovation-union/index_en.cfm?pg=eip voor meer informatie.
                          33 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>34 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                                 5
Maatschappelijke uitdagingen staan
                                                    Conclusies en kompas
                                    Maatschappelijke uitdagingen staan prominent op de agenda’s van de topsectoren.
 op de agenda’s van de topsectoren  Daarnaast profileren universiteiten en hogescholen zich (mede) op oplossingen voor maat-
           en de kennisinstellingen schappelijke uitdagingen. Het topsectorenbeleid en het profileringsbeleid hebben de po-
                                    tentie om maatschappelijke uitdagingen goed te integreren. Om dat optimaal te doen, is
                                    wel leiderschap nodig. Leiderschap begint bij de ontwikkeling van een samenhangende vi-
                                    sie plus een uitgekiende strategie en komt tot uitdrukking in een voortvarende en consis-
                                    tente implementatie. Hiermee kan Nederland zelfs voorlopen op Europees beleid, waar
                                    wetenschappelijke excellentie, industrieel leiderschap en maatschappelijke uitdagingen
                                    verschillende, nog losstaande, pijlers vormen binnen Horizon 2020.
 Waar leiderschap onvoldoende tot   Er zijn grote verschillen tussen maatschappelijke uitdagingen. Allereerst verschilt de mate
        ontwikkeling komt, moet de  waarin het bedrijfsleven bereid en in staat is leiderschap te tonen. Waar industrieel leider-
     overheid verantwoordelijkheid  schap tot ontwikkeling komt, en dat is her en der het geval waar marktkansen liggen of
                            nemen   waar het voortbestaan van ondernemingen op lange termijn in het geding is, daar dient
                                    de overheid zich aan te sluiten. Waar kennisinstellingen het leiderschap op zich nemen,
                                    dient de overheid ruimte en steun te bieden. Waar bedrijfsleven en kennisinstellingen geen
                                    verantwoordelijkheid nemen of kansen laten liggen, daar moet de overheid met één mond
                                    spreken, een consistente boodschap uitdragen en zelf leiderschap tonen.
                                    Conclusies
                                    Uit de analyse van wijze van inbedding van maatschappelijke uitdagingen in topsectoren
                                    en kennisinstellingen en uit de casussen, trekken we de volgende conclusies:
                Het aanpakken van   1.    Maatschappelijke uitdagingen vragen om transities. De maatschappelijke uit-
     maatschappelijke uitdagingen         dagingen die door de EU zijn geïdentificeerd en die centraal staan in Horizon 2020,
vraagt vaak om een combinatie van         vragen niet louter om nieuwe kennis en technologische innovaties. Ze vereisen veel-
     nieuwe technologie en nieuwe         eer transities: kwalitatieve systeemveranderingen die simultane gedragsveranderin-
            vormen van organisatie        gen, infrastructurele aanpassingen en innovaties in allerlei aspecten van het systeem
                                          vereisen. Het gaat erom – zie de voorbeelden die in de casussen aan bod zijn geko-
                                          men – op een nieuwe manier te voorzien in onze behoeften aan energie en vervoer,
                                          aan zorg en veiligheid, aan gezond voedsel en een schoon milieu, et cetera. Tech-
                                          nologische innovatie kan daaraan ondersteunend zijn en is soms ook noodzakelijk
                                          om een transitie tot stand te brengen (terwijl in andere gevallen de technologie al
                                          op de plank ligt). Het tekortschieten van technologie is echter meestal niet het
                                          enige, of zelfs niet het grootste probleem.
                                 35 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>         Om iedereen mee te krijgen    2.   Transitie vereist een ambitieuze, rolvaste overheid. Een systeemverandering
in complexe veranderingsprocessen,          komt alleen tot stand als alle radertjes op een nieuwe manier in elkaar gaan grijpen.
                  is leiderschap nodig      Dat gebeurt alleen als mensen, bedrijven en kennisinstellingen overtuigd zijn van de
                                            noodzaak daartoe. Een transitie is een lang, moeilijk en vaak ook duur proces en
                                            kent tegenslagen. Die weg is alleen begaanbaar met een langdurig en breed com-
                                            mitment. Tot nu slaagt de overheid er nog te weinig in om vanuit een langetermijn-
                                            visie op maatschappelijke uitdagingen aantrekkelijke perspectieven te scheppen –
                                            ook en vooral voor het bedrijfsleven – die het aantrekkelijk maken om te investeren
                                            in kennisontwikkeling en innovatie ten behoeve van maatschappelijk gewenste
                                            transities. De overheid – maar ook ‘de politiek’ – kan meer leiderschap tonen, de re-
                                            gie nemen en waar nodig een voortrekkersrol vervullen. In andere landen (VS,
                                            Duitsland, Denemarken) wordt meer inhoud gegeven aan het leiderschap op het
                                            terrein van maatschappelijke uitdagingen, onder meer door meer focus en meer
                                            consistentie.16
           Leiderschap moet steunen    3.   Ambitieus beleid begint bij een overtuigende visie op beoogde nieuwe syste-
          op een richtinggevende en         men (van energievoorziening, personenvervoer, zorg en veiligheid – maar ook voed-
                    overtuigende visie      selproductie, waterbeheer, milieubeheer, et cetera). Omdat transities zulke com-
                                            plexe coördinatieproblemen behelzen, komen ze onvoldoende tot stand op basis
                                            van privaat initiatief alleen. Marktcoördinatie schiet hierin vaak tekort. De centrale op-
                                            gaven voor de overheid bij maatschappelijke uitdagingen liggen op het terrein van
                                            het komen tot transitie, en daarmee op het gebied van de governance. Om deze re-
                                            gierol waar te maken, heeft de overheid wet- en regelgeving en financiële instrumen-
                                            ten ter beschikkingen. Die instrumenten kunnen een transitie ondersteunen en bevor-
                                            deren, maar kunnen haar niet tot stand brengen. Er is meer nodig. Het is de taak van
                                            de overheid om te zorgen dat een breed spectrum aan veldpartijen elk op hun eigen
                                            wijze een bijdrage leveren aan het aangaan van een collectieve opgave. De overheid
                                            als regisseur is in dit verband meer een verbinder dan een dirigent. Het vergroenen
                                            van de energievoorziening, het verduurzamen van onze vervoerssystemen, het herin-
                                            richten van onze zorgarrangementen, en het veiliger maken van de samenleving zijn
                                            voorbeelden van opgaven die vragen om een regierol van de overheid.
         Vakdepartementen moeten       4.   Regie vraagt om een regisseur. Regie op de diverse maatschappelijke uitdagin-
   leiderschap tonen op hun domein          gen en wenselijke transities moet komen van de betreffende vakdepartementen (of
                                            vakdirecties). Van hen zou het initiatief moeten komen tot de ontwikkeling van vi-
                                            sies op de hierboven beschreven systeemveranderingen en de bijbehorende innova-
                                            tieagenda’s. Zij dienen een actieve rol te nemen in de implementatie van het top-
                                            sectorenbeleid: in de formulering van visies en ambities, in de gezamenlijke
                                            ontwikkeling van onderzoeks- en innovatieagenda’s en in de coördinatie van beste-
                                            dingen. Het ontwikkelen van een goede aansluiting tussen de inzet van EZ op het
                                            gebied van de topsectoren en van de vakdepartementen ten aanzien van maat-
                                       16
                                          D
                                           eze aspecten komen sterk naar voren in het Duitse beleid: zie de AWT-landenstudie over Duitsland (2012), ‘Vasthoudend in-
                                          noveren’.
                                    36 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                                       schappelijke uitdagingen is hierbij de uitdaging. De AWT meent dat de overheid in
                                       het kader van het topsectorenbeleid haar regierol ten aanzien van maatschappelijke
                                       uitdagingen sterker kan waarmaken. Binnen het topsectorenbeleid is het bedrijfsle-
                                       ven leidend en is de overheid faciliterend. Binnen het profileringsbeleid maken de
                                       universiteiten en kennisinstellingen zelf keuzes. Dit neemt niet weg dat de overheid,
                                       waar het om maatschappelijke uitdagingen gaat, een eigen verantwoordelijkheid
                                       en een eigen (regie)rol heeft. Om creatie van nieuwe markten uit maatschappelijke
                                       uitdagingen een betere kans te geven dient deze rol binnen het kader van het top-
                                       sectorenbeleid en in het profileringsbeleid sterker uit de verf komen.
Maatschappelijke organisaties en 5.    Er is meer dan de ‘gouden driehoek’. Initiatieven vanuit het maatschappelijk
      burgers betrekken vergroot       middenveld, van burgers en maatschappelijke organisaties (NGO’s), kunnen de basis
     mogelijkheden en draagvlak        vormen voor nieuwe waardecreatie, al dan niet for profit, die bijdraagt aan het vin-
                                       den van Dutch solutions voor lokale en mondiale maatschappelijke uitdagingen. De
                                       overheid kan haar regisserende rol alleen goed spelen wanneer zij naast de bijdrage
                                       van de driehoek van bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden ook de rol van
                                       maatschappelijke organisaties en burgers in het vinden van oplossingen voor maat-
                                       schappelijke uitdagingen voldoende erkent en waardeert.17
                                 Kompas
                                 Maatschappelijke uitdagingen en topsectoren: zwaluwstaarten
                                 Hoe moet de relatie tussen topsectoren en maatschappelijke uitdagingen zich ontwikke-
                                 len? Momenteel ligt het primaat bij de topsectoren, maar een beweging is ingezet om
                                 de maatschappelijke uitdagingen meer accent te geven. Het beleid in landen als Duits-
                                 land – waar de beleidsinzet primair gericht is op het aanpakken van de maatschappelijke
                                 uitdagingen, zodanig dat dit bedrijven helpt hun concurrentiekracht en exportvermogen
                                 te verbeteren – dient daarbij als inspiratiebron.
        Binnen de kaders van het De AWT ondersteunt de ontwikkeling van maatschappelijke uitdagingen meer accent te
topsectorenbeleid meer sturen op geven. Een eenzijdig primaat bij de topsectoren loopt aan tegen de hierboven beschre-
   maatschappelijke uitdagingen  ven actuele problemen: sturingsproblemen in de verhouding tussen topsectoren en vak-
                                 departementen, en marktontwikkelingsproblemen voor innovatieve producten die bij-
                                 dragen aan de aanpak van maatschappelijke uitdagingen. Een abrupte koersverandering
                                 gooit het kind – het commitment van het bedrijfsleven, het nieuwe élan in publiek-pri-
                                 vate samenwerking – met het badwater weg. Een geleidelijke evolutie van het beleid
                                 naar meer nadruk op maatschappelijke uitdagingen is te verkiezen boven beide alterna-
                                 tieven.
                                 17
                                    Zie ook het AWT-advies over sociale innovatie (eind 2013 te verschijnen).
                              37 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                                   De rol van de overheid
    Overheidsinzet naar behoefte:  De rol van de overheid bij maatschappelijke uitdagingen kan verschillen, afhankelijk van de
        faciliterend waar het kan, aard van de uitdaging. In sommige gevallen kan de overheid vertrouwen op industrieel lei-
  regievoerend en zelfs initiërend derschap: bedrijven wensen een rol in de aanpak van grote maatschappelijke problemen, en
                   waar het moet   nemen die ook. In andere gevallen is een voortrekkersrol meer aangewezen: de door Mazzu-
                                   cato (2011) bepleite ‘entrepreneurial state’. De overheid pioniert, verkent het terrein, neemt
                                   risico’s en baant de weg. Is het voortrekkerswerk eenmaal gedaan, dan volgen andere par-
                                   tijen. In het verleden heeft de overheid vaak die rol genomen: zij heeft natuurparken inge-
                                   richt om achteruitgang van natuur en biodiversiteit te voorkomen, ze heeft telefoonlijnen,
                                   spoorlijnen en snelwegen aangelegd om min of meer gelijke toegang tot infrastructuur voor
                                   iedereen te verzekeren en veiligheid te garanderen. In de meeste gevallen zal de rol van over-
                                   heid meer regisserend moeten zijn: private partijen worden aangemoedigd hun gedrag bij te
                                   stellen, bijvoorbeeld door subsidies of via het aankoopbeleid van de overheid of ze krijgen
                                   door wetgeving randvoorwaarden opgelegd waaraan ze moeten voldoen.
                                   Voorbeelden
                                   Voorbeelden van grote maatschappelijke uitdagingen waar Nederlandse bedrijven en
                                   kennisinstellingen een rol kunnen spelen zijn er genoeg. Gezonde voeding die naar indi-
                                   viduele wensen en voorkeuren ‘geprint’ kan worden: een uitdaging voor voedselbedrij-
                                   ven en de hightech. Zelfvoorzienend zijn in energie: het is een enorme uitdaging om de
                                   benodigde technologie hiervoor te ontwikkelen. Eindhoven (Brainport), Rijnmond, maar
Een paar mogelijke voorbeelden ... ook andere regio’s kunnen hier een grote rol spelen.18 Hieronder volgen twee voorbeel-
                                   den van maatschappelijke uitdagingen om de mogelijke rol van de overheid te illustre-
                                   ren, met de volgende kanttekening: zo kan het gaan, zo hoeft het zeker niet te gaan.
                                            Mobiliteit. De transitie naar schoon, slim, veilig en comfortabel vervoer is complex.
                                            Industrieel leiderschap in de jaren ’90 leidde ertoe dat de benzine op de Neder-
                                            landse markt zwavelvrij was – ruim twee jaar voordat er een wettelijke plicht kwam.
                                            Voor een verdergaande transitie is een regisserende overheid nodig: randvoorwaar-
                                            den stellen door schonere auto’s en schonere brandstoffen te verplichten, een kilo-
                                            meterheffing in te voeren en eisen te stellen aan het openbaar vervoer. Voor scho-
                                            nere auto’s en brandstoffen zijn Europese regels nodig. Voor kilometerheffing is
                                            technologie nodig. Deze maatregelen leiden nog niet tot een grote transitie. Met de
                                            overheid als voortrekker kunnen grotere stappen gezet worden. Een slim wegennet,
                                            gericht op nul verkeerdoden. Een overheid die ook de industrie inspireert om de
                                            technologie voor autonome auto’s te ontwikkelen. De overheid kan haar rol echter
                                            ook meer regionaal invullen, bijvoorbeeld een aantal gemeenten de kans en de mid-
                                            delen geven om te experimenteren met nieuwe stedelijke vervoerssystemen. Enkele
                                            gemeenten zouden een systeem kunnen ontwikkelen waarin het openbaar vervoer
                                            geoptimaliseerd is en tegelijkertijd het gebruik van eigen auto’s wordt ontmoedigd.
                                   18
                                       Z ie Egbert-Jan Sol (2013), ‘Nederland 2028 en onze keuzen in 2013’, in: Ben Dankbaar en Theo van den Berg, ‘Samen Toekomst
                                       maken met Techniek’, oktober 2013, Stichting voor Industriebeleid en Communicatie.
                                38 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                                            Meer buslijnen, een hogere frequentie in de dienstregeling, vrije busbanen, vervoer
                                            op maat voor ouderen en gehandicapten, een witte-fietsenplan: van alles is mogelijk.
                                            Verschillende buitenlandse steden kunnen als voorbeeld dienen: Parijs en Barcelona
                                            voor de fietsen, London, Hongkong en Hasselt voor het openbaar vervoer, en Kopen-
                                            hagen voor beide. Andere gemeenten zouden het private vervoer kunnen optimalise-
                                            ren door een netwerk van laadpalen aan te leggen, door milieuzoneringen, door
                                            schonere brandstoffen en auto’s te introduceren. Gemeenten kunnen experimenteren
                                            met een transitie van betalen voor bezit (van vervoermiddelen) naar betalen voor ge-
                                            bruik – een ontwikkeling waaruit lessen voor bredere toepassing geleerd kunnen wor-
                                            den. Uit de ervaringen van proefgemeenten kan geleerd worden hoe private partijen
                                            in andere gemeenten gemakkelijker en met minder risico de markt van schoon, slim,
                                            veilig en comfortabel vervoer kunnen betreden. Decentrale overheden kunnen een
                                            impuls geven voor een regionale logistiek, urban farming en urban manufacturing die
                                            de vervoersvraag vermindert. Bedrijven kunnen daarop inspringen.
                                            De biobased economy. De bio-economie biedt kansen op schone, duurzame
                                            groei, maar er is nog volop ontwikkeling nodig. Nieuwe producten op basis van biolo-
                                            gische grondstoffen, nieuwe bio-energie, nieuwe diensten en de opkomst van een cir-
                                            culaire economie (cradle to cradle), gericht op hergebruik, upcycling en kleinschalig-
                                            heid: dit is een revolutie die zich nog grotendeels moet ontvouwen. Daarbij is de rol
                                            van de overheid vooral regisserend en ondersteunend. De overheid kan geld ter be-
                                            schikking stellen voor demonstratie- en ontwikkelingsprojecten, kan duidelijke doel-
                                            stellingen opleggen voor optimalisering van bio-energie en biobrandstoffen, en de
                                            overheid kan – zoals de VS doet – een ‘pro-bio’-aankoopbeleid voeren: als een bio-
                                            product bestaat, dan heeft dat de voorkeur. Als regisseur kan de overheid de ontwik-
                                            keling van bioplastics en andere bioproducten een forse steun in de rug geven.
                                    De tijd is rijp
     Maatschappelijke uitdagingen   De AWT constateert dat maatschappelijke uitdagingen bedrijven, kennisinstellingen en
bieden aantrekkelijke perspectieven overheden inspireren tot actie. Een greep uit de voorbeelden: TNO bracht onlangs het
                op marktcreatie en  rapport ‘Kansen voor de circulaire economie in Nederland’ uit .19 Er zijn kansen voor in-
     maatschappelijke meerwaarde    tensief hergebruik van grondstoffen, recycling van technische producten en betere be-
                                    nutting van biotische reststromen. Daarvoor is onder andere een ‘heldere, interdeparte-
                                    mentale, consistente strategie’ nodig. Het Planbureau voor de Leefomgeving deed
                                    onlangs een nieuwe oproep om te komen tot een strategie voor groene groei.20 Er is een
                                    intentieverklaring van het kabinet, pensioenfondsen en verzekeraars om werk te maken
                                    van maatschappelijke uitdagingen, zoals de transitie naar duurzame energie, energiebe-
                                    sparing in de gebouwde omgeving, investeringen in (woon)zorgvastgoed, maatschappe-
                                    lijk vastgoed waaronder schoolgebouwen en (energie)infrastructuur.21 Er is in Nederland
                                    industrieel leiderschap dat zich nadrukkelijk richt op maatschappelijke uitdagingen:
                                    19
                                        TNO: Kansen voor de circulaire economie in Nederland, TNO 2013, R10864.
                                    20
                                        PBL: Vergroenen en verdienen, oktober 2013
                                    21
                                         Intentieverklaring: Investeren in de Toekomst van Nederland, 23 september 2013 (www.rijksoverheid.nl)
                                 39 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   Unilever, Philips, DSM, FrieslandCampina en talloze andere grote en kleine bedrijven
   hebben agenda’s die verduurzaming en gezondheid centraal stellen. Het Rathenau Insti-
   tuut roept op tot kenniscoproductie om de grote maatschappelijke vraagstukken aan te
   pakken.22 En ten slotte hebben de minister van EZ en de staatssecretaris van OCW in
   hun Voortgangsrapportage Bedrijvenbeleid aangekondigd dat “de verbinding tussen
   topsectoren en maatschappelijke opgaven (…) sterker wordt gelegd”.23 Het kabinet wil
   inzetten op concrete projecten die de kracht van Nederland zichtbaar maken: Dutch So-
   lutions for Global Challenges. De AWT ondersteunt deze initiatieven en constateert dat
   bundeling van krachten en initiatieven noodzakelijk is.
   22
      Het Bericht, www.rathenau.nl, 2013, nummer 4.
   23
      Voortgangsrapportage bedrijvenbeleid, brief aan de Tweede Kamer, 2 oktober 2013.
40 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>6                  Aanbevelingen
   De AWT ziet ruime mogelijkheden om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken bin-
   nen de kaders die door het topsectorenbeleid, het profileringsbeleid, en het Europese
   kaderprogramma Horizon 2020 worden aangereikt. Ook signaleert hij dat maatschappe-
   lijke uitdagingen op veel plaatsen op de agenda staan, zowel bij bedrijven als bij kennis-
   instellingen. De AWT vraagt aandacht voor twee zaken:
   1.    Door krachtiger leiderschap vanuit de regering en door een meer gezamenlijk op-
         trekken vanuit de rijksoverheid, kunnen meer maatschappelijke uitdagingen in het
         kader van het topsectorenbeleid worden aangepakt en kan dit ook met meer slag-
         kracht gebeuren.
   2.    Opgaven die geen perspectief op aantrekkelijke business cases in de toekomst bie-
         den, kunnen niet binnen het kader van het topsectorenbeleid worden aangepakt.
         Wanneer ze vanuit maatschappelijk oogpunt wel urgent zijn, dient daarvoor vol-
         doende ruimte te blijven bestaan buiten de kaders van topsectoren, profilering en
         Europese onderzoeksprogramma’s.
   Met de onderstaande aanbevelingen geeft de AWT aan hoe deze twee lijnen in de prak-
   tijk gestalte kunnen krijgen.
   De AWT beveelt de regering aan:
   1.    Toon meer leiderschap. Bouw voort op het topsectoren- en profileringsbeleid, en
         zorg daarbinnen inzake de maatschappelijke uitdagingen voor inspirerend en effec-
         tief leiderschap:
         a. Waar de verantwoordelijkheid primair bij de overheid ligt, toon als regering meer
             leiderschap: zet richtingen uit, wees regisseur en waar nodig ook voortrekker. In-
             spireer en moedig bedrijven en kennisinstellingen aan tot Dutch solutions voor
             global challenges.
         b. Sluit aan bij industrieel leiderschap waar daarvan sprake is. Industrieel leiderschap
             is essentieel voor het verduurzamen van de economie. Voer een betrokken dia-
             loog en ondersteun dit leiderschap. Faciliteer daarnaast waar mogelijk leider-
             schap vanuit de kennisinstellingen. Heb ook oog voor de rol van het maatschap-
             pelijke middenveld in het zoeken naar oplossingen.
   2.    Zorg voor meer focus. Kies samen met het relevante veld van bedrijven, kennisin-
         stellingen en universiteiten voor een beperkt aantal thema’s of icoonprojecten: pun-
         ten aan de horizon. Neem als zwaartepunten een paar deelthema’s binnen de
41 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>        Grand Challenges van Horizon 2020, temeer omdat deze voor langere tijd (tot
        2020) binnen Europa zijn vastgelegd. Selecteer die deelterreinen waar Nederland bij
        uitstek bij kan dragen aan oplossingen. De volgende criteria kunnen daarbij helpen:
        a. E r is een raakvlak met de sterktes van het Nederlandse bedrijfsleven en met de
             topsectoren om daarmee kansen te bieden voor goede business cases en toe-
             komstige marktontwikkeling;
        b. E r is een raakvlak met de sterktes van de Nederlandse kennisinfrastructuur;
        c. D  e thema’s en problemen zijn urgent, maar wel hanteerbaar, en de aanpak kan
             rekenen op een stabiel en bij voorkeur breed draagvlak.
        Schep vertrouwen door langetermijndoelen op te stellen, brede politieke steun te
        zoeken en financiering in een meerjarenkader – tot 2020 – vast te leggen. Wees
        daarbij wel flexibel en technologieneutraal. Een breed draagvlak maakt het makke-
        lijker om het overheidsbeleid lange tijd stabiel te houden, ook als kabinetten wisse-
        len en actualiteiten veranderen.
   3.   Bevorder marktcreatie. Help markten ontstaan voor producten en diensten die
        bijdragen aan de aanpak van maatschappelijke uitdagingen. Faciliteer markten voor
        duurzaam geproduceerde producten. Doe dit technologieneutraal, door via normen
        en standaarden eisen te stellen aan de duurzaamheid van producten en productie-
        wijzen, of deze voor de toekomst in het vooruitzicht te stellen. Pak daarnaast in sa-
        menspraak met betrokkenen marktverstoringen aan die niet-duurzame producten
        en productiewijzen bevoordelen. Zet ten slotte daadwerkelijk de stap naar een in-
        novatiegericht aankoopbeleid.
   4.   Trek nadrukkelijk samen op. Spreek elkaar als ministers erop aan de regie te ne-
        men over de maatschappelijke uitdagingen op het eigen domein. Werk samen op
        basis van een breed gedragen, overkoepelende visie op de aanpak van die uitdagin-
        gen die interdepartementale fricties en onnodige bureaucratisering kan voorkomen.
        Investeer in onderling vertrouwen tussen departementen en treed gezamenlijk naar
        buiten: ‘je gaat er samen over’.
   De AWT beveelt de minister van Economische Zaken aan:
   1.   Zet binnen het topsectorenbeleid meer in op maatschappelijke uitdagingen.
        Zet stevig in op marktcreatie: help markten tot ontwikkeling te komen voor produc-
        ten en diensten die bijdragen aan het aanpakken van maatschappelijke uitdagin-
        gen. Werk daartoe samen met bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden. Zet
        deze koers in door:
        a. S amen in te zetten op zwaartepunten en cross-overs. Ontwikkel voor de te selec-
            teren zwaartepunten binnen de Grand Challenges van Horizon 2020 (zie aanbe-
42 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>            veling 2 aan de regering) samen met het bedrijfsleven en de kennisinstellingen
            transitieagenda’s. Zorg daarbij voor een breed draagvlak en een lange tijdshori-
            zon. Betrek waar nodig naast topsectoren en kennisinstellingen ook andere sec-
            toren (bijvoorbeeld de bouwsector) en andere departementen. Help daarbij Ne-
            derlandse bedrijven een goede aansluiting te vinden op de betreffende
            programma’s binnen Horizon 2020.
        b. Intensiever samen te werken met andere departementen. Betrek de andere de-
            partementen (OCW, VWS, I&M, V&J, Defensie, BZ, AZ, alsmede de relevante di-
            recties binnen EZ) bij de ontwikkeling van nieuwe, toegesneden regiemodellen.
            Zorg voor een heldere verdeling van verantwoordelijkheden tussen departemen-
            ten onderling en tussen overheid en bedrijfsleven.
        c. D
            e governancestructuur van topsectoren en TKI’s verder te ontwikkelen. Binnen
           het topsectorenbeleid is vraagsturing het leidend principe. De partners in de
           ‘gouden driehoek’ zijn gelijkwaardig. Spiegel deze arrangementen aan de Euro-
           pean Innovation Partnerships en ontwikkel ze verder langs soortgelijke lijnen. Ver-
           leen hierbij voldoende gewicht aan de stem van de vakdepartementen in de go-
           vernance-arrangementen.
        d. De ‘spelregels’ nog wat aan te scherpen. Stimuleer de inzet van de TKI’s op de maat-
            schappelijke uitdagingen met specifiek instrumentarium. Differentieer de overheids-
            bijdrage en de publieke inspanning naar de mate waarin het onderzoek bijdraagt
            aan de aanpak van maatschappelijke uitdagingen. Geef bijvoorbeeld onderzoek dat
            bijdraagt aan het oplossen van maatschappelijke problemen een hogere bijdrage dan
            onderzoek dat louter de concurrentiekracht van het bedrijfsleven versterkt.
        e. Samen beter gebruik te maken van het hele scala aan beschikbare instrumenten.
            Maak simultaan gebruik van het hele scala aan instrumenten dat beschikbaar is
            om marktcreatie te bevorderen en transitieagenda’s te realiseren. Zet naast de
            gangbare instrumenten van innovatiebeleid en wetenschapsbeleid ook kaderstel-
            lende regelgeving, institutionele verandering (systeemverandering) en innovatie-
            gericht aanbestedingsbeleid in om transities te bewerkstelligen. Hef belemmerin-
            gen in de regelgeving voor innovatie op. Bouw waar mogelijk voort op
            ‘initiatieven uit de samenleving’ (sociale innovatie) om systeemveranderingen te
            bewerkstelligen. Zoek meer de ruimte op die de Europese aanbestedings- en me-
            dedingingsregels bieden waar het gaat om het creëren van een thuismarkt voor
            in Nederland gevestigde bedrijven.
   2.   Lever maatwerk. Maatschappelijke uitdagingen verschillen van elkaar in de mate
        waarin ze uitzicht bieden op marktcreatie, en daarmee waarin ze binnen de kaders
        van het topsectorenbeleid geadresseerd kunnen worden:
        a. In veel gevallen kan het topsectorenbeleid weliswaar ondersteunend zijn bij de
             aanpak van maatschappelijke uitdagingen, maar is het op zichzelf niet toerei-
             kend om complexe systeemveranderingen te bewerkstelligen. Zorg in die geval-
             len samen met de vakdepartementen voor complementair beleid.
43 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>        b. In sommige gevallen vragen urgente maatschappelijke uitdagingen om onder-
             zoek en innovatie, maar kunnen ze onvoldoende binnen het topsectorenbeleid
             geadresseerd worden. Ga hierover de dialoog aan met de vakdepartementen en
             biedt waar nodig ruimte om hier desondanks middelen op in te zetten. Laat het
             topsectorenbeleid prioriteiten bepalen zonder een keurslijf te worden.
   De AWT beveelt de minister van OCW aan:
   1.   Meer profilering op maatschappelijke uitdagingen. Moedig universiteiten, ho-
        gescholen en kennisinstellingen aan om zich in het kader van hun profilering nog
        meer te richten op de door Nederland te selecteren zwaartepunten (zie aanbeveling
        2 aan de regering) van de in Horizon 2020 geagendeerde Grand Challenges. On-
        dersteun dit door op transparante wijze de toewijzing van overheidsmiddelen voor
        onderzoek hierop af te stemmen. Voer daarbij regie, en wel als volgt:
        a. B reng in kaart en maak transparant hoeveel publieke onderzoekmiddelen be-
            steed worden aan onderzoek ten behoeve van elk van de zes maatschappelijke
            uitdagingen uit Horizon 2020. Kijk hierbij naar alle geldstromen.
        b. Maak nadere prestatieafspraken met universiteiten en kennisinstellingen over
             profilering op de te selecteren deelthema’s binnen de Grand Challenges als on-
             derdeel van de instellingsstrategie voor de lange termijn. Betrek hierbij ook de
             hogescholen. Koppel toewijzing van het variabele deel in de bekostiging mede
             aan het realiseren van deze prestatieafspraken.
        c. V raag van NWO om de strategie en de financiering, in aansluiting op Horizon
            2020, uitdrukkelijker op de te kiezen deelthema’s uit de Grand Challenges te
            richten. Een thematische insteek impliceert meer ruimte voor multidisciplinair on-
            derzoek en cross-overs. Neem dit mee in de NWO-inbreng in de topsectoren.
        d. Coördineer de inzet van publieke middelen voor funderend en strategisch on-
             derzoek ten behoeve van de gekozen thema’s met de betreffende vakdeparte-
             menten.
   2.   Een meer gezamenlijk optreden in Brussel. Zorg voor een optimale aansluiting
        op Horizon 2020 vanuit Nederland door de vakdepartementen en het veld intensie-
        ver daarbij te betrekken. Wees als regisseur van veldpartijen en andere departemen-
        ten betrokken bij de uitwerking van Horizon 2020 programma’s in Brussel.
   De AWT beveelt de ministers van de andere vakdepartementen aan:
   1.   Wees meer innovatiegericht. Neem medeverantwoordelijkheid voor kennisont-
        wikkeling en innovatie binnen de topsectoren. Zet zoveel mogelijk binnen de con-
        text van het topsectorenbeleid in op de door de regering te selecteren zwaartepun-
        ten binnen de Grand Challenges die op het domein van het departement liggen.
        Wees regisseur en zo nodig ook voortrekker. Werk in topsectorverband samen met
44 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>          bedrijven en kennisinstellingen aan het creëren van waarde en het vinden van
          nieuwe markten. Wees hierin proactief: articuleer een visie op toekomstige sys-
          teemveranderingen en gewenste transities (voor de zorg, de energievoorziening,
          het transport, de waterhuishouding, de veiligheid, het natuurbeheer, enzovoort),
          leg kaders en randvoorwaarden voor de toekomst neer en geef daarop een lange
          termijn commitment af, ontwikkel een stevige eigen agenda en zoek daarvoor met
          het bedrijfsleven en de kennisinstellingen naar invullingen.
   2.     Neem initiatief. Een aanzienlijk deel van de departementale onderzoeks- en inno-
          vatieagenda voor maatschappelijke uitdagingen kan geadresseerd worden binnen
          het topsectorenbeleid. Ga hierover in gesprek met het ministerie van Economische
          Zaken als coördinerend ministerie voor het innovatiebeleid. Maak afspraken over de
          aandacht die deze uitdagingen behoren te krijgen en over de inzet van instrumen-
          ten.
   3.     Breng expertise in huis. Investeer meer in eigen (technische en sociaalweten-
          schappelijke) vakkennis op het terrein van de maatschappelijke uitdagingen binnen
          het domein van het departement en realloceer zo nodig bestaande departementale
          capaciteit. Zorg vanuit het departement de rol van een gezaghebbende gespreks-
          partner te kunnen spelen in de relatie met bedrijven en kennisinstellingen, onder
          andere waar het gaat om innovatiegericht inkopen.24 Wanneer kennis vooralsnog
          onvoldoende aanwezig is, richt dan bijvoorbeeld panels van deskundigen op die er
          toe bij kunnen dragen dat de overheid op te hoogte is van state-of-the-art techno-
          logie en innovatie.
