<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>OPPAKKEN EN
DOORPAKKEN
DURVEN KIEZEN VOOR ENERGIE-INNOVATIE
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>De Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) brengt gevraagd
en ongevraagd advies uit aan regering en parlement. Zijn onafhankelijke adviezen zijn
strategisch van aard en gaan over de hoofdlijnen van wetenschaps-, technologie- en
innovatiebeleid. De leden van de AWTI zijn afkomstig uit kennisinstellingen en het
bedrijfsleven. De raad staat onder voorzitterschap van Uri Rosenthal. De AWTI doet
zijn werk vanuit de overtuiging dat het belang van kennis, wetenschap en innovatie
voor economie en samenleving groot is en in de toekomst nog verder zal toenemen.
prof. dr. U. (Uri) Rosenthal (voorzitter)
prof. dr. ing. D.H.A. (Dave) Blank
prof. dr. R. (Roshan) Cools
prof. dr. ir. K.D. (Koenraad) Debackere
prof. dr. V.A. (Valerie) Frissen
prof. dr. ir. T.H.J.J. (Tim) van der Hagen
dr. ir. S. (Sjoukje) Heimovaara
prof. dr. E.M. (Emmo) Meijer
dr. ir. A.J.H.M. (Arno) Peels
prof. dr. ir. M.F.H. (Martin) Schuurmans
Het secretariaat is gevestigd in Den Haag:
Prins Willem-Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
t. 070 3110920
e. secretariaat@awti.nl
w. www.awti.nl
ISBN: 9789077005798
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Oppakken en doorpakken
Durven kiezen voor energie-innovatie
november 2016
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Colofon
Fotografie                          Shutterstock.com
Ontwerp                             2D3D Design
Druk                                Xerox/OBT, Den Haag
                                    november 2016
ISBN                                9789077005798
Alle publicaties zijn gratis te downloaden via www.awti.nl.
Auteursrecht
Alle auteursrechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen van deze uitgave
worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de AWTI.
Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van organisatienaam en naam en jaartal van de uitgave.
Oppakken en doorpakken                                                                                                            2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Inhoud
Samenvatting                                                                 5
1   Inleiding                                                                9
1.1 Naar een duurzame energievoorziening                                     9
1.2 Adviesvraag                                                             10
1.3 Uitdaging en kansen                                                     10
1.4 Begrippen, afbakening, aanpak en leeswijzer                             11
2   Analyse                                                                 17
2.1 De context: innovatie en de energietransitie                            17
2.2 De rol van de overheid bij energie-innovatie                            20
2.3 Het huidige beleid                                                      24
2.4 Diagnose: staat van energie-innovatie in Nederland                      30
2.5 Contouren van een nieuw beleid voor energie-innovatie                   32
2.6 Hoe kan de overheid radicale innovatie stimuleren?                      37
2.7 Kiezen voor focus: een afwegingskader                                   42
2.8 Kosten van energie-innovatie                                            56
2.9 Politiek-bestuurlijke innovatie: een responsieve en adaptieve overheid  60
3   Conclusie en aanbevelingen                                              63
3.1 Conclusie                                                               63
3.2 Aanbevelingen aan de overheid                                           64
Bijlage 1 Adviesvraag                                                       71
Bijlage 2 Bestaand beleid in Nederland                                      75
Bijlage 3 Beleid in andere landen                                           99
Bijlage 4 Uitgaven in OESO-landen                                          111
Bijlage 5 Gespreksparters                                                  116
Bijlage 6 Gebruikte bronnen                                                119
Oppakken en doorpakken                                                         3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Samenvatting
De energietransitie is een grote uitdaging die veel aspecten van de economie en de
samenleving raakt. Zeker voor Nederland is het een stevige opgave met onze energie-
intensieve economie en relatief beperkte potentieel aan duurzame energiebronnen. Om
een duurzame energievoorziening te realiseren zijn innovatie en technologie-ontwikkeling
hard nodig, zowel vele kleine (‘incrementele’) verbeteringen als radicale doorbraken.
De minister van Economische Zaken heeft de Adviesraad voor wetenschap, technologie
en innovatie (AWTI) gevraagd de volgende adviesvraag te beantwoorden:
Welk beleid moet de overheid voeren om energie-innovatie zodanig te stimuleren
dat de overgang naar een duurzame energievoorziening in Nederland in 2050
efficiënt, effectief en maatschappelijk acceptabel gerealiseerd kan worden en dat
de economische kansen die de wereldwijde energietransitie biedt, optimaal benut
worden?
De AWTI sluit bij de beantwoording van deze vraag zoveel mogelijk aan het recente
advies van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) ‘Rijk zonder CO2, naar
een duurzame energievoorziening in 2050’.
Overheid
De AWTI concludeert dat de overheid een belangrijke rol heeft bij energie-innovatie,
alleen al omdat de opgave (CO2-neutraal in 2050) vanuit de overheid is gesteld, en
omdat de overheid als wetgever en als (mede)eigenaar van infrastructuur en netwerken
een belangrijke participant is binnen het energiesysteem. Bovendien is het energie-
systeem zo complex en zijn de onzekerheden in de markt zo groot dat het afzonderlijke
marktpartijen waarschijnlijk niet gaat lukken zonder een vorm van coördinatie de transitie
te maken naar een low of zelfs zero-carbon energievoorziening.
Energie-innovatie blijft achter
Nederland heeft goede kansen om een rol te spelen in de wereldwijde energie-innovatie.
Er is een goede uitgangspositie met bedrijven en kennisinstellingen en ervaring in
samenwerking is opgebouwd, onder meer via de Topsector Energie. Toch blijkt uit onze
analyse dat energie-innovatie in Nederland achterblijft bij wat mogelijk èn noodzakelijk is.
De oorzaken zijn:
►     Het innovatiesysteem rond energie behoeft verdere versterking.
      Er is weliswaar veel kennis maar deze is versnipperd en gefragmenteerd. Ook
      ontbreken schakels in de innovatieketens en kan de aansluiting tussen schakels
      nog versterkt worden, hoewel de Topsector Energie hier al voor belangrijke ver-
      beteringen heeft gezorgd. Bovendien blijft er onduidelijkheid over de contouren van
Oppakken en doorpakken                                                                      5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>      het gewenste energiesysteem door het ontbreken van een breed gedragen visie
      voor de lange termijn.
►     Er is te weinig aandacht voor innovatie binnen het energiebeleid.
      Er is wel geld beschikbaar voor de uitrol van duurzame energie (die steun richt zich
      op de goedkoopste nu beschikbare technologieën), maar het energiebeleid prikkelt
      nauwelijks tot de verbetering van bestaande technologieën of de ontwikkeling van
      nieuwe, dan wel tot andere manieren om emissies te beperken (zoals energie-
      besparing).
►     Radicale energie-innovatie en de implementatie daarvan worden te weinig
      gestimuleerd.
      Het huidige beleid dat zich specifiek richt op energie-innovatie geeft vooral prikkels
      tot incrementele innovaties. Instrumenten als de regeling Demonstratie Energie-
      innovatie of de Topsector Energie zijn vooral gericht op incrementele verbeteringen
      en blijken te weinig toegerust om radicale (systeem)veranderingen teweeg te
      brengen. Er is geen rijksbrede agenda die radicale innovatie bevordert. Bovendien
      investeert Nederland vergeleken met de OESO-landen weinig in onderzoek, ont-
      wikkeling en demonstratie van nieuwe energietechnologieën.
Gerichter inzetten op energie-innovatie
Nederland kan de kansen rond energie-innovatie pakken en daarmee een bijdrage
leveren aan de gewenste energietransitie. De AWTI vindt dat daarvoor een meer
leidende rol van de overheid noodzakelijk is. Het gaat daarbij om het formuleren van een
duidelijke visie op de toekomstige energievoorziening en het nemen van verantwoorde-
lijkheid; dat helpt ook de samenleving en het bedrijfsleven bij hun keuzes. Daarnaast
moet er in het algemene energiebeleid meer aandacht komen voor innovatie. Hiermee
kunnen vooral incrementele energie-innovaties sterker gestimuleerd worden. De kosten
hiervan zijn voor de overheid beperkt. Dit kan bijvoorbeeld door het stellen van duidelijke
kaders en het creëren van meer zekerheden in de markt. Ten slotte moet de overheid
specifiek beleid hebben voor energie-innovatie. Daarbij heeft de gerichte stimulering van
radicale innovatie prioriteit voor de AWTI. Van groot belang is hierbij om te kiezen voor
een beperkt aantal energie-opties en bijbehorende innovatie-opgaven waar Nederland
een rol kan spelen. Internationale en Europese samenwerking is daarbij van groot
belang.
Oppakken en doorpakken                                                                       6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>De AWTI doet de volgende aanbevelingen, hier verkort weergegeven (en uitgebreider
beschreven in hoofdstuk 3):
Aanbeveling 1:
Innoveer het beleid, pak energie-innovatie op, maar pak ook door.
Ga uit van een duidelijke visie op het toekomstige energiesysteem en het bijbehorende
innovatie-systeem, implementeer bijbehorend beleid en creëer zo voor de lange termijn
meer duidelijkheid en zekerheden in de markt. Sluit daarbij aan op de agenda’s en visie
van omringende landen en de EU. Wees bij het realiseren van deze visie zowel actief,
adaptief als responsief. Investeer daartoe in kennis bij de overheid en maak gebruik van
de aanwezige kennis en ervaring bij bedrijven en kennisinstellingen. Zorg ervoor dat
internationale samenwerking op het terrein van energie-innovatie voor bedrijven en
kennisinstellingen vanzelfsprekend is. Stimuleer zowel incrementele als radicale innovatie
en besteed aandacht aan maatschappelijke en economische inbedding van nieuwe
technologieën. Per jaar is zo’n 300 miljoen euro nodig voor het nieuwe beleid gericht op
de specifieke stimulering van radicale energie-innovatie (zie aanbevelingen 4 en 5). Zoek
daarvoor het nodige commitment en draagvlak in de samenleving, bij het bedrijfsleven en
de kennisinstellingen. Heroverweeg de bestaande regelingen en budgetten gericht op
energie-innovatie in het licht van nieuw en aangepast beleid (zie onderstaande
aanbevelingen). Een jaarlijks totaalbudget voor energie-innovatie tussen de 400 en 450
miljoen euro is redelijk in vergelijking met andere landen en gezien de grote opgave waar
Nederland voor staat.
Doe dit alles langs de volgende lijnen:
Aanbeveling 2:
Richt de uitvoering van het bestaande Europese en Nederlandse beleid voor de
verduurzaming van de energiesector en het overige beleid rondom energie meer in
op innovatie. Neem innovatie op als expliciet doel en aandachtspunt van dit beleid.
Zet de Stimulering Duurzame Energie (SDE+) innovatiever in, bijvoorbeeld door
kostenreducties te stimuleren of oplopende eisen te stellen aan subsidies. Werk aan een
betere beprijzing van CO2-uitstoot door verbetering van het emissiehandelssysteem ETS
en hervorming van de energiebelastingen. Daardoor ontstaat een betere markt voor low
carbon energie. Dit kan voor de overheid kostenneutraal gedaan worden.
Aanbeveling 3:
Richt het bestaande generieke innovatiebeleid beter in op energie-innovatie.
Overweeg om het budget voor generieke bevordering van innovatie meer nadrukkelijk te
bestemmen voor maatschappelijk gewenste innovaties. Zet dan ook in op het steunen
van duurzame innovaties en sluit R&D die gericht is op niet-duurzame opties uit van
ondersteuning, via een lichte niet-bureaucratische toets.
Oppakken en doorpakken                                                                   7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Aanbeveling 4:
Stel een energie-innovatieportefeuille voor radicale innovatie samen voor de opties
die passen bij Nederland, en die recht doet aan de unieke kansen van Nederland en
zorg voor een goede institutionele inbedding door een ‘Task force energie-
innovatie’ op te richten.
Kies zo’n zes missiegedreven innovatieprogramma’s met een langjarige looptijd, een
planmatige aanpak en sterke interne samenhang. Gebruik hiervoor het afwegingskader
zoals beschreven in dit advies, voor de selectie van eerst de opties die goed bij Neder-
land passen en vervolgens van de concrete innovatieopgaven (bij die opties) die voor
Nederland interessant en kansrijk zijn om gericht op te pakken in de innovatie-
programma’s. Spreek commitment uit voor het hele traject (alle innovatiefasen, inclusief
uitrol of implementatie) en wees bereid om door te pakken. Reserveer voor deze missie-
gedreven programma’s in totaal een bedrag van 180 miljoen euro per jaar en nog eens
40 miljoen euro voor bijdrage aan toekomstige uitrol of infrastructuur. Zorg voor een
goede governance en breng de missiegedreven programma’s onder één dak, een ‘Task
force energie-innovatie’, die verantwoordelijk is voor de samenhang. Sluit aan bij of bouw
voort op de samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen die binnen de Top-
sector energie is bereikt. De Topsector Energie zou zichzelf kunnen vernieuwen in
aanpak, bestuurlijke opzet en in internationale oriëntatie en zo kunnen uitgroeien tot een
organisatie die ook de beschreven programma’s voor radicale innovatie kan accom-
moderen en kan aansturen als genoemde task force met overheids- en internationale
sturing. Dat biedt de mogelijkheid om de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s),
de missiegedreven programma’s en het high impact/high risk programma (zie aan-
beveling 5) zoveel mogelijk onder één bestuurlijk dak te brengen, wat versnippering
voorkomt.
Aanbeveling 5:
Zorg dat de brede kennisbasis op orde blijft en effectief is voor energie-innovatie.
Zorg voor ruim voldoende middelen voor nieuwe ideeën in de hele breedte van het
energiedomein. Start hiervoor een high impact/high risk programma. Reserveer voor dit
programma 60 miljoen euro per jaar om jaarlijks zo’n 10 potentieel kansrijke ideeën/
projecten ‘uit het veld’ te financieren met een looptijd van 2 tot 5 jaar. Verdeel de
middelen in een open competitie. Breng het high impact/high risk programma onder bij de
Task force energie-innovatie, zodat optimale samenhang ontstaat en versnippering wordt
voorkomen. Reserveer additioneel nog 20 miljoen euro per jaar om projecten die
(potentieel) succesvol zijn, te laten doorontwikkelen tot innovatieprogramma.
Oppakken en doorpakken                                                                     8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                                                                                                   1
Inleiding
1.1 Naar een duurzame energievoorziening
Wereldwijd is er een urgentie om de uitstoot van broeikasgassen substantieel te
verminderen. Binnen de Europese Unie is de concrete ambitie geformuleerd om in 2050
een reductie van uitstoot van broeikasgassen van 80 tot 95% in de economie te
realiseren. Op die manier kan de menselijke invloed op klimaatverandering beperkt
blijven en verminderen de schadelijke effecten van het gebruik van fossiele
energiebronnen. De Nederlandse regering onderschrijft deze Europese ambitie, blijkt uit
het recente Energierapport ‘Transitie naar duurzaam’.1
De uitdaging is groot. Energie is cruciaal voor onze economie en industrie, voor onze
samenleving, onze manier van leven. Een low carbon energievoorziening luidt een
compleet andere wijze van productie, opslag en gebruik van energie in, met grote
gevolgen voor de samenleving. Hoe de low carbon economie er uit zal zien, is nog
onduidelijk. Er zijn verschillende beelden van de toekomst: decentrale energieopwekking
met behulp van zon, wind en biomassa, minder en schoner transport, energieneutrale
woningen die voor een groot gedeelte zelfvoorzienend zijn, extreem zuinige apparaten,
en warmtenetten en smart grids die ons verbinden.2 Maar er bestaan ook geheel andere
beelden. Bijvoorbeeld: inherent veilige kerncentrales die zorgen voor voortzetting van
centrale elektriciteitsopwekking en die een transitie naar all electric mogelijk maken. Of:
nieuwe technieken om CO2 op te vangen en zelfs uit de lucht te halen, die ervoor zorgen
dat fossiele bronnen ook in een low carbon energievoorziening een substantiële rol
(kunnen) blijven spelen. Welke toekomst werkelijkheid wordt, weten we niet. Wel is
duidelijk dat er veel werk verzet moet worden om de transitie te realiseren, dat innovatie
hard nodig is en dat de overheid daarbij een rol heeft.
Eerder vroeg de regering advies aan de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur
(Rli) over de haalbaarheid van een volledig duurzame energievoorziening in Nederland in
2050.3 Kort gezegd concludeert de Rli dat een CO2-vrije energievoorziening in Nederland
in 2050 haalbaar is, maar dan moeten wel alle zeilen worden bijgezet. Er zal om dat doel
te bereiken nog veel innovatie moeten plaatsvinden, aldus de Rli.
1
   Ministerie van Economische Zaken, Energierapport. Transitie naar duurzaam, Den Haag: januari 2016.
2
   Zie bijvoorbeeld: Natuur en Milieu, Energievisie 2035. Energietransitie in de hoogste versnelling, juni 2016.
3
   Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, Rijk zonder CO2. Naar een duurzame energievoorziening in 2050, Den Haag:
   september 2015.
Oppakken en doorpakken                                                                                                   9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>1.2 Adviesvraag
Het recente Energierapport bevat de contouren van een strategie om de energietransitie
richting 2050 verder door te zetten. Een van de onderdelen hierin is om versterkt in te
zetten op onderzoek en innovatie. Dat roept de vraag op wat er moet gebeuren om de
benodigde energie-innovaties van de grond te krijgen en welke rol de overheid daarin kan
en moet spelen. Dat staat centraal in de adviesvraag die aan de AWTI gesteld is door de
minister van Economische Zaken (zie bijlage 1 voor de adviesvraag plus toelichting):
Welk beleid moet de overheid voeren om energie-innovatie zodanig te stimuleren
dat de overgang naar een duurzame energievoorziening in Nederland in 2050
efficiënt, effectief en maatschappelijk acceptabel gerealiseerd kan worden en dat
de economische kansen die de wereldwijde energietransitie biedt, optimaal benut
worden?
Het advies zal adviseren over drie hoofdpunten:
1.       Wat moet de rol van de overheid zijn bij energie-innovatie en wat betekent dit voor
         de houding en het optreden van de overheid?
2.       Hoe kan de Nederlandse overheid effectief beleid voeren met betrekking tot
         energie-innovatie, over de tijdspanne tot 2050, inclusief een aantal suggesties
         voor beleidsinstrumenten?
3.       Op welke manier kan de (Nederlandse) overheid bepalen op welke gebieden van
         energie-innovatie ze haar aandacht bij voorkeur moet richten?
1.3 Uitdaging en kansen
De opgave om op termijn een duurzame energievoorziening te bereiken is om meerdere
redenen niet eenvoudig. Energie is een belangrijke ‘brandstof’ voor zowel de economie
als voor comfort en activiteiten in ons dagelijks leven. De energievoorziening is dan ook
verbonden met onze manier van leven en onze economie. Drastische verandering is
ingrijpend. Bovendien geldt voor Nederland dat onze economie relatief energie-intensief
is. Er is veel ‘zware’ industrie (chemie, metaal) en Nederland is met zijn zee- en
luchthavens ook een transportland. Dat betekent dat de energietransitie diep ingrijpt op
de economie. Daarbij komt dat het potentieel voor hernieuwbare energie(bronnen) in
Nederland beperkt is: er is weinig zon, weinig ruimte voor windmolens op land en het
verval in onze rivieren is gering. Kortom, voor Nederland is de energietransitie een extra
grote uitdaging. Aan de andere kant zijn er voor Nederland ook weer kansen. Er is een
omvangrijke maakindustrie, zeker ook op het gebied van hightech, en er is een traditie
om multidisciplinair te denken en samen te werken.
Oppakken en doorpakken                                                                     10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Energie-innovaties zijn overigens ruimer dan alleen opwekking of energieproductie; het
gaat bijvoorbeeld ook om zaken als efficiëntie (‘besparing’), conversie en opslag.
Sommige technologieën zijn bijna uitontwikkeld en leveren weinig of geen onzekerheid
op, bijvoorbeeld waterkracht en windenergie. Rond andere technologieën, zoals de
technologie voor het opslaan van elektriciteit en het omzetten van zonne-energie in
brandstoffen (solar fuels) is juist nog veel onduidelijk. Sommige technologieën kunnen
een grote impact hebben op de energiehuishouding, andere minder. Onderstaande figuur
geeft een indruk van hoe de verschillende opties wereldwijd zullen (moeten) bijdragen in
de transitie.
Figuur 1 Herkomst van de wereldwijd benodigde CO2-reductie per sector en technologie in het
            2-graden-scenario van IEA (tot 2050)
Bron: IEA, Energy Technology Perspectives 2015 – Executive Summary, Paris: OECD/IEA, 2015, p. 4.
1.4 Begrippen, afbakening, aanpak en leeswijzer
De AWTI gaat uit van de gangbare definitie van innovatie: het verbeteren of ontwikkelen
van (nieuwe) producten en/of diensten dan wel productieprocessen, en het succesvol
naar de markt brengen van die producten/diensten dan wel het creëren van de gewenste
markten.4 Er wordt vaak gesproken van een innovatieketen: van fundamenteel onderzoek
via toegepast onderzoek naar demonstratie, opschaling en uitrol in de markt. Die keten
hoeft niet lineair te verlopen: in de praktijk worden fases in de keten ook overgeslagen of
in een geheel andere volgorde doorlopen. Innovatie is vaak ook een nieuwe combinatie
van bestaande kennis en technologie, nieuwe business modellen en soms ook het
creëren van nieuwe markten. Innovatie gaat echter vaak ook om het verbeteren van
bestaande technologie, planmatig of via trial and error.
4
   Vergelijk de definitie van innovatie door OESO/Eurostat: “An innovation is the implementation of a new or significantly improved
   product (good or service), or process, a new marketing method, or a new organisational method in business practices, workplace
   organisation or external relations.” Zie: OECD & Eurostat (2005), p. 46.
Oppakken en doorpakken                                                                                                              11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Het Rli-rapport onderscheidt vier domeinen van innovatie, die de AWTI ook zal hanteren:
►         Technologische innovatie: nieuwe technologie, bijvoorbeeld om energie te
          produceren, op te slaan, te distribueren of efficiënter te gebruiken.
►         Economische innovatie: nieuwe business modellen, energiebedrijven leveren
          bijvoorbeeld energiediensten in plaats van energie.
►         Sociale innovatie. Daarbij gaat het om veranderingen in de manier waarop we
          omgaan met energie. Dat kan bijvoorbeeld te maken hebben met slimme meters
          die bijdragen aan bewustwording van het energieverbruik, met het dragen van
          warmere kleding zodat minder verwarming nodig is, met coöperaties die op
          buurtniveau energie opwekken (zonnecentrales) of - meer vergaand – met de
          invoering van individuele carbonrekeningen.
►         Politiek-bestuurlijke innovatie: energie-innovatiebeleid moet effectief en vol te
          houden zijn. Dat kan aanpassingen vragen binnen de regelgeving, maar ook in de
          manier waarop de overheid rekening houdt met onzekerheid en met
          langetermijnopgaven.
Tevens maakt de Rli onderscheid tussen incrementele en radicale innovaties, een
onderscheid dat ook in de literatuur bekend is.5 Dat onderscheid is ook voor de AWTI
relevant. Bij incrementele innovatie gaat het om verbeteringen aan de bestaande
technieken en systemen om energie/elektriciteit te produceren, energie of warmte op te
slaan, en energie efficiënter te gebruiken.6 Windturbines en zonnepanelen (zon-PV) zijn
de laatste jaren efficiënter geworden, maar het optimum is nog niet bereikt: er is nog
potentie om de kosten te verlagen en de efficiëntie te vergroten. Incrementele innovatie
heeft uiteraard ook betrekking op de omzetting van fossiele bronnen naar elektriciteit,
warmte en brandstoffen. Hoe zuiniger/efficiënter de inzet van kolen, gas en olie, hoe
lager de CO2-uitstoot. Incrementele innovatie is vaak ook nodig om kostenreductie te
realiseren. Bij radicale innovatie gaat het om nieuwe technologieën om energie te
besparen, te produceren, op te slaan of te ‘vervoeren’.7 Voorbeelden zijn solar fuels, blue
energy of CCU.8 Een andere vorm van innovatie is systeeminnovatie: de verandering
van infrastructuur en het hele energiesysteem. Bijvoorbeeld de invoering van
gelijkspanning in plaats van wisselspanning of de omschakeling naar elektrisch vervoer.
5
  R. Lester en D. Hart, Unlocking Energy Innovation, Cambridge, MA: MIT Press, 2011.
6
  Vergelijk IEA (2015), Energy Technology Perspectives 2015, p. 149: “Incremental innovation (also continuous [innovation]) [is an]
  improvement in performance, cost, reliability, design, etc. to an existing commercial technology without any fundamental novelty in
  end-use service provision.”
7
  Vergelijk IEA (2015), Energy Technology Perspectives 2015, p. 149: “Radical innovation (also breakthrough, disruptive
  [innovation]) [is a] novel technology that strongly deviates from prevailing norms and thus often entails a disruptive change from
  existing commercial technologies and for associated institutions.”
8
  Solar fuels: kunstmatige fotosynthese; blue energy: energieproductie uit de interactie tussen zout en zoet water, CCU: Carbon
  Capture and Utilization, het afvangen van CO2 en het nuttig gebruiken, bijvoorbeeld bij productie van methanol.
Oppakken en doorpakken                                                                                                               12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Een voorbeeld uit de jaren ’60 is de omschakeling die huishoudens maakten van stoken
op kolen en olie naar aardgas.
Uiteraard is het onderscheid tussen de verschillende categorieën van innovatie niet altijd
even scherp. Er zijn grensgevallen tussen incrementele en radicale innovatie en wat de
een radicaal noemt, is voor de ander ‘slechts’ een verbetering van het bestaande.
Hybride auto’s bijvoorbeeld zijn voor een deel elektrisch, wat als een radicaal andere
technologie getypeerd kan worden. Ze veranderen echter niets aan de bestaande
organisatie van mobiliteit waardoor de innovatie ook als incrementeel omschreven kan
worden. Toch is het onderscheid tussen incrementele en radicale innovatie nuttig om het
beleid en de opgave voor de toekomst te analyseren. Van belang is daarbij wel om de
mogelijke relatie tussen incrementele en radicale innovatie te onderkennen. Veel
opeenvolgende incrementele innovatie in bestaande energievoorziening kan het zicht op
de noodzaak van radicale innovatie ontnemen. Bijstook van biomassa (geen
technologisch hoogstandje), bijvoorbeeld, vermindert de CO2-uitstoot van kolencentrales,
maar bevestigt de afhankelijkheid van de infrastructuur voor grootschalige
energieopwekking. Daardoor komen bepaalde radicale innovaties (zoals andere
technologieën of decentrale energieproductie) wellicht moeilijker van de grond.
Om de innovatiebehoefte voor de energietransitie te omschrijven sluiten we aan bij het
Rli-advies. De Rli onderscheidt vier functionaliteiten waarvoor energie wordt verbruikt en
analyseert de transitie langs de lijnen van die functionaliteiten. Het gaat dan om:
(i) lagetemperatuurwarmte voor de verwarming van gebouwen en bijvoorbeeld kassen,
(ii) hogetemperatuurwarmte voor de industrie,
(iii) brandstof voor mobiliteit en
(iv) energie/elektriciteit voor apparaten en verlichting.
De benodigde innovatie kan per functionaliteit in kaart gebracht worden. Kort samengevat
levert dat het volgende beeld op (vergelijk ook figuur 1). Bij de functionaliteit
‘lagetemperatuurwarmte’ is de technologische innovatieopgave relatief beperkt, maar
liggen er nog grote uitdagingen op het economische en sociaal-maatschappelijke vlak.
Daar zal innovatie nodig zijn. Het gaat om het uitrollen van reeds bestaande technologie
en daarbij uitproberen wat de juiste schaal is: buurten, steden of regio’s en om de vraag
hoe bewoners bij de transitie betrokken kunnen worden. Bij hogetemperatuurwarmte is
de technologische innovatiebehoefte veel groter. Dan gaat het om het ontwikkelen en
toepassen van nieuwe procestechnieken, waardoor minder energie nodig is (en mogelijk
Oppakken en doorpakken                                                                    13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>ook minder grondstoffen). Ook bij de functionaliteit ‘mobiliteit’ en ‘elektriciteit’ is
technologische innovatie noodzakelijk.9
Van belang is meteen op te merken dat de hoeveelheid benodigde energie niet vastligt
per functionaliteit en dat er niet altijd scherpe grenzen te trekken zijn tussen de vier
functionaliteiten. Op dit moment vertegenwoordigt elektriciteit ongeveer 12% van ons
eindverbruik aan energie. Maar het toenemende gebruik van ICT en internet zal leiden tot
een stijging van de vraag naar elektriciteit. Als daar ontwikkelingen bij komen als all
electric huizen of meer elektrisch vervoer, dan zal dat de vraag naar elektriciteit nog
verder toenemen, maar tegelijkertijd daalt dan de vraag naar fossiele brandstoffen voor
lagetemperatuurwarmte en naar brandstof voor vervoer.
We benadrukken dat het bij innovatie dus niet alleen gaat om nieuwe vormen van
energieproductie en/of opslag, maar ook om minder gebruik van energie. Bijvoorbeeld
door het energiegebruik van apparaten te verminderen, betere isolatie en grotere
motorefficiëntie. Minder gebruik van energie helpt aanzienlijk de low carbon
doelstellingen te realiseren. Naar schatting ruim een derde van de opgave kan hiermee
gerealiseerd worden (zie figuur 1, hierboven). Voor efficiëntie van apparaten is duidelijke
wetgeving nodig, die overigens voor een groot deel op Europees niveau vastgesteld
wordt. Denk aan regulering van de CO2-uitstoot van auto’s en vrachtwagens of het
gloeilampenverbod. Deze wetgeving leidt vaak tot innovatie. Er zijn nu tal van
verlichtingsopties die aanzienlijk zuiniger zijn dan gloeilampen. Voor energie-efficiënte
binnen de gebouwde omgeving (dat naar zijn aard een lokaal onderwerp is) is er een
Nederlandse aanpak (onderdeel van het energie-akkoord), maar ook een Europese
context.
Dit beleid van (voortschrijdende) normstelling om meer efficiëntie van apparaten,
voertuigen en dergelijke te bevorderen is zeer effectief, maar (behalve bij de gebouwde
omgeving) vooral Europees van aard. Dat brengt ons bij de afbakening van dit advies.
Omdat dit advies zich vooral richt op de mogelijkheden voor Nederlands beleid ter
bevordering van energie-innovatie, vallen Europese maatregelen rond normeringen
buiten de scope van dit advies. Deze maatregelen zijn zeer belangrijk, maar hier volstaat
de aanbeveling om op Europees niveau te streven naar zo ambitieus mogelijke
normering.
Uitgangspunt bij dit advies is dat alle vormen van innovatie nodig zijn. Nederland kan een
rol spelen, maar de internationale context is van groot belang. Dit advies richt de
aandacht in eerste instantie op technologische innovatie, maar beschouwt deze
9
  Zie voor mobiliteit bijvoorbeeld de Brandstoffenvisie (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2014) of de Actie-agenda duurzame
  brandstoffen (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2015).
Oppakken en doorpakken                                                                                                              14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>nadrukkelijk binnen de bredere economische, sociale en politiek/bestuurlijke innovatie
waar dat relevant is. Zowel incrementele als radicale innovatie komen aan de orde. De
uitrol van bestaande technologieën is in Nederland nu onderdeel van het energie-
akkoord.10 Daar zijn veel publieke en private middelen mee gemoeid. Voor innovatie als
zodanig en radicale innovaties in het bijzonder is binnen de huidige beleidspraktijk echter
veel minder aandacht en geld.11 Gegeven deze verhouding is het van groot belang dat
we in dit advies niet enkel kijken naar het specifieke beleid voor energie-innovatie.
Energie is immers een beleidsrijk terrein (vergunningen, voorschriften, subsidies,
veiligheid, verplichtingen, belastingen, accijnzen) en dit algemene energiebeleid heeft
een grote impact op de keuzes die rond energie-innovatie gemaakt worden. Het is
daarom van belang om bij al het beleid rondom energie te zoeken naar aanknopings-
punten om innovatie te stimuleren.
Aanpak
Bij de voorbereiding van de dit advies is gebruik gemaakt van bestaande literatuur en zijn
gesprekken gevoerd met deskundigen. Daarnaast heeft de AWTI een workshop
georganiseerd in het kader van de energiedialoog. Bovendien zijn conceptversies van dit
advies verspreid en is commentaar ontvangen van diverse betrokkenen. Een overzicht
van de deelnemers aan de energiedialoogbijeenkomst over energie-innovatie en de
overige gesprekspartners (inclusief degenen die een reactie hebben gegeven op
conceptteksten) is te vinden in bijlage 5.
   Dit advies is voorbereid door een projectgroep van de AWTI, die bestond uit de
   raadsleden Tim van der Hagen (voorzitter), Roshan Cools en Martin Schuurmans, de
   stafleden en penvoerders Dorette Corbey en Hamilcar Knops, en de stagiairs Dennis
   Krijger en Stan van den Broek, met ondersteuning van Ralf Vermeer vanuit het
   ministerie van Economische Zaken.
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 ‘Analyse’ gaat in op de rol van de overheid bij energie-innovatie, schetst het
huidige beleid rondom energie, signaleert een tekort aan stimulering van innovatie en
doet voorstellen hoe dit te verbeteren. Hoofdstuk 3 ‘Conclusie en Aanbevelingen’
concludeert en vervolgens formuleert de AWTI een vijftal aanbevelingen. De bijlagen
geven nadere uitwerking en onderbouwing.
10
   Zie over het energieakkoord: http://www.energieakkoordser.nl/
11
   Zie ook: M. Camps et al. (2016), Kiezen voor duurzame groei, Rapport Studiegroep Duurzame Groei, juli 2016, p. 20.
Oppakken en doorpakken                                                                                                15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                                                                                                       2
2 Analyse
  In onderstaande analyse geven we antwoord op de drie subvragen. Na het schetsen van
  de specifieke context van energie-innovatie (paragraaf 2.1) geven we aan wat de rol en
  houding van de overheid moet zijn bij energie-innovatie (paragraaf 2.2, eerste subvraag).
  Daarna richten we de aandacht op de tweede subvraag: hoe kan de overheid effectief
  beleid voeren? Daartoe analyseren we eerst het huidige beleid dat invloed heeft op
  energie-innovatie (paragraaf 2.3), waarna de diagnose volgt hoe het gesteld is met
  energie-innovatie in Nederland (paragraaf 2.4). In paragraaf 2.5 schetsen we de
  contouren van een effectief beleid voor energie-innovatie. Een belangrijk aspect daarvan
  is de bevordering van radicale innovaties; in paragraaf 2.6 werken we dit uit. Vervolgens
  gaat paragraaf 2.7 in op de derde subvraag: hoe kan de overheid kiezen? De analyse
  sluit af in paragraaf 2.8 met een aantal overwegingen over de kosten van energie-
  innovatie voor de overheid en in paragraaf 2.9 met een overwegingen over politiek-
  bestuurlijke innovatie.
  2.1 De context: innovatie en de energietransitie
  De context: kenmerken van de energiehuishouding
  Het energiedomein kenmerkt zich door grote investeringen met een lange afschrijvings-
  tijd. Het gaat daarbij zowel om installaties als om infrastructuur. Dit brengt lock-in effecten
  met zich mee waardoor bestaande belangen en eerdere gedane investeringen een sterk
  remmende factor kunnen vormen voor veranderingen. De flexibiliteit van het systeem is
  daardoor niet erg groot. Daarnaast bestaan er grote onzekerheden.12 Allereerst over
  prijzen van energie en emissierechten. Verder is er grote onzekerheid over de
  technologieën van de toekomst. Optimisten wijzen erop dat energie op aarde in
  overvloed aanwezig is: alleen al de zon levert een veelvoud van de energie die nodig is
  om samenlevingen te voorzien van warmte en elektriciteit. Realisten benadrukken dat het
  kostbaar is om de aanwezige energie in een bruikbare vorm op te slaan, te transporteren
  en te benutten. Daar is verdere technologie-ontwikkeling voor nodig, evenals
  aanpassingen in economie en samenleving. Het is moeilijk te voorspellen welke
  technologie voor welke toepassing ‘wint’. Er is ook onzekerheid over de
  marktperspectieven voor de verschillende opties. Onzekerheid strekt zich daarnaast uit
  over de keuzes die in het buitenland gemaakt gaan worden. Voor Nederland is dit
  cruciaal: het heeft geen zin om technologieën te ontwikkelen die alleen in Nederland
  worden toegepast. Interconnectiviteit is van belang en op veel terreinen ook een zekere
  12
     Zie uitgebreid over de verschillende onzekerheden en hun mogelijke impact en de mate van onzekerheid: World Energy Council
     (2016), waarin per regio en ook voor een aantal specifieke landen de onzekerheden in kaart gebracht worden.
  Oppakken en doorpakken                                                                                                        17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>harmonisatie, bijvoorbeeld als het gaat om mobiliteit. De vraag is daarom ook waar de EU
en grote landen als China, Brazilië of de Verenigde Staten op inzetten. Ten slotte zijn er
geopolitieke onzekerheden – al zijn die bij een duurzame energievoorziening
vermoedelijk minder dan bij een op olie en gas gebaseerd energiesysteem.
