<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                      Adviesraad voor
                      wetenschap, technologie en innovatie
MKB EN
HOGESCHOLEN
PARTNERS IN INNOVATIE
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                  Adviesraad voor
                  wetenschap, technologie en innovatie
De Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) brengt gevraagd
en ongevraagd advies uit aan regering en parlement. Zijn onafhankelijke adviezen zijn
strategisch van aard en gaan over de hoofdlijnen van wetenschaps-, technologie- en
innovatiebeleid. De leden van de AWTI zijn afkomstig uit kennisinstellingen en het
bedrijfsleven. De raad staat onder voorzitterschap van Uri Rosenthal. De AWTI doet
zijn werk vanuit de overtuiging dat het belang van kennis, wetenschap en innovatie
voor economie en samenleving groot is en in de toekomst nog verder zal toenemen.
De raad is als volgt samengesteld:
prof. dr. U. Rosenthal (voorzitter)
prof. dr. ing. D.H.A. Blank
mw. ing. T.E. Bodewes
mw. prof. dr. R. Cools
mw. prof. dr. V.A. Frissen
prof.dr. ir. T.H.J.J. van der Hagen
prof. dr. E.M. Meijer
dr. ir. A.J.H.M. Peels
prof.dr. ir. M.F.H. Schuurmans
prof. dr. L.L.G. Soete
mw. dr. D.J.M. Corbey (secretaris)
Het secretariaat is gevestigd in Den Haag:
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
t. 070 31 10 920
e. secretariaat@awti.nl
w. www.awti.nl
ISBN: 9789077005712
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Mkb en hogescholen
Partners in innovatie
april 2015
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Colofon
Fotografie           iStock
Ontwerp              2D3D Design, Den Haag
Druk                 Quantes, Den Haag
April 2015
ISBN                 9789077005712
Verkoopprijs         € 12,50
Alle publicaties zijn gratis te downloaden via www.awti.nl.
Auteursrecht
Alle auteursrechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen van deze uitgave
worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de AWTI.
Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van organisatienaam en naam en jaartal van de uitgave.
Mkb en hogescholen                                                                                                                2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Inhoud
Samenvatting                                               5
1      Inleiding                                           7
1.1    Aanleiding                                          7
1.2    Adviesvraag                                         8
1.3    Aanpak en leeswijzer                                9
2      Kennisrelatie mkb en hogescholen                   11
2.1    Kennisvragen van het midden- en kleinbedrijf       11
2.2    Hogescholen als kennispartner                      14
2.3    Kenniscirculatie tussen mkb en hogescholen         16
3      Verbetermogelijkheden                              21
3.1    De vraagarticulatie van het mkb                    21
3.2    De interne organisatie van hogescholen             25
3.3    De samenwerking tussen publieke kennisinstellingen 27
4      Conclusies en aanbevelingen                        31
4.1 Conclusies                                            31
4.2 Aanbevelingen                                         33
Bijlage 1 Gesprekspartners                                40
Bijlage 2 Gebruikte bronnen                               43
Bijlage 3 Kenniscirculatie tussen mkb en hogescholen      46
Mkb en hogescholen                                          3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Mkb en hogescholen 4</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Samenvatting
De AWTI geeft in dit advies een antwoord op de vraag: “Hoe kunnen mkb en hoge-
scholen betere kennispartners voor elkaar zijn?”. Dit advies is gevraagd in het kader van
de nieuwe Strategische Agenda Hoger Onderwijs die het kabinet medio 2015 uitbrengt.
De meeste mkb-ondernemingen hebben geen of een beperkte capaciteit om zelf nieuwe
kennis te ontwikkelen en zijn hiervoor dus aangewezen op externe kennispartners,
waaronder publieke kennisinstellingen (universiteiten, hogescholen en onderzoeks-
organisaties zoals de TO2-instituten). Hogescholen worden steeds belangrijker als
kennispartner voor het mkb. Onderzoek behoort – sinds de invoering van de lectoraten
bijna vijftien jaar geleden – tot de kerntaken van hogescholen. Het onderzoek dat
hogescholen doen past goed bij de behoefte van mkb-ondernemingen: het is kortdurend,
multidisciplinair en praktisch. Andersom wordt het mkb ook belangrijker voor
hogescholen. Hogescholen leiden immers op voor een beroepspraktijk die steeds sneller
verandert, mede als gevolg van nieuwe technologische ontwikkelingen. Kenniscirculatie
met het bedrijfsleven is noodzakelijk om het onderwijscurriculum actueel te houden en de
aansluiting op de arbeidsmarkt te optimaliseren. Een goede kennisrelatie tussen mkb en
hogescholen kan een belangrijke impuls zijn voor regionale groei en werkgelegenheid.
Op drie punten kan de kennisrelatie tussen mkb en hogescholen verbeterd worden:
    De vraagarticulatie vanuit mkb-ondernemingen:
    De vertaalslag van een praktijkprobleem naar een onderzoeksvraag die geschikt is
    voor een hogeschool blijkt lastig. Van hogescholen kan niet verwacht worden dat
    alleen zij verantwoordelijk zijn voor een goede vraagarticulatie. Mkb-ondernemingen
    zijn zelf ook verantwoordelijk. Een proactieve houding van het mkb richting
    hogescholen leidt tot betere onderzoeksvragen, maar ook tot beter onderwijs en
    daarmee betere toekomstige medewerkers.
    De interne organisatie van hogescholen:
    Het uitvoeren van onderzoek behoort inmiddels tot de kerntaken van hogescholen,
    maar het is voor hen lastig om dit te organiseren. Gebrek aan tijd en flexibiliteit maakt
    het moeilijk om aan te sluiten op de werkwijze van mkb’ers. Daarnaast vragen mkb-
    ondernemingen aan hogescholen om actiever te sturen op de toewijzing van
    stagiaires (of multidisciplinaire teams) aan bedrijven.
    De samenwerking tussen publieke kennisinstellingen:
    Hogescholen zijn niet de enige publieke kennispartner voor mkb-ondernemingen.
    Soms worden kennisvragen van mkb’ers idealiter beantwoord door een combinatie
    van verschillende publieke kennisinstellingen. Dit komt echter nog onvoldoende van
    de grond, onder meer vanwege onbekendheid bij bijvoorbeeld universiteiten met het
    onderzoek op hogescholen en het ontbreken van prikkels voor samenwerking.
Mkb en hogescholen                                                                           5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>De raad geeft de volgende aanbevelingen om de kennisrelatie tussen mkb en
hogescholen te verbeteren:
1. Faciliteer vraagarticulatie van het mkb
Mkb-ondernemingen moeten meer verantwoordelijkheid nemen om individueel of
gezamenlijk hun kennisbehoefte te articuleren richting de publieke kennisinstellingen.
Omdat dit lastig en tijdrovend is, en er voldoende onderling vertrouwen moet zijn om
kennisvragen te delen, is het nodig dat mkb-ondernemingen hierin ‘ontzorgd’ en
ondersteund worden. Deze aanbeveling kan als volgt ingevuld worden:
    (Her)introduceer instrumentarium om consortia van mkb-ondernemingen te
    ondersteunen in het formuleren van kennisvragen;
    Zorg dat brancheorganisaties een belangrijke rol kunnen spelen;
    Zorg dat mkb en hogescholen aangesloten zijn bij de topsectoren en meepraten
    over de totstandkoming van de nieuwe innovatiecontracten.
2. Stimuleer aanpassing van de interne organisatie van hogescholen
Als hogescholen hun volledige potentie als kennispartner voor het mkb willen benutten,
zal de interne organisatie van hogescholen hiervoor aangepast moeten worden. Het is
essentieel hogescholen over voldoende middelen voor praktijkgericht onderzoek
beschikken om dit te realiseren. Deze aanbeveling kan als volgt invulling krijgen:
    Hogescholen kunnen gericht studenten uit verschillende opleidingen bij één bedrijf
    plaatsen, om zodoende een multidisciplinair team te creëren;
    Onderzoek of hogescholen op regionaal niveau ‘ontzorgd’ kunnen worden bij de
    financiële en juridische afhandeling van samenwerkingsovereenkomsten;
    Stimuleer docentstages of detacheringen van docenten richting het bedrijfsleven.
3. Bevorder samenwerking tussen publieke kennisinstellingen
Om te zorgen dat mkb-ondernemingen de meest geschikte kennispartner vinden,
moeten de publieke kennisinstellingen elkaar waar nodig weten te vinden en elkaars
toegevoegde waarde goed op het netvlies hebben. Dit kan als volgt:
    Introduceer een prikkel voor hogescholen, universiteiten en onderzoeksorganisaties
    om samen te werken;
    Maak via een gezamenlijke databank duidelijk wie zich bezighoudt met welke
    thema’s;
    Zet meer in op de Centres of Expertises als platform om samenwerking tussen
    hogescholen, mkb en andere publieke kennisinstellingen te bevorderen;
    Zet meer in op calls waarin hogescholen, universiteiten en/of onderzoeksorganisaties
    gezamenlijk kunnen deelnemen aan projecten.
Mkb en hogescholen                                                                       6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                                                                                                                    1
Inleiding
1.1 Aanleiding
                                                                                                                1
In de Rijksbegroting 2015 schrijft de minister van Economische Zaken: “Juist voor
innovatieve mkb-bedrijven is het van groot belang om samen te werken met kennis-
instellingen en andere bedrijven. Het mkb is cruciaal voor de ontwikkeling van innovatie
en voor de versterking van de Nederlandse economie.” Uit diverse onderzoeken blijkt
echter dat de meerderheid van mkb’ers niet of nauwelijks samenwerkt met publieke
kennisinstellingen. Van de innovatieve mkb-ondernemingen met 50 – 249 medewerkers
                                                                                                      2
werkt slechts 13,6% samen met universiteiten of hogescholen. In andere landen ligt dit
percentage beduidend hoger: 18,4% in Duitsland, 19,3% in Denemarken, 21,5% in
Zweden, 22,8% in België en 32,9% in Finland. Slechts voor 2,1% van de innovatieve
mkb-ondernemingen (50 – 249 medewerkers) zijn universiteiten of hogescholen de
belangrijkste kennispartner. In Duitsland ligt dit percentage op 8,4%. Uit wetenschappelijk
onderzoek is gebleken dat bedrijven die nauw samenwerken met kennisinstellingen
                                                                                             3
vaker innovaties realiseren die ‘nieuw voor de markt’ zijn. Ook kan samenwerking met
publieke kennisinstellingen een middel zijn om relaties met concurrenten, klanten en/of
                                               4
toeleveranciers te versterken. De conclusie is daarom dat er in Nederland nog veel mkb-
ondernemingen zijn die baat kunnen hebben bij een goede kennisrelatie met publieke
kennisinstellingen. Hier ligt dus een uitdaging voor het Nederlandse beleid.
Mkb-ondernemingen hebben vooral behoefte aan kennis die snel geleverd kan worden
en praktisch toepasbaar is. Dit is de wereld van het praktijkgericht onderzoek bij
hogescholen. Inmiddels zijn er ruim 600 lectoren werkzaam bij hogescholen (waarvan
ongeveer driekwart gepromoveerd is), zijn zo’n 3.500 docenten en 21.000 studenten
betrokken bij de uitvoering van praktijkgericht onderzoek en bedraagt het totale onder-
                                                                                            5
zoeksbudget bij hogescholen 165 miljoen euro (in 2013). Omdat bij hogescholen steeds
meer praktijkgericht onderzoek plaatsvindt en er dus meer relevante kennis voor het mkb
ontwikkeld wordt, is de verwachting dat hogescholen in de toekomst belangrijker worden
als kennispartner voor het mkb. Andersom brengen mkb-ondernemingen kennis naar
hogescholen over ontwikkelingen en uitdagingen in de praktijk. Deze kennis is nodig om
de onderzoeksagenda en het onderwijscurriculum van de hogescholen up to date te
1
  Bron: Rijksbegroting 2015.
2
  Bron: Eurostat (geraadpleegd 16 februari 2015).
3
  Zie Ministerie van Economische Zaken (2014) Monitor Bedrijvenbeleid 2014.
4
  Zie AWT (2014) Briljante bedrijven.
5
  Bron: Vereniging Hogescholen. Zie ook Koolmees en De Groot (2014) Opbrengst van validaties. In 2009 was het onderzoeksbudget
  nog 109 miljoen euro. Dit is een stijging van vijftig procent in vier jaar tijd. Van de 3.500 bij onderzoek betrokken docenten is
  ongeveer een zesde gepromoveerd.
Mkb en hogescholen                                                                                                                  7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>houden. In het versterken van de kennisrelatie tussen mkb en hogescholen ligt dus
een kans.
Medio 2015 brengt het kabinet de nieuwe Strategische Agenda Hoger Onderwijs uit.
In deze strategische agenda zal aandacht zijn voor de rol van hogescholen als
kennispartner van het mkb. Om deze reden is aan de Adviesraad voor wetenschap,
technologie en innovatie (AWTI) gevraagd om in het voorjaar van 2015 een advies uit
te brengen dat mede als input dient voor deze nieuwe strategische agenda.
1.2 Adviesvraag
De AWTI geeft in dit advies een antwoord op de vraag: “Hoe kunnen mkb en hoge-
scholen betere kennispartners voor elkaar zijn?”. De AWTI kiest er hiermee voor om
de relatie tussen mkb en hogescholen van twee kanten te bekijken. We kijken dus niet
alleen naar de rol van hogescholen als kennisbron voor het mkb, maar ook naar het
mkb als kennisbron voor hogescholen.
Belangrijk hierbij is te beseffen dat enerzijds hogescholen niet de enige kennispartner zijn
voor mkb-ondernemingen en dat anderzijds hogescholen er niet alleen voor het mkb zijn;
hogescholen leiden ook op voor bijvoorbeeld grote bedrijven, de zorg, het onderwijs en
de overheid. De kennisrelatie tussen mkb en hogescholen vindt dus plaats in een
                                                                                                 6
bredere context die we aanduiden als een (regionaal) ecosysteem. Wanneer een
regionaal ecosysteem een duidelijke identiteit heeft en een bepaalde mate van
                                                                                          7
organisatiegraad, dan spreken we van een regionale hotspot. Bedrijven (groot en klein,
jong en oud), publieke kennisinstellingen (universiteiten, hogescholen en
                                                                                        8
onderzoeksorganisaties – in het bijzonder de TO2-instituten ) en de mensen die er
werken en studeren vormen het hart van een ecosysteem. Ook de overheid (zowel
decentrale overheden als de nationale overheid) is een belangrijke speler; voornamelijk
                                                           9
faciliterend en soms ook participerend. Andere organisaties vervullen een
ondersteunende rol; denk aan banken, durfinvesteerders, dienstverleners,
brancheorganisaties, Kamer van Koophandel, NWO, de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland (RVO) en Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s). Het succes van
een regionaal ecosysteem zit vooral in de praktische kwaliteit van de verbindingen
                                               10
binnen het systeem (the glue).
6
  Zie AWT (2014) Briljante bedrijven: effectieve ecosystemen voor ambitieuze ondernemers.
7
  Zie AWTI (2014) Regionale hotspots: broedplaatsen voor innovatie.
8
  TO2-instituten zijn de instituten voor toegepast onderzoek (TNO, DLO, ECN, Deltares, NLR en Marin). Andere
  onderzoeksorganisaties zijn bijvoorbeeld de instituten van NWO en KNAW, de UMC’s, RIVM, KNMI en NFI.
9
  Zie AWTI (2014) Regionale hotspots: broedplaatsen voor innovatie.
   OECD (2013) Entrepreneurial Ecosystems and Growth-Oriented Entrepreneurship. Zie ook AWT (2014) Briljante bedrijven.	
  
10
Mkb en hogescholen                                                                                                          8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Binnen deze context kijkt de raad naar de kennisrelatie tussen mkb en hogescholen en
wordt een antwoord gegeven op de vraag hoe deze kennisrelatie versterkt kan worden
en welk overheidsbeleid hier eventueel voor nodig is. De raad kijkt hierbij naar bestaande
mkb-ondernemers; dit betekent dat het advies niet specifiek ingaat op de relatie tussen
                                                               11
hogescholen en startende ondernemingen.
1.3 Aanpak en leeswijzer
Bij de totstandkoming van dit advies is gesproken met een groot aantal gespreks-
partners. Zie bijlage 1 voor een overzicht. Daarnaast zijn relevante documenten
bestudeerd; zie bijlage 2 voor de gebruikte bronnen. In november 2014 is in
samenwerking met Saxion in Deventer het symposium ‘Innovatie en groei in de regio’
georganiseerd. Hier werd ingegaan op de rol van hogescholen in regionale ecosystemen
                                                                   12
voor innovatieve en ambitieuze ondernemers. Om inspiratie uit het buitenland te
verkrijgen zijn in februari 2015 werkbezoeken afgelegd aan Vlaanderen, Duitsland en
Denemarken. Van de laatste twee werkbezoeken is een uitgebreid verslag
                    13
beschikbaar.
Dit advies is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 laten we zien dat de kennisrelatie
tussen mkb en hogescholen belangrijk is en steeds belangrijker zal worden in de
toekomst. Ook gaan we in op de mechanismen waarop kennis circuleert tussen mkb en
hogescholen. Hoofdstuk 3 gaat in op drie punten waar de belangrijkste kansen liggen om
deze kennisrelatie te versterken. Hoofdstuk 4 geeft een aantal beleidsaanbevelingen om
deze kansen optimaal te benutten. In de bijlagen staat een overzicht van de
gesprekspartners en gebruikte bronnen en is aanvullende informatie opgenomen over
kenniscirculatie tussen mkb en hogescholen.