   De AWT meent dat het opvolgen van deze aanbevelingen ervoor kan zorgen dat Neder-
   land voorop komt te lopen in Europa: langs deze weg wordt een geïntegreerde aanpak
   van de drie pijlers uit Horizon 2020 gerealiseerd. De topsectorenaanpak integreert een
   deel van het onderzoeksbeleid en het bedrijvenbeleid. De koppeling aan maatschappe-
   lijke uitdagingen maakt het beleid compleet, waardoor nieuwe kansen en mogelijkhe-
   den ontstaan die de Nederlandse economie en samenleving ten goede komen.
   Aldus is vastgesteld te Den Haag, oktober 2013
   Prof.dr. U. Rosenthal (voorzitter)
   Dr. D.J.M. Corbey (secretaris)
   24
       Zie hierover AWT-advies 63 (2005), ‘Kennis voor beleid – Beleid voor kennis’.
45 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>46 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>b1                  Adviesvraag
    Het kabinet vraagt de AWT om advies uit te brengen over de volgende vraag: hoe kan in
    Nederland optimaal worden bijgedragen aan de aanpak van maatschappelijke uitdagin-
    gen via (1) het topsectorenbeleid, (2) het profileringsbeleid en (3) het Europese kader-
    programma Horizon 2020, dan wel een combinatie van deze beleidsprogramma’s? Deze
    vraag wordt toegespitst op de volgende deelvragen:
    1.   Hoe kan de synergie tussen maatschappelijke uitdagingen en de topsectorenaanpak
         optimaal benut worden?
         • Hoe worden de mogelijkheden op dit moment benut en welke onbenutte kansen
            zijn er? Wat kan de overheid bijvoorbeeld bijdragen om nieuwe markten te creë-
            ren en marktontwikkeling te bevorderen? Welke beleidsinstrumenten kunnen
            hiertoe ingezet worden?
         • Welke belemmeringen zijn er voor marktcreatie?
    2.   Hoe kan kennis die in Nederland gegenereerd wordt optimaal benut worden in de
         aanpak van maatschappelijke uitdagingen? Hoe kan de synergie met het profile-
         ringsbeleid optimaal benut worden?
         • Welke rol spelen maatschappelijke uitdagingen nu in het wetenschappelijk onder-
            zoek (fundamenteel en toegepast, zowel alfa, bèta als gamma)?
    3.   Worden de mogelijkheden van de Europese kaderprogramma’s optimaal benut, met
         name ten behoeve van innovatie en van het creëren van nieuwe markten?
         •W  eet het Nederlandse veld, dat wil zeggen de kennisinstellingen (inclusief hbo)
            en het bedrijfsleven (inclusief MKB) zich goed te positioneren om de kansen die
            Horizon 2020 biedt optimaal te benutten? Werken de partijen in de gouden drie-
            hoek hier voldoende samen?
    4.   Voor zover kansen onbenut blijven: wat zijn volgens de AWT oplossingen voor het
         niet optimaal benutten van bestaande Nederlandse en Europese beleidsinstrumen-
         ten? Het kabinet vraagt de AWT in de eerste plaats te redeneren vanuit de huidige
         topsectoren- en profileringsaanpak en daarbinnen te zoeken naar verbetermogelijk-
         heden.
         • Welke verbeteringen zijn nodig? Welke synergie kan ontstaan door nieuwe accen-
            ten of maatregelen? Zijn er instrumenten die de AWT mist?
         • Wat betekent dit voor de rol van de overheid?
    De AWT wordt gevraagd om ook een vergelijkend perspectief aan te brengen: kunnen
    we iets leren van andere landen? Daarnaast kunnen een of twee case studies verhelde-
    rend zijn.
 47 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>48 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Instrument /
Maatschappelijke
                           b2
                   Regulering               Marktinstru-
                                            menten
                                                               Instrumenten voor maatschappelijke
                                                               uitdagingen
                                                                  Uitvoering/
                                                                  directe betrok-
                                                                                       Subsidies en
                                                                                       andere incen-
                                                                                                        Etikettering    Early market en
                                                                                                                        inkoopbeleid
                                                                                                                                             Stimulerings-
                                                                                                                                             programma
Uitdaging                                                         kenheid vanuit       tives
                                                                  de overheid zelf
Gezondheid         • Medicijnwetgeving                            • Ziekenhuizen,      • Hoge accijnzen • Etikettering  • Initiatieven op    • Alzheimer-
                   • Verbod op transvet-                            verzorgingste-       tabak en alco-   van voedsel     scholen (bijv. Ja-   initiatief in
                     ten / aspartaam, enz.                          huizen, GGZ,         hol              (bijv. calo-    mie Oliver’s         Frankrijk
                   • Rookverbod in cafés                            enz.                                  rieën tabel)    school dinners)
                   • Verplichte verzeke-                          • Sportvoorzienin-                    • Waarschu-
                     ring                                           gen                                   wingen op
                   • REACH                                                                                rookwaren
Voedselzekerheid   • Pesticidenregels       • Biotickets                               • Landbouwsub-                   • Inkoop Fair
en -veiligheid;    • Mestwetgeving                                                       sidies                           Trade-achtige
duurzaam voedsel   • Voedselveiligheid en                                                                                 producten
                     hygiëne
                   • Dierengezondheid
                     en dierenwelzijn
Veilige en schone  • Emissielimieten        • ETS                 • (Vroegere)         • SDE en SDE+                                         • ITER
energie            • Veiligheidsregime                              staatsbedrijven
                     kernenergie                                  • Kernenergie
                   • Vergunningsproce-
                     dures
                   • Verplichting x%
                     duurzame energie
                   • IPCC – best available
                     techniques
Klimaatverandering • Brandstofkwaliteit     • ETS                                      • Green deals    • Product       • Steden, bijv.      • CCS
en CO2 reductie      (6% reductie CO2)                                                                    etikettering:   Rotterdam
                   • Verplichting tot zui-                                                                koelkasten,     Climate Initiative
                     niger auto’s                                                                         auto’s, etc.
                   • Productwetgeving,
                     bijv. verbod op gloei-
                     lampen
Slim en groen      • Uitstootbeperking      • Luchtvaart: ETS     • Railtransport      • Green deals    • Accijnzen     • Elektrische auto’s • GALILEO
transport            van auto’s en          • Scheepvaart: ETS    • Openbaar bus/                       • BPM
                     schepen                  later voorzien        tram/metrover-
                   • Schone brandstoffen                            voer
                                                                  • Aanleg wegen
Inclusiviteit en   • Verplichting           • Verhandelbaar                            • Sociale deals                  • Melkertbanen
sociale samenhang    indienstneming           maken van                                                                 • ID-banen
                     5% mindervaliden         verplichtingen
                   • Standaarden
                                   49          Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>50 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>b3                   De casussen en de vragen
                     voor de casussen
    De vraag bij de vier casussen is of er van een van de genoemde typen overheidsfalen
    sprake is. Maar de casusstudies zijn breder van opzet. Ze behandelen allereerst de aard
    van de uitdaging: wat is de uitdaging precies en in hoeverre is het een technische, een
    organisatorische of een institutionele uitdaging? Ontbreekt de kennis of de technologie,
    of spelen andere barrières een rol – gevestigde belangen, economische prikkels, risico’s
    en onzekerheden, padafhankelijkheden – die oplossingen kostbaar of moeilijk imple-
    menteerbaar maken? Daarna inventariseren ze in hoeverre de verschillende partijen in
    het veld de uitdagingen op dit moment aangaan: wat doen bedrijven, kennisinstellingen
    en overheden – en meer specifiek, wat gebeurt er in topsectorverband? Vervolgens in-
    ventariseren de casusstudies de oplossingen die zich aftekenen ten slotte besteden ze
    aandacht aan de vraag of het huidige beleid wel of niet toereikend is om de maatschap-
    pelijke uitdagingen aan te pakken.
    De volgende vragen zijn gesteld aan STT, CE Delft, HCSS en NIVEL:
    1.     De uitdaging:
           a. Wat is de aard van de uitdaging? (technisch, organisatorisch, institutioneel).
                 i. In welke mate is het een kennis, een technische dan wel een organisatori-
                     sche uitdaging? Of: gaat het om ontbrekende kennis of technologie of om
                     implementatie?
                ii. Is het vooral een innovatieprobleem of een ‘uitrolprobleem’?
               iii. Is er sprake van lock-in effecten?
               iv. Welke risico’s en onzekerheden spelen een rol?
               v. Wat is de internationale context en hoe speelt de uitdaging in andere landen
                    en binnen EU?
              vi. Van welke landen kunnen we leren?
           b. Voor wie is het uiteindelijk een probleem? Samenleving, milieu, economie?
                 i. Welke actoren hebben welke belangen?
                ii. En voor wie niet (gevestigde belangen)?
               iii. Waarom is dit een maatschappelijke uitdaging?
               iv. Is dit een must voor de mensheid/het grote publiek/de maatschappij?
    2.     Wie pakt het probleem nu op?
           a. Wat doen bedrijven ?
                 i. Individueel, collectief, in topsectorverband ?
                ii. Waaraan kunnen inspanningen van bedrijven afgemeten worden?
               iii. Waarom pakken bedrijven dit onvoldoende op? (vanwege welke vormen van
                     falen – zie startnotitie)
               iv. Is er een markt?
 51 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>                v. In hoeverre doet het bedrijfsleven wel iets aan deze uitdaging?
              vi. Doet het bedrijfsleven in andere landen het beter?
         b. Pakt de overheid het probleem op?
               i. Welke verantwoordelijkheid voelt de overheid voor het oplossen van dit pro-
                    bleem?
                ii. Welke instrumenten worden ingezet (zie startnotitie) op EU en op NL niveau?
                    • Welke wet- en regelgeving?
                    • Welke activiteiten financieren ze? (subsidies, aankoopbeleid)
                    • Sluiten ze daarbij aan op Europees beleid; bij ander internationaal beleid?
                    • Sturen ze onderzoek en ontwikkeling aan?
                    • Wat doen ze verder? (voorlichting, overreding)
         c. Pakt de kennisinfrastructuur dit op?
                 i. Welke kennisorganisaties? (universiteiten, hogescholen, RTO’s, overig)
               ii. Wat doen deze kennisorganisaties, waarom en met welke middelen?
              iii. Welke onderzoeksprogramma’s lopen er?
                    • Hoe vindt in dit geval onderzoeksprogrammering plaats?
                    • Hoe vindt hier valorisatie plaats?
                    • Past dit in het instellingsprofiel?
                    • Welke aansluiting is er bij EU-onderzoeksprogramma’s?
         d. Welke samenwerking is er?
                 i. Tussen kennisinstellingen en bedrijven?
               ii. Tussen overheid en andere partners?
              iii. Binnen Europa of bilateraal?
              iv. Welk rol spelen topsectoren hierbij?
   3.    De oplossing:
         a. Tekenen zich vanuit het onderzoek of vanuit het bedrijfsleven concrete oplos-
                singen af?
                 i. Hoe staat het met de leercurves / innovatieroutes?
               ii. Waarop lopen concrete oplossingen stuk?
                    • Is er voldoende financiering?
                    • Is de markt voldoende ontwikkeld?
                    • Zijn er belemmerende regels?
                    • Is er waardering bij het publiek voor de oplossing?
                    • Zijn er tegengestelde belangen?
                    • Is de organisatievorm (bijvoorbeeld topsectoren) fout en hoe moet het dan
                       wel?
              iii. Wat moet gebeuren om ontwikkelingen vlot te trekken of op te schalen?
              iv. Wie moet dat doen?
                v. Welke rol kunnen topsectoren daarin spelen?
52 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>              vi. Wat kunnen onderzoeksinstellingen hieraan bijdragen?
             vii. Hoe kan het best worden aangesloten op Europees beleid?
         b. Zijn kleine stappen / veranderingen toereikend of is een transitie (een kwalita-
               tieve – tamelijk radicale – systeemverandering) noodzakelijk?
                 i. Welke stappen zijn dan nodig / noodzakelijk – door wie?
                ii. Op wat voor transitie wordt gemikt en door wie en welke resultaten wor-
                    den verwacht?
               iii. Kan de uitdaging in de Nederlandse context effectief en efficiënt geadres-
                    seerd worden? Zo niet hoe dan wel?
         c. Wat kan van oplossingen verwacht worden?
                 i. Welke maatschappelijke voordelen?
                ii. Welke economische groei (en waar, in welke regio, bij welke sectoren)
   4.    Conclusie: Is het huidige beleid wel of niet toereikend om maatschappelijke uitda-
          ging aan te pakken?
53 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>   Casus energie
   Mart Bles, Bettina Kampman, CE Delft
   Eén van de maatschappelijke uitdagingen van het “Horizon 2020”-kaderprogramma be-
   treft het thema ‘Zekere, schone en efficiënte energie’. De specifieke doelstelling van dit
   thema is om “in het licht van een toenemende schaarste van hulpbronnen, toenemende
   energiebehoeften en klimaatverandering [...] de overstap te maken naar een betrouw-
   baar, duurzaam en concurrerend energiesysteem” (EC, 2011a). In deze casestudie be-
   schrijven we eerst wat de aard van de uitdaging is, wat de belangrijkste barrières zijn en
   welke oplossingsrichtingen kansrijk zijn. Vervolgens inventariseren we of en hoe betrok-
   ken stakeholders de uitdaging oppakken, welke oplossingen daarbij uitgewerkt worden
   en welk ondersteunende beleidsmaatregelen er zijn. Tenslotte geven we een oordeel
   over of deze beleidsmaatregelen voldoende zijn om de maatschappelijke uitdaging aan
   te gaan. Deze casestudie is uitgevoerd in opdracht van de Adviesraad voor het Weten-
   schaps- en Technologiebeleid, de inhoudelijke verantwoordelijkheid van dit stuk ligt bij
   CE Delft.
   De uitdaging
   De “Horizon 2020”-uitdaging op het gebied van zekere, schone en efficiëntie energie
   behelst een transitie naar een ‘betrouwbaar, duurzaam en concurrerend energiesys-
   teem’. Deze drie gewenste karakteristieken van het energiesysteem benadrukken het
   belang van de uitdaging voor samenleving, milieu en economie.
   Het klimaatprobleem is een belangrijke driver voor de energietransitie. De effecten van
   klimaatverandering zijn nu al zichtbaar, maar worden in de toekomst alleen maar sterker
   (IPCC, 2007). Extreem weer, temperatuurstijging, zeespiegelstijging en veranderde neer-
   slagpatronen kunnen leiden tot grote schade, afname van biodiversiteit en water- en
   voedselschaarste voor een deel van de wereldbevolking. Door de globale aard van de
   gevolgen van klimaatverandering is internationale samenwerking van cruciaal belang.
   Daarnaast spelen ook economische drivers een rol bij de energietransitie. Op dit mo-
   ment wordt ongeveer 2,5% van het Bruto Binnenlands Product (BBP) van de EU be-
   steedt aan import van (fossiele) energie (EC, 2011b). Een transitie naar hernieuwbare
   energiebronnen kan de externe brandstofrekening aanzienlijk verlagen en Europa min-
   der afhankelijk maken van andere staten: de voorzieningszekerheid kan toenemen. Be-
   houd van concurrentiekracht speelt hierbij wel een belangrijke rol; vooral de energie-in-
   tensieve industrie is gevoelig voor stijging van energieprijzen, die op korte termijn het
54 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>   gevolg kan zijn van een energietransitie. Als daar geen compenserende maatregelen te-
   genover staan, kan dit gevolgen hebben voor de concurrentiepositie. Ook bedrijven be-
   trokken bij de winning en exploitatie van fossiele brandstoffen en producenten van elek-
   triciteit uit fossiele bronnen hebben belang bij het behouden van de status quo.
   De energietransitie is daardoor bij uitstek een maatschappelijke uitdaging, en het verle-
   den laat zien dat de markt deze niet vanzelf op gaat lossen. Dit komt deels door het
   hierboven beschreven belang bij de status quo van bestaande stakeholders, maar er zijn
   ook andere oorzaken. Op dit moment kent de energiemarkt geen gelijk speelveld voor
   hernieuwbare en fossiele energiebronnen, doordat niet alle maatschappelijke kosten van
   fossiele brandstoffen tot uiting komen in de prijs ervan. De uitstoot van CO2 leidt op ter-
   mijn tot grote schade, maar de kosten hiervan zijn niet inbegrepen in de prijs van fos-
   siele energie; er is sprake van zogenaamde ‘externe kosten’. Een transitie naar her-
   nieuwbare energiebronnen voorkomt deze kosten grotendeels, maar dit komt niet tot
   uiting in een prijsvoordeel, waardoor hernieuwbare energie moeilijker kan concurreren
   met fossiele bronnen. Door de langetermijneffecten van klimaatverandering ontbreekt
   bij veel partijen het gevoel van urgentie om dit probleem nu aan te pakken. Verder
   speelt mee dat olie, gas en kolen reeds uitontwikkelde technieken zijn, terwijl hernieuw-
   bare technieken en bijvoorbeeld ook Carbon Capture and Storage (CCS) nog in de leer-
   curve zit.
   Vertaling naar doelstellingen
   Deze uitdaging heeft het afgelopen decennium een belangrijke rol gespeeld in het Euro-
   pese beleidsveld, en leidde onder andere tot de Europese 20-20-20-doelstellingen. EU-
   breed moet in 2020 20% van het eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen
   komen, moet de emissie van broeikasgassen met 20% gereduceerd worden (ten op-
   zichte van 1990) en 20% minder energie gebruikt worden (ten opzichte van referentie-
   ramingen). De eerste twee doelen zijn bindend, waarmee Europa internationaal voorop
   loopt. Voor individuele landen zijn de doelen aangepast op basis van lokale omstandig-
   heden. Voor Nederland betekent dit 14% hernieuwbare energie in 2020 en 16% broei-
   kasgasemissiereductie. Het kabinet Rutte II heeft het hernieuwbare-energiedoel ver-
   hoogd naar 16% in 2020. In het recent afgesloten Energieakkoord is, onder leiding van
   de SER, deze doelstelling van 16% echter naar 2023 doorgeschoven, voor 2020 is vast-
   gehouden aan de Europese doelstelling van 14% (SER, 2013). Het halen van de bespa-
   ringsdoelstelling is niet bindend, maar in de energie-efficiëntierichtlijn en de richtlijn
   energieprestatie gebouwen zijn wel verplichte maatregelen en subdoelen vastgelegd.
   Op de lange termijn (2050) is de Europese doelstelling om broeikasgasemissies met 80-
   95% terug te dringen ten opzichte van 1990. Dit is nog niet omgezet in bindende doel-
   stellingen en nog niet vertaald naar aandelen hernieuwbare energie of energiebespa-
   ring. De discussie over post-2020 doelstellingen wordt momenteel gevoerd. Onderdeel
   hiervan is of ingezet wordt op één doelstelling (waarschijnlijk CO2-emissiereductie) of op
   meerdere (ook hernieuwbare energie en/of energiebesparing).
55 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>   Een koolstofarme energievoorziening in 2050 heeft als neveneffect dat Europa minder
   afhankelijk wordt van import van energie, al zijn daar geen aparte doelstellingen voor
   afgesproken. Daarnaast ontstaan naar verwachting economische kansen (verkoop van
   innovatieve technieken). De doelstelling van Horizon 2020 benadrukt daarnaast dat be-
   trouwbaarheid en de concurrentiekracht van de energievoorziening belangrijk zijn.
   Oplossingsrichtingen
   De doelstelling van een transitie naar een duurzaam energiesysteem is met name tech-
   nisch van aard: het gaat om de transitie van een energiesysteem gebaseerd op geïmpor-
   teerde koolwaterstoffen, naar één gebaseerd op hernieuwbare en schone fossiele bron-
   nen. Daarnaast zal ook de manier waarop wij met energie omgaan veranderen, wat
   mede tot uiting komt in energiebesparing en –efficiëntie.
   Voor de transitie naar een duurzaam energiesysteem zijn op hoofdlijnen drie technische
   implementatiepaden mogelijk, die elkaar niet onderling uitsluiten:
   •     Inzet op energiebesparing en –efficiëntie, bijvoorbeeld door woningisolatie,
         WKK, zuinige apparaten/installaties, warmtepompen, cascadering van warmtege-
         bruik, koude- en warmteopslag, minder reizen. Als minder energie gebruikt wordt,
         hoeft ook minder energie op een CO2-neutrale manier opgewekt te worden. Veel
         van deze opties besparen kosten en zorgen ervoor dat de andere doelstellingen
         makkelijker te bereiken zijn.
   •     Inzet van hernieuwbare energiebronnen als wind, zon, waterkracht, biomassa
         en geothermie. Deze opties adresseren zowel het klimaatprobleem als onafhanke-
         lijkheid van fossiele bronnen.
   •     Inzet van CO2-vrije (maar niet hernieuwbare) energiebronnen, bijvoorbeeld
         kernenergie of fossiele energie met CO2-afvang en –opslag (Carbon Capture and
         Storage; CCS). Deze opties adresseren wel het klimaatprobleem, maar voorkomen
         niet dat (fossiele) energie nog steeds geïmporteerd moet worden. Daarnaast spelen
         andere duurzaamheidsproblemen een rol.
   Barrières
   Hoewel het doel van de transitie van technische aard is, moeten ook belangrijke organisa-
   torische en institutionele barrières worden overwonnen, zoals het creëren van een gelijk
   speelveld voor duurzame energietechnieken en een marktsysteem waarbij externe kosten
   (bijvoorbeeld gerelateerd aan klimaatverandering) in de prijs van energie tot uiting komen.
   Daarnaast is ook een gedragsaanpassing nodig: consumenten en bedrijven moeten zui-
   nige apparatuur aanschaffen en die efficiënt gebruiken, huiseigenaren en gebouwbeheer-
   ders moeten actie ondernemen om huizen en gebouwen te isoleren, et cetera.
   Technisch is een koolstofarme energievoorziening in 2050 mogelijk. De Europese Com-
   missie heeft in de Energy Roadmap 2050 diverse paden verkend met verschillende port-
   folio’s van bestaande technieken waarmee 80% CO2-reductie bereikt kan worden
56 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>   (EC, 2011b). Vergelijkbare scenario’s zijn opgesteld door bijvoorbeeld Greenpeace (2012)
   en ECF (2010). Met uitzondering van CCS en grootschalige energieopslag worden al
   deze technieken momenteel al ingezet. Grootschalige implementatie vergt echter dat
   nog de nodige barrières overwonnen worden. De belangrijkste barrières zijn:
   •       Marktfalen: Hernieuwbare energietechnieken en een deel van de energiebesparings-
           maatregelen kunnen nog niet op prijs concurreren met fossiele energie, en vergen
           soms grootschalige investeringen vooraf die lastig te financieren zijn.
   •       Falen van marktcreatie: Er is in Nederland geen markt voor hernieuwbare energie.
           Groencertificaten hebben geen invloed op de aanbodzijde. Beleid is gericht op het
           creëren van aanbod, niet op het creëren van markt. Daarnaast bestaat er maatschap-
           pelijke weerstand tegen een aantal nieuwe technieken en ingrijpend beleid, bij een
           deel van de actoren ontbreekt ook een gevoel van urgentie.
   •       Lock-in: het bestaande energiesysteem is ingericht voor het gebruik van fossiele brand-
           stoffen. Een systeemverandering is nodig om hernieuwbare energie een kans te geven.
   •       Beperkte innovatie: Door de beperkte vraag naar duurzame en schone energie
           technieken is het lastig om nieuwe technieken te ontwikkelen en op de markt te
           brengen.
   Deze barrières worden hieronder verder uitgewerkt.
   Marktfalen
   De belangrijkste barrière voor hernieuwbare-energietechnieken is dat ze op dit moment
   moeilijk kunnen concurreren met fossiele energie. De voornaamste oorzaak daarvan is
   dat de energiemarkt nog geen gelijk speelveld is voor hernieuwbare en fossiele energie-
   bronnen. Niet alle maatschappelijke kosten van fossiele brandstoffen komen tot uiting in
   de prijs ervan. De uitstoot van CO2 leidt op termijn tot grote schade, maar de kosten
   hiervan zijn niet inbegrepen in de prijs van fossiele energie. We spreken in dat geval over
   ‘externe kosten’. De huidige CO2 prijs (binnen het EU ETS) en de energiebelastingen
   voor grootgebruikers zijn veel lager dan de externe kosten25, waarmee de kosten voor
   vervuiling worden afgewenteld op de maatschappij. Een transitie naar hernieuwbare
   energiebronnen voorkomt deze kosten, maar doordat dit niet tot uiting komt in een
   prijsvoordeel kan hernieuwbare energie moeilijk concurreren met fossiele bronnen.
   Daarnaast speelt dat het vaak relatief nieuwe technieken betreft die nog innovatieslagen
   nodig hebben voor ze kunnen concurreren met fossiele technologie, die vaak al decen-
   nia van innovatie heeft doorgemaakt. De recente sterke toename van het geïnstalleerd
   vermogen aan zonnepanelen bij particulieren laat bijvoorbeeld duidelijk zien welk effect
   sterke prijsdalingen op de markt kunnen hebben.26
   25
      D e maatschappelijke kosten van de uitstoot van een ton CO2 zijn voor 2010 geschat op € 25 (CE Delft, 2010), terwijl de EU-ETS
      prijs momenteel minder dan € 5 per ton CO2 bedraagt.
   26
      E ind 2011 stond 145 MW aan zon-PV-vermogen opgesteld in Nederland, eind 2012 was dat 340 MW (een toename van 135%)
       (CBS Statline, 2013a). De prijsdaling (vanuit consumentenperspectief) is deels toe te schrijven aan lagere productiekosten en
       deels aan de subsidieregeling voor aanschaf van zonnepanelen door consumenten.
57 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>   Ook maatregelen op het gebied van energiebesparing en –efficiëntie komen moeilijk van
   de grond, ook al zijn veel maatregelen kostenefficiënt. Het efficiëntiedoel is de enige
   niet-bindende van de 20-20-20-doelstellingen en volgens prognoses ook het enige doel
   dat waarschijnlijk niet gehaald gaat worden (EC, 2011c). Ook hier geldt dat de techni-
   sche oplossingen (zeker voor het behalen van de kortetermijndoelstellingen) al bestaan.
   Burgers en bedrijven zien er vaak echter vanaf vanwege de benodigde initiële investerin-
   gen. Er is ook soms sprake van een split incentive, bijvoorbeeld wanneer verhuurders in-
   vesteringen moeten doen in besparingsmaatregelen terwijl de voordelen ervan in eerste
   instantie voor rekening van de huurders komen. Het is dan ook van belang te benadruk-
   ken dat bij het creëren van marktvraag niet alleen naar technische oplossingen gekeken
   wordt (bijvoorbeeld goedkope isolatie-oplossingen), maar dat ook kennis uit de sociale
   wetenschappen gebruikt wordt om oplossingen te vinden voor split incentives (bijvoor-
   beeld huurprijzen afhankelijk maken van energiecomfort). De sociale wetenschappen
   kunnen een bijdrage leveren om consumenten hun energiegedrag te laten aanpassen,
   maar ook om burgers te laten accepteren dat ingrijpend beleid nodig is om de maat-
   schappelijke uitdaging aan te kunnen pakken.
   Falen van marktcreatie
   Er bestaat feitelijk geen markt voor hernieuwbare energie ondanks dat het begrip
   ‘groene stroom’ dat wel suggereert.
   Afnemers kopen elektriciteit, gas of warmte, maar op het moment van verbruik is de fy-
   sieke herkomst ervan niet te herleiden. De afname kan ‘vergroend’ worden door de in-
   koop van groencertificaten, maar deze hebben geen invloed op de aanbodzijde van her-
   nieuwbare energie. De meeste groencertificaten komen van waterkrachtcentrales in het
   buitenland. Door het grote overschot aan groencertificaten is er geen schaarste en leidt
   aankoop ervan door consumenten niet tot het opwekken van meer hernieuwbare ener-
   gie. Dit komt ook tot uiting in de prijs van de certificaten, die feitelijk alleen de adminis-
   tratieve prijs weerspiegelt: de meerkosten van groene stroom worden niet betaald door
   de afnemers ervan, maar door nationale subsidies27. In andere markten van duurzame
   producten (koffie, eieren, zeeppoeder) is er een relatief strikte controle door NGO’s, me-
   dia en de Reclame Code Commissie op het voorkomen van onterechte groene claims
   van fabrikanten. In de groene-stroommarkt heeft dit controlemechanisme niet goed ge-
   werkt, onder andere omdat het systeem complex in elkaar zit en omdat NGO’s groene
   stroom een goed imago wilden bezorgen.
   Tegelijkertijd bestaat er echter ook maatschappelijke weerstand tegen sommige van de
   technieken die hierboven genoemd zijn (zie bijv. Wüstenhagen et al., 2007). Met name
   over windturbines zijn de meningen verdeeld vanwege de impact op het landschap. De
   provincie Noord Holland heeft hierdoor besloten de ontwikkeling van windenergie op
   27
      D
       e laatste tijd is er wel een trend zichtbaar dat afnemers vragen om certificaten van Nederlandse bodem, wat op termijn wel tot
      schaarste en daarmee tot nieuwe opwekcapaciteit kan leiden. De prijs van groene stroom zou in dat geval wel stijgen, wat weer
      een drukkend effect op de vraag heeft (veel bedrijven en consumenten nemen nu groene stroom af omdat het ‘even duur’ is als
      grijze stroom).
58 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>   land af te remmen en geen vergunningen meer te verlenen voor nieuwe projecten. Nog
   zwaarder lijkt de maatschappelijke weerstand tegen CCS, die er bijvoorbeeld toe leidde
   dat het vergunningstraject voor het CCS-proefproject in Barendrecht werd gestopt.
   Naast weerstand tegen specifieke technieken is er ook sprake van weerstand tegen in-
   grijpend beleid: maatregelen om onzuinige apparatuur te verbieden (bijv. de gloeilamp)
   of om huiseigenaren te verplichten om het energiegebruik van woningen terug te din-
   gen worden meestal met veel scepsis ontvangen – ook als het om rendabele maatrege-
   len gaat. Er lijkt ook een algemeen gebrek aan gevoel van urgentie te zijn: de maat-
   schappij is bezig met andere problemen dan de energietransitie.
   Lock-in
   De huidige wereldeconomie is grotendeels gebaseerd op fossiele energiebronnen, dat
   geldt ook voor de Nederlandse. Om daar vanaf te stappen zijn ingrijpende veranderin-
   gen op systeemniveau nodig: het volstaat niet om op de plek van een kolencentrale een
   windmolenpark te bouwen en aan te sluiten, daar komt meer bij kijken. Het bouwen
   van nieuwe centrales voor fossiele brandstoffen is sowieso problematisch. Uit een re-
   cente studie blijkt dat om met 80% zekerheid binnen de 2-gradendoelstelling te blijven,
   maximaal een derde van de bestaande reserves aan fossiele brandstoffen überhaupt in-
   gezet kan worden (GRI, 2013).
   Met de huidige trends kunnen we nog ongeveer 15 jaar CO2 blijven uitstoten om bin-
   nen die doelstelling te blijven. Kolen- en gascentrales die nu gebouwd worden, staan er
   echter voor meerdere decennia: die zijn nog niet afgeschreven op het moment dat die
   uitstootlimiet bereikt zou worden. Zo ontstaat een risico op ‘gestrande activa’ op het
   moment van een systeemtransitie waarop deze investeringen nog niet afgeschreven zijn.
   De recent gebouwde en inaanbouwzijnde kolencentrales in Nederland zorgen voor een
   overcapaciteit aan goedkope kolenstroom die investeringen in hernieuwbare energie te-
   genhoudt (CE Delft, 2009).
   Dit risico bestaat ook voor de warmtevoorziening, waar investeringen in het gasnet voor
   50 jaar worden gedaan. Als we ze in 2050 niet meer nodig hebben, zijn die dus nog
   niet afgeschreven. De warmtevoorziening in de gebouwde omgeving is vrijwel volledig
   op aardgas gebaseerd. In een langetermijnscenario waarin de CO2-emissie met 80-95%
   gereduceerd wordt (het doel van de Europese Unie in 2050), is geen plaats voor aardgas
   in de gebouwde omgeving, omdat de CO2 niet eenvoudig opgevangen kan worden. Dit
   soort overwegingen zou meegenomen moeten worden met de investeringsbeslissingen
   van vandaag. Ook de industrie is grotendeels gebaseerd op fossiele brandstoffen, en
   daarmee bestaan sterke belangen voor een energiebeleid dat gunstig is voor fossiele
   energie (bijvoorbeeld de vrijstelling van de ‘kolentaks’ voor grootgebruikers en de de-
   gressieve energiebelasting). Het is belangrijk te beseffen dat zelfs als het lukt in 2020
   een aandeel hernieuwbaar van 16% te halen, de belangen van de fossiele sector nog
   steeds groot zijn, met een aandeel van 84% in het eindverbruik.
59 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>   Beperkte innovatie
   Een deel van de benodigde technieken voor de transitie bestaat al. De technieken op ge-
   bied van hernieuwbare energie, energiebesparing en CCS zijn echter nog niet uitontwik-
   keld en moeten concurreren met fossiele technieken die al decennia bestaan en veel ver-
   der uitontwikkeld zijn. Verdere innovatie is noodzakelijk om de kosten van hernieuwbare
   energietechnologie te drukken, en de opbrengsten en efficiëntie ervan te vergroten.
