<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>a
wt Adviesraad voor
wetenschap, technologie en innovatie

OVER HET BELANG VAN KENNISABSORPTIEVERMOGEN

</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>De Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) brengt gevraagd
en ongevraagd advies uit aan regering en parlement. Zijn onafhankelijke adviezen zijn
strategisch van aard en gaan over de hoofdlijnen van wetenschaps-, technologie- en
innovatiebeleid. De leden van de AWTI zijn afkomstig uit kennisinstellingen en het
bedrijfsleven. De raad staat onder voorzitterschap van Uri Rosenthal. De AWTI doet
zijn werk vanuit de overtuiging dat het belang van kennis, wetenschap en innovatie
voor economie en samenleving groot is en in de toekomst nog verder zal toenemen.
prof. dr. U (Uri) Rosenthal (voorzitter)
prof. dr. ing. D.H.A (Dave) Blank
prof. dr. R. (Roshan) Cools
prof. dr. ir. K. (Koenraad) Debackere
prof. dr. V.A. (Valerie) Frissen
prof. dr. ir. T. (Tim) van der Hagen
dr. ir. S. (Sjoukje) Heimovaara
prof. dr. E.M. (Emmo) Meijer
dr. ir. A.J.H.M. (Arno) Peels
prof. dr. ir. M.F.H. (Martin) Schuurmans
dr. D.J.M. (Dorette) Corbey (secretaris)
Het secretariaat is gevestigd in Den Haag:
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
t. 070 3110920
e. secretariaat@awti.nl
w. www.awti.nl
ISBN: 9789077005767
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Vangen, verwerken en verwaarden
Over het belang van kennisabsorptievermogen
maart 2016
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Colofon
Fotografie                          Shutterstock.com
Ontwerp                             2D3D Design
Druk                                Xerox/OBT, Den Haag
                                    maart 2016
ISBN                                9789077005767
Alle publicaties zijn gratis te downloaden via www.awti.nl.
Auteursrecht
Alle auteursrechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen van deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen of
openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de AWTI. Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van
organisatienaam en naam en jaartal van de uitgave.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                             2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Inhoud
Proloog                                                             5
Samenvatting                                                        7
Deel 1: Advies                                                      9
1   Inleiding                                                      11
1.1 Urgentie                                                       11
1.2 Adviesvraag                                                    12
1.3 Afbakening                                                     12
2   Kennis absorberen en kennisabsorptievermogen                   13
2.1 Kennis                                                         13
2.2 Kennis absorberen                                              13
2.3 Kennisabsorptievermogen                                        14
3   Kennisabsorptievermogen in de praktijk                         15
3.1 Individueel kennisabsorptievermogen                            15
3.2 Het kennisabsorptievermogen van organisaties                   15
3.3 Het kennisabsorptievermogen op stelselniveau                   19
4   Conclusies en aanbevelingen                                    23
4.1 Conclusies                                                     23
4.2 Rol van de overheid                                            24
4.3 Aanbevelingen                                                  25
Deel 2: Analyse                                                    29
1   De Nederlandse kenniswerker: innovatief en netwerker           31
1.1 Opleiding en vaardigheden                                      31
1.2 Leven lang leren – vooral informeel                            33
1.3 Goed in netwerken, kennisuitwisseling en samenwerking          34
1.4 Arbeidsmobiliteit: van baan wisselen en naar het buitenland    34
2   Bedrijven en kennisinstellingen                                37
2.1 Dynamische kennisbasis                                         37
2.2 Talent aantrekken en benutten                                  39
2.3 Cultuur van netwerken, samenwerking, ondernemendheid           43
2.4 Tot slot: het belang van échte samenwerking                    47
3   Het Nederlandse kennis- en innovatiesysteem                    48
3.1 Onderwijsstelsel: goede resultaten, aandacht voor skills nodig 48
3.2 Wetenschapsstelsel: een hoogvlakte met pieken                  49
3.3 Economische structuur, vestigingsklimaat en R&D                50
3.4 Aantrekkelijk klimaat bieden voor kenniswerkers en bedrijven   51
3.5 Infrastructuur en prikkels voor toepasbaar maken van kennis    54
Bijlage 1: Adviesvraag uit werkprogramma 2015                      61
Bijlage 2: Gesprekspartners                                        62
Vangen, verwerken en verwaarden                                       3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Bijlage 3: Literatuur           64
Vangen, verwerken en verwaarden    4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Proloog
Het aanbod van kennis neemt fors toe. Internet, open access en big data zijn begrippen die deze tijd markeren.
Maar kennis op zich is niet voldoende. Het absorberen van die kennis leidt tot nieuwe inzichten en doorbraken in
de wetenschap en innovaties. Essentieel is hierbij het vermogen om deze kennis te absorberen.
Hoe staat het met het kennisabsorptievermogen in Nederland? Is het noodzakelijk om dit te versterken en welke
rol kan de overheid hierin spelen?
Op verzoek van de ministeries van OCW en EZ heeft de AWTI zich gebogen over deze vragen. Hierbij heeft de
raad vanuit een brede verkenning van het onderwerp het kennisabsorptievermogen binnen kennisinstellingen en
bedrijven beschouwd.
