<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                   Adviesraad voor
                                   wetenschap, technologie en innovatie
DURVEN DELEN
OP WEG NAAR EEN TOEGANKELIJKE WETENSCHAP
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                  Adviesraad voor
                  wetenschap, technologie en innovatie
De Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) brengt gevraagd
en ongevraagd advies uit aan regering en parlement. Zijn onafhankelijke adviezen zijn
strategisch van aard en gaan over de hoofdlijnen van wetenschaps-, technologie- en
innovatiebeleid. De leden van de AWTI zijn afkomstig uit kennisinstellingen en het
bedrijfsleven. De raad staat onder voorzitterschap van Uri Rosenthal. De AWTI doet
zijn werk vanuit de overtuiging dat het belang van kennis, wetenschap en innovatie
voor economie en samenleving groot is en in de toekomst nog verder zal toenemen.
De raad is als volgt samengesteld:
prof. dr. U. Rosenthal (voorzitter)
prof. dr. ing. D.H.A. Blank
mw. ing. T.E. Bodewes (tot 1 september 2015)
mw. prof. dr. R. Cools
mw. prof. dr. V.A. Frissen
prof. dr. ir. T.H.J.J. van der Hagen
prof. dr. E.M. Meijer
dr. ir. A.J.H.M. Peels
prof. dr. ir. M.F.H. Schuurmans
prof. dr. L.L.G. Soete
mw. dr. D.J.M. Corbey (secretaris)
Het secretariaat is gevestigd in Den Haag:
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
t. 070 31 10 920
e. secretariaat@awti.nl
w. www.awti.nl
ISBN: 9789077005750
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Durven delen
Op weg naar een toegankelijke wetenschap
Januari 2016
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Colofon
Fotografie           Shutterstock.com
Ontwerp              2D3D Design, Den Haag
Druk                 Quantes, Den Haag
Januari 2016
ISBN                 9789077005750
Alle publicaties zijn gratis te downloaden via www.awti.nl.
Auteursrecht
Alle auteursrechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen van deze uitgave
worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de AWTI.
Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van organisatienaam en naam en jaartal van de uitgave.
Durven delen                                                                                                                      2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Inhoud
Samenvatting                                                   5
Deel 1: Advies
1      Inleiding: open science                                11
1.1    Aanleiding                                             11
1.2    Adviesvraag                                            13
1.3    Urgentie                                               14
1.4    Afbakening en focus                                    15
1.5    Aanpak en leeswijzer                                   17
2      Bevindingen                                            21
2.1    Openheid in de wetenschap                              21
2.2    Toegang tot publicaties: open access?                  21
2.3    Het delen van onderzoeksdata                           26
2.4    Rol van de overheid                                    30
3      Aanbevelingen                                          33
Deel 2: Analyse
4      Open access                                            39
4.1    Tussen droom en daad…                                  39
4.2    Wetenschappelijk publiceren: functies en actoren       46
4.3    Overheden en open access                               56
4.4    De effecten van open access                            63
4.5    Conclusie                                              72
5      Het delen van onderzoeksdata                           79
5.1    Vasthouden of delen?                                   79
5.2    Onderzoeksdata: functies en actoren                    83
5.3    Beleid voor het delen van onderzoeksdata               95
5.4    De effecten van het (ruimer) delen van onderzoeksdata  99
5.5    Conclusie                                             111
Bijlagen
Bijlage 1 Adviesaanvraag                                     116
Bijlage 2 Open access en open data in verschillende landen   117
Bijlage 3 Gesprekspartners                                   134
Bijlage 4 Gebruikte bronnen                                  137
Durven delen                                                    3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Durven delen 4</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Dit advies gaat over openheid van de wetenschap (open science), in het bijzonder vrije
toegang tot wetenschappelijke artikelen (open access) en onderzoeksgegevens (open
research data). Welke effecten zijn hiervan te verwachten: voor de wetenschap zelf, de
samenleving en het bedrijfsleven? Welke openheid is maatschappelijk gewenst en wat
betekent dat voor het beleid van de overheid?
De Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) is een groot
voorstander van het meer open en toegankelijk maken van de wetenschap en deelt
de verwachting dat dit zal leiden tot een sterkere positie van de wetenschap in de
samenleving. Om deze beweging naar een open wetenschap succesvol te maken
moeten we daar stevig op inzetten met een brede strategie die verder gaat dan
‘openstellen’ alleen.
Open access
Traditioneel betaalt de ‘lezer’ voor toegang tot wetenschappelijke artikelen. Bij vrije
toegang (open access) heeft iedereen gratis toegang. De kosten van het publiceren
worden dan door anderen gedragen (bijvoorbeeld de auteurs). Het effect van open
access op de wetenschap is – zeker binnen Nederland – naar verwachting echter
beperkt omdat de meeste wetenschappers hier al goede toegang tot wetenschappelijke
publicaties hebben. Een potentieel groter effect heeft open access voor de maatschappij
en het bedrijfsleven, die nu slecht toegang hebben. Maar dit effect wordt alleen
gerealiseerd als open access wordt ingebed in een bredere aanpak om enerzijds
wetenschappelijke resultaten te ‘vertalen’ voor leken en overzichtelijk te presenteren
en anderzijds om te zorgen dat binnen de wetenschap de ‘maatschappelijke impact’
van onderzoek meer gewaardeerd wordt. Open access draagt dan bij aan een betere
benutting van wetenschappelijke kennis.
De huidige ontwikkeling van open access ‘van onderop’ is al geruime tijd aan de gang,
maar stagneert op dit moment wel. Voor het merendeel van de wetenschappers is
reputatie van een tijdschrift belangrijker dan het feit of een publicatie open access is of
niet. Vooral de financiers van onderzoek hebben de macht om open access publiceren af
te dwingen. Een duidelijke regierol van overheden helpt om de stakeholders richting te
geven en processen te versnellen. Overigens is vrije toegang tot wetenschappelijke
publicaties op zichzelf geen manier om de als hoog ervaren kosten van wetenschappelijk
publiceren te verlagen. De meerwaarde zit vooral in het breder toegankelijk maken van
wetenschappelijke kennis.
Durven delen                                                                                5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Het delen van onderzoeksdata
Het delen van onderzoeksdata is een ander verhaal. We zien hier grote verschillen per
vakgebied. Er zijn vakgebieden waar het opslaan en delen van onderzoeksgegevens nu
al de norm is, maar in de meeste gebieden gebeurt dat niet of nauwelijks. De kwaliteit en
de efficiëntie van de wetenschap kunnen beter worden door goed datamanagement in
onderzoek en door het delen van onderzoeksgegevens met derden. Ook de maat-
schappij en het bedrijfsleven kunnen zeker baat hebben bij toegang tot onderzoeksdata,
maar dat zal wel sterk afhangen van de aard van de data. Om het opslaan en delen van
onderzoeksdata succesvol te doen, is een aantal randvoorwaarden cruciaal, zoals een
goede opslaginfrastructuur, standaarden en helderheid over juridische aspecten (zoals
privacy en eigenaarschap van data). Het delen van onderzoeksgegevens heeft immers
alleen maar zin als ze vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar zijn.
Het is niet verstandig om alle onderzoeksdata onvoorwaardelijk voor iedereen open te
stellen. Er kunnen goede redenen zijn om dat niet te doen, zoals privacy of commerciële
belangen. Bovendien is het voor het draagvlak verstandig om onderzoekers en hun
instellingen zelf (mede)zeggenschap te geven met wie ze onderzoeksgegevens delen en
voor welk doel. Het (ruimer) opslaan en delen van onderzoeksgegevens zal in eerste
instantie extra geld kosten; de verwachte baten die hier tegenover staan, zijn hoop-
gevend, maar ook nog onzeker. Het is daarom verstandig om prioriteiten te stellen voor
welke gegevens opengesteld zouden kunnen worden.
Aanbevelingen
Deze conclusies leiden tot de volgende aanbevelingen aan de bewindslieden van Onder-
wijs, Cultuur en Wetenschap en Economische Zaken, die hier kort worden weergegeven
en in het advies nader zijn uitgewerkt.
Aanbeveling 1:
Omarm het belang van openheid en formuleer een bredere strategie voor betere
benutting van kennis.
Erken en omarm het belang van openheid als een kernwaarde in de wetenschap, in het
bijzonder voor onderzoek dat publiek gefinancierd is.
a) Zie open access niet als een zelfstandig doel binnen de wetenschap, maar als een
     schakel om een betere benutting van kennis te bereiken, binnen en vooral ook buiten
     de wetenschap. Alleen binnen een bredere strategie die de toegankelijkheid van
     wetenschappelijke kennis vergroot, heeft open access echt meerwaarde.
b) Zet stevig in op het ruimer delen van onderzoeksgegevens en streef daarbij naar
     een optimale toegang tot onderzoeksgegevens.
Durven delen                                                                              6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Aanbeveling 2:
Zet in op een goede implementatie van de principes van open science in
Nederland.
Maak voor Nederland een masterplan gericht op het beter benutten van wetenschappe-
lijke kennis, met daarin aandacht voor open access en het delen van onderzoeksdata
en trek daar voldoende middelen voor uit en zorg voor een goede verankering van het
belang van ‘impact op maatschappij en bedrijfsleven’ in de onderzoekspraktijk.
A. Zorg in dat masterplan rond het onderwerp open access:
      a) voor heldere mijlpalen, randvoorwaarden en, waar nodig, infrastructuur. Besteed
           aandacht aan de verschillen in uitwerking en uitvoering per wetenschappelijke
           discipline. Gebruik dit proces om de resultaten van de Nederlandse wetenschap
           zichtbaar te presenteren;
      b) dat wetenschappelijke resultaten beter toegankelijk worden voor de maat-
           schappij doordat ze vindbaar zijn en overzichtelijk en begrijpelijk gepresenteerd
           worden voor een breder publiek;
      c) voor betere toegang van het bedrijfsleven tot wetenschappelijke kennis.
B. Zorg in dat masterplan rond het onderwerp van het ‘delen van onderzoeksdata’ voor
      a) heldere mijlpalen en randvoorwaarden en besteed aandacht aan de verschillen
           in uitwerking en uitvoering per wetenschappelijke discipline;
      b) de aanwezigheid van de algemene faciliteiten voor opslag en het delen van data;
      c) bevordering van goed datamanagement door verankering in de opleiding van
           wetenschappers en beloning van goed datamanagement;
      d) een helder afwegingskader om te bepalen voor welk type onderzoeksgegevens
           het zinvol is dat ze worden opgeslagen tegen publieke kosten;
      e) het toegankelijk maken van in ieder geval de onderzoeksgegevens die ten
           grondslag liggen aan een wetenschappelijk artikel, voor zover er geen
           dwingende redenen zijn die zich tegen openbaarmaking verzetten;
      f) stimulering van – voor het overige – het delen van onderzoeksdata in het
           algemeen, voor zover het delen van de gegevens kan, er draagvlak voor is en
           het delen zinvol is;
      g) ondersteuning van het delen van data bij voorkeur door het te belonen en niet
           door het af te dwingen;
      h) een goede regeling van juridische issues.
Aanbeveling 3:
Werk samen binnen EU-verband rond open science.
Laat het Nederlandse beleid inzake open access en toegang tot andermans onderzoeks-
resultaten zo veel mogelijk in lijn met het EU-beleid zijn. Zet in op een versnelde transitie
naar open access en het delen van onderzoeksdata en pleit voor een gezamenlijke
Durven delen                                                                                  7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>strategie die dit mogelijk maakt. Binnen de EU kan de Nederlandse regering dan
(onder andere tijdens het Nederlands EU-voorzitterschap) agenderen:
     a) het economisch, maatschappelijk en wetenschappelijk belang van research data
           sharing en het toegankelijk maken van wetenschappelijke kennis;
     b) het belang van goede randvoorwaarden voor open science zoals maximale
           embargoperiodes, meer transparantie over de kosten van publiceren, en de
           noodzaak om te komen tot een zekere standaardisering;
     c) het actief volgen van de ontwikkelingen en voortgang op het gebied van open
           access en het delen van onderzoeksdata in de lidstaten om zo tot convergentie
           en versnelling te komen;
     d) daadwerkelijke toegankelijkheid van de resultaten en onderzoeksgegevens van
           de (mede) door de EU gefinancierde projecten door vrije toegang daartoe, maar
           ook door toegankelijke samenvattingen en inleidingen voor leken;
     e) de oprichting van een European Science Cloud die fungeert als knooppunt èn
           uithangbord van de Europese wetenschappelijke prestaties.
Durven delen                                                                             8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Deel 1: Advies
 Durven delen  9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Durven delen 10</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                                                           1
Inleiding: open science
1.1            Aanleiding
Mondialisering en digitalisering veranderen de organisatie en het functioneren van
de wetenschap. Wetenschappers werken op nieuwe manieren en steeds meer inter-
nationaal samen, de verhoudingen tussen wetenschappers en de samenleving
veranderen en digitalisering geeft een andere inhoud en werkwijze aan de onderzoeks-
praktijk zelf. Er is een beweging gaande om het wetenschappelijk proces transparanter
te maken en de verspreiding van de resultaten ervan richting de gehele maatschappij
inclusief het bedrijfsleven te verbeteren. Dit wordt vaak samengevat onder de noemer
open science.
Openheid is een belangrijke waarde binnen de wetenschappelijke cultuur. De genoemde
ontwikkelingen bieden nieuwe mogelijkheden om die openheid nog beter te verwezen-
lijken. Dat kan de wetenschap vooruithelpen, maar zeker ook de maatschappij. In reactie
op de uitbraak van Ebola in West-Afrika maakten verschillende wetenschappelijke
uitgevers relevante artikelen vrij toegankelijk voor iedereen, in de hoop zo de bestrijding
van de epidemie te kunnen helpen. Ook de keuze om in de eerste fase van de ontwikke-
ling van nieuwe geneesmiddelen een open samenwerking van publieke onderzoeks-
instellingen en bedrijven te hebben, waarin onderzoeksgegevens en resultaten open
                                                                             1
gedeeld worden, zoals plaatsvindt in het Structural Genomics Consortium, blijkt de
komst van een nieuw geneesmiddel flink te kunnen versnellen. Maar ook heel andere
databanken kunnen nu ontsloten worden, zoals het Meertens Instituut doet: informatie
                                                         2
over voor- en achternamen, dialecten of bedevaarten. Dit zijn bronnen die vermoedelijk
niet alleen voor andere onderzoekers interessant zijn, maar juist ook voor het grotere
publiek.
Toch blijven er altijd grenzen aan de wetenschappelijke openheid. Bepaalde kennis wil
men liever niet delen. Bijvoorbeeld vanuit een militair-strategisch belang, of vanwege
een commercieel belang: men wil eerst nog een octrooi aanvragen of een product
ontwikkelen. Ook kan de privacy van personen in het geding zijn. Het kan ook voorkomen
dat een onderzoeker of een instelling nog even wil wachten met publiceren van een
artikel of van de onderzoeksgegevens tot er aanvullend onderzoek is gedaan. Bovendien
kan het ontbreken van tijd en middelen eraan in de weg staan dat onderzoeksgegevens
ontsloten worden. Dat vereist immers vaak meer dan een simpele druk op de knop.
1
    http://www.thesgc.org/
2
    Zie: http://www.meertens.knaw.nl
Durven delen                                                                                11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Dit is het spanningsveld rond openheid waarbinnen de wetenschap een weg moet
vinden. Dat gebeurt binnen een bredere context. In het oog springen de ontwikkelingen
die de almaar toenemende rekenkracht, communicatiemogelijkheden en hoeveelheid
                                                                        3
beschikbare data met zich meebrengen (e-science). Daarnaast zijn er de steeds
complexere maatschappelijke uitdagingen en de verschuivingen in de wereldwijde
verhoudingen in economie en wetenschap. Bovendien is er een voortdurende discussie
over hoe wetenschap het best bedreven kan worden en hoe de wetenschappelijke
cultuur zou moeten zijn.
Binnen die context dringt zich de vraag op hoe de wetenschappelijke kennis die wereld-
wijd gegenereerd wordt, zo goed mogelijk benut kan worden. Binnen de wetenschap, in
de maatschappij en door het bedrijfsleven. Een goede toegankelijkheid van die kennis is
daarvoor cruciaal, zo is de algemene verwachting. Dat kan leiden tot meer transparantie,
een snellere wetenschapsbeoefening, meer dwarsverbanden tussen disciplines en
nieuwe mogelijkheden van onderzoek, bijvoorbeeld de analyse van verzamelingen
onderzoeksdata al dan niet in combinatie met andere beschikbare data. Bovendien kan
het zorgen voor een betere koppeling tussen wetenschap aan de ene kant en maat-
schappij en bedrijfsleven aan de andere kant. Dat is goed voor de economie, innovatie
en het draagvlak voor de wetenschap. De samenleving en de bedrijven brengen als
belastingbetalers een aanzienlijk deel van de financiering van wetenschappelijk
onderzoek op. Ze hebben er dan ook alle belang bij dat die kennis optimaal benut wordt,
en zullen daarbij rekening houden met de baten èn de kosten die daarmee gemoeid zijn.
Bij het (beter) toegankelijk maken van wetenschappelijke kennis praten we eigenlijk over
open content. Of meer specifiek: de toegang tot wetenschappelijke informatie, zoals
publicaties (tijdschriftartikelen en boeken) en onderzoeksgegevens die onderzoekers zelf
gegenereerd of vergaard hebben. De Europese Commissie verwacht veel van die ruime-
re toegankelijkheid tot wetenschappelijke kennis. Niet alleen voor de wetenschap, maar
                                                                                             4
ook als een aanjager voor de Europese economische ontwikkeling. Ook Nederland heeft
hoge verwachtingen en de Nederlandse regering denkt, tegen de achtergrond van de
                                   5                                                                                         6
Wetenschapsvisie 2025 en de totstandkoming van de nationale ‘Wetenschapsagenda’,
volop mee over hoe de wetenschap beter kan functioneren en hoe de wetenschappelijke
kennis zo goed mogelijk benut kan worden. Dit onderwerp is een van de aandachtpunten
voor Nederland als het in de eerste helft van 2016 het voorzitterschap van de Europese
Unie bekleedt. Het kabinet heeft aangegeven bij deze gelegenheid een impuls te willen
geven in de richting van betere (‘open’) toegang tot wetenschappelijke publicaties en tot
                         7
onderzoeksdata. Een gezamenlijke aanpak binnen Europa is daarbij wenselijk.
3
  Zie hierover ook: AWT (2011).
4
  Presentatie Eurocommissaris Moedas (2015), Brussel, ERA Conferentie, 22 juni 2015.
5
  Ministerie van OCW (2014); zie ook Ministerie van OCW (2015b).
6
  Zie: http://www.wetenschapsagenda.nl/
7
  Zie de brief van de staatssecretaris van OCW aan de Tweede Kamer van 23 januari 2015: TK 2014-2015, 31 288, nr. 414, p. 2.
Durven delen                                                                                                                 12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Er is in de afgelopen jaren al van alles bereikt in het verbeteren van de toegang tot en het
gebruik van wetenschappelijke kennis. Zo zijn steeds meer wetenschappelijke publicaties
vrij toegankelijk via internet en worden in verschillende disciplines onderzoeksgegevens
gedeeld met andere wetenschappers of het algemene publiek. Toch gaat het allemaal
niet ‘vanzelf’. In tal van disciplines worden nog nauwelijks onderzoeksgegevens gedeeld
en nog steeds is een aanzienlijk deel van de wetenschappelijke publicaties alleen tegen
betaling in te zien. Binnen de wetenschappelijke gemeenschap wordt het publiceren in
een tijdschrift met veel wetenschappelijke impact over het algemeen (nog) als belang-
rijker gezien dan de vraag of een publicatie vrij toegankelijk is of niet. Daarbij valt op dat
Europa wereldwijd gezien helemaal niet voorop loopt in het vrij toegankelijk maken van
de wetenschappelijke output. Een land als Brazilië is hierin veel verder. Bovendien vindt
de wetenschappelijke kennis nog niet voldoende zijn weg naar de maatschappij en het
                                                                                        8
bedrijfsleven. Dit wordt door de betrokken partijen onderkend; de Nederlandse regering
heeft dan ook de ambitie geformuleerd dat “de Nederlandse wetenschap meer
                                                                                          9
verbonden is met de maatschappij en het bedrijfsleven en maximale impact heeft.”
1.2          Adviesvraag
Al met al is er voldoende aanleiding om te onderzoeken of en (zo ja) hoe het ruimer
toegankelijk maken van wetenschappelijke kennis eraan kan bijdragen dat deze kennis
zo goed mogelijk benut wordt. Dat wil de AWTI in dit rapport doen. Daarbij ligt de
nadruk op de toegang tot wetenschappelijke publicaties en tot onderzoeksgegevens (van
anderen). Open toegang tot publicaties wordt ook wel aangeduid als open access, terwijl
voor open toegang tot onderzoeksgegevens ook wel de term ‘open onderzoeksdata’
wordt gebruikt.
                                                                                            10
Hiermee kan de AWTI antwoord geven op de centrale adviesvraag die hem gesteld is:
     Welke maatschappelijke effecten zijn er te verwachten door de ontwikkeling van open
     science, met name van open access tot wetenschappelijke publicaties en open
     onderzoeksdata?
Het gaat hierbij nadrukkelijk om de maatschappelijke effecten in brede zin, dat wil zeggen
de effecten op de wetenschap zelf, de samenleving en het bedrijfsleven, zoals ook blijkt
uit de (mogelijke) deelvragen die in de adviesvraag genoemd worden:
       Welke openheid van de wetenschap is maatschappelijk gewenst? Wat zijn de
       maatschappelijke voor- en nadelen van open access en open onderzoeksdata
8
   Dit bleek onder meer uit gesprekken over vertrouwen in de wetenschap: De Jonge (2014).
9
   Ministerie van OCW (2014), p. 11.
10
   Zie voor de volledige adviesvraag Bijlage 1.
Durven delen                                                                                   13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>      voor de samenleving als geheel en voor de wetenschap en voor het bedrijfsleven
      in het bijzonder? Bij wie komen de baten en bij wie komen de kosten terecht?
      Wat zou de rol van de Nederlandse overheid moeten zijn?
      Welke inzichten zijn er in andere landen rondom maatschappelijke effecten van
      open access en open onderzoeksdata?
      Welke posities nemen voor de wetenschap belangrijke derde landen in?
Dit advies beoogt de Nederlandse regering te helpen haar strategie ten aanzien van
open science te bepalen, mede met het oog op het EU-voorzitterschap in het voorjaar
van 2016.
1.3         Urgentie
Het thema van (open) toegang tot wetenschappelijke kennis staat hoog op de agenda
rond wetenschap. In Nederland is het een speerpunt van de staatssecretaris van OCW,
Sander Dekker, en binnen de Europese Unie geldt open science als één van de drie
                                                                                      11
prioriteiten van de verantwoordelijke EU-commissaris, Carlos Moedas.
Door een aantal ontwikkelingen is het thema hoogst urgent.
Allereerst heeft de digitalisering de technische voorwaarden gecreëerd waardoor
publicaties (zoals artikelen en boeken), onderzoeksgegevens en andere weten-
schappelijke kennis effectief gedeeld kunnen worden. Daarmee valt ruimere toegang
tot wetenschappelijke content praktisch te realiseren.
Daarnaast stijgen de kosten voor integrale toegang tot wetenschappelijke publicaties
van jaar tot jaar. Dit is niet alleen een gevolg van de sterke groei van de wereldwijde
productie van wetenschappelijke artikelen, maar ook van de sterke marktpositie van
de grote uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften. Omdat in de meeste Europese
landen de budgetten voor wetenschappelijk onderzoek ook nog eens onder druk staan
door de economische crisis, wordt het steeds moeilijker voor Europese wetenschappers
en onderzoeksinstellingen om toegang te houden tot de relevante wetenschappelijke
literatuur. Dat begint echt te knellen.
De Europese wetenschap scoort nog wel bovengemiddeld qua wetenschappelijke impact
van haar artikelen, maar daarvoor moeten de wetenschappers nog vaak publiceren in
tijdschriften die niet vrij toegankelijk zijn, waardoor de maatschappelijke impact niet ten
volle gerealiseerd kan worden. Samenleving en bedrijfsleven hebben in dat soort
11
   Presentatie Eurocommissaris Moedas (2015), Brussel, ERA Conferentie, 22 juni 2015.
Durven delen                                                                                14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>gevallen vaak immers geen toegang. Dit wringt met de opvatting dat de samenleving
toegang zou moeten hebben tot de wetenschappelijke kennis waarvoor men met zijn
allen heeft betaald. Deze opvatting heeft in de laatste jaren in politieke en maatschappe-
lijke kringen duidelijk aan gewicht gewonnen.
Deze opvatting strekt zich niet alleen uit tot de toegankelijkheid van publicaties, maar
juist ook tot (toegang tot) de onderzoeksgegevens (die met publiek geld verkregen
zijn). Van het delen van zulke gegevens wordt veel verwacht: meer transparantie in
de wetenschap, meer efficiency en minder dubbel werk, of het ontstaan van nieuwe
dwarsverbanden. Het is een onderdeel van de bredere ontwikkelingen rond big data.
Bovendien lopen wetenschappers op verschillende gebieden aan tegen problemen van
een tot dusverre ongekende omvang en complexiteit, zoals de studie van het klimaat, de
menselijke cognitie, of de cel. Bij het bestuderen van dergelijke complexe fenomenen
lopen traditionele empirische methoden spaak en is de inzet van computer- en database-
                                                                                                                12
technologie voor het bewerken en interpreteren van de data onontbeerlijk. Dit geldt
ook voor het effectief en bruikbaar ontsluiten van bijvoorbeeld oude handschriften of
historische financiële data. Er zijn hier tal van nieuwe kansen en de Europese Unie wil
                                                                     13
bij deze ontwikkelingen graag voorop lopen. Dat vraagt nu om actie!
Aan de andere kant neemt de hoeveelheid onderzoeksgegevens steeds toe als gevolg
van alle onderzoeksactiviteiten wereldwijd. De benodigde inspanningen en kosten om
deze data te documenteren, voor onderzoek geschikt te maken, op te slaan en toe-
gankelijk te maken zijn aanzienlijk. Dit vraagt om een goede strategie om nu al
prioriteiten te stellen voor de opslag en het delen van onderzoeksgegevens.
1.4          Afbakening en focus
Zoals ook uit een consultatie van de Europese Commissie blijkt, worden met name de
(open) toegang tot wetenschappelijke publicaties en tot onderzoeksdata gezien als
                                                              14
belangrijke aspecten van open science. Dit zijn de centrale aspecten van een betere
benutting van wetenschappelijke kennis. Deze twee onderwerpen zullen dan ook centraal
staan in dit advies. Overigens moge het helder zijn dat open science als begrip veel
ruimer is. De Europese Commissie geeft aan dat open science gaat over de manier
waarop wetenschap bedreven wordt, resultaten worden verspreid, worden toegepast,
en digitaal worden verwerkt (en bewerkt) en verspreid binnen netwerken en door de
          15
media.
12
    AWT (2011), p. 5.
13
    De ‘connected digital single market’ is een van de prioriteiten van de huidige Europese Commissie: zie bijvoorbeeld de Mededeling
    van de Commissie van 6 mei 2015, ‘Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa’, COM(2015) 192 final.
14
    Europese Commissie (2015a).
15
    Website van de Europese Commissie: https://ec.europa.eu/digital-agenda/en/open-science (laatst bezocht: 16/10/2015).
Durven delen                                                                                                                        15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Ten eerste gaat het in dit rapport dus om de beschikbaarheid van onderzoeksresultaten
in de vorm van publicaties zoals in ieder geval tijdschriftartikelen en ook boeken. Als
deze vrij toegankelijk zijn wordt dat aangeduid met de term open access. De mogelijk-
heden rondom open access zijn al een aantal jaren onderwerp van een stevige discussie.
Hierbij gaat het vooral om de vragen wie wanneer en tegen welke voorwaarden toegang
krijgt tot informatie (namelijk wetenschappelijke publicaties) die nu ook al gedeeld wordt,
zij het in de beperktere kring van degenen met een abonnement of die bereid zijn voor
een specifieke publicatie te betalen.
Het tweede onderwerp betreft de toegankelijkheid van onderzoeksgegevens ten behoeve
van (her)gebruik door andere partijen, bijvoorbeeld voor (ander) onderzoek. Als deze
onderzoeksgegevens vrij toegankelijk zijn, spreekt men van open research data of open
onderzoeksdata. De discussie over dit onderwerp is veel recenter en moet zich nog
uitkristalliseren. Hoewel er wetenschapsgebieden zijn waar het delen van onderzoeks-
data bij de cultuur hoort, zou vrije(re) toegang tot onderzoeksdata voor veel andere
wetenschapsgebieden een radicale verandering zijn. Het niet delen van data is daar
immers nog de norm. De eigen onderzoeksdata worden dan gezien als een belangrijke
asset van een onderzoeker en/of zijn instelling.
Gezien de grote stap tussen het in het geheel niet delen van deze onderzoeksgegevens
(wat in bepaalde vakgebieden de praktijk is) en het verstrekken van volledig vrije toegang
tot deze gegevens voor hergebruik (wat het beeld zou kunnen dat de term ‘open
onderzoeksdata’ oproept), benaderen we dit onderwerp in dit advies liever onder de
noemer van het ‘delen van onderzoeksdata’ (in plaats van de term ‘open onderzoeks-
data’). De term ‘delen van onderzoeksdata’ laat immers nog ruimte voor keuzes over,
bijvoorbeeld, met wie er gedeeld wordt of welke mogelijkheden van hergebruik zijn
toegestaan. Dit doet beter recht aan de waaier aan opties die in de praktijk mogelijk zijn
bij het bevorderen van opslag en delen van onderzoeksdata.
Een ander punt van afbakening betreft het begrip ‘onderzoeksdata’. In dit rapport
verstaan we hieronder in beginsel alle gegevens die verzameld (gebruikt) zijn voor
onderzoek. Dat omvat dus in ieder geval de gegevens die gegenereerd zijn met het oog
op onderzoek: meetgegevens die de onderzoekers zelf ‘geproduceerd’ hebben in en voor
het onderzoek. Maar ook bestaande datasets die gebruikt zijn voor onderzoek willen we
in principe meenemen in onze beschouwing. ‘Onderzoeksdata’ vormen dan ook een
deelverzameling van (big) data in het algemeen.
Dit advies richt zich op de toegang tot wetenschappelijke publicaties en tot onderzoeks-
gegevens en zal deze onderwerpen niet enkel behandelen in de context van de
wetenschap, maar nadrukkelijk ook in de bredere context van de wisselwerking tussen
de wetenschap enerzijds en de samenleving en het bedrijfsleven anderzijds.
Durven delen                                                                               16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Wetenschappelijke kennis moet immers gedeeld worden en krijgt maatschappelijke
waarde als deze wordt toegepast in concrete oplossingen door de maatschappij en/of
                                                                                           16
het bedrijfsleven, zo stelt de Wetenschapsvisie 2025 terecht.
1.5          Aanpak en leeswijzer
Het eerste deel van dit advies geeft kort onze voornaamste bevindingen weer (hoofdstuk
2). Deze worden gevolgd door onze aanbevelingen voor beleid (hoofdstuk 3). Samen met
dit hoofdstuk 1 vormt dat het ‘adviesdeel’.
In het tweede deel beschrijven we hoe we tot onze bevindingen en aanbevelingen zijn
gekomen. In het tweede deel staat een uitvoerige analyse van de onderwerpen ‘ruimere
toegang tot wetenschappelijke publicaties’ (open access; hoofdstuk 4) en het ‘delen van
onderzoeksdata’ (hoofdstuk 5). Alles wat in de hoofdstukken 2 en 3 staat, is gebaseerd
                       17
op die analyse.
Onze analyse van open access en het delen van onderzoeksdata is gedaan op basis
                                                                                              18
van literatuurstudie en gesprekken met experts en stakeholders. Daarbij hebben we
voor beide onderwerpen zo veel mogelijk eenzelfde aanpak gehanteerd, die in de
hoofdstukken 4 en 5 terug komt. Daarin schetsen we eerst de ‘functies’ die rond dat
onderwerp aan de orde zijn en die gewaarborgd moeten worden. We inventariseren
hoe die functies nu vervuld worden en welke ontwikkelingen er gaande zijn.
Vervolgens beschouwen we die ontwikkelingen vanuit het perspectief van de belang-
rijkste stakeholders: wat zijn hun belangen en wat zijn hun mogelijkheden om
veranderingen in gang te zetten? Hoe staan zij naar verwachting tegenover open access
tot wetenschappelijke publicaties of het openstellen en delen van onderzoeksgegevens?
Bijzondere aandacht geven we daarbij aan de rollen van de overheid als beleidsmaker
en regelgever. Wat is de positie van de overheid en welke mogelijkheden heeft deze
om effectief te sturen voor open access en het delen van onderzoeksdata?
                                                                                                   19
Om ten slotte een oordeel te vormen over de maatschappelijke wenselijkheid van de
mate en vorm van open access en het delen van onderzoeksdata analyseren we de
effecten op ‘systeemniveau’. Dat is in onze ogen het relevante niveau omdat bij de
maatschappelijke wenselijkheid toch vooral naar het algemeen belang gekeken moet
worden – wat tegelijk ook het perspectief van de overheid is. De volgende drie dimensies
16
   Ministerie van OCW (2014), p. 9 en 39. Zie ook; AWT (2013).
17
   In die hoofdstukken 4 en 5 staan dan ook de verwijzingen naar literatuur en dergelijke.
18
   Zie Bijlage 3 voor een lijst van de gesprekspartners.
19
   Dit was een van de deelvragen in de adviesaanvraag van de regering aan de AWTI (zie Bijlage 1).
Durven delen                                                                                          17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>lijken ons het meest relevant bij de beoordeling van de effecten van open access of het
delen van onderzoeksdata:
1. Effect op de wetenschap. Wat is het effect op het functioneren van de weten-
       schap? Hoe ontwikkelen zich de kwaliteit en de efficiëntie van onderzoek, alsmede
       de effectiviteit en snelheid van de verspreiding van de resultaten? Bevordert het
       samenwerking en/of kruisbestuiving tussen verschillende wetenschappelijke
       disciplines? Wat voor effect heeft het op de integriteit van de wetenschap?
2. Impact op bedrijfsleven en maatschappij. Wat is het effect op de benutting van
       wetenschappelijke kennis door bedrijven en maatschappelijke organisaties? Hoe
       beïnvloedt het innovatieprocessen? Wat is het effect op samenwerking tussen
       wetenschap enerzijds en bedrijfsleven en maatschappij anderzijds?
3. Financiële impact. Wat voor baten en kosten zijn er en bij wie slaan die neer?
       Rond toegang tot publicaties geldt dat de kosten voor integrale toegang tot
       wetenschappelijke publicaties van jaar tot jaar stijgen. Levert de overstap naar
       vormen van open access enig financieel voordeel op? Bij het openstellen van
       onderzoeksdata zullen er enerzijds directe kosten bijkomen vanwege de opslag
       en beschikbaarstelling van de data, terwijl er aan de andere kant mogelijk indirecte
       baten zijn. Hoe verhouden die zich?
Op basis van deze analyse op systeemniveau kan het (beleids)doel rond toegang tot
wetenschappelijke publicaties en het delen van onderzoeksdata geformuleerd worden.
Voegen we daar de inzichten uit de analyse van de stakeholders aan toe, dan ontstaat
een beeld over wat de drivers zijn richting de gewenste mate van openheid en waar de
belangrijkste barrières zitten. Dat werkt vervolgens weer door in onze aanbevelingen
over hoe de gewenste mate van openheid daadwerkelijk bereikt kan worden.
Ter ondersteuning van onze analyse hebben we een inventarisatie gemaakt van de
ontwikkelingen in andere (relevante) landen op het gebied van open access en het
delen van onderzoeksdata. Een deel van deze informatie is aangeleverd door zuster-
                                                                                    20
organisaties van de AWTI of via het netwerk van Neth-ER. Deze informatie is aan-
gevuld met eigen literatuuronderzoek voor enkele landen. De resultaten staan in
Bijlage 2. De ervaringen uit de verschillende landen komen terug in de analyse in het
advies en spelen ook een rol bij de positionering van Nederland en het Nederlandse
beleid in de internationale context, zoals in de Europese Unie.
20
    Neth-ER is het Netherlands house for Education and Research, de vertegenwoordiging van het Nederlandse kennisveld in
    Brussel, website: http://www.neth-er.eu/
Durven delen                                                                                                             18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>  Dit advies is voorbereid door een projectgroep bestaande uit de raadsleden Valerie
  Frissen (voorzitter), Arno Peels en Luc Soete en de stafleden Paul Diederen, Isabelle
  van Elzakker, Bart van Gent, Hamilcar Knops (penvoerder) en Ruud Verschuur.
  Voor dit advies zijn gesprekken gevoerd met ruim 60 deskundigen en betrokkenen en
  verder is er input ontvangen van respondenten uit een elftal landen (zie bijlage 3).
Durven delen                                                                            19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Durven delen 20</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                                                                                        2
Bevindingen
2.1        Openheid in de wetenschap
In dit advies hebben we gekeken naar twee vormen van grotere openheid in de weten-
schap, namelijk het vergemakkelijken van toegang tot wetenschappelijke publicaties
(open access) en het breder toegankelijk maken van onderzoeksdata. Beide zijn dit
vormen van open content. Deze ontwikkelingen kunnen belangrijke waarde hebben voor
de wetenschap zelf en voor de samenleving en het bedrijfsleven. Zulke openheid past
goed bij het open karakter dat traditioneel bij de wetenschap hoort: wetenschappers
communiceren onderling over de resultaten van hun onderzoek, bouwen voort op elkaars
werk of werken samen. Bovendien draagt openheid, voor zover het gaat over publiek
gefinancierd onderzoek, bij aan het afleggen van verantwoording daarover. Daarnaast
kan meer openheid – onder voorwaarden – bijdragen aan een betere benutting van
wetenschappelijke kennis.
Deze randvoorwaarden zijn van belang, want er zijn ook risico’s verbonden aan open-
heid. Voor- en nadelen moeten goed afgewogen worden. Bovendien zijn een vrije
toegang tot publicaties en het delen van onderzoeksdata alléén niet voldoende om de
wetenschap echt toegankelijk te maken voor de samenleving en het bedrijfsleven. Deze
ontwikkelingen moeten daarvoor ingebed worden in een bredere aanpak gericht op een
betere verbinding tussen de wetenschap enerzijds en de samenleving en het bedrijfs-
leven anderzijds.
2.2        Toegang tot publicaties: open access?
2.2.1       Vrije toegang tot publicaties (open access) stagneert
De resultaten van wetenschappelijk onderzoek werden traditioneel gepubliceerd op
een manier dat de lezer daarvoor moest betalen. Wetenschappelijke artikelen werden
gewoonlijk gepubliceerd in tijdschriften waar men een abonnement op moest hebben
of waar men tegen betaling een individueel artikel kon lezen. En voor wetenschappelijke
boeken gold dat deze gekocht moesten worden; zeker in de alfa- en gammadisciplines
vormen boeken nog een belangrijk publicatiemedium.
In de laatste jaren is een ontwikkeling op gang gekomen om wetenschappelijke
publicaties zo mogelijk vrij (gratis) beschikbaar te maken (open access). Dit is een
ontwikkeling die groeit: wereldwijd is inmiddels al tussen een kwart en de helft van de
recente wetenschappelijke artikelen op een of andere manier vrij online toegankelijk.
Durven delen                                                                            21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>De EU loopt daarin overigens niet voorop; in landen als Brazilië of de Verenigde Staten
is het aandeel open access duidelijk hoger, mede geholpen door een verplichtend beleid
van onderzoeksfinanciers en/of overheden. Maar toch is het zo dat – wereldwijd – de
laatste jaren de groei in het aandeel vrij toegankelijke artikelen stagneert. Bij (weten-
schappelijke) boeken loopt deze ontwikkeling van open access overigens (nog) trager;
dit staat echt nog in de kinderschoenen.
Tot nu toe was open access vooral een beweging van onderop, met steun van enkele
grote onderzoeksfinanciers. In de praktijk zijn er verschillen tussen de disciplines, in de
mate van open access en in de manier waarop open access georganiseerd is. Maar over
het geheel genomen moeten we constateren dat de genoemde beweging van onderop
niet voldoende sterk is (geweest) om voor een brede systeemverandering richting open
access te zorgen. Tegen het principe van vrije toegang tot wetenschappelijke publicaties
bestaat weinig weerstand, maar het onderwerp is niet de nummer-één-prioriteit van de
meeste wetenschappers. Dat is publiceren met impact binnen de wetenschappelijke
wereld. Veelal wordt die impact (nog) bereikt door te publiceren in de gerenommeerde,
‘traditionele’ (abonnements)tijdschriften. Bovendien heeft een aantal van de sleutel-
spelers ook (nog) niet veel belang bij de massale overgang naar open access.
Om daadwerkelijk een doorbraak te realiseren, zal een vorm van stevige regie nodig
zijn. Het is gebleken dat de financiers van onderzoek, waaronder overheden, de macht
hebben om open access af te dwingen voor het door hen gefinancierde onderzoek. Dat
blijkt bijvoorbeeld uit ontwikkelingen in de Verenigde Staten en Brazilië. Maar afdwingen
kost wel extra geld - in ieder geval op de korte termijn.
2.2.2        Verschillende systemen naast elkaar
Er is in de praktijk nog niet één overheersend open access model van publiceren
boven komen drijven. Er zijn verschillende modellen om vrije toegang tot artikelen te
organiseren, waarvan de zogenoemde ‘groene’ en ‘gouden’ variant het meest voor-
komen. In de ‘groene’ variant maakt de auteur een (versie van een) artikel vrij toe-
gankelijk door dat parallel aan publicatie in een wetenschappelijk tijdschrift in een publiek
toegankelijke repository te zetten – hierbij geldt vaak een embargotermijn. In de ‘gouden’
variant zorgt het tijdschrift zelf ervoor dat het artikel vrij toegankelijk wordt gemaakt. In
deze laatste variant zal iemand anders dan de lezer(s) moeten betalen; in de praktijk is
dat nu vaak de auteur, die dan betaalt voor de publicatie van zijn artikel. Dat is een
afwijking van het traditionele model waarin de gebruiker (lezer) betaalt voor weten-
schappelijke tijdschriften/artikelen en de auteur niet. Voor open access tot boeken
zijn soortgelijke modellen mogelijk als voor wetenschappelijke artikelen.
Beide modellen (‘groen’ en ‘goud’) komen in de praktijk voor, veelal ook naast elkaar.
‘Groen’ is een robuust model dat naast de traditionele wetenschappelijke tijdschriften
Durven delen                                                                                  22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>kan bestaan, maar kent als nadelen dat er ‘dubbele’ infrastructuur nodig is (dat zorgt voor
hogere kosten) en dat de openheid vaak pas na een embargotermijn bereikt wordt. Het
gouden model kent deze nadelen weliswaar niet, maar het werkt eigenlijk alleen goed als
het de ‘standaard’ is, waarvoor een brede systeemverandering nodig is. Dat gebeurt
alleen als er voldoende massa is. Die massa is lastig te organiseren in het versnipperde
internationale veld rond wetenschap. Bovendien zijn er duidelijke risico’s verbonden aan
een model waarin auteurs zelf moeten betalen voor publicatie in een wetenschappelijk
tijdschrift: er is dan een veel zwakkere prikkel om de kwaliteit leidend te laten zijn.
Daarnaast zijn er verschillende disciplines, vooral in de alfawetenschappen, waar men
verwacht onvoldoende budget te hebben om de benodigde auteursbijdragen te (kunnen)
betalen.
Onduidelijk blijft dus nog wat een duurzaam open access model zou kunnen zijn waarin
enerzijds toegang gratis is en anderzijds de wetenschappelijke kwaliteit goed geborgd is.
Er wordt momenteel wel geëxperimenteerd met alternatieve modellen, maar deze
moeten zich nog wel bewijzen als een mogelijke duurzame standaard voor open access
publiceren. Het gaat dan bijvoorbeeld om modellen waarin instellingen en/of onderzoeks-
financiers direct de kosten van een tijdschrift dragen, of waarbij auteurs zelf ‘lid’ worden
van een tijdschrift en dan een bepaald aantal artikelen kunnen publiceren. Voor boeken
is er bijvoorbeeld een initiatief om het aankoopbudget van meerdere bibliotheken te
poolen om zo gezamenlijk zo veel mogelijk boeken open access gepubliceerd te
            21
krijgen.
Internationaal bestaan er duidelijk verschillen in de voorkeuren voor en het beleid rond
open access. Binnen de EU heeft een deel van de lidstaten een expliciet open access
beleid. De meeste van deze landen steunen zowel het ‘groene’ als het ‘gouden’ model;
vaak zet men in op het realiseren van in ieder geval een ‘groene’ route vanuit het besef
dat een enkel land niet echt in staat zal zijn om een systeemverandering richting ‘goud’
af te dwingen. Het Verenigd Koninkrijk is een van de weinige landen waar de overheid
een voorkeur voor de ‘gouden’ route heeft uitgesproken. Toch is er ook in het Verenigd
Koninkrijk in de praktijk sprake van een gemengd beeld: een deel van de publieke
financiers eist de ‘gouden’ route en een deel gaat voor de ‘groene’ route. In de Verenigde
Staten kiest de federale overheid voor de ‘groene’ route. De Europese Unie heeft geen
voorkeur voor een model.
21
   Dit is het initiatief ‘Knowledge unlatched’ (http://www.knowledgeunlatched.org/ ), dat de IFLA/Brill Open Access Award 2014
   heeft gewonnen.
Durven delen                                                                                                                   23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>2.2.3        Effecten van open access
A. Op de wetenschap. Het effect van (enkel) vrijere toegang tot wetenschappelijke
publicaties op het functioneren van de wetenschap is onduidelijk en, in ieder geval
binnen disciplines, vermoedelijk beperkt: onderzoekers hebben in de praktijk vaak al
een redelijk goede toegang tot de literatuur in hun vakgebied, zeker in Nederland en
zijn buurlanden. Anders zou dat kunnen zijn voor toegang tot publicaties uit andere
disciplines, omdat toegang daartoe nu vaak lastiger is. Hier zal het effect van open
access naar verwachting groter zijn. Het effect van open access op de wetenschap zal
ook groter zijn in die landen waar toegang tot wetenschappelijke literatuur nu minder
goed is, over het algemeen de minder rijke landen (hoewel instellingen in zulke landen
nu al vaak kunnen profiteren van speciale regelingen of veel lagere tarieven).
Hoewel grotere openheid door velen als een belangrijke en noodzakelijke ontwikkeling
wordt gezien, zijn voor het functioneren van de wetenschap toch vooral een goede
kwaliteitscontrole van publicaties, de snelheid van kennisverspreiding en een goede
vindbaarheid van publicaties van groot belang. Alleen als een stelsel van open access
hieraan bijdraagt, zal het effect op de wetenschap positief zijn. Dat is niet evident. In een
model waarin auteurs moeten gaan betalen voor de publicatie van hun artikel, zijn de
prikkels om de kwaliteit van de artikelen leidend te laten zijn bij het acceptatieproces
veel zwakker dan in een stelsel waarin de lezer betaalt, zoals nu gangbaar is. Dit zou in
het slechtste geval dan ook een perverse prikkel kunnen worden. Dit klemt des te meer,
omdat in de immer uitdijende zee aan wetenschappelijke publicaties de vraag naar
mechanismen om de kwaliteit of reputatie van een tijdschrift of afzonderlijke publicatie
te bepalen, alleen maar zal toenemen.
