<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>         BOVEN HET MAAIVELD
           FOCUS OP WETENSCHAPPELIJKE ZWAARTEPUNTEN
advies
         86
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>De Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) brengt gevraagd en ongevraagd advies
uit aan regering en parlement. Zijn onafhankelijke adviezen zijn strategisch van aard en gaan over de
hoofdlijnen van wetenschaps-, technologie- en innovatiebeleid. De leden van de AWT zijn afkomstig uit
kennisinstellingen en het bedrijfsleven. De raad staat onder voorzitterschap van Uri Rosenthal. De AWT
doet zijn werk vanuit de overtuiging dat het belang van kennis, wetenschap en innovatie voor economie
en samenleving groot is en in de toekomst nog verder zal toenemen.
De raad is als volgt samengesteld:
prof.dr. U. Rosenthal (voorzitter)
prof.dr.ing. D.H.A. Blank
mw. ing. T.E. Bodewes
mw. prof.dr. V.A. Frissen
prof.dr. E.C. Klasen
prof.dr. E.M. Meijer
P. Morley MSc.
dr.ir. A.J.H.M. Peels
prof.dr.ir. M.F.H. Schuurmans
prof.dr. L.L.G. Soete
mw. dr. D.J.M. Corbey (secretaris)
Het secretariaat is gevestigd in Den Haag:
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
T   070-3110920
E   secretariaat@awt.nl
W www.awt.nl
ISBN: 9789077005682
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>86
   Boven het maaiveld
   Focus op wetenschappelijke zwaartepunten
   april 2014
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>  Colofon
  Illustratie        Sylvia Weve
  Druk:              Quantes - Rijswijk
  April 2014
  ISBN               9789077005682
  Verkoopprijs       € 12,50
  Auteursrecht
  Alle auteursrechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen
  van deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke
  toestemming van de AWT. Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van
  organisatienaam en naam en jaartal van uitgave.
2 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  Inhoudsopgave
  Samenvatting                                                 5
  1      Inleiding                                             9
  1.1    Adviesvraag                                          10
  1.2    Uitwerking                                           10
  2      Wetenschap en wetenschapsbeleid                      13
  2.1    De functies van de wetenschap                        13
  2.2    De doelstellingen van wetenschapsbeleid              13
  2.3    De instrumenten van het wetenschapsbeleid            15
  3      De Nederlandse wetenschap: uitgangssituatie          19
  3.1    Een hoogvlakte met pieken                            19
  3.2    De Nederlandse pieken                                20
  3.3    De Nederlandse hoogvlakte                            22
  4      Ontwikkelingen in buiten- en binnenland              25
  4.1    Mondialisering van de wetenschap                     25
  4.2    Europees onderzoeksbeleid                            26
  4.3    In Nederland: druk op de investeringen               27
  4.4    Toenemende prestatiedruk                             28
  4.5    Wankel draagvlak voor investeringen in wetenschap    29
  5      Elementen in de strategieën van andere landen        31
  5.1    Zwaartepunten identificeren met science foresighting 31
  5.2    Internationaal concurreren en samenwerken            32
  5.3    Afrekenen op kwaliteit                               33
  5.4    Coördineren op nationaal niveau                      34
  6      Conclusies en aanbevelingen                          37
  6.1    Nederland                                            37
  6.2    Internationaal                                       38
  6.3    Conclusies                                           38
  6.4    Aanbevelingen                                        41
  Bijlage 1 Lijst met geïnterviewden                          45
  Bijlage 2 Literatuurlijst                                   47
  Bijlage 3 Serie uitgebrachte adviezen van de AWT            51
3 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>4 Boven het maaiveld</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
  De Nederlandse publieke kennisinstellingen en publieke onderzoeksfinanciers zijn
  verregaand autonoom in het bepalen van hun onderzoeksbeleid. De onderlinge
  verhoudingen tussen de autonome Nederlandse kennisinstellingen kenmerken zich door
  een mix van afstand bewaren op instellingsniveau, concurreren op faculteits-, vakgroep-
  en onderzoekersniveau om medewerkers, studenten en middelen, en samenwerken. De
  rijksoverheid heeft zich de afgelopen jaren beperkt tot het scheppen van
  randvoorwaarden en het financieren zonder veel te sturen.
  Autonomie van instellingen en zelforganisatie van het veld heeft goed uitgepakt.
  Nederland kent een bloeiend wetenschappelijk klimaat dat internationaal geroemd
  wordt. Het Nederlandse wetenschapslandschap is een hoogvlakte met pieken. De
  hoogvlakte wordt gevormd door al die wetenschappers in Nederland die naar
  internationale maatstaven bovengemiddeld presteren. De pieken worden gevormd door
  de wetenschappers van wereldformaat die hier in wetenschappelijke kwaliteit nog
  bovenuit steken. De pieken vormen de verankering van de Nederlandse wetenschap in
  mondiale, toonaangevende netwerken. Zij constitueren het vermogen om mee te
  draaien aan de wetenschappelijke top en om grensverleggende kennis te absorberen.
  Adviesvraag
  Dit advies gaat over de vraag of het verstandig is het beleid uit het verleden voort te
  zetten. Kunnen we erop vertrouwen dat het randvoorwaardelijke en faciliterende beleid
  van de afgelopen jaren ook in de toekomst de resultaten zal opleveren waar de
  samenleving behoefte aan heeft? Of is het moment gekomen om het beleid in het licht
  van nieuwe omstandigheden aan te passen?
  Deze vraag is mede ingegeven door het feit dat het internationale speelveld aan het
  veranderen is. Op mondiaal en Europees niveau komen nieuwe spelers op, terwijl
  tegelijkertijd in Nederland de publieke investeringen in wetenschap afnemen. Terwijl
  opkomende landen zich meer op wetenschappelijk onderzoek storten en buurlanden als
  Duitsland hun onderzoeksinspanningen opvoeren, blijven publieke investeringen in
  Nederland achter. De plaatsen van de Nederlandse universiteiten in de internationale
  ranglijsten staan onder druk. Buiten Europa en de Verenigde Staten ontwikkelen zich in
  rap tempo een aantal sterke onderzoeks- en innovatie hotspots die veel menselijk
  kapitaal, private investeringen en onderzoeksinfrastructuur aantrekken.
  Wetenschap en wetenschapsbeleid
  De wetenschap vervult twee verschillende soorten functies in de samenleving. In de
  eerste plaats levert wetenschappelijk onderzoek nieuwe kennis op, nieuwe antwoorden
5 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  op onderzoeksvragen, in het verleden door de AWT ‘kennis als product’ genoemd. In de
  tweede plaats levert het verrichten van wetenschappelijk onderzoek zelf een breed
  spectrum aan vaardigheden en capaciteiten op, door de AWT aangeduid met de term
  ‘kennis als vermogen’. Onderdeel daarvan is het kennisabsorptievermogen.
  Het wetenschapsbeleid is het overheidsbeleid dat zich richt op het wetenschappelijk
  onderzoek dat verricht wordt door publieke kennisinstellingen. Het doel daarvan is het
  maximaliseren van het maatschappelijk rendement van de wetenschappelijke
  inspanning. Enerzijds hangt dit samen met de uitkomsten van onderzoek (kennis als
  product), en anderzijds met het verrichten van onderzoek als activiteit (kennis als
  vermogen).
  Het wetenschapsbeleid doet drie dingen: het faciliteert, het stuurt generiek en het stuurt
  thematisch. Het wetenschapbeleid faciliteert de wetenschap door randvoorwaarden te
  scheppen, door in onderzoeksinfrastructuur te investeren en door middelen ter
  beschikking te stellen, met name via de eerste geldstroom. Deze middelen zijn door
  universiteiten naar eigen inzicht te besteden. Daarnaast stuurt het wetenschapsbeleid
  generiek, op niet-inhoudelijke variabelen als excellentie, transdisciplinariteit,
  interuniversitaire samenwerking, clustervorming, profilering, zwaartepunten ofwel ‘focus
  en massa’, wetenschappelijke impact, maatschappelijke valorisatie, aansluiting bij
  Europese programma’s, deelname van vrouwen en minderheden, en dergelijke. Hiervoor
  wordt een deel van de tweede geldstroom ingezet. Ten slotte stuurt het
  wetenschapsbeleid thematisch, op inhoudelijke zwaartepunten. Dit vindt al sinds jaar en
  dag plaats voor zover NWO de tweede geldstroom programmatisch besteedt, langs de
  kanalen van ZonMw en door strategisch te investeren in grootschalige
  onderzoeksfaciliteiten. In het recente verleden is er met de FES-gelden steviger
  thematisch gestuurd dan op het ogenblik. Door generiek en thematisch te sturen, kan
  de overheid de kans dat pieken binnen een bepaald werkveld ontstaan groter maken.
  Conclusies
  De AWT concludeert dat het terughoudende Nederlandse wetenschapsbeleid heel
  succesrijk is geweest, maar dat het nu noodzakelijk is om voor de toekomst gezamenlijk
  een stap vooruit te maken om de kwaliteit van onderwijs, onderzoek en valorisatie te
  verbeteren. De omstandigheden waaronder het huidige wetenschapsbeleid succesvol
  was, zijn sterk aan het veranderen. Nieuwe kennisproducenten buiten en binnen Europa
  komen op. Aansluiting houden bij mondiale wetenschappelijke ontwikkelingen en
  kennis van elders kunnen absorberen, maken stevige wetenschappelijke pieken almaar
  belangrijker voor Nederland. Dit noopt tot een extra inzet op pieken van mondiale
  wetenschappelijke allure.
  Daartoe zijn strategische keuzes nodig. Dat geldt des te meer omdat Nederland ervoor
  kiest de stijging van de investeringen in wetenschappelijk onderzoek in het buitenland
6 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>  niet te volgen. Dit heeft tot gevolg dat we in de nabije toekomst niet langer in staat
  zullen zijn een ‘brede hoogvlakte met pieken’ te onderhouden.
  Inzetten op pieken vraagt van kennisinstellingen om scherper te kiezen en verder te
  profileren. Het vraagt van de overheid om meer te sturen op excellentie, niet alleen
  generiek, maar ook thematisch. Thematisch sturen betekent sturen op specifieke
  zwaartepunten die gekozen worden op basis van hun wetenschappelijk, economisch of
  maatschappelijk belang. Dat kan door de eerste geldstroom te dynamiseren: instellingen
  concurreren onderling meer om de beschikbare middelen. Het kan door de tweede
  geldstroom en de middelen voor onderzoeksinfrastructuur meer strategisch in te zetten:
  onderzoekers concurreren dan nog meer onderling om middelen die programmatisch
  worden toegewezen.
  Kiezen voor pieken impliceert het accepteren van dalen. Zwakke of subkritische
  disciplines kunnen op zeker moment ‘witte vlekken’ worden. Dat is onvermijdelijk. Waar
  dit een probleem is, kunnen internationale coördinatie, samenwerking en taakverdeling
  met buurlanden negatieve gevolgen wellicht deels opvangen.
  Aanbevelingen
  Het doel van het beleid inzake wetenschap is het maximaliseren van het
  wetenschappelijk, maatschappelijk en economisch rendement van de wetenschappelijke
  inspanning. De toenemende internationale concurrentie en de almaar stagnerende
  budgetten nopen tot soms pijnlijke keuzes. Tegen deze achtergrond beveelt de AWT de
  bewindspersonen van OCW het volgende aan (in het kort – zie de hoofdtekst voor de
  volledige aanbevelingen):
  1.   Richt het wetenschapsbeleid meer op wetenschap van topkwaliteit, op
       wetenschappelijke pieken. Vergroot de kans dat ze ontstaan en stimuleer hun
       ontwikkeling. Doe dat door meer te sturen, zowel generiek (op excellentie) als
       thematisch (op zwaartepunten). Maak daartoe de financiering van onderzoek meer
       prestatieafhankelijk.
  2.   Zorg vanuit uw verantwoordelijkheid voor stevige keuzes van
       zwaartepunten en de effectuering daarvan. Respecteer de eigen dynamiek van
       de wetenschap, maar neem zelf de regie en zorg dat de noodzakelijke keuzes
       gemaakt worden. Borg hierbij de advisering in uw richting op basis van een goed
       overzicht van alle relevante informatie (science foresight). Maak kennisinstellingen
       duidelijk waarop keuzes voor zwaartepunten beoordeeld worden. Maak afspraken
       over implementatie, financiering en evaluatie.
  3.   Zorg voor stabiliteit en duidelijkheid in het systeem van financiering.
       Ondersteun de ontwikkeling van gekozen zwaartepunten ruimhartig met
       financiële middelen. Maak onderzoeksfinanciering via de eerste geldstroom meer
7 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>       prestatieafhankelijk. Houd vooralsnog de verhouding tussen de eerste en tweede
       geldstroom zoals zij nu is. Geef NWO als prioritaire opdracht wetenschappelijke
       zwaartepunten verder tot ontwikkeling te brengen. Laat de organisatie evolueren
       van een primair disciplinaire oriëntatie naar vooral transdisciplinair en thematisch
       georiënteerd.
  4.   Intensiveer de samenwerking met andere landen. Stimuleer de samenwerking
       op de terreinen waarop Nederlandse wetenschappers meedraaien aan de mondiale
       top. Zet vol in op prioritaire gebieden binnen Horizon 2020. Coördineer de
       investeringen in grootschalige onderzoeksfaciliteiten veel sterker dan tot dusver met
       andere landen. Stimuleer daarnaast de samenwerking – vooral met de buurlanden
       – op die terreinen waarop de Nederlandse wetenschap de aansluiting met de
       mondiale top dreigt te verliezen, om daarmee in de behoeften aan
       wetenschappelijke expertise en onderzoekscapaciteit te voorzien.
  5.   Waardeer de kwaliteit van prestaties in disciplines die een meer landspecifieke
       basis of invulling hebben en waarvan de prestaties daardoor minder
       internationaal te benchmarken zijn op een aangepaste manier, maar maak ook daar
       financiering via de eerste geldstroom prestatieafhankelijk.
  6.   Investeer in een breed en stabiel maatschappelijk draagvlak voor het
       wetenschapsbeleid. Positioneer het wetenschapsbeleid zodanig dat het een
       stabiliteit en consistentie kent die correspondeert met de lange tijdshorizon van de
       wetenschap.
8 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                 1
Nederlandse onderzoekers presteren
                                                   Inleiding
                                    Wetenschap doet ertoe. Het belang van de ontwikkeling van nieuwe kennis en technologie
                   bovengemiddeld   is groot. Onderzoek is belangrijk om ons verdienvermogen op peil te houden, om nieuwe
                                    oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken te ontwikkelen, om de wereld en onszelf te
                                    begrijpen. De geschiedenis laat zien dat wetenschappelijk onderzoek de samenleving vaak
                                    allerlei onvoorziene mogelijkheden en kansen heeft geboden. In de toekomst zal het belang
                                    van de wetenschap voor de ontwikkeling van de samenleving alleen maar toenemen.
                                    Daarom moet Nederland hierin stevig investeren. De Nederlandse wetenschap kent een rijke
                                    schakering, met een grote output van uitstekende kwaliteit. Het wetenschapsstelsel is in de
                                    loop van de jaren geëvolueerd. Dit advies gaat over de vraag of dit stelsel ook voor de
                                    toekomst nog optimaal is ingericht. Wat kan of moet de overheid doen om de Nederlandse
                                    wetenschap nog productiever te maken? Hoe moet het wetenschapsbeleid eruitzien?
  Kennisinstellingen zijn autonoom  De Nederlandse publieke kennisinstellingen zijn verregaand autonoom in het bepalen van
                                    hun onderzoeksbeleid. Universiteiten zijn op afstand van de rijksoverheid geplaatst. De para-
                                    universitaire onderzoeksinstituten ressorteren niet rechtstreeks onder de overheid, maar
                                    onder de koepels van de KNAW en NWO. De instituten voor toepassingsgericht onderzoek
                                    (de TO2-instituten: TNO, DLO en de GTI’s) opereren overwegend vraaggedreven. Al deze
                                    instellingen bepalen hun eigen onderzoeksstrategie. Ten dele doen ze dat op het niveau van
                                    colleges van bestuur en directies, en ten dele op het niveau van faculteiten, vakgroepen en
                                    onderzoeksteams. Maar niet alleen de instellingen zijn autonoom, ook de financiers. Binnen
                                    algemene kaders zetten NWO, STW, KNAW, FOM en ZonMw hun eigen strategische lijnen
                                    uit. Kennisinstellingen en financiers spelen met hun strategie in op de interne dynamiek van
                                    de wetenschap en op gepercipieerde maatschappelijke behoeften aan nieuwe kennis, zoals
                                    de laatste jaren voornamelijk door de topsectoren gearticuleerd. De overheid stuurt alleen in
                                    de onderzoeksagenda’s van instituten voor beleidsondersteunend onderzoek als het Centraal
                                    Planbureau (CPB), het Sociaal-Cultureel Planbureau (SCP) en het Planbureau voor de
                                    Leefomgeving (PBL), die direct onder de overheid vallen.