Kennis komt uit de hele wereld, ook uit landen waar we tot nu toe weinig mee samenwerken. Kennis komt ook uit
andere disciplines – juist op de grensvlakken van wetenschapsgebieden vinden interessante ontwikkelingen
plaats. Bedrijven moeten weten wat er in de onderzoeksinstituten omgaat. Omgekeerd moeten onderzoekers
gevoel hebben voor de kennis en ervaring van het bedrijfsleven. Dat alles vereist een groot
kennisabsorptievermogen. Het komt aan op alertheid, op een goede inschatting van nieuwe en waardevolle
kennis, maar vooral ook op interactie en samenwerking.
De conclusie van de raad is dat het de taak van kennisinstellingen en bedrijven zelf is om hun
kennisabsorptievermogen op peil te houden. Het is aan de overheid om dit te faciliteren en proactief te opereren
wanneer een tekort aan absorptievermogen ontstaat. Faciliteren ter bevorderen van kennisabsorptievermogen
kan bijvoorbeeld door het aantrekken van buitenlands talent, het stimuleren van publiekprivate samenwerking, het
investeren in gezamenlijke onderzoeksfaciliteiten, het bevorderen van arbeidsmobiliteit. Het monitoren door de
overheid van de ontwikkeling van kennisabsorptievermogen kan bijvoorbeeld door in toekomstverkenningen en
onderzoeksvisitaties de stand van zaken binnen het kennisabsorptievermogen mee te nemen in de
onderzoeksresultaten.
De AWTI beoogt met dit advies het belang van kennisabsorptievermogen aan te geven. Deze brede verkenning
leidt hiermee eerder tot enkele meer algemene aanbevelingen dan tot concrete stappen vanuit de overheid. Het
blijft wel noodzakelijk om de ontwikkelingen te volgen en waar nodig het faciliteren door de overheid te
optimaliseren. In dit advies geven wij hiervoor een aantal suggesties.
Bij absorberen kan de indruk ontstaan dat kennis alleen wordt opgenomen, maar bij kennis absorberen is ook het
uitwisselen van kennis belangrijk. Vandaar dat kennisabsorptievermogen een dynamisch geheel moet zijn met
veel energie-inhoud.
De AWTI beoogt met dit advies het belang van kennisabsorptievermogen te onderstrepen. Dit belang neemt ten
gevolge van de internationale concurrentie en de steeds belangrijker rol van transdisciplinaire kennisoverdracht
en -integratie alleen maar toe. Bij beleidsvoorstellen en concrete maatregelen op het terrein van wetenschap,
technologie en innovatie dient de overheid telkens expliciet de gevolgen voor het Nederlandse
kennisabsorptievermogen aan de orde te stellen.
Prof. dr. U. Rosenthal (voorzitter AWTI)
Prof. dr. ing. D.H.A. Blank (voorzitter projectgroep Kennisabsorptievermogen)
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                  5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Vangen, verwerken en verwaarden 6</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Kennisabsorptievermogen is het vermogen om relevante kennis te identificeren, zich deze eigen te maken en te
benutten. Het stelt kennisinstellingen in staat om nieuwe kennis te genereren en bedrijven om te innoveren.
Een goed ontwikkeld kennisabsorptievermogen is belangrijker dan ooit te voren. De snelheid waarmee kennis
geproduceerd wordt, neemt gestaag toe. Wetenschappers en ontwikkelaars van innovaties merken dat steeds
meer relevante nieuwe kennis uit andere landen komt. Steeds meer komt ook uit andere disciplines en
organisaties, terwijl kennisinstellingen en bedrijven zich almaar meer specialiseren.
Tegen deze achtergrond hebben de bewindslieden van Economische Zaken en van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap de AWTI gevraagd:
            Hoe kan het kennisabsorptievermogen van Nederlandse kennisinstellingen en van bedrijven in
            Nederland worden versterkt? Welke rol kan de overheid hierin spelen?
De AWTI komt in zijn advies tot de conclusie dat een aantal kenmerken van het Nederlandse onderwijs, de
arbeidscultuur en de publieke kennisbasis het kennisabsorptievermogen van kennisinstellingen en bedrijven ten
goede komen. Het onderwijs kent een accent op ‘leren leren’ en leren toepassen. De arbeidscultuur biedt
kenniswerkers relatief veel autonomie en schept veel ruimte voor internationale en publiekprivate samenwerking.
De beschikbare kennisbasis is breed.
Daar staan echter een paar ontwikkelingen tegenover die het kennisabsorptievermogen ongunstig beïnvloeden.
Ten eerste, het vermogen van Nederlandse kennisinstellingen om internationaal toptalent aan te trekken, komt
steeds meer onder druk te staan. Ten tweede, de arbeidsmobiliteit op mid-career niveau tussen
kennisinstellingen en bedrijven is beperkt. Ten derde, terwijl de samenwerking in de onderzoeksprogrammering is
toegenomen sinds de invoering van het topsectorenbeleid, is die ‘op de werkvloer’ tussen onderzoekers uit
kennisinstellingen en bedrijven juist afgenomen. Ten vierde, de intermediaire functie tussen kennisontwikkeling
en kennistoepassing die van oudsher bij de TO2-instellingen was belegd, komt onder druk nu deze instituten
krimpen en zich anders in het stelsel positioneren.