B. Op de maatschappij en het bedrijfsleven. Vooral bij het gebruik door de maat-
schappij en het bedrijfsleven is sprake van een nog grotendeels onontgonnen potentieel
van het ontsluiten van wetenschappelijke publicaties. Dit is onontgonnen omdat buiten de
wetenschap de toegang tot zulke publicaties momenteel nog uiterst beperkt is (behalve
misschien bij het bedrijfsleven met een sterke R&D-afdeling, omdat die nu vaak al wel
abonnementen hebben of goede connecties hebben met onderzoeksinstellingen). Enkel
het regelen van open access zal echter op zichzelf slechts een beperkt effect hebben
op de maatschappij en het bedrijfsleven. Om de meerwaarde van het ontsluiten van de
wetenschappelijke kennis te realiseren is meer nodig dan alleen maar het openstellen
van de publicaties. Wetenschappelijke artikelen zijn immers in eerste instantie bedoeld
voor collega-wetenschappers en daardoor kunnen het bedrijfsleven of de maatschappij
daar vaak nog niet meteen mee uit de voeten. Daarom geldt dat het nog moeilijk in te
schatten is wat er daadwerkelijk van dat potentieel gerealiseerd kan worden: dat zal
in de praktijk sterk afhangen van de effectiviteit van flankerende maatregelen en
ontwikkelingen.
Durven delen                                                                                 24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Voor het vergroten van de impact van de wetenschap op maatschappij en bedrijfsleven
is dan ook een bredere aanpak nodig waarin het beleid voor open access is ingebed.
Ten eerste om de wetenschappelijke resultaten vindbaar te maken. Ten tweede om de
wetenschap ook echt toegankelijk te maken door de resultaten te ‘vertalen’ naar een
breder publiek en overzichtelijk te presenteren. En ten derde om te zorgen dat binnen
de wetenschappelijke wereld zelf de ‘maatschappelijke impact’ van onderzoek (meer)
gewaardeerd en beloond wordt, bijvoorbeeld bij evaluaties. Binnen zo’n bredere strategie
kan open access een nuttig onderdeel zijn.
C. Kosten en baten. Er zijn kosten gemoeid met ‘wetenschappelijk publiceren’. Er is
vooralsnog geen reden om aan te nemen dat de totale kosten rond wetenschappelijk
publiceren zouden gaan dalen enkel door een overstap naar open access. De relatief
sterk stijgende kosten hangen samen met wereldwijde groei van het aantal publicaties en
de economisch sterke positie van bepaalde uitgevers, die gebruik maken van het feit dat
wetenschappers wereldwijd willen publiceren in een tijdschrift met een sterke reputatie
(vaak gerelateerd aan citatie-impact). Ook de lezers van zulke tijdschriften geven de
voorkeur aan tijdschriften met reputatie. Als dit belang van reputatie verdwijnt of er
goedkopere alternatieven mét reputatie komen, kunnen de huidige hoge marges van
enkele grote wetenschappelijke uitgevers beperkt worden (ofwel door de ‘druk’ van
nieuwkomers ofwel doordat nieuwe partijen of verdienmodellen de huidige vervangen).
Ook door betere, eventueel gezamenlijke onderhandeling vanuit de gebruikers met de
betreffende uitgevers kunnen de huidige marges van de grote wetenschappelijke
uitgevers beperkt worden; daarbij is meer transparantie nodig over kosten van abonne-
menten en van publicatiekosten. In beide gevallen zouden de totale kosten die lezers,
en/of auteurs betalen omlaag kunnen gaan. Maar voor wat betreft open access geldt:
vrije toegang tot wetenschappelijke publicaties op zichzelf is geen manier om de als hoog
ervaren kosten van wetenschappelijk publiceren te verlagen.
De ontwikkeling van de totale kosten is afhankelijk van het precieze open access model
dat zich gaat ontwikkelen. Maar de kans is groot dat we met gemengde stelsels blijven
zitten. In de ‘groene’ variant heeft men sowieso dubbele kosten (bijvoorbeeld voor
repositories). Bij een verdienmodel dat gebaseerd is op ‘de auteur betaalt’, zoals gang-
baar is bij het ‘gouden’ model, bestaat het gevaar van volumegroei (hoe meer artikelen er
gepubliceerd worden, hoe meer inkomsten voor de uitgever) en, als de auteursbijdragen
niet begrensd wordt, kunnen ook deze de pan gaan uitrijzen. Bovendien worden in een
stelsel waarin auteurs moeten betalen, de beschikbare middelen voor onderzoekers een
bepalende factor voor hoeveel (en waar) men kan publiceren. Of dat wenselijk is, is maar
de vraag.
Daarnaast zal in een model gebaseerd op ‘de auteur betaalt’ een kostenverschuiving
plaatsvinden: landen (of instellingen) die relatief meer publiceren dan lezen zullen per
Durven delen                                                                             25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>saldo meer moeten gaan betalen. Voor Nederland, dat een bovengemiddelde kennis-
producent is, zal dat waarschijnlijk ongunstig uitpakken. In zo’n situatie zal ook gekeken
moeten worden naar hoe andere landen zich opstellen. Als bijvoorbeeld Nederland of de
EU kosten maken om ‘hun’ publicaties wereldwijd vrij toegankelijk te maken, komen de
baten daarvan voor een deel ook terecht bij derde landen die voor hun eigen onder-
zoekers die kosten niet willen maken (terwijl ze daartoe wel de middelen zouden hebben)
– een free rider probleem. Nederlandse of EU-onderzoekers betalen dan dubbel: voor het
publiceren van de eigen artikelen en voor het lezen van artikelen uit niet-open access
derde landen.
Kortom, om kosten echt te verlagen is een snelle transitie nodig. Die heeft een grotere
kans van slagen naarmate meer landen of financiers van onderzoek meedoen.
2.3          Het delen van onderzoeksdata
2.3.1        Het delen van onderzoeksdata blijft nog uitzondering
Binnen de wetenschap worden traditioneel vooral de resultaten (conclusies) van onder-
zoek gecommuniceerd via allerlei publicatievormen (conferentiebijdragen, artikelen,
boeken, etc.). Aan die resultaten ligt meestal een analyse van onderzoeksgegevens
ten grondslag die met het oog op dat onderzoek gegenereerd of verzameld zijn. Die
‘onderzoeksgegevens’ kunnen heel veel verschillende vormen hebben: bijvoorbeeld
meetresultaten, foto’s, interviewverslagen of andere beschrijvingen. In de wetenschappe-
lijke praktijk worden dus grote hoeveelheden onderzoeksdata verzameld. De omgang
met onderzoeksdata verschilt echter sterk per discipline. Er zijn enkele vakgebieden waar
het opslaan en vervolgens delen van onderzoeksgegevens nu al de norm is en gebieden
– de meerderheid – waar dat niet of slechts bij uitzondering gebeurt. Daar blijven de
onderzoeksgegevens dus vaak bij de onderzoeker of zijn instelling, is het onduidelijk of
ze bewaard worden en hebben anderen daar nauwelijks tot geen toegang toe. Slechts
via de publicaties over het onderzoek krijgt de buitenwereld een idee van het bestaan
van die onderzoeksgegevens.
Mede ingegeven door de ervaringen van de vakgebieden waar onderzoeksgegevens
al worden opgeslagen en gedeeld, klinkt steeds sterker het pleidooi om ook in andere
wetenschappelijke gebieden onderzoeksdata te gaan opslaan en delen. Zeker als het
gaat om publiek gefinancierd onderzoek. Het delen van die data kan dan onder andere
de efficiëntie van onderzoek verhogen, bijvoorbeeld door hergebruik van datasets.
Daarnaast neemt vanuit de samenleving de druk toe om transparant te zijn over data
die aan onderzoek ten grondslag liggen, bijvoorbeeld op terreinen als voedselveiligheid
of klimaat. Ook bedrijven voelen die druk tot openheid.
Durven delen                                                                               26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Maar voordat onderzoeksgegevens met anderen gedeeld kunnen worden, moeten deze
aan een paar eisen voldoen. Het is algemeen geaccepteerd dat deze gegevens ‘FAIR’
moeten zijn:
     findable – vindbaar;
     accessible – toegankelijk;
     interoperable – interoperabel;
     re-usable – herbruikbaar.
Ruwe onderzoeksdata moeten dus eerst geschikt gemaakt worden en vervolgens
toegankelijk opgeslagen. De moeite en de kosten die hiermee gemoeid zijn, verschillen
per discipline en soort onderzoek. Bovendien geldt dat als men tussen disciplines
toegang wil hebben tot elkaars data en deze wil hergebruiken, dit hoge eisen stelt aan de
interoperabiliteit; dit vraagt om een professionele aanpak (data science) - een vak apart.
De keuze over wel of niet delen ligt meestal bij de onderzoeker(s) zelf, soms bij hun
werkgever of de financier. Deze actoren maken verschillende afwegingen om hun
onderzoeksgegevens wel of niet (publiek) te delen. In bepaalde takken van wetenschap
is het haast noodzaak om samen met anderen onderzoeksdata te genereren en
vervolgens onderling te delen, bijvoorbeeld vanwege de gezamenlijke grootschalige
infrastructuur of omdat men met zijn allen werkt aan één grote wetenschappelijke
puzzel die de spanwijdte van een enkele onderzoeksgroep te boven gaat.
Vooral in die vakgebieden waar onderzoeksdata nog niet of nauwelijks gedeeld worden,
geldt dat het voor veel wetenschappers onduidelijk is wat ze te winnen hebben bij het
ontsluiten en toegankelijk maken van hun onderzoeksgegevens. Op het eerste gezicht
kost het hun extra tijd en moeite om de data klaar te maken voor opslag en hergebruik –
interoperabiliteit kan een lastige eis blijken – terwijl ze daarnaast het risico lopen dat een
ander met ‘hun’ open onderzoeksdata eerder gaat publiceren. Ook ontbreekt het voorals-
nog aan waardering voor het feit dat iemands dataset later gebruikt is door anderen.
Er zijn wel initiatieven om manieren te bieden om datasets te publiceren (zoals data
journals) en citeerbaar te maken, maar dit is nog lang geen gemeengoed in de weten-
schap in den brede.
2.3.2        Effecten van het delen van onderzoeksdata
A. Op de wetenschap. In die delen van de wetenschap waar nu al onderzoeksdata
(bruikbaar) opgeslagen en gedeeld worden, heeft het nut van het delen zich in de praktijk
al bewezen. Maar ook in die vakgebieden waar het delen van onderzoeksdata nu nog
beperkt gebeurt, kan het op grotere schaal delen een groot effect hebben op het
functioneren van de wetenschap. Het delen van onderzoeksdata kan op verschillende
manieren helpen de kwaliteit van de wetenschap te verbeteren. Individueel onderzoek zal
‘beter’ worden door beter research data management; de transparantie van onderzoek
Durven delen                                                                                  27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>verbetert als de data achter een wetenschappelijk artikel ingezien kunnen worden;
de efficiëntie van wetenschap kan omhoog door het voorkomen van onnodig dubbel
onderzoek. Aan de andere kant helpt het ontsluiten van onderzoeksgegevens het
‘reproduceren’ van onderzoek als de verschillende ‘reproducties’ toegankelijk zijn.
Bovendien ontstaan de mogelijkheden voor een nieuw type onderzoek dat dwars door
datasets en disciplines heen gaat. Voor dit alles is het wel nodig dat wetenschappers
leren vertrouwen op de onderzoeksdata die anderen vergaard hebben en dat ze bereid
zijn om er ook echt iets mee te doen.
B. Impact buiten de wetenschap. In theorie zouden ook de maatschappij en het
bedrijfsleven moeten kunnen profiteren van het vrij delen van onderzoeksdata. Dat zal
vermoedelijk voor een deel van de onderzoeksdata zeker gelden. Er zullen echter ook
typen gegevens zijn die minder interessant of bruikbaar zullen blijken voor burgers en
bedrijven. Bovendien zijn er ook indirecte maatschappelijke effecten: als door het delen
van onderzoeksgegevens onderzoek sneller en effectiever kan verlopen, kunnen
resultaten of toepassingen die voor de maatschappij en het bedrijfsleven nuttig zijn
(zoals medicijnen) eerder beschikbaar komen.
Om maximaal gebruik door maatschappij of bedrijfsleven te bevorderen, kunnen
onderzoeksgegevens gratis toegankelijk en bruikbaar gemaakt worden (open data).
In de praktijk zal dan moeten blijken welke effecten dat heeft. Uit onze case study naar
(het gebruik van) open overheidsdata bleek dat de bruikbaarheid, beschikbaarheid en
vindbaarheid van de data nog regelmatig een drempel vormen voor hergebruik van die
gegevens.
C. Kosten en baten. Bij het ontsluiten en delen van onderzoeksdata is er qua kosten en
baten een duidelijke asymmetrie. Het is helder dat de kosten zullen toenemen, want
onderzoekers zijn meer tijd en/of geld kwijt met het datamanagement, met het geschikt
maken voor opslag en hergebruik en de opslag zelf. De baten van het delen van onder-
zoeksdata zijn voor individuele onderzoekers vooralsnog veel onduidelijker. Dit pleit voor
een incrementele aanpak waarin via pilots en dergelijke geprobeerd wordt om de baten
van het ontsluiten van wetenschappelijke informatie helder te krijgen. Het is niet zinvol
om alle onderzoeksgegevens zonder meer op te slaan. Er zullen keuzes gemaakt
moeten worden.
Ook rond het nuttige gebruik van onderzoeksgegevens door maatschappij en bedrijfs-
leven is een goede afweging van kosten en baten nodig om tot systeemverandering te
komen. Welke kosten worden collectief gedragen en waar is een individuele bijdrage
redelijk? Zeker waar onderzoeksgegevens interessant zijn voor een commerciële
toepassing, is het niet onredelijk om voor dat commerciële gebruik geld te vragen.
Bedrijven zijn ook bereid om te betalen, zo zagen we in onze case study naar het
Durven delen                                                                              28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>gebruik van data van het KNMI. Intussen worden die data van het KNMI gratis ter
beschikking gesteld, waardoor deze inkomsten zijn weggevallen. Aan de andere kant
heeft dat echter nauwelijks tot extra (commercieel) gebruik van die gegevens geleid.
2.3.3        Een route naar het verantwoord delen van onderzoeksdata
Er is nog een lange weg te gaan voordat het delen van onderzoeksdata over de
hele breedte van wetenschap gangbaar is. Wetenschappers zullen eerst overtuigd
moeten raken van de waarde hiervan en daarbij is het tegemoetkomen aan vele
randvoorwaarden nodig.
Voor het zinvol en verantwoord delen van onderzoeksdata met derden is een aantal
zaken cruciaal:
1. goed datamanagement in het onderzoek,
2. een infrastructuur voor opslag, en
3. standaarden rond opslag (zoals voor metadata).
Goed, dat wil zeggen: FAIR, datamanagement is iets waar iedere onderzoeker sowieso
baat bij heeft, ongeacht de mate waarin data gedeeld worden. Faciliteiten (bijvoorbeeld
een infrastructuur voor dataopslag) moeten opgezet of gebruikt worden. Ook moeten
onderzoeksdata zodanig opgeslagen worden dat ze vindbaar zijn. Standaarden zijn nodig
om onderzoeksdata daadwerkelijk open en duurzaam te maken. Veel spelers pakken dit
wisselend op maar regie en coördinatie ontbreekt vooralsnog. En zulke regie is wel
noodzakelijk.
Een volgende stap is te bepalen op welke manier de data dan op een zinvolle manier
(her)gebruikt kunnen worden (en door wie, om welke reden).
Bovendien ontbreken er momenteel nog antwoorden op juridische vraagstukken zoals
veiligheid, privacy, en intellectueel eigendom. Deze kwesties moeten ook opgelost
worden. Daarbij hoort ook de vraag wie de ‘eigenaar’ is van onderzoeksdata. Het is voor
de wetenschap van groot belang dat de zeggenschap over de onderzoeksdata, zeker
die met publiek geld verkregen zijn, binnen de wetenschappelijke wereld blijft, bij onder-
zoekers, instellingen of financiers. Deze juridische vraagstukken vragen naar hun aard
ook om een antwoord van de overheid (wetgever).
Het is niet verstandig alle (opgeslagen) onderzoeksdata onvoorwaardelijk voor iedereen
open te stellen. Er kunnen verschillende redenen zijn om dat niet te doen (bijvoorbeeld
commerciële belangen of privacy afwegingen). Bovendien is het voor het draagvlak
verstandig om de onderzoekers en hun instellingen zelf (mede)zeggenschap te geven
over met wie ze onderzoeksgegevens willen delen, en voor welk doel. Het is heel goed
Durven delen                                                                               29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>denkbaar dat wederkerigheid hier een rol bij gaat spelen: dat onderzoekers of instellingen
over en weer toegang gaan geven tot elkaars onderzoeksdata.
2.4        Rol van de overheid
2.4.1        Wat kunnen de EU en Nederland doen rond open access en het delen van
             onderzoeksdata?
De overheid fungeert als een belangrijke financier van wetenschappelijk onderzoek.
Vanuit die rol kan ze invloed uitoefenen op de manier waarop bij voorkeur gepubliceerd
wordt en op de omgang met onderzoeksgegevens. Daarnaast is de overheid de
(publieke) regelgever en bepaalt ze uit dien hoofde ook zaken als intellectueel eigen-
domsrecht. Ook heeft ze ‘systeemverantwoordelijkheid’ en kan ze een zekere regie
voeren. De overheid vormt een soort van ijkpunt: een heldere visie van de overheid kan
ook richting geven aan de keuzes van de andere actoren. Interactie met het veld blijft
daarbij wel cruciaal.
Uit onze analyse van de ontwikkeling van open access concluderen we dat de beweging
van onderop onvoldoende is (geweest) om de brede systeemverandering naar open
access te realiseren. Het is zaak daarin meer beweging te krijgen. Daartoe dient open
access ingebed te worden in een bredere strategie gericht op een betere benutting van
kennis binnen en buiten de wetenschap; daarvoor is gecoördineerde actie langs
verschillende sporen nodig. De overheid bevindt zich in de positie om die regie tot op
zekere hoogte te voeren. Hetzelfde geldt voor het bevorderen van het delen van
onderzoeksdata: hiervoor is (extra) infrastructuur nodig, moeten er ook nog tal van
randvoorwaarden geregeld worden (standaarden, juridische vragen) en zullen er op korte
termijn middelen vrijgemaakt moeten worden voor de ‘aanloopkosten’. Ook dit vraagt om
een coördinerende hand (die wel ruimte laat voor uitwerking en uitvoering per discipline).
Binnen de Europese Unie fungeert het Horizon 2020 onderzoeksprogramma als een
ijkpunt vanuit de overheid. Horizon 2020 is samen met het daaraan voorafgaande 7e
Kaderprogramma een belangrijke aanjager van open access. Verder kent het Horizon
2020-programma ook een pilot voor het ontsluiten van onderzoeksdata. Toch wordt in
de praktijk veel Europees gefinancierd onderzoek nog niet open access gepubliceerd.
De Europese Unie is wereldwijd de grootste producent van wetenschappelijke artikelen.
Toch vertegenwoordigt dat maar zo’n 30% van het totaal. De EU zal daarom niet in staat
zijn om eenzijdig het wereldwijde systeem van de wetenschappelijke communicatie, noch
voor artikelen noch voor data, haar wil op te leggen. Deze observatie is vooral relevant
indien de EU op een bepaald moment een voorkeur zou uitspreken voor een model dat
Durven delen                                                                             30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>eigenlijk alleen goed werkt als iedereen daarnaar overstapt – zoals ‘gouden’ open
access. Dat geldt des te sterker voor een enkele lidstaat als Nederland.
2.4.2        Internationale context
Daarnaast is de internationale dimensie van belang. Nederland en de EU zijn een kennis-
intensieve regio waar hoogwaardig onderzoek wordt gedaan. De consequentie van het
makkelijker toegankelijk maken van de eigen wetenschappelijke publicaties en vooral
onderzoeksdata is dat Nederland en de EU informatie in zekere zin gaan ‘weggeven’ aan
andere landen, hetgeen overigens zeker niet per se een slechte zaak is. Maar vanuit het
kostenaspect en strategische overwegingen is het wel van belang om hierin de goede
afwegingen te maken. Bij open access is dat effect minder groot dan bij het delen van
data: publicaties worden immers al gepubliceerd en anderen kunnen daar ook nu al
kennis van nemen (zij het tegen een bepaalde prijs); hoogstens vindt er een verschuiving
plaats in wie hoeveel betaalt. Voor (onderzoeks)data gaan de consequenties verder:
een groot deel van de onderzoeksdata wordt nu immers nog niet gedeeld. Daar zou het
ruimer delen van zulke data door Nederland en de EU betekenen dat derde landen
toegang krijgen tot nieuwe informatie.
Bovendien beschikken we in Nederland en de EU over plekken waar toponderzoek wordt
gedaan; dat is een competitief voordeel binnen de wereldwijde wetenschappelijke wereld.
Het al te lichtvaardig openstellen van de resultaten van dit onderzoek buiten Nederland of
de EU zou dat competitieve voordeel kunnen beperken (of zelfs te niet doen). Dat
betekent dat ten eerste de opportuniteit van het delen van data goed afgewogen moet
worden en ten tweede kan het gevolgen hebben voor de keuze hoe en met wie onder-
zoeksdata gedeeld worden. Dit onderstreept nogmaals het belang om bij het (al dan niet)
ontsluiten van onderzoeksdata een geleidelijke aanpak te gebruiken. De EU en lidstaten
kunnen bijvoorbeeld rekening houden met de mate van openheid die derde landen zelf
hanteren (een vorm van reciprociteit).
Los hiervan staat het belang van het verbeteren van toegang in armere landen tot
relevante wetenschappelijke resultaten, bijvoorbeeld rond gezondheidszorg. Hiervoor
worden momenteel al veel initiatieven ontwikkeld, die breed gesteund worden door de
meeste betrokken partijen.
Durven delen                                                                            31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Durven delen 32</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                                                                                         3
Aanbevelingen
In het voorgaande hoofdstuk hebben we de belangrijkste bevindingen weergegeven die
volgen uit onze uitgebreide analyse uit deel 2 van dit advies. Op basis van deze analyse
en uitgaande van de onderliggende doelen van een effectieve benutting van weten-
schappelijke kennis en een goed functionerende wetenschap die stevig verbonden is met
de maatschappij en het bedrijfsleven komt de AWTI met de volgende aanbevelingen aan
de bewindslieden van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Economische Zaken (en de
betrokken stakeholders). Deze aanbevelingen betreffen open access en het delen van
onderzoeksdata.
Aanbeveling 1:
Omarm het belang van openheid en formuleer een bredere strategie voor betere
benutting van kennis.
Erken en omarm het belang van openheid als een kernwaarde in de wetenschap, in het
bijzonder voor onderzoek dat publiek gefinancierd is.
a) Zie open access niet als een zelfstandig doel binnen de wetenschap, maar als een
     schakel om een betere benutting van kennis te bereiken.
     Bevorder open access dan ook binnen een bredere strategie om tot een betere
     verspreiding en benutting van kennis te komen binnen, maar vooral ook buiten de
     wetenschap. Alleen binnen een bredere strategie die de toegankelijkheid van
     wetenschappelijke kennis vergroot, heeft open access van publicaties echt
     meerwaarde.
b) Zet stevig in op het ruimer delen van onderzoeksgegevens en streef daarbij naar
     een optimale toegang tot onderzoeksgegevens.
Meer openheid kan bijvoorbeeld bijdragen aan het beter functioneren van de weten-
schap, kan leiden tot een betere benutting van wetenschappelijke kennis binnen en
buiten de wetenschap of kan ervoor zorgen dat de wetenschap beter verantwoording
kan afleggen over wat ze aan (publiek) onderzoek doet. Het vergroten van openheid in
de wetenschap moet dan ook steeds in het licht van die ruimere doelen bezien worden.
Daarbij moeten voor- en nadelen van meer openheid goed afgewogen worden evenals
de waarschijnlijkheid dat de juiste randvoorwaarden kunnen worden gerealiseerd. Dat
maakt het ook mogelijk om prioriteiten aan te geven.
Voor veel wetenschapsgebieden zou het (ruimer) delen van onderzoeksdata een meer
radicale ontwikkeling zijn dan open access, die in potentie grote positieve effecten kan
hebben op de wetenschap zelf. Aan de andere kant zijn er ook kosten, beperkingen en
risico’s mee gemoeid. Dat betekent dat men een balans moet vinden: wat is de juiste
mate van openheid? Er zal differentiatie zijn in wat en met wie er gedeeld wordt alsmede
Durven delen                                                                             33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>in de typen (her)gebruik. Dit vergt ook behoorlijke investeringen, in het bijzonder in een
goede infrastructuur en goede methoden en aanpak voor datamanagement.
Aanbeveling 2:
Zet in op een goede implementatie van de principes van open science in
Nederland.
Maak voor Nederland een masterplan gericht op het beter benutten van wetenschappe-
lijke kennis, met daarin aandacht voor open access en het delen van onderzoeksdata en
trek daar voldoende middelen voor uit en zorg voor een goede verankering van het
belang van ‘impact op maatschappij en bedrijfsleven’ in de onderzoekspraktijk.
Deze verankering kan bijvoorbeeld plaatsvinden doordat die impact op maatschappij en
bedrijfsleven een rol gaat spelen in beoordelingen. Vraag disciplines hiervoor plannen te
ontwikkelen en zorg voor financiële ondersteuning van die plannen. Beloon disciplines
en/of onderzoeksinstellingen hiervoor, bijvoorbeeld door een ranking in te voeren die
(mede) de maatschappelijke en economische impact reflecteert.
A. Zorg in dat masterplan rond het onderwerp open access:
      a) voor heldere mijlpalen, randvoorwaarden (bijvoorbeeld borging van kwaliteit) en,
           waar nodig, infrastructuur. Besteed aandacht aan de verschillen in uitwerking en
           uitvoering per wetenschappelijke discipline. Gebruik dit proces om de resultaten
           van de Nederlandse wetenschap zichtbaar te presenteren;
      b) dat wetenschappelijke resultaten beter toegankelijk worden voor de maat-
           schappij doordat ze vindbaar zijn en overzichtelijk en begrijpelijk gepresenteerd
           worden voor een breder publiek. Zorg bij de presentatie ook voor aansluiting bij
           onderzoeksprogramma’s (en mogelijk ook de Nationale Wetenschapsagenda)
           door te bevorderen dat de wetenschappelijke artikelen die antwoorden bieden,
           via de website open access toegankelijk zijn, voorzien van een samenvatting
           voor leken;
      c) voor betere toegang van het bedrijfsleven tot wetenschappelijke kennis, bijvoor-
           beeld door te zorgen voor intermediairs en ecosystemen waarin wetenschap en
           bedrijfsleven goed op elkaar aansluiten; open access is dan een – belangrijk –
           sluitstuk in de overdracht van kennis.
B. Zorg in dat masterplan rond het onderwerp van het ‘delen van onderzoeksdata’ voor:
      a) heldere mijlpalen en randvoorwaarden en besteed aandacht aan de verschillen
           in uitwerking en uitvoering per wetenschappelijke discipline. Bij het bruikbaar
           opslaan en delen van onderzoeksgegevens is nog een lange weg te gaan.
           Benader dat stap voor stap;
      b) de aanwezigheid van de algemene faciliteiten voor opslag en het delen van data:
           zorg dat de opslaginfrastructuur er is – trek hier middelen voor uit – en realiseer
Durven delen                                                                                  34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>           andere basisvoorwaarden (zoals standaarden). Regel generiek wat generiek is
           en laat de uitwerking verder zo veel mogelijk per discipline; daarbij moet wel oog
           zijn voor de interoperabiliteit van data tussen disciplines;
     c)    bevordering van goed datamanagement: bevorder dat dit in de opleiding van
           wetenschappers verankerd wordt, trek er in eerste instantie extra middelen voor
           uit; zorg dat goed datamanagement wordt beloond (bij beurzen of evaluaties) en
           streef ernaar dat het een standaardonderdeel van het wetenschappelijk proces
           wordt;
     d)    een helder afwegingskader om te bepalen voor welk type onderzoeksgegevens
           het zinvol is dat ze worden opgeslagen tegen publieke kosten;
     e)    het toegankelijk maken van in ieder geval de onderzoeksgegevens die ten
           grondslag liggen aan een wetenschappelijk artikel, voor zover er geen
           dwingende redenen zijn die zich tegen openbaarmaking verzetten. Dit bevordert
           de transparantie in de wetenschap;
     f)    stimulering van – voor het overige – het delen van onderzoeksdata in het
           algemeen, voor zover het delen van de gegevens kan, er draagvlak voor is en
           het delen zinvol is. Laat het delen van data groeien (eerst trust opbouwen) en
           laat onderzoekers en instellingen in eerste instantie bepalen met wie ze de
           onderzoeksdata willen delen;
     g)    ondersteuning van het delen van data bij voorkeur door het te belonen (bij-
           voorbeeld bij beurzen, evaluaties, of via rankings) en niet door het af te dwingen;
     h)    een goede regeling van juridische issues: onder andere voor de bescherming
           van de inspanning gemoeid met het vergaren van data (dit is nu nog on-
           beschermd); tevens moet er duidelijkheid komen over het eigenaarschap van
           de onderzoeksgegevens en het verantwoorde gebruik van (persoonsgebonden)
           data. Het is raadzaam dat de ‘eigendom’ van onderzoeksdata die met publiek
           geld verkregen zijn, binnen de wetenschap blijft, bij de instelling(en), financier(s)
           of onderzoeker(s).
Aanbeveling 3:
Werk samen binnen EU-verband rond open science.
Laat het Nederlandse beleid inzake open access en toegang tot andermans onderzoeks-
resultaten zo veel mogelijk in lijn met het EU-beleid zijn. Zet in op een versnelde transitie
naar open access en het delen van onderzoeksdata en pleit voor een gezamenlijke
strategie die dit mogelijk maakt.
Houd daarbij rekening met de ontwikkelingen binnen (en verschillen tussen) de EU-
lidstaten. Zoek en formuleer gezamenlijke belangen, zoals onder meer transparantie over
kosten van abonnementen, verkorting van de embargoperiodes, grotere toegankelijkheid
van wetenschappelijk kennis en een Europese infrastructuur om open access en
research data sharing mogelijk te maken.
Durven delen                                                                                   35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Binnen de EU kan de Nederlandse regering dan (onder andere tijdens het Nederlands
EU-voorzitterschap) agenderen:
     a) het economisch, maatschappelijk en wetenschappelijk belang van research
           data sharing en het toegankelijk maken van wetenschappelijke kennis;
     b) het belang van goede randvoorwaarden voor open science zoals maximale
           embargoperiodes, meer transparantie over de kosten van publiceren, en de
           noodzaak om te komen tot een zekere standaardisering;
     c) het actief volgen van de ontwikkelingen en voortgang op het gebied van open
           access en het delen van onderzoeksdata in de lidstaten om zo tot convergentie
           en versnelling te komen;
     d) daadwerkelijke toegankelijkheid van de resultaten en onderzoeksgegevens van
           de (mede) door de EU gefinancierde projecten door vrije toegang daartoe, maar
           ook door toegankelijke samenvattingen en inleidingen voor leken. (Het gaat
           hierbij niet alleen om Horizon 2020 of de beurzen van de European Research
           Council, maar ook om EU-onderzoeksinstellingen zoals de Joint Research
           Centres);
     e) de oprichting van een European Science Cloud die fungeert als knooppunt èn
           uithangbord van de Europese (d.w.z. van de EU en de lidstaten) weten-
           schappelijke prestaties.
Aldus vastgesteld te Den Haag, december 2015,
Prof. dr. U. Rosenthal (voorzitter)
dr. D.J.M. Corbey (secretaris)
Durven delen                                                                             36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Deel 2: Analyse
 Durven delen        37
 Briljante bedrijven  2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Durven delen 38</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                                                                                             4
Open access
4.1        Tussen droom en daad…
Van oudsher zijn wetenschappers erop gericht om hun vindingen en resultaten van
onderzoek mede te delen binnen de wetenschappelijke gemeenschap. Resultaten
worden gedeeld, elkaars onderzoek besproken en becommentarieerd. Regelmatig
leidt dat vervolgens tot samenwerking. Bij het wetenschappelijke métier hoort een
zekere mate van openheid (in ieder geval in de gemeenschap van peers) om zo
samen de kennis verder te brengen.
Het uitwisselen van die kennis en resultaten kent vele vormen. Via verenigingen van
wetenschappers, vaak gericht op een specifiek vakgebied, via presentaties en discussies
op conferenties, via boeken, of via journal articles, artikelen in wetenschappelijke tijd-
schriften. In het bijzonder de peer-reviewed journal articles zijn de ‘standaard’ vorm van
wetenschappelijke output geworden, hoewel in de alfa- en gammawetenschappen ook
wetenschappelijke boeken nog veel aanzien genieten als publicatievorm. De ‘kwaliteits-
controle’ door de wetenschappelijke peers verleent aan peer-reviewed artikelen het
wetenschappelijke kwaliteitsstempel, terwijl de reputatie van het tijdschrift waarin het
artikel verschenen is, afstraalt op de prestige van het artikel. Die reputatie van een tijd-
schrift hangt sterk samen met de gemiddelde wetenschappelijke impact die de artikelen
uit dat journal halen. De hoeveelheid en de impact van zijn artikelen spelen een belang-
rijke rol voor de carrière van een wetenschapper. De waardering door zijn vakgenoten
wordt er sterk door bepaald, het speelt een grote rol bij het toekennen van beurzen en
dergelijke, en is belangrijk bij de evaluatie van het functioneren als wetenschapper.
De laatste decennia is het aantal wetenschappelijke artikelen dat jaarlijks gepubliceerd
wordt, sterk gegroeid. Dat komt niet alleen doordat er wereldwijd meer personen in de
wetenschap actief zijn, maar ook doordat de bovengenoemde cultuur wetenschappers
aanzet om (per persoon) zo veel mogelijk artikelen te publiceren. En bij voorkeur in die
tijdschriften met de meeste citatie-impact. Omdat de ‘lezers’ van wetenschappelijke
tijdschriften traditioneel de kosten ervan betalen (terwijl de auteurs niets betalen), worden
die lezers geconfronteerd met steeds toenemende kosten voor die tijdschriften vanwege
de volumegroei. Bovendien zijn de tijdschriften met de beste reputatie must reads,
waardoor de onderzoeksinstellingen het zich niet kunnen veroorloven om zich daar niet
op te abonneren. Dat geeft de uitgevers van zulke journals de positie om in ieder geval
voor die tijdschriften een flinke marge te bedingen. Daar komt nog eens bij dat de ‘markt’
van wetenschappelijke uitgeverijen sterk geconcentreerd is (geraakt). Al met al ontstaat
Durven delen                                                                                 39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>bij onderzoeksinstellingen steeds meer onvrede over de sterk stijgende kosten van
toegang tot de wetenschappelijke literatuur.
Een andere ontwikkeling heeft zich voorgedaan bij de manier van verspreiding van
wetenschappelijke publicaties. Vroeger verschenen tijdschriften en boeken op papier
en kwamen ze uiteindelijk op een plank in een bibliotheek terecht. Tegenwoordig zijn
                                                                                                            22
de meeste publicaties, zeker artikelen en in toenemende mate ook boeken, ook in
elektronische vorm beschikbaar, en staan ze op een website, van waar ze in principe
gedownload kunnen worden. Dat downloaden kan bij de traditionele abonnements-
tijdschriften gratis door degenen die geaffilieerd zijn aan een van de organisaties met
een abonnement. Niet-abonnees kunnen er niet zo maar bij, hoewel ze vaak wel los
toegang tot een specifiek artikel kunnen ‘kopen’.
Nu het elektronisch publiceren min of meer de standaard is geworden en publicaties in
principe op internet te raadplegen zijn, zou men erover kunnen denken om iedereen
toegang te geven tot wetenschappelijke publicaties. Dat sluit mooi aan bij de waarde die
in de wetenschappelijke wereld wordt gehecht aan de openheid om elkaars resultaten te
bestuderen. Bovendien kunnen zo ook de samenleving (zowel burgers als hun organi-
saties) en het bedrijfsleven (makkelijker) kennis nemen van die resultaten. Om maximale
benutting van die wetenschappelijke publicaties te hebben, zou je dan bij voorkeur ook
zo ruim mogelijk gebruik van die artikelen moeten toestaan: niet alleen lezen, maar ook
bijvoorbeeld reproduceren en verspreiden.
Dit is precies de gedachte achter de roep om open access tot wetenschappelijke
publicaties, die ruim tien jaar geleden opkwam. Als startpunt worden de open access
                                                   23                          24
verklaringen van Boedapest (2002) en Berlijn (2003) vaak gehanteerd, die in de loop
der jaren door tal van kennisinstellingen en wetenschappers zijn ondertekend. Het in
deze verklaringen beoogde doel is vrije toegang voor iedereen (onderzoekers, bedrijven
en burgers) tot de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, waarbij die publicaties
ruim gebruikt mogen worden.
Maar wat een snelle revolutie had moeten zijn, heeft ruim tien jaar later meer weg van
een schaakpartij waar de stukken vrij vast op hun positie lijken te staan en de
ontwikkelingen stapje voor stapje gaan. Elke speler aan het bord heeft zijn belangen.
Er is zeker vooruitgang geboekt richting meer open access. Er zijn nieuwe tijdschriften
gekomen waarvan de artikelen voor iedereen vrij toegankelijk zijn en sommige bestaande
tijdschriften zijn ‘omgegaan’ naar dit open access model. Bij deze open access journals
22
   Zie bijvoorbeeld de OAPEN Library van vrij toegankelijke wetenschappelijke boeken: http://www.oapen.org/
23
   http://www.budapestopenaccessinitiative.org/read
24
   http://openaccess.mpg.de/Berlin-Declaration
Durven delen                                                                                                   40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>betalen over het algemeen de auteurs een bijdrage voor het publiceren van hun artikel,
hoewel er ook met andere modellen geëxperimenteerd wordt, waarbij bijvoorbeeld
                                                                                                           25
onderzoeksinstellingen of –financiers de kosten van een tijdschrift dragen. Ook is het
bij de meeste uitgevers van abonnementstijdschriften intussen mogelijk dat een auteur
ervoor betaalt dat zijn artikel meteen voor iedereen (abonnees en niet-abonnees) toe-
gankelijk is. Dat artikel is dan ook open access (het tijdschrift niet). Daarnaast wordt,
vaak onder voorwaarden, toegestaan dat een versie van een artikel in een repository vrij
beschikbaar online wordt gezet. Soms mag dit pas na een embargoperiode. Ook zijn er
wetenschappers die hun artikelen op eigen websites zetten of op ‘verzamelsites’ (zoals
ResearchGate), soms zonder daarbij de regels rond copyright volledig te respecteren.
   Terminologie Open access
   Open Access - In het ideaalbeeld zoals dat onder andere is vastgelegd in de
   verklaring van Boedapest (2002) staat open access voor vrije toegang tot weten-
   schappelijke artikelen, waarbij lezen, downloaden, kopiëren, verspreiden, drukken,
   zoeken, indexeren en verwijzen naar (delen van) artikelen is toegestaan en er geen
   financiële, juridische of technische barrières zijn die deze toegang belemmeren. De
   enige uitzondering hierop is het recht van de auteur om de integriteit van eigen werk
   te beschermen.
   Er worden vaak twee ‘hoofdroutes’ richting open access onderscheiden, de ‘gouden’
   en de ‘groene’ route:
   De ‘gouden’ route: dit is een nieuwe standaard waarbij de bestaande tijdschriften en
   uitgevers hun centrale rol houden, maar publicaties direct gratis toegankelijk zijn en
   een ander dan de lezer, meestal de auteur betaalt. In de ‘gouden’ route komen
   publicaties via de platforms van de uitgevers direct online beschikbaar. Dat betekent
   voor de uitgevers een substantiële verandering van hun businessmodellen. Van een
   op abonnementsinkomsten gebaseerd model naar een model waarbij de auteur een
   vergoeding betaalt na acceptatie van een artikel.
   De ‘groene’ route: dit is een hybride stelsel van open access en abonnementen.
   De ‘groene’ route gaat uit van zelfarchivering. Het artikel verschijnt dan in een
   traditioneel niet-open access-tijdschrift. De auteurs maken hun manuscript dan
   openbaar toegankelijk door het te deponeren in een (publiek toegankelijke) repository,
   waarbij uitgevers soms eisen dat een embargotermijn in acht wordt genomen.
25
   Verschillende alternatieve modellen kwamen aan de orde op een workshop van de Europese Commissie op 12 oktober 2015 te
   Brussel: https://ec.europa.eu/digital-agenda/en/news/save-date-12-oct-ec-workshop-alternative-open-access-publishing-models
   (laatst bezocht: 16/10/2015).
Durven delen                                                                                                                   41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Door al deze mogelijkheden is het aandeel van wetenschappelijke publicaties die op een
of andere manier open access beschikbaar zijn de afgelopen vijftien jaar toegenomen.
Het nauwkeurig bepalen van het totale aandeel publicaties dat op een of andere manier
open access beschikbaar is, blijkt in de praktijk lastig. Voor ‘gouden’ open access
artikelen is het redelijk te doen, omdat dat goed gedefinieerd is; maar alle varianten van
zelfarchivering zijn lastiger te vinden en te tellen (tel je alleen artikelen in repositories
mee of ook bijvoorbeeld artikelen die op eigen websites staan – en hoe vind je die?).
Het gevolg hiervan is dat verschillende studies komen met verschillende percentages
aan artikelen die open access beschikbaar zijn.
We geven hier de resultaten van twee studies die als een soort ondergrens en boven-
                                                            26
grens kunnen dienen. Elsevier (2013) schatte in een studie voor de Britse regering het
wereldwijde aandeel ‘gouden open access’ publicaties op 10,2% (plus nog één procent
voor artikelen die door de uitgever na enige tijd vrij toegankelijk worden gemaakt). Voor
het aandeel ‘groen open access´ kwam Elsevier uit op 11,4% wereldwijd. In totaal zou
dan ongeveer 23% van de recente publicaties open access beschikbaar zijn via de
‘gouden’ of ‘groene’ weg, zeg maar een kwart van het totaal. Deze schattingen komen
                                                              27
in de buurt van enkele eerdere studies.
Een andere studie van Archambault et al. (2014), uitgevoerd in opdracht van de
Europese Commissie, gebruikte een andere methode. Voor het aandeel ‘gouden open
access’ vinden zij ongeveer 12% voor 2013, vergelijkbaar met Elseviers resultaat. Voor
‘groen open access’ hanteren Archambault et al. (2014) een ongebruikelijke definitie,
waardoor hun resultaat van 6% (2012) en 5% (2013) lager uitkomt dan bij Elsevier
(2013). Maar naast ‘goud’ en ‘groen’ nemen Archambault et al. (2014) ook een categorie
‘other open access’ mee, die voor 2012 uitkwam op 30,9% en in 2013 op 27%. De daling
van 2012 naar 2013 voor de categorieën ‘groen’ en ‘other’ zou kunnen samenhangen
met het feit dat er bij zelfarchivering een vertraging kan optreden, bijvoorbeeld vanwege
embargotermijnen. Zekerheid kunnen de auteurs van de studie daar niet over geven;
het zou ook om een ‘echte’ daling kunnen gaan. In de schatting van Archambault et al.
(2014) zou bijna de helft van de wereldwijde wetenschappelijke publicaties op een of
andere manier vrij online beschikbaar zijn. Hier moet wel bij aangetekend worden dat de
categorie ‘other’ zo vaag en ruim is dat zeker niet gegarandeerd is dat alle daaronder
vallende artikelen ook echt makkelijk vindbaar zijn. Bovendien zijn er andere onduidelijk-
heden in de gepresenteerde data (die niet uitgelegd worden) waardoor we de door de
                                                                                                                                        28
Archambault et al. (2014) gepresenteerde data met grote voorzichtigheid beschouwen.
26
   Elsevier (2013).
27
   Björk et al. (2010) vinden een totaal van 20,4%, terwijl Gargouri et al. (2012) een totaal van 21% vonden.
28
   Slechts een paar voorbeelden van de onduidelijkheden: zo is het totaal aandeel open access niet gelijk aan de som van de drie
   categorieën ‘gold’, ‘green’ en ‘other’; in de verdeling naar landen is niet helder hoe publicaties over landen verdeeld zijn: zo is de
   som van de publicaties van de EU-landen ongelijk aan het totaal van de EU-publicaties, en daardoor zijn de gemiddelden per land
   en voor de hele EU onvergelijkbaar. Soortgelijke problemen spelen ook bij de overzichten per discipline.
Durven delen                                                                                                                              42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Figuur 1 Aandeel van vrij toegankelijke peer-reviewed wetenschappelijke artikelen zoals gemeten in april 2014,
          voor 1996-2013
Bron: Archambault et al. (2014), p. 16. De percentages zijn berekend door Archambault et al. door gebruik te
maken van Scopus, DOAJ, ROAR, OpenDOAR, PubMedCentral en verschillende andere bronnen van gratis
te downloaden artikelen.
Toch kunnen we op basis van beide studies in ieder geval constateren dat het aandeel
recente wetenschappelijke artikelen dat open access toegankelijk is, zit tussen een
kwart en de helft (afhankelijk van de gehanteerde definities). Voor wetenschappelijke
boeken zijn de cijfers minder goed bekend. Dit staat nog iets meer in de kinderschoenen
en vermoedelijk is het aandeel open access daarbij (nog) lager.
Interessant is ook de ontwikkeling van (het aandeel) open access bij wetenschappelijke
artikelen. Uit het overzicht van Archambault et al. (2014) blijkt namelijk dat dit vanaf het
midden van de jaren ’90 is gegroeid, maar dat de groei aan open access de laatste jaren
afvlakt (en in 2013 lijkt het aandeel zelfs afgenomen). Zie Figuur 1.
Dit effect is ook merkbaar in Nederland: het aantal open access publicaties dat op-
genomen wordt in de repositories die ontsloten worden via NARCIS stagneert (en lijkt
                                  29
zelfs licht af te nemen). Figuur 2 toont het aantal wetenschappelijke artikelen dat in
NARCIS is opgenomen van 2000 tot 2014.
29
   Zie de website van Narcis voor de actuele stand: http://www.narcis.nl/metrics/Language/nl (laatst bezocht 16/10/2015).
Durven delen                                                                                                              43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Figuur 2 Aantallen open en closed access wetenschappelijke artikelen in NARCIS (naar publicatiejaar)
Bron: NARCIS, zie: http://www.narcis.nl/metrics/Language/nl
Toelichting: NARCIS biedt toegang tot (open access) publicaties afkomstig uit de repositories van alle Nederlandse
universiteiten, KNAW, NWO en diverse wetenschappelijke instellingen. Een aantal instellingen heeft alle
wetenschappelijke publicaties opgenomen in de repository, andere alleen de open access publicaties.
Het aandeel open access publicaties in NARCIS was ongeveer 20% in 2000 en piekte in
2008 met een aandeel van 28%. De laatste jaren schommelt het rond de 25%. Dit is
vermoedelijk een overschatting van het aandeel open access op het Nederlandse totaal,
omdat weliswaar een deel van de instellingen alle wetenschappelijke publicaties heeft
opgenomen in de eigen repository, maar ander deel van de instellingen alleen de open
                                                          30
access publicaties heeft opgenomen.
30
   Een uitsplitsing van de aantallen publicaties in de repositories (totaal) en het aantal open access publicaties per instelling staat op:
   http://www.narcis.nl/reponumbers/Language/en#show-me (laatst bezocht 16/10/2015).
Durven delen                                                                                                                             44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Uit de analyse van Archambault et al. (2014) naar de mate waarin peer-reviewed
artikelen open access beschikbaar zijn, blijken grote verschillen tussen vakgebieden èn
tussen landen. Zo zijn in het vakgebied ‘wetenschap & technologie algemeen’ vier op de
vijf artikelen vrij op internet te vinden, vooral doordat men publiceert in tijdschriften die
zelf open access zijn. Ook het biomedisch onderzoek kent een hoog percentage open
access publicaties, maar dit komt weer op het conto van de centrale rol van repositories
in dit gebied. Aan de andere kant van het spectrum zit een vakgebied als visual and
performing arts, waar amper één op de vier artikelen op een of andere manier (feitelijk)
open access kent.