    Dit advies is voorbereid door een projectgroep bestaande uit de raadsleden Thecla
    Bodewes (voorzitter), Valerie Frissen en Tim van der Hagen en de stafleden Marcel
    Kleijn (projectleider) en Hilde de Bruijn.
11
   Ondernemingen die starten vanuit een hogeschool hebben meestal al een sterke kennisrelatie met de hogeschool.
12
   http://www.awti.nl/publicaties/verslag-symposium-innoveren-en-groeien-in-de-regio.
13
   Zie AWTI (2015) Verslag werkbezoeken aan Duitsland en Denemarken.
Mkb en hogescholen                                                                                               9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Mkb en hogescholen 10</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                                                                                          2
Kennisrelatie mkb en hogescholen
In dit hoofdstuk gaan we in op de kennisrelatie tussen mkb-ondernemingen en
hogescholen. We laten zien dat deze kennisrelatie belangrijk is en in de toekomst alleen
nog maar belangrijker wordt. Ten slotte gaan we in op de belangrijkste mechanismen
waarop kenniscirculatie tussen mkb en hogescholen plaatsvindt en de wijze waarop dit
momenteel wordt georganiseerd in Nederland.
2.1 Kennisvragen van het midden- en kleinbedrijf
Het mkb omvat ruim 99 procent van alle ondernemingen in Nederland (1.301.118 in
            14
totaal). Hiervan zijn ongeveer 1,1 miljoen bedrijven met minder dan vijf medewerkers.
Ongeveer tweederde van de in totaal ruim 400.000 mkb-ondernemingen met minimaal
twee werkzame personen is actief in de sectoren ‘handel’, ‘specialistische zakelijke
dienstverlening’, ‘landbouw, bosbouw en visserij’, ‘horeca’ of ‘bouwnijverheid’.
Niet alle mkb-ondernemingen zijn innovatief. Innovatief wil zeggen dat de bedrijven een
                                                                                           15
vernieuwing hebben doorgevoerd die nieuwe waarde creëert. In de definitie van
innovatie die het Centraal Bureau voor de Statistiek hanteert, gaat het om bedrijven die
voor de markt nieuwe of aanzienlijk verbeterde producten (goederen) of diensten
introduceren of bedrijven die nieuwe of aanzienlijk verbeterde processen implementeren.
Ongeveer de helft van alle kleine ondernemingen (met twee tot tien werknemers) heeft in
                                                                                                                       16
de periode 2011-2013 ten minste één (product- of proces)innovatie geïntroduceerd. Bij
de middenbedrijven (tien tot honderd werknemers) was dit percentage 80 procent. Niet
alleen tussen grootteklassen zitten verschillen, ook tussen sectoren zijn er grote
verschillen. In sectoren als ‘bouwnijverheid’ en ‘horeca’ worden minder nieuwe producten
of diensten geïntroduceerd dan in sectoren als ‘industrie’ en ‘specialistische zakelijke
                         17
dienstverlening’. Wanneer wordt gekeken naar de grootte van de mkb-ondernemingen
dan blijkt dat de grotere mkb’ers gemiddeld genomen innovatiever zijn dan de kleinere.
Dit heeft te maken met de absorptiecapaciteit van de onderneming (de mogelijkheden om
nieuwe kennis te absorberen en om te zetten in nieuwe producten/diensten of verbeterde
processen). Bij kleinere bedrijven ontbreekt vaak de benodigde schaal om dit goed te
organiseren. Ook het opleidingsniveau van de werknemers speelt hier een belangrijke
rol. Toch kan aan de hand van bovenstaande data gesteld worden dat de behoefte tot
innoveren bij een groot gedeelte van het midden- en kleinbedrijf zeker speelt.
14
   Het MKB in Beeld (http://www.mkbservicedesk.nl/9981/het-mkb-beeld.htm), geraadpleegd op 18 maart 2015.
15
   Zie http://www.freshconsulting.com/what-is-innovation/ voor een overzicht van meer dan 30 definities van innovatie.
16
   Panteia/EIM (2013) Innovatie in het MKB – ontwikkelingen in de periode 2002-2013.
   Panteia/EIM (2013) De innovativiteit van het MKB in 2013.	
  
17
Mkb en hogescholen                                                                                                        11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>          Piet Mosterd (AWL-Techniek):
          “Je moet minstens een half voetje voorblijven op je concurrenten.
          Zo blijf je altijd interessant voor je afnemers.”
Innovaties zijn gebaseerd op nieuwe ideeën, kennis en/of technologieën. Dit kan gaan
om ideeën, kennis en/of technologieën die zelf ontwikkeld worden door bedrijven, maar
vaak gaat het om het benutten van elders ontwikkelde ideeën, kennis en/of technologie.
Een veelgebruikte indeling van het mkb naar innovativiteit is de innovatiepiramide,
die onder meer is gebaseerd op de mate waarin bedrijven zelf aan onderzoek en
ontwikkeling (R&D) doen dan wel gebruik maken van elders ontwikkelde kennis.
                                                                                                                         18
In de innovatiepiramide worden mkb’ers ingedeeld in de volgende categorieën:
      Koplopers ontwikkelen zelf product- of procesinnovaties en doen expliciet en
      systematisch aan R&D. Gerealiseerde productinnovaties zijn nieuw voor hun markt
      of bedrijfstak. Ongeveer 5% van de mkb-ondernemingen behoort tot deze groep;
      dat is naar schatting een groep van zo’n 20.000 ondernemingen (met minimaal twee
      werkzame personen);
      Ontwikkelaars ontwikkelen eveneens zelf product- of procesinnovaties. Ze hebben
      eigen capaciteit voor de ontwikkeling van prototypes, echter zonder dat innovatie
      expliciet is georganiseerd door middel van R&D. Ongeveer 17% van de mkb-
      ondernemingen behoort tot deze groep; dat is naar schatting een groep van
      ongeveer 70.000 ondernemingen (met minimaal twee werkzame personen);
      Toepassers realiseren product- of procesinnovaties waarbij het zowel om eigen
      ontwikkelingen als adopties kan gaan. Zij innoveren door het combineren en
      toepassen van elders beproefde kennis en methoden. Dit komt tot uiting in externe
      innovatieve samenwerking en/of het gebruik van externe kennisnetwerken. Ongeveer
      19% van de mkb-ondernemingen behoort tot deze groep; dat is naar schatting een
      groep van zo’n 80.000 ondernemingen (met minimaal twee werkzame personen);
      Volgers zijn bedrijven met bescheiden doch aanwezige innovatieve activiteiten.
      Volgers kunnen innovaties realiseren, systematisch of incidenteel R&D uitvoeren,
      of interacteren met andere partijen, maar niet allemaal tegelijk. Ongeveer 33% van
      de mkb-ondernemingen behoort tot deze groep; dat is naar schatting een groep van
      ruim 135.000 ondernemingen (met minimaal twee werkzame personen);
      De niet-innovatieven zijn bedrijven die in de afgelopen drie jaar geen innovaties
      hebben gerealiseerd, geen R&D doen, en niet met andere partijen interacteren om
      te innoveren. Ongeveer 26% van de mkb-ondernemingen behoort tot deze groep;
      dat is naar schatting een groep ruim 105.000 ondernemingen (met minimaal twee
      werkzame personen).
18
   Zie EIM (2008) Innovatiepiramide: een segmentatie van het mkb. Percentages zijn gebaseerd op Panteia (2014)
   Gebruikersinnovatie in het mkb. In de topsectoren zijn relatief meer innovatieve bedrijven; de percentages daar zijn respectievelijk
   8% koplopers, 27% ontwikkelaars, 19% toepassers en 46% overig mkb. Aantallen zijn gebaseerd op een totaal aantal van 415.000
   bedrijven met minimaal twee werkzame personen. Bron: statline.cbs.nl (geraadpleegd op 17 december 2014).
Mkb en hogescholen                                                                                                                      12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>De innovatiepraktijk van ontwikkelaars en toepassers verschilt van die van de koplopers
in het mkb. Bij koplopers is de ontwikkeling van innovaties op basis van eigen R&D een
expliciet onderdeel van de bedrijfsstrategie. Dit zijn de bedrijven die concurreren door
als eerste een nieuw product in de markt te zetten. Hun onderzoeks- en ontwikkelings-
activiteiten zijn gericht op het maken van deze nieuwe producten en diensten op basis
van eigen nieuwe kennis en inzichten. Ontwikkelaars en toepassers daarentegen hebben
lang niet altijd een bedrijfsstrategie op papier staan waar innovatie een expliciet
onderdeel van is. Innovaties betreffen ook minder vaak geheel nieuwe producten, maar
meer nieuwe modellen of varianten. Of het gaat om verbeteringen in de kwaliteit en
efficiëntie van hun interne processen. Hun ontwikkelingswerk is gericht op aanpassing
van bestaande producten en diensten voor specifieke nichemarkten of toepassingen.
Bovendien volgen ze niet louter een productdifferentiatiestrategie maar concurreren ze
                              19
ook meer op kosten. Deze bedrijven zijn sterk afhankelijk van externe kennisbronnen
en van het vermogen om deze externe kennis te absorberen.
De kennisbehoefte van mkb-ondernemingen is zeer divers van aard. Het kan gaan om
kennis over bedrijfsprocessen (administratie, HRM), technische processen (toepassing
van nieuwe technologieën), marketing en communicatie (bijvoorbeeld het gebruik van
social media), etcetera. Typische vragen van mkb’ers zijn praktisch, korte termijn en
multidisciplinair. Natuurlijk zijn er uitzonderingen. Zeker bij koplopers leven ook vragen
die conceptueel en/of specialistisch van aard zijn en die meer op de lange termijn gericht
zijn. Mkb-ondernemingen halen hun kennis uit verschillende bronnen. Zoals in hoofdstuk
1 al is aangegeven, zijn publieke kennisinstellingen voor maar 2,1% van de bedrijven de
                                                                                                        20
belangrijkste bron voor nieuwe kennis. In andere landen ligt dit percentage hoger. Een
mogelijke verklaring hiervoor is dat Nederlandse mkb-ondernemingen sterk ingebed zijn
in hun supply chain en daardoor hun nieuwe kennis relatief veel halen bij toeleveranciers
of klanten. Op zich is dat geen probleem, maar wetenschappelijk onderzoek laat zien dat
bedrijven die nauw samenwerken met kennisinstellingen vaker innovaties realiseren die
                                        21
‘nieuw voor de markt’ zijn. Ook kan samenwerking met publieke kennisinstellingen een
                                                                                                           22
middel zijn om relaties met concurrenten, klanten en/of toeleveranciers te versterken.
De conclusie is daarom dat er in Nederland nog veel mkb-ondernemingen zijn die baat
                                                                                                     23
kunnen hebben bij een goede kennisrelatie met publieke kennisinstellingen.
19
   Mede gebaseerd op AWT (2005) Innovatie zonder inventie.
20
   Bron: Eurostat. Meest recente cijfers 2012.
21
   Zie Ministerie van Economische Zaken (2014) Monitor Bedrijvenbeleid 2014.
22
   Zie AWT (2014) Briljante bedrijven.
23
   Zie ook MKB-Nederland en VNO-NCW (2015) Kansrijk! De groeiagenda voor ondernemerschap in het mkb.
Mkb en hogescholen                                                                                            13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>2.2 Hogescholen als kennispartner
Voor typische kennisvragen van mkb-ondernemingen zijn met name de hogescholen
goed gepositioneerd. Het praktijkgericht onderzoek dat hogescholen sinds vijftien jaar
als kerntaak hebben past bij de bovengenoemde kenmerken: het is praktisch, kort en
multidisciplinair.
               Joost Degenaar (Centre of Expertise Healthy Ageing):
               “Er komen nooit monovragen vanuit de buitenwereld. De vragen die aan de hogeschool
               gesteld worden zijn altijd complex. De hogeschool heeft ondertussen de capaciteit
               opgebouwd om dit bij elkaar te brengen. Deze functie is natuurlijker voor een hogeschool
               dan voor universiteiten omdat deze laatste nog niet zo op multidisciplinariteit zitten. Een
               universiteit is vaak toch meer in de diepte en heel fundamenteel, terwijl hogescholen
               helemaal verbonden zijn met de maatschappelijke praktijk.”
Hogescholen zijn echter niet de enige kennispartner voor mkb-ondernemingen met
“typische mkb-kennisvragen”. Universiteiten en onderzoeksorganisaties kunnen ook
toepassingsgericht onderzoek doen en multidisciplinair werken. Dit geldt met name voor
                                                                     24
de technische universiteiten en TO2-instituten. Voor sommige vragen kan een mkb’er
dus terecht bij meerdere typen kennisinstellingen. De belangrijkste verschillen tussen
hogescholen en de andere kennisinstellingen zitten in de termijn en de meer prag-
matische aanpak die hogescholen hanteren. Praktijkgericht onderzoek aan de
hogeschool is gedegen onderzoek dat moet voldoen aan dezelfde criteria als universitair
onderzoek als het gaat om validiteit, reproduceerbaarheid, representativiteit en
                          25
betrouwbaarheid. Het is dus niet beter of slechter dan onderzoek op universiteiten; het
is anders, complementair. En, niet onbelangrijk, het begint met een vraag vanuit de
zogenoemde ‘beroepspraktijk’ wat de relevantie van het onderzoek voor de ondernemer
borgt. Het feit dat kennis die gegenereerd wordt aan universiteiten voor het mkb vaak niet
meteen toepasbaar is en het onderzoek een langere doorlooptijd heeft doet afbreuk aan
                                                26
de relevantie voor veel mkb’ers.
    Dé hogeschool bestaat niet
    Net zoals hét mkb niet bestaat, bestaat ook dé hogeschool niet. Er zijn 38 publiek
    bekostigde hogescholen in Nederland, die zo’n 200 voltijds opleidingen aanbieden.
    Gemiddeld heeft een hogeschool bijna 12.000 studenten (446.492 totaal in 2014),
24
   De Technische Universiteit Delft geeft aan dat het onderzoek aan hun instelling ook aanhaakt bij nuttigheidsgedreven vragen, maar
   dat zij deze op fundamentele wijze proberen te beantwoorden. Het betreft onderzoek met een lange tijdshorizon (langer dan 8 jaar).
   Bron: Technische Universiteit Delft (2014) Roadmap 2020.
25
   SKO (2008) Lectoren, kweekvijvers van innovatie.
26
   Renique (2008) Hogescholen als belangrijke schakel in de kennisketen.
Mkb en hogescholen                                                                                                                 14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>    variërend van ongeveer 450 (Iselinge Hogeschool in Doetinchem) tot bijna 50.000
    studenten (Hogeschool van Amsterdam). De grootste richting is economie (40% van
    de studenten); andere richtingen zijn techniek (18%), pedagogie (13%), sociaal-
    agogisch (12%), gezondheidszorg (10%), kunst (5%) en landbouw (2%). Praktijk-
    gericht onderzoek vindt plaats bij alle hogescholen en richt zich vooral op het bedrijfs-
    leven, de zorg en het onderwijs. Ongeveer de helft van de hogescholen profileert zich
                                                                                                                    27
    als relevante kennispartner voor mkb-ondernemingen in regionale ecosystemen.
Een aantal trends in innovatie zorgt ervoor dat hogescholen in de toekomst nog
relevanter kunnen worden als kennispartner voor mkb-ondernemingen. Ten eerste
worden gebruikers belangrijker bij kennisontwikkeling (co-creatie) omdat waardecreatie in
                                                                          28
toenemende mate dichtbij de gebruiker plaatsvindt. De rol van de gebruiker kan in
praktijkgericht onderzoek van hogescholen goed tot zijn recht komen. Ten tweede
worden praktijkproblemen steeds complexer en vereisen ze een multidisciplinaire
             29
aanpak. De hogescholen zitten hiermee op een positie die belangrijker wordt. Ook zijn
hogescholen bij uitstek in staat om bedrijven te bedienen die nog niet veel ervaring
                                                                                                          30
hebben met innovatie, concludeerde de OECD vorig jaar (zie tekstkader).
    Hogescholen mogelijke kennispartner voor bedrijven zonder innovatie-ervaring
    De OECD concludeerde in 2014 het volgende: “Given their strong links with industry,
    the UASs [Universities of Applied Sciences] seem well placed to support the
    development of capabilities in firms that innovate for the first time. Current efforts to
    strengthen the research and innovation activities of UASs appear well timed and
    could be explicitly linked to this effort.” (p. 37)
Ten slotte merken we op dat in de aard de kennisrelatie tussen mkb en hogescholen
tweezijdig is. Nieuwe kennis en ervaringen uit de praktijk zijn essentieel om het onderwijs
op een hoog niveau te houden/brengen. Hoe sneller de ontwikkelingen gaan in de
wereld, hoe belangrijker het wordt voor hogescholen om goed aangesloten te zijn op de
praktijk. Alleen door goed te begrijpen welke veranderingen er in de praktijk plaatsvinden,
kunnen hogescholen hun onderwijscurricula tijdig aanpassen aan de nieuwe
werkelijkheid en zo hun relevantie voor de beroepspraktijk en de arbeidsmarkt behouden.
Daarnaast staat de traditionele knip tussen opleiding en werkzame leven onder druk,
omdat een groot aantal banen waarvoor mensen nu worden opgeleid over tien tot twintig
27
   Bronnen: Onderwijsraad (2014) Meer innovatieve professionals; website Vereniging Hogescholen; gesprekken.