   Innovatie van bestaande technieken is echter niet de enige oplossing. Er zijn nog innova-
   tiestappen nodig voor een succesvolle systeemtransitie (bijvoorbeeld de omschakeling
   naar intelligentie energienetten en grootschalige energie-opslag). Daarnaast zouden
   nieuw te ontwikkelen technieken de transitie verder kunnen stimuleren. Hierbij valt bij-
   voorbeeld te denken aan alternatieve energiedragers als waterstof voor transport, kunst-
   matig opwekken van groen gas uit overtollige elektriciteit (power-to-gas) en mogelijk
   kernfusie. Het Nederlandse innovatiebeleid kent, onder andere door de opdeling van
   topsectoren in thema’s, wel een sturing op welke gebieden onderzoek verricht wordt,
   maar er vindt geen afrekening op resultaat plaats (behalve indirect door de markt). Door
   het ongelijke speelveld en het onzekere langetermijnoverheidsbeleid is het lastig om be-
   drijven en financiers te interesseren in R&D (zie ook PBL 2013).
   Internationale context
   De uitdaging kan niet los gezien worden van de internationale context. De Verenigde
   Naties hebben zich ten doel gesteld de opwarming van de aarde te beperken tot maxi-
   maal 2°C ten opzichte van het pre-industriële tijdperk. In tegenstelling tot bijvoorbeeld
   beleid op het gebied van luchtkwaliteit, waarbij lokale verbeteringen kunnen optreden
   door nationaal beleid, werkt klimaatbeleid alleen als CO2-uitstoot op wereldschaal wordt
   beperkt. Daarnaast kan het voeren van unilateraal beleid negatieve gevolgen hebben
   voor de concurrentiepositie van de industrie in het betreffende land en kan zogenaamde
   carbon leakage optreden wanneer bedrijven activiteiten naar het buitenland verplaatsen
   om nationaal beleid te ontlopen. Energie- en klimaatbeleid worden daarom op hoofdlij-
   nen op Europees niveau bepaald, klimaatbeleid voor een deel zelfs op wereldwijd niveau
   (bijv. de Kyoto afspraken), al blijkt het moeilijk om breed gedragen, bindende afspraken
   te maken over daadwerkelijke emissiereducties. Europa loopt met haar uitgebreide kli-
   maatpakket wereldwijd voorop en gaat haar zelf opgelegde 20-20-20-doelstellingen
   waarschijnlijk wel halen. De vrees bestaat echter dat het Europese klimaatbeleid afbrok-
   kelt als de rest van de wereld niet meedoet.
   De meeste EU lidstaten liggen op schema om hun hernieuwbare energiedoelstellingen
   te halen. In 2010 bedroeg het aandeel hernieuwbare energie in de EU-27 12,7%, terwijl
   de tussendoelstelling voor 2011-2012 10,7% is (EC, 2013). Nederland heeft deze tus-
   sendoelstellingen als één van de weinige landen echter niet gehaald: gemiddeld over
   2011-2012 bedroeg het aandeel 4,4% (CBS Statline, 2013b) in plaats van de benodigde
   4,7% (zie figuur 1).
60 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>          16%                                                                                              16,0%
          14%                                                                                                 14,0%
          12%
                                                                                               9,9%
          10%
                                                                                      7,6%
          8%                                                                                                       Streefcijfer (Kabinet)
                                                                             5,9%
                                                                                                                   Streefcijfer (EU)
          6%
                                                                    4,7%
                                                                       4,4%                                        Realisatie
                                                               3,9%
          4%                                           3,2%
                                             2,5%
                            1,5%     1,7%
          2%         1,2%
          0%
                 0          2       4       6       8         0     2        4        6       8       20
                00        00     00       00      00      01       01       01      01       01   20
                -2     -2       -2      -2      -2      -2        -2    -2       -2       -2
           90        01        03     05       07      09      11       13       15      17
          19         20     20       20      20      20       20       20    20       20
     Figuur 1 Streefcijfers (EU en kabinet) en realisatie aandeel hernieuwbare energie in Nederland
     Dit staat in schril contrast met landen als Zweden en Estland, die nu al hun doelen voor
     2020 (zo goed als) behaald hebben.28 Deze landen hebben veel meer natuurlijke bronnen
     dan Nederland (met name waterkracht), maar bij het bepalen van de nationale doelstellin-
     gen is daarmee rekening gehouden. Daarnaast zijn er ook dichter bij huis voorbeelden van
     landen waar Nederland een voorbeeld aan kan nemen. Duitsland heeft, door een sterk sti-
     muleringsbeleid, een sterke groei gezien in de hoeveelheid wind- en zonne-energie. Het
     aandeel hernieuwbare energie is daar in 5 jaar tijd bijna verdubbeld, van 5,8% in 2005 tot
     11% in 2010. Daarnaast kent Duitsland een sterke stimuleringsregeling voor WKK-instal-
     laties, onder anderen door het subsidiëren van de onrendabele top. Denemarken is al 40
     geleden begonnen met beleid dat efficiënt gebruik maakt van (rest)warmtebronnen door
     aanleg van stadsverwarming.29 Gecombineerd met een sterke uitbreiding van wind op zee
     bedraagt het aandeel hernieuwbaar in Denemarken momenteel ruim 22%. Nederland kan
     lessen trekken uit de Deense situatie: de Denen hebben aangetoond dat het met de juiste
     langetermijnvisie mogelijk is de gebouwde omgeving (inclusief bestaande bouw) vrij te
     maken van kleine puntbronnen van CO2-emissie.
     Naast internationaal beleid spelen ook de prijzen en voorraden van fossiele brandstoffen
     een belangrijke rol in de internationale context. De recente ontwikkeling van schaliegas
     in Noord Amerika zorgen ervoor dat er veel meer fossiele voorraden zijn dan gedacht.
     28
            H
             et 2020-doel voor Estland bedraagt 25% hernieuwbare energie, in 2010 was het daadwerkelijke aandeel 24,3%. Voor Zwe-
            den bedraagt het doel 49%, dat was in 2010 al bereikt (EC, 2013).
     29
           R
            uim 60% van de Deense bevolking is aangesloten op een warmtenet. Sinds begin dit jaar mogen geen verwarmingssystemen
           op olie of gas meer geïnstalleerd worden in nieuwbouw, per 2016 ook niet meer in bestaande bouw in gebieden waar stadsver-
           warming ligt.
61   Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>   De sterke toename van schaliegaswinning zorgt daarnaast voor een sterke daling van de
   kolenconsumptie in Noord Amerika, waardoor een overschot aan kolen op de wereld-
   markt ontstaat en deze voor lage prijzen in Europa worden afgezet. Schonere technie-
   ken (gascentrales en hernieuwbaar) kunnen daardoor moeilijker concurreren met kolen-
   centrales. Het gevolg is de merkwaardige ontwikkeling dat het aandeel hernieuwbare
   energie in de meeste EU-landen toeneemt terwijl tegelijkertijd de CO2-emissies van elek-
   triciteit stijgen door de toename van kolen voor het fossiele aandeel.
   Huidige aanpak van het probleem
   De energietransitie vergt een gezamenlijke inspanning van overheden, bedrijven, kennis-
   instellingen, consumenten en andere partijen om tot een succesvol resultaat te leiden.
   Idealiter pakt het bedrijfsleven dergelijke uitdagingen op, maar zoals in de voorgaande
   sectie beschreven bestaat er geen eerlijk speelveld, waardoor overheidsinterventie nood-
   zakelijk is. In deze sectie beschrijven we het huidige beleid en geven een korte beschou-
   wing of dit voldoende is om de uitdaging aan te pakken.
   Huidig beleid
   De overheid heeft diverse beleidsmaatregelen in het leven geroepen om bedrijfsleven en
   maatschappij te verleiden dan wel te verplichten maatregelen te nemen die bijdragen
   aan het behalen van deze doelstellingen.
   Het Nederlandse beleid is gericht op de volgende hoofdlijnen:
   - financiële ondersteuning van bestaande technieken;
   - stimulering van innovatie;
   - verplichting en normering;
   - overleg en vrijwillige afspraken.
   Financiële instrumenten
   Het belangrijkste financiële instrument is de regeling ‘Stimulering Duurzame Energiepro-
   ductie’ (SDE+). De regeling is bedoeld om de meerprijs per kWh/MJ van hernieuwbare
   energie ten opzichte van fossiele energie, de zogenaamde ‘onrendabele top’, te finan-
   cieren.30 De SDE+-regeling is zo ontworpen dat technieken die een lagere meerprijs no-
   dig hebben als eerste in aanmerking komen voor subsidie, waardoor technieken onder-
   ling met elkaar concurreren. Er is één budget beschikbaar voor alle technieken (€ 3
   miljard in 2013), openstelling van de regeling gebeurt in fases, waarbij subsidie eerst
   wordt toegewezen aan aanvragers die minder subsidie nodig hebben.
   Daarnaast bestaan enkele kleinere regelingen. De energie-investeringsaftrek (EIA; jaar-
   lijks budget € 151 miljoen), milieu-investeringsaftrek (MIA; € 101 miljoen) en de wille-
   keurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL; € 24 miljoen) zijn regelingen waarbij
   bedrijven onder gunstige voorwaarden investeringen in energiebesparing of hernieuw-
   30
       A
        ls de elektriciteitsprijs bijvoorbeeld €0,07 per kWh bedraagt, en met een bepaalde techniek hernieuwbare elektriciteit opgewekt
       kan worden voor een prijs van €0,10 per kWh, dan is de SDE gericht op het financieren van die meerprijs (de onrendabele top)
       van €0,03 kWh.
62 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>   bare energie kunnen afschrijven of aftrekken van de belasting. De regeling groenprojec-
   ten stimuleert beleggingen in groene fondsen en waardepapieren door middel van een
   belastingvoordeel.
   Voor kleinverbruikers van energie bestaat de mogelijkheid om maximaal 5.000 kWh aan
   elektriciteit terug te leveren aan het net en te verrekenen met de gekochte stroom. Dit
   ‘salderen’ is interessant voor eigenaren van zonnepanelen omdat daarmee ook de ener-
   giebelasting ontweken wordt. Door de regeling loopt de overheid belastinginkomsten
   mis (vergelijkbaar met minder belastinginkomsten bij besparing door zuinige appara-
   tuur), maar de regeling komt niet terug in de begroting.
   Innovatie-instrumenten
   Nederland kent ook diversie beleidsmaatregelen gericht op het stimuleren van innovatie.
   De regeling ‘Innovatieagenda Energie’ was gericht op onderzoek naar en ontwikkeling
   van nieuwe duurzame technieken en systemen en het leren van ervaringen met deze
   technieken. Tussen 2008 en 2012 was een budget van € 438 miljoen beschikbaar.
   De belangrijkste maatregel is de topsectorenaanpak, gericht op het samenbrengen van
   kennis- en marktpartijen om innovatie te bevorderen, waardoor Nederlandse partijen bij
   de wereldtop gaan/blijven horen op hun terrein.
   In Nederland zijn 9 topsectoren geïdentificeerd waarin het Nederlandse bedrijfsleven en
   onderzoekscentra wereldwijd uitblinken. De topsector energie is gericht op energie-inno-
   vaties voor het verlagen van kosten voor het verminderen van CO2-uitstoot, het ontwikke-
   len van hernieuwbare energiebronnen en het slimmer benutten ervan. De langetermijnvi-
   sie van de topsector energie om via innovatie van nieuwe technieken bij te dragen aan een
   CO2-arme energiehuishouding in 2050 sluit aan bij de maatschappelijke uitdaging als be-
   schreven in het Horizon-2020-programma. Binnen de topsectoren zijn Topconsortia voor
   Kennis en Innovatie (TKI) opgericht met onderzoeksagenda’s gericht op het vermarkten
   van kennis en expertise. De topsector energie richt zich op 7 thema’s die goed aansluiten
   bij de maatschappelijke uitdaging van een transitie naar een duurzaam energiesysteem:
   •    bio-energie;
   •    wind op zee;
   •    smart grids;
   •    zonne-energie;
   •    energiebesparing gebouwde omgeving;
   •    energiebesparing industrie;
   •    gas.
   Een onderdeel van de topsectorenaanpak betreft de fiscale regeling R&D Aftrek (RDA en
   RDA+). Deze regeling omvat een belastingkorting voor uitgaven aan Research en Deve-
   lopment. In 2013 is een budget van € 375 miljoen beschikbaar.
63 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>   Ook op Europees niveau zijn veel fondsen beschikbaar voor wetenschappelijk en toege-
   past onderzoek. In het FP7-programma, gericht op samenwerking tussen Europese par-
   tijen, is in totaal € 2,3 miljard beschikbaar voor onderzoek op het gebied van energie.
   Onder het zogenaamde “New Entrants Reserve” worden 300 miljoen ETS-rechten apart
   gehouden (NER300). De opbrengst van de veiling ervan is bedoeld om innovatieve op-
   lossingen voor CO2-reductie te financieren, zoals hernieuwbare energie, net-innovaties
   en CCS. Het Intelligent Energy for Europe-programma is direct gericht op het stimuleren
   van onderzoek dat bijdraagt aan het behalen van de 20-20-20-doelstellingen en heeft
   een budget van € 730 miljoen in de periode van 2007 tot 2013.
   Verplichting/normering
   Op het gebied van energiebesparing bestaan meerdere normeringen en verplichtingen.
   Onder de Wet Milieubeheer zijn bedrijven verplicht om energiebesparende maatregelen
   te nemen die zichzelf binnen 5 jaar terugverdienen. Nieuwbouw wordt steeds energie-
   zuiniger door steeds strenger wordende bouwnormen, zoals voorgeschreven door de
   richtlijn energieprestatie gebouwen. In de 10 jaar dat dit instrument is ingezet is het
   energiegebruik van nieuwe gebouwen gehalveerd. Voor bestaande bouw geldt een ver-
   plichting om een energielabel te overleggen bij overdracht, waardoor consumenten zich
   bewuster zouden moeten worden van de energieprestatie van hun woning.
   Door Europese regelgeving moet voor steeds meer apparaten een energielabel weerge-
   geven worden bij verkoop of verhuur.
   Op Europese schaal zorgt het Emissions Trading System (ETS) voor een absoluut CO2-
   emissieplafond dat jaarlijks afneemt. Hierdoor ontstaat schaarste aan emissierechten,
   wat innovatie op het gebied van emissiereductie zou moeten bewerkstelligen. Onder de
   Energie-efficiëntierichtlijn (EED) zijn lidstaten verplicht een aantal maatregelen te nemen
   op het gebied van energiebesparing, zoals het opstellen van realistische langetermijn-
   planningen en renovatie van rijksgebouwen.
   Overleg / vrijwillige afspraken
   Tenslotte bestaat er een lijn van overleg en het maken van onderlinge, vrijwillige afspra-
   ken. In dit kader valt bijvoorbeeld het Green deal-beleid, waarin de overheid afspraken
   maakt met marktpartijen en maatschappelijke organisaties voor het wegnemen van bar-
   rières om bepaalde duurzaamheidsstappen te nemen. Een andere vorm is het maken
   van afspraken in de vorm van convenanten. De belangrijkste zijn de de MEE- en MJA3-
   convenanten,31 waarin bedrijven en gemeenten hebben afgesproken om rendabele
   energiebesparingsmaatregelen te nemen (in ruil voor vrijstelling van energiebelasting).
   Nederland kent een steeds strenger wordende bouwplicht (waarbij nieuwbouw in 2021
   energieneutraal moet zijn) en een verplicht energielabel voor particuliere koopwonin-
   gen. Energieprestatie-eisen van apparaten volgen Europese normen.
   31
       M
        EE: ‘Meerjarenafspraak energie-efficiency ETS-ondernemingen’: voor ETS-ondernemingen MJA3: ‘Meerjarenafspraak energie-
       efficiency 2001-2020: voor gemeenten en niet-ETS-ondernemingen)
64 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>   Misschien wel de belangrijkste vorm van overleg de afgelopen tijd is het nationale akkoord
   over energietransitie. Onder leiding van de Sociaal Economische Raad (SER) hebben bedrij-
   ven, werknemers, overheid en maatschappelijke organisaties een nationale langetermijn-
   ambitie geformuleerd voor een transitie naar een duurzaam energiesysteem. Dit akkoord
   is begin september 2013 door de betrokken partijen ondertekend (SER, 2013).
   Regionaal beleid
   Ook op regionaal niveau pakken overheden de uitdaging op. Overijssel heeft bijvoor-
   beeld een leenfonds van € 250 miljoen opgezet waaruit burgers en bedrijven tegen aan-
   trekkelijke voorwaarden geld kunnen lenen voor hernieuwbare-energie en besparings-
   projecten. In onder andere Gelderland (€ 100 miljoen32), Noord Holland (€ 85 miljoen),
   Brabant (€ 60 miljoen), Limburg (€ 20 miljoen), en Utrecht (€ 10 miljoen) is sprake van
   vergelijkbare initiatieven. Steeds meer gemeenten hebben ambities om op termijn kli-
   maat- of energieneutraal te worden. Vaak hebben zij lokale subsidieregelingen voor de
   verbetering van energieprestaties van gebouwen of installaties voor hernieuwbare ener-
   gie. Uit een recente studie blijkt echter dat de helft van de gemeenten verwacht haar ei-
   gen klimaatdoelstellingen niet te gaan halen (VNG, 2013).
   Evaluatie van beleid
   In 2012 berekenden PBL en ECN dat het aandeel hernieuwbare energie in 2020 waar-
   schijnlijk tussen de 9% en 12% uit zou komen indien het voorgenomen beleid werd uit-
   gevoerd. Het kabinet Rutte II heeft, met het verhogen van de doelstelling naar 16%, het
   SDE+-budget verhoogd met € 2,4. Volgens ECN (2012) kan dit bedrag alleen voldoende
   zijn voor het behalen van de doelstelling als wordt ingezet op grootschalige windprojec-
   ten en bijstook van biomassa (momenteel de goedkoopste vormen van hernieuwbare
   energie) en belemmeringen effectief worden weggenomen. Het PBL liet recent weten
   dat de Nederlandse doelstellingen niet gehaald zullen worden zonder een grootschalige
   omschakeling van de economie, vergelijkbaar met oorlogsinspanningen (PBL, 2013). Een
   bottleneck van de Nederlandse situatie is dat het ministerie dat probleemeigenaar is van
   de milieueffecten van energie (I&M) een ander ministerie bepaalt het energiebeleid (EZ).
   Milieueffecten kunnen vaak effectief worden aangepakt met normering en regulatie. EZ
   is doorgaans echter huiverig voor marktregulering.
   Gericht op aanbodzijde
   Het Nederlandse beleid is erg bottom-up gericht. De topsectorenaanpak stimuleert inno-
   vatie vanuit de aanbodzijde, maar het biedt geen garantie dat innovaties in Nederland
   ook in voldoende mate ingezet worden om de doelen te halen. Er wordt gesignaleerd
   dat er kansen zijn voor ondernemers, maar er is weinig analyse van marktbelemmerin-
   gen en mogelijkheden om die weg te nemen. De aanpak moet daarom gezien worden
   als ondersteuning van klimaat- en energiebeleid, maar niet voldoende om de doelen te
   behalen. De SDE+ is gericht op het ondersteunen van technieken die net op de markt
   32
       Dit fonds heeft een breder doel dan alleen energieprojecten.
65 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>   komen. Ook hiervoor geldt echter dat het aanbodgericht is. Er is geen borging in het be-
   leid die ervoor zorgt dat doelen ook echt gehaald worden. Hernieuwbare energiedoel-
   stellingen gelden niet voor bedrijven maar voor lidstaten, die vervolgens maatregelen
   treffen om bedrijven te verleiden of verplichten tot het opwekken van hernieuwbare
   energie. Het succes van deze maatregelen hangt echter af van marktomstandigheden
   zoals energie- en CO2-prijzen, die op dit moment niet gunstig zijn voor hernieuwbaar.
   Subsidies en energiebelasting heffen het ongelijke speelveld niet op, omdat de investeer-
   der, bijvoorbeeld bij de bouw van een kolencentrale, vaak investeringsbeslissingen
   neemt exclusief belastingen (die bij de eindgebruiker terecht komen), terwijl de energie-
   gebruiker de maatschappelijke kosten betaalt. In tegenstelling tot andere economische
   sectoren is het onvoldoende om nieuwe technieken goedkoper te maken: door de grote
   beschikbaarheid van fossiele brandstoffen (waaronder ook schaliegas en –olie) zijn ver-
   dere prijsdalingen niet uitgesloten. Daardoor kan fossiele energie, ook bij afnemende
   kosten van hernieuwbaar, nog zeer lang op directe kosten concurreren met hernieuw-
   baar. Zonder overheidsinterventies zal fossiele energie hernieuwbare technieken uit de
   markt blijven drukken.
   Weinig diversificatie
   Windenergie speelt met 18% van de hernieuwbare energie in Nederland een belangrijke
   rol en wordt gezien als één van de belangrijkste pijlers voor een duurzame energievoor-
   ziening in Nederland, maar de ontwikkeling ervan stagneert en ligt achter bij die in lan-
   den als Duitsland, Denemarken en België. Biobrandstoffen en de bijstook van biomassa
   in kolencentrales zijn samen goed voor ruim een kwart van de hernieuwbare energie in
   Nederland, maar bij een deel van deze routes zijn serieuze vragen te stellen over de
   duurzaamheid van de inzet van biomassa. Zo wordt er nauwelijks milieuwinst behaald
   door de inzet van biodiesel en concurreren conventionele biobrandstoffen met voedsel-
   productie. Om deze reden wordt er in de EU gewerkt aan aanscherping van de duur-
   zaamheidseisen van biobrandstoffen, en roept bijvoorbeeld het Britse parlement in een
   recent rapport over voedselzekerheid op om eerste-generatie biobrandstoffen niet lan-
   ger mee te tellen voor het behalen van de hernieuwbare energiedoelstellingen (House of
   Commons, 2013). De bijstook van biomassa zorgt voor het behoud van economische
   belangen in bestaande kolencentrales.
   Op de langere termijn is een breder portfolio nodig dan alleen wind en biomassa. Voor
   een transitie naar een duurzaam energiesysteem is een breed portfolio aan opwektech-
   nieken nodig, waarin ook warmtetechnieken een belangrijke rol krijgen. Ontwikkeling
   van deze portfolio moet nu plaatsvinden, maar Nederland blijft daarin achter. Bodem-
   energie (3,3%) en zonne-energie (1,6%) spelen slechts een marginale rol in de Neder-
   landse voorziening, een beeld dat wordt vertekend door de hoeveelheid media-aandacht
   voor met name zonne-energie. Het risico bestaat daarmee dat bij het publiek de percep-
   tie ontstaat dat het plaatsen van zonnepanelen op daken het probleem wel op zal los-
   sen, terwijl dit voor een grootschalige transitie absoluut ontoereikend zou zijn. Dit risico
66 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>   wordt versterkt door de eerder genoemde problematiek rond de groenestroommarkt,
   waardoor bij het publiek de valse perceptie ontstaat dat er genoeg hernieuwbare ener-
   gie is in Nederland.
   Met name bij zonne-energie zien we een gestage daling van de prijzen op de internatio-
   nale markt. De recent ingevoerde importheffing op Chinese panelen zorgt voor een een-
   malige prijsstijging. Prijzen van andere technieken dalen ook, maar minder sterk. De SDE
   subsidieert hernieuwbare elektriciteit met een kostprijs tot maximaal € 0,15 per kWh,
   terwijl de prijs van grijze elektriciteit rond de € 0,07 per kWh ligt. Voor wind op land
   gaat de overheid in 2013 bijvoorbeeld uit van een verwachte kostprijs van ongeveer
   € 0,09 per kWh, terwijl dat in 2009 nog € 0,12 was. Voor groen gas worden technieken
   gestimuleerd met een kostprijs tot maximaal € 1,04 per m3 (de aardgasprijs is ongeveer
   € 0,32 per m3). Groen gas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties heeft een verwachte kost-
   prijs die kan concurreren met aardgas (€ 0,32 per m3), terwijl groen gas uit bijvoorbeeld
   mestmonovergisting een stuk duurder is (€ 0,84). Innovatie en onderlinge concurrentie
   wordt bevorderd door de gefaseerde openstelling van de SDE-regeling, waardoor goed-
   kope technieken de grootste kans op subsidie hebben.
   Opvallend is dat de laatste jaren vrijwel het volledige SDE-budget wordt toegekend aan
   hernieuwbare warmte; in 2012 ruim 97% (zie figuur 2). Dat is goed voor het verbreden
   van het warmteportfolio, maar de groei van hernieuwbare elektriciteit wordt daarmee
   nauwelijks gestimuleerd, waardoor we weer terugvallen op windenergie en biomassa.
   Innovatieve, nieuwe technieken, met een hoge onrendabele top, zullen moeite hebben
   SDE-subsidie aan te vragen. Dit zou kunnen worden opgevangen door een deel van het
   SDE-budget te reserveren voor echt nieuwe technieken.
                                                                   Warmte - geothermie
                                                                   Warmte - AVI
                                                                   Warmte - biomassa
                                                                   Warmte - zonthermie
                                                                   Groen gas
                                                                   Elektriciteit
   Figuur 2 Opdeling SDE+-toekenningen 2013, naar subsidiebedrag
67 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>   Te weinig energiebesparing
   Energiebesparing is en blijft een ondergeschoven kindje. Het is ook minder zichtbaar
   dan bijvoorbeeld een nieuw windmolenpark. De degressieve energiebelasting geeft in
   zoverre ook geen goede besparingsimpuls; grootverbruikers betalen nauwelijks energie-
   belasting. Vanuit de relatief energie-intensieve industrie in Nederland bestaat er weer-
   stand tegen beprijzing van fossiele brandstoffen uit angst voor verlies van concurrentie-
   kracht ten opzichte van andere landen.
   Verschillende studies tonen aan dat er een groot rendabel potentieel aan energiebespa-
   rende maatregelen in de bestaande bouw bestaat (zie bijvoorbeeld ECN, 2005). Uitvoe-
   ring daarvan zou positieve effecten hebben voor de Nederlandse bouwsector (SEO,
   2012), maar de overheid onderneemt te weinig om dit potentieel te ontsluiten. Neder-
   land is door Europa op de vingers getikt voor de lakse regels rondom woninglabelling. In
   juni ondertekenden woningcorporaties, bouwbedrijven en overheid een innovatiedeal
   om uiteindelijk ruim 100.000 huurwoningen energiezuinig te renoveren. Dit is echter
   een klein deel van de in totaal 2,4 miljoen woningen in hun bezit. De Wet Milieubeheer
   verplicht bedrijven om besparingsmaatregelen te nemen die zichzelf binnen 5 jaar terug-
   verdienen. De wet wordt echter niet voldoende gehandhaafd, waardoor veel potentieel
   nog onbenut blijft (CE Delft, 2013).
   Uit een recente evaluatie blijkt dat bedrijven in MJA3-sectoren beter scoren op energie-
   besparing dan niet-deelnemende sectoren (Ecorys, 2013). De Nederlandse MJA3-secto-
   ren lopen in de pas met het EU-gemiddelde. De inspanningen op EU-niveau zijn echter
   niet voldoende om de besparingsdoelstellingen te halen.
   Mogelijke oplossingsrichtingen
   De transitie naar een betrouwbaar, duurzaam, concurrerend energiesysteem is technisch
   mogelijk. Technisch gezien is er niet één concrete oplossing: de transitie moet noodzake-
   lijkerwijs voortkomen uit een breed portfolio aan technieken, waarbij ook een groot
   aantal actoren moeten worden betrokken. Alleen inzetten op PV, energiebesparing of
   bio-energie geeft onvoldoende perspectief om de doelstellingen te halen, scenario’s la-
   ten zien dat alle maatregelen nodig zijn (EC, 2011b; ECF, 2010; Greenpeace, 2012).
   De oplossing van deze maatschappelijke uitdaging vereist niet alleen een verdere ont-
   wikkeling van de techniek (het aanbod) maar vooral ook een versterking van de vraag
   naar deze oplossingen. Het speelveld moet minimaal gelijk getrokken worden voor duur-
   zame technieken en misschien zelfs tijdelijk gunstiger voor die duurzame technieken om
   de achterstand in te halen en lock-in effecten te neutraliseren. Door het stimuleren van
   marktvraag naar hernieuwbare energie wordt het zinvol om innovatieve technieken te
   ontwikkelen. Het huidige innovatiebeleid, waaronder het topsectorenbeleid, is alleen
   aanbodgericht. Het ontwikkelen van een serieuze marktvraag met consistente imple-
   mentatie en een lange termijn markt(her)ordening ontbreekt in Nederland, waardoor
   nieuwe technieken geen marktkansen hebben na het innovatietraject.
68 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>   Sleutels tot effectief beleid
   Het belangrijkste knelpunt in de ontwikkeling van hernieuwbare energie is de relatief
   hoge prijs (in vergelijking met fossiel) en het ontbreken van een goed functionerende
   markt voor hernieuwbare energie. Effectief beleid moet dus gericht worden op:
   1.    Creëren van een eerlijk speelveld
   2.    Creëren van marktmechanismen die ervoor zorgen dat schone energie het uit-
         gangspunt is
   3.    Daling van de kostprijs van hernieuwbare energie
   Innovatie is erg op de aanbodzijde gericht, maar dat is niet genoeg. Daarnaast moet een
   eerlijk speelveld gecreëerd worden waarin externe kosten van energie in de prijs worden
   meegenomen. Een instrument gericht op deze internalisatie van externe kosten is het
   ETS, maar de huidige CO2-prijs is te laag om een goede prikkel te geven. Op Europees
   niveau kan dit worden aangepakt door aanpassing van het ETS. Binnen Nederland zou
   kunnen worden nagedacht over CO2-heffingen op brandstoffen (bijvoorbeeld in combi-
   natie met terugsluis om investeringen in transitiemiddelen te bekostigen) of CO2-emis-
   sienormen voor energiecentrales (zoals onlangs ook door president Obama werd aange-
   kondigd).
   Het uitgangspunt voor energiebedrijven moet het leveren van hernieuwbare energie
   worden, waardoor producenten een belang krijgen bij het opwekken van hernieuwbare
   energie, in plaats van zich te verzetten tegen subsidies aan concurrenten. Een mogelijk-
   heid voor het creëren van marktvraag is door middel van een leveranciersverplichting,
   waardoor voor producenten een afzetmarkt voor hernieuwbare energie ontstaat. Er
   wordt gesproken over het verplichten van biomassabijstook, maar het zou ook kunnen
   gaan om een algemene verplichting voor alle leveranciers. Een andere mogelijkheid is de
   invoering van een klimaatbudget voor afnemers (een maximum hoeveelheid CO2-uit-
   stoot voor consumenten).
   Om hernieuwbare energie te kunnen laten concurreren met fossiele energie moet het
   goedkoper worden door innovatie en schaalvergroting.
   Langetermijnvisie
   Een belangrijke randvoorwaarde voor versnellen van de energietransitie is het creëren
   van een langetermijn, stabiel en betrouwbaar, beleid. Investeringen in energieopwekking
   en –infrastructuur worden vaak gedaan voor meerdere decennia. Marktpartijen klagen
   vaak over veranderend en onzeker beleid, zoals de vervanging van de MEP-regeling door
   de SDE-regeling en onzekerheid over een eventuele bijstook- of leveranciersverplichting.
   Ook de huidige onzekerheid over de toekomst van ETS en het EU energie- en klimaatbe-
   leid na 2020 creëert een slecht klimaat voor de financiering van CO2-reducerende tech-
   nieken (waaronder hernieuwbare energie) – zowel de R&D als ook de daadwerkelijke
   toepassing. Het SER energieakkoord besteed ook maar in beperkte mate aandacht aan
69 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>   de lange termijn. In een analyse van de effecten van het akkoord concluderen PBL en
   ECN (PBL/ECN, 2013) dat er weliswaar een ambitieus lange termijn doel is opgenomen:
   het zetten van grote stappen richting een energievoorziening die in 2050 volledig kli-
   maatneutraal is, er wordt ook gestreefd naar, bijvoorbeeld, een energieneutrale ge-
   bouwde omgeving in 2050 en gemiddeld energielabel A in de bestaande bouw in 2030.
   De technische innovaties die daarvoor nodig zijn, krijgen echter amper nieuwe impulsen,
   aldus PBL/ECN. Zij bevelen aan om spoedig een innovatie-agenda voor de lange termijn
   op te stellen.
   Bij stabiel langetermijnbeleid hoort ook dat we nu vast nadenken over het einddoel en
   nieuwe marktordening waar we naar toe willen, en daar ook naar handelen. Als we in
   2050 een CO2-neutraal energiesysteem willen hebben, heeft dat serieuze consequenties
   voor beslissingen van vandaag. Het wil zeggen dat alle fossiele brandstoffen óf bespaard
   moeten worden, óf vervangen door hernieuwbaar, óf de CO2 moet opgevangen wor-
   den. Dat wil dus zeggen dat je nu geen kolencentrales meer kan bouwen (in ieder geval
   niet zonder CCS), waarvan je al weet dat die er 40 jaar gaan staan. Bij een voldoende
   hoge CO2-prijs (over lange termijn) zorgt de markt voor dit soort beslissingen, maar in
   afwezigheid daarvan (zoals nu het geval) kan overheidsbeleid daarop worden aangepast
   door het prijssignaal alsnog te creëren, of door aanpassing van het vergunningenbeleid.