Het is de taak van kennisinstellingen en bedrijven zelf om hun kennisabsorptievermogen op peil te houden. Het is
aan de overheid om dit te faciliteren. Dit kan door het publieke kennis- en innovatiesysteem zo in te richten dat
het responsief is, dat een tekort aan kennisabsorptievermogen tijdig wordt opgemerkt en dat erop wordt
gereageerd. Met het oog daarop, beveelt de AWTI de bewindslieden van OCW en EZ het volgende aan (hier
verkort weergegeven – zie de hoofdtekst voor de volledige aanbevelingen):
1     Houd de ontwikkeling van het kennisabsorptievermogen continu in de gaten: i) investeer daartoe meer
      in toekomstverkenningen (foresight), ii) neem kennisabsorptievermogen mee in onderzoeksvisitaties, iii)
      monitor het functioneren van de TO2-instellingen op het ontstaan van ‘structurele gaten’ in het
      kennisabsorptievermogen, en iv) intensiveer het gesprek met bedrijven – niet alleen grote bedrijven, maar
      ook mkb – over de aansluiting van opleidingenaanbod en publiek onderzoek op hun behoeften.
2     Onderhoud de basis van het kennisabsorptievermogen: i) waarborg dat de Nederlandse wetenschap
      daartoe over genoeg vrij beschikbare middelen beschikt, ii) stimuleer publiekprivate samenwerking ‘op de
      werkvloer’ via meer programmatische ondersteuning (subsidies) en meer gezamenlijke (publiekprivate)
      investeringen in onderzoeksfaciliteiten, iii) houd Nederland aantrekkelijk voor jong talent en toptalent door
      gerichte investeringen en een aantrekkelijker vestigingsklimaat, iv) stimuleer arbeidsmobiliteit over grenzen
      heen en tussen bedrijven en kennisinstellingen, en v) zie erop toe dat de intermediaire rol in het kennis- en
      innovatiesysteem adequaat wordt ingevuld.
3     Tref maatregelen waar nodig: i) intensiveer de samenwerking met andere landen waar de Nederlandse
      wetenschap de aansluiting met mondiale ontwikkelingen dreigt te verliezen, ii) overleg met het bedrijfsleven
      over maatregelen om het kennisabsorptievermogen op peil te houden.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                     7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Vangen, verwerken en verwaarden 8</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Deel 1: Advies
Vangen, verwerken en verwaarden 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Vangen, verwerken en verwaarden 10</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                                                                        1
1 Inleiding
  Op de achterkant van de iPhone staat niet developed, maar designed in Californië. Zo staat het er niet voor niets.
  In haar boek ‘The entrepreneurial state’ zet Mariana Mazzucato nauwgezet op een rij waar de kennis vandaan
  komt waarop Apple zijn producten baseert. Die kennis komt voor het overgrote deel niet uit de
  onderzoekslaboratoria van Apple, maar van elders (en voor een belangrijk deel uit publiek gefinancierd
  onderzoek). Het succes van Apple is gefundeerd op een fenomenaal kennisabsorptievermogen.
  Het immense succes van Apple toont aan hoe belangrijk kennisabsorptievermogen is. In een wereld waarin
  kennis op talloze plaatsen wordt gegenereerd, is het vermogen om relevante kennis te absorberen van eminent
  belang. Meer dan ooit tevoren vindt kennisproductie verspreid over de hele wereld plaats, in wereldomspannende
  netwerken. Meer dan ooit is nieuwe kennis uit zeer diverse bronnen onmiddellijk toegankelijk via digitale kanalen.
  Een goed ontwikkeld kennisabsorptievermogen stelt in staat deze netwerken en kanalen optimaal te benutten.
  Kennisabsorptievermogen is niet alleen cruciaal voor innoverende bedrijven, maar ook voor kennisinstellingen.
  De core business van kennisinstellingen is het genereren van nieuwe kennis. Daarvoor is het onder de knie
  krijgen van bestaande kennis een eerste vereiste.
  1.1 Urgentie
  We beleven momenteel een vierde industriële revolutie, gekarakteriseerd door alom aanwezig en mobiel internet,
                                                                                                    1
  krachtige en goedkope sensoren, kunstmatige intelligentie en lerende machines. Deze revolutie gaat ook
  gepaard met doorbraken in onder andere bio- en nanotechnologie en mogelijk quantum computing. Het
  samenkomen van dit alles leidt tot het sneller ter beschikking komen van kennis voor innovatie. Dat maakt een
  goed ontwikkeld kennisabsorptievermogen in wetenschap en bedrijfsleven belangrijker dan ooit tevoren.
  Drie ontwikkelingen in het bijzonder nopen juist nu tot meer aandacht voor kennisabsorptievermogen. Ten eerste,
  steeds meer kennis komt van elders. De relatieve bijdrage van Nederland aan de mondiale productie van nieuwe
  kennis daalt. En een steeds groter deel van de nieuwe kennis komt uit verder weg gelegen landen. Dat vraagt
  van bedrijven en kennisinstellingen om een steeds verfijnder vermogen om die nieuwe kennis te kunnen vinden,
  er toegang toe te hebben en er gebruik van te kunnen maken.
  Ten tweede, het genereren van zowel nieuwe kennis als innovaties bouwt steeds vaker voort op combinaties van
  kennis uit bronnen van uiteenlopende aard. Enerzijds gaat het daarbij om verschillende vakgebieden. Nieuwe
  kennisontwikkeling vindt vaak plaats op het snijvlak van wetenschappelijke disciplines. Ook toepassing van
  kennis en innovatie grijpen vaak terug op verschillende disciplinaire bronnen of op de kennisbasis van
  verschillende sectoren. Anderzijds gaat het om kennis uit verschillende soorten organisaties. Nieuwe kennis vindt
  zijn oorsprong binnen verschillende typen organisaties, waaronder kennisinstellingen en bedrijven.