Innovatie is nodig
Er is discussie over de vraag in hoeverre uitrol van bestaande technologieën volstaat om
een low carbon energievoorziening te realiseren. De AWTI gaat er vanuit dat de uitrol van
bestaande technologieën voor duurzame energie uiteraard zeer belangrijk is, maar niet
volstaat. Daarvoor is de transitie-opgave te groot. De ontwikkeling van nieuwe techno-
logieën kan de energietransitie ook relatief goedkoper maken. Bij lagetemperatuurwarmte
en in mindere mate bij elektriciteit zouden we wel nog een heel eind kunnen komen
zonder radicale technologische innovatie. Maar ook op die terreinen is er behoefte aan
economische innovatie (nieuwe business modellen), sociale innovatie (draagvlak,
betrokkenheid en initiatief van burgers) en politiek/bestuurlijke innovatie (langjarige
zekerheid bieden, belemmerende wet- en regelgeving aanpassen). Bij mobiliteit en
hogetemperatuurwarmte is radicale technologische innovatie absoluut essentieel. Bij alle
functionaliteiten blijft aandacht voor de uitrol van bestaande CO2-arme technologieën
nodig.
Benodigde innovaties komen niet ‘vanzelf’
Innovatie vindt plaats als marktpartijen inschatten dat er geld te verdienen is met nieuwe
producten of diensten of wanneer maatschappelijke partijen nieuwe diensten aanbieden
waar de samenleving behoefte aan heeft (sociale innovatie). Toch komen niet alle voor
de energietransitie benodigde innovaties ‘vanzelf’ tot stand. Innovatieve low carbon
oplossingen zijn, zeker in de eerste stadia van ontwikkeling, immers vaak duurder dan al
jarenlang gebruikte en geoptimaliseerde technieken die gebaseerd zijn op olie, steenkool
of gas. Innovatie kan ook belemmerd worden doordat bedrijven een tekort aan kennis
hebben of dat ze oplopen tegen bestaande infrastructuur die niet past bij hun nieuwe
dienst of product. Bovendien is het onzeker of bedrijven volledig kunnen profiteren van
hun investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Als gevolg daarvan zal er minder
worden geïnvesteerd in schone energietechnologie dan maatschappelijk gewenst (om de
energietransitie te bereiken) en daarmee ook in onderzoek naar en ontwikkeling van deze
technologieën.
Bovendien bestaan rond nieuwe oplossingen niet meteen de juiste clusters en vormen
van samenwerking die nodig zijn voor een succesvol innovatieproces (‘systeemfalen’) en
bestaat er ook het gevaar dat bestaande marktpartijen niet altijd belang hebben bij een
grootschalige transitie en zij nieuwe ontwikkelingen ontmoedigen of zelfs blokkeren. Dat
belemmert vooral innovaties met een radicaal karakter.
Oppakken en doorpakken                                                                     18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Dit zijn redenen waarom de overheid een rol dient op te pakken om de benodigde
innovaties voor het bereiken van de duurzame energievoorziening te bevorderen. Deze
rol wordt in de volgende paragraaf verder uitgewerkt.
Innovatie voor de energievoorziening ‘internationaal’
Internationale ontwikkelingen bepalen mede de context. Er zijn op de internationale
energiemarkt game changers (olieprijs, schaliegas), die een belangrijke invloed hebben
op de business cases voor low carbon energie. Minstens even belangrijk is dat de
menselijke creativiteit om oplossingen te genereren niet aan grenzen gebonden is.
“Energy solutions for the twenty-first century will be found in the minds of people around
the world. And that resource base is growing”, schrijft energie-analist Daniel Yergin
terecht.13 Dat betekent dat beleidsmakers rekening moeten houden met ontwikkelingen in
andere landen en dat voor onderzoek en innovatie ook internationale samenwerking
gezocht moet worden. Op het gebied van grootschalige onderzoeksinfrastructuren, zoals
rond kernfusie, wordt al wereldwijd samengewerkt. Bij andere onderwerpen zal van geval
tot geval samenwerking tot stand komen tussen verschillende landen. Men kan
samenwerken bij onderzoek of ontwikkeling, maar men kan ook aansluiten bij
ontwikkelingen in het buitenland door het opzetten van toepassingsgerichte pilots (of het
creëren van markten) in het ene land voor technieken of innovaties die in eerste instantie
zijn ontwikkeld in een ander land. Bij de internationale dimensie van energie-innovatie
bieden internationale organisaties als het IEA en IRENA een platform.
Europese Unie
De energievoorziening en het energiebeleid zijn sterk gekleurd door Europese wetgeving
en beleid. Zo is de energiemarkt (voor elektriciteit en gas) een gemeenschappelijke
Europese markt en heeft de EU (als geheel) zich internationaal gecommitteerd aan
ambitieuze doelen waaronder de reductie van de uitstoot van broeikasgassen. Dat is
vertaald in het Europese klimaatbeleid met als doelen: 40% reductie van broeikasgassen
in 2030 ten opzichte van 1990, 80 tot 95% reductie in 2050. Voor 2020 heeft de EU drie
tussendoelen gesteld: 20% reductie van uitstoot van broeikasgassen, een aandeel van
20% van hernieuwbare energie in de totale energievoorziening, en 20% energie-
besparing. Om die doelen te bereiken is wetgeving (emissiehandel, hernieuwbare
energie, energie-efficiëntie, productnormeringen) vastgesteld en hebben lidstaten
verplichtingen op zich genomen, voor de reductie van CO2-uitstoot, het aandeel
hernieuwbare energie en energiebesparing.
Een Europese aanpak is nodig vanwege de impact die energiebeleid en energieprijzen
hebben op de concurrentieverhoudingen tussen bedrijven. Zonder gelijk speelveld is het
13
   D. Yergin, The Quest. Energy, security and the remaking of the modern world, Penguin Press, 2011, p. 724.
Oppakken en doorpakken                                                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>voor afzonderlijke lidstaten immers moeilijk om besluiten te nemen die de energie-
voorziening duurder maken en de concurrentiepositie van de eigen (energie-intensieve)
bedrijven aantasten.
Vorig jaar heeft de Europese Commissie het plan voor de realisering van Energy Union
gepresenteerd.14 Doelen zijn meer energiezekerheid door diversificatie van bronnen, een
geïntegreerde interne energiemarkt, minder emissies, meer efficiëntie en meer onderzoek
en innovatie om deze doelen te realiseren. De EU investeert in onderzoek en innovatie.
Dit vindt plaats binnen het Europese Horizon 2020 programma en het Strategic Energy
Technology plan (SET-plan). Binnen het SET-plan zijn 13 thema’s vastgesteld (integrated
roadmaps) die elkaar deels overlappen.15 De uitvoering van onderzoeks- en innovatie-
programma’s vindt plaats in ETIPs (European Technology and Innovation Plaforms), dit
zijn platforms met meerdere stakeholders en met deelname uit meerdere lidstaten. Naast
de programma’s van de EU is er ook het Eureka-programma van Europese landen
(inclusief Rusland) en Canada, Zuid-Afrika, Israël en Zuid-Korea, dat onderzoek en
ontwikkeling stimuleert, waarbij energie een van prioriteiten is.16 Verder hebben de
Noordzeelanden (België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Luxemburg,
Nederland, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Zweden) onlangs een platform
opgericht voor samenwerking op energiegebied.
2.2 De rol van de overheid bij energie-innovatie
Waarom een taak voor de overheid?
De overheid heeft een rol bij de bevordering van energie-innovatie, alleen al omdat de
uitdaging enorm is. Er is immers door de overheid een duidelijk doel gesteld (CO2-vrije
energievoorziening in 2050) en dat vraagt om een andere energievoorziening. Het is
onwaarschijnlijk dat dat doel gerealiseerd wordt zonder duidelijk overheidscommitment en
zonder enige regie vanuit publieke waarden. Belangenafwegingen zijn nodig, en dat is
een taak van de politiek en de overheid.17 De energiesector is ten tweede al sterk
ingekaderd door vele soorten beleid. Het gevolg is dat de overheid ook de huidige
marktverhoudingen sterk bepaalt. De overheid bepaalt door accijnzen, belastingen en
CO2-beprijzing mede de marktprijzen voor elektriciteit, warmte en brandstoffen en
daarmee de marktkansen voor de verschillende opties. Daarmee kan de overheid ook
ingrijpen om minder milieubelastende, innovatieve oplossingen een grotere kans op de
14
   Europese Commissie, Mededeling van de Commissie, Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een
   toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering, Brussel: 25 februari 2015, COM(2015) 80 final.
15
   De thema’s zijn: (1) engaging consumers, (2) smart technology for consumers, (3) efficiency in buildings, (4) efficiency in heating
   and cooling, (5) efficiency in industry and services, (6) modernizing the grid, (7) energy storage, (8) system flexibility, (10)
   renewables, (11) CCS/U, (12) nuclear energy en (13) biofuels, hydrogen and fuel cells.
16
   Zie: http://www.eurekanetwork.org
17
   Vergelijk Algemene Energieraad (2007), p. 46.
Oppakken en doorpakken                                                                                                                 20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>markt te bieden, hetgeen weer nieuwe markten kan creëren. Daarnaast vormen de
bestaande wet- en regelgeving en het beleid soms een rem op toepassing van innova-
tieve energietechnologieën. De overheid is in de positie om die belemmeringen op te
ruimen. Ten derde heeft de overheid een taak om kennisontwikkeling, –uitwisseling en
benutting te bevorderen. Ook bij een gunstig klimaat voor innovaties in het energie-
domein kunnen er nog steeds bepaalde interessante mogelijkheden voor innovatie niet
opgepikt worden vanuit de ‘markt’. De overheid kan in dit ‘gat’ stappen en die inno-
vatieprocessen aanzwengelen.18 Ten slotte vraagt systeeminnovatie een brede aanpak.
Het ‘energiesysteem’ is complex en bestaat weer uit verschillende deelsystemen, die op
hun beurt weer gekoppeld zijn aan de ‘systemen’ van economie en de samenleving;
veranderingen in de economie en samenleving hebben impact op wat er van het
energiesysteem gevraagd wordt en vice versa. Daarnaast is het zo dat verschillende
bronnen (kolen, gas, olie, kernenergie, wind, zon) energie leveren via verschillende
infrastructuren (pijpleidingen, netwerken, terminals) waarbij leveringszekerheid cruciaal
is. Wijziging van het gehele systeem of deelsystemen vraagt aandacht voor infra-
structuur, opslag en wet- en regelgeving, zodat onder andere leveringszekerheid en
betrouwbaarheid geborgd blijven. Hierbij is overzicht en coördinatie nodig, waarbij de
overheid onmisbaar is.19
Verschillende rollen voor de overheid
Samenhangend beleid is in ieder geval nodig. Internationale, Europese en bilaterale
samenwerking is daarbij cruciaal. Transformaties waarbij nieuwe toepassingen het
moeten winnen van bestaande praktijken komen niet vanzelf tot stand. Bij de transitie kan
de overheid een rol spelen door bij te dragen aan het toekomstperspectief van bestaande
(en nieuwe) spelers die zich kunnen en willen omvormen tot spelers in een low carbon
economie.
De overheid heeft hierbij zowel een faciliterende als een sturende (‘leidende’) rol, maar
daarbij ook een participerende rol.
Een faciliterende overheid vergt:
       1.      een vruchtbaar en toegankelijk klimaat voor innovatie, waarbinnen nieuwe
               kennis en nieuwe spelers kansen krijgen;20
       2.      adequate beprijzing van externe negatieve effecten om CO2-arme en minder
               schadelijke energieoplossingen kansen op de markt te bieden (marktcreatie);21
18
   In de Verenigde Staten ziet de overheid haar rol vooral vanuit dit perspectief: de overheid dient datgene op te pakken dat de markt
   niet al zelf doet of net zo goed dan wel beter zou kunnen doen, zie: Van den Broek (2016). Vergelijk Algemene Energieraad (2007).
19
   Vergelijk IEA (2013), p. 123.
20
   Zie voor een analyse van het algemene innovatiebeleid: Centraal Planbureau (2016).
21
   Vergelijk: Ministerie van Financiën (2016).
Oppakken en doorpakken                                                                                                              21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>       3.     langjarige duidelijkheid en daarom ook een breed publiek en politiek
              draagvlak;22
       4.     een overheid die bereid is te investeren in kennisontwikkeling;
       5.     een overheid die bereid is wet- en regelgeving waar nodig aan te passen, om
              belemmeringen weg te nemen, dan wel om markten te creëren;23
       6.     Europese, internationale en regionale samenwerking omtrent kennis, maar ook
              bijvoorbeeld standaardisering en normering.
Faciliteren is belangrijk, maar niet voldoende. Omdat het energiesysteem complex is en
alle deelsystemen en onderdelen daarvan weer met elkaar samenhangen is de transitie
naar een low carbon economie en samenleving ook een systeemwijziging. Daarbij geldt
dat er vele verschillende technologische opties zijn met hun eigen kansen, effecten en
koppelingen naar andere mogelijke ontwikkelingen, waarvan op voorhand niet helder is
welke het gaan redden: daardoor zijn marktpartijen eigenlijk niet zelf in staat de richting
van de gewenste energievoorziening te kiezen en te doorlopen. Bovendien zijn middelen
schaars. Daarom is een meer sturende overheid noodzakelijk. Dit is een overheid die de
verantwoordelijkheid neemt om leiding te geven aan de (richting van de) energietransitie.
Dat geeft bedrijven, burgers en maatschappelijke partijen meer houvast bij hun
beslissingen (meer helderheid betekent minder onzekerheid) en helpt om de schaarse
aandacht en middelen te focussen op die terreinen met de meeste potentie. 24
Zo’n leidende overheid vraagt in aanvulling op het voorafgaande de volgende zaken:25
        1.       voldoende kennis bij de overheid over het toekomstige energiesysteem, de
                 deelsystemen en een samenhangende visie daarop (waarvoor draagvlak
                 bestaat);
        2.       bereidheid om te kiezen, en daarmee ook om risico’s te nemen maar tegelijk
                 ook leiderschap te tonen;26
        3.       bereidheid om zo nodig te investeren in uitrol, infrastructuur en netwerken;27
        4.       commitment voor een langere termijn: de energietransitie en energie-innovatie
                 kosten tijd. De overheid werkt nu vaak met kortlopende budgettering binnen
                 meerjarenramingen die doorgaans een kabinetsperiode bestrijken. Voor
                 energie-innovatie is een langere tijdshorizon nodig;28
22
   Vergelijk: Algemene Energieraad (2007) en IEA (2015), p. 17.
23
   Vergelijk IEA (2013), p. 18, IEA (2015), p. 17, en Ministerie van Financiën (2016), p. 61.
24
   Chiong Meza (2012).
25
   Zie ook het advies van de AWT (2013) (Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen) en M. Camps (2016), ‘Onzekere wegen
   naar welvaart’, ESB, Jrg. 101 (4725), p. 6-9. Voor een analyse van de meer sturende rol van de overheid bij technologie-
   ontwikkeling, zie M. Mazzucato (2015), De ondernemende staat, Amsterdam: Nieuw Amsterdam Uitgevers.
26
   De Algemene Energieraad (2007, p. 52) wijst op het belang van keuzes (prioriteiten stellen), net als de IEA (2013, p. 131) en
   (2015, p. 155), terwijl het Ministerie van Financiën (2016, p. 61) er terecht op wijst dat ‘kiezen’ ook kan voorkomen dat er dubbele
   infrastructuren (met ‘dubbele’ kosten) aangelegd worden.
27
   Vergelijk IEA (2015), p. 17, en Ministerie van Financiën (2016), p. 61.
28
   De Topsector Energie (2016) onderstreept ook het belang van dit punt.
Oppakken en doorpakken                                                                                                                 22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>        5.      adaptiviteit en responsiviteit: de overheid moet zich aanpassen aan verande-
                rende omstandigheden, zoals technologische ontwikkeling of het ontbreken
                daarvan. Bovendien moet de overheid responsief zijn omdat het welslagen van
                innovaties vaak vraagt om aanpassing van wet- en regelgeving, infrastructuur
                en/of netwerken.29
Naast de faciliterende en leidende rol participeert de overheid zelf actief in de energie-
sector, onder andere als eigenaar of aandeelhouder van infrastructuur, netwerken en als
deelnemer bij de exploitatie van gas, maar ook als afnemer van energie. De overheid kan
op verschillende manieren participeren in energie-innovatie:
        1.      via actief eigenaarschap of actief aandeelhouderschap kan de overheid
                invloed uitoefenen op de overheidsbedrijven (zoals netbeheerders);
        2.      via actief afnemerschap kan de overheid optreden als launching customer;
        3.      de overheid participeert als al partner in PPS-constructies en meer in het
                algemeen binnen de zogenoemde ‘Gouden Driehoek’ waar de overheid,
                bedrijfsleven en kennisinstellingen samenwerken.30
Een goed innovatiesysteem voor de energievoorziening
Met deze verschillende rollen draagt de overheid bij aan een goed werkend innovatie-
systeem voor de energiesector. Een innovatiesysteem wordt wel omschreven als een
eco-systeem: het is een ‘habitat’ waarin verschillende soorten (partijen) zich thuis voelen,
zich kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden en zo onderling in een
evoluerend evenwicht zijn. Een goed werkend innovatiesysteem omvat alle onderdelen
van de innovatieketen: fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek, demonstratie,
uitrol en implementatie. Bovendien omvat zo’n innovatiesysteem zowel technologische,
sociale en economische innovatie. Innovaties komen niet in isolatie tot stand.
Samenwerking tussen de verschillende spelers is nodig. Niet alleen de technologie moet
‘klaar’ zijn, vaak kan deze pas effectief worden toegepast in een netwerk van actoren.
Dat betekent dat zo’n netwerk ook voldoende ontwikkeld moet zijn: niet alleen
Technology Readiness Levels (TRL) tellen, maar ook het ‘Network Readiness Level’.31
De overheid kan bijdragen aan een goed ‘innovatiesysteem’ of -klimaat in Nederland voor
energie-innovatie. Daarvoor is een aantal zaken nodig. Er moet ruimte, stimulering en
enthousiasme zijn voor nieuwe kennis, startups, nieuwe ondernemingen, nieuwe
verdienmodellen, nieuwe samenwerkingsvormen. Bestaande bedrijven moeten
gestimuleerd worden zich aan te passen en zich te richten op een low carbon energie-
voorziening. Er is aandacht nodig voor zowel efficiëntieverbeteringen en kostenreducties
29
   Vergelijk IEA (2015), p. 155-157, en Ministerie van Financiën (2016), p. 60-62. Over een adaptieve sturingsfilosofie in de
   energiesector zie: Knops et al. (2014).
30
   Vergelijk AWTI (2016), Flexibiliseren, differentiëren, scherper kiezen. Balans van de topsectoren 2016.
31
   Krijger (2016).
Oppakken en doorpakken                                                                                                        23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>als voor meer radicale innovaties. Er moet volop interactie zijn tussen de verschillende
spelers en partijen binnen innovatieprocessen – innovatieprocessen verlopen meestal
niet lineair. Partijen moeten elkaar weten te vinden. Zogenoemde valleys of death,
barrières in een innovatieproces waardoor zo’n proces stokt, bijvoorbeeld, moeten
vermeden worden door adequate ondersteuning van de overheid en vooral door
perspectieven op nieuwe markten te creëren. Het is verstandig als de overheid een
zekere ruimte laat om te experimenteren en zo nodig helpt om markten te creëren,
belemmeringen opruimt of bijdraagt aan infrastructuur. Een innovatiesysteem kan goed
functioneren als er voldoende instroom van nieuwe ideeën is, men voldoende wordt
uitgedaagd en als er ook aansluiting is bij ontwikkelingen in het buitenland. Een goed
innovatiesysteem geeft vertrouwen en comfort aan bestaande marktpartijen. Dit is
cruciaal want zij moeten een omslag maken en zij doen de investeringen die terug-
verdiend moeten worden. Binnen een goed innovatiesysteem kunnen zij participeren en
de omslag maken. Een goed energie-innovatiesysteem integreert bottom-up ideeën en
initiatieven.
De overheid kan bijdragen aan een goed werkend ‘innovatiesysteem’ voor energie-
innovatie door de voorwaarden daarvoor te creëren: een uitstekende kennisbasis,
langetermijnperspectieven en zekerheid op basis van weloverwogen keuzes, het geven
van de juiste prikkels voor innovatie en daarbij ook het commitment om bij te dragen aan
de toepassing en uitrol van nieuwe innovatieve technologie en werkwijzen. Door te
leiden, faciliteren en te participeren dus. De volgende paragrafen gaan in op de vraag
hoe de overheid dit kan doen. Daartoe volgt eerst een analyse van het bestaande beleid.
2.3 Het huidige beleid
Energie is een ‘beleidsrijk’ terrein: met allerlei vormen van beleid beïnvloedt de overheid
de energievoorziening. Het is van belang om bij al het beleid rondom energie te zoeken
naar aanknopingspunten om innovatie te stimuleren. In deze paragraaf wordt een
samenvatting gegeven van het huidige beleidspakket in Nederland dat van invloed is of
kan zijn op de energietransitie en daarmee ook direct of indirect invloed heeft op energie-
innovatie:
(1) het algemene energiebeleid (dat zich onder meer richt op vermindering van CO2-
uitstoot, bevordering van hernieuwbare energie en energiebesparing),
(2) het algemene innovatiebeleid en
(3) het beleid dat specifiek gericht is op energie-innovatie.
Een uitgebreider overzicht is te vinden in bijlage 2. Daarin is voor een aantal van de
belangrijkste instrumenten steeds per instrument beoordeeld wat het effect is of kan zijn
Oppakken en doorpakken                                                                      24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>op innovatie. Bovendien worden daar suggesties gedaan hoe die instrumenten sterker tot
innovatie zouden kunnen prikkelen.
2.3.1 Algemeen energiebeleid
Het algemene energiebeleid richt zich traditioneel op een betrouwbare, betaalbare en
schone energievoorziening. Voor wat dat laatste betreft is dat vertaald in drie concrete
doelen op Europees niveau voor 2020: i) 20% minder CO2-uitstoot, ii) een Europees
aandeel van 20% duurzame energie, en iii) 20% energiebesparing. Om deze doelen te
bereiken is er Europees en nationaal beleid.
Reductie van de CO2-uitstoot
Hiervoor geldt een gezamenlijk Europees emissieplafond, dat jaarlijks afneemt. Daarbij is
er het ETS (Emissions Trading System), een systeem voor Europabrede handel in
emissierechten. Onder dit systeem valt een aantal energie-intensieve sectoren, waar-
onder de elektriciteitsproductie. Als bedrijven investeren in schonere of efficiëntere
technologie, houden ze emissierechten over, die ze kunnen verkopen. Maar de huidige
prijs voor emissierechten is zo laag32 dat daar nauwelijks een prikkel voor innovatie in
besparing of alternatieven voor fossiele energie vanuit gaat (en al helemaal niet voor
radicale innovatie, zeker vanwege de onzekerheid over de langetermijnontwikkeling van
de CO2-prijs).
Vergroting aandeel duurzame energie
De Europese doelstelling van 20% is vertaald in nationale targets: voor Nederland is dat
14% hernieuwbare energie in 2020. Het Energieakkoord richt zich hier sterk op.
►       Het belangrijkste financiële instrument is de Stimulering Duurzame Energieproductie
        (SDE+).33 Dit geeft een exploitatiesubsidie voor geproduceerde duurzame energie.
        Het doel is om zo goedkoop mogelijk de 14%-doelstelling voor 2020 te halen. SDE+
        prikkelt niet echt tot innovatie doordat de nadruk ligt op stimulering van de nu
        beschikbare goedkoopste opties in plaats van het potentieel voor de toekomst en
        doordat het gaat om een exploitatiesubsidie. Een uitzondering is wind-op-zee,
        waarvoor de stimulering gekoppeld is aan een taakstelling om binnen enkele jaren
        40% goedkoper te zijn. Met de SDE+ is veel geld gemoeid: in 2016 kan voor 8
        miljard euro aan toekomstige verplichtingen toegekend worden voor nieuwe SDE+
        beschikkingen, terwijl de verwachte kasuitgave aan subsidies voor SDE+ en
        vergelijkbare voorlopers in het jaar 2016 1,2 miljard euro bedraagt.34
32
   De prijs voor emissierechten is het resultaat van vraag en aanbod. Het aanbod wordt bepaald door het emissieplafond. Mede door
   de economische crisis van enkele jaren geleden daalde de vraag naar emissierechten sterk, waardoor de prijs ook kelderde.
33
   Besluit stimulering duurzame energieproductie, geldende versie te vinden via: http://wetten.overheid.nl/BWBR0022735/.
34
   Zie Kamerstukken TK 2015-2016, 31 239, nr. 208 (brief van de minister van Economische Zaken d.d. 7 december 2015).
Oppakken en doorpakken                                                                                                          25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>►       Voor kleine installaties, zoals warmtepompen, bestaat nog de ‘Investeringssubsidie
        Duurzame Energie’ (ISDE)35 waarmee een tegemoetkoming gegeven kan worden
        voor (de kosten van) kleine apparaten voor de productie van duurzame warmte, aan
        particulieren en bedrijven. Het maximaal beschikbare budget is 70 miljoen euro op
        jaarbasis. Deze regeling is gericht op de toepassing van beschikbare technologie en
        heeft slechts een looptijd tot 2020. Daardoor gaat er niet echt een prikkel tot
        innovatie van uit.
►       Voor verduurzaming van transportbrandstoffen zijn er ook Europese targets (10%
        uit hernieuwbare bronnen in 2020), waarbij een klein deel gehaald moet worden met
        behulp van meer innovatieve biobrandstoffen.36 Bovendien bestaat er een ver-
        plichting om de CO2-prestatie van brandstoffen met 6% te verbeteren ten opzichte
        van 2010. Deze targets zijn in Nederland vertaald naar oplopende jaarverplichtingen
        voor brandstofleveranciers. Daar gaat een zekere prikkel tot innovatie van uit en
        deze wetgeving is voor de overheid kostenneutraal.
Energiebesparing
Hiervoor zijn verschillende instrumenten:
►       Normen voor de energiezuinigheid van nieuwbouw en van apparaten; door deze
        eisen op te laten lopen in de tijd kan een goede prikkel tot innovatie gecreëerd
        worden. Bovendien is het kostenneutraal voor de overheid. Een nadeel is dat de
        (oplopende) normen slechts gelden voor nieuwbouw en nieuwe apparaten; ze laten
        bestaande bouw en bestaande apparaten ongemoeid.
►       Wetgeving die bedrijven verplicht rendabele energiebesparende maatregelen te
        nemen; in de praktijk blijkt de handhaving hiervan zwak. Daardoor is het effect
        beperkt en als er al een innovatieprikkel van uit gaat, is die hoogstens gericht op
        incrementele innovatie.
►       Convenanten met groepen bedrijven gericht op energiebesparing; ook deze
        afspraken blijken in de praktijk ‘zacht’ en daar gaat geen sterk signaal tot innovatie
        van uit (vergelijk het vorige item).
►       Belastingvoordeel voor energiezuinige bedrijfsmiddelen: deze maatregel zorgt voor
        de toepassing van bestaande technologieën met een niet al te lange
        terugverdientijd, waardoor er zeker geen prikkel tot radicale innovatie vanuit gaat,
        op zijn best een lichte prikkel tot incrementele innovaties.
►       Belastingen op energie (accijnzen op brandstoffen en de energiebelasting die
        geheven wordt over het verbruik van energie). Energiebelastingen maken
35
   Regeling van de Minister van Economische Zaken van 14 december 2015, nr. WJZ/15172584, tot wijziging van de Regeling
   nationale EZ-subsidies in verband met de invoering van investeringssubsidies voor kleine installaties voor duurzame
   energieproductie, Stcrt. 2015, 46527.
36
   Zie EU-richtlijnen 2009/28/EG (Pb EU 2009 L 140/16) en 2009/30/EG (Pb EU 2009 L 140/88) en richtlijn (EU) 2015/1513 (Pb EU
   2015 L 239/1).
Oppakken en doorpakken                                                                                                        26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>          energiegebruik duurder en vormen daarmee een prikkel tot energiebesparing en
          energie-innovatie. De energiebelasting is echter degressief: voor de grootste
          energieverbruikers is ze bijna nihil en vormt ze daardoor eigenlijk geen prikkel tot
          innovatie. Bovendien is de hoogte van energiebelasting en accijnzen niet
          gerelateerd aan de milieuschade of CO2-uitstoot.
2.3.2 Algemeen innovatiebeleid
Het algemene innovatiebeleid stimuleert innovatie in den brede ter versterking van de
concurrentiekracht. De belangrijkste instrumenten zijn de WBSO37 en de Innovatiebox,
die een tegemoetkoming voor kosten van R&D geven respectievelijk een belasting-
voordeel voor de winsten die voortkomen uit een innovatie-inspanning. Voor energie-
gerelateerd onderzoek en ontwikkeling levert dit samen ongeveer 115 miljoen euro per
jaar aan voordelen voor bedrijven op (WBSO ruim € 90 miljoen en Innovatiebox € 24
miljoen).38 Daarmee vormen de maatregelen zeker een prikkel tot R&D.
Toch zijn er enkele kanttekeningen te plaatsen:
i) De WBSO stimuleert innovaties die nieuw zijn ‘voor het bedrijf’ en is niet beperkt tot
nieuw voor Nederland of voor de wereld; er is dus geen focus op ‘koplopers’.
ii) Het vormt vooral een prikkel voor incrementele innovaties, niet zozeer voor radicale,
want hiervoor blijven de risico’s vaak toch nog zo groot dat het voordeel van de
regelingen er niet tegen opweegt.
iii) Het is rond energie niet beperkt tot innovaties die de energievoorziening verduur-
zamen: beide regelingen zijn generiek en gelden net zo goed voor, bijvoorbeeld, R&D
rond fossiele energiebronnen.
2.3.3 Specifiek energie-innovatiebeleid
Naast het generieke innovatiebeleid is er in Nederland beleid dat zich specifiek richt op
energie-innovatie. Deze instrumenten worden hier behandeld. Het gaat dan om:
Hernieuwbare energieregeling
Dit is een investeringssubsidie voor onderzoek, ontwikkeling en demonstratie van
innovaties die ervoor zorgen dat Nederland het doel van 16% hernieuwbare energie in
2023 kosteneffectiever kan bereiken. Het budget voor 2016 is € 50 miljoen. Door de
37
    De afkorting WBSO komt oorspronkelijk van de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (Stb. 1994, 312), die later opgegaan
    is in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen; de overheid is de afkorting WBSO wel
    blijven gebruiken voor de betreffende regeling.
38
    Bron: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), gebaseerd op een analyse door RVO waarbij op aan energie-innovatie
    gerelateerde zoektermen een selectie van projecten is gemaakt in de WBSO/RDA-database voor 2014.
Oppakken en doorpakken                                                                                                          27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>relatief korte tijdshorizon richt dit instrument zich niet op radicale innovaties, maar op
incrementele stappen.
Regeling Demonstratie Energie-innovatie
Dit betreft een investeringssubsidie voor demonstratieprojecten om te bevorderen dat
Nederland een soort ‘etalage’ van energie-innovaties wordt van waaruit Nederlandse
bedrijven de sprong naar de buitenlandse markt(en) kunnen maken. Het budget voor
2016 is € 35 miljoen en vanaf 2017 zal het € 50 miljoen worden. Doordat deze regeling
de demonstratiefase ondersteunt zal er een indirecte prikkel van uitgaan voor de eerdere
fases van onderzoek en ontwikkeling. Ook hier zal het vooral een prikkel tot incrementele
innovaties zijn en minder tot het starten van radicale innovatieprocessen.
Topsector Energie
De Topsector Energie (TSE) is een publiek-privaat samenwerkingsverband waarin
overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen samenwerken aan innovatie. Ruim
duizend bedrijven en kennisinstellingen nemen deel aan innovatieprojecten binnen de
Topsector Energie. Binnen de Topsector Energie bestaat een ‘Topteam’ dat strategische
sturing geeft op hoofdlijnen; in het Topteam zijn de samenwerkende partijen (overheid,
bedrijfsleven en kennisinstellingen) vertegenwoordigd. Voor vijf specifiek innovatie-
domeinen (‘thema’s’) zijn Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) opgericht. De
TKI’s hebben binnen hun thema met bedrijven en kennisinstellingen een gedeelde
strategie ontwikkeld. Voor de uitvoering van deze strategie wordt publiek-private
samenwerking gestimuleerd om vernieuwende producten en diensten te ontwikkelen en
op de markt te brengen en hierover kennis te verspreiden.
Voor de innovatieprogramma’s van de Topsector Energie staan de volgende
instrumenten specifiek ter beschikking:
►       Geoormerkte onderzoeksinspanning bij TNO, ECN en NWO. Een deel van het
        budget van deze instellingen wordt ingezet voor de programma’s van de TKI’s. De
        TKI’s kunnen hierop sturen. Het gaat om € 8,9 miljoen (TNO), € 14 miljoen (ECN)
        en € 21 miljoen (NWO). Ook wordt de meerjarige agenda van de TKI’s in samen-
        werking met TNO, ECN en NWO vormgegeven.
►       De regeling Topsector Energieprojecten: hierbinnen wordt jaarlijks voor circa € 40
        miljoen via tenders subsidie gegeven aan vooral onderzoek, ontwikkeling en
        demonstraties die aansluiten bij de programmering van de TKI’s.39 Voor deze
        regeling kunnen bedrijven zich kwalificeren, maar ook ECN, TNO en
        wetenschappers in samenwerkingsverbanden met bedrijven.
39
   De paragraaf Demonstratie Energie-innovatie en de paragraaf Hernieuwbare Energie maken weliswaar onderdeel uit van de
   ‘regeling Topsector Energieprojecten’, maar omdat ze niet specifiek gericht zijn op de programmering van de TKI’s van de
   Topsector Energie worden ze hier los van de Topsector Energie behandeld.
Oppakken en doorpakken                                                                                                      28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>►       De TKI-toeslag van 25% die de TKI’s kunnen krijgen op private investeringen in
        onderzoek op hun thema’s. De TKI’s kunnen zelf bepalen hoe ze deze toeslag
        inzetten ten behoeve van publiek-private samenwerkingsprojecten voor onderzoek,
        ontwikkeling en demonstraties of netwerkactiviteiten. In totaal gaat het voor energie
        om de ordegrootte van 5 à 10 miljoen euro per jaar.
Naast deze instrumenten, die specifiek voor de Topsector Energie beschikbaar zijn,
maken de bij de Topsector Energie betrokken partijen natuurlijk ook gebruik van andere
instrumenten of financieringsmogelijkheden40 en wordt er samengewerkt met andere
organisaties die bijdragen aan de innovaties rond energie.41
In de Topsector Energie komen relevante partijen bij elkaar voor verschillende innovatie-
trajecten. Voor deze innovaties is de Topsector een nuttig instrument. Toch heeft de
huidige opzet van de Topsector Energie kenmerken die vooral het oppakken van radicale
en systeeminnovaties bemoeilijken (nadere toelichting in bijlage 2),42 zoals het PBL
eerder ook al duidelijk concludeerde op basis van gesprekken met betrokken experts:43
“Het merendeel van de [geïnterviewde] experts [meent] dat er vrijwel alleen sprake is van
incrementele (verbeterende) innovatie in de Topsector Energie en dat de ruimte voor
radicaal nieuwe dingen volstrekt onvoldoende is.” Dat komt door een aantal factoren:
     1.     Bedrijven en kennisinstellingen bepalen samen op welke innovatiedomeinen
            gericht wordt. Sommige bedrijven of kennisinstellingen hebben soms echter geen
            belang bij bepaalde radicale innovaties als deze niet aansluiten bij hun huidige
            koers. Ook wordt in een omgeving van bestaande spelers minder gauw een
            natuurlijke trekker of pleitbezorger gevonden voor het inzetten van schaarse
            publieke middelen op nieuwe terreinen waar radicale innovaties mogelijk zijn.
            Voor radicale innovaties is immers een fundamenteel andere kennisbasis nodig
            en bestaat er vaak nog geen netwerk van belanghebbende stakeholders. Dit kan
            in de praktijk een belemmering vormen voor het oppakken van radicale
            innovaties44 (hoewel er binnen de tendersystematiek van de Topsector Energie
            wel door iedere partij een aanvraag kan worden ingediend, ook voor de meest
            radicale innovaties, maar deze moet dan wel binnen de ‘agenda’ passen).
     2.     Privaat geld is een criterium, zowel voor het verkrijgen van TKI-toeslag als voor
            het behalen van het aan de TKI’s opgelegde overall target van een verhouding
            tussen privaat geld en publiek geld van minimaal 40/60. Vooral bij innovaties die
            zich bevinden in de onderzoeks- en eerste ontwikkelfase zijn private
40
   Zoals de WBSO, de Innovatiebox, de regeling Demonstratie Energie Innovatie, de Hernieuwbare Energieregeling, internationale
   subsidies en samenwerkingsverbanden (zoals Horizon 2020, ERAnetten) en regionale subsidies (EFRO, INTERREG).
41
   Zoals KIC InnoEnergy, Kiemt, of Energy Valley.
42
   Zie ook Van Son (2015). Overigens wordt in het huidige portfolio van de Topsector Energie wel gepoogd een aantal innovaties met
   een radicaal karakter op te pakken of bij te dragen aan innovaties die als (deel van) systeeminnovaties getypeerd kunnen worden.
43
   Vooren, A. van der, en J. Ros (2014), De Topsector Energie en energie-innovatie. Inzichten van experts uit de ‘gouden driehoek’,
   Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving, september 2014, citaat op p. 13.
44
   Vergelijk: Van der Vooren en Ros (2014), p. 20: “Kleine radicale vernieuwers komen niet aan bod in de Topsector Energie.”
Oppakken en doorpakken                                                                                                             29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>          investeringen vaak moeilijk te vinden. Daarmee is er in de Topsector Energie een
          impliciete prikkel om niet voor zulke eerste fasen te kiezen. Doordat radicale
          innovaties vaak hun startpunt vinden in die eerste fasen, kan deze werkwijze het
          oppakken van radicale innovaties in de Topsector Energie bemoeilijken.