28
   AWT (2012) Diensten Waarderen.
29
   Zie o.a. AWT (2013) Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen, AWT (2014) De kracht van sociale innovatie.
30
   OECD (2014) OECD Reviews of Innovation Policy: Netherlands 2014.
Mkb en hogescholen                                                                                                     15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                                  31
jaar niet meer bestaat. Vooral de banen voor de middenklasse waar met name het mbo
                                                                                                                   32
zich op richt staat onder druk als gevolg van technologische ontwikkelingen. Ook banen
op hbo-niveau zullen in toenemende mate aan verandering onderhevig zijn. Om- en
bijscholing en lifelong learning worden in de toekomst belangrijker. De banden tussen
hogescholen en de beroepspraktijk (waaronder ook mkb-ondernemingen) in het kader
van onderwijs moeten in de toekomst (nog) hechter worden. En naast onderwijs zullen
deze banden ook onderzoek moeten omvatten. Het belang van een goede kennisrelatie
tussen mkb en hogescholen is dus wederzijds. En dit belang zal alleen maar toenemen.
Deze ontwikkeling is ook zichtbaar in andere landen in Europa (zie tekstkader).
    Belang van rol hogescholen als kennispartner neemt ook in andere landen toe
    Niet alleen in Nederland worden hogescholen belangrijker als kennispartner voor
    mkb-ondernemingen, ook in andere Europese landen is deze ontwikkeling gaande.
    Duitsland loopt zo’n vijftien jaar voor op Nederland; de Fachhochschule begonnen al
    in de jaren tachtig met praktijkgericht onderzoek en het uitvoeren van samen-
    werkingsprojecten met bedrijven. De hogescholen in Vlaanderen begonnen ongeveer
    tegelijkertijd met de Nederlandse hogescholen met praktijkgericht onderzoek. In
    Denemarken begonnen hogescholen pas rond 2009 met onderzoek en is dit pas
    sinds een jaar in de wet verankerd. Interessant is dat in alle landen vanuit het
    bedrijfsleven de vrees voor een academic drift bij hogescholen bestaat; de praktische
                                                                                                                    33
    relevantie van het onderzoek door hogescholen moet voorop blijven staan.
2.3 Kenniscirculatie tussen mkb en hogescholen
Er zijn diverse mechanismen waarop kenniscirculatie tussen mkb en hogescholen
plaatsvindt. In bijlage 3 is een uitgebreide beschrijving hiervan opgenomen. We gaan hier
in op de twee belangrijkste: stages van studenten en onderzoeks- en innovatieprojecten.
Hbo-studenten moeten gedurende de studielooptijd stage lopen bij een bedrijf of
instelling. Dit zijn stages in het derde en vierde jaar, bedoeld om werkervaring op te doen
en om te laten zien wat de studenten geleerd hebben. De stages en afstudeeropdrachten
worden beschouwd als een essentieel onderdeel van het curriculum. Ook door de
bedrijven worden de stages gewaardeerd. De aanwezigheid van de student draagt bij
aan het absorptievermogen van veel mkb’ers. Kenniscirculatie vindt voornamelijk plaats
tussen de student en de begeleider of de collega’s in het bedrijf of de instelling.
Naarmate docenten meer betrokken zijn bij de begeleiding van de studenten kan een
31
   Rijksoverheid (2014) Kabinet grijpt in bij Leven Lang Leren; zie http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2014/10/31/kabinet-grijpt-in-bij-
   leven-lang-leren.html.
32
   Zie het AWTI advies over de gevolgen van nieuwe technologieën, dat naar verwachting medio 2015 wordt gepubliceerd.
33
   Zie voor meer informatie AWTI (2015) Verslag werkbezoeken aan Duitsland en Denemarken.
Mkb en hogescholen                                                                                                                       16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>bredere kenniscirculatie tussen mkb en hogescholen gerealiseerd worden. Stages en
afstudeeropdrachten van studenten worden gezien als het belangrijkste middel om
                                                                                                          34
contacten te leggen tussen hogeschool en bedrijf en om netwerken te ontwikkelen.
Daarnaast wordt het uitvoeren van gezamenlijke onderzoeks- en innovatieprojecten door
mkb-ondernemingen en hogescholen, eventueel in samenwerking met andere partners
(zoals universiteiten en/of grootbedrijf), door de meeste betrokkenen gezien als een
effectieve vorm van kenniscirculatie. In een gezamenlijk project werkt een aantal mkb-
ondernemingen samen met de hogeschool aan de oplossing van een concreet
vraagstuk. Soms gaat het om contract research voor bedrijven, soms gaat het om
praktijkgerichte onderzoeksprojecten die zijn gefinancierd vanuit het lectoraat of
externe middelen (zoals RAAK-subsidies of Centres of Expertise, zie hieronder).
Steeds vaker zijn naast de lectoren ook docent-onderzoekers en studenten betrokken
bij deze projecten.
Kenniscirculatie tussen mkb en hogescholen vindt al jaren plaats volgens de boven-
staande mechanismen. De meeste relaties zijn gebaseerd op bestaande contacten
                                                                              35
tussen individuele docenten en lectoren en mkb’ers. Hier is op zich niets mis mee,
maar de kennisnetwerken zijn hiermee kwetsbaar. Het is dus belangrijk dat er meer
structurele en georganiseerde banden tussen mkb en hogescholen ontstaan, met name
gericht op het uitwisselen van kennis. Er zijn diverse manieren waarop dit momenteel
wordt georganiseerd. In bijlage 3 staat een uitgebreid overzicht. Hier gaan we in op
twee manieren: Centres of Expertise (CoE’s) en RAAK-subsidies.
Een belangrijke ontwikkeling is de komst van Centres of Expertise (CoE’s). In 2010
zijn als pilot drie van deze centra opgezet, waarbinnen ondernemers, onderzoekers,
docenten en studenten de taak hebben om kennis om te zetten in nieuwe producten,
diensten of oplossingen. De centra zijn vooral gericht op de topsectoren en vinden
                                                                                       36
makkelijk aansluiting bij de regionale kennisinfrastructuur. Gezien de succesvolle start
van de eerste drie (pilot) CoE’s in topsectoren werd in de prestatieafspraken van het
ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met de hogescholen ook de
ontwikkeling van nieuwe CoE’s (zowel in topsectoren als in zorg en onderwijs) mogelijk
gemaakt. Voor elke CoE stelde het kabinet jaarlijks één miljoen euro subsidie
                                                          37
beschikbaar, voor maximaal vier jaar. Op dit moment zijn er 25 CoE’s die zich in
verschillende richtingen hebben ontwikkeld en met een grote variatie in de wijze waarop
                                   38
ze georganiseerd zijn. De wijze van organisatie heeft vaak gevolgen voor de manier
waarop een CoE wordt ingezet. Zie tekstkader voor een voorbeeld van een CoE.
34
   NICIS Institute en Rijksuniversiteit Groningen (2011) Belang van het hbo voor de regionale economie.
35
   NICIS Institute en Rijksuniversiteit Groningen (2011) Belang van het hbo voor de regionale economie.
36
   HBO-raad (2012) Informatiedocument Centres of Expertise.
37
   De Onderwijsraad heeft in november 2014 geadviseerd om de subsidie voor de huidige CoE’s te verlengen.
38
   Zie Platform Bèta Techniek (2014) Auditrapportage Dynamiek onderweg 2014.
Mkb en hogescholen                                                                                           17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>  Voorbeeld van een Centre of Expertise: Healthy Ageing (Groningen)
  Het doel van het Centre of Expertise Healthy Ageing is het opzetten van duurzame
  publiek-private samenwerking op het gebied van gezond opgroeien en gezond ouder
  worden. Om dit te bereiken is er een netwerk van circa vijfentwintig innovatie-
  werkplaatsen in Noord-Nederland opgezet. Hier krijgen onderzoekers, studenten,
  bedrijven, docenten en andere instellingen de ruimte om gezamenlijk onderzoek te
  doen en oplossingen te vinden voor problemen op het gebied van gezond opgroeien
  en gezond ouder worden. Het hoofddoel zoals het centrum zichzelf gesteld heeft is
  om na vier jaar een duurzaam ecosysteem voor publiek-private samenwerking te zijn.
  “Het is een innovatieplatform met vijfentwintig innovatiewerkplaatsen, waar tientallen
  praktijkgerichte onderzoeken en implementaties van nieuwe zorg- en preventie-
  oplossingen plaatsvinden. Het CoE schaalt de resultaten op naar een landelijke en
  eventueel internationale toepassing en zorgt voor inbedding in nieuw en verbeterd
  onderwijs.”
  Op dit moment heeft het CoE ongeveer 150 partners, waarvan circa vijftig bedrijven,
  en er werken tientallen (docent)onderzoekers en rond 200 mbo- en hbo-studenten
  aan onderzoeks- en innovatieprojecten. Dit resulteert niet alleen in innovatieve
  oplossingen voor problemen uit de beroepspraktijk, maar ook in onderwijsvernieuwing
  en nieuwe vermarktbare producten en diensten. Van het totale volume in vier jaar,
  zestien miljoen euro, is een kwart subsidie. Bedrijven en zorginstellingen dragen
  jaarlijks intussen 900.000 euro bij, vooral in-kind; de cash bijdragen zijn tot nu
  ongeveer 100.000 euro.
Bij sommige CoE’s worden kleinschalige lokale platforms opgezet waarin bedrijven en
kennisinstellingen gezamenlijk aan onderzoek en innovatie werken. In het Centre of
Expertise Healthy Ageing (Groningen) wordt bijvoorbeeld gewerkt met zogenoemde
Innovatiewerkplaatsen (IWP’s). Een IWP is een netwerk van kennis- en onderwijs-
instellingen, zorg- en welzijnsinstellingen en bedrijven, gericht op open innovatie en co-
makership. De IWP heeft het karakter van een 'proeftuin' waarin onderzoekers, docenten,
studenten (hbo en mbo) en professionals uit het werkveld (bijvoorbeeld van mkb-
ondernemingen) gezamenlijk werken aan het oplossen van problemen die men dagelijks
tegenkomt. Er zijn momenteel 24 IWP’s, verspreid over verschillende locaties in en rond
de stad Groningen. Op de RDM Campus (Rotterdam) werken techniekonderwijs,
kenniscentra en bedrijven samen aan duurzame innovaties die nodig zijn voor de
Rotterdamse economie. In innovatieteams en communities of practice pakken studenten,
docenten, lectoren en ondernemers gezamenlijk concrete praktijkvragen aan op vier
gebieden, namelijk Maritiem & Smart Port Industry, Logistiek & Future Mobility,
Mkb en hogescholen                                                                         18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                                                                                                                       39
Energietransitie & Procesindustrie en Duurzaam Bouwen & Gebiedsontwikkeling.
Innovatieteams bestaan uit studenten en docenten van één of meer specifieke
opleidingen, eventueel lectoren en werknemers van een bedrijf. De ondernemer is niet
alleen klant, maar ook participant in het innovatieteam. Niet het onderwijsprogramma,
maar de vraag van de ondernemer staat centraal binnen een innovatieteam. En die
vragen zijn heel divers van aard; van marktonderzoek naar de consumentenbehoefte aan
een bepaald product tot het ontwerpen, ontwikkelen, maken en/of testen van prototypes.
Het programma Regionale Aandacht en Actie voor Kenniscirculatie (RAAK) werd in
2005 geïntroduceerd en is een effectieve manier gebleken om de verbinding tussen de
                                                                                40
hogescholen en de beroepspraktijk sterker te maken. Het succes van RAAK toont aan
dat er veel behoefte is bij mkb-ondernemingen aan samenwerking met hogescholen.
Vanaf de start tot en met 2013 zijn 467 projecten gestart bij hogescholen waarbij naar
                                                                                         41
schatting ruim 4.500 mkb-ondernemingen betrokken waren. Naar schatting heeft
bijna 28% van de deelnemers een eigen R&D afdeling (en kan dus als een koploper
                                  42
beschouwd worden). Samenwerking met hogescholen blijkt dus zeer interessant voor
met name ontwikkelaars en toepassers.
    RAAK
    Het RAAK-programma (Regionale Aandacht en Actie voor Kenniscirculatie) is erop
    gericht om praktijkgericht onderzoek door hogescholen te versterken en samen-
    werkingsprojecten tussen hogescholen en werkveld te stimuleren. Het wordt uit-
    gevoerd door het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA (NRPO SIA,
    sinds 2014 een onderdeel van NWO). De middelen worden beschikbaar gesteld door
    het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Bedrijven of instellingen krijgen
    met RAAK de ruimte om samen met een hogeschool concrete (innovatie-)vragen op
    te pakken en te beant-woorden. Netwerken van ondernemers en professionals leiden
    tot de ontwikkeling, circulatie en toepassing van nieuwe kennis door het bedrijfsleven,
    de publieke sector en hogescholen. Het onderzoek wordt veelal uitgevoerd door een
    lectoraat. Het budget voor deze regeling bedraagt 27 miljoen euro per jaar (vanaf
    2015). Hiermee is RAAK verantwoordelijk voor ongeveer vijftien tot twintig procent
    van het totale budget voor praktijkgericht onderzoek bij Nederlandse hogescholen.
39
   http://www.rdmcoe.nl/
40
   Zie Stichting Innovatie Alliantie (2009) Beleidsevaluatie RAAK-regeling 2005-2008 en ResearchNed & Dialogic (2014) Inventarisatie
   dienstverlening NRPO SIA.
41
   ResearchNed & Dialogic (2014) Inventarisatie dienstverlening NRPO SIA.
42
   Stichting Innovatie Alliantie (2009) Beleidsevaluatie RAAK-regeling 2005-2008.
Mkb en hogescholen                                                                                                                19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Mkb en hogescholen 20</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                                                                                        3
Verbetermogelijkheden
In het voorgaande hoofdstuk is aangetoond dat het belang van een goede kennisrelatie
tussen mkb en hogescholen toeneemt. De rol van hogescholen als kennispartner voor
het mkb is nog vrij nieuw en het zal nog enige tijd duren voordat hogescholen een
vergelijkbare positie hebben bereikt als universiteiten en onderzoeksorganisaties.
Dit heeft zowel te maken met de gewenning van hogescholen aan het uitvoeren van
onderzoek als kerntaak als met de gewenning aan de kant van het bedrijfsleven dat
hogescholen een waardevolle kennispartner worden. De ontwikkelingen in de laatste
vijftien jaar en de signalen vanuit het werkveld bieden goede hoop dat deze gewenning
plaats gaat vinden.
Op een drietal punten kan al op korte termijn een verbetering gerealiseerd worden.
Deze verbeteringen dragen bij aan een versnelling van de benodigde veranderingen.
De drie punten hebben betrekking op:
      De vraagarticulatie vanuit het mkb;
      De interne organisatie van hogescholen;
      De samenwerking tussen publieke kennisinstellingen.
Het tweede en derde punt is in lijn met de ambities die het kabinet formuleerde in de
Wetenschapsvisie uit 2014 (zie onderstaand tekstkader).
   Wetenschapsvisie 2025 (november 2014)
   “Om de kennisfunctie van hogescholen verder te versterken is het nodig om verder
   te werken aan capaciteitsopbouw in het praktijkgericht onderzoek, de organisatie bij
   hogescholen op dit gebied verder te professionaliseren, de samenwerking tussen
   universiteiten en hogescholen te verbeteren en het vermogen van het hbo om in
   Europa subsidie te verwerven en te versterken.” (pag. 52)
De drie verbetermogelijkheden worden hieronder nader toegelicht.
3.1 De vraagarticulatie van het mkb
Het praktijkgericht onderzoek bij hogescholen begint met een onderzoeksvraag vanuit de
beroepspraktijk. In het kader van dit advies zijn dit één of meerdere mkb-ondernemingen.
Een typische mkb-onderneming heeft echter geen onderzoeksvraag maar een probleem,
bijvoorbeeld: de bedrijfsprocessen moeten worden aangepast omdat klanten dat ver-
Mkb en hogescholen                                                                      21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>eisen; het personeelsmanagement moet gemoderniseerd worden; er moet een social
media strategie ontwikkeld worden omdat concurrenten dat ook doen; er moet een
marketingstrategie voor het buitenland ontwikkeld worden; et cetera. Een probleem
kan ook een kans zijn; nieuwe wetenschappelijke inzichten of technologieën bieden
mogelijkheden om nieuwe producten of diensten te ontwikkelen of om huidige
productieprocessen te optimaliseren. Mkb-ondernemingen die deze mogelijkheden
willen exploreren, kunnen hiervoor terecht bij universiteiten en onderzoeksorganisaties,
                                         43
maar ook bij hogescholen.
Het omzetten van een concreet bedrijfsprobleem in een onderzoeksvraag waar een
hogeschool mee uit de voeten kan, is lastig voor mkb-ondernemingen. Zij willen geen
onderzoek, zij willen hun probleem opgelost hebben. Hogescholen zijn echter geen
adviesbureau en moeten niet mee willen gaan in een spel van ‘u vraagt, wij draaien’.
Hogescholen zullen vooral vragen van bedrijven oppakken die bijdragen aan het
onderwijs en die passen binnen het onderzoeksprofiel van de hogeschool; vragen die
daarmee dus meerwaarde hebben voor de hogeschool. Vanuit dit perspectief is het
logisch dat hogescholen een verantwoordelijkheid nemen om onderzoeksvragen te
definiëren. Echter, het formuleren van een goede onderzoeksvraag is ook in het belang
van het mkb, omdat het leidt tot het verkrijgen van relevante nieuwe kennis en tot beter
onderwijs en daarmee betere toekomstige werknemers. Daarom neemt idealiter de
vragende partij – het mkb – ook initiatief om goede onderzoeksvragen te definiëren.