  Ten derde, binnen een mondiale context specialiseren veel organisaties zich steeds verder. Zelfs grote bedrijven
  als Philips en DSM, die vroeger een breed spectrum aan markten bedienden, transformeren zichzelf tot mondiale
  spelers die inspelen op een sterk afgebakend spectrum aan behoeften. Ook kennisinstellingen specialiseren.
  Stap voor stap werken ze aan profilering en zwaartepuntvorming. Dat is omwille van concurrentievermogen
  verstandig en zelfs onontkoombaar. Het roept wel de vraag op hoe te voorkomen dat iets wordt gemist dat later
  essentieel kan blijken te zijn.
  1 Zie hierover AWTI (2015c); zie ook bijvoorbeeld Schwab (2016) en Brynjolfsson en McAfee (2014).
  Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>1.2 Adviesvraag
Omdat een goed ontwikkeld vermogen om relevante kennis te absorberen steeds belangrijker wordt, hebben de
ministers van Economische Zaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de AWTI gevraagd zich hierover te
buigen. Zij hebben de raad de volgende adviesvraag voorgelegd:
             Hoe kan het kennisabsorptievermogen van Nederlandse kennisinstellingen en van bedrijven in
             Nederland worden versterkt? Welke rol kan de overheid hierin spelen?
Om deze vraag te beantwoorden, schetst de raad hieronder een beeld van het kennisabsorptievermogen in
Nederland en van de omstandigheden die daarop van invloed zijn. Op basis daarvan formuleert hij een aantal
aanbevelingen.
Het advies bestaat uit een eerste deel, met daarin de argumentatie op hoofdlijnen, gevolgd door conclusies en
aanbevelingen, en een tweede deel, met daarin de empirische onderbouwing.
1.3 Afbakening
We beschouwen in dit advies het kennisabsorptievermogen op drie niveaus: i) van individuen, ii) van organisaties,
                                                                                                                                                                  2
en iii) van Nederland als geheel: het Nederlandse ‘nationale kennis- en innovatiesysteem’ of ‘het stelsel’.
Het op peil houden van het kennisabsorptievermogen is een uitdaging voor allerlei organisaties, zowel private als
publieke, zowel commerciële als maatschappelijke, en zowel formele als informele. In dit advies beperken we ons
                                                                                                 3
tot twee soorten organisaties: bedrijven en kennisinstellingen. Daarbij kijken we naar het vermogen tot absorptie
van kennis die nieuw is voor de organisatie. Publieke en semipublieke organisaties vallen buiten het blikveld van
dit advies.
Kennisabsorptie door organisaties heeft een externe en een interne kant. De externe kant betreft het opnemen
van kennis uit de omgeving. De interne kant betreft het vervolgens distribueren, vertalen en borgen van kennis
binnen de organisatie. Dat wordt doorgaans kennismanagement genoemd. Op kennismanagement binnen
organisaties heeft overheidsbeleid nauwelijks invloed. Daarom beperkt dit advies zich tot de externe kant van
kennisabsorptie.
   Dit advies is voorbereid door een projectgroep bestaande uit Dave Blank, Roshan Cools, Tim van der Hagen,
   Martin Schuurmans, Paul Diederen, Christien Dohmen, Wijnand van Smaalen, Kathleen Torrance. Voor dit
   advies zijn gesprekken gevoerd met ruim veertig deskundigen en betrokkenen (zie bijlage 2).
2 In de internationale literatuur is het begrip National System of Innovation gangbaar. Dit staat volgens de oorspronkelijke definitie van Freeman (1987) voor: “ … the
   network of institutions in the public and private sectors whose activities and interactions initiate, import, modify and diffuse new technologies.” (zie OECD, 1997).
3 De betekenis van onderzoek voor onderwijs, en daarmee voor het kennisabsorptievermogen van het individu, was het onderwerp van AWTI (2015d). In dit advies komt
   deze problematiek niet opnieuw aan de orde.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                                          12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                                                                                                                                               2
2 Kennis absorberen en kennisabsorptievermogen
  In dit hoofdstuk staan we kort stil bij het begrip kennisabsorptievermogen, om in het volgende te bekijken hoe het
  hiermee in Nederland is gesteld.
  2.1 Kennis
  Wij beschouwen kennis in dit advies als het geheel van competenties, vaardigheden, ervaringen, theorieën,
                                                                                                       4
  normen en waarden dat iemand tot denken of handelen in staat stelt. Het is het vermogen om informatie te
  interpreteren en te verwerken, om er iets mee te doen.
  Kennis is deels expliciet, uit te drukken in taal, en deels tacit. Tacit knowledge omvat onder andere het vermogen
  om relevante informatie te vinden, op waarde te schatten en er iets creatiefs mee te doen. Verder is kennis deels
  individueel en deels gedeeld. Individuele kennis zit als het ware in iemands hoofd, hart en handen. Gedeelde
  kennis zit ingebakken in organisaties. Het is vervat in arbeidsroutines, in regels en procedures, en in een
  gedeelde organisatiecultuur.
  Aspecten van kennis:
                                         Expliciet                                       Tacit
   Individueel                           In taal uit te drukken kennis                   Vaardigheden, waarden en normen
   Gedeeld                               Regels en procedures                            Routines, gewoontes, cultuur
  2.2 Kennis absorberen
  Kennis absorberen is: i) relevante kennis van elders identificeren, ii) zich deze eigen maken, en iii) deze benutten.