    3.    In de instrumentenmix van de Topsector Energie ontbreken instrumenten die de
          TKI’s in staat stellen om een optimaal klimaat te creëren rond (specifieke)
          radicale innovatieprocessen.
                 o     TKI’s kunnen moeilijk langjarige commitments aangaan vanwege het
                       feit dat budgettoekenning steeds per jaar gebeurt.
                 o     Subsidies worden verstrekt aan individuele projecten, waarmee er niet
                       altijd een optimaal, samenhangend totaalpakket aan projecten ontstaat
                       om het betreffende innovatieproces doelmatig te laten ontwikkelen.
                       Slechts als voor een totaalpakket van projecten een gebundelde
                       aanvraag wordt ingediend, worden ze in de huidige systematiek als
                       totaalpakket beoordeeld.
Bovendien geldt dat binnen de Topsector de aandacht voor sociale en economische
innovaties wat achterblijft. Dit gebeurt nu wel in de TKI’s, maar deze aandacht lijkt
onvoldoende om te bereiken dat ook buiten het technologisch domein gerealiseerd wordt
wat nodig is om innovaties daadwerkelijk breed in de markt uitgerold te krijgen.
2.4 Diagnose: staat van energie-innovatie in Nederland
De doelstelling van een CO2-vrije energievoorziening in 2050 is uitdagend en dwingend.
De innovatie-opgave is groot: (energie-)efficiëntieverbeteringen zijn nodig, zowel van
bestaande industriële processen als van technologieën rond duurzame energie. Kosten-
reducties zijn noodzakelijk omdat duurzame energie nog duur is in vergelijking met
fossiele brandstoffen. Meer radicale innovatie en systeeminnovaties zijn nodig niet alleen
omdat het huidige energiesysteem gebaseerd is op de technologie en infrastructuur van
fossiele brandstoffen, maar ook een groot deel van onze economie. Dat laatste maakt
een fundamentele omslag naar een duurzamere energievoorziening en economie nog
urgenter. De benodigde energie-innovatie komt niet volledig ‘spontaan’ vanuit de
marktpartijen (en kennisinstellingen). Daarvoor zijn de marktperspectieven te beperkt
door de nog grote kostenverschillen tussen fossiel en low carbon. Beleid is nodig. Hoe
staat het met het beleid rond energie-innovatie in Nederland? We kunnen na het
voorafgaande overzicht van het bestaande beleid en op basis van de huidige praktijk de
volgende diagnose stellen: Nederland heeft goede kansen om een rol te spelen in de
wereldwijde energietransitie met zijn maakindustrie, hightech sector, kennisinstellingen,
logistieke infrastructuur, maar deze worden nog niet voldoende benut. Daarvoor zijn drie
redenen aan te geven:
Oppakken en doorpakken                                                                      30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>a.        Het innovatiesysteem voor energie is niet volledig op orde. Er is in Nederland
          weliswaar veel kennis- en technologieontwikkeling, maar deze is vaak nog
          gefragmenteerd en versnipperd, want verspreid over meerdere kennisinstituten. Er
          ontbreekt een langjarige visie en daarmee helderheid over de contouren van het
          gewenste energiesysteem (inclusief deelsystemen) van de toekomst en er mist
          een langetermijnperspectief voor demonstratie, toepassing en uitrol,45 al is het
          energieakkoord gericht op uitrol van duurzame energie. De keten van innovatie
          mist zo enkele belangrijke schakels, of de aansluiting daartussen hapert;46 er is
          geen klimaat dat toepassing van innovatieve energietechnologie bevordert. Er zijn
          daarbij mogelijk ook enkele averechtse prikkels, die juist de ontwikkeling van high
          carbon fossiele energie kunnen stimuleren. Consumenten zijn – afgezien van lage
          temperatuurwarmte - vaak niet betrokken, waardoor sociale innovatie ook
          moeilijker van de grond komt. Er is nauwelijks beleid dat sociale innovatie
          stimuleert, al zijn er talrijke initiatieven op lokaal en provinciaal niveau. Er is echter
          te weinig gecoördineerde ondersteuning om echt verschil te maken.47 Aansluiting
          bij de EU krijgt meer vorm, maar is nog beperkt. Samenwerking met andere
          landen op het gebied van energie-innovatie is eveneens beperkt.
b.        Er is weinig aandacht voor incrementele innovatie binnen het bestaande
          beleid. Er is weliswaar geld voor de uitrol van duurzame energie beschikbaar op
          basis van het energieakkoord, maar weinig stimulering van ontwikkeling van
          nieuwe technologie of verbeteringen van bestaande technologieën dan wel
          manieren van energiebesparing om emissies te beperken. Het Wind-op-zee-
          programma binnen SDE+ is hier een positieve uitzondering. Hoewel de
          instrumenten in eerste instantie beogen de emissie van broeikasgassen te
          verminderen dan wel het gebruik van energie of brandstof te ontmoedigen,
          zouden die beleidsinstrumenten ook andere, subsidiaire doelen (innovatie) kunnen
          dienen. Zowel SDE+ als ETS en het belastingstelsel kunnen omgevormd worden
          opdat ze innovatie, efficiëntieverbeteringen en kostenreducties meer en beter
          stimuleren. Het stimuleren van innovatie zou expliciet als doel toegevoegd moeten
          worden in het algemene energiebeleid.48 Dat kan zorgen voor een extra stimulans
          voor veelal incrementele innovatie in de energiesector.
c.        Radicale innovatie wordt in Nederland (te) weinig gestimuleerd. Binnen het
          beleid dat gebaseerd is op de EU-richtlijnen zijn weinig prikkels te vinden voor een
          echt vernieuwende aanpak of technologie, al gaat van het Europese brandstoffen-
45
   Zo constateren ook Van der Vooren en Ros (2014, p. 15-17) en Schoots en Hammingh (2015), p. 9 en p. 200 en verder.
46
   Zo constateerden ook het PBL & ECN (2013) en Schoots en Hammingh (2015), p. 9.
47
   Schoots en Hammingh (2015, p. 219 e.v.) illustreren dit aan de hand van de casus ‘bio-energie’.
48
   Planbureau voor de Leefomgeving (2016, p. 13) bepleit dit ook als het ‘verbinden van innovatie en implementatie’.
Oppakken en doorpakken                                                                                                31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>          beleid wel een zekere stimulans uit om echt geavanceerde low carbon brand-
          stoffen te ontwikkelen. De DEI en de Topsector Energie zijn beide te weinig
          toegerust om radicale (systeem)veranderingen teweeg te brengen.49 De Topsector
          Energie werkt vooral met kortetermijnprojecten en beperkte financiering. Er is
          geen zicht op meerjarenfinanciering, laat staan op de ontwikkeling en uitrol van
          echt nieuwe toepassingen. Daardoor is de Topsector Energie vooral gericht op
          incrementele efficiëntieverbeteringen. Er is geen rijksbrede agenda die radicale
          innovatie bevordert en mede daardoor komen bepaalde op zich veelbelovende
          opties niet aan bod.50 In Nederland is ook relatief weinig geld beschikbaar voor
          radicale energie-innovatie: binnen de groep OESO-landen hoort Nederland tot de
          achterblijvers qua publieke financiering van energiegerelateerde RD&D.51
Kortom, een meer ambitieuze en meer samenhangende aanpak is nodig. Een aanpak die
langjarige zekerheid biedt, krachten bundelt, kennis en ervaring bundelt en meer gericht
is op het realiseren van radicale innovatie.
2.5 Contouren van een nieuw beleid voor energie-innovatie
Het moge uit het voorgaande duidelijk zijn dat er ruimte is voor verbeteringen in het
beleid dat energie-innovatie beïnvloedt. In deze paragraaf schetsen we de contouren
daarvan. Daarbij kan Nederland leren van de ervaringen in het buitenland. Mede daarom
hebben we uitgebreider gekeken naar de aanpak in een aantal landen: de Verenigde
Staten, Duitsland, Denemarken en China. Daarbij is vooral gekeken naar de stimulering
van radicale innovatie en de ontwikkeling van nieuwe technologie. De bevindingen staan
per land beschreven in bijlage 3. De belangrijkste lessen zijn samengevat in het
onderstaande tekstkader.
   Van andere landen valt te leren
   Duitsland, Denemarken, de Verenigde Staten en China hebben innovatieprogramma’s
   voor de energievoorziening geïmplementeerd. Daarbij is rol van de overheid verschil-
   lend. Interessant is dat zowel in Duitsland als in de Verenigde Staten de overheid zelf in
   een aantal gevallen de leiding neemt: in beide landen stelt de overheid zelf de calls op
   voor de te subsidiëren energieprojecten, terwijl in de Verenigde Staten de Secretary of
   Energy beslist over de instelling van een grootschalige Energy Innovation Hub en in
   Duitsland het federale energieministerie grote invloed heeft op de strategie van de
   Helmholtz centra. Qua sturing is er in de Verenigde Staten een combinatie van open
49
   Van der Vooren en Ros (2014) en ook: Van Son (2015).
50
   Schoots en Hammingh (2015), p. 200.
51
   Zie paragraaf 2.8 en bijlage 4; zie voor een uitgebreide analyse van de Nederlandse uitgaven aan energie-RD&D hoofdstuk 6 van
   Schoots en Hammingh (2015).
Oppakken en doorpakken                                                                                                         32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>   competitie en probleemgerichte sturing. Duitsland relateert het energie-innovatiebeleid
   sterk aan een visie op het toekomstige energiesysteem. Van Duitsland valt te leren dat
   grootschalige programma’s via een ‘dialoog’ kunnen worden opgezet. Er is dan wel een
   concrete vertaling nodig van de te behalen resultaten zodat vooraf duidelijk is wat er
   moet worden bereikt binnen het programma. Daarnaast blijkt uit deze landen dat het via
   een competitie toekennen van projecten een nuttig instrument kan zijn voor energie-
   innovatie, waarbij deze calls natuurlijk wel goed moeten passen binnen uiteindelijke
   doelen die men met die energie-innovatie tracht te bereiken. De Deense overheid
   committeert zich aan opschalingen en verbeteringen, en richt zich zo op de hele
   innovatieketen. De Chinese overheid faciliteert innovatie door zelf te investeren en door
   garanties voor marktpartijen. Er is daarnaast veel nadruk op experimenteren, op pilots
   en op sociale innovatie.
Om innovatie te bevorderen is een duidelijke visie nodig. Daarbij gaat het om een visie op
het ‘innovatiesysteem’ voor energie maar vooral om een visie op een duurzame
energievoorziening voor Nederland.52 Binnen de visie op het innovatiesysteem moet er
aandacht zijn voor incrementele en voor radicale innovatie, op technologisch, sociaal,
economisch en bestuurlijk domein. Dit is beschreven aan het eind van paragraaf 2.2.
Zoals ook uit het beleid van Duitsland en Denemarken blijkt, is het belangrijk dat er bij de
overheid een duidelijke visie bestaat op de energievoorziening van de toekomst.53 Een
visie die ook maatschappelijk draagvlak kent, zodat er een stabiele basis is, zowel voor
het beleid als voor investeringsbeslissingen. Zo’n visie helpt ook om te bepalen waar niet
of minder in geïnvesteerd wordt. Zo heeft Duitsland bijvoorbeeld besloten dat er voor
kernenergie (kernsplijting) geen plaats is in hun energiesysteem van de toekomst; het ligt
dan ook voor de hand om onderzoek daarnaar niet meer, of slechts zeer beperkt vanuit
de Duitse overheid te stimuleren.
Een visie op het toekomstige energiesysteem moet aansluiten bij de kwaliteiten
(bedrijven, kennis, geografische ligging) van Nederland.54 Maar daarnaast is het vanwege
aansluiting van netwerken, internationaal gedeelde opslag en infrastructuur raadzaam om
niet te veel af te wijken van de visie op het energiesysteem van ons omringende landen
en in het bijzonder Duitsland. Dat geldt met name voor elektriciteit (nu een relatief kleine
functionaliteit, maar wel groeiend) en voor mobiliteit. Flexibiliteit en het functioneren van
de netwerken, opslag en de aansluiting van de verschillende bronopties op elkaar, zou
onderdeel moeten zijn van die visie. Een visie is overigens geen exacte blauwdruk.55 Dat
52
   Dit wordt ook breed gedragen door de in Van der Vooren & Ros (2014) geïnterviewde experts.
53
   Vergelijk Ros (2015), p. 6, Schoots en Hammingh (2015), p. 9 en p. 200 e.v., en IEA (2015), p. 17, die allen hetzelfde bepleiten.
54
   IEA (2015), p. 155.
55
   Ros (2015), p. 6 e.v..
Oppakken en doorpakken                                                                                                               33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>is onmogelijk. Wel laat zo’n visie de richtingen zien waarin gedacht wordt (en waar de
voorkeuren liggen) en hoe de samenhangen in het energiesysteem zullen zijn. Als men
voorziet dat elektriciteit een overheersende rol gaat spelen binnen de energievoorziening
is vervolgens de vraag aan de orde hoe die elektriciteit zo duurzaam mogelijk opgewekt
kan worden. Als de toekomstige energievoorziening op andere energiedragers zal
steunen, dringen zich weer andere uitdagingen op. Heeft het energiesysteem van de
toekomst vooral een centraal of juist decentraal karakter, of een combinatie daarvan? De
gevraagde visie kleurt dit soort aspecten in. Daarbij zullen soms nu al keuzes gemaakt
worden;56 indien dat nog niet mogelijk (of nodig) is, is het wel verstandig alvast
duidelijkheid te geven over de te zijner tijd te hanteren criteria – dit maakt het beleid
voorspelbaarder en consistenter en dat helpt private partijen weer bij hun beslissingen.
De heldere visie op het (duurzame) energiesysteem van de toekomst zal een belangrijk
richtinggevend uitgangspunt zijn bij de invulling van het beleid voor energie-innovatie. Dit
beleid zal op drie pijlers moeten steunen. Allereerst zal er gezorgd moeten worden voor
een goed ecosysteem voor (energie)innovatie. De basisvoorwaarden voor succesvolle
innovatieprocessen rond energie moeten er zijn. Ten tweede moet er meer aandacht
komen voor innovatieprikkeling in het algemene energiebeleid. Ten derde zal in
aanvulling hierop nog gericht beleid nodig zijn om een aantal doorbraken te bereiken. Het
gaat dan om innovatieprocessen die niet van de grond komen op basis van de eerdere
twee pijlers, maar die wel interessant genoeg (kunnen) zijn voor Nederland om een
gerichte inzet rechtvaardigen. Deze drie pijlers tezamen vormen een brede, adaptieve
portefeuillebenadering van energie-innovatie, waarvoor recent ook gepleit is door een
interdepartementale commissie.57
Hieronder worden deze drie pijlers uitgewerkt.
1. Een goed klimaat voor (energie)innovatie:
Het ideale innovatiesysteem voor energie-innovatie is beschreven in paragraaf 2.2. Om
de huidige praktijk en netwerken rond energie-innovatie te verbeteren is in de eerste
innovatiefasen meer dynamiek nodig, maar ook rond de demonstratiefase stokt het
proces soms. Dat vereist aandacht. Bovendien kan de aansluiting tussen de
verschillende fasen in een innovatieproces beter. Verzeker bijvoorbeeld dat bedrijven
bereid zijn om ontwikkelde kennis door te ontwikkelen, en zorg voor marktcreatie voor
innovaties. Daarnaast is beleid nodig dat versnippering van kennis voorkomt en dat
sociale en economische innovatie verbindt met technologische innovatie; heb
56
   Ros (2015), p. 8-10, beschrijft drie belangrijke ‘afwegingen’ waarvoor een keuze gemaakt moeten worden.
57
   Ministerie van Financiën (2016).
Oppakken en doorpakken                                                                                     34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>bijvoorbeeld ook aandacht voor de ontwikkeling van de juiste netwerken (‘samenwerking’)
van bedrijven en andere partijen om innovaties daadwerkelijk succesvol toe te passen.58
De overheid kan bijdragen aan een goed werkend ‘innovatiesysteem’ voor energie-
innovatie door de voorwaarden daarvoor te creëren: een uitstekende kennisbasis,
langetermijnperspectieven en zekerheid, het geven van de juiste prikkels voor innovatie
en daarbij ook het commitment om bij te dragen aan de toepassing en uitrol van nieuwe
innovatieve technologie en werkwijzen.
2. Het bestaande energiebeleid meer richten op innovatie
Er kan al veel bereikt worden door de huidige beleidsinstrumenten aan te passen en ze
met enkele ingrepen méér te richten op het (ook) prikkelen van innovatie. 59 Deze
maatregelen zijn voor de overheid kostenneutraal te organiseren.60 Zo kan op relatief
eenvoudige wijze energie-innovatie sterker bevorderd worden dan nu het geval is.
Doeltreffende manieren om energie-innovatie te stimuleren zijn:
        ►        Adequate beprijzing van externe effecten van niet-duurzame bronnen en CO2-
                 uitstoot.61 Voor de ETS-sectoren kan dat door aanpassing van het ETS. Dit
                 creëert meer zekerheid en marktkansen voor innovaties die CO2-uitstoot
                 beperken. Zolang de prijs onder dat niveau blijft, zijn aanvullende maatregelen
                 op nationaal niveau te overwegen (bijvoorbeeld een minimumprijs voor CO2
                 invoeren, zoals in het Verenigd Koninkrijk gedaan is en nu voorzien wordt in
                 Frankrijk, of rechten aankopen bij sluiting van kolencentrales). Daarnaast kan
                 de overheid wijzigingen aanbrengen in de energiebelastingen, zodanig dat
                 CO2-uitstoot hoger belast en schone of low carbon energie niet of minder
                 belast wordt. Zo worden markten gecreëerd voor duurzame energie en
                 energiebesparing. Daarbij liggen de kansen vooral bij de energievoorziening
                 van huishoudens. Bedrijven hebben immers te maken met internationale
                 concurrentie en een eenzijdige substantiële verhoging van de belastingdruk
                 verstoort het level playing field.
        ►        Ondersteuning van bedrijven door het terugsluizen van de opbrengsten van de
                 ETS-veilingen naar bedrijven onder voorwaarde dat geïnvesteerd wordt in
                 energie-efficiëntie of low carbon technologie;
58
   Zie Krijger (2016).
59
   PBL (2016) ziet in dit ‘verbinden van innovatie en implementatie’ de sleutel liggen van een succesvol transitiebeleid; ook het
   Ministerie van Financiën (2016) pleit ervoor om ‘klimaatinnovatie’ meer als zodanig te stimuleren – het huidige algemene energie-
   en klimaatbeleid zijn waarschijnlijk niet voldoende.
60
   Deze maatregelen zouden géén (publiek) geld hoeven te kosten (bijvoorbeeld door normstelling) dan wel zouden de benodigde
   fondsen gevonden kunnen worden door bestaande geldstromen voor een deel om te buigen (bijvoorbeeld door een klein deel van
   het totale budget dat beschikbaar is voor SDE+ om te buigen richting innovatie of door het terugsluizen van veilingopbrengsten van
   emissierechten ten behoeve van innovatie).
61
   In dezelfde zin: Ministerie van Financiën (2016).
Oppakken en doorpakken                                                                                                             35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>        ►       Het stellen van oplopende efficiëntie-eisen bij de uitrol van duurzame energie
                (bijvoorbeeld onder de SDE+) en het meer afstemmen van de subsidies op
                kostenreducties en de te doorlopen leercurves (zoals bij Wind op Zee al voor
                een deel gebeurt).
        ►       Voortschrijdende normstelling: dit is een zeer effectief middel en de kosten die
                ermee gemoeid zijn, vallen in beginsel buiten het overheidsbudget; waar het
                producten of diensten betreft, moeten zulke normen eigenlijk via de EU
                opgelegd worden. Te denken valt wel aan normen voor de uitstoot van CO2
                voor bijvoorbeeld kolencentrales.
Werk maken van deze stimulansen voor efficiëntieverbeteringen en kostenreducties is
urgent: er is veel winst te behalen in termen van vermeden CO2-uitstoot, maar een
sterkere focus op innovatie draagt ook zeker bij aan een beter innovatiesysteem
en -klimaat. Er is immers een voortdurende extra prikkel om efficiëntie te verhogen en te
zoeken naar innovatieve oplossingen. Deze prikkels tot energie-innovatie zullen naar
verwachting vooral effectief zijn om incrementele innovaties te bevorderen, al kunnen bij
hogere CO2-prijzen ook meer radicale vernieuwingen betaalbaar worden.
3. Gericht beleid om te zorgen voor doorbraken rond energie-innovatie (radicale
innovatie)
Het doel van een duurzame energievoorziening in 2050 is zo ambitieus dat niet alleen
efficiëntieverbeteringen en kostenreducties nodig zijn, maar ook een aantal (andere)
grote doorbraken. Binnen de wereldwijde zoektocht naar zulke doorbraken kan
Nederland zeker een rol vervullen. Dat vereist wel dat de overheid leiderschap toont
zodanig dat de hiervoor in te zetten publieke middelen zo goed mogelijk renderen (en ook
de private middelen daar zo effectief mogelijk op aansluiten).
Om een aantal van zulke doorbraken te kunnen realiseren is er specifiek beleid nodig
gericht op energie-innovatie.62 Aan de ene kant zijn er samenhangende, langjarige
innovatieprogramma’s nodig die bijdragen aan veelal radicale innovaties die cruciaal zijn
voor de vorming van een nieuw (duurzaam) energiesysteem.63 Bij de keuze van de
onderwerpen voor die programma’s zal aangesloten moeten worden bij de visie op het
toekomstige energiesysteem. De overheid is de partij die – in samenwerking met het
bedrijfsleven, kennisinstellingen en andere betrokkenen - bij zulke programma’s een
beperkte selectie moet maken van thema’s die voor Nederland het meest interessant zijn
en – daarbinnen – de concrete innovatieopgaven die het meest kansrijk zijn voor
Nederland. Hierop moet de aandacht gefocust worden. Dit keuzeproces wordt hieronder
toegelicht. Aan de andere kant is het essentieel om ook een meer open programma te
62
   Zie ook: PBL en ECN (2013), p. 8 en 38.
63
   Vergelijk IEA (2013, p. 136): “[G]overnments should facilitate the emergence of disruptive, ‘game changing’ technologies.”
Oppakken en doorpakken                                                                                                        36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>hebben waarin ruimte gegeven wordt aan het uitwerken van enkele high impact/high risk
projecten. Deze vrijheid is belangrijk, want veel is nog onzeker over hoe onze
energievoorziening en economie zich gaan ontwikkelen en dan is diversiteit nuttig.64
Deze gerichte stimulering van energie-innovatie wordt hierna verder uitgewerkt: hoe moet
de overheid gericht radicale innovatie stimuleren en hoe moet ze daarbij keuzes maken?
Daarbij heeft het beleid uit andere landen (zie vorige paragraaf) als een bron van
inspiratie gediend.
2.6 Hoe kan de overheid radicale innovatie stimuleren?
De overheid kan radicale innovatie sturen door innovatieprogramma’s. Zeker als het gaat
om grootschalige programma’s – die bij energie zeker aan de orde zullen zijn65 – zijn
grote private en publieke investeringen nodig. De vraag is daarbij of de overheid zelf
moet kiezen welke radicale innovatie of welke energieoplossingen een kans moeten
krijgen. Het antwoord is zowel ‘ja’ als ‘nee’. Ja, de overheid moet kiezen omdat focus
noodzakelijk is. Nederland moet een gerichte bijdrage leveren aan de energietransitie,
een bijdrage die past bij onze geografische omstandigheden, onze economie, kennis en
infrastructuur. Daar is het potentieel het grootst. De inzet van de publieke middelen is
daar dan ook het meest verantwoord.66 Daarvoor zijn gerichte ofwel missiegedreven
innovatieprogramma’s nodig. Deze worden hieronder verder uitgewerkt.
Maar aan kiezen en missies zijn ook risico’s verbonden: de keuze kan verkeerd
uitpakken, bijvoorbeeld door een verandering van externe omstandigheden of doordat de
ontwikkeling van de technologie toch niet succesvol blijkt te zijn. Daarnaast is er gewoon
nog veel onzeker. Juist vanwege die onzekerheid over de omgeving en de ontwikkeling
van toekomstige technologie moet de overheid niet alle kaarten zetten op een beperkt
aantal programma’s gericht op enkele specifieke doorbraken, maar ook ruimte (blijven)
bieden aan nieuwe onverwachte ideeën en oplossingen. Het is met andere woorden,
rationeel om voor een deel ook niet te kiezen en in die zin alle opties open te houden.
Een open benadering draagt zeker ook bij aan het innovatiesysteem en -klimaat. De
open benadering kan vorm krijgen binnen een programma gericht op high impact/high
risk projecten. Dit wordt hieronder eerst uitgewerkt.
High impact/high risk programma’s
Veel landen werken met een vorm van open competitie voor onderzoek en innovatie. Ook
Nederland zou dat kunnen doen. Nederland zou zich ten doel kunnen stellen per jaar
minimaal tien nieuwe high impact/high risk projecten te steunen, die een looptijd hebben
64
   Van Son (2015).
65
   Naast grootschalige programma’s gericht op enkele grote doorbraken zijn ook kleinere, meer gerichte programma’s denkbaar.
66
   Zie ook: Algemene Energieraad (2007), p. 52, en IEA (2015), p. 155.
Oppakken en doorpakken                                                                                                       37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>van twee tot vijf jaar. Binnen een high impact/high risk project gaat het er om een eerste
idee verder uit te werken en de haalbaarheid nader te onderzoeken. Dat kunnen
technologische vernieuwingen zijn, maar zeker ook projecten die vooral sociale innovatie
beogen. Te verwachten valt dat de meeste ideeën of projecten uiteindelijk niet (helemaal)
succesvol zijn. Maar de kans bestaat dat enkele projecten de basis zullen zijn voor
verdere ontwikkeling en uitvoering. Uiteraard kan ook van projecten die niet succesvol
zijn worden geleerd, en ze kunnen tot resultaten te leiden die van toepassing blijken te
zijn buiten de energiesector. Een deel van de projectfinanciering kan worden toegewezen
op basis van prijsvragen (‘verzin een oplossing voor probleem x’). Een ander deel kan op
basis van een volledig open competitie plaatsvinden. Selectiecriteria kunnen dan zijn:
►      Potentiële bijdrage aan CO2-reductie (maak ook een schatting van de kosten per
       vermeden CO2-uitstoot).
►      Technische haalbaarheid voldoende beargumenteerd.
►      Er is een meerwaarde: geen herhaling van wat al in het buitenland gebeurt of is
       gebeurd.
Van belang is dat de overheid hier, zeker voor het vrije gedeelte, niet zelf kiest en ‘top-
down’ oplegt, maar ervoor zorgt dat via een open competitie de beste ideeën een kans
krijgen voor verdere ontwikkeling (ruimte voor ‘bottom-up’). De selectie moet dan
gemaakt worden door een team van deskundigen. In het gedeelte dat via prijsvragen
verdeeld wordt, is iets meer ruimte voor sturing (namelijk via de formulering van de
vraag), maar zou maximale ruimte moeten bestaan voor de (aard van de) oplossingen,
zodat ook hier de creativiteit maximaal gestimuleerd wordt.
Missiegedreven innovatieprogramma’s
Een missiegedreven innovatieprogramma is een samenwerkingsverband van kennis-
instellingen, de overheid en bedrijven dat zich richt op samenhangende projecten met
een missie op het gebied van uitwerking, doorontwikkeling, demonstratie en implemen-
tatie van een technologie- of systeeminnovatie. Sociale en economische innovatie maken
deel uit van het programma, mogelijk via betrokkenheid van maatschappelijke partijen.
Deze vormen van innovatie zijn in de praktijk namelijk vaak cruciaal om tot daadwerke-
lijke grootschalige toepassing in de praktijk te komen. Voor missiegedreven innovatie is
langetermijnfinanciering nodig. Belangrijk is dat de overheid en de andere relevante
partijen zich committeren om bij veelbelovende innovatie ook door te pakken, en de
technologie of systeemkennis te benutten en gebruiken. Dat betekent dat de overheid
bereid moet zijn zo nodig bij te dragen aan de uitrol, marktcreatie en/of infrastructuur.
Nederland zou zich ten doel moeten stellen om zo’n zes goedgekozen missiegedreven
innovatieprogramma’s op te stellen, en zich moeten committeren voor de hele
Oppakken en doorpakken                                                                      38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>ontwikkelingsfase, inclusief uitrol en zo nodig bijdragen aan de benodigde infrastructuur
en/of marktcreatie.
Kenmerken missiegedreven innovatieprogramma:
De missiegedreven innovatieprogramma’s zijn langjarig en hebben een duidelijke
doelstelling. Ze bestaan uit sterk samenhangende projecten die gezamenlijk tot de
realisatie van de missie moeten leiden en hebben enkele gemeenschappelijke
kenmerken:
a. adequate aansturing
        ►       door een multidisciplinair team van (internationale) deskundigen, met
                participatie van de overheid, op basis van een agenda die gedeeltelijk bottom-
                up tot stand komt (kennisinstellingen, bedrijven, gebruikers, maatschappelijke
                organisaties hebben inbreng in de agenda);
        ►       samenhang binnen het programma: het programma heeft een duidelijke focus
                en de afzonderlijke projecten worden daar planmatig van afgeleid en zijn
                daardoor met elkaar verbonden, en die verbindingen worden binnen het
                programma ook gelegd, waarbij sociale en economische innovatie worden
                meegenomen;67
        ►       verbinding met andere missiegedreven programma’s en relevant beleid wordt
                actief gezocht;
b. duidelijke doelstellingen en monitoring voortgang
        ►       duidelijke doelstellingen, gerelateerd aan het energiesysteem van de toekomst
                en CO2-reductie, alsmede doelstellingen die het verdienpotentieel betreffen;
        ►       een meerjarenprogramma: langjarige duidelijkheid, maar ook langjarige
                planning met oog voor de goede afstemming tussen de verschillende fasen in
                het innovatieproces;
        ►       adequate monitoring van resultaten in relatie tot de doelstelling en planning en
                jaarlijkse rapportage;
        ►       Een ‘stop of ga door’ procedure: onderdelen van het programma die na een
                redelijke tijd niet werken of niet bijdragen aan het realiseren van de doelstelling
                kunnen gestopt worden;
67
   De voorgestelde programma’s zijn dus duidelijk iets anders dan een projectenportfolio met een overkoepelend thema (waarin
   ruimte is voor allerlei verschillende innovatieprocessen en waarbij tussen de projecten niet per se samenhang bestaat), wat de
   aanpak van het Duitse federale ministerie BMWi voor economie en energie lijkt te zijn (zie BMWi, 2014). Ook de ‘meerjarige
   programma’s’ die de Topsector Energie (2016, p. 4) suggereert, lijken van het brede paraplu-type – dat is dus iets anders dan de
   AWTI nu voorstelt. De focus van de door de AWTI voorgestelde programma’s ligt meer op het niveau van wat de Topsector
   Energie (2016) ‘programmalijnen’ noemt. De planmatige aanpak van onze meerjarenprogramma’s lijkt op de Energy Innovation
   Hubs in de VS.
Oppakken en doorpakken                                                                                                              39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>c. werkwijze
      ►       internationale oriëntatie: samenwerking met buitenlandse partners, participatie
              in Europese programma’s;
      ►       duidelijke spelregels en financieringsuitgangspunten: hoe meer experimenteel
              de projecten, hoe groter de publieke bijdrage; hoe meer gericht op toepassing
              en implementatie, hoe groter de private bijdrage;
      ►       interactie met gebruikers, consumenten;
      ►       open voor participatie van belangstellende bedrijven en kennisinstellingen;
      ►       waar zinvol werken met experimenten en pilots;
d. commitment gedurende het hele traject
      ►       commitment voor wat betreft de uitrol en implementatie: bedrijven die bereid
              zijn te investeren en een overheid (landelijk, of provinciaal, lokaal) die bereid is
              om belemmeringen weg te nemen en om te investeren in infrastructuur als dat
              nodig is voor een vervolgstap. Daarvoor is reservering van middelen nodig.
Naast deze overeenkomsten zullen er uiteraard ook verschillen zijn tussen de individuele
programma’s: sommige programma’s vereisen bijvoorbeeld nauwe samenwerking en
interactie met gebruikers, andere minder. Sommige zullen vooral gericht zijn op
technologieontwikkeling, andere minder.
Inbedding en governance energie-innovatie: Task force energie-innovatie
Voor het succes van deze gerichte programma’s voor energie-innovatie is een goede
aansturing essentieel. Dit kan door middel van een task force, waarbij de overheid,
kennisinstellingen en bedrijven betrokken zijn, met daarbij vertegenwoordigers van
maatschappelijke organisaties. De missiegedreven programma’s en de high impact/high
risk programma’s kunnen zo onder één bestuurlijk dak ondergebracht worden om
versnippering en fragmentatie te voorkomen en synergie te bevorderen.
Kenmerken Task force energie-innovatie
De overheid heeft bij de Task force energie-innovatie een meer leidende rol dan nu
binnen de Topsector energie. Daarvoor bestaan de volgende redenen: (a) de 2050-
ambitie komt van de overheid, (b) de te maken keuzes zijn een politieke keuze (wat doe
je wel/wat doe je niet; er is samenhang met de visie op het energiesysteem van de
toekomst), (c) het gaat om inzet van substantiële publieke middelen, en (d) er zijn ook
consequentie aan verbonden voor de overheid doordat deze zich committeert om de
innovatie te helpen uitrollen (o.a. infrastructuur aanleggen).
De Task force bestaat verder uit deskundigen en betrokkenen uit binnen- en buitenland
die gezamenlijk het veld overzien en in staat zijn besluiten te nemen. De overheid is er
Oppakken en doorpakken                                                                           40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>verantwoordelijk voor dat er thema’s gekozen worden voor de missiegedreven
innovatieprogramma’s (zie volgende paragraaf).68 De Task force als geheel is
verantwoordelijk voor de sturing/coördinatie van het high impact/high risk programma en
van de missiegedreven programma’s. De Task force bewaakt de samenhang en de
voortgang (wel/niet stoppen) en zorgt voor heldere criteria/regels voor het programma-
management binnen de missiegedreven programma’s en monitort dat deze worden
nageleefd. De Task force zorgt ook voor internationale inbreng en samenwerking. Ten
eerste mede om te bewaken dat er gefocust wordt op die gebieden waar Nederland
daadwerkelijk een koploper is of kan worden. Ten tweede omdat samenwerking met
buitenlandse partijen het innovatieproces sneller doet verlopen. Bovendien zorgt de Task
force voor een goede verbinding met universiteiten en kennisinstellingen, bijvoorbeeld via
de Nationale Wetenschapsagenda. De Task force energie-innovatie legt jaarlijks
verantwoording af aan de Minister van Economische Zaken en die van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap.
De missiegedreven programma’s zelf en het high impact/high risk programma kennen
hun eigen programmabureau en interne organisatie. De agenda’s binnen de
programma’s komen vooral bottom-up tot stand. De Task force bewaakt en bevordert de
samenhang vanuit een heldere langetermijnvisie en doelstelling.
Task force energie-innovatie en de Topsector Energie
De ‘Task force energie-innovatie’ kan voortbouwen op hetgeen bereikt is in de Topsector
Energie, en de samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven waar nodig verder
uitbouwen. Er zijn echter belangrijke verschillen tussen enerzijds de missiegedreven
progamma’s en het high impact/high risk programma en anderzijds de huidige opzet van
de Topsector Energie. Waar de Topsector Energie sterk is in een brede waaier van
technologische projecten op korte termijn die zich vooral aan het eind van de innovatie-
keten bevinden en met beperkte financiering, moet de Task force energie-innovatie zich
richten op innovatieprocessen met een langere tijdhorizon met een specifieke missie en
daarbij juist ook aandacht besteden aan de sociale en economische innovatie die nodig
is. Dat leidt tot de vraag hoe de Topsector Energie met zijn aansturing door een
‘Topteam’ zich verhoudt tot de programma’s gericht op radicale innovatie met aansturing
door de Task force energie-innovatie.
Een eerste optie hierbij is dat de Topsector en de programma’s voor radicale innovatie
naast elkaar bestaan, ieder met hun eigen focus, karakter en aansturing (door Topteam
respectievelijk Task force). Een nadeel hiervan is dat kennis en ervaring versnipperd
kunnen blijven. Een tweede optie is het onder één paraplu brengen van de Topsector
68
   Zie ook: Algemene Energieraad (2007) en IEA (2015), p. 155.
Oppakken en doorpakken                                                                   41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Energie en de programma’s voor radicale energie-innovatie. Beide kunnen dan
aangestuurd worden door de Task force energie-innovatie. Dit kan bereikt worden door
de huidige Topsector Energie bestuurlijk te laten doorgroeien tot een organisatie die de
kenmerken bezit van de hierboven beschreven Task force energie-innovatie en die ook
de beschreven programma’s voor radicale innovatie kan accommoderen. Bij deze laatste
optie zal er ruimte moeten zijn voor differentiatie tussen enerzijds incrementele innovatie
(voortzetting van de huidige Topsector Energie) en anderzijds programma’s voor radicale
innovatie (hierboven beschreven). Rond radicale innovatie zullen in ieder geval de
beperkingen die nu inherent zijn aan de topsectorenaanpak (met name de kortdurende
financiering) moeten worden opgeheven.69 Bovendien zijn een meer leidende rol voor de
overheid en een sterkere internationale inbreng nodig.
2.7 Kiezen voor focus: een afwegingskader
Een tweeledig afwegingskader is nodig.