Ook tussen landen bestaan verschillen in open access cultuur. Brazilië is duidelijk kop-
loper open access. Niet alleen worden daar vier op de tien wetenschappelijke artikelen in
een open access journal gepubliceerd (wereldwijd is dat slechts één op de tien), maar
uiteindelijk zijn twee van elke drie Braziliaanse papers beschikbaar in open access. Ook
in de VS is het aandeel open access hoog (tegen de 60%), maar hier komt dat vooral
door de centrale rol van enkele repositories, waar een versie van een elders verschenen
artikel neergezet wordt. De EU als geheel scoort maar net 50% aan op een of andere
manier vrij toegankelijke artikelen. Binnen de EU blijkt Nederland de koploper, waar
volgens Archambault et al. (2014) bijna twee op de drie artikelen een vorm van ‘open
access’ kennen (volgens de definitie van Archambault et al. (2014)). Interessant genoeg
publiceren Nederlandse wetenschappers minder dan gemiddeld in open access journals,
maar kennelijk worden veel papers in repositories en dergelijke gezet. Nederland scoort
erg hoog in de categorie ‘other open access’, maar omdat dat zo’n vaag en ruim
gedefinieerde categorie is, is niet precies duidelijk waar dat hoge aandeel open access
in Nederland dan aan te danken is. Andere bronnen komen tot een veel lager aandeel
open access in Nederland: zo blijkt in NARCIS bijvoorbeeld maar een kwart van de
(Nederlandse) publicaties open access, wat vermoedelijk zelfs nog een overschatting is
(zie hierboven).
De Nederlandse overheid kiest, net als de Europese Unie, principieel voor open access:
iedereen zou toegang moeten hebben tot wetenschappelijke kennis waaraan men
                                                31
(als belastingbetaler) meebetaalt. Daarnaast verwachten deze overheden dat een
publicatiestelsel gebouwd rond open access zou kunnen bijdragen aan de snelheid van
de uitwisseling van wetenschappelijke informatie, aan de degelijkheid van review-
processen, aan de kwaliteitsborging en integriteit in het onderzoek, en aan de
samenwerking tussen wetenschappers onderling en tussen wetenschappers en andere
belanghebbenden, zoals bedrijven of maatschappelijke organisaties.
31
   Brief van de staatssecretaris van OCW aan de Tweede Kamer van 15 november 2013, TK 2013-2014, 31 288, nr. 354, p. 1.
Durven delen                                                                                                            45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Sommige voorstanders van open access kiezen hiervoor vanuit een sterk ideologisch
argument, namelijk een visie waarin wetenschap wereldwijd open behoort te zijn en
wetenschappelijke publicaties derhalve ook. Ook financiële argumenten worden naar
voren gebracht. In die visie wordt open access gezien als een manier om de almaar
stijgende kosten van toegang tot wetenschappelijke artikelen het hoofd te bieden.
In dit hoofdstuk van dit advies onderzoekt de AWTI wat de effecten zouden (kunnen) zijn
van open access en onder welke randvoorwaarden dat zo goed mogelijk kan bijdragen
aan het functioneren van de wetenschap en aan de maatschappij en economie. Op basis
van deze analyse zullen we concluderen en daaruit komen de aanbevelingen voor het
overheidsbeleid voort die we in hoofdstuk 3 beschreven.
4.2          Wetenschappelijk publiceren: functies en actoren
De cultuur rond en de praktijk van het publiceren van wetenschappelijke resultaten en
dus ook de discussie over toegang vinden plaats binnen de context van het grotere –
wereldwijde – ‘wetenschapssysteem’. Daarin spelen vele verschillende typen actoren een
rol, die weer deel uitmaken van allerlei netwerken en te maken hebben met verschillende
regels. Bovendien is de wereld van de wetenschap verbonden met de (rest van de)
maatschappij en het bedrijfsleven. In deze paragraaf proberen we te analyseren hoe
de positie is van de verschillende relevante actoren (stakeholders). We kijken naar hun
belang(en) en hun mogelijkheden met betrekking tot wetenschappelijk publiceren.
Dan gaat het om vragen als: ‘wat willen ze?’, respectievelijk: ‘wat kunnen ze doen en
zijn ze bij machte om veranderingen te weeg te brengen?' Vervolgens bespreken we
hun positie ten opzichte van – specifiek – open access. Zo krijgen we inzicht in de drivers
voor open access, maar ook de knelpunten én kansen.
Maar eerst bespreken we de functies die rond het communiceren van wetenschappelijke
                                    32
resultaten een rol spelen:
     certificering: het zorgen voor wetenschappelijke validatie van te publiceren resultaten
     (waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor peer review);
     disseminatie: verspreiding van de (gepubliceerde) resultaten;
     registratie: het ‘officieel’ koppelen van de auteurs aan de publicatie;
     archivering: het deponeren en beschikbaar houden van de publicatie.
Als de wetenschappelijke resultaten eenmaal gepubliceerd zijn, kunnen ze op allerlei
manieren gebruikt worden. Een manier is geciteerd worden, dat gezien wordt als een
belangrijke vorm van erkenning binnen de wetenschappelijke wereld.
32
   Zie bijvoorbeeld Ware en Mabe (2015), p. 16.
Durven delen                                                                                46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>De ontwikkelingen rond open access hebben vooral betrekking op de disseminatie-
functie. De overgang van publiceren op papier naar elektronische publicaties heeft
nieuwe mogelijkheden geopend voor de distributie van wetenschappelijke resultaten.
Door het publiceren van working papers of het opzetten van preprint servers kunnen
wetenschappers hun ideeën al eerder communiceren, terwijl ze nog steeds gebruik
maken van de traditionele kanalen (journals) om de validatie en reputatie van hun
publicatie te waarborgen. Ook de uitgevers hebben open access ingevoerd: hele
tijdschriften of afzonderlijke artikelen zijn dan voor iedereen toegankelijk. Ook weten-
schappelijke boeken worden steeds vaker vrij toegankelijk aangeboden. Daarmee
hangen ook weer andere business modellen samen, bijvoorbeeld de overstap van
het traditionele ‘de lezer betaalt’ naar ‘de auteur betaalt’ of andere varianten.
Onderzoekers
Onderzoekers spelen verschillende rollen rond het wetenschappelijk publiceren.
Allereerst zijn ze gebruiker (lezer) van wetenschappelijke publicaties. In die rol zijn ze
gebaat bij een zo ruim mogelijke toegang tot de literatuur die voor hen relevant is. In veel
gevallen zal een bibliotheek van een onderzoeksinstelling waar iemand werkt, het op zich
nemen om de juiste informatie (tijdschriften, boeken en anderszins) te contracteren.
(Een individuele onderzoeker ‘voelt’ die kosten dus zelf niet direct.) Voor zover een
onderzoeker daarbuiten nog literatuur wil raadplegen, zal hij daar zelf voor moeten
betalen, of op een andere manier (‘via via’) aan de publicatie moeten komen. Bij het
bepalen van welke tijdschriften meer en minder prioriteit hebben, zullen onderzoekers
zich toch vaak laten leiden door de reputatie van de betreffende tijdschriften. Dat zal
mede afhangen van de gemiddelde (wetenschappelijke) impact van het tijdschrift, de
relevantie voor het eigen (vak)gebied en bijvoorbeeld wie de editors zijn.
Daarnaast zijn de onderzoekers de ‘producent’ van de wetenschappelijke output. In deze
hoedanigheid zijn ze natuurlijk vooral geïnteresseerd in het succesvol verspreiden van
hun resultaten en het ‘in gesprek raken’ over hun werk met anderen, in ieder geval uit
de wetenschappelijke gemeenschap, maar eventueel ook uit de maatschappij en het
bedrijfsleven. Wetenschappers hebben dan ook een prikkel om te (willen) publiceren in
                                                                                                          33
een tijdschrift met een groot bereik, een grote impact en een goede reputatie. Deze
voorkeur is op zich heel ‘natuurlijk’, maar wordt in het huidige systeem nog eens versterkt
doordat de ‘zwaarte’ van publicaties een belangrijke factor is voor de carrière(kansen)
van wetenschappers. Daarnaast kunnen de kosten een rol spelen. Hoeveel kost de ene
manier van publiceren en hoeveel een andere? Moet de wetenschapper die kosten zelf
dragen of worden ze elders gedragen? Wie geen instelling (of financier) achter zich heeft
staan, zal misschien afzien van publicatie indien hij de kosten zelf moet dragen.
33
   Zie De Goede en Hessels (2014) en de conceptresultaten van een wereldwijde OESO-enquête onder onderzoekers: OESO
   (2015a).
Durven delen                                                                                                        47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>Ten slotte speelt een (groot) deel van de wetenschappers ook een rol in de kwaliteits-
bewaking. Bijvoorbeeld als editor of reviewer van een journal. Inmiddels doen de meeste
wetenschappers dit. Het helpt onderzoekers ook om hun plek binnen de netwerken van
hun vakgebied te vinden. Het meeste review-werk vindt onbezoldigd plaats, of slechts
tegen een zeer geringe vergoeding. Kennelijk heeft het zijn van reviewer zoveel waarde
voor wetenschappers dat ze de benodigde inspanningen leveren zonder ervoor betaald
te worden.
Welke ‘macht’ hebben onderzoekers? Wat kunnen ze doen? Als auteur van een artikel
kunnen ze zelf beslissen waar ze hun artikel ter publicatie aanbieden. Bovendien bepalen
ze zelf binnen welk tijdschrift ze zich (willen) inzetten. Daarmee kunnen juist de leidende
personen in een bepaald vakgebied een krachtig signaal aangeven over welk tijdschrift
                                                  34
ertoe doet (althans in hun ogen). Ook rond het ‘gebruik’ van tijdschriften kunnen onder-
zoekers invloed uitoefenen. Door wat ze downloaden, lezen en citeren beïnvloeden ze
de wetenschappelijke impact van artikelen en tijdschriften. Lastig daarbij is wel dat als
een onderzoeker de impact uit het verleden gebruikt als een maat voor de prioriteit in
het heden, het lang duurt voor er verschuivingen optreden. Daarbij moet natuurlijk
aangetekend worden dat het effect dat uitgaat van een individuele wetenschapper over
het algemeen zeer gering is. Het gaat om de resultante van wat de onderzoekers
‘opgeteld’ doen. Er is dus massa nodig als onderzoekers een verandering van onderop
willen bewerkstelligen. Vaak zal zo’n beweging dan steunen op een breed gedragen
cultuur binnen de betreffende wetenschappelijke gemeenschap.
Wat betekent de bovenstaande analyse van belangen en macht van de onderzoeker(s)
als actor(en) nu voor open access? In het algemeen zullen de meeste wetenschappers in
beginsel neutraal of positief staan tegenover het publiceren op een manier dat hun artikel
(of boek) voor iedereen toegankelijk is. Maar voor veel wetenschappers zal de vraag
‘open access of niet’ niet de allerbelangrijkste bepalende factor zijn bij de keuze waar
men wil publiceren. Dat blijken factoren als kwaliteit en wetenschappelijke impact
                                       35
van een tijdschrift te zijn. Weliswaar zullen er sommige onderzoekers zijn die om
ideologische redenen kiezen voor open access, maar de meerderheid zal veel
pragmatischer in het onderwerp van open access staan. Eventuele kosten kunnen
34
   Van dit mechanisme hopen de Nederlandse universiteiten gebruik te kunnen maken bij de oproep tot een boycot van Elsevier-
   tijdschriften om zo de onderhandelingen over toegang in Nederland tot Elsevier-publicaties onder druk te zetten, zie hierover:
   NRC Handelsblad van 2 juli 2015, ‘Eerste stap universiteiten boycot Elsevier’; in dezelfde zin ook het persbericht van de VSNU,
   ‘Taalwetenschappers publiceren wetenschappelijke artikelen voortaan in betaalbaar Open Access’ van 12 oktober 2015 (VSNU
   2015).
35
   De Goede en Hessels (2014) vinden - binnen Nederland - dat zeker bij de hoogleraren publiceren met (wetenschappelijke) impact
   het allerbelangrijkste gevonden wordt (vergeleken met bijvoorbeeld publiceren in het algemeen). Ware en Mabe (2015, p. 71)
   bespreken verschillende studies over wat wetenschappers drijft bij hun keuze om in een bepaald tijdschrift te willen publiceren en
   concluderen daaruit dat de belangrijkste factoren bij die keuze zijn: de kwaliteit van het tijdschrift, de relevantie ervan en de
   snelheid van het publicatieproces. Overigens constateren Ware en Mabe (2015, p. 71) ook dat het open access-karakter van een
   tijdschrift aan belang wint als een secundaire factor.
Durven delen                                                                                                                         48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>daarbij zeker een rol spelen. Als het publiceren in een abonnementstijdschrift gratis is
voor de auteur, dan is een keuze voor een open access publicatie waarvoor de auteur
                                                                                                           36
een bijdrage moet betalen vanuit kostenoogpunt minder aantrekkelijk. Een gelijk
speelveld tussen deze twee mogelijkheden bestaat pas als die auteursbijdrage al op een
                                              37
of andere manier geregeld is, dan wel de auteur fondsen heeft die specifiek gebruikt
                                                                                                                 38
kunnen worden voor de auteursbijdrage voor een open access publicatie. In bepaalde
disciplines, zeker in de alfa-wetenschappen, heerst grote zorg dat onderzoekers niet
over voldoende budget (kunnen) beschikken om eventuele auteursbijdragen voor open
                                              39
access publicaties te betalen.
Als er in een bepaald vakgebied in de wetenschappelijke gemeenschap een sterke
cultuur van delen en open samenwerken heerst, dan heeft open access een reële kans
om daar de standaard te worden. Bijvoorbeeld omdat een aantal hot shots hun naam
verbinden aan een open access tijdschrift en de onderzoekers er zelf voor gaan kiezen
om in zo’n tijdschrift te publiceren. In de praktijk komt dit wel voor, maar het blijft toch
nog wel een beetje een uitzondering.
Onderzoeksinstellingen
Onderzoeksinstellingen, zoals universiteiten, hebben er belang bij dat hun onderzoekers
zo goed mogelijk toegang hebben tot de wereldwijde wetenschappelijke literatuur. Een
onderzoeksinstelling wil dan ook zo veel mogelijk relevante informatie beschikbaar
maken voor hun onderzoekers en studenten tegen zo laag mogelijke totale kosten.
Anderzijds zijn onderzoeksinstellingen voor hun eigen reputatie ook weer sterk afhanke-
lijk van de kwantiteit en kwaliteit van de wetenschappelijke output van hun onderzoekers.
Dat bepaalt in belangrijke mate hun positie in tal van rangschikkingen van universiteiten.
Vanuit dit perspectief hebben de universiteiten hebben er dus ook belang bij dat hun
onderzoek gepubliceerd wordt via kanalen met veel (wetenschappelijke) impact.
Als werkgever kan een onderzoeksinstelling natuurlijk sturend optreden richting zijn
werknemers, onder wie de onderzoekers. Een universiteit kan regels stellen voor welke
publicaties ze wel of niet meeneemt bij de evaluatie van haar onderzoekers (bijvoorbeeld
alleen open access publicaties, of alleen publicaties die in de universitaire repository
36
    Uit de enquête van de OESO (OESO 2015a, p. 37-38) blijkt dat minder dan 20% van de auteurs bereid is een auteursbijdrage van
    ongeveer 500 USD te betalen; in de praktijk zijn auteursbijdragen voor open access nu al vaak veel hoger - veelal tussen de 1000
    en 5000 USD, zie Ware en Mabe (2015, p. 93-95).
37
    Zoals bijvoorbeeld in de deal die de gezamenlijke Nederlandse universiteiten hebben gesloten met Springer voor 2015 en 2016.
    De APC’s om te publiceren zijn voor een substantieel deel van de tijdschriften collectief afgekocht. Dat betekent dat voor
    individuele artikelen van alle corresponderende auteurs van instellingen die in de deal met Springer betrokken zijn, niet meer
    individueel betaald hoeft te worden voor het publiceren via open access. (Zie: http://www.vsnu.nl/nl_NL/faq-open-access-nl.html
38
    Dit komt nog weinig voor, zie OESO (2015a), p. 28-29.
39
    Deze zorg werd meermaals geuit tijdens een workshop van de Europese Commissie over Alternative Open Access Publishing
    Models op 12 oktober 2015 in Brussel, zie: https://ec.europa.eu/digital-agenda/en/news/save-date-12-oct-ec-workshop-alternative-
    open-access-publishing-models (laatst bezocht: 16/10/2015).
Durven delen                                                                                                                        49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>staan). Ze zou ook fondsen ter beschikking kunnen stellen voor een bepaalde vorm
van publiceren (bijvoorbeeld voor de betaling van auteursbijdragen bij open access
publiceren). Bovendien kunnen onderzoeksinstellingen een belangrijke faciliterende rol
spelen, door bijvoorbeeld te zorgen voor infrastructuur als repositories of ondersteuning
van haar onderzoekers bij het publicatieproces.
Hoe staan onderzoeksinstellingen tegenover open access? Universiteiten en andere
onderzoeksinstellingen spreken zich steeds meer uit voor vormen van open access
                                                                                       40
tot publicaties en zetten zelf (openbare) repositories op. In de praktijk is het beeld
gemengd. Er zijn universiteiten die open access tot publicaties enthousiast omarmen
en in hun beleid en praktijk veel doen om dat te promoten (bijvoorbeeld de Université
                 41
de Liège), maar er zijn ook meer dan genoeg universiteiten die het wel een beetje
                  42
aankijken.
Onderzoeksfinanciers
Onderzoeksfinanciers bekostigen onderzoek vanwege een bepaalde reden. Ze zijn
bijvoorbeeld gericht op een bepaald doel (zoals het bestrijden en genezen van een
bepaalde ziekte, bij gezondheidsfondsen). Maar ze kunnen ook als doel hebben om
wetenschappelijk gezien excellent onderzoek te financieren, onafhankelijk van het
onderwerp. Ook bedrijven financieren onderzoek, wat dan vaak gericht zal zijn op het
creëren van meerwaarde voor dat bedrijf (bijvoorbeeld een octrooi, een nieuw product
of beter inzicht in de markt). Het belang van onderzoeksfinanciers is dan ook in eerste
instantie gelegen in het realiseren van hun doel. Als een bedrijf een octrooi wil aan-
vragen, heeft het geen belang bij snelle publicatie van de resultaten. Publicatie is pas
aan de orde als het octrooi verleend is. Dit werkt dus vertragend. Soms zullen bedrijven
helemaal niet willen publiceren, bijvoorbeeld als het gaat om commercieel gevoelig
onderzoek. In andere gevallen kunnen bedrijven wel baat hebben bij openheid en
                         43
samenwerking. Een gezondheidsfonds zal juist wel graag snelle en toegankelijke
publicatie van resultaten wensen, zodat de nieuwe inzichten zo snel mogelijk toegepast
of verder uitontwikkeld kunnen worden. Een financier van excellent onderzoek zal graag
die excellentie bevestigd willen zien door publicaties met impact. Voor alle typen
onderzoeksfinanciers geldt dat ze optimaal resultaat willen hebben van het geld dat
ze in onderzoek steken.
40
   Zie voor de Nederlandse universiteiten de website van de VSNU: http://www.vsnu.nl/openaccess, voor de universiteiten in Europa
   bijvoorbeeld de websites van de European University Association (EUA): http://www.eua.be/policy-representation/research-
   innovation-policy/science-2-0-open-science en het open access statement van de League of European Research Universities
   (LERU 2015) van 12 oktober 2015.
41
   Zie bijvoorbeeld: Caruso et al. (2013), die op p. 13 schrijven dat universiteiten en onderzoeksinstellingen vaak leidend zijn bij
   nationale initiatieven voor open access.
42
   Zo blijkt uit het overzicht op ROARMAP van de open access ‘mandaten’ (regels) in de verschillende landen dat lang niet alle
   universiteiten in Nederland en omliggende landen een (verplichtend) beleid hebben ten aanzien van open access publiceren. Zie:
   http://roarmap.eprints.org/
43
   Zie bijvoorbeeld het samenwerkingsverband Structural Genomics Consortium (SGC): http://www.thesgc.org/
Durven delen                                                                                                                         50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>Onderzoeksfinanciers beschikken wel over ‘macht’: als financier zijn zij in principe
in staat om de randvoorwaarden voor het doen van ‘hun’ onderzoek te bepalen.
Dat betekent dus dat ze eisen zouden kunnen stellen aan de manier van publiceren.
Onderzoeksfinanciers kunnen dan ook een sleutelrol spelen in het open access dossier.
Bovendien beschikken onderzoeksfinanciers over middelen. Die zouden ze ook kunnen
inzetten om op andere manieren een door hen gewenste ontwikkeling te ondersteunen.
Bijvoorbeeld door zelf een open access journal op te zetten, zoals eLIFE, of een
repository te onderhouden, of een heel goed overzicht te geven van alle publicaties
                                                                                                                  44
die uit het door die organisatie gefinancierde onderzoek voortgekomen zijn.
Zoals al blijkt uit de verschillende belangen die verschillende typen onderzoeksfinanciers
hebben, zal hun positie ten opzichte van open access tot publicaties ook uiteenlopen.
                                                                                                                                   45
Een aantal onderzoeksfinanciers hoort tot de sterkste pleitbezorgers voor open access.
In Nederland vindt de grootste nationale onderzoeksfinancier, NWO, dat onderzoeks-
resultaten die zijn verkregen met publieke middelen zo veel mogelijk openbaar zouden
moeten zijn. NWO heeft dan ook aangekondigd dat het in de toekomst de regels voor het
publiceren over door haar publiek gefinancierd onderzoek zal aanscherpen: open access
                                                  46
zal dan de norm moeten worden.
Uitgevers
De uitgevers hebben vanzelfsprekend oog voor hun business. Wetenschappelijke
uitgevers, zoals Elsevier, Springer of Brill, hebben gedurende vele jaren gebouwd
aan hun positie en expertises. De processen rond wetenschappelijk publiceren zijn
geëvolueerd, nieuwe diensten zijn ontwikkeld, reputaties van tijdschriften opgebouwd.
Ze kennen de ‘markt’ van de auteurs en van de lezers. Uitgevers zullen deze positie
minstens vast willen houden en bij voorkeur willen uitbouwen. Daarbij komt dat door
een proces van concentratie in de markt van wetenschappelijke communicatie de drie
grootste uitgeverijen (Elsevier, Wiley, Springer) samen bijna de helft van de weten-
                                                                        47
schappelijke artikelen in tijdschriften publiceren. Mede door dit oligopolistische karakter
van de markt zijn de grote uitgeverijen in staat om hoge winstmarges te behalen op de
activiteiten in de wetenschappelijke communicatie. Bovendien hebben deze uitgevers
intussen de prijsstelling van hun abonnementen zodanig weten te maken dat instellingen
eigenlijk gedwongen worden om het totaalpakket van een uitgever af te nemen (big deal).
44
   Zoals bijvoorbeeld de onderzoeksfinancier van de staat São Paulo in Brazilië, FAPESP, doet.
45
   Caruso et al. (2013) noemen als voorbeelden de Wellcome Trust uit het Verenigd Koninkrijk of de National Institutes of Health
   (NIH) in de Verenigde Staten. Uit ons eigen onderzoek komt ook de FAPESP uit Brazilië naar voren als een sterk voorbeeld;
   FAPESP is ook de drijvende kracht achter SciELO (Scientific Electronic Library Online), de belangrijkste open access ‘bibliotheek’
   voor Zuid-Amerika.
46
   Zie: http://www.nwo.nl/beleid/open+science (laatst bezocht 16/10/2015).
47
   Zie bijvoorbeeld: The Publishers Association, International Association of Scientific, Technical and Medical Publishers en
   The Association of Learned & Professional Society Publishers (2010).
Durven delen                                                                                                                        51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>Voor uitgevers zal gelden dat het ‘traditionele’ business model waarin de lezer betaalt
voor de toegang tot publicaties, zich in ieder geval heeft bewezen. In een ander model,
bijvoorbeeld een model met gratis toegang tot artikelen, zullen er andere manieren
gevonden moeten worden om het geld te verdienen. Het meest voor de hand ligt dat een
auteur dan zal moeten betalen voor het mogen publiceren. Hoe aantrekkelijker het tijd-
schrift is om in te publiceren, hoe hoger de bijdrage die een uitgever dan kan bedingen.
Zolang de rangorde van tijdschriften in de wetenschap van belang blijft, zal dat uitgevers
een goede positie blijven bieden om een goed (financieel) resultaat te behalen. Een risico
voor uitgevers is wel dat als het budget van onderzoekers om eigen publicaties te betalen
maar beperkt zal zijn, de ruimte voor uitgevers om hoge fees te vragen ook minder wordt.
Een deel van de wetenschappelijke tijdschriften wordt niet uitgegeven door ‘uitgeef-
bedrijven’, maar door zogenaamde learned societies, organisaties van wetenschappers
en andere betrokkenen in een bepaald vakgebied. Een abonnement op een of meer van
de uitgegeven tijdschriften kan dan onderdeel uitmaken van het lidmaatschap van zo’n
learned society en zal voor sommigen ook een belangrijke reden zijn voor lidmaatschap.
Bovendien zijn voor dit soort organisaties eventuele inkomsten uit hun tijdschriften weer
een belangrijke bron van inkomsten die gebruikt kan worden voor (andere) activiteiten.
Zulke learned societies hebben er op het eerste gezicht weinig financieel belang bij om
over te stappen op een model van (‘gouden’) open access.
Uitgevers hebben vanzelfsprekend zeer veel mogelijkheden om de praktijk van het
wetenschappelijk publiceren te veranderen. Zij zijn immers de centrale schakel in dat
proces. Een uitgever kan voor zijn eigen publicatiekanalen bepalen of ze wel of niet de
mogelijkheid van open access kennen. Men kan een nieuw open access tijdschrift
opzetten, een bestaand journal laten overgaan van abonnement naar open access, of
het mogelijk maken dat een artikel in een abonnementstijdschrift meteen open access
beschikbaar is. Daarnaast kan de uitgever via zijn policies vastleggen welke mogelijk-
heden auteurs hebben om hun artikel ook in een vrij toegankelijke repository te zetten.
Bovendien kan een uitgever op nog vele andere punten innoveren.
Gezien de rentabiliteit van het huidige business model voor wetenschappelijke communi-
catie zal het niet verbazen dat de meeste uitgevers van wetenschappelijke publicaties
niet echt voorop lopen om het huidige systeem van publiceren (dat in overwegende mate
is gebaseerd op ‘de lezer betaalt’) volledig te veranderen. Bovendien zullen ze bij een
transitie proberen om die voor hen zo gunstig mogelijk te laten verlopen en willen
(blijven) inspelen op vraag en aanbod vanuit de wetenschap. Aan de andere kant zien
uitgevers dat open access een ontwikkeling is die volop plaatsvindt, waar uitgevers op
verschillende manieren aan mee zullen doen zolang het hun positie niet schaadt. Er zijn
ook uitgevers die volledig open access zijn, zoals BioMedCentral, of voorop lopen met
allerlei innovaties rond open access en wetenschappelijk publiceren, zoals Pensoft.
Durven delen                                                                              52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>Bibliotheken
Het gaat hier vooral om de bibliotheken van universiteiten en andere onderzoeks-
instellingen. Zij spelen traditioneel een rol in het ontsluiten van de wereldwijd aanwezige
informatie voor hun onderzoekers en studenten. Hun belang is dan ook om zo veel
mogelijk relevante publicaties beschikbaar te maken. Zij nemen de abonnementen af
op de wetenschappelijke tijdschriften, databases, etcetera. Zij zijn dan ook degenen
die worden geconfronteerd met stijgende (abonnements)kosten. Het is derhalve in hun
belang dat deze ontwikkeling op een of andere manier gestuit wordt. Bovendien zijn
verschillende bibliotheken in de afgelopen jaren vaak ook de beheerders van instellings-
repositories geworden. Deze hebben tot doel om de resultaten van de instelling
(wereldwijd) beschikbaar te maken.
Omdat bibliotheken vaak centraal bepalen op welke tijdschriften de instelling zich
abonneert en welke (andere) publicaties worden aangeschaft, zitten bibliotheken in
theorie in een spilpositie om te bepalen welke (typen) publicaties wel en welke niet
worden gecontracteerd. In de praktijk zal men altijd wel op een of andere – formele of
informele – manier rekening moeten houden met de wensen van de onderzoekers over
wat wel of niet relevant is. Het is niet heel waarschijnlijk dat een bibliotheek zich zou
kunnen beperken tot enkel ‘gratis’ open access tijdschriften zolang de meest relevante
journals in een vakgebied abonnementstijdschriften zijn. Overigens is het in Nederland
inmiddels de praktijk dat de universiteiten gezamenlijk onderhandelen met de grote
uitgevers en een big deal sluiten. Dit versterkt hun onderhandelingspositie.
Universiteitsbibliotheken hoorden traditioneel tot de voortrekkers van open access. Op
het eerste gezicht lijken bibliotheken ook baat te hebben bij open (en gratis) access als
dat betekent dat zij minder of geen abonnementskosten meer hoeven te betalen. Zeker
in tijden van steeds stijgende kosten voor abonnementen. Aan de andere kant zullen
                                                      48
bibliotheken zich moeten aanpassen. Ook kan het zijn dat een bibliotheek nieuwe rollen
krijgt die weer méér kosten met zich meebrengen, bijvoorbeeld het onderhouden van een
repository.
Bedrijven
Bedrijven kunnen verschillende doelen nastreven, maar uiteindelijk moet een bedrijf wel
geld verdienen. Soms zal het zelf onderzoek doen of financieren. De positie van een
bedrijf als financier van onderzoek bespraken we hiervoor al (bij onderzoeksfinanciers).
Maar een bedrijf is ook een (potentiële) gebruiker van wetenschappelijke resultaten,
alhoewel dat maar voor een klein deel van alle bedrijven zal gelden. Het belang van een
bedrijf is vooral gelegen in het krijgen van toegang tot de relevante informatie. Daarbij zal
het achterhalen van wat de relevante (wetenschappelijke) informatie is vermoedelijk de
48
   Zo vroeg de overgang van papier naar digitaal ook om een aanmerkelijke wijziging in de werkwijze van (universiteits)bibliotheken
   (dit kwam aan de orde in ons gesprek met Susan Reilly van LIBER).
Durven delen                                                                                                                        53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>belangrijkste stap zijn. Heel grote bedrijven met een stevige research afdeling zouden dat
intern nog wel kunnen oplossen (deze bedrijven hebben vaak ook een abonnement op
wetenschappelijke tijdschriften), maar kleinere en middelgrote bedrijven moeten op zoek
gaan naar de juiste ‘zeef’. Zij lossen dat vaak op door het benaderen van een expert,
bijvoorbeeld een wetenschapper, die het bedrijf dan vervolgens kort aangeeft wat de
                                                                                                                            49
wetenschappelijke stand van zaken is en welke de meest relevante publicaties zijn.
Het zou voor bedrijven prettig zijn als die informatie vervolgens kosteloos beschikbaar
zou zijn, maar als dat niet zo is, is het betalen voor gerichte toegang tot enkele specifieke
                                                                                          50
publicaties nog niet meteen onoverkomelijk voor een bedrijf. Overigens is het wel de
vraag bij welke bedrijven het personeel in staat zal zijn om de wetenschappelijke
artikelen zelf goed te doorgronden. Dat zal toch vooral bij bedrijven zijn die hoog-
gekwalificeerd personeel in dienst hebben, bijvoorbeeld in de biotechnologie. Voor de
meeste andere bedrijven zou vermoedelijk een samenvatting voor de geïnteresseerde
leek al voldoende informatief zijn.
Welke ‘macht’ hebben bedrijven in hun rol als gebruikers van wetenschappelijke literatuur
                                                                                                                              51
om veranderingen in de praktijk van wetenschappelijk publiceren te bewerkstelligen?
Ze zijn een klant van wetenschappelijke literatuur en kunnen in die positie eventueel
‘stemmen met de voeten’ (andere of geen abonnementen afnemen). Een indirect middel
dat bedrijven hebben is hun keuze met welke instellingen of onderzoekers ze eventueel
willen samenwerken. Als dat mede gebaseerd wordt op de (gelezen) publicaties van de
onderzoekers, zou dat onderzoekers die hun werk open access toegankelijk maken een
voordeel kunnen geven, omdat hun artikelen door de bedrijven in ieder geval gelezen en
bestudeerd kunnen worden.
Bedrijven in hun rol als (potentiële) gebruikers van wetenschappelijke publicaties hebben
baat bij open access. Als artikelen uit wetenschappelijke tijdschriften voor iedereen gratis
beschikbaar zijn, dan hoeven de grote bedrijven daarvoor geen abonnementsgeld meer
te betalen en worden die publicaties voor kleine en middelgrote bedrijven ook toeganke-
lijk. Nu moeten de mkb-bedrijven daarvoor betalen of via via toegang zoeken. Een
beweging naar open access zou dus vooral voor de laatste groep een gemakkelijkere
                                                                                52
toegang tot wetenschappelijke resultaten betekenen.
49
    Deze observatie is gebaseerd op verschillende gesprekken die we in het kader van dit rapport hebben gevoerd, zie Bijlage 3 voor
    de volledige lijst met gesprekspartners, en op de bevindingen die naar voren komen uit het lopende project van de AWTI naar
    kennisabsorptievermogen (dit advies verschijnt begin 2016).
50
    Dit is bevestigd in enkele van de door ons gevoerde gesprekken, o.a. met VNO-NCW/MKB Nederland. Nota bene: het gaat hier
    om het betalen voor toegang tot een paar artikelen na de selectie van de meest relevante; dit onderstreept nogmaals het belang
    om bedrijven te helpen bij die selectie, zoals we schrijven.
51
    De rol van bedrijven als financiers van onderzoek is al aan de orde gekomen bij ‘onderzoeksfinanciers’.
52
    Overigens raken de grote bedrijven daarmee wel een (potentiële) informatievoorsprong op het MKB kwijt.
Durven delen                                                                                                                       54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Maatschappelijke organisaties en burgers
Via de publieke middelen betaalt de samenleving (de ‘belastingbetalers’) mee aan
wetenschappelijk onderzoek. Het is niet gek dat de wetenschap dan ook op een of
andere manier legitimeert wat ze met dat geld gedaan heeft. Een manier daarvan is om
de output, zoals de artikelen, toegankelijk te maken voor burgers en hun organisaties.
Uit onderzoek blijkt dat een deel van de bevolking daadwerkelijk geïnteresseerd is om
van de artikelen zelf ook kennis te nemen. Zo geeft 13% van de Nederlandse bevolking
van 25 jaar en ouder aan zeker geïnteresseerd te zijn in toegang tot wetenschappelijke
                                                                  53
artikelen; dat zijn in totaal 1,5 miljoen mensen. Daarbij horen ook personen die de
wetenschappelijke kennis voor hun eigen professie goed kunnen gebruiken, bijvoorbeeld
artsen of leraren. Ook maatschappelijke organisaties kunnen baat hebben bij directe
toegang, zoals patiëntenorganisaties of een milieuorganisatie. Net als bij bedrijven geldt
hier ook weer dat het effectief ontsluiten van de wetenschappelijke resultaten in de
meeste gevallen eigenlijk nog een intermediaire stap vraagt. Bijvoorbeeld een portal
waar onderzoeksresultaten gegroepeerd zijn en van een begrijpelijke uitleg voorzien,
of een lekensamenvatting bij artikelen. De vraag is immers in hoeverre veel burgers en
organisaties echt iets ‘kunnen’ met de originele wetenschappelijke publicaties, die toch in
het algemeen geschreven zijn voor wetenschappelijke vakgenoten en voor de meeste
anderen daardoor vaak erg technisch en specialistisch zijn. Zo gaf de redacteur van het
ledenblad van een patiëntenorganisatie aan dat de redactie én de lezers niet zo veel
kunnen met de wetenschappelijke artikelen zelf; meestal vraagt de redactie aan de
betreffende onderzoekers of instelling om te zorgen voor een voor leken begrijpelijke
                                               54
samenvatting van de publicatie.
De ‘macht’ van burgers en hun organisaties om iets te veranderen in de wereld van het
wetenschappelijk publiceren is indirect. De invloed kan gaan via de politiek of door
directe maatschappelijke druk op stakeholders. Als er meer belang gehecht gaat worden
aan het maatschappelijke gebruik van wetenschappelijke publicaties (bijvoorbeeld door
bij de evaluatie van wetenschappers ook rekening te houden met een ‘maatschappelijke
impactfactor’ van hun werk), dan biedt dat burgers en maatschappelijke organisaties een
hefboom om wat te veranderen. Publicaties die open access verschijnen zullen immers
hoogstwaarschijnlijk meer maatschappelijke impact in de zin van downloads en dergelijke
hebben.
Burgers en maatschappelijke organisaties in hun rol als potentiële ‘gebruikers’ van
wetenschappelijke publicaties zullen in beginsel baat hebben bij open access tot
wetenschappelijke publicaties, want het vergemakkelijkt toegang. Als belastingbetalers
zullen ze ook kijken naar wat open access per saldo oplevert of kost. Als het per saldo
53
   TNS Nipo en Koninklijke Bibliotheek (2014).
54
   Gesprek met Dick de Ruiter, hoofdredacteur van het Lynch Polyposis Contactblad in augustus 2015.
Durven delen                                                                                        55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>leidt tot meer kosten (voor de wetenschap), dan zal die prijs afgewogen moeten worden
tot het voordeel van verbeterde toegang tot publicaties voor de maatschappij.
4.3          Overheden en open access
In aanvulling op de in de vorige paragraaf genoemde stakeholders is er nog één
relevante actor die we nog niet behandeld hebben. Dat is de overheid in haar rol als
regelgever. (De overheid is ook een financier van onderzoek maar die positie is al in de
vorige paragraaf aan bod gekomen.) Als regelgever bepaalt de overheid de rand-
voorwaarden die gelden voor de wetenschap en heeft ze dus ook invloed op de praktijk
van het publiceren van wetenschappelijke resultaten. In deze paragraaf analyseren we
wat de verschillende overheden belangrijk vinden, wat ze aan mogelijkheden hebben om
iets te doen en wat hun positie (beleid) ten opzichte van open access uiteindelijk is. Later
worden deze bevindingen gekoppeld aan de rest van de analyse om te bepalen welk
doel de overheid rond open access zou moeten nastreven en wat ze zou moeten doen
(zie ook hoofdstuk 3).
UNESCO
Wetenschap is een wereldwijde activiteit. Er zijn dan ook vele ‘overheden’ op verschil-
lende niveaus bij betrokken. Op het mondiale niveau speelt vooral de VN-organisatie
UNESCO een belangrijke rol in het open access-debat. De UNESCO is een groot
voorstander van open access, omdat dit bijdraagt aan een betere mondiale verspreiding
van kennis, aan versterking van de innovatiekracht en aan de sociaaleconomische
                                           55
ontwikkeling in het algemeen. Open access is één van de drie pilaren onder het beleid
van UNESCO om de toegang tot wetenschappelijke kennis te versterken. De andere
twee programma’s zijn: Open Software (FOSS) en Open Educational Resources
            56
(OERs).
Het instrumentarium van UNESCO is beperkt. UNESCO is niet bij machte om open
access via regelgeving in te voeren. Het draait vooral om het creëren van bewust-
wording, om kennisverspreiding en -verzameling (zie bijvoorbeeld het Global Open
                         57
Access Platform ), het aanjagen van het debat, het ondersteunen van lokale en
regionale initiatieven en het geven van trainingen (zie bijvoorbeeld UNESCO OA
55
   http://www.unesco.org/new/en/communication-and-information/access-to-knowledge/open-access-to-scientific-information/
56
   Unesco Netherlands National Commission for Unesco (2011)
57
   Onder auspiciën van de UNESCO is het Global Open Access Portal (GOAP) opgericht. Dit platform geeft een overzicht van (de
   voortgang van) de mate van openheid van wetenschappelijke informatie over de gehele wereld en analyseert daarnaast de best
   practices en problemen waar landen tegenaan kunnen lopen: http://www.unesco.org/new/en/communication-and-
   information/portals-and-platforms/goap/
Durven delen                                                                                                                  56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>                58
Curriculum ). Het Unesco OA-programma besteedt daarbij vooral aandacht aan Afrika
en andere ontwikkelingslanden waar, ondanks krachtige slagen in de ICT-voorzieningen,
de kennisverspreiding beperkt blijft.
Mogelijk minstens zo belangrijk voor UNESCO is om zelf het goede voorbeeld geven.
In 2013 kondigde UNESCO aan dat de organisatie vanaf juli 2013 al haar publicaties en
data vrij toegankelijk maakt via een open access repository met een meertalige interface.
                                                                                                                59
De bedoeling is om ook alle eerdere publicaties in de repository te plaatsen. Kort
daarna volgden ook andere internationale organisaties zoals de WHO, OESO, en de
Wereldbank met een eigen intern open access-beleid.
Europese Unie
Onder het mondiale niveau komen we uit bij de (grote) landen en regio’s zoals de
Europese Unie. Die regio’s zijn zelf weer onderverdeeld in landen, terwijl grote (federale)
landen als de Verenigde Staten, India of Brazilië onderverdeeld zijn in staten.
Zeggenschap over wetenschappelijk onderzoek is meestal over die verschillende niveaus
verdeeld. Dus, hoewel de wetenschap een ‘wereldbedrijf’ is, blijken de autoriteiten die
daar over gaan zeer versnipperd te zijn. Daar komt nog eens bij dat in veel landen de
invloed van overheid op universiteiten en dergelijke enigszins beperkt wordt omdat
universiteiten vaak een zekere mate van autonomie hebben.
Op dit niveau van grote landen en regio’s is natuurlijk voor dit advies de positie van de
Europese Unie het meest relevant. De Europese eenwording richtte zich traditioneel
vooral op de markt, maar in september 2000 heeft de Europese Commissie ook de
‘Europese Onderzoeksruimte’ (ERA = European Research Area) geïntroduceerd, met
het idee om in Europa aantrekkelijke kansen te kunnen bieden voor onderzoekers. Met
de ratificatie van het Verdrag van Lissabon in 2009 werd de weg geopend om ook via
wettelijke maatregelen de ERA te vervolmaken. De ERA was bedoeld als hét instrument
om Europa om te vormen tot een kennissamenleving waar zowel wetenschappelijke
kennis als de wetenschappers zelf vrij kunnen circuleren.
In 2012 volgde de Europese Commissie met een Mededeling over een ‘versterkte
                                                                                                                       60
Europese Onderzoeksruimte’ waarin de eerste prioriteiten werden geïdentificeerd.
Om de Europese onderzoeksruimte verder te vervolmaken zijn begin 2014 de ministers
voor onderzoek overeengekomen dat er halverwege 2015 een ERA-Roadmap moet
58
   Set van online trainingen voor onderzoekers en bibliotheken over tal van aspecten rondom open access:
   http://www.unesco.org/new/en/communication-and-information/resources/news-and-in-focus-articles/all-
   news/news/unescos_open_access_oa_curriculum_is_now_online/#.Vcn0MrXweAg
59
   UNESCO (2013).
60
   Mededeling van de Commissie van 17 juli 2012, ‘Een versterkt partnerschap voor topkwaliteit en groei voor de Europese
   onderzoekruimte’, COM(2012) 392 final.
Durven delen                                                                                                              57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>                                 61
komen op EU-niveau, die inmiddels in mei 2015 vastgesteld is door de Raad. In de
Roadmap staan acht prioriteiten opgesomd, waaronder de bevordering van open
            62
access. Op basis van deze prioriteiten zullen de lidstaten ieder hun eigen nationale
                                                                                 63
roadmap opstellen voor de implementatie van de ERA.
De aandacht voor open access is niet verrassend, want de Europese Commissie is al
enige jaren een groot voorstander van het openstellen van publiek gefinancierde
onderzoeksresultaten (zowel publicaties als data). In de ogen van de Commissie is dit
belangrijk voor de kenniscirculatie en innovatie. In eerste instantie heeft deze voorkeur
van de Commissie vooral zijn weerslag gevonden in het beleid van de Europese
Commissie als financier van onderzoek, waarover hieronder meer. Maar in 2012 heeft
dat geleid tot de algemene beleidslijnen die uiteengezet zijn in een Mededeling ‘Naar
een betere toegang tot wetenschappelijke informatie: Vergroting van de voordelen van
                                                      64
overheidsinvesteringen in onderzoek’ en een Aanbeveling aan de lidstaten ‘betreffende
                                                                                               65
de toegang tot en de bewaring van wetenschappelijke informatie’ De Commissie
benadrukt dat: “The European Commission's vision is that information already paid for by
the public purse should not be paid for again each time it is accessed or used, and that it
should benefit European companies and citizens to the full. This means making publicly-
funded scientific information available online, at no extra cost, to European researchers,
                                                                                                           66
innovative industries and citizens, while ensuring long-term preservation.”
Naast aanpassingen aan het eigen beleid komt de Europese Commissie met
aanbevelingen aan de lidstaten om deze aan te moedigen ook beleidstappen te zetten
in de richting van het vrij toegankelijk maken van publiek gefinancierde onderzoeks-
               67
resultaten. De Commissie raadt voorts de lidstaten aan om beleid te ontwikkelen op
‘open toegang tot wetenschappelijke publicaties’, ‘open toegang tot wetenschappelijke
data’, ‘bewaring en hergebruik van wetenschappelijke informatie’ en ‘E-infrastructuren’.
Het is zaak dat lidstaten eerst komen met heldere doelstellingen aangevuld met
indicatoren die de vooruitgang meten, met uitvoeringsplannen inclusief toewijzing van
verantwoordelijkheden en met een degelijke financiële planning. Van de lidstaten wordt
gevraagd om ten aanzien van open access in het beleid onder meer in te gaan op het
61
   http://www.neth-er.eu/nl/dossiers/onderzoek-en-innovatie/era; conclusies van de Raad van februari 2014 betreffende het
   voortgangsverslag van de Commissie over de Europese onderzoeksruimte (EOR) 2013, Doc. 6945/14.
62
   ERAC (2015), prioriteit 5b is Open Access.
63
   http://www.neth-er.eu/nl/nieuws/Raad-Concurrentievermogen-bekrachtigt-ERA-Roadmap
64
   Mededeling van de Commissie van 17 juli 2012, ‘Naar een betere toegang tot wetenschappelijke informatie: Vergroting van de
   voordelen van overheidsinvesteringen in onderzoek’, COM(2012) 401 final.
65
   Aanbeveling van de Commissie van 17 juli 2012 betreffende de toegang tot en de bewaring van wetenschappelijke informatie,
   (2012/417/EU), PbEU 2012 L 194/39.
66
   Europese Commissie (2013b), p. 4.
67
   Aanbeveling van de Commissie van 17 juli 2012 betreffende de toegang tot en de bewaring van wetenschappelijke informatie,
   (2012/417/EU), PbEU 2012 L 194/39.
Durven delen                                                                                                                  58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>functioneren van de licentiesystemen, op het academische loopbaanstelsel, en op een
zo breed en goedkoop mogelijke toegang van het MKB tot wetenschappelijke resultaten.
De Europese Commissie kiest in dit proces niet voor een directieve benadering bijvoor-
beeld via wetgeving om lidstaten tot open access over te laten gaan. Ze kiest voor een
open dialoog met de verschillende nationale, Europese en internationale belang-
                   68
hebbenden. De bal wordt door de Europese Commissie vooral gelegd bij de lidstaten
zelf. Veel heeft er mee te maken dat landen er verschillend in staan. Verderop zullen we
voorbeelden geven van het beleid rond open access tot wetenschappelijke publicaties in
enkele lidstaten.