                                                                                                                                                         5
  Identificeren is hierbij een kwestie van weten te vinden, kunnen volgen en op waarde kunnen schatten. Zich
  eigen maken heeft te maken met kunnen doorgronden en actief beheersen. Met benutten doelen we op het
  vermogen ermee te werken, erop voort te bouwen en toe te passen. Op individueel niveau is kennis absorberen
  niet alleen het tot zich nemen van kennis via taal (explicit), maar ook het zich eigen maken van vaardigheden en
  gedragsnormen (tacit). Op organisatieniveau is kennis absorberen het invoeren van regels en procedures naast
  het zich eigen maken van arbeidsroutines en organisatiecultuur. Kennis absorberen is veeleisend omdat de tacit
  component van kennis maar tot op zekere hoogte geëxpliciteerd kan worden en daarmee lastig is om over te
  dragen.
  Organisaties absorberen kennis op twee manieren. In de eerste plaats leren de eigen medewerkers van
  organisaties. Ze studeren en onderzoeken, en bovendien communiceren ze, participeren ze in netwerken en
                            6
  werken ze samen. Kennis absorberen is veelal een sociaal proces dat vorm krijgt in netwerkverband, via
  seminars en congressen, en in de context van samenwerkingsprojecten. In de tweede plaats absorberen
  organisaties kennis door nieuwe medewerkers te werven. Ze halen daarmee specifieke expliciete kennis binnen
  boord, en ook de bijbehorende tacit knowledge. Organisaties werven mensen individueel, via de arbeidsmarkt, of
  groepsgewijs, bijvoorbeeld door een andere organisatie over te nemen. In dat laatste geval verwerft men niet
  alleen de individuele kennis van mensen, maar ook de gedeelde, in de andere organisatie opgeslagen kennis,
  inclusief de routines en de cultuur. Kennisabsorptie door de eigen medewerkers heeft doorgaans een
  ‘incrementeel’ karakter, omdat het voortbouwt op wat reeds beschikbaar is. Kennisabsorptie door werving en
  4 Wij begeven ons met deze definitie niet in epistemologische discussies, maar beperken ons tot een voor ons doel pragmatische begripsomschrijving. We sluiten aan bij
     Wim Derksen, die kennis omschrijft als het vermogen betekenis te geven aan informatie (Derksen, 2011).
  5 Op waarde kunnen schatten omvat niet alleen in staat zijn het technisch potentieel van nieuwe kennis in te schatten, maar ook de maatschappelijke en ethische
     consequenties van het gebruik van deze kennis.
  6 Nonaka en Takeuchi (1994) beschrijft collectieve leerprocessen als het voortdurend omzetten van tacit knowledge in gedeelde informatie en terug.
  Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                                 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>overname kan een meer ‘radicaal’ karakter hebben, omdat het afwijkende opleidings- en ervaringsprofielen
binnen een organisatie kan brengen.
Modaliteiten van kennisabsorptie:
                           Eigen medewerkers: incrementeel             Nieuwe medewerkers: radicaal
 Individueel               Leren, netwerken                            Mobiliteit, rekrutering
 Collectief                Samenwerken                                 Overname
2.3 Kennisabsorptievermogen
Kennisabsorptievermogen is het vermogen om kennis die van elders komt te absorberen. We maken een
onderscheid tussen het kennisabsorptievermogen op individueel, organisatie- en stelselniveau en we
onderscheiden bij kennis absorberen de fasen identificeren, zich eigen maken en benutten. Dit resulteert in het
onderstaande beeld van kennisabsorptievermogen, dat leidend is voor de analyse van hoofdstuk 3.
Kennisabsorptievermogen:
                                   Individu                Organisatie                       Stelsel
 Identificeren                     Overzicht               Strategisch vermogen              Foresight
 Zich eigen maken                  Leervermogen            Ontwikkelcapaciteit               Onderzoekscapaciteit
 Benutten                          Ondernemendheid         Ondernemerschap                   Valorisatie
De kwaliteit van het kennisabsorptievermogen hangt af van de reeds verworven kennisbasis. Die bepaalt mede
het vermogen om de ontwikkelingen in relevante domeinen en disciplines te overzien. Zonder solide kennisbasis
leiden samenwerken en netwerken, werven en overnemen maar moeilijk tot kennisabsorptie. Verder hangt het
kennisabsorptievermogen af van de ruimte en tijd die mensen binnen hun werkzaamheden hebben om kennis te
absorberen en de stimulansen die daarvoor zijn. Kennisabsorptievermogen wordt versterkt door zelf actief nieuwe
                                                                                       7
kennis op te bouwen, bijvoorbeeld door aan onderzoek en ontwikkeling te doen.
7 Zie Cohen en Levinthal (1989).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                   14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                                                                                                                                                                3
3 Kennisabsorptievermogen in de praktijk
  Achtereenvolgens besteden we hieronder aandacht aan kennisabsorptievermogen in Nederland op individueel
  niveau, op het niveau van organisaties en op stelselniveau. Nadere onderbouwing en toelichting is te vinden in
  deel 2.