Innovatieprogramma’s worden niet opgetuigd voor een kortdurende periode, ze kosten
geld en vereisen commitment. Daarom is het belangrijk om goed te kiezen. Eerder
adviseerde de Algemene Energieraad al om een ‘strategische agenda’ voor de
stimulering van energie-innovatie op te stellen waarbij die agenda zou moeten leiden tot
een ‘sterke reductie van het aantal technologieën waarin Nederland in de toekomst gaat
investeren.’70 Meer focus en een duidelijkere doelstelling zal de resultaatgerichtheid
vergroten en daarmee het ontwikkelingsproces versnellen. Ook het Internationaal
Energieagentschap (IEA) wijst op het belang van priority setting en betoogt dat het
raadzaam is om daarvoor een gestructureerde analyse en helder proces te hebben; zo
niet, dan mist het beleid coherentie en wordt het minder effectief.71
Hiervoor gaven we al aan dat de overheid ervoor verantwoordelijk zou moeten zijn dat er
thema’s gekozen worden voor de missiegedreven innovatieprogramma’s en dat zich dat
vervolgens vertaalt in een zekere focus op een aantal samenhangende innovatieopgaven
die met voorrang opgepakt worden in die programma’s. De AWTI schetst hier een
afwegingskader dat de overheid hierbij kan gebruiken. Voor de invulling van dat
afwegingskader is uiteindelijk specialistische kennis en kunde nodig, van binnen en
buiten de overheid en uit binnen- en buitenland. En zelfs met die specialistische kennis is
het nog geen gemakkelijke opgave. De verschillende opties zijn immers vaak nog
onzeker: de meeste opties of technologieën hebben ‘believers’ en ‘non-believers’. Wie
gelijk heeft blijkt pas veel later, als de technologie doorontwikkeling heeft ondergaan.
69
   Zie ook paragraaf 2.3 en bijlage 2, alsmede Van der Vooren en Ros (2014); vergelijk: AWTI (2016).
70
   Algemene Energieraad (2007), p. 52.
71
   IEA (2013), p. 131, vergelijk: IEA (2015), p. 155.
Oppakken en doorpakken                                                                               42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Maar uiteindelijk vraagt het maken van een keuze ook om een afweging van het ene
belang tegenover het andere en om een afweging hoe goed elke optie past bij het
energiesysteem van de toekomst dat de samenleving voor ogen staat. Dat is toch meer
een ‘politieke’ keuze. Een goed afwegingskader kan de overheid helpen bij het maken
van die keuzes.72
In de visie van de AWTI is een tweeledig afwegingskader nodig. De eerste stap richt zich
op het selecteren van die opties die voor Nederland interessant zijn of kunnen zijn als
‘bron’ in de toekomstige, duurzame energievoorziening. Daarbij speelt de (overheids)visie
op de energievoorziening van de toekomst een belangrijke rol. Interessant om nader te
bekijken zijn die opties die een groot potentieel hebben, maar waarvoor nog een aantal
flinke innovatiestappen genomen moeten worden.
De tweede stap is het selecteren van concrete innovatieopgaven (binnen de gekozen
bronopties) waar Nederland een bijdrage aan kan leveren. Het doel van het afwegings-
kader is immers om die ‘doorbraak-innovatieopgaven’ te selecteren waar Nederland – via
de missiegedreven programma’s – het best zijn aandacht op kan richten. Zo’n innovatie-
opgave kan meestal niet op zichzelf staan – er is verbinding nodig met de omgeving. De
toepassing moet mogelijk zijn, het innovatieproces moet ‘kloppen’ en dat vereist vaak ook
het creëren van een (nieuw) business model of zelfs nieuwe markten. Daarom is het van
belang dat de innovatieopgave hoort bij een bronoptie die goed aansluit bij Nederland.
Het afwegingskader helpt om de verschillende innovatieopgaven te vergelijken en
prioriteit aan te brengen. Op basis hiervan kan een selectie gemaakt worden van die
innovatieopgaven die aangepakt zullen worden in de langjarige, missiegedreven
innovatieprogramma’s.
Invulling van het afwegingskader, stap 1
De selectie van bronopties kan plaatsvinden door te kijken naar een aantal criteria die
samen een indicatie opleveren van de aantrekkelijkheid voor Nederland van een
bepaalde optie die bijdraagt aan de toekomstige, duurzame energievoorziening.
Hieronder worden deze criteria uitgewerkt, maar kortweg komen ze erop neer dat het
gaat om
►      wat de verwachte effecten zijn van die optie (in hoeverre dragen ze bij aan de
       doelen?),
►      in hoeverre Nederland een relatief voordeel heeft voor die optie, en
►      hoe goed een optie past binnen onze visie op het energiesysteem van de toekomst.
72
   Ook de Algemene Energieraad (2007, p. 52) concludeerde dat in het energiedomein het ‘veld’ als geheel waarschijnlijk niet in staat
   zou zijn – zonder de overheid - zo’n scherpe selectie van prioriteiten voor energie-innovatie te maken.
Oppakken en doorpakken                                                                                                             43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Voor de toepassing van deze eerste stap uit het afwegingskader kan men de
verschillende (bron)opties in de energievoorziening (fossiel, zon, wind, kernenergie,
aardwarmte, et cetera, of juist het besparen van energie) ‘toetsen’ aan de hand van deze
criteria. Dat geeft een idee van hun relatieve aantrekkelijkheid voor Nederland als optie
voor de energietransitie. Dit kan per energiefunctionaliteit aangepakt worden. De opties
zullen heel verschillend scoren: sommige hebben een groot potentieel effect, maar
Nederland heeft daarbij geen voordelige positie, terwijl er ook gevallen zullen zijn dat
Nederland zeer goed gepositioneerd is, maar de betreffende optie misschien niet past in
onze visie of dat de verwachte effecten beperkt zijn. Het is nuttig dat deze verschillen
expliciet worden. Dat is belangrijk in het uiteindelijke afwegingsproces.
De drie genoemde, relevante criteria worden hier nader uitgewerkt:
►      Wat zijn de verwachte effecten?
Het eerste criterium betreft de potentiële bijdrage aan het realiseren van de verschillende
doelen. Hoe groter die bijdrage, hoe aantrekkelijker de optie. Het gaat dan om:
       ►      CO2–reductiepotentieel;
       ►      betaalbaarheid: verwachte kosten voor de lange termijn niet te hoog (wat zijn
              de verwachte kosten per vermeden hoeveelheid CO2?);
       ►      verdienpotentieel: verwachte kansen voor het bedrijfsleven;
       ►      mogelijke schadelijke bijeffecten/risico’s voor de omgeving;
       ►      betrouwbaarheid: bijdrage aan de voorzieningszekerheid.
►      De relatieve positie van Nederland:
Bronopties waarvoor Nederland (op een of meer aspecten) een goede uitgangspositie
heeft ten opzichte van (of in samenwerking met) andere landen, zijn in principe
aantrekkelijker om de aandacht op te richten. Het gaat dan om:
       ►      Is er een kans op internationale samenwerking met positieve offspring naar
              Nederland?
       ►      Is Nederland geschikt voor de technologie qua ligging, klimaat, infrastructuur
              enz.?
       ►      Is het een opportuniteit? Voor de maatschappij (ook qua draagvlak)? Voor
              de economie van Nederland? Sluit het aan bij waar Nederland kennis en
              bedrijven heeft?
►      Aansluiting op het beoogde energiesysteem
Zoals hiervoor aangegeven is het van belang dat er een heldere visie op de contouren
van de toekomstige energievoorziening wordt ontwikkeld. Dat geeft ook richting bij de
selectie van bronopties: in hoeverre sluiten deze aan bij (de kenmerken van) het beoogde
energiesysteem? Bijvoorbeeld: als er binnen de visie geen rol is voor kernenergie, dan is
Oppakken en doorpakken                                                                       44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>het logisch om kernenergie als aandachtsgebied links te laten liggen. Of: wanneer
Nederland sterk inzet op maximaal gebruik van hernieuwbare bronnen als wind en zon
om daarmee elektriciteit op te wekken en vervolgens in zo veel mogelijk energie-
behoeften met behulp van elektriciteit te voorzien, dan wordt het verbeteren van opslag
en de flexibiliteit van het systeem een zeer relevant aandachtspunt. De overheid zal ook
oog moeten hebben voor de rol die verschillende opties kunnen spelen in het transitiepad
naar een duurzame energievoorziening.73 Duitsland is een voorbeeld van een land waar
de aansluiting op het beoogde energiesysteem een dominant criterium is in het beleid
voor energie-innovatie. Ook de IEA (2015) wijst op het belang van een heldere visie, die
mede zal afhangen van hulpbronnen, mogelijkheden en de behoeften op lange termijn in
een land; die visie geeft richting bij het bepalen van (innovatie)prioriteiten.
   Visie op de toekomstige energievoorziening
   Er bestaat nu nog geen duidelijk omschreven beeld van de toekomstige energie-
   voorziening van Nederland, al geeft het recente energierapport aanzetten daartoe. Het
   ligt voor de hand de toekomstige energievoorziening zo in te richten dat ze aansluit bij
   de geografische kenmerken van Nederland (veel wind, maar weinig ruimte op land, een
   gematigd klimaat qua zon, weinig vooruitzichten voor waterkracht, kansen voor CCS/U,
   enige kansen voor getijdenenergie, opslag in energiedammen of het IJsselmeer). In
   ieder geval moeten de verschillende elementen (deelsystemen) samen een samen-
   hangend energiesysteem vormen dat leveringszekerheid borgt en betrouwbaar is. Dat
   kan leiden tot een combinatie van centrale en decentrale energieopwekking, met
   flexibiliteit van zowel vraag als aanbod, waardoor aansluiting van vraag en aanbod
   optimaal is. De energievoorziening kan niet in één keer overstappen op CO 2-neutrale
   technologie. Dat betekent dat in overgangsfasen schoner fossiel nodig zal zijn. Bij het
   formuleren van zo’n visie zullen voor een aantal afwegingen keuzes gemaakt moeten
   worden (zie ook: Ros, 2015).
De bedoeling van deze eerste stap van het afwegingskader is het bepalen van een
relatieve maat voor de aantrekkelijkheid van bepaalde opties voor Nederland. Van de
potentiële effecten (inclusief kosten) van de verschillende opties worden in nationaal en
internationaal verband regelmatig inschattingen gemaakt,74 welke gebruikt kunnen
worden. De inschatting van de relatieve positie van Nederland zal een wat kwalitatiever
karakter hebben: voor bepaalde opties zal Nederland in vergelijking met andere landen
73
   Voorziet Nederland bijvoorbeeld dat er in de toekomst meer dan voldoende ‘groen gas’ beschikbaar kan komen, dan kan men in de
   tussentijd aardgas en de bijbehorende infrastructuur blijven gebruiken (en aanleggen), maar voorziet men een grotendeels gasloze
   toekomst, dan zal de aandacht op heel andere gebieden gericht moeten worden.
74
   Zie bijvoorbeeld Schoots en Hammingh (2015, p. 206) of Ros & Schure (2016) voor Nederland en de IEA-publicaties ‘Energy
   Technology Perspectives’ voor een internationaal plaatje.
Oppakken en doorpakken                                                                                                           45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>duidelijk een zeer sterke positie hebben, bij andere is dat minder evident of zelfs
helemaal afwezig. De mate waarin een optie in de energievisie past, ten slotte, zal
afhangen van de concrete visie. Soms zal het betekenen dat een optie niet in beeld is,
omdat de visie die uitsluit; voor andere opties kan ook weer meer kwalitatief gekeken
worden hoe goed het past en hoe relevant de betreffende optie is. Alles bij elkaar
nemend moet het mogelijk zijn om de opties te ranken, eventueel in groepen, van zeer
aantrekkelijk tot niet aantrekkelijk.
Afwegingskader, stap 2:
De hierboven gemaakte voorselectie gaat over (bron)opties die in hun breedte goed bij
Nederland passen en een nuttige bijdrage leveren aan de energietransitie in Nederland.
Dat zegt op zich nog niets over de benodigde innovatieopgaven: voordat de verschillende
geanalyseerde opties de voorziene bijdrage kunnen leveren in een toekomstige,
duurzame energievoorziening, zullen er in veel gevallen nog innovaties (technisch en
niet-technisch) nodig zijn. Deze benodigde innovaties vormen de innovatieopgaven voor
die optie. Daarover gaat deze tweede stap van het afwegingskader: hoe bepalen we op
welke innovatieopgaven rond energie Nederland zich het beste kan richten?
Dat betekent dus dat per interessante ‘bronoptie’ een selectie gemaakt moet worden van
die opgaven die interessant zijn voor Nederland om op te pakken. Dit levert ‘kandidaten’
op voor de missiegedreven innovatieprogramma’s. Uiteindelijk kunnen er dan keuzes
gemaakt worden over welke innovatieprogramma’s prioriteit moeten krijgen. Deze stap
gaat vooral over het inschatten van de slagingskans en het potentieel van een innovatie
voor ons land.
De selectie van kansrijke innovatieopgaven kan als volgt worden aangepakt.
Inventariseer voor de geselecteerde bronopties de verschillende concrete innovatie-
vragen. Scoor deze vervolgens op de volgende criteria, die een indicatie vormen voor de
slagingskans (die samenhangt met hoe gunstig de omstandigheden in Nederland zijn) en
de aantrekkelijkheid van een bepaalde innovatie (die samenhangt met de mogelijkheden
om een markt te creëren of te ‘koppelen’ met andere ontwikkelingen): 75
         ►      Wordt in het buitenland niet hetzelfde gedaan? En is men daar niet veel
                verder? Als dit het geval is, ligt het niet voor de hand om het in Nederland op
                te pakken, hoogstens een niche in samenwerking met ontwikkelingen elders.
         ►      Is de benodigde kennis aanwezig en is Nederland vooraanstaand in de
                wereld? Wat wordt er al gedaan? Bouwt het voort op bestaande kennis en
                initiatieven, bijvoorbeeld binnen de Topsector Energie?
75
   Vergelijk: AER 2007, p. 52-53, en IEA 2013, p. 131. Naast deze criteria zijn enkele andere kenmerken van de innovatie relevant bij
   de analyse, bijvoorbeeld: wat is de typische tijdschaal waarop de ontwikkelingen plaatsvinden? Hoe langer het duurt, hoe meer tijd
   er is om eventuele barrières uit de weg te ruimen.
Oppakken en doorpakken                                                                                                              46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>       ►      Zijn relevante bedrijven aanwezig en bereid te investeren?
       ►      Is een markt aanwezig of te creëren, eventueel met hulp van de overheid?
       ►      Zijn er ‘koppelkansen’ met andere innovaties, sectoren of ontwikkelingen?
              Sluit het aan bij onze economische structuur en bij de maatschappij?
       ►      Is maatschappelijk draagvlak aanwezig of te creëren?
              Het ontbreken van draagvlak kan een grote barrière vormen en daarmee een
              reden zijn om een onderwerp geen prioriteit te geven.
       ►      Zijn er andere barrières voor een bepaalde innovatie(stap), zoals het
              ontbreken van infrastructuur of resources (inclusief menselijk kapitaal)?
              Zeker als er nog tijd is, zouden zulke barrières nog opgelost kunnen worden,
              bijvoorbeeld door de aanleg van infrastructuur, maar het is wel een aspect dat
              in de afweging meegenomen moet worden.
Als de verschillende concrete innovatieopgaven op basis van deze criteria geëvalueerd
zijn, zal er een beeld opdoemen van de innovatieopgaven die het meest interessant en
kansrijk zijn om in Nederland op te pakken. Het is heel goed voorstelbaar dat slechts een
deel van alle innovatieopgaven voor een bepaalde aantrekkelijke bronoptie als
interessant voor Nederland en een (nationaal) missiegedreven innovatieprogramma naar
voren komt. Ook hier geldt weer dat het doel van het afwegingskader is om een relatieve
score te bepalen, zodat de verschillende innovatieopgaven geordend kunnen worden.
Het doel is immers om prioriteiten te kunnen stellen.
Daarbij geldt dat geen van de bovengenoemde aspecten op zichzelf een voldoende
reden is om een bepaalde innovatievraag links te laten liggen, want barrières zouden
bijvoorbeeld opgeruimd kunnen worden, en bedrijven kunnen nog ontstaan. Maar de
verschillende aspecten spelen in het kader van prioritering wel een rol. Innovatieopgaven
die beter scoren zullen in de uiteindelijke afweging aantrekkelijker zijn.
Toepassing afwegingskader:
Het door ons voorgestelde tweeledige afwegingskader zal onder verantwoordelijkheid
van de overheid toegepast moeten worden. Om dat goed te doen zal men, zeker op het
meer gedetailleerde niveau, experts uit binnen- en buitenland moeten betrekken. Het
daadwerkelijk toepassen van het afwegingskader valt buiten dit advies. Wel is een
eerste, tentatieve toepassing gemaakt van het afwegingskader, om een idee te geven
van de voorgestelde methodiek.
In de eerste stap van het afwegingskader gaat het om het identificeren van bronopties die
voor Nederland op het eerste gezicht (relatief) aantrekkelijk zijn. Daarbij letten we op de
drie criteria: (a) de verwachte effecten (o.a. CO2-reductie en kosten), (b) de relatieve
voordelen van Nederland en (c) de mate waarin een optie in de visie op de toekomstige
energievoorziening past. Per functionaliteit (van het energieverbruik) lopen we de
Oppakken en doorpakken                                                                      47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>verschillende (bron)opties langs en ‘scoren’ we elke bronoptie op de genoemde criteria.
Dat levert een zeker rangorde op voor de verschillende opties. Daarnaast maken we de
innovatiebehoeften concreet: welke stappen of doorbraken zijn er nog nodig voordat de
betreffende optie past in de duurzame energievoorziening van de toekomst.
Uit de verschillende innovatiebehoeften selecteren we vervolgens de meest interessante
en kansrijke om in Nederland op te pakken. Hiervoor ‘scoren’ we de verschillende
innovatiebehoeften op basis van de hiervoor relevante criteria (die samenhangen met
slagingskans en het potentieel van een bepaalde innovatie).
In aanvulling op de verschillende energiebron-opties zal energiebesparing ook een rol
spelen. Energiebesparing zorgt ervoor dat er minder energie nodig is (en er dus ook een
kleiner beslag op de bronopties wordt gelegd). Energiebesparing zal bij alle functiona-
liteiten een rol spelen, zij het variërend qua potentieel76 en de bijbehorende concrete
innovatievragen. Verder zien we ook bepaalde innovatieopgaven bij meerdere bronopties
en meerdere functionaliteiten naar voren komen. Dat zijn dus vrij ‘robuuste’ innovatie-
opgaven, wat ze aantrekkelijker maakt om op te pakken.
Bij onze tentatieve toepassing beginnen we met de potentiële effecten van verschillende
opties. Deze zijn in kaart gebracht door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), in
het bijzonder de effecten op de reductie van uitstoot van broeikasgassen.77 De lijst met
meest bijdragende opties voor de functionaliteiten is weergegeven in tabel 1. Naast het
effect op de CO2-uitstoot zijn ook andere aspecten relevant, zoals de betaalbaarheid, het
effect op de betrouwbaarheid en milieu-effecten.
Vervolgens analyseren we voor de verschillende opties bij welke een duidelijk (relatief)
voordeel voor Nederland bestaat. Bijvoorbeeld vanwege onze geografische kenmerken,
economische structuur of kennispositie.
Het laatste punt, de aansluiting bij de energievisie, is nog niet in te vullen, doordat zo’n
duidelijke visie op het toekomstige, duurzame energiesysteem in Nederland nog
ontbreekt.
76
   Zie ook Figuur 1.
77
   PBL heeft hierbij gebruik gemaakt van een model (E-design), waarmee verschillende scenario’s voor een (Nederlandse) energie-
   voorziening met 80 of 95% minder uitstoot van broeikasgassen in 2050 zijn doorgerekend. Hoewel de precieze aandelen van elke
   (bron)optie van scenario tot scenario verschillen, durft het PBL toch wel een bepaalde grove inschatting te geven over de verhou-
   ding van de potentiële bijdragen van de verschillende (bron)opties; die inschatting gebruiken we hier. Voor een recente versie van
   de lijst zie: Ros en Schure (2016).
Oppakken en doorpakken                                                                                                              48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Tabel 1 Voorbeeld van het hanteren van het afwegingskader. Onderdeel: potentiële bijdrage van
         technologieën aan CO2-emissiereductie
Functionaliteit                         Optie                                Effect emissiereductie
Lagetemperatuurwarmte                   Elektrische warmtepompen             ♦♦♦
                                        Warmtenet (o.a.                      ♦
                                        geothermie)
                                        Groen gas*                           ♦♦♦♦♦
Hogetemperatuurwarmte                   Energiebesparing (radicaal) ♦ ♦ ♦
                                        CCS in industrie/raffinage           ♦♦♦
                                        Biobased proces/grondstof* ♦ ♦ ♦ ♦ ♦
Elektriciteit                           Wind                                 ♦♦♦
                                        Kernenergie                          ♦♦♦
                                        Zon-pv                               ♦♦
                                        Fossiel met CCS                      ♦♦
Mobiliteit                              Nul-emissie wegvervoer               ♦♦♦
                                        Biobrandstoffen*                     ♦♦♦♦♦
Cross-functioneel                       Power-to-X                           ♦♦
* De met de asterisk gemarkeerde opties hebben samen het aangegeven effect op de
  emissiereductie, de verdeling over de verschillende functionaliteiten geeft PBL niet.
Bron: PBL (2015), p. 7; de inschatting van het effect is gebaseerd op het model ‘E-design’ van PBL.
Hieronder illustreren we voor twee functionaliteiten, namelijk hogetemperatuurwarmte en
elektriciteit, de concrete toepassing van het afwegingskader, waarbij we aantekenen dat
het hier gaat om een eerste, tentatieve toepassing. Bovendien wijzen we erop dat het
uiteindelijk een meer kwalitatieve afweging is, waarbij het afwegingskader wel dwingt om
de verschillende relevante aspecten expliciet te maken en, waar mogelijk, ook helpt om
verschillende opties te ordenen. Dat laatste is relevant omdat het afwegingskader moet
helpen om keuzes te maken, te prioriteren.
Oppakken en doorpakken                                                                              49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Functionaliteit ‘hogetemperatuurwarmte’
Bronoptie: energiebesparing (door herijken processen)
Een van de opties die het PBL (2015) noemt is energiebesparing door het radicaal
herijken van industriële processen. Voor ongeveer een derde van de processen is een
alternatief commercieel beschikbaar met significant lagere energievraag en CO 2-emissie,
voor de resterende twee derde niet. Daarvoor is nader onderzoek en ontwikkeling nodig.
Stap 1: Hoe ‘scoort’ deze bronoptie?
►       Effecten: het (potentiële) effect op CO2-reductie is groot, het effect op het milieu ook
        positief en er is duidelijk een verdienpotentieel zodra de alternatieve processen
        concurrerend blijken. Er zullen wel aanzienlijke investeringen gedaan moeten
        worden voordat die fase bereikt is voor een aantal processen.
►       Voordeel Nederland? Deze optie past goed bij Nederland voor die industriële
        processen (of producten) waarin Nederland nu een sterke positie heeft, qua kennis
        en bedrijven.78 Bovendien is het maken van stappen op dit terrein essentieel voor
        Nederland, omdat de energie-intensieve industrie momenteel een substantieel deel
        van onze economie vormt.
►       Past het in de visie? Ja, want het stelt Nederland in staat een vooraanstaande
        positie in de industrie te houden, terwijl de bijbehorende energiedruk sterk afneemt.
Onze tentatieve conclusie is dat deze (bron)optie zeker interessant is voor Nederland.
Stap 2: De innovatiebehoeften bij deze bronoptie variëren per industrieel proces (of
product). Hier geven we enkele voorbeelden, die we kort analyseren.
Ten eerste een alternatief voor het huidige staalproductieproces: Hisarna.79 Dit is ont-
wikkeld bij Hoogovens in IJmuiden (nu: Tata Steel), waar een pilot plant staat. Het is
duidelijk dat Nederland hier voorop liep, maar het is ook zo dat de grote staalbedrijven in
andere landen zitten. Inmiddels heeft dat geleid tot Europese samenwerking op het
gebied van Ultra Low-Carbon dioxide Steelmaking (ULCOS), met een budget van 75
miljoen euro over 6 jaar. Deze ontwikkeling loopt dus al. Onze conclusie is: zoek vanuit
Nederland een duidelijke niche in deze internationale samenwerking.
Ten tweede een alternatief voor thermische processen (zoals destillatie en verdamping)
als scheidings- of zuiveringstechniek, bijvoorbeeld door gebruik te maken van membra-
nen. Onze analyse: de industrie die dit moet toepassen, is er in Nederland. Cruciaal zal
zijn hoe het zit met de aanwezigheid van kennis en de ‘marktperspectieven’? Hier moet
een definitieve analyse nader op inzoomen. Onze conclusie is: deze innovaties zijn
potentieel kansrijk voor Nederland en het is derhalve de moeite waard om nader uit te
78
   Hoewel volgens de inschatting van Ros (2015, p. 7) van het PBL deze optie nu slechts ‘beperkte aandacht krijgt’.
79
   Zie: http://www.tatasteel.nl/nl/innovatie/HIsarna
Oppakken en doorpakken                                                                                              50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>zoeken waar de grootste innovatiekansen liggen (en hoe die in een missiegedreven
innovatieprogramma passen).
Bronoptie: energiebesparing (door overgang naar biobased)
Een andere optie die leidt tot energiebesparing (en besparing op het gebruik van fossiele
energiebronnen als grondstof voor chemische processen) is het gebruik van biotechno-
logische processen (in plaats van de traditionele chemie); die vereisen een minder hoge
temperatuur en maken gebruik van biobased materialen.
Stap 1: Hoe beoordelen we deze ‘bronoptie’?
►       Effecten: het effect op CO2-reductie hiervan is groot, zeker door koppeling aan de
        mogelijkheid van het opvangen van CO2 en opslaan of gebruiken daarvan,80 of de
        koppeling aan andere vormen van inzet van biomassa, bijvoorbeeld als brandstof.
►       Voordeel Nederland? De uitgangspositie van Nederland is gunstig door de hier
        aanwezige agro, chemie en logistiek. Toch kan aansluiting bij en samenwerking met
        Duitsland, Brazilië en de Verenigde Staten nuttig zijn.
►       Past het in de visie? Dit is een belangrijk punt, want grootschalige inzet van
        biomassa zal vrijwel zeker alleen te realiseren zijn met behulp van import van
        biomassa: de te ontwikkelen visie zal duidelijk moeten aangeven of we daartoe wel
        of niet bereid zijn.
Onze tentatieve conclusie is dat deze (bron)optie zeer interessant is voor Nederland,
vooral als we bereid zijn structureel biomassa te importeren in Nederland.
Stap 2: De innovatieopgaven zijn legio.81 Voor een deel gaat het om reeds beschikbare
processen, die soms nog duur zijn (innovatiebehoefte is dan een kostenvermindering) en
voor een deel gaat het om processen die nog helemaal aan het begin staan (daarbij zijn
onderzoek, ontwikkeling en demonstratie nodig). Bovendien zijn er verschillende
koppelkansen met andere processen, wat weer de innovatiebehoefte oproept van een
zekere mate van systeemintegratie en slimme koppeling. Twee dingen zijn nodig:
enerzijds een meer integrale visie op deze ontwikkelingen en hoe ze elkaar kunnen
versterken en anderzijds moeten de verschillende concrete innovatieopgaven nader
geanalyseerd worden op hun potentieel en slagingskans om daarmee vervolgens de
meest aantrekkelijke(n) te selecteren voor een missiegedreven programma. Juist zo’n
programma kan ook weer bijdragen aan de noodzakelijke coördinatie van de
verschillende ontwikkelingen.
80
   Dat kan zelfs leiden tot ‘negatieve emissies’, zie ook Ros en Schure (2016), p. 14.
81
   Zie bijvoorbeeld Ros en Schure (2016) die de optie van ‘grootschalige biomassaverwerking voor de productie van
   transportbrandstoffen, methaan en/of chemicaliën’ uitgewerkt hebben.
Oppakken en doorpakken                                                                                            51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>Bronoptie: fossiele bronnen
Deze optie past alleen in een duurzaam toekomstplaatje als het gecombineerd wordt met
afvang en opslag of gebruik van CO2. Dat is de belangrijkste en essentiële innovatie-
behoefte bij deze bronoptie.
Stap 1: Hoe ‘scoort’ deze bronoptie?
►      Effecten: fossiele bronnen zijn nog goedkoop en goed beschikbaar (goed voor de
       betrouwbaarheid), maar scoren (zonder CCS/U) slecht op uitstoot en andere
       milieueffecten; met CCS/U wordt dat beter, maar daar horen hogere kosten bij.
►      Voordeel Nederland? Nederland is erg geschikt voor aanvoer (o.a. kolen) en spil in
       gasnetwerk, naast de eigen gasvoorraad en heeft ook enige ruimte voor CO2-
       opslag. Deze optie sluit ook goed aan bij de energie-intensieve industrie. Qua
       draagvlak is fossiel met CCU aantrekkelijker dan fossiel met CCS; draagvlak voor
       ondergrondse opslag ‘onder land’ is zeer beperkt.
►      Past het in de visie? Dit aspect zal bepalend zijn: laat de visie ruimte voor de
       energie-intensieve industrie op fossiele basis of wil men daar juist snel van af?
Onze tentatieve conclusie is dat deze optie aantrekkelijk is onder voorwaarde dat CCS/U
wordt gerealiseerd.
Stap 2: De belangrijkste innovatiebehoefte bij deze bronoptie is het afvangen en
vervolgens opslaan (CCS) of gebruiken van CO2 (CCU). Innovaties zullen moeten leiden
tot een sterke kostendaling, tot een aanzienlijk toepassingsvolume van CCU en tot een
groot draagvlak. De ontwikkeling van CCS/U in de industrie lijkt momenteel echter stil te
liggen.82 Overigens komen de innovaties rond CCS/U ook nog in beeld in combinatie met
biobased processen (zie hiervoor) en vormt dat een koppelkans.
Functionaliteit elektriciteit
Voor deze functionaliteit bestaan vele verschillende bronopties. In onze illustratie van de
toepassing van het afwegingskader beperken we ons tot een paar bronopties als
voorbeeld, namelijk een van de opties met het grootste potentiële effect op de emissie-
reductie in Nederland: windenergie, en één die weliswaar heel goed past bij onze kennis
over water, maar waarvan de bijdrage hier waarschijnlijk zeer beperkt is: getijdenenergie.
Bronoptie: wind.
Windenergie kan in Nederland een grote bijdrage leveren aan de reductie van uitstoot
van CO2 bij de productie van elektriciteit (zie tabel 1).
82
   Ros (2015), p. 7; voor CCS/U gekoppeld aan de elektriciteitsproductie gebeurt er meer.
Oppakken en doorpakken                                                                     52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>Stap 1: Is dit een interessante optie voor Nederland om de aandacht op te richten?
►     Effecten: het potentieel aan reductie van CO2-uitstoot is groot, windenergie wordt
      steeds goedkoper; er zijn echter wel externe effecten: geluidsoverlast en ‘horizon-
      vervuiling’, die het sterkst spelen bij windturbines op land. Het accommoderen en
      optimaal inpassen van de fluctuerende elektriciteitsproductie van windturbines is
      een innovatiebehoefte.
►     Voordeel Nederland? Het dichtbebouwde karakter van Nederland werkt als een
      nadeel voor windenergie op land. Nederland is wel goed gepositioneerd voor wind-
      op-zee: ons deel van de Noordzee is vrij ondiep en beslaat een groot oppervlak.
      Bovendien heeft Nederland veel kennis en bedrijven op het gebied van offshore.
      Ook een plus is dat er nu in Nederland al flinke aandacht is voor innovaties rond
      wind-op-zee (om de kosten met 40% te laten dalen).
►     Past het in de visie? Wind-op-land is een onderwerp waar de meningen over
      verdeeld zijn, maar wind-op-zee kan vermoedelijk op een veel breder draagvlak
      rekenen. In onze inschatting zal wind-op-zee goed passen in de te ontwikkelen
      visie.
Conclusie: Vooral ‘wind op zee’ is interessant voor Nederland, wind op land minder.
Stap 2: Innovatieopgaven.
We beperken ons hier tot wind-op-zee. In zijn algemeenheid vallen de innovatieopgaven
uiteen in enerzijds het goedkoper en effectiever maken van wind-op-zee en anderzijds de
innovaties die nodig zijn op systeemniveau om een groter aandeel aan niet-regelbare
bronnen (zoals wind, maar ook zon-pv) in te passen. Verschillende vooraanstaande
wetenschappers op het gebied van windenergie hebben een inventarisatie gemaakt van
de onderzoeksuitdagingen voor de lange termijn voor windenergie (Van Kuik et al. 2016)
en zij komen tot 11 terreinen voor innovatie (zie ook tabel 2). Uit deze 11 terreinen dient
Nederland die opgaven te selecteren waar Nederland duidelijk een koppositie heeft (qua
kennis en bedrijven). De structuur van die analyse is weergegeven in tabel 2. Bij de
concrete toepassing van het afwegingskader dient eigenlijk eerst per aangegeven terrein
een nadere specificatie gegeven te worden van de concrete innovatieopgaven.
Vervolgens dienen (met behulp van experts) die verschillende opgaven beoordeeld te
worden op de door ons gegeven criteria (het invullen van de vakjes in de tabel), waarna
bepaald kan worden welke innovatieopgaven het meest aantrekkelijk zijn voor Nederland
om op te pakken. Ook liggen er mogelijkheden om bijvoorbeeld binnen Noordzee-
verband, tot internationale samenwerking te komen op het gebied van de innovaties.
Oppakken en doorpakken                                                                      53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>Tabel 2 Voorbeeld van structuur van analyse van innovatie-opgaven (voor bronoptie windenergie)
Bronoptie                                         Windenergie
     Innovatie- Materialen& Wind en       Aerodynamica Sturing en       Elektriciteits- Betrouwbaar-
        opgave structuren    turbulentie                  controle      conversie       heid
Criteria
Kennis
aanwezig
Bedrijven
aanwezig
Buitenland al
verder?
Marktkansen
innovatie
Koppelkansen
Barrières?
(draagvlak,
infra, etc)
Bronoptie                                          Windenergie
      Innovatie- Ontwerp-    Hydrodynamica    Offshore milieu-   Systeem-             Sociale en
         opgave methodes     & bodem          effecten           integratie           economische
                                                                                      aspecten
Criteria
Kennis
aanwezig
Bedrijven
aanwezig
Buitenland al
verder?
Marktkansen
innovatie
Koppelkansen
Barrières?
(draagvlak,
infra, etc)
Oppakken en doorpakken                                                                            54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Bronoptie: getijdenenergie
Bij getijdenenergie wordt elektriciteit geproduceerd door gebruik te maken van het
verschil in waterhoogte tussen eb en vloed.
Stap 1: Is dit voor Nederland interessant?
►       Effecten: de inschatting van het PBL en anderen is dat de bijdrage aan CO2-
        reductie in Nederland (zeer) beperkt zal zijn. De bron is wel voorspelbaar, maar in
        tijd beperkt. Ook zijn er effecten op de natuur.
►       Voordeel Nederland? Enerzijds kent ons land een grote en innovatieve watersector;
        maar anderzijds is in Nederland het potentieel aan energieproductie beperkt (in
        Bretagne bijvoorbeeld veel meer, daar staat ook al lang een centrale).
►       Past dit in de visie? Aangezien de bijdrage voor transitie in Nederland beperkt is,
        hebben we er vermoedelijk voor onze energietransitie niet zo veel aan.
Conclusie: de bijdrage aan de Nederlandse energietransitie is waarschijnlijk (zeer)
beperkt, wat pleit voor een lagere prioriteit in energie-innovatiebeleid. Aan stap 2 van het
afwegingskader komen we niet toe. Indien het wereldwijde potentieel voldoende groot is,
zou ondersteuning vanuit algemeen innovatiebeleid misschien te overwegen zijn.
Ten slotte wijzen we erop dat er innovatie-opgaven zijn die bij meerdere bronopties (en
functionaliteiten) naar voren zullen komen. Een voorbeeld is systeemintegratie: een van
de grootste uitdagingen is immers de betere aansluiting tussen vraag en aanbod. Het
aanbod is nu vraaggestuurd. Zeker met een grotere bijdrage van wind en zon is de
uitdaging om de vraag meer aanbodgestuurd te maken. Door het dag-nacht ritme en de
seizoenvariaties zijn opslag en conversie essentieel. Hier liggen koppelkansen tussen
functionaliteiten. Het feit dat een bepaalde innovatie-opgave bij verschillende bronnen (of
functionaliteiten) naar voren komt, maakt die opgave interessanter/aantrekkelijker om
nader te exploreren. Het maakt de betreffende innovatie ook ‘robuuster’ in een wereld
waarin onzekerheid bestaat welke kant de energievoorziening precies op gaat en welke
bronopties de grootste bijdrage gaan leveren in de toekomst. Voor zulke ‘terugkerende’
innovatie-opgaven is het dus verstandig om die goed te analyseren (conform onze stap
2) om te bepalen welke voor Nederland interessant en kansrijk zijn om gericht op te
pakken. Zo is het bijvoorbeeld goed denkbaar dat Nederland een substantiële bijdrage
kan leveren aan (innovaties op het gebied van) conversie en opslag, gezien de
aanwezigheid van industrie en de kennis en ervaring met zulke processen (terwijl de
industrie ook kan zorgen voor een ‘markt’ voor de verschillende conversieproducten) en
de goede ligging en logistiek van ons land.83
83
   Zie ook: Van der Hagen et al. (2015), Het Delft Plan. Nederland als Energy Gateway.