       Een mix van concurrentie en  De onderlinge verhoudingen tussen de autonome Nederlandse kennisinstellingen
                   samenwerking ... kenmerken zich door een mix van afstand bewaren op instellingsniveau (leven en laten
                                    leven) en concurreren op faculteits-, vakgroep- en onderzoekersniveau om
                                    medewerkers, studenten en middelen. Tegelijkertijd wordt er ook samengewerkt.
                                    Coördinatie en samenwerking in het onderzoeksbestel komen overwegend van onderop
                                    tot stand. In de wereld van het onderzoek weten onderzoekers met complementaire
                                    kennis en interesses elkaar prima te vinden, hetzij binnen het eigen land, hetzij over
                                    grenzen heen. De onderzoeksprogramma’s van de EU en de Knowledge and Innovation
                                    Communities (KICs) binnen het European Institute of Innovation & Technology (EIT)
                                    leiden in sommige gevallen tot stappen om samen op te trekken. Er zijn daarnaast in het
                                    verleden vanuit het beleid allerlei initiatieven geweest om coördinatie en samenwerking
                                 9  Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                              te faciliteren, bijvoorbeeld de interuniversitaire onderzoeksscholen. De middelen uit het
                              Fonds Economische Structuurversterking (FES) zijn voor een groot deel ingezet om
                              samenwerking te bevorderen. Het 3TU-initiatief was bedoeld om meer lijn te brengen in
                              het technisch-wetenschappelijk onderzoek. De sectorplannen beogen voor meer
                              afstemming in onderwijs en onderzoek tussen universiteiten te zorgen. De Nederlandse
                              Federatie van Universitaire Medische Centra (NFU) speelt een bemiddelende rol in de
                              afstemming van strategievorming tussen de acht academische ziekenhuizen.
... heeft Nederland hoog op   Autonomie van instellingen en zelforganisatie van het veld heeft Nederland veel goeds
         ranglijsten gebracht gebracht. Nederland kent een bloeiend wetenschappelijk klimaat dat internationaal
                              geroemd wordt. Nederlandse onderzoekers zijn naar verhouding zeer productief. De
                              publicatie-output is tussen 2003 en 2011 met de helft toegenomen. Onderzoeksgroepen
                              zijn goed internationaal ingebed, zo blijkt uit de cijfers over internationale co-publicaties.
                              Nederlandse kennisinstellingen staan dan ook hoog in de ranglijsten.1 De rijksoverheid
                              heeft zich de afgelopen jaren beperkt tot het scheppen van randvoorwaarden en het
                              financieren zonder veel te sturen. Dit heeft goed uitgepakt. De kwaliteit van de
                              Nederlandse wetenschap is – afgaande op publicaties en citaties – bovengemiddeld in
                              vrijwel alle richtingen waarvoor internationale vergelijkingen bestaan. Bovendien zijn er
                              subdisciplines en deelgebieden waarop Nederland tot de internationale top behoort. Het
                              Nederlandse wetenschapslandschap is een hoogvlakte met pieken.
                              1.1          Adviesvraag
     Kan en moet het beter?   Dit advies gaat over de vraag of het verstandig is deze beleidslijn uit het verleden door te
                              trekken. Kunnen we erop vertrouwen dat het randvoorwaardelijke en faciliterende
                              beleid van de afgelopen jaren ook in de toekomst de resultaten zal opleveren waar de
                              samenleving behoefte aan heeft? Of is het moment gekomen om het beleid in het licht
                              van nieuwe omstandigheden aan te passen?
                              1.2          Uitwerking
De waarde van wetenschap      In Nederland staat het wetenschapsbeleid van de afgelopen jaren momenteel breed ter
                              discussie. Met de inzet van het profileringsbeleid en het topsectorenbeleid is de weg
                              ingeslagen naar meer thematische sturing in de wetenschap vanuit de overheid. Daar staat
                              tegenover dat de thematische inzet van middelen met de afbouw van het FES is
                              teruggebracht. Het recente rapport van de WRR ‘Naar een lerende economie’ over het
                              verdienvermogen van Nederland stelt de vraag wat de maatschappelijke functie van de
                              kennisinfrastructuur is en legt de nadruk op het belang van de wetenschap voor onderwijs
                              en ontwikkeling van menselijk kapitaal. Rapporten van de KNAW zoals ‘Vertrouwen in
                              wetenschap’ en ‘Publieke kennisinvesteringen en de waarde van wetenschap’ houden het
                              intern functioneren van de wetenschap en de waarde voor de samenleving tegen het licht.
                              1
                                 Zie de Shanghai Academic Ranking of World Universities (ARWU) op http://www.shanghairanking.com/ en de Times Higher Edu-
                                 cation World University Rankings op http://www.timeshighereducation.co.uk/world-university-rankings/.
                           10 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>           Systeemkritiek  Tegelijkertijd neemt binnen de academische wereld de kritiek op het functioneren van het
                           wetenschapssysteem en op het wetenschapsbeleid toe. Een groep wetenschappers onder
                           de naam Science in Transition roept de vraag op of de prikkels en afrekenmechanismes die
                           het autonome wetenschapssysteem kenmerken wel zo wenselijk zijn vanuit
                           maatschappelijk perspectief. Tegen deze achtergrond werken de universiteiten gezamenlijk
                           via de VSNU aan een visie op de toekomst en schrijft NWO aan een nieuwe strategie.
                           Binnen de overheid loopt een IBO (Interdepartementaal Beleidsonderzoek) dat de effectiviteit
                           van het wetenschapsbeleid in kaart brengt. Binnenkort zal de regering een nieuwe visie op
                           het wetenschapsbeleid presenteren. Dit advies dient als input voor deze visie.
             Azië komt op  De vraag of Nederland het huidige wetenschapsbeleid moet voortzetten of aanpassen is
                           mede ingegeven door het feit dat het internationale speelveld aan het veranderen is.2
                           Op mondiaal niveau komen nieuwe spelers op, terwijl tegelijkertijd in Nederland de
                           publieke investeringen in wetenschap afnemen. De investeringen van China in R&D zijn
                           in 2009 met 28 procent gegroeid en in 2010 met 15 procent. Het land investeert
                           enorme bedragen in de ontwikkeling van zeven nieuwe strategische sectoren,
                           waaronder IT, energiebesparing en milieubescherming, hightech productie en
                           biotechnologie. Deze sectoren moeten op termijn van een jaar of zeven groeien van
                           twee tot vijftien procent van de Chinese economie.3 Zuid-Korea investeert nu al zo’n vier
                           procent van het BBP in R&D, en de uitgaven zullen de komende jaren alleen maar
                           groeien. Waar met de ‘oude’ spelers op het internationale speelveld, de landen van
                           West-Europa en Noord-Amerika, van oudsher hechte samenwerkingsverbanden
                           bestaan, zijn de banden met de opkomende landen nog volop in ontwikkeling. De
                           traditionele internationale academische netwerken zijn nog bezig de nieuwe spelers te
                           accommoderen. Het is maar de vraag of de openheid en de kennisuitwisseling op basis
                           van wederkerigheid die de verhouding met de traditionele partners kenmerken ook in
                           de verhoudingen met de opkomende kennisproducenten terug te vinden zullen zijn.4
             Horizon 2020  Ook op Europees niveau komen nieuwe spelers op. De omvang van het nieuwe Brusselse
                           programma Horizon 2020 is aanzienlijk groter dan dat van de voorganger KP7, maar de
                           concurrentie om de middelen is veel scherper. Enerzijds is dit het gevolg van het feit dat de EU
                           meer lidstaten telt en dat de kennisinfrastructuur in de nieuwe lidstaten zich steeds verder
                           ontwikkelt. Anderzijds is het een consequentie van het gegeven dat in veel landen de nationale
                           middelen schaarser worden en de kennisinstellingen zich daarom meer op Brussel richten.
Buurlanden investeren fors Terwijl opkomende landen zich meer op wetenschappelijk onderzoek storten en
                           buurlanden als Duitsland hun onderzoeksinspanningen opvoeren, blijven publieke
                           investeringen in Nederland achter. De directe overheidsuitgaven voor R&D dalen van
                           bijna 4,7 miljard euro in 2012 tot 4,1 miljard in 2018 (minus twaalf procent – een daling
                           2
                              Zie voor een analyse van de internationalisering van de Nederlandse kennissamenleving: AWT-advies 83 (2013), ‘Going Dutch –
                              De Nederlandse kennissamenleving in internationaal perspectief’.
                           3
                              Zie AWT-advies 78 (2012), ‘De Chinese Handschoen’.
                           4
                              Zie AWT-advies 83 (2013), ‘Going Dutch’.
                        11 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>            Publieke uitgaven in van 0,78 naar 0,65 procent van het BBP). Deze daling wordt niet zozeer veroorzaakt door
                Nederland dalen  het teruglopen van de uitgaven van het ministerie van OCW aan onderzoek – de eerste
                                 geldstroom blijft de komende jaren min of meer gelijk en de tweede stijgt zelfs wat – als
                                 wel door de terugval van R&D-investeringen van de andere departementen. Deze is vooral
                                 het gevolg van het aflopen van de innovatieprogramma’s van het ministerie van
                                 Economische Zaken en van de projecten die uit het FES werden gefinancierd. De indirecte
                                 overheidsbijdragen aan R&D via de Wet Bevordering Speur en Ontwikkelingswerk (WBSO)
                                 en Research en Development Aftrek (RDA), gaan na 2015 eveneens dalen. Daarmee dalen
                                 de totale publieke R&D-uitgaven tussen 2012 en 2018 met ongeveer 550 miljoen (van
                                 0,96 naar 0,82 procent van het BBP). Dat impliceert dat de uitgaven voor de fiscale
                                 instrumenten de daling in de directe R&D-uitgaven niet compenseren.5
Plaats op ranglijsten onder druk Een ander gevolg van de opkomst van nieuwe spelers is het gegeven dat de plaatsen van de
                                 Nederlandse universiteiten in de ranglijsten onder druk staan. In de laatste Times Higher
                                 Education ranking staan de meeste Nederlandse universiteiten nog wel in de top honderd,
                                 maar worden voorbijgestreefd door Aziatische en Australische universiteiten (waaronder die
                                 van Hongkong, Korea en Singapore), die aan een spectaculaire opmars bezig zijn.6
                                 Buiten Europa en de Verenigde Staten ontwikkelen zich in rap tempo een aantal sterke
                                 onderzoeks- en innovatie hotspots die veel menselijk kapitaal, private investeringen en onder-
                                 zoeksinfrastructuur aantrekken. Een meer gezamenlijk Europees onderzoeks- en weten-
                                 schapsbeleid zou hierop een antwoord kunnen zijn, maar ook andere allianties zijn denkbaar.
             Hoe kan het beter?  De vraag die in dit advies centraal staat, luidt zoals hierboven aangeduid: is er aanleiding
                                 om het wetenschapsbeleid in het licht van veranderende nationale en internationale
                                 omstandigheden aan te passen? Hoe kan het wetenschapsbeleid geoptimaliseerd
                                 worden? Deze adviesvraag roept op zijn beurt een aantal subvragen op:
                                         • Wetenschapsbeleid: wat is de functie van de wetenschap, wat zou het
                                              wetenschapsbeleid zich ten doel moeten stellen, en over welke instrumenten
                                              beschikt dit beleid om deze doelen te bereiken?
                                         • Veranderende nationale en internationale omstandigheden:
                                                         O Waar staat Nederland op dit moment?
                                                         O Welke veranderingen in de nationale en de internationale context O
                                                         O hebben implicaties voor het wetenschapsbeleid?
                                                         O Wat kunnen we leren van het wetenschapsbeleid van andere landen?
                                         • Wenselijke aanpassingen: welke veranderingen in het wetenschapsbeleid zijn
                                              gegeven deze ontwikkelingen gewenst?
                                 In de volgende hoofdstukken zullen deze vragen successievelijk aan de orde komen. Het
                                 laatste hoofdstuk concludeert en formuleert een zestal aanbevelingen.
                                 5
                                    Zie Rathenau Instituut (2014), ‘Totale investeringen in wetenschap en innovatie 2012-2018’. In deze cijfers zijn de maatregelen
                                    uit het regeerakkoord 2012 verwerkt, maar die uit de aanvullende begrotingsafspraken 2014 niet. Dit kan zo’n 125 – 200 mil-
                                    joen ofwel 0,02 tot 0,03 procent BBP schelen.
                                 6
                                    Zie de Times Higher Education World University Rankings; de ARWU-ranking bevestigt dit beeld.
                              12 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                             2   2.1
                                                    Wetenschap en wetenschapsbeleid
                                               De functies van de wetenschap
Kennis als product en kennis als De wetenschap vervult verschillende functies in de samenleving. Deze functies vallen in
                     vermogen    twee categorieën uiteen. De eerste houdt verband met de resultaten van
                                 wetenschappelijk onderzoek. Wetenschappelijk onderzoek levert nieuwe kennis op,
                                 nieuwe antwoorden op onderzoeksvragen, in het verleden door de AWT ‘kennis als
                                 product’ genoemd.7 De tweede categorie is gerelateerd aan het verrichten van
                                 wetenschappelijk onderzoek als activiteit. Het doen van onderzoek is een instrument om
                                 een breed spectrum aan vaardigheden en capaciteiten te ontwikkelen. De AWT duidt dit
                                 spectrum aan vaardigheden aan met de term ‘kennis als vermogen’. Onderzoek dient
                                 hiermee ook het geavanceerde onderwijs.8 Onderdeel van kennis als vermogen is de
                                 capaciteit om geavanceerde kennis binnen een vakgebied te kunnen begrijpen en
                                 gebruiken: absorptievermogen. Het vermogen om nieuwe kennis binnen een vakgebied
                                 te absorberen is doorgaans alleen te ontwikkelen door zelf ook binnen dat vakgebied op
                                 hoog niveau onderzoek te verrichten.
Ontwikkeling van vaardigheden    Het belang van het onderzoek voor het onderwijs heeft dus niet alleen te maken met
                                 onderzoeksuitkomsten die een input zouden zijn voor onderwijs. Het belang zit vooral in
                                 wetenschappelijk onderzoek als activiteit: onderzoek doen. Dit belang is tweeledig. In de
                                 eerste plaats is onderzoek verrichten een vorm van training – voor een academische
                                 opleiding een karakteristieke en onmisbare vorm. Studenten ontwikkelen
                                 onderzoeksvaardigheden en maken zich een discipline eigen door zelf onderzoek te
                                 doen: learning on the job. Dit geldt sterker voor masterstudenten dan voor
                                 bachelorstudenten, en a fortiori voor promovendi. In de tweede plaats vormt het
                                 verrichten van onderzoek een bron van inspiratie en een vorm van onderhoud van
                                 human capital voor docenten. Hoogleraren en medewerkers die onderzoek doen aan de
                                 grenzen van de bestaande kennis ontlenen daaraan niet alleen vaardigheden om in het
                                 onderwijs over te dragen, maar ook de gedrevenheid om goed onderwijs te leveren.
                                 2.2           De doelstellingen van wetenschapsbeleid
Wat beoogt wetenschapsbeleid?    Het wetenschapsbeleid is het overheidsbeleid dat zich richt op het wetenschappelijk
                                 onderzoek dat verricht wordt door publieke kennisinstellingen. Het doel van dit
                                 wetenschapsbeleid is het maximaliseren van het maatschappelijk rendement van de
                                 7
                                   AWT-advies 62 (2005), ‘De waarde van weten – De economische betekenis van universitair onderzoek’.
                                 8
                                   In dezelfde lijn onderscheidt KNAW (2013b) verschillende functies van wetenschap. Hiervan hebben het leveren van verhandel-
                                   bare producten en diensten, van oplossingen voor maatschappelijke problemen en opgaven, en van algemene inzichten over hoe
                                   de wereld in elkaar zit te maken met de resultaten van wetenschappelijk onderzoek te maken: kennis als product. De andere
                                   functies, te weten signaleren en agenderen en vooral het bijdragen aan opleiding, hebben te maken met het wetenschappelijk
                                   onderzoeken als activiteit: kennis als vermogen.
                              13 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                                     wetenschappelijke inspanning. Het maatschappelijk rendement vloeit voort uit de
                                     verschillende functies die hierboven zijn beschreven. Enerzijds hangen die samen met de
                                     uitkomsten van onderzoek (kennis als product), en anderzijds met het verrichten van
                                     onderzoek als activiteit (kennis als vermogen). Dat impliceert de volgende doelstellingen
                                     voor het beleid:
        Aansluiten bij economie en           • Het wetenschapsbeleid moet ervoor zorgen dat de wetenschappelijke
                       samenleving               inspanning zoveel mogelijk rendement oplevert in termen van
                                                 wetenschappelijke resultaten van hoge kwaliteit.9 Deze wetenschappelijke
                                                 resultaten moeten zoveel mogelijk aansluiten bij de behoeften van de
                                                 samenleving aan nieuwe kennis. Deze behoeften kunnen van praktische aard
                                                 zijn: kennis om economische of maatschappelijke vraagstukken aan te pakken.