  3.1 Individueel kennisabsorptievermogen
  Het kennisabsorptievermogen op individueel niveau bestaat uit iemands overzicht over relevante kennis,
  leervermogen (het vermogen om zich kennis eigen te maken), creativiteit en ondernemendheid (het vermogen om
  kennis – vaak op een nieuwe manier – te benutten). Dit individueel kennisabsorptievermogen wordt bepaald door
  factoren als persoonlijke eigenschappen en omstandigheden in combinatie met (initieel) onderwijs. Het
  Nederlandse initiële onderwijs is van goede kwaliteit en is relatief sterk gericht op vaardigheden als zelfstandig
  werken, ‘leren leren’ en leren toepassen. Het draagt daarmee naar verhouding sterk bij aan de ontwikkeling van
  kennisabsorptievermogen. De Nederlandse beroepsbevolking is door de bank genomen goed opgeleid, maar met
  het oog op de arbeidsmarktvereisten van de komende jaren, is er nog wel een slag te maken in
                                                                                                       ste                                  8
  vaardighedenonderwijs, vooral waar het gaat om de zogenaamde ‘21 -eeuwse vaardigheden’.
  Daarnaast wordt het individuele kennisabsorptievermogen bepaald door de mogelijkheden om dit vermogen
  tijdens het werkzame leven te onderhouden en te versterken. Dit gebeurt door bij te leren. Dat kan binnen het
  werk (on the job) of daaromheen (postinitieel onderwijs). Leren buiten het werk om – ruimte om postinitieel
  onderwijs te volgen, het afwisselen van perioden van arbeid met perioden van scholing – is in Nederland slechts
  beperkt ontwikkeld. Het onderhouden en versterken van het leervermogen is hier vooral een zaak van leren on
  the job. Wel draagt de ontwikkeling van open educational resources bij aan de mogelijkheden voor volwassenen
  om te blijven leren.
  Kennis absorberen als onderdeel van het werk vraagt om tijd voor reflectie, experimenteren en oefening, om
                                                                                                                                                   9
  ruimte om zelf beslissingen te nemen, om uitdaging en om waardering en beloning voor resultaten. Het vraagt
  ook om een omgeving die toegang tot kennis en het delen van kennis faciliteert. Dat is bijvoorbeeld een
  arbeidscultuur waarin collega’s en leidinggevenden open staan voor nieuwe ideeën en initiatieven, waarin het
  gebruikelijk is elkaar te helpen en te ondersteunen, en waarin de inhoud van een idee belangrijker is dan de
  positie van wie het bedacht heeft. Een non-hiërarchische organisatiecultuur zoals in Nederland gangbaar kan
  hierbij helpen. Arbeidsplaatsen verschillen sterk van elkaar in de mate waarin ze leren binnen het werk mogelijk
  maken en bevorderen. Kenniswerkers hebben op dit punt veel meer mogelijkheden dan mensen die meer
  routinematige arbeid verrichten. In Nederland neemt het aandeel kenniswerkers binnen de beroepsbevolking
                       10
  geleidelijk toe.
  3.2 Het kennisabsorptievermogen van organisaties
  Het kennisabsorptievermogen op het niveau van organisaties bestaat uit het strategisch vermogen om relevante
  kennis te identificeren, de capaciteit om die kennis verder te ontwikkelen met het oog op de eigen behoeften en
  het ondernemerschap om die kennis in te zetten ten behoeve van de organisatiedoelstellingen. De
  organisatiedoelstellingen van bedrijven verschillen van die van kennisinstellingen en vereisen dan ook een ander
  soort ondernemerschap.
  8 Met het streven om het opleidingsniveau van de beroepsbevolking te doen stijgen, ligt Nederland op koers. Inmiddels gaat de aandacht vooral uit naar voldoende
     middelbaar opgeleiden en naar een verbeterde match tussen opleidingen en arbeidsmarkt (zie deel 2). Tot de knelpunten behoort een tekort aan digitale, technische en
     analytische vaardigheden.
  9 Er zijn wel aanwijzingen dat de autonomie van werknemers de laatste jaren daalt: zie de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden van CBS en TNO (diverse jaren).
  10 AWT (2013a).
  Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                                   15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Het kennisabsorptievermogen van organisaties bouwt voort op de aanwezige kennisbasis. Nederlandse
kennisinstellingen beschikken over een solide en brede kennisbasis. Wel speelt de vraag of deze kennisbasis zal
gaan versmallen ten gevolge van de ingezette profilering van kennisinstellingen en de concentratie op
zwaartepunten. Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen die duiden op het eroderen van het
                                                                                                           11
kennisabsorptievermogen en het daardoor ontstaan van ‘witte vlekken’.
Er zijn ook geen aanwijzingen dat de kennisbasis van Nederlandse bedrijven structureel tekort schiet. Wel zijn
veel bedrijven in de afgelopen jaren voor hun toegang tot nieuwe kennis meer gaan leunen op externe bronnen,
vaak van publieke kennisinstellingen. Grote bedrijven hebben in reactie op de toename aan externe kennis hun
R&D-faciliteiten steeds meer toegespitst op kennisabsorptie. Ze hebben hun fundamentele onderzoekscapaciteit
teruggebracht en hun ontwikkelcapaciteit deels in het buitenland gevestigd. De bedrijfs-R&D concentreert zich nu
meer op toegepast onderzoek en ontwikkel- en ontwerpwerk. Daarmee is het kennisabsorptievermogen
belangrijker geworden voor innovatie door bedrijven.