   Op een vergelijkbare manier moeten we in een langetermijnvisie toewerken naar een
   gebouwde omgeving waarin geen aardgas meer wordt ingezet voor verwarming. De
   richting waarin de topsectoren opereren zou hiermee rekening moeten houden: geen
   onderzoek naar technieken die niet duurzaam zijn of waarvan je kan beredeneren dat
   die over 35 jaar toch niet meer gebruikt ‘mag’ worden. Bijstook van biomassa kan bij-
   voorbeeld gezien worden als een kortetermijnoplossing, maar vanwege duurzaamheids-
   issues en het feit dat bijgestookt wordt in kolencentrales zou dit geen prioriteit moeten
   hebben. Voor aardgas geldt dat het op korte termijn weliswaar een lagere CO2-uitstoot
   heeft dan andere fossiele energiedragers, maar op lange termijn is ook voor die ‘lage’
   CO2-uitstoot geen ruimte. Als gas een rol van betekenis blijft spelen, zal dat in de vorm
   van groengas moeten zijn.
   Beleid voor innovatie
   Als we inzoomen op de vraag hoe innovatiebeleid het beste bij kan dragen aan effectief
   beleid om de maatschappelijke uitdagingen rondom energie aan te gaan, kunnen we de
   volgende aandachtspunten identificeren. Er bestaat een wisselwerking tussen innovatie
   en de marktontwikkeling van hernieuwbare energie. Innovatie is nodig om de prijs van
   hernieuwbare energie te laten dalen en grootschalige uitrol mogelijk te maken, maar
   voldoende marktperspectief is nodig om innovatie te stimuleren. Koppeling van het
   R&D-beleid aan het lange termijn energie- en klimaatbeleid in de EU én in Nederland
   kan ervoor zorgen dat bedrijven een toekomstige markt zien in innovatieve producten.
   Zo zal onderzoek naar efficiëntere productiemethoden voor zonnecellen of naar smart
   grids voor bedrijven pas een zinvolle strategie zijn als zij een business case zien, met ook
70 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>   op termijn aantrekkelijke terugverdientijden en marktpotentie. Het Nederlandse topsec-
   torenbeleid is gericht op het maken van deze innovatieslagen en sluit thematisch aan bij
   de Horizon-2020 doelstelling voor een transitie naar een schone, efficiënte en concurre-
   rende energievoorziening.
   Het is de vraag in hoeverre de thematische aansluiting leidt tot de juiste oplossingen. De
   innovatieslagen die vanuit marktperspectief het meest interessant zijn, zijn niet noodza-
   kelijk de meest interessante vanuit maatschappelijk perspectief. Zo hebben autofabri-
   kanten vanuit marktperspectief niet altijd baat bij het produceren van zuinige auto’s: ze-
   ker in tijden van lage olieprijzen zijn klanten op zoek naar grote, krachtige auto’s.
   Ondersteunend beleid als Europese emissienormen en fiscale voordelen voor zuinige au-
   to’s hebben echter voor flinke innovatieslagen op dit gebied gezorgd. Om het innovatie-
   beleid voor de topsector energie efficiënter te maken (en indien nodig beter aan te laten
   sluiten bij duurzaamheidsdoelstellingen), kan ook ondersteunend beleid worden inge-
   voerd. De overheid zou bijvoorbeeld tussendoelstellingen kunnen introduceren als voor-
   waarde voor innovatiesteun (bijvoorbeeld kostprijs van warmtepompen met x% reduce-
   ren in het jaar y) of energie-installaties normeren op basis van de best beschikbare
   technologie (emissienormen voor centrales, efficiëntienormen voor ketels of apparaten).
   Op die manier ontstaat meer sturing op de resultaten van innovatie.
   Innovatie op deze gebieden vergen grootschalige R&D investeringen en inspanningen,
   pilotprojecten, enzovoorts. Internationale samenwerking tussen kennisinstituten en
   bedrijven kan hier een grote rol bij spelen. Deze uitdagingen spelen natuurlijk niet alleen
   in Nederland, internationale samenwerking maakt het mogelijk om op grotere schaal fi-
   nanciering te regelen en kennis te delen.
   Conclusie
   De hoofdvraag van deze casestudy is in hoeverre het Nederlandse beleid (inclusief topsecto-
   renbeleid) toereikend is om de transitie naar een schoon, veilig en efficiënt energiesysteem
   aan te pakken. Op dit moment ligt Nederland achter op de Europese tussendoelen, waaruit
   we concluderen dat de aanpak uit het verleden in ieder geval niet toereikend is gebleken. De
   Nederlandse aanpak is de laatste jaren echter aangescherpt en gericht op het enerzijds sti-
   muleren van innovatie en anderzijds op het financieren van de onrendabele top (de meer-
   kosten van hernieuwbare energie). De doelstellingen en visie van de topsector energie slui-
   ten goed aan bij de maatschappelijke uitdaging van een duurzame energietransitie.
   Deze twee takken van aanpak zijn ondersteunend voor het bereiken van de transitie,
   maar niet voldoende. Door het stimuleren van innovatie zullen prijsdalingen optreden en
   mogelijk nieuwe technieken ontwikkeld worden die in de transitie ingezet kunnen wor-
   den. Het is echter cruciaal dat er voor die technieken ook een markt is, en die ontbreekt.
   Er is weliswaar een goed functionerende energiemarkt, waar hernieuwbare technieken,
   al dan niet ondersteund door subsidies in de beginfase, kunnen concurreren met fossiele
   energiebronnen, maar deze markt mist twee kritieke elementen:
71 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>   - e r is geen aparte markt voor hernieuwbare energie: afnemers hebben een vraag naar
     elektriciteit, gas of warmte en voor het vergroenen daarvan bestaat nu geen goed
     marktmechanisme;
   -d  e bestaande energiemarkt kent geen eerlijk speelveld voor hernieuwbare energie,
     omdat niet alle maatschappelijke kosten van fossiele energie in de prijs inbegrepen
     zijn.
   Zowel innovatie- als subsidiebeleid zijn erg gericht op de aanbodzijde van hernieuwbare
   energie. Door te zorgen dat goedkope technieken beschikbaar komen (of ze te stimule-
   ren in de beginfase) wordt getracht het marktaandeel van hernieuwbaar te vergroten.
   Maar zonder veranderingen aan de vraagzijde is dit niet efficiënt, omdat bovenge-
   noemde ontbrekende elementen daarmee niet worden aangepakt. Ook ontbreekt maat-
   schappelijke urgentie die leidt tot een vraag naar hernieuwbare energie, en de vraag die er
   wel is, heeft nauwelijks effect door het systeem van groencertificaten. Het speelveld moet
   in ieder geval gelijk getrokken worden, of mogelijk tijdelijk gunstiger worden voor her-
   nieuwbare energie om deze technieken een kans te geven. Wat verder nodig is, is een sti-
   mulans van de vraag naar hernieuwbare energie, een vertaling van de hernieuwbare ener-
   giedoelstellingen naar de markt. Dat kan bijvoorbeeld door een verplichting (voor
   afnemers of leveranciers) of de invoering van een klimaatbudget (een maximum hoeveel-
   heid CO2-uitstoot voor consumenten). Het gaat dus niet alleen om technische oplossin-
   gen, maar ook om sociale, economische, psychologische en beleidsmatige innovaties en
   oplossingen. Technische oplossingen zonder draagvlak of economisch potentieel zullen
   niet leiden tot een grootschalige transitie. Alleen als die marktcreatie op gang komt, krij-
   gen innovatieve oplossingen die volgen uit het topsectorenbeleid een eerlijke kans.
   Referenties
   CBS Statline, 2013
       Hernieuwbare energie; capaciteit, binnenlandse productie en verbruik.
       Hernieuwbare energie; eindverbruik en vermeden verbruik fossiele energie.
   CE Delft, 2009
       Duurzame elektriciteitsmarkt? (oktober 2009).
   CE Delft, 2010
       Handboek schaduwprijzen. Waardering en weging van emissies en milieueffecten,
       (maart 2010).
   CE Delft, 2013
       Energiebesparing via de Wet milieubeheer. Raming van het potentieel in de diensten-
       sector en de industrie, (mei 2013).
   EC, 2011a
       Voorstel voor een verordening van het Europees parlement en de raad tot vaststelling
       van Horizon 2020 - Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)
       2011/0401 (COD).
   EC, 2011b
72 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>     Energy roadmap 2050. Impact assessment and scenario analysis. SEC(2011) 1565.
   EC, 2011c
     Impact assessment accompanying the directive of the European parliament and of the
     council on energy efficiency SEC(2011) 779.
   EC, 2013
     Renewable energy progress report, Report from the commission to the European par-
     liament, the council, the European economic and social committee and the committee
     of the regions. SWD(2013) 102.
   ECF, 2010
     Roadmap 2050. A practical guide to a prosperous, low-carbon Europe. European Cli-
     mate Foundation, April 2010.
   ECN, 2005
     Het onbenut rendabel potentieel voor energiebesparing, (juli 2005).
   ECN, 2012
     Doelstelling van 16% duurzame energie vraagt om extra windparken op zee en inzet-
     ten extra biomassa in kolencentrales. http://www.ecn.nl/nl/nieuws/item/
     date/2012/11/01/doelstelling-van-16-duurzame-energie-vraagt-om-extra-windparken-
     op-zee-en-inzetten-extra-biomassa-i/
   Ecorys, 2013
     Evaluatie meerjarenafspraak energie efficiëntie 2008-2020 (MJA3). http://www.rijks-
     overheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/04/10/evaluatie-meerjarenaf-
     spraak-energie-efficientie-2008-2020-mja3.html
   Greenpeace, 2012
     Energy [r]evolution. A sustainable world energy outlook. 4th edition. Greenpeace In-
     ternational, European Renewable Energy Council (EREC), Global Wind Energy Council
     (GWEC), juli 2012.
   GRI, 2013
     Unburnable Carbon 2013: Wasted capital and stranded assets Grantham Research In-
     stitute & Carbon Tracker http://carbontracker.live.kiln.it/Unburnable-Carbon-2-Web-
     Version.pdf.
   House of Commons, 2013
     Global food security. First report of session 2013-2014. http://www.duurzaambedrijfs-
     leven.nl/wp-content/uploads/2013/06/International-Development-Committee-Global-
     Food-Security.pdf.
   IPCC, 2007
     Impacts, Adaptation and Vulnerability. Contribution of Working Group II to the Fourth
     Assessment Report. Intergovernmental Panel on Climate Change, 2007.
   PBL, 2013
     Wissels omzetten. Bouwstenen voor een robuust milieubeleid voor de 21e eeuw. Sig-
     nalenrapport. Planbureau voor de Leefomgeving, 2013.
   PBL/ECN, 2013
     Het Energieakkoord: wat gaat het betekenen? Inschatting van de gemaakte afspra-
     ken. Planbureau voor de Leefomgeving, 2013.
73 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>   SEO, 2012
     Bouwen en banen. Werkgelegenheidseffecten van energiebesparing in de gebouwde
     omgeving. SEO en CE Delft, december 2012.
   SER, 2013
     Energieakkoord voor duurzame groei. Sociaal Economische Raad, September 2013.
   VNG, 2013
     Eerste Gemeentelijke barometer fysieke leefomgeving, http://www.binnenlandsbe-
     stuur.nl/ruimte-en-milieu/nieuws/helft-gemeenten-haalt-klimaatdoelen-niet.9040660.
     lynkx#.Ua2dln-oT50.twitter VNG en Royal HaskoningDHV, 2013.
   Wüstenhagen et al, 2007
     Social acceptance of renewable energy innovation: An introduction to the concept.
     Rolf Wüstenhagen, Maarten Wolsink, Mary Jean Bürer Energy Policy 35(5), pp 2683-
     2691.
74 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>   Casus mobiliteit
   Marie-Pauline van Voorst tot Voorst, Stichting Toekomstbeeld der Techniek
   (STT)33
   De uitdaging op het gebied van mobiliteit wordt door de Europese Commissie in haar
   onderzoek- en innovatieprogramma Horizon 2020 [A] verwoord als het realiseren van
   een slim, groen en geïntegreerd transportsysteem. Dat vraagt om een kwalitatieve
   sprong voorwaarts ten opzichte van ons huidige transportsysteem. Alvorens in deze ca-
   sus een aanpak te definiëren voor het aangaan van deze uitdaging wordt eerst inge-
   zoomd op de uitdaging op het gebied van personenmobiliteit in Nederland.34 Vervolgens
   wordt kort ingegaan op wat bedrijven, overheid en kennisinstellingen aan zo’n kwalita-
   tieve sprong voorwaarts kunnen bijdragen, op openstaande kennis- en innovatievraag-
   stukken, en op aanbevelingen om naar een oplossing van dit maatschappelijke vraag-
   stuk toe te werken. Deze casus wordt afgesloten met een conclusie ten aanzien van het
   benodigde beleid om een kwalitatieve sprong in ons transportsysteem te faciliteren en
   aan te jagen.
   1      Uitdaging: een slim, groen en geïntegreerd transportsysteem
   Mobiliteit draagt bij aan onze welvaart en aan ons welzijn. Tegelijkertijd staan deze
   mede door mobiliteit onder druk. Denk daarbij onder meer aan de economische schade
   door files, aan milieu- en gezondheidsgevolgen door emissies en aan de emotionele en
   economische schade door verkeersslachtoffers. Het openbaar vervoer lijkt in Nederland
   ook zijn grenzen te bereiken. Hierdoor staan de veiligheid, het comfort van reizigers, het
   milieu, en de in- en externe bereikbaarheid van Nederland onder druk.
   1.1            Europese en Nederlandse ambitie
   Om de welvaart in Europa te behouden en werkgelegenheid en groei te stimuleren
   heeft de Europese Commissie in het Witboek Transport [B] haar visie voor de toekomst
   van het transportsysteem in Europa gepresenteerd. Deze visie omvat een Europees trans-
   portsysteem waarin efficiënt gebruik wordt gemaakt van de verschillende, onderling
   goed op elkaar aansluitende vervoerswijzen en waarin emissies en grondstoffengebruik
   sterk worden beperkt.
   33
      Projectleider toekomstverkenning Superintelligent Vervoer bij Stichting Toekomstbeeld der Techniek
   34
      D
       e resultaten van de toekomstverkenning Superintelligent Vervoer die de Stichting Toekomstbeeld der Techniek in de periode
      2010-2012 heeft uitgevoerd vormen de basis voor de beschrijving van deze casus.
75 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>   Kortom, de Commissie streeft naar een slim, groen en geïntegreerd transportsysteem.
   Deze visie vraagt om een aangescherpte invulling van het transportsysteem ten opzichte
   van wat vandaag de gangbare praktijk in Europa is. Realisatie van de Europese visie kan
   dan ook niet zonder medewerking van de afzonderlijke lidstaten.
   Voor Nederland geeft onze rijksoverheid haar visie voor 2040 in de Structuurvisie Infra-
   structuur en Ruimte: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig (2012, [C]).
   In deze structuurvisie verwoordt zij onder meer dat het mobiliteitssysteem “robuust en
   samenhangend [moet] worden, meer keuzemogelijkheden [moet] bieden en voldoende
   capaciteit [moet] hebben om de groei van de mobiliteit op de middellange (2028) en
   lange termijn (2040) op te vangen.” [C, p. 21]
   Om die visie te bereiken heeft de rijksoverheid onder andere de volgende ambities ge-
   steld:
   •    “[in] 2040 is de internationale bereikbaarheid van stedelijke regio’s optimaal. […];
   •    [in] 2040 beschikken gebruikers over optimale ketenmobiliteit door een goede ver-
        binding van de verschillende mobiliteitsnetwerken via multimodale knooppunten
        (voor personen en goederen) […];
   •    [in] 2040 is Nederland een bepalende speler in de internationale transitie naar duur-
        zame mobiliteit” [C, p.25].
   In deze ambities komen elementen van een slim, groen en geïntegreerd transportsysteem
   terug. Daarbij merkt de rijksoverheid overigens op dat om die ambities waar te maken sa-
   menwerking nodig is met decentrale overheden, marktpartijen en kennisinstellingen.
   1.2        Huidige situatie
   In het licht van de Europese ambitie laat het huidige transportsysteem in Nederland zich
   op de dimensies ‘slim’, ‘groen’ en ‘geïntegreerd’ kenmerken als:
   •    Niet slim genoeg.
        De beschikbare infrastructuur en vervoermiddelen worden niet optimaal benut. In
        spitsuren is er sprake van files of overvolle treinen en bussen, terwijl op andere mo-
        menten capaciteit over is. Daarbij komt de lage robuustheid: wanneer het gebruik
        van (spoor)wegen tegen de maximale capaciteit aanzit, hoeven zich slechts kleine
        verstoringen voor te doen om als gevolg daarvan de capaciteit sterk te laten afne-
        men. Tevens is optimalisatie van een reeks verplaatsingen ten behoeve van achter
        elkaar geplande activiteiten afhankelijk van de informatie die een individuele reizi-
        ger voorhanden heeft en de alternatieven waarvan hij zich bewust is. Tijd- en pro-
        ductiviteitsverlies zijn enkele gevolgen van de beperkte mate van intelligentie in ons
        transportsysteem.
   •    Niet voldoende groen en duurzaam.
        Het transport over weg, water, rails, en door de lucht veroorzaakt afhankelijk van
76 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>         de modaliteit en het vervoermiddel in meer of mindere mate uitstoot van onder
         meer CO2, fijnstof en geluid, en belast daarmee de leefomgeving. Externe kosten
         gerelateerd aan transport zijn grotendeels niet in de prijs van een verplaatsing geïn-
         ternaliseerd maar komen ten laste van derden of van de maatschappij als geheel.
         Tevens kent het verkeer in Nederland jaarlijks nog altijd een aanzienlijk aantal ver-
         keersdoden (650 in 2012 [D]) en ernstige verkeersgewonden (20.100 in 2011 [E]).
   •     Niet voldoende geïntegreerd.
         De aansluiting van verschillende modaliteiten onderling en van diensten van ver-
         schillende (concurrerende) vervoerders kan beduidend beter, waardoor goede ke-
         tenmobiliteit (over verschillende modaliteiten en over privé of openbaar vervoer
         heen) wordt bevorderd.
   Hoewel verschillende initiatieven van de afgelopen jaren al stapjes op deze dimensies
   hebben gezet, kan (en moet) een kwalitatieve sprong in ons transportsysteem dus aan-
   zienlijke winst boeken door slimmer, groener en meer geïntegreerd transport te facilite-
   ren.
   Overigens draagt de (sociaal-cultureel bepaalde) indeling van onze maatschappij er ook
   aan bij dat het huidige transportsysteem nu niet optimaal wordt gebruikt. Veel organisa-
   ties, zoals scholen, overheidsinstellingen en kantoren, kennen begintijden tussen 8 en 9
   uur ’s ochtends en sluitingstijden tussen 5 en 7 uur ’s avonds. Zij vragen daarmee van
   ons dat wij ons tegelijkertijd verplaatsen. Tevens vinden veel personen en organisaties
   momenteel persoonlijk contact beter en waardevoller waardoor thuiswerken veelal voor
   maximaal één dag per week acceptabel is. Ook speelt mee dat de relatieve, directe kos-
   ten voor mobiliteit nog nooit zo goedkoop zijn geweest.
   1.3         Aard van de uitdaging
   Europa wil een kwalitatieve sprong voorwaarts realiseren naar een slim, groen en geïnte-
   greerd transportsysteem “that is resource-efficient, environmentally-friendly, safe and
   seamless for the benefit of citizens, the economy and society” [A, p. 11]. De Neder-
   landse ambitie ligt in het verlengde van dit Europese streven.
   Vanuit onderzoek, technologie en maatschappij zijn er bouwstenen beschikbaar of in
   ontwikkeling die kunnen bijdragen aan het realiseren van deze ambities. Denk daarbij
   bijvoorbeeld aan zelfsturende vervoermiddelen die door gelijkmatiger rijden en snellere
   reactietijden kunnen bijdragen aan het beperken van uitstoot en het verhogen van de
   verkeersveiligheid. Zo verlagen zelfsturende voertuigen de druk op de externe omgeving
   en daarmee de kosten gerelateerd aan onder meer ruimtegebruik voor infrastructuur, de
   gezondheid van omwonenden, de kwaliteit van de leefomgeving en (blijvend) letsel van
   verkeersslachtoffers. Ook stellen zij de voormalige voertuigbestuurders in staat hun reis-
   tijd aan andere activiteiten te besteden en zijn op die manier een stimulans voor wel-
   vaart en welzijn. Een andere bouwsteen die kan bijdragen aan het realiseren van de am-
   bities is de ontwikkeling van virtuele alternatieven voor fysieke verplaatsingen waardoor
77 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>   schadelijke effecten geassocieerd met fysieke verplaatsingen voorkomen worden. Deze
   alternatieven maken op hun beurt wel gebruik van onder meer energie, maar dat is een
   ordegrootte kleiner dan wat nodig is voor fysieke verplaatsingen.
   Realisatie van de Europese en Nederlandse ambities zal toch moeite kosten, aangezien
   de overgang naar een slim, groen en geïntegreerd transportsysteem een aantal onderlig-
   gende uitdagingen kent, waaronder:
   •     Innovatiefalen: bij kapitaalintensieve (overheids)investeringen wordt veelal gekeken
         naar de winst op korte termijn en te weinig naar het maatschappelijk rendement op
         lange termijn;
   •     Marktfalen: de uitdaging is collectief van aard. De maatschappij heeft een vraag
         naar een slim, groen en geïntegreerd transportsysteem. De verplaatsingsbehoefte
         van een individuele reiziger laat zich echter eerder kenmerken in termen van com-
         fort en efficiëntie (beperkte reisduur, minimaal aantal overstappen, prijs van de ver-
         plaatsing, reistijd (ook) aan andere activiteiten te besteden, ruimte om hem heen,
         etc.). Tevens verschilt de individuele behoefte per persoon, moment, locatie en doel.
         Daarbij offert een individu zijn privacy niet zonder meer op voor een maatschappe-
         lijk streven;
   •     Systeemfalen: een transportsysteem bestaat uit verschillende elementen zoals ver-
         voermiddelen en diensten, fysieke infrastructuur, regelgeving en reizigers, en heeft
         een sterke relatie met de omgeving. Om tot een slim, groen en geïntegreerd trans-
         portsysteem te komen dienen al deze elementen en hun prestaties en gedrag op el-
         kaar te worden afgestemd. Daarbij is het optimum voor het totale transportsysteem
         niet per se gelijk aan het optimum voor een individueel element. Er is een slag te
         winnen als spelers dezelfde doelstellingen zouden nastreven en als er afrekenmo-
         dellen worden gebruikt die recht doen aan wie de kosten maakt en wie van de ba-
         ten geniet.
   1.4          Het krachtenveld rond mobiliteit is aan het veranderen
   Op het gebied van mobiliteit en transport spelen veel gevestigde belangen bij overheid
   en private partijen. Dit heeft onder meer te maken met de kapitaalintensieve investerin-
   gen in fysieke infrastructuur en collectieve vervoermiddelen. Overheden hebben geïnves-
   teerd in de aanleg en het onderhoud van weg-, water- en spoorwegen. Aanbieders van
   collectief vervoer hebben geïnvesteerd in vervoermiddelen als metro, trein en vliegtui-
   gen. Naast een relatief lange ontwikkeltijd kennen deze ook een lange afschrijvingster-
   mijn (orde 25 tot 30 jaar). Daarnaast hebben private partijen geïnvesteerd in de huidige
   brandstofinfrastructuur. Denk hierbij onder meer aan de tankstations door het hele land.
   Menig burger tenslotte, heeft geïnvesteerd in een auto. Door al deze investeringen en
   hun afschrijvingstermijnen ligt een lock-in in ons huidige transportsysteem in het ver-
   schiet en wordt vernieuwing van het transportsysteem gehinderd.
   Er zijn echter ook signalen dat dit krachtenveld aan het veranderen is. Steeds meer bur-
   gers, met name jongeren, lijken minder belang te hechten aan bezit van een eigen auto
78 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>   [F, G]. Naast een lokaal en regionaal goed werkend openbaar vervoer zijn er toenemend
   particuliere en commerciële autodeelinitiatieven – zeker in de stad. Ook lijkt een deel
   van de burgers zich steeds meer bewust van de impact van hun eigen handelen op hun
   omgeving – al is daarmee niet gezegd dat zij hun gedrag daarop aanpassen. Tevens
   blijkt uit de sterke reacties van autorijders op de toenmalige kabinetsplannen naar aan-
   leiding van het advies ‘Anders Betalen voor Mobiliteit’ [H] (ook wel bekend als
   kilometerheffing)35 dat om veranderingen aanvaardbaar te maken, deze ook vanuit het
   perspectief van de (individuele) gebruiker moeten worden bekeken.
   Daarnaast begeven ICT-bedrijven zich met Intelligent Transport Systems (ITS) steeds meer
   op het vervoersdomein. Was traditioneel de overheid verantwoordelijk voor zaken als
   verkeersmanagement, tegenwoordig zie je dat private dienstverleners actief zijn op dit
   domein en dat zich via een bottom-up benadering een autonoom regelend systeem be-
   gint af te tekenen. Kanttekening daarbij is wel dat dienstverleners vanwege tegenstrij-
   dige belangen niet zonder meer hun data uitwisselen. Op het domein van voertuigen
   behaalde Google grootschalige publiciteit door met zeven autonoom rijdende auto’s
   meer dan 300.000 mijl zonder ongelukken af te leggen [I]. Een andere ontwikkeling is
   dat onder invloed van ICT de focus van fysieke mobiliteit naar (fysieke en virtuele) be-
   reikbaarheid verschuift. Live holografische projecties [J] en de belofte van telepresence in
   ultima forma36 geven die virtuele bereikbaarheid een nieuwe dimensie. Al blijft massale
   publieke acceptatie van (nieuwe) mogelijkheden een onzekere factor en speelt gewen-
   ning, betrouwbaarheid, vertrouwen en ervaring hier een belangrijke rol. Daardoor is niet
   te voorspellen welke rol en omvang deze (nieuwe) mogelijkheden in het verplaatsen van
   personen zullen gaan spelen.
   Tegen de achtergrond van een verouderende samenstelling van de bevolking en een
   flexibilisering van arbeidsparticipatie en vrije tijd is over het geheel genomen de ver-
   wachting dat de behoefte van mensen om zich – al dan niet fysiek – te verplaatsen
   groot zal blijven. Dus ook in de toekomst is vervoer een zaak waaraan veel partijen kun-
   nen verdienen. Wel zullen verschuivingen in de verhouding tussen fysiek of virtueel ver-
   plaatsen, tussen individueel of collectief, tussen vervuilend of emissievrij, en met een ver-
   voermiddel in eigen bezit of gedeeld gebruik ertoe leiden dat de verdeling van
   inkomsten tussen huidige producenten en dienstverleners onderling en tussen toekom-
   stige aanbieders onder druk komt te staan.
   1.5              Inspiratie uit het buitenland
   Hoe zou een (opmaat naar een) slim, groen en geïntegreerd transportsysteem eruit kun-
   nen zien? De steden Masdar City (als nieuwbouwomgeving) en Kopenhagen (als voor-
   beeld voor inpassing in bestaande bebouwing) kunnen hiervoor als inspiratiebron
   dienen.
   35
       In het voorjaar van 2010 heeft het kabinet haar steun aan het voorstel tijdens een spoeddebat ingetrokken.
   36
       B ij telepresence gaat het om de illusie van aanwezigheid op een locatie waar je niet fysiek aanwezig bent. In ultima forma wor-
       den naast geluid en 3D-beeld ook de andere zintuiglijke functies, tast, geur en smaak, gestimuleerd.
79 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>   Masdar City
   In het emiraat Abu Dhabi wordt gebouwd aan de stad Masdar City [K]. De ambitie is om
   deze stad de laagst mogelijke ecologische footprint te geven. Een integrale benadering
   waarin maatschappij, natuur en omgeving, en technologie worden meegenomen ligt
   hieraan ten grondslag. In Masdar City wordt gepionierd met best practices op het ge-
   bied van duurzame stedelijke planning, ontwerp, ontwikkeling en operatie. Onderdeel
   hiervan is het transportsysteem. De voetganger staat hierbij centraal. Auto’s moeten aan
   de rand van Masdar City worden geparkeerd. Voor wat langere afstanden binnen de
   stad kunnen reizigers gebruik maken van een Personal Rapid Transit systeem. Voor deze
   bestuurderloze voertuigen is een eigen transportlaag aangelegd ‘onder de grond’ door
   het voetgangersniveau kunstmatig te verhogen. De voertuigen die hiervoor worden ge-
   bruikt zijn mede door het Nederlandse 2getthere [L] ontwikkeld.
   Kopenhagen
   Kopenhagen streeft ernaar om in 2015 Eco-metropolis van de wereld te zijn – een
   showcase voor ‘s werelds beste stedelijke omgeving [M]. Tevens streeft deze stad ernaar
   om in 2025 de eerste hoofdstad wereldwijd te zijn die CO2-neutraal is. Om deze ambi-
   ties te verwezenlijken steekt zij voor personenmobiliteit zwaar in op fietsen. Daarbij legt
   zij een sterke link tussen aangename fietscondities en een schone, gezonde, leefbare
   stedelijke omgeving waarin mensen zich thuis voelen. Als alternatief voor fietsen (bij-
   voorbeeld voor kinderen, ouderen en mensen met een beperking) geeft Kopenhagen de
   voorkeur aan openbaar vervoer boven de auto. En wie dan toch een auto wil gebruiken
   vindt op de stadswebsite een verwijzing naar autodeelinitiatieven.
   2        Wie pakt de uitdaging op?
   De uitdaging voor mobiliteit zoals die door de Europese Commissie is geformuleerd be-
   staat uit de drie dimensies slim, groen en geïntegreerd. Op ieder van die dimensies wer-
   ken bedrijven, overheden en kennisinstellingen – al dan niet in gemengde consortia – al
   aan (deel)oplossingen.
   2.1            Bedrijfsleven
   Nederlandse en buitenlandse bedrijven, onder wie NXP, TomTom en Daimler, werken zo-
   wel ieder voor zich als in wisselende samenwerkingsverbanden aan slimme, groene en
   of geïntegreerde toepassingen voor vervoer. Daarbij spelen ze onder meer in op het ge-
   mak en comfort voor eindgebruikers door ‘slimme’ functionaliteit aan te bieden (zoals
   reisplanners op basis van realtime data) of ‘slimme’ functionaliteit te integreren in ver-
   voermiddelen (zoals advanced driver assistance systems37 in auto’s).
   37
      A
       dvanced Driver Assistance Systems ondersteunen een bestuurder van een auto bij zijn rijtaken zoals bij het vasthouden van een
      veilige snelheid ten opzichte van zijn voorligger (adaptive cruise control), het behouden van de positie in de rijstrook (lane depar-
      ture warning) en het inparkeren (park assist). Advanced Driver Assistance Systems vormen een opmaat naar coöperatief en volle-
      dig autonoom rijdende auto’s en bussen.
80 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>   Denk daarnaast ook aan virtuele communicatiemiddelen, aan diensten rond ketenmobi-
   liteit en verkeersmanagement en aan vervoermiddelen die steeds zuiniger met materia-
   len en (al dan niet duurzame) brandstof omgaan. Wet- en regelgeving vanuit de Euro-
   pese en nationale overheden, zoals euronormen en de verplichtstelling van airbags en
   eCall, vormen hierbij randvoorwaarden. Andere bedrijven steken veel tijd en geld in het
   (door)ontwikkelen van virtuele alternatieven voor fysieke verplaatsingen. Zoals al in para-
   graaf 1.4 opgemerkt wordt het traditionele spelersveld met partijen zoals producenten
   van (onderdelen voor) vervoermiddelen en vervoerders dan ook steeds drukker bevolkt
   met niet-traditionele spelers die zich ook op de vervoersmarkt begeven.
   Niet elk initiatief vindt echter makkelijk zijn weg naar grootschalig gebruik. De ontwik-
   keling en uitrol van nieuwe producten en diensten vraagt om voorinvesteringen en vor-
   men een potentieel risico voor het bedrijfsimago. Een additionele uitdaging voor start-
   ups met nieuwe innovatieve producten of diensten is het verwerven van een positie
   naast de gevestigde partijen. Betaalbare toepassingen waarvan de gebruiker snel gemak
   en meerwaarde voor zichzelf ziet, hebben een grotere kans van slagen. Denk bijvoor-
   beeld aan navigatiesystemen of de inparkeerhulp in nieuwere modellen auto’s.
   Maar ook al heeft een product of dienst meerwaarde voor de markt, toepassing ervan
   kan alsnog belemmerd worden door ontbrekende infrastructuur of door geldende wet-
   en regelgeving of beleid. Zo vormt het gebrek aan een wijdverspreide infrastructuur voor
   het ‘tanken’ van alternatieve brandstoffen zoals elektriciteit of waterstofgas een belem-
   mering voor grootschalige toepassing van vervoermiddelen die daarvan gebruik maken.
   De – nu nog ontbrekende – belegging van aansprakelijkheid bij ongelukken vormt een
   hindernis voor autonoom rijdende auto’s: is de gebruiker of de producent aansprakelijk?
   Ook spelen acceptatie en vertrouwen van eindgebruikers en het grote publiek een cruci-
   ale rol bij het breed toepassen van nieuwe technologieën zoals autonoom rijdende ver-
   voermiddelen. Het realiseren van een slim, groen en geïntegreerd transportsysteem kan
   dus niet worden bewerkstelligd door alleen het op de markt brengen van producten.