Zeker omdat het op voorhand niet evident is dat een hogeschool de meest geschikte
organisatie is om een vraag te beantwoorden, moet voorkomen worden dat teveel vanuit
het aanbod van hogescholen gewerkt wordt. Het valt echter op dat op dit moment de
relaties tussen mkb en hogescholen voornamelijk vanuit de kant van de hogescholen
georganiseerd worden (de Centers of Expertise en RAAK-projecten worden bijvoorbeeld
geïnitieerd vanuit de hogescholen en daarin deels financieel ondersteund door de
overheid).
                                                                                                                              44
De vraagsturing vanuit het mkb is een terrein waarop nog veel winst te behalen valt.
Enerzijds zijn er nog veel mkb-ondernemingen die niet of nauwelijks behoefte voelen
aan nieuwe kennis (volgers en niet-innovatieven). Anderzijds blijkt het voor mkb-
ondernemingen die deze behoefte wel voelen maar niet beschikken over een aparte
R&D-afdeling (de ontwikkelaars en toepassers) lastig om hun kennisvraag te articuleren.
Dit kan te maken hebben met een gebrek aan capaciteit en tijd (onvoldoende schaal-
grootte en/of te weinig financiële middelen om hierin te investeren), het ontbreken van
de benodigde competenties hiervoor of met onbekendheid over de toegevoegde waarde
43
   Een mooi voorbeeld is het RAAK-project ‘Materialen in ontwerp’ dat zich richt op de vraag wat je kunt met biopolymeren of smart
   materials. Bron: Slotman (2015) Strategie bepaald door praktijkvraag.
44
   Vraagsturing vanuit het grootbedrijf en de koplopers in het mkb wordt momenteel voornamelijk georganiseerd in de topsectoren; de
   aansluiting van het bredere mkb bij de agendavorming is nog beperkt.
Mkb en hogescholen                                                                                                                 22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>van publieke kennisinstellingen, in het bijzonder hogescholen. Veel mkb-ondernemingen
lijken nog onvoldoende te beseffen dat een proactieve houding ten opzichte van hoge-
scholen zal leiden tot beter onderzoek op hogescholen en daarmee beter onderwijs en
uiteindelijk betere toekomstige medewerkers.
               Bert Hooijer (RDM Campus):
               “Er wordt vaak nog gek opgekeken als hogescholen en onderzoek in één zin
               worden genoemd. Deze nog niet gevestigde reputatie is een van de redenen
               waarom hogescholen nog niet altijd worden gevonden door overheden, mkb
               en overige opdrachtgevers.”
               Hans Cappon (HZ University of Applied Sciences):
               “Er zijn veel mkb-ers die niet duidelijk op het netvlies hebben dat er veel kennis
               ligt bij hogescholen.”
Op regionaal niveau worden oplossingen gevonden om mkb-ondernemingen te koppelen
aan de juiste kennispartners. Voorbeelden zijn ‘regioregisseurs’ in de regio Haaglanden
en ‘regionale centra voor technologie’ in de provincie Gelderland. Bij de laatste neemt de
regionale overheid ook een rol op zich met betrekking tot het stimuleren van innovatie.
Dit gebeurt onder meer via innovatiemakelaars. Een ander voorbeeld is te vinden in
Vlaanderen, waar vijf zogenoemde ‘innovatiecentra’ ieder een lokaal aanspreekpunt
vormen voor bedrijven rond innovatie. De innovatiecentra bieden individuele onder-
steuning bij innovatieprojecten, onder meer door bedrijven te begeleiden naar de juiste
                             45
kennis en partners.
    Regionale Centra voor Technologie
    De Regionale Centra voor Technologie in Gelderland zijn onafhankelijke netwerken,
    voor en door ondernemers. Deze netwerken richten zich op het doorontwikkelen van
    innovatieve ideeën. Dit doen zij onder andere via innovatiemakelaars, die makelt en
    schakelt tussen mkb-ondernemingen en het idee verder mee ontwikkelt door de
    verbinding met andere ondernemers of kennisinstellingen te bewerkstelligen. Dit is
    kosteloos voor de ondernemer; de centra worden financieel ondersteund door de
                                                            46
    Provincie Gelderland en de Europese Unie.
Voor hogescholen is het veel praktischer als zij kennisvragen van mkb-ondernemingen in
collectief verband krijgen. Vanuit de subsidievoorwaarden (bijvoorbeeld RAAK) wordt dit
45
   Zie http://www.innovatiecentrum.be/innovatiecentrum.html
46
   Bron: www.rctgelderland.nl
Mkb en hogescholen                                                                                23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>meestal ook vereist. Echter, voor mkb’ers is het uitermate lastig om in collectief verband
– met concurrenten of ketenpartners – een gezamenlijke kennisvraag te organiseren.
Hiertoe moet men zichzelf onderling organiseren, er moet veel tijd in geïnvesteerd
worden en er moet voldoende onderling vertrouwen zijn om de bedrijfsproblemen
en daaruit volgende kennisvragen te delen. Hogescholen en andere publieke kennis-
instellingen kunnen het voortouw nemen; vaak komt innovatie voort uit een door onder-
zoek gecreëerde nieuwe mogelijkheid, zonder dat er direct sprake is van een acuut
probleem. De publieke kennisinstellingen kunnen bedrijven prikkelen om deze moge-
lijkheden verder te exploreren. Van hogescholen of andere publieke kennisinstellingen
kan echter niet worden verwacht dat zij voor de vraagarticulatie verantwoordelijk zijn.
Het bedrijfsleven zal dit uiteindelijk zelf moeten oppakken. Het is dan belangrijk dat zij
hierin ‘ontzorgd’ worden. Zowel brancheorganisaties als de Kamer van Koophandel
kunnen daarbij een relevante rol spelen. Zie onderstaand tekstkader over de branche-
organisatie voor de carrosseriebouw, CarrosserieNL (onderdeel van FOCWA), die laat
zien hoe relevant een brancheorganisatie kan zijn om mkb-ondernemingen te verbinden
met publieke kennisinstellingen (zowel hogescholen als universiteiten en onderzoeks-
organisaties – in het bijzonder TNO). Voor zowel de (meeste) brancheorganisaties als
de Kamer van Koophandel geldt echter dat hun financiële ruimte hiervoor de laatste
jaren beperkter is geworden. Bovendien hebben nog niet alle brancheorganisaties de
hogescholen voldoende op het netvlies.
             Marnix Krikke (Netherlands Maritime Technology):
             “Brancheorganisaties inventariseren en bundelen de behoeften van het mkb en vertalen
             die naar vraagstellingen waarmee hogescholen aan de slag kunnen.”
    Brancheorganisatie CarrosserieNL: Cintec
    Cintec, het Centrum voor Innovatie en Technologie voor het Carrosseriebedrijf is
    een door CarrosserieNL (onderdeel van FOCWA) en het Opleidings- en
    Ontwikkelingsfonds voor het Carrosseriebedrijf (OOC) opgerichte stichting die focust
    op het stimuleren en coördineren van technologische ontwikkelingen binnen de
    carrosserie branche. In lijn hiermee zijn de activiteiten van Cintec vooral gericht op
    kennisontwikkeling en kennisoverdracht. Om dit te bereiken werkt de stichting samen
    met verschillende organisaties en instellingen waaronder de TU Delft, de HAN, de
    Kamer van Koophandel, TNO en het ACE (Automotive Center of Expertise). De
    resultaten van onderzoek worden openbaar gemaakt voor de leden. Daarnaast
    organiseert Cintec workshops en cursussen voor haar leden om de kennisoverdracht
    te vergemakkelijken. Cintec wordt gefinancierd vanuit het O&O fonds en uit de
                                                      47
    contributie van de leden van CarrosserieNL.
47
   Bronnen: www.carrosserie.nl en www.cintec.nl.
Mkb en hogescholen                                                                                24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>De raad constateert dat er een onbalans is in de beleidsaandacht gericht op het aanbod
vanuit hogescholen (via RAAK en de CoE’s) en de vraag vanuit het bedrijfsleven (met
name het mkb). In het innovatiebeleid is er momenteel weinig aandacht voor het onder-
steunen van de vraagarticulatie van mkb-ondernemingen richting publieke kennis-
instellingen. De topsectorenaanpak biedt in theorie de ruimte om dit te ondersteunen,
maar in de praktijk zijn het vooral de grootbedrijven en koplopers in het mkb die hier baat
bij hebben. Enkele jaren geleden waren er specifieke innovatie-instrumenten die gericht
waren op de vraagarticulatie van het mkb. De meest bekende hiervan waren de
innovatievouchers en de Innovatie Prestatie Contracten (IPC’s). Deze instrumenten zijn
op dit moment vooral beschikbaar voor de topsectoren als onderdeel van de regeling
‘MKB Innovatiestimulering Topsectoren’ (MIT). De topsectoren kunnen er zelf voor kiezen
om het MIT-budget in te zetten voor deze instrumenten, maar in de praktijk kiest men
meestal om de middelen in te zetten voor R&D-samenwerkingsprojecten. Hieruit zou
geconcludeerd kunnen worden dat er geen behoefte is aan innovatievouchers en IPC-
projecten; aan de andere kant kan het ook duiden op een beperkte zeggenschap van het
brede mkb in de topsectoren. In 2015 wordt vanuit het ministerie van Economische
Zaken een pilot gestart waarin zes miljoen euro beschikbaar is voor IPC-projecten buiten
de topsectoren. Tot 2014 speelde ook Syntens een belangrijke rol in het ondersteunen
van vraagarticulatie door mkb-ondernemingen. Deze rol ligt nu bij de nieuwe Kamer van
Koophandel, maar met minder budget vanuit het ministerie van Economische Zaken dan
voorheen beschikbaar is. Dit wordt deels ‘gerepareerd’ doordat de Kamer van
Koophandel nu vanuit het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA
                                                                                48
additionele middelen krijgt om deze rol op te pakken.
3.2 De interne organisatie van hogescholen
Als het mkb beter in staat is om goede kennisvragen te articuleren, dan moet de hoge-
school in staat zijn om deze vragen te beantwoorden op een wijze die aansluit bij de
behoeften van de mkb-ondernemingen. Dat betekent dat afgesproken deadlines gehaald
worden en dat de praktische relevantie voor de bedrijven centraal staat (en dus niet het
onderzoek zelf). Het gaat ook om flexibel kunnen zijn, snel kunnen reageren op
tussentijdse vragen. Mkb-ondernemingen noemen gebrek aan transparantie als een van
                                                                                                        49
de belangrijkste knelpunten voor samenwerking met een hogeschool. Op dit moment
is dat nog een uitdaging voor docenten en docent-onderzoekers op hogescholen. De
onderwijsverplichtingen zijn dermate groot dat het lastig is om tijd vrij te maken voor het
onderzoek. Het onderwijs wint meestal als er een keus gemaakt moet worden, waardoor
de kwaliteit van het onderzoek afneemt.
48
   Zie http://www.kvk.nl/over-de-kvk/nieuws-en-persberichten/02-2015-regieorgaan-sia-en-kvk-sluiten-samenwerkingsovereenkomst/.
49
   Zie ook NICIS Institute en Rijksuniversiteit Groningen (2011) Het belang van hbo voor de regionale economie.
Mkb en hogescholen                                                                                                            25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Een ander punt waar mkb-ondernemingen beter bediend kunnen worden door hoge-
scholen betreft de onderzoeksstages die hbo-studenten doen bij bedrijven. Op dit
moment wordt de student zelf verantwoordelijk geacht voor het vinden van een goede
stageplek. De gedachte hierachter is dat het goed is als de student zelf initiatief neemt.
Vanuit een onderwijsperspectief is dit begrijpelijk; vanuit het perspectief van de bedrijven
is dit minder begrijpelijk. Bedrijven – met name mkb-ondernemingen – zijn er zeer bij
gebaat als vanuit de hogeschool bewust wordt gestuurd op de toewijzing van studenten
(of studententeams) aan bedrijven. Studenten kennen niet alle bedrijven en hebben zelf
meestal niet goed op het netvlies wat waar te halen valt; met enige begeleiding vanuit de
hogeschool is er meer kans dat de juiste student op de juiste plek komt, waarbij zowel
het belang van de ontwikkeling van de student als het belang van het bedrijf gediend
wordt.
Hogescholen moeten echt kiezen voor de rol als kennispartner en de organisatie daar
klaar voor maken. Dit betekent ten eerste dat massa opgebouwd moet worden rondom
de lectoraten door voldoende docenten en docent-onderzoekers vrij te maken voor
onderzoek en in elk lectoraat een gepromoveerde hoofdonderzoeker (of een associate
lector) aan te stellen die de lector kan ondersteunen bij de vele taken (zie tekstkader).
De hoeveelheid aan taken die een lector toegewezen heeft gekregen, in combinatie met
het feit dat deze aangesteld wordt in een deeltijdfunctie, zorgt ervoor dat het voor een
lector lastig is om alle taken volwaardig uit te voeren.
    Taken van een lector
    De introductie van lectoraten in het hoger onderwijs vloeit voort uit de doelstelling
    om de verbinding tussen onderwijs, onderzoek en de beroepspraktijk te verstevigen.
    Lectoren hebben meerdere taken toegewezen gekregen bij hun aanstelling.
                                                                                   50
    De officiële doelstellingen van een lectoraat omvatten:
           Kennisontwikkeling;
           Professionalisering van docenten;
           Doorwerking naar het curriculum;
           Kenniscirculatie van en naar economie en samenleving.
Een goede ontwikkeling, die momenteel zichtbaar is bij diverse hogescholen, is het
bundelen van lectoraten (bijvoorbeeld in een kennis- of expertisecentrum) zodat er
voldoende omvang ontstaat om rondom de lectoraten een professionele project-
ondersteuning op te bouwen; denk hierbij aan zaken als de financiële en juridische
afhandeling van projecten. Idealiter draagt deze bundeling bij aan de mogelijkheden om
50
   Stichting Kennisontwikkeling HBO (2008) Lectoraten, kweekvijvers van innovatie. Rapport van de Evaluatiecommissie Lectoraten.
Mkb en hogescholen                                                                                                              26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>multidisciplinair samen te werken. Een grotere omvang zorgt er ook voor het onderzoek
minder afhankelijk wordt van incidentele subsidies en dat netwerken structureel worden.
               Joop Pauwelussen (HAN):
               “Het heeft tijd nodig om echt te verankeren en om de contacten dan ook
               duurzamer te maken.”
Ook moeten hogescholen een carrièreperspectief kunnen bieden voor talentvolle
mensen. Het carrièreperspectief voor lectoren lijdt onder het strak vasthouden aan de
                                                                    51
tijdelijkheid van de aanstellingen van lectoren. Er is wel wat beweging gaande op dit
punt; voor zover bekend is er één hogeschool in Nederland die momenteel experimen-
teert met het aanbieden van een vaste aanstelling voor lectoren. Om talentvolle docenten
met onderzoeksvaardigheden aan te trekken zou het voor hen makkelijker moeten
worden om door te stromen naar een functie als lector. Op dit moment worden lectoren
                                                     52
voornamelijk extern aangetrokken. Wat ook niet helpt bij het aantrekken van talentvolle
docent-onderzoekers is dat in de functieprofielen voor het hoger beroepsonderwijs het
                                                            53
woord ‘onderzoek’ nauwelijks voorkomt.
Om de ambitieuze transformatie ‘van school naar kennisonderneming’ te realiseren moet
                                                 54
de mindset bij hogescholen om. Als men serieus werk wil maken van de rol als
kennispartner, moet flink geïnvesteerd worden in zowel de omvang als de verdere
kwaliteitsverbetering van het onderzoek.
3.3 De samenwerking tussen publieke kennisinstellingen
Mkb-ondernemingen zijn erbij gebaat als verschillende publieke kennisinstellingen
samenwerken op het gebied van kennisontwikkeling en kenniscirculatie. Er zijn veel
kennisvragen die zowel door een hogeschool, universiteit als een onderzoeksorganisatie
kan worden opgepakt. Het kan dan gaan om het toepassen van state-of-the-art kennis bij
universiteiten of onderzoeksorganisaties in praktijkgericht onderzoek. Het kan ook gaan
om kennisvragen die zowel praktisch georiënteerd zijn als ter ontwikkeling van een nieuw
theoretisch kader.
51
    Bij de hogeschool in Saarland (HTW Saarland) zag men zich genoodzaakt om vaste aanstellingen aan te bieden; alleen dan kon
    men goede professoren aantrekken (gepromoveerd en minstens vijf jaar ervaring in het werkveld). De achteruitgang in salaris voor
    deze mensen wordt dan deels gecompenseerd door meer stabiliteit.
52
    In Vlaanderen is dit anders geregeld en wordt deze onderzoeksfunctie meestal ingevuld door de eigen docenten.
53
    Bron: CAO Hoger Beroepsonderwijs 2012-2013 (zie http://www.vereniginghogescholen.nl). Mogelijk verandert dit in de nieuwe CAO
   (zie Principeakkoord cao-hbo 2014-2016; http://www.aob.nl).
54
    Van Bemmel (2014) Hogescholen in historisch perspectief.
Mkb en hogescholen                                                                                                                 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Samenwerking tussen universiteiten en hogescholen biedt wederzijds voordeel.