Netwerken en samenwerken: incrementele kennisabsorptie
Organisaties versterken hun kennisabsorptievermogen als hun medewerkers participeren in netwerken en in
kennisintensieve samenwerkingsprojecten. Langs die weg delen partners niet alleen inhoudelijke expertise, maar
ook arbeidsroutines en organisatiecultuur. Ten aanzien van netwerken en samenwerken beperken we ons tot een
paar observaties.
Internationale en transdisciplinaire samenwerking in de wetenschap
                                                                                                                              12
De Nederlandse wetenschap werkt veel internationaal samen en is hierin succesvol.                                                 Nederlandse onderzoekers
publiceren naar verhouding vaak samen met buitenlandse partners en deze gezamenlijke publicaties worden
relatief vaak geciteerd. Het is voor het kennisabsorptievermogen van de Nederlandse wetenschap van groot
belang dat Nederland zijn topwetenschappers koestert en daarmee de kanalen naar de internationale
kennisnetwerken openhoudt.
Nederlandse wetenschappers blijken goed in staat te zijn om de praktische, communicatie- en culturele barrières
te slechten die internationale samenwerking in de weg kunnen staan. Daarbij gaat het om het vinden van fondsen
om internationale contacten te onderhouden (reis- en congresbudgetten, sabbatsjaren, mogelijkheden
gastonderzoekers binnen te halen), om het overwinnen van taalbarrières in landen waar het Engels minder
gangbaar is, en om het omgaan met verschillen in processen en omgangsvormen. Deze barrières zijn in de
samenwerking met traditionele partners vrij laag, maar kunnen hoger blijken in de samenwerking met Aziatische,
Oost-Europese en Zuid-Amerikaanse wetenschappers.
Samenwerking over disciplinaire grenzen heen komt in de Nederlandse wetenschap steeds beter van de grond.
De meest opzienbarende wetenschappelijke vooruitgang wordt vaak geboekt op het snijvlak van vakgebieden,
door inzichten uit verschillende disciplines te combineren. Dit is een tendens die geschraagd wordt door de
ontwikkeling van datagedreven onderzoeksmethoden, die het overschrijden van disciplinaire scheidslijnen steeds
makkelijker maken. De organisatie van de Nederlandse wetenschap past zich hierop aan. Universiteiten
scheppen steeds meer ruimte voor transdisciplinair onderzoek en werken aan ontschotting en ontkokering. Met
zijn op handen zijnde reorganisatie, waarbij de acht gebieden worden ingewisseld voor vier domeinen, volgt NWO
in deze ontwikkeling.
11 Zie KNAW (2015). Witte vlekken zijn gedefinieerd als ‘gebieden die verdwijnen of verzwakken waar dit vanuit nationaal of internationaal perspectief ongewenst is’. De
   KNAW ziet wel een aantal ‘signaalgebieden’ dat door het huidige beleid in de knel dreigt te komen, vooral in de geesteswetenschappen en bij het Nederlands recht,
   maar ook in de zuivere wiskunde en de plantkunde.
12 Zie bijvoorbeeld hoofdstuk 2 in de studie ‘International comparative performance of Netherlands’ research base – 2015’, die Elsevier heeft verricht ten behoeve van dit
   advies, alsook Dialogic, NIFU en Universiteit Leiden, (2014)’, hoofdstuk 5.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                                       16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Publiekprivate samenwerking in R&D
Samenwerking in het bedrijfsleven met externe partners is de afgelopen decennia geïntensiveerd. Veel bedrijven
zijn vanaf de jaren negentig overgeschakeld van gesloten naar min of meer open innovatie. Innovatieve bedrijven
zijn veranderd van kennisproducenten in ‘kennisassembleurs’, die net als Apple floreren op basis van hun
kennisabsorptievermogen. Samenwerking vindt vooral binnen de productieketen plaats, maar in allerlei gevallen
ook met concurrenten en met publieke kennisinstellingen.
Of deze samenwerking makkelijk tot stand komt, hangt onder andere af van het innovatiebeleid. Hier is het beeld
gemengd. Publiekprivate samenwerking (PPS) in topsectorverband is in 2014 met ruim 200 miljoen euro
toegenomen tot 814 miljoen euro, waarvan ruim 44 procent wordt gefinancierd door het bedrijfsleven. Daarnaast
zijn er nu 17 Centra voor Innovatief Vakmanschap en 24 Centres of Expertise , waarbij in 2014 zo’n 2.120
                                                                                                         13
bedrijven betrokken zijn (bijna een derde meer dan het jaar ervoor).
Niettemin bevordert het huidige beleid echte samenwerking – samenwerking ‘op de werkvloer’ – minder dan in
het verleden. Het programmatische innovatiebeleid van voor 2010 financierde samenwerkingsprojecten van
bedrijven en kennisinstellingen uit FES-middelen en stimuleerde langdurige strategische R&D-samenwerking via
Innovatie Onderzoeksprojecten (IOP). Een initiatief als het FES-programma NanoNextNL, met NanoLabNL als
gekoppelde grootschalige onderzoeksfaciliteit, draagt bijvoorbeeld substantieel bij aan het
kennisabsorptievermogen van bedrijven, en dan vooral van het mkb. Bijna tachtig mkb-bedrijven zijn aangesloten
                                                                                                                                           14
bij dit programma, waarbij een flink aantal werkzaamheden worden verricht in NanoLabNL.