Maar eerst willen we nog even schetsen hoe de Europese Commissie in haar rol als
financier van onderzoek zich heeft opgesteld tegenover open access. De eerste
belangrijke stappen werden reeds in 2006/7 genomen. In die jaren worden de eerste
                                                                                                     69
onderzoeksrapporten en richtlijnen vanuit de European Research Council gepubliceerd.
Ook wordt er in het Zevende Kaderprogramma (KP7) besloten om een open access-
pilottraject te starten, waarvoor 20% van het budget gereserveerd wordt. Ontvangers van
een grant werden geacht binnen zes of twaalf maanden - afhankelijk van de onderzoeks-
discipline - hun onderzoekspublicatie openlijk beschikbaar te stellen. Ook wordt er binnen
KP7 sterk ingezet op het verbeteren van de e-infrastructuur voor opslag en toegang.
                                                               70
Centraal hierin is het project OpenAIRE. In het huidige Horizon 2020 (H2020)
programma van de Europese Commissie, de opvolger van KP7, is open access
publiceren de norm geworden. Indien nodig wordt daar ook budget voor beschikbaar
             71
gesteld.
Zoals gezegd hebben de verschillende EU-lidstaten allemaal een iets andere opstelling
in het dossier rond open access. We bespreken eerst de positie van Nederland en dan
die van enkele andere relevante onderzoekslanden. In Bijlage 2 staat een uitgebreid
overzicht van de situatie in de verschillende landen.
Nederland
In Nederland is staatssecretaris Sander Dekker (van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)
een krachtig pleitbezorger van open access tot publicaties. Zijn uitgangspunt is “dat
resultaten van publiek en publiek/privaat gefinancierd onderzoek altijd vrij beschikbaar
                    72
moeten zijn.” Hij verwacht dat open access de uitwisseling en circulatie van kennis
bevordert, wat weer zou bijdragen aan het innoverend vermogen van Nederland. De
inzet van de regering is er in eerste instantie op gericht dat de stakeholders samen het
68
   Deze keuze wordt uitvoerig beargumenteerd in het impact assessment van de Europese Commissie (2012).
69
   http://erc.europa.eu/sites/default/files/document/file/erc_scc_guidelines_open_access.pdf
70
   https://www.openaire.eu/
71
   Europese Commissie (2013b).
72
   Brief van de staatssecretaris van OCW aan de Tweede Kamer van 15 november 2013, TK 2013-2014, 31 288, nr. 354, p. 1.
Durven delen                                                                                                            59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>proces richting open access versnellen, zonder dat de overheid daar extra middelen
voor beschikbaar stelt. Pas indien de betrokken partijen zich onvoldoende inzetten of
onvoldoende resultaten boeken, overweegt de staatssecretaris met wetgeving te komen
                                                                       73
die open access publiceren verplicht zal stellen. Als streefgetallen voor het aandeel
                                                                                                                                  74
open access publiceren hanteert hij zestig procent in 2018 en honderd procent in 2024.
Het behalen van dit doel vereist o.a. een goed monitoring systeem, want thans vindt elk
nieuw onderzoek weer een ander percentage voor het aandeel open access. Overigens
sprak de staatssecretaris in eerste instantie duidelijk een voorkeur uit voor ‘gouden’
open access, dat wil zeggen een vorm van open access waarbij het door de uitgever
gepubliceerde artikel zelf al open toegankelijk is. Intussen lijkt de staatssecretaris ook
                                                                               75
‘onmiddellijk groen’ open access acceptabel te vinden. Daarbij is de tijdschriftversie
van het artikel weliswaar alleen voor abonnees maar zorgt de auteur ervoor dat een
versie van zijn publicatie meteen voor iedereen toegankelijk is via een repository (géén
embargo).
Per 1 juli 2015 is een nieuw artikel (25fa) in werking getreden in de Nederlandse Auteurs-
wet dat regelt dat auteurs van een wetenschappelijk artikel dat geheel of gedeeltelijk
met Nederlandse publieke middelen is bekostigd het recht hebben (en niet kunnen
vervreemden) om dat artikel ‘na verloop van een redelijke termijn na de eerste openbaar-
making ervan, om niet beschikbaar te stellen voor het publiek, mits de bron van de eerste
                                                                                      76
openbaarmaking daarbij op duidelijke wijze wordt vermeld.’ Dit artikel biedt weten-
schappers dus een recht en daarmee een sterkere positie jegens uitgevers. Toch blijven
er nog onduidelijkheden in de uitvoering. Zo moeten de wetenschapper en de uitgever
van zijn artikel onderling maar uitonderhandelen wat een redelijke termijn is. Evenmin is
duidelijk of de openbaar te maken versie dezelfde mag/moet zijn als de gepubliceerde.
Enfin, onderzoekers op wie dit artikel van toepassing is, kunnen hier bescherming aan
ontlenen om na een ‘redelijke termijn’ hun artikel te publiceren, maar er blijven nog
                                                                                             77
verschillende vragen die in de praktijk opgelost moeten worden.
Verenigd Koninkrijk
Naast Nederland is het Verenigd Koninkrijk ook een voortrekker op het gebied van
open access. Het Verenigd Koninkrijk is de grootste ‘producent’ van wetenschappelijke
artikelen in de EU. In het Verenigd Koninkrijk bestaan verschillende mandaten die open
access verplichten, maar sommige gaan voor ‘goud’, andere voor ‘groen’. De overheid
73
   Brief van de staatssecretaris van OCW aan de Tweede Kamer van 15 november 2013, TK 2013-2014, 31 288, nr. 354, p. 7.
74
   Brief van de staatssecretaris van OCW aan de Tweede Kamer van 23 januari 2015: TK 2014-2015, 31 288, nr. 414, p. 4.
75
   In zijn brief aan de Tweede Kamer van 23 januari 2015 (TK 2014-2015, 31288, nr. 414, p. 3) verwijst hij naar het besluit van NWO
   om de financieringsvoorwaarden voor open access aan te scherpen, waarbij NWO uitgaat van een voorkeur voor de “golden road”
   voor open access met als alternatief de “green road” mits hieraan geen embargoperiodes zijn verbonden.
76
   Dit artikel is gebaseerd op een amendement van Tweede-Kamerlid Taverne: Kamerstukken TK 2014–2015, 33 308, nr. 11.
   Een nadere toelichting van de kant van de regering is gegeven aan de Eerste Kamer in de Nota naar aanleiding van het verslag
   (Kamerstukken EK 2014-2015, 33 308, nr. E).
77
   Zie hierover ook: Visser (2015).
Durven delen                                                                                                                       60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>heeft in het verleden extra geld ter beschikking gesteld voor open access publiceren.
Toch leidde dat niet tot spectaculaire groei van open access. Wel bleken er ineens
extra kosten te komen. Een uitgebreid overzicht van de ontwikkelingen in het Verenigd
Koninkrijk staat in Bijlage 2.
Scandinavië
Verder blijken de Scandinavische landen ook vrij positief te staan tegenover open
access. De Finnen hebben een duidelijke bredere strategie gericht op openheid in de
wetenschap en een uitgewerkte roadmap voor open access. De Denen hebben ook een
strategie, zij kiezen voor ‘groen’ omdat ‘goud’ een systeemverandering vraagt die een
klein land als Denemarken niet kan afdwingen. Een probleem in Denemarken is wel dat
het onderwerp juist bij de wetenschappers nauwelijks leeft. Zweden heeft beleid om
publicaties over publiek gefinancierd onderzoek open access te maken na een even-
tuele embargoperiode van zes of twaalf maanden afhankelijk van het vakgebied.
In Noorwegen stelt de nationale research council momenteel fondsen ter beschikking
voor het open access publiceren.
Duitsland
Duitsland is na het Verenigd Koninkrijk de tweede ‘producent’ van wetenschappelijke
artikelen in de EU. Het is een federale staat. Hoger onderwijs en onderzoek zijn aan-
gelegenheid van de Bundesländer. Daardoor heerst er een zeer gefragmenteerd en
                           78
gevarieerd beeld. In Duitsland wordt een relatief groot deel van het wetenschappelijk
onderzoek gedaan aan niet-universitaire instituten, zoals de Max Planck-instituten.
De Max Planck Gesellschaft is een sterke pleitbezorger van open access. Ook kent
Duitsland wetgeving op het gebied van auteursrecht, die een auteur van een weten-
schappelijk werk dat voortkomt uit onderzoek dat minstens voor de helft publiek
gefinancierd is, het recht geeft om twaalf maanden na publicatie zijn manuscriptversie
                                         79
open toegankelijk te maken. Hoewel er in Duitsland zeker een aantal enthousiaste
voortrekkers op het gebied van open access te vinden zijn, laten de cijfers zien dat
                                                                       80
Duitsland gemiddeld gezien achterblijft in het aandeel open access.
Frankrijk
Frankrijk neemt een tussenpositie in. De Fransen waren eerst zeer afwachtend, maar
bewegen nu wel. Ze zetten sterk in op een stelsel van repositories, die ze centraal
proberen te ontsluiten via HAL: hyper article en ligne. Dat lijkt op een voorkeur voor
‘groen’, hoewel de overheid geen uitdrukkelijke voorkeur heeft geformuleerd. Frankrijk
is overigens leider in de Franstalige wereld van wetenschappelijk publiceren. Het land
huisvest de belangrijkste uitgevers in dat segment.
78
   Zie hierover uitgebreid in Bijlage 2.
79
   §38(4) Urheberrechtsgesetz.
80
   Archambault et al. (2014).
Durven delen                                                                           61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Zuid-Europa
In Zuid-Europa valt Spanje op. Dit land heeft in de wet vastgelegd dat wetenschappers
een laatste digitale versie van een (publiek gefinancierd) wetenschappelijk artikel binnen
twaalf maanden na de publicatie moeten deponeren in een repository (kan van een
                                                   81
instelling zijn of een thematische). Spanje zet ook sterk in op repositories, maar sluit
de ‘gouden’ route niet uit. Ook voor de meeste andere landen in Zuid-Europa geldt dat
ze vaak inzetten op repositories. Het algemene beeld over deze landen is overigens wel
dat ze nog niet voorop lopen rond open access. Aan de andere kant zou open access
voor hen interessant kunnen zijn, want gezien de crisis staan daar de budgetten voor
onderzoek sterk onder druk en daarmee dus ook de toegang tot informatie.
Midden- en Oost-Europa
Voor Midden- en Oost-Europa hebben we input ontvangen uit Letland, Slowakije en
Tsjechië. Het beeld dat hieruit oprijst is dat deze landen momenteel nog vooral bezig zijn
om hun wetenschappelijke sector ‘aan te haken’ bij de Europese toplanden in onderzoek.
Voor sommige landen is het dan ook belangrijker om te zorgen dat hun wetenschappers
kunnen publiceren in tijdschriften met impact dan of dat wel of niet open access is.
Er speelt ook nog een ander fenomeen. Omdat de meeste wetenschappelijke uitgevers
lagere tarieven hanteren in minder rijke landen, profiteren sommige van deze landen
momenteel van relatief lage abonnementsprijzen. Er bestaat angst dat, bij de overstap
naar een ‘gouden’ open access stelsel, deze voordelen verdwijnen als iedereen dan
                                                                                             82
dezelfde auteursbijdragen (APC’s) zou moeten gaan betalen.
Zwitserland
De Zwitserse regering staat achter open access ongeacht of het ‘groen’ of ‘goud’ is. Voor
de regering zijn een paar zaken belangrijk, namelijk een goede kwaliteitscontrole en een
goede afstemming in het gebruik van resultaten tussen de wetenschap en het bedrijfs-
leven. Verder laat de Zwitserse regering vooral het initiatief bij de kennisinstellingen zelf.
Daarbij valt op dat de Zwiterse wetenschapsfinancier, SNSF, het open access publiceren
verplicht stelt (‘groen’ of ‘goud’), waarvoor het budget beschikbaar stelt. Vanaf juli 2014
geldt de verplichting om open access te publiceren ook voor boeken. Wel kan een
embargoperiode van maximaal 24 maanden worden bedongen.
Verenigde Staten
Dan de Verenigde Staten. Dit land is de nummer één in de wetenschap. Zowel qua
kwantiteit (aantal publicaties) als ook qua kwaliteit (de impact van de publicaties).
Bovendien herbergen de Verenigde Staten veel van de toponderzoeksinstellingen en
weet het land veel toptalent van over de hele wereld aan te trekken. Qua beleid is van
belang dat de Verenigde Staten een federale structuur kennen. In de Verenigde Staten
81
   Artikel 37 van de Ley 14/2011, de 1 de junio, de la Ciencia, la Tecnología y la Innovación.
82
   Dit punt is nadrukkelijk aan de orde gekomen in ons gesprek met Slobodan Radičev uit Servië op 12 oktober 2015.
Durven delen                                                                                                       62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>is vanuit de overheid (als onderzoeksfinancier) regelgeving uitgevaardigd over open
            83
access. Die verplicht dat over alle onderzoek dat is gefinancierd vanuit federale
fondsen van meer dan 100 miljoen USD, open access gepubliceerd wordt. Dat zal in
principe via een beperkt aantal toegestane repositories gebeuren. De Verenigde Staten
hebben dus in zekere zin gekozen voor de ‘groene’ route. De genoemde regelgeving
had een groot effect: bijvoorbeeld het onderzoek van het National Institute of Health
(NIH) is goed voor budget van 30 miljard USD per jaar. Voor dat onderzoek neemt
PubMed Central een centrale positie in. Het aantal daar gedeponeerde publicaties is dan
                                                                                  84
ook sterk toegenomen sinds de NIH policy van kracht is. Op het niveau van de staten is
wetgeving nog beperkt, maar er zijn initiatieven in een aantal staten met veel onderzoek
(Californië, New York en Illinois). In de Verenigde Staten zijn de private fondsen
(charities) ook erg belangrijk. Hier zijn er ook die open access bepleiten of verplichten,
                                                               85
zoals de Bill & Melinda Gates Foundation. Ten slotte: vele universiteiten kennen een
open access policy. Hieronder zitten niet de geringsten, zoals Harvard.
Brazilië
Brazilië is wereldwijd zo wat koploper open access. De belangrijkste financier van onder-
zoek is het fonds FAPESP van de staat São Paulo. Dit heeft open access publiceren
verplicht gesteld. Nationaal wordt minstens 40% van de artikelen in gold open access
                                                                       86
gepubliceerd – internationaal gezien heel hoog. De overheid heeft geprobeerd wet-
                                                                               87
geving in te voeren, maar uiteindelijk teruggetrokken. FAPESP houdt op haar website
heel mooi bij welke publicaties er verschenen zijn rond elk onderzoeksproject (en die zijn
dan ook meteen toegankelijk). Brazilië huisvest ook SCIELO (de Scientific Electronic
                                                                                         88
Library Online), de belangrijkste Zuid-Amerikaanse repository.
4.4           De effecten van open access
Hiervoor hebben we gekeken naar de positie van de verschillende relevante stakeholders
ten opzichte van het systeem van wetenschappelijke communicatie. Wat drijft hen, wat
vinden ze belangrijk? Wat kunnen ze doen? En wat betekent dat voor hun positie ten
opzichte van open access? Al deze actoren zijn radertjes in het grote systeem van de
wetenschap en haar inbedding in maatschappij en bedrijfsleven. Kunnen we ook iets
zeggen over het effect van open access op systeemniveau? Wat hebben ‘we’ met z’n
allen eraan (of juist niet)? Deze analyse stelt ons in staat om de wenselijkheid van (de
83
   Dit is vastgelegd in een policy memorandum van de Office of Science and Technology Policy (OSTP); zie daarover:
   www.whitehouse.gov/blog/2013/02/22/expanding-public-access-results-federally-funded-research
84
   OESO (2015b).
85
   Zie verder ROARMAP voor een overzicht: http://roarmap.eprints.org/
86
   Archambault et al. 2014, p. 26.
87
   Caruso et al. 2013, p. 4.
88
   Zie over SciELO en zijn geschiedenis: Packer et al. (2014) en Alperin (2015).
Durven delen                                                                                                       63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>mate van) open access vanuit het algemeen belang te bepalen. Dat kan een belangrijke
factor zijn voor de inzet van de overheid. In ons beoordelingskader kijken we naar wat de
effecten zijn op de kwaliteit van de wetenschap, op de impact van wetenschap binnen de
maatschappij en het bedrijfsleven, en hoe het zit met de omvang en verdeling van kosten
en baten.
4.4.1       Effecten op de kwaliteit van de wetenschap
Kwaliteitsborging van publicaties
In de meest gangbare varianten van ‘gouden’ en ‘groene’ open access blijven de weten-
schappelijke tijdschriften zoals we die nu kennen een centrale rol spelen in het publicatie-
proces. In deze varianten zal review vermoedelijk als activiteit niet echt veranderen:
peers die een conceptstuk becommentariëren. In het huidige stelsel is dit proces goed
geïnstitutionaliseerd via de tijdschriften, die er zelf ook alle belang bij hebben dat dit goed
functioneert, want dat draagt bij aan de (gepercipieerde) kwaliteit van de tijdschriften (en
daarmee aan hun ‘waarde’). Deze prikkel is sterk in stelsels waarin de lezer betaalt voor
de artikelen of tijdschriften. In een variant waarbij de auteur moet betalen om te mogen
publiceren (zoals gangbaar is bij de ‘gouden’ route) is de prikkel om kwaliteit leidend te
laten zijn in het acceptatieproces van artikelen veel zwakker. Deze vorm van kwaliteits-
borging kan dan onder druk komen te staan. Dit is een punt van zorg. Het is natuurlijk wel
zo dat een uitgever zijn tijdschrift aantrekkelijk zal moeten houden voor auteurs om in te
willen schrijven, waar een goede kwaliteit en grote impact aan bijdragen. Het zou goed
kunnen gaan, maar dat is zeker niet gegarandeerd. In het slechtste geval kan ‘de auteur
betaalt’ een perverse prikkel worden. Overigens zullen uitgevers en anderen blijven
                                                                                               89
werken aan het aanpassen en verbeteren van het proces van review, maar dit staat los
van of artikelen open access of niet worden gepubliceerd. Een alternatief zou een stelsel
kunnen zijn waarin ‘voorlopige’ resultaten meteen vrij toegankelijk gepubliceerd worden,
waarna via commentaren van anderen een soort van review plaatsvindt (die uiteindelijk
leidt tot een bepaald kwaliteitsoordeel). Dit is enigszins vergelijkbaar met de praktijk van
preprints in de fysica of working papers in bij economie.
Een soortgelijke analyse geldt voor de prikkel om meer of minder artikelen te accepteren.
In het traditionele model waarin de lezer betaalt, is het vooral de combinatie van kwaliteit
en relevantie van een tijdschrift die de (mogelijke) inkomsten aan abonnementen bepaalt.
In een stelsel waarbij niet de lezer betaalt, maar de auteur (na acceptatie), nemen de
inkomsten juist toe naarmate er meer artikelen geaccepteerd en gepubliceerd worden.
In zo’n stelsel hebben de uitgevers dus veel minder een ‘rem’ op het aantal te publiceren
artikelen. Dit zou de groei van het aantal wetenschappelijke publicaties nog wel eens
kunnen gaan aanwakkeren. Daartegenover staat dat in een stelsel waarin ‘de auteur
89
   Het open access tijdschrift eLife experimenteert bijvoorbeeld met andere vormen van review.
Durven delen                                                                                      64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>betaalt’ er ook een remmende werking op het aantal publicaties kan uitgaan van het
beperkte budget dat onderzoekers zouden hebben om te publiceren. Hoe beide effecten
zich in de praktijk zouden ontwikkelen is op voorhand moeilijk te voorspellen en wat per
saldo het effect zal zijn, zal samenhangen met andere factoren. Wel duidelijk is dat in
een stelsel waarin ‘de auteur betaalt’ het budget dat een wetenschapper ter beschikking
heeft om te mogen publiceren een belangrijke factor zal worden voor het aantal
publicaties èn in welke tijdschriften hij kan publiceren. Het is maar de vraag of dat een
wenselijke ontwikkeling is.
Kwaliteitsindicering
Wetenschappelijke publicaties spelen een belangrijke rol om de ‘kwaliteit’ van onderzoek,
onderzoekers en onderzoeksinstellingen te bepalen, bijvoorbeeld in evaluaties en bij de
toekenning van beurzen. Er wordt dan sterk gelet op de (wetenschappelijke) reputatie
van de tijdschriften waarin iemand heeft gepubliceerd, wat de impact is van afzonderlijke
publicaties (bijvoorbeeld wat betreft citaties), of hoeveel er in totaal wordt gepubliceerd.
Noem dit de ‘wetenschappelijke impact’, omdat deze indicatoren zich vooralsnog vooral
richten op het belang van de publicaties binnen de wetenschappelijke wereld.
Het is, vanuit het perspectief van de gewenste betere benutting van wetenschappelijke
kennis, ook relevant om te kijken naar iets als de ‘maatschappelijke impact’ van publi-
caties, de impact buiten de wetenschap. Dit bespreken we hieronder (bij de effecten op
maatschappij en bedrijfsleven).
In principe staan zowel de wetenschappelijke als de maatschappelijke impactfactor
los van de vraag of er wel of niet open access wordt gepubliceerd. De reputatie van
een journal zal per saldo altijd wel gebaseerd zijn op de ‘kwaliteit’ en de relevantie van
het tijdschrift; dit zal vaak een functie zijn van de selectie die het tijdschrift hanteert
(hoe strenger, hoe beter) en de impact die de artikelen hebben (hoe meer gelezen of
geciteerd, hoe beter).
Integriteit
Bij vormen van open access hebben meer personen toegang tot een publicatie en
zouden wetenschappelijke misstanden eerder aan het licht kunnen komen. In die zin zou
open access kunnen bijdragen aan (het verbeteren van) de wetenschappelijke integriteit.
Overigens zal de bijdrage van het openstellen van de onder een artikel liggende
onderzoeksdata vermoedelijk een nog grotere bijdrage hebben aan het bewaken van
de integriteit. Dit onderwerp – het delen van data – wordt in het volgende hoofdstuk
behandeld.
Durven delen                                                                                 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>Effectiviteit kennisverspreiding
Voor een effectieve verspreiding van wetenschappelijke ‘kennis’ is het van groot belang
dat de resultaten van onderzoek terecht kunnen komen bij de juiste doelgroep en
omgekeerd dat iemand die op zoek is naar ‘literatuur’ zo goed mogelijk bij de relevante
kennis kan komen. Een systeem van wetenschappelijke tijdschriften en vakgebied
gerichte conferenties, zoals we dat thans kennen, werkt om focus aan te brengen en
bevordert daarmee de effectiviteit van de verspreiding. Bovendien helpt de ‘rangorde’ van
tijdschriften bij het prioriteren van een literatuuronderzoek. Daarbovenop bieden
uitgevers zoekmogelijkheden aan in hun brede portfolio aan tijdschriften.
Bij interdisciplinair onderzoek is de effectiviteit van de kennisverspreiding in het huidige
stelsel waarschijnlijk minder goed. (Monodisciplinaire publicatiekanalen zijn vaak het best
ontwikkeld en hebben de meeste impact, onderzoekers hebben niet altijd toegang tot
publicaties in andere vakgebieden.) Open access kan hier zeker bijdragen aan de betere
toegankelijkheid van literatuur tussen wetenschappelijke disciplines.
Een deel van de repositories mist de inhoudelijke focus die tijdschriften wel hebben. Het
gaat dan om de brede, algemene repositories, bijvoorbeeld van een universiteit. Het zal
over het algemeen moeilijker zijn om daarin iets te vinden. Meer in het algemeen geldt
dat, indien publicaties decentraal opgeslagen en beschikbaar gesteld worden (zoals in
repositories), het lastiger wordt om aanbod en vraag naar wetenschappelijke kennis bij
elkaar te brengen. Open access publicaties in repositories worden eigenlijk pas effectief
als ze goed vindbaar zijn, bijvoorbeeld doordat er een centraal startpunt (portal) en
                                                                                                            90
zoekmogelijkheid over de vele decentrale opslagplekken heen bestaat.
Overigens is het natuurlijk wel zo dat de kennis alleen maar effectief overgedragen kan
worden als de betreffende publicatie ook daadwerkelijk gelezen kan worden. Bij een
stelsel van ‘gouden’ open access zal iedereen dat kunnen doen. Daar is dat gewaar-
borgd. Bij een stelsel van ‘groen’ open access zal iedereen dat voor de door onder-
zoekers zelfgearchiveerde publicaties na verloop van tijd (een embargoperiode) kunnen
         91
doen. Daarvóór is er alleen toegang tegen betaling (abonnement of bedrag per artikel).
In de huidige situatie kan het voorkomen dat men geen toegang heeft tot een publicatie
omdat men geen abonnement heeft. (Overigens kunnen onderzoekers in dat soort
gevallen vaak alsnog via via aan de betreffende publicatie(s) komen.) Open access komt
binnen de wetenschap vooral ten goede aan die wetenschappers die nu geen of beperkt
toegang hebben tot wetenschappelijke publicaties. Dit zal over het algemeen aan de orde
zijn in de minder rijke landen of bij minder rijke instellingen, dan wel indien men toegang
probeert te krijgen tot literatuur uit andere disciplines dan de eigen (of die van de
instelling).
90
   Een voorbeeld is de Scientific Electronic Library Online (SciELO) in Zuid-Amerika (http://www.scielo.br/ ), de Franse portal HAL
   (https://hal.archives-ouvertes.fr/ ), of CHORUS in de VS (http://www.chorusaccess.org/ ).
91
   Voor een overzicht van de gangbare embargoperiodes per wetenschapsgebied, zie OESO (2015b), p. 24.
Durven delen                                                                                                                        66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>Een belangrijke indicator voor de effectiviteit van de kennisoverdracht van een specifiek
artikel is natuurlijk de mate waarin dat artikel vervolgens geciteerd wordt. Naar het effect
                                                                                                  92
van open access op citaties zijn verschillende onderzoeken gedaan. Grosso modo
komen die erop neer dat het wel of niet open access beschikbaar zijn van een publicatie
een positief effect heeft op de citaties in niet-wetenschappelijke publicaties (zoals
beleidsrapporten), terwijl het effect op de wetenschappelijke citaties niet zonder meer
                                                                                                                              93
positief is: dit kan positief of negatief zijn afhankelijk van de specifieke omstandigheden.
Daardoor is het ook lastig te meten (omdat je voor veel variabelen zou moeten contro-
leren). Ware en Mabe (2015, p. 130-131) bespreken verschillende studies en conclu-
deren: “Het effect is nog steeds onduidelijk, maar de best beschikbare wetenschappelijke
resultaten lijken te suggereren dat een open access artikel uiteindelijk in totaal niet meer
citaties krijgt [dan als het niet open access was geweest], maar dat zo’n artikel op een
eerder moment geciteerd wordt vanwege eerdere beschikbaarheid [bijvoorbeeld bij
preprints of working papers] en de selection bias [dat wil zeggen dat auteurs de neiging
hebben om een kwalitatief beter werk eerder in open access te zetten].” Overigens blijkt
in de praktijk dat de citatiescore van artikelen die in (de huidige) ‘gouden’ open access
journals zijn gepubliceerd, gemiddeld duidelijk lager liggen dan die van artikelen in niet-
open access tijdschriften. Dit hangt vermoedelijk samen met het feit dat veel van die
open access journals jong zijn en nog niet zo’n sterke reputatie hebben kunnen
                                                                                                94
opbouwen als bepaalde traditionele wetenschappelijke tijdschriften. Voor open access
boeken geldt dat er geen bewijs is van een effect van open access op de verkoop of
citaties, maar dat het online gebruik door middel van book visits en page views op
                                                                95
Google books toeneemt door open access.
Snelheid kennisverspreiding
Naast de effectiviteit om kennisaanbod en -vraag met elkaar te verbinden, is ook de
snelheid van kennisverspreiding een relevante indicator voor het functioneren van de
wetenschap. Het moge bekend zijn dat wetenschappelijk publiceren traditioneel een
soms lange doorlooptijd kent. Er moet tijd zijn voor reviews en het maken van aan-
passingen en daarna begint pas het productieproces. Dit is weliswaar goed voor
eindkwaliteit, maar als gedurende die periode de inzichten niet gepubliceerd mogen
worden, dan stokt de verspreiding van deze nieuwe inzichten. (Dit geldt bijvoorbeeld
sterk in de medische wetenschap.) In de praktijk zijn er in bepaalde disciplines alter-
natieven ontstaan, zoals working papers (bijvoorbeeld in de economie) en preprint
servers (bijvoorbeeld in de wis- en natuurkunde). Die zorgen ervoor dat onderzoekers
wel al hun ideeën kunnen verspreiden, terwijl het definitieve artikel nog even duurt.
92
   Een bespreking van de meest relevante onderzoeken vindt men bij: Ware en Mabe (2015), p. 130-131.
93
   Zie ook: OESO (2015a), p. 30-31. Wetenschappers zelf geloven – gemiddeld – niet echt dat open access leidt tot meer
   (wetenschappelijke) citaties, zo bleek in het onderzoek van Taylor and Francis (2014).
94
   Zie bijvoorbeeld CWTS (2015) voor Denemarken, Nederland en Zwitserland, ook Archambault et al. (2015) vinden dit resultaat
   voor gouden open access. Zie Ware en Mabe (2015, p. 130-131) voor een uitgebreid overzicht van de meest relevante studies.
95
   Ferwerda et al. (2013), p. 58.
Durven delen                                                                                                                  67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>Overigens komt het in het huidige tijdperk van online publiceren en concurrentiestrijd
over wie het eerst met een ontdekking komt, ook voor dat er processen zijn waarin in
zéér korte tijd (bijvoorbeeld enkele dagen) een review-, acceptatie- en publicatieproces
afgerond moet worden.
Hoe zit het met de snelheid van verspreiding bij open access? Bij ‘gouden’ open access
is een artikel na publicatie meteen voor iedereen beschikbaar. Bij ‘groen’ open access is
het na publicatie deels beschikbaar, namelijk voor de abonnees, en voor de anderen pas
later, namelijk na afloop van de embargoperiode. In het huidige stelsel zijn de publicaties
in abonnementstijdschriften enkel voor abonnees beschikbaar, meteen vanaf publicatie.
Maar de rest heeft geen toegang.
4.4.2        Impact op maatschappij en bedrijfsleven
Mate van benutting van wetenschappelijke kennis door het bedrijfsleven
Ruimere toegankelijkheid van wetenschappelijke publicaties door vormen van open
access zal de benutting van die kennis door het bedrijfsleven niet slechter maken, maar
de echte vraag is wat de bepalende factoren zijn voor een betere benutting. Momenteel
hebben de grotere bedrijven meestal wel toegang omdat ze abonnementen hebben op
de voor hen relevante tijdschriften. De problemen rond toegang zitten vooral bij het
midden- en kleinbedrijf (MKB). Open access zal de toegang zeker makkelijker maken,
maar de vraag is wat vervolgens het effect is op de daadwerkelijke benutting van dat
potentieel aan kennis dat in de artikelen is ‘opgeslagen’.
Zo bleek uit een pilot-project van Elsevier in Nederland, waarbij aan een groep MKB-
bedrijven toegang werd gegeven tot 13 miljoen Elsevier-artikelen, dat er (per bedrijf)
gemiddeld één artikel per week werd geraadpleegd, hoewel er sectoren waren waar
                   96
dit hoger lag. Het openstellen van een database alleen is waarschijnlijk dus niet vol-
doende. Het aanbod is te groot en de artikelen zijn te ingewikkeld. Wat nodig is een
hulp bij het zoeken en een vertaalslag van de artikelen. Flankerende activiteiten zijn
dus nodig. Aangesloten moet worden bij de mechanismen volgens welke bedrijven
kennis van buiten ‘absorberen’, een onderwerp waarover de AWTI in 2016 een advies
zal uitbrengen. Binnen zo’n bredere strategie kan open access ingebed worden.
Mate van benutting van wetenschappelijke kennis door maatschappij
Waar in de wetenschap misschien nog geldt dat veel wetenschappers nu direct of
indirect al een grote mate van toegang tot wetenschappelijke publicaties hebben, geldt
dat in de maatschappij aanmerkelijk minder. Eigenlijk alleen de open access artikelen
zijn integraal toegankelijk (wel zal van bijna alle artikelen een abstract toegankelijk zijn).
96
   Informatie afkomstig uit het gesprek met de heren Kolman en Berghmans van Elsevier in juli 2015.
Durven delen                                                                                        68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>Open access heeft dus een enorm effect op de mogelijkheden voor burgers en organi-
saties om kennis te nemen van wetenschappelijke resultaten in de vorm van journal
artikelen. Die interesse van burgers en organisaties in wetenschappelijke literatuur
bestaat wel degelijk, zo bleek onder andere uit een onderzoek van de (Nederlandse)
                                     97                                                                          98
Koninklijke Bibliotheek, of uit de gebruiksstatistieken van PubMedCentral.
Dat leidt echter niet één-op-één tot een grotere kennisoverdracht of betere benutting
van de wetenschappelijke resultaten in het maatschappelijke domein. Wetenschappelijke
literatuur is heel specialistisch, geschreven voor andere wetenschappers in hetzelfde
vakgebied. De samenleving heeft dan ook hoogstwaarschijnlijk meer baat bij iets
                                                                                                                           99
laagdrempeligere publicaties zoals vakpublicaties, een goede lekensamenvatting,
                                                                                                                            100
of platforms die wetenschappelijke kennis samenvatten en in de context plaatsen.
Overigens kunnen zulke ‘intermediairs’ vervolgens zeker aanleiding geven tot het
kennis (willen) nemen van de achterliggende wetenschappelijke publicatie.
Maatschappelijke impactfactor
Net als bij de impact voor het bedrijfsleven geldt ook hier dat voor het daadwerkelijk
vergroten van de impact die wetenschappelijke inspanningen hebben voor de maat-
schappij méér nodig is dan alleen open access. Zonder structurele aandacht voor die
‘brug’ naar de samenleving zal een groot deel van de potentiële waarde van de weten-
schappelijke resultaten voor de maatschappij on(der)benut blijven. Manieren om dat
structureel te doen zijn het ook waarderen van onderzoekers op hun ‘maatschappelijke
impactfactor’ naast de thans gangbare aandacht voor de wetenschappelijke impact-
factor. Bij voorkeur wordt zo’n maatschappelijke impactfactor dan ook opgepikt door
de wetenschappelijke wereld zelf (en speelt het dan mee bij de carrière). Andere voor-
beelden om de maatschappelijke impact te faciliteren zijn: meer aandacht voor leken-
                           101
samenvattingen of filmpjes, zoals de wedstrijd “Ma thèse en 180 secondes” voor de
Franstalige wereld waarin promovendi hun proefschrift in 180 seconden mochten
                 102
uitleggen.
Hoewel een ‘maatschappelijke impactfactor’ in principe los staat van wel of niet open
access publiceren, is deze wel betekenisvoller in een wereld met open access. Men zou
97
    TNS Nipo en Koninklijke Bibliotheek (2014): 13% van de personen in Nederland ouder dan 25 jaar is geïnteresseerd in het lezen
    van wetenschappelijke literatuur, waarbij 9% dat al doet en de overige 4% wel interesse heeft maar nog niet in de praktijk brengt;
    deze laatste groep betreft dus potentieel ‘nieuwe’ gebruikers, bijna een half miljoen personen.
98
    Volgens UNESCO (2012) zou 40% van de dagelijkse unieke gebruikers van PubMedCentral gevormd worden door individuele
    burgers (dit wordt aangehaald in OESO, 2015, p. 11).
99
    Dit was bijvoorbeeld ook de centrale boodschap uit ons gesprek met de hoofdredacteur van het Lynch Polyposis Contactblad, een
    ledenblad van een patiëntenvereniging.
100
    Een mooi voorbeeld is de Cochrane Library (www.cochranelibrary.com), die niet alleen publicaties bevat, maar ook systematische
    reviews van verschillende studies over vergelijkbare onderwerpen, voorzien van samenvattingen die open toegankelijk zijn.
101
    Dit soort initiatieven worden nu bijvoorbeeld ontwikkeld door Elsevier (‘STM Digest’) of eLife.
102
    Zie http://mt180.fr
Durven delen                                                                                                                           69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>dan kunnen bijvoorbeeld kunnen kijken naar het aantal downloads van een artikel (of
boek), al dan niet gedifferentieerd naar type lezer: wetenschapper, burger of bedrijf.
Of men kan werken aan andere indicatoren van ‘maatschappelijke impact’.
Tot slot: een sterkere – dat wil ook zeggen: een begrijpelijke – terugkoppeling vanuit de
wetenschappelijke wereld over wat men doet en de resultaten die men behaalt, geeft de
samenleving ook weer een beter geïnformeerde positie om van haar kant de wetenschap
‘uit te nodigen’ of uit te dagen naar bepaalde vraagstukken te kijken. (Dit is de idee
achter de nationale Wetenschapsagenda.)
4.4.3        Kosten en baten
Verschuivingen in de manier van publiceren en de wijze waarop dat betaald wordt, leiden
tot kosten en baten voor de verschillende stakeholders. Wat kunnen we zeggen over de
verdeling van die kosten en baten die hoort bij meer open access? En kunnen we een
inschatting geven van de kosten en baten op systeemniveau?
Hoewel open access vooral wordt bepleit vanuit de argumenten dat het bij wetenschap
hoort om de resultaten zo breed mogelijk te delen en dat de resultaten van publiek
gefinancierd onderzoek ook publiek toegankelijk zouden moeten zijn, worden de steeds
stijgende kosten voor toegang tot wetenschappelijke publicaties vaak gebruikt als
belangrijke aanleiding om open access te agenderen, of soms zelfs als argument voor
open access, omdat men er dan van uit gaat dat open access een manier zou zijn om
                                                   103
die stijgende kosten in te dammen.
Maar leidt open access naar verwachting ook tot lagere kosten?
Hierbij wordt over het algemeen ingezoomd op de kosten van bibliotheken voor abonne-
menten en hoe dat gaat veranderen bij varianten van open access. Het is allereerst
misschien goed om hier aan te geven dat van de totale kosten die gemoeid zijn met de
‘productie’ van een wetenschappelijk artikel in een land als Nederland ruim meer dan de
helft zit in de ‘schrijfuren’ van de onderzoeker, een zesde in de uren van de reviewers,
ongeveer een vijfde in de kosten van de uitgever en maar ongeveer 1% in de bibliotheek-
            104
kosten. Dit zet de kostendiscussie over open access misschien in een ander
perspectief.
Kijkend naar de financiële verschuivingen, dan zien we grofweg twee verschillende
scenario’s. In het eerste scenario verschuift de betaling van de lezer (nu gangbaar) naar
de auteur. Dit is momenteel het overheersende model dat gebruikt wordt bij ‘gouden’
open access. In het huidige stelsel met een dominantie van abonnementstijdschriften
103
    Bijvoorbeeld in de impact assessment van de Europese Commissie (2012).
104
    Houghton et al.(2009), p. 9-10.
Durven delen                                                                              70
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>dragen bibliotheken de kosten voor toegang. In een stelsel waarin de auteur betaalt,
verschuift dat in beginsel naar de onderzoekers. Het gevolg is dat binnen instellingen
bibliotheken budget zullen overhouden omdat ze minder aan abonnementen hoeven te
betalen, maar dat de onderzoekers meer budget nodig zullen hebben om de publication
charges voor hun publicaties te betalen. Van centrale budgetten naar decentrale bud-
getten dus. Maar het is ook heel goed denkbaar dat in een open access-wereld waarin –
in beginsel – auteurs betalen, nog steeds op centraal niveau big deals met de belang-
rijkste uitgevers worden gesloten waarin alle publicatiebijdragen van de onderzoekers
van die instelling(en) gedekt worden. In dat geval verschuift er niet zo veel.
Naast de vraag ‘wie betaalt?’ is ook van belang of het per saldo duurder of goedkoper
wordt. Een verschuiving van de-lezer-betaalt naar de-auteur-betaalt betekent over een
hele instelling of een land gezien grofweg een stijging van de kosten indien men (relatief)
meer schrijft dan leest en een daling als het andersom is. Dit zal alleen maar anders zijn,
als in een stelsel waarin de auteur betaalt, de totale kosten van alle tijdschriften ineens
lager zouden worden, maar dat ligt niet voor de hand (zie hieronder). Omdat Nederland
relatief veel publicaties produceert, zal Nederland – zo schatten wij in – per saldo meer
              105
kwijt zijn.
Bij het andere gangbare scenario voor open access, namelijk een stelsel waarin
abonnementstijdschriften blijven bestaan, maar auteurs de mogelijkheid hebben om zelf
een versie van hun publicatie online beschikbaar te maken, al dan niet na een embargo-
periode, is er sprake van dubbele kosten: enerzijds zijn er de kosten van de tijdschriften,
die op een of andere manier gedragen moeten worden door lezers en/of auteurs, terwijl
er anderzijds geld nodig is voor het onderhouden en toegankelijk maken van de
repositories waar de papers neergezet worden. Overigens blijkt uit de ervaringen uit het
Verenigd Koninkrijk dat in de nieuwe setting van ‘groene’ of ‘gouden’ toegang onder-
zoeksinstellingen extra transactiekosten (moeten) maken, die van dezelfde ordegrootte
zijn als de publication charges.
Wat is de waarschijnlijkheid dat de totale uitgaven voor tijdschriften zullen dalen door
meer open access? Voor zover uitgevers blijven beschikken over gewilde tijdschriften
die ‘schaars’ zijn (om te lezen in het geval van abonnementen of om in te publiceren in
het geval van de-auteur-betaalt), zullen uitgevers in staat blijven abonnementsprijzen of
auteursbijdragen te rekenen die (aanzienlijk) boven de productiekosten liggen. Dat staat
los van open access of niet. In een ‘gouden’ open access stelsel waarin de auteurs
betalen, zal een uitgever immers voor de betreffende toptijdschriften een hogere author
105
    Een grove berekening: Palzenberger (2015) gaat uit van 24 000 artikelen per jaar met een Nederlandse corresponding author.
    Met een gemiddelde auteursbijdrage van 2 000 EUR (waar Schimmer et al. (2015) van de Max Planck Gesellschaft zelf ook mee
    rekenen) kom je op een totaal aan jaarlijkse kosten uit op € 48 miljoen, ruim meer dan het huidige bedrag dat jaarlijks aan
    abonnementen wordt besteed (ongeveer € 40 miljoen).
Durven delen                                                                                                                    71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>                                                                                             106                           107
fee kunnen bedingen dan voor een minder geliefd tijdschrift. Dit gebeurt nu al.
Bovendien is de onderhandelingspositie van individuele onderzoekers heel slecht,
dus dat zou nog wel eens de mogelijkheden van uitgevers kunnen versterken om hun
(machts)positie maximaal te gelde te maken. De huidige intransparantie over de hoogte
van author publication charges onderstreept dat nog eens.
Als dit belang van reputatie verdwijnt of er goedkopere alternatieven mét reputatie
komen, kunnen de huidige hoge marges van enkele grote wetenschappelijke uitgevers
beperkt worden (ofwel door de ‘druk’ van nieuwkomers ofwel doordat nieuwe partijen
of verdienmodellen de huidige vervangen). Ook door betere, eventueel gezamenlijke
onderhandeling vanuit de gebruikers met de betreffende uitgevers kunnen de huidige
marges van de grote wetenschappelijke uitgevers beperkt worden. In beide gevallen
zouden de totale kosten die lezers, en/of auteurs betalen omlaag kunnen gaan. Ook
denkbaar is om tarieven (voor abonnementen of voor author fees) wettelijk te reguleren.
Dat is wel een drastische ingreep in de markt, die in de meeste landen niet heel
waarschijnlijk is (omdat zulk ingrijpen in veel landen ook als onwenselijk zal worden
gezien).
Kortom, zo lang de achterliggende oorzaken van de stijgende kosten voor weten-
schappelijke literatuur niet worden aangepakt (namelijk de volumegroei van het aantal
publicaties en de sterke positie van de toptijdschriften), zullen de totale kosten voor die
                                                                                                               108
literatuur niet noemenswaardig gaan dalen, met of zonder open access. Hoogstens
vindt er een herverdeling plaats tussen wie meer en minder betaalt.
4.5           Conclusie
Als ideaalbeeld klinkt open access tot wetenschappelijke publicaties heel aantrekkelijk.
Het sluit mooi aan bij de grote waarde die in de wetenschap wordt gehecht aan het open
communiceren met elkaar om zo de wetenschap weer verder te helpen. Maar een stelsel
106
    Uit het wereldwijde onderzoek van OESO (2015a, p. 5) onder wetenschappers blijkt dat deze bereid zijn extra te betalen voor
    publiceren in journals met meer prestige.
107
    Zie voor een overzicht van de bandbreedte van APC’s: Ware en Mabe (2015), p. 93-96.
108
    Er bestaat een serie publicaties van Houghton en co-auteurs die (proberen te) berekenen wat er gebeurt met de totale kosten van
    wetenschappelijk publiceren in enkele open access scenario’s (bijvoorbeeld Houghton (2009) voor Denemarken, Nederland en het
    VK en Houghton et al. (2009) enkel voor Nederland). Wij hebben deze uitgebreid bestudeerd, maar achten de uitkomsten
    onvoldoende betrouwbaar. De uitkomsten van de modelberekeningen hangen sterk af van de gehanteerde input-parameters, die
    voor een niet onbelangrijk deel eigen inschattingen van de auteur(s) betreffen, die niet gevalideerd zijn of worden en evenmin goed
    beargumenteerd worden (veel van die inschattingen zijn ook door onder andere de uitgevers bestreden, zie Ware en Mabe (2015,
    p. 119)). Het gaat dan in het bijzonder om door de auteurs aangenomen kostenverschillen tussen de verschillende publicatie-
    modellen. Ook de uitkomsten zelf geven te denken: zo vond men (in 2009) voor Nederland een mogelijke kostenbesparing bij een
    volledig gouden open access stelsel van € 133 miljoen per jaar, ongeveer viermaal (!) het bedrag dat Nederland jaarlijks kwijt was
    aan abonnementen. Zelfs een stelsel waarin abonnementen blijven bestaan en een uitgebreide infrastructuur aan repositories
    wordt opgezet zou nog een besparing van € 50 miljoen opleveren, opnieuw aanmerkelijk méér dan het jaarlijkse bedrag aan
    abonnementen. Voor de andere onderzochte landen geldt min of meer hetzelfde.
Durven delen                                                                                                                         72
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>van open access zal in de praktijk altijd een bepaalde implementatievorm hebben die
voor- en nadelen kent. Zo’n stelsel met open access tot publicaties zal beoordeeld
moeten worden op zijn effecten op de wetenschap, samenleving en bedrijfsleven.
Allereerst constateerden we dat het vrij beschikbaar maken van wetenschappelijke publi-
caties (open access) een ontwikkeling is die groeit. Wereldwijd is inmiddels al tussen een
kwart en de helft van de recente publicaties vrij online toegankelijk. De EU loopt daarin
overigens niet voorop. De laatste jaren stagneert het aandeel vrij toegankelijke artikelen
evenwel.
Tegen het principe van vrije toegang tot wetenschappelijke publicaties bestaat weinig
weerstand, maar het onderwerp is niet de nummer-één-prioriteit van de meeste weten-
schappers – zo blijkt uit vele onderzoeken. Dat is namelijk publiceren met impact binnen
de wetenschappelijke wereld. Veelal wordt die impact (nog) bereikt door te publiceren in
de gerenommeerde, ‘traditionele’ (abonnements)tijdschriften. Bovendien heeft een aantal
van de sleutelspelers ook (nog) niet veel belang bij de massale overgang naar open
access.
Er is in de praktijk nog niet één overheersend open access model van publiceren
boven komen drijven. Er bestaan verschillende modellen om vrije toegang tot publicaties
te organiseren, waarvan de zogenoemde ‘groene’ en ‘gouden’ variant het meest voor-
komen. In de ‘groene’ variant maakt de auteur een (versie van een) artikel vrij
toegankelijk door dat parallel aan publicatie in een wetenschappelijke tijdschrift in een
publiek toegankelijke repository te zetten – hierbij geldt vaak een embargotermijn.