   2.2        Nederlandse overheid
   Uit de ambities van de Nederlandse rijksoverheid zoals verwoord in haar Structuurvisie
   Infrastructuur en Ruimte ([C], zie 1.1) blijkt dat zij zich (mede)verantwoordelijk voelt voor
   het aangaan van de uitdaging op het gebied van mobiliteit en bereikbaarheid. Daarbij
   gaat zij in deze structuurvisie vooral in op een nieuwe rol- en taakverdeling binnen de
   overheden rond het opstellen en uitvoeren van beleid. Uit de realisatieparagraaf van de
   structuurvisie blijkt dat de overheid ter ondersteuning van invulling van haar visie en am-
   bitie ook een rol ziet voor verdere kennisontwikkeling en -deling binnen de overheid en
   aanverwante adviesorganen.
   De verantwoordelijkheid van de overheid rond mobiliteit komt tot uiting in een veelheid
   aan instrumenten, waaronder:
81 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>   •    Wet- en regelgeving als kader voor veilig vervoer met beperking van schadelijke
        uitstoot. Deze zijn veelal ingegeven door Europese wet- en regelgeving. Denk daar-
        bij aan euro-normering voor voertuigen, aan milieuzones en aan de (veiligheids)-
        eisen aan vervoermiddelen voor toelating op de openbare weg.
        Behalve dat wet- en regelgeving een stimulans kunnen zijn voor innovatie, worden
        zij door ontwikkelaars en aanbieders van nieuwe producten en diensten ook vaak
        als hindernis bestempeld. Zo moeten voor nieuwe en aangepaste typen vervoermid-
        delen herhaaldelijk certificeringstrajecten doorlopen worden. Ten behoeve van ex-
        perimenten en pilots verleent een Nederlandse overheid af en toe lokale, tijdelijke
        ontheffing van bepaalde wetten of regels.Voor structurele toepassing van nieuwe
        technologische mogelijkheden dienen wet- en of regelgeving veelal aangepast te
        worden of moeten nieuwe kaders worden gecreëerd.
   •    Subsidies, kredieten en belastingfaciliteiten om (beoogd) goed gedrag (tijde-
        lijk) te bevorderen of de implementatie van nieuwe technieken te versnellen. Een
        voorbeeld is de beperking van fiscale bijtelling van schonere auto’s (in combinatie
        met etikettering van nieuwe voertuigen). Zoals recent onderzoek [N] benadrukt, is
        het van belang dat de achterliggende argumentatie en rekenmodellen betrouwbaar
        zijn om het beoogde doel daadwerkelijk te bereiken.
        Ook heffingen en accijnzen zijn een middel om mobiliteit te beïnvloeden. Denk
        daarbij onder meer aan de accijnzen op fossiele brandstoffen om het autogebruik
        te ontmoedigen.
   •    Aankoopbeleid van de overheid. De overheid kan als aanjager van slim, groen
        (en geïntegreerd) vervoer fungeren door haar inkoop van vervoermiddelen en dien-
        sten, en concessieverleningen voor openbaar vervoer daarop af te stemmen. Hier
        kan nog een slag worden gemaakt.
   •    Uitvoering. De overheid heeft als de belangrijkste opdrachtgever op het gebied
        van aanleg en onderhoud van infrastructuur voor fysiek vervoer de mogelijkheid
        om, al dan niet in PPS38-verband, nieuwe ontwikkelingen rond infrastructuur een
        kans te geven. Een belangrijk aspect daarbij is om niet alleen naar de korte termijn
        en naar financiën te kijken, maar ook voldoende aandacht te besteden aan de te
        verwachten langetermijneffecten en de mate van efficiëntie en effectiviteit die het
        oplevert voor reizigers en de omgeving. Tevens kan de overheid door participatie in
        experimenten rond nieuwe toepassingen of vormen van vervoer deze toepassingen
        en vormen stimuleren (zie voor enkele voorbeelden paragraaf 2.4).
        Investeringen in aanleg en beheer van de ICT-infrastructuur liggen overigens
        momenteel voornamelijk bij het bedrijfsleven en kennisinstellingen.
   •    Voorlichting en bewustwordingscampagnes zoals participatie in voorbeeld-
        projecten en (internet)spotjes.
   38
      PPS staat voor publiek private samenwerking.
82 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>   Aandachtspunt bij het gelijktijdig inzetten van verschillende instrumenten is dat zij de-
   zelfde achterliggende visie moeten nastreven en elkaar niet tegenspreken. Anders krij-
   gen burgers en andere partijen tegenstrijdige signalen. Ook is het voor ogen houden
   van het uiteindelijke doel (bijvoorbeeld verlagen van CO2-uitstoot) van belang om te
   voorkomen dat een middel tot zelfstandig doel wordt verheven (bijvoorbeeld het aantal
   elektrische auto’s in 2020 op de weg). Voor alle instrumenten geldt dat de context van
   de maatschappij en van een individu bepaalt hoe effectief het instrument kan zijn.
   Naast bovenstaande instrumenten stimuleert de overheid onderzoek en ontwikkeling
   door het uitzetten van onderzoeksvragen naar kennisinstellingen en adviesorganen, en
   door het beschikbaar stellen van onderzoeks- en innovatiebudgetten.
   Met dit brede palet aan instrumenten geeft de Nederlandse overheid een aanzet tot im-
   plementatie van (onderdelen van) een slim, groen en geïntegreerd transportsysteem.
   Deze aanzet lijkt echter niet voldoende krachtig om ervoor te zorgen dat de markt zich
   verder autonoom tot een dergelijk systeem ontwikkelt.
   Mobiliteit en topsectoren
   De overheidsgelden voor onderzoek en innovatie zijn de afgelopen jaren veelal gebun-
   deld in de negen topsectoren. Personenmobiliteit is niet een expliciet focuspunt van één
   specifieke topsector. Dit in tegenstelling tot goederentransport dat zich in de topsector
   Logistiek vertegenwoordigd ziet.
   Ondanks dat mobiliteit geen aparte topsector is, zijn er op het gebied van een slim,
   groen en geïntegreerd (personen)transportsysteem wel belangrijke raakvlakken met de
   topsectoren High Tech Systems & Materialen (HTSM), Logistiek, Energie en de Creatieve
   Industrie, en met het overstijgende thema ICT. Zo richt Automotive (HTSM) zich op duur-
   zame aandrijftechnologie (met name voor bussen en trucks) en lichtgewicht materialen,
   en ook op smart mobility. Binnen de topsector Energie wordt aandacht besteed aan
   smart grids en elektrisch rijden, en binnen Logistiek is aandacht voor ketenoptimalisatie.
   Door de versnippering van mobiliteit over verschillende topsectoren vormt het toewer-
   ken naar en realiseren van een integrale visie op het gebied van personenmobiliteit wel
   een extra opgave.
   2.3        Kennisinfrastructuur
   Ook binnen de Nederlandse kennisinfrastructuur wordt hard nagedacht over het vervoer
   van morgen en wordt daar op veel plaatsen onderzoek naar gedaan. Dit betreft zowel
   benodigde technologie (voertuigontwerp, coöperatief rijden, communicatie tussen voer-
   tuigen en hun omgeving, …) als menselijk gedrag (acceptatie van technologieën, rijge-
   drag, gedragsbeïnvloeding, …) alsook governance (verkeersmanagement, zelforganisa-
   tie, …). De kennisinstellingen verschillen onderling in aandachtsgebieden en omvang
   van onderzoek en wijze waarop zij zich hiermee profileren.
83 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>   Zonder tekort te willen doen aan andere initiatieven, zijn enkele voorbeelden hiervan:
   •     De TU Eindhoven met Smart Mobility als een van haar drie strategische gebieden
         aangeduid, en een uniek opleidingsprogramma Automotive.
   •     De TU Delft met haar Transport Institute waarin zij de activiteiten rond vervoer bin-
         nen haar verschillende faculteiten bundelt.
   •     Hogescholen, waaronder de HAN, Fontys en Hogeschool Rotterdam, met hun oplei-
         dingen en onderzoek op het domein van Automotive.
   •     TNO met mobiliteit als een van haar zeven thema’s.
   Kennisinstellingen participeren ook veelvuldig in gezamenlijke initiatieven met het be-
   drijfsleven en eventueel de overheid (zie paragraaf 2.4).
   2.4         Gemeenschappelijke initiatieven
   Voor veel initiatieven op het gebied van (toekomstig) vervoer, en zeker op het gebied
   van automobiliteit, geldt dat bedrijven, kennisinstellingen en de overheid al samenwer-
   ken of een netwerk vormen. Voorbeelden hiervan zijn:
   •     Connekt (bedrijven en overheden). “[E]en onafhankelijk netwerk van bedrijven en
         overheden dat partijen verbindt om te werken aan duurzame verbetering van de
         mobiliteit in Nederland. Het verbinden van leden en delen van kennis, kunde en ini-
         tiatieven staan hierbij centraal. Het doel is om in een preconcurrentiële samenwer-
         king markten voor bedrijven te ontwikkelen en beleid voor overheden op effectieve
         wijze tot uitvoer te brengen.” [O]
   •     AutomotiveNL (bedrijven en kennisinstellingen), met onder meer AutomotiveCam-
         pusNL. “AutomotiveNL bevordert een bloeiende Nederlandse automotive sector
         door zowel nationaal als internationaal de sector te profileren en te representeren
         bij OEM’s39 en automotive toeleveranciers, koepelorganisaties, clusterorganisaties en
         overheden. De inhoudelijke focusgebieden zijn Smart Mobility en FuturePower-
         train.” [P]
   •     SPITS (bedrijven en kennisinstellingen met funding van de overheid). Dit project is
         tijdens de Kenniswerkersregeling ontstaan en heeft tot doel om Intelligente Trans-
         port Systemen (ITS) concepten te ontwikkelen die de mobiliteit en veiligheid kunnen
         verbeteren. [Q] Dit programma is zo succesvol geweest dat het is overgegaan in
         DITCM, zie laatste bullet.
   •     het Formule E-team, ambassadeur en voortrekker van het elektrisch rijden (Neder-
         landse overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen). [R]
   •     DITCM, Dutch Integrated Testsite Cooperative Mobility (PPS vanNederlandse over-
         heid, bedrijfsleven en kennisinstellingen). DITCM is een open ontwikkelomgeving
         bedoeld om innovatieve technologie voor coöperatieve verkeerssystemen te testen.
         [S]
   39
      OEM staatvoor original equipment manufacturer.
84 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>   Met name op de pijlers ‘slim’ en ‘groen’ transport vinden vanuit het bedrijfsleven, de
   overheid en kennisinstellingen activiteiten plaats om tot innovaties zoals coöperatief rij-
   den en multimodale reisplanners te komen. Zo zijn SPITS en DITCM uniek in hun aard
   om de omslag te maken van informatieverschaffing via wegkantsystemen naar in-car
   toepassingen van informatieverzameling en -verstrekking en het handelen op basis daar-
   van. Veel initiatieven zijn echter mono-modaal: zij hebben betrekking op een enkele ver-
   voersvorm. Om daadwerkelijk tot een slim, groen en geïntegreerd transportsysteem te
   komen dient met name rond de integratie van losse componenten nog het nodige werk
   te worden verzet.
   3               Op weg naar een oplossing
   Zoals de Europese Commissie in haar Witboek Transport [B] aangeeft is het transportsys-
   teem de afgelopen veertig jaar – ondanks technische vooruitgang, mogelijkheden voor
   kosteneffectieve energie, efficiëntieverbeteringen en beleidspogingen – niet fundamen-
   teel veranderd. Transport is nog steeds in grote mate afhankelijk van olie en olieproduc-
   ten. Het is weliswaar schoner geworden, maar door toegenomen volumes is transport
   nog steeds een grote bron van geluidsoverlast en (lokale) luchtvervuiling. Tevens zijn per-
   sonen- en goederenvervoer nog grotendeels gescheiden. Het is nu de opgave om een
   kwalitatieve sprong naar een slim, groen en geïntegreerd transportsysteem te maken.
   3.1            Kennis- en innovatievraagstukken
   Zoals in paragraaf 2 geschetst, is het beschikbaar zijn van (technologische) toepassingen
   die kunnen bijdragen aan slim, groen of geïntegreerd transport nog geen garantie voor
   het behalen van het gewenste resultaat. Het product of de dienst moet op een effec-
   tieve manier worden aangewend om de achterliggende visie van een slim, groen en ge-
   ïntegreerd transportsysteem te kunnen realiseren. Sterker verwoord, een goed bedoeld
   product of dienst kan, wanneer ‘verkeerd’ aangewend, averechts werken op het beha-
   len van de overkoepelende doelstelling. Zo kan een autonoom vervoermiddel bijdragen
   aan het beperken van schadelijke effecten van een verplaatsing op de omgeving. Maar
   wanneer reizigers door het gemak van autonoom vervoer zich vaker en verder gaan ver-
   plaatsen, kan de druk op het totale vervoerssysteem en de omgeving juist toenemen.
   Om tot een robuust en integraal slim, groen en geïntegreerd transportsysteem te komen is
   het dus vereist goed zicht te krijgen op de wisselwerking tussen zijn verschillende compo-
   nenten onderling en tussen het transportsysteem en de samenleving in de breedte. Veel
   kennis daarvoor is al aanwezig, maar aanvullende kennisontwikkeling en innovatie zijn
   noodzakelijk om de beoogde ambitie in ons transportsysteem daadwerkelijk te realiseren.
   Daarvoor is onder meer invulling van de volgende vraagstukken van belang:
   •       Integratie van (technologische en gedraggerelateerde) kennis en componenten tot
           betrouwbare vervoermiddelen en robuuste, integrale transportsystemen40.
   40
       E en transportsysteem is het geheel van vervoermiddelen en -diensten, infrastructuur, omgeving, organisaties en regelsystemen
       en gebruikers. Het omvat meerdere modaliteiten als auto, bus, tram, trein, en boot.
85 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>   •      Mensen en organisaties laten zien en ervaren wat (bestaande) technologieën moge-
          lijk maken aan (nieuwe) toepassingen. Ook dient onderzocht te worden wat die
          toepassingen betekenen voor de verplaatsingsbehoefte en het verplaatsingsgedrag
          van individuele reizigers. Bijvoorbeeld, gaan mensen minder reizen of juist meer? En
          wat zijn de overall effecten op de omgeving?
   •      (Verder) onderzoek naar hoe gedrag te sturen is en hoe gewenst verplaatsingsge-
          drag gestimuleerd en ongewenst gedrag of gewoontegedrag doorbroken kan wor-
          den.
   •      (Verder) onderzoek naar duurzame verdienmodellen bij multi-stakeholder, multi-
          criteria vraagstukken.
   •      Stimulering van autonome ontwikkelingen die bijdragen aan verbetering van het
          transportsysteem (zoals in het verleden bijvoorbeeld met ABS41 en ESP42 en recent
          met eCall is gebeurd).
   •      Aanpassing van wet- en regelgeving om flexibel om te kunnen gaan met nieuwe
          toepassingen en zo ruimte te bieden aan nieuwe ontwikkelingen, bijvoorbeeld door
          de belegging van aansprakelijkheid bij ongelukken met autonoom rijdende vervoer-
          middelen.
   3.2	Aanbevelingen om invulling te geven aan de kwalitatieve sprong in ons
                 transportsysteem
   Nederland kan met het realiseren van haar eigen ambitie op het gebied van vervoer een
   belangrijke bijdrage leveren aan het invullen van de Europese ambitie van een slim,
   groen en geïntegreerd transportsysteem. Voor het invullen van de Nederlandse ambitie
   zien wij naast het beantwoorden van voornoemde kennis- en innovatievraagstukken en
   in lijn met de conclusies en aanbevelingen van de STT-toekomstverkenning Superintelli-
   gent Vervoer [T] de volgende vier aanbevelingen voor de Nederlandse overheid:
   a) S tel samen met het bedrijfsleven (zowel vervoerders en producenten van vervoermid-
       delen als nieuwe toetreders op de vervoersmarkt zoals ICT-bedrijven), kennisinstellin-
       gen en maatschappelijke organisaties, in afstemming met de roadmaps uit de ver-
       schillende topsectoren, een roadmap op voor personenmobiliteit waarin het oplossen
       van de maatschappelijke uitdaging van mobiliteit centraal staat. Formuleer hierin
       concrete doelstellingen voor ons transportsysteem in de toekomst die het gezamen-
       lijk belang dienen. Geef daarbij tevens aan wat de randvoorwaarden zijn. Daarmee
       krijgen het bedrijfsleven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties een ka-
       der om hun inspanningen en investeringen op te richten en om op te sturen. Houd
       tegelijkertijd een open blik voor nog onzekere nieuwe ontwikkelingen en speel daar,
       indien relevant, op in.
   b) P ak de voorbereiding en uitvoering van de kwalitatieve sprong in ons transportsys-
        teem integraal aan: zowel interdisciplinair als sectoroverstijgend, met oog voor zowel
        technologie als maatschappij. Neem de mens (als gebruiker van het transportsys-
   41
      ABS: antiblokkeersysteem.
   42
      ESP: electronic stability program, een actief rijveiligheidssysteem.
86 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>        teem) daarbij vanaf het begin mee als ontwerpfactor en als afnemer van product of
        dienst.
   c) Z et nú verdere stappen om (verdere) ervaring op te doen met elementen van een
       slim, groen en geïntegreerd transportsysteem zoals gedeeld gebruik, autonoom rij-
       dende auto’s, holografische ontmoetingen en de acceptatie en het gebruik daarvan
       door mensen en organisaties. Bijvoorbeeld in een aantal pilots waarin overheid, be-
       drijfsleven en kennisinstellingen samenwerken en waarin zij willen laten zien dat sa-
       men staat voor beter, efficiënter en effectiever. Zowel in Nederland als in het buiten-
       land ontwikkelde veelbelovende inzichten in menselijk gedrag, technologieën, of
       toepassingen kunnen daarbij het vertrekpunt vormen.
   d) Investeer vanuit bedrijfsleven en kennisinstellingen alsook overheid in een robuuste
        backbone voor ICT-infrastructuur die voldoet aan de toekomstige vraag naar data-
        communicatie. Dit is niet alleen van belang voor de enorme hoeveelheden data die in
        de toekomst gedeeld zullen worden tussen reizigers, dienstverleners, vervoermidde-
        len en hun omgeving. Ook buiten het vervoersdomein zal de vraag naar betrouwbare
        en veilige datacapaciteit en -communicatie verder toenemen onder meer door groei
        van dienstverlening op afstand zoals tele-health. Lift voor mobiliteitsdoeleinden
        daarom mee op (bestaande) netwerken als 3G, 4G en 5G. Hiermee wordt invulling
        gegeven aan een belangrijke, breed geldende economische randvoorwaarde richting
        de toekomst.
   Een wezenlijk onderdeel van het traject om tot een slim, groen en geïntegreerd trans-
   portsysteem te komen is om betrokkenen te faciliteren om veelbelovende ideeën voor
   het vervoer van morgen te gaan toepassen en zo in de praktijk ervaring op te doen over
   wat wel en niet bijdraagt aan realisatie ervan (learning by doing). Daarbij is het van
   groot belang dat partijen elkaars belangen en sterktes erkennen en ruimte creëren om
   te falen en met en van elkaar(s fouten) te leren.
     Vier suggesties voor onderdelen van een integrale pilot
     •    Ontzorgd vervoer met een minimale footprint: probeer een reiziger een week lang
          ontzorgd vervoer te bieden, terwijl tegelijkertijd de totale footprint van zijn vervoer
          lager uitvalt dan in een reguliere week.
     •    Autonome taxidienst: met een autonoom rijdende auto van deur tot deur zonder
          chauffeur.
     •    Virtuotheek – lokale centra met virtuele ontmoetingsfaciliteiten: het breed toegan-
          kelijk maken van diensten voor virtuele in plaats van fysieke ontmoetingen. Ver weg
          maar toch dichtbij.
     •    Integrale verplaatsingsplanner: een reisplanner die in proefgebieden naast reisadvie-
          zen met reguliere vervoermiddelen ook de alternatieven met de autonome taxi en
          virtuele verplaatsingen meeneemt. Zo krijgen reizigers (nog) beter inzicht in opties
          en bijbehorende kosten.
87 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>   Rolverdeling gouden driehoek
   Binnen de samenwerking om een systeemsprong in transport te realiseren heeft iedere
   partij uit de gouden driehoek (overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen) zijn eigen
   rol, zowel bij toepassing van (elders) ontwikkelde technologieën en inzichten, bij intro-
   ductie van nieuwe vervoersconcepten, bij het creëren van de randvoorwaarden, als bij
   het opbouwen van ontbrekende kennis:
   •     De overheid dient zowel op regionaal, nationaal als Europees niveau de wet- en regel-
         geving zo te formuleren dat zij geordend en maatschappelijk verantwoord vervoer fa-
         ciliteert. Tevens kan zij via regelgeving nieuwe technieken faciliteren. Daarbij moet
         overigens, zoals in 2.2 reeds aangestipt, worden voorkomen dat een bepaalde toe-
         passing of technologie een doel op zichzelf wordt in plaats van een middel om een
         achterliggend maatschappelijk streven te ondersteunen. De overheid moet (mede)
         zorgdragen voor een hoofdinfrastructuur. Mocht blijken dat risico’s gerelateerd aan
         de introductie van maatschappelijk gewenste toepassingen voor individuele partijen
         te groot zijn, dan dienen zij door de overheid hanteerbaar te worden gemaakt. Ook
         kan de overheid door innovatief in te kopen ontwikkelingen stimuleren.
   •     Het bedrijfsleven moet op commercieel en maatschappelijk verantwoorde wijze voor-
         zien in de behoeften van individuele reizigers en de maatschappij, (pro)actief inspe-
         lend op aanvullende technologische en maatschappelijke ontwikkelingen.
   •     Kennisinstellingen moeten bestaande kennis (blijven) verspreiden en toepassen in het
         vervoersdomein en ontbrekende kennis opbouwen. Onderwijsinstellingen dienen stu-
         denten uit te dagen kritisch te reflecteren op relevante trends zoals veranderingen in
         menselijk gedrag, nieuwe businessmodellen en technologische ontwikkelingen.
   Gedurende dit hele traject is het van groot belang om de interactie met de uiteindelijke ge-
   bruiker, de reiziger, op te zoeken. Een centrale procesregisseur zou de onderlinge afstem-
   ming en samenwerking tussen overheid, kennisinstellingen, bedrijfsleven, burgers, en maat-
   schappelijke organisaties kunnen bevorderen om zo de ambitie voor een concurrerend,
   bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland op het gebied van mobiliteit verder in te kleuren.
   3.3	Contouren van een mogelijke invulling van een slim, groen en
               geïntegreerd transportsysteem
   Ter beeldvorming van hoe zo’n slim, groen en geïntegreerd transportsysteem eruit zou
   kunnen zien, schetsen wij hieronder de contouren van een mogelijke invulling van een
   dergelijk transportsysteem.
   1.    Maak gebruik van virtuele alternatieven voor vervoer. Voorkom fysiek vervoer wan-
         neer dat kan.
   2.    Wanneer iemand zich toch fysiek wil of moet verplaatsen, laat dan waar mogelijk
         de afstand en tijdsduur van de verplaatsing beperkt blijven.
   3.    Ligt de bestemming verder weg? Reis dan zo veilig, schoon en comfortabel moge-
         lijk.
88 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>   Ter verdere ondersteuning van realisatie van de Nederlandse en Europese ambitie combi-
   neert een reiziger zijn vervoer zoveel mogelijk door activiteiten slim te plannen en even-
   tueel samen met anderen te reizen. Wanneer hij zelf rijdt maakt hij gebruik van vervoer-
   middelen die hem verregaand ondersteunen in zijn rijtaak. Hij kan zelfs switchen naar
   een stand waarin het vervoermiddel autonoom rijdt. Dit komt de veiligheid, doorstro-
   ming en beperking van uitstoot ten goede. Uiteraard kan een reiziger ook gebruik ma-
   ken van hoogfrequente verbindingen van collectief vervoer. Vervoermiddelen zelf zijn
   gemaakt van duurzame lichtgewicht materialen tijdens een schoon productieproces en
   zijn voorzien van een schone aandrijflijn.
   3.4	Voordelen en kansen van een kwalitatieve sprong in ons
               transportsysteem
   Een slim, groen en geïntegreerd transportsysteem versterkt positieve kanten van mobili-
   teit en beperkt tegelijkertijd negatieve gevolgen daarvan. Enkele voordelen die een der-
   gelijk transportsysteem onze maatschappij biedt, zijn in voorgaande tekst al benoemd
   en worden hier met aanvullende voordelen voor het overzicht weergegeven. Dit over-
   zicht heeft overigens niet de pretentie volledig te zijn.
   •     Betere benutting van aanwezige infrastructuur en vervoermiddelen.
   •     Beperking van schadelijke uitstoot (per verplaatsing). Daarmee een beperking van
         negatieve effecten op de gezondheid van omwonenden en op de kwaliteit van de
         leefomgeving.
   •     Beperking van gebruik van resources zoals energie en materialen (per verplaatsing).
   •     Toename van de verkeersveiligheid. Daarmee een beperking van emotionele, mate-
         riële en economische schade door verkeersongevallen.
   •     Toename van voorspelbaarheid van reistijd.
   •     Het vergroten van de fysieke mobiliteit van minder mobiele personen in onze sa-
         menleving.
   •     Het vergroten van bereikbaarheid van afgelegen of minder dichtbevolkte gebieden.
   •     Reistijd is voor de reiziger beschikbaar voor andere activiteiten zoals werken, ont-
         spannen of recreëren. Het komt daarmee de welvaart en het welzijn ten goede. Bij
         (dreigende) arbeidstekorten kan die additionele werktijd een aanvullend voordeel
         zijn.
   Wanneer Nederland de geschetste aanbevelingen voortvarend ter harte neemt en sneller
   ten uitvoer kan brengen dan landen om ons heen, kan Nederland zich internationaal po-
   sitioneren als belangrijke mobiliteitsinnovator. Daarbij kan Nederland de voortrekkersrol
   die zij heeft op het gebied van duurzame mobiliteit, in het bijzonder het elektrisch ver-
   voer, verstevigen en verder uitbreiden.
   Nederland is namelijk de ideale proeftuin voor nieuwe vormen van vervoer omdat wij
   naast problemen als files, ruimtedruk, luchtvervuiling en verkeersonveiligheid beschikken
   over geografische en demografische kenmerken om die problemen aan te kunnen pak-
89 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>   ken. Ook beschikken we over het innovatieve vermogen daarvoor. Ons land is daardoor
   zeer geschikt als deployment-gebied43 voor verschillende verplaatsingstechnologieën,
   -middelen en -diensten, ook die waarmee elders in de wereld is geëxperimenteerd of die
   daar al op kleine schaal zijn getest.
   De aanloop naar een slim, groen en geïntegreerd transportsysteem biedt (Nederlandse)
   bedrijven (waaronder producenten van vervoermiddelen, vervoerders, ICT-dienstverleners
   en verzekeraars), kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en anderen dus kan-
   sen. Zowel op het gebied van vervoer als daarbuiten, voortbouwend op mogelijkheden
   die nieuwe vervoerstoepassingen bieden.
   4            Conclusie
   De Europese Commissie streeft naar een slim, groen en geïntegreerd transportsysteem.
   Samen met de geconstateerde verschuiving van fysieke mobiliteit naar (fysieke en virtu-
   ele) bereikbaarheid vraagt dit om een omslag in het denkkader voor investeringen in
   vervoer.
   Diverse belanghebbenden, zowel bedrijfsleven, overheid als kennisinstellingen, zijn al
   bezig met het realiseren van onderdelen van het vervoer van morgen. Er lijkt echter te
   weinig aandacht besteed te worden aan hoe die onderdelen samen een slim, groen en
   geïntegreerd transportsysteem kunnen realiseren en aan hoe dat kan bijdragen aan het
   realiseren van de Nederlandse ambitie op het gebied van vervoer (zie 1.1). Dit gebrek
   aan aandacht komt ook naar voren in de versnippering van voor personenmobiliteit rele-
   vante toepassingen over verschillende topsectoren (zie 2.2).
   4.1          Is het huidige kennis- en innovatiebeleid van de overheid toereikend?
   Zoals in 3.1 geschetst staan er verschillende kennis- en innovatievraagstukken open al-
   vorens tot een slim, groen en geïntegreerd transportsysteem te kunnen komen. Beant-
   woording van die vraagstukken vraagt om een brede integrale benadering op het snij-
   vlak van technologie en maatschappij, over (top)sectoren heen. Het huidige kennis- en
   innovatiebeleid van de overheid faciliteert het integraal oppakken van die vraagstukken
   niet optimaal. Ook is door de afwezigheid van een integrale opzet het goed voorsorte-
   ren op de kansen in Horizon2020 [A] en op de internationale vervoersmarkt van de toe-
   komst niet zonder meer ingebed.
   43
      M
       et deployment wordt gedoeld op het op grotere schaal in praktijk brengen van toepassingen nadat zij in een laboratorium
      omgeving of via kleinschalige experimenten met goed gevolg zijn getest.
90 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>   Naast het bundelen van kennis- en innovatiebeleid voor mobiliteit kan de overheid met
   flankerende instrumenten zoals het verhogen van emissie- en veiligheidsnormen, het
   verstrekken van innovatiekredieten en het eigen aankoopbeleid, nieuwe technieken en
   toepassingen stimuleren. In paragraaf 3.2 zijn een aantal aanbevelingen voor de over-
   heid verwoord die samengevat op het volgende neerkomen:
   a) S tel samen met het bedrijfsleven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties
       een roadmap op voor personenmobiliteit met concrete doelstellingen voor het oplos-
       sen van deze maatschappelijke uitdaging.
   b) Pak de voorbereiding en uitvoering integraal aan.
   c) Zet nú verdere stappen.
   d) Investeer in robuuste, toekomstbestendige ICT-infrastructuur.
   Hierbij zien wij voor de overheid een rol weggelegd als procesregisseur.
   Referenties of meer weten?
   [A]	European Commission (2011). Proposal for a council decision establishing the
           Specific Programme Implementing Horizon 2020 – The Framework Programme for
           Research and Innovation (2014-2020). Brussel.
   [B]	European Commission (2011). White Paper on transport – Roadmap to a single
           European transport area – Towards a competitive and resource-efficient transport
           system. Luxemburg.
   [C]	Ministerie van Infrastructuur en Milieu (2012). Structuurvisie Infrastructuur en
           Ruimte; Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Den Haag.
   [D]	http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/gezondheid-welzijn/publicaties/artikelen/
           archief/2013/2013-028-pb.htm.
   [E]	Ministerie van Infrastructuur en Milieu (2012). Cijfers ernstig verkeersgewonden
           2011. Kamerbrief met kenmerk IENM/BSK-2012/226443.
   [F]	http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/verkeer-vervoer/publicaties/artikelen/
           archief/2013/2013-3828-wm.htm.
   [G]	http://www.salon.com/2013/06/21/millennials_save_the_world_smartphones_to_
           the_rescue/.
   [H]	Nationaal Platform Anders Betalen voor Mobiliteit (2005). Anders betalen voor
           mobiliteit.
   [I]	http://googleblog.blogspot.nl/2012/08/the-self-driving-car-logs-more-miles-on.
           html.
   [J]     http://www.musion.co.uk/Cisco_TelePresence.html.
   [K]     http://masdarcity.ae/en/62/sustainability-and-the-city/transportation/.
   [L]     http://www.2getthere.eu/?page_id=10.
   [M]	http://subsite.kk.dk/sitecore/content/Subsites/CityOfCopenhagen/SubsiteFront-
           page/LivingInCopenhagen/CityAndTraffic.aspx.
   [N]     http://nos.nl/artikel/460484-groene-auto-vaak-niet-zo-zuinig.html.
91 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>   [O]       http://www.connekt.nl/nl-NL/over-connekt/.
   [P]       http://www.automotivenl.com/over-ons.
   [Q]       http://www.spits-project.com/what-is-spits.
   [R]       http://www.nederlandelektrisch.nl/thema/formule-e-team/.
   [S]       http://www.ditcm.eu/.
   [T]       Stichting Toekomstbeeld der Techniek (2013). Het vervoer van morgen begint van-
              daag – (ver)voer tot nadenken en doen. Den Haag.
   Bijlage:	Resultaten toekomstverkenning Superintelligent
                                 Vervoer – Het vervoer van morgen begint vandaag
   Met slim – ‘superintelligent’ – vervoer als focus heeft de Stichting Toekomstbeeld der
   Techniek (STT) in de periode 2010 – 2012 een toekomstverkenning uitgevoerd. Op het
   raakvlak van techniek en maatschappij heeft zij verkend hoe de vraag naar vervoer en de
   wijze van vervoer in Nederland er over dertig jaar uit zullen zien. In samenwerking met
   het bedrijfsleven, overheid en kennisinstellingen zijn een aantal vervoersbeelden ontwik-
   keld die samen de basis kunnen vormen voor een slim, groen en geïntegreerd transport-
   systeem. Daarbij is vervoer opgevat als een functie binnen een samenleving en lag de fo-
   cus voornamelijk op het verplaatsen van personen.
   Aangezien de toekomst niet te voorspellen valt, zijn de geformuleerde antwoorden
   schetsen van toekomstige mogelijkheden. Met de geschetste vervoersconcepten heeft
   STT beoogd om belanghebbenden op een andere wijze naar vervoer te laten kijken en
   hen bewust te maken van wat de toekomst brengen kan.
   Voortbouwend op de expertise, visies en ideeën van ruim zeventig belanghebbenden uit
   het bedrijfsleven, overheid, kennisinstellingen en studenten zijn drie concepten voor
   personenvervoer44 in de toekomst geschetst:
   •       Vervoer naar Wens: consumenten bezitten geen eigen vervoermiddel meer;
           marktpartijen bieden vervoersdiensten – inclusief individueel vervoer – aan op basis
           van autonome vervoermiddelen.45
   •       ‘Niet-vervoer’: virtuele verplaatsingen zijn een grootschalig, volwaardig alternatief
           voor fysieke verplaatsingen.