Van het huidige op fiscale instrumenten gebaseerde innovatiebeleid gaan geen prikkels uit tot dergelijke
                        15
samenwerking.              Het topsectorenbeleid betrekt bedrijven veel meer dan vroeger bij de onderzoeksagendering
van de publieke kennisinstellingen, maar brengt nauwelijks bedrijfsmedewerkers binnen de muren van de
kennisinstellingen bij de uitvoering van dit onderzoek. Samenwerking, ook in TKI-verband, beperkt zich veelal tot
uitbesteding van onderzoek door bedrijven aan publieke onderzoeksinstellingen. De reden daarvoor is dat alleen
investeringen in cash door bedrijven in PPS-projecten grondslag opleveren voor TKI-toeslag (uitgezonderd de
eerste 20.000 euro). Investeringen in natura, in de vorm van inzet van onderzoekers uit de bedrijven, levert geen
                        16
TKI-toeslag op.            Daarmee werkt dit systeem anders dan de vroegere regelingen, waarbij bedrijven en
kennisinstellingen beide overheidsmiddelen kregen om samen onderzoek te doen. Deze verandering
weerspiegelt zich in het feit dat het aantal copublicaties van wetenschappers en onderzoekers uit het
                                                                       17
bedrijfsleven de laatste jaren aan het dalen is.
                                                                                                                                                                       18
Daar staat tegenover dat er in Nederland een reeks van andere samenwerkingsarrangementen functioneren.
Hogescholen werken sinds een paar jaar samen in kennisontwikkeling, vooral met het mkb, aanvankelijk
regionaal, maar gaandeweg ook internationaal. STW is sinds jaar en dag een belangrijke schakel tussen
kennisontwikkelaars en kennisgebruikers in de maakindustrie. Het nieuwe financieringsinstrument ‘Perspectief’
van STW is bedoeld voor publiekprivate onderzoeksprogramma’s, gericht op het oplossen van
innovatieknelpunten binnen de topsectoren. Het Industrial Partnership Programme (IPP) van het NWO-Instituut
voor Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM) is een instrument voor onderzoeksfinanciering dat
academische en industriële partners op een zeer productieve manier samenbrengt. Ook vermeldenswaardig zijn
het Holst Centre, een initiatief van IMEC en TNO, en de Hightech Campus Eindhoven. Het Advanced Research
Centre for Nanolitography (ARCNL) is een interessant initiatief waarvan nog moet blijken in hoeverre het bijdraagt
13 Ministerie van Economische Zaken (oktober 2015).
14 Zie voor nadere informatie deel 2.
15 Samenwerking – publiekprivaat of anderszins – behoort niet tot de voorwaarden om een beroep te kunnen doen op de huidige fiscale instrumenten. Dat was wel het
   geval bij veel van de vroegere innovatiesubsidies.
16 De TKI-toeslag die een TKI van de overheid ontvangt, hangt af van de totale private bijdrage in cash aan onderzoeksorganisaties in het kader van privaat-publieke
   samenwerkingsprojecten, TKI-relevante onderzoeksopdrachten en onderzoek. In 2015 was de TKI-toeslag 25 procent van die private bijdrage in het jaar ervoor. Alleen
   voor de eerste 20.000 euro per deelnemer gelden andere regels: die levert 40 procent toeslag op en mag in natura zijn.
17 Zie Elsevierstudie, p. 25. Zie voor de positie van Nederland in internationale vergelijking Tijssen, R. (2012) en tevens Dialogic, NIFU en Universiteit Leiden, (2014), pp.
   35-36.
18 Zie ook deel 2.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                                           17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>aan versterking van kennisabsorptievermogen. Op Europese schaal brengt het European Institute of Technology
                                                                                                                                          19
and Innovation (EIT) academische en industriële partners rond specifieke thema’s bijeen.
Werven en overnemen: radicale kennisabsorptie
Organisaties versterken hun kennisabsorptievermogen niet alleen via netwerken en samenwerken, maar ook
door nieuwe mensen binnen te halen, hetzij via werving, hetzij via overnames. Ook hierover formuleren we
slechts een paar observaties.
Brain gain of drain
De internationale mobiliteit van universitaire onderzoekers neemt toe. Aan Nederlandse universiteiten is het
aantal buitenlandse wetenschappers op alle niveaus, van promovendus tot hoogleraar, sinds het begin van de
                                   20
eeuw sterk gestegen.                  Daar staat tegenover dat er ook steeds meer Nederlandse onderzoekers naar het
buitenland gaan. Over de periode 1996 tot en met 2013 wijzen de cijfers op macroniveau niet op een brain
         21
drain.       Er vertrekken iets meer wetenschappers die voor langere tijd – meer dan twee jaar – in Nederland
hebben gewerkt (Nederlanders en buitenlanders) naar het buitenland, dan dat er wetenschappers uit het
buitenland (buitenlanders en Nederlanders) voor langere tijd naar Nederland komen. De cijfers verschillen sterk
van jaar op jaar, maar het overwegend positieve saldo van rond de eeuwwisseling is inmiddels omgeslagen in
een negatief saldo: er vertrekken het afgelopen decennium meer Nederlandse wetenschappers naar het
                                                                                             22
buitenland dan dat er buitenlanders naar Nederland komen.
Er zijn meer tekenen dat de positie van de Nederlandse universiteiten op de markt voor internationaal toptalent,
met name in de natuurwetenschappen, aan het eroderen is: “Bij het aantrekken van chemische en fysische
                                                                                                                                                                      23
toponderzoekers die zich elders in de wereld al bewezen hebben, is Nederland helaas niet meer concurrerend.”
Ook op de internationale markt voor tenure trackers