                                                 Ze kunnen ook van algemene aard zijn: kennis omwille van het weten zelf. Van
                                                 belang is dat er een maatschappelijke behoefte bestaat. Gegeven schaarse
                                                 middelen, geniet het ontwikkelen van kennis waaraan weinig behoefte of
                                                 waarvoor weinig interesse bestaat geen prioriteit.
            Capaciteit, expertise en         • Het wetenschapsbeleid moet er tevens voor zorgen dat de wetenschappelijke
               absorptievermogen                 inspanning zoveel mogelijk rendement oplevert in termen van beschikbaarheid
                                                 van wetenschappelijk getrainde capaciteit en expertise. Deze capaciteit omvat
                                                 het vermogen om elders ontwikkelde kennis te signaleren, begrijpen,
                                                 beoordelen en toe te passen: het absorptievermogen. Het belang van een goed
                                                 ontwikkeld absorptievermogen neemt toe naarmate ‘het buitenland’ meer
                                                 kennis produceert.
      Een breed draagvlak is nodig   Deze doelstellingen kunnen slechts gerealiseerd worden indien er een breed
                                     maatschappelijk draagvlak voor de wetenschap bestaat. Het wetenschapsbeleid en de
                                     investeringen die daarvoor nodig zijn, dienen zich daarom te verzekeren van continue
                                     politieke en publieke steun.10
Onderzoek ontwikkelt generieke en    Om te bepalen of het maatschappelijk de moeite waard is om in een bepaald onderzoek
 disciplinespecifieke vaardigheden   te investeren, is het dus belangrijk niet alleen te kijken naar de onderzoeksresultaten die
                                     mogelijk in het verschiet liggen, maar ook naar de vermogens en vaardigheden die via
                                     het onderzoek doen worden ontwikkeld. Deze vermogens en vaardigheden zijn deels
                                     generiek en deels disciplinegebonden. Alle wetenschappelijk onderzoek draagt bij aan
                                     het ontwikkelen van een reeks van analytische vaardigheden, maar de in onderzoek
                                     getrainde socioloog ontwikkelt daarbij nog vakspecifieke vaardigheden en maakt zich
                                     nog disciplinespecifieke methoden en technieken eigen, die anders zijn dan die van de
                                     natuurkundige, de econoom of de filosoof.
                                     9
                                        Kwaliteit heeft hier betrekking op zaken als nieuwheid, validiteit en belang.
                                     10
                                        Zie ook AWT-achtergrondstudie 42 (2012), ‘Kiezen voor de kennissamenleving’.
                                  14 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                                     2.3         De instrumenten van het wetenschapsbeleid
  Het gaat om faciliteren, generiek  In de praktijk combineert het wetenschapsbeleid drie dingen: het faciliteert, het stuurt
      sturen en thematisch sturen    generiek en het stuurt thematisch. Het wetenschapbeleid faciliteert de wetenschap in de
                                     eerste plaats door de randvoorwaarden te scheppen die kennisinstellingen in staat
                                     stellen om onderzoek te doen. Daarbij gaat het om uiteenlopende zaken als het
                                     scheppen van een wettelijk raamwerk waarbinnen kennisinstellingen kunnen
    Faciliteren is kaders stellen en functioneren, het stellen van kaders die bepalen hoe financiering plaatsvindt en hoe
                        financieren  verantwoording wordt afgelegd, wie toegang heeft tot de resultaten van academisch
                                     onderzoek (intellectueel eigendomsrecht, open access), accreditatie van academische
                                     opleidingen, regulering van de arbeidsmarkt voor onderzoekers (bijvoorbeeld faciliteren
                                     van grensoverschrijdende mobiliteit), regulering op het gebied van onderzoeksobjecten
                                     (genetisch gemodificeerde organismen, toxische en radioactieve stoffen, proefdieren en
                                     proefpersonen), etcetera. In de tweede plaats faciliteert het wetenschapsbeleid de
                                     wetenschap door middelen ter beschikking te stellen, zonder daaraan veel voorwaarden
                                     te verbinden ten aanzien van de richting van de besteding. Daarbij gaat het bij de
                                     universiteiten eerst en vooral om de financiële middelen die de eerste geldstroom
                                     vormen. Deze middelen zijn door universiteiten naar eigen inzicht te besteden. Naast
                                     financiële middelen voorziet het wetenschapsbeleid ook in materiële middelen, met
                                     name onderzoeksinfrastructuur. Daarbij gaat het om grote voorzieningen, vaak
                                     ondergebracht bij een NWO-instituut, en om ICT-infrastructuur (via SURF).
       Autonomie van instellingen    Van de hierboven beschreven randvoorwaarden en middelenvoorziening gaat weinig
               genereert dynamiek    sturing uit. Indien het wetenschapsbeleid zich tot faciliteren beperkt, zijn
                                     kennisinstellingen maximaal autonoom. Als een overheid met wetenschapsbeleid alleen
                                     faciliteert en niet stuurt, is het resultaat afhankelijk van de dynamiek van het
                                     wetenschapssysteem zelf (de internationale en binnenlandse concurrentie) en de
                                     strategieën van de individuele veldpartijen (de universiteiten en de onderzoeksinstituten).
                                     Dat hoeft niet slecht uit te pakken: als het systeem voldoende open en competitief is,
                                     kan een faciliterend, niet sturend beleid fantastische resultaten opleveren. Hoogvlakten
                                     en pieken kunnen ontstaan, zonder dat daarop gestuurd wordt, ook zonder het
                                     benoemen van zwaartepunten. Het Zwitserse systeem is een voorbeeld hiervan.
                                     Begripsomschrijving
                                     In dit advies worden de volgende begrippen gehanteerd:
                     Het landschap:  •     Hoogvlakte: de hoogvlakte wordt gevormd door groepen wetenschappers die
hoogvlakte, pieken, zwaartepunten          relatief ten opzichte van het internationale veld bovengemiddeld presteren.
                                     •     Piek: een piek is een groep wetenschappers die behoren tot de mondiale top in hun
                                           vakgebied.
                                     •     Zwaartepunt: een zwaartepunt is een wetenschappelijk veld waarvan
                                           kennisinstellingen, bedrijven en/of de overheid de ontwikkeling doelgericht stimuleren.
                                  15 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                                       •     Absortievermogen: het vermogen om elders ontwikkelde kennis te signaleren, te
                                             begrijpen en toe te passen.
                                       Binnen een zwaartepunt kunnen zich pieken ontwikkelen, maar dat hoeft niet het geval
                                       te zijn. Pieken kunnen zich ook buiten zwaartepunten ontwikkelen. De kans dat pieken
                                       zich binnen zwaartepunten ontwikkelen, is groter dan dat ze zich erbuiten ontwikkelen.
                                       In de praktijk blijken er echter vaak redenen te bestaan om het autonome proces bij te
                                       sturen. De autonomie van instellingen is daarom niet absoluut en het wetenschapsbeleid
                 Generieke sturing ... stuurt wel degelijk. Dat gaat vaak langs generieke lijnen. Er wordt in dit geval niet op
                                       inhoud gestuurd maar op andere variabelen. Dat kan van alles zijn: excellentie,
                                       transdisciplinariteit, interuniversitaire samenwerking, clustervorming, profilering,
                                       zwaartepunten ofwel ‘focus en massa’, wetenschappelijke impact, maatschappelijke
                                       valorisatie, aansluiting bij Europese programma’s, deelname van vrouwen en
                                       minderheden, en dergelijke. Sturen gebeurt tot op zekere hoogte door dialoog en
                                       overtuiging, maar doorgaans – en meestal effectiever – door voorwaarden te verbinden
                                       aan middelenverstrekking. Dit is de gang van zaken in een deel van de tweede
                                       geldstroom. NWO zet een deel van de middelen niet thematisch weg, maar op basis van
                                       generieke criteria (bijvoorbeeld in het geval van de Vernieuwingsimpuls en de
                                       Spinozapremies). In het verleden heeft ook het ministerie van OCW generieke
                                       instrumenten in het leven geroepen om bepaalde niet-inhoudelijke doelstellingen te
                                       realiseren (regelingen als Aspasia en Rubicon). Sinds kort wordt er ook generiek
                                       gestuurd met de eerste geldstroom door deze middelen – vooralsnog heel beperkt – van
                                       profilering afhankelijk te maken.
... levert accenten in het landschap   Het resultaat van generieke sturing is het versterken van bepaalde kenmerken van de
                                       wetenschap of van het wetenschappelijk bedrijf, zonder daarvoor ex ante specifieke
                                       disciplines of onderzoeksthema’s te kiezen. Als er generiek gestuurd wordt, kan er een
                                       nog meer geaccidenteerd ‘landschap’ ontstaan, waarin de pieken hoger zijn, maar
                                       liggen op plekken die niet van tevoren bedacht of geselecteerd zijn.
                  Sturen op thema’s    Daarnaast kan het wetenschapsbeleid langs thematische lijnen sturen. In dat geval
                                       wordt er wel op inhoud gestuurd en worden er specifieke zwaartepunten gedefinieerd.
                                       Sturen op inhoud vindt al sinds jaar en dag plaats via de tweede geldstroom, voor zover
                                       NWO die programmatisch besteedt, en langs de kanalen van ZonMw voor het medische
                                       onderzoek. Maar naar verhouding gaat het hier om een beperkt bedrag. Wel stuurt
                                       NWO hiermee krachtiger dan de omvang van het bedrag doet vermoeden door
                                       cofinanciering vanuit de eerste geldstroom te eisen. Thematisch sturen kan ook door
                                       strategisch te investeren in grootschalige onderzoeksfaciliteiten. Dat gebeurt in
                                       Nederland vooralsnog te weinig. Tot dusverre komen investeringen in grote
                                       onderzoeksinfrastructuur overwegend bottom up tot stand, op initiatief van individuele
                                       onderzoekers. De AWT heeft er vorig jaar voor gepleit deze investeringen veel meer te
                                  16   Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                       plegen vanuit een integrale strategische visie op de ontwikkeling van de Nederlandse
                                       wetenschap en de positionering daarvan in een internationaal kader.11 Bovendien heeft
                                       de AWT gepleit voor een betere aansluiting bij de maatschappelijke uitdagingen die op
                                       Europees niveau zijn vastgesteld in het kader van het kaderprogramma voor onderzoek
                                       ‘Horizon 2020’.12
   In het verleden meer thematische    In het recente en verdere verleden is er steviger thematisch gestuurd dan op het
                               sturing ogenblik. Dit gebeurde bijvoorbeeld met FES-gelden. Daarmee zijn TTI’s gefinancierd en
                                       onderzoeks- en innovatieprogramma’s betaald. De inhoudelijke sturing kwam in dat
                                       geval van de diverse vakdepartementen. In dat kader is genomics het onderzoeksveld
                                       dat de ruimste middelen heeft gekregen, maar daarnaast is er onderzoek op allerhande
                                       thema’s gefinancierd, zoals nanotechnologie. In een verder verleden zijn er door de
                                       overheid gefinancierde programma’s geweest voor onder andere ICT-onderzoek,
                                       biotechnologieonderzoek en milieuonderzoek.
Inzetten op zwaartepunten vergroot     Door thematisch te sturen, kan de overheid de kans dat pieken binnen een bepaald
                    de kans op pieken  werkveld ontstaan groter maken. Door zwaartepunten te faciliteren, kunnen bestaande
                                       pieken zich versterken en kunnen nieuwe pieken gemakkelijker tot stand komen. Als dat
                                       het doel is, ligt het voor de hand zwaartepunten te kiezen op basis van een inschatting
                                       van het belang daarvan voor de ontwikkeling van kennis als vermogen (onderwijs en
                                       training, ontwikkeling van uiteenlopende vaardigheden en capaciteiten) en van kennis
                                       als product (bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten voor de
                                       versterking van de concurrentiekracht van bedrijven of de aanpak van maatschappelijke
                                       problemen en behoeften).
    Topsectorenbeleid: overheid stelt  In de loop van de tijd heeft de autonomie van de kennisinstellingen meer nadruk
                      zich volgend op  gekregen en is de inhoudelijke sturing door de overheid steeds verder teruggebracht.
                                       Dat geldt niet alleen voor universiteiten, maar ook voor TO2-instellingen. Deze zijn
                                       allemaal verzelfstandigd en op afstand van de overheid geplaatst. Tegelijkertijd is met de
                                       invoering van het topsectorenbeleid de inhoudelijke sturing, voor zover daar nog sprake
                                       van was, van karakter veranderd: de overheid neemt niet langer een initiërende rol in
                                       het proces, maar een volgende. Het bedrijfsleven heeft een prominentere rol toebedeeld
                                       gekregen via de koppeling van een groot deel van de NWO-middelen en de
                                       TO2-middelen aan de kennisagenda’s van de topsectoren. De AWT meent dat de
                                       overheid zich momenteel binnen de triple helix (‘gouden driehoek’) al te volgend opstelt
  Meer sturing op maatschappelijke     en dat zij meer verantwoordelijkheid zou moeten nemen voor een inzet op
                uitdagingen gewenst    maatschappelijke uitdagingen.13
               Het gaat om de balans   Het is niet alleen de vraag hoe de doelstellingen van het wetenschapsbeleid het best
                                       gerealiseerd kunnen worden door de drie onderdelen van het wetenschapsbeleid, het
                                       11
                                          Zie AWT-advies 80 (2013), ‘Maatwerk in onderzoeksinfrastructuur’.
                                       12
                                          Zie AWT-advies 82 (2013), ‘Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen’.
                                       13
                                          Zie de aanbevelingen in AWT-advies 82 (2013), ‘Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen’.
                                    17 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>   faciliteren, het generiek sturen en het thematisch sturen. Het is ook de vraag wat de
   optimale balans is tussen faciliteren (autonomie), generiek sturen (inzetten op
   excellentie, op samenwerking, op profilering) en thematisch sturen (inzetten op
   specifieke zwaartepunten).
18 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                             3  3.1
                                               De Nederlandse wetenschap:
                                               uitgangssituatie
                                           Een hoogvlakte met pieken
          De pieken bepalen het Het Nederlandse wetenschapslandschap ziet eruit als een hoogvlakte met pieken. De
      wetenschappelijk klimaat  hoogvlakte wordt gevormd door al die wetenschappers in Nederland die naar
                                internationale maatstaven bovengemiddeld presteren. De pieken worden gevormd door
                                de wetenschappers van wereldformaat die hier in wetenschappelijke kwaliteit nog
                                bovenuit steken. In dit landschap staan de pieken niet alleen op de hoogvlakte – het is
                                ook andersom: de hoogvlakte hangt aan de pieken. Het zijn de pieken die de kwaliteit
                                van het Nederlandse wetenschappelijke klimaat bepalen. De pieken bepalen de
                                aantrekkingskracht van Nederlandse kennisinstellingen op de mondiale markt voor
                                onderzoekstalent.
  Ze verankeren de Nederlandse  De pieken vormen de verankering van de Nederlandse wetenschap in mondiale,
     wetenschap internationaal  toonaangevende netwerken. Het zijn de antennes die de nieuwe wetenschappelijke
                                ontwikkelingen het eerste opvangen. Het vermogen om mee te draaien aan de grenzen
                                van de wetenschap en om de grensverleggende kennis die mondiaal wordt
                                geproduceerd te absorberen, is gevestigd in de pieken. De pieken zetten de toon voor
                                de rest van de Nederlandse wetenschap. Zij inspireren concurrerende
                                onderzoeksgroepen tot betere prestaties en hogere kwaliteit. Zij weten de beste mensen
                                en de meeste middelen naar zich toe te trekken en het meest effectief te gebruiken.
Zonder pieken geen hoogvlakte - Met de opkomst van nieuwe kennisproducenten buiten en binnen Europa neemt het belang
 zonder hoogvlakte geen pieken  van deze pieken alleen maar toe. Aansluiting hebben en houden bij de mondiale top is
                                cruciaal. Zonder stevige pieken dreigt de hoogvlakte te gaan uitzakken en vormen zich
                                langzaamaan steeds meer en steeds diepere valleien met irrelevant onderzoek. Daarom
                                noopt de opkomst van nieuwe spelers in het wereldwijde spel van kennisproductie tot een
                                extra inzet op pieken van mondiale wetenschappelijke allure. Maar de hoogvlakte heeft niet
                                alleen de stimulans van de pieken nodig, de pieken kunnen ook niet blijven bestaan zonder
                                de hoogvlakte. Elke piek heeft voeding nodig vanuit aanpalende disciplines en een
                                ondersteunend ecosysteem. Pieken kunnen niet overleven zonder de feedback van een
                                brede groep van onderzoekers en bedrijven die kennis valoriseren.
                             19 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                         Uit Tera Allas (January 2014): 14
                         Like the applications and sectors they serve, science and innovation have always been
                         international activities. Domestically created knowledge has rarely been the sole source
                         driving innovation. Indeed, it is estimated that, in advanced economies, some 80 – 90
                         procent of productivity attributable to technology transfer derives from foreign research.