In de ‘gouden’ variant zorgt het tijdschrift zelf ervoor dat het artikel vrij toegankelijk wordt
gemaakt. In deze laatste variant zal iemand anders dan de lezer(s) moeten betalen; in de
praktijk is dat nu vaak de auteur, die dan betaalt voor de publicatie van zijn artikel. Dat is
anders dan het traditionele model waarin de gebruiker (lezer) betaalt voor wetenschappe-
lijke tijdschriften/artikelen en de auteur niet. Voor open access tot boeken zijn soortgelijke
modellen mogelijk als voor wetenschappelijke artikelen.
Beide modellen (‘groen’ en ‘goud’) komen in de praktijk voor, veelal ook naast elkaar.
‘Groen’ is een robuust model dat naast de traditionele wetenschappelijke tijdschriften
kan bestaan, maar kent als nadelen dat er ‘dubbele’ infrastructuur nodig is (tijdschriften
en repositories, dat zorgt voor hogere kosten) en dat de openheid vaak pas na een
embargotermijn bereikt wordt. Het ‘gouden’ model kent deze nadelen weliswaar niet,
maar het werkt eigenlijk alleen goed als het de ‘standaard’ is, waarvoor een brede
systeemverandering nodig is. Dat gebeurt alleen als er voldoende massa is. Die massa is
lastig te organiseren in het versnipperde internationale veld rond wetenschap. Dat is een
bekend probleem van ‘transities’. Bovendien zijn er duidelijke risico’s verbonden aan een
model waarin auteurs zelf moeten betalen voor publicatie in een wetenschappelijk
Durven delen                                                                                    73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>tijdschrift: er is dan een veel zwakkere prikkel om de kwaliteit leidend te laten zijn.
Daarnaast zijn er verschillende disciplines, vooral in de alfawetenschappen, waar men
verwacht onvoldoende budget te hebben om de benodigde auteursbijdragen te (kunnen)
betalen.
Onduidelijk blijft dus nog wat een duurzaam open access model zou kunnen zijn waarin
enerzijds toegang gratis is en anderzijds de wetenschappelijke kwaliteit goed geborgd is.
Er wordt momenteel wel geëxperimenteerd met alternatieve modellen, maar deze
moeten zich nog wel bewijzen als een mogelijke duurzame standaard voor open access
publiceren. Het gaat dan bijvoorbeeld om modellen waarin instellingen en/of onderzoeks-
financiers direct de kosten van een tijdschrift dragen, of waarbij auteurs zelf ‘lid’ worden
van een tijdschrift en dan een bepaald aantal artikelen kunnen publiceren.
Op basis van onze analyse schatten we in dat het effect van (enkel) vrijere toegang tot
wetenschappelijke publicaties op het functioneren van de wetenschap onduidelijk is en,
in ieder geval binnen disciplines, vermoedelijk beperkt: onderzoekers hebben in de
praktijk vaak al een redelijk goede toegang tot de literatuur in hun vakgebied (zolang hun
instellingen de abonnementen waarborgen). Anders zou dat kunnen zijn voor toegang tot
publicaties uit andere disciplines, omdat toegang daartoe nu vaak lastiger is. Hetzelfde
geldt voor onderzoekers die niet verbonden zijn aan een (grote) instelling. Hier zal het
effect van open access naar verwachting groter zijn.
Hoewel grotere openheid door velen als belangrijke en noodzakelijk ontwikkeling wordt
gezien, zijn voor het functioneren van de wetenschap toch vooral een goede kwaliteits-
controle van publicaties, de snelheid van kennisverspreiding en een goede vindbaarheid
van publicaties van groot belang. Alleen als een stelsel van open access hieraan bij-
draagt, zal het effect op de wetenschap positief zijn. Dat is niet evident. In een model
waarin auteurs moeten gaan betalen voor de publicatie van hun artikel, zijn de prikkels
om de kwaliteit van de artikelen leidend te laten zijn bij het acceptatieproces veel
zwakker dan in een stelsel waarin de lezer betaalt, zoals nu gangbaar is. Dit zou in het
slechtste geval dan ook een perverse prikkel kunnen worden. Dit klemt des te meer,
omdat in de immer uitdijende zee aan wetenschappelijke publicaties de vraag naar
mechanismen om de kwaliteit of reputatie van een tijdschrift of afzonderlijke publicatie
te bepalen, alleen maar zal toenemen.
Wat is de (potentiële) impact van open access tot wetenschappelijke publicaties op de
maatschappij en het bedrijfsleven? Het effect van enkel het regelen van open access zal
naar verwachting beperkt zijn, omdat de gemiddelde wetenschappelijke publicatie moei-
lijk begrijpelijk en/of bruikbaar is buiten de kring van het eigen vakgebied. Voor het
vergroten van de impact van de wetenschap op maatschappij en bedrijfsleven is dan ook
een bredere aanpak nodig. Ten eerste om de wetenschappelijke resultaten vindbaar te
Durven delen                                                                                 74
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>maken. Ten tweede om de wetenschap ook echt toegankelijk te maken door de resul-
taten te ‘vertalen' naar een breder publiek en overzichtelijk te presenteren. En ten derde
om te zorgen dat binnen de wetenschappelijke wereld zelf de ‘maatschappelijke impact’
van onderzoek (meer) gewaardeerd wordt, bijvoorbeeld bij evaluaties.
Vooral bij het gebruik door de maatschappij en het bedrijfsleven is sprake van een nog
grotendeels onontgonnen potentieel van het ontsluiten van wetenschappelijke publi-
caties. Dit is onontgonnen omdat buiten de wetenschap de toegang tot zulke publicaties
momenteel nog uiterst beperkt is (behalve misschien bij het bedrijfsleven met een sterke
R&D-afdeling, omdat die nu vaak al wel abonnementen hebben of goede connecties
hebben met onderzoeksinstellingen). Enkel het regelen van open access zal echter op
zichzelf slechts een beperkt effect hebben op de maatschappij en het bedrijfsleven. Om
de meerwaarde van het ontsluiten van de wetenschappelijke kennis te realiseren is meer
nodig dan alleen maar het openstellen van de publicaties. Wetenschappelijke artikelen
zijn immers in eerste instantie bedoeld voor collega-wetenschappers en daardoor kunnen
het bedrijfsleven of de maatschappij daar vaak nog niet meteen mee uit de voeten.
Daarom geldt dat het nog moeilijk in te schatten is wat er daadwerkelijk van dat poten-
tieel gerealiseerd kan worden: dat zal in de praktijk sterk afhangen van de effectiviteit
van flankerende maatregelen en ontwikkelingen.
Er zijn kosten gemoeid met ‘wetenschappelijk publiceren’. Open access wordt ook wel
genoemd als een manier om de totale kosten daarvan omlaag te brengen. Op grond van
onze analyse zien we echter geen reden om aan te nemen dat de totale kosten rond
wetenschappelijk publiceren zouden gaan dalen enkel door een overstap naar open
access. De relatief sterk stijgende kosten hangen samen met wereldwijde groei van het
aantal publicaties en de economisch sterke positie van bepaalde uitgevers, die gebruik
maken van het feit dat wetenschappers wereldwijd willen publiceren in een tijdschrift met
een sterke reputatie (vaak gerelateerd aan citatie-impact). Ook de lezers van zulke tijd-
schriften geven de voorkeur aan tijdschriften met reputatie. Als dit belang van reputatie
verdwijnt of er goedkopere alternatieven mét reputatie komen, kunnen de huidige hoge
marges van enkele grote wetenschappelijke uitgevers beperkt worden (ofwel door de
‘druk’ van nieuwkomers ofwel doordat nieuwe partijen of verdienmodellen de huidige
vervangen). Ook door betere, eventueel gezamenlijke onderhandeling vanuit de
gebruikers met de betreffende uitgevers kunnen de huidige marges van de grote weten-
schappelijke uitgevers beperkt worden. In beide gevallen zouden de totale kosten die
lezers, en/of auteurs betalen omlaag kunnen gaan. Maar voor wat betreft open access
geldt: vrije toegang tot wetenschappelijke publicaties op zichzelf is geen manier om de
als hoog ervaren kosten van wetenschappelijk publiceren te verlagen.
De ontwikkeling van de totale kosten is afhankelijk van het precieze open access model
dat zich gaat ontwikkelen. Maar de kans is groot dat we met gemengde stelsels blijven
Durven delen                                                                               75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>zitten. In de ‘groene’ variant heeft men ‘dubbele’ kosten (namelijk voor abonnementen èn
repositories). Bij een verdienmodel dat gebaseerd is op ‘de auteur betaalt’, zoals gang-
baar is bij het ‘gouden’ model, bestaat het gevaar van volumegroei (hoe meer artikelen er
gepubliceerd worden, hoe meer inkomsten voor de uitgever) en, als de auteursbijdrage
niet begrensd wordt, kan ook deze de pan gaan uitrijzen. Bovendien worden in een
stelsel waarin auteurs moeten betalen, de beschikbare middelen voor onderzoekers een
bepalende factor voor hoeveel (en waar) men kan publiceren. Of dat wenselijk is, is maar
de vraag.
Daarnaast zal in een model gebaseerd op ‘de auteur betaalt’ een kostenverschuiving
plaatsvinden: landen (of instellingen) die relatief meer publiceren dan lezen zullen per
saldo meer moeten gaan betalen. Voor Nederland, dat een bovengemiddelde kennis-
producent is, zal dat waarschijnlijk ongunstig uitpakken. In zo’n situatie zal ook gekeken
moeten worden naar hoe andere landen zich opstellen. Als bijvoorbeeld Nederland of de
EU kosten maken om ‘hun’ publicaties wereldwijd vrij toegankelijk te maken, komen de
baten daarvan voor een deel ook terecht bij derde landen die voor hun eigen onder-
zoekers die kosten niet willen maken (terwijl ze daartoe wel de middelen zouden hebben)
– een free rider probleem. Nederlandse of EU-onderzoekers betalen dan dubbel: voor het
publiceren van de eigen artikelen en voor het lezen van artikelen uit niet-open access
derde landen.
Hoe zal open access zich verder ontwikkelen? Tot nu toe was open access vooral een
beweging van onderop, met steun van enkele grote onderzoeksfinanciers. Kennelijk is
deze beweging van onderop niet voldoende sterk om voor een systeemverandering
richting open access af te dwingen. Wel is gebleken dat de financiers van onderzoek,
waaronder overheden, wat kunnen doen om het proces richting open access te
bespoedigen, zo blijkt uit de ontwikkelingen in de Verenigde Staten en Brazilië. Om
daadwerkelijk een doorbraak te realiseren, zal een vorm van stevige regie nodig zijn.
Internationaal bestaan er duidelijk verschillen in de voorkeuren voor en het beleid rond
open access. Binnen de EU heeft een deel van de lidstaten een expliciet open access
beleid. De meeste van deze landen steunen zowel het ‘groene’ als het ‘gouden’ model;
vaak zet men in op het realiseren van in ieder geval een ‘groene’ route vanuit het besef
dat een enkel land niet echt in staat zal zijn om een systeemverandering richting ‘goud’
af te dwingen. Het Verenigd Koninkrijk is een van de weinige landen waar de overheid
een voorkeur voor de ‘gouden’ route heeft uitgesproken. Toch is er ook in het Verenigd
Koninkrijk in de praktijk sprake van een gemengd beeld: een deel van de publieke
financiers eist de ‘gouden’ route en een deel gaat voor de ‘groene’ route. In de Verenigde
Staten kiest de federale overheid voor de ‘groene’ route. De Europese Unie heeft geen
voorkeur voor een model.
Durven delen                                                                               76
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>Cruciaal zullen de keuzes zijn die de onderzoekers als auteurs van artikelen zullen
maken: waar en hoe willen zij publiceren? Daar moet open access opgepikt worden. Er
zijn ‘stokken’ mogelijk om dat af te dwingen (bijvoorbeeld de centrale rol van financiers,
op de achterhand mogelijk wetgeving). Maar wat zijn de ‘wortels’? Die zijn er momenteel
nog nauwelijks, anders dan de keerzijde van de ‘stok’.
Durven delen                                                                               77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>Durven delen 78</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>                                                                                                                                5
Het delen van onderzoeksdata
5.1          Vasthouden of delen?
In het vorige hoofdstuk bestudeerden we de toegang tot wetenschappelijke publicaties.
Van oudsher publiceren onderzoekers hun resultaten in wetenschappelijke tijdschriften
(en in boeken of op conferenties). Deze publicaties zijn essentieel voor een verdere
wetenschappelijke carrière en hier focust het merendeel van de wetenschappers zich
                 109
dan ook op. De discussie over open access gaat vooral over het breder toegankelijk
maken van zulke artikelen buiten de kring die nu al toegang heeft.
Anders is het met de aan zulke artikelen ten grondslag liggende onderzoeksdata.
Traditioneel kwamen die hoogstens in een of andere bewerkte vorm in het artikel terecht
(bijvoorbeeld in een tabel of grafiek). Maar in de meeste vakgebieden werden de onder-
liggende onderzoeksgegevens zelf niet (of slechts gedeeltelijk) gepubliceerd: ze bleven
dan ‘privaat’, bij de onderzoekers en/of hun onderzoeksinstelling.
Wel zijn er vakgebieden waar een cultuur is gegroeid van het delen van onderzoeksdata
met andere onderzoekers, bijvoorbeeld omdat men gezamenlijk met dezelfde (groot-
schalige) infrastructuur werkt of omdat ieder een klein stukje van een grote weten-
schappelijke puzzel aan het ontrafelen is. Voorbeelden zijn de onderzoeksgegevens
van deeltjesversneller CERN of de meetresultaten van het Human Genome Project.
Het onderzoek op basis van deze datasets vereist samenwerking van vele onderzoekers
die voortbouwen op elkaars werk. Hoewel deze collectieve projecten verschillen in hun
omgang met openheid, illustreren ze het belang bij gemeenschappelijke inspanningen
om data te verzamelen en te delen.
De laatste jaren zijn er tal van ontwikkelingen gaande op het gebied van onderzoeksdata.
Dit soort gegevens zijn tegenwoordig doorgaans digitaal of (kunnen) worden gedigitali-
seerd. Dit brengt allerlei nieuwe ‘vragen’ met zich mee: hoe zorgen we voor de duur-
zaamheid van zulke digitale gegevens? Dit is een onderwerp dat in Nederland in bredere
                                                                                                110
zin is opgepakt door de ‘nationale coalitie digitale duurzaamheid’. Digitalisering brengt
ook nieuwe mogelijkheden met zich mee: zulke gegevens zouden, in ieder geval in
theorie, via internet toegankelijk gemaakt kunnen worden voor derden. Bovendien komen
er steeds meer tijdschriften die zich toeleggen op het publiceren van data (data journals),
terwijl de ‘normale’ tijdschriften steeds beter faciliteren dat bij een artikel gelinkt kan
109
    Voor meer over het belang van publicaties voor een wetenschappelijke carrière, zie: AWTI (2015a), Ministerie van Onderwijs,
    Cultuur en Wetenschap (2014), p. 53, en De Goede en Hessels (2014).
110
    Zie: www.ncdd.nl
Durven delen                                                                                                                    79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>worden naar de onderliggende data. Ook komen er steeds meer opslagfaciliteiten voor
verzamelingen van onderzoeksgegevens, bijvoorbeeld bij repositories. Parallel hieraan
                                                                                                                 111
zien we de ontwikkeling dat de wetenschap steeds meer datagedreven wordt. Niet
alleen neemt de hoeveelheid data die voor onderzoek gegenereerd wordt, enorm toe,
maar ook ontstaan er nieuwe manieren om dwars door zulke datasets heen naar
betekenis en nieuwe inzichten te zoeken.
De vraag dringt zich dan ook op of niet alleen artikelen, maar ook onderzoeksgegevens
‘gepubliceerd’ zouden moeten worden en toegankelijk gemaakt moeten worden voor
anderen. Dit delen van onderzoeksdata zou kunnen bijdragen aan de integriteit en
kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek (controleerbaarheid en repliceerbaarheid),
onnodig ‘dubbel’ onderzoek kunnen voorkomen dan wel de basis kunnen vormen voor
vergelijking van soortgelijke onderzoeken waarmee ‘reproduceerbaarheid’ verbeterd
wordt, en het zou een vruchtbare voedingsbodem kunnen vormen voor het leggen van
nieuwe dwarsverbanden. Bovendien kunnen zulke onderzoeksgegevens waarde hebben
voor de samenleving of het bedrijfsleven.
Er zijn natuurlijk ook nadelen, beperkingen en risico’s verbonden met het delen van
onderzoeksdata. In eerste instantie zal het meer werk en dus ook meer tijd en geld
kosten. Ook zouden de gegevens ‘verkeerd’ gebruikt kunnen worden of dreigt het
gevaar dat anderen gaan free riden op onderzoeksgegevens waar een onderzoeker
of een instelling veel moeite voor heeft moeten doen om ze te verkrijgen.
Analoog aan open access voor wetenschappelijke publicaties zou het ideaal qua toegang
bij onderzoeksdata dan ook ‘open onderzoeksdata’ (open research data) kunnen zijn:
een vrije toegang tot onderzoeksgegevens van anderen. In de tekstbox hieronder wordt
een definitie gegeven van dit ideaal van open (onderzoeks)data. Op die vakgebieden na
waar het opslaan en delen van onderzoeksdata al de praktijk is, zou dit voor de meeste
andere vakgebieden echt een grote verandering betekenen. Daarom richten we ons in dit
advies in eerste instantie op het in of een andere vorm delen van onderzoeksgegevens
(en niet volledig open toegang tot onderzoeksdata) om daarmee flexibiliteit te houden
voor de reikwijdte en diepte van de toegang tot onderzoeksdata. Dit doet ook beter recht
aan de vele modaliteiten die bestaan om data te delen.
111
    Zie AWTI (2015b) voor meer over de digitalisering van de wetenschap en (kennis)economie. Zie ook de conclusie “datagedreven
    wetenschap wordt steeds belangrijker” tijdens de AWTI-bijeenkomst van 5 juni 2015 op het Science Park (AWTI, 2015c) en AWT
    (2011).
Durven delen                                                                                                                    80
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>    Open data worden door de Open Knowledge Foundation gedefinieerd als “… data
    die vrij gebruikt kunnen worden, hergebruikt kunnen worden en opnieuw verspreid
    kunnen worden door iedereen - onderworpen enkel, in het uiterste geval, aan de eis
                                                                                        112
    tot het toeschrijven en gelijk delen” (Open Data Handbook) .
Vergeleken met open access tot wetenschappelijke publicaties is open onderzoeksdata
een relatief nieuw begrip. De discussie over dit onderwerp loopt dan ook achter in ver-
gelijking met het debat over open access. Toch wordt ook het delen en ontsluiten van
                                                                                                            113
onderzoeksdata over de hele linie via verschillende verklaringen ondersteund. In de
praktijk is het beeld gemengd. Er is grote verscheidenheid tussen verschillende disci-
plines in de mate waarin onderzoeksdata opgeslagen en gedeeld worden. Een aardig
overzicht hiervan heeft DANS (Data Archiving and Networked Services) gegeven (Dillo
en Doorn (2011), zie tekstkader). DANS is een van de Nederlandse archieven voor
onderzoeksdata.
Hoe zou het delen van onderzoeksdata zich verder moeten ontwikkelen? Voordat we hier
tot conclusies en aanbevelingen komen nemen wij eerst een stap terug. In dit hoofdstuk
kijken wij allereerst naar wat onderzoeksdata zijn, wie er een rol spelen bij de weg naar
het ontsluiten van onderzoeksdata, en wat de motieven voor het delen van onderzoeks-
data zijn. Daarnaast zetten we randvoorwaarden neer voor de ontwikkelingen richting
het ontsluiten en toegankelijk maken van onderzoeksdata: wat is er nodig om ook daad-
werkelijk de beloften waar te maken en in welke vorm halen we het meeste maat-
schappelijk rendement uit het delen van onderzoeksdata?
                                                                                                      114
    DANS: The Dutch data landscape in 32 interviews and a survey
    DANS (Data Archiving and Networked Services) is een instituut van KNAW en NWO
    dat duurzame toegang tot digitale onderzoeksgegevens bevordert. Via verschillende
    (online) diensten, waaronder de archivering van data, maar ook via training en
    consultancy en via deelname in (inter)nationale projecten en netwerken zorgt DANS
    voor een verdere verbetering van de toegang tot digitale onderzoeksgegevens. Dat
    doet zij samen met partners zoals het 3TU.Datacentrum, SURFsara en het
    Netherlands e-Science Centre.
112
    Open Knowledge Foundation (2012), te vinden op: http://opendatahandbook.org/guide/nl_BE/
113
    Voor een recent voorbeeld, zie de The Hague Declaration on Knowledge Discovery in the Digital Age, zie:
    http://thehaguedeclaration.com/
114
    Dillo en Doorn (2011).
Durven delen                                                                                                    81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>    In 2011 publiceerde DANS een studie over het “datalandschap” in Nederland. Hierin
    werd onderzocht hoe in de geestes-, sociale- en natuurwetenschappen wordt om-
    gegaan met data: hoe staat het ervoor, welke verschillen en overeenkomsten zijn te
    ontdekken, wat kan beter en hoe? Een ding is duidelijk: de omgang met data is erg
                                                                                            115
    divers, iets wat overeenkomt met internationale observaties.
    Allereerst worden data in de natuurwetenschappen op veel grotere schaal op-
    geslagen dan in de geestes- en sociale wetenschappen. Dit komt omdat het delen
    binnen die vakgebieden vanzelfsprekender is, maar ook omdat de faciliteiten beter
    zijn en omdat er simpelweg meer data worden verzameld.
    Er zijn echter ook binnen deze groepen en op het niveau van de individuele weten-
    schapper verschillen. Voor elke wetenschapper die beweert dat het delen van data
    niet meer dan vanzelfsprekend is kan er ook een gevonden worden die om diverse
    redenen zijn data niet wil delen. Hun argumenten variëren van onvoldoende infra-
    structuur, gebrek aan standaardisatie en ondersteuning tot het niet willen delen omdat
    wetenschappelijke concurrenten klaar staan om met jouw data aan de haal te gaan.
    Maar zelfs in vakgebieden waar men wel wil opslaan en delen is datamanagement
    vaak nog gebrekkig. Er is weinig oog voor duurzame opslag. Er bestaat fragmentatie
    in de taakverdelingen en verantwoordelijkheden. Bovendien worden de data vaak
    verspreid opgeslagen. De opslagkwaliteit is erg afhankelijk van individuele onder-
    zoeksgroepen, de leider van het onderzoek en de onderzoekscultuur binnen het
    vakgebied. Binnen de wetenschap neemt het bewustzijn met betrekking tot duurzaam
    datamanagement wel toe, maar per saldo is het toch nog niet voldoende groot.
    Voordat op grotere schaal tot het delen van data over zal worden gegaan, is er meer
    nodig dan alleen meer bewustzijn. Er moet een goede infrastructuur komen (waar al
    hard aan wordt gewerkt) om data duurzaam op te slaan. Daarnaast is ondersteuning
    voor de wetenschapper om hier zo min mogelijk tijd aan kwijt te zijn essentieel.
    Bovendien willen veel wetenschappers niet als enige gedwongen worden om hun
    kaarten op tafel te leggen: data delen moet worden beloond of moet de norm worden
    om vrijbuiters te voorkomen, al dan niet wettelijk afgedwongen.
115
    Voor de internationale analyse, zie: http://exchanges.wiley.com/blog/2014/11/03/how-and-why-researchers-share-data-and-why-
    they-dont/
Durven delen                                                                                                                    82
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>5.2        Onderzoeksdata: functies en actoren
5.2.1      Afbakening: onderzoeksdata
Wat zijn deze ‘onderzoeksdata’ eigenlijk die al dan niet gedeeld moeten gaan worden?
Als we kijken naar de traditionele cyclus van het verrichten van wetenschappelijk onder-
zoek (en het publiceren daarover), dan zien we dat onderzoekers een geschikte onder-
zoeksmethode kiezen om een antwoord op hun onderzoeksvraag te vinden. Die methode
passen ze vervolgens toe en dat levert ze (ruwe) ‘onderzoeksgegevens’ op. Als ze een
laboratoriumexperiment doen gaat het om een verzameling meetresultaten. Maar
gebruikt men een heel andere methode, zoals het doen van observaties van gedrag, dan
zullen die onderzoeksdata bestaan uit allerlei verslagen. Het is ook heel goed denkbaar
dat men onderzoek doet ‘op’ een bestaande dataset, bijvoorbeeld allerlei demografische
of statistische gegevens uit bestaande databanken. Vervolgens zullen de onderzoekers
de verzamelde (ruwe) data gaan bewerken, analyseren en interpreteren. Deze analyse
zal de basis vormen voor de bevindingen die in de uiteindelijke publicatie gecommuni-
ceerd zullen worden met de rest van de wetenschappelijke gemeenschap.
In dit advies verstaan we onder ‘onderzoeksdata’ in beginsel alle gegevens die ver-
zameld (gebruikt) zijn voor onderzoek. Dat omvat dus in ieder geval de gegevens die
gegenereerd zijn met het oog op onderzoek: meetgegevens die de onderzoekers zelf
‘geproduceerd’ hebben in en voor het onderzoek. Maar ook bestaande datasets die
gebruikt zijn voor onderzoek willen we in principe meenemen in onze beschouwing.
Bij het laatste gaat het bijvoorbeeld over bestanden van het CBS of archieven van
kranten of een verzameling van alle tweets in Nederland in een bepaalde periode.
Als zulke dataverzamelingen ten grondslag hebben gelegen aan een wetenschappelijke
publicatie dan ligt het voor de hand om ze, in ieder geval vanuit het perspectief van de
nagestreefde transparantie (en betrouwbaarheid) van wetenschap, te behandelen net als
onderzoeksgegevens die door het onderzoeksproject ‘nieuw’ gegenereerd zijn. Boven-
dien geldt ook vanuit het perspectief van het efficiënter gebruik van wetenschappelijke
data, met data mining en interdisciplinaire kruisbestuiving, dat een brede definitie van
‘onderzoeksdata’ zinvol is. Vanuit deze invalshoek is namelijk relevant of een bepaalde
dataset potentieel interessant zou kunnen zijn voor onderzoekers om te gebruiken als
basis voor onderzoek.
Durven delen                                                                             83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>                                      116
Figuur 3 De onderzoekscyclus
                                                            Bedenk nieuw
                                                             experiment
                                         Publiceer                                    Bepaal
                                          artikel                                    methode
                                      Analyseer en
                                                                                     Verricht
                                       interpreteer
                                                                                   “experiment”
                                        gegevens
                                                               Verzamel
                                                              gegevens
Daarnaast is het relevant om te beseffen uit wat voor bron de (onderzoeks)gegevens
komen en wie ervoor betaalt. Er zijn onderzoeksdata die uit publieke, algemeen toe-
gankelijke bronnen komen, gegevens die door wetenschappers specifiek voor onderzoek
zijn gegenereerd en die met (een combinatie van) publieke of private middelen zijn
gefinancierd, maar voor onderzoek kunnen ook data(sets) gebruikt worden die commer-
cieel aangeboden worden.
5.2.2         Functies
Rond het verwerven, verwerken, opslaan en hergebruiken van onderzoeksgegevens
zijn de volgende functies van belang, die samengevat worden in Figuur 4 (zie p. 86).
Het verwerven van de relevante onderzoeksgegevens is een belangrijk onderdeel van
het onderzoeksproces. Dit heet ‘data capture’ en is een cruciale functie binnen het
onderzoek. Voor de onderzoeker is het van belang dat hijzelf en zijn medeonderzoekers
in het project vervolgens met die gegevens ‘aan de slag’ kunnen: analyse en
interpretatie. Als deze gegevens vervolgens bij de onderzoeker en zijn instelling blijven
en verder niet meer gedeeld worden, zal er vermoedelijk met die onderzoeksdata niet
zo veel meer gebeuren.
116
    In deze figuur is gefocust op die stappen die met data en publiceren te maken hebben; tussen de stap van publiceren en
    het bedenken van een nieuw experiment kunnen ook nog ‘theorie’ en ‘hypothesen’ gedacht worden, die natuurlijk de
    wetenschappelijke context vormen voor het nieuwe experiment.
Durven delen                                                                                                               84
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>Maar als iemand anders die data wil inzien of later nog eens wil hergebruiken, zal dat
vaak niet zo eenvoudig zijn. Steeds breder wordt erkend dat dat eigenlijk alleen kan
                                                                      117
als aan vier voorwaarden is voldaan (‘FAIR’):
1. Findable – de data zijn vindbaar;
2. Accessible – de data zijn toegankelijk;
3. Interoperable – de data zijn universeel leesbaar en bruikbaar;
4. Reusable – de data zijn geschikt voor hergebruik.
Als we in het vervolg spreken over ‘opslaan en delen’ van onderzoeksgegevens dan
bedoelen we eigenlijk steeds het FAIR opslaan en delen van zulke gegevens.
Deze FAIR-eisen betekenen dat bij ruwe onderzoeksgegevens helder gemaakt moet
worden hoe de context van het experiment was, wat voor software gebruikt is, wat de
meetresultaten nu ook al weer precies maten, etcetera. Kortom, voor hergebruik moeten
de ruwe onderzoeksgegevens geschoond en opgetuigd worden met metadata en andere
aanvullende informatie of functionaliteiten (bijvoorbeeld open beschikbare software om
                                                             118
met de gegevens aan de slag te gaan) Dit is de functie van data curation. Om de
identificatie van de onderzoeksgegevens te vergemakkelijken moeten er ook persistent
identifiers aan de set onderzoeksgegevens gehangen worden.
Nu de onderzoeksgegevens in beginsel geschikt zijn om door anderen ingekeken en
hergebruikt te worden, moeten ze ergens opgeslagen worden waar ze ook toegankelijk
zijn (data storage). Het gaat hier niet om zomaar opslaan, maar om het op een vaste plek
gestandaardiseerd, interoperabel en duurzaam opslaan - in een zogenaamde trusted
                           119
digital repository – en het vervolgens vindbaar maken via portalen
Hierna wordt het mogelijk voor derden om iets te doen met zulke data. Bijvoorbeeld
verdere analyse of data mining. Dit is de functie van de data exploitation.
Een andere mogelijkheid is om de onderliggende data op een of andere manier te visuali-
seren. Dat is bijvoorbeeld wat er gebeurt bij allerlei medische scantechnieken: de ‘meet-
gegevens’ worden vertaald naar een twee- of driedimensionaal beeld. Dit is de functie
van data visualisation.
Het blijkt dus dat als men ruwe onderzoeksgegevens wil opslaan en delen er toch nog
wel het een en ander bij komt kijken. Het is zeker niet zo dat een ‘traditionele’ verzame-
117
    Dit werd uitdrukkelijk aangegeven in onder andere onze gesprekken met SURFsara en DANS, zie verder over de FAIR-eisen:
    Data FAIRport (http://datafairport.org/) en FORCE11 (https://www.force11.org/node/6062 ).
118
    Steeds meer portalen zoals github.com wordt er in samenwerkingsverband aan (open) software en codes gewerkt. Interessant is
    dat software en codes uiteindelijk ook aan een repository kunnen worden geleverd en aan DOI’s (Digital Object Identifiers) worden
    gekoppeld. Zo kan niet alleen naar data zelf, maar ook naar achterliggende software en codes worden verwezen.
119
    Zie voor een definitie: http://sedataglossary.shoutwiki.com/wiki/Trusted_digital_repository
Durven delen                                                                                                                        85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>ling onderzoeksdata met één druk op de knop duurzaam op te slaan valt zodanig dat
anderen die set kunnen (her)gebruiken. Wie achteraf zijn gegevens geschikt wil maken
om te delen, zal hoogstwaarschijnlijk ontdekken dat dat nog veel tijd en moeite kost.
Beter is het om vóóraf al heel goed na te denken over welke onderzoeksgegevens men
wil verzamelen, van wie/wat, op welke manier en hoe men die gegevens goed toe-
gankelijk kan maken (en houden) voor anderen met wie men die data wenst te delen.
Dit is de functie van data management. Dit lijkt een open deur, maar goed data
                                                                                                     120
management krijgt in de praktijk nog niet altijd voldoende aandacht.
In de onderstaande figuur staan de belangrijkste functies rond onderzoeksdata
samengevat.
Figuur 4 Overzicht van de belangrijkste functies rond onderzoeksdata
                         • Data Management Plan: vóór het onderzoek aangeven hoe met data wordt omgegaan,
                           hoe en volgens welke standaarden het wordt opgeslagen en wie toegang heeft
                         • Data Capture: het op de juiste en herkenbare wijze verzamelen van de betreffende data
     Verzamelen
                         • Data Curation: data voorbereiden voor opslag en vindbaarheid (metadateren, opschonen,
                           etc.)
                         • Data Storage: data op een vaste plek gestandaardiseerd, interoperabel en duurzaam
     Verwerking            opslaan in een zogenaamde trusted digital repository en vindbaar maken via portalen
      en Opslag
                         • Data Exploitation: gebruik van de vindbaar opgeslagen data door middel van verdere
                           analyses of data mining
                         • Data Visualisation: het begrijpelijk maken van geanalyseerde data
        Gebruik
5.2.3            Actoren
Verschillende actoren zijn betrokken bij onderzoeksdata. Bij het vergaren van de data,
het bewerken, het opslaan, ontsluiten en ook het (her)gebruiken ervan. Ze hebben allen
hun belangen, voorkeuren en mogelijkheden. Dat heeft invloed op hoe het delen van
onderzoeksgegevens zich ontwikkelt en kan ontwikkelen. Hier proberen we de belang-
rijkste actoren in kaart te brengen. Deze actoren houden zich bezig met een of meer
120
    Zie bijvoorbeeld: Dillo en Doorn (2011) met een breed overzicht, Bakker (2014) voor psychologie en Oldenburg (2015) voor
    sociologie. Bovendien werd dit ook bevestigd in verschillende gesprekken die we gevoerd hebben voor dit rapport.
Durven delen                                                                                                                 86
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>                                                                        121
verschillende functies. In het Europese RECODE-onderzoeksproject worden de
volgende rollen onderscheiden die direct samenhangen met de hiervoor genoemde
functies: verzamelaars (capture), curators (curation), verspreiders (storage) en
gebruikers (exploitation en visualisation). Daarnaast wijst het RECODE-project op de
rol van de financier van onderzoek. Hoewel deze rol niet direct betrekking heeft op de
data, is die zeker relevant omdat een financier de randvoorwaarden van het onderzoek
bepaalt: heeft deze bijvoorbeeld geld over voor de eventuele meerkosten van data
curation en opslag?
Net als bij toegang tot publicaties (open access) is het voor het vrijgeven van onder-
zoeksdata belangrijk om te weten wie onderzoeksdata (kunnen) ontsluiten, wie hier
belang bij hebben en waarom.
Onderzoekers
Het verzamelen van onderzoeksgegevens wordt door wetenschappelijke onderzoekers
gedaan (eventueel met ondersteuning). Wetenschappers verzamelen data alleen of in
samenwerkingsverbanden en delen data, afhankelijk van de samenwerking binnen en
buiten het vakgebied, in een bepaalde mate. Kern van het verhaal is dat data in beginsel
ontsloten moeten worden door de wetenschapper die ze verzamelt. Dit werpt meteen
vragen op: waarom zou een wetenschapper data ontsluiten, en wat komt hier bij kijken?
Onderzoekers voelen zich de ‘eigenaar’ van hun eigen data. Die data kunnen ze voor
meer dan één artikel gebruiken. Ze hebben er dus belang bij hun data niet onmiddellijk
bij de eerste publicatie aan de openbaarheid prijs te geven, laat staan vóór een eerste
publicatie daarover. Er moeten duidelijke, tastbare redenen zijn voor een onderzoeker
om zijn data met anderen te delen, zeker omdat dat delen ook extra inspanningen vraagt.
Dat kan zijn een wederzijds belang (elkaars data kunnen gebruiken) of een gezamenlijk
belang (werken aan stukjes van een grote puzzel), of een verplichting van de kant van
een financier, of de diepe overtuiging dat onderzoeksgegevens gedeeld zouden moeten
worden. In bepaalde vakgebieden heerst die cultuur van openheid en delen. (Zie het
tekstkader over CERN.) Aan de andere kant zijn er ook tal van goede redenen om
onderzoeksgegevens niet te delen: bijvoorbeeld privacy, strategische redenen of
                                  122
commerciële belangen.
De weg naar het delen van onderzoeksdata begint bij de onderzoeker. Hij is in de
gelegenheid om ervoor te kiezen om data ter beschikking te stellen, bijvoorbeeld als
supplementaire informatie bij een artikel. Veel uitgevers springen hierop in en bieden
de mogelijkheid daartoe. Ook kan een onderzoeker kiezen om zijn onderzoeksdata
langdurig op te slaan in een open archief en toegankelijk te maken voor anderen.
121
    Zie: http://recodeproject.eu/
122
    Zie bijvoorbeeld OESO (2015b, p. 60) voor een opsomming.
Durven delen                                                                            87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>Eveneens zou een onderzoeker op aparte platforms of op een eigen website data
kunnen publiceren. Via deze wegen kunnen de (ruwe) onderzoeksdata worden bekeken
en becommentarieerd, maar soms ook worden hergebruikt voor verder onderzoek door
andere wetenschappers.
Onderzoekers zijn ook potentiële gebruikers van onderzoeksdata van andere onder-
zoekers. In die hoedanigheid hebben ze er in beginsel baat bij dat onderzoeksdata
worden gedeeld. Bepaald type onderzoek is ook alleen maar mogelijk op basis van
bestaande onderzoeksgegevens. Daarbij is het evident dat onderzoekers profiteren
van beschikbaarheid. Toch blijkt dat in de praktijk veel onderzoekers (in de meeste
vakgebieden) nog terughoudend zijn om hun werk op de data van andere onderzoekers
                    123
te baseren. Ze voelen zich daar toch minder prettig bij, omdat ze niet precies de
context kennen. Maar uiteindelijk ligt bij de ‘gebruikende’ onderzoekers wel een belang-
rijke sleutel of het delen van onderzoeksdata een succes wordt. Want als de opgeslagen
en toegankelijke onderzoeksgegevens verder niet of zeer beperkt gebruikt worden, heeft
het opslaan en delen van die data dus kennelijk niet zo veel zin met het oog op ‘her-
gebruik’ binnen de wetenschap. In dit perspectief is het dus interessant om te analyseren
hoe vaak datasets nu hergebruikt worden. DANS (2015, p. 10) geeft vooralsnog
geaggregeerde cijfers over de verhouding van het aantal jaarlijkse downloads van
datasets ten opzichte van het totaal aantal beschikbare datasets in de verschillende
vakgebieden waarvoor DANS data bewaart. Dit schommelt tussen 0,5 en 2,0. Dat zegt
natuurlijk nog niets over de verdeling: misschien concentreren de downloads zich op
slechts een klein deel van de bewaarde datasets. Een nadere analyse is nodig.
Overigens heeft openheid van data natuurlijk in ieder geval waarde met het oog op
integriteitcontrole van wetenschappelijk werk, los van eventueel hergebruik.
Ten slotte zal, bij toenemende opslag van onderzoeksdata, een vorm van ‘kwaliteits-
indicatie’ steeds belangrijker worden. Welke waarde moeten we een dataset toekennen.
Wie gaat dat verzorgen? Komt er een soort review systeem, vergelijkbaar met dat voor
artikelen? Het ligt zeer voor de hand dat onderzoekers in dit proces een centrale rol gaan
vervullen. Dit is dus een derde rol voor onderzoekers rond het delen van data.
                                      124
    Open Data en CERN
    De deeltjesversneller CERN heeft een eigen dataportaal waar het alle open data die
    gegenereerd zijn in de experimenten van de Large Hadron Collider (LHC) plaatst.
    Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen data op vier niveaus: 1) data direct
    gerelateerd aan publicaties, 2) versimpelde datasets die gebruikt kunnen worden voor
123
    Gebaseerd op ons gesprek met DANS in juli 2015, zie ook DANS (2011).
124
    Vrij naar: http://opendata.cern.ch/about?ln=en
Durven delen                                                                             88
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>    onderwijs en communicatie naar buiten toe, 3) data en simulaties met bijbehorende
    software op analyseniveau voor wetenschappelijk gebruik, 4) ruwe data en software
    die niet onder 3 vallen. Alle data die onder de niveaus 1-3 vallen worden ontsloten,
    eventueel na een embargo; ruwe data onder niveau 4 niet altijd. Deze embargotijden
    verschillen per experiment en zijn onder andere nodig om wetenschappers de kans
    tot publiceren te bieden.
    Aan alle data (en software) hangt een persistent identifier, in dit geval een DOI (Digital
    Object Identifier). Zo kunnen, zoals afgesproken in de FORCE 11 Joint Declaration of
                       125
    Data Citation , de data worden geciteerd. De data worden gedeeld via een Creative
    Commons CC0 public domain dedication en software met een open source licentie.
    Wel plaatsen sommige wetenschappers bij CERN duidelijk een kanttekening. In hun
    ogen moet de complexiteit van de data en de tijd en moeite die in de data is gestoken
    om ze te verzamelen en te begrijpen niet worden onderschat. De gepubliceerde data
    moeten te allen tijde worden gezien in de complexe context waarin ze zijn ver-
                126
    zameld. CERN deelt de data daarom ook niet zo zeer om te zien wat hier nog
    uitgehaald kan worden, maar ook juist om te zien hoe data het best en het meest
    begrijpelijk gepresenteerd kunnen worden.
Onderzoeksinstellingen (zoals universiteiten)
Onderzoeksinstellingen spelen een rol doordat zij hun werknemers (de wetenschappelijk
onderzoekers) ondersteunen met faciliteiten of doordat zij als werkgever beleid voeren.
Bovendien zijn ze de eigenaar of hebben ze een bepaalde mate van zeggenschap over
de verkregen onderzoeksdata. Onderzoeksinstellingen zijn gebaat bij gedegen onder-
zoek: het delen van onderzoeksdata kan helpen om de kwaliteit van onderzoek toe te
laten nemen doordat men rigoureuzer moet zijn bij het verzamelen van onderzoeksdata.
Ook zou de efficiëntie binnen een instelling hoger kunnen worden als de onderzoekers
onderling toegang zouden hebben tot elkaars (onderzoeks)data. Maar een instelling
hoeft, net als onderzoekers, niet altijd welwillend te zijn om gegenereerde data te delen
met anderen buiten de wetenschap; er moet eigenbelang bij zitten.
Onderzoeksinstellingen hebben een bepaalde macht om het delen van onderzoeksdata
te bevorderen. Als werkgever kunnen ze hun onderzoekers bepaald beleid opleggen.
Daarnaast kunnen ze ook zelf een rol op het gebied van opslag oppakken, door opslag-
faciliteit te bieden in de instellingsrepositories. Overigens is het een legitieme vraag of
deze rol van opslag bij universiteiten belegd moet worden: kunnen open onderzoeksdata
125
    Data Citation Synthesis Group (2014).
126
    http://home.web.cern.ch/cern-people/opinion/2014/11/road-open-science
Durven delen                                                                                  89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>beter centraal of juist decentraal worden opgeslagen? Een decentrale opslag staat
dichter bij de onderzoeker en geeft een zekere vorm van (fysieke) controle over de data,
maar centrale opslag vergemakkelijkt het standaardiseren van opslag. Wel is het zo dat
verminderde controle, zeker als data in het buitenland worden opgeslagen, het “weg-
geven” van data aan een repository minder aantrekkelijk maakt.
Hoewel universiteiten op papier het opslaan en delen van onderzoeksgegevens wel
steunen, zullen ze in de praktijk ook oog hebben voor nadelen zoals de meerkosten,
complicaties rond publiek-private samenwerking, en een spanningsveld met de taak van
universiteiten om kennis ook te valoriseren.
Onderzoeksfinanciers
Onderzoeksfinanciers zitten in een krachtige positie, want ze hebben het beheer over de
‘stok’ (vereisten voor beurzen) en de ‘wortels’ (de beurzen zelf). In zekere zin is het effec-
tief de enige speler die het delen van onderzoeksdata kan verplichten. Veel onderzoek –
zeker in Nederland – is publiek gefinancierd, hier kan een overheid via de financiering
aan knoppen draaien. Ook andere typen financiers, bijvoorbeeld charitatieve fondsen,
kunnen grote openheid en het delen nastreven.
De vraag is natuurlijk wel gerechtvaardigd of onderzoeksfinanciers belang hebben bij
het opslaan en delen van onderzoeksdata. In eerste instantie zal het vermoedelijk extra
kosten met zich meebrengen. Maar een financier kan natuurlijk wel redenen hebben om
het delen van onderzoeksdata toch te willen (bevorderen). Bijvoorbeeld uit de overtuiging
dat openheid bij de wetenschap hoort en deze ook verder helpt, of vanuit de overtuiging
dat het bijdraagt aan de bredere efficiëntie van wetenschap bedrijven en dat daarmee de
meerkosten ook kunnen worden ‘terugverdiend’. Of vanuit de gedachte dat resultaten
van publiek gefinancierd onderzoek in principe ook publiek toegankelijk gemaakt moeten
worden. In de praktijk zal het van onderzoeksfinancier tot onderzoeksfinancier verschillen
hoe ze staan ten opzichte van het delen van onderzoeksdata.
Er is ook veel onderzoek dat (deels) privaat gefinancierd wordt. Juist deze private partijen
zijn, hoewel bereid om artikelen te delen, vaak minder enthousiast over het vrijgeven van
onderzoeksdata. Voor deze gevallen is het dan ook van belang om goede afspraken te
maken en ze eventueel in beleid vast te leggen. Deze afspraken rondom intellectueel
eigendom, octrooien en bedrijfsgeheimen zijn nodig om private investeerders in R&D
niet af te schrikken.
Data archivarissen
Na het verzamelen van de onderzoeksgegevens tijdens het doen van het onderzoek
zullen deze data geschikt gemaakt moeten worden voor opslag ervan en vervolgens
worden opgeslagen. Dat is een taak die data-archivarissen op zich (kunnen) nemen.
Durven delen                                                                                 90
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>In Nederland zijn er drie centrale data-archieven (3TU.Datacentrum, DANS en
SURFsara), die hun krachten hebben gebundeld in de coalitie Research Data
Netherlands. Deze relatief grote partijen hebben de gemeenschappelijke missie om
                                                                             127
duurzame archivering en hergebruik van onderzoeksdata te bevorderen. Hier
betrekken ze ook andere partijen bij. Deze drie datacentra vervullen een ‘backoffice-
functie’ in het proces van curatie van onderzoeksgegevens: ze zorgen dat de
aangeleverde data duurzaam worden gearchiveerd. De ‘frontoffice’ wordt bij deze
werkwijze vaak gevormd door de universiteitsbibliotheken, die dichter bij de onderzoeker
staan. Door de krachten zo te bundelen zijn specialistische kennis en vaardigheden via
één loket toegankelijk. Bovendien zijn alle aangesloten archieven ook nog eens
                                                                128
gewaarmerkt met het Data Seal of Approval.
Ergens moet coördinatie rondom standaardisatie van dit proces rondom capture, curate
and store komen. De overheid zou hier een rol kunnen spelen – zeker waar zij dit onder-
zoek ook financiert en prikkels kan uitdelen. Er zijn standaarden om data op te slaan en
ze bruikbaar en reproduceerbaar te maken, maar deze standaarden zijn vaak beperkt tot
een discipline of onderzoeksgezelschap en worden zelden breed gecommuniceerd.
Bredere afspraken moeten er voor zorgen dat standaarden niet alleen worden vast-
gesteld, maar ook breed worden gedeeld en omarmd. Welke partij(en) uiteindelijk deze
rollen gaan vervullen – ook op de lange termijn – is irrelevant, zolang de verantwoorde-
lijkheid maar ergens belegd is.