Hogescholen zijn pas vijftien jaar bezig met het doen van onderzoek; universiteiten doen
dit al veel langer. Voor de professionalisering van het onderzoek bij hogescholen is het
nuttig om gebruik te maken van de expertise die bij universiteiten aanwezig is. Aan de
andere kant wordt van universiteiten steeds meer maatschappelijke relevantie verlangd
en worden zij geacht beter aan te sluiten bij de behoeften van het bedrijfsleven.
Hogescholen kunnen hier weer van toegevoegde waarde zijn voor de universiteiten.
De Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek verwacht dat de samenwerking
tussen universiteiten, hogescholen en andere kennisinstellingen zal toenemen en dat
het gezamenlijk onderzoek steeds meer in lijn wordt gebracht met Horizon 2020 en de
                    55
topsectoren.
               Henk Bos (CarrosserieNL):
               “Hogescholen kunnen echt de vertaalslag maken voor een universiteit. Je hoeft een
               bedrijf niet alleen samen te laten werken met een universiteit, dan kom je teveel in de
               academische wereld terecht. Hogescholen zitten dichter bij de leefwereld van het mkb.”
De onderstaande figuur geeft een indeling van het onderzoek door algemene
universiteiten, technische universiteiten, TO2-instituten, hogescholen en industrie.
De figuur is gebaseerd op de figuur die de Technische Universiteit Delft in haar meest
recente strategieplan heeft gepresenteerd. Deze figuur was geïnspireerd op het Stokes
                                                                                     56
diagram, maar had niet de intentie hiermee samen te vallen. De hogescholen zitten in
deze afbeelding in het kwadrant rechtsboven (tussen de TO2-instituten en de industrie)
met een meer pragmatische aanpak, en vaak ook een korte doorlooptijd, van het
onderzoek.
Figuur 1 Positie onderzoek publieke kennisinstellingen
55
   Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek (2014) Eerste jaarlijkse monitorrapport over de voortgang van het proces van
   profilering en kwaliteitsverbetering in het hoger onderwijs en onderzoek.
56
   Technische Universiteit Delft (2014) Roadmap 2020.
Mkb en hogescholen                                                                                                           28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Het wordt duidelijk dat universiteiten iets te bieden hebben als het gaat om het toevoegen
van een fundamenteel element aan onderzoek, waar de TO2-instituten en hogescholen
meer de vertaalslag richting de praktijk kunnen maken. De samenwerking tussen de
verschillende publieke kennisinstellingen komt echter nog onvoldoende van de grond
vanwege onbekendheid met het onderzoek op hogescholen en het ontbreken van
prikkels voor samenwerking.
De omvang van het praktijkgericht onderzoek van hogescholen is nog zeer bescheiden
in relatie tot de omvang van het onderzoek bij universiteiten en, in mindere mate,
onderzoeksorganisaties. Omdat het meeste onderzoek van hogescholen niet leidt tot
publicaties in wetenschappelijke tijdschriften is lang niet overal bekend met welke
onderzoeksvragen hogescholen zich bezighouden. Mede dankzij deze onbekendheid
bestaan er nog vooroordelen tussen de verschillende kennisinstellingen, met name
tussen universiteiten en hogescholen. Bij veel academische onderzoekers leeft het beeld
dat het praktijkgericht onderzoek op hogescholen geen ‘echt wetenschappelijk’ onder-
zoek is en van lagere kwaliteit is dan onderzoek op universiteiten. Andersom leeft bij
hogescholen soms het beeld dat universitair onderzoek niet praktisch relevant is. Deze
wederzijdse vooroordelen zijn niet typisch Nederlands; ze leven ook in bijvoorbeeld
Vlaanderen, Duitsland en Denemarken. Een van de oorzaken hiervan is dat het lastig
blijkt om de kwaliteit van praktijkgericht onderzoek te evalueren. Wanneer het onderzoek
wordt gelegd langs de meetlat van academisch onderzoek (aantal publicaties en citaties)
dan ontstaat geen rooskleurig beeld. Praktijkgericht onderzoek van hogescholen moet
worden beoordeeld op zijn eigen merites. Dit blijkt geen sinecure, omdat er nog geen
                                                                  57
eenduidige indicatoren hier voorhanden zijn. Diverse validatierapporten van het VKO
(Validatiecommissie Kwaliteitszorg Onderzoek) geven aan dat externe stakeholders in
                                                                                                                       58
grote mate tevreden zijn over de bruikbaarheid van de onderzoeksresultaten. Ze laten
                                                                                                               59
echter ook zien dat er nog grote verschillen zijn tussen de hogescholen.
Wat de samenwerking ook niet ten goede komt, is het feit dat er in het kennissysteem
momenteel weinig tot geen prikkels voor publieke kennisinstellingen zijn om samen-
werking te zoeken met andere typen kennisinstellingen. De wijze waarop universiteiten,
hogescholen en onderzoeksorganisaties gefinancierd en beoordeeld worden, leidt eerder
tot een concurrentie tussen de publieke kennisinstellingen bij het initiëren van projecten
met bedrijven dan tot een samenwerking. Er zijn aparte budgetten voor onderzoek bij
universiteiten, onderzoeksorganisaties en hogescholen, met overal vergelijkbare
voorwaarden ten aanzien van de participatie van bedrijven. Valorisatie-inspanningen
worden beoordeeld op basis van directe relaties met bedrijven, waardoor kennis-
57
   Een uitzondering is ZonMw, die voor praktijkgericht zorgonderzoek een lijst van kwaliteitscriteria heeft opgesteld; zie
   http://www.zonmw.nl/nl/over-zonmw/praktijkgericht-onderzoek/.
58
   Zie www.vkohogescholen.nl.
59
   Koolmees en De Groot (2014) Opbrengst van validaties.
Mkb en hogescholen                                                                                                         29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>instellingen geprikkeld worden om zoveel mogelijk directe relaties op te voeren.
Het delen van private bijdragen vanuit het bedrijfsleven en het gebruik maken van
elkaars netwerken wordt hiermee niet gestimuleerd.
Ondanks de wederzijdse vooroordelen en het ontbreken van prikkels voor samen-
werking, zijn er goede voorbeelden te vinden van samenwerking tussen deze
instellingen. Eén daarvan is in Twente, waar Saxion in het kader van Kennispark Twente
zijn rol omschrijft als ‘complementair aan die van de Universiteit Twente’. De universiteit
ontwikkelt vooral fundamentele kennis die toepassingswaarde krijgt door de onder-
                                                             60
zoekers en studenten van de hogeschool. De complementariteit wordt gevonden
doordat beide instellingen zich op andere typen ondernemingen richten en/of doordat
beiden zich richten op maatschappelijke uitdagingen en elk hun specifieke rol daarin
pakken. Ook ontstaan er in toenemende mate personele unies tussen hogescholen
en universiteiten via dubbelaanstellingen als lector en professor. Personele unies
bevorderen niet alleen de concrete samenwerking maar dragen ook bij aan het
wederzijds begrip van de verschillende typen instellingen.
60
   HBO Raad (2013) Kennisvalorisatie. Impressie van de studiedag ‘Valorisatie: hogescholen aan zet’.
Mkb en hogescholen                                                                                   30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                                                                        4
Conclusies en aanbevelingen
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste conclusies uit de voorgaande hoofdstukken
samengevat. Daarna geeft de raad drie aanbevelingen om de kennisrelatie tussen
mkb en hogescholen te verbeteren.
4.1 Conclusies
Kleine en middelgrote ondernemingen zijn gebaat bij externe kennis. De meeste mkb’ers
hebben geen of een beperkte capaciteit om zelf nieuwe kennis te ontwikkelen; zij zijn dus
aangewezen op externe partners voor nieuwe kennis die nodig is voor vernieuwing van
producten, diensten en/of processen. Publieke kennisinstellingen (universiteiten, hoge-
scholen en onderzoeksorganisaties) zijn potentiële externe kennispartners. Lang niet alle
mkb’ers maken hiervan gebruik; in Nederland werkt 13,6% van de mkb-ondernemingen
met 50 tot 249 medewerkers samen met universiteiten en/of hogescholen, terwijl dit
                                                                          61
percentage in Duitsland en Finland op 18,4% respectievelijk 32,9% ligt. Hier ligt dus
een kans en een beleidsuitdaging.
Hogescholen worden belangrijker als kennispartner voor het mkb. Onderzoek behoort
bijna vijftien jaar na de invoering van de lectoraten tot de kerntaken van hogescholen.
Het aantal lectoren en docent-onderzoekers bij hogescholen, en daarmee de omvang
van het praktijkgericht onderzoek, groeit gestaag. De relevantie van het onderzoek voor
mkb-ondernemingen is groot en de kwaliteit van het onderzoek is voldoende en wordt
beter. Het type onderzoek dat hogescholen doen past goed bij de behoefte van mkb-
ondernemingen: het is kort, multidisciplinair en praktisch. Daarnaast spreken mkb’ers
en hogescholen elkaars taal omdat bij veel mkb-ondernemingen meer mensen met een
hbo-opleiding dan academici werken.
             Henk Bos (CarrosserieNL):
             “Hogescholen zijn voor ons de reddingsboei voor innovatie.”
Andersom wordt het mkb steeds belangrijker voor hogescholen. Hogescholen leiden
immers op voor de beroepspraktijk. Deze beroepspraktijk verandert steeds sneller, mede
als gevolg van nieuwe technologische ontwikkelingen. Nauwe contacten met het
bedrijfsleven zijn noodzakelijk om het onderwijscurriculum actueel te houden. Daarnaast
staat de traditionele knip tussen opleiding en werkzame leven onder druk, omdat een
groot aantal banen waarvoor mensen nu worden opgeleid over tien tot twintig jaar niet
61
   Bron: Eurostat. Cijfers uit 2012.
Mkb en hogescholen                                                                      31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>meer bestaat. Banen op hbo-niveau zullen in toenemende mate aan verandering
                                                                                            62
onderhevig zijn als gevolg van technologische ontwikkelingen. Om- en bijscholing en
                                                                              63
lifelong learning worden in de toekomst belangrijker. Het is daarom van belang om de
band met het mkb structureel te versterken om zicht te houden op de ontwikkelingen op
de arbeidsmarkt. En naast onderwijs zal deze band ook onderzoek moeten omvatten.
De raad heeft de volgende drie punten geïdentificeerd waarop de kennisrelatie tussen
mkb en hogescholen verbeterd kan worden:
      De vraagarticulatie vanuit mkb-ondernemingen;
      De vertaalslag van een praktijkprobleem naar een onderzoeksvraag die geschikt is
      voor een hogeschool blijkt lastig. De onderzoeksvragen die hogescholen oppakken
      moeten het ‘u vraagt, wij draaien’ niveau ontstijgen en tegelijkertijd moet het voor
      mkb-ondernemingen praktisch relevant blijven. Van hogescholen kan niet verwacht
      worden dat alleen zij verantwoordelijk zijn voor een goede vraagarticulatie. Mkb-
      ondernemingen zijn zelf ook verantwoordelijk en dienen te beseffen dat een
      proactieve houding richting hogescholen leidt tot betere onderzoeksvragen, beter
      onderwijs en daarmee betere toekomstige medewerkers. Vooral geclusterde vragen
      van meerdere bedrijven lenen zich goed voor onderzoeksprojecten van hogescholen.
      Echter, mkb’ers hebben moeite om zichzelf hiertoe goed te organiseren.
      De interne organisatie van hogescholen;
      De organisatie van hogescholen is van oudsher gericht op de grootste kerntaak:
      het geven van onderwijs. Het onderzoek behoort inmiddels ook tot de kerntaken,
      maar het is lastig om dit te organiseren binnen de hogescholen. Gebrek aan tijd en
      mogelijkheid om tijd flexibel in te delen, maakt het moeilijk om aan te sluiten op de
      werkwijze van mkb-ondernemingen. Richting mkb-ondernemingen moeten
      hogescholen zich flexibeler op kunnen stellen. Ook kunnen hogescholen actiever
      sturen op de plaatsing van studenten bij mkb-ondernemingen in het kader van stages
      en afstudeeropdrachten.
      De samenwerking tussen publieke kennisinstellingen;
      Hogescholen zijn niet de enige publieke kennispartner voor mkb-ondernemingen.
      Diverse kennisvragen van mkb’ers worden idealiter beantwoord door een combinatie
      van hogescholen met universiteiten en/of onderzoeksorganisaties (zoals de TO2-
      instituten). Dit vereist dat publieke kennisinstellingen elkaar weten te vinden als
      complementaire partners. Dit komt echter nog onvoldoende van de grond, onder
      meer vanwege onbekendheid bij bijvoorbeeld universiteiten met het onderzoek op
      hogescholen en het ontbreken van prikkels voor samenwerking.
62
   Zie het AWTI advies over de gevolgen van nieuwe technologieën, dat naar verwachting medio 2015 wordt gepubliceerd.
63
   Zie ook Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap (2011) Kwaliteit in verscheidenheid.
Mkb en hogescholen                                                                                                    32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Hieronder presenteren we een aantal beleidsaanbevelingen om deze drie verbeterpunten
te realiseren.
4.2 Aanbevelingen
De raad geeft de volgende aanbevelingen om de kennisrelatie tussen mkb
en hogescholen te verbeteren:
       Faciliteer vraagarticulatie van het mkb;
       Stimuleer aanpassing van de interne organisatie van hogescholen;
       Bevorder samenwerking tussen publieke kennisinstellingen.
De aanbevelingen worden hieronder nader toegelicht.
1. Faciliteer vraagarticulatie van het mkb
Praktische problemen van één of meerdere mkb-ondernemingen moeten vertaald
worden in een onderzoeksvraag waarmee een hogeschool aan de slag kan. Zowel
mkb-ondernemingen als hogescholen hebben hier een verantwoordelijkheid.
De overheid neemt op dit moment een rol in het verbeteren van de samenwerking
tussen mkb en hogescholen, onder meer via de RAAK-regeling en de Centres of
Expertise. De beleidsondersteuning is voornamelijk gericht op de hogescholen,
waarbij vraagsturing vanuit mkb-ondernemingen als randvoorwaarde is opgenomen.
Het initiatief en de verantwoordelijkheid ligt bij de hogescholen.
Echter, het is ook nodig dat mkb-ondernemingen zelf verantwoordelijkheid nemen om
individueel of gezamenlijk hun kennisbehoefte te articuleren richting de publieke
kennisinstellingen. Idealiter wordt hierbij niet op voorhand vastgelegd of de vraag
beantwoord moet worden door een hogeschool, universiteit of onderzoeksorganisatie.
Om goede onderzoeksvragen van meerdere mkb-ondernemingen te krijgen is het
noodzakelijk dat mkb’ers zich organiseren. Omdat dit lastig en tijdrovend is, en er
voldoende onderling vertrouwen moet zijn om kennisvragen te delen, is het nodig dat
mkb-ondernemingen hierin ‘ontzorgd’ en ondersteund worden. In het verleden nam
de overheid hier een rol in via instrumenten als de Innovatie Prestatie Contracten (IPC),
innovatievouchers, Syntens en innovatiemakelaars. Sinds 2010 is sterk bezuinigd op
deze instrumenten en zijn deze nog maar in beperkte mate beschikbaar. Bovendien
zijn de meeste instrumenten alleen beschikbaar vanuit de topsectoren, al komt hier
                                            64
recentelijk enige beweging in.
64
   In maart 2015 kondigde de minister van Economische Zaken aan dat er in 2015 zes miljoen euro beschikbaar voor Innovatie
   Prestatie Contracten buiten de topsectoren.
Mkb en hogescholen                                                                                                         33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>De raad ziet de volgende mogelijkheden om deze aanbeveling in te vullen:
      (Her)introduceer instrumentarium om consortia van mkb-ondernemingen te onder-
      steunen in het formuleren van kennisvragen. Denk hierbij aan een grootschalige
      herinvoering van de regeling Innovatie Prestatie Contracten (IPC), waarbij deze niet
      beperkt blijft tot de topsectoren. Ook op regionaal niveau kunnen initiatieven onder-
      steund worden die mkb-ondernemingen faciliteren bij de vraagarticulatie, zoals de
      Regionale Centra voor Technologie in Gelderland waarin met innovatiemakelaars
      wordt gewerkt. Belangrijk is dat er regionale platforms worden gecreëerd waar
      innovatieve ondernemers in contact komen met andere ondernemers, van elkaar
                                                                                                                       65
      kunnen leren en eventueel gezamenlijk onderzoeksvragen kunnen definiëren. De
      nieuwe Kamer van Koophandel (waar de activiteiten van Syntens in opgegaan zijn)
      kan hierbij een belangrijke rol spelen. Zorg dat de nieuwe Kamer van Koophandel
      voldoende capaciteit inzet om dit te ondersteunen en dat zij hierbij de verbinding legt
      met zowel hogescholen, universiteiten als onderzoeksorganisaties zoals de TO2-
      instituten.
      Zorg dat brancheorganisaties een belangrijke rol kunnen spelen. Zij kunnen bedrijven
      helpen met vraagarticulatie en kunnen duurzamere netwerken opbouwen met
      hogescholen en andere kennisinstellingen door het bundelen van vragen en
      financiële middelen. Veel brancheorganisaties zijn zowel partner in RAAK-projecten
      (gericht op samenwerking met hogescholen) als betrokken bij de topsectoren (gericht
      op samenwerking met universiteiten en onderzoeksorganisaties). Idealiter worden
      de brancheorganisaties in staat gesteld om hun toegevoegde waarde op een zo
      effectieve en efficiënte wijze in beide gremia te leveren. Ook zouden branche-
      organisaties meer mogelijkheden moeten hebben om met buitenlandse branches
      of groepen ondernemers samen te werken op het gebied van innovatie en collectief
      onderzoek. Sommige kennis is immers slechts in het buitenland te vinden en
      branchegebonden vraagstukken kunnen soms beter op Europese schaal worden
                     66
      opgelost. Inspiratie voor het versterken van de rol van brancheorganisaties kan
      worden gevonden in Duitsland, waar de AiF het programma ‘Industrial Collective
                                   67
      Research’ uitvoert.