                         It would be a mistake to conclude from this that the UK could derive greater economic
                         benefit by creating less new knowledge itself and relying more on exploiting knowledge
                         created overseas. Domestic research generates a hugely important by-product in the form
                         of absorptive capacity: the ability of businesses and researchers to exploit cutting-edge
                         research carried out elsewhere. If we move away from the frontiers of knowledge
                         creation, it is highly likely that our best researchers will go elsewhere, the world’s talent
                         will not come here, and consequently we will lose our ability to make the most of
                         knowledge created elsewhere. This would make us significantly less attractive to inward
                         investors. Furthermore, in a world where much applied research and development is
                         increasingly commoditised, the UK has a huge advantage in its pre-eminent reputation for
                         the quality of its research, which is not easily or quickly reproducible elsewhere.
   Toeval maar ook inzet Pieken zijn niet met wetenschapsbeleid te creëren: ze ontstaan. Wetenschappelijke
                         excellentie kan zich ontwikkelen als een buitengewoon getalenteerde onderzoeker een
                         buitengewoon productieve onderzoekslijn ontwikkelt. Of dit gebeurt, is van vele
                         toevalligheden afhankelijk. In de wetenschap lopen vele sporen dood. Succes in de
                         wetenschap is niet alleen een kwestie van intelligentie en inzet, maar ook van het geluk
                         op een goed spoor te komen. Wel kan de kans vergroot worden dat pieken ontstaan.15
                         Dat kan met de soorten beleid die hierboven beschreven zijn: faciliteren, generiek sturen
                         en thematisch sturen.
                         3.2            De Nederlandse pieken
Nederlandse wetenschap   De Nederlandse wetenschap telt een reeks van pieken, onderzoeksgroepen en
       heeft veel pieken instituten, aangevoerd door topwetenschappers, met een mondiale reputatie. We
                         hebben het dan over enige tientallen, verdeeld over diverse universiteiten (zie de
                         tekstbox hieronder). Dit zijn de parels van de Nederlandse wetenschap. Pieken ontstaan
                         vaak vanuit een kleine kiem van een individuele wetenschapper of een groep
                         wetenschappers. Ze groeien nooit in isolement, maar alleen dankzij samenwerking en
                         kennisuitwisseling met onderzoekers in wereldwijde netwerken.
                         14
                            Tera Allas (January 2014), Insights from international benchmarking of the UK science and innovation system, BIS analysis paper
                            03, Department for Business Innovation & Skills. Zie ook KNAW (2013b): ‘Als men niet is ingewijd in de grenzen van de kennis-
                            ontwikkeling in een bepaald gebied, is de recente wetenschappelijke literatuur niet te gebruiken.’
                         15
                            Zie voor een uitgesproken voorbeeld wat Singapore doet op het terrein van de biosciences.
                      20 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Pieken trekken toptalenten aan Succesvolle pieken hebben aantrekkingskracht op buitenlands talent en soms op
                               buitenlandse investeringen. In sommige gevallen trekken ze toegepast onderzoek en
                               ontwerpactiviteiten aan, inspireren ze tot nieuwe toepassingen van kennis en ontstaan
                               er nieuwe praktijken in bedrijven, ziekenhuizen en culturele instellingen. Een indicatie
                               voor het bestaan van pieken in Nederland is de toestroom van buitenlandse
                               wetenschappers naar Nederlandse kennisinstellingen. In 2011 ligt het aandeel niet-
                               Nederlandse wetenschappers in vier disciplines (biologie, chemie, materiaalkunde en
                               milieu- en aardwetenschappen) rond 28 procent (zie figuur 1).16
                               Figuur 1 : Aandelen van buitenlandse wetenschappers in diverse landen in 201117
                               Wetenschappelijke pieken in Nederland
                               Internationale vergelijkingen van topwetenschap beperken zich veelal tot de
                               natuurwetenschappen (inclusief de wiskunde, technische en medische wetenschappen).
                               Een onderzoek dat binnen deze natuurwetenschappen 251 wetenschappelijke
                               subdisciplines onderscheidt, laat zien dat Nederlandse universiteiten in 45 daarvan
                               behoren tot de absolute wereldtop (gedefinieerd als behorend tot de tien procent
                               hoogst scorende universiteiten, op een indicator gebaseerd op aantallen publicaties en
                               citaties, gecorrigeerd voor de kwaliteit van de betreffende tijdschriften).18 Van die 45 zijn
                               er zeventien te vinden in Wageningen, negen in Utrecht, vijf in Delft, vier bij de
                               Erasmusuniversiteit, drie bij de Universiteit van Amsterdam, twee in Maastricht, twee in
                               Eindhoven, twee bij de Vrije Universiteit en een in Leiden. Als de 251 subdisciplines
                               worden geaggregeerd tot vijftien brede hoofdvelden, zijn er slechts 27 universiteiten in
                               de wereld die in minstens één breed veld tot de top behoren: zeventien uit Noord-
                               Amerika, vijf uit Azië en vijf uit Europa. Tot deze laatste vijf behoren Wageningen en de
                               Vrije Universiteit, samen met Cambridge, ETH Zürich en het Zweedse Karolinska
                               16
                                  Zie Franzoni, C., Scellato, G., Stephan, P. (2012), ‘Foreign-born scientists: mobility patterns for 16 countries’, Nature Biotechno-
                                  logy 30, pp. 1250 – 1253.
                               17
                                  Figuur afkomstig uit Van Noorden, R. (2012), ‘Global mobility: Science on the move’, Nature, 490, pp. 326 – 329, gebaseerd op
                                  onderzoek van Franzoni, Scellato en Stephan (zie vorige voetnoot).
                               18
                                  Bonaccorsi, A., Haddawy, P., UL Hassan, S., Cicero, T., Secondi, L., Setteducati, E. (2013), ’Are European universities facing the
                                  Asian challenge in excellent S&T research?’, gepubliceerd op ec.europa.eu.
                            21 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                                  Instituut.
                                  In vergelijking met andere Europese landen, komt Nederland uit dit onderzoek positief
                                  naar voren. In vergelijking met de Verenigde Staten, doet heel Europa – Nederland incluis
                                  – het vrij matig. Alleen al Harvard University behoort met 58 subdisciplines in meer velden
                                  tot de wereldtop dan heel Nederland bij elkaar. Azië is Europa al voorbijgestreefd in het
                                  aantal subdisciplines waarin het tot de top tien procent van de wereld behoort.
                                  Wie de onderzoekers zijn achter de cijfers die hierboven zijn aangehaald, valt te zien in
                                  de lijst van Spinozalaureaten.19 De NWO-Spinozapremie is een prijs voor onderzoekers in
                                  Nederland die tot de absolute top van de wetenschap behoren. Om de premie te
                                  kunnen ontvangen moeten onderzoekers worden voorgedragen. NWO reikt per jaar
                                  maximaal vier premies uit.
Nederlandse hoogvlakte: onderzoek 3.3            De Nederlandse hoogvlakte
               is bovengemiddeld
                                  De pieken weten zich gevoed en gesteund door een wetenschappelijke hoogvlakte – een
                                  hoogvlakte waarin ten gevolge van gerichte investeringen zwaartepunten zijn ontstaan.
                                  Dat het Nederlandse wetenschapslandschap een hoogvlakte is en dat de output van hoge
                                  kwaliteit is, valt af te meten aan de mate waarin Nederlands onderzoek internationaal
                                  wordt geciteerd.20 Nederland scoort in vrijwel alle disciplines boven het wereldgemiddelde
                                  en er zijn vrijwel geen disciplines waarin Nederland achterblijft (zie figuur 2). Nederland
                                  scoort met name hoog waar het gaat om publicaties in transdisciplinaire tijdschriften,
                                  maar ook in de fysica en informatie- en communicatiewetenschappen.
                                  19
                                     Zie http://www.nwo.nl/onderzoek-en-resultaten/programmas/spinozapremie/spinozalaureaten.
                                  20
                                     Zie bijvoorbeeld Öquist G. en Benner, M. (2012), ‘Fostering breakthrough research: a comparative study’, Royal Swedish Academy
                                     of Sciences.
                               22 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                                Figuur 2 : Citatie-impact van Nederland per gebied, 2007-2010 (1.0 is het wereldgemiddelde)21
De hoogvlakte helpt kennis van  De wetenschappelijke hoogvlakte is ook van belang voor de breedte en diepte van het
             elders absorberen  kennisabsorptievermogen, het vermogen om elders gegenereerde kennis te absorberen en
                                te gebruiken. Het onderhouden van de hoogvlakte – onderzoek doen in een breed palet aan
                                disciplines – zorgt voor een brede opbouw van deskundigheid. Onderzoekers met een breed
                                scala aan expertises en vaardigheden komen op deze manier via de arbeidsmarkt ter
                                beschikking van allerhande bedrijven en instellingen. Dat geeft deze organisaties de
                                mogelijkheid om snel en flexibel in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en kansen. Zo scoort
                                Nederland bijvoorbeeld redelijk op het punt van technologieabsorptie. Volgens het Global
                                Competitiveness Report 2013 – 2014 van het World Economic Forum neemt Nederland qua
                                beschikbaarheid van de nieuwste technologieën de negende plaats op de ranglijst van 148
                                landen in en qua gebruik van deze technologieën in bedrijven de 22ste plaats.22
  Hoe stabiel is de hoogvlakte? Er lijkt nu weinig reden om aan de stabiliteit van de hoogvlakte te twijfelen. Toch zijn er
                                zorgpunten. Om het absorptievermogen in stand te houden, is een voldoende
                                basisfinanciering nodig. Het aantal beschikbare promotieplaatsen loopt echter terug,
                                vooral door het wegvallen van de FES-gelden. Daarnaast is uitstekend onderwijs van
                                belang. Het stelsel werkt nu juist in de hand dat er ook lichtere studies worden
                                aangeboden. Deze studies trekken weliswaar veel studenten, maar sluiten niet altijd aan
                                op de maatschappelijke en economische behoeften.
                                21
                                   Dialogic, NIFU en CWTS (2012), ‘Wetenschaps-, Technologie & Innovatie Indicatoren 2012’, zie http://www.wti2.nl.
                                22
                                   World Economic Forum (2013), ‘The Global Competitiveness Report 2013–2014’.
                             23 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>24 Boven het maaiveld</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                               4  4.1
                                                     Ontwikkelingen in buiten- en
                                                     binnenland
                                                Mondialisering van de wetenschap
    Meer landen, meer publicaties Steeds meer landen zijn actief in wetenschappelijk onderzoek. In figuur 3 is dat duidelijk
                                  zichtbaar: de publicatie-output in de periode tussen 1998 en 2009 neemt fors toe. Grote
                                  kennislanden als de Verenigde Staten, Duitsland en Engeland (maar ook Nederland) blijven
                                  dominant, maar landen als China, Brazilië en Korea komen sterk op. Deze trend is ook
                                  zichtbaar in citatiemetingen.
                                  Figuur 3: Wetenschappelijke publicatie-output en co-auteurschap in 1998 en 2008 (de grootte van de bollen re-
                                  flecteert het aantal publicaties en de dikte van de lijnen de aantallen co-auteurschappen).23
Meer internationale samenwerking  Er is niet alleen een toename in wetenschappelijke output van landen (de omvang van
                                  de bolletjes in figuur 3), maar ook een stijging in het aantal internationale co-publicaties
                                  (de lijntjes tussen de bolletjes). Het aandeel nam toe van 4,5 procent in 1980 tot 21,4
                                  procent in 2011. Nederlandse onderzoekers publiceren naar verhouding veel samen met
                                  buitenlandse collega’s. Het percentage internationale co-publicaties ligt in Nederland (54
                                  procent) ruim twee keer boven het wereldgemiddelde.24
                                  23
                                     OECD (2011), ‘Science, Technology and Industry Scoreboard 2011’.
                                  24
                                     Dialogic, NIFU en CWTS (2012), ibidem.
                               25 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Meer hoger opgeleiden, onder     Ook als gekeken wordt naar het aantal afgestudeerden in het hoger onderwijs, verschuift het
       andere in BRIC-landen     krachtenveld. De OESO voorspelt dat in 2020 29 procent van alle hoger opgeleiden uit China
                                 komt. De Verenigde Staten en Europa blijven steken op iets meer dan een kwart. In 2020 zullen
                                 China, Rusland, Brazilië, India, Indonesië, Saoedi-Arabië en Zuid-Afrika bij elkaar bijna veertig
                                 procent meer hoger opgeleiden hebben dan de 34 OESO landen samen. De kwaliteit van het
                                 hoger onderwijs wordt in een groot aantal van deze landen ook snel beter en in vergelijkende
                                 lijstjes worden Nederlandse universiteiten in een aantal gevallen al ingehaald op dit punt.25
                                 Buitenlandse investeringen in kennis en innovatie zijn welkom in Nederland: het wetenschaps-
                                 systeem is open. Universiteiten, onderzoeksinstellingen kunnen dependances openen in Nederland.
                                 Dat gebeurt echter slechts op kleine schaal (voorbeelden zijn het Max Planck Instituut in Nijmegen
                                 en het beoogde Amsterdam Institute of Advanced Metropolitan Solutions waarin MIT participeert).
                                 4.2            Europees onderzoeksbeleid
   1,6 miljard euro uit Europa   Europees onderzoeksbeleid wordt steeds belangrijker voor Nederland (zie figuur 4 onder ‘overig’).
                                 Meer dan tien procent van de investeringen in Nederlandse R&D komt inmiddels uit het
                                 buitenland, waarvan een belangrijk deel uit Brussel. In 2011 werd er 1,32 miljard euro vanuit het
                                 buitenland (zowel publiek als privaat) in het Nederlandse systeem geïnvesteerd.26 Sinds het midden
                                 van de jaren negentig, toen de Europese programma’s steeds belangrijker werden, zijn deze
                                 investeringen sterk toegenomen. In het zesde kaderprogramma (2002 – 2006) werd meer dan een
                                 miljard euro aan Nederlandse partijen toegekend. In het zevende kaderprogramma werd tot en
                                 met het jaar 2010 al ruim 1.6 miljard euro toegekend aan Nederlandse partijen.27
                                 Figuur 4: Verdeling van totale R&D uitgaven in Nederland als percentage van BBP en in miljoenen euro’s, naar
                                 financieringsbron.28
                                 25
                                     Zie de Times Higher Education Rankings 2013 – 2014.
                                 26
                                     CBS (2013), ‘ICT, Kennis en economie 2013’.
                                 27
                                     Agentschap NL (2011), ‘Nederland in KP7’.
                                 28
                                     Via http://www.trendsinbeeld.minocw.nl/grafieken/5_3_1.php .
                            26 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                                    Horizon 2020 is de belangrijkste pijler in het Europese onderzoeksbeleid vanaf 2014 tot
    Drie pijlers van Horizon 2020   en met 2020. Hierbinnen zijn weer drie pijlers te onderscheiden: excellente wetenschap,
                                    industrieel leiderschap en maatschappelijke uitdagingen. Belangrijke instrumenten voor
                                    de wetenschap als de European Research Council (ERC) en ESFRI (voor grote
                                    onderzoeksinfrastructuur – coördinatie zonder middelen) zitten in de eerstgenoemde
                                    pijler. De agenda wordt hier bepaald door de wetenschap. In de tweede pijler, voor
                                    industrieel leiderschap, wordt de agenda bepaald door het bedrijfsleven. In de laatste
                                    pijler, de maatschappelijke uitdagingen, bepalen politiek en beleid in belangrijke mate
                                    de agenda. In de laatste twee pijlers is het benoemen van zwaartepunten een belangrijk
                                    middel en is publiek-private samenwerking een centraal instrument. Horizon 2020 kan
                                    in de meerjarenbegroting van de EU rekenen op een budget van zeventig miljard euro.
                                    Dat is een behoorlijke stijging ten opzichte van het zevende kaderprogramma (2007 –
                                    2013) waarvoor 53 miljard euro was uitgetrokken. De middelen zullen echter met meer
                                    partners gedeeld moeten worden.
Slimme specialisatie in de regio’s  Daarnaast zet de EU in het kader van de besteding van het structuurfonds EFRO sterk in
                                    op smart specialisation. Europese regio’s kiezen hun (economische) sterktes en schrijven
                                    daarvoor een Smart Specialisation Strategie (S3). Hierin neemt de R&D-capaciteit van de
                                    regio een belangrijke rol in. Nederland loopt voorop als het gaat om het schrijven van
                                    S3’s. Hoewel deze strategieën meer gericht zijn op innovatiebeleid dan op wetenschaps-
                                    beleid, zijn ze in belangrijke mate richtinggevend voor de sectoren waarin Europees
                                    wordt geïnvesteerd. Deze strategieën zullen als basis dienen voor de verdeling van
                                    (ongeveer tachtig procent van) de Nederlandse claims op dit fonds (ongeveer 65 miljoen
                                    euro per jaar).29
                                    4.3           In Nederland: druk op de investeringen
     Nederlandse investeringen      In een groot aantal landen zijn de relatieve investeringen in R&D gedurende de laatste
                     blijven achter tien jaar toegenomen (zie figuur 5). Korea en China zijn daar duidelijke voorbeelden
                                    van. De Nederlandse investeringen zijn gedaald. In absolute getallen zijn de Verenigde
                                    Staten nog steeds de grootste investeerder in R&D, maar China staat inmiddels op de
                                    tweede plaats, voor Japan, Duitsland en Korea. De rest van de Europese landen,
                                    waaronder Nederland, blijft daarbij achter. In de meeste BRIC landen liggen de relatieve
                                    investeringsniveaus nog onder de Europese, maar de trend is stijgend.