Oppakken en doorpakken                                                                      55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>2.8 Kosten van energie-innovatie
Energie-innovatie kost in eerste instantie geld. Hoeveel geld daar precies voor nodig is, is
lastig exact aan te geven. En wat moet het aandeel van publiek geld zijn? Om deze
vragen te beantwoorden kijken we eerst naar de wereldwijde kosten voor de nood-
zakelijke energie-innovaties en naar de publieke uitgaven van andere landen (zie ook
bijlage 4 voor een uitgebreidere analyse). Vervolgens gaan we ook in op de typische
omvang qua budget van de door ons aanbevolen instrumenten.
De wereldwijde innovatieopgave.
Volgens een analyse van het Internationaal Energieagentschap (IEA 2013) 84 is er jaarlijks
tussen de 40 en 80 miljard USD nodig voor energie RD&D om de innovaties tot stand te
brengen die nodig zijn om te voorkomen dat de aarde meer dan 2 graden opwarmt.
Gemiddeld is dat zo’n 60 miljard USD per jaar. Als we ervan uitgaan dat publieke
bronnen minstens de helft hiervan financieren (die aanname maakt ook het IEA zelf, ze
gaan uit van een publiek aandeel van 50-80%), betekent dat gemiddeld minstens 30
miljard USD per jaar. Nederland vertegenwoordigt ongeveer 1% van de wereldeconomie;
omgerekend leidt dat tot een ordegrootte van (minstens) 300 miljoen USD per jaar aan
publieke financiering voor energie-RD&D (onderzoek, ontwikkeling en demonstratie) voor
Nederland.
Internationale vergelijking85
Het IEA houdt statistieken bij over de publieke gelden die in de aangesloten landen
richting RD&D voor energie gaan. Het gaat hierbij om publieke steun voor onderzoek,
ontwikkeling en demonstratie gerelateerd aan de productie, opslag, het transport, de
distributie en het spaarzaam gebruik van alle vormen van energie. De daadwerkelijke
(commerciële) toepassing (deployment) wordt in de IEA-cijfers niet meegenomen.
Het totaalbedrag dat in de aangesloten landen aan energie-RD&D besteed wordt,
fluctueert. De afgelopen jaren vertoont het een dalende trend; ook is er een verschuiving
van gebieden waaraan het besteed wordt. In de jaren ’70 ging verreweg het meeste geld
naar onderzoek naar kernenergie, wat intussen aan het verschuiven is naar onderzoek
naar hernieuwbare energie en energiebesparing.86
Om de publieke uitgaven voor energie-RD&D enigszins vergelijkbaar te maken, hebben
we die bedragen (uit de IEA-database)87 voor 2013 voor elk land omgerekend naar een
promillage van het BBP. Bovendien hebben we het bedrag aan publiek geld voor
84
   IEA (2013), Tracking Clean Energy Progress 2013, Table 5.2 op p. 129.
85
   Zie ook bijlage 4 en Hoofdstuk 6 van Schoots en Hammingh (2015).
86
   Zie bijlage 4 en IEA (2015), p. 158.
87
   Zie de IEA-website voor de onderliggende data en verantwoording van wat wel en niet is meegenomen:
   http://www.oecd-ilibrary.org/energy/data/iea-energy-technology-r-d-statistics_enetech-data-en
Oppakken en doorpakken                                                                                56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>energie-RD&D omgerekend per uitgestoten ton CO2 (de gedachte hierachter is dat
landen met veel uitstoot ook een zwaardere reductieopgave hebben). Dit is weergegeven
in onderstaande figuur 2. Wat opvalt is dat Nederland zowel qua BBP-indicator als per
ton CO2 onder het gemiddelde zit. Het gemiddelde voor 2013 voor publieke uitgaven aan
energie-RD&D is 0,407 ‰ van het BBP voor de in de lijst opgenomen landen, Nederland
zit op 0,288 ‰.88 Ook per ton CO2 presteert NL onder het gemiddelde (Nederland: 1,58
USD/ton CO2, terwijl het gewogen gemiddelde naar uitstoot 1,66 USD/ton CO2 is en het
gemiddelde waarbij elk land even zwaar telt: 2,84 USD/ton CO2).
Uit bovenstaande vergelijking volgt dat, als het Nederland ernst is, het minimaal boven
het gemiddelde zal moeten gaan zitten, bijvoorbeeld op 0,45‰ van het BBP. Omgere-
kend is dat zo’n 305 miljoen EUR per jaar. Als Nederland energie-innovatie echt prioriteit
wil geven, is er meer nodig. Een budget van 400 miljoen EUR brengt ons bij de achter-
volgers op de kopgroep, in de buurt van landen als Denemarken, Japan of Australië.
   Figuur 2 Publieke uitgaven voor energie-RD&D als promillage van BBP en per ton CO2 voor IEA-
   landen (2013) (gewogen gemiddelde waarden zijn weergegeven met de onderbroken lijnen)
   Bron: eigen bewerking op basis van statistieken van IEA; de waarden staan in tabel 4 op p. 115.
88
    In 2013 besteedde Nederland aan energie-RD&D: 185,483 miljoen euro met een BBP van 643,159 miljard; het quotiënt is 0,288‰.
Oppakken en doorpakken                                                                                                       57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>De onderverdeling.
Hoe moet dat totaalbudget aan publieke stimulering van energie-RD&D ingezet worden?
Hoe valt het te ‘verdelen’ over de door ons voorgestelde instrumenten van beleid?
Kosten stimulering van incrementele innovatie. Het bevorderen van (veelal
incrementele) innovatie door middel van aanpassing van de huidige beleidsinstrumenten
vraagt geen extra publieke middelen. Voortschrijdende normering, hogere prijzen voor
CO2, belastingen op energieverbruik, aanbestedingen die innovatie sterker prikkelen: al
deze instrumenten hoeven in principe geen extra publieke middelen te kosten, of kunnen
plaatsvinden op voor de overheid budgetneutrale wijze door bestaande geldstromen voor
een (klein) deel om te buigen. Ook voor het bedrijfsleven zal het geen grote extra
kostenpost zijn, doordat de terugverdientijd over het algemeen relatief kort is.
Voorwaarde is hier wel een Europees level playing field.
Naast de innovatieprikkeling door het algemene energie-/klimaatbeleid zijn er momenteel
ook regelingen die energie-innovatie specifiek bevorderen (Hernieuwbare energie-
regeling, Regeling Demonstratie energie-innovatie en de Topsector Energie). Deze
bevorderen vooral incrementele innovatie. Het gaat hierbij op dit moment om een
totaalbudget van ongeveer 180 miljoen euro publieke middelen per jaar. 89 Voor de AWTI
hebben de programma’s gericht op radicale innovatie echter prioriteit. Deze worden
hieronder beschreven.
Specifieke innovatiestimulering: vergelijking met het buitenland. Voor de benodigde
gerichte stimulering van vooral radicale energie-innovaties zullen specifieke budgetten
gereserveerd moeten worden. Mede op basis van een vergelijking met het buitenland,
schatten we in dat het gaat om de volgende typische bedragen.
Individuele projecten hebben typisch een steun nodig die ligt tussen enkele honderd-
duizenden euro’s en een paar miljoen voor het gehele project (met vaak een looptijd van
enkele jaren). De projecten die door het Duitse federale ministerie BMWi worden
gesteund ontvangen gemiddeld een subsidie van € 580.000,-- (nieuwe projecten uit
2015); iets minder dan 10% van de projecten ontvangt meer dan 2 miljoen euro subsidie
(over het gehele project) en meer dan 30% van de projecten een bedrag onder de
€ 250.000,--. Bij het Amerikaanse ARPA-E gaat het om soortgelijke bedragen (tussen
USD 500.000 en 10 miljoen voor projecten van maximaal 3 jaar). Zie bijlage 4.
Bij grote innovatieprogramma’s loopt de omvang van de publieke steun in de ordegrootte
van 10 miljoen euro per jaar (Kopernikus-Projekte in Duitsland) of 24 miljoen USD per
jaar (Energy Innovation Hubs in de VS). Binnen Nederland bieden programma’s uit het
verleden een aanknopingspunt, zoals de Innovatieonderzoeksprogramma’s (IOP) en de
89
   Zie paragraaf 2.3 en bijlage 2 voor de opbouw van dit bedrag.
Oppakken en doorpakken                                                                  58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>FES-programma’s. Voor het IOP genomics was € 32,7 miljoen beschikbaar. Voor de
FES-programma’s (vooral onderzoek) was jaarlijks € 20 miljoen beschikbaar.
High impact/high risk projecten: Hoeveel geld is er nodig voor de high impact/high risk
projecten? Uitgaande van het starten van tien projecten per jaar en met een looptijd van
twee tot vijf jaar (gemiddeld vier jaar) zou daarvoor een totaal bedrag van 60 miljoen euro
per jaar (= gemiddeld 1,5 miljoen euro per project per jaar) toereikend zijn.90 Deze
projecten zijn nog niet gericht op implementatie of uitrol. Het gaat vooral om uitwerking,
doorberekening van een idee, en wellicht een eerste testopstelling. Een extra reservering
van 20 miljoen euro per jaar voor financiering van doorgroei naar een missiegedreven
innovatieprogramma verzekert dat kansrijke projecten ook een toekomst hebben. In
totaal betekent dat dus een budget van 80 miljoen euro per jaar voor het high impact/high
risk programma.
Missiegedreven innovatieprogramma’s. Hoeveel geld er nodig is voor de missie-
gedreven innovatieprogramma’s is niet eenvoudig in abstracto te berekenen, want die
kunnen pas goed ingeschat worden door goed te kijken naar de programma’s zelf: welke
investeringen zijn nodig op welk punt van de leercurve? Deze methode kan pas werken
als de programma’s uitgewerkt worden. Daarom proberen we hier een inschatting te
geven van de typische ‘gemiddelde’ omvang. Individuele programma’s kunnen daarvan
afwijken: sommige zullen meer geld kosten, andere kunnen met minder publieke steun
toe. Zoals hiervoor aangegeven zal een stevig programma minstens zo’n 20 miljoen euro
per jaar kosten, vermoedelijk meer: zo besteedde de Duitse federale overheid in 2015
meer dan 50 miljoen euro aan steun voor RD&D voor elk van de thema’s windenergie,
zonne-energie en aan energiebesparing in de gebouwde omgeving. Als Nederland
gericht kiest voor een aantal focusgebieden (in tegenstelling tot Duitsland, dat vrijwel alle
thema’s doet), dan is een budget per programma dat de helft is van het Duitse, redelijk.
Al met al zou een steunbudget per programma van (gemiddeld) 30 miljoen euro per jaar
voldoende moeten zijn om een stevig programma neer te zetten. Uitgaande van zes
programma’s, is dan een budget van 180 miljoen euro per jaar nodig. De precieze
verdeling over de programma’s zal afhangen van de specifieke behoeften van elk
programma.
Om missiegedreven programma’s ook werkelijk succesvol te maken moet daarnaast geld
gereserveerd worden voor (ondersteuning van de) implementatie en uitrol en eventueel
voor infrastructuur en marktcreatie. Ook het daarvoor benodigde bedrag is moeilijk van te
90
   Dit bedrag is vergelijkbaar met de steun die in de VS ARPA-E wordt geboden per project: tussen de $500,000 en $10 miljoen in
   financiële steun. De periode waarover dit bedrag wordt gespreid varieert tussen de 1 en 3 jaar. Voor de nieuwste Funding
   Opportunity Announcement (FOA) verwacht de DoE tussen de $2 miljoen en $4 miljoen per jaar uit te geven. In principe worden
   deze uitgaven gecontinueerd voor een periode van 4 jaar.
Oppakken en doorpakken                                                                                                          59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>voren en in abstracto in te schatten. Een reservering van 40 miljoen euro per jaar is mini-
maal nodig, schat de AWTI in. Als aanpassing van infrastructuur of marktcreatie nodig is,
zal waarschijnlijk nog veel meer nodig zijn (al hoeft dat niet allemaal van de overheid te
komen). Opgeteld is dus 220 miljoen euro per jaar nodig voor de missiegedreven
programma’s inclusief een reservering voor ondersteuning van toekomstige uitrol.
Totaal voor nieuw beleid (high impact/high risk en missiegedreven programma’s):
300 miljoen euro per jaar.
Samengevat is er voor de stimulering van radicale energie-innovatie het volgende budget
nodig. Voor het high impact/high risk programma is een bedrag van 80 miljoen euro per
jaar nodig, inclusief de reservering voor doorgroei van een succesvol project naar een
missiegedreven programma. Voor de missiegedreven innovatieprogramma’s gezamenlijk
is er een bedrag nodig van 220 miljoen euro per jaar; dit is inclusief de reservering voor
ondersteuning van toekomstige uitrol. Dat brengt het totaal voor deze programma’s op
300 miljoen euro per jaar. Dit is nieuw beleid dat in de ogen van de AWTI prioriteit heeft.
Dit bedrag staat naast de uitgaven die voor energie-innovatie bestemd zullen worden in
het kader van de huidige regelingen zoals het topsectorenbeleid en de Regeling
Demonstratie Energie-innovatie.91
2.9 Politiek-bestuurlijke innovatie: een responsieve en
adaptieve overheid
Tot nu hebben we het vooral gehad over technologische, sociale en economische
innovatie die nodig is om te komen tot een low carbon energievoorziening, en de rol van
de overheid daarbij. Hier benadrukken we dat dit voor de overheid nogal wat betekent.
Vast staat dat politiek-bestuurlijke innovatie een essentiële randvoorwaarde is. Energie-
innovatie vraagt van de overheid een aantal zaken.
Ten eerste meer kennis bij de overheid zelf van het energieterrein. Waar de overheid zich
de laatste jaren meer ging toeleggen op de rol van procesbegeleider, is nu een ook
inhoudelijke betrokkenheid bij het thema ‘low carbon energievoorziening’ nodig. Zonder
voldoende kennis van het energieterrein bij de overheid zelf, zal de overheid
onvoldoende onderlegd zijn om de noodzakelijke keuzes te maken. Zonder een duidelijke
visie op het energiesysteem van de toekomst evenmin.
Ten tweede moet de overheid bereid zijn risico’s te nemen. Innovatiebeleid kent immers
successen en mislukkingen. Er is grote onzekerheid over de technologieën van de
91
   Het vergt dus een zorgvuldige afweging in hoeverre de bestaande regelingen en de bijbehorende budgetten gehandhaafd moeten
   worden. Indien men besluit ze alle te handhaven, dan zal het budget voor de voorgestelde programma’s dus in zijn geheel ‘extra’
   geld betreffen. Indien een deel van de bestaande budgetten verschoven wordt naar de voorgestelde programma’s, dan is slechts
   een deel van die 300 miljoen ‘extra’.
Oppakken en doorpakken                                                                                                             60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>toekomst en de prijzen van energie. Een overheid die kiest, kan ook verkeerd kiezen.
Daarom is het verstandig iets aan risicospreiding te doen en een brede portefeuille te
hebben. Het is bovendien van belang om daarbij ruimte voor nieuwe ideeën te laten.92
Kiezen betekent overigens niet dat andere terreinen volledig uit de onderzoeks-
programma’s (van kennisinstellingen) geschrapt moeten worden. Integendeel, het is van
belang om naast gerichte keuzes ook een brede kennisbasis in stand te houden, zodat
Nederland kan blijven aanhaken bij nieuwe ontwikkelingen in de rest van de wereld,
daarmee de optie openhoudend van nieuw economisch en of maatschappelijk gewin.
Ten derde moet de overheid zich realiseren dat kiezen wel consequenties heeft. Er is
langjarige zekerheid, commitment en budgettering nodig. Wanneer de eerste fase van de
innovatie in het lab of op de tekentafel succesvol is, moeten er demonstratieprojecten
komen. Er moet ruimte zijn om te experimenteren. En als de demonstratie succesvol is,
dan kan marktontwikkeling nodig zijn. Dat vraagt vasthoudendheid, responsiviteit en
adaptiviteit. Wanneer subsidie- of fiscale regelingen worden opgetuigd, moet er ook lang-
jarige zekerheid zijn dat deze (kunnen) worden voortgezet. De overheid moet bereid zijn
eventuele belemmeringen weg te halen, ruimte te creëren voor implementatie van nieuwe
technologie, eventueel op te treden als launching customer of anderszins aan markt-
ontwikkeling doen. Kortom, ze moet doorpakken en zekerheden in de markt creëren. De
overheid moet daarbij innovatieprogramma’s voldoende tijd gunnen om ‘te leveren’, maar
moet aan de andere kant ook niet bang zijn een doodlopend pad te verlaten.
Ten vierde is, om zekerheid op lange termijn te geven, een breed maatschappelijk en
politiek draagvlak onmisbaar. Onze ‘polder’-traditie kan bijdragen aan het realiseren van
dat draagvlak, maar kan ook in de weg staan. De overheid moet investeren in een breed
draagvlak. De overheid kan het echter niet iedereen naar de zin maken. Er kunnen
keuzes noodzakelijk zijn die bijvoorbeeld de belangen van de energie-intensieve industrie
raken. Daarvoor is moed nodig, maar zeker ook een goed innovatiesysteem. Dat kan de
betrokken bedrijven perspectief bieden om de transitie te maken.
Ten vijfde moet de overheid investeren in internationale samenwerking op het gebied van
energie-innovatie. Samenwerking op programma’s kan sneller resultaat leveren. En als
Nederlandse innovaties succesvol zijn, dan is bredere toepassing daarvan dan alleen in
Nederland gewenst.
92
   Zie ook Ministerie van Financiën (2016).
Oppakken en doorpakken                                                                    61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>                                                                                         3
3 Conclusie en aanbevelingen
  3.1 Conclusie
  De energietransitie is een grote opgave die veel aspecten van de economie en de
  samenleving raakt. Innovatie en technologie-ontwikkeling zijn nodig. De overheid heeft
  hierbij een belangrijke rol, alleen al omdat de opgave vanuit de overheid is gesteld, en
  omdat de overheid als wetgever en als (mede) eigenaar van infrastructuur en netwerken
  een belangrijke participant is binnen het energiesysteem. Belangrijker nog is dat
  afzonderlijke marktpartijen niet in staat zijn zonder coördinatie een collectieve doelstelling
  te realiseren, doordat het energiesysteem complex is. Bovendien is een ‘publieke’
  afweging van belangen in het geding.
  De analyse leidt tot de volgende conclusies:
  ►     Nederland heeft goede kansen om een rol te spelen in de wereldwijde energie-
        innovatie. Er is een goede uitgangspositie met bedrijven en kennisinstellingen.
        Ervaring in samenwerking is opgebouwd, ook via de Topsector energie.
  ►     Het innovatiesysteem voor energie is echter niet volledig op orde. Ten eerste
        ontbreken veelal stimulansen voor efficiëntieverbeteringen en kostenreducties –
        vormen van incrementele innovatie, en ten tweede is er te weinig aandacht voor
        radicale innovatie en de implementatie daarvan. Ten derde zijn er soms ook
        averechtse prikkels. Ten slotte ontbreken er schakels in de innovatieketens of is de
        aansluiting tussen de verschillende fasen in innovatieprocessen onvoldoende,
        waardoor in potentie kansrijke ideeën geen kans krijgen om een verdere
        ontwikkeling door te maken.
  ►     Kennis van en een visie op het energiesysteem zijn nodig om samenhangend en
        succesvol beleid te maken. De ontwikkeling van de energiemarkten, energieprijzen
        en energie-innovatie zijn onzeker. De overheid kan bijdragen aan het creëren van
        meer zekerheid. Daarvoor moet de overheid bereid zijn leiderschap te tonen. Dat
        leiderschap mag echter niet ontaarden in een star beleid: de overheid moet zowel
        responsief als adaptief zijn. Dat vraagt politiek-bestuurlijke innovatie.
  ►     Door bestaande Nederlandse en Europese beleidsinstrumenten beter te activeren
        voor de energietransitie en meer te richten op innovatie kunnen efficiëntie-
        verbeteringen, kostenreducties en (veelal incrementele) innovatie sterker
        gestimuleerd worden dan nu het geval is. Dit kan kostenneutraal voor de overheid
        plaatsvinden. Dat draagt ook weer bij aan een beter innovatiesysteem voor energie-
        innovatie.
  Oppakken en doorpakken                                                                       63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>►     Daarnaast zijn radicale innovaties gewenst, die ook met het aangepaste ‘bestaande’
      beleid nog niet allemaal van de grond komen. Hiervoor zijn specifieke programma’s
      nodig. Enerzijds missiegedreven programma’s die gericht zijn op specifieke
      doorbraken. Het is mogelijk om hiervoor kansrijke innovatiethema’s te selecteren die
      aansluiten op de kracht van Nederland. Succes is echter niet volledig
      gegarandeerd. Daarom is een brede portefeuille nodig, waarin naast de
      missiegedreven programma’s ook vrije ruimte bestaat voor radicale innovatie door
      een high impact/high risk-programma met een open competitie.
3.2 Aanbevelingen aan de overheid
Aanbeveling 1
Innoveer het beleid: pak energie-innovatie op, maar pak ook door.
Ga uit van een duidelijke visie op het innovatiesysteem en op het toekomstige
energiesysteem, implementeer bijbehorend beleid en creëer zo voor de lange termijn
meer duidelijkheid en zekerheden in de markt. Sluit daarbij aan op de agenda’s en visie
van omringende landen en de EU. Wees bij het realiseren van deze visie zowel actief,
adaptief als responsief. Investeer in kennis bij de overheid, en maak gebruik van de
aanwezige kennis en ervaring bij kennisinstellingen en bedrijven. Zorg er voor dat
internationale samenwerking op het terrein van energie-innovatie voor bedrijven en
kennisinstellingen vanzelfsprekend is. Stimuleer zowel incrementele als radicale
innovatie, en besteed aandacht aan maatschappelijke en economische inbedding van
nieuwe technologieën. Per jaar is zo’n 300 miljoen euro nodig voor het nieuwe beleid
gericht op de specifieke stimulering van radicale energie-innovatie (zie aanbevelingen 4
en 5). Zoek daarvoor het nodige commitment en draagvlak in de samenleving, bij het
bedrijfsleven en de kennisinstellingen. Heroverweeg de bestaande regelingen en
budgetten gericht op energie-innovatie in het licht van de voorgestelde sterkere
innovatieprikkeling door algemeen energiebeleid en innovatiebeleid (aanbevelingen 2 en
3) en het nieuwe beleid voor radicale energie-innovatie. Een jaarlijks totaalbudget voor
energie-innovatie tussen de 400 en 450 miljoen euro is redelijk in vergelijking met andere
landen en gezien de grote opgave waarvoor Nederland staat.
Oppakken en doorpakken                                                                   64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>Doe dit alles langs de volgende lijnen:
Aanbeveling 2
Richt de uitvoering van het bestaande Europese en Nederlandse beleid voor de
verduurzaming van de energiesector en het overige beleid rondom energie meer in
op innovatie. Neem innovatie als expliciet doel en aandachtspunt op van dit beleid.
a.    Zet de Stimulering Duurzame Energie (SDE+) innovatiever in, bijvoorbeeld door
      oplopende eisen te stellen aan subsidies of door kostenreductie als doel te stellen
      en daarbij passende maatregelen (zoals prijsplafonds) te nemen.
b.    Investeer in een beter werkend systeem van emissiehandel (ETS) opdat de CO2-
      prijs beter de externe effecten reflecteert en besteed (binnen de grenzen van de
      mededingingsregels) de opbrengsten van de ETS-veilingen (nu circa 200 miljoen,
      maar oplopend als de CO2-prijs stijgt) aan ondersteuning van innovatie van de
      bedrijven die onder ETS vallen.
c.    Overweeg om bij uitblijvende of ontoereikende hervorming van het ETS om –
      samen of in afstemming met omringende landen – een CO2-heffing in te voeren die
      voldoende hoog is om een stimulans voor innovatie te zijn, zoals in het Verenigd
      Koninkrijk en binnenkort in Frankrijk het geval is.
d.    Hervorm de energiebelastingtarieven zodat die de mate van CO2-uitstoot reflecteren
      en zo mogelijk ook geleidelijk minder degressief worden. Overweeg om ook bij
      accijnzen te sturen op CO2. Door belastingen en accijnzen aan te passen kunnen
      betere markten gecreëerd worden voor low carbon energie en brandstoffen.
e.    Nodig bedrijven uit om deel te nemen aan missiegedreven innovatieprogramma’s
      zodat incrementele innovatie niet de enige focus is van betrokken bedrijven (zie
      aanbeveling 4).
Aanbeveling 3
Richt het bestaande generieke innovatiebeleid beter in op energie-innovatie.
a.    Neem averechtse prikkels zoveel mogelijk weg door R&D die gericht is op niet-
      duurzame opties uit te sluiten van ondersteuning. Doe dit via een lichte niet-
      bureaucratische toets zodat de aantrekkelijkheid van deze regelingen voor het
      bedrijfsleven niet vermindert.
b.    Overweeg om het budget voor generieke stimulering van innovatie meer
      nadrukkelijk te bestemmen voor maatschappelijk gewenste innovaties.
Oppakken en doorpakken                                                                    65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>Aanbeveling 4
Stel een energie-innovatieportefeuille voor radicale innovatie samen voor de opties
die passen bij Nederland, en die recht doet aan de unieke kansen van Nederland en
zorg voor een goede institutionele inbedding door een ‘Task force energie-
innovatie’ op te richten.
Kies zo’n zes missiegedreven innovatieprogramma’s met een langjarige looptijd, een
planmatige aanpak en sterke interne samenhang. Gebruik hiervoor het afwegingskader
zoals beschreven in dit advies, voor de selectie van eerst de opties die goed bij
Nederland passen en vervolgens van de concrete innovatieopgaven (bij die opties) die
voor Nederland interessant en kansrijk zijn om gericht op te pakken in de innovatie-
programma’s. Spreek commitment uit voor het hele traject (alle innovatiefasen, inclusief
uitrol of implementatie), en wees bereid om door te pakken.
a.     Reserveer voor missiegedreven programma’s circa 180 miljoen euro per jaar voor
       de financiering van circa zes innovatieprogramma’s. Zorg voor een goede
       aansturing van de missiegedreven programma’s, een goede samenhang tussen de
       projecten die deel uitmaken van het programma, en betrek daarbij ook
       internationale experts. Zorg voor adequate internationale samenwerking om goede
       aansluiting op het buitenland te borgen en om voortgang te versnellen.
b.     Monitor de voortgang binnen de innovatieprogramma’s en stel zo nodig de
       financiering bij. Stop met projecten die een doodlopend pad blijken te zijn,
       intensiveer de projecten waar de kans op succes groter wordt.
       Bij succesvolle projecten:
       ►      Bied ruimte en fondsen voor ‘demonstratieprojecten’.
       ►      Wees responsief in de uitrolfase: investeer zo nodig in infrastructuur en
              marktcreatie en ruim belemmerende regelgeving op.
       ►      Reserveer middelen in een Fonds Energie-innovatie voor bijdrage aan
              demonstratie, uitrol, en eventueel marktcreatie en/of infrastructuur wanneer
              een innovatieprogramma succesvol blijkt te zijn, in totaal 40 miljoen euro per
              jaar. Draag met dit budget zo nodig bij aan marktontwikkeling of aan de bouw
              van infrastructuur.
       Bij niet succesvolle projecten:
       ►      Stop een innovatieprogramma wanneer het niet binnen een redelijke termijn
              resultaten oplevert.
       ►      Leer wel de lessen.
Oppakken en doorpakken                                                                       66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>c.    Zorg voor een goede governance en breng de missiegedreven programma’s onder
      één dak, een ‘Task force energie-innovatie’. Maak deze Task force energie-
      innovatie verantwoordelijk voor de samenhang. Sluit aan bij of bouw voort op de
      samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen die binnen de Topsector
      Energie is bereikt en voorkom versnippering van kennis en ervaring door de
      onderdelen van de Topsector Energie (TKI’s), de missiegedreven programma’s en
      het high impact/high risk programma (zie aanbeveling 5) zoveel mogelijk onder één
      bestuurlijk dak te brengen. Overweeg om de Topsector Energie qua taken en opzet
      door te laten groeien tot een organisatie die ook de beschreven programma’s voor
      radicale innovatie kan accommoderen en kan aansturen als de genoemde task
      force met overheids- en internationale sturing.
Aanbeveling 5
Zorg dat de brede kennisbasis op orde blijft en effectief is voor energie-innovatie.
a.    Zorg voor ruim voldoende middelen voor nieuwe ideeën in de hele breedte van het
      energiedomein (ze hoeven dus niet per se binnen de geselecteerde aandachts-
      opties te passen). Start hiervoor een high impact/high risk programma. Reserveer
      hiervoor 60 miljoen euro per jaar om jaarlijks zo’n tien potentieel kansrijke ideeën/
      projecten ‘uit het veld’ te financieren met een looptijd van twee tot vijf jaar. Verdeel
      de middelen in een open competitie. Stel een team samen van internationale
      experts die de projectvoorstellen beoordelen op potentiële CO2-reductie, potentiële
      technische haalbaarheid en toegevoegde waarde vanuit een internationaal
      perspectief.
b.    Calculeer in dat een groot deel van die projecten niet leidt tot de ultieme
      energieoplossing, maar borg wel de kennis die wordt opgedaan.
c.    Laat projecten die wel (potentieel) succesvol zijn, doorontwikkelen tot
      innovatieprogramma en reserveer daar 20 miljoen euro per jaar voor.
d.    Bezie de kansen die in de ‘nationale wetenschapsagenda’ (NWA) geboden worden
      voor energie-innovatie, kies en voorzie ze van de middelen als hier beschreven.
Aldus is vastgesteld, te Den Haag, juli 2016
prof. dr. U. Rosenthal, voorzitter
dr. D.J.M.Corbey, secretaris
Oppakken en doorpakken                                                                         67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>Bijlagen
Oppakken en doorpakken 69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>Bijlage 1 Adviesvraag
Oppakken en doorpakken 71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>Oppakken en doorpakken 72</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>Oppakken en doorpakken 73</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>Oppakken en doorpakken 74</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>Bijlage 2 Bestaand beleid in Nederland
Energie is een ‘beleidsrijk’ terrein: met allerlei vormen van beleid (zoals vergunningen,
voorschriften, subsidies, veiligheid, verplichtingen, belastingen en accijnzen) beïnvloedt
de overheid de energievoorziening. Het is van belang om bij al het beleid rondom energie
te zoeken naar aanknopingspunten om innovatie te stimuleren. In deze bijlage wordt een
overzicht gegeven van het huidige beleidspakket in Nederland dat van invloed is of kan
zijn op de energietransitie. Verschillende soorten beleid hebben invloed op het energie-
systeem en de deelsystemen waaruit dat bestaat en daarmee beïnvloeden ze ook - in
meer of mindere mate - energie-innovatie:
       1)     het algemene innovatiebeleid,
       2)     het beleid ter bevordering van duurzame energie of vermindering van CO2-
              uitstoot, dat vaak de uitvoering is van binnen de EU vastgesteld beleid,
       3)     belastingen en accijnzen, en
       4)     het beleid dat specifiek gericht is op energie-innovatie.
Hieronder worden de belangrijkste instrumenten beschreven. Daarin is steeds per
instrument beoordeeld wat het effect is of kan zijn op innovatie. Ook worden suggesties
gedaan hoe het betreffende instrument ‘duurzame’ innovaties beter kan prikkelen.
Na het overzicht van de individuele instrumenten wordt per energie-functionaliteit93 een
reflectie gegeven op het effect op innovatie van het totale beleidspakket dat geldt per
energiefunctie.
B2.1 Instrumenten individueel
Algemeen innovatiebeleid
Het algemeen innovatiebeleid kent in de eerste plaats een aantal fiscale regelingen. De
belangrijkste daarvan zijn de WBSO (in totaal € 1,15 miljard in 2016) en de Innovatiebox
(in totaal € 742 miljoen in 2012). Dit zijn regelingen die belastingvoordeel bieden voor
bedrijven die investeren in onderzoek of innovatie. Voor het MKB is er het innovatiefonds
MKB dat innovatiekredieten verstrekt en seed capital beschikbaar heeft. De regeling
MKB-innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT) is een gezamenlijke regeling van
rijk en provincies en stimuleert innovatie binnen de regio’s en de topsectoren. Daarnaast
zijn er diversie garantieregelingen, waarbij de overheid garant staat voor een deel van de
door banken verstrekte leningen.
93
   Het gaat hier over de energiefunctionaliteiten lagetemperatuurwarmte, hogetemperatuurwarmte, ’licht en apparaten en elektrici teit’
   en ‘transport en mobiliteit’ zoals deze ook door de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (2015) worden onderscheiden in
   zijn advies Rijk zonder CO2.
Oppakken en doorpakken                                                                                                              75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>Deze generieke regelingen gelden voor alle sectoren; ook de energiesector kan er
gebruik van maken. Van de WBSO gaat ongeveer 9% (circa € 95 miljoen) naar R&D op
het gebied van ‘energie en klimaat’.94 Het innovatieboxvoordeel dat naar energie-
onderwerpen is gegaan is in 2012 € 24 miljoen.95 Via de MIT-regeling ging in 2014 € 2,7
miljoen naar energie-onderwerpen.96
De generieke regelingen kunnen zowel incrementele als radicale innovatie bevorderen,
hoewel het merendeel waarschijnlijk gaat naar incrementele innovaties. De omvang van
het budget dat vanuit de generieke regelingen naar energie-onderwerpen gaat, is
vergelijkbaar met het budget dat beschikbaar is in de regelingen die zich specifiek richten
op energie-innovatie, die verderop in dit hoofdstuk aan bod komen. In de onderstaande
tabel zijn bovengenoemde budgetten weergegeven.
Tabel 3 Budgetbeslag energie-onderwerpen in generieke innovatieregelingen
Instrument                               Budgetbeslag voor energie-onderwerpen
WBSO                                     +/- € 100 miljoen
Innovatiebox                             € 24 miljoen
MIT-regeling                             € 2,7 miljoen
Bovenstaande bedragen betreffen R&D naar energie in het algemeen, niet noodzakelijk
‘duurzame’ innovaties. Daardoor kan het gebeuren dat de generieke innovatie-
instrumenten de slagingskans van sommige systeeminnovaties beperken, of de
implementatie daarvan zelfs vertragen.
Hieronder volgt een toelichting op de WBSO en de Innovatiebox.
WBSO (Oorspronkelijk de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk)97
Doel
Het doel van de WBSO is het bevorderen van innovatie (speur- en ontwikkelingswerk) in
het bedrijfsleven door middel van een tegemoetkoming in de R&D-kosten.
Aard
De WBSO verlaagt de kosten voor ontwikkeling van technisch nieuwe producten,
productieprocessen of programmatuur. De regeling is gericht op ondernemers. Deze
94
   Bron: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
95
   Hertog, P. den, et al. (2015), Evaluatie Innovatiebox 2010 – 2012, Utrecht: Dialogic, november 2015.
96
   Bron: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
97
   De afkorting WBSO komt oorspronkelijk van de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (Stb. 1994, 312), die later opgegaan
   is in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen; de overheid is de afkorting WBSO wel
   blijven gebruiken voor de betreffende regeling.
Oppakken en doorpakken                                                                                                         76
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>kunnen een korting krijgen op de afdracht van de loonheffing van werknemers. In
aanmerking voor WBSO komen loonkosten voor speur en ontwikkelwerk (R&D) en
kosten en uitgaven die uitsluitend dienstbaar zijn aan het speur- en ontwikkelwerk.98 De
afdrachtvermindering is 32% voor de eerste € 350.000 aan kosten die in aanmerking
komen. Daarboven geldt een afdrachtvermindering van 16%.
Budget
Het budget voor 2016 is € 1151 miljoen. Twee derde daarvan (67%) gaat naar het
MKB.99 Ongeveer € 95 miljoen gaat naar ‘energie en klimaat’-onderwerpen.100
Inschatting effect op innovatie
De regeling is direct gericht op het stimuleren van R&D, zonder hierbij thematisch af te
bakenen. In de praktijk werd in 2014 ongeveer € 100 miljoen van de WBSO-uitgaven101
gericht op projecten in de categorie ‘energie en klimaat’. Kijken we naar een bredere
categorie ‘groene groei’, dan gaat het om ongeveer € 135 miljoen.102
Volgens RVO is een groot deel (in aantal en omvang) van de ‘energie-R&D-projecten’ die
voordeel hebben van de WBSO, gericht op technologieën die bij implementatie een
vooruitgang op het gebied van energie-efficiëntie of CO2-emissiereductie103 kunnen
betekenen. Het is daarmee aannemelijk dat de WBSO een bijdrage levert aan het CO2-
armer maken van de energiehuishouding. De WBSO, is echter een instrument dat niet
gericht aanstuurt op de systeeminnovaties die nodig zijn in de energietransitie. Daardoor
is mogelijk dat de WBSO de slagingskans van sommige systeeminnovaties beperkt, of
deze vertraagt.
Suggesties om de WBSO beter op ‘duurzame’ innovatie te richten
Onderzocht zou kunnen worden of het mogelijk is en efficiënt kan zijn om de WBSO beter
te laten aansluiten bij de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding (en mogelijk
andere maatschappelijke uitdagingen waarvoor transities nodig zijn). Daarbij zouden
mogelijkheden onderzocht kunnen worden om categorieën R&D gericht op technologieën
of methoden niet verenigbaar zijn met een efficiënte transitie, uit te sluiten.
98
    Tot en met 2014 was er nog sprake van twee regelingen. De WBSO voor loonkosten en de RDA voor R&D investeringen anders
    dan loonkosten.
99
    Dit betreft het jaar 2014. Bron: Brief van minister van EZ aan Tweede Kamer van 19 februari 2016 betreffende Evaluatie van de
    Innovatiebox.
100
    Bron: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
101
    Het gaat hier om WBSO en RDA gezamenlijk.
102
    Bron: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Onder ‘groene groei’ vallen naast ‘energie en klimaat’ ook de thema’s ‘biobased’,
    ‘afval’, ‘bouw’, ‘voedsel’ en ‘mobiliteit’.