65
   Mogelijk biedt de “Mkb Samenwerkingsagenda Rijk – Regio” van eind 2014 hier een kader voor. Zie
   http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/convenanten/2014/12/11/mkb-samenwerkingsagenda-rijk-regio.html
66
   Hiervoor bestond tot 2014 de regeling ‘Verkenning van internationale samenwerking’, waarin een brancheorganisatie subsidie kon
   aanvragen om de mogelijkheden voor internationale samenwerking tussen groepen mkb-ondernemers te onderzoeken en uit te
   voeren. De verkenning kon o.a. leiden tot een internationaal samenwerkingsproject binnen CORNET. CORNET is een netwerk
   waarin verschillende Europese landen participeren, waaronder Nederland, Duitsland en België. Omdat deelname aan CORNET
   werd gesubsidieerd via de IPC-regeling, bestaat deze mogelijkheid niet meer sinds de IPC-regeling werd ondergebracht bij MIT-
   regeling (tenzij topsectoren hier zelf prioriteit aan geven).
67
   Zie voor meer informatie AWTI (2015) Verslag werkbezoeken aan Duitsland en Denemarken.
Mkb en hogescholen                                                                                                               34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>    AiF (Duitsland): Industrial Collective Research voor mkb
    De Duitse Federatie voor Industriële Onderzoeksorganisaties (AiF) voert voor het
    BMWi het programma ‘Industrial Collective Research’ uit. Dit programma met een
    budget van 140 miljoen euro per jaar stimuleert onderzoek voor het mkb. Projecten
    worden ingediend door bedrijven via brancheorganisaties en worden uitgevoerd door
    universiteiten, hogescholen en/of onderzoeksorganisaties op basis van hun expertise.
    De subsidie bedraagt maximaal 250.000 euro per kennisinstelling, met een maximum
    van drie kennisinstellingen per project. Mkb-ondernemingen dragen in-kind bij door
    zitting te nemen in begeleidingscommissies.
      Zorg dat mkb en hogescholen aangesloten zijn in de topsectoren en meepraten bij de
                                                                                68
      totstandkoming van de nieuwe innovatiecontracten. Zorg hierbij, waar relevant, voor
      synergie in de programmering van wetenschappelijk onderzoek, toegepast onderzoek
      en praktijkgericht onderzoek. Houd rekening met de tijdsdimensie; thema’s uit de
      innovatiecontracten van 2012-2013 zijn mogelijk nu interessant voor praktijkgericht
      onderzoek van hogescholen, eventueel in samenwerking met de TO2-instituten.
2. Stimuleer aanpassing van de interne organisatie van hogescholen
Als hogescholen hun volledige potentie als kennispartner voor het mkb willen benutten,
zal de interne organisatie van hogescholen hiervoor aangepast moeten worden. Het is
essentieel dat hogescholen over voldoende middelen voor praktijkgericht onderzoek
beschikken om dit te kunnen realiseren. In dit kader onderschrijft de raad van harte de
aanbevelingen van de Onderwijsraad om het praktijkgericht onderzoek bij hogescholen
te verstevigen en de subsidie voor de huidige Centres of Expertise nog enige tijd voort
                69
te zetten.
Met name docenten en docent-onderzoekers moeten meer ruimte krijgen en nemen
om klantgericht te werken. Dat betekent in de praktijk dat zij tijd en flexibiliteit in hun
tijdsindeling nodig hebben om aan te sluiten bij de werkwijze van mkb-ondernemingen.
Ook moet de hogeschool actiever sturen op de plaatsing van stagiaires bij mkb-
ondernemingen. Het besef moet er zijn dat een stage niet alleen bijdraagt aan de
ontwikkeling van de student en daarmee het onderwijs, maar ook bijdraagt aan het
verbeteren van producten, diensten en/of processen bij de bedrijven. De raad spreekt
hier vooral de hogescholen zelf aan.
68
   Zie ook AWTI (2014) Balans van de topsectoren 2014.
69
   Onderwijsraad (2014) Meer innovatieve professionals. Daarin wordt onder meer het volgende geadviseerd: “Praktijkonderzoek in
   het hbo vraagt bovendien om het verhogen van het aandeel masteropgeleide en gepromoveerde docenten, het uitbreiden van de
   capaciteit van lectoraten en een goed toegankelijke kennisinfrastructuur.”.
Mkb en hogescholen                                                                                                              35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>De raad ziet de volgende mogelijkheden om invulling te geven aan deze aanbeveling:
      Hogescholen kunnen gericht studenten uit verschillende opleidingen bij één bedrijf
      plaatsen, om zodoende een multidisciplinair team te creëren. Dit verhoogt de kwaliteit
      van de stages en doordat studenten elkaar onderling coachen kan dit tevens zorgen
      voor een reductie van de begeleidingstijd door de mkb-ondernemingen. Hogescholen
      zullen zich hiervoor intern meer crosssectoraal moeten organiseren. Meer interne
      detacheringen van docenten en onderzoekers tussen verschillende disciplines
      kunnen hieraan bijdragen.
      Op regionaal niveau kunnen hogescholen ‘ontzorgd’ worden bij de financiële en
      juridische afhandeling van samenwerkingsovereenkomsten met mkb-ondernemingen.
      Regionale overheden kunnen dit initiëren, met betrokkenheid vanuit hogescholen.
      Een inspirerend voorbeeld hiervoor komt uit Duitsland (zie tekstkader), waar de
      private organisatie FITT de hogescholen en mkb-ondernemingen ontzorgt in het
                                                              70
      managen van samenwerkingsprojecten.
    FITT (Saarland): ontzorgen van hogescholen en mkb-ondernemingen
    De private non-profit organisatie FITT GmbH regelt de financiële en juridische
    afhandeling van projecten van hogescholen met bedrijven. Hiermee ontzorgen
    ze zowel de hogescholen als de bedrijven, door het management van complexe
    projecten – vaak multidisciplinair en met meerdere financieringsbronnen – te regelen.
    De aandeelhouders van FITT zijn Hochschule für Technik und Wirtschaft des
    Saarlandes, een netwerk van professoren en de regionale overheid. FITT is de
    belangrijkste interface tussen de hogeschool en het bedrijfsleven. Omdat FITT een
    onafhankelijke organisatie is – en niet zoals technology transfer offices onderdeel
    van de kennisinstelling – biedt het een grotere flexibiliteit in de eigen processen en
    in de samenwerking met externe partners. FITT heeft een sterke service orientation
    richting zowel de professoren op de hogeschool als het bedrijfsleven; dit bepaalt in
    sterke mate het succes van FITT.
      Stimuleer hogescholen om hun contacten met het mkb te verstevigen, bijvoorbeeld
      via docentstages of detacheringen van docenten richting het bedrijfsleven. Dit draagt
      bij aan een beter wederzijds begrip. Eventueel kan hiertoe een lichte variant van de
      Kenniswerkersregeling ingevoerd worden. Ook dubbele aanstellingen van een lector
      of docent dragen bij aan de verbinding en wederzijds begrip tussen bedrijven en
      hogescholen. Creëer daarnaast een platform waar de recentelijk opgerichte
      Vereniging van Lectoren de mogelijkheid heeft om in dialoog te treden met het
70
   Zie voor meer informatie AWTI (2015) Verslag werkbezoeken aan Duitsland en Denmarken en http://www.fitt.de/.
Mkb en hogescholen                                                                                              36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>      georganiseerd bedrijfsleven. Deze dialoog zal ertoe leiden dat het wederzijds begrip
      voor elkaars wereld toeneemt. Ook kan het leiden tot een betere afstemming van de
      onderzoeksagenda’s van de lectoraten op de kennisvragen van het bedrijfsleven.
3. Bevorder samenwerking tussen publieke kennisinstellingen
Zowel hogescholen, universiteiten als onderzoeksorganisaties zijn in staat om de
kennisvragen van mkb-ondernemingen te beantwoorden. Wie de meest geschikte
kennispartner is, verschilt van vraag tot vraag. Om te zorgen dat mkb-ondernemingen
de meest geschikte kennispartner vinden, moeten de publieke kennisinstellingen elkaar
waar nodig weten te vinden en hun eigen en elkaars toegevoegde waarde goed op
het netvlies hebben. Ze moeten elkaars taal leren spreken. De raad spreekt de ministers
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Economische Zaken beiden aan om te zorgen
voor een cultuur waarin de diverse publieke kennisinstellingen complementariteit
verkiezen boven concurrentie.
De raad ziet de volgende mogelijkheden voor interventies die hieraan kunnen bijdragen:
      Introduceer een prikkel voor hogescholen, universiteiten en onderzoeksorganisaties
      om samen te werken. Beloon bijvoorbeeld universiteiten als ze samenwerken met
      hogescholen door samenwerking met hogescholen op te nemen in het schema van
                                                                       71
      valorisatie-indicatoren van de universiteiten. Of monitor de samenwerking tussen
      hogescholen en universiteiten en/of onderzoeksorganisaties, en ontsluit best
      practices onder het motto “goed voorbeeld doet volgen”. Inspiratie kan worden
      gevonden in Denemarken, waar het Ministry for Higher Education and Research in
      het nieuwe convenant met universiteiten heeft opgenomen dat universiteiten meer
      met hogescholen moeten samenwerken. Dit wordt de komende jaren gemonitord,
                                                                                           72
      met de verwachting dat “what gets measured, gets done”.
      Maak via een gezamenlijke databank duidelijk wie zich bezighoudt met welke
      thema’s. Voorkom dat apart vanuit universiteiten, hogescholen en onderzoeks-
      organisaties wordt gecommuniceerd wie welke zwaartepunten heeft. Doe dit
      gezamenlijk, eventueel in regionaal verband. Dit maakt het voor de publieke
      kennisinstellingen gemakkelijker om thema’s te identificeren waar samenwerking
      mogelijk is, en maakt het ook voor het mkb veel duidelijker wie wat doet. Een
      inspirerend voorbeeld is de Research Map in Duitsland, gemaakt door de Duitse
      Hochschulrektorenkonferenz (vergelijkbaar met de VSNU en Vereniging
                             73
      Hogescholen).
71
   Momenteel komt het woord “hogeschool” niet voor in de vier pagina’s met mogelijke valorisatie-indicatoren voor universiteiten.
   Zie VSNU (2013) Keuzemenu valorisatie indicatoren.
72
   Zie AWTI (2015) Verslag werkbezoeken aan Duitsland en Denemarken.
73
   http://www.hrk.de/activities/research-map-key-research-priorities/.
Mkb en hogescholen                                                                                                                37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>      Zorg dat dit aanhaakt bij de ambitie van het NRPO SIA om kennis vanuit hogescholen
                                                            74
      te ontsluiten via een digitaal platform.
      Zet meer in op de Centres of Expertises als platform om de samenwerking tussen
      hogescholen, mkb en andere publieke kennisinstellingen te bevorderen. Belangrijk
      hierbij is dat de hogescholen het mede-eigenaarschap van de Centres of Expertises
      behouden en dat de andere publieke kennisinstellingen geen dominante rol gaan
      spelen. Aan de andere kant moet voorkomen worden dat er een aanbodgedreven
      mechanisme ontstaat; de vragen waar de kennisinstellingen mee aan de slag gaan
      moeten vanuit de bedrijven komen, waarbij niet op voorhand bepaald kan worden
      welke kennispartner(s) het antwoord kunnen geven. Vanuit dit perspectief is het
      verstandig om Centres of Expertise niet exclusief aan hogescholen op te hangen,
      maar ook in te bedden in het regionale innovatiesysteem. Samenwerking tussen
      hogescholen en andere publieke kennisinstellingen kan ook bevorderd worden door
      gezamenlijke faciliteiten te beheren en/of gebruiken. Zorg dat de aanschaf van
      nieuwe faciliteiten plaatsvindt in afstemming met de regionale spelers; bedrijven,
      universiteiten, onderzoeksorganisaties, hogescholen en eventueel Regionale
      Opleidingscentra (ROC’s) voor het mbo. Waarborg de toegankelijkheid tot de
      infrastructuur en stimuleer dat diverse partijen elkaar daar ontmoeten.
      Zet meer in op calls waarin hogescholen, universiteiten en/of onderzoeksorganisaties
      gezamenlijk kunnen deelnemen aan projecten. Goede voorbeelden zijn de recente
      ‘research through design’ call in de topsector Creatieve Industrie en de KIEM-
      projecten in de topsector Chemie, waar universiteiten en hogescholen gezamenlijk
                               75
      kunnen indienen. Ook de RAAK-regeling voor hogescholen biedt andere
      kennisinstellingen de mogelijkheid om aan te sluiten; met name in RAAK-Pro komt
      het steeds vaker voor dat universiteiten deelnemen aan projecten. Biedt hierbij waar
      mogelijk ruimte voor andere onderzoeksorganisaties zoals de TO2-instituten.
      Belangrijk is om bij deze calls beoordelingscriteria te hanteren die recht doen aan de
      toegevoegde waarde van de verschillende typen kennisinstellingen in de richting van
      mkb-ondernemingen. Overweeg ook in dit kader een regeling zoals de regeling
      ‘Industrial Collective Research’ in Duitsland (zie de eerste aanbeveling).
Aldus vastgesteld te Den Haag, maart 2015
Prof. dr. U. Rosenthal (voorzitter)
Dr. D.J.M. Corbey (secretaris)
74
   Zie Slotman (2015) Strategie bepaald door praktijkvraag.
75
   Raad voor Cultuur en AWTI (2015) Advies De waarde van creativiteit.
Mkb en hogescholen                                                                           38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Mkb en hogescholen 39</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Bijlage 1 Gesprekspartners
Ter voorbereiding van dit advies is met de volgende personen gesproken:
     De heer Piet Mosterd                  AWL-Techniek
     De heer Ralph Menzing                 Birch Consultants
     Mevrouw Maaike Romijn                 Birch Consultants
     Mevrouw Marsha Wagner                 BuroMW / topsector Energie
     De heer Joost Degenaar                Centre of Expertise Healthy Ageing
     De heer Henk Bos                      CarrosserieNL
     De heer Berrie Coelman                De Spinnerij
     Mevrouw Jolanda Bakker                EVO
     De heer Johan Kerver                  EVO
     De heer Hans Joosten                  FOCWA
     De heer Onno Lint                     Fontys
     De heer Henk Hofstra                  Hanzehogeschool Groningen
     De heer Rob Verhofstad                Hanzehogeschool Groningen
     De heer Rob van der Hoorn             Hobéon
     De heer Joop Pauwelussen              Hogeschool Arnhem en Nijmegen
     De heer Bram Veenhuizen               Hogeschool Arnhem en Nijmegen
     De heer John van der Willik           Hogeschool Leiden
     Mevrouw Karin Alfenaar                Hogeschool Utrecht
     De heer Patrick van Veenendaal        Hogeschool Utrecht
     De heer Hans Cappon                   HZ University of Applied Sciences
     De heer Niels Groot                   HZ University of Applied Sciences
     De heer Janika Horváth                Kamer van Koophandel
     De heer Michaël van Straalen          MKB-Nederland
     De heer Thomas Grosfeld               MKB-Nederland/VNO-NCW
     De heer Nick van de Sande             MKB-Nederland/VNO-NCW
     De heer Ignace Karthaus               NRPO SIA
     De heer Richard Slotman               NRPO SIA
     De heer Marnix Krikke                 Netherlands Maritime Technology
     De heer Frits Luijten                 Netherlands Maritime Technology
     De heer Pieter Moerman                Platform Bèta Techniek
     De heer Jorg van Velzen               Platform Bèta Techniek
     De heer Bert Hooijer                  RDM Campus
     Mevrouw Esther Verhoeven              RVO
     De heer Frans Pol                     Saxion
     De heer Theodoor van der Velde        Saxion
     De heer Erik Drop                     TNO
     De heer Harm van den Oever            Uneto-VNI
Mkb en hogescholen                                                            40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>     De heer Thom de Graaf               Vereniging Hogescholen
     De heer Johannes van der Vos        Vereniging Hogescholen
     Mevrouw Sandra Storm                Vereniging Hogescholen
     De heer Frank van der Zwan          Vereniging Hogescholen
     De heer Eric van de Luijtgaarden    Vereniging van Lectoren / Zuyd Hogeschool
     De heer Hans de Jonge               VSNU
     De heer Jan Kamminga
Daarnaast zijn in februari 2015 werkbezoeken afgelegd aan Vlaanderen, Duitsland en
Denemarken. Daar is met de volgende personen gesproken:
Vlaanderen
     De heer Georges Goffin              Associatie Universiteit & Hogescholen
                                         Antwerpen
     De heer Christian Daman             Universiteit Antwerpen
     De heer Marc Vervoort               Hogere Zeevaartschool
     De heer Peter Partoens              Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
     De heer Maarten Vinkers             Karel de Grote-Hogeschool
Duitsland
     Mevrouw Viktoria Cvetkovic          AiF Allianz Industrie Forschung
     De heer Georg Maringer              FITT
     De heer Christian Tauch             HRK German Rectors’ Conference
     De heer Bernard Lippert             HRK German Rectors’ Conference
     De heer Jürgen Griebsch             HTW Saarland
     Mevrouw Stefanie Thomas             State Chancellery Saarland
     De heer Axel Koch                   Universität des Saarlandes
     Mevrouw Conny Clausen               Universität des Saarlandes
     De heer Jens Krück                  Universität des Saarlandes
Denemarken
     Mevrouw Karin Kjær Madsen           Danmarks Forsknings- og
                                         Innovationspolitiske Råd
     Ragner Heldt Nielsen                GTS - Advanced Technology Group
     De heer Lars Beer Nielsen           Ministry of Higher Education and Research
     De heer Johnny Mogensen             Ministry of Higher Education and Research
     Mevrouw Pernille Pedersen           Ministry of Higher Education and Research
     Mevrouw Susanne Bjerregaard         Universities Denmark
     De heer Rasmus Kibæk Skytte         Universities Denmark
     De heer Tobias Høygaard Lindeberg University College Metropol
Mkb en hogescholen                                                                 41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Voor dit advies is tevens gebruik gemaakt van de gesprekken en bijeenkomsten met
(mkb-)ondernemingen en brancheorganisaties ter voorbereiding op het advies ‘Briljante
bedrijven’ (AWT, maart 2014):
     De heer Guido Budziak                Adversitement
     De heer Nico Groen                   Arsani Consultancy
     De heer John Blankendaal             Brainport Industries
     De heer Wybren Jouwsma               Bronkhorst Hightech
     De heer Murat Kiran                  Conclusion Future Infrastructure Technologies
     De heer Dennis Schipper              DEMCON
     De heer Egbert Stremmelaar           Eriks Aandrijftechniek B.V. / FEDA
     De heer Erik de Ruijter              Federatie NRK
     De heer Martijn van Groen            Feyecon
     De heer Geert Woerlee                Feyecon
     De heer Kees Groeneveld              FHI, federatie van technologiebranches
     De heer Fred Dom                     FlexGen
     De heer Jeroen Verbrugge             Flex/TheInnovationLab
     De heer Kasper Buiting               FME
     De heer Geert Huizinga               FME
     De heer Peter Bongaerts              FME-CWM
     De heer Wilbert de Louw              Foodcase
     De heer Jorrit Kuipers               Green Dino
     De heer Henk Jan Grimbergen          Grimbergen Industrial Systems
     De heer Willem Buijs                 Hatenboer Water
     De heer Jan Willem Breukink          IncoTec Group
     De heer Erik Loijen                  KLG Europe
     De heer Kees Hoogendijk              Koninklijk CBM
     De heer Bert Jan Lommerts            Latexfalt
     De heer Bert Jan Kamperbeek          Mapper
     De heer Jan Wisse                    Niaba
     De heer Paul Oortwijn                NLingenieurs
     De heer Marc Hendrikse               NTS Group
     Mevrouw Meiny Prins                  Priva
     De heer Hans Schikan                 Prosensa
     De heer Paul Stolte                  Qlinc
     De heer Ralph Panhuyzen              SE Vehicle
     De heer Philip Hess                  Senz
     De heer Arjen Janssens               SolMateS
Mkb en hogescholen                                                                    42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap was mevrouw Jacky Bax
de contactpersoon voor dit advies. Vanuit het ministerie van Economische Zaken waren
de heer Roel Meeuwesse en de heer André Roos de contactpersonen. Verder hebben
afstemmingsgesprekken plaatsgevonden met de Sociaal-Economische Raad en de
Onderwijsraad. Mevrouw Hanneke Bodewes (Bodewes Beleidsadvies) heeft in opdracht
van de AWTI een bijdrage geleverd aan de werkbezoeken aan Duitsland en
Denemarken.