                                    29
                                       Zie het nieuwsbericht van 28 augustus 2013 op de webpagina van Nether http://www.neth-er.eu/nl/nieuws/Nederland-krijgt-
                                       ruim-12-miljard-uit-Structuurfondsen-tot-2020; in 2007 – 2013 was dit bijna 119 miljoen euro per jaar.
                                 27 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                                   Figuur 5: Investeringen in R&D als percentage van het BBP, 2001 vergeleken met 2011 30
Publieke uitgaven dalen, private   De huidige trends zouden Nederland zorgen moeten baren. De totale overheids-
                      stijgen niet investeringen in onderzoek als percentage van het BBP dalen de komende jaren van
                                   0,78 procent in 2012 tot 0,65 procent in 2018, als alle kabinetsplannen worden
                                   doorgezet.31 Een groot deel van deze daling is te wijten aan het wegvallen van de
                                   FES-gelden. Een andere verontrustende ontwikkeling is het achterblijven van de stijging
                                   van de private R&D-uitgaven in Nederland bij die in andere landen. In Europa heeft
                                   Nederland samen met Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen het laagste
                                   niveau van privaat gefinancierde R&D. Dit hangt deels samen met de sectorstructuur van
                                   de Nederlandse economie: Nederland is relatief sterk in R&D-extensieve sectoren.
                                   Daarnaast zijn de grote Nederlandse bedrijven actief in het buitenland en financieren
                                   ook daar onderzoek. Die kennis komt weliswaar mede ten goede aan de Nederlandse
                                   economie, maar ontstaat elders.
                                   4.4          Toenemende prestatiedruk
 Publicatiedruk en citatiescores   De combinatie van schaarste aan middelen en toenemende internationalisering van de
                                   wetenschap zorgen voor meer concurrentie en een hogere prestatiedruk. De prestatie-
                                   druk komt primair tot uitdrukking in de druk om zo veel mogelijk te publiceren in zo
                                   hoog mogelijk gekwalificeerde tijdschriften. Daarbij worden kwaliteit en impact van een
                                   publicatie gemeten aan de hand van de status van het tijdschrift en het aantal citaties.
                                   De druk om internationaal aan de top te blijven zorgt bij kennisinstellingen voor een
                                   cultuur waarbij de indicatoren voor de wetenschappelijke impact van het onderzoek
                                   centraal staan. De oude generatie onderzoekers maakt plaats voor jonge onderzoekers
                                   die in deze prestatiecultuur opgroeien.
  Valorisatie krijgt meer nadruk   De meer recente nadruk op maatschappelijke impact heeft bij de universiteiten mede
                                   geleid tot een nieuwe kerntaak naast onderwijs en onderzoek: kennisoverdracht voor
                                   economische en maatschappelijke valorisatie.32 Naast het professionaliseren van de
                                   valorisatieprocessen binnen universiteiten, stimuleert de overheid ook de interactie met
                                   30
                                      OECD (2013), ‘Science, Technology and Industry Scoreboard 2013’.
                                   31
                                      Rathenau Instituut (2014), ‘Totale investeringen in wetenschap en innovatie 2012-2018’. In deze cijfers zijn de maatregelen uit de
                                      aanvullende begrotingsafspraken 2014 niet meegenomen. Dit kan zo’n 0,02 tot 0,03 procent BBP schelen.
                                   32
                                      OCW (2005), ‘Valorisatie van onderzoek als taak van de universiteiten’.
                                28 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                                       het bedrijfsleven. In het verleden gebeurde dit onder meer via de technologische
                                       topinstituten (TTI’s) en nu via het topsectorenbeleid. Daarbij vraagt de samenleving van
                                       de universiteiten om meer studenten op te leiden (massaliteit), beter in te spelen op
                                       uiteenlopende wensen (differentiatie), beter aan te sluiten op de arbeidsmarkt (utiliteit)
                                       en meer kwaliteit en rendement te leveren (effectiviteit).33 De WRR (2013) signaleert met
                                       zorg dat de Nederlandse universiteiten overbelast zijn geraakt ten gevolge van deze
                                       stapeling van taken en eisen.34
             Profileren en presteren   De nadruk op wetenschappelijke prestaties komt tot uitdrukking in de financiering van
                                       onderzoek. Illustratief was de overheveling van honderd miljoen euro van de eerste naar
                                       de tweede geldstroom (naar NWO in 2009), om wetenschappelijke prestaties verder te
                                       stimuleren via competitie. De koppeling van zeven procent van de financiering van het
                                       hoger onderwijs aan prestatie-indicatoren als onderdeel van het profileringsbeleid maakt
                                       de nadruk op prestaties nog duidelijker. In het profileringsbeleid moeten instellingen zich
                                       meer richten op hun sterktes en zwakke opleidingen en onderzoeksrichtingen
                                       afbouwen, om zo doelmatigheidswinst te boeken en de internationale concurrentie-
                                       positie te versterken. Ook in andere landen sluiten kennisinstellingen prestatiecontracten
                                       met de overheid, gebaseerd op onderwijs- en onderzoeksdoelstellingen.35 Slechts in
                                       enkele landen heeft het niet halen van de gestelde doelen financiële consequenties.
Maar het gaat om kwaliteit in plaats   Een zekere prestatiedruk is nuttig. Maar de kern is dat kwaliteit de doorslag moet geven
                       van kwantiteit  en niet alleen het aantal publicaties of citaties. Kwaliteit is moeilijk te vangen in een
                                       indicator; voor verschillende vakgebieden zullen verschillende indicatoren nuttig zijn.
                                       Daarnaast betreft kwaliteit niet alleen de omvang van de wetenschappelijke output,
                                       maar ook het onderwijs en het vermogen om kennis te absorberen en te valoriseren.
                                       4.5           Wankel draagvlak voor investeringen in wetenschap
 Instabiel beleid is niet bevorderlijk Het draagvlak in de politiek voor investeringen in de wetenschap is in Nederland weinig
                                       stabiel. Herhaaldelijk staan deze investeringen ter discussie, wordt het roer omgegooid of
                                       wordt er bezuinigd. Het beëindigen van de BSIK/FES impuls is hiervan een voorbeeld. Het
                                       wegvallen van de FES fondsen kost naar schatting enige honderden promotieplaatsen per
                                       jaar.36 Maatschappelijke waardering is er wel: de wetenschap wordt nog steeds gezien als
                                       belangrijke ‘institutie’ voor het oplossen van grote maatschappelijke vraagstukken (zoals
                                       klimaatverandering, gezondheidsproblemen) of als bron van economische groei, al is er op
                                       onderdelen wel sprake van afnemend vertrouwen.37
                                       33
                                          VSNU (2012), ‘Trendrapportage universiteiten 2000 – 2020’.
                                       34
                                          WRR (2013), ‘Naar een lerende economie’, p. 288 e.v.
                                       35
                                          EUA (2013), ‘Designing strategies for efficient funding of higher education in Europe’. Prestatieafspraken maakt men in een of
                                          andere vorm in Oostenrijk, Wallonië, Duitsland, Denemarken, Estland, Spanje, Finland, Frankrijk Israel, Italië, Letland, Portugal,
                                          Zweden en Turkije, maar alleen in Oostenrijk en Nederland heeft het niet halen van de criteria directe financiële consequenties.
                                       36
                                          Nuffic (2013), ‘Internationalisering in beeld’, grafiek 65, geeft aan dat er in totaal zo’n 9.00 promovendi in dienst zijn van Neder-
                                          landse universiteiten. De AWT heeft al in 2012 in zijn brief aan de informateurs van het kabinet Rutte II gepleit voor maatregelen
                                          om het aantal promotieplaatsen op peil te houden na het afschaffen van het FES-fonds.
                                       37
                                          Rathenau Instituut (2013), ‘Hoeveel vertrouwen hebben Nederlanders in wetenschap?’
                                   29  Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Breed draagvlak in andere landen In het buitenland lijkt het politieke draagvlak stabieler en steviger. Zowel in Duitsland als
                                 in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten hebben investeringen in
                                 kennisontwikkeling een hoge prioriteit op de agenda van politieke partijen aan
                                 verschillende kanten van het politieke spectrum. Partijen in regering en oppositie delen
                                 de opvatting dat investeren in wetenschap noodzakelijk en productief is.
                                 Regeringswisselingen hebben daardoor weinig tot geen effecten op dit beleid.38 In
                                 Duitsland heeft men het draagvlak voor wetenschappelijke investeringen
                                 geïnstitutionaliseerd door het oprichten van een Forschungsunion. Hierin nemen
                                 vertegenwoordigers uit industrie, wetenschap en maatschappij gezamenlijke
                                 verantwoordelijkheid voor het R&D-beleid.
                                 38
                                    Zie AWT-landenstudie 1 (2013), ‘Vasthoudend innoveren’, over Duitsland; AWT-landenstudie 2 (2014), ‘Food for thought’, over het
                                    Verenigd Koninkrijk, nog niet gepubliceerd.
                              30 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Wat kan Nederland leren van andere
                                  5                      Elementen in de strategieën
                                                         van andere landen
                                     Internationalisering is een dominante trend in de wetenschap die grote effecten heeft op
                            landen?  de concurrentie en de samenwerking tussen wetenschappers. De Nederlandse overheid
                                     heeft hierop ingespeeld door in te zetten op vergroting van de autonomie van
                                     kennisinstellingen (faciliterend beleid) en beperkte sturing, niet door extra investeringen.
                                     We zagen al dat in een groot aantal andere landen juist wel meer wordt geïnvesteerd. Wat
                                     doen landen nog meer om zich goed te positioneren in het internationale krachtenveld?
                                     5.1           Zwaartepunten identificeren met science foresighting
      Kiezen voor maatschappelijke   Steeds meer landen ontwikkelen een nationale wetenschapsstrategie en maken daarbij
                            thema’s  thematische keuzes om zich internationaal te positioneren. Niet alleen OECD-landen,
                                     maar ook opkomende landen als Brazilië, China, India en middle-income landen als
                                     Argentinië, Colombia en Vietnam benoemen nationale zwaartepunten.39 Accenten
                                     verschillen daarin. Landen als Denemarken, Duitsland en Korea ‘vergroenen’ hun
                                     wetenschapsbeleid door in te zetten op het oplossen van grote maatschappelijke
                                     problemen als klimaatverandering en duurzame energie. Ook vergrijzing is in die landen
                                     een favoriet thema. In landen als Polen, Ierland en Portugal ligt het zwaartepunt in het
                                     wetenschapsbeleid bij het vergroten van de sociale cohesie. In Frankrijk, Italië, Japan,
                                     Finland en de Verenigde Staten wordt het wetenschapsbeleid vooral toegespitst op het
                                     vinden van nieuwe bronnen voor economische groei en concurrentiekracht.40
    Kiezen op basis van gezamenlijk  Waar landen zwaartepunten benoemen, gaat dat soms met geharrewar en onrust
                             inzicht gepaard. Dit wil nog wel eens resulteren in een snelle opvolging van tegenstrijdige
                                     keuzes, gebrek aan consistentie en gebrek aan oriëntatie op de lange termijn.41 In een
                                     aantal landen ondervangt men dit door te werken met Science Foresighting. Hierbij
                                     bepalen vertegenwoordigers uit wetenschap, bedrijfsleven en samenleving samen
                                     zwaartepunten. Doel is om wetenschappelijke gebieden te identificeren die zowel een
                                     hoog potentieel hebben om doorbraken te genereren, als maatschappelijk van waarde
                                     zijn. Centraal in dit proces staat het ontwikkelen van een gezamenlijke visie waaraan alle
                                     belanghebbenden uit kennisinstellingen, het bedrijfsleven en de maatschappij zich
                                     kunnen committeren.42 Science foresighting bouwt voort op de keuzes in het verleden
                                     en kijkt systematisch naar wat er nodig is in de toekomst. Het slaat bruggen tussen het
                                     wetenschapsbeleid op Europees, nationaal en regionaal niveau. Denemarken, Canada
                                     39
                                        OECD (2013), ‘Science, Technology and Industry Scoreboard 2013’.
                                     40
                                        Een uitzondering is Zwitserland, dat geen zwaartepunten benoemt en alleen onderzoek op basis van excellentie financiert. Pu-
                                        blieke financiering is er uitsluitend toegankelijk voor publieke kennisinstellingen en niet voor bedrijven. Qua wetenschappelijke
                                        impact staat Zwitserland aan de absolute top. Zie: Akademirapport Sweden (2012), ‘Fostering breakthrough research 2012’.
                                     41
                                        In Zweden schijnt dit een belangrijke oorzaak van de afnemende impact van het onderzoek te zijn: Akademirapport Sweden
                                        (2012), ‘Fostering Breakthrough research 2012’.
                                     42
                                        ESF (2013), ‘Science foresight to advance European Research’.
                                  31 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                                     en Frankrijk hebben ervaring opgedaan met een dergelijk proces. Ook de Hightech
                                     Strategy van Duitsland kan worden gezien als een resultaat van Science Foresighting.43
        Specialisatie en profilering Door in specifieke wetenschappelijke zwaartepunten te investeren, ontwikkelen landen een
                                     specialisatiepatroon. Veel westerse landen hebben sterke clusters in geneeskundig en
                                     biomedisch onderzoek, terwijl een aantal opkomende landen in Oost-Europa en Azië een
                                     specialisatie op natuur- en technische wetenschappen ontwikkelen.44 In Nederland zijn
                                     klinische geneeskunde, ICT, taal en linguïstiek, en landbouw vier gebieden waarin Nederland
                                     – nog beperkt – zwaartepunten ontwikkelt.45 Het ontstaan van wetenschappelijke
                                     zwaartepunten is slechts beperkt op het conto van het wetenschapsbeleid te schrijven.
                                     Onderzoek van het Rathenau Instituut (2010) laat bijvoorbeeld voor Nederland zien, dat de
                                     terreinen waarop de wetenschap het sterkst is gegroeid, het biomedisch en
                                     gezondheidsonderzoek, niet de gebieden zijn die de overheid het meest heeft
                                     gestimuleerd.46
                                     5.2           Internationaal concurreren en samenwerken
    Concurrentie tussen hotspots ... De wetenschap schrijdt voort, gedreven door een delicate combinatie van competitie en
                                     samenwerking.47 Diezelfde combinatie klinkt ook door in het wetenschapsbeleid van
                                     diverse landen. Enerzijds concurreren landen met elkaar om het beste onderzoek en de
                                     meest productieve en creatieve wetenschappers aan zich te binden. Daarvoor zijn
                                     wetenschappelijke hotspots met voldoende focus en massa belangrijk. In een
                                     internationaliserende wereld waarin onderzoekers en onderzoeksgeld steeds mobieler
          ... en steeds intensievere zijn, bepaalt de kwaliteit van deze hotspots de mogelijkheden om de beste mensen en
                     samenwerking    de grootste fondsen aan te trekken.48 Anderzijds trekken landen samen op. Dat gebeurt
                                     bijvoorbeeld in Europees kader. Steeds meer zien landen Europees onderzoeksbeleid als
                                     een belangrijk instrument om internationale samenwerking meer handen en voeten te
                                     geven. Deelname levert niet alleen extra investeringen in onderzoek op, maar vooral ook
                                     aansluiting op internationale kennisnetwerken. Toch staat internationalisering van het
                                     wetenschapsbeleid – in tegenstelling tot de wetenschap zelf – nog in de
                   Maar nog weinig   kinderschoenen. Nationale onderzoeksprogramma’s staan nog maar zeer beperkt open
internationalisering van het beleid  voor buitenlandse deelnemers. Ook zijn de budgetten die aan internationale activiteiten
                                     worden besteed naar verhouding bescheiden.49 NWO spendeerde in 2011 bijvoorbeeld
                                     slechts 2,4 procent van het budget aan internationale samenwerking.
                                     43
                                        BMBF (2010), ‘Ideas. Innovation. Prosperity – High-Tech Strategy 2020 for Germany’
                                     44
                                        Dialogic, NIFU en CWTS (2012), ‘Wetenschaps-, Technologie & Innovatie Indicatoren 2012’.
                                     45
                                        Zie bijvoorbeeld: Akademirapport Sweden (2012), ‘Fostering Breakthrough research 2012’ en Dialogic, NIFU en CWTS (2012),
                                        ‘Wetenschaps-, Technologie & Innovatie Indicatoren 2012’.
                                     46
                                        Rathenau Instituut (2010), ‘Focus en massa in het wetenschappelijk onderzoek: de Nederlandse onderzoeksportfolio in internatio-
                                        naal perspectief’.
                                     47
                                        CREST working group (2007), ‘Policy Approaches towards S&T Cooperation with Third Countries’.
                                     48
                                        Erken et al. (2005), ‘Op zoek naar excellentie: buitenlandse R&D investeringen en de achterliggende locatiefactoren’.