103
    Bron: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Oppakken en doorpakken                                                                                                            77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>Innovatiebox
Doel
Het doel van de innovatiebox is tweeledig:104
►       het vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven verbeteren, teneinde hoogwaardige
        werkgelegenheid aan te trekken en te behouden, en
►       onderzoeks- en ontwikkelingswerk in Nederland te bevorderen.
Aard
Voor winsten en verliezen uit immateriële activa voortkomend uit speur- en ontwikkel-
werk, of waarvoor een octrooi of een buitenlands patent is verkregen, geldt een verlaging
van het tarief voor vennootschapsbelasting. In 2016 leidt dit tot een effectieve heffing van
5% in plaats van 20 – 25%. De innovatiebox is een generieke regeling voor alle
vennootschapsbelastingplichtige ondernemingen. Tot een innovatiewinst van € 25.000
kan gewerkt worden met een forfaitaire methode waarbij 25% van de totale winst in
aanmerking komt.
Budget
Er geldt geen budgetplafond. Het geraamde budgettaire beslag voor 2012105 is € 742
miljoen.106 Hiervan ging 17% naar het mkb. Van het innovatieboxvoordeel ging in 2012 €
24 miljoen naar bedrijven die vallen onder de Topsector Energie.107
Reflectie op rol van instrument in de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding
De innovatiebox is net als de WBSO een generieke regeling die R&D stimuleert. Voor
reflectie op de rol van het instrument in de transitie naar een CO2-arme
energiehuishouding verwijzen we daarom naar de paragraaf over de WBSO.
Energie en klimaatbeleid
Het algemene energiebeleid richt zich traditioneel op een betrouwbare, betaalbare en
schone energievoorziening. Voor wat het laatste betreft is dat vertaald in drie concrete
doelen op Europees niveau voor 2020: i) 20% minder CO2-uitstoot, ii) een Europees
aandeel van 20% duurzame energie, en iii) 20% energiebesparing. Om deze doelen te
bereiken is er Europees en nationaal beleid. De belangrijkste instrumenten hiervan
worden hieronder behandeld.
EU Emissieplafond met emissiehandelssysteem (ETS)
Voor de uitstoot van broeikasgassen geldt een gezamenlijk Europees emissieplafond, dat
jaarlijks afneemt. Daaraan gekoppeld is er het ETS (Emissions Trading System), een
104
    Kamerbrief 19 februari 2016 betreffende Evaluatie van de Innovatiebox.
105
    Omdat belastingaangiften pas later worden gedaan kunnen over latere jaren met minder zekerheid uitspraken worden gedaan.
106
    Kamerbrief 19 februari 2016 betreffende Evaluatie van de Innovatiebox.
107
    Hertog, P den, et al. (2015), Evaluatie Innovatiebox 2010-2012, Utrecht: Dialogic, november 2015.
Oppakken en doorpakken                                                                                                       78
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>systeem voor Europabrede handel in emissierechten. Onder dit systeem valt een aantal
energie-intensieve sectoren, zoals elektriciteitsproductie (kolencentrales, gascentrales),
industrie (o.a. chemie, papier, metaal, raffinaderijen) en binnen-Europese luchtvaart. In
Nederland vallen bijna 450 bedrijven onder het ETS. Voor alle bedrijven die onder het
Europese ETS vallen bestaat er een gezamenlijk maximum voor de uitstoot van
broeikasgassen. Het plafond gaat met 1,74% per jaar omlaag. Bedrijven moeten
emissierechten kopen om hun uitstoot te verevenen. De internationaal concurrerende
industrie krijgt een deel van de rechten gratis. Dit deel wordt ieder jaar kleiner. De
elektriciteitssector krijgt geen gratis rechten. Als bedrijven investeren in schonere of
efficiëntere technologie houden ze rechten over, die ze kunnen verkopen aan andere
bedrijven.
Maar de huidige prijs voor emissierechten is zo laag108 (en de verwachting is dat deze de
komende tijd niet veel hoger wordt)109 dat daar nauwelijks een prikkel voor innovatie in
besparing of alternatieven voor fossiele energie vanuit gaat (en al helemaal niet voor
radicale innovatie, zeker vanwege de onzekerheid over de langetermijnontwikkeling van
de CO2-prijs). Als de CO2-emissieprijs voldoende hoog is en langjarige zekerheden biedt,
zou deze een goede stimulans kunnen vormen voor investeringen in CO2-arme
technologieën en methoden en daarmee ook in innovatie en R&D om deze te
ontwikkelen. Hierdoor wordt het hele spectrum van incrementele tot radicale innovatie
gestimuleerd. Om bijvoorbeeld CCS rendabel te maken is een CO2-prijs nodig van 30 tot
50 euro per ton CO2. De gemiddelde prijs in 2015 was ruim 7,50 euro.110 Hierdoor is ook
de prikkel voor R&D om deze technologieën te ontwikkelen beperkt. Bovendien bestaat
er veel onzekerheid over de emissieprijzen in de toekomst, hetgeen ook de stimulans
voor innovatie en R&D verlaagt. Vooral de stimulans voor radicale innovatie verzwakt
hierdoor omdat daar gemiddeld gezien een langere tijdshorizon geldt.
Maatregelen om de prijs te verhogen zijn mogelijk (bijvoorbeeld het plafond sneller
verlagen, overtollige rechten uit de markt nemen) en nu in discussie op Europees
niveau.111 Het Verenigd Koninkrijk heeft aanvullend op het ETS een bodemprijs voor CO2
vastgesteld. Frankrijk is van plan dat vanaf 2017 eveneens te doen.
SDE+ en de nationale hernieuwbare energiedoelstelling
Doel
De SDE+ is erop gericht de grootschalige uitrol van hernieuwbare energieproductie op
108
    De prijs voor emissierechten is het resultaat van vraag en aanbod. Het aanbod wordt bepaald door het emissieplafond. Mede door
    de economische crisis van enkele jaren geleden daalde de vraag naar emissierechten sterk, waardoor de prijs ook kelderde.
109
    Zie bijvoorbeeld de futureprijzen: www.eex.com
110
    Veilingrapport NEa, 2015.
111
    De ‘backloading decision’ is vorig jaar genomen, nu zijn er voorstellen in discussie over verlaging van het plafond. Mogelijke
    maatregelen zijn: rechten uit markt halen, het plafond sneller naar beneden, of koppeling aan ETS-systemen in andere delen van
    de wereld. Deze maatregelen zijn in bespreking op EU-niveau en worden gesteund door Nederland.
Oppakken en doorpakken                                                                                                             79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>een kosteneffectieve manier te bespoedigen. Met de SDE+ wordt ingezet op het tegen zo
laag mogelijke kosten bereiken van de doelstelling voor 16% hernieuwbare energie in
2023.
Aard
De SDE+ is een subsidieregeling die voor hernieuwbare energieproductie per
geproduceerde eenheid energie een compensatie geeft voor het verschil tussen de
kostprijs van een hernieuwbare energieproject en de marktwaarde van de geleverde
energie. Op grond van de SDE+ worden beschikkingen gegeven voor een looptijd van
acht tot vijftien jaar. Jaarlijks wordt op basis van de gemiddelde groothandelsprijzen voor
energie het uiteindelijke subsidiebedrag per energie-eenheid bepaald (via een basis-
bedrag en een correctiebedrag op een bij beschikking vastgelegde berekeningswijze). In
elkaar opvolgende fases met een bijbehorend subsidiebudget mogen aanvragers
inbieden op een maximaal bedrag per technologie of een lager bedrag. De ranking is op
volgorde van binnenkomst per dag. Op de dag dat het subsidiebudget uitgeput is, geldt
een rangschikking op aanvraagbedrag. Alle aanvragen, dus ook alle technologieën,
concurreren zo tegen elkaar op subsidiekosten per hoeveelheid hernieuwbare energie.
Voor wind op zee geldt een uitzonderingssituatie. Voor deze technologie is in het
Energieakkoord voor Duurzame Groei een uitrolpad afgesproken inclusief een daarbij
horende reservering van budget. Hierbij wordt uitgegaan van een gemiddelde kostprijs-
reductie (gecorrigeerd voor locatiespecifieke kenmerken) van 40% per MWh in de
periode 2014-2024. Ieder jaar wordt, corresponderend met dit kostprijsreductiepad, het
maximale subsidiebedrag verlaagd.
Budget
Het verplichtingenbudget in 2016 is € 8 miljard. Dat houdt in dat in 2016 voor € 8 miljard
aan meerjarige verplichtingen kan worden aangegaan. De subsidieverplichting wordt
afhankelijk van de technologie voor een periode tussen de 8 en 12 jaar aangegaan. In de
jaren 2011 t/m 2015 is het jaarlijkse verplichtingenbudget van € 1,5 miljard geleidelijk
opgelopen naar € 3,5 miljard.
Reflectie op de rol van SDE+ in de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding
De SDE+ beoogt het tegen zo laag mogelijke kosten bereiken van het 2023-doel voor
hernieuwbare energie. In de SDE+ geldt daarbij dat alleen technologieën met een
maximaal basisbedrag van €0,15/kWh in aanmerking komen voor subsidie. Op deze
manier worden technologieën die duur zijn, nog niet grootschalig uitgerold. Het betreft
hier een one size fits all aanpak. Het instrument van de SDE+ richt zich niet op het per
technologie doorlopen van kostencurves, wat in de SDE – de voorganger van de SDE+ –
wel gedaan werd. Dit had echter een aantal bezwaren. De belangrijkste waren dat de
gedoseerde uitrol per technologie veel budget onbenut liet in sommige jaren als er in een
Oppakken en doorpakken                                                                     80
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>bepaalde categorie weinig aanvragen kwamen, en dat er via lobby en door de Tweede
Kamer veel invloed uitgeoefend werd op hoeveel geld voor een bepaalde categorie in
een bepaald jaar beschikbaar werd gesteld.
De SDE+ richt zich daarmee niet op de kostenefficiëntie van het doorgroeipad na 2023.
Ook voor de periode tot 2023 kan verwacht worden dat het instrument SDE+ alleen, door
steeds per jaar te richten op de dan meest kostenefficiënte technologieën, niet uitkomt op
de meest kostenefficiënte totale pad om het 2023 doel te bereiken.
Technologieën die steile kostencurves kunnen doorlopen en over een aantal jaar door
kunnen ontwikkelen naar de goedkoopste technologie, krijgen hiervoor geen waardering
in de SDE+. De technologieën die nu het goedkoopst zijn, krijgen een voorrangspositie.
Om dit te ondervangen is een deel van het SDE+-budget vrijgemaakt voor innovatie-
stimulering tot en met de demonstratiefase via de ‘Hernieuwbare Energieregeling’. De
Hernieuwbare Energieregeling wordt verderop in deze bijlage toegelicht.
Na de demonstratiefase levert de SDE+ zoals deze nu is ingericht niet voor iedere
technologie een garantie op een goede begeleiding naar opschaling. Nieuwe techno-
logieën die in de vroege opschalingsfase nog relatief duur zijn, komen soms slechts in
aanmerking voor voldoende subsidie als in de jaren dat de opschaling plaats kan vinden
de schaarste in de SDE+tenders laag is, zodat meerdere fasen worden doorlopen en de
subsidiebedragen hoger worden. Hier ontbreekt een instrument dat de vroege opschaling
met zekerheid begeleidt. Dit kan de vroege opschaling bemoeilijken en zorgt voor een
beperking in de stimulans voor RD&D.
Tot slot kan verwacht worden dat er in de markt onzekerheid bestaat over nationale
doelen en daarmee samenhangende subsidieregelingen na 2023. Als gevolg hiervan zal
het stimulerende effect van de SDE+ op onderzoek en ontwikkeling aanzienlijk beperkter
zijn dan bij een instrument waar langjarige zekerheid vanuit gaat. In de laatste jaren is
duidelijker geworden dat er vanuit de EU geen voortzetting van nationale bindende
doelen voor hernieuwbare energie zal komen. Daarbij heeft het kabinet in het
Energierapport Transitie naar Duurzaam aangekondigd aan te sturen op CO2-
emissiereductie en niet meer op hernieuwbare energie. De onzekerheid over stimulering
na 2023 is daarmee nog groter geworden. Tevens wordt het effect van de onzekerheid
groter naarmate 2023 nadert. De stimulans van de SDE+ op RD&D neemt daarmee
steeds verder af.
Oppakken en doorpakken                                                                    81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>Investeringssubsidie Duurzame Energie (ISDE)
Doel
Het doel van de ISDE is het stimuleren van productie van duurzame energie ten behoeve
van de realisatie van de duurzame energiedoelstelling uit het Energieakkoord.112
Aard
De ISDE is een investeringssubsidie. De regeling is met name gericht op relatief kleine
productie-installaties die geen gebruik kunnen maken van de SDE+. Het gaat
bijvoorbeeld om zonneboilers, biomassaketels, pelletkachels en warmtepompen. Per
technologie worden subsidiebedragen vastgesteld. Voor zeer kleine installaties zijn dit
vaak vaste bedragen. Voor wat grotere installaties gaat het om bedragen die gerelateerd
zijn aan het vermogen van de installaties. Het subsidiebudget wordt verdeeld op volgorde
van binnenkomst van aanvragen.
Budget
Het subsidieplafond in 2016 is € 70 miljoen. De regeling is geopend op 1 januari 2016 en
loopt tot en met 2020. De subsidieplafonds voor latere kalenderjaren worden met ingang
van het betreffende kalenderjaar bekend gemaakt.
Reflectie op de rol van ISDE in de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding
De regeling is gericht op verspreiding van beschikbare technologie. Doordat de
budgetten en technologieën die onder de regeling vallen, jaarlijks gewijzigd kunnen
worden, zal de regeling – ondanks het feit dat vooraf is aangekondigd dat de regeling tot
en met 2020 open zal staan – weinig zekerheden geven in de markt. Het is niet
aannemelijk dat de regeling veel stimulerend effect zal hebben op R&D en radicale
innovaties omdat deze gericht is op 2020 en wordt ingezet op kostenefficiënt behalen van
het 2020-doel. Ontwikkeltrajecten die zich nog in de R&D-fase bevinden en innovaties
met een meer radicaal karakter zullen waarschijnlijk niet leiden tot grootschalige uitrol
voor 2020. Naar mate 2020 nadert, neemt deze waarschijnlijkheid nog verder af.
Suggesties voor beter op innovatie richten
Door in de regeling meerjarig vast te leggen wat de subsidieplafonds zijn en welke
technologieën zich kwalificeren zal het stimulerend effect op innovatie verbeteren. Indien
besloten wordt om de regeling langer te laten bestaan, kan voor technologieën waar naar
verwachting nationaal invloed kan worden uitgeoefend op de kostencurve overwogen
worden om te werken met een vooraf afgesproken pad van jaarlijks afnemende
subsidiebedragen.
112
    Regeling van de Minister van Economische Zaken van 14 december 2015, nr. WJZ/15172584, tot wijziging van de Regeling
    nationale EZ-subsidies in verband met de invoering van investeringssubsidies voor kleine installaties voor duurzame
    energieproductie, Stcrt. 2015, 46527.
Oppakken en doorpakken                                                                                                   82
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>EU-beleid brandstoffen
De richtlijn hernieuwbare energie verplicht de lidstaten daarnaast tot 10% duurzame
energie. Dit is in Nederland vertaald naar een oplopende jaarverplichting voor brandstof-
leveranciers. De jaarverplichting is verhandelbaar: brandstofleveranciers kunnen aan hun
jaarverplichting voldoen door Hernieuwbare Energie Eenheden te kopen van andere
bedrijven. Naast de jaarverplichting bestaat er op grond van de Europese richtlijn
brandstofkwaliteit de verplichting om de CO2–prestatie van brandstoffen in 2020 met 6%
te verlagen ten opzichte van 2010. Dat kan door biobrandstoffen bij te mengen, maar ook
door in de keten (bijvoorbeeld bij de raffinaderijen) minder CO 2 uit te stoten. Er zijn
enkele stimulansen voor innovatie: brandstoffen uit reststromen tellen bijvoorbeeld
dubbel voor de jaarverplichting. Waterstof of elektriciteit voor mobiliteit levert daarnaast
een gunstige berekening voor de jaarverplichting en de reductieverplichting. Deze
wetgeving is voor de overheid kostenneutraal.
Wet Milieubeheer verplichting en Meerjarenafspraak 3 (MJA3)
Doel
De doelstelling van de MJA 3 is 30% energiebesparing in de periode 2005 – 2020 voor
de gezamenlijke deelnemende ondernemingen.
Aard
Onder de Wet Milieubeheer geldt voor de meeste bedrijven die niet aan ETS deelnemen
de verplichting om energiebesparende maatregelen te nemen met een terugverdientijd
van vijf jaar of minder.113 Door deel te nemen aan de Meerjarenafspraken 3 (MJA3) kan
een onderneming op een meerjarig flexibele wijze invulling geven aan deze verplichting.
In de MJA 3 is afgesproken dat deelnemende ondernemingen eens in de vier jaar een
Energie-efficiëntieplan (EEP) maken waarin rendabele maatregelen voor energie-
besparing worden geïnventariseerd. De ondernemingen moeten deze EEP’s uitvoeren.
Het bevoegd gezag voor de Wet milieubeheer geeft aan of ze instemt met het EEP als
invulling van de Wet milieubeheer-verplichting. Daarnaast streven deelnemende sectoren
naar het maken van een routekaart, waarin een mogelijk pad in beeld wordt gebracht
naar 50% energie-efficiëntieverbetering in 2030. Bedrijven die deelnemen aan de MJA3,
komen in aanmerking voor een teruggaaf van Energiebelasting op elektriciteit in de
hoogste schijf.
Budget
De teruggaaf van Energiebelasting voor alle MJA3-deelnemers is in totaliteit in orde van
grootte van € 1 miljoen/jaar .Dit bedrag is beperkt in vergelijking met de andere
113
    Om historische redenen neemt ook een aantal bedrijven met inrichtingen die onder ETS vallen deel aan de MJA3. Voor deze
    inrichtingen geldt dan niet de wettelijke verplichting om rendabele energiebesparingsmaatregelen te nemen. Deze bedrijven komen
    dan mogelijk wel in aanmerking voor compensatie voor elektriciteitsprijsverhoging als gevolg van ETS. De compensatie is nader
    toegelicht in de paragraaf over het MEE-convenant.
Oppakken en doorpakken                                                                                                            83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>regelingen en per bedrijf gaat het om een verwaarloosbaar bedrag. De druk om energie
te besparen komt primair voort uit de wettelijke plicht. De handhaving hiervan laat echter
te wensen over. In het Energieakkoord is afgesproken de handhaving te verbeteren.
Reflectie op de rol van dit instrument in de transitie naar een CO2-arme
energiehuishouding
De verplichting in de Wet milieubeheer (al dan niet in combinatie met de MJA3) vormt
een beperkte prikkel voor innovatie. Ten eerste is de handhaving onzeker waardoor de
omvang van de markt voor energie-efficiënte technologie onzeker is. Ten tweede is het
instrument gericht op beschikbare technologie. Innovatieve technologie kent vaak langere
terugverdientijden en risico’s waarmee het niet onder de verplichting valt of moeilijk
afdwingbaar is. Met de MJA3 wordt wel de mogelijkheid gegeven om de verplichting in de
Wet milieubeheer voor een (EEP)-periode van vier jaar in te vullen, waarbij er uitruil
mogelijk is tussen maatregelen die met beschikbare technologie rendabel zijn en
innovatievere maatregelen. De onzekere handhaving van de Wet milieubeheer maakt
echter dat de druk die uitgaat van dit instrument (verplichting uit de Wet milieubeheer en
de MJA3) en daarmee de stimulans voor innovatie beperkt blijft. Ook is een EEP-periode
van vier jaar – waarbinnen uitruil kan plaatsvinden – relatief kort om bedrijven te
stimuleren om grote investeringen te doen in innovatieve technologieën. Het effect van
de verplichting in de Wet milieubeheer en MJA3 op radicale innovatie is waarschijnlijk
zeer beperkt omdat de instrumenten daar (vrijwel) niet op gericht zijn. Wel hebben
sectoren die deelnemen aan de MJA3, routekaarten gemaakt, waarin is uitgewerkt hoe in
2030 50% energie-efficiënter kan worden geopereerd. Daarmee is kennis gegenereerd
over innovatie-mogelijkheden. In het convenant staat dat afspraken zullen worden
gemaakt over uitvoering van de routekaart, maar in de praktijk staat hier niet veel druk
op.
Suggesties voor beter op innovatie richten
Verbetering kan komen door betere handhaving van de verplichting in combinatie met
een formeler meerjarig commitment van de overheid waarmee bedrijven die grote
innovatieve energie-efficiëntieverbeteringen doorvoeren een toezegging krijgen dat zij
voor een langere periode de verplichting hebben ingevuld.
MEE-convenant
Doel
Het doel van het MEE-convenant is om ETS-ondernemingen een significante bijdrage te
laten leveren aan de verbetering van energie-efficiëntie door het treffen van rendabele
maatregelen voor energie-efficiëntieverbetering en het op strategisch niveau
onderzoeken wat besparingsmogelijkheden op lange termijn zijn.
Oppakken en doorpakken                                                                    84
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>Aard
In de MEE is afgesproken dat deelnemende ondernemingen eens in de vier jaar een
Energie-efficiëntieplan (EEP) maken waarin rendabele energiebesparingsmaatregelen
worden geïnventariseerd. Deze EEP’s moeten door de ondernemingen worden uitge-
voerd. Net als bij de MJA3 is er uitruil mogelijk tussen het nemen van maatregelen die
rendabel zijn met beschikbare technologie, en innovatievere maatregelen. Daarnaast
streven deelnemende sectoren naar het maken van een routekaart, waarin een mogelijk
pad in beeld wordt gebracht naar 50% energie-efficiëntieverbetering in 2030. Partijen die
deelnemen aan de MEE en de daarin gemaakte afspraken nakomen, komen in aanmer-
king voor een teruggaaf van Energiebelasting op elektriciteit in de hoogste schijf en voor
een compensatie voor de verhoging van de marktprijs voor elektriciteit die het gevolg is
van ETS.
Budget
De teruggaaf van Energiebelasting voor de aan de MEE deelnemende bedrijven is in
totaliteit in de orde van grootte van € 5 miljoen. Deze teruggaaf slaat vrijwel geheel neer
bij tien procent van de deelnemende bedrijven. Voor de meeste deelnemers is de
teruggaaf verwaarloosbaar. De compensatie voor elektriciteitsprijsverhoging door ETS is
op jaarbasis maximaal € 78 miljoen. Ook dit bedrag slaat neer bij een kleine selectie
grootverbruikers van elektriciteit onder de MEE-deelnemers.
Reflectie op de rol van het MEE-convenant in de transitie naar een CO2-arme
energiehuishouding
De teruggaaf en compensatie die aan de MEE verbonden zijn, zijn gering en en slaan
slechts bij een beperkt aantal deelnemers neer. Bovendien zijn de afspraken in het MEE-
convenant over welke maatregelen bedrijven precies moeten nemen, niet volledig
duidelijk. Hierdoor zal het effect van de MEE op energie-efficiëntieverbetering beperkt zijn
en daarmee ook op investeringen in innovatieve technologieën en de R&D om deze te
ontwikkelen. Bovendien wordt jaarlijks bepaald of bedrijven in aanmerking komen voor de
teruggaaf van de Energiebelasting en compensatie voor de elektriciteitsprijsverhoging als
gevolg van ETS. Hierdoor zal er een beperkte prikkel zijn voor investeringen in
vergaande, innovatievere energie-efficiëntieverbetering die zich over langere tijd terug
moeten verdienen. Over de uitvoering van de routekaarten zijn in de MEE geen duidelijke
afspraken gemaakt. De routekaarten geven daarom slechts informatie over mogelijke
innovaties.
Suggesties voor beter op innovatie richten
Verbetering kan komen door concretere afspraken te maken over de verplichtingen voor
bedrijven en die te koppelen aan meerjarige toezeggingen over de relatieve voordelen
voor bedrijven die hun verplichtingen nakomen.
Oppakken en doorpakken                                                                      85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>Energieprestatiecoëfficiënt (EPC)
Onder de EU Richtlijn EPBD uit 2010114 zijn Lidstaten verplicht minimale energie-
prestatie-eisen te stellen aan nieuwe gebouwen gericht op bijna energieneutrale nieuw-
bouw vanaf eind 2020 (eind 2018 voor nieuwe overheidsgebouwen). In Nederland wordt
invulling gegeven aan deze verplichting met de EPC-normering.115 De EPC is één van de
belangrijkste instrumenten in het energiebeleid voor de gebouwde omgeving.
Doel
De EPC is gericht op het verbeteren van de energieprestatie van nieuwe gebouwen.
Hiermee wordt aangestuurd op bijna energieneutrale nieuwbouw vanaf eind 2020.
Aard
De EPC stelt minimumeisen aan de energieprestatie van nieuwe gebouwen. Lidstaten
zijn verplicht om de vijf jaar te beoordelen, op basis van kostenoptimaliteitsberekeningen,
of dat door marktontwikkelingen de eisen moeten worden aangescherpt. De nieuwe
gebouwen kunnen aan de eisen voldoen door energiebesparende maatregelen of het
toepassen van hernieuwbare energie-opwekking. Het is mogelijk om een deel116 van de
EPC in te vullen met zogenoemde gebiedsmaatregelen; bijvoorbeeld warmtenetten
gevoed met restwarmte of warmte van afvalverbranding. Het is voor fabrikanten mogelijk
om nog niet in de bepalingsmethode gewaardeerde technieken mee te laten wegen als
ze een gelijkwaardigheidsverklaring of kwaliteitsverklaring kunnen voorleggen.
Budget
N.v.t. De EPC betreft een eis.
Reflectie op de rol van het instrument in de transitie naar een CO2-arme energie-
huishouding
In de EPBD is met de bijna energieneutrale nieuwbouw in 2020 een duidelijk doel
gesteld. Dit doel is zodanig vergaand dat belangrijke innovatiestappen gemaakt moeten
worden. Met het uitgangspunt van kostenefficiëntie en een standaard berekenings-
methode is het pad van oplopende eisen bovendien voorspelbaar. De EPBD-verplichting
en de EPC zullen een aanzienlijke stimulans geven voor zowel incrementele als radicale
innovatie. Bij de bepaling van het pad van oplopende eisen wordt rekening gehouden met
wat kostenefficiënt is en wat met ‘beschikbare technologie’ mogelijk is. Het meerjarige
pad van oplopende eisen naar een verder in de toekomst liggend en ambitieus einddoel
biedt een duidelijk marktperspectief voor radicalere innovaties naar vergaande energie-
zuinige en/of kostenefficiënte oplossingen. Het feit dat de verplichting voor de hele EU
geldt, creëert een omvangrijke markt. De handhaving vormt echter een aandachtspunt.
114
    Energy Performance of Buildings Directive uit 2010 (2010/31/EU). Het betreft een herziene versie van de EPBD uit 2002.
115
    EPC staat voor Energieprestatiecoefficiënt.
116
    Bij gebruik van gebiedsmaatregelen in de EPC mag de gebouwgebonden EPC maximaal 33% hoger liggen dan de totale EPC.
Oppakken en doorpakken                                                                                                     86
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>Uit onderzoek komt naar voren dat niet altijd kan worden aangetoond dat de EPC wordt
gehaald.117
Suggesties voor beter op innovatie richten
Zorg voor goede handhaving. Onzekere handhaving leidt tot een onvoorspelbare markt
en daarmee (in potentie) tot substantiële afname van de prikkel voor R&D.
Belastingen en heffingen
Ook belastingen, heffingen en belastingvoordelen spelen een belangrijke rol in het
Nederlandse energiebeleid. Hier worden de belangrijkste instrumenten behandeld.
Energie-investeringsaftrek (EIA)
Doel
Het doel van de Energie-investeringsaftrek is de stimulering van energiezuinige bedrijfs-
middelen.
Aard
De EIA geeft een fiscaal voordeel voor investeringen in energiezuinige technieken. De
EIA is een generieke regeling voor alle investeringen die een bepaalde hoeveelheid –
hier geldt een bandbreedte – energie besparen per geïnvesteerde euro. De gedachte
hierachter is dat investeringen met een korte terugverdientijd vanzelf in de markt worden
gedaan of onder de Wet Milieubeheer kunnen worden afgedwongen, terwijl investeringen
met een heel lange terugverdientijd niet kostenefficiënt zijn om met behulp van een
subsidie te stimuleren. De EIA-belastingaftrek vult dit ‘gat’. In de praktijk wordt gewerkt
met een lijst van technologieën die sowieso in aanmerking komen. Omdat de besparing
wordt berekend ten opzichte van de referentie die in de markt geldt, wordt deze lager
naarmate een technologie breder toegepast wordt. De technologie in kwestie wordt dan
namelijk zelf meer en meer de referentie, waardoor de ‘energiebesparing’ beweegt naar
nul. Tot en met 2013 kwamen ook investeringen in technologie voor hernieuwbare
energieproductie in aanmerking. Sinds 2014 komen investeringen die in aanmerking
komen voor de SDE+ niet meer in aanmerking voor de EIA. Door investeerders kan met
behulp van de EIA 58% van de investeringskosten in mindering worden gebracht op de
fiscale winst, waardoor er minder vennootschaps- of inkomstenbelasting betaald hoeft te
worden. Het gemiddelde netto fiscale voordeel is 14% van de investering. De regeling
bestaat sinds 1997 en kent sinds die tijd enigszins wisselende aftrekpercentages.
117
    Bron: http://www.bouwwereld.nl/nieuws/veel-mis-met-nieuwbouwwoningen/
Oppakken en doorpakken                                                                      87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>Budget
Het budget voor 2016 is € 161 miljoen. Het budget in voorgaande twee jaren was € 111
en 106 miljoen.
Reflectie op de rol van de EIA in de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding
De EIA geeft, omdat wordt gewerkt met een marktpenetratiecriterium, een stimulans op
de uitrol van nieuwe technologie en niet de adoptie van algemeen toegepaste techno-
logie. Investeringen in energiebesparing met een lange terugverdientijd komen niet in
aanmerking voor de regeling. Hierdoor wordt met de regeling niet direct gestimuleerd om
te investeren in de wat duurdere innovatieve technologieën ten opzichte van de
goedkopere. De regeling beweegt daarmee de investeerder te kiezen voor investeringen
met relatief korte terugverdientijden. Het is daarmee mogelijk dat als gevolg van de EIA
niet wordt gekozen voor investeringen in innovatieve duurdere technologieën met een
langere terugverdientijd. De regeling stimuleert hierdoor dus in de regel niet de adoptie
van radicale innovaties. De regeling wordt in de markt als een redelijk ‘constante factor’
ervaren omdat de regeling al lang bestaat en relatief weinig beïnvloed wordt door lobby
en politiek. Verwacht kan worden dat hierdoor een substantiële indirecte prikkel voor
ontwikkelen van nieuwe technologieën uitgaat van de EIA, omdat uitrol van nieuwe
energie-efficiënte waarschijnlijker wordt.
Suggesties voor beter op innovatie richten
Een idee is om innovatieve technologieën met een langere terugverdientijd op te nemen
in de EIA, door het bereik qua terugverdientijden te vergroten en/of de technologieën op
te nemen in de lijst van technologieën die sowieso in aanmerking komen. Ook kan men
onderzoeken of een hoger aftrekpercentage voor innovatieve technologieën die veel
energie besparen maar een langere terugverdientijd hebben, mogelijk en nuttig is.
Energiebelasting (EB) en Opslag Duurzame Energie (ODE)
Doel
Het doel van de Energiebelasting is in de eerste plaats een prikkel geven voor
energiebesparing. Het doel van de Opslag Duurzame Energie is in de eerste plaats het
financieren van de SDE+. Daarnaast genereert de ODE een prikkel voor energie-
besparing.
Aard
Sinds 1996 wordt op levering van aardgas en elektriciteit energiebelasting geheven. De
energiebelasting is degressief: kleinverbruikers betalen aanzienlijk meer belasting voor
aardgas en elektriciteit dan grootverbruikers. Voor aardgas: Kleinverbruikers betalen €
0,25/m3 = € 156 / ton CO2; grootverbruikers betalen € 0,012/ m3 = € 7/ton CO2. Voor
elektriciteit: Kleinverbruikers betalen € 0,10/kWh = € 212 / ton CO2. Grootverbruikers
€0,0005/kWh = €1 / ton CO2. Sinds 2013 wordt op aardgas en elektriciteit een opslag
Oppakken en doorpakken                                                                     88
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>geheven voor financiering van de SDE+. De heffing is nu nog relatief beperkt. De tarieven
zijn voor kleinverbruikers op aardgas € 0,0018 / m3 = € 1 / ton CO2 en voor elektriciteit
€ 0,0056 / kWh = € 12 / ton CO. Voor grootverbruikers zijn de (gemiddelde) tarieven
aanzienlijk lager. De opslag zal komende jaren oplopen. Over hoe de opslag zal oplopen
is een langjarige afspraak gemaakt.
Budget
De inkomsten van de Energiebelasting bedragen € 4,9 miljard (waarvan 53% op
elektriciteit, 47% op aardgas). Van de inkomsten is 80% afkomstig uit de eerste schijven.
Reflectie op de rol van EB en ODE in de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding
De EB en ODE geven voor kleinverbruikers een aanzienlijke prikkel voor diffusie van
CO2-arme oplossingen. Voor grootverbruikers is de prikkel op gas beperkt (€ 7/ton) en
voor elektriciteit nihil (€ 1/ton CO2). Van de EB gaat veel zekerheid uit. Er wordt daarom
ook een relatief sterke indirecte prikkel gegeven voor ontwikkeling van CO2-arme
oplossingen. Ook geven de EB en ODE bedrijven daarom ook een prikkel om grotere
besparingsstappen te maken. Daarmee wordt immers langjarig veel op de heffing
bespaard. Daarmee geeft de EB zowel een prikkel voor de diffusie van technologieën van
de stand der techniek als technologieën met een innovatief karakter. Vanzelfsprekend
geldt dit niet of slechts in zeer beperkte mate voor grootverbruikers omdat de heffing daar
laag is.
Specifiek energie-innovatiebeleid
Naast het generieke innovatiebeleid is er in Nederland beleid dat zich specifiek richt op
energie-innovatie. Deze instrumenten worden hier behandeld. Het gaat dan om:
Regeling Hernieuwbare Energie118
Doel
Deze regeling beoogt om de doelstelling van 16% hernieuwbare energie in 2023 kosten-
effectiever te realiseren door middel van innovatieve projecten die leiden tot (additionele)
duurzame energieproductie in 2023.
Aard
De Hernieuwbare energieregeling is een investeringssubsidie op hernieuwbare-energie-
projecten betreffende industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of demonstratie.
Voor subsidie kunnen projecten in aanmerking komen die leiden tot duurzame energie-
productie in 2023 en een verlaging van de SDE+-uitgaven die groter is dan de
aangevraagde subsidie. De subsidie wordt verstrekt op basis van de volgorde van
118
    Het gaat hier om de ‘paragraaf’ Hernieuwbare Energie onder de ‘titel’ Topsector Energieprojecten van de Regeling Nationale EZ-
    subsidies.
Oppakken en doorpakken                                                                                                           89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>binnenkomst van aanvragen. De subsidie geldt voor duurzame energie middels
technologieën die onder de SDE+ vallen en een gelimiteerde lijst technologieën die daar
niet onder vallen.
Budget
Het subsidieplafond voor 2016 is €50 miljoen.
Reflectie op de rol van de regeling in de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding
De regeling is gericht op het bereiken van innovaties die bijdragen aan kostenverlaging
van duurzame energieproductie in de periode tot en met 2023. Daarmee komen naar alle
waarschijnlijkheid slechts incrementele innovaties aan bod. Innovaties van een radicalere
aard komen niet in aanmerking. Omdat met de regeling op de korte termijn wordt gericht
(ook in verband met een doelstelling die slechts tot 2023 reikt) is het niet waarschijnlijk
dat de regeling efficiënt is in het licht van de totale energietransitie (die minstens de
periode tot 2050 bestrijkt). De regeling geeft waarschijnlijk weinig indirecte stimulans voor
R&D omdat de komende periode steeds minder projecten zich zullen kunnen kwalifi-
ceren, gezien de tijd die benodigd is om van industrieel onderzoek of experimentele
ontwikkeling te komen tot daadwerkelijke productie (in de regel 5 à 10 jaar) en de eis dat
een project moet leiden tot duurzame energieproductie in 2023. Bovendien zal de
regeling waarschijnlijk in deze vorm niet lang voortbestaan en is een vergelijkbaar vervolg
niet waarschijnlijk omdat er geen nationale doelstelling voor hernieuwbare energie na
2023 is, de Europese doelen voor 2030 niet worden vertaald naar het nationale niveau en
in het Energierapport de keuze wordt gemaakt om enkel te sturen op ‘CO2-arm’ (en niet
ook op een aandeel hernieuwbare energie).
Suggesties voor beter op innovatie richten
De regeling Hernieuwbare Energie is gericht op het kosteneffectiever realiseren van het
2023-doel voor hernieuwbare energie. Als wordt vastgehouden aan deze doelstelling zijn
er geen substantiële verbeteringen mogelijk. Het is niet mogelijk of zinvol om suggesties
te doen voor verbetering van deze regeling met inbegrip van de doelstelling, omdat
onduidelijk is of er nationale doelstellingen voor hernieuwbare energie na 2023 komen
en, als deze er komen, welk beleid hierop vervolgens gericht zal worden.