Data-opslagfaciliteiten
Dataopslagfaciliteiten, dat wil zeggen de plekken waar de data fysiek opgeslagen
worden, zullen meer vraag naar hun diensten als positief ervaren. Ze kunnen inspelen
op de exponentiële groei van data, wel moet er worden gevraagd welke data rendabel
zijn om op te slaan en voor hoe lang (aan opslag zijn kosten verbonden). Deze vraag
maakt de opslagfaciliteiten weinig uit, maar zal wel een rol moeten spelen in het beleid
van financiers van deze faciliteiten.
Uitgevers
Grote uitgevers spelen een rol, omdat ze de middelen hebben om een uitgebreide
infrastructuur te ontwikkelen en het businessmodel is aantrekkelijk. Maar net als de
APC’s voor open access zijn er ook kosten aan het opslaan van data verbonden. Goede
afspraken over rentmeesterschap (data stewardship) op de lange termijn zijn belangrijk
om ‘oneindige’ toegang tot opgeslagen data te garanderen, omdat deze partijen hier niet
                                          129
altijd zelf belang bij hebben. Het is uiteindelijk aan de ‘markt’ om te bepalen of
bibliotheken, uitgevers of andere partijen de beste keuze zijn. Bovendien ontwikkelen
127
    http://www.researchdata.nl/over-rdnl/
128
    Zie hierover: http://www.datasealofapproval.org
129
    Voor meer over data stewardship, zie Netherlands eScience Center (2013).
Durven delen                                                                             91
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>verschillende uitgevers ook nieuwe mogelijkheden van publicatie gerelateerd aan
onderzoeksgegevens.
Bibliotheken
Ook bibliotheken zien een rol voor zichzelf weggelegd (eventueel als collectief via
samenwerkingsverbanden) maar vragen om financiering. Ze hebben de vaardigheden
in huis maar zijn op het gebied van infrastructuur geen concurrent voor uitgevers en
andere private partijen. Onderzoeksinstellingen en bibliotheken hebben belang bij
gedegen onderzoek, iets waar het delen van onderzoeksdata bij kan helpen, maar
hebben vaak ook niet voldoende middelen beschikbaar. Wel kunnen deze partijen
een belangrijke rol spelen om onderzoekers Open Science Literacy bij te brengen
(Data Management Plans etc.) om de omgang met onderzoeksdata te verbeteren.
Bedrijven
Bedrijven kunnen verschillende rollen spelen. Als financier van onderzoek of als
producent van onderzoeksdata willen ze eigen onderzoeksdata meestal niet, of pas
later, vrijgeven vanwege de commerciële belangen of vanwege de wens om controle
                                                             130
te houden over wat er met de data gebeurt. Dit is een barrière voor het delen van
onderzoeksdata bij onderzoeken die deels privaat gefinancierd zijn. (Zie ook hierboven
bij de onderzoeksfinanciers: zaken als intellectueel eigendom dienen goed geregeld
te zijn.)
Aan de andere kant is er ook een ontwikkeling gaande dat bedrijven zelf pro-actief al
onderzoeksgegevens publiceren om transparantie jegens klanten en de maatschappij te
bereiken, bijvoorbeeld rond voeding. Soms moeten ze dat soort gegevens ook al delen
met autoriteiten om zo bijvoorbeeld claims te kunnen staven over de werking en eigen-
schappen van producten. Hier zien we dus andere soorten drivers aan het werk die ook
leiden tot het ontsluiten van onderzoeksgegevens. Ook zijn er initiatieven om de resul-
taten van niet-gepubliceerde onderzoeken (zoals door bedrijven uitgevoerde clinical
trials) toch ter beschikking te stellen voor secundair wetenschappelijk onderzoek, zoals
                                                           131
bijvoorbeeld gebeurt in het YODA-project.
Bedrijven zouden echter ook als ‘gebruiker’ van open onderzoeksdata kunnen profiteren
en hier nieuwe businessmodellen op ontwikkelen. De toekomst zal moeten uitwijzen in
hoeverre dit tot significante resultaten zal leiden. Om een idee te krijgen van hoe zich dit
zal ontwikkelen is het interessant om te kijken tot welke ontwikkelingen het openstellen
van overheidsdata heeft geleid (‘open overheidsdata’). Dit staat hieronder beschreven in
een tekstkader. Uit die case kunnen we concluderen dat de mate waarin het openstellen
van onderzoeksgegevens leidt tot nuttig gebruik door bedrijven vermoedelijk sterk zal
130
    Dit kwam onder meer aan de orde in de gesprekken met enkele bedrijven.
131
    Zie: yoda.yale.edu
Durven delen                                                                                92
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>afhangen van de aard van het bedrijf in combinatie met de aard en bruikbaarheid van
de data.
Maatschappelijke organisaties en burgers
Maatschappelijke organisaties en burgers willen toegang hebben tot zo veel mogelijk
onderzoek en onderzoeksresultaten die voor hen interessant of relevant zijn. Het gratis
delen van onderzoeksdata door onderzoekers neemt een financiële barrière weg. Maar
een groot deel van de burgers en bedrijven zal vaak niet voldoende middelen en vaardig-
heden in huis hebben om ruwe onderzoeksdata te kunnen interpreteren. Om te zorgen
voor nuttig gebruik is duiding en een gebruiksvriendelijke vorm van presentatie nodig.
Een mooi voorbeeld hiervan zijn de verschillende databanken die het Meertens Instituut
op zijn website presenteert, compleet met zoekfuncties en dergelijke.
Durven delen                                                                            93
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>                           132
    RECODE Project
    In het door de EU mede gefinancierde RECODE Project (RECommendations for
                                                                      e
    Open Access to Research Data in Europe, onderdeel van het 7 Kaderprogramma) is
    in 2014 onderzocht welke uitdagingen data dissemination and preservation in de weg
    staan. In het onderzoek zijn verschillende netwerken, initiatieven, projecten en onder-
    zoeksgroepen bestudeerd en is er rekening gehouden met diversiteit in de vak-
    gebieden, locatie en belangen van stakeholders.
    Twee overkoepelende hordes kwamen naar voren: 1) er mist een samenhangend
    open data “ecosysteem” en 2) er is te weinig aandacht voor onderzoekspraktijk en
    de specifieke rol van data verzamelen daarin.
    De stakeholders bij Open Onderzoeksdata werden over vijf groepen verdeeld:
    1) financiers, 2) verzamelaars, 3) verspreiders, 4) curators en 5) gebruikers. Dit
    illustreert duidelijk dat er na het verzamelen van data nog veel komt kijken om data
    daadwerkelijk te ontsluiten – de weg naar openheid is complex en wordt door alle
    belanghebbenden ook nog eens anders bekeken. Daarnaast zijn er ook zorgen over
    de kosten van het delen van onderzoeksdata: waar komt het geld vandaan en gaat
    dit ten koste van iets?
    Ook zijn er op technisch gebied uitdagingen. Data moeten aan allerlei eisen voldoen:
    heterogeen en interoperabel, toegankelijk en vindbaar, duurzaam bewaard en
    gecureerd, van hoogwaardige kwaliteit en veilig. Hoewel deze uitdagingen – in
    vergelijking met financiële, culturele en juridische barrières – makkelijk oplosbaar zijn,
    moeten deze niet uit het oog worden verloren. Het RECODE project vraagt aandacht
    voor een holistische oplossing waarin open en interoperabele standaarden,
    geharmoniseerde vindbaarheid en diensten, persistent identifiers, een cultuur van
    goed datamanagement, gebruiksklare data en technische oplossingen voor veilig-
    heids- en juridische problemen een rol spelen. Ook hier moet rekening worden
    gehouden met de diversiteit binnen de wetenschappelijke gemeenschap.
    Daarnaast vragen juridische en ethische vraagstukken om een oplossing. Dit gaat
    met name over intellectueel eigendom (copyright, trade secrets en databaserechten),
    privacy en databescherming, en open access mandaten. Ethische vraagstukken
    kwamen vooral voort uit zorgen over secundaire gebruikers, commercieel gebruik,
    een onevenredige verdeling en ongelijke verdeling van de kosten van onder-
    zoeksdata. Veel huidige oplossingen zijn te vinden in soft law. RECODE beveelt hier
    aan om Open Licencing te gebruiken, hoogwaardige data op een juiste manier
132
    Zie: RECODE (2014) en www.recodeproject.eu
Durven delen                                                                                   94
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>   erkennen en belonen, en bij het toegankelijk maken van onderzoeksdata je alleen te
   richten op data waar het (juridisch) verantwoord is om ze te ontsluiten.
   Aansluitend zijn er ook praktische vraagstukken waar een antwoord op moet komen:
   (financiële) ondersteuning, (continuïteit van) kwaliteitsborging, waardering en
   betrouwbaarheid van onderzoeksdata. Wie is hier verantwoordelijk voor, hoe worden
   alle partijen betrokken en hoe worden de voordelen en grenzen van Open Onder-
   zoeksdata gecommuniceerd? Dit is een uitdaging voor archieven, bibliotheken,
   universiteiten, data centres en onderzoeksfinanciers. Er moeten heldere afspraken
   komen over financiering, voorlichting, waardering en verantwoordelijkheid.
   Ondanks dat veel afspraken op kleinschalig niveau moeten worden gemaakt doet
   RECODE tien algemene aanbevelingen:
   1. Ontwikkel duidelijk en consistent beleid dat Open Onderzoeksdata omarmt en
        ondersteunt.
   2. Zorg voor voldoende financiering van Open Onderzoeksdata.
   3. Beloon onderzoekers voor het vrijgeven van hoogwaardige datasets en leg dit
        vast in beleid.
   4. Betrek de belangrijke partijen en netwerken om een duurzame samenwerking
        rondom Open Onderzoeksdata aan te gaan.
   5. Maak plannen voor lange termijn en duurzame curatie en opslag van Open
        Onderzoeksdata.
   6. Ontwikkel technische- en infrastructurele oplossingen voor Open Onderzoeksdata
        voor de lange termijn met alle betrokken partijen.
   7. Leg technische- en wetenschappelijke kwaliteitsstandaarden vast.
   8. Verplicht het gebruik van geharmoniseerde Open Licencing.
   9. Pak juridische- en ethische barrières aan en zie ze niet als een belemmering.
   10. Geef Open Onderzoeksdata een rol in curricula en opleidingen.
5.3        Beleid voor het delen van onderzoeksdata
Zoals eerder al aangegeven loopt het onderwerp van de toegang tot onderzoeksdata qua
ontwikkeling wat achter bij open access tot wetenschappelijke publicaties. Dat heeft ook
zijn weerslag op het overheidsbeleid voor het delen van onderzoeksdata. Bij veel over-
heden springen bij dit onderwerp al snel de extra middelen in het oog die nodig zijn voor
het opzetten van een e-infrastructuur voor opslag en de meerkosten om data geschikt te
maken voor opslag, los van andere belemmeringen voor het vrijgeven van onderzoeks-
Durven delen                                                                              95
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>                                                                                                                        133
data (zoals privacy). Dat maakt ze vaak in eerste instantie minder enthousiast. Enfin,
dit zijn allemaal redenen waarom dit onderwerp qua specifiek beleid en concrete maat-
                                                                                               134
regelen minder ontwikkeld is dan open access tot publicaties.
UNESCO en OESO
De VN-organisatie UNESCO ziet toegang tot onderzoeksgegevens uitdrukkelijk als een
                                                                                                                                    135
onderdeel van de door haar gewenste open toegang tot wetenschappelijke informatie.
De OESO vindt het delen van onderzoeksdata ook een interessante gedachte en heeft in
het verleden al een aantal principes geformuleerd voor het toegankelijk (en herbruikbaar)
                                             136
maken van onderzoeksdata.
Europese Unie
De Commissie en vrije(re) toegang tot onderzoeksresultaten
In 2012 gaf de Europese Commissie de lidstaten, via een aanbeveling, richtsnoeren om
                                                                                                                                 137
resultaten van publiek gefinancierd onderzoek, waaronder data, openbaar te maken.
Dit had als doelen om de impact van publiek gefinancierd wetenschappelijk onderzoek te
optimaliseren en om de science- and knowledge-based economy een impuls te geven.
Ook intellectuele eigendom, text- and data mining, altmetrics, e-infrastructuur en inter-
nationale samenwerking komen hier aan bod. Dit bredere open science plaatje is onder-
deel van de Digitale Agenda en wordt geschaard onder de noemers van de Digital Single
Market, European Research Area en Innovation Union.
                                                                                             138
Een aanbeveling is echter, net als een eerdere mededeling, niet bindend en lidstaten
                                                 139
zijn vrij om hiervan af te wijken. Wel komen veel aanbevelingen terug in het eigen EU
beleid, zoals bij het toekennen van Horizon 2020 (H2020) financiering. De EU pakt hier
ook haar faciliterende rol op: zo wordt bijvoorbeeld het Open Data Institute gesubsi-
dieerd; daar wordt gewerkt aan open data skills, open data onderzoek en open data
                140
startups.
Maar ook het Data Management Plan heeft een plek gekregen in H2020 in de vorm van
een pilot. Deze open research data pilot binnen H2020 wil de Commissie gebruiken om
ervaringen te evalueren en toekomstig beleid op te baseren. Ook heeft de Commissie
133
    Bij verschillende respondenten in onze landenvergelijking (zie Bijlage 2) kwam dit punt expliciet terug als reden waarom in het
    destbetreffende land nog geen sterk beleid voor het delen van data was ontwikkeld.
134
    Dit is de conclusie in bijvoorbeeld OESO (2015b), maar ook van eerdere onderzoeken als Nicol et al. (2013).
135
    UNESCO (2011).
136
    OESO (2007).
137
    Aanbeveling van 17 juli 2012 betreffende de toegang tot en de bewaring van wetenschappelijke informatie (2012/417/EU), PbEU
    2012 L 194/39.
138
    Mededeling van de Commissie van 17 juli 2012, ‘Naar een betere toegang tot wetenschappelijke informatie: Vergroting van de
    voordelen van overheidsinvesteringen in onderzoek’, COM(2012) 401 final.
139
    Zie ook Lelieveldt en Princen (2011).
140
    Zie: http://horizon2020projects.com/il-ict/worlds-largest-investment-in-open-data-start-ups-announced/
Durven delen                                                                                                                          96
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>onderzoek gedaan naar wat de wensen en eisen zijn van gebruikers en verzamelaars
                                                                                            141
van data. Dit deed ze met behulp van een openbare raadpleging. Verder zijn
                                                e
onlangs de resultaten van het 7 kaderprogramma project RECODE gepubliceerd
                                                                            142
(zie tekstkader aan het eind van de vorige paragraaf).
In de open research data pilot binnen H2020 moet, na het toekennen van de financiering,
in bepaalde aangewezen vakgebieden binnen zes maanden worden aangegeven welke
                                                                                                            143
onderzoeksdata wel ontsloten worden, welke niet worden vrijgegeven, en waarom.
Het gaat hier om data die nodig zijn om het onderzoek te valideren (onderliggende data)
en andere indirect gebruikte data (waaronder metadata). Vrijwillige deelname aan de pilot
door ontvangers van financiering buiten de voor de pilot aangewezen vakgebieden wordt
aangemoedigd. Dit is de zogenaamde opt-in.
Een opt-out is in bepaalde gevallen mogelijk. Dit kan aan de orde zijn als er geen data
worden verzameld, resultaten beschermd moeten blijven, resultaten vertrouwelijk zijn, de
openbare orde en veiligheid in het geding komen, het privacygevoelige data betreft of als
het doel van het onderzoek in het geding komt door data te ontsluiten. Ook commerciële
motieven zijn dus grond voor een opt-out.
In het datamanagementplan wordt aangegeven welke data worden verzameld of
gegenereerd, wat de standaarden zijn, welke data worden gebruikt en hoe, en wie en
hoe de data worden gecureerd en bewaard. Na het onderzoek worden deze data, als
hiertoe besloten is, door de onderzoeker naar een zelf gekozen repository gebracht.
Naast repositories voor artikelen biedt OpenAIRE ook een overzicht van data-repositories
                                                            144
en ondersteuning om de juiste te vinden. Binnen deze repositories moeten de data
wereldwijd toegankelijk zijn en moeten mining, hergebruik en verspreiding mogelijk zijn –
gratis. Het gaat hier dus om echte open onderzoeksdata. Uitgebreide monitoring en
ondersteuning moeten nog ontwikkeld worden.
Nederland
Beleid in Nederland
In Nederland was de aandacht van de regering in eerste instantie gericht op open access
                                                   145
tot wetenschappelijke publicaties, maar inmiddels lijkt ook het onderwerp van het delen
                                                                                     146
van onderzoeksdata op het netvlies van de regering beland. Tot regelgeving heeft dat
echter nog niet geleid. Nederlands ‘beleid’ voor (het delen van) onderzoeksdata komt dan
ook nog voor rekening van de regels die onderzoeksfinanciers hanteren en ‘beleid’ bij de
141
    Europese Commissie (2013a).
142
    RECODE (2014).
143
    Europese Commissie (2013b).
144
    Zie: https://www.openaire.eu/repository/ordp/select-rep
145
    Brief van staatssecretaris OCW aan de Tweede Kamer van 15 november 2013, TK 2013-2014, 31 288, nr. 354.
146
    Brief van staatssecretaris OCW aan de Tweede Kamer van 23 januari 2015: TK 2014-2015, 31 288, nr. 414.
Durven delen                                                                                                    97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>onderzoeksinstellingen zelf. Daarnaast faciliteert de overheid wel door een deel van de
benodigde infrastructuur te bekostigen.
Vanuit de financiers geldt dat de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk
Onderzoek (NWO) per 2015 begonnen is met een pilot voor datamanagement die
                                                                               147
vergelijkbaar is met wat binnen Horizon 2020 gebeurt. Dit is beperkt tot zes
                               148
financieringsrondes. De bedoeling is dat deze pilot de basis zal worden voor een
datamanagementbeleid in alle NWO financieringsinstrumenten. Volledige toegang tot
data is het uitgangspunt, maar privacy, openbare veiligheid, eigendomsrecht of
commerciële belangen zijn redenen tot restricties.
De kosten voor datamanagement mogen opgevoerd worden in de aanvraag van finan-
ciering. In deze aanvraag komt ook een datamanagementparagraaf. Deze paragraaf
wordt echter (nog) niet meegenomen in de beoordeling van de financieringsvraag.
In de paragraaf moeten de volgende vragen beantwoord worden:
1. Worden er data verzameld of gegenereerd die voor hergebruik geschikt zijn? (Ja:
        beantwoord dan vraag 2 t/m 4; Nee: licht dan toe waarom het onderzoek niet leidt
        tot herbruikbare data, of tot data die niet kunnen worden opgeslagen of om andere
        redenen niet relevant zijn voor hergebruik.)
2. Waar worden de data gedurende het onderzoek opgeslagen?
3. Hoe worden de data na afloop van het project voor de lange termijn opgeslagen
        en voor hergebruik beschikbaar gesteld voor derden? Voor wie zijn de data
        toegankelijk?
4. Welke voorzieningen zijn naar verwachting nodig voor de opslag van data gedurende
        het onderzoek en na het onderzoek? Zijn deze beschikbaar?
Onder ‘data’ verstaat NWO verzamelde en onbewerkte data, maar ook geanalyseerde en
gegenereerde data – zowel digitaal als niet-digitaal. Wel wordt de opslag beperkt tot data
die relevant zijn voor hergebruik, maar welke dit zijn is lastig op voorhand te bepalen.
De data worden bij voorkeur opgeslagen in een erkende data repository, of eventueel
een institutionele repository.
Daarnaast steunt Nederland veel internationale samenwerkingsverbanden, waaronder
het Europese samenwerkingsverband ELIXIR. Hier worden biologische en biomedische
onderzoeksdata uitgewisseld. De focus ligt hier op het integreren en delen van data uit
eerder onderzoek. Binnen ELIXIR worden afspraken gemaakt over het beschikbaar
stellen en houden van data, om dit te ondersteunen stelt Nederland € 1,1 miljoen
beschikbaar.
147
    http://www.nwo.nl/beleid/open+science/datamanagement
148
    HTM-call (high tech materialen) (STW), Innovatieve Publiek-Private Samenwerking in ICT (EW), Onderzoekstalent (MaGW),
    Urbanising Deltas of the World of Security and the Rule of Law (WOTRO), Vici, Vrije competitie (ALW), Projectruimte FOM.
Durven delen                                                                                                                 98
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>Al met al zijn er genoeg initiatieven en steun rondom het delen van onderzoeksdata,
maar echt hard beleid is er niet. Of dit altijd nodig is, is een tweede – veel ontwikkelingen
komen tenslotte van onderop, vanuit de wetenschap. Deze ontwikkelingen hebben echter
soms wel regie nodig, of moet met beleid worden afgedwongen. In het beleid rondom het
delen van onderzoeksdata moeten ook andere juridische zaken wat betreft privacy en
veiligheid een plek krijgen.
Andere landen
Uit onze analyse van het beleid en de praktijk rond open access tot publicaties en de
toegang tot onderzoeksdata in de verschillende landen komt vooral naar voren dat, waar
er vaak al wel expliciet overheidsbeleid bestaat rond open access tot publicaties, dat nog
ontbreekt rond het delen van onderzoeksdata. Vaak wordt als reden aangegeven dat dit
qua ontwikkeling achter loopt, maar ook wordt bij dit onderwerp erkend dat er nog vele
bezwaren zijn en hobbels die eerst genomen moeten worden. Het kan dan gaan over
juridische issues, maar ook over de noodzaak van infrastructuur voor opslag (en de
kosten die dat met zich meebrengt). Ook het ontbreken van standaarden wordt als een
barrière gezien. Zie verder het landenoverzicht in Bijlage 2.
5.4        De effecten van het (ruimer) delen van onderzoeksdata
Het verwerken, combineren en analyseren van data krijgt op zichzelf een steeds
belangrijkere positie in de wetenschappelijke wereld, het wordt een specialistische
expertise. Waar wetenschappers voorheen zelf de kennis en kunde veelal in huis hadden
om hun data te analyseren, werken ze daarvoor nu steeds vaker samen met data
scientists die van deze technologie hun specialisme hebben gemaakt. Deze nieuwe
werkwijzen (waaronder data mining) bieden veel mogelijkheden: veel grotere datasets
kunnen bijvoorbeeld worden gekoppeld en gebruikt en voorheen onzichtbare verbanden
worden zichtbaar. Deze werkwijze vraagt om openheid van datasets, niet alleen binnen
verschillende vakgebieden maar ook interdisciplinair. En juist aan interdisciplinaire
standaarden en interoperabiliteit ontbreekt het vaak.
Daarnaast is in veel disciplines data delen binnen het vakgebied al uitzonderlijk, laat
staan buiten het eigen vakgebied of zelfs met de rest voor de wereld. In wat meer
geïsoleerde disciplines worden data momenteel helemaal niet “gepubliceerd” omdat er
minder wordt samengewerkt en individuele publicaties meer de regel zijn. Soms is delen
bovendien ook gewoon lastig omdat de aard van de data verschilt; kwantitatieve
gegevens zijn makkelijker te delen dan sterk kwalitatieve gegevens. Een voorbeeld is
etnografisch onderzoek, waar het gebruikelijk is om te werken met gesprekstranscripties,
veldwerkdagboeken en observatieprotocollen. Deze kwalitatieve data zijn toch echt iets
anders dan de kwantitatieve meetgegevens van een radiotelescoop.
Durven delen                                                                                99
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>5.4.1        Effecten op de kwaliteit van de wetenschap
Kwaliteitsborging van data
Er is een aantal aspecten rond het delen van onderzoeksdata waarvan we een duidelijk
positief effect op de kwaliteit van de wetenschap verwachten. Ten eerste worden onder-
zoekers als ze hun onderzoeksdata (moeten) gaan delen gedwongen om al tijdens
hun onderzoek rigoureuzer en systematischer om te gaan met de verzameling en
behandeling van data. Dat komt de kwaliteit van de wetenschap ten goede. Bovendien
zullen er meer standaarden en dergelijke nodig zijn indien het opslaan en delen van
data gangbaarder wordt. Dat draagt bij aan de professionalisering van omgang met
onderzoeksdata. Verder draagt het delen van onderzoeksgegevens die ten grondslag
liggen aan een wetenschappelijk artikel zeker bij aan de transparantie en daarmee ook
aan de borging van de kwaliteit van de wetenschap. Deze openheid over de onder-
liggende data draagt dan bij aan de ‘controle’ van de kwaliteit van het artikel. Het is
denkbaar dat ook een toets van de data onderdeel wordt van het reviewproces voor
een publicatie.
Kwaliteitsindicering
Als sets onderzoeksdata beschikbaar komen, zal er een behoefte ontstaan aan een
kwaliteitsindicator voor die datasets. Enerzijds zijn er meer technische, formele eisen
voor zulke datasets. Data die in een digitaal archief terecht komen, moeten goed
geordend, gecontroleerd en gedocumenteerd zijn. Er moet vastgelegd zijn wat de data
precies weergeven, waar ze vandaan komen, hoe ze gestructureerd zijn, hoe ze
verzameld zijn, en dergelijke. Dat vereist universele standaarden, procedures en
protocollen. Onderzoeksdata die worden opgeslagen en gedeeld, moeten in ieder
geval aan deze eisen voldoen.
In aanvulling hierop zal er behoefte zijn aan indicatoren voor de ‘inhoudelijke’ kwaliteit
van onderzoeksdata. Hoe interessant of bruikbaar is een bepaalde verzameling
onderzoeksgegevens? Welke (nieuwe) indicatoren hiervoor gaan er komen? Komt er een
soort reviewproces voor onderzoeksdata? Gaat men impact meten, bijvoorbeeld het
aantal keren dat een set onderzoeksdata is hergebruikt, of is geciteerd? Wordt de locatie
van de opslag een indicator: data die bij een prestigieuze instelling zijn opgeslagen
worden dan geacht net iets interessanter te zijn dan data die staan bij een instelling met
iets minder reputatie? De toekomst zal het leren, maar als het opslaan en delen van
onderzoeksgegevens in omvang zal toenemen, wordt de behoefte aan zulke indicatoren
des te groter.
Overigens kan een deugdelijk stelsel van ‘kwaliteitsindicatoren’ voor onderzoeks-
gegevens helpen om onderzoekers te waarderen voor hun onderzoeksactiviteiten die die
gegevens hebben opgeleverd. In het huidige systeem is dit nog onderbelicht. Vooralsnog
Durven delen                                                                               100
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>krijgen wetenschappers alleen waardering (hogere rankings, aanzien, beurzen) voor hun
‘eindproduct’, namelijk wetenschappelijke artikelen (en eventueel andere vormen van
output zoals boeken), en niet het achterliggende werk om tot dit eindproduct te komen.
Door ook deze inspanningen te waarderen (bijvoorbeeld in citatiescores en bij het toe-
kennen van beurzen) wordt het belang van goede experimenten en een goede omgang
met data onderstreept. Bovendien vormt het een extra prikkel om onderzoeksgegevens
te delen. Mede hierdoor zullen ook wetenschappers die tot nu toe nog geen belang
dachten te hebben bij het delen van onderzoeksdata meer geneigd zijn om dit wel te
doen.
Integriteit
Het delen van onderzoeksgegevens zou kunnen bijdragen aan het verbeteren van de
wetenschappelijke integriteit indien de openheid het makkelijker zou kunnen maken
om ‘fraude’ op te sporen. De commissie-Schuyt van de KNAW concludeerde al dat
“afwezigheid van een goede archivering van onderzoeksgegevens een eventuele latere
                                          149
controle van de gegevens [bemoeilijkt].” Een goede archivering, opslag en toegang tot
die data maken ‘controle’ dus mogelijk. Dit bevordert niet alleen de transparantie van
wetenschap, maar kan ook bijdragen aan het verminderen van het aantal fouten, bijvoor-
                                    150
beeld in de bedreven statistiek.
Snelheid en effectiviteit kennisverspreiding
Bij dit aspect volstaat het om de situatie waarin onderzoeksdata niet worden gedeeld te
vergelijken met die waarin dat wel in enige mate gebeurt. Het is evident dat in het laatste
geval ‘kennis’ (namelijk de onderzoeksgegevens) ruimer en sneller verspreid wordt dan
in het eerstgenoemde geval. Om de verspreiding van de kennis die in de onderzoeks-
gegevens belichaamd zit effectief te laten zijn is het van groot belang om de bruik-
baarheid en toegankelijkheid van de sets aan onderzoeksgegevens goed te borgen.
Hoe makkelijker anderen er iets mee kunnen, hoe groter de kans dat de opgeslagen
‘kennis’ ergens nuttig (her)gebruikt wordt.
Efficiëntie van de wetenschap
Ook hier springt meteen een aantal positieve effecten in het oog. De huidige praktijk in
veel vakgebieden waar de eigen onderzoeksgegevens niet of slechts op beperkte schaal
gedeeld worden, houdt in dat die onderzoeksgegevens na de eigen publicatie(s) op de
plank blijven liggen zonder dat iemand daar nog iets mee doet. Door zulke data te delen,
zou er extra gebruik mogelijk zijn. Daardoor levert het oorspronkelijk onderzoek weer
meer op. De efficiëntie van de wetenschap neemt daardoor toe. Open onderzoeksdata
bieden immers niet alleen de mogelijkheid om data van collega-wetenschappers te
‘controleren’, maar juist ook om er mee te werken en op voort te bouwen. Data hoeven
149
    Schuyt et al. (2012), p. 34.
150
    Zie bijvoorbeeld Bakker (2014).
Durven delen                                                                              101
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>dan maar één keer te worden verzameld, wat dubbel werk voorkomt. Eigen onderzoek
kan zich bijvoorbeeld richten op het interpreteren van (bestaande) data en niet het
verzamelen van data. Men kan er natuurlijk ook voor kiezen om nog steeds zelf onder-
zoek te doen, maar zich dan bijvoorbeeld te richten op het aanvullen van bestaande
datasets om zo de wetenschap verder te helpen. Op deze manier kan het delen van
onderzoeksdata juist helpen voor de ‘reproduceerbaarheid’ (en schaalgrootte) van
bepaald onderzoek. Bovendien ontstaan door het grootschalig ontsluiten van onder-
zoeksgegevens mogelijkheden voor een nieuw (type) onderzoek dat dwars door datasets
en disciplines heen gaat. Dat opent zeer interessante wetenschappelijke perspectieven.
De huidige ontwikkelingen rond big data geven daar een indicatie van. Voor dit alles is
het wel nodig dat wetenschappers leren vertrouwen op de onderzoeksdata die anderen
vergaard hebben en dat ze bereid zijn om er ook echt iets mee te doen.
De ervaringen in die wetenschapsgebieden waar nu al breed wordt samengewerkt en
data worden gedeeld binnen de betreffende wetenschappelijke gemeenschappen laten
zien dat dit zeker nieuwe mogelijkheden opent, die zonder het delen van data niet of
                                                        151
moeilijk haalbaar zouden zijn geweest.
Toch zijn er ook wel enkele punten van aandacht, omdat ze mogelijk een negatief effect
kunnen hebben op de effectiviteit van wetenschap. Die zullen zich vooral laten gelden op
het moment dat het vrij toegankelijk maken van onderzoeksdata verplicht zou worden
(voor deels publiek gefinancierd onderzoek). Er kunnen immers sterke (en valide)
motieven bestaan om de onderzoeksdata te willen beschermen, bijvoorbeeld vanwege
de commerciële waarde van onderzoek(sgegevens). Dit zal bijvoorbeeld vaak aan de
orde zijn als data verzameld zijn binnen een samenwerkingsverband met private partijen.
Zulke private partijen zouden er dan voor kunnen kiezen om niet meer samen met
publieke partijen zulk onderzoek te doen.
Maar ook binnen de wetenschap kan er een remmend effect uitgaan van een plicht tot
volledige (en spoedige) openbaarmaking. Want, zodra er geen exclusieve rechten meer
op data gelden, vervalt voor onderzoekers en hun instelling(en) de prikkel om flink te
investeren in nieuwe experimenten en de daarvoor benodigde middelen. Als die onder-
zoeksgegevens immers snel vrijgegeven moeten worden, dan kunnen andere weten-
schappers zich die investeringen besparen en gaan free-riden op die data. (Het alter-
natief, namelijk dat de onderzoekers eerst een batterij publicaties in de wacht zetten om
het openstellen van de data uit te stellen, is weer slecht voor de snelheid van kennis-
151
    Behalve de samenwerking op het gebied van hoge-energie-fysica (zoals CERN), of het Human Genome Project zijn er allerlei
    andere succesvolle voorbeelden te noemen, zoals de European Holocaust Research Infrastructure (http://www.ehri-project.eu/),
    ARIADNE (voor de integratie van archeologische datasets; http://www.ariadne-infrastructure.eu/), de Digital Collaboratory for
    Cultural Dendrochronology (DCCD; http://dendro.dans.knaw.nl/), Restructuring Global Inequality (Clio Infra; https://www.clio-
    infra.eu/) en samenwerking binnen Nederland met betrekking tot de Volkstellingen 1795-1971 (http://www.volkstelling.nl/) of met
    betrekking tot de Nederlandse overzeese handel van 1600-1795 (https://easy.dans.knaw.nl/ui/datasets/id/easy-dataset:33898).
Durven delen                                                                                                                       102
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>verspreiding.) Als zulke investeringen dan überhaupt niet meer gedaan worden, is de
wetenschap als geheel uiteindelijk slechter af. Maar het betekent ook dat top-
onderzoekers en toponderzoeksinstellingen een deel van hun competitieve voordeel
kwijt zouden kunnen raken. Hetzelfde geldt op internationale schaal: landen waar zeer
hoogwaardig onderzoek wordt verricht (zoals Nederland) zouden dan een deel van dat
voordeel weggeven. Dit pleit weer voor een gedifferentieerde aanpak met ruimte voor de
verschillende modaliteiten die bestaan voor het delen van onderzoeksdata.
5.4.2             Impact op maatschappij en bedrijfsleven
Behalve binnen de wetenschap kan het ontsluiten van onderzoeksgegevens ook impact
hebben voor de maatschappij en het bedrijfsleven. Hoe schatten we deze effecten in?
Er zijn zeker successen van het vrijgeven van onderzoeksdata. Zo kon het tot bijzondere
ontdekkingen leiden, zoals de ontdekking van Hanny’s Voorwerp in het Galaxy Zoo
              152
Project. Maar het kan ook bijdragen aan oplossingen voor wereldwijde problemen,
                                       153
zoals de Ebola-epidemie. Wetenschappelijke en medische data van de Ebola-uitbraak
worden bijvoorbeeld op het portaal ‘eboladata.org’ verzameld, zodat de plaatselijke
autoriteiten en hulporganisaties beleid zo effectief mogelijk konden en kunnen vorm-
geven om de epidemie te bestrijden. Vergelijkbare projecten zijn te vinden op het
                                                          154
Humanitarian Data Exchange portaal. Het delen van onderzoeksdata kan ook zorgen
voor indirecte maatschappelijke effecten: daar waar het onderzoek en ontwikkeling
versnelt, draagt het eraan bij dat er maatschappelijk nuttige toepassingen, zoals
medicijnen, eerder beschikbaar zijn.
Er zijn tal van voorbeelden van verzamelingen onderzoeksgegevens die voor burgers
(potentieel) interessant zijn. Zo heeft het Meertens Instituut verschillende databanken
online toegankelijk gemaakt. Het gaat dan bijvoorbeeld om voor- en achternamen, maar
ook informatie over iets als (lokale) bedevaarten of patroonheiligen. Om goed bruikbaar
te zijn voor het publiek moet er wel geïnvesteerd worden in het toegankelijk maken van
zo’n database (zoekfuncties, visualisaties, en dergelijke).
Om een indicatie te hebben voor de mogelijke effecten van het ruimer openstellen
van onderzoeksdata hebben we gekeken naar de ervaringen met het vrijgeven van
overheidsdata, een ontwikkeling die enkele jaren geleden in gang is gezet. Ook daarbij
werd veel verwacht van (extra) gebruik door burgers en bedrijven van die data. Binnen
het onderwerp van open overheidsdata hebben we nog eens verder ingezoomd op
de gegevens van het KNMI. Deze case study naar open overheidsdata leert ons
interessante dingen over de benutting van open data door maatschappij en bedrijfsleven
152
    Voor meer informatie over Hanny’s voorwerp en de rol van astrofysicus en gitarist Dr. Brian May in het Galaxy Zoo Project, zie:
    http://tedxtalks.ted.com/video/The-discovery-of-a-Citizen-Scie
153
    Zie Yozwiak et al. (2015) en Mylne et al. (2014) en ook Plaat (2015).
154
    Voor meer voorbeelden zie: https://data.hdx.rwlabs.org/faq
Durven delen                                                                                                                        103
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>(zie tekstkader). Grofweg gezegd is het gebruik van de data van het KNMI niet
spectaculair toegenomen nadat deze data gratis beschikbaar zijn gesteld. (Voordien
was gebruik van de data tegen kostprijs mogelijk.) Per saldo heeft er wel een derving
aan inkomsten plaatsgevonden omdat een deel van de gegevens waarvoor door
commerciële partijen vroeger betaald werd, nu gratis beschikbaar is. Deze case study
leert dat we geen overspannen verwachtingen van het (gratis) vrijgeven van data moeten
hebben, hoewel er altijd wel voorbeelden zullen zijn waarin het succesvol is. Het succes
zal mede afhangen van de aard en geschiktheid van de data. Dat geldt niet alleen voor
(open) overheidsdata, maar net zo voor (open) onderzoeksdata. Bovendien valt te
verwachten dat voor die (onderzoeks)data die de meeste potentiële commerciële waarde
hebben, vaak een uitzondering kan gelden op het moeten delen van onderzoeksdata.
                                    155
    Open overheidsdata
    In 2011 noemde toenmalig Eurocommissaris Neelie Kroes open overheidsdata
    “een goudmijn”: het zou innovatie stimuleren, leiden tot economische groei en
                                       156
    transparantie vergroten.
    Motieven
    Initiatieven voor een open overheid hadden naar aanleiding van de Wikileaks-affaire
    (2008) allereerst vooral transparantie als motief, maar er kwam ook meer aandacht
    voor de mogelijkheden verstopt in overheidsdata – zelfs grote onderzoeksinstellingen
                                                              157
    zoals TNO pleitten voor meer openheid. In navolging van soortgelijke initiatieven in
    de Verenigde staten en het Verenigd Koninkrijk en in het kader van het Open
    Government Partnership en de visie ‘Open overheid’ werden zowel in Nederland als
                                                                                                    158
    op Europees niveau stappen gezet richting ‘open overheidsdata’.
    Beloften
    Inmiddels heeft dat ertoe geleid dat bepaalde overheidsdata nu ontsloten en beschik-
                  159
    baar zijn. Alle ontsloten data zijn te vinden op een portaal van de Nederlandse
    overheid: data.overheid.nl. VNO-NCW verwachtte dat overheidsdata een
                                                      160
    miljardenmarkt kunnen ontsluiten. Open data zou uitnodigen tot creatief gebruik
    van bestaande data met nieuwe initiatieven als resultaat. Dit was de voornaamste
    reden voor het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Binnenlandse
155
    Dit tekstkader bevat onze eigen case study naar open overheidsdata in Nederland; voor een bredere internationale studie,
    zie: Ubaldi (2013)
156
    http://ec.europa.eu/archives/commission_2010-2014/kroes/en/blog/opendata.html
157
    Kotterink en Huijboom (2010).
158
    Capgemini Consulting(2013) geeft een overzicht van het ‘succes’ van open data in verschillende landen.
159
    Binnenlands Bestuur (2015).
160
    VNO-NCW (2012).
Durven delen                                                                                                                 104
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>    Zaken om vrije data, naar Europees voorbeeld, politiek te introduceren.
    Succesvoorbeelden van initiatieven ontwikkeld met overheidsdata zijn ook zeker
    aanwezig. Zo is Buienradar ontwikkeld op gegevens van het KNMI, en worden
    kentekenregisters gebruikt voor een app die helpt bij het controleren van tweede-
                        161,162
    hands auto’s.
    Maatschappelijke effecten
    In de praktijk is echter geen ander nieuw overheidsdata-initiatief in de buurt gekomen
    van het (commerciële) succes van Buienradar, die nota bene nog vóór het ‘open
    data’-tijdperk is ontwikkeld (voor Buienradar is er betaald voor een datalicentie). Om
    succes en innovatie nogmaals te stimuleren is het Doorbraakproject Open(geo)data
                                                                                    163
    gestart, een van de negen doorbraakprojecten met ICT. Deze inspanningen
    moeten voorkomen dat de beloofde goudmijn eindigt als een zeepbel.
    Een verklaring voor het minimale effect na het ontsluiten van de data is dat er voor
    veel data interpretatie en toelichting nodig is voordat deze bruikbaar zijn – een
                       164                                                                                           165
    intermediair. Ook zijn veel ontwikkelingen aanbod- en technologiegedreven.
    Deze drijfveren worden niet anders naarmate er meer data open zijn en een groot-
    schalige innovatie-impuls enkel door het gratis vrijgeven is bepaald niet vanzelf-
    sprekend omdat veel data voorheen ook al beschikbaar waren, maar tegen een prijs
    (in het vrije data tijdperk, voorloper van open data, was de licentieprijs van
    overheidsdata gelijk aan de kostprijs).
    Aan de andere kant bracht en brengt het ontsluiten van data wel kosten met zich
    mee. Er is met name belangstelling voor tijd- en plaatsgebonden data. Hier kan
    iets interessants op worden ontwikkeld, maar veel meer data moeten nu worden
    ontsloten. De toekomst moet uitwijzen of vrijgegeven overheidsdata meer maat-
    schappelijk rendement (baten versus kosten) met zich meebrengen in vergelijking
    met het oude bronhouder-model (met de overheid als bronhouder) met licentie-
    condities en licentiebetalingen voor de gebruiker.
    Zo genereerde het KNMI voorheen € 2 miljoen aan inkomsten per jaar uit de verkoop
    van (operationele) data. Sinds ze een groot deel van de data gratis beschikbaar
    maken is dit nog maar circa € 0,5 miljoen. Daar staat wel tegenover dat er bewuster
161
    http://nationaleappprijs.nl/voorbeelden-van-apps/
162
    NRC Handelsblad van 15 oktober 2012, ‘De burgerprogrammeur haalt het goud uit de overheidsdata’, p. 7.
163
    http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/doorbraakprojecten-met-ict/economische-groei-met-doorbraakprojecten-ict en
    http://doorbraakmetopendata.nl/over
164
    Binnenlands Bestuur (2012).
165
    Zie ook AWTI (2015b).
Durven delen                                                                                                             105
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>    met data wordt omgegaan en er ook circa € 0,5 miljoen aan kosten wordt bespaard.
    Met andere woorden, ‘open data’ kost de belastingbetaler in het geval van het KNMI
                                  166
    € 1 miljoen per jaar.
    Barrières
    Zelfs als er op termijn wel maatschappelijk rendement te behalen valt moet bovendien
    de politieke afweging worden gemaakt of het eerlijker is dat alle belastingbetalers (in
    plaats van de gebruikers) bijdragen aan de kosten van Open Overheidsdata en dus
    nieuwe initiatieven subsidiëren.
    Ook is het interessant om te zien hoe het openheidsoffensief binnen de overheid
    startte. Net als de wetenschap was de overheidscultuur over het algemeen gesloten,
    en net als voor wetenschappers was er voor ambtenaren geen beloning voor open-
    heid. Toch geeft de overheid nu (een deel van) haar data gratis weg.
    Data zijn vooralsnog moeilijk vindbaar, moeilijk bruikbaar, weinig gestandaardiseerd,
                                                                                              167
    versnipperd over portalen en vraagt om een grote beheerinspanning. Essentieel
    voor de bruikbaarheid van Open Data zijn standaarden, hier zag de overheid een rol
                                                                                          168
    om op te pakken, maar ook dit blijkt moeilijker dan gedacht. Daarnaast is er door
    deze technische problemen, de aard van de data, de context waarin deze worden
    geplaatst en de communicatie rondom vrijgegeven data, maar weinig interesse in de
    data. Om dit project tot een succes te maken is niet alleen meer tijd nodig, maar ook
    moeten er duidelijke afspraken komen tussen producenten en gebruikers en moet
    regie worden opgepakt om standaardisering en betrouwbaarheid te garanderen.
5.4.3             Kosten en baten
Rond het opslaan en delen van onderzoeksdata is het evident dat dit in eerste instantie
extra kostenposten met zich meebrengt. Er zal meer aandacht en tijd naar data manage-
ment moeten gaan, data curation is nodig en er zijn kosten voor opslag. Een precieze
inschatting van de meerkosten is lastig, maar vaak wordt een getal van ongeveer 5% van
                                                           169
het totale onderzoeksbudget genoemd. In de praktijk zal de hoogte natuurlijk samen-
hangen met de aard van de data en het type onderzoek: hoe eenvoudiger de data
geschikt gemaakt kunnen worden voor opslag, hoe minder het zal kosten. Omdat de
schatting van 5% vooral gebaseerd lijkt te zijn op die gebieden waar nu al veel data
worden opgeslagen, vermoeden wij dat het voor onderzoeksdata die zich minder makke-
lijk lenen voor opslag hoger zal uitvallen. De ‘kosten’ slaan neer bij de onderzoekers (die
166
    Brouwer (2014).
167
    Binnenlands Bestuur (2014), Sluiter (2013) en Kaasschieter (2015).
168
    http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/digitale-overheid/open-data-en-open-standaarden
169
    Uit: gesprek met SURFSara in mei 2015.
Durven delen                                                                                      106
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>meer tijd kwijt zijn aan datamanagement) en hun instellingen en financiers. Waar de
kosten van het cureren en opslaan van de data gedragen worden, hangt af van de
afspraken die daarover gemaakt worden: men kan die laten betalen door de individuele
onderzoekers of instellingen aan degenen die deze diensten leveren, of men kan ervoor
kiezen om deze faciliteiten centraal te bekostigen (dit laatste gebeurt momenteel nog).
Er zijn aan de andere kant ook opbrengsten te verwachten van het opslaan en delen
van onderzoeksdata. Deze opbrengsten zouden moeten komen uit verbetering van het
proces van onderzoek doen en de efficiëntie hiervan, uit een grotere efficiëntie van het
systeem (bijvoorbeeld voorkomen van dubbel onderzoek), en uit het leggen van nieuwe
dwarsverbanden (wetenschappelijke innovatie). De vraag is hoe deze opbrengsten zich
zullen verhouden tot de extra kosten(posten). Lastig daarbij is dat de meeste van de
‘opbrengsten’ in dit stadium nog moeilijk in geld zijn in te schatten. Daarnaast kan het
delen van onderzoeksdata bijdragen aan de disciplinering van wetenschappers: als
anderen in de onderliggende onderzoeksdata voor een publicatie kunnen kijken, wordt
een wetenschapper nog sterker dan nu geprikkeld om het onderzoek methodologisch
rigoureus aan te pakken.
Over de kosten en de baten valt nog wel te zeggen dat we verwachten dat er aan de
kostenkant een leereffect zal optreden, waardoor de ‘meerkosten’ op termijn zullen gaan
dalen. Aan de kant van de opbrengsten geldt mogelijk het omgekeerde: door de daar
optredende leereffecten zouden de baten op termijn wel eens kunnen gaan toenemen.
Deze observatie pleit ervoor om het delen van onderzoeksdata voorzichtig aan te pakken
en juist via pilots en dergelijke te werken aan dit soort leereffecten en op daadwerkelijke
ervaringen gebaseerde inschattingen te maken van kosten en baten.
Het is, ten slotte, goed om te beseffen dat data opslaan geld kost. Hoewel het technisch
mogelijk is, is het praktisch niet haalbaar noch zinvol om alle data op te slaan. Hier
moeten keuzes worden gemaakt. Welke data waardevol zijn om op te slaan, valt helaas
meestal pas achteraf te zeggen. Toch moeten op dit gebied duidelijke afspraken worden
gemaakt. Een strategische langetermijnvisie is nodig, maar ook een visie die over
grenzen heenkijkt. De wetenschap is internationaal en dus moeten afspraken ook inter-
nationaal gedragen worden.