                                     49
                                        European Commission (2009), ‘Drivers of International collaboration in research’.
                                  32 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                                     In vergelijking met Zwitserland, Engeland en Duitsland loopt Nederland achter wat
                                     betreft investeringen in transnationaal gecoördineerd onderzoek. 50 In Europa ligt het
                                     gemiddelde als aandeel in de totale publieke investeringen op 3,8 procent, in Nederland
                                     op 2,4 procent (in 2010).51 Landen als Duitsland en Denemarken zijn ook veel actiever in
                                     het ontwikkelen van een relatie op het gebied van onderzoek met China.52
                                     5.3           Afrekenen op kwaliteit
                      Kwaliteit telt Veel landen zoeken naar methoden om de financiering van het wetenschappelijk
                                     onderzoek op een slimme manier te koppelen aan de kwaliteit van prestaties. Illustratief
                                     in dit verband is het Britse systeem. De Britse financiering van wetenschappelijk
                                     onderzoek is veel meer gebaseerd op concurrentie dan de Nederlandse. Het systeem is
                                     transparanter en minder gebaseerd op historisch gegroeide verdeelsleutels.53
Concurrentie om middelen uit eerste  Net als in Nederland, kent de publieke onderzoeksfinanciering in het Verenigd Koninkrijk
              en tweede geldstroom   een eerste en een tweede geldstroom. Het onderzoeksdeel van de eerste geldstroom via
                                     de Higher Education Funding Councils en de tweede geldstroom via de Research Councils
                                     zijn in het Verenigd Koninkrijk qua omvang van dezelfde orde van grootte (waar de eerste
                                     geldstroom in Nederland veel groter is dan de tweede geldstroom).54 De middelen uit de
                                     tweede geldstroom worden door de zeven Research Councils toegekend op basis van calls
                                     for tender en peer review – min of meer zoals NWO dat in Nederland doet. Concurrentie
                                     om deze middelen is dus ex ante, tussen onderzoekers, op basis van voorstellen. Middelen
                                     uit de eerste geldstroom worden toegekend voor een periode van zes of zeven jaar door
                                     de Higher Education Funding Councils voor de diverse landsdelen. De basis hiervoor is een
                                     beoordeling van de resultaten van de afgelopen periode in het kader van het Research
                                     Evaluation Framework (REF). Hier is concurrentie dus ex post, tussen instellingen.
                  Gedegen evaluatie  Om resultaten ex post te beoordelen, is een uitgebreide procedure ontwikkeld, waarbij
                                     aan faculteiten gevraagd wordt om per onderzoeker de vier beste onderzoeksproducten
                                     – en dus niet de volledige productie – van de afgelopen financieringsperiode te
                                     overleggen. Faculteiten kunnen bovendien kiezen hoeveel en welke onderzoekers ze in
                                     deze beoordeling naar voren schuiven. Een consequentie hiervan is dat de druk om veel
                                     te publiceren wordt verminderd en vervangen door de druk om zo goed mogelijk te
                                     publiceren. In de beoordeling van een onderzoeker gaat het immers niet om kwantiteit,
                                     maar om de kwaliteit van de vier beste producten over een periode van zes à zeven jaar.
                                     50
                                        OCW (2008), ‘Grenzeloze Goed, internationaliseringsagenda Hoger Onderwijs’: “De kernboodschap is, dat instellingen, studen-
                                        ten en onderzoekers autonoom zijn, ook op het gebied van internationalisering. Het is aan hen om ook hun eigen visie, plannen
                                        en ambities te formuleren.” OCW had tot voor kort programma’s voor internationale samenwerking met China en Indonesië,
                                        maar die zijn beëindigd.
                                     51
                                        Eurostat via http://epp.eurostat.ec.europa.eu/statistics_explained/index.php/R_%26_D_budget_statistics_-_transnationally_coordi-
                                        nated_research.
                                     52
                                        Zie AWT-advies 78 (2013), ‘De Chinese handschoen’.
                                     53
                                        AWT-landenstudie 2 (2014), ‘Food for thought’, over het Verenigd Koninkrijk, nog niet gepubliceerd.
                                     54
                                        In Nederland ligt de verhouding van eerste tot tweede geldstroom in de orde van drie staat tot één: de eerste geldstroom be-
                                        draagt ongeveer 1.800 miljoen euro en de tweede geldstroom zo’n 650 miljoen (oplopend tot bijna 750 miljoen in 2018).
                                 33  Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                                    Voor de procedure, met 36 assessment units, 1.000 assessors, 50.000 te beoordelen
                                    research papers, 250 panel meetings, wordt een jaar uitgetrokken. Resultaten van een
                                    faculteit worden niet alleen beoordeeld naar wetenschappelijke kwaliteit, maar ook naar
                                    praktische impact (valorisatie). Daarbij wordt gekeken naar de impact van
                                    onderzoeksresultaten van maximaal vijftien jaar geleden.
 Meer concurrentie kan leiden tot   Een gevolg van dit financieringssysteem is dat de financiering veel meer geconcentreerd
               meer differentiatie  raakt bij de beste universiteiten: de tien beste instellingen halen veertig procent van het
                                    totale publieke onderzoeksbudget binnen.55 Dit financieringssysteem ontwikkelt en
                                    versterkt de pieken. Het ondersteunt een landschap van instellingen met een paar brede
                                    topuniversiteiten (Oxford en Cambridge), een aantal instellingen die daar net onder
                                    zitten (University College London, Imperial College, Manchester University, en nog een
                                    paar), en een heleboel rank and file universities, met vaak nog hier en daar een faculteit
                                    – een piek – die er positief uitspringt. Het Britse systeem leidt tot grote verschillen tussen
                                    de universiteiten. Er zijn zeer sterke universiteiten die er daardoor in slagen weer meer
                                    geld aan te trekken en er zijn universiteiten die dat niet kunnen. Het Nederlandse
                                    financieringssysteem heeft een kennisinfrastructuur opgeleverd waarin alle universiteiten
                                    van een vergelijkbaar – relatief hoog – niveau zijn.
                                    5.4           Coördineren op nationaal niveau
               Stevige coördinatie  In veel landen genieten kennisinstellingen een grote mate van autonomie. Dat schept
                                    behoefte aan een zekere afstemming op nationaal niveau. Duitsland heeft daarvoor al in
                                    1957 de Wissenschaftsrat opgericht. Deze adviseert de Bondsregering en de regeringen
                                    van die Länder over vragen met betrekking tot de inhoudelijke en structurele
                                    ontwikkeling van de universiteiten, hogescholen, de wetenschap en het onderzoek.
Het model van de Wissenschaftsrat   De Duitse wetenschapsraad heeft 54 leden die door de bondspresident worden benoemd.
                                    De wetenschapsraad bestaat uit twee commissies. De eerste is een ‘wetenschappelijke
                                    commissie’ met 32 leden. Daarvan worden 24 leden benoemd op gezamenlijke voordracht
                                    van universiteiten en onderzoeksinstellingen. Deze 24 leden zijn vooraanstaande
                                    wetenschappers en bestuurders van onderzoeksinstellingen. De acht overige leden zijn
                                    ‘persoonlijkheden uit de samenleving’ en worden benoemd op gezamenlijke voordracht
                                    van de Bondsregering en de regeringen van de deelstaten. Ze kunnen afkomstig zijn uit
                                    het bedrijfsleven, de rechterlijke macht, de wetenschap of anderszins.
      De politiek zit ook aan tafel De tweede commissie is de Verwaltungskommission, de bestuurscommissie. Deze
                                    bestaat uit 22 leden. Hiervan vertegenwoordigen zestien leden elk een van de zestien
                                    deelstaten en zes leden de Bondsregering. Alle leden hebben een stem en de zes leden
                                    55
                                       Van de ruim 100 universiteiten in het VK halen de 24 Russell Group universiteiten zo’n driekwart van de universitaire onderzoeks-
                                       beurzen, inkomsten uit contract onderzoek en overheidsfinanciering via de Research Councils (tweede geldstroom) binnen, en
                                       tweederde van de overheidsfinanciering van de Funding Councils (eerste geldstroom). AWT-landenstudie 2 (2014), ‘Food for
                                       thought’, over het Verenigd Koninkrijk, nog niet gepubliceerd.
                                 34 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                        van de bondsregering hebben gezamenlijk zestien stemmen. De leden van de
                        Verwaltungskommission zijn ministers of staatssecretarissen uit de zestien deelstaten en
                        staatsecretarissen van de bondsregering (onder meer wetenschap, onderwijs, financiën,
                        economie, landbouw en energie).
       Brede consensus  De 54 leden van de wetenschapsraad hebben gezamenlijk 64 stemmen. Besluiten
                        worden genomen met tweederde meerderheid om brede consensus te waarborgen. De
                        Wissenschaftrat wordt ondersteund door zo’n tachtig medewerkers en geldt als het
                        belangrijkste adviesorgaan op het domein van wetenschap en wetenschapsbeleid.
                        Aanbevelingen en standpunten betreffen de wetenschappelijke instellingen
                        (universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstituten), hun structuur, financiering en
                        prestaties. Daarnaast gaat het om vraagstukken die het hele wetenschapssysteem
                        betreffen, bijvoorbeeld planning, financiering en aansturing, of om vragen over
                        afzonderlijke vakgebieden en disciplines.
                        De Wissenschaftsrat bereidt zijn aanbevelingen en standpunten voor in 36 werkgroepen.
                        Op het werkprogramma 2014 staan onderwerpen als: het tertiair onderwijs
                        (carrièreperspectieven; autonomie en governance van hogescholen); onderzoek
                        (onderzoek ten behoeve van maatschappelijke uitdagingen, met als voorbeeld energie;
                        grote onderzoeksinfrastructuur); evaluatie van onderzoeksinstellingen; accreditatie.
Inpasbaar in Nederland? Een Wissenschaftsrat is niet zo maar inpasbaar in het Nederlandse stelsel, waarin de
                        autonomie van de universiteiten centraal staat en de betrokkenheid van de politiek
                        minder is. Verschillende opties waarbij een Nederlandse ‘wetenschapsraad’ meer of
                        minder bevoegdheden krijgt, en de politiek meer of minder betrokken is, zijn denkbaar.
                     35 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>36 Boven het maaiveld</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                       6                    Conclusies en aanbevelingen
                          Uit de beschrijvingen in de vorige hoofdstukken doemt nu een beeld op waar Nederland
                          staat en wat er in de wereld om ons heen gebeurt. We vatten dit kort samen, trekken
                          daaruit conclusies en formuleren ten slotte een paar aanbevelingen.
                          6.1         Nederland
 Nederlandse wetenschap   Nederland voert een overwegend faciliterend wetenschapsbeleid: de Nederlandse
           presteert goed kennisinstellingen zijn vergaand autonoom, het beleid is gericht op randvoorwaarden en
                          het overgrote deel van de overheidsfinanciering is maar zeer indirect gerelateerd aan
                          onderzoeksprestaties. Binnen de eerste geldstroom stuurt de overheid heel beperkt door
                          middel van sectorplannen en prestatieafspraken. Om de eerste geldstroom wordt in feite
                          niet door de instellingen geconcurreerd. Met een, naar verhouding bescheiden, tweede
                          geldstroom wordt voornamelijk generiek gestuurd: op excellentie. Ondanks een relatief
                          bescheiden inzet van publieke middelen, levert de Nederlandse wetenschap met dit
                          bekostigingssysteem goede prestaties: een geaccidenteerde hoogvlakte met pieken. De
                          Nederlandse wetenschap levert waardevolle uitkomsten van onderzoek en vormt daarbij
                          een trainingspark voor de intellectuele vaardigheden en capaciteiten waar de
                          Nederlandse arbeidsmarkt om zit te springen.
        Autonomie werkt   Het Nederlandse wetenschapsbeleid is de afgelopen jaren de autonomie van de
                          kennisinstellingen steeds meer gaan benadrukken en – zeker met het wegvallen van de
                          FES-middelen – steeds minder gaan inzetten op thematische sturing. Voor het
                          programma Zwaartekracht, bedoeld om uit de eerste geldstroom onderzoeksconsortia
                          te financieren, verricht NWO de selectie. NWO zet daarbij niet in op strategisch gekozen
                          thema’s. Dat geldt ook voor de investeringen in grootschalige onderzoeksfaciliteiten.
                          Keuzes voor te financieren infrastructuur worden doorgaans gemaakt op basis van
                          excellentie, en nauwelijks op basis van een strategische keuze voor specifieke thema’s of
                          voor een internationale positionering.56 De huidige thematische sturing van de
                          wetenschap komt voor een groot deel voor rekening van de topsectoren, vooral door de
                          koppeling van 275 miljoen euro aan NWO-geld aan de agenda’s van de topsectoren,
Momenteel weinig sturing  maar ook bijvoorbeeld door de toetsing van de diverse instellingsstrategieën aan
         door de overheid topsectorplannen. De thematische sturing door de topsectoren kenmerkt zich door een
                          aantal zaken: de thema’s zijn i) gerelateerd aan de economische belangen van de
                          topsectoren (vraagsturing), ii) industrially inspired: voornamelijk technisch van aard en
                          relevant voor de maakindustrie, iii) transdisciplinair, en iv) gericht op resultaten op een
                          voor de wetenschap verhoudingsgewijs korte termijn.
                          56
                             Zie AWT-advies 80 (2013), ‘Maatwerk in onderzoeksinfrastructuur’.
                       37 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>                                  6.2           Internationaal
         Meer spelers in het veld Als we de blik van de Nederlandse naar de internationale ontwikkelingen verplaatsen,
                                  valt op dat er op het mondiale speelveld van de wetenschap tegenwoordig veel meer
                                  spelers rondlopen dan in het recente verleden. Dat heeft een reeks van consequenties. In
                                  de eerste plaats neemt de concurrentie tussen wetenschappers toe. Dat leidt tot een
                                  verhoogde prestatiedruk. In de tweede plaats nemen kennisuitwisseling en
                                  samenwerking toe. Er doen zich nieuwe kansen voor; er ontstaan nieuwe netwerken en
                                  allianties. Het aantal internationale copublicaties groeit sterk.
 Internationaal samenwerken is    In de huidige wetenschap is de mondiale top internationaal georganiseerd en in
                       essentieel grensoverschrijdende netwerken verankerd. Sterker nog, voor een wetenschapper of
                                  een onderzoeksgroep is internationaal samenwerken en een plaats verwerven in
                                  internationale netwerken de enige weg die naar de top voert. Nationaal georganiseerde
                                  wetenschap bestaat nauwelijks meer. Dat maakt dat het belang van participeren in het
                                  internationale circuit de laatste jaren steeds groter is geworden. Aansluiting verliezen bij
                                  de internationale wetenschappelijke voorhoede luidt onherroepelijk verlies van
                                  absorptiecapaciteit en wetenschappelijk verval in.
             Pieken zijn cruciaal Met deze internationale ontwikkeling is het belang van wetenschappelijke pieken de
                                  afgelopen tijd alleen maar toegenomen. De pieken hebben toegang tot de relevante
                                  netwerken en de nieuwe ontwikkelingen in het onderzoek. Ze bepalen het
                                  wetenschappelijk klimaat in een land en de aantrekkingskracht op buitenlands talent en
                                  kapitaal. Ze bepalen tevens het verdienvermogen van een kennisinstelling, het vermogen
                                  om onderzoeksgelden aan te trekken en om kennis te exporteren.
Andere landen sturen op thema’s   In reactie op deze internationale ontwikkelingen, sturen veel andere landen – waaronder
                                  Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk – thematisch. Dat doen ze niet zozeer aan
                                  het fundamentele, disciplinaire georganiseerde eind van het spectrum, maar iets verderop
                                  in de keten, waar de fundamentele kennis de weg naar toepassing en opschaling moet
                                  vinden. Aangrijpingspunten zijn daarbij maatschappelijke uitdagingen (Duitsland, Frankrijk)
                                  of technologische domeinen (Verenigd Koninkrijk), die geïdentificeerd zijn in een
                                  interactief proces met betrokkenheid van een breed spectrum van belanghebbenden.57
                                  Thema’s zijn transdisciplinair van aard en gedefinieerd met het oog op maatschappelijke
                                  behoeften.
                                  6.3           Conclusies
                                  Uit de bovenstaande observaties trekt de AWT de volgende conclusies ten aanzien van
                                  het wetenschapsbeleid:
                                  57
                                     Duitsland: BMBF (2010), ‘Ideas. Innovation. Prosperity – High-Tech Strategy 2020 for Germany’; VK: David Willets (2013), ‘Eight
                                     great technologies’, Policy Exchange; Frankrijk: Commissie Lauvergeon (2013), ‘Un principe et sept ambitions pour l’innovation’.
                               38 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>     Reden om nu te handelen          • Er is een momentum. Het Nederlandse wetenschapsbeleid met zijn nadruk op
                                          het faciliteren van autonome kennisinstellingen en zijn terughoudendheid met
                                          generieke en thematische sturing, is tot op heden heel succesrijk geweest. Het
                                          heeft goede resultaten opgeleverd in termen van wetenschappelijke kwaliteit en
                                          van capaciteitsontwikkeling. Niettemin wordt de noodzaak breed onderkend om
                                          voor de toekomst gezamenlijk een stap vooruit te maken, om de kwaliteit van
                                          onderwijs, onderzoek en valorisatie te verbeteren.