   •       Vervoer in Schaarste: reizigers zijn zich bewust van de externe effecten van een
           verplaatsing, mede doordat de externe kosten die door verplaatsingen gegenereerd
           worden, doorberekend worden in de prijs ervan.
   Behalve de maatschappelijke en technologische ontwikkelingen, vormen ook ontwikke-
   44
      O p de website http://stt.nl/superintelligent-vervoer vindt u een iets uitgebreidere beschrijving van deze vervoersconcepten. De
      volledige beschrijving is te lezen in de publicatie ‘Het vervoer van morgen begint vandaag’ [T].
   45
      E en autonoom vervoermiddel neemt de volledige besturingstaak op zich, een chauffeur, machinist, schipper of piloot is niet lan-
       ger nodig. Het vervoermiddel kan zich zowel zelfstandig verplaatsen (zoals gas geven, remmen of sturen) als handelen naar aan-
       leiding van informatie-uitwisseling tussen het vervoermiddel en andere vervoermiddelen of onderdelen van het vervoerssysteem.
92 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>   lingen in het gedrag van mensen de basis voor deze vervoersconcepten. De belangrijkste
   bouwstenen hierbij zijn: gemak, keuzevrijheid, betalen naar gebruik, autonoom vervoer,
   telepresence, smart agents46 en mogelijke koppelingen daartussen. Elk vervoersconcept
   heeft op zijn beurt weer invloed op het gedrag van mensen, de maatschappij en de
   technologie. Gezien die verwevenheid van vervoer met veel facetten van de samenleving
   is bij verdere ontwikkeling van vervoerssystemen en de inrichting van de ruimtelijke or-
   dening – zowel lokaal en regionaal als nationaal en globaal – meer aandacht nodig voor
   hun onderlinge wisselwerking.
   De drie ontwikkelde vervoersconcepten zullen waarschijnlijk niet één op één uitkomen
   zoals geschetst, maar samen bepalen zij wel de toekomst van vervoer. Zij omvatten een
   sprong naar een nieuw systeem voor personenvervoer waarin bereikbaarheid van groter
   belang is dan fysieke mobiliteit en dat voor een breed aantal toekomstscenario’s voor
   Nederland zal voldoen.
   De resultaten van de verkenning worden net als de achterliggende ontwikkelingen en
   mogelijke gevolgen ervan (inclusief kansen en bedreigingen en kaders voor strategie
   en beleid) uitgebreider beschreven in de publicatie ‘Het vervoer van morgen begint
   vandaag – (ver)voer tot nadenken en doen’.
   Deze publicatie (ISBN 978-94-91397-06-6) is te bestellen bij de boekhandel en bij STT
   (info@stt.nl).
   46
       E en smart agent is een software-programma dat in opdracht van een gebruiker informatie vergaart, onderhandelingen voert en
       of opdrachten verstrekt. Hij gaat daarbij waar nodig uit van realtime data.
93 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>   Casus zorg
   Roland Friele, Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg
   (NIVEL)
   Achtergrond
   In dit stuk staat de vraag centraal in hoeverre het Topsectorenbeleid binnen de sector
   Life Sciences and Health, en in het verlengde hiervan het Europese programma Horizon
   2020, een antwoord kunnen gaan geven op de grote maatschappelijke uitdagingen van
   de Nederlandse gezondheidszorg. Deze vraag komt voort uit een adviesvraag aan de
   Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) over hoe in Nederland
   optimaal kan worden bijgedragen aan de aanpak van maatschappelijke uitdagingen via
   het topsectorbeleid, het profileringsbeleid en de kennis zoals die ontwikkeld wordt door
   de kennisinstellingen en het Europese kaderprogramma Horizon 2020. Voor de beant-
   woording van deze vraag heeft de AWT ervoor gekozen een aantal casestudies uit te la-
   ten voeren op specifieke deelterreinen. Dit stuk vormt één van die casestudies, over de
   gezondheidszorg.
   Gevraagd is om een compacte analyse van de relatie tussen de maatschappelijke opga-
   ven in de gezondheidszorg en de ontwikkelingen op het gebied van de topsectoren en
   Horizon 2020. Dit stuk is als volgt opgebouwd. De hoofdmoot bestaat uit een analyse
   van de maatschappelijke opgaven voor de Nederlandse gezondheidszorg. Vervolgens
   wordt beschreven op welke manier keuzes worden gemaakt bij de programmering bin-
   nen de topsector Life Sciences and Health en de manier waarop dit soort keuzes ge-
   maakt lijken te gaan worden voor Horizon 2020.
   De maatschappelijke opgaven van de Nederlandse gezondheidszorg
   De Nederlandse gezondheidszorg is succesvol. Qua levensverwachting zit Nederland bo-
   ven het OECD gemiddelde [2]. Nederland scoort goed voor hart- en vaatziekten, onge-
   vallen, bewegen en overgewicht, en voor sommige indicatoren voor kwaliteit van zorg.
   Minder goed doet Nederland het als het gaat voor de sterfte aan kanker en ademha-
   lingsziekten, roken en gebruik van ecstasy [3]. In vergelijking met andere EU-landen doet
   Nederland het goed wat betreft preventie [4]. De successen mogen gekoesterd worden.
   Vergeleken met andere, ons omringende landen, zijn de Nederlandse uitgaven (als %
   van het bruto nationaal product) gemiddeld voor wat betreft ziekenhuiszorg en laag
94 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>   voor geneesmiddelen en ambulante zorg. Op het gebied van langdurige zorg en verple-
   ging (nursing care), zijn de uitgaven in Nederland relatief hoog, waarbij opgemerkt moet
   worden dat deze laatste vergelijking met enige voorzichtigheid moet worden geïnterpre-
   teerd omdat er verschillen zijn tussen landen in berekeningsmethoden [5].
   Vier uitdagingen
   De laatste jaren is door verschillende partijen hun visie op de gezondheidszorg uitge-
   bracht: naast het ministerie van VWS [6–9] zijn dat de Raad voor de Volksgezondheid en
   Zorg [10], de SER [11], de KNMG [12] en de Orde der Medisch Specialisten [13] en een
   gezamenlijk document van 14 partijen [1]. Opmerkelijk is de grote overeenkomst tussen
   deze partijen in het definiëren van de aard van de uitdagingen: centraal staan het ma-
   ken van keuzes, het herinrichten van de zorg, het verleggen van het accent van de arts
   naar de patiënt of bekostigingsstructuren. Kortom: vooral sturingsvragen. Niet of nau-
   welijks wordt melding gemaakt van de behoefte aan nieuwe behandelmethoden of
   nieuwe technieken. Ook de documenten van het RIVM; de Zorgbalans en de Volksge-
   zondheid Toekomst Verkenning, bevatten veel stuurvragen [5,14].
   De geformuleerde agenda’s, opgaven, adviezen en overzichten zijn samen te vatten in
   vier uitdagingen:
   1.   De kostenstijging van de gezondheidszorg lijkt vrijwel onstuitbaar, ondanks dat die
        stijging al jaren als een cruciaal probleem wordt gezien. Het Centraal Planbureau
        stelde in het voorjaar van 2013: De zorg in Nederland is van hoge kwaliteit en goed
        toegankelijk voor allen. De kosten zijn in de afgelopen tien jaar wel sterk gestegen.
        Wanneer die trend zich voortzet, gaat voor de lagere inkomens driekwart van de
        toekomstige inkomensstijging op aan extra premies voor de zorg. [15] Dit levert een
        stevige uitdaging op: om de gezondheidszorg solidair en goed toegankelijk te hou-
        den is beheersing van kosten hard nodig.
   2.   Op de wat langere termijn speelt er naast het financieringsprobleem ook een perso-
        neelsprobleem. Vanwege de demografische ontwikkelingen is het hoogst onzeker
        of er over 20 jaar wel voldoende mensen zijn die het arbeidsintensieve werk in de
        zorg kunnen leveren. Over de urgentie van deze uitdaging lijkt verschillend gedacht
        te worden. Nu, ten tijde van een crisis, lijkt het er op dat er teveel personeel is, ter-
        wijl in 2012 nog een tekort aan zorgpersoneel voor 2015 werd verwacht [16].
   3.   De levensverwachting van Nederlanders is de laatste jaren toegenomen [14]. Het
        succes van de gezondheidszorg heeft als paradoxale bijwerking dat steeds meer
        mensen ziek door het leven gaan. Door het succes van screening en behandeling is
        het aantal mensen met een chronische ziekte enorm toegenomen. Zelfs kanker en
        HIV zijn langzamerhand een chronische ziekte geworden. Het accent in de gezond-
        heidszorg heeft altijd gelegen op het verlengen van het leven. In internationale
        benchmarks is de gemiddelde levensverwachting een belangrijke parameter. De uit-
95 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>         daging hier is om het accent te verleggen van langer leven naar langer leven in
         goede gezondheid.
   4.    Naast deze uitdagingen, die een zekere actuele urgentie hebben, speelt de perma-
         nente zorg voor de kwaliteit en veiligheid van de gezondheidszorg. Een belangrijke
         rol is hierbij weggelegd voor het kwaliteitsinstituut en kwaliteitsindicatoren. Ook
         wordt benadrukt dat het bij kwaliteit ook moet gaan om het perspectief van pati-
         ënten, om de bereikte kwaliteit van leven.
   Een voorbeeld van een visie op de gezondheidzorg is de agenda voor de zorg die 14 ver-
   schillende partijen gezamenlijk uitbrachten, waaronder organisaties van patiëntenorga-
   nisaties, artsen en verpleegkundigen [1]. De agenda bestaat uit negen punten:
   1.    Nadruk op gezondheid en gedrag en kwaliteit van leven
   2.    Zelfmanagement en eigen regie patiënt/cliënt
   3.    Hervormen van de care, optimaliseren van de cure
   4.    Zinnige en gepaste zorg
   5.    Een goed werkende arbeidsmarkt
   6.    Innovatieve zorg
   7.    Herinrichting van het zorglandschap
   8.    Mededinging ten dienste van samenwerking
   9.    Nieuwe bekostiging en financiering voor de zorg
   In deze agenda’s gaat het om vrij brede concepten, waarvoor het wellicht lastig is om
   aansluiting te vinden bij het onderzoeksbeleid in het kader van de topsectoren of hori-
   zon 2020. Daarom is nader gezocht naar uitwerkingen rond het begrip innovatie. Maar
   ook dan blijken de sturingsvragen de boventoon te voeren. Een citaat uit het advies van
   de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg:
        “Zorgen dat innovatie (zowel technische vernieuwing als de verbetering van zorg-
        processen en de organisatie van de zorg) meer gericht wordt op zelfredzaamheid
        van de patiënt en op de kosteneffectiviteit van de behandelingen. Zorgen voor een
        goede, transparante en tijdige informatievoorziening van en naar alle actoren. Zorg-
        aanbieders en zorgverleners zullen met medewerking van zorgverzekeraars en in sa-
        menwerking met het Kwaliteitsinstituut de informatievoorziening over de kwaliteit,
        de output en de kosten verbeteren…” [10].
   Het ‘geluid’ van de fondsen
   Een ander geluid is overigens hoorbaar bij de ‘fondsen’. Het gaat daarbij bijvoorbeeld
   om de strijd tegen kanker, alzheimer, diabetes of hart- en vaatziekten. Stuurvragen over
   de gezondheidszorg zie je nauwelijks bij deze fondsen, in hun uitingen gaat het vooral
   om het bestrijden van hun ziekte middels onderzoek. Het is ontegenzeggelijk zo dat
   deze fondsen hun boodschap verwoorden op een manier die een groot aantal Nederlan-
   ders raakt. Ze zullen hun geld ook vooral aan onderzoek op dit vlak besteden. Des te
96 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>   opmerkelijk dat dit soort ‘uitdagingen’ geen weerklank hebben gevonden in de agen-
   da’s van de hierboven aangehaalde partijen.
   De agenda van de zorg
   De constatering dat er onder betrokkenen in de gezondheidszorg een grote consensus
   bestaat over de aard van de maatschappelijke uitdagingen levert in principe een eenduidig
   uitgangspunt. Het abstractieniveau van deze uitdagingen is echter vrij groot en een nadere
   precisering van de agenda van de zorg is nodig. Op grond van de verschillende beleidsno-
   tities en adviezen is het mogelijk inzicht te geven in die agenda van de zorg, in de richting
   waar men oplossingen denkt te kunnen vinden voor de maatschappelijke uitdagingen. Die
   oplossingen worden gezocht in een andere inrichting van de gezondheidszorg en in
   nieuwe governance-modellen. Daarbij baseren we ons vooral op de beleidsagenda’s van
   het ministerie van VWS [6–9], de RVZ [17–19] en eigen waarnemingen.
   1.    Een andere inrichting van de zorg: een grotere rol voor de patiënt
   Deze ideeën hebben betrekking op het veranderen van de focus van handelen door de
   arts/hulpverlener naar handelen door de burger. Het gaat hierbij om een rijke baaierd
   aan ideeën, die betrekking hebben op de arts-patiënt relatie, op de rol van patiënten
   zelf, op hun relaties met hun omgeving en op een herinrichting van de gezondheidszorg
   zelf. Dit sluit aan bij een veel breder maatschappelijk beeld, dat van de omslag van een
   verzorgingsmaatschappij naar een participatiemaatschappij.
   1.1 Het accent komt te liggen op de rol van de patiënt of de burger zelf: Het gaat hier
   om zelfmanagement (waardoor enerzijds autonomie toeneemt en anderzijds het beroep
   op formele zorg beperkt zou kunnen worden) en preventie (met name gericht op activi-
   teiten die bijdragen aan de kwaliteit van leven, waarbij kwaliteit van leven breed wordt
   ingevuld) daarbij ook gedacht wordt aan het verbinden van preventie met andere maat-
   schappelijke sectoren zoals de ‘sport’ en ‘werk’.
   1.2 De arts patiënt relatie: Het gaat hierbij om het inbrengen van ‘zelfmanagement’ in
   de behandelrelatie (geconstateerd wordt dat het versterken van zelf management hulp-
   verleners niet in het bloed zit) en shared decision making versus informed consent
   (waarbij verwacht wordt dat shared decisions minder vaak leiden tot overbodig medisch
   handelen dan informed consent).
   1.3 De patiënt en zijn omgeving: Voor met name de Care-sector wordt nagedacht over
   de manier waarop mantelzorgers een grotere rol kunnen gaan spelen in de zorg die nu
   nog vanuit de Awbz en de Wmo wordt gefinancierd. Dit zal maatschappelijk grote ge-
   volgen kunnen hebben. Het veronderstelt een samenleving die minder geïndividualiseerd
   is. Maar ook in de curatieve sector ontstaan dit soort ideeën, zoals populatiegebonden
   bekostiging, maar ook een bijvoorbeeld het initiatief van de diabetesfederatie zich ook
   te richten op een gezonde leefomgeving [20].
97 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>   1.4 De zorg: Het thema ‘nee’ zeggen is opgekomen [21] en de vraag is gesteld of ‘wel
   alles moet wat kan’ (de vraag stellen is de vraag beantwoorden) [22]. Deze vraag speelt
   op dit moment met nadruk rond het einde van het leven, maar zal in de toekomst veel
   vaker en ook eerder worden gesteld.
   1.5 De organisatie van de zorg: Al enkele jaren wordt gesteld dat ‘de zorg in de buurt’
   versterkt moet worden. Daarbij wordt ook gedacht aan het verbinden van ‘de zorg’ met
   andere domeinen, als welzijn, wonen en sport. Wat hiervan wordt verwacht is enerzijds
   een grotere autonomie bij patiënten maar zeker ook een kostenverlagende werking. De
   hoeveelheid zorg zal niet moeten toenemen. Een toename van zorg in de eerste lijn, een
   belangrijke component van zorg in de buurt, zal gepaard moeten gaan met een ver-
   schuiving van budget uit de tweede lijn. Voor de eerste lijn is de uitdaging de menselijke
   maat niet uit het oog te verliezen. In ziekenhuizen zien we tenslotte de trend naar
   schaalvergroting en specialisatie. De evidence base voor deze laatste ontwikkelingen is
   beperkt..
   2.    Het ontwikkelen van nieuwe governance modellen in de zorg
   Zowel vanuit het belang van kostenbeheersing als vanuit de zorg voor kwaliteit en veilig-
   heid is grote behoefte aan nieuwe sturingsprincipes en governancemodellen.
   2.1 Kosten
   Het huidige financieringsstelsel is geen effectief instrument gebleken voor de beheersing
   van de kosten. Weliswaar leiden marktelementen in het stelsel tot verlaging van stuks-
   kosten van individuele behandeling voor een aantal behandelingen, maar onder voor-
   waarde van volumestijging. Ook is sprake van nieuwe toetreders in de zorg, waar een
   zekere autonome volumegroei vanuit zal gaan. De rol die verzekeraars zouden kunnen
   spelen als bewaker van de kosten komt nog maar nauwelijks uit de verf. Dit wordt deels
   veroorzaakt door wantrouwen onder verzekerden en zorgverleners jegens verzekeraars
   en het idee dat verzekeraars vooral op de kosten willen letten en niet op de kwaliteit,
   deels doordat verzekeraars tot dusver nog maar nauwelijks financieel verantwoordelijk
   waren. Dit laatste is snel aan het veranderen. Verzekeraars zullen op zijn best nog enkele
   jaren nodig hebben om een maatschappelijk breder geaccepteerde rol te gaan spelen.
   Daarnaast wordt nagedacht over sturingsmodellen waarin investeren in preventie loont,
   zoals systemen voor populatiegebonden bekostiging. Dan gaat het om prikkels die niet
   zozeer gericht zijn op het maken van meer productie, maar op het realiseren van gepast
   gebruik.
   2.2 Kwaliteit en veiligheid
   Vanwege het belang dat aan een goede kwaliteit van de gezondheidszorg wordt ge-
   hecht, richt het ministerie van VWS het Kwaliteitsinstituut op. “Het Kwaliteitsinstituut
98 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>   heeft als doel de kwaliteit van de in Nederland geleverde zorg te helpen verbeteren. ---
   Daarnaast heeft het instituut als doel de kwaliteit van de zorg inzichtelijk te maken voor
   patiënten, professionals in de zorg, de Inspectie voor de Gezondheidszorg en verzeke-
   raars. --- Uitgangspunt is dat patiënten, zorgverleners en verzekeraars het beste weten
   wat goede zorg is en daarover afspraken moeten maken in de vorm van een kwaliteits-
   standaard. Als deze partijen er om wat voor reden dan ook niet uitkomen, kan het Kwa-
   liteitsinstituut helpen” [23].
   Sinds 2004 is het onderwerp patiëntveiligheid stevig op de agenda gekomen, toen bleek
   dat in de Nederlandse gezondheidszorg jaarlijks 1735 mensen het leven verliezen wat
   waarschijnlijk voorkomen had kunnen worden. De laatste jaren is het aantal veiligheids-
   incidenten waarover wordt gepubliceerd in de media fors toegenomen. Recent is in een
   kamerdebat uitgebreid gesproken over de tekortschietende rol van de Inspectie op dit
   vlak.
   Was het definiëren van wat goede kwaliteit van zorg is lange tijd voorbehouden aan de
   professionals, de laatste decennia heeft het perspectief van patiënten op wat goede
   kwaliteit is steeds meer gewicht gekregen. Daarbij wordt de reikwijdte van dit begrip
   steeds vergroot. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het pleidooi voor een andere definitie van het
   begrip gezondheid: ‘Health as the ability to adapt and to self manage, in the face of so-
   cial, physical and emotional challenges’ [24]. Centraal staat niet meer het afwezig zijn
   van een ziekte, maar centraal staan veerkracht, functioneren en eigen regie. Je zou dit
   kunnen vangen onder het begrip kwaliteit van leven.
   De verbinding tussen de agenda van de zorg en de kennis- en
   ontwikkelingsagenda
   Een onderzoeks- en ontwikkelagenda die bijdraagt aan de agenda van de zorg levert
   kennis en innovaties die bijdragen aan de doelen van de zorg, zoals kwaliteit van leven
   en aan de randvoorwaarde van kostenbeheersing. Nu dragen kennis en innovaties niet
   vanzelfsprekend bij aan deze doelen. Zo blijkt dat ongeveer de helft van de kostenstij-
   gingen in de gezondheidszorg van de afgelopen tien jaar het directe gevolg zijn van in-
   novatie: we kunnen steeds meer en doen daardoor ook steeds meer. Innovatie is dus
   een belangrijke bron van kostenstijging[25]. Om innovaties ook bij te laten dragen aan
   kostenbeheersing is dus meer nodig dan alleen maar innovatieve ideeën.
   Die innovatieve ideeën zouden moeten aansluiten bij de inhoud van de agenda van de
   zorg: dus aan moeten sluiten bij de ambitie om patiënten een grotere rol te geven, om
   zorg meer in de buurt te organiseren, om zelfmanagement te versterken. Het gaat dan
   om de ontwikkeling van nieuwe technologieën, die bijdragen aan deze agenda. Daarbij
   wordt bijvoorbeeld veel verwacht van e-health. Maar ook de bijdrage van e-health-inno-
   vaties is verre van vanzelfsprekend. Daarnaast zijn we op zoek naar kennis en innovaties
   die betrekking hebben op de organisatie, inrichting en sturing van de zorg. Hier spelen
   veel verschillende vragen. Het gaat om vragen op bestuurlijk vlak, over de rol die ge-
99 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>    meentes kunnen spelen, maatschappelijk vraagstukken rond solidariteit in buurten en
    wijken, ethische vraagstukken over het stellen van grenzen terwijl er medisch gezien wel
    mogelijkheden zijn en vraagstukken rondom het versterken van zelfmanagement en
    therapietrouw. Het gaat om antwoorden die helpen bij het organiseren van de zorg, bij
    het inzetten van innovatieve technologieën op zo een manier dat deze bijdragen aan de
    kwaliteit van leven onder de voorwaarde van kostenbeheersing en aan de doelen kwali-
    teit en veiligheid.
    Het beperkte effect van kosteneffectiviteitsanalyse
    Kostenbeheersing staat natuurlijk al langer op de agenda in de zorg. Eén van de instru-
    menten daartoe is het uitvoeren van een kosteneffectiviteitsanalyse, voordat een innova-
    tie opgenomen wordt in het zorgaanbod. Daarbij wordt dan nagegaan in hoeverre de
    innovatie kosteneffectief is. Als die kosteneffectiviteit is aangetoond, dan kan worden
    besloten de innovatie op te nemen in het zorgaanbod. In de praktijk betekent dit echter
    niet dat daarmee de gezondheidszorg goedkoper wordt. Er zijn verschillende mechanis-
    men die ervoor kunnen zorgen dat een kosteneffectieve innovatie toch bijdraagt aan
    een verhoging van de kosten in de zorg. Allereerst geldt dat de baten van een investe-
    ring in de zorg niet altijd in geld zijn uit te drukken en ook niet als een vorm van rende-
    ment of besparing terugkeren in het zorgbudget. Denk bijvoorbeeld aan een behande-
    ling die leidt tot een langere levensduur bij patiënten. Dit kan een kosteneffectieve
    behandeling zijn: de prijs van een gewonnen levensjaar is bijvoorbeeld laag. Echter die
    prijs moet wel worden betaald, terwijl de baten niet leiden tot een kostenreductie. Een
    ander mechanisme is dat een kosteneffectiviteitsanalyse kan uitwijzen dat een bepaalde
    behandeling goedkoper is dan een andere behandeling, met eenzelfde effect. Dit zou
    dus kunnen leiden tot een kostenreductie als die nieuwe behandeling wordt ingezet als
    vervanger van de oude. Maar, dat hoeft niet altijd te gebeuren. Het kan heel goed zijn
    dat beide behandelingen naast elkaar blijven bestaan, wat juist tot een kostenstijging
    leidt. Een derde mechanisme is dat een kosteneffectieve behandeling in de praktijk veel
    breder wordt ingezet dan aanvankelijk verwacht. Denk aan een dotterbehandeling. Als
    deze alleen zou worden ingezet als alternatief voor een openhartoperatie, dan is deze
    zeer kosteneffectief. Het ligt echter voor de hand dat in de klinische praktijk eerder be-
    sloten wordt tot een dotterbehandeling, dan tot een openhartoperatie, vanwege de ge-
    ringere belasting voor de patiënt. Hierdoor neemt het aantal behandeling toe en daar-
    mee ook de kosten van de zorg, ondanks dat de nieuwe behandeling goedkoper is dan
    de oude behandeling. Dit betekent dat een nuttige exercitie als een kosteneffectiviteits-
    analyse geen garantie biedt voor kostenbeheersing. Het probleem is dat bij een kosten-
    effectiviteitsanalyse de mogelijke baten van een losstaande innovatie wordt beoordeeld
    in een min of meer statische context, terwijl de toepassing van die innovatie plaats vindt
    in een dynamische context, waarbij die dynamiek er voor zorgt dat een mogelijk kosten-
    besparend effect niet wordt gerealiseerd. Die dynamiek is dagelijkse praktijk. Voor het
    beantwoorden van de vraag hoe te komen tot kostenbeheersing zijn dus instrumenten
    nodig die passen bij de dynamiek van die praktijk.
100 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>    Hoe gaan andere landen om met het leggen van de link tussen maatschappelijke
    opgaven en onderzoek?
    Vanuit de AWT is de vraag gesteld naar mogelijke voorbeelden voor de link tussen het
    vaststellen van maatschappelijk opgaven en de onderzoeks- en ontwikkelingsagenda in
    de gezondheidszorg. Recent is hierover gepubliceerd door Ettelt en Mays [26] . Ze con-
    stateren dat op enkele uitzonderingen na er geen samenhangende strategie is op dit ge-
    bied. “In England, the government published ‘Best Research for Best Health’ in 2006
    which set out its strategic aims for funding health research, including HSR.9 Likewise,
    the Scottish Chief Scientist Office, in 2009, published a comprehensive strategy for
    health research. Both countries share a long tradition of HSR supported by government
    funding”.
    Een voorbeeld uit Canada is het project ‘Listening for Direction’, waarin op een uitge-
    breide en systematische manier gezocht wordt naar prioriteiten op het gebied van ge-
    zondheidsonderzoek: met rapportages in 2001, 2004 en 2007. Onduidelijk is of deze
    activiteit wordt gecontinueerd. Onduidelijk is ook wat hier precies de impact van is. Wel
    geeft Canadian Institutes of Health research (een financieringsorganisatie voor gezond-
    heidsonderzoek) aan dat de resultaten van dit proces gebruikt worden als één van de
    bronnen voor hun programmering.
    Ettelt en Mays constateren dat andere, meer indirecte, mechanismen leiden tot priorite-
    ring van onderzoek. Daarbij speelt de selectie binnen de wetenschappelijke wereld een
    doorslaggevende rol. De uitzondering is de Health Technology Assessment, waar wel
    een directere relatie is tussen beleid en de onderzoeksagenda. Ettelt en Mays beant-
    woorden vervolgens de vraag niet hoe dit mechanisme dan uitpakt. In een al wat ouder
    advies van de Raad voor Gezondheidsonderzoek wordt geconstateerd dat het gezond-
    heidszorgonderzoek, waar onder meer de stuurvragen aan de orde komen, lager wordt
    gewaardeerd dan bijvoorbeeld het biomedische onderzoek [27].
    Het topsectorenbeleid: met name Life Sciences and Health
    In de volgende alinea’s gaan we in op het topsectorenbeleid en dan vooral op het onder-
    deel Life Sciences and Health. Daarbij baseren we ons vooral op de formele documen-
    ten, die inzicht geven in de uitgangspunten van dit beleid. Centraal staat daarbij de
    vraag of in hoeverre in deze documenten keuzes worden gemaakt die het waarschijnlijk
    maken dat de activiteiten die hieruit voortvloeien aan zullen sluiten bij de hierboven be-
    schreven agenda voor de zorg. In dit stuk maken we geen analyse van de reeds gestarte
    projecten, deels omdat de concrete invulling van dit beleid nog goeddeels gestalte moet
    krijgen.
    In het topsectorplan Life Sciences & Health wordt de missie van LSH als volgt omschre-
    ven: Life Sciences & Health levert producten en technologieën die het in toenemende
    mate mogelijk maken ziekten te voorkomen (preventie), vroeg op te sporen (vroegdiag-
    nostiek), effectief te behandelen (therapie op maat) en zorg te verplaatsen van het zie-
101 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>    kenhuis naar de thuisomgeving (zelfmanagement). Deze oplossingen verhogen de kwali-
    teit van leven, vergroten en verlengen de productiviteit en helpen de sterk oplopende
    kosten van de zorg beheersen. Voorkomen is goedkoper dan genezen. Tijdige diagnose
    en maatwerk in therapie voorkomen onnodige, dure behandelingen. Zelfmanagement
    vergt minder handen aan het bed – anders heeft de gezondheidszorg over vijftien jaar
    enkele honderdduizenden extra mensen nodig om aan de zorgvraag te voldoen[28].
    In hetzelfde document staat de volgende passage: De topsector Life Sciences & Health
    ziet het als zijn maatschappelijke opdracht oplossingen te ontwikkelen en te leveren
    voor hogere kwaliteit tegen lagere kosten. Dat vraagt wel om een paradigmaverschui-
    ving in de sector en bij de overheid. In het verleden deed innovatie de kosten stijgen
    (want het maakte meer behandeling mogelijk). In de toekomst moet onderzoek vooral
    gericht zijn op innovaties die (ook) kosten en arbeid besparen. Daarbij moet de zorg ge-
    zien worden als een systeem waarvan, om de totale kosten te laten afnemen, soms in
    een individueel onderdeel de kosten, moeten stijgen. Het vergt een integrale benade-
    ring, transparantie en multidisciplinaire samenwerking tussen Life Sciences & Health, de
    zorg en de overheid. Ook daarom is de (fysieke) infrastructuur en publiek-private samen-
    werking van lab tot kliniek zo belangrijk.
    Het moge duidelijk zijn dat bij de vormgeving van de topsector Life Sciences & Health
    gezocht wordt naar een invulling die qua inhoud en op hoofdlijnen aansluit bij de
    agenda van de zorg: voorkomen van ziekte, verplaatsen van zorg in het ziekenhuis naar
    thuis en zelfmanagement. Ook blijkt men zich bewust van het potentiele opdrijvende ef-
    fect van onderzoek en innovatie op de kosten van de zorg. Dit risico is met zoveel woor-
    den aan de orde gesteld door de DG volksgezondheid van het ministerie van VWS. In
    een voordracht [29] uitte hij zijn zorgen over dit risico en sprak hij de hoop uit dat dit ef-
    fect niet zou optreden.
    Ook in het innovatiecontract, een document van later datum, wordt aandacht besteed aan
    de noodzaak van kostenbeheersing[30] : “That is the vision of the topsector Life Sciences
    & Health: to increase health and wealth for both our society and the economy by turning
    our biggest challenge into our biggest opportunity. The topsector aims to develop cost-ef-
    fective health solutions and accelerate their delivery. The topsector aims for a paradigm
    shift: where in the past innovations often added to healthcare costs by making more treat-
    ment possible and thus generating additional demand, tomorrow’s innovations must also
    reduce costs and labor. That is not a paradox, but a genuine possibility.”
    Wat in beide documenten opvalt is dat nadrukkelijk wordt gesproken over de intentie
    om bij te dragen aan kostenbeheersing. Echter, in de documenten ontbreken vervolgens
    concrete instrumenten, stappen, aangrijpingspunten of maatregelen die dit een realis-
    tisch perspectief zouden kunnen maken: het gaat om een genuine possibility. Eerder be-
    toogden we dat dit soort instrumenten essentieel zijn omdat anders innovatie zal wer-
    ken als bron voor kostenstijging, ondanks de mogelijke kosteneffectiviteit van de indivi-
102 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>    duele innovatie. Dit soort instrumenten ontbreekt geheel. Ook in de concrete ambities,
    zoals geformuleerd in het LSH programma, wordt men niet concreter. Het meest con-
    crete doel is gericht op het vergroten van omzetten, terwijl de beheersing van groei als
    een bijkomend effect wordt gepresenteerd:
    Hiertoe streeft de sector de volgende ambities na [28]:
    1.    Het bedrijfsleven behoort tot de snelste 3 groeiers in Europa (omzet en winstge-
          vendheid), de werkgelegenheid, de ontwikkelportfolio en de omzet uit de export
          groeien sneller dan gemiddeld in Europa en meer dan 10% van de omzet wordt in
          R&D geïnvesteerd.
    2.    De sector ontwikkelt zorgoplossingen die de kwaliteit van leven verhogen, mensen
          langer in hun eigen omgeving laten wonen, bijdragen aan een hogere arbeidspro-
          ductiviteit in de zorg en daarbuiten en bijdragen aan de beheersing van de ver-
          wachte sterke groei van de zorgkosten.
    Bezien we vervolgens hoe NWO zijn propositie voor LSH omschrijft, dan valt op dat
    vooral gekozen wordt voor een link met het bedrijfsleven en de ‘maakindustrie’ [31]:
    “Om de koppeling tussen onderzoek en bedrijfsleven mogelijk te maken is bewust geko-
    zen voor de technologische insteek van de roadmaps, en niet voor de ziektegerichte of
    maatschappelijke aanvliegroute.”