Demonstratie Energie-innovatie (DEI)
Doel
Het doel van de DEI-regeling is om in Nederland een ‘etalage’ van energie-innovaties te
creëren waardoor Nederlandse bedrijven gemakkelijker de sprong naar internationaal
Oppakken en doorpakken                                                                      90
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>succes kunnen maken met producten, processen of diensten die zij ontwikkeld
hebben.119
Aard
De regeling betreft een investeringssubsidie voor demonstraties van energie-innovaties,
mogelijk in combinatie met industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. Specifiek
voor energiebesparingsprojecten in de industrie wordt ook gericht op pilot-projecten.
Budgetverdeling is op basis van een tender met rangschikkingscriteria. De regeling is
gericht op projecten die bijdragen aan versterking van de Nederlandse economie en
verduurzaming van de energiehuishouding en is niet beperkt tot de programmalijnen van
de Topsector Energie.
Budget
In het Energieakkoord voor Duurzame Groei is een meerjarig budgetpad afgesproken
(bedragen zijn inclusief ongeveer €1 miljoen uitvoeringskosten): voor 2014 € 25 miljoen;
voor 2015 € 35 miljoen; voor 2016 € 45 miljoen; vanaf 2017 structureel € 50 miljoen. In
2016 is het budget echter verlaagd tot € 35,7 miljoen exclusief uitvoeringskosten. Het
budget is de afgelopen jaren niet uitgeput omdat er niet genoeg aanvragen waren voor
projecten van voldoende kwaliteit.
Reflectie op de rol van de DEI in de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding
De regeling zal direct bijdragen aan demonstraties eventueel in combinatie met
industrieel onderzoek. Indirect zal de regeling R&D stimuleren, omdat demonstraties in
het verlengde daarvan ondersteund worden door de DEI. De meerjarige budgetreeks
draagt bij aan de zekerheid die in de markt zal worden gevoeld. Het beschikbare budget
is echter beperkt, en onzeker, getuige de budgetverlaging voor 2016. Het is niet
aannemelijk dat met de DEI regeling echt radicale innovaties worden gestimuleerd. Dit
omdat in de tender ‘bijdrage aan de Nederlandse economie’ een rangschikkingscriterium
is. Radicale innovaties zullen hier in de regel niet goed op scoren omdat de bijdrage aan
de economie bij een radicale innovatie vaak niet meteen duidelijk is: zoiets blijft onzeker.
Suggesties voor beter op innovatie richten
Om meer zekerheid te bieden over het beschikbare budget zou overwogen kunnen
worden om te werken met een open budgetplafond, waarmee geld uit regelingen voor
grootschalige uitrol automatisch wordt overgeheveld als er meer kwalitatief goede
projecten zijn die de kosten van de gehele transitie naar een CO2-arme energie-
huishouding meer verlagen dan ze aan subsidie kosten. Dit is een constructie zoals bij de
hernieuwbare energieregeling en de SDE+. Op deze manier zal er in de markt meer
119
    Bijlage 4.2.10, behorende bij artikel 4.2.64 van de Regeling nationale EZ-subsidies (Demonstratie energie-innovatie).
Oppakken en doorpakken                                                                                                    91
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>zekerheid ontstaan over de beschikbaarheid van budget in het instrument, hetgeen een
extra stimulans vormt voor R&D.
De Topsector Energie
Gezien het belang van het instrument Topsector Energie in de transitie naar een CO2-
arme energiehuishouding is dit instrument al uitgewerkt in de hoofdtekst van dit advies. In
deze bijlage wordt aanvullende informatie gegeven over het doel van het bedrijvenbeleid
waaraan de Topsector Energie een bijdrage levert en de instrumenten die specifiek voor
de Topsector Energie ter beschikking staan.
Doel bedrijvenbeleid en Topsector Energie
De Topsector Energie is een onderdeel van de Topsectorenaanpak. Voor de Topsec-
torenaanpak is geen formele beleidsdoelstelling geformuleerd. De formele beleids-
doelstelling waar de Topsectorenaanpak onder valt, is de doelstelling van het
bedrijvenbeleid: “Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie”.
Hieronder vallen de drie subdoelen:120
►        De ambitie is dat Nederland in 2020 mondiaal tot de top-vijf van de kennis-
         economieën behoort.
►        In het kader van de Europa 2020-strategie stelt Nederland zich daarnaast ten doel
         dat in 2020 2,5% van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling
         (R&D) wordt uitgegeven.
►        Bovendien is het een ambitie van het bedrijvenbeleid dat publieke en private partijen
         in 2015 voor tenminste 500 miljoen euro participeren in Topconsortia voor Kennis
         en Innovatie (TKI’s), waarvan tenminste 40% wordt gefinancierd door het
         bedrijfsleven.
De dubbele doelstelling van de Topsector Energie bevat naast deze doelstelling die voor
alle topsectoren geldt, ook het zelf geformuleerde doel van ‘versnelling van de energie-
transitie’.
Aard
De TSE stelt op haar website “bedrijven, kennisinstellingen, overheden en maatschappe-
lijke organisaties te helpen samen te werken aan het energiesysteem van de toekomst”.
Vanuit bovengenoemde missie en visie wordt door de TSE gericht op drie agenda’s:
►        de Kennis- en Innovatieagenda: de ontwikkeling van een innovatieportfolio en -
         pijplijn waarmee we relevante innovaties aanjagen die de energietransitie
         versnellen;
►        een exportagenda waarmee we de kansen van bedrijven vergroten op buitenlandse
         markten, en buitenlandse investeringen aantrekken, en
120
    Tweede Kamer der Staten-Generaal (2013).Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII)
    voor het jaar 2014.
Oppakken en doorpakken                                                                                                         92
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>►        een human capital agenda waarmee we streven naar voldoende goed geschoold
         personeel.
De Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s)
De Topsector Energie heeft vijf TKI’s. Dit zijn het TKI Wind op Zee, het TKI Biobased
Economy,121 het TKI Urban Energy, het TKI Gas, en het TKI Energie en Industrie.
Daarnaast wordt vanuit de TSE-organisatie strategisch ingezet op de thema’s
systeemintegratie122 en maatschappelijk verantwoord innoveren energie (MVI-e).123 De
TKI's, die voor hun administratie een vergoeding krijgen vanuit de overheid, stimuleren
publiek-private samenwerkingsprojecten.
De TKI’s hebben drie hoofdtaken:
►        Het samen met de betreffende communities van kennisinstellingen en bedrijven
         programmeren van de meerjarige innovatieopgaven en het vertalen van die
         programmering in voorstellen voor de jaarlijkse inzet van middelen.
►        Het stimuleren van het ontstaan van publiek-private samenwerking door partijen bij
         elkaar te brengen. Deze publiek-private samenwerkingsverbanden geven in de
         praktijk uitvoering aan de innovaties.
►        Kennisverwerving (eigen innovaties, innovaties in binnen- en buitenland door
         derden) en kennisdisseminatie.
Van het publieke budget dat jaarlijks wordt ingezet124 in de Topsector Energie is in 2016
ongeveer 90% gericht op de innovatieprogramma’s van de TKI’s, en 4% voor MVI-e.
De instrumenten die specifiek ter beschikking staan voor de innovatieprogramma’s van
de TKI’s zijn de volgende.
De regeling Topsector Energieprojecten.
Voor de onderwerpen125 waarop de TKI’s zich richten worden binnen TSE jaarlijks
subsidieregelingen in de markt gezet. Deze regelingen zijn het belangrijkste subsidie-
instrument in de TSE. TSE is in dit opzicht een uitzondering onder de Topsectoren. De
andere Topsectoren leunen primair op de TKI-toeslagregeling. Deze regeling speelt in de
TSE echter slechts een relatief bescheiden rol (de TKI-toeslagregeling wordt verderop
121
    Dit TKI begeeft zich op het snijvlak van Topsector Energie en Topsector Chemie.
122
    Systeemintegratie is volgens de TSE het proces van integratie tussen schakels en spelers in de energiewaardeketens, tussen
    verschillende energiedragers, tussen actoren in de waardeketen en met aanpalende sectoren in het systeem, waardoor
    oplossingen voor knelpunten worden geboden en waardoor er kansen ontstaan voor nieuwe producten en diensten (bron:
    www.topsectorenergie.nl) .
123
    Het thema Maatschappelijk verantwoord innoveren richt zich op veranderingen die nodig zijn in de samenleving om de
    energietransitie mogelijk te maken.
124
    Het betreft hier de EZ-innovatiemiddelen die jaarlijks worden ingezet t.b.v. de programmering in de Topsector Energie. Het gaat
    hier niet over de geoormerkte inzet van ECN en TNO en de TKI-toeslag.
125
    In 2016 zijn er tenderregelingen op de onderwerpen: biobased economy en groen gas; samenwerking Topsector Energie en
    Maatschappij; upstream gas; liquid natural gas; urban energy; energie en industrie; wind op zee; systeemintegratie; zon-PV.
Oppakken en doorpakken                                                                                                              93
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>toegelicht). In 2016 is het budget voor de regelingen TSE gezamenlijk € 43 miljoen.126
Deze regelingen richten zich op het ondersteunen van industrieel onderzoek,
experimentele ontwikkeling en/of demonstratie. Specifiek ten aanzien van
energiebesparing in de industrie wordt ook gericht op de fase van early adopters. De
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voert de regelingen uit. Bij de
vormgeving van de regelingen127 worden de TKI’s nauw betrokken. De TKI’s hebben
uiteindelijk geen directe invloed op welke projecten subsidie krijgen en welke niet.
Subsidie wordt toegekend aan individuele projecten. Het is in de regeling Topsector
energie niet mogelijk om een samenhangend pakket aan projecten in totaliteit te
beoordelen en van subsidie te voorzien.
De voor Topsector Energie geoormerkte onderzoeksinspanningen bij TNO, ECN en NWO
ECN, TNO en NWO worden door de TKI’s betrokken bij het opstellen van de Kennis- en
Innovatieagenda’s (KIA’s). De onderzoeksactiviteiten door TNO, ECN en NWO worden
hieraan gekoppeld. Voor ECN en TNO geldt dat eens in de twee jaar wordt vastgesteld
wat de overall inzet voor TSE zal zijn. In een jaarlijkse procedure wordt vervolgens op
basis van vraagsturing uit de TKI’s een uitwerking gemaakt van de inzet. De inzet van
NWO ten behoeve van de KIA’s wordt iedere twee jaar vastgelegd. NWO brengt hiertoe
na afstemming met de TKI’s een propositie uit waarin inzet op hoofdlijnen wordt
geschetst. Uiteindelijk wordt door het Topteam een advies aan de minister van
Economische Zaken gegeven over de inzet van ECN, TNO en NWO op de TSE-
onderwerpen. De minister neemt hierover een besluit. De geoormerkte inzet in 2016 in de
TSE van ECN is ongeveer € 14 miljoen. Van TNO is dit € 8,9 miljoen. Van NWO is dit
ruim € 21 miljoen.128 Daarnaast kunnen wetenschappelijke onderzoekers van TNO en
ECN zich kwalificeren voor de regeling Topsector Energieprojecten.129
De TKI-toeslagregeling
Met de TKI-toeslag wordt samenwerking tussen bedrijven en onderzoeksorganisaties
gestimuleerd. Als een private partij investeert in onderzoek bij een kennisinstelling op een
onderwerp dat voor een bepaald TKI relevant is, krijgt dat TKI een toeslag gelijk aan
25%130 van hetgeen de private partij heeft geïnvesteerd. Het TKI kan de toeslag
gebruiken voor de uitvoering van haar programmering door het in te zetten voor
onderzoek in publiek-private samenwerkingsprojecten, voor netwerkactiviteiten en voor
126
    Dit budget is exclusief de budgetten voor de regeling Demonstratie Energie Innovatie en de regeling Hernieuwbare Energie. Deze
    twee regelingen zijn namelijk niet specifiek gericht op de programmering van de TKI’s van de TSE en worden daarom los van de
    TSE behandeld.
127
    Het gaat in deze afstemming bijvoorbeeld om zaken als thematische afbakening, de wijze van verdelen, de wegingsfactoren in de
    tender, over de focus qua fase van het onderzoek (industrieel onderzoek / experimentele ontwikkeling / demonstratie).
128
    Dit zijn onderzoeksactiviteiten die primair op TSE onderwerpen zijn gericht. Bij TNO en NWO die zich met een breed palet aan
    onderwerpen bezighouden, is wordt daarnaast ook onderzoek gedaan dat grenst aan het onderwerp energie of in beperkte mate
    onder dat onderwerp kan worden geschaard.
129
    Vereiste hierbij is dat wordt deelgenomen aan een samenwerkingsverband waar minimaal één onderneming aan deelneemt.
130
    Voor de eerste € 20.000 per deelnemer geldt een hoger percentage van 40%. Die eerste € 20.000 mag in natura zijn, de rest van
    de private bijdrage moet in cash zijn.
Oppakken en doorpakken                                                                                                           94
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>innovatiemakelaars. De TKI’s kunnen zelf bepalen voor welke projecten ze de toeslag
inzetten binnen bepaalde kaders. De TKI-toeslag stelt daarmee de TKI’s in de TSE in
staat om zelf meer te sturen in hun programma’s. Als het TKI ‘gaten’ of ‘discontinuïteiten’
ziet ontstaan, bijvoorbeeld door projecten die zijn afgewezen in de regeling Topsector
Energieprojecten of budgetbeperkingen in een bepaald jaar, kan het TKI dit corrigeren
met een TKI-toeslag. De TKI’s van de TSE ontvingen in de afgelopen jaren tussen de € 5
en 10 miljoen aan TKI-toeslag. De TKI-toeslag geeft de TKI’s binnen de TSE de
mogelijkheid om bijvoorbeeld projecten die zijn afgewezen bij de subsidieregeling
Topsector Energieprojecten vanuit het TKI te ondersteunen als het TKI vindt dat ze een
belangrijke meerwaarde hebben voor het TKI-programma.
Budget
Zoals bovenstaand toegelicht zijn de budgetten in TSE in 2016:
►        NWO: € 21 miljoen
►        ECN: €14 miljoen
►        TNO: € 8,9 miljoen
►        Regeling Topsector Energieprojecten: €40,6 miljoen131
►        TKI-toeslag van de orde van grootte van € 5 à 10 miljoen
Reflectie op de rol van TSE in de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding
Gezien het belang van het instrument Topsector Energie is de reflectie op de rol van dit
instrument in de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding uitgewerkt in de
hoofdtekst van dit advies.
Green Deal
Doel
Doel is het optimaal benutten van de dynamiek en creativiteit in de samenleving voor
groene groei.
Aard
In een Green Deal probeert de overheid knelpunten weg te nemen bij duurzame plannen
daar waar bedrijven, maatschappelijke organisaties of andere overheden tegen
problemen aanlopen als ze een duurzame stap willen maken. De Rijksoverheid helpt dan
door een Green Deal met ze aan te gaan. Rollen die de Rijksoverheid hierbij kan spelen
zijn: wegnemen van knelpunten in de wet- en regelgeving, ondersteunen van de markt,
versterken van netwerken, bemiddelen bij hulpbronnen.
131
    De paragraaf Demonstratie Energie-innovatie en de paragraaf Hernieuwbare Energie maken onderdeel uit van de ‘regeling
    Topsector Energieprojecten’. Omdat ze echter niet specifiek gericht zijn op de programmering van de TKI’s van de TSE worden ze
    los van de TSE behandeld.
Oppakken en doorpakken                                                                                                           95
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>Reflectie op de rol van green deals in de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding
Met Green Deals gericht op innovaties wordt vaak bijgedragen aan het vormen van
innovatiesystemen rond innovaties. Hierbij kunnen verbindingen gelegd worden tussen
partijen en sectoren, praktijk praktijkervaring om te komen tot standaardisering voor
snelle uitrol.132 Ook kunnen afspraken worden gemaakt over wet- en regelgeving. Soms
worden met Green Deals ook langere termijn ambities gedeeld door ‘stippen op de
horizon te zetten’. In principe kunnen over alle sleutelfuncties voor succesvolle
innovatie133 afspraken gemaakt worden. In de Green Deal aanpak richten activiteiten zich
meestal niet op technische ontwikkeling en kennisvergaring, maar juist op innovatieve
combinaties van al bestaande producten en diensten.134 Ook wordt niet veel gericht op
marktprikkels.135 In potentie is het Green Deal instrument daarmee zeer geschikt voor het
stimuleren van radicale innovaties. De concreetheid en afdwingbaarheid van de
afspraken zijn een aandachtspunt. Green Deals zijn in wisselende mate SMART over de
rol en verantwoordelijkheid van deelnemende partijen. Ook zijn Green Deals moeilijk
afdwingbaar.
B2.2 Instrumenten: totaalpakket per energiefunctionaliteit
Hiervoor hebben we een inschatting gemaakt van de effecten op innovatie van
individuele beleidsinstrumenten. Deze beleidsinstrumenten kennen onderlinge wissel-
werkingen: soms vullen ze elkaar aan, soms kunnen ze elkaar ook tegenwerken.
Hieronder proberen we een korte analyse te geven van hoe het samengestelde effect
van de verschillende beleidsinstrumenten is op de verschillende energiefunctionaliteiten
zoals door de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) onderscheiden. Per
functionaliteit kunnen we het volgende zeggen over de stimulering van energie-innovatie
via het bestaande beleid:
Energiefunctionaliteit lagetemperatuurwarmte
Voor de functie lagetemperatuurwarmte is er sprake van beprijzing van het milieueffect
van energiegebruik, waar een sterke prikkel van uitgaat. Daarbovenop zijn er diverse
subsidieregelingen die innovatie nog aanvullend stimuleren. Bij de bestaande bouw geldt
dat, ondanks deze stimulering en convenantafspraken over het tempo van energie-
besparing, de implementatie onzeker is in verband met diverse belemmeringen die
gelden bij vooral woningeigenaren en verhuurders. Ook worden de convenanten niet
altijd nageleefd. De onzekerheid die hiermee gepaard gaat, zal een remmende werking
hebben op investeringen in onderzoek en ontwikkeling gericht op innovatieve
132
    AgentschapNL (2013), Voortgangsrapportage Green Deals 2013.
133
    Hekkert, M. (2010), De innovatiemotor, noemt als belangrijke sleutelfactoren: experimenteren door ondernemers; ontwikkelen van
    kennis; netwerken en kennisdiffusie; richting geven aan zoekprocessen; ontvankelijk maken van markten (door bijvoorbeeld
    infrastructuur); draagvlak en legitimiteit creëren.
134
    Agentschap NL (2013), Voortgangsrapportage Green Deals 2013.
135
    Kwink groep (2013), Externe Audit Green Deal Aanpak, Den Haag: 28 oktober 2013.
Oppakken en doorpakken                                                                                                           96
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>oplossingen. In de nieuwbouw is er met de EPC wel een duidelijk pad naar vergaande
energiebesparing uitgestippeld. Hiervan zal een sterke stimulans uitgaan voor innovatie
en onderzoek en ontwikkeling om deze innovaties voort te brengen. In de nieuwbouw
vindt zo innovatie plaats die tevens in de bestaande bouw uitgerold kan worden.
Energiefunctionaliteit hogetemperatuurwarmte
De functie hoge temperatuurwarmte komt vrijwel uitsluitend voor in de industrie. Voor de
functie hogetemperatuurwarmte zijn de beleidsprikkels en verplichtingen om te investeren
in schone technologie beperkt, waardoor naar verwachting minder in de toepassing van
en het R&D naar CO2-arme technologie wordt geïnvesteerd dan nodig voor een
kostenefficiënte transitie naar een CO2-arme energiehuishouding in 2050. Bovendien
stuurt het instrumentenpakket met de Energie-investeringsaftrek, de wettelijke verplich-
ting tot energiebesparing en de Meerjarenafspraken Energie-efficiëntie (convenanten)
vooral aan op de toepassing van beschikbare technologie en kleine, incrementele
innovatiestappen. Grote, radicalere innovatiestappen worden in de industrie beperkt
gestimuleerd en mogelijk zelfs tegengehouden doordat het bestaande beleidspakket
stuurt op beschikbare technologie en kleine incrementele innovatiestappen.
Energiefunctionaliteit ‘licht & apparaten en elektriciteit’
De functionaliteit ‘licht & apparaten’ concentreert zich in de gebouwde omgeving (onge-
veer tweederde deel) en in de industrie (ongeveer een derde deel). Het energiegebruik
en de CO2-emissie worden bepaald door de energie-efficiëntie van de lampen en
apparaten en de wijze waarop de benodigde elektriciteit wordt geproduceerd. Dit zijn
twee enigszins los van elkaar staande domeinen.
Voor het energie-efficiënter maken van lampen en apparaten geldt de Europese regel-
geving Ecodesign als een belangrijk instrument waarin minimumeisen worden gesteld ten
aanzien van energie-efficiëntie, die periodiek worden aangescherpt. Dit geeft een prikkel
tot innovatie omdat de norm wordt bepaald door wat (ingeschat wordt dat) haalbaar is.
Bovendien zorgt de Europese aanpak voor een grote markt. Het Europese systeem van
energielabelling is ingericht om de consument eenvoudig inzage te geven in energie-
prestatie van lampen en apparaten. Hier komt bij kleinverbruikers nog de hoge Energie-
belasting bij als extra prikkel. Voor licht en apparaten in het bedrijfsleven geldt de ver-
plichting tot energiebesparing al dan niet in combinatie met de Meerjarenafspraken uit de
convenanten. Voor bedrijven die aan ETS deelnemen en niet vallen onder de energie-
besparingsverplichting gelden zeer beperkte beleidsmatige prikkels (zie de toelichting op
het MEE-convenant hierboven).
Voor het grootste deel van de elektriciteitsproductie gelden binnen Nederland weinig
beleidsmatige prikkels of verplichtingen om te investeren in energie-efficiënte of CO2-
arme productie. De ETS prijs is laag en er geldt een vrijstelling voor belasting op kolen of
aardgas voor elektriciteitsproductie. Ook gelden er weinig verplichtingen en zijn er geen
Oppakken en doorpakken                                                                      97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>convenanten gericht op efficiënte of CO2-arme elektriciteitsproductie. Daarom kan
verwacht worden dat er minder in toepassing van of R&D naar energie-efficiënte en CO2-
arme technologie wordt geïnvesteerd dan nodig is voor een kostenefficiënte transitie naar
een CO2-arme energiehuishouding in 2050.
Energiefunctionaliteit: mobiliteit
De potentiële innovatie betreft (a) betere brandstoffen en (b) minder gebruik van brand-
stoffen door efficiëntere motoren en/of door het anders inrichten van het mobiliteits-
systeem. Voor dat laatste is sociale innovatie nodig: onder andere gedragsverandering
(openbaar vervoer, meer carpooling) en andere manieren van werken (bijvoorbeeld
televergaderen). Voor de productie van low carbon brandstoffen is ook technologische
innovatie nodig: biobrandstoffen uit afvalstromen uit de land- en bosbouw, meer inzet van
elektriciteit mogelijk maken door betere, schonere en goedkopere accu’s, of het omzetten
van zonne-energie in synthetische brandstoffen (solar fuels).
Voor de productie van brandstoffen bestaat voor raffinaderijen via het ETS een beprijzing
van CO2 en voor leveranciers een verplichting om in 2020 een reductie van 6% te
realiseren. Deze maatregel is technologieneutraal. Voor leveranciers bestaat daarnaast
de verplichting een steeds groter aandeel duurzaam te realiseren, dat vaak wordt
ingevuld door biobrandstoffen of biogas. Brandstoffen uit reststromen tellen daarbij
dubbel, waardoor inzameling en hergebruik van gebruikt frituurvet rendabel is geworden
– een vorm van economische innovatie. Er bestaat daarnaast een extra doelstelling voor
2018 om ‘geavanceerde’ brandstoffen te produceren (0.4% van de totale hoeveelheid
brandstof). Dat biedt innovatieve spelers een marktkans. Consumenten spelen nauwelijks
een rol bij de verduurzaming van brandstoffen. Bij tankstations staat niet aangegeven op
welke wijze leveranciers aan hun verplichtingen voldoen. Aan de andere kant zijn
accijnzen weliswaar hoog, maar door geringe prijselasticiteit is het effect op minder
gebruik gering. Ook weerspiegelen de accijnzen de CO2-uitstoot niet, zodat er geen
prikkel bestaat te kiezen voor low carbon brandstoffen. Er zijn wel belastingprikkels om te
kiezen voor meer efficiënte brandstofmotoren. Daarvan is het effect relatief gering. De
elektriciteit die ingezet wordt vervoer (rail, e-auto’s) is voor een gering deel duurzaam.
De luchtvaart valt voor het Europese deel onder het ETS. Een van de opties voor de
vermindering van uitstoot van broeikasgassen is het vervangen van de kerosine door
biokerosine. De stimulans die van het ETS uitgaat is echter gering. Voor de scheepvaart
bestaan überhaupt weinig stimulansen.
Kortom, CO2-reductie van brandstoffen innovatie wordt vooral gerealiseerd door
verplichtingen voor het wegvervoer. De prikkel voor innovatie is daarbij gering omdat
bedrijven gaan voor de goedkoopste optie – en dat is bestaande techniek. Sociale
innovatie is gering maar de potentie (carpooling, anders werken) is groot. Stimulansen
hiervoor ontbreken.
Oppakken en doorpakken                                                                     98
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>Bijlage 3 Beleid in andere landen
De energietransitie is een wereldwijde uitdaging. Bijna alle landen staan voor een flinke
opgave en zien tegelijk tal van kansen die ze door succesvolle innovatie kunnen pakken.
Van de ervaringen in andere landen kan Nederland leren. Mede daarom hebben we
uitgebreider gekeken naar de aanpak in een aantal landen. Uiteindelijk is onze keuze
gevallen op de Verenigde Staten, Duitsland, Denemarken en China. Hieronder geven we
de bevindingen per land. Aan het eind geven we enkele overkoepelende beschouwingen.
Met het oog op de ‘vertaling’ van de ervaringen uit het buitenland naar de Nederlandse
context maken we een tweetal opmerkingen vooraf. Ten eerste dat ervaringen uit het ene
land niet zonder meer getransplanteerd kunnen worden naar een ander land. De context
verschilt: cultuur en instituties zijn anders, net als de omstandigheden. Ten tweede is het
heel lastig om het ‘succes’ van beleidsinstrumenten voor (energie)innovatie te meten.
Desalniettemin bieden de keuzes en de motivatie daarvoor, net als de ervaringen uit
andere landen interessante en relevante informatie op, waar we ook binnen Nederland
ons voordeel mee kunnen doen.
China
Visie
China heeft de laatste tijd een enorme ontwikkeling doorgemaakt, zowel op sociaal als op
economisch vlak. Dat zorgt voor enorme uitdagingen op het gebied van de energie-
voorziening (hoe kan China in de groeiende vraag naar energie voorzien?) en op het
terrein van schadelijkheid (luchtvervuiling) en uitstoot van broeikasgassen. Traditioneel
leunt de Chinese energievoorziening sterk op steenkool, dus het moge duidelijk zijn dat
China zich voor een grote opgave gesteld weet om dit om te buigen in een schonere en
meer duurzame richting. In juni 2014 riep de Chinese president Xi Jinping op tot een
“energierevolutie” om een antwoord te vinden op de uitdaging om enerzijds verder
economisch te ontwikkelen terwijl men anderzijds het milieu blijft beschermen. Innovatie
in energietechnologie en -systemen zal hierbij cruciaal zijn.
In de periode 2006-2011 is het China gelukt om het energieverbruik per eenheid BBP
met ongeveer 20% te laten dalen. Een belangrijke eerste stap, die een stevig vervolg
moet krijgen, onder andere door middel van innovatie. China zet daarbij vooral in op
indigenous innovation (inheemse innovatie). Hierbij gaat het om het stimuleren van
nieuwe ontdekkingen (originele innovatie: 原始创新, yuanshi chuangxin), aanpassing van
bestaande technologieën om nieuwe producten te maken (adaptieve innovatie: 集成创新,
jicheng chuangxin) en het inpassen van bestaande producten (geoptimaliseerde
Oppakken en doorpakken                                                                    99
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>innovatie: 引进消化吸收再创新, yinjin xiaohua xishou zai chuangxin) door middel van
publiek-private samenwerking.
Structuur
Het innovatiebeleid van China wordt gemaakt door meerdere overheidslagen: de centrale
overheid formuleert algemene richtlijnen en principes, waarna de ministeries dit uitwerken
in specifiek beleid, dat vervolgens door provinciale en lokale overheden uitgevoerd moet
worden. Deze overlap tussen bestuurslagen werkt soms in het voordeel en soms in het
nadeel van innovatie.136
Als een innovatie in het beleid is in 2013 verdergegaan met het aanwijzen van (geogra-
fische) zones waarin de centrale overheid zijn autoriteit heeft beperkt of opgezegd zodat
ruimte gegeven wordt aan institutionele decentralisatie (减政放权, jianzheng fangquan)
die ervoor moet zorgen dat de lokale overheden enerzijds een grotere verantwoordelijk-
heid op zich nemen, maar anderzijds ook meer autonomie genieten om te bepalen hoe
ze dat oppakken.
Beleid
Energie is een belangrijk aandachtsgebied in het overheidsbeleid voor en de onder-
steuning van R&D. Een van de doelen is om ervoor te zorgen dat private partijen mee-
doen en het aantrekken van (meer) private financiering voor RD&D. Een voorbeeld van
een beleidsinstrument dat hierop is gericht, is het ‘National Fund for Technology Transfer
and Commercialisation’ (NFTTC). Dit is een investeringsfonds dat bedoeld is om techno-
logieën die in nationale en regionale R&D-projecten ontwikkeld worden een kans te
geven om te commercialiseren. Het NFTTC bestaat hoofdzakelijk uit drie onderdelen:
                        een venture-capital fonds (VCSF);
                        een risicocompensatie-subsidie van maximaal 2% van het
                         investeringsbedrag en
                        performance grants voor succesvolle mkb.
Het VCSF is een platform dat in 2014 is opgericht om private investeringen af te stem-
men met investeringen van lokale overheden en bestaande nationale fondsen. Het
NFTTC draagt 20-30% van de totale investering bij en is dus nooit grootaandeelhouder.
Daarnaast wordt voor het innovatieve mkb op een andere manier gezocht naar
ondersteuning. Zo worden er verschillende modellen geprobeerd waarbij de waarde van
intellectuele-eigendomsrechten (bijvoorbeeld octrooien) als ‘onderpand’ dient voor
leningen, garanties of andere financiële faciliteiten. In het jaar 2012 is in totaal voor
136
    IEA 2015, Chapter 8.
Oppakken en doorpakken                                                                    100
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>2,3 miljard USD aan leningen met octrooien als onderpand verstrekt, 3,5 miljard USD
voor merkrechten en 0,4 miljard USD voor auteursrechten.137 Dat betreft natuurlijk meer
gebieden dan alleen energie-innovatie.
Rond energie-innovatie blijkt (ook) in China een probleem dat het hele ‘systeem’ om
energie-innovatie te managen complex is; bovendien zijn de gelden voor energie-
innovatie erg verspreid en worden ze niet altijd even efficiënt toegedeeld. Om dat te
verbeteren werd er gedacht aan het invoeren van een ‘innovatie clearing house’.138
Binnen het nationale programma voor onderzoek en innovatie zijn er twee majeure
programma’s rond energie. Het eerste richt zich op het versterken van de energie-
voorzieningszekerheid van China. Daarvoor is door de centrale overheid 4,5 miljard USD
geoormerkt, naast een bijdrage van de industrie van 18 miljard USD. Het tweede betreft
grootschalige opwek van kernenergie met behulp van een advanced pressurised water
reactor en een hoge-temperatuur gasgekoelde reactor. De centrale overheid heeft hierin
meer dan 2,4 miljard USD geïnvesteerd.
Een ander interessant aspect van het Chinese beleid is het gebruik van parallelle pilots
om te experimenteren met verschillende aanpakken. Dit is bijvoorbeeld toegepast rond
het ontwikkelen van een handelssysteem voor rechten op uitstoot van broeikasgassen.
Een belangrijk doel van deze pilots was om door het beprijzen van (negatieve) externe
effecten innovatie te bevorderen. Zeven provincies/regio’s hebben elk op hun eigen wijze
een systeem ontwikkeld en uitgevoerd, waardoor men veel heeft kunnen leren. Dat stelt
de (centrale) overheid in staat om vervolgens een beter afgewogen beslissing te maken
over een eventueel landelijk systeem.
Denemarken
Visie
In Denemarken was energievoorzieningszekerheid altijd een belangrijke centrale
overweging bij het energiebeleid. Omdat Denemarken niet echt beschikt over fossiele
energiebronnen of waterkracht, heeft men traditioneel sterk gefocust op het ontwikkelen
van de ‘lokale’ energiebronnen wind en het gebruik van restwarmte (en wkk). Deze focus
loopt mooi gelijk op met verduurzaming en vermindering van CO2-uitstoot.
Beleid
Denemarken heeft een complex beleidssysteem als het op energie-innovatie aankomt. Er
zijn drie ministeries bij betrokken, namelijk het ministerie van klimaat, energie en bouw;
het ministerie voor wetenschap, technologie en innovatie; en het ministerie voor milieu.
137
    Zhonglun Law Firm (2014).
138
    Zie IEA 2015, Figure 8.12, p. 348
Oppakken en doorpakken                                                                     101
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>Daarnaast spelen ook een aantal agentschappen en onderzoeksraden een rol, en is ook
netbeheerder Energinet.dk actief betrokken bij de financiering van energieonderzoek.
Instrumenten
Een groot deel van het publieke geld gaat naar demonstratie en marktpenetratie van
energietechnologieën. Het meest omvangrijke programma in dit domein is het ‘Energy
Technology Development and Demonstration Programme’ (EDDP), waarvoor ongeveer
€50 miljoen per jaar wordt vrijgemaakt. In dit programma gaat het expliciet om de
verbetering van bestaande technologieën en het demonstreren en opschalen daarvan.
Een ander belangrijk instrument is het Innovation Fund, een fonds dat zich specifiek richt
op het ondersteunen van innovatieprojecten die zich nog in een vroege, risicovolle fase
bevinden. Energie & klimaat is één van de zes hoofdthema’s waarvoor het Innovation
Fund zich inzet, met aandacht voor zowel technologische ontwikkelingen als de
commercialisering daarvan.
Duitsland
Visie
In Duitsland wordt energie-innovatie sterk geframed in de richting van de Energiewende,
oftewel de transformatie van het Duitse energiesysteem. Hierbij zijn de “klassieke”
redenen zoals het terugdringen van de CO2-uitstoot, het creëren van een stabiele
energievoorziening en het stimuleren van de internationale concurrentiepositie zeker van
belang, vaak in die volgorde van prioriteit. De stabiliteit van de energievoorziening speelt
echter een steeds groter wordende rol, mede vanwege het besluit in 2011 om
kernenergie versneld uit de energievoorziening te halen.
Structuur
In Duitsland wordt in toenemende mate vanuit het energiesysteem gedacht en gestuurd.
Het grootste deel van het beschikbare budget wordt verdeeld aan de hand van het zesde
Energieforschungsprogramm van de federale regering, waarin met name het ministerie
voor onderzoek en opleiding (BMBF) en het ministerie voor economie en energie (BMWi)
een grote rol spelen (en daarnaast speelt het ministerie voor landbouw nog een rol voor
bio-energie). Hoewel het BMBF zich hoofdzakelijk op fundamenteel onderzoek richt en
het BMWi op de toepassing daarvan, werken beide ministeries steeds meer samen als
het op de energietransitie aankomt. Hierbij wordt niet alleen fundamenteel en toegepast
onderzoek gecombineerd, maar ook samen met de industriële sector en maatschappe-
lijke organisaties nagedacht over de daadwerkelijke inpassing daarvan in het eind-
systeem. Gebruikersonderzoek en technology acceptance zijn daarom prominente
onderdelen van de Duitse beleidsstrategie voor de Energiewende. Voor Nederland zou
een belangrijke les uit Duitsland kunnen zijn, dat alle steun gericht wordt op projecten die
aansluiten op één visie op het energiesysteem. Dit betekent zowel dat de criteria om
Oppakken en doorpakken                                                                    102
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>projectvoorstellen te beoordelen voort moeten bouwen op een strategisch plan van
aanpak met betrekking tot de energietransitie, als dat de partijen betrokken moeten
worden die de technologieën in de projecten verder moeten brengen richting
systeemintegratie. De maatschappelijke factor moet bij dat laatste nadrukkelijk niet uit het
oog verloren worden.
Beleid
Drie verschillende beleidsinstrumenten worden hieronder uitgebreider toegelicht.
Perspectief bieden: Kopernikus-Projekte
De Kopernikus-Projekte zijn onderzoeksprogramma’s die erop gericht zijn om
energiesystemen te ontwikkelen die op grote schaal geïmplementeerd kunnen worden.
Tot begin januari 2016 werd in een uitgebreide dialoog met vertegenwoordigers uit de
wetenschap, industrie en maatschappelijke organisaties gepraat over de mogelijke
toekomstbeelden van de Duitse energietransitie of Energiewende en de rol die onderzoek
en innovatie daarin spelen. In dit ‘Forschungsforum Energiewende’ werden de
aandachtspunten voor de transitie vanuit verschillende disciplines belicht, met als
concreet resultaat dat het Duitse Ministerie voor Educatie & Onderzoek (BMBF) in april
2016 bekend maakte dat de projecten zich zullen gaan richten op de onderwerpen
‘Nieuwe Netwerkstructuren’, ‘Power-to-X’, ‘Industrieprocessen’ en ‘Systeemintegratie’.