          De wereld verandert         • Aanleiding hiervoor is de verandering in het internationale speelveld. De
                                          omstandigheden waarin het bovenstaande wetenschapsbeleid succesvol was,
                                          zijn sterk aan het veranderen. Internationalisatie van de wetenschap zorgt er
                                          enerzijds voor dat het speelveld voller en de concurrentie scherper wordt. Het
                                          zorgt er anderzijds voor dat wetenschappelijk succes meer afhankelijk wordt van
                                          internationale coördinatie en samenwerking, van aangehaakt zijn bij
                                          internationale netwerken. Strategische keuzes zijn nodig om de vruchten van
                                          internationalisering te plukken.
        Kiezen is noodzakelijk        • De budgetten stagneren. Nederland kiest ervoor de stijging van de
                                          investeringen in wetenschappelijk onderzoek die in het buitenland plaatsvinden
                                          niet te volgen. Dit heeft tot gevolg dat we in de nabije toekomst niet langer in
                                          staat zijn een ‘brede hoogvlakte met pieken’ te onderhouden. We kunnen niet
                                          langer alle disciplines binnen Nederland op een relatief hoog niveau beoefenen
                                          en in sommige uitblinken. We moeten keuzes maken, als we ons desondanks
                                          willen onderscheiden in de steeds sterker wordende internationale dynamiek.
                                          Daarbij gaat het om scherpere prioritering, maar ook om vergroting van het
                                          absorptievermogen van elders ontwikkelde kennis en om toepassing en
                                          benutting van kennis.
         Pieken zijn essentieel       • Vooral de pieken zijn belangrijk. Om aansluiting te houden bij mondiale
                                          wetenschappelijke ontwikkelingen en kennis van elders te kunnen absorberen,
                                          is het essentieel zelf aan de wetenschappelijke top mee te draaien. Dat maakt
                                          dat het belang van stevige wetenschappelijke pieken voor de Nederlandse
                                          samenleving groter wordt. Kiezen wordt dan kiezen voor de pieken. Kiezen voor
                                          de pieken wil binnen Nederlandse verhoudingen zeggen: verder profileren.
                                          Universiteiten – alle universiteiten – gaan vooral dat doen waarin ze excelleren.
                                          Het wil niet zeggen dat we moeten kiezen voor een of twee Nederlandse
                                          Oxfords of Harvards: excellentie is in Nederland breed gespreid; volgende pieken
                                          kunnen binnen alle instellingen tot ontwikkeling komen.
Het gaat om de kans op pieken         • Pieken ontstaan door competitie. Pieken zijn niet te creëren, maar de kans
                                          op hun ontstaan kan wel vergroot worden en bestaande pieken kunnen gevoed
                                          worden. Dat kan door meer dan nu te sturen op excellentie, zowel generiek als
                                          thematisch. Generiek sturen kan door een groter deel van het beschikbare
                                          budget – en dus ook de eerste geldstroom – in competitie te verdelen, met
                                          wetenschappelijke excellentie als noodzakelijke voorwaarde voor financiering.
                                          Thematisch sturen kan door deze competitie bovendien te richten op specifieke
                                          wetenschappelijke zwaartepunten.
                             39 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Maatschappelijk, economisch en           • Wetenschappelijke zwaartepunten zijn te kiezen op diverse gronden. De
             wetenschappelijk                huidige Nederlandse thematische sturing van het wetenschappelijk onderzoek is
                                             vormgegeven als ‘vraagsturing’ vanuit de topsectoren. Deze sturing heeft een
                                             beperkte scope met zijn primaire focus op de economische belangen van deze
                                             sectoren, op uitdagingen van technologische aard, en op de relatief korte termijn.58
                                             Andere landen sturen veeleer op maatschappelijke opgaven of brede
                                             technologiegebieden waar kennisinstellingen, bedrijfsleven en samenleving
                                             gezamenlijk belang bij hebben. Wetenschappelijke zwaartepunten kunnen ook
                                             gekozen worden met het oog op het wetenschappelijk belang (het belang bepaalde
                                             zaken beter te begrijpen, los van het nut van deze kennis) of het belang van een
                                             discipline voor opleiding en training van wetenschappelijke capaciteit
                                             (onderwijsgebonden onderzoek; kennis als vermogen).
       Witte vlekken zijn soms           • Kiezen voor pieken impliceert het accepteren van dalen. In de concurrentie op
                  aanvaardbaar               het internationale wetenschappelijke speelveld kan het gebeuren dat Nederland in
                                             bepaalde disciplines de aansluiting met de mondiale top kwijtraakt. De kans dat dit
                                             gebeurt, stijgt naarmate de concurrentie toeneemt en de schaarse beschikbare
                                             fondsen meer in competitie worden verdeeld. Zwakke of subkritische disciplines
                                             kunnen op zeker moment ‘witte vlekken’ worden. Dat is onvermijdelijk. Het hoeft
                                             niet altijd een probleem te zijn, maar is het soms wel, bijvoorbeeld wanneer het gaat
                                             om kennis die niet uit het buitenland te halen is (Nederlands recht, Nederlandse
                                             literatuur) of wanneer de discipline ondersteunend is aan andere vakgebieden. De
                                             mogelijk negatieve gevolgen daarvan liggen dan met name op het vlak van ‘kennis
                                             als vermogen’: het uitgehold raken van de training van menselijk kapitaal voor de
                                             arbeidsmarkt. Internationale coördinatie, samenwerking en taakverdeling met
                                             buurlanden bieden de mogelijkheid om deze negatieve gevolgen op te vangen.
            Sturen op thema’s            • Thematisch sturen op zwaartepunten kan zowel via de eerste als de tweede
                                             geldstroom. In het geval van de eerste geldstroom komt dit neer op het dynamiseren
                                             van deze geldstroom: instellingen concurreren onderling meer om de beschikbare
                                             middelen. De overheid maakt prestatieafspraken met de instellingen over
                                             onderzoekszwaartepunten, rekent hen periodiek af op resultaten en verbindt daaraan
                                             financiële consequenties (concurrentie ex post, tussen instellingen). In het geval van de
                                             tweede geldstroom betekent dit een meer strategische inzet van middelen op
                                             onderzoekszwaartepunten. Onderzoekers concurreren dan nog meer onderling om
                                             middelen die programmatisch worden toegewezen (concurrentie ex ante, tussen
                                             onderzoekers).
      Continuïteit is belangrijk         • Alleen stabiel wetenschapsbeleid is effectief. Wetenschapsbeleid functioneert
                                             alleen als het stabiel en consistent is. Beleid kan alleen stabiel en consistent zijn, als er
                                             brede publieke en politieke consensus over het belang van stabiliteit bestaat. In
                                             landen met een goed functionerend wetenschapssysteem, is dat zo. Het vigerende
                                             wetenschapsbeleid kan rekenen op een breed maatschappelijk draagvlak en geniet
                                             daar de steun van alle politieke partijen in regering en oppositie. Het belang van een
                                 58
                                    Zie ook AWT-advies 82 (2013), ‘Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen’.
                             40  Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                                           toonaangevende wetenschap en een solide wetenschapsbeleid wordt er breed
                                           onderschreven.
                                 6.4        Aanbevelingen
          Maximaal rendement     Het doel van het beleid inzake wetenschap is het maximaliseren van het
                                 wetenschappelijk, maatschappelijk en economisch rendement van de wetenschappelijke
                                 inspanning. Dat doel kan alleen bereikt worden als de verbinding gezocht wordt tussen
                                 wetenschap en samenleving en de verschillende partners (kennisinstellingen,
                                 bedrijfsleven, overheid, politiek, samenleving) elkaar respectvol tegemoet treden. De
                                 AWT doet zijn aanbevelingen vanuit de verwachting dat alle partners gezamenlijk oog
                                 hebben voor het profijt dat de maatschappij trekt uit wetenschappelijke resultaten
                                 (kennis als product) en uit een in de wetenschap getraind arbeidsaanbod (kennis als
                                 vermogen).
      Investeren in de toekomst  Wetenschap is een investering in de toekomst. Nederland zou gelijke pas moeten
                                 houden met vergelijkbare landen, zeker wanneer de overheidsfinanciën dit toelaten. De
                                 toenemende internationale concurrentie en de almaar stagnerende budgetten nopen nu
                                 tot soms pijnlijke keuzes. Tegen deze achtergrond beveelt de AWT de bewindspersonen
                                 van OCW het volgende aan:
Stuur op kwaliteit en op thema’s 1.   Richt het wetenschapsbeleid meer op wetenschap van topkwaliteit, op
                                      wetenschappelijke pieken. Vergroot de kans dat ze ontstaan en stimuleer hun
                                      ontwikkeling. Doe dat door meer te sturen, zowel generiek als thematisch:
                                            a.     Stuur meer generiek: stuur op excellentie. Maak financiering van
                                                   onderzoek meer prestatieafhankelijk. Doe dat niet alleen met de tweede,
                                                   maar ook met de eerste geldstroom. Maak daarbij niet alleen gebruik van
                                                   concurrentie om middelen ex ante (concurrentie tussen onderzoekers op
                                                   basis van projectplannen), maar ook van concurrentie ex post
                                                   (concurrentie tussen instellingen: middelentoewijzing op basis van
                                                   geleverde prestaties). Ontleen daarvoor inspiratie aan het Britse
                                                   financieringssysteem.
                                            b.     Stuur meer thematisch: zet in op wetenschappelijke zwaartepunten. Zorg
                                                   daarbij dat zwaartepunten op gepaste wijze aansluiten bij
                                                   wetenschappelijke, maatschappelijke en economische prioriteiten. Doe dat
                                                   via de eerste geldstroom met sectorplannen (overwegend
                                                   monodisciplinair), maar ook breder via profilering (transdisciplinair). Zet
                                                   binnen de tweede geldstroom meer middelen in op wetenschappelijke –
                                                   en dan vooral transdisciplinaire – zwaartepunten. Investeer strategisch in
                                                   grootschalige onderzoeksinfrastructuur: investeer in de faciliteiten die
                                                   passen bij zwaartepunten van nationaal belang.
                             41  Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                  Stevige keuzes 2.   Zorg vanuit uw verantwoordelijkheid voor stevige keuzes van
                                      zwaartepunten en de effectuering daarvan. Zorg er daarmee voor dat nieuwe
                                      pieken kunnen ontstaan op terreinen die vanuit wetenschappelijk, maatschappelijk
                                      en/of economisch oogpunt voor Nederland relevant zijn. Neem daarbij het volgende
                                      in acht:
                           Regie            a.     Neem de regie. Respecteer de eigen dynamiek van de wetenschap, maar
                                                   zorg dat de noodzakelijke keuzes rondom zwaartepunten gemaakt
                                                   worden. Zorg hierbij voor een krachtige borging van de advisering in uw
                                                   richting. Maak daarbij gebruik van aan Nederlandse verhoudingen
                                                   aangepaste best practices in het buitenland, zoals de Wissenschaftsrat in
                                                   Duitsland en de ambtelijke advisering in het Verenigd Koninkrijk.
           Informatie en inzicht            b.     Zorg dat bij het kiezen van zwaartepunten een goed overzicht bestaat van
                                                   alle relevante informatie. Die moet inzicht geven in:
                                                         • De huidige sterktes: de resultaten van onderzoeksevaluaties van
                                                           faculteiten en onderzoeksinstituten inclusief de beschikbaarheid van
                                                           grootschalige onderzoeksfaciliteiten, de behoeften daaraan en de
                                                           plannen voor nieuwe faciliteiten;
                                                         • De beoogde sterktes: de prioriteiten en de profileringen waarvoor
                                                           de kennisinstellingen zelf kiezen, de prioriteiten die vanuit
                                                           maatschappelijk en/of economische oogpunt van belang zijn, de
                                                           resultaten die science foresight oplevert.
Voorwaarden voor zwaartepunten              c.     Maak kennisinstellingen duidelijk waarop keuzes voor zwaartepunten
                                                   beoordeeld worden. Doe dit door voorwaarden te formuleren voor het
                                                   kiezen van zwaartepunten, waaronder:
                                                         • Een beoogd zwaartepunt draagt bij aan het ondersteunen van een
                                                           piek of biedt perspectief op het ontstaan ervan;
                                                         • De keuze voor een zwaartepunt is gelegitimeerd door zijn
                                                           wetenschappelijke, economische of maatschappelijke betekenis
                                                           voor Nederland als geheel of een regio daarbinnen;
                                                         • Een beoogd zwaartepunt wordt voldoende gevoed vanuit
                                                           aanpalende kennisgebieden en disciplines;
                                                         • De gezamenlijke prioriteiten en investeringsplannen van alle
                                                           relevante kennisinstellingen en financiers komen tegemoet aan de
                                                           wetenschappelijke, economische en maatschappelijke behoeften
                                                           aan nieuwe kennis van Nederland.
     Implementatie waarborgen               d.     Zorg dat deze keuzes geïmplementeerd worden door de kennisinstellingen
                                                   en de financiers. Doe dit door afspraken te maken:
                                                         • Met kennisinstellingen over de profilering op de gekozen
                                                           zwaartepunten, de wijze waarop evaluaties plaatsvinden en de
                                                           consequenties die aan evaluaties worden verbonden;
                                                         • Met kennisinstellingen en onderzoeksfinanciers (NWO, STW, ZonMW,
                                                           KNAW) over de financiering van de gekozen zwaartepunten;
                              42 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                                                      • Met de TO2-instellingen over de plaats van de gekozen
                                                          zwaartepunten binnen hun instellingsstrategie en de ontwikkeling
                                                          daarvan.
Pas financiering aan binnen 3.     Zorg voor stabiliteit en duidelijkheid in het systeem van financiering.
        bestaande verdeling        Ondersteun de ontwikkeling van gekozen zwaartepunten ruimhartig met
                                   financiële middelen. Doe dit langs de volgende lijnen:
                                         a.     Maak onderzoeksfinanciering via de eerste geldstroom meer
                                                prestatieafhankelijk. Doe dit door periodiek het onderzoek per universiteit
                                                ex post te beoordelen op i) onderzoekskwaliteit (wetenschappelijke
                                                excellentie), en ii) het leveren van maatschappelijke meerwaarde binnen
                                                de wetenschappelijke zwaartepunten waarop de universiteit zich
                                                profileert. Maak de verdeling van de eerste geldstroom over instellingen
                                                afhankelijk van deze beoordeling. Houd vooralsnog de verhouding tussen
                                                de eerste en tweede geldstroom zoals zij nu is.
                                         b.     Geef NWO als prioritaire opdracht wetenschappelijke zwaartepunten verder
                                                tot ontwikkeling te brengen. Laat de organisatie evolueren van een primair
                                                disciplinaire oriëntatie naar vooral transdisciplinair, thematisch georiënteerd.
                                                Zorg dat NWO de capaciteit ontwikkelt om transdisciplinair, thematisch
                                                onderzoek beter te entameren, te beoordelen en te financieren. Voer in dat
                                                kader de aanbevelingen uit de recente NWO-evaluatie onverkort uit.
 Intensiveer internationale 4.     Intensiveer de samenwerking met andere landen. Doe dit langs verschillende
             samenwerking          lijnen:
                                         a.     Stimuleer de samenwerking op de terreinen waarop Nederlandse
                                                wetenschappers meedraaien aan de mondiale top. Maak het
                                                gemakkelijker voor buitenlandse onderzoekers om in Nederland aan de
                                                slag te gaan. Haal belemmeringen hiervoor weg en zorg dat Nederland
                                                minimaal op gelijke voet met andere EU-landen concurreert. Faciliteer
                                                daarnaast Nederlandse onderzoekers om in het buitenland onderzoek te
                                                doen (money follows researcher), mits onderzoeksgroepen in Nederland
                                                daarmee versterkt worden.
                                         b.     Zet vol in op prioritaire gebieden binnen Horizon 2020. Investeer extra in
                                                zwaartepunten die goed aansluiten op de in Horizon 2020 benoemde
                                                Grand Challenges.59
                                         c.     Coördineer de investeringen in grootschalige onderzoeksfaciliteiten veel
                                                sterker dan tot dusver met andere landen.60
                                         d.     Stimuleer daarnaast de samenwerking – vooral met de buurlanden – op
                                                die terreinen waarop de Nederlandse wetenschap de aansluiting met de
                            59
                               Zie AWT-advies 82 (2013), ‘Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen’.
                            60
                               Zie AWT-advies 80 (2013), ‘Maatwerk in onderzoeksinfrastructuur’.
                         43 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>                                            mondiale top dreigt te verliezen, om daarmee in de behoeften aan
                                            wetenschappelijke expertise en onderzoekscapaciteit te voorzien. Maak
                                            stappen in de richting van internationale coördinatie en taakverdeling.