Mkb en hogescholen                                                                   43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Bijlage 2 Gebruikte bronnen
    Agentschap NL (2011) Hoe de Nederlandse economie haar kenniswerkers behield.
    Ervaringen uit kenniswerkers projecten.
    Amsterdam Economic Board (2013) Board 2014-2020 Metropoolregio Amsterdam:
    wonen, werken, wereldplek.
    AWT (2005) Innovatie zonder inventie: Kennisbenutting in het mkb, AWT-advies nr.
    64, juli 2005.
    AWT (2012) Diensten Waarderen, AWT-advies nr. 79, december 2012.
    AWT (2013) Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen, AWT-advies nr. 82,
    oktober 2013.
    AWT (2014) Briljante bedrijven: effectieve ecosystemen voor ambitieuze
    ondernemers, AWT-advies nr. 85, maart 2014.
    AWT (2014) De kracht van sociale innovatie, AWT-advies nr. 84, januari 2014.
    AWTI (2014) Balans van de topsectoren 2014, september 2014.
    AWTI (2014) Regionale hotspots: broedplaatsen voor innovatie, oktober 2014.
    AWTI (2014) Verslag symposium innoveren en groeien in de regio, 11 november
    2014 (beschikbaar op http://www.awti.nl/publicaties/verslag-symposium-innoveren-
    en-groeien-in-de-regio)
    AWTI (2015) Verslag werkbezoeken aan Duitsland en Denemarken: Werkdocument
    AWTI, Hanneke Bodewes & Marcel Kleijn, april 2015.
    Raad voor Cultuur en AWTI (2015) Advies De waarde van creativiteit, Den Haag,
    17 maart 2015.
    Deventer Centraal (2011) Saxion start opleiding mechatronica, 23 mei 2011 (zie
    http://deventercentraal.nl/article.php?action=showarticle&id=6195).
    EIM (2008) Innovatiepiramide: een segmentatie van het mkb, Zoetermeer,
    oktober 2008.
    HBO Raad (2012) Informatiedocument Centres of Expertise.
    HBO Raad (2013) Kennisvalorisatie. Impressie van de studiedag ‘Valorisatie:
    hogescholen aan zet’.
    Hogeschool van Amsterdam (2013) Communication & Multimedia Design (CMD
    Amsterdam) HR Beleidsplan 2013-2015.
    Koolmees, H. en E. de Groot (2014) Opbrengst van validaties, HO Management,
    september 2014.
    Korenromp, W. (2013) Betaalbaar innoveren voor kleine bedrijven, in SAX Magazine
    juni 2013.
    Koster, R.M. (2009) Aangenaam kennismaken: acht casestudies naar kennisdeling
    tussen HBO instellingen en MKB bedrijven tijdens stage- en afstudeeropdrachten.
    Master thesis, 8 april 2009.
Mkb en hogescholen                                                                   44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>    Krebbekx, J., Duivenvoorde, G., de Wolf, W. en J. Lenselink (2012) Routekaart NRK
    2012-2030, Berenschot.
    MKB-Nederland en VNO-NCW (2015) Kansrijk! De groeiagenda voor
    ondernemerschap in het mkb, februari 2015.
    Ministerie van Economische Zaken (2014) Monitor Bedrijvenbeleid 2014.
    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2011) Kwaliteit in verscheidenheid,
    Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap, augustus 2011.
    NICIS Institute en Rijksuniversiteit Groningen (2011) Belang van het hbo voor de
    regionale economie, Delfmann, H., Koster, S. J. en P. Pellenbarg.
    OECD (2013) Entrepreneurial Ecosystems and Growth-Oriented Entrepreneurship.
    OECD (2014) OECD Reviews of Innovation Policy: Netherlands 2014.
    Onderwijsraad (2014) Meer innovatieve professionals, 20140262/1069,
    november 2014.
    Panteia (2014) Gebruikersinnovatie in het mkb, rapportnummer A201402,
    Zoetermeer, januari 2014.
    Panteia (2014) Topsectoren in beeld. Ontwikkelingen van de innovativiteit van de
    topsectoren 2002-2014, rapportnummer A201430, Zoetermeer, december 2014.
    Panteia/EIM (2013) De innovativiteit van het MKB in 2013, rapportnummer A201346,
    Zoetermeer, september 2013.
    Panteia/EIM (2013) Innovatie in het MKB – ontwikkelingen in de periode 2002-2013,
    rapportnummer A201350 / C10193, Zoetermeer, oktober 2013.
    Platform Bèta Techniek (2014) Auditrapportage Dynamiek onderweg 2014:
    Midterm review Centres of expertise & Centra voor innovatief vakmanschap.
    Renique, C. (2008) Hogescholen als belangrijke schakel in de kennisketen,
    VNO-NCW.
    ResearchNed & Dialogic (2014) Inventarisatie dienstverlening NRPO SIA.
    Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek (2014) Eerste jaarlijkse
    monitorrapport over de voortgang van het proces van profilering en
    kwaliteitsverbetering in het hoger onderwijs en onderzoek.
    Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (2010) Van voornemens naar voorsprong:
    Kennis moet circuleren. Voorstel voor een Nederlandse valorisatieagenda.
    Rijksoverheid (2014) Kabinet grijpt in bij Leven Lang Leren.
    Rijksoverheid (2015) Rijksbegroting 2015.
    ScienceGuide (2015) Kwetsbare verbinding versterken.
    Slotman, R. (2015) Strategie bepaald door praktijkvraag, HO Management,
    februari 2015, pp. 11-13.
    Stichting Innovatie Alliantie (2009) Beleidsevaluatie RAAK-regeling 2005-2008.
    Stichting Kennisontwikkeling HBO (2008) Lectoraten, kweekvijvers van innovatie.
    Rapport van de Evaluatiecommissie Lectoraten.
    Technische Universiteit Delft (2010) Roadmap TU Delft 2020. Freedom to Excel.
Mkb en hogescholen                                                                    45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>    Van Bemmel, A. (2014) Hogescholen in historisch perspectief, Vereniging
    Hogescholen, mei 2014.
    Vereniging Hogescholen (2013) Praktijkgericht onderzoek binnen Centres of
    Expertise.
    Vrancken, S. (2011) Uitwisseling en aansluiting tussen onderwijs en werkveld:
    een adviesrapport voor de KNCV, december 2011.
    VSNU (2013) Keuzemenu valorisatie indicatoren.
Mkb en hogescholen                                                                46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Bijlage 3 Kenniscirculatie tussen mkb
en hogescholen
In deze bijlage gaan we in op de verschillende mechanismen waarop kenniscirculatie
tussen hogescholen en mkb plaatsvindt. Daarna gaan we in op de wijze waarop dit
georganiseerd wordt.
Mechanismen voor kenniscirculatie
We onderscheiden de volgende mechanismen waarop kenniscirculatie tussen
mkb en hogescholen plaatsvindt:
       Stages en afstudeeropdrachten van studenten;
       Samenwerking in onderzoeks- en innovatieprojecten;
       Uitwisseling van personeel;
       Disseminatie via rapporten, artikelen, seminars, lezingen;
       Facility sharing (inclusief data).
Stages en afstudeerprojecten
Hbo-studenten moeten gedurende de studielooptijd stage lopen bij een bedrijf of
instelling. Kenniscirculatie tussen mkb en hogeschool vindt vooral plaats tijdens de
stages in het derde en vierde jaar, bedoeld om werkervaring op te doen en om te laten
zien wat de studenten geleerd hebben. De stages en afstudeerprojecten worden
beschouwd als een essentieel onderdeel van de beroepsvoorbereiding in het curriculum.
Ook door de bedrijven worden de stages gewaardeerd. De aanwezigheid van de student
draagt bij aan het absorptievermogen van veel mkb’ers. Kenniscirculatie vindt
voornamelijk plaats tussen de student en de begeleider of collega’s in het bedrijf of
de instelling. Naarmate hbo-docenten meer betrokken zijn bij de begeleiding van de
studenten, kan een bredere kenniscirculatie tussen mkb en hogescholen gerealiseerd
              76
worden. Stages en afstudeeropdrachten van studenten worden gezien als een goed
middel om contacten te leggen tussen de hogeschool en het bedrijf en om netwerken te
                   77
ontwikkelen. Het gaat om grote aantallen; naar schatting voeren jaarlijks zo’n 50.000
                                                                                                             78
tot 60.000 studenten een afstudeeropdracht uit bij een bedrijf of instelling.
Samenwerking in onderzoeks- en innovatieprojecten
Het uitvoeren van gezamenlijke onderzoeks- en innovatieprojecten door mkb-
ondernemingen en hogescholen, eventueel in samenwerking met andere partners
(zoals universiteiten en/of grootbedrijf), wordt door de meeste betrokkenen gezien
76
   Zie Koster (2009) Aangenaam kennismaken.
77
   Stichting Innovatie Alliantie (2009) Beleidsevaluatie RAAK-regeling 2005-2008.
78
   Deze schatting is gebaseerd op het feit dat in 2012 ruim 64.383 hbo diploma’s werden uitgereikt (www.vereniginghogescholen.nl)
   en afstudeeropdrachten meestal verplicht zijn.
Mkb en hogescholen                                                                                                                47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>                                                                   79
als een effectieve vorm van kenniscirculatie. In een gezamenlijk project werkt een
aantal mkb-ondernemingen samen met de hogeschool aan de oplossing van een
concreet vraag-stuk. Soms gaat het om contract research voor bedrijven, soms gaat
het om praktijk-gerichte onderzoeksprojecten die zijn gefinancierd vanuit het lectoraat
of externe (publieke) middelen. Steeds vaker zijn naast de lectoren ook docent-
onderzoekers en studenten betrokken bij deze projecten. Het blijft een uitdaging om
voldoende gekwalificeerd personeel te vinden binnen een hogeschool om deel te
nemen aan de onderzoeks- en innovatieprojecten. Veel docenten hebben nog niet
de onderzoekskwaliteiten die nodig zijn om bij te dragen aan onderzoek binnen een
lectoraat. Hogescholen zetten daarom sterk in op het verhogen van het aandeel
gepromoveerde docenten. Daarnaast krijgen docenten vaak niet genoeg ruimte om,
naast de onderwijstaak, ook te participeren in onderzoeks- en innovatieprojecten.
    Onderzoeksproject Composieten
    Het Composietenlab en het Lectoraat Groot Composiet van Inholland Delft zijn
    van start gegaan met een RAAK-MKB-project, waarbij er onderzocht zal worden hoe
    composietmaterialen beter geproduceerd kunnen worden door mkb-ondernemingen.
    Samen met acht verschillende mkb-ondernemingen wordt er de komende twee jaar
    onderzoek gedaan naar de ‘automatisering van het vacuüminfusieproces voor de
    productie van composietproducten’. Lectoren, onderzoekers, ondernemers,
    professionals en studenten worden samengebracht om nieuwe kennis te ontwikkelen
    en te delen met het bedrijfsleven en hogescholen. Het onderzoek bestaat uit een
    literatuuronderzoek, design research en experimentele ontwikkeling, waarbij een
                                                                                  80
    robotkop met diverse functionaliteiten ontwikkeld wordt.
Uitwisseling van personeel
Het uitwisselen van personeel tussen hogescholen en mkb-ondernemingen is een
effectieve manier om kennis uit te wisselen. Het komt echter relatief weinig voor. Meer
                                                                   81
personele uitwisseling wordt al jaren bepleit. Het is tijdelijk gestimuleerd door de
overheid via de Kenniswerkersregeling uit 2009. Door deze regeling konden kennis-
werkers van bedrijven tijdelijk gedetacheerd worden bij een kennisinstelling om
vervolgens, wanneer de economie weer aantrok, terug te keren naar hun oude werk-
gever. Bijna tweederde van de deelnemende partijen was mkb’er. Een deel van de
kenniswerkers werd bij een hogeschool gedetacheerd. In totaal namen 46 kennis-
instellingen deel aan de Kenniswerkersregeling, voornamelijk universiteiten en instituten
79
   Stichting Innovatie Alliantie (2009) Beleidsevaluatie RAAK-regeling 2005-2008.
80
   Bron: http://www.inholland.nl/Content/News/Nieuws2014/201409/Inholland+Delft+start+samenwerkingsproject+composieten.htm
81
   Zie bijvoorbeeld AWT (2003) Netwerken met kennis.
Mkb en hogescholen                                                                                                         48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>voor toegepast onderzoek. In totaal namen acht hogescholen deel, in negentien
                                           82
projecten (van de ruim 200). De AWT pleitte in 2013 voor een herinvoering van
                      83
deze regeling. Mogelijk is ook een ‘omgekeerde’ kenniswerkersregeling interessant:
het tijdelijk detacheren van docent/onderzoekers vanuit hogescholen bij bedrijven.
Disseminatie van kennis
De bovenstaande mechanismen voor kenniscirculatie zijn allen gebaseerd op persoon-
lijke contacten tussen mkb en hogescholen. Daarnaast bestaat er nog de meer klassieke
uitwisseling van kennis, door deze te verspreiden via rapporten, presentaties, etcetera.
Het belangrijkste platform voor het dissemineren van kennis vanuit hogescholen is de
                           84
HBO-kennisbank. Deze kennisbank bevat diverse publicaties vanuit hogescholen,
overwegend bachelorscripties. In totaal staan er meer dan 30.000 publicaties op; alleen
al voor 2014 zijn er bijna 1.800 bachelorscripties te vinden. In hoeverre deze daad-
werkelijk door bedrijven wordt gebruikt als bron voor kennis is onbekend.
Daarnaast worden resultaten van de RAAK-projecten, sinds 2014 gefinancierd door
het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA (NRPO SIA), actief verspreid
                            85
via een databank. Ook wordt er steeds meer gestuurd op het actief verspreiden van
nieuwe kennis door de projectdeelnemers zelf. Via bijeenkomsten, magazines en awards
probeert NRPO SIA actief kennis uit de RAAK-projecten onder de aandacht te brengen.