Het unieke aan deze themaspecifieke onderzoeksbenadering is de langjarige en gefa-
seerde aanpak. De projecten lopen voor een periode van tien jaar, waarbij de eerste drie
jaar gericht worden op fundamenteel onderzoek, waarvoor BMBF €120 miljoen beschik-
baar stelt. De twee daarop volgende fases zijn bedoeld voor de verdere ontwikkeling en
toepassing van de technologieën, waarbij ook het Ministerie voor Economie & Energie
(BMWi) een grote rol moet gaan spelen. De faseovergangen worden tevens aange-
grepen om de voortgang grondig te evalueren en waar nodig bij te sturen en nieuwe
ontwikkelingen mee te nemen, met de bedoeling om gedurende het verloop van de
projecten meer actoren uit het bedrijfsleven te betrekken en concrete implementaties uit
te bouwen.
Onderzoeksportfolio managen: Helmholtz Gemeinschaft
De Helmholtz Gemeinschaft is met meer dan 38 000 medewerkers in achttien verschillen-
de onderzoekscentra en een jaarlijks budget van €4 miljard het grootste wetenschappe-
lijke samenwerkingsverband in Duitsland. De organisatie beschikt over grootschalige
faciliteiten en onderzoekscentra en richt zich op het doen van vooraanstaand onderzoek
om bij te dragen aan het oplossen van complexe problemen in de samenleving. Hierbij
wordt er ook nadrukkelijk gekeken naar de aansluiting bij het zesde energieonderzoeks-
programma van de Duitse overheid. Helmholtz is actief in zes verschillende onderzoeks-
gebieden, waarvan energie er één is. Binnen het energiedomein wordt door acht centra
Oppakken en doorpakken                                                                    103
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>onderzoek gedaan op zeven verschillende thema’s waaronder energie-efficiëntie, opslag
en hernieuwbare energiebronnen, waarbij Helmholtz de onderzoeksinfrastructuur
aanlevert, grootschalige experimenten en pilots faciliteert en analysesystemen verzorgt.
Elke vijf jaar wordt er opnieuw gekeken naar de prioriteiten van de onderzoeksactiviteiten
binnen de Helmholtz Gemeinschaft. De centra presenteren hiertoe een aantal doelen in
het kader van een strategisch plan voor de volgende vijfjarentermijn. Het totale portfolio
van deze plannen wordt voorgelegd aan onafhankelijke comités van internationale
experts, welke een inschatting maken van de manier waarop dit portfolio zich verhoudt tot
ontwikkelingen op internationaal gebied. Op basis hiervan besluiten de betrokken
overheden hoeveel financiële steun ze verlenen aan welke programma’s. Op deze
manier concurreren de onderzoeksprogramma’s binnen Helmholtz met elkaar.
Steun coördineren: Projektträger Jülich als uitvoeringsorganisatie
Projektträger Jülich (PtJ) is een belangrijke uitvoeringsorganisatie van de Duitse overheid
om onderzoek en ontwikkeling te steunen. De organisatie is in 1974 opgericht om het
eerste energieonderzoeksprogramma van de Duitse overheid te implementeren, maar
inmiddels werkt PtJ ook in opdracht van enkele individuele deelstaten of Bundesländer.
In 2014 verdeelde PtJ in totaal meer dan €1,3 miljard in opdracht van de ministeries en
deelstaten. In het kader van het zesde energieonderzoeksprogramma van de nationale
overheid verdeelt PtJ verreweg het grootste aandeel van de beschikbare middelen voor
individuele onderzoeksprojecten namens de Ministeries voor Educatie & Onderzoek
(BMBF) en Economie & Energie (BMWi). Hoewel het hoofdkantoor van PtJ gesitueerd is
op het terrein van een groot onderzoekscentrum, werkt de organisatie zelf op uitsluitend
administratieve basis.
Het unieke van PtJ is de positie van de organisatie in het Duitse onderzoeksveld. De
onderzoeksvoorstellen voor de aanbestedingen die door BMWi en BMBF zijn
uitgeschreven, worden door PtJ geëvalueerd en vervolgens geselecteerd door ofwel het
ministerie – op advies van PtJ – ofwel door PtJ zelf. De uitvoering van het project wordt
daarna ook door PtJ gemonitord aan de hand van jaarlijkse of tweejaarlijkse rapporten
die de behaalde resultaten toelichten. Omdat PtJ als projectmanagementorganisatie een
grote en actuele kennisbasis opgebouwd heeft, verricht de organisatie ook strategisch
verkennend werk voor de ministeries, bijvoorbeeld middels het identificeren van blinde
vlekken in het onderzoeksveld of het doen van voorstellen voor aanbestedingen.
Verenigde Staten
Visie
In de Verenigde Staten zijn de belangrijkste drivers voor het stimuleren van energie-
innovatie voorzieningszekerheid voor energie en het versterken van de internationale
concurrentiepositie van de Verenigde Staten. Het terugdringen van de uitstoot van
Oppakken en doorpakken                                                                     104
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>schadelijke emissies wordt ook veel genoemd, maar de nadruk ligt in de praktijk toch op
die eerste twee. In het onderzoek voor energie-innovatie ligt de nadruk veelal op het
doen van excellent onderzoek en het “leidend zijn op wereldwijde schaal” op weg naar
nieuwe energiesystemen.
Structuur
In de Verenigde Staten speelt op federaal niveau de Department of Energy (DoE) een
centrale rol. Deze is deel van de uitvoerende macht en beschikt ook over een stevig
budget voor energie-onderzoek. Daarnaast beschikken de staten ook over geld, maar dat
zal over het algemeen aanmerkelijk minder zijn en de budgetten zijn versnipperd over het
land.
In de VS wordt veel gebruik gemaakt van een combinatie van baseline en competitive
funding. Zo krijgen de nationale onderzoekslaboratoria net genoeg geld om de huidige
ontwikkelingen in stand te houden, en is er extra geld beschikbaar voor onderzoeken die
(vaak in samenwerking met meerdere partijen) het best voldoen aan de eisen van een
call for innovation die door het Department of Energy of een onderdeel daarvan zijn
uitgeschreven. Dit competitieve element draagt er aan bij dat er veel geïnteresseerde
partijen zijn voor het onderzoek, en dat die partijen hun best doen om een excellent
onderzoeksvoorstel te doen. Wellicht doen we dit minder in Nederland omdat sociale
samenhang (“eerlijk delen”) hier een belangrijkere factor is en we iedereen tevreden
willen houden. We zouden Topsectoren een draai kunnen geven door te zorgen dat er
competities worden uitgeschreven om aan bepaalde thema’s te werken, waarbij er ook
buiten de gevestigde orde reclame wordt gemaakt om voorstellen in te dienen.
Beleid
Hieronder gaan we uitgebreider in op drie instrumenten uit de Verenigde Staten.
Missiegedreven samenwerken: Energy Innovation Hubs
De Energy Innovation Hubs zijn samenwerkingsverbanden die sinds 2010 door de DoE
zijn opgericht om fundamenteel onderzoek en toegepast onderzoek op energiegebied te
combineren. De Hubs integreren onderzoek vanuit de overheid (National Labs), industrie
en academische wereld en hebben als taak om cruciale barrières in technische
ontwikkelingen op energiegebied te slechten. Met als grootste inspiratiebronnen het
Manhattan Project en de laboratoria van AT&T Bell zijn de Hubs bedoeld als sterke
missiegedreven instituten die zich bezig houden met technische ontwikkelingen vanaf het
fundamentele begin tot aan de eerste commercialisering. Anno 2016 zijn er vier
verschillende Hubs actief. Eén is gericht op het verbeteren van kernreactoren
(Consortium for Advanced Simulation of Light Water Reactors); één houdt zich bezig met
het produceren van brandstoffen uit direct zonlicht (Joint Center for Artificial
Photosynthesis); één verbetert batterijtechnologieën (Joint Center for Energy Storage
Oppakken en doorpakken                                                                 105
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>Research) en één zoekt oplossingen voor schaarse materialen die nodig zijn om een
groei aan schone energietechnologieën mogelijk te maken (Critical Materials Institute).
De Hubs worden gekenmerkt door de grootte van de groep betrokken actoren en de
focus op één enkel onderzoeksthema. Door de multidisciplinariteit van de verzameling
actoren, waarbij niet alleen wetenschappers, maar bijvoorbeeld ook beleidsonderzoekers
en marktanalisten betrokken zijn, hebben de Hubs de kans om technologieën volledig
door te ontwikkelen. Zo wordt er bijvoorbeeld gewerkt aan het testen van nieuwe
materialen voor het gebruik in batterijtechnologie, aan het doen van techno-economische
analyses om een inschatting te maken van de uiteindelijke prestaties en kosten van
complete batterijsystemen, en aan het maken van een inschatting van de opties voor
commercialisering in overleg met private partijen.
Actief aanbesteden: ARPA-E
De Advanced Research Projects Agency-Energy (ARPA-E) is een organisatie van het
Department of Energy (DoE) die in 2007 is opgericht om potentieel revolutionaire
energietechnologieën die voorbij de fase van fundamenteel onderzoek maar nog niet rijp
genoeg zijn voor investeringen van de private sector een stimulans te geven. ARPA-E
richt zich hierbij op onderzoeksprojecten voor de korte termijn (1-3 jaar), en houdt zich
naast het financieren van het onderzoek ook bezig met het monitoren van de voortgang
en begeleiden richting commerciële introductie. In de regel ontvangen projecten van
ARPA-E tussen de $500,000 en $10 miljoen aan financiële steun.
Het ontwerpen van een aanbestedingsprogramma doet ARPA-E door vooraanstaande
experts uit de wetenschap, industrie en overheid uit te nodigen voor workshops, om de
daar uit volgende programma’s voor te leggen aan de project managers van ARPA-E. Als
besloten wordt deze uit te voeren, brengt ARPA-E een funding opportunity
announcement (FOA) uit waarvoor projectvoorstellen kunnen worden ingediend. Als
ARPA-E vervolgens besluit om een project te gaan ondersteunen, dan zal het hier direct
een grote rol in gaan spelen. Er worden strenge afspraken gemaakt over de te behalen
doelen van het project, frequente bezoeken gebracht aan de projectlocatie om de status
van het project te evalueren, en snelle beslissingen gemaakt om projecteren te
herstructureren of af te breken zodra doelen niet gehaald worden. Daarnaast worden alle
projecten binnen een ARPA-E programma jaarlijks bijeengebracht om ervaringen te
delen en de industriekansen van het programma te bespreken.
Fundamenten leggen: Energy Frontier Research Centers
De Energy Frontier Research Centers (EFRCs) zijn onderzoeksconsortia die zich bezig
houden met fundamenteel onderzoek op energiegebied. Ze zijn in 2009 opgericht door
de Office of Science van de DoE om meerdere onderzoeksgroepen samen te brengen en
complexe problemen op te lossen die niet door individuele instanties opgelost kunnen
Oppakken en doorpakken                                                                    106
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>worden. Deze problemen worden sinds 2001 geïdentificeerd en geüpdatet middels
verschillende workshops waarin experts uit nationale onderzoekslaboratoria,
universiteiten en industrieën bijeen gebracht worden. Op deze manier doen de ERFCs
wat ze zelf noemen use-inspired basic research, of te wel fundamenteel onderzoek met
een duidelijke connectie naar behoeften in de praktijk. Met behulp van de rapporten die
uit deze workshops volgden worden vijf verschillende onderzoeksthema’s of Grand
Challenges onderscheiden waarbinnen de ERFCs opereren. Mede dankzij het
stimuleringspakket ARRA werden in 2009 46 ERFCs geselecteerd en voor een periode
van vijf jaar financieel ondersteund. In 2014 werd na een hernieuwde open competitie
besloten voor een periode van vier jaar steun te verlenen aan 32 ERFCs, waarvan er 22
voortkwamen uit de eerste ronde.
Vergelijking tussen Duitsland en de Verenigde Staten: lessen voor Nederland
Duitsland en de Verenigde Staten zijn twee grote, ontwikkelde economieën, die vergelijk-
bare beleidsinstrumenten blijken in te zetten, hoewel ze daarbij verschillende accenten
leggen. Door dat samenspel van overeenkomsten en verschillen is het interessant om
beide landen hier te vergelijken.
Duidelijk doel
Interessant is dat zowel Duitsland als de Verenigde Staten een duidelijk – zij het
verschillend – doel hebben dat het beleid voor energie-innovatie bepaalt. Duitsland heeft
een duidelijke visie op het toekomstige energiesysteem als geheel en het beleid voor
energie-innovatie is erop gericht om dat systeem te versterken. In de Verenigde Staten
ligt de nadruk meer op het bereiken van energie-onafhankelijkheid en versterking van het
concurrentievermogen (en de reductie van CO2-uitstoot is volgend). Bovendien leeft in de
Verenigde Staten de gedachte heel sterk dat de overheid datgene moet oppakken dat
anderen, zoals de ‘markt’, niet (zouden) oppakken; als de overheid daar dan iets oppakt,
stelt ze zich wel duidelijk sturend op.139
Grootschalige programma’s
Beide landen maken gebruik van grootschalige energie-innovatieprogramma's. Met een
beperkt aantal grote multidisciplinaire programma’s worden fundamentele kwesties in het
energiesysteem aangepakt. Zowel in de Verenigde Staten als in Duitsland is het aantal
van deze grootschalige programma’s beperkt tot vier. Het gaat dan om vraagstukken als:
kunstmatige fotosynthese, energieopslagtechnologieën of verduurzaming van industriële
processen. Deze brede programma-aanpak is niet alleen van belang om technologische
ontwikkeling te bevorderen, maar ook om commercieel en maatschappelijk draagvlak
voor de nieuwe technologieën te genereren, terwijl de overheid duidelijke betrokkenheid
139
    Van den Broek (2016).
Oppakken en doorpakken                                                                  107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>kan tonen bij de onderzoekers, ondernemers en burgers die samen werken aan de
energievoorziening van de toekomst. De wijze waarop de onderwerpen of thema’s van
deze programma's worden geselecteerd is interessant. In de Amerikaanse praktijk heeft
de Secretary of Energy het laatste woord bij toekenning en wordt er ook gewerkt aan het
vastleggen van de selectiecriteria in een formele wet (dus door de wetgever). Dit
contrasteert met de Duitse aanpak om via een dialoog (Forschungsforum) de thema’s
voor de Kopernikus-Projekte te bepalen. Beide hebben hun voor- en nadelen. De
eerstgenoemde zou kunnen zorgen voor een snellere implementatie, terwijl de
laatstgenoemde vermoedelijk meer draagvlak zou kunnen genereren. Omdat de
Nederlandse cultuur bekend staat om de op consensus gerichte manier van het maken
van beleid (‘poldermodel’), kan de dialoogvorm hier ook nuttig blijken. Maar dan moet die
dialoog wel in concrete en te operationaliseren resultaten vertaald worden zodat er vooraf
een duidelijke afbakening is van wat er moet worden bereikt.
Calls voor individuele projecten
Naast de grootschalige programma’s worden in de Verenigde Staten en Duitsland ook
individuele projecten voor energie-innovatie ondersteund. Daarbij wordt door ARPA-E
(Advanced Research Projects Agency-Energy, een onderdeel van het federale ministerie
voor energie) in de Verenigde Staten vooral gebruik gemaakt van specifieke en gerichte
calls om antwoorden te vinden op gerichte innovatievragen. Bovendien zit ARPA-E heel
dicht op het management van die projecten. In Duitsland worden meer open calls gedaan
waarbij de thema’s overigens wel ingekaderd zijn door een longlist van innovatievragen
die sterk gekoppeld zijn aan de integrale visie op het energiesysteem van de toekomst en
wat er nodig is om dat te bereiken. Deze longlist is opgesteld door de federale regering
zelf.140 Ongeacht welke van beide benaderingen gekozen wordt, is het belangrijk om in
gedachten te houden dat veel (mogelijke) ontwikkelingen niet succesvol zullen zijn dan
wel geen rol in het uiteindelijke energiesysteem zullen spelen: ‘falen’ is dus een nood-
zakelijk onderdeel is van het innovatieproces. Deze manier van denken wordt vooral
gepromoot door ARPA-E in de Verenigde Staten, die accepteert dat de projecten een
hoog risico op mislukking hebben en gebruik maakt van een rigoureuze strategie voor
projectmanagement om de vorderingen bij te houden en daarbij niet aarzelt om de
projecten bij te sturen of af te breken. Een te hoog succespercentage van de projecten
wordt dan ook gezien als een indicator dat men misschien niet de juiste projecten
ondersteunt, want ‘zekere’ projecten zou de markt ook kunnen oppikken. De ervaringen
uit de Verenigde Staten en Duitsland laten zien dat het via een competitie toekennen van
projecten een nuttig instrument kan zijn voor energie-innovatie, waarbij deze calls
140
    Bundesministerium für Wirtschaft und Energie (BMWi, 2014).
Oppakken en doorpakken                                                                   108
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>natuurlijk wel moeten passen binnen uiteindelijke doelen die men met die energie-
innovatie tracht te bereiken.
Onderzoekscentra
Tevens wordt zowel in de Verenigde Staten als in Duitsland gebruik gemaakt van
‘nationale onderzoekscentra’ voor energie-innovatie. De Amerikaanse National Labs en
de Duitse Helmholtz-centra hebben een prominente plaats in de strategie voor energie-
innovatie van de federale overheid in beide landen. De National Labs zijn betrokken bij
projecten en programma’s voor en met publieke en private actoren, terwijl de Helmholtz-
centra meer centraal worden gecoördineerd door de overheid via de Helmholtz
Gemeinschaft (het Duitse federale ministerie voor economie en energie heeft een
belangrijke invloed op de strategische richting van de Helmholtz Gemeinschaft). 141
Nederland heeft minder van zulke nationale onderzoeksorganisaties (afgezien van de
TO2-instituten, waarvan ECN en TNO het meest relevant zijn voor energie en NWO-
instituten als DIFFER), waardoor dit instrument in Nederland minder potentieel heeft dan
in, bijvoorbeeld, Duitsland. In plaats daarvan zou meer projectmatige aanpak van de
Verenigde Staten die ook universiteiten en onderzoeksorganisaties betrekt, beter passen
bij de Nederlandse context.
141
    Van den Broek (2016).
Oppakken en doorpakken                                                                  109
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>Bijlage 4 Uitgaven in OESO-landen
Het Internationaal Energieagentschap (IEA) houdt statistieken bij over de publieke
uitgaven in de aangesloten landen ten behoeve van ‘Energy RD&D’. Dit omvat onderzoek
(research), ontwikkeling (development) en demonstratie (demonstration) gerelateerd aan
productie, opslag, transport, distributie en besparing van alle vormen van energie. Het
gaat daarbij om basisonderzoek dat duidelijk gericht is op de ontwikkeling van energie-
gerelateerde technologieën, toegepast onderzoek, experimentele ontwikkeling en de
demonstratie. De commerciële uitrol van een nieuwe technologie wordt niet meegenomen
in de betreffende cijfers.142
In figuur 3 (op p. 112) is het totaal aan publieke steun voor energie-gerelateerd RD&D in
de IEA-landen weergegeven, in absolute zin en als aandeel van de totale publieke R&D-
ondersteuning. Voor dat laatste is sprake van een duidelijk dalende trend, van meer dan
10% aan het begin van de jaren ’80 tot tussen de 3 en 4% nu. In absolute zin neemt het
sinds het eind van de jaren ’90 weer toe. Verder valt op dat oorspronkelijk het leeuwen-
deel van de steun naar onderzoek rond kernenergie ging terwijl in de laatste jaren het
onderzoek naar hernieuwbare energie steeds belangrijker wordt. Voor niet-IEA-landen is
het lastig om aan goede cijfers te komen. Figuur 4 geeft bedragen voor 2008: China gaf
rond de 4 miljard USD uit, ongeveer een derde van wat alle IEA-landen in dat jaar samen
uitgaven.
Afgezien van de ontwikkeling en de totalen van de uitgaven aan energie-RD&D bieden
de IEA-cijfers ook inzicht in de onderverdeling over de verschillende gebieden van
energie-innovatie. Dit gaat tot op redelijk uitgesplitst niveau. Hieronder is dat weer-
gegeven voor die IEA-landen waarvoor de gegevens van 2011 bekend zijn (figuur 5 op
p. 113). Om de landen vergelijkbaar te maken, zijn de uitgaven voor energie-RD&D
omgerekend in promillages van het BBP. Twee dingen vallen op. Ten eerste verschilt de
hoogte van het totale budget sterk tussen landen. Er zijn twee koplopers (Finland en
Noorwegen) die meer dan 1 promille van hun BBP aan energie-RD&D besteden en er
zijn enkele landen die bijna geen budget hebben. Ten tweede is de onderverdeling over
aandachtsgebieden zeer verschillend. Dat hoeft niet te verbazen gezien de verschillende
omstandigheden en ‘geschiedenis’ in de verschillende landen. Zo gaven Japan. Spanje,
Frankrijk en België in 2011 relatief veel uit aan onderzoek naar kernsplijting, terwijl
Denemarken en Estland relatief het meest aan hernieuwbare energie besteedden.
Hongarije, Finland en Luxemburg zetten zeer sterk in op energie-efficiëntie (besparing).
142
    IEA Guide to Reporting Energy RD&D Budget/Expenditure Statistics, 30 June 2011 edition.
Oppakken en doorpakken                                                                      111
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>Figuur 3 Ontwikkeling van de overheidsuitgaven voor energie-RD&D in de IEA-landen (totaal)
Bron: IEA, Tracking Clean Energy Progress 2013, Paris: IEA, 2013, Figure 5.3 op p. 126
Figuur 4 Publieke stimulering van energie-RD&D in enkele niet-IEA-landen (2008)
Bron: IEA, Tracking Clean Energy Progress 2013, Paris: IEA, 2013, Figure 5.3 op p. 126
Oppakken en doorpakken                                                                     112
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>Figuur 5 Publieke uitgaven aan energie-RD&D in 2011 (uitgesplitst naar categorie en uitgedrukt in
promille van het BBP)
Bron: IEA statistieken (gegevens van 2011) met eigen bewerking door AWTI
Behalve dat we de publieke uitgaven voor energie-RD&D kunnen omrekenen naar een
promillage van het BBP, hebben we ook berekend wat die uitgaven zijn per ton uit-
gestoten CO2. Beide berekeningen hebben we uitgevoerd voor de gegevens van 2013,
het meest recente jaar waar IEA voor een groot aantal landen de gegevens beschikbaar
had. De berekende waarden voor de verschillende landen staan in Tabel 4 op p. 115. De
landen zijn gerangschikt naar het promillage van het BBP dat aan energie-RD&D wordt
besteed.143 In paragraaf 2.8 zijn deze waarden weergegeven in een grafiek (figuur 2).
Uit de onze berekeningen op basis van de IEA-statistieken blijkt dat gemiddeld 0,407 ‰
van het BBP aan publiek budget gespendeerd wordt voor energie-innovatie. Nederland
143
    Nota bene: in tabel 4 betreft het de waarden voor 2013, terwijl in figuur 5 waarden uit 2011 zijn weergegeven. Voor de meeste
    landen zijn die redelijk vergelijkbaar, voor enkele landen wijkt het af, zoals bijvoorbeeld Spanje, dat in 2013 aanmerkelijk minder
    uitgaf aan energie-RD&D dan in 2011.
Oppakken en doorpakken                                                                                                                 113
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>zit met 0,288‰ daar ruim onder. Stel dat Nederland 0,45‰ van het BBP aan publieke
stimulering van energie-innovatie zou (willen) besteden, dan gaat het in totaal om zo’n
305 miljoen euro per jaar. Zo’n meer dan gemiddelde inspanning is een niet onredelijke
aanname, omdat de opgave voor Nederland om de uitstoot van CO 2 te verlagen (en om
de energievoorziening te verduurzamen) ook bovengemiddeld is.
Het zal dan ook niet verbazen dat ook per ton CO2 Nederland onder het gemiddelde
presteert (Nederland: 1,58 USD/ton CO2, terwijl het gewogen gemiddelde1,66 USD/ton
CO2 is en het gemiddelde waarbij elk land even zwaar telt: 2,84 USD/ton CO2).
Oppakken en doorpakken                                                                  114
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>Tabel 4 Publieke uitgaven aan energie-RD&D (2013) per land gerelateerd aan BBP en uitstoot van
         broeikasgassen (gerangschikt op promillage van het BBP)
Land                                  Energie-RD&D            Energie-RD&D
                                    in promille BBP          in USD/ton CO2
Finland                                          1,160                  6,31
Noorwegen                                        0,861                 12,50
Canada                                           0,708                  2,43
Denemarken                                       0,631                  5,47
Japan                                            0,625                  2,48
Australië                                        0,618                  2,39
Frankrijk                                        0,512                  4,56
België                                           0,480                  2,83
Zwitserland                                      0,394                  6,49
Oostenrijk                                       0,386                  2,54
Zweden                                           0,376                  5,82
Verenigde Staten                                 0,354                  1,16
Slowakije                                        0,340                  1,03
Nederland                                        0,288                  1,58
Duitsland                                        0,287                  1,41
Polen                                            0,263                  0,47
Verenigd Koninkrijk                              0,211                  1,26
Estland                                          0,135                  0,18
Tsjechië                                         0,111                  0,23
Nieuw Zeeland                                    0,098                  0,57
Spanje                                           0,069                  0,41
Portugal                                         0,056                  0,28
Bron: IEA statistieken (2013) met eigen bewerking door AWTI.
Oppakken en doorpakken                                                                        115
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>Bijlage 5 Gespreksparters
De volgende personen hebben deelgenomen aan een consultatiebijeenkomst op 10 juni
2016 over ‘energie-innovatie’ in het kader van dit advies en de ‘energiedialoog’ van het
ministerie van Economische Zaken:
 ►      Rob Aalbers                           CPB
 ►      Pallas Agterberg                      Alliander
 ►      Peter Alderliesten                    TKI Energie & Industrie
 ►      Teun Bokhoven                         TKI Urban Energy
 ►      Sander Kes                            Ministerie van EZ
 ►      Michael van der Plaat                 Ministerie van EZ
 ►      Jan Ros                               PBL
 ►      Martine Roza                          Ministerie van EZ
 ►      Bas Straathof                         CPB
 ►      Ron Wit                               Eneco
Ter voorbereiding van dit advies is verder met de volgende personen gesproken of
gecorrespondeerd :
 ►      Maarten Afman                         CE Delft
 ►      Frans van den Akker                   ISPT
 ►      Floor Alkemade                        TU Eindhoven
 ►      Simon Bennett                         IEA
 ►      Wilma Berends                         Stichting Natuur & Milieu
 ►      Bert Stuij                            RVO
 ►      Kees Biesheuvel                       Dow Chemicals
 ►      Michiel Boersma                       Universiteit Tilburg
 ►      François Boisseleau                   Engie
 ►      Pieter Boot                           PBL
 ►      Yorian Bordes                         De Groene Zaak
 ►      Ruud van den Brink                    ECN
 ►      Leo Brouwer                           Engie
 ►      Ed Buddenbaum                         Ministerie van EZ
 ►      Catherine Chiong Meza                 Rathenau Instituut
Oppakken en doorpakken                                                                   116
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre> ►      Edgard Creemers       InvestInFuture
 ►      Mark Dierikx          Ministerie van EZ/Topsector Energie
 ►      Albert Faber          WRR
 ►      Erik Fledderus        SURF
 ►      Koen Frenken          Universiteit Utrecht
 ►      Dolf Gielen           IRENA
 ►      Jörg Gigler           TKI Gas
 ►      Hans Grünfeld         VEMW
 ►      Dominique Guellec     OESO
 ►      Foppe de Haan         SER/Borgingscommissie Energieakkoord
 ►      Antoine Heideveld     Het Groene Brein
 ►      Bas Heijs             Ministerie van EZ
 ►      Marko Hekkert         Universiteit Utrecht
 ►      Paulien Herder        TU Delft
 ►      Maria van der Hoeven  Clingendael
 ►      Geertje van Hooijdonk Stichting Natuur & Milieu
 ►      Hans van Hooijdonk    TenneT
 ►      Annelies Huygen       TNO/Universiteit van Amsterdam
 ►      Manon Janssen         Ecorys/Topsector Energie
 ►      Harm Jeeninga         ECN
 ►      Jacques de Jong       Clingendael
 ►      Jacques Kimman        RVO
 ►      Joris Knigge          Mentes Advisory
 ►      Simone Landolina      IEA
 ►      Erik Langereis        DIFFER
 ►      Wilco van der Lans    Havenbedrijf Rotterdam
 ►      Saskia Lavrijssen     Universiteit Tilburg
 ►      Hans van ′t Noordende Tebodin
 ►      Børge Obel            Aarhus University
 ►      Robert van der Peet   Stedin
 ►      Yannick Perez         Supélec/Université Paris Sud XI
 ►      Peter van der Pluijm  Platform Duurzaam Rijnmond
 ►      Donald Pols           Milieudefensie
 ►      Rianne Post           Ministerie van EZ
Oppakken en doorpakken                                             117
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre> ►      Theo van den Raadt       ENCI
 ►      Victoria Ruijs           Vattenfall
 ►      Yamina Saheb             OpenExp
 ►      Joost Sandberg           Akzo Nobel
 ►      Richard van de Sanden    DIFFER
 ►      Klaas Schuring           KIC InnoEnergy
 ►      Koen Septer              RVO
 ►      Xunpeng Shi              National University of Singapore
 ►      Wim Sinke                ECN
 ►      Jan Paul van Soest       JPVS
 ►      Wouter Spekkink          TU Delft
 ►      Pier Stapersma           CIEP
 ►      Rob Stikkelman           TU Delft
 ►      Laurence Thring          Huntsman
 ►      Paula van Tijn           FOM/Topsector Energie
 ►      Geert Verbong            TU Eindhoven
 ►      Alexander van der Vooren PBL
 ►      Hans Vrijenhoef          Proton Ventures
 ►      Merei Wagenaar           Ministerie van EZ
 ►      Hans Wassenaar           AVR
 ►      Margot Weijnen           WRR
 ►      Anna Wieczorek           TU Eindhoven
 ►      Remko Ybema              Energy Academy
 ►      Muhammad Zubair          Uniper
 ►      Ernst van Zuijlen        TKI Wind-op-zee
Oppakken en doorpakken                                            118
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>Bijlage 6 Gebruikte bronnen
►     AgentschapNL (2013), Voortgangsrapportage Green Deals, Den Haag: 2013.
►     Algemene Energieraad (AER, 2007), Energietechnologie voor de toekomst. Leren
      en stimuleren, Den Haag: AER, maart 2007.
►     AWT (Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid, 2013), Waarde
      creëren uit maatschappelijke uitdagingen, advies nr. 82, Den Haag: AWT, oktober
      2013.
►     AWTI (Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie, 2016), Flexibiliseren,
      differentiëren, scherper kiezen. Balans van de topsectoren 2016, Den Haag: 2016.
►     Broek, S.M. van den (2016), Don’t follow the recipe: The design of policy
      instruments to stimulate energy innovation within differing institutional contexts,
      M.Sc. thesis, TU Eindhoven, juli 2016.
►     Bundesministerium für Wirtschaft und Energie (BMWi, 2014), Bekanntmachung
      Forschungsförderung im 6. Energieforschungsprogramm „Forschung für eine
      umweltschonende, zuverlässige und bezahlbare Energieversorgung“ vom 8.
      Dezember 2014, Bundesanzeiger AT 30.12.2014 B1.
►     Camps, M. (2016), ‘Onzekere wegen naar welvaart’, Economisch-Statistische
      Berichten, Jrg. 101 (4725), 7 januari 2016, p. 6-9.
►     Camps, M. et al. (2016), Kiezen voor duurzame groei, Rapport Studiegroep
      Duurzame Groei, Juli 2016.
►     Centraal Planbureau (CPB, 2016), Kansrijk Innovatiebeleid, Den Haag: 2016.
►     Chiong Meza, C.M. (2012), Understanding Socio-technical Change. A System-
      Network-Agent Approach, Ph.D. thesis, TU Delft, Delft: 2012.
►     Europese Commissie (2015), Mededeling van de Commissie, Een kaderstrategie
      voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake
      klimaatverandering, Brussel: 25 februari 2015, COM(2015) 80 final.
►     Hagen, T.H.J.J. van der, P.M. Herder en C. Hellinga (red.) (2015), Het Delft Plan.
      Nederland als Energy Gateway, Delft: TU Delft, maart 2015, te vinden via:
      http://www.tudelft.nl/onderzoek/thematische-samenwerking/delft-research-based-
      initiatives/delft-energy-initiative/het-delft-plan/
►     Hertog, P. den, et al. (2015), Evaluatie Innovatiebox 2010 – 2012, Utrecht: Dialogic,
      november 2015.
►     IEA (Internationaal Energieagentschap, 2013), Tracking Clean Energy Progress
      2013, IEA Input to the Clean Energy Ministerial, Paris: OECD/IEA, 2013.
►     IEA (Internationaal Energieagentschap, 2015), Energy Technology Perspectives
      2015. Mobilising Innovation to Accelerate Climate Action, Paris: OECD/IEA, 2015.
Oppakken en doorpakken                                                                    119
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>►     Knops, H.P.A., L.J. de Vries, A.E.H. Huygen, M. Roks en C.G. van Rhee (2014),
      Een flexibele wet voor een veranderend net, (Eindrapport project “Toekomst-
      bestendige Organisatie Energievoorziening”), Delft: TU Delft/TNO/Stratelligence, 15
      februari 2014.
►     Krijger, D. (2016), Assessing the Social Element in the Development of Socio-
      technical Systems: the Network Readiness Level. The case of demand response in
      the port of Rotterdam, M.Sc. thesis, TU Delft, Delft: 2016.
►     Kuik, G.A.M. van, et al. (2016), ‘Long-term research challenges in wind energy –
      a research agenda by the European Academy of Wind Energy’, Wind Energ. Sci., 1,
      1–39, 9 februari 2016, doi:10.5194/wes-1-1-2016.
►     Kwink groep (2013), Externe audit green deal aanpak, Den Haag: 28 oktober 2013.
►     Lester, R. en D. Hart (2011), Unlocking Energy Innovation. How America Can Build
      a Low-Cost, Low-Carbon Energy System, Cambridge, MA: MIT Press, 2011.
►     Mazzucato, M. (2015), De ondernemende staat. Waarom de markt niet zonder
      overheid kan, Amsterdam: Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2015.
►     Ministerie van Economische Zaken (2016), Energierapport. Transitie naar
      duurzaam, Den Haag: januari 2016.
►     Ministerie van Financiën (2016), Rapport IBO kostenefficiëntie CO2-
      reductiemaatregelen, Den Haag: april 2016.
►     Ministerie van Infrastructuur en Milieu (2014), Een duurzame brandstofvisie met
      LEF. De belangrijkste uitkomsten uit het SER-visietraject naar een duurzame
      brandstoffenmix in Nederland, Den Haag: juni 2014.
►     Ministerie van Infrastructuur en Milieu (2015), Actie-agenda duurzame brandstoffen.
      Inventarisatie van mogelijke acties per marktsegment voor de periode 2015-2020,
      Den Haag: juni 2015.
►     Natuur en Milieu (2016), Energievisie 2035. Energietransitie in de hoogste
      versnelling, juni 2016.
►     OECD en Eurostat (Organisation for Economic Co-operation and Development &
      Statistical Office of the European Communities, 2005), Oslo Manual. Guidelines for
      collecting and interpreting innovation data, 3rd ed., Paris: OECD Publications, 2005.
►     Planbureau voor de Leefomgeving en Energieonderzoek Centrum Nederland (PBL
      en ECN, 2013), Het Energieakkoord: wat gaat het betekenen? Inschatting van de
      gemaakte afspraken, s.l.: september 2013.
►     Planbureau voor de Leefomgeving (PBL, 2016), Opties voor energie- en
      klimaatbeleid, Den Haag: PBL, 2016.
►     Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli, 2015), Rijk zonder CO2. Naar een
      duurzame energievoorziening in 2050, Den Haag: Rli, september 2015.
Oppakken en doorpakken                                                                   120
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>►     Ros, J. (2015), Energietransitie: zoektocht met een helder doel, Den Haag:
      Planbureau voor de Leefomgeving, 27 oktober 2015, te vinden op:
      http://www.pbl.nl/sites/default/files/cms/publicaties/pbl-2015-energietransitie-
      zoektocht-met-een-helder-doel-01921.pdf
►     Ros., J. en K. Schure (2016), Vormgeving van de energietransitie, Den Haag: PBL,
      2016.
►     Schoots, K. en P. Hammingh (2015), Nationale Energieverkenning 2015, ECN-O--
      15-033, Petten: Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), 2015.
►     Son, L.J.M. van (2015), Evaluation of the top sector policy energy from an
      evolutionary perspective, M.Sc. thesis, TU Eindhoven, Eindhoven: augustus 2015.
►     Topsector Energie (2016), Inbreng van de Topsector Energie in de Energiedialoog,
      s.l.: 2016.
►     Vooren, A. van der, en J. Ros (2014), De Topsector Energie en energie-innovatie.
      Inzichten van experts uit de ‘gouden driehoek’, PBL-notitie, (PBL-publicatie nr.
      1547), Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving, september 2014, te vinden
      op: http://www.pbl.nl/sites/default/files/cms/publicaties/pbl-2014-de-topsector-
      energie-en-energie-innovatie_1547.pdf.
►     World Energy Council (WEC, 2016), World Energy Issues Monitor 2016. A Climate
      of Innovation Responding to the Commodity Price Storm, London: WEC: 2016.
►     Yergin, D. (2011), The Quest. Energy, security and the remaking of the modern
      world, Penguin Press, 2011.
►     Zhong Lun Law Firm (2014), ‘IP newsletter in 2013’, Beijing: Zhong Lun, 2014,
      te vinden op: http://www.zhonglun.com/UpFile/File/201402131750305116.pdf.
Oppakken en doorpakken                                                                 121
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>a
wt Adviesraad voor
wetenschap, technologie en innovatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie
Prins Willem-Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
t. 070 31 10 920
e. secretariaat@awti.nl
w. www.awti.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>