    In de aankondiging van het Horizon2020programma treffen we de volgende zin aan:
    “... Horizon 2020 will tackle societal challenges by helping to bridge the gap between
    research and the market by, for example, helping innovative enterprise to develop their
    technological breakthroughs into viable products with real commercial potential. This
    market-driven approach will include creating partnerships with the private sector and
    Member States to bring together the resources needed.” [32]
    Ook hier lijkt het accent te liggen op de mogelijkheden die de markt en ondernemingen
    bieden op het gebied van technologie en producten met een commercieel perspectief.
    Conclusie
    Deze analyse laat zien dat de agenda van de zorg en de onderzoeksagenda’s Life scien-
    ces and health en Horizon 2020 zich richten op twee verschillende werkelijkheden. De
    onderzoeksagenda’s richten zich op individuele ziekten en losstaande innovaties, terwijl
    in de agenda van de zorg het maatschappelijke vraagstuk van de duurzaamheid; kwali-
    teit en betaalbaarheid; van de zorg centraal staat.
    De zorg kenmerkt zich door een gestage groei, vaak groter dan de groei van het bruto
    nationaal product. Een belangrijke aanjager van de groei in de gezondheidszorg is de
103 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>    ontwikkeling van innovatieve producten of behandelingen. In de documenten voor de
    top sector Life Sciences & Health wordt gewezen op het belang van kostenbeheersing.
    Maar het ontbreekt aan een uitgewerkte strategie om dit te bereiken. De voorlopige op-
    zet van Horizon 2020 doet ook vermoeden dat deze strategieën ook niet in dit pro-
    gramma zullen worden opgenomen. Natuurlijk is het heel aantrekkelijk om in tijden van
    budgettaire krapte aan te haken bij de investeringsagenda van het bedrijfsleven. Voor
    elke publieke euro kan op die manier meer waarde worden gegenereerd. Een bijkomend
    voordeel is ook nog dat er een partij betrokken is die eventuele successen zal willen toe-
    passen. Dit vergroot de kans dat innovatieve ideeën ook worden toegepast. De bijwer-
    king is evenwel dat hierdoor vooral gezocht zal worden naar innovaties die commercieel
    interessant zijn. Daarmee komt kostenbeheersing op het tweede plan, niet meer dan
    een genuine possibility, dit is geen noodzaak.
    Daarnaast zien we dat in de topsector en bij de opzet van Horizon 2020 vooral wordt in-
    gezet op techniek en bedrijfsleven, er moeten dingen gemaakt en verkocht kunnen wor-
    den. Wat in deze onderzoeksagenda’s ontbreekt is aandacht voor vraagstukken die te
    maken hebben met de organisatie, governance en sturing in de zorg. Hoe krijgen we
    het voor elkaar dat het accent in de zorg verlegd wordt naar de patiënt, van zorgen voor
    de patiënt naar zorgen door de patiënt. Van zorg die vooral plaats vindt in het zieken-
    huis naar zorg die in de buurt van de patiënt is georganiseerd. Van zorg, waarin centraal
    staat dat alles wat we kunnen ook wordt toegepast, naar zorg waarin dit niet altijd ge-
    beurd. Dit zijn vragen die zich niet laten beantwoorden in het technologische domein. In
    de topsector Life Sciences & Health ontbreken dit soort vragen geheel. Ook in de NWO
    propositie ontbreekt dit maatschappelijke perspectief.
    De topsector Life Sciences & Health en Horizon 2020 zullen prachtige en inspirerende in-
    novaties opleveren, die zullen kunnen bijdragen aan de kwaliteit en uitkomsten van de
    gezondheidszorg. Maar, die bijdrage is te eenzijdig. De kernvragen waar we in de Ne-
    derlandse gezondheidszorg voor staan zijn op dit moment vooral stuurvragen: hoe zor-
    gen we voor een houdbare gezondheidszorg? Daar hoort innovatie bij, maar ook kennis
    over hoe die innovatieprocessen zo in te richten, dat ze bijdragen aan die duurzaamheid
    en niet alleen maar aan een vergroting van omzet.
    Reference List
    1. 	ActiZ - CSO - GGD Nederland - GGZ Nederland - KNMG - LHV - LVG - NFU - NPCF
          - NVZ - OMS - VGN - V&VN - ZN (2012) Agenda voor de zorg.
    2.    Joumard I (2011) Cross-country comparison of health care system efficiency.
    3. 	Harbers M, Wilk Evd, Kramers P, Kuunders M, Verschuuren M, Eliyahy H, Achter-
          berg P (2008) Dare to compare.
    4. 	Mackenbach JP, McKee M (2013) De resultaten van het Nederlandse gezondheids-
          beleid, een Europese vergelijking. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 157:
          A5687.
    5.    (2013) Zorgbalans; zorguitgaven en bruto binnenlands product.
104 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>    6. 	Ministerie van VWS (2009) Maatschappeljke opgaven volksgezondheid en gezond-
          heidszorg; Update anno 2009 met prioritaire thema’s voor de kennis- en innovatie-
          agenda voor de gezondheidssector.
    7.    Ministerie van VWS (2011) Beleidsagenda VWS 2012.
    8.    Ministerie van VWS (2009) Beleidsagenda VWS 2010.
    9. 	Ministerie van VWS (2013) Kamerbrief over Gezamenlijke agenda VWS: ‘Van sys-
          temen naar mensen’.
    10.   Raad voor de volksgezondheid en zorg (2010) Perspectief of gezondheid 20/20.
    11.   SER (2012) Naar een kwalitatief goede, toegankelijke en betaalbare zorg.
    12.   KNMG (2013) Concept visiedocument: Zorg waar de KNMG federatie voor staat.
    13.   Orde der medisch specialisten (2013) Visiedocument de medisch specialist 2015.
    14. 	Lucht Fvd, Polder J (2010) Van gezond naar beter, kernrapport van de volksge-
          zondheid toekomst verkenning 2010.
    15.   Centraal planbureau (2013) De toekomst voor de zorg.
    16. 	Onderzoeksprogramma arbeidsmarkt zorg en welzijn (2012) Arbeidsmarktprogno-
          ses van VOV-personeel in Zorg en Welzijn 2011-2015.
    17.   Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (2013) De participerende patiënt.
    18.   Raad voor de volksgezondheid en zorg (2012) Regie aan de poort.
    19.   Raad voor de volksgezondheid en zorg (2012) Redzaam ouder.
    20.   Nederlandse diabetesfederatie (2013) NDF Masterplan Diabetes.
    21. 	Faber M, Loenen Tv, Berg Mvd, Westert G (2012) Huisarts kan zorg betaalbaarder
          maken. Medische Contact 2574-2576.
    22.   Haaft Gt (2013) Moet alles wat kan? ZonMw.
    23.   (2013) Het Kwaliteitsinstituut.
    24. 	Huber M, Knottnerus JA, Lawrence G, Henriette vdH, Alejandro RJ, Daan K, Brian
          L, Kate L, Maria IL, Jos WM, Paul S, Richard S, Chris vW, Henk S (2011) How
          should we define health? BMJ 343.
    25. 	Kommer G, Wong A, Slobbe L (2010) Determinanten van de volumegroei in de
          zorg.
    26. 	Ettelt S, Mays N (2012) Health services research in Europe and its use for informing
          policy. Journal of Health Services Research & Policy 16: 48-60.
    27.   Raad voor gezondheidsonderzoek (2008) Gezond zorgonderzoek.
    28.   (2011) Topsectorenplan Lifesciences & Health.
    29.   Huijts P. (2012) Topsector Life Sciences & Health en de houdbaarheid van de zorg.
    30. 	Regiegroep Life Sciences & Health (2012) Innovation contract 2012 from the top-
          sector Life Sciences & Health.
    31.   (2011) NWO-propositie voor de Topsector Life Sciences and Health.
    32.   (2011) The EU Framework Programme for Research and Innovation.
105 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>    Casus veiligheid
    Frank Bekkers, Den Haag Centrum voor Strategische Studies (HCSS)
    Inleiding
    Het kabinet signaleert dat maatschappelijke uitdagingen als ‘motoren voor economische
    groei’ fungeren, maar in de uitwerking van het bedrijvenbeleid zien we hier (te) weinig
    van terug.47 ‘Veiligheid’ is zo’n maatschappelijke uitdaging, en wel een waar de overheid
    zelf nadrukkelijk aan zet is. Het beschermen van zijn burgers is van oudsher misschien
    wel de belangrijkste kerntaak van de overheid, zeker wanneer het geweldsmonopolie
    dat vereist of de noodzakelijke doorzettingsmacht binnen de samenleving ontbreekt.
    Ook in praktische zin heeft de overheid een dominante positie in het veiligheidsdomein,
    als behoeftesteller én als afnemer van veiligheidsproducten en -diensten.
    Het concept ‘veiligheid’ heeft de afgelopen twee decennia een ontwikkeling doorge-
    maakt waarin internationale veiligheid en veiligheid binnen Nederland steeds meer ver-
    weven zijn geraakt. Landsgrenzen verliezen aan betekenis, in praktische en institutionele
    zin, maar ook in termen van risico’s en dreigingen. De huidige wereld wordt gekenmerkt
    door een grote, in de geschiedenis ongeëvenaarde, verwevenheid op politiek, econo-
    misch, ecologisch, technologisch, sociaal en cultureel vlak. Hierbij vervaagt het klassieke
    onderscheid tussen nationaal en internationaal, intern en extern. Internationale vraag-
    stukken rond vergrijzing, extreme armoede, grote macrofinanciële onevenwichtigheden,
    de strijd om grondstoffen, klimaatverandering, proliferatie van dodelijke technologie: zij
    beïnvloeden allen direct of indirect de veiligheid, de welvaart en het welzijn van Neder-
    land en van de ons omringende landen.
    Externe en interne veiligheid raken conceptueel steeds meer vervlochten. Onder de noe-
    mer ‘strategie nationale veiligheid’ is in 2007 een activiteit gestart om veiligheid inte-
    graal en overheidsbreed te benaderen.48
    47
       In de kamerbrief Visie op het toegepast onderzoek van 5 juli 2013 stelt minister Kamp van Economische Zaken, onder het kopje
       Maatschappelijke thema’s en publieke taken: “Evenzeer spelen binnen de topsectoren maatschappelijke vragen een belangrijke
       rol. Het bedrijfsleven biedt vaak een oplossing voor maatschappelijke vragen. Die maatschappelijke vragen zijn voor de bedrijven
       tegelijk weer een interessante groeimarkt. De uitdaging ligt erin de synergie die er is tussen economische en maatschappelijke
       doelen ook daadwerkelijk te realiseren.”
    48
       M inisterie van BZK, Nationale Veiligheidsstrategie, 2007.
106 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>    In 2011 hebben de ministeries van Buitenlandse Zaken, Defensie en Veiligheid & Justitie
    besloten om ook hun continue analyse van de ontwikkelingen in de veiligheidsomgeving
    gezamenlijk uit te voeren, resulterend in de jaarlijkse interdepartementale Strategische
    Monitor.49
    Ondanks deze conceptuele en beleidsmatige vervlechting, zijn er ook grote verschillen
    tussen de verschillende deeldomeinen van veiligheid. Een analyse van de wijze waarop
    het maatschappelijk vraagstuk veiligheid adequaat in het topsectorenbeleid kan worden
    gebracht, dient ten minste onderscheid te maken tussen internationale veiligheid, in het
    bijzonder de op militaire inzet gebaseerde veiligheid, en de veiligheid binnen Nederland.
    Weliswaar zijn er institutionele, marktgedreven, financiële en technologische ontwikke-
    lingen werkzaam die er toe leiden dat deze twee domeinen niet alleen conceptueel,
    maar ook in praktische zin meer naar elkaar toe groeien. Dit is echter een langzaam pro-
    ces dat nog verre van voltooid is. Zo werd in een recente studie voor de Europese com-
    missie geconcludeerd dat de feitelijke synergie – met name wederzijdse spin-offs– tussen
    de Europese defensie- en de veiligheidsmarkt beperkter is dan wel eens wordt veronder-
    steld.50
    Daarnaast kijken we apart naar cybersecurity, oftewel veiligheid in de wereld van inter-
    net, digitale informatiebanken, online betalingsverkeer en elektronisch aansturing van
    vitale utiliteitsvoorzieningen. In dit zeer dynamische domein ontstaan belangrijke nieuwe
    veiligheidsvraagstukken, waarbij ‘nationaal’ en ‘internationaal’ in elkaar overlopen. Ster-
    ker nog, het onderscheid heeft in het cyberdomein nauwelijks meer betekenis. Verder
    zijn we nog maar net begonnen een idee te vormen wat ‘veiligheid’ in het cyberdomein
    precies inhoudt, en zijn we zeker nog niet zo ver dat de taken, verantwoordelijkheden
    en bevoegdheden rond cybersecurity helder geregeld zijn.
    Deelcasus DEFENSIE
    De uitdaging
    Waar het gaat om de inzet van militaire middelen is de overheid met zijn krijgsmacht
    monopolist. De taken van en gezag over de krijgsmacht zijn grondwettelijk verankerd in
    Artikel 97: “Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van
    het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de inter-
    nationale rechtsorde, is er een krijgsmacht. De regering heeft het oppergezag over de
    krijgsmacht.” Defensie is al eeuwenlang een nationale verantwoordelijkheid, met natio-
    nale defensiemarkten, onderzoeksinstituten en industriële complexen. De monopolisti-
    sche vraag en het beperkte aanbod hebben tot gevolg dat de defensiemarkt een goed
    gestructureerde, op de lange termijn gerichte vraagarticulatie kent, vaak met tussen de
    vraag- en aanbodzijde gedeelde roadmaps.
    49
       Z ie voor toepassing van de resultaten van de Strategische Monitor onder meer: ministerie van Buitenlandse Zaken, Internationale
       Veiligheidsstrategie. Veilige Wereld, Veilig Nederland, juni 2013; en ministerie van Defensie, Kamerbrief Hoofdlijnen, juni 2013.
    50
        Ecorys, TNO, HCSS et al., Study on Civil Military Synergies in the Field of Security, 2012.
107 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>    Hoewel aan overheidszijde meer internationale vraagafstemming plaatsvindt en aan de
    industriekant een consolidatieproces aan de gang is, is de Europese en de wereldwijde
    defensiemarkt nog bij uitstek imperfect. Uitwisseling van geavanceerde defensietechno-
    logie gebeurt op basis van afspraken tussen nationale overheden, volgens het principe
    ‘voor wat hoort wat’. Verder wordt de defensiemarkt gekenmerkt door een gerichtheid
    op effectiviteit, waarbij prijs en kosten van militair materieel een afgeleide van de specifi-
    caties zijn. Dit laatste is aan het veranderen. De stijgende kosten van defensiematerieel
    (die in veel gevallen de algemene prijsindexcijfers en, belangrijker, de trendmatige ont-
    wikkeling van de overheidsbudgetten te boven gaat), in combinatie met forse bezuini-
    gingen op de Europese defensie-uitgaven, maakt dat het beschikbare budget een steeds
    grotere rol speelt in aanschaftrajecten. Het slepende dossier over de opvolger van de
    F-16, waarbij het beschikbare budget en niet de op, operationele of praktische gronden
    bepaalde, aantallen vliegtuigen leidend is, is een duidelijk voorbeeld.51
    Tegelijk zien we dat het palet aan dreigingen voor Europa en Nederland gevarieerder en
    minder voorspelbaar is dan in het verleden. Het risico van grootschalige gewapende
    conflicten tussen staten lijkt momenteel klein, maar is niet afwezig. Zo kunnen bijvoor-
    beeld schermutselingen over toegang tot grondstoffen escaleren. Actueel zijn de drei-
    gingen die uitgaan van instabiliteit in en rond fragiele en falende staten, internationaal
    georganiseerde misdaad en piraterij, catastrofaal terrorisme, proliferatie van militaire
    technologie en cyberaanvallen. Dit diffuse dreigingsbeeld stelt hoge eisen aan de brede
    inzetbaarheid en flexibiliteit van Europese krijgsmachten. Dit wordt versterkt door de
    Amerikaanse strategische beweging richting Azië (Asian pivot). Europa moet steeds
    meer zijn eigen militaire boontjes doppen, met als voorbeeld de actuele ontwikkelingen
    in Noord Afrika en het Midden Oosten. Dit vereist extra investeringen in militaire capaci-
    teiten die Europa nu in onvoldoende mate bezit. Tegelijk krimpen de defensiebudgetten.
    Krijgsmachten worden kleiner, schaalvoordelen lastiger te realiseren. Alleen door afstem-
    ming en bundeling kan Europa nog voldoende militaire slagkracht op de mat brengen:
    “Military cooperation is no longer a choice, but a necessity”.52
    Innovatie in het defensiedomein moet dus gericht zijn op kostenbeheersing en op het
    kunnen (blijven) beschikken over een breed palet aan hoogwaardige militaire capacitei-
    ten gebaseerd op, deels unieke, technologie, maar dan in toenemende mate in interna-
    tionaal verband te ontwikkelen, aan te schaffen, te beheren en in te zetten.
    Wie pakt de uitdaging op?
    De overheid heeft in het defensiedomein een dominante rol, aan de voorkant (behoef-
    testeller, innovation leader) én de achterkant (grootafnemer, export regulator) van de
    ontwikkelings- en innovatieketen. Defensieonderzoek bij de onderzoeksinstellingen als
    TNO, NLR en Marin is vooral publiek en maar beperkt privaat vraaggestuurd.
    51
       Kamerbrief ministerie van Defensie, Hoofdlijnen, juni 2013.
    52
       Openingszin uit toespraak van minister Hennis-Plasschaert, tijdens de Berlin Strategy Conference op 28 mei 2013.
108 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>    Ook private R&D gebeurt in nauwe afstemming met de overheid. Overheidsbemoeienis -
    tenminste sanctionering, maar in de praktijk veelal actieve betrokkenheid – is een condi-
    tio sine qua non voor iedere structurele aanpak in deze sector.
    De Defensiegerelateerde Industrie is van oudsher goed af te bakenen. De sector wordt
    wel diffuser door de verbreding naar ‘defensie en veiligheid’ en door de komst van
    nieuwe toetreders voor wie de defensiemarkt een afgeleide markt is.53 Systeemintegra-
    toren spelen een belangrijke rol van in het enerzijds richten van en anderzijds benutten
    van innovatie in de toeleveringsketen. Alleen in het marinedomein kent Nederland ook
    een echte OEM, namelijk Damen Schelde Naval Shipbuilding (DSNS). Het feit dat de ma-
    rinebouwcluster wordt gezien als een schoolvoorbeeld van succesvolle samenwerking
    tussen overheid, industrie en kennisinstituten, is mede te danken aan de leidende rol
    van de Koninklijke Marine, als leader firm binnen een volwassen en zowel nationaal als
    internationaal succesvolle waardeketen.
    In het luchtvaartcluster is Fokker een belangrijke speler, en ook deelsysteemintegrator,54
    maar geen echte innovatieleider voor de toeleveringsketen. Er zijn wel bewegingen,
    vanuit de industrie en vanuit de overheid, om de Nederlandse lucht- en ruimtevaartin-
    dustrie meer als cluster te laten opereren. Het complexere (want veel meer verschillende
    platformen en systemen) landdomein heeft geen internationaal leidende Nederlandse
    industriële spelers. Richtinggevende daadkracht vanuit de Nederlandse industrie is hier
    veel minder te verwachten.
    Defensie en Economische Zaken hebben in 2007 gezamenlijk een Defensie Industrie
    Strategie (DIS) opgesteld.55 De uitdaging was om een synthese of evenwicht te vinden
    tussen twee contrasterende modellen. EZ staat daarbij voor het principe van het gelijke
    speelveld, terwijl Defensie juist gebaat is bij het ontwikkelen en benutten van hoogwaar-
    dige technologie die niet vrijelijk op de wereldmarkt beschikbaar is. In de DIS wordt ge-
    tracht een evenwicht tussen deze modellen te vinden door het benoemen van ‘prior-
    itaire technologiegebieden’ waarop vooral het laatste van toepassing is – en, impliciet,
    alle andere gebieden waarop het eerste geen bezwaar (of zelfs voordelig) is. In de prak-
    tijk wordt de implementatie van de DIS bijna geheel gedragen - lees: gefinancierd - door
    Defensie. In 2012 zou een herziening van de DIS verschijnen. Deze is vertraagd en ver-
    schijnt naar verluid later dit jaar. Een belangrijke overweging in de DIS is hoe structurele
    publiek-private samenwerking te combineren met Europese aanbestedingsregels. Artikel
    346 van het werkingsverdrag van de EU maakt het voor de lidstaten mogelijk ter
    bescherming van hun veiligheidsbelangen af te wijken van de standaard procedure voor
    Europese aanbesteding. Dit artikel werd door vele landen ruimhartig toegepast. Met
    Richtlijn 81 wil de Europese Commissie het oneigenlijke gebruik van Artikel 346 terug-
    dringen.
    53
       TRIARII, De Nederlandse defensie- en veiligheid gerelateerde industrie 2012, 2012.
    54
       Zo is Fokker ELMO te beschouwen als integrator voor het functionele deelsysteem ‘signaaloverdracht’ in vliegende platformen.
    55
       Ministeries van EZ en Defensie, Defensie Industrie Strategie, 2007.
109 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>    Artikel 346 zou alleen nog ter bescherming van wezenlijke nationale veiligheidsbelangen
    mogen worden toegepast. De nationale toepassing van Richtlijn 81 is in een debat op
    26 september 2012 in de Tweede Kamer besproken. De neiging van de meeste partijen
    was dat Nederland niet voorop moet lopen in Europa bij een strenge uitleg van Richtlijn
    81. Toepassing van artikel 346 moet per geval worden bekeken. De herziene DIS zou
    hier nadere uitspraken over moeten doen, onder meer door een actualisering van de pri-
    oritaire technologiegebieden.
    De uitdaging waar Defensie, de defensie-industrie en de defensieonderzoeksinstituten
    voor staan kent zeker technologische (inclusief ‘sociale’ technologie) en organisatorische
    aspecten. Dit geldt ook voor internationale initiatieven zoals pooling & sharing. Maar
    geen smart defence zonder smart politics. De defensiemarkt is een monopsonie, met de
    overheid als bepalende speler. Het is de politiek die de speelruimte en opties bepaalt.
    Naar een mogelijke oplossing
    De ambities en de middelen van de krijgsmacht lopen uit de pas. Om niet voortdurend
    de ambities naar beneden te hoeven bijstellen, is het noodzakelijk dat de investeringen
    in Defensie beter renderen en efficiënter worden benut. Een belangrijke oplossingsrich-
    ting bestaat uit structurele samenwerking met internationale partners en met het be-
    drijfsleven, om zo te profiteren van schaalvoordeel, zowel financieel als in termen van
    kwaliteit. In internationaal verband spelen politieke vraagstukken als soevereiniteit, secu-
    rity of supply, Europese aanbestedingsregels en internationale burden sharing een be-
    langrijke rol. De financiële problematiek dwingt tot pragmatisme op dergelijke aspecten.
    Defensie is nadrukkelijker dan in het verleden PPS-constructies met het (nationale) be-
    drijfsleven en kennisinstellingen aan het uitproberen. De beweging in het besturingsmo-
    del van Defensie waarbij de Operationele Commandanten (weer) meer bevoegdheid krij-
    gen om de instandhouding en gereedstelling decentraal te organiseren, helpt daarbij.
    Vanwege de langetermijninvesteringen, het specifieke maatwerk in het defensiedomein,
    classificatie-eisen en de toegenomen nadruk op levensduuroplossingen, gaat het om, in
    beginsel, langdurige partnerschappen. De uitdaging is om in dergelijke structurele, ver-
    trouwde relaties toch gezonde marktprikkels in te bouwen. Dit kan onder meer – en ge-
    beurt ook al zo – door structurele relaties met systeemintegratoren aan te gaan die ver-
    volgens in hun toeleveringsketen concurrentiestelling toepassen. Verder wordt
    nadrukkelijk gekeken naar het meer benutten van ‘civiele’ technologie in militaire syste-
    men. Dit kan in veel gevallen kosten besparen en/of kwaliteitswinst betekenen. Het de-
    fensiebeleid is om defensiespecifieke innovatie zo veel mogelijk te laten plaatsvinden op
    een geïntegreerd niveau, waarbij componenten en deelsystemen in beginsel ‘van de
    plank’ worden betrokken.56 Dit verhoogt wel de kwetsbaarheid en afhankelijkheid van
    partijen waar Defensie geen zeggingskracht – en vaak zelfs geen zicht – op heeft. Ver-
    der is dit in zekere tegenspraak met het basale steven van krijgsmachten om militaire su-
    56
        Ministerie van Defensie, Toetsingskader materieelverwerving van de plank, 2012.
110 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>    perieur te zijn aan mogelijke tegenstanders. Een sterk modulaire benadering lijkt de aan-
    gewezen weg, waarbij veel componenten van een militair systeem (of system of
    systems) aan civiele standaarden voldoen, maar op een aantal kritische punten én in hun
    integratie juist milspec zijn.
    Een belangrijk aspect is verder de noodzaak om bij de ontwikkeling en aanschaf van mi-
    litair materieel de totale levenscyclus te beschouwen. Het gaat dan zowel om de levens-
    duurkosten (total cost of ownership) als het functioneel en technologisch groeipotenti-
    eel. Een strikte scheiding tussen investerings- en exploitatiebudgetten en tussen
    jaarbegrotingen bijvoorbeeld, maakt een slimme uitruil lastig.
    Een voordeel van de centrale positie van Defensie en de krijgsmacht zelf in de innovatie-
    keten is dat technologische innovatie vrij eenvoudig kan worden gekoppeld aan andere
    elementen die nodig zijn om technische vernieuwing te laten renderen, zoals opleiding
    & training, manier van werken (doctrines en tactieken) en de logistieke organisatie. Hier
    ligt mogelijk een kans om het topsectorenbeleid te verrijken. Defensie heeft een duide-
    lijke missie, een eigen verantwoordelijkheid en eigen budgetten, en het zit zowel aan de
    voorkant als de achterkant van de innovatieketen. Het kan een duidelijk voordeel zijn –
    en is dat in de praktijk deels ook nu al - om de aansluiting van de sturing van innovatie
    vanuit defensiebelangen te laten zwaluwstaarten met een ondersteuning van topsecto-
    ren met het oog op de ontwikkeling van concurrentiekracht van bedrijven in Neder-
    land.57 De marinebouwcluster geldt als rolmodel. DSNS als systeemintegrator van Neder-
    landse marineschepen heeft een bloeiende exportpositie van marine- en vooral afgeleide
    schepen, bijvoorbeeld voor kustwachttaken. Het wereldwijd erkende technology leader-
    ship van de door DSNS (als platform integrator) voor en samen met de Koninklijke Ma-
    rine ontwikkelde schepen is hierbij een geweldig verkoopargument. Hetzelfde geldt voor
    belangrijke toeleveranciers van geavanceerde deelsystemen zoals Thales Nederland en
    Imtech. De achterliggende uitdaging is om ook elders innovatieprocessen voor militaire
    doeleinden zo in te richten dat de kans dat ze afgeleide civiele toepassingen opleveren
    groter is. Een mooie combi van een overheidsgedreven, taakgerichte benadering met
    duidelijk economisch rendement.
    Verdere consolidatie van de defensie-industrie in Europa is onontkoombaar. De Neder-
    landse industrie moet daarin mee en kan voorsorteren door zich goed te positioneren in
    de internationale netwerken. In dit politiek bepaalde domein is steun van overheid on-
    ontbeerlijk (compensatie, exportbeleid, government-to-government afspraken etc.). Een
    meer actieve betrokkenheid van EZ, naast Defensie, in de uitvoering van de nieuwe De-
    fensie Industrie Strategie is gewenst om dit te kunnen bestendigen. Het is tevens aan te
    bevelen om Buitenlandse Zaken, in verband met de aspecten Buitenlandse Handel en
    het thema ‘veiligheid’ in de ontwikkelingssamenwerking, te betrekken bij het creëren en
    versterken van exportondersteuning in het kader van de DIS.
    57
        B
         elangrijkste topsectoren voor Defensie en de defensie-industrie zijn HTSM, water (inclusief maritieme bouw) en creatieve indus-
        trie (gaming en simulatie), alsmede het industriële cluster Maintenance Valley.
111 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>    Deelcasus Binnenlandse Veiligheid
    De uitdaging
    Ook voor veiligheid binnen Nederland is de bepalende rol van de overheid onmisken-
    baar. Tegelijk is deze rol veel minder centraal georganiseerd en minder eenduidig dan in
    het defensiedomein. Sommige deelgebieden zijn sterk marktgedreven, zoals beveiliging
    van de luchtvaart. Voor andere deelgebieden is er niet of nauwelijks een ‘markt’, zoals
    voor de dreiging die uitgaat van radicalisering. Het topsectorenbeleid past globaal ge-
    sproken prima voor de eerste categorie. We gaan hieronder in op de tweede categorie.
    Het gaat dan om de deelgebieden openbare orde en veiligheid, crisismanagement, soci-
    ale veiligheid en criminaliteitspreventie en terrorismebestrijding.
    De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de burgers en de openbare ruimte ligt in
    Nederland van oudsher op gemeentelijk niveau. In een complexere, steeds meer verbon-
    den wereld spelen echter diverse (op)schalingsvraagstukken, die zich slecht verhouden
    met een sterk decentrale organisatie. Enerzijds is er de dreiging die uitgaat van terro-
    risme en criminele elementen die zich steeds meer internationaal organiseren. Ander-
    zijds kunnen, door toenemende ketenafhankelijkheden en de invloed van (sociale) me-
    dia, lokale verstoringen snel escaleren. Initiatieven als invoering van de veiligheidsregio’s
    en de nationale politie zijn reacties op deze constateringen.
    Bovendien stuit de overheid in het complexe en gelaagde veiligheidslandschap op de
    grenzen van wat zij praktisch vermag. Burgers, bedrijven en niet-gouvernementele orga-
    nisaties krijgen steeds meer eigen of aanvullende veiligheidstaken. Het vergroten van de
    weerbaarheid van de samenleving voor rampen, crises en (het voorkomen van) veilig-
    heidsincidenten staat prominent op de nationale en Europese agenda (resilience). Een
    principiële beweging naar small governments, big societies leidt eveneens tot vormen
    van privatisering van veiligheid.58 De overheid houdt een rol in het wijzen op en stimu-
    leren van verantwoordelijkheid voor de eigen veiligheid van burgers en bedrijven; en in
    het (laten) ontwikkelen, standaardiseren en aanbieden van of toegang bieden tot de
    tools die in staat stellen concreet invulling te geven aan die verantwoordelijkheid.
    Een versnipperde organisatie ontbeert de massa en schaalvoordelen om grotere en lang-
    durigere innovatietrajecten te kunnen financieren, begeleiden en benutten. De klein-
    schalige vraag naar veiligheidsproducten en -diensten is bovendien sterk prijsgedreven.
    Tenslotte zijn politie, brandweer en geneeskundige hulporganisaties in de eerste plaats
    operationele diensten; innovatie is geen kerntaak maar sluitpost. Vanwege deze frag-
    mentatie, prijsdruk en gebrek aan urgentiegevoel vindt er weinig technologische inno-
    vatie plaats. Organisatorische en sociale innovatie is wel zichtbaar, maar gebeurt vaak
    geïsoleerd. Centrale structurering moet opschaling en systeembrede verspreiding beter
    mogelijk maken.
    58
        Dit staat soms op gespannen voet met de op het geweldsmonopolie of doorzettingsmacht gebaseerde taken van de overheid.
112 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>    Samenvattend zien we een divers veiligheidslandschap, deels met weinig of geen markt-
    werking; met veel decentrale partijen die zich met (aspecten van) veiligheid bezig-
    houden; en met een ontbrekend innovatiebewustzijn c.q. leidende partijen die innovatie
    vorm kunnen geven. Deze problematiek is niet duidelijk te verbinden aan een van de
    topsectoren maar doorsnijdt vrijwel alle sectoren. Veiligheidsinnovaties zijn vaak een
    combinatie van organisatorische, sociale en technologische vernieuwing die evenzeer
    niet aan individuele sectoren is op te hangen.
    Wie pakt de uitdaging op?
    Wat nodig is, is een partij die op systeemniveau de urgentie en waarde van innovatie
    laat zien; de regie neemt in het creëren van een gedeeld toekomstperspectief dat rich-
    ting en continuïteit geeft voor structurele publieke en private investeringen in innovatie-
    trajecten; de behoefte inventariseert en bundelt; en kaders organiseert waarin partijen
    zinvol kunnen samenwerken. Er is maar één kandidaat die deze rol op zich kan nemen,
    en dat is de overheid. Zij kan daarbij een mix van maatregelen inzetten: dwingend, zoals
    wet- en regelgeving, of meer overredend, zoals voorlichting en financiële prikkels. Hier-
    bij moet ook onderscheid worden gemaakt tussen diverse deelgebieden van veiligheid.
    Niet alles kan over één kam geschoren worden.59
    In de publicatie ‘Veiligheid schreeuwt om innovatie’ wordt de rol van de overheid als
    volgt verwoord:60 “[…] in het domein van maatschappelijke veiligheid [zijn] vooral over-
    heidsinstanties de initiërende partijen voor innovatie. Zij faciliteren initiatieven in samen-
    werking met het bedrijfsleven. […] Overheden kunnen ook optreden als launching cus-
    tomer. Dat wil zeggen dat innovaties samen met de industrie en de dienstverlenende
    sector worden ontwikkeld. De betreffende overheidsinstantie is vervolgens de eerste
    klant. Het gezamenlijk investeren en de gegarandeerde eerste afzet maakt het voor be-
    drijven interessant om op basis van specifieke wensen te innoveren. Zonder deze samen-
    werking zou het financiële risico voor een bedrijf te groot kunnen zijn, waardoor belang-
    rijke innovaties het domein van maatschappelijke veiligheid niet bereiken. Het
    innovatiebeleid van de landelijke overheid wordt op deze manier door andere overheden
    versterkt en verder vormgegeven.”