                                            Beperk op deze manier de eventuele negatieve consequenties van ‘witte
                                            vlekken’ en gaten in de hoogvlakte, zeker op terreinen waar Nederlandse
                                            toegang tot expertise niet gemist kan worden.
Waardeer voor Nederland   5.   Waardeer de kwaliteit van prestaties in disciplines die een meer landspecifieke
       belangrijke kennis      basis of invulling hebben en waarvan de prestaties daardoor minder
                               internationaal te benchmarken zijn (Nederlands recht, Nederlandse
                               literatuurwetenschappen, empirische gammawetenschappen als sociologie,
                               politieke wetenschappen en economie met Nederland als onderzoeksobject) op een
                               aangepaste manier, maar maak ook daar financiering via de eerste geldstroom
                               prestatieafhankelijk.
 Sta voor de wetenschap   6.   Investeer in een breed en stabiel maatschappelijk draagvlak voor het
                               wetenschapsbeleid. Draag uit dat wetenschap van groot – en groeiend – belang
                               is voor maatschappelijke en economische ontwikkeling. Maak duidelijk wat het
                               rendement van investeringen in wetenschap is. Positioneer het wetenschapsbeleid
                               zodanig dat het een stabiliteit en consistentie kent die correspondeert met de lange
                               tijdshorizon van de wetenschap.
                          Aldus vastgesteld te Den Haag, april 2014
                          prof.dr. U Rosenthal (voorzitter)
                          dr. D.J.M. Corbey (secretaris)
                       44 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>b1                 Lijst met geïnterviewden
    Met de volgende personen is gesproken bij de totstandkoming van dit advies:
    Naam                                   Organisatie
    Louise Vet                             NIOO-KNAW
    Frans van Vught                        TU Twente
    Jacques Thomassen                      TU Twente
    Ben Jongbloed                          CHEPS
    Hans Clevers                           KNAW
    Jack Spaapen                           KNAW
    Erik van der Linden                    KNAW
    Karl Dittrich                          VSNU
    Hans de Jonge                          VSNU
    Jos Engelen                            NWO
    Coenraad Krijger                       NWO
    Cynthia Naus                           NWO
    Peter van den Berg                     Deltares
    Maarten Smits                          Deltares
    Hans Dröge                             Unilever
    Bas Buchner                            Marin
    Rob Krams                              Imperial College London
    Jos van der Meer                       Radboud UMC
    Richard Derksen                        Ministerie OCW
    Mirjam Lieshout                        Ministerie OCW
    Cor Katerberg                          Ministerie OCW
    Gepke Valenti                          Ministerie OCW
    Peter Keet                             Ministerie EZ
    Paul Korting                           ECN
    Wim van Saarloos                       FOM
    Appy Sluijs                            Jonge Akademie
    Jeroen Geurts                          Jonge Akademie
    Gijs Wuite                             Jonge Akademie
    Maarten Prak                           Universiteit Utrecht
    Leon Esselman                          NLR
    Michel Peters                          NLR
    Peter Hagoort                          Donders Instituut
    Jan van den Biesen                     Philips
    Louise Gunning-Schepers                Universiteit van Amsterdam
 45 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   Maarten Smits                             Deltares
   Peter van den Berg                        Deltares
   Tini Hooymans                             TNO
   Teun Graafland                            Shell
   De volgende personen namen deel aan de workshop Wetenschapsbeleid op
   17 december 2013:
   Naam                                      Organisatie
   Erik Drop                                 TNO
   Maarten Prak                              Universiteit Utrecht
   Teja Ouwehand                             Ministerie Financiën
   Leo Kouwenhoven                           TU Delft
   Coenraad Krijger                          NWO
   Laurens Hessels                           Rathenau
   Vera Pieterman                            Ministerie OCW
   Hans de Jonge                             VSNU
   Richard Derksen                           Ministerie OCW
   Jeroen Heres                              Ministerie OCW
   Peter Keet                                Ministerie EZ
     Projectgroep
     Dit advies is voorbereid door een projectgroep bestaande uit de raadsleden Dave Blank
     (voorzitter), Eduard Klasen en Patrick Morley, en de raadsmedewerkers Dorette Corbey,
     Paul Diederen, Luc Rietveld en Ruud Verschuur.
46 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>b2                 Literatuurlijst
          • Allas, Terra (2014), Insights from international benchmarking of the UK science
              and innovation system, BIS analysis paper 03, Department for Business
              Innovation & Skills, januari 2014
          • AWT (2014), Food for thought. Wetenschap en innovatie in het Verenigd
              Koninkrijk, AWT landenstudie 2, juni 2014
          • AWT (2013), Going Dutch. De kennissamenleving in internationaal perspectief,
              AWT advies 83, december 2013
          • AWT (2013), Waarde creeëren uit maatschappelijke uitdagingen, AWT advies
              82, oktober 2013
          • AWT (2013), Maatwerk in onderzoeksinfrastructuur. Strategisch investeren in
              grootschalige onderzoeksfaciliteiten, AWT advies 80, april 2013
          • AWT (2012), Vasthoudend Innoveren. Een onderzoek naar het Duitse
              wetenschapslandschap en R&D-beleid, AWT landenstudie 1, november 2012
          • AWT (2012), De Chinese handschoen. Hoe Chinese en Nederlandse kennis
              elkaar kunnen versterken, AWT advies 78, februari 2012
          • AWT (2012), Kiezen voor de kennissamenleving. Opmaat voor een politiek en
              maatschappelijk debat, AWT achtergrondstudie 42, januari 2012
          • AWT-advies (2005), De waarde van weten. De economische betekenis van
              universitair onderzoek, AWT advies 62, april 2005
          • Agentschap NL (2011), Nederland in KP7
          • BMBF (2010), Ideas. Innovation. Prosperity. High-Tech Strategy 2020 for
              Germany, Bonn/Berlin 2013
          • Bonaccorsi, A., Haddawy, P., UL Hassan, S., Cicero, T., Secondi, L., Setteducati, E.
              (2013), ’Are European universities facing the Asian challenge in excellent S&T
              research?’, gepubliceerd op ec.europa.eu
          • CBS (2013), ICT, kennis en economie 2013
          • Cheps (2011), Quality related funding, performance agreements and profiling in
              higher education. An international comperative study., Benneworth, P. et al,
              februari 2011
          • Commissie Lauvergeon (2013), Un principe et sept ambitions pour l’innovation
          • CREST working group (2007), Policy Approaches towards S&T Cooperation with
              Third Countries, Brussel, deceber 2007
          • Dialogic, NIFU en CWTS (2012), ‘Wetenschaps-, Technologie & Innovatie
              Indicatoren 2012’, december 2012 via http://www.wti2.nl
          • ESF (2013), Science foresight to advance European Research. A report by the ESF
              Member Organisation Forum on Science Foresight for Joint Strategy
              Development, april 2013
          • EUA (2013), Designing strategies for efficient funding of higher education in
              Europe, December 2013 via http://www.eua.be/Libraries/Publication/DEFINE_
              final.sflb.ashx
 47 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>         • Europese Commissie (2009), Drivers of International collaboration in research,
             Technopolis Group en Manchester Institute of Innovation Research, april 2009
         • Europese Commissie (2006), Using foresight to improve the science-policy
             relationship, maart 2006
         • Franzoni, C., Scellato, G., Stephan, P. (2012), Foreign-born scientists: mobility
             patterns for 16 countries,Nature Biotechnology 30, pp. 1250 – 1253 of via http://
             aysps.gsu.edu/uwrg-research.html
         • JRC (2009), Trends in R&D policies for a European knowledge-based, Veltri, G. et al
         • KNAW (2013b), Publieke kennisinvesteringen en de waarde van wetenschap,
             Amsterdam: KNAW
         • KNAW (2013a), Vertrouwen in Wetenschap, Amsterdam: KNAW
         • KNAW (2010), Voor de wetenschap. De akademie in de kennissamenleving.
             Strategische Agenda 2010-2015, Amsterdam: KNAW
         • KNAW, VSNU, NWO (2009), Standaard Evaluatie Protocol 2009-2015. Protocol for
             research assessments in the Netherlands, Amsterdam: Knaw, updated june 2010
         • Ministerie OCW (2008), Grenzeloze Goed. Internationaliseringsagenda Hoger
             Onderwijs, november 2008
         • Ministerie OCW (2005), Valorisatie van onderzoek als taak van de universiteiten,
             januari 2005
         • Ministerie EZ/SenterNovem (2004), Op zoek naar excellentie: buitenlandse R&D
             investeringen en de achterliggende locatiefactoren, Erken, H., Kleijn, M. en
             Lantzendörffer, F., oktober 2004
         • Ministry of Science, Innovation, and Higher Education Denmark (2012), Research
             2020. Strategic Research Horizons, September 2012
         • Nationale Akadamie der Wissenschaft Leopoldina (2013), Die Zukunftsfähigkeit
             des deutschen Wissenschaftssystems. Für die nachhältige Entwicklung von
             Forschung, Lehre und Wissentransfer, Berlin 2013
         • Nuffic (2013), Internationalisering in beeld 2013
         • OECD (2011), Science, Technology and Industry Scoreboard 2011
         • Öquist G. en Benner, M. (2012), Fostering breakthrough research: a comparative
             study, Akademirapport Sweden, Royal Swedish Academy of Sciences, december
             2012
         • Rathenau Instituut (2014), Totale investeringen in wetenschap en innovatie 2012-
             2018, J. van Steen, maart 2014
         • Rathenau Instituut (2011), Focus en massa in het wetenschappelijk onderzoek: de
             Nederlandse onderzoeksportfolio in internationaal perspectief, P. van den
             Besselaar, E. Horlings, maart 2011
         • The Royal Society (2011), Knowledge, networks and nations. Global scientific
             cooperation in 21th century, maart 2011
         • Van Noorden, R. (2012), Global mobility: Science on the move, Nature, 490, pp.
             326 – 329
         • VSNU (2012), Prestaties in perspectief. Trendrapportage universiteiten 2000 –
48 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>             2020
         • Willets, D. (2013), Eight great technologies via www.policyexchange.org.uk
         • World Economic Forum (2013), The Global Competitiveness Report 2013–2014,
             Full data edition, K. Schwab via http://www3.weforum.org/docs/WEF_
             GlobalCompetitivenessReport_2013-14.pdf
         • WRR (2013), Naar een lerende economie. Investeren in het verdienvermogen
             van Nederland, Rapporten aan de regering nr. 90, Amsterdam University Press
       Websites
         • http://www.shanghairanking.com/
         • http://www.timeshighereducation.co.uk/world-university-rankings/
         • http://www.nwo.nl/onderzoek-en-resultaten/programmas/spinozapremie/
             spinozalaureaten
         • http://www.trendsinbeeld.minocw.nl/grafieken/5_3_1.php
         • http://www.neth-er.eu/nl/nieuws/Nederland-krijgt-ruim-12-miljard-uit-
             Structuurfondsen-tot-2020
         • http://epp.eurostat.ec.europa.eu/statistics_explained/index.php/R_%26_D_
             budget_statistics_-_transnationally_coordinated_research
49 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>50 Boven het maaiveld</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>b3  85
                   Serie uitgebrachte adviezen
                   van de AWT
           Briljante bedrijven. Effectieve ecosystemen voor ambitieuze ondernemers. maart
           2014. ISBN 978 9077005 66 8
    84     De kracht van sociale innovatie. Januari 2014. ISBN 978 9077005 65 1.
    83     Going Dutch. De kennissamenleving in internationaal perspectief. December 2013.
           ISBN 978 90 77005 64 4.
    82     Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen. December 2013.
           ISBN 978 9077005 63 7.
    81     Kiezen voor kenniswerkers. Vaardigheden op de arbeidsmarkt voor kenniswerkers.
           Augustus 2013. ISBN 978 9077005 62 0.
    80     Maatwerk in onderzoeksinfrastructuur. Strategisch investeren in grootschalige
           onderzoeksfaciliteiten. April 2013. ISBN: 978 90 77005 61 3.
    79     Diensten Waarderen. December 2012. ISBN 978 9077005 60 6.
    78     De Chinese handschoen. Hoe Chinese en Nederlandse kennis elkaar
           kunnen versterken. Februari 2012. ISBN 978 90 77005 58 3.
    77     Scherp aan de wind! Strategie voor Nederlandse (top)sectoren.
           Augustus 2011. ISBN 978 90 77005 77 4.
    76     Kapitale kansen. Slim geld voor ambitieuze ondernemers.
           Februari 2011. ISBN 978 90 77005 52 1 0.
    75     Kennis plaatsen. Onderzoeksinstituten in een veranderende omgeving.
           Januari 2010. ISBN 978 90 77005 49 1.
    74     Kennis zonder grenzen. Kennis en innovatie in mondiaal perspectief.
           Januari 2010. ISBN 978 90 77005 48 4.
    73     Meer laten gebeuren. Innovatiebeleid voor de publieke sector.
           Maart 2008. ISBN 978 90 77005 43 9.
    72     Weloverwogen impulsen. Strategisch investeren in zwaartepunten.
           November 2007. ISBN 978 90 77005 42 2.
    71     Balanceren met beleid. Wetenschaps- en Innovatiebeleid op hoofdlijnen.
           Maart 2007. ISBN 978 90 77005 39 2.
    70     Alfa en Gamma stralen. Valorisatiebeleid voor de Alfa- en Gammawetenschappen.
           Maart 2007. ISBN 978 90 77005 38 5.
    69     Bieden en binden. Internationalisering van R&D als beleidsuitdaging.
           December 2006. ISBN 90 77005 37 4.
    68     Opening van zaken. Beleid voor Open innovatie.
           Juni 2006. ISBN 90 77005 35 8.
    67     Tijd voor een opKIQer! Méér investeren in onderwijs en onderzoek.
           Oktober 2005. ISBN 90 77005 32 3.
    66     Diensten beter bedienen. Innovatiebeleid voor diensten.
           September 2005. ISBN 90 77005 30 7.
 51 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>   65     Ontwerp en ontwikkeling. De functie en plaats van onderzoeksactiviteiten in
          hogescholen. Augustus 2005. ISBN 90 77005 31 5.
   64     Innovatie zonder inventie. Kennisbenutting in het MKB. Juli 2005.
          ISBN 90 77005 29 3.
   63     Kennis voor beleid - beleid voor kennis. Mei 2005. ISBN 90 77005 28 5.
   62     De waarde van weten. De economische betekenis van universitair onderzoek.
          April 2005. ISBN 90 77005 005.
   61     Een vermogen betalen. De financiering van universitair onderzoek.
          Februari 2005. ISBN 90 77005 27 7.
   60     Samen slimmer in ketens. Competenties in supply chain management als
          concurrentiefactor voor Nederlandse bedrijven. December 2004.
          ISBN 90 77005 25 0.
   59     Tijd om te oogsten! Vernieuwing in het innovatiebeleid. Juni 2004.
          ISBN 90 77005 24 2.
   58     De prijs van succes. Over matching van onderzoekssubsidies in kennisinstellingen.
          April 2004. ISBN 90 77005 22 6.
   57     Nederlands kompas voor de Europese onderzoeksruimte. Strategisch kader voor
          de internationalisering van het onderzoeks- en innovatiebeleid.
          Januari 2004. ISBN 90 77005 21 8.
   56     Netwerken met kennis. Kennisabsorptie en kennisbenutting door bedrijven.
          November 2003. ISBN 90 77005 20 X.
   55     Wat van ver komt... De vormgeving van het Nederlandse bilaterale onderzoeksbeleid.
          Oktober 2003. ISBN 90 77005 19 6.
   54     1+1>2. De bevordering van multidisciplinair onderzoek. September 2003.
          ISBN 90 77005 18 8.
   53     Backing winners. Van generiek technologiebeleid naar actief innovatiebeleid.
          Juli 2003. ISBN 90 77005 17 X.
   52     Kennis van criminaliteit. Juni 2003. ISBN 90 77005 16 1.
   51     Wijsheid achteraf. De verantwoording van universitair onderzoek.
          Juni 2003. ISBN 90 77005 15 3.
   50     Naar een nieuw maatschappelijk contract. Synergie tussen publieke
          kennisinstelllingen en de Nederlandse kennissamenleving. Januari 2003. ISBN 90
          77005 14 5.
   49     Gewoon doen!? Perspectief op de Barcelona-ambitie ‘3% BBP voor O&O’.
          Juli 2002. ISBN 90 77005 11 0.
   48     KP6 laten werken. Stimuleren Nederlandse deelname: profijt en beleid.
          Juli 2002. ISBN 90 77005 10 2.
   47     Hogeschool van Kennis. Kennisuitwisseling tussen beroepspraktijk en hogescholen.
          Juli 2001. ISBN 90 77005 05 6.
   46     Handelen met kennis. Universitair octrooibeleid omwille van kennisbenutting.
          Juni 2001. ISBN 90 77005 03 X.
   45     Over stromen. Kennis - en innovatieopgaven voor een waterrijk Nederland.
          Advies en Verkenning door de AWT, NRLO en RMNO, juni 2000.
   AWT-publicaties zijn te vinden op www.awt.nl. Eerdere adviezen van de AWT zijn ook te
   vinden op de website.
52 Boven het maaiveld
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>