Disseminatie van kennis vanuit mkb-ondernemingen naar hogescholen vindt minder
plaats. Als dit al gebeurt, gaat dit via brancheorganisaties, die studies (laten) uitvoeren
                                                                    86
naar trends en ontwikkelingen in hun branche.
Facility sharing
Voor mkb-ondernemingen die zelf niet beschikken over onderzoeks- of testfaciliteiten
kunnen de faciliteiten bij hogescholen en andere publieke kennis- en onderwijs-
instellingen interessant zijn. Voorbeelden zijn het Composietenlab van InHolland
                                                                                                            87
Hogeschool en het Waterstoflab van de Hogeschool Arnhem en Nijmegen. Bedrijven
kunnen gebruik maken van de faciliteiten bij de hogescholen ten behoeve van de ont-
wikkeling van nieuwe producten en/of diensten. Soms gaat het slechts om het huren
van tijd om gebruik te maken van een faciliteit; soms gaat het om een concrete samen-
werking tussen het bedrijf en de hogeschool.
82
   Agentschap NL (2011) Hoe de Nederlandse economie haar kenniswerkers behield. Ervaringen uit kenniswerkers projecten.
83
   AWT (2013) Kiezen voor kenniswerkers: Vaardigheden op de arbeidsmarkt voor kenniswerkers
84
   www.hbo-kennisbank.nl
85
   http://www.sia-projecten.nl/
86
   Zie bijvoorbeeld Krebbekx et al. (2012) Routekaart NRK 2012-2030.
87
   Zie http://www.inholland.nl/composietenlab/over+composietenlab/ en http://www.han.nl/onderzoek/werkveld/projecten/
   waterstof-laboratorium/
Mkb en hogescholen                                                                                                      49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>In vergelijking met universiteiten en andere kennisinstituten beschikken hogescholen
relatief over weinig faciliteiten. Er zijn nauwelijks externe middelen voor beschikbaar;
financiering voor faciliteiten moet vanuit de lumpsum financiering voor hogescholen
komen. Sommige hogescholen kiezen er, vanuit een lange termijn visie, voor om te
investeren in specifieke faciliteiten. Dit maakt hogescholen aantrekkelijk als partner
voor bedrijven en kennisinstellingen – bijvoorbeeld voor consortia die voorstellen
indienen in Horizon 2020.
Steeds vaker worden investeringsbesluiten voor onderzoeks- en testfaciliteiten op
regionaal niveau genomen, in afstemming tussen bedrijfsleven, universiteiten en andere
kennisinstituten, hogescholen en ROC’s. Regionale campussen, zoals de Automotive
Campus in Helmond of het Polymer Science Park in Zwolle, zijn voorbeelden van
regionale omgevingen waarin diverse partners gezamenlijk onderzoeks- en testfaciliteiten
aanschaffen en beschikbaar stellen.
Organisatie kenniscirculatie mkb en hogescholen
Kenniscirculatie tussen mkb en hogescholen vindt al jaren plaats volgens de boven-
staande mechanismen. De meeste relaties zijn gebaseerd op bestaande contacten
tussen individuele docenten en lectoren en mkb’ers. Hier is op zich niets mis mee, maar
de kennisnetwerken zijn hiermee kwetsbaar. Het is dus belangrijk dat er meer structurele
en georganiseerde banden tussen mkb’ers en hogescholen ontstaan, met name gericht
op het uitwisselen van kennis. Er zijn diverse manieren waarop dit momenteel wordt
georganiseerd. In deze paragraaf beschrijven we de volgende manieren:
     Centres of Expertise (CoE’s);
     Lokale platforms;
     Intermediaire organisaties;
     Databanken;
     RAAK-subsidies;
     Private financiering lectoraten;
     Beroepenveldcommissies.
Centres of expertise
Een belangrijke ontwikkeling is de komst van de Centres of Expertise (CoE’s). In 2010
zijn als pilot drie van deze centra opgezet, waarbinnen ondernemers, onderzoekers,
docenten en studenten de taak hebben om kennis om te zetten in nieuwe producten,
diensten of oplossingen. De centra zijn vooral gericht op de topsectoren en vinden
makkelijk aansluiting bij de regionale kennisinfrastructuur. Nadat uit de eerste evaluatie
bleek dat deze drie centra succesvol waren in het bijeenbrengen van verschillende
spelers en ontwikkelen van nieuwe producten en technieken werden hogescholen in
2012 gestimuleerd om in hun prestatieafspraken met het ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap voorstellen op te nemen voor de oprichting van meer van deze
Mkb en hogescholen                                                                         50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>CoE’s. Voor elke CoE stelde het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
                                                                                                       88
jaarlijks één miljoen euro subsidie beschikbaar, voor maximaal vier jaar. Op dit moment
zijn er 25 CoE’s die zich in verschillende richtingen hebben ontwikkeld en met een grote
variatie in de wijze waarop ze georganiseerd zijn.
Lokale platforms
Op lokaal/regionaal niveau worden op diverse plaatsen in Nederland platforms
gerealiseerd waar mkb en hogescholen elkaar treffen voor innovatie- en onderzoeks-
projecten. Sommigen hiervan zijn gekoppeld aan een CoE. De raad is diverse vormen
hiervan tegengekomen:
      Innovatiewerkplaatsen (CoE Healthy Ageing, Groningen);
      Innovatieteams (CoE RDM Campus, Rotterdam);
      Innovatiehubs (Gelderland);
      Clustertafels (Amsterdam).
In het Centre of Expertise Healthy Ageing (Groningen) wordt gewerkt met Innovatie-
werkplaatsen (IWP’s). Een IWP is een netwerk van kennis- en onderwijsinstellingen,
zorg- en welzijnsinstellingen en bedrijven, gericht op open innovatie en co-makership.
De IWP heeft het karakter van een 'proeftuin' waarin onderzoekers, docenten, studenten
(hbo en mbo) en professionals uit het werkveld (bijvoorbeeld van mkb-ondernemingen)
gezamenlijk werken aan het oplossen van problemen die men dagelijks tegenkomt.
Er zijn momenteel 24 IWP’s, verspreid over verschillende locaties in en rond de stad
Groningen.
Op de RDM Campus (Rotterdam) werken techniekonderwijs, kenniscentra en bedrijven
samen aan duurzame innovaties die nodig zijn voor de Rotterdamse economie. In
innovatieteams en communities of practice pakken studenten, docenten, lectoren en
ondernemers gezamenlijk concrete praktijkvragen aan. Innovatieteams bestaan uit
studenten en docenten van één of meer specifieke opleidingen, eventueel lectoren en
werknemers van een bedrijf. De ondernemer is niet alleen klant, maar ook participant in
het innovatieteam. Niet het onderwijsprogramma, maar de vraag van de ondernemer
staat centraal binnen een innovatieteam. En die vragen zijn heel divers van aard; van
marktonderzoek naar de consumentenbehoefte aan een bepaald product tot het
daadwerkelijk ontwerpen, ontwikkelen, maken en/of testen van prototypes.
Innovatiehubs bieden uitkomst voor kleine bedrijven die financieel niet in staat zijn om
alleen tot een innovatie te komen. Een innovatiehub is een zelfsturende eenheid met
afstuderende studenten en stagiairs, waar studenten zelf innovatieprojecten doen in
een bedrijf en daarin begeleid worden door een coach vanuit het Saxion ‘Fast Forward’
88
   De Onderwijsraad heeft in november 2014 geadviseerd om de subsidie voor de huidige CoE’s te verlengen
Mkb en hogescholen                                                                                        51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>                     89
programma. De kosten blijven relatief laag voor de deelnemende mkb’ers en er is een
                                                          90
directe verbinding met hogescholen.
     Innovatiehub Stichting Biomassa
     De Innovatiehub Stichting Biomassa is een initiatief van verschillende bedrijven
     waaronder ForFarmers uit Lochem, Wilba Techniek uit Eibergen en Nijhuis Water
     Technology uit Doetinchem. Het stimuleert de ontwikkeling van innovaties op het
     gebied van mestverwerking, biogastoepassingen en digestaatverwerking. Op de
     website spreekt men van “een stagecentrum voor onderzoeksprojecten op het gebied
                                                            91
     van mest- en biomassaverwerking”. De realisatie van de Innovatiehub Biomassa
     is mogelijk gemaakt door een financiële bijdrage van de provincie Gelderland.
Onder regie van de Amsterdam Economic Board is een aantal clusters geïnitieerd in
                     92
Amsterdam. Ieder cluster heeft een kerngroep, waaronder zogenoemde clustertafels
zijn samengesteld. Doel van de clustertafels is het geven van reflectie op de ontwikkelde
clusterstrategie en het toetsen van draagvlak met betrekking tot nieuwe initiatieven,
activiteiten en ideeën die door de kerngroep worden ontwikkeld. Alle actieve partijen
binnen een cluster zijn in principe welkom zijn om aan de clustertafel zitting te nemen,
mits zij een eigen inbreng aan de clustertafel hebben (expertise, netwerk, uitvoering,
financieel commitment) en aansluiten op de inhoud van de clusterstrategie. Bij de
samenstelling van de clustertafels wordt ook gekeken naar de spreiding over de regio,
verdeling tussen grote en kleine bedrijven (goede vertegenwoordiging mkb) en een
evenwichtige triple-helix samenstelling. Voor de komende jaren wordt extra aandacht
besteed aan de vertegenwoordiging van het mkb in de clusters en het versterken van
                                                                                                                          93
de samenwerking tussen bedrijfsleven en kennisinstellingen binnen de clusters.
Intermediaire organisaties
Brancheorganisaties spelen een belangrijke rol bij de totstandkoming van contacten
tussen hogescholen en mkb. Er is van oudsher veel overleg tussen hogescholen en
brancheorganisaties over de aansluiting van het curriculum bij de beroepspraktijk.
Deze contacten kunnen ook worden gebruikt om onderzoeksvragen te articuleren
richting hogescholen. In de logistieke sector hebben brancheorganisaties een belangrijke
rol gespeeld bij de ontwikkeling van zes regionale Kennis Distributie Centra (KDC), waar
                                                                                                                   94
bedrijven terecht kunnen met al hun logistieke kennis- en innovatievragen.
89
    Korenromp (2013) Betaalbaar innoveren voor kleine bedrijven.
90
    Korenromp (2013) Betaalbaar innoveren voor kleine bedrijven.
91
    http://www.stichtingbiomassa.nl/.
92
    Dit zijn Agri Food, Creative Industries, Financial & Business Services, ICT/eScience, Life Sciences & Health, Logistiek, Maak-
   industrie, Tourism & Conventions en Tuinbouw. Zie http://www.amsterdameconomicboard.com/clusters (geraadpleegd 2 april 2015).
93
    http://www.amsterdameconomicboard.com/data/sitemanagement/media/Boardplan_2014-2020.pdf.
94
    Zie ook AWT (2012) Diensten Waarderen en http://www.dinalog.nl/nl/science_and_education/knowledge_dc/.
Mkb en hogescholen                                                                                                                 52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>Ook de Kamer van Koophandel speelt een belangrijke rol, zeker daar waar branche-
organisaties niet bestaan of niet actief zijn. Vanaf 2014 is de nieuwe Kamer van
Koophandel van start gegaan. In deze nieuwe organisatie zijn de oude Kamer van
Koophandel en Syntens samengegaan. De nieuwe Kamer van Koophandel beoogt
inspiratie en informatie te bieden voor vernieuwingsactiviteiten bij mkb-ondernemingen.
Inspiratie wordt geboden in de vorm van best practices van mkb-ondernemingen:
concrete voorbeelden van innovaties in het Nederlandse bedrijfsleven vanuit bijvoorbeeld
de MKB Innovatie Top 100 en de Shell LiveWIRE Award. Ondernemers die aan de slag
willen met nieuwe trends kunnen terecht voor verdere ondersteuning en worden
verbonden met relevante kennis en kennisinstellingen. Zo worden verbindingen gelegd
met hbo en wo studenten voor stage- en afstudeer-opdrachten, bijvoorbeeld in RAAK-
projecten, of vindt er een koppeling plaats met bijvoorbeeld TNO voor gericht advies voor
procesoptimalisatie. Ondernemers vinden informatie op het digitale ondernemersplein of
op een van de nieuwe fysieke Ondernemerspleinen.
Databanken
De meeste mkb-ondernemingen weten niet welke kennis op welke hogeschool door
welke docent of lector ontwikkeld wordt. Op basis van persoonlijke netwerken komen
veel mkb’ers uiteindelijk wel terecht bij de juiste persoon, maar er is een behoefte aan
meer inzicht in ‘wie doet wat’. Daartoe zijn diverse initiatieven opgezet. Een eerste is
een overzicht van alle lectoren in Nederland. Hiertoe is jaren geleden de website
www.lectoraten.nl opgezet, maar deze is sinds 2011 niet meer geactualiseerd. De
Vereniging Hogescholen heeft de jaren daarna deze taak op zich genomen, maar lijkt
                                                                                     95
moeite te hebben om dit overzicht up to date te houden. De, eind 2014 opgerichte,
Vereniging van Lectoren kan hier mogelijk een vervolg aan geven. Daarnaast is vanuit
het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA een initiatief gestart om alle
zwaartepunten van de hogescholen in beeld te brengen. Hogescholen werken zelf ook
steeds meer aan het opbouwen van een duidelijk inhoudelijk profiel. Op de website van
de hogescholen is informatie te vinden over de prioritaire thema’s en de aanwezige
lectoren.
Ten slotte bieden bedrijven en instellingen afstudeeropdrachten aan voor hbo-studenten
op websites als stageplaza.nl, stage.nl, studentenbureau.nl, stagemotor.nl, hboactief.nl,
stagemax.nl, stagesite.nl en anderen. De veelheid aan sites draagt niet bij aan de over-
zichtelijkheid.
95
   De Vereniging Hogescholen schrijft op haar website: “Het is belangrijk dat het bestand van lectoren en lectoraten actueel blijft.
   Over de wijze waarop dat moet gebeuren en wie dit zal coördineren en uitvoeren vindt overleg plaats (december 2014, red.).”
   http://www.vereniginghogescholen.nl/onderzoek/1409 (geraadpleegd op 28 januari 2015).
Mkb en hogescholen                                                                                                                   53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>RAAK-subsidies
Het programma Regionale Aandacht en Actie voor Kenniscirculatie (RAAK) werd in
2005 geïntroduceerd en is een effectieve manier gebleken om de verbinding tussen
hogescholen en beroepspraktijk sterker te maken. Het succes van de RAAK-regeling
toont aan dat er veel behoefte is bij mkb-ondernemingen aan samenwerking met hoge-
scholen. In de periode 2005-2013 zijn 467 RAAK-projecten gestart bij hogescholen
                                                                                   96
waarbij ruim 4.500 mkb-ondernemingen betrokken waren. Bovendien bleek dat met
name ontwikkelaars en toepassers betrokken waren (28% van de deelnemers had een
                                                                                                    97
eigen R&D afdeling en kan dus als een koploper beschouwd worden). Samenwerking
met hogescholen is dus zeer interessant voor met name ontwikkelaars en toepassers.
Private financiering lectoraten
Er zijn bedrijven, ook mkb-ondernemingen, die een lectoraat (mede-)financieren en
daarbij vaak zelf de lector leveren (zie onderstaand tekstkader voor een voorbeeld).
Het voordeel hiervan is dat er een natuurlijke band is tussen de mkb-onderneming en de
hogeschool, via de lector uit het bedrijf. Dit is daarmee een goede manier om netwerken
te realiseren. Voor de meeste mkb’ers is dit financieel niet haalbaar. Voor midden-
bedrijven kan het financieel rendabel zijn, zeker als er een tekort wordt gevoeld aan goed
opgeleide vakmensen. Lectoraten kunnen ook gefinancierd worden door universiteiten of
onderzoeksorganisaties; TNO financiert bijvoorbeeld vijftien lectoraten.
    Lectoraat Mechatronica (Saxion)
    Directeur Dennis Schipper van DEMCON: “Mechatronica is een van onze kern-
    technologieën, maar er is een tekort aan specialisten op de arbeidsmarkt. Wij hebben
    vorig jaar twintig mensen aangenomen, maar dat hadden er veertig kunnen zijn, als
    we die hadden kunnen vinden. Mechatronica-opleidingen zijn er al op mbo-niveau
    en aan de universiteit. Gelukkig komen die er nu ook op hbo-niveau, dankzij het
    gezamenlijke initiatief van Saxion, Avans, Fontys en de Haagse Hogeschool. Voor de
    hightech bedrijven in Twente en de Achterhoek is dat goed nieuws. Over een aantal
    jaren kunnen de afgestudeerden van de Saxion-opleiding Mechatronica die bedrijven
    een extra groei-impuls geven. Daar kan ook het nieuwe lectoraat Mechatronica aan
    bijdragen. Het is een goede zaak dat men in het hbo meer onderzoek gaat doen.
                                                                                                          98
    DEMCON wil in ieder geval graag samenwerken in innovatieprojecten.”
96
   ResearchNed & Dialogic (2014) Inventarisatie dienstverlening NRPO SIA.
97
   Stichting Innovatie Alliantie (2009) Beleidsevaluatie RAAK-regeling 2005-2008.
98
   Gebaseerd op Deventer Centraal (2011) Saxion start opleiding mechatronica en persoonlijke communicatie met de heer
   Dennis Schipper (email, 11 januari 2015).
Mkb en hogescholen                                                                                                    54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Adviesraad voor
wetenschap, technologie en innovatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
t. 070 31 10 920
e. secretariaat@awti.nl
w. www.awti.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>