    Het veiligheidsdomein kan profiteren van de goed gestructureerde kennisontwikkeling in
    het defensiedomein. Ook Defensie is gebaat bij schaalvergroting en verbreding van de
    financiële basis voor onderzoek en innovatie. Daarenboven past het in de tendens naar
    een meer structurele inzet van de krijgsmacht voor de veiligheid in Nederland. Al ge-
    ruime tijd vindt er overleg plaats tussen de ministeries van Defensie en Veiligheid & Justi-
    tie om het defensieonderzoek beter te laten aansluiten bij de behoeften vanuit het vei-
    ligheidsdomein en, omgekeerd, veiligheidspartijen dan ook te laten meebetalen aan
    gecombineerde kennisontwikkeling en R&D.
    59
        In dit verband is het nuttig het WRR-advies Evenwichtskunst. Over de verdeling van verantwoordelijkheid voor de fysieke veilig-
        heid, 2011, en de opvolgende kabinetsreactie nog eens na te lezen.
    60
        T NO, Veiligheid schreeuwt om innovatie. Innoveren maakt Nederland veiliger, 2012.
113 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>    Tot op heden is samenwerking slechts mondjesmaat van de grond gekomen. Enerzijds
    vanwege het gebrek aan een geconsolideerde vraag en significante innovatiebudgetten
    aan de veiligheidszijde. Anderzijds vanwege de terughoudendheid van Defensie om de
    defensieonderzoeksprogramma’s aan te passen aan de vorm en inhoud die in het veilig-
    heidsdomein gewenst zijn. Hier is nog veel interdepartementale winst te bepalen. Zo
    kan onder de vlag van de Versterking Civiel-Militaire Samenwerking (VCMS) bij geza-
    menlijke inzet meer en beter van gelijke uitrustingsstukken gebruik gemaakt worden, en
    is het invoeren van een gelijke commandostructuur gebaseerd op het netcentrisch wer-
    ken en een gedeeld communicatiesysteem (de opvolger van het in beide domeinen be-
    nutte C-2000) een reële optie.
    Het streven naar een meer gemeenschappelijke defensie en veiligheidmarkt is ook een
    wens van de Europese Commissie. In de aanloop naar een bijeenkomst van de Europese
    Raad in december waarin versterking van het Gemeenschappelijke Veiligheids- en De-
    fensiebeleid op de agenda staat, heeft de Commissie recent een belangwekkende Com-
    munication aanvaard.61 Deze heeft tot doel “to exploit possible synergies and cross-ferti-
    lisation which come from the blurring of the dividing line between defence and security
    and between civil and military.” Hiervoor is een omvattend industriebeleid gewenst dat
    onder meer samenwerking, regionale specialisatie en civiel-militaire synergie stimuleert.
    De EC benadrukt verder het belang van (hybride) standaarden en certificering; leverings-
    zekerheid van grondstoffen; en gerichte ondersteuning van het MKB. Nederland kan
    dergelijke initiatieven zowel steunen als nuttig gebruiken.
    Naar een mogelijke oplossing
    Sinds 2011 is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) van
    het ministerie van Veiligheid & Justitie verantwoordelijk voor terrorismebestrijding, cyber-
    security, nationale veiligheid en crisisbeheersing. Dit waren voorheen gescheiden beleid-
    sterreinen, zelfs ondergebracht bij verschillende departementen. Met de vorming van de
    NCTV worden risico’s en dreigingen voortaan op één plek in kaart gebracht, belangen
    op één plek beschermd en maatregelen om de weerbaarheid te verhogen op één plek
    gecoördineerd. De NCTV is de uitgelezen plek om de innovatiebehoeften in het veilighe-
    idsdomein te inventariseren en te bundelen, om zo massa en focus in de vraagsturing te
    brengen. Deze taak wordt nu steeds meer opgepakt door de NCTV. Het innovatiepro-
    gramma van V&J is met name daarop gericht, zowel waar het gaat om onderzoek en
    ontwikkeling in Nederland als om R&D-activiteiten in Europees kader. Daarnaast moet de
    nieuw gevormde nationale politie de innovatiebehoefte vanuit de ‘blauwe’ sector coördineren
    en financiële slagkracht en synergievoordelen organiseren. De politie moet zich vooral richten
    op innovatie die directe operationele meerwaarde heeft. ‘Structuur’-innovatie gericht op (oor)
    zaken als het aanpakken van verloedering en weerbaarheid van de samenleving liggen vooral
    (elders) bij V&J.
    61
       Europese Commissie, Towards a more competitive and efficient defence and security sector, juli 2013.
114 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>    Gegeven de hoge mate van fragmentatie van de veiligheidssector, is een platform voor
    het coördineren van vraag en aanbod tussen overheid, vitale sectoren, bedrijven en on-
    derzoeksinstituten en voor het opzetten van gedeelde (operationele) testomgevingen
    gewenst. Het betrekken van eindgebruikers gedurende de verschillende fasen van on-
    derzoek, ontwikkeling en innovatie draagt sterk bij aan succesvolle veiligheidsoplossin-
    gen. Daarnaast genereert het een belangrijk spin-off effect voor het concurrerend ver-
    mogen van de Nederlandse defensie en veiligheidsindustrie.62 Dit is nu juist de rationale
    voor het initiatief ’The Hague Security Delta’ (HSD).63 In HSD richt de regio Haaglanden,
    in samenwerking met andere vooraanstaande veiligheidgerelateerde clusters in de re-
    gio’s Twente en Brabant, zich op het proactief versterken en verbinden van de (be-
    staande) samenwerking tussen internationale instellingen, overheden, bedrijven, en on-
    derzoek- en onderwijsinstellingen. De gemeente Den Haag speelt een belangrijke
    faciliterende rol, onder meer door als proeftuin voor innovatieve veiligheidsoplossingen
    te fungeren. In 2012 is HSD begonnen met zogenaamde Innovatiehuizen - gedeelde
    proeftuinen voor veiligheidsinnovaties – rond de thema’s Nationale Veiligheid, Vitale in-
    frastructuur, Cybersecurity, Stedelijke Veiligheid en Forensisch Onderzoek.
    Veiligheid (security) is ook een belangrijke Europees thema. De Europese commissie
    heeft de versterking van de innovatiekracht van de veiligheidssector als een speerpunt
    benoemd voor het Horizon 2020-programma. Een belangrijke notie daarbij is dat inno-
    vatie van commercieel belang is voor bedrijven op de internationale markt en dat zij van
    deze regeling gebruik moeten maken. Aansluiting van het topsectorenbeleid op deze
    Europese uitdaging biedt kansen, zonder dat het nationale uitgangspunt, het creëren of
    versterken van de exportpositie op dit terrein, uit het oog moet worden verloren.
    Zoals gezegd, kan het veiligheidsdomein op deelterreinen nuttig (her-)gebruik te maken
    van (harde en zachte) technologie ontwikkeld voor het defensiedomein. Het gaat dan
    bijvoorbeeld om sensorsystemen, informatie- en communicatiesystemen, geavanceerde
    beschermingsmaterialen, bescherming tegen bacteriologische, chemische, nucleaire en
    radiologische (CBNR) agentia, cybersecurity (zie verder), persoonlijke uitrusting en onbe-
    mande systemen. Hergebruik is echter zelden één op één. Militaire technologie moet
    voldoen aan specifieke eisen gekoppeld aan het optreden in wisselende en uitdagende
    omstandigheden buiten Nederland. Voor het veiligheidsdomein betekent dit vaak over-
    specificatie, met bijbehorend te hoog prijskaartje. Door vroegtijdig de verschillende eisen
    t.a.v. prestaties en prijsrange in de ontwikkeling van nieuwe, voor beide domeinen toe-
    pasbare technologie mee te nemen, en daarbij modulaire opbouw en schaalbaarheid
    centraal te stellen, kan dit probleem worden ondervangen. Dit betekent dat de vraagstu-
    ring vanuit het defensie en het veiligheidsdomein op overlappende technologie- en in-
    novatiegebieden geharmoniseerd moet worden.
    62
       Ernst & Young, Groeien door Veiligheid, 2011 (in opdracht van het ministerie van Economische Zaken).
    63
       Zie http://www.thehaguesecuritydelta.com/
115 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>    Daarbij de opmerking dat organisatorische en sociale innovatie op dit moment in veilig-
    heid meer speelt dan in defensie, waar ‘superieure technologie’ van oudsher accent
    heeft. Dit is mogelijk een van de terreinen waarop het defensieonderzoek kan meeliften
    met het veiligheidsonderzoek, om zo tot een betere balans van ‘geven en nemen’ in een
    gedeelde programmering te komen.
    Zoals in het begin van dit hoofdstuk aangegeven, zijn we hierboven ingegaan op die
    deelgebieden van veiligheid waar de overheid een bepalende rol heeft. We merken op
    dat op andere deelgebieden een grote(re) rol van de veiligheidsbedrijven, de grotere sys-
    teemleveranciers en het midden- en kleinbedrijf in het vormgeven van innovatie aan de
    orde is, met stimulans vanuit het topsectorenbeleid.
    Deelcasus Cybersecurity
    De uitdaging
    Het cyberdomein vormt een nog behoorlijk onontgonnen domein van ‘openbare orde
    en veiligheid’ met van het fysieke veiligheidsdomein afwijkende karakteristieken, ook in
    ethische en juridische zin. De problematiek gaat verder dan cyber crime. Sinds 2010
    hebben Stuxnet, Duqu, Shamoon, Flame en Gauss een nieuwe dimensie toegevoegd.
    Het kost miljoenen om dergelijke malware te ontwikkelen, die in sommige gevallen is
    gebruikt voor slechts een enkelvoudig doel, zogenaamde targeted attacks. Dergelijke
    malware is buitengewoon geavanceerd en duur, maar kost nog altijd minder dan veel fy-
    sieke aanvalsmiddelen. Betrokkenheid van statelijke actoren bij de ontwikkeling en inzet
    van dergelijke digitale wapens is zeer aannemelijk. Verder lijken staten zich in toene-
    mende mate schuldig te maken aan digitale spionage, wat grote economische en maat-
    schappelijke impact heeft en ultimo een mogelijke bron voor een militair conflict kan
    zijn.
    Cybersecurity is verweven met andere thema’s op het terrein van cyberspace. Elementen
    als digitale veiligheid, economische en maatschappelijke groei en een vrije en open ICT-
    samenleving moeten in samenhang worden bezien. Onderbreking van dienstverlening
    en/of schending van privacy leidt tot afnemend vertrouwen en kan een rem zijn op inno-
    vatie en daarmee economische groei. Anderzijds raken maatregelen zoals het afscher-
    men van informatie, het wegnemen van cyberkwetsbaarheden en uitgebreidere digitale
    detectie de vrijheden van burgers en het effectief en efficiënt economisch gebruik van
    het internet.
    De infrastructuur in de digitale wereld is grotendeels in private handen en internationaal
    van opzet. De systemen zijn complex en de logistieke ketens erachter (leveranciers van
    hard- en software) onoverzichtelijk. Cybersecurity gaat veel spelers aan. Veel van de als
    vitaal aangemerkte sectoren zijn in private handen: nutsbedrijven, telecom, ziekenhuizen
    en banken bijvoorbeeld. De impact van cybersecurity-incidenten overstijgt vaak de indivi-
    duele bedrijven. Digitale veiligheid is meer en meer een basisvereiste voor de sociale
116 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>    orde en economische welvaart. Investeren in cybersecurity voorkomt schade en draagt
    bij aan een stabiele maatschappij. Maar de beveiliging van digitale netwerken is niet na-
    tionaal op te lossen. Het vormt een wereldwijd probleem dat om een gezamenlijke aan-
    pak vraagt. In deze complexe en omvattende omgeving is het implementeren van veilig-
    heidsstandaarden en het stimuleren van security by design een grote uitdaging.
    Nederland draagt actief bij aan het ontwikkelen van internationale normen en standaar-
    den om de openheid, veiligheid en stabiliteit van het digitale domein te bevorderen. Bij
    gebrek aan een gelijk speelveld kunnen unilaterale maatregelen een verslechtering van
    de Nederlandse concurrentiepositie doen ontstaan.
    Wie pakt de uitdaging op?
    Een succesvol beleid voor en aanpak van cybersecurity vergt betrokkenheid en inzet van
    overheid, bedrijfsleven, wetenschap en burgers. De verschillende rollen zijn (nog) niet helder
    geduid en vastgelegd en de verwachtingen verschillen. De overheid neemt het voortouw in
    het stroomlijnen van deze discussie, onder meer door het opstellen van (opvolgende versies
    van) een Nationale Cybersecurity Strategie (NCSS). De eerste NCSS dateert van 2011;64 mo-
    menteel wordt gewerkt aan NCSS2. Defensie heeft daarnaast een eigen cyber strategie.65
    Dat de overheid het voortouw neemt om nationaal een integrale aanpak op het terrein van
    cybersecurity te bevorderen en om internationaal de zienswijze van Nederland uit te dragen
    is één. Dit zegt nog weinig over de verdere verdeling van rollen en verantwoordelijkheden,
    nationaal en internationaal. Zo hebben grote internationale ICT-leveranciers als Google, Mi-
    crosoft en Apple veel macht en eigenen bedrijven als Facebook zich veel speelruimte toe bij
    het omgaan met zijn gebruikersgegevens. Moet de overheid ten aanzien van dergelijke
    grote internationale spelers een laissez faire beleid voeren en vertrouwen op de kracht van
    de kritische consument in de vrije markt, of zal zij in toenemende mate kader- en normstel-
    lend moeten optreden in het belang van het beschermen van haar burgers?
    Dergelijke vragen spelen uiteraard ook op Europees niveau. De Europese Commissie heeft
    recent een algemene strategie voor de beveiliging van digitale netwerken en de bescher-
    ming van de consument tegen internetcriminaliteit uitgebracht.66 Ook zijn er diverse rele-
    vante richtlijnen en actieplannen in werking of in ontwerp, zowel specifiek, onder meer
    gericht op bescherming van vitale informatie-infrastructuur, als meer algemeen, zoals de
    Digitale Agenda voor Europa. Met een gemeenschappelijke aanpak kunnen kritische net-
    werken beter tegen aanvallen worden beschermd en de veiligheid en de bescherming van
    de consument gediend worden. De EU ziet nadrukkelijk een rol voor private partijen. De
    EU-regels voor de rapportage van veiligheidsincidenten moeten gaan gelden voor alle be-
    langrijke internet- en overheidsdiensten. Aanbieders van internetdiensten en bedrijven in
    de energie-, transport-, bank- en gezondheidssector moeten hun netwerken veiliger ma-
    ken. Het gaat niet alleen om ‘pure’ informatiesystemen, maar ook om fysieke systemen
    64
       Ministerie van Veiligheid & Justitie, De Nationale Cybersecurity Strategie (NCSS). Slagkracht door samenwerking, 2011.
    65
       Ministerie van Defensie, Defensie Cyber Strategie, 2012.
    66
        igh Representative of the European Union for Foreign Affairs and Security Policy, Cybersecurity Strategy of the European Union.
       H
       An Open, Safe and Secure Cyberspace, 2013.
117 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>      die aan internet gekoppeld worden, bijvoorbeeld bij onderhoud-op-afstand van grote
      kleurenkopieermachines of remote diagnostics bij gebruik van MRI scanners.
      Naar een mogelijke oplossing
      Voortdurend bijblijven in kennis en continue innovatie is een kernelement in het bevorderen
      van cybersecurity. Het gaat dan om veilige hard- en software; middelen voor detectie van en
      response op cyberincidenten; en capaciteiten voor bewustwording, onderwijs en opleiding.
      Het voor cybersecurity relevante ICT-innovatiemodel is grotendeels civiel en privaat gedreven,
      kent veel kortere cycli en is (daarmee) sterk hands-on. Dit laatste is nodig in de ´digitale wa-
      penwedloop´ tussen hackers en veiligheidsprofessionals. Het is echter ook nodig meer lange
      termijn te kijken naar fundamenteel andere oplossingen dan incrementele patches, zoals se-
      curity by design. Verder is wet- en regelgeving nodig die normen en standaarden afdwingt,
      evenals het creëren van een groeiend bewustzijn en weerstand (resilience) tegen cyberaan-
      vallen in de samenleving. Voor dergelijke structurele en langere termijn activiteiten is een ac-
      tieve overheidsrol onontbeerlijk. Dit kan deels heel praktisch. De overheid beheert en ontwik-
      kelt zelf ook belangrijke informatiesystemen, met integriteit van informatie en bescherming
      van persoons- en bedrijfsgegevens als cruciale vereisten. Waar wet- en regelgeving vaak na-
      ijlt bij de snelle ontwikkelingen in het cyberdomein, kan de overheid met zijn inkoopbeleid
      de-facto normen en standaarden en innovatie praktische stimuleren.
      De ministeries van V&J, BZK, Defensie en EZ, en NWO hebben vorig jaar besloten een impuls
      te geven aan cybersecurity-onderzoek. Samenwerking tussen bedrijfsleven en kennisin-
      stellingen stond daarbij centraal. Er zijn twee trajecten ontwikkeld. Het kortetermijnonder-
      zoek is gericht op de ontwikkeling van producten en diensten binnen een aantal
      onderzoeksthema’s en verloopt via het SBIR-instrument van Agentschap NL. Het lange-
      termijnonderzoek (NWO) richt zich op de verdere versterking van de kennisbasis in het kader
      van de Nationale Cyber Security Research Agenda. Onderstaand plaatje geeft een overzicht
      van de researchonderwerpen en (de breedte van) de toepassingsgebieden.
                                                             malware
                                                                                   for
                                             acy                                      ensi
                                         priv                                             cs
                                                   e-commerce       transport
                            nti ty                                  & logistics                          nt
                                                                                                      ide se
                       ide                                                                        incspon
                                                                                                   re
                                        finance                                   smart grid
                                                            NCSR
                    trust                                  Agenda                   industrial                 data
                                                                                                           policy mgmt
                                     domestic                                         control
                                           e-health                           defense
                            & ion
                        lawulat                                                                       y
                                                                                                   rit n
                                                           e-government
                       re g                                                                      cu ig
                                                                                               se des
                                                                                                by
                                           cyb
                                                er c                           nd
                                                    rim                  rgrou
                                                       e            undceonomy
                                                                      e
118   Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>    De topsectoren besteden in hun innovatiecontracten weinig aandacht aan cybersecurity.
    Als voorbeeld komt in het 191 pagina’s dikke innovatiecontract voor de topsector Life
    Sciences & Health, waarin toch belangrijke informatiebeveiligingsvraagstukken rond on-
    der meer het elektronische patiëntendossier spelen, de notie twee keer zijdelings voor. In
    het innovatiecontract van de topsector Creatieve Industrie, met zijn vele innovatieve ICT-
    bedrijven en -bedrijfjes, is helemaal geen aandacht voor digitale veiligheid. De geringe
    aandacht vanuit de topsectoren is vreemd. Er is nauwelijks een bedrijfstak denkbaar
    waarin informatiesystemen niet een cruciale rol spelen; meer dan 70% van de innovaties
    zijn ICT-gerelateerd. Cybersecurity is een randvoorwaarde voor het ongestoord functio-
    neren van deze informatiesystemen.
    Uitzondering is de Security-roadmap van de topsector HTSM.67 Daarin vormt cybersecu-
    rity een van de drie speerpunten. Daarnaast is, hoewel niet zo expliciet benoemd, cyber-
    security te beschouwen als een van de aspecten die in System of Systems, een van de
    twee andere technologische uitdagingen aan de orde is: security by design, ingebakken
    in het ontwerp van complexe systemen. Vanuit de gedachte dat het loont om initiatie-
    ven niet te versnipperen, is het goed te billijken en zelfs toe te juichen dat HTSM het
    voortouw neemt op het gebied van cybersecurity. De geringe aandacht elders lijkt ech-
    ter een teken dat er nog onvoldoende bewustzijn is van het belang van cybersecurity
    voor vrijwel alle economische activiteiten en ICT-gerelateerde innovatie, en dus voor alle
    topsectoren. Dit is wellicht de belangrijkste taak voor de overheid: het bevorderen van
    dit bewustzijn en het promoten en faciliteren van kruisbestuiving van good practices en
    innovatie op het gebied van cybersecurity tussen en over de topsectoren heen. Een mo-
    gelijkheid zou zijn om de doorsnijdende en verbindende ICT-Roadmap op te waarderen
    naar een zelfstandige topsector.
    Conclusies en aanbevelingen
    In algemene zin speelt de overheid in het veiligheidsdomein een cruciale rol in het stimu-
    leren, richten en (laten) uitvoeren van innovatie die veel verder gaat dan het faciliteren
    van het bedrijfsleven in het topsectorenbeleid. Deze rol dient genuanceerd te worden
    voor de verschillende deeldomeinen.
    In het defensiedomein komt de vraagsturing rechtstreeks van de overheid, die tevens
    grootafnemer is. In de monopsistische – één dominante vrager / afnemer – defensie-
    markt is sectorspecifiek industriebeleid noodzakelijk. Daartoe staat een nieuwe Defensie
    Industrie Strategie van de ministeries van Defensie en Economische Zaken op stapel.
    Meer dan in het verleden moet ook EZ actief bijdragen aan het verwezenlijken van deze
    strategie. Het is tevens aan te bevelen om Buitenlandse Zaken, in verband met de aspec-
    ten Buitenlandse Handel en het thema ‘veiligheid’ in de ontwikkelingssamenwerking, te
    betrekken bij het creëren en versterken van de exportondersteuning in de sector.
    67
       Roadmap HSSM Security (revised version May 31, 2013).
119 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>    Overigens heeft het topsectorenbeleid in de diverse toeleveringsketens van de sys-
    teemintegratoren, met het toenemende belang van civiele en ‘van de plank’ technologie
    dieper in de ketens, wel degelijk zijn reguliere werking.
    Het veiligheidsdomein kent deelgebieden waar innovatie door marktwerking tot stand
    komt. Op de deelgebieden openbare orde en veiligheid, crisismanagement, sociale vei-
    ligheid en criminaliteitspreventie en terrorismebestrijding echter is de overheid sterk be-
    palend voor de mate en richting van innovatie. Het ministerie van Veiligheid & Justitie,
    met name de NCTV, moet een duidelijke regisseursrol gaan spelen in het bundelen van
    de innovatievraag en het creëren van daadwerkelijke innovatie met massa en vanuit een
    gedeelde visie. Versterking van de gezamenlijke onderzoeksagenda en –programmering
    van Defensie en V&J kan dit laatste zowel ondersteunen als tot gevolg hebben.
    In het ‘nieuwe’ cyberdomein heeft de overheid vooral als wet- en regelgever bepalende
    invloed. Ook in minder strikte zin moet de overheid het voortouw nemen in het stroom-
    lijnen van de verdeling van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de
    verschillende private, semipublieke en publieke stakeholders. Vanwege het ‘grenzeloze’
    – in de zin van landsgrenzen –karakter van de digitale wereld, is internationale afstem-
    ming en samenwerking een voorwaarde. De overheid moet de nationale inzichten en
    belangen ten aanzien van cybersecurity inbrengen in de internationale arena.
    In alle deeldomeinen kan de overheid innovatie praktisch stimuleren en tot op zekere
    hoogte normen stellen, door als launching customer en innovatief inkoper op te treden.
    De dominante rol van de overheid in veel deelgebieden van veiligheid vereist aangepast
    beleid: geen ‘inkoop’ maar ‘mede-risicodragende verwerving’ van innovatieve, vaak
    hoog-technologische oplossingen. Dit zal in toenemende mate in een Europese context
    (moeten) gebeuren. Die Europese context ontstaat in de praktijk vooralsnog vooral ‘van
    onderaf’, door nationale initiatieven internationaal af te stemmen en te bundelen.
    Het beleggen van ‘veiligheid’ als maatschappelijk thema – met aanvullend beleid langs
    de lijnen hierboven geschetst - bij de topsector HTSM is prima te billijken, mits expliciet
    rekening wordt gehouden met de volgende twee overwegingen. De eerste is dat veilig-
    heid, in het bijzonder digitale veiligheid (cybersecurity), een aspect is dat alle industriële
    sectoren aangaat. HTSM zou dan een expliciete regierol moeten krijgen om enerzijds het
    bewustzijn en het gevoel van urgentie topsectorenoverstijgend te bewaken, en ander-
    zijds de kruisbestuiving en verspreiding van bewezen innovatie en best practices te pro-
    moten. De tweede overweging is het besef dat veiligheidsinnovaties meestal, en wellicht
    in toenemende mate, een kwestie zijn van een samenspel tussen op elkaar afgestemde
    (nieuwe) technologie en systemen, organisatiestructuren en sociale processen. Juist een
    afgewogen vernieuwing van al deze ‘harde’ en ‘zachte’ innovatieaspecten in samen-
    hang kenmerkt veel van de succesvolle innovaties in het veiligheidsdomein.
120 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>b4                  Gesprekspartners en deelnemers aan
                    rondetafelgesprekken
    Europese Commissie			                           Robert-Jan Smits
    KNAW					                                       Erik van de Linde
    Ministerie van EZ				                           Bertholt Leeftink
    Ministerie van EZ				                           Herm van der Beek
    Ministerie van EZ				                           Jasper Wesseling
    Ministerie van EZ				                           Sip Oegema
    Ministerie van I&M			                           Chris Kuijpers
    Ministerie van I&M			                           Janine van Oost
    Ministerie van I&M			                           Karen de Ruijter
    Ministerie van OCW			                           Fred Eybergen
    Ministerie van OCW			                           Jacky Bax
    Ministerie van OCW			                           Nora van der Wenden
    Ministerie van OCW			                           Richard Derksen
    Ministerie van OCW			                           Ron Minnée
    Ministerie van V&J			                           Stéphanie de Vroet
    Ministerie van VWS			                           Kees Vos
    NWO						                                       Coenraad Krijger
    NWO						                                       Cynthia Naus
    Philips					                                    Guy Kerpen
    Philips					                                    Jan van den Biesen
    TNO						                                       Jan Mengelers
    TNO						                                       Tom van der Horst
    Topsector Agro&food			                          Casper Zulim-de Swart
    Topsector Agro&food			                          Marcel de Groot
    Topsector Creatieve industrie                   Michiel Janson
    Topsector Energie				                           Bas Heijs
    Topsector HTSM				                              Gerben Lemmink
    Topsector HTSM				                              Guy Cremer
    Topsector Logistiek			                          Fred Couzy
    Topsector LS&H				                              Roel Meewisse
    TU Delft					                                   Tim van der Hagen
    VNO-NCW					                                    Thomas Grossfeld
    VSNU						                                      Hans de Jonge
    De AWT is de auteurs van de casestudies erkentelijk voor commentaar op conceptversies
    van dit advies:
    CE Delft		             			                      Bettina Kampman
    CE Delft					                                   Mart Bles
121 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>    STT						                                       Marie-Pauline van Voorst tot Voorst
    NIVEL						                                     Roland Friele
    HCSS						                                      Frank Bekkers
122 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>b5                  Serie uitgebrachte adviezen
                    van de AWT
    81    Kiezen voor kenniswerkers. Vaardigheden op de arbeidsmarkt voor kenniswerkers.
          Augustus 2013. ISBN 9789077005620. Verkoopprijs 12,50
    80	Maatwerk in onderzoeksinfrastructuur. Strategisch investeren in grootschalige on-
          derzoeksfaciliteiten. April 2013. ISBN: 9789077005613. Verkoopprijs € 12,50.
    79	Diensten Waarderen.
          December 2012. ISBN 9789077005606. Verkoopprijs € 12,50.
    78	De Chinese handschoen. Hoe Chinese en Nederlandse kennis elkaar
          kunnen versterken. Februari 2012. ISBN 978 90 77005 58 3. Verkoopprijs € 12,50.
    77	Scherp aan de wind! Strategie voor Nederlandse (top)sectoren.
          Augustus 2011. ISBN 978 90 77005 77 4. Verkoopprijs € 15,00.
    76	Kapitale kansen. Slim geld voor ambitieuze ondernemers.
          Februari 2011. ISBN 978 90 77005 52 1. Verkoopprijs € 15,00.
    75	Kennis plaatsen. Onderzoeksinstituten in een veranderende omgeving.
          Januari 2010. ISBN 978 90 77005 49 1. Verkoopprijs € 10,00.
    74	Kennis zonder grenzen. Kennis en innovatie in mondiaal perspectief.
          Januari 2010. ISBN 978 90 77005 48 4. Verkoopprijs € 15,00.
    73	Meer laten gebeuren. Innovatiebeleid voor de publieke sector.
          Maart 2008. ISBN 978 90 77005 43 9. Verkoopprijs € 15,00.
    72	Weloverwogen impulsen. Strategisch investeren in zwaartepunten.
          November 2007. ISBN 978 90 77005 42 2. € 15,00.
    71	Balanceren met beleid. Wetenschaps- en Innovatiebeleid op hoofdlijnen.
          Maart 2007. ISBN 978 90 77005 39 2. € 12,50.
    70	Alfa en Gamma stralen. Valorisatiebeleid voor de Alfa- en Gammawetenschappen.
          Maart 2007. ISBN 978 90 77005 38 5. € 12,50.
    69	Bieden en binden. Internationalisering van R&D als beleidsuitdaging.
          December 2006. ISBN 90 77005 37 4. € 12,50.
    68	Opening van zaken. Beleid voor Open innovatie.
          Juni 2006. ISBN 90 77005 35 8. € 12,50.
    67	Tijd voor een opKIQer! Méér investeren in onderwijs en onderzoek.
          Oktober 2005. ISBN 90 77005 32 3. € 12,50.
    66	Diensten beter bedienen. Innovatiebeleid voor diensten.
          September 2005. ISBN 9077005307. € 12,50.
    65	Ontwerp en ontwikkeling. De functie en plaats van onderzoeksactiviteiten in
          hogescholen. Augustus 2005. ISBN 90 77005 31 5. € 10,00.
    64	Innovatie zonder inventie. Kennisbenutting in het MKB.
          Juli 2005. ISBN 90 77005 29 3. € 12,50.
    63	Kennis voor beleid - beleid voor kennis.
          Mei 2005. ISBN 90 77005 28 5. € 12,50.
123 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>    62	De waarde van weten. De economische betekenis van universitair onderzoek.
          April 2005. ISBN 90 77005 005. € 9,00.
    61	Een vermogen betalen. De financiering van universitair onderzoek.
          Februari 2005. ISBN 90 77005 27 7. € 12,50.
    60	Samen slimmer in ketens. Competenties in supply chain management als
          concurrentiefactor voor Nederlandse bedrijven.
          December 2004. ISBN 90 77005 25 0. € 12,50.
    59	Tijd om te oogsten! Vernieuwing in het innovatiebeleid.
          Juni 2004. ISBN 90 77005 24 2. € 12,50.
    58	De prijs van succes. Over matching van onderzoekssubsidies in kennisinstellingen.
          April 2004. ISBN 90 77005 22 6. € 12,50.
    57	Nederlands kompas voor de Europese onderzoeksruimte. Strategisch kader voor
          de internationalisering van het onderzoeks- en innovatiebeleid.
          Januari 2004. ISBN 90 77005 21 8. € 12,50.
    56	Netwerken met kennis. Kennisabsorptie en kennisbenutting door bedrijven.
          November 2003. ISBN 90 77005 20 X. € 12,50.
    55	Wat van ver komt... De vormgeving van het Nederlandse bilaterale onderzoeksbeleid.
          Oktober 2003. ISBN 90 77005 19 6. € 9,00.
    54	1+1>2. De bevordering van multidisciplinair onderzoek.
          September 2003. ISBN 90 77005 18 8. € 12,50.
    53	Backing winners. Van generiek technologiebeleid naar actief innovatiebeleid.
          Juli 2003. ISBN 90 77005 17 X. € 15,00.
    52	Kennis van criminaliteit. Juni 2003. ISBN 90 77005 16 1. € 9,00.
    51	Wijsheid achteraf. De verantwoording van universitair onderzoek.
          Juni 2003. ISBN 90 77005 15 3. € 9,00.
    50	Naar een nieuw maatschappelijk contract. Synergie tussen publieke
          kennisinstelllingen en de Nederlandse kennissamenleving.
          Januari 2003. ISBN 90 77005 14 5. € 5,00.
    49	Gewoon doen!? Perspectief op de Barcelona-ambitie ‘3% BBP voor O&O’.
          Juli 2002. ISBN 90 77005 11 0. € 9,08.
    48	KP6 laten werken. Stimuleren Nederlandse deelname: profijt en beleid.
          Juli 2002. ISBN 90 77005 10 2. € 12,50.
    47	Hógeschool van Kennis. Kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en hogescholen.
          Juli 2001. ISBN 90 77005 05 6. € 11,34.
    46	Handelen met kennis. Universitair octrooibeleid omwille van kennisbenutting.
          Juni 2001.ISBN 90 77005 03 X. € 9,08.
    45	Over stromen. Kennis - en innovatieopgaven voor een waterrijk Nederland.
          Advies en Verkenning door de AWT, NRLO en RMNO, juni 2000. € 11.34.
    44	Investeren in onderzoek, april 2000. ISBN 90 346 3823 5. € 9,08.
    AWT-publicaties zijn te bestellen via www.awt.nl.
    Eerdere adviezen van de AWT zijn ook te vinden op de website.
124 Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>