5.4.4        Randvoorwaarden
Hierboven hebben we aangegeven dat het ruimer delen van onderzoeksdata in principe
tot een aantal positieve effecten kan leiden. Er zijn echter ook mitsen en maren. Om van
het ‘bruikbaar’ delen van onderzoeksdata meer de norm te maken, moet aan bepaalde
randvoorwaarden worden voldaan. Deze randvoorwaarden vallen onder de volgende
Durven delen                                                                               107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>categorieën: vaardigheden, infrastructuur, vertrouwen, prikkels en afspraken. Ze worden
                              170
hier kort toegelicht.
Bij wetenschappers zijn bepaalde vaardigheden en ondersteuning nodig om een succes
te maken van het delen van onderzoeksdata. In het kader van Open Science Literacy
kunnen zaken zoals goed datamanagement in opleidingen en curricula worden
opgenomen.
Ook gedegen infrastructuur in belangrijk, zowel voor de gebruiker die de data moet
kunnen vinden, lezen en gebruiken, als voor de wetenschapper die data aanlevert en
er op moet kunnen vertrouwen dat data goed worden opgeslagen.
Vertrouwen is belangrijk bij het openstellen en het (her)gebruiken van data. Voordat hij
zijn onderzoeksgegevens gaat delen, moet een wetenschapper erop kunnen vertrouwen
dat er op juiste wijze gebruik van gemaakt zal worden. Er zullen in de wetenschappelijke
gemeenschap dus breed gedragen afspraken moeten komen rond het delen en her-
gebruiken van data, waar de peers elkaar ook aan houden. Het gaat ook om vertrouwen
in de opslagfaciliteiten waar onderzoeksdata worden neergezet.
Omgekeerd moeten potentiële gebruikers van de opgeslagen onderzoeksgegevens
ervan uit kunnen gaan dat de kwaliteit ervan op orde is. Dit vertrouwen is nodig voor
de wederkerigheid: het zowel willen delen als willen gebruiken van onderzoeksgegevens.
                                                                                                           171
Het zou door middel van keurmerken zoals het Data Seal of Approval (kwaliteit van de
opslag) en via open review platforms (kwaliteit van de data) kunnen worden versterkt.
Het opbouwen van zulk vertrouwen in de wetenschappelijke gemeenschap kost tijd.
Dat betekent dat het, zeker in eerste instantie, niet verstandig is om onderzoekers te ver-
plichten hun gegevens onvoorwaardelijk met iedereen te laten delen. Beter is het om
ruimte te houden voor regie bij de onderzoeker en/of zijn instelling om te bepalen met
wie, voor welk doel en onder welke voorwaarden de data gedeeld worden. Daarbij hoort
ook de vraag wie de ‘eigenaar’ is van onderzoeksdata. Het is voor de wetenschap van
groot belang dat de zeggenschap over de onderzoeksdata, zeker die met publiek geld
verkregen zijn, binnen de wetenschappelijke wereld blijft, bij onderzoekers, instellingen
of financiers. Deze juridische vraagstukken vragen naar hun aard ook om een antwoord
van de overheid (wetgever).
Men moet een aantal risico’s niet te gemakkelijk wegwuiven. Zoals verkeerd gebruik
van data: met epidemiologische gegevens kun je bijvoorbeeld allerlei kanten op en veel
170
    Interessant zijn ook de 10 principes voor ‘open research data’ in het Verenigd Koninkrijk zijn ontwikkeld en kort geleden zijn
    gepubliceerd (Concordat Working Group, 2015); deze komen vrij aardig overeen met de aanbevelingen uit dit AWTI-rapport.
171
    http://www.datasealofapproval.org
Durven delen                                                                                                                       108
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>verschillende verbanden vinden – niet allemaal even ‘correct’. Ook moet er in de (inter-
nationale) wetenschap rekening worden gehouden met het ‘free-riden’ op vrijgegeven
data als wetenschappers van elders flink gaan publiceren op basis van vrijgegeven data
van anderen, eventueel zelfs vóór de onderzoekers die de data verzamelden. Dit laatste
risico is reëel, zoals ook naar voren kwam in de door ons gevoerde gesprekken.
Dat laatste heeft ook alles te maken met de ‘strategische’ effecten van het makkelijker
toegankelijk maken van vooral onderzoeksdata door Nederland of de EU. Dit ‘weggeven’
van onderzoeksdata aan andere landen is niet per se een slechte zaak, maar vanuit het
kostenaspect en strategische overwegingen is het wel van belang om hierin de goede
afwegingen te maken. Men geeft andere landen toegang tot nieuwe informatie. Bieden
die andere landen op hun beurt ook toegang? En hoe zit het met het competitieve
voordeel (binnen de wereldwijde wetenschappelijke wereld) van de plekken in Nederland
en de EU waar toponderzoek wordt gedaan? Het al te lichtvaardig openstellen van de
resultaten van dit onderzoek voor anderen buiten de EU zou dat competitieve voordeel
kunnen beperken of zelfs te niet doen.
Dat betekent dat ten eerste de opportuniteit van het delen van data goed afgewogen
moet worden en ten tweede kan het gevolgen hebben voor de keuze hoe en met wie
onderzoeksdata gedeeld worden. Dit onderstreept nogmaals het belang om bij het (al
dan niet) ontsluiten van onderzoeksdata een geleidelijke aanpak te gebruiken. De EU
en lidstaten kunnen bijvoorbeeld rekening houden met de mate van openheid die
derde landen zelf hanteren (een vorm van reciprociteit).
Vertrouwen alleen is niet genoeg om het ruimer delen van onderzoeksdata echt op
gang te krijgen. Er moet ook een aansporing zijn om data te delen, een ‘wortel’. Weten-
schappers kunnen op verschillende manieren worden bewogen tot het vrijgeven van
goede datasets. RDNL kent jaarlijks de Dataprijs toe, een actie waar het harde werk
van een wetenschapper wordt erkend, maar wat ook andere wetenschappers motiveert
                                                 172
om net zo met data om te gaan.
Maar met zulke ‘incidentele’ acties wordt het breed delen van onderzoeksdata nog geen
realiteit. Wetenschappers willen ook zonder dat ze een prijs krijgen erkend worden voor
het werk wat ze in vrijgegeven data hebben gestopt. Er moet dus gewerkt worden aan
manieren om het delen en hergebruik van data te waarderen. Een goede aanzet is het
koppelen van een DOI (digital object identifier) of een andere persistent identifier aan
data zodat de dataset en daarmee de wetenschapper geciteerd en gewaardeerd kunnen
worden. Ook het ontstaan van publicatiemogelijkheden voor datasets kan bijdragen aan
meer zichtbaarheid en waardering. Verder kan er ook bij het toekennen van onderzoeks-
172
    http://www.researchdata.nl/activiteiten/dataprijs/
Durven delen                                                                             109
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>beurzen meer rekening worden gehouden met datamanagement en niet alleen met het
wetenschappelijke artikel als eindproduct.
    Van toegang tot data naar ‘data mining’
    Zeker op het gebied van tekst en data mining – het gericht zoeken naar (statistische)
    verbanden in een verzameling gegevens in de vorm van tekst en/of data – is er nog
    een lange weg te gaan. De Verenigde Staten, maar ook landen in Azië en Zuid-
    Amerika, lijken verder op dit gebied, aldus het verslag van de expertgroep die
                                                                     173
    onderzoek deed naar standaarden rondom text & data mining. Hiermee blijft een
    potentieel onbenut, want de verwachting is dat juist met text & data mining nieuwe
    verbanden gevonden kunnen worden en uiteen liggende vakgebieden aan elkaar
    gekoppeld kunnen worden.
    Onderzoekers geven aan dat dit vooral komt door beperkingen op het gebied van
    copyright, bescherming van databanken en data privacy. Waar in de Verenigde
    Staten het fair use principe wordt gebruikt, is er binnen de Europese Unie een
    complexer raamwerk rond auteursrecht. Wetten op het gebied van database
    bescherming zijn in de Verenigde Staten afwezig.
    Veel ontwikkelingen zijn er wel van onderop. In de praktijk ligt mining voor zowel data
    als tekst nog gevoelig. Zo hebben uitgevers belang bij (het zelf uitvoeren van) text
    mining, zij beheren tenslotte een groot deel van de artikelen. Zo limiteert Elsevier
    batch access tot 10.000 artikelen per maand. Open access uitgever PLOS laat
    auteurs tekenen voor het toestaan van vrij gebruik van artikelen, inclusief mining.
    Mining van data is nog lastiger, omdat deze tot nu toe simpelweg nog niet altijd
    openbaar beschikbaar zijn, laat staan geschikt (gestandaardiseerd en gemeta-
    dateerd) voor data mining.
    In de weg naar het ruimer toestaan van tekst en data mining moet een balans worden
    gezocht tussen de verschillende gerechtvaardigde belangen. Deze balans is nog
    moeilijk te bepalen omdat er weinig empirisch bewijs is voor de baten. In de context
    van dit advies is vooral de mogelijkheid van belang om text & data mining te doen
    in wetenschappelijke publicaties en onderzoeksdata (die met publieke middelen
    gefinancierd zijn). Het zal een deels politieke afweging zijn of men dat gebruik
    (namelijk mining) ruim wil faciliteren door beperkingen daartoe in regels die auteurs-
    recht en databanken beschermen, (deels) op te heffen, of dat men dat niet wil.
173
    Europese Commissie (2014).
Durven delen                                                                               110
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>5.5        Conclusie
In de wetenschappelijke wereld is er meer vraag naar openheid – ook van data – om
onderzoek te kunnen controleren en repliceren. Maar ook omdat in zijn algemeenheid
de vraag naar toegang tot grote datasets toeneemt en omdat dataonderzoek een steeds
meer op zichzelf staande discipline wordt. Het delen van onderzoeksdata is dan ook een
vorm van open content net als open access tot publicaties.
Toch zit er wel een verschil tussen open toegang tot publicaties en het (open) toegang
tot onderzoeksdata. De wetenschap gaat onderzoeksgegevens niet zomaar ontsluiten.
Artikelen worden geschreven om met de hele wereld, althans de wetenschappelijke
peers, te delen, maar voor data geldt dat niet. Data blijven in veel vakgebieden nog bij
de onderzoekers en hun instellingen en worden vaak alleen gedeeld als er sprake is
van wederkerigheid en erkenning voor eigen inspanningen. Per vakgebied en zelfs per
individuele wetenschapper zijn er enorme verschillen in de omgang met data. Bovendien
hebben welwillende onderzoekers ook niet altijd de gelegenheid om data te delen: ze
weten niet hoe het moet, er is niet voldoende (infrastructurele of financiële) onder-
steuning of ze mogen het niet vanwege juridische obstakels.
De keuze over wel of niet delen ligt meestal bij de onderzoeker(s) zelf, soms bij hun
werkgever of de financier. Deze actoren ervaren verschillende redenen om hun onder-
zoeksgegevens wel of niet (publiek) te delen. In bepaalde takken van wetenschap is het
haast noodzaak om samen met anderen onderzoeksdata te genereren en vervolgens
onderling te delen, bijvoorbeeld vanwege de gezamenlijke grootschalige infrastructuur of
omdat men met z’n allen werkt aan één grote wetenschappelijke puzzel die de span-
wijdte van een enkele onderzoeksgroep te boven gaat. Vooral in die vakgebieden waar
onderzoeksdata nog niet of nauwelijks gedeeld worden, geldt dat het voor veel weten-
schappers onduidelijk is wat ze te winnen hebben bij het ontsluiten en toegankelijk
maken van hun onderzoeksgegevens. Op het eerste gezicht kost het hun extra tijd en
moeite om de data klaar te maken voor opslag en ze lopen het risico dat een ander met
‘hun’ open onderzoeksdata eerder gaat publiceren. Ook ontbreekt het vooralsnog aan
waardering voor het feit dat iemands dataset later gebruikt is door anderen.
Bovendien zijn de ontwikkelingen van open research data rondom publiek gefinancierd
onderzoek niet los te zien van de bredere discussie over de toegankelijkheid tot data die
met publiek geld verzameld zijn (zie ook de case study over ‘open overheidsdata’: hier
werden data ontsloten zowel uit principe als met de belofte dat er maatschappelijk
rendement uit viel te halen). Context en duiding, dus bijvoorbeeld ook het vrijgeven van
software, maar ook het kunnen bewerken en mining van data is van essentieel belang
om toegevoegde waarde uit vrijgegeven data te halen. De toekomst moet nog maar
Durven delen                                                                             111
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>uitwijzen of er echt genoeg maatschappelijk rendement uit vrijgegeven data te halen is
– voor zowel overheidsdata als onderzoeksdata.
Groter is in onze ogen het potentiële (positieve) effect voor de wetenschap. Ten eerste
dwingt het opslaan en delen van onderzoeksdata wetenschappers om rigoureuzer en
systematischer met de verwerving en verwerking van data om te gaan. Door kwaliteits-
eisen en standaardisatie worden wetenschappers verplicht om hun data goed af te
leveren. Goed datamanagement zou eigenlijk, ongeacht of je de data gaat delen of niet,
een must moeten zijn voor het bedrijven van wetenschap. Vreemd genoeg is zulk data-
management nog niet echt gemeengoed in veel disciplines, of in ieder geval wordt dat
niet gecontroleerd of erover gepubliceerd. Voor het verbeteren van de kwaliteit van de
wetenschap is het maken van goed datamanagement tot een standaardonderdeel van
onderzoek een ontwikkeling die zeker geen kwaad kan.
Wanneer vervolgens de stap gezet wordt tot het deugdelijk opslaan en delen van data
(toegang geven), leidt dat weer tot een efficiëntere wetenschap, omdat er meer uit
publiek geld wordt gehaald. De transparantie van onderzoek verbetert als de data achter
een wetenschappelijk artikel ingezien kunnen worden; de efficiëntie van wetenschap kan
omhoog door het voorkomen van onnodig dubbel onderzoek; aan de andere kant helpt
het het ‘reproduceren’ van onderzoek als de verschillende ‘reproducties’ toegankelijk zijn.
Bovendien ontstaan de mogelijkheden voor een nieuw (type) onderzoek dat dwars door
datasets en disciplines heen gaat. Voor dit alles is het wel nodig dat wetenschappers
leren vertrouwen op de onderzoeksdata die anderen vergaard hebben en dat ze bereid
zijn om er ook echt iets mee te doen. Naast dit alles zal het ruimer opslaan en delen van
onderzoeksdata ook bijdragen aan de integriteit van de wetenschap, omdat controle
makkelijker wordt.
Daarmee werpt het hoe dan ook indirect zijn vruchten af voor de maatschappij. Maar het
is nog wel de vraag met welke mate van ‘openheid’ dit het best wordt bereikt. Volledige
openheid is weliswaar een mogelijkheid, maar data ontsluiten kost geld, niet alleen
omdat er tijd en geld in de opslag van data zit, en als kennis gratis wordt ‘weggegeven’
aan landen die zelf minder kennis delen dan ze ontvangen, is het de vraag of dat per se
verstandig is voor het “weggevende” land. In een deel van de gevallen zou het derhalve
verstandiger zijn om onderzoeksdata niet volledig vrij te delen, maar een van de ‘lichtere’
modaliteiten van delen toe te passen.
Ook de maatschappij en het bedrijfsleven zouden moeten kunnen profiteren van het vrij
delen van onderzoeksdata. Een deel van de onderzoeksdata zal direct interessant en/of
bruikbaar blijken voor burgers en bedrijven, een ander deel vermoedelijk minder. Er zijn
echter ook indirecte maatschappelijke effecten: als door het delen van onderzoeks-
gegevens onderzoek sneller en effectiever kan verlopen, kunnen voor de maatschappij
Durven delen                                                                             112
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>en bedrijven nuttige resultaten of toepassingen (zoals medicijnen) eerder beschikbaar
komen. Om maximaal gebruik door maatschappij of bedrijfsleven te bevorderen, kunnen
onderzoeksgegevens gratis toegankelijk en bruikbaar gemaakt worden (open data). In
de praktijk zal dan moeten blijken welke effecten dat heeft. Uit onze case study naar het
gebruik van open data van het KNMI bleek dat in dat geval de maatschappelijke effecten
van het vrijgeven van die data beperkt waren.
Bij het ontsluiten en delen van onderzoeksdata zit qua kosten en baten een duidelijke
asymmetrie. Het is helder dat er kostenposten bijkomen, want onderzoekers zijn meer tijd
en/of geld kwijt met het data management, het geschikt maken voor opslag en de opslag
zelf. De baten van het delen van onderzoeksdata zijn voor een individuele onderzoekers
vooralsnog veel speculatiever. Dit pleit voor een voorzichtige aanpak waarin via pilots en
dergelijke geprobeerd wordt om de baten van het ontsluiten van wetenschappelijke
informatie helder te krijgen. Het is niet zinvol om alle onderzoeksgegevens op te slaan.
Er zullen keuzes gemaakt moeten worden.
Ook rond het nuttige gebruik van onderzoeksgegevens door maatschappij en bedrijfs-
leven zit een afweging over kosten en baten. Welke kosten worden collectief gedragen
en waar is een individuele bijdrage redelijk? Zeker waar onderzoeksgegevens interessant
zijn voor een commerciële toepassing, is het niet onredelijk om voor dat commerciële
gebruik geld te vragen.
Er is al met al nog een lange weg te gaan voordat het delen van onderzoeksdata over de
hele breedte van wetenschap gangbaar wordt. Wetenschappers zullen eerst overtuigd
moeten worden van de waarde hiervan en vele randvoorwaarden zijn nodig, zoals: goed
datamanagement, de beschikbaarheid van infrastructuur voor opslag, standaarden rond
opslag, vertrouwen onder wetenschappers, en de juiste prikkels (waardering voor het
delen van onderzoeksdata). Ook moeten er oplossingen komen voor juridische vraag-
stukken, bijvoorbeeld rond bescherming van privacy, auteursrecht en databanken. De
benodigde samenhangen in de aanpak vraagt om een vorm van regie, die de overheid
op zich zou kunnen (en moeten) nemen,
Ten slotte constateren we dat het niet verstandig of zinvol lijkt om alle onderzoeksdata
op te slaan en ook niet om alle data onvoorwaardelijk voor iedereen open te stellen.
Er kunnen goede redenen zijn om dat niet te doen (bijvoorbeeld commerciële belangen
of privacy). Bovendien is het voor het draagvlak van het delen van data verstandig om
de onderzoekers en hun instellingen zelf (mede)zeggenschap te geven met wie ze
onderzoeksgegevens delen, voor welk doel. Dit pleit ervoor om goed gebruik te maken
van de verschillende modaliteiten die er bestaan voor het delen van onderzoeks-
gegevens.
Durven delen                                                                             113
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>Durven delen 114</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>Durven delen 115</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>Bijlage 1 Adviesaanvraag
Durven delen             116
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>Bijlage 2 Open access en open data in
                                  verschillende landen
Internationale vergelijking
Wetenschap is een wereldwijde activiteit. Veel disciplines spelen zich op wereldschaal af.
De bijdrage van Nederland is weliswaar relatief groot, maar op het totaal betekent dat
                                                              174
nog steeds niet veel meer dan 1 à 2,5%. De Europese Unie (EU) als geheel is wel een
grote speler; zij produceert ongeveer 30% van de wetenschappelijke artikelen wereldwijd,
iets meer dan de Verenigde Staten, maar de publicaties uit de Verenigde Staten hebben
                                         175
samen de meeste impact. Dat betekent dat een individueel land als Nederland beperkt
is in zijn mogelijkheden om ‘eenzijdig’ het systeem van de wetenschap te veranderen. De
EU als geheel heeft een betere positie om bakens te verzetten en veranderingen in het
systeem in gang te zetten. Maar ook de EU vertegenwoordigt nog maar een minderheid.
Voor dit advies betekent dit dat het zeer relevant is om enigszins in kaart te brengen hoe
de onderwerpen van toegang tot publicaties en onderzoeksdata zowel binnen de EU
worden benaderd (met het oog op het bereiken van een gezamenlijke Europese aanpak)
als hoe daar in een aantal belangrijke landen buiten de EU tegenaan gekeken wordt.
Daarom hebben we in het kader van dit advies over een aantal landen nadere informatie
verzameld om zo een beter beeld te krijgen van de verschillen in aanpak en om meer
concrete ervaringen te verzamelen ten behoeve van onze analyse.
Via zusterorganisaties van de AWTI en het netwerk van Neth-ER (het Netherlands house
for Education and Research in Brussel) is input verzameld over de discussie en ont-
wikkelingen met betrekking tot open access en open research data in verschillende
Europese landen. Het gaat dan zowel om het beleid als om de rol en positie van de
verschillende relevante stakeholders. De AWTI heeft informatie ontvangen uit: België
(Vlaanderen), Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Letland, Noorwegen, Slowakije,
Spanje, Tsjechië, Zweden en Zwitserland.
Daarnaast heeft de AWTI nog eigen case studies uitgevoerd naar het beleid en de ont-
wikkelingen in het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Brazilië. Het Verenigd
Koninkrijk is een land dat als een van de voorlopers wordt beschouwd op het gebied van
open access, zeker binnen de EU. Tevens huisvest het een aantal belangrijke weten-
schappelijke uitgevers. De Verenigde Staten zijn wereldwijd koploper in wetenschappe-
174
    Deze cijfers zijn niet zo eenvoudig te bepalen, omdat ze afhankelijk zijn van wat je wel en niet meeneemt, maar het ministerie
    van OCW geeft zelf 2,5% op haar website: http://www.ocwincijfers.nl/wetenschap/inhoud/wetenschappelijke-publicaties
175
    Cijfers ontleend aan Elsevier (2013) en National Science Board (2014).
Durven delen                                                                                                                       117
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>lijke publicaties, zowel qua aantal als impact, en hebben ook sterke regelgeving vanuit
de federale onderzoeksfinanciering op het gebied van open access. Brazilië ten slotte
is een land waar het publiceren via open access inmiddels de standaard lijkt te zijn
geworden, mede door een heel helder mandaat van de belangrijkste publieke financier
van onderzoek.
Hieronder worden de belangrijkste bevindingen over de verschillende landen weer-
gegeven. De uitgebreidheid verschilt per land. Dit hangt samen met de gedetailleerdheid
van de reacties uit de verschillende landen. De studie naar de praktijk van open access
en het delen van data in Brazilië is verricht in het kader van het AWTI rapport over
samenwerking tussen Nederland en Brazilië; daarvoor verwijzen we naar het verslag
                                                    176
van het studiebezoek aan Brazilië.
België (Vlaanderen)
In de beleidsnota ‘2014-2019. Werk, Economie, Wetenschap en Innovatie’ van de
Vlaamse regering is opgenomen dat de Vlaamse overheid een duidelijk en breed
gedragen beleid ontwikkelt voor open data en open access om spillover-effecten te
bevorderen. Zo zullen we onderzoeksinstellingen stimuleren om hun onderzoeks-
resultaten in open access te publiceren en de onderzoeksdata die aan de basis liggen
van de publicaties als open data te ontsluiten. De toegang tot informatie over publiek
gefinancierd onderzoek in Vlaanderen, inclusief linken naar publicatie van datasets,
zal verzekerd worden vanuit het onderzoeksportaal FRIS: www.researchportal.be.
Daarnaast volgt de overheid reeds gestarte innovatieve open data projecten op (zoals
het open data project o.l.v. iMinds en het RILOD-pilootproject (Research Information
Linked Open Data project) onder leiding van het Departement EWI) en onderzoekt zo
                                                                                                 177
of en in welke richting nieuwe initiatieven kunnen worden ontplooid.
Daarnaast heeft de federale regering samen met 18 Belgische onderzoeksinstellingen
                                                                                                           178
en onderzoeksfonden de ‘Brussels declaration on open access’ ondertekend. Daarin
houden wetenschappers en instellingen de keuze om de ‘gouden’ of de ‘groene’ route te
volgen. België behoort tot de landen die vooral ‘groen’ publiceert. Het hoort bijvoorbeeld
                                                                                                        179
tot de drie landen die de minste ‘gouden’ open access-tijdschriften hebben.
Rondom het delen van onderzoeksdata wordt vooral ingezet op versterkte samenwerking
tussen kennisinstellingen en de organisaties die de digitale infrastructuur en data
archiving and curation verzorgen.
176
    Corbey (2015), Brazilië: impressie van een land in verandering, Den Haag: AWTI, juni 2015.
177
    Vlaamse regering (2014).
178
    https://openaccessbelgium.files.wordpress.com/2012/11/signedbrussels-declaration-on-open-access.pdf
179
    Archambault et al. (2014)
Durven delen                                                                                                   118
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>Denemarken
De (vorige) Deense regering is begonnen met het opmaken van een strategie voor open
access. Als doel hebben ze gesteld dat in 2017 80% en in 2022 100% van alle peer-
reviewed artikelen open toegankelijk zullen zijn. Voor de uitvoering is een ‘nationaal
comité’ opgezet waarin vertegenwoordigers van belanghebbende partijen (universiteiten,
nationale en universiteitsbibliotheken, wetenschapsfinanciers, private fondsen, etcetera)
                   180
participeren.
De gekozen route is de ‘groene’ route. De ‘gouden’ route vraagt om een te grote
systeemverandering. De concrete plannen voor dit jaar (2015) zijn de ontwikkeling van
een open access-indicator (om goed te kunnen meten wat de open access-prestaties
zijn per kennisinstelling/discipline) en het opzetten van een platform gericht op de meer
technologische kant van de zaak.
Bij maatschappelijke voordelen denkt men bij de Deense overheid minder snel aan het
bedrijfsleven, maar meer aan kleine kennisinstituten, docenten, huisartsen en dergelijke,
die baat hebben bij het gratis toegankelijk zijn van artikelen. Om de meeste bedrijven en
maatschappelijke organisaties enthousiast te krijgen voor deze vorm van kennisbenutting
is een intermediaire organisatie/helpdesk nodig die hun helpt bij de zoektocht en de
vertaling.
Op de politieke agenda staat open access hoog. Wel heerst het gevoel dat open access
nog te weinig op de agenda van de wetenschap staat. De dialoog met de wetenschap-
pers en management van universiteiten moet beter en intensiever. Er moet meer
awareness komen, meer informatiecampagnes en training. Dit geldt voor open access
maar nog veel meer voor open onderzoeksdata.
Duitsland
In brede zin geldt dat zowel op federaal niveau als op Bundeslandniveau zowel steun
bestaat voor de ‘groene’ als voor ‘gouden’ route. Het beleid is vooral nog volop in ont-
wikkeling. Daarbij kan gelijk de kanttekening geplaatst worden dat veel Bundesländer
nog geen strategie hebben voor open access.
De discussie rondom open access is op federaal niveau lange tijd gevoerd in een breder
kader. In 2009 stelde de commissie ‘Toekomst van informatie-infrastructuren’ open
access als één van de acht thema’s vast naast onder meer virtuele onderzoeksruimtes,
onderzoeksdata, licenties, langdurige archivering. De Raad van infrastructuren die
daaruit is voortgekomen heeft op het gebied van open access nog geen strategische
180
    Danish Ministry of Higher Education (2014).
Durven delen                                                                              119
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>keuzes gemaakt of aanbevelingen gedaan voor verdere ontwikkeling van open access of
onderzoeksdatamanagement.
In het coalitieverdrag (CDU, CSU, SPD 2013) staat opgenomen dat een Open access
strategie moet worden ontwikkeld, waarin niet alleen open access publicaties aan bod
komen maar vooral ook allerlei vraagstukken rondom open data. Een keuze ten aanzien
van de te kiezen route is niet genomen. Wel is het zo dat het uitgangspunt moet zijn dat
publiek gefinancierd onderzoek zonder financiële, technische of juridische barrière
toegankelijk en bruikbaar moet zijn. Dit laatste geldt niet alleen voor
‘kwaliteitsgewaarborgde tekstpublicaties maar ook andere digitale objecten waaronder
onderzoeksdata.’ Eerder had de regering ervoor (CDU, CSU, FPD) in het auteursrecht
reeds opgenomen dat uiterlijk na twaalf maanden na publicatie de auteur van een
wetenschappelijk artikel het recht heeft de geaccepteerde manuscriptversie openbaar te
                                     181
maken (‘groene’ route).
Een aantal deelstaten heeft zich uitgesproken over open access:
► Baden-Württemberg: de regering van Baden-Württemberg heeft hogescholen en
      universiteiten verplicht maatregelen te nemen om de toegankelijkheid van weten-
      schapsresultaten te vergroten. De te kiezen route (‘goud’ of ‘groen’) is aan de
      kennisinstelling zelf (dat valt onder de eigen autonomie). Op de middellange termijn
      is het bedoeling dat het aantal open access-publicaties in alle disciplines stijgt.
► Schleswig-Holstein: in de open access-strategie uit 2014 komen drie elementen aan
      bod: a) de ontwikkeling van een deelstaatbrede publicatieserver, b) de ontwikkeling
      van open access-beleid voor alle hogescholen en universiteiten; c) de oprichting van
      een publicatiefonds. Het streven is om in 2020 minstens de helft van alle publicaties
      via open access beschikbaar te laten zijn. Belangrijk discussiepunt zijn de nog de te
      ontwikkelen indicatoren voor de monitoring van open access. Uitgangspunt is verder
      ook dat open access geen eigenstandig project is met een duidelijk begin- en eind-
      punt. Het is veel meer een eerste stap in een transformatieproces waarbij het ook
      gaat om vrije toegang tot onderzoeksdata en open science , dat wil zeggen het
      openen van alle fases van het wetenschapsproces.
► Berlijn heeft in het deelstaatparlement in mei 2014 besloten een open access-
      strategie te ontwikkelen, waarbij zowel de ‘groene’ als ‘gouden’ route wordt
      onderzocht. Hiervoor wordt een open access-netwerk met vertegenwoordigers uit
      de wetenschap opgericht. Aandachtspunt is onder meer ook de ICT-infrastructuur.
181
    §38 (4) Urheberrechtsgesetz luidt: „Der Urheber eines wissenschaftlichen Beitrags, der im Rahmen einer mindestens zur Hälfte mit
    öffentlichen Mitteln geförderten Forschungstätigkeit entstanden und in einer periodisch mindestens zweimal jährlich erscheinenden
    Sammlung erschienen ist, hat auch dann, wenn er dem Verleger oder Herausgeber ein ausschließliches Nutzungsrecht
    eingeräumt hat, das Recht, den Beitrag nach 12 Monaten seit der Erstveröffentlichung in der akzeptierten Manuskriptversion
    öffentlich zugänglich zu machen, soweit dies keinem gewerblichen Zweck dient. Die Quelle der Erstveröffentlichung ist anzugeben.
    Eine zum Nachteil des Urhebers abweichende Vereinbarung ist unwirksam.“
Durven delen                                                                                                                       120
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>► Nordrhein-Westfalen en Brandenburg zijn in een beginfase van het ontwikkelen van
     een strategie voor open access.
De overige deelstaten hebben geen open access-strategie of een begin ervan. Wel is het
     zo dat in de 16 deelstaten in totaal 150 repositories (vooral instellings-repositories)
     staan die publicaties vrij toegankelijk maken.
Zowel de universiteiten en hogescholen als de wetenschapsinstituten (vooral die van
de Leibniz Gemeinschaft en de Max Planck Gesellschaft) zijn druk doende een open
access-cultuur van de grond te krijgen. Vooral de wetenschapsinstituten verenigd in de
‘Allianz der Wissenschaftsorganisationen’ zijn op het gebied van open access actief. In
februari 2015 bracht de ad hoc Arbeitsgruppe ‘Open access Gold’ een position paper uit.
Hoewel de ‘groene’ weg niet wordt uitgesloten is de ‘gouden’ route het einddoel.
Een paar eerste observaties zijn:
► Het hybride model kan alleen ondersteund worden indien openheid door de uitgeverij
     betracht wordt (i) over de status van al dan niet geleidelijke omzetting van het
     tijdschrift naar open access, (ii) over een verrekening ten faveure van de kennis-
     instelling om ‘double dipping’ te voorkomen, en (iii) over optimale vindbaarheid van
     open access-artikelen.
► De aanbieder moet transparant zijn over de totstandkoming van de APC’s. Het vast-
     stellen van een plafond vanuit de kant van de financiers van wetenschap wordt aan-
     bevolen. [Transparenz]
► Contracten tussen aanbieders en kennisinstellingen mogen geen vertrouwelijk-
     heidsclausules meer hebben. Big deals zijn schadelijk voor de concurrentie.
     [Wettbewerb]
► Het juridische en technische hergebruik van open access-publicaties moet gaan via
     gestandaardiseerde licenties en formats. Aanbieders moeten er ook voor zorgen dat
     open access-publicaties een optimale zichtbaarheid behouden. [Nachhaltigkeit]
► Bij de transformatie naar open access moet rekening gehouden worden met de
     verschillende wensen en uitgangspunten per discipline. STM-disciplines zijn al meer
     overgestapt op open access publicaties vergeleken met de geestes- en gamma-
     wetenschappen waar nog veel meer met monografieën gewerkt worden. [Pluralität]
► Wat nog ontbreekt en wat sterk nodig is, is een economische analyse van de zich
     formerende open access-markt in Duitsland op basis van de studie ‘Developing an
     effective market for APC’. [Wirtschaftlich]
► Kwaliteitsbewaking is een belangrijk goed. Uitgeverijen moeten bestaande proce-
     dures veiligstellen en tegelijk moet er ruimte te zijn voor innovatieve ontwikkelingen
     op het gebied van kwaliteitsbewaking zoals bijvoorbeeld via open review processen.
► Vanuit Max Planck Digital Library wordt geconcludeerd dat een omschakeling van
     een abonnementsmodel naar een open access-model budgettair neutraal
     gefinancierd kan worden. Met andere woorden dat de abonnementsbudgetten
Durven delen                                                                                 121
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>                                                                                                      182
      voldoende zouden zijn om de benodigde APC’s te financieren.                                         (Wel is een
      overgangsbudget nodig.) [Wirtschaftlich]
In Duitsland zijn ze vooral nog aan het onderzoeken wat de kansen, problemen en
haalbaarheid van open access zijn. De politieke wens naar open access is er op federaal
niveau en is groeiend op deelstaatniveau. Daarbij is er enige voorkeur – zeker bij de
kennisinstellingen – voor de ‘gouden’ route al wordt de mogelijkheid van de ‘groene’
route zeker ook opengehouden. Vooral interessant zijn de eerste gedachten en
positionering ten aanzien van een aantal belangrijke thema’s door de Allianz der
deutschen Wissenschafsorganisationen. Het gaat daarbij om zaken als voldoende
transparantie, kwaliteitsbewaking, zichtbaarheid, de hoogte van de APC, de betaling
                                                                                                                          183
van een APC in geval van meerdere auteurs, juridische en technische aspecten.
Finland
Open Science is voor Finland één van de topprioriteiten binnen het wetenschapsbeleid.
Het is belangrijk voor kwaliteitsverbetering en integriteit van de wetenschap als ook voor
het verkrijgen van meer maatschappelijke en economische impact. De gekozen weg is
                                                                                                184
de ‘gouden’ route. Hiervoor heeft het ministerie een roadmap opgesteld met daarin
een agenda voor 2014-2017 hoe onder welke voorwaarden in samenwerking met de
verschillende stakeholders de weg naar open science het best geplaveid kan worden.
Er zijn vier doelen:
1. Versterken van het functioneren van de wetenschap zelf: openheid en het herhalen
        van onderzoek versterken de betrouwbaarheid en kwaliteit van onderzoek.
2. Versterken van de expertise hoe om te gaan met ‘openheid’: diegenen die werken in
        het Finse wetenschapssysteem weten hoe ze om moeten gaan met de kansen die
        openheid bieden en om zodoende de concurrentiekracht van Finland te stimuleren.
3. Verzekeren van een stabiele basis voor het onderzoeksproces: goede en duidelijke
        basisstructuren en services creëren nieuwe mogelijkheden.
4. Versterken van de maatschappelijke impact van onderzoek: open science biedt
        nieuwe kansen voor onderzoekers, beleidsmakers, bedrijfsleven, maatschappelijke
        organisaties, burgers.
182
    Ralf Schimmer en anderen van de Max Planck Digital Library maken de volgende berekening. Voor Duitsland gaan zij uit van
    70.000 APC-relevante artikelen uit een totaal van 103.000 wetenschapsartikelen (Web of Science). Bij gemiddelde APC-kosten
    van €2.000 per artikel brengt dat het totaal aantal ‘gouden kosten’ op €140 miljoen per jaar. De huidige totale abonnementsgelden
    worden voor Duitsland geschat op €200 miljoen per jaar. Voor Frankrijk komt de rekensom uit op: 46.000 APC-relevante artikelen
    (uit 71.000), wat leidt tot APC-kosten van €92 miljoen tegenover €120 miljoen huidige abonnementskosten. Voor het VK komen
    ze uit op: 72000 APC-relevante artikelen (uit een totaal van 109.000), wat leidt tot totale APC-kosten van €144 miljoen tegenover
    geschatte abonnementskosten van €218-250 miljoen. Voor Nederland berekenen wij (AWTI) echter: 24.000 APC-relevante
    artikelen uit 38.000 artikelen, dus APC-kosten van in totaal €48 miljoen tegenover geschatte abonnementskosten van €40 miljoen
    per jaar. Voor Nederland wordt het dus duurder!
183
    Zie de checklist (p. 28-33) van Allianz der deutschen Wissenschaftsorganisationen (2015).
184
    Ministry of Education and Culture of Finland (2014).
Durven delen                                                                                                                        122
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>Het resultaat moet een open wetenschapssysteem zijn waarin wetenschappelijke kennis
en data vrij circuleren. Om er te komen zijn concrete zaken als formats voor de opslag,
betere vindbaarheid en linking van wetenschappelijke kennis nodig. Ook betekent dit een
nieuwe manier van werken voor wetenschappers en andere stakeholders als ook veel
meer interactie tussen elkaar.
De maatregelen die genomen moeten worden hebben deels een analytisch karakter
over onder meer de huidige werkcultuur in onderzoeksomgevingen of het opzetten van
indicatoren om de mate van openheid en beschikbaarheid te meten. Deels betreffen het
vrij concrete maatregelen zoals het opzetten van een certificaat voor open science of het
organiseren van fora. Tot slot wordt veel via pilot projecten uitgezocht.
De Finse Academy of Finland (de nationale onderzoeksfinancier) stimuleert allereerst dat
wetenschappers hun publicaties op een ‘groene’ manier openstellen door ze te stallen in
de institutionele repositories of wanneer die ontbreken in social networking sites zoals
www.academia.edu of www.researchgate.net. Ook de ‘gouden’ route wordt ondersteund.
Er zijn fondsen beschikbaar voor de financiering van de APC’s. Het publiceren in hybride
tijdschriften wordt niet aangemoedigd.
Voorwaarde voor financiering van onderzoek is het toevoegen van een publication plan
en een data management plan. Daarnaast wordt de opslag van data voor op de langere
termijn gestimuleerd, maar plannen daarover moeten nog verder worden uitgewerkt.
TEKES (de nationale financier voor innovatie) beveelt een zo breed mogelijke
verspreiding van wetenschapsresultaten. Het beleid voor open access en het delen
van onderzoeksdata binnen de organisatie wordt op het moment in lijn gebracht met
de Horizon 2020 vereisten.
Finland heeft geen grote uitgeverijen. De meeste artikelen worden gepubliceerd via
learned societies, waar de prijzen van tijdschriften redelijk zijn en met nauwelijks een
winstoogmerk. Deze learned societies hebben hun twijfels bij het open access business
model omdat ze daarin hun belangrijkste en vertrouwde bron van inkomsten kwijtraken.
De federatie van Learned Societies onderzoekt alternatieve financieringsmodellen.
Onder kennisinstellingen is de bereidheid tot en het enthousiasme voor open access
hoog. 22 van de 30 rectoren zijn ‘(highly) committed to promoting openness.’
Frankrijk
In Frankrijk zijn er drie soorten instellingen die betrokken zijn in het onderzoeksproces:
universiteiten, grandes écoles en onderzoeksinstituten. De eerste twee hebben ook een
duidelijke onderwijscomponent. De Franse overheid en onderzoekswereld zijn sinds
geruime tijd een groot voorstander van open access. De overheid vindt het belangrijk
Durven delen                                                                               123
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>dat wetenschappelijke resultaten zoveel mogelijk openbaar worden gemaakt. Frankrijk
heeft daarin vanaf 2000 een eigen weg gevolgd door het opzetten van het HAL-platform
(HAL=Hyper Article en Ligne). Dit platform verbindt alle institutionele repositories en
fungeert als een nationaal open archief voor alle disciplines. Vanuit HAL zijn pre-final
versions van artikelen en theses vindbaar. In de jaren erna is er beleidsmatig vooral sterk
ingezet op het verbeteren en uitbreiden van het netwerk van repositories. De beleidsinzet
kreeg een stimulans in 2006 met de ondertekening van een memorandum of under-
standing voor een ‘gecoördineerde aanpak op nationaal niveau naar een open archi-
vering van wetenschappelijke output’ door de belangrijkste onderzoeksinstituten, de
verenigingen (conférences) van universiteiten en grandes écoles. Daarnaast verlangen
de Franse wetenschapsfinancier (ANR) en het instituut voor medisch onderzoek (Inserm)
dat al het onderzoek dat door hen of deels door hen is gefinancierd zo snel als mogelijk
(met embargo’s van 6-12 maanden) in een open archief wordt gezet.
Frankrijk heeft een groeiend aantal open access-tijdschriften, maar vooral in de sociale
en geesteswetenschappen en veel minder in de STM-disciplines of economie en rechten.
De reden daarvoor is waarschijnlijk dat de laatstgenoemde disciplines veel meer kiezen
voor het plaatsten van pre-final version in een repository en daarmee tegelijkertijd
kunnen blijven publiceren in tijdschriften met een hoge impactfactor. Opvallend is ook dat
veel Franse open access-tijdschriften geen auteursbijdrage (APC) vragen. Onderzoek uit
2009 wijst uit dat 67 tot 83% geen bijdrage vraagt en afhankelijk is van andere bronnen
                         185
van inkomsten.
De Franse overheid hamert vooral op open archivering en lijkt meer op de lijn van de
‘groene’ route te zitten. Officieel kiest de politiek echter niet voor een bepaalde route.
De Franse minister (voor OCW) Geneviève Fioraso sprak zich in 2013 uit voor het uit
principe openstellen van wetenschappelijke informatie: ‘le gouvernement français
réaffirme son soutien au principe du libre accès à l’information scientifique.’ Wel uitte zij
twijfels over de ‘gouden’ route: 1) de transitiekosten zijn erg hoog; 2) verlies van geloof-
waardigheid van artikelen wanneer op basis van publicatie betaald gaat worden; 3)
kleine studies zijn mogelijk eerder slachtoffer van zo’n verandering; 4) er ontstaat een
                                                                                        186
groeiende ongelijkheid in de mogelijkheid tot publiceren. Haar voorkeur is een ‘platina
           187
route’ waarin lezers en auteurs gratis (web)toegang hebben tot wetenschappelijke
publicaties.
185
    Couperin (2010).
186
    Ministère de l'Éducation nationale, de l'Enseignement supérieur et de la Recherche (2013), discours de Geneviève Fiorasso lors
         e
    de 5 journées Open Access, 24 januari 2013.
187
    Platinum open access: ‘this option allows open access to the published “Version of Record,” without payment of an APC.
    Platinum OA journals are normally supported by grants or subsidies and a Board and editors who conduct editorial activities on a
    voluntary basis. This definition formerly applied to the term “gold open access”’, aldus
    http://editorresources.taylorandfrancisgroup.com/open-access/
Durven delen                                                                                                                       124
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>Letland
De Letse regering staat positief tegenover open access. Een goede ontwikkeling voor de
toekomst. Op dit moment wordt in de financiering niet verplicht gesteld om open access
te publiceren. Het onderzoeksbeleid is er meer op gefocust om wetenschappers te laten
publiceren in tijdschriften met een hoge impactfactor.
Noorwegen
De Noorse research council omarmt het concept van open access, omdat het goed is
voor de integriteit van het wetenschapsproces en het de ontwikkeling in de wetenschap
en van innovatieprocessen versnelt. Ook draagt het eraan bij dat wetenschappelijke
instituten met weinig geld zoals tal van instituten uit ontwikkelingslanden betere toegang
tot wetenschappelijke literatuur krijgen.
De ‘groene’ of ‘gouden’ route moeten beide mogelijk zijn, maar de council heeft een
voorkeur voor ‘goud’. Voor 2014-2019 zijn er fondsen beschikbaar voor de bekostiging
van APC’s. In eerste instantie gaat het om 9 miljoen Kronen (ruim 1 miljoen EUR) per
jaar waarbij de kennisinstellingen voor co-financiering moeten zorgen. Na 2019 moeten
de APC’s geïncorporeerd zijn in de indirecte kosten voor R&D-projecten van de kennis-
                   188
instellingen. Voor de ‘groene’ route geldt een embargo van maximaal zes maanden
na publicatie voor artikelen in de exacte, technische en medische disciplines en twaalf
maanden voor artikelen uit de sociale en geesteswetenschappen.
Slowakije
In Slowakije staat het open access beleid nog wat in de kinderschoenen. Het Slovak
Centre for Scientific and Technical Information (SCSTI) geldt als het nationale point of
reference voor open access en toegang tot data. Het SCSTI houdt een aantal informatie-
systemen bij die een relatie hebben met open access. Het gaat dan om een centraal
register van (wetenschappelijke) publicatie-activiteiten (http://www.creps.sk), een centraal
register van scripties en proefschriften (http://www.crzp.sk), een centrale bibliografische
database (http://scidap.cvtisr.sk) en het Slovaakse informatiesysteem over (huidig)
onderzoek (http://www.skcris.sk).
De implementatie van de open access filosofie in de praktijk is in ontwikkeling in
Slowakije en is vooral zichtbaar in de groei van het aantal open access wetenschappe-
lijke tijdschriften in dat land (op dit moment zijn er bijna 40 open access journals in
Slowakije). Deze ontwikkeling wordt nog wel wat gehinderd door het ontbreken van
faciliterende wetgeving, door de opvattingen van de wetenschappers zelf en het ont-
breken van de juiste e-infrastructuur. In maart 2015 organiseerde de SCSTI een grote
                                             189
conferentie over open access.
188
    http://www.forskningsradet.no/en/Open_access/1254008537671
189
    De conferentie was getiteld: Open access policy of Slovakia in the European context 2015, zie: http://www.oa.cvtisr.sk
Durven delen                                                                                                               125
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>Meer in het algemeen geldt dat Slowakije zich heeft aangesloten bij het Open govern-
ment partnership initiative. Onderdeel voor het actieplan in het kader van dit open
government zijn ook doelen en acties met betrekking tot vrije toegang tot onderzoeks-
                 190
resultaten. De toekomst zal moeten uitwijzen wat hiervan gerealiseerd wordt.
Spanje
In Spanje is het beleid rond open access vooral gericht op de ‘groene route’, hoewel
zowel ‘groen’ als ‘goud’ zijn toegestaan. Kosten voor het publiceren met open access zijn
subsidiabele kosten binnen de onderzoeksprojecten die uitgevoerd worden door publieke
onderzoeksorganisaties.
In Spanje bestaat wetgeving op nationaal niveau die verplicht om een laatste digitale
versie van een (publiek gefinancierde) wetenschappelijke artikel te deponeren in een
repository (kan van een instelling zijn of een thematische); dit moet binnen twaalf
                                                                              191
maanden na de publicatie van het artikel gebeuren.
De onderzoeksprojecten die gefinancierd worden door het ministerie handhaven sinds
2013 deze wettelijke bepalingen en zijn verder volledig afgestemd op de eisen van het
EU-programma Horizon 2020. In aanvulling op de nationale wetgeving heeft een aantal
regionale overheden (Madrid, Asturië en Catalonië) ook open access-beleid voor het
door hen gefinancierde onderzoek. Verder is er een toenemend aantal universiteiten en
onderzoekscentra dat betrokken is bij de bevordering van open access doordat ze hun
eigen institutionele repositories beheren. Voor wat het gebruik van open access betreft,
is de inschatting van de overheid dat de belangrijkste gebruiker de wetenschappelijke
gemeenschap zelf is. Open Access is nog niet zo bekend in het bedrijfsleven en een
aantal culturele barrières voorkomen dat het bedrijfsleven zijn voordeel doet met Open
Access.
De wet bepaalt ook dat het ministerie gecentraliseerde toegang tot repositories en hun
verbinding met soortgelijke nationale en internationale initiatieven zal vergemakkelijken.
Binnen Spanje beheert de FECYT (Fundación Española para la Ciencia y la Tecnología)
de nationale harvester RECOLECTA (http://recolecta.fecyt.es). Het is een platform dat
alle wetenschappelijke repositories in Spanje verzamelt en het levert diensten aan
repository managers, onderzoekers en beleidsmakers, net zoals OpenAIRE doet voor
de Europese gemeenschap.
190
    The Action Plan initiatives for open governance in Slovak Republic 2015, zie: http://www.tretisektor.gov.sk/akcny-plan-iniciativy-
    pre-otvorene-vladnutie-2014-%E2%80%93-2015/
191
    Het gaat om artikel 37 van de Wet 14/2011 van 1 juni over wetenschap, technologie en innovatie (Ley 14/2011, de 1 de junio, de la
    Ciencia, la Tecnología y la Innovación).
Durven delen                                                                                                                           126
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>De doelstellingen van RECOLECTA zijn:
a.     Het bevorderen en coördineren van de nationale infrastructuur van Open Access
       digitale wetenschappelijke repositories op een interoperabele wijze op basis van de
       door de internationale gemeenschap vastgestelde normen.
b.     Het bevorderen, ondersteunen en faciliteren dat onderzoekers van universiteiten en
       onderzoeksinstellingen open access-beleid aanvaarden en uitvoeren, en
c.     Om een grotere zichtbaarheid te geven aan de resultaten van onderzoek uitgevoerd
       in Spanje. RECOLECTA wordt gevormd door 69 institutionele repositories en het
       telt met ongeveer 1.000.000 open access wetenschappelijke documenten die
       voortgebracht zijn door de Spaanse onderzoeksgemeenschap. 85% van de
       universiteiten en onderzoekscentra in Spanje hebben een institutionele repository
       opgezet.
Rond de toegang tot onderzoeksdata geldt dat Spanje het delen van onderzoeksdata in
beginsel sterk steunt als het gaat om door de overheid gefinancierd onderzoek en het
delen van die data compatibel is met het (mogelijke) commerciële gebruik of waarde van
die data. Maar de Spaanse overheid heeft wel bezorgdheid over open toegang tot
onderzoeksdata vanwege: (1) de noodzaak van grote infrastructuren voor opslag van
onderzoeksgegevens (en de kosten die daarmee gemoeid zijn); (2) de noodzaak van
professioneel data management om de reeds geproduceerde onderzoeksgegevens
waardevol herbruikbaar te laten zijn, en (3) de noodzaak om een model te vinden dat
publiek-privaat onderzoek niet in de weg zit.
Ten slotte werkt de FECYT aan het ontwikkelen van de juiste metrieken voor de aan-
delen open access; daarbij probeert ze ook bij te dragen aan de vaststelling van
gemeenschappelijke normen, codering en metadata die nodig zijn voor de productie
van betrouwbare statistieken.
Tsjechië
De Tsjechische overheid is voorstander van open access en laat het aan de weten-
schapper zelf over welke manier van open access publiceren hij of zij kiest. Open access
wordt vooral in een breder beleidskader getrokken waarbij het ook gaat over het
investeren in grootschalige (e-)onderzoeksinfrastructuur. Open onderzoeksdata heeft nog
weinig aandacht gekregen wel wordt er sinds enige tijd gesproken over het opzetten van
een centrale repository die vooral bedoeld is voor de instituten die nog geen repository
hebben of gebrek aan capaciteit hebben.
Verenigde Staten
In 2013 kondigde the White House Office of Science and Technology Policy (OSTP) aan
dat alle (20) federale onderzoeksbureaus met een budget groter dan $100 miljoen per
jaar hun onderzoeksresultaten binnen 12 maanden publiekelijk toegankelijk moeten zijn.
Durven delen                                                                             127
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>Het gaat hier om zowel de peer-reviewed artikelen als de onderliggende onderzoeks-
         192
data. Het is een besluit op een ontwikkeling die al eerder door de National Institute of
Health (NIH) gestart was. Het NIH investeert jaarlijks ongeveer $ 30 miljard, de helft van
het totale federale onderzoeks budget, in fundamenteel en toegepast biomedisch
onderzoek. Na een vrijwillige pilot van drie jaar (2004-2007) stelde de NIH open access
in 2008 verplicht en in 2012 kondigde het aan dat subsidies niet verlengd zou worden
aan de partijen die geen navolging gaven aan het open access-besluit. Op dit moment is
er een voorstel voor federale wetgeving in behandeling in het Congress om de embargo-
termijn te verkorten naar zes maanden (Fair Access to Science and Technology
                                                                                             193
Research Act). Hierover is nog geen definitief besluit genomen.
De federale overheid heeft gekozen voor de ‘groene’ route en spreekt zich niet uit over
de ‘gouden’ route. Het gaat erom dat artikelen in digitale vorm gelezen, gedownload en
geanalyseerd kunnen worden. Ze moeten terug te vinden in de repository van het
(federale) onderzoeksbureau of een repository die door het onderzoeksbureau is
goedgekeurd.
Inmiddels zijn er 128 open access mandates (‘regels’) door de verschillende kennis-
                                                                                 194
instellingen en -financiers geregistreerd in ROARMAP. In de lijst vallen de namen op
van tal van grote (onderzoeks)universiteiten (Harvard, Columbia, Princeton), als ook de
namen van de verschillende ministeries die open access-beleid hebben vastgelegd.
Op statelijk niveau hebben drie staten wetgeving gestart om open access van publiek
gefinancierd onderzoek vast te leggen. Het gaat om de staten New York, California
                   195
en Illinois.
Verenigd Koninkrijk
De Britse hoger onderwijsinstellingen doen jaarlijks voor zo’n kleine £ 5 miljard aan
onderzoek. De verdeling vindt plaats via een duaal systeem. De Funding Councils
voor Engeland, Schotland, Wales en Noord-Ierland werken met lumpsum bedragen voor
het ondersteunen van de onderzoeksinfrastructuur en onderzoeksprioriteiten van de
instellingen. De Research Councils daarentegen vergeven onderzoekssubsidies voor
specifieke onderzoeksprojecten.
Als ingezoomd wordt op het aantal open access publicaties dan zit het Verenigd
Koninkrijk net boven het gemiddelde. In 2012 was 5,9% van alle publicaties in (‘gouden’)
192
    Zie: www.whitehouse.gov/blog/2013/02/22/expanding-public-access-results-federally-funded-research, waar een link staat naar het
    policy memorandum van de OSTP.
193
    Het wetsvoorstel is opnieuw ingebracht in het nieuwe Congress in het begin van 2015. De stand van zaken is bij te houden op:
    https://www.govtrack.us/congress/bills/114/s779
194
    http://roarmap.eprints.org/view/country/840.html
195
    http://pitt.libguides.com/openaccess/oausa
Durven delen                                                                                                                     128
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>open access tijdschriften, terwijl het mondiale gemiddelde op 5,5% lag. In hybride
tijdschriften liggen de cijfers verder uit elkaar: 2,7% in het Verenigd Koninkrijk tegenover
0,5% op mondiaal niveau. Dat geldt ook voor het plaatsen van manuscripten in
                                                                                          196
instellingsrepositories. Dat lag op 11,6% in het VK tegenover 5% op mondiaal niveau.
Dat laatste is voor een groot deel te verklaren door de vele investeringen in infrastructuur
(zoals repositories) en het feit dat veel research funders een aantal jaar eerder het beleid
hadden ingevoerd dat het plaatsen van manuscripten van gepubliceerde artikelen
verplicht stelden vanaf 2006. Uit deze cijfers valt verder op dat het gros van de artikelen
nog altijd via het traditionele publish-review-abonnementen systeem gaat. Uitgeverijen
lijken de open access-handschoen overigens wel op te pakken. Volgens de Publisher
Association heeft 75% van alle tijdschriften een open access mogelijkheid en 96% van de
                                                                             197
tijdschriften kent met een embargo van 24 maanden of minder.
De discussie rondom open access kreeg in 2011 een stevige impuls met een round table
georganiseerd door minister David Willetts (BIS) met alle stakeholders en de daaruit
voorvloeiende opdracht aan de Finch-commissie om te komen met een advies. Die
impuls kwam vooral voort uit de enorme stijging van abonnementskosten en beperkte
toegang tot de wetenschappelijke artikelen.
In het Finch report dat in 2012 uitkwam, stond de aanbeveling dat ‘a clear policy direction
should be set towards support for publication in open access or hybrid journals, funded
by APCs, as the main vehicle for the publication of research, especially when it is publicly
         198
fund.’ De aanbevelingen werden breed gesteund door Willetts en zijn beleid dat erop
volgde was vooral gericht op het implementeren van de ‘gouden’ route waarbij publiek
geld vrij werd gemaakt om de kosten voor de APC’s gefinancierd te krijgen. Dat ging via
zogenaamde blockgrants (subsidieregeling) die werden vergeven door de Research
Councils. De Research Councils kondigden daarbij ook aan dat voortaan alle onder-
zoeksresultaten die door hun gefinancierd zijn, gepubliceerd moeten worden in open
access – of hybride tijdschriften (‘gouden’ route). In alle onderzoekspapers moest daar-
naast informatie opgenomen worden hoe en waar de onderliggende data teruggevonden
konden worden.
Naast de RCUK heeft ook de – particuliere – Wellcome Trust een open access-beleid
waarin publicatie in open access-tijdschriften is verplicht. Daarnaast moet een manuscript
gearchiveerd worden in de Europese PubMed Central. Ten aanzien van open data is
maximale toegang de norm. Zowel RCUK als de Wellcome Trust verwachten bij een
onderzoeksaanvraag een Data Management Plan.
196
    Pasteur4OA en JISC (2014).
197
    Research Councils UK (2015).
198
    Working Group on Expanding Access to Published Research Findings (2012).
Durven delen                                                                                129
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>De UK Funding Councils kozen echter voor een model dat meer aansluit op de ‘groene’
route. Vanaf 1 april 2016, maar eerder wordt aanbevolen, zijn alle instellingen verplicht
hun onderzoeksresultaten te plaatsen in een instellings- of themarepository. Dit moet
zodra de publicatie verzekerd is, met eventueel in achtneming van een embargo.
Tegelijkertijd ondersteunen ze ook het publicatiemodel waar de regering en de research
councils voor staan waarin uitgeverijen open access aanbieden en waarin er ruimte kom
voor meer open access-tijdschriften.
Een aantal belangrijke instanties (de BIS-commissie van het House of Commons, de
Finch-werkgroep, evaluatie-werkgroep RCUK en enkele wetenschappers) hebben de
afgelopen paar jaren gereageerd op de invoering van de ‘gouden’ open access-route.
De belangrijkste observaties als kritiekpunten luiden als volgt:
Kosten
De kosten voor de invoering (2013/14) van de ‘gouden’ open access-route door de
                                                                         199
research councils zijn voor het eerste jaar geschat op ruim £20 miljoen. Naast de £11
miljoen aan APC-kosten waren de universiteiten £9,2 miljoen kwijt aan voorbereidings-
en administratieve kosten (zie Figuur 5). Veel van deze kosten waren niet te financieren
door de block grants van de research councils. Dit had onder meer tot gevolg dat instel-
lingen met een overschot aan RCUK grants zaten terwijl het geld elders wel al was uit-
gegeven. Naast de £20 miljoen aan open access werden de kosten aan abonnements-
                                   200
gelden geschat op £175 miljoen.
APC
Punt van kritiek was de onduidelijkheid over de te betalen prijzen voor de APC’s. Zo was
er onder meer een groot verschil tussen de hybride tijdschriften en de volledig open
access tijdschriften. Gemiddeld £1150 voor open access-tijdschriften tegenover £1850
                                        201
voor artikelen in hybride tijdschriften. Meer openheid over de berekening en meer
marktwerking werd gewenst.
Van de block grants die research councils ter beschikking stelden kwam het overgrote
deel (80%) bij een kleine groep van instellingen. Van de uitgeverijen profiteerden vooral
Elsevier (20,1%), Wiley (15,2) en PLOS (11,2%). Diezelfde uitgeverijen gaven aan dat
het gereserveerde bedrag aan block grants niet voldoende zal zijn om de transitie naar
‘gouden’ open access te financieren. Ook vanuit de instellingen was er de vrees dat snel
te weinig geld beschikbaar zou zijn voor alle aanvragen.
199
    Research Consulting (2014).
200
    Research Consulting (2014).
201
    Pinfield et al. (2015).
Durven delen                                                                              130
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>Figuur 5 (Administratieve) kosten van de open access policy van de Research Councils UK
Bron: Research Consulting (2014, p. 7)
Beleving instellingen en politiek
Hoewel alle instellingen en disciplines het idee van open access ondersteunen zit er
verschil in de beleving en acceptatie ervan. De STEM-disciplines staan veel meer open
voor de ‘gouden’ route en de daarbij horende CC-BY licenties. Voor de sociale en
geesteswetenschappen geldt voor CC-BY onbekend maakt onbemind, maar ook dat
zij vaak te maken hebben copyrights (gebruiksrechten op beeldmateriaal) van derde
partijen. Deze disciplines hebben verder problemen met geen of korte embargo’s. De
downloadpiek en verspreiding loopt veel trager. De meeste downloads van artikelen
komen pas na twee jaar. Verder vrezen zij verlies van (abonnements)inkomsten uit eigen
tijdschriften,een zorg die gedeeld wordt met de vele learned societies. Tot slot vrezen
zij een uitbreiding naar open access van monografieën. De meeste instellingen en
wetenschappers uit deze hoek geven veel vaker de voorkeur voor de ‘groene’ route.
Durven delen                                                                            131
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>De individuele wetenschapper is vaak ook niet overtuigd van het nut van de overstap
naar open access en die krijgen snel het gevoel dat ze worden opgezadeld met extra
                  202
bureaucratie. Verder was er nog geen bewijs dat het publiceergedrag van de weten-
schappers sterk was veranderd door de invoering van open access. Auteurs zijn bij hun
tijdschrift of uitgeverij gebleven.
Op instellingsniveau zijn er volgens ROARMAP 51 self-archiving mandates waar het
in 49 gevallen gaat om het plaatsen van onderzoeksresultaten in een repository en in
twee gevallen gecombineerd met de aanbeveling om in een open access-tijdschrijft te
publiceren. Ten aanzien van open onderzoeksdata hebben 23 instellingen een open
access beleid ingevoerd. Ondanks de keuze van de regering en RCUK voor de ‘gouden’
route hebben weinig instellingen voor hoger onderwijs hun open access-beleid naar
‘goud’ aangepast.
De BIS-commissie in het House of Commons was in 2013 kritisch over de kosten van de
APC’s waarbij het vooral draaide om het prijsverschil tussen de hybride tijdschriften en
de ‘puur’ ‘gouden’ tijdschriften. Daarnaast was er kritiek op de te lange embargo’s die
uitgeverijen hanteerden en de mogelijke gevolgen die open access kan hebben voor de
internationale concurrentiepositie. Ook hadden onderzoeksinstellingen en -financiers de
afgelopen jaren grote investeringen gedaan in het opzetten voor repositories en de
onderhoud kon nu niet opeens worden afgeschoven op de instellingen zoals de regering
voorstelde. De BIS-commissie was voorstander van ‘author freedom of choice between
Gold and Green open access.’ Vanuit het House of Lords was er vooral de wens naar
meer duidelijkheid over de embargoperiodes en de internationale ontwikkeling rondom
de invoering van de open access. Verder beval zij de regering aan een kostenbaten
analyse over open access publiceren op te stellen. Deze aanbeveling is niet opgevolgd.
De regering heeft hierop de voorkeur gehouden voor de invoering van de ‘gouden’ open
access-route. Maar het erkende ook dat ‘decisions by researchers and the responsive-
ness of the publishing industry will determine whether Gold OA proves to be the prime
route.’
Zweden
Zweden stimuleert open access sinds 2006. In navolging van aanbevelingen van de
Europese Commissie is Zweden in 2012 gestart met het opstellen van richtlijnen voor
open access. Het streven is een uniforme Europese benadering en in 2025 een volledig
open beleid van alle wetenschappelijke activiteiten die met publiek geld zijn gefinancierd.
Publicaties vinden bijvoorbeeld alleen nog via Creative Commons licensing plaats.
202
    Research Councils UK (2015).
Durven delen                                                                             132
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>In 2015 zijn de eerste stappen gezet. Al het publiek gefinancierde onderzoek wordt open-
lijk toegankelijk waarbij eerst een embargo van maximaal zes maanden mogelijk is voor
artikelen in de exacte, technische en medische disciplines. Een embargo van (maximaal)
twaalf maanden is toegestaan voor artikelen uit de sociale en geesteswetenschappen.
In 2020 wordt het embargo teruggebracht naar zes maanden en geldt open access ook
voor boeken.
Daarnaast is de Zweedse overheid gekomen met de eerste voorstellen voor open
onderzoeksdata. Deze moeten verder worden uitgewerkt in de periode 2015-2020 aan de
hand van pilot projecten. Belangrijkste belemmeringen voor open onderzoeksdata zijn:
                                                                             203
a) privacy, b) nationale veiligheid en c) commerciële belangen.
Zwitserland
De Zwiterse wetenschapsfinancier – SNSF – stelt het open access publiceren verplicht.
Dat kan zowel op de ‘groene’ als de ‘gouden’ manier. Voor het publiceren in volledig
open access tijdschriften stelt de SNSF budgetten beschikbaar. Vanaf juli 2014 geldt de
verplichting om open access te publiceren ook voor monografieën en edities. Wel kan
                                                                                 204
een embargoperiode van maximaal 24 maanden worden bedongen.
Open onderzoeksdata staan sinds 2014 op de agenda. Een speciaal programma is
opgezet voor het toegankelijk en zo goed mogelijk verwerkt krijgen van data (access,
processing and safeguarding). Het doel is om in 2020 en gezamenlijk aanpak van de
kennisinstellingen te hebben als het gaat om toegang en beheer (providing and
processing) van wetenschappelijke informatie.
De Zwitserse regering staat ook achter open access ongeacht of het ‘groen’ of ‘goud’ is.
Voor de regering zijn en paar zaken belangrijk: a) goede kwaliteitscontrole en b) een
goede afstemming in gebruik van resultaten tussen de wetenschap en het bedrijfs-
           205
leven. Verder laat de Zwitserse regering vooral het initiatief bij de kennisinstellingen
zelf.
203
    Vetenskapsrådet/Swedish Research Council (2015)
204
    http://www.parlament.ch/d/suche/seiten/geschaefte.aspx?gesch_id=20143215
205
    http://www.parlament.ch/d/suche/seiten/geschaefte.aspx?gesch_id=20073340
Durven delen                                                                             133
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>Bijlage 3 Gesprekspartners
Ter voorbereiding van dit advies is met de volgende personen gesproken:
► De heer Erik van Aert                       NWO
► De heer Jonas Bak                           Danish Agency for Science, Technology
                                              and Innovation
► De heer Arun Balachadran                    Institute for Social and Economic Change,
                                              India
►   De heer Carlo Beenakker                   Instituut-Lorentz, Universiteit Leiden
►   De heer Rinze Benedictus                  UMC Utrecht
►   De heer Axel Berg                         SURFsara
►   De heer Stephane Berghmans                Elsevier (RELX)
►   De heer Florent Bernard                   Europese Commissie, DG RTD
►   De heer Jan van den Biesen                Philips
►   De heer Magchiel Bijsterbosch             SURFsara
►   Mevrouw Margreet Bouma                    Ministerie OCW/NWO
►   Mevrouw Judith Budde                      Uitgeverij Paris
►   De heer Tim Buiting                       Neth-ER
►   De heer Jean-Claude Burgelman             Europese Commissie, DG RTD
►   De heer João Costa                        Universidade Nova de Lisboa, Portugal
►   De heer Jean-François Dechamp             Europese Commissie, DG RTD
►   De heer Ron Dekker                        Ministerie OCW/NWO
►   De heer Richard Derksen                   Ministerie OCW
►   Mevrouw Elly Dijk                         DANS
►   Mevrouw Ingrid Dillo                      DANS
►   De heer Peter Doorn                       DANS
►   De heer John Doove                        SURFmarket
►   De heer Marc Dupuis                       SURFmarket
►   Mevrouw Caroline Edwards                  Open Library of the Humanities, VK
►   Mevrouw Clara Eugenia García              Ministerio de Economía y Competitividad,
                                              Spanje
►   De heer Thomas Grosfeld                   MKB-Nederland/VNO-NCW
►   Mevrouw Lucie Guibault                    Universiteit van Amsterdam
►   De heer Max Haring                        Springer
►   De heer Wilco Hazeleger                   Netherlands eScience Center (NLeSC)
►   De heer Jaap van den Herik                Leiden Centre of Data Science, Universiteit
                                              Leiden
► De heer Paul IJmkers                        Nederlandse Permanente
                                              Vertegenwoordiging bij de EU
Durven delen                                                                          134
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>►   Mevrouw Marijtje Jongsma        VAWO/Radboud Universiteit
►   Mevrouw Margrethe Jonkman       FrieslandCampina
►   De heer Thijs Jürgens           Shell
►   Mevrouw Hanne-Louise Kirkegaard Danish Agency for Science, Technology
                                    and Innovation
►   De heer Michiel Kolman          Elsevier (RELX)
►   De heer Fried Kramer            Neth-ER
►   De heer Arnoud Lagendijk        VAWO/Radboud Universiteit
►   De heer Bastiaan van Loenen     TU Delft/Open Data Doorbraakteam
►   De heer Dries van Loenen        Ministerie van Economische Zaken
►   Mevrouw Marjan van Meerloo      Ministerie van Economische Zaken
►   De heer Barend van der Meulen   Rathenau Instituut
►   Mevrouw Dagmar Meyer            European Research Council
►   De heer Frank Miedema           UMC Utrecht
►   De heer Peter Molengraaf        Alliander
►   De heer Sijbolt Noorda          European University Association
►   De heer Abel Packer             Scientific Electronic Library Online (SciELO),
                                    Brazilië
► De heer Mark Patterson            eLife, VK
► De heer Slobodan Radičev          EuroScience/Universiteit van Novi Sad, Servië
► Mevrouw Susan Reilly              LIBER (Association of European Research
                                    Libraries)
►   Mevrouw M.M. Rodenburg          Huisarts te Delft
►   De heer Dick de Ruiter          Stichting Lynch Polyposis
►   Mevrouw Serçe Sahin             Ministerie OCW
►   De heer Laurents Sesink         Universiteitsbibliotheek, Universiteit Leiden
►   De heer Raymond Sluiter         KNMI
►   De heer Daniel Spichtinger      Europese Commissie, DG-RTD
►   De heer Wim van der Stelt       Springer
►   Mevrouw Hester Tak              Gunn & Twynmore
►   De heer Clifford Tatum          CWTS, Universiteit Leiden
►   De heer Michiel Thijssen        Brill
►   Mevrouw Diana de Veld           LUMC Magazine
►   De heer Robert van der Vooren   VSNU
►   Mevrouw Astrid van Wesenbeeck   Koninklijke Bibliotheek
►   Mevrouw Wilma van Wezenbeek     Universiteitsbibliotheek, TU Delft
►   Mevrouw Ingrid Wijk             Universiteitsbibliotheek, Universiteit
                                    Maastricht
► De heer David Williams            International Association for Energy
                                    Economics
Durven delen                                                                    135
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>Europese inbreng
Voor een goed beeld over open access en open data in verschillende Europese landen
hebben de volgende personen vanuit Europese AWTI-zusterorganisaties en organisaties
uit het netwerk van Neth-ER input geleverd:
► Bart Dumolyn                            Vlaamse overheid, departement Economie,
                                          Wetenschap & Innovatie (België)
► Monique Septon                          FRS-FNRS (België)
► Margot Beereboom                        FWO (België)
► Hanne-Louise Kirkegaard en              Uddannelses- og Forskningsministeriet/
    Jonas Bak                             Ministry of Higher Education and Science
                                          Danmark (Denemarken)
► Rebecca Taubach                         Wissenschaftsrat Deutschland (Duitsland)
► Claudia Eggert                          KOWI (Duitsland)
► Tuomas Parkkari en Saara Vihko          Research and Innovation Policy Council of
                                          Finland (Finland)
► Arnis Kokorevics                        Latvian Council of Science (Letland)
► Rune Rambæk Schjølberg, Siri Lader Norges forskningsråd/Research Council of
    Bruhn en Yngve Joseph Foss            Norway (Noorwegen)
► Mária Žitňanská                         Slovak Centre of Scientific and Technical
                                          Information (Slowakije)
► Cristina González Copeiro, Andrés       Fundación Española para la Ciencia y la
    Martinez en Pilar Rico Castro         Tecnología (Spanje)
► Katerina Slavikova                      Technology Centre ASCR (Tsjechië)
► Lisbeth Söderqvist en Sandra Olivera Vetenskapsrådet/Swedish Research
                                          Council (Zweden)
► Christian Simon                         Schweizerischer Wissenschafts- und
                                          Innovationsrat SWIR (Zwitserland)
► Florence Balthasar                      Swiss Core (Zwitserland)
Conferenties/workshops
Er is aan de volgende conferenties deelgenomen:
► European Commission Open Science Visit to Elsevier (24 februari 2015, Amsterdam)
► TUe Symposium Open Access 2015 (10 maart 2015, Eindhoven)
► International Conference on Science 2.0 (3-4 mei 2015, Hamburg, Duitsland)
► Conferentie ‘Opening up to an ERA of Innovation’ (22 juni 2015, Brussel, België)
► Workshop over ‘Alternative Open Access publishing models’ (12 oktober 2015,
     Brussel, België)
Durven delen                                                                        136
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>Bijlage 4 Gebruikte bronnen
► Allianz der deutschen Wissenschaftsorganisationen (2015), Positionen zur Schaffung
    eines wissenschaftsadäquaten Open-Access-Publikationsmarktes, februari 2015, te
    vinden op: http://doi.org/10.2312/allianzoa.008
► Alperin, J.P. (2015), The public impact of Latin America’s approach to Open Access,
    proefschrift Stanford University, 2015, online beschikbaar via:
    http://purl.stanford.edu/jr256tk1194
► Archambault, E., D. Amyot, P. Deschamps, A. Nicol, F. Provencher, R. Rebout en
    G. Roberge (2014), Proportion of open access papers published in peer-reviewed
    journals at the European and world levels 1996–2013 (D 1.8 version 11p,
    22/10/2014), rapport voor de Europese Commissie, s.l.: Science-Metrix, 2014
► AWT (Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid, 2011), E-Science.
                               e
    De wetenschap in de 21 eeuw, Den Haag: januari 2011
► AWT (Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid, 2013), Waarde
    creëren uit maatschappelijke uitdagingen, AWT Advies nr. 82, Den Haag: AWT,
    oktober 2013
► AWTI (Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie, 2015a), Verwevenheid
    van onderzoek en hoger onderwijs. Eenheid in verscheidenheid, Den Haag: AWTI,
    juni 2015
► AWTI (Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie, 2015b), Klaar voor de
    toekomst? Naar een brede strategie voor ICT, Den Haag: AWTI, september 2015
► AWTI (Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie, 2015c), Verslag AWTI-
    bijeenkomst ‘Datagedreven Wetenschap’, 5 juni 2015, Den Haag: AWTI, zie:
    http://www.awti.nl/upload/documents/publicaties/tekst/Verslag-AWTI-bijeenkomst-
    Datagedreven-Wetenschap.pdf
► Bakker, M. (2014), Good science, bad science: Questioning research practices in
    psychological research, proefschrift UvA, s.l.: 2014, te vinden op:
    http://dare.uva.nl/record/1/417013
► Binnenlands Bestuur van 26 september 2012, ‘Open overheidsdata: ruwe grondstof,
    geen oplospoeder’, te vinden op: http://www.binnenlandsbestuur.nl/digitaal/opinie/
    ingezonden/open-overheidsdata-ruwe-grondstof-geen.8502202.lynkx
► Binnenlands Bestuur van 25 juni 2014, ‘Geen progressie in open data’, te vinden op:
    http://www.binnenlandsbestuur.nl/digitaal/nieuws/geen-progressie-in-open-data.
    9430257.lynkx
► Binnenlands Bestuur van 28 mei 2015, ‘Plasterk: 98 procent links open data werkt na
    upgrade’, te vinden op: http://www.binnenlandsbestuur.nl/digitaal/nieuws/plasterk-98-
    procent-links-open-data-werkt-na.9476561.lynkx
Durven delen                                                                            137
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>► Björk, B.-C., P. Welling, M. Laakso, P. Majlender, T. Hedlund en G. Gudnason
    (2010), ‘Open access to the scientific journal literature: Situation 2009’, PLOS ONE,
    5(6), e11273, doi: 10.1371/journal.pone.0011273
► Björk, B.-C. en D. Solomon (2014), Developing an effective market for Open Access
    Article Processing Charges, Londen: Wellcome Trust, 2014
► Blanchard, A en E. Sbuncu (2012), Pour une meilleure visibilité de la recherche
    française, (Livre Blanc), Paris: 2012
► Brouwer, F. (2014), ‘Waar blijven de innovatieve weerproducten? KNMI en Open
    Data biedt volop kansen!’, presentatie te vinden op: http://bit.ly/1QiGYiZ
► Capgemini Consulting (2013), The Open Data Economy. Unlocking Economic Value
    by Opening Government and Public Data, s.l.: 2013, te vinden op
    https://www.capgemini-consulting.com/resource-file-access/resource/pdf/
    opendata_pov_6feb.pdf
► Caruso, J., A. Nicol en E. Archambault (2013), Open Access Strategies in the
    European Research Area, rapport voor de Europese Commissie, Brussel:
    Science-Metrix, augustus 2013
► Concordat Working Group (2015), Concordat on Open Research Data, Version 10,
    17 juli 2015.
► Corbey, D. (2015), Brazilië: impressie van een land in verandering, Den Haag: AWTI,
    juni 2015.
► Couperin (2010), Open Access in France – a state of the art report, april 2010
► CWTS (2015), Bibliometric study on Dutch Open Access published output 2000-
    2012/13, Leiden: januari 2015
► Data Archiving and Networked Services (DANS, 2015), Samen data delen.
    Samenvatting strategienota DANS 2015-2020, Den Haag: DANS, 2015
► Data Citation Synthesis Group (2014), Joint Declaration of Data Citation Principles,
    San Diego: FORCE11, 2014; te vinden via: https://www.force11.org/datacitation
► Dillo, I. en P. Doorn (2011), The Dutch data landscape in 32 interviews and a survey,
    Den Haag: DANS, 2011
► Elsevier (2013), International Comparative Performance of the UK Research Base –
    2013. A report prepared by Elsevier for the UK’s Department of Business, Innovation
    and Skills (BIS), 2013; beschikbaar via: https://www.gov.uk/government/publications/
    performance-of-the-uk-research-base-international-comparison-2013
► ERAC (European Research Area and Innovation Committee, 2015), ERA Roadmap
    2015-2020, Brussel: 2015
► Europese Commissie (2010), Riding the wave – How Europe can gain from the rising
    tide of scientific data, Brussel: 2010, te vinden op:
    http://cordis.europa.eu/fp7/ict/e-infrastructure/docs/hlg-sdi-report.pdf
► Europese Commissie (2012), Impact assessment – accompanying the document
    ‘Commission recommendation on access to and preservation of the scientific
    information in the digital age’, SWD(2012) 222 final (17 juli 2012)
Durven delen                                                                              138
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>► Europese Commissie (2013a), Report of the European Commission Public
    Consultation on Open Research Data, te vinden via de website over de consultatie:
    http://ec.europa.eu/digital-agenda/node/67533
► Europese Commissie (2013b), Guidelines on Open Access to Scientific Publication
    and Research Data in Horizon2020, version 1.0 (11 en 16 december 2013), Brussel:
    december 2013, te vinden op: http://ec.europa.eu/research/participants/data/ref/
    h2020/grants_manual/hi/oa_pilot/h2020-hi-oa-pilot-guide_en.pdf
► Europese Commissie (2013c), Guidelines on Data Management in Horizon2020,
    Brussel: 2013
► Europese Commissie (2014a), Standardisation in the area of innovation and
    technological development, notably in the field of text and data mining, Report
    from the Expert Group, Brussels: EC-RTD, 2014, te vinden op: http://ec.europa.eu/
    research/innovation-union/pdf/TDM-report_from_the_expert_group-042014.pdf
► Europese Commissie (2014b), European Research Area - progress report 2014,
    Brussel: 2014
► Europese Commissie (2015), Validation of the results of the public consultation on
    Science 2.0: Science in Transition, Brussel: februari 2015
► Ferwerda, E., R. Snijder en J. Adema (2013), OAPEN-NL - A project exploring Open
    Access monograph publishing in the Netherlands: Final Report, Den Haag: OAPEN
    Foundation, oktober 2013
► Gargouri, Y., V. Larivière, Y. Gingras, L. Carr en S. Harnad (2012), ‘Green and gold
    open access percentages and growth, by discipline’, ArXiv preprint:
    http://arxiv.org/abs/1206.3664
► Goede, M. de, en L. Hessels (2014), Feiten en cijfers. Drijfveren van onderzoekers.
    Den Haag: Rathenau Instituut, november 2014.
► Guibault, L. en A. Wiebe (red.) (2013), Safe to be open. Study on the protection
    of research data and recommendations for access and usage, Göttingen:
    Universitätsverlag Göttingen, 2013
► Houghton, J. (2009), Open Access – What are the economic benefits? A comparison
    of the United Kingdom, Netherlands and Denmark, 23 June 2009
► Houghton, J., J. de Jonge en M. van Oploo (2009), Costs and Benefits of Research
    Communication: The Dutch Situation, 29 May 2009
► House of Commons Business, Innovation and Skills Committee (2013), Open Access
    – fifth report of session 2013-14, HC 99-I, London: The Stationery Office Limited,
    10 september 2013
► Jonge, J. de (2014), Verslag debatreeks Vertrouwen in de wetenschap, Den Haag:
    Rathenau Instituut, 2014
► Kaasschieter, P. (2015), ‘Open data: onvolledig, versnipperd en onleesbaar’, in:
    Financieele Dagblad van 3 oktober 2015, p. 14
► Knowledge Exchange (2010), The impact of open access outside European
    universities, Copenhagen: 2010
Durven delen                                                                           139
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>► Knowledge Exchange / Van der Graaf, M. en L. Waaijers (2012), A Surfboard for
    Riding the Wave. Towards a four country action programme on research data,
    2e editie, beschikbaar op: www.knowledge-exchange.info/surfboard
► Knowledge Exchange / Van den Eynden, V. en L. Bishop (2014), Sowing the seed:
    incentives and motivations for sharing research data, a researcher’s perspective, s.l.:
    Knowledge Exchange, 2014
► Kotterink, B. en N. Huijboom (2010), ‘Zet meer overheidsgegevens in een databank’,
    in: NRC Handelsblad van 23 november 2010, te vinden op: http://www.nrc.nl/
    handelsblad/van/2010/november/23/zet-meer-overheidsgegevens-in-een-databank-
    11973203
► League of European Research Universities (LERU, 2011), The LERU roadmap
    towards Open Access, Advice paper No.8, Leuven: LERU, juni 2011
► League of European Research Universities (LERU, 2015), “Christmas is over.
    Research funding should go to research, not to publishers!" Moving forwards on
    open access, LERU Statement for the 2016 Dutch EU Presidency, Leuven: LERU,
    12 October 2015
► Lelieveldt, H., en S. Princen (2011), The Politics of the European Union. Cambridge:
    Cambridge University Press, 2011
► Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2014), Wetenschapsvisie 2025:
    Keuzes voor de toekomst, Den Haag: november 2014
► Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015a), ‘Non-paper on open
    science: open access to publications and data’, Den Haag: 3 maart 2015
► Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015b), Strategische Agenda
    Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015-2025, Den Haag: juli 2015
► Ministry of Education and Culture Finland (2014), Open science and research leads
    to surprising discoveries and creative insights. Open science and research roadmap
    2014–2017
► Ministry of Higher Education Denmark (2014), Denmark’s National Strategy for Open
    Access
► Moedas, C. (2015), ‘Open Innovation, Open Science, Open to the World’, presentatie
    te Brussel tijdens de conferentie ‘A new start for Europe: Opening up to an ERA of
    innovation’, Brussel: 22 juni 2015
► Mylne, A., O.J. Brady, Z. Huang, D.M. Pigott, N. Golding, M.U.G. Kraemer en S.I. Hay
    (2014), ‘A comprehensive database of the geographic spread of past human Ebola
    outbreaks’, Sci. Data 1:140042 doi: 10.1038/sdata.2014.42
► National Science Board (2014), Science and Engineering Indicators 2014, Arlington
    VA: National Science Foundation
► Netherlands eScience Center (NLeSC, 2013), Data-Stewardship in the Big Data Era:
    Taking care of big data (2013), s.l.: NLeSC, januari 2013, te vinden op:
    https://www.esciencecenter.nl/img/pressroom/DataStewardship_Final.pdf
Durven delen                                                                             140
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>► Nicol, A., J. Caruso en E. Archambault (2013), Open Data Access Policies and
    Strategies in the European Research Area and Beyond, rapport voor de Europese
    Commissie, Brussel: Science-Metrix, augustus 2013
► NRC Handelsblad van 15 oktober 2012, ‘De burgerprogrammeur haalt het goud uit
    de overheidsdata’, p. 7
► NRC Handelsblad van 2 juli 2015, ‘Eerste stap universiteiten boycot Elsevier’, p. 3
► OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, 2007), OECD
    Principles and Guidelines for Access to Research Data from Public Funding, Paris:
    OECD Publishing, 2007, te vinden op: http://www.oecd.org/sti/sci-tech/38500813.pdf
► OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, 2015a),
    Working Party of National Experts on Science and Technology Indicators, Preliminary
    Findings from an OECD Pilot Survey of Scientific Authors on Access to Outputs of
    Scientific Research, DSTI/EAS/STP/NESTI(2015)4, Parijs: April 2015
► OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, 2015b),
    Making Open Science a Reality, OECD Science, Technology and Industry Policy
    Papers, No. 25, Paris: OECD Publishing Press, 2015
► Oldenburg, B. (2015), Integriteit en duurzaamheid in het digitale tijdperk.
    Het bewaren, delen, hergebruiken en documenteren van digitale onderzoeksdata
    door sociologen in Nederland, Den Haag: DANS, 2015
► Open Knowledge Foundation (2012) Open Data Handbook, online te vinden op:
    http://opendatahandbook.org/guide/nl_BE/
► Packer, A.L., N. Cop, A. Luccisano, A. Ramalho, en E. Spinak (eds.) (2014), SciELO
    – 15 Years of Open Access: an analytic study of Open Access and scholarly
    communication, Paris: UNESCO, 2014. Beschikbaar op:
    http://dx.doi.org/10.7476/9789230012373
► Palzenberger, M., ‘Number of Scholarly Articles per Country. Data on Web of Science
    listed articles and reviews 2004-2013’, s.l.: Max Planck Digital Library, 28 april 2015,
    doi:10.17617/1.2
► Pasteur4OA en JISC (2014), UK Open Access case study, 17 november 2014,
    te vinden op: http://www.pasteur4oa.eu/sites/pasteur4oa/files/resource/
    UK%20Case%20Study.pdf
► Pinfield, S., J. Salter en P.A. Bath (2015), ‘The “Total Cost of Publication” in a Hybrid
    Open-Access Environment: Institutional Approaches to Funding Journal Article-
    Processing Charges in Combination With Subscriptions’, Journal of the Association
    for Information Science and Technology 2015, doi:10.1002/asi.23446
► Plaat, A. (2015), Data Science and Ebola, oratie Universiteit Leiden, Leiden:
    13 april 2015
► PRC (Publishing Research Consortium, 2009), Access by UK small and medium-
    sized enterprises to professional and academic information, (Research report),
    Bristol: augustus 2009
Durven delen                                                                               141
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>► Raad van de Europese Unie (2015), ‘Ontwerpconclusies van de Raad over de
    Routekaart voor de Europese Onderzoeksruimte 2015-2020’
► Raad voor het openbaar bestuur (Rob, 2012), Gij zult openbaar maken. Naar een
    volwassen omgang met overheidsinformatie, Den Haag: Rob, september 2012
► RDA Europe (2014), The Data Harvest: How sharing research data can yield
    knowledge, jobs and growth, december 2014, te vinden op: https://europe.rd-
    alliance.org/sites/default/files/report/TheDataHarvestReport_%20Final.pdf.
► RECODE (2014), Policy Recommendations for Open access to research Data in
    Europe, Brussel: 2014, te vinden op: www.recodeproject.eu
► Research Consulting (2014), Counting the costs of Open Access. The estimated cost
    to UK research organisations of achieving compliance with open access mandates in
    2013/2014, november 2014
► Research Councils UK (2015), Review of the implementation of the RCUK Policy on
    Open Access, Swindon, UK: maart 2015, te vinden op: http://www.rcuk.ac.uk/RCUK-
    prod/assets/documents/documents/Openaccessreport.pdf
► Schimmer, R., K.K. Geschuhn en A. Vogler (2015), ‘Disrupting the subscription
    journals’ business model for the necessary large-scale transformation to open
    access’, A Max Planck Digital Library Open Access Policy White Paper, München:
    Max Planck Digital Library, 28 april 2015, doi:10.17617/1.3
► Schuyt, C.J.M., K.A. Algra, R.J.M. Nolte en F.R. Rosendaal (2012), Zorgvuldig en
    integer omgaan met wetenschappelijke onderzoeksgegevens, Amsterdam:
    Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, 2012, te vinden op:
    https://www.knaw.nl/nl/actueel/publicaties/zorgvuldig-en-integer-omgaan-met-
    wetenschappelijke-onderzoeksgegevens
► Sluiter, R. (2013), ‘Open data bij de KNMI’, presentatie 21 mei 2013, te vinden op:
    http://www.pbl.nl/sites/default/files/cms/WS15%20-%20Raymond%20Sluiter.pdf
► Taylor and Francis (2014), Taylor and Francis Open Access Survey, June 2014, s.l:
    Taylor & Francis/Routledge, 2014, zie:
    http://www.tandfonline.com/page/openaccess/opensurvey/2014
► The Publishers Association, International Association of Scientific, Technical and
    Medical Publishers en The Association of Learned & Professional Society Publishers
    (2010), Scientific Technical and Medical (STM) journal publishing in 2010, s.l.: april
    2010, beschikbaar via: (laatst bezocht 16/10/2015)
    http://www.stm-assoc.org/2010_04_16_STM_Journal_Publishing_in_2010.pdf
► TNS Nipo en Koninklijke Bibliotheek (2014), Behoefte aan wetenschappelijke
    artikelen. Verdiepingsonderzoek, Den Haag: Koninklijke Bibliotheek, 22 januari 2014
► Ubaldi, B. (2013), ‘Open government data: towards empirical analysis of open
    government data initiatives’, OECD Working Papers on Public Governance, No. 22,
    Paris: OECD Publishing, 2013, http://dx.doi.org/10.1787/5k46bj4f03s7-en
Durven delen                                                                               142
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>► UNESCO (2011), Revised Draft Strategy on UNESCO’s Contribution to the Promotion
    of Open Access to Scienctific Information and research, Paris: UNESCO, 20 October
    2011
► UNESCO (2012), Policy Guidelines for the Development and Promotion of Open
    Access, Paris: 2012.
► UNESCO (2013), Open Access policy concerning Unesco publications, via
    http://www.unesco.org/new/fileadmin/MULTIMEDIA/HQ/ERI/pdf/oa_policy_rev2.pdf
► Unesco Netherlands National Commission for Unesco (2011), A global perspective
    on Open Access, Amsterdam: 20 januari 2011
► Vetenskapsrådet/Swedish Research Council (2015), Proposals for national guidelines
    for open access to scientific information, Stockholm: Vetenskapsrådet, 2015
► Visser, D. (2015), ‘The Open Access provision in Dutch copyright contract law’,
    Journal of Intellectual Property Law & Practice 2015; doi:10.1093/jiplp/jpv161
► Vlaamse regering (2014), Beleidsplan 2014-2019. Werk, Economie, Wetenschap
    en Innovatie
► VNO-NCW (2012), ‘Kom van die miljarden af’, artikel in Opinieblad Forum 2012, nr.
    22 (29/11/2012), te vinden op: http://www.vno-ncw.nl/SiteCollectionDocuments/
    Forumartikelen/Forum_2212_Overheidsdata_17771.pdf
► VSNU (2015), ‘Taalwetenschappers publiceren wetenschappelijke artikelen voortaan
    in betaalbaar open access’, Persbericht, Den Haag: VSNU, 12 oktober 2015,
    beschikbaar via: http://www.vsnu.nl/nl_NL/nieuwsbericht/nieuwsbericht/231-
    taalwetenschappers-publiceren-wetenschappelijke-artikelen-voortaan-in-betaalbaar-
    open-access.html
► Ware, M. en M. Mabe (2015), The STM Report. An overview of scientific and
    scholarly publishing – Celebrating the 350th anniversary of journal publishing, fourth
    edition, The Hague: International Association of Scientific, Technical and Medical
    Publishers, March 2015
► Working Group on Expanding Access to Published Research Findings(‘Finch Report’,
    2012) Accessibility, sustainability, excellence: how to expand access to research
    publications, juni 2012
           2
► WTI (2014), Wetenschaps, Technologie & Innovatie Indicatoren, publicatie in
    opdracht van het ministerie van OCW, Utrecht: december 2014
► Yozwiak, N.L., S.F. Schaffner en P.C. Sabeti (2015), ‘Data sharing: Make outbreak
    research open access’, in Nature, vol. 518, pp. 477-479
Kamerstukken Nederland
► Brief van de staatssecretaris van OCW aan de Tweede Kamer van 15 november
    2013: TK 2013-2014, 31 288, nr. 354
► Brief van de staatssecretaris van OCW aan de Tweede Kamer van 23 januari 2015:
    TK 2014-2015, 31 288, nr. 414
Durven delen                                                                              143
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>► Amendement Tweede Kamerlid Taverne (artikel 25fa Auteurswet): TK 2014–2015,
    33 308, nr. 11
► Nadere toelichting van de zijde van de regering over artikel 25fa Auteurswet: EK
    2014-2015, 33 308, nr. E
Europese ‘regelgeving’
► Aanbeveling van de Commissie van 17 juli 2012 betreffende de toegang tot en de
    bewaring van wetenschappelijke informatie (2012/417/EU), PbEU 2012 L 194/39
► Mededeling van de Commissie van 17 juli 2012, ‘Een versterkt partnerschap voor
    topkwaliteit en groei voor de Europese onderzoekruimte’, COM(2012) 392 final
► Mededeling van de Commissie van 17 juli 2012, ‘Naar een betere toegang tot
    wetenschappelijke informatie: Vergroting van de voordelen van overheids-
    investeringen in onderzoek’, COM(2012) 401 final
► Mededeling van de Commissie van 6 mei 2015, ‘Strategie voor een digitale
    eengemaakte markt voor Europa’, COM(2015) 192 final
Durven delen                                                                       144
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>Adviesraad voor
wetenschap, technologie en innovatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
t. 070 31 10 920
e. secretariaat@awti.nl
w. www.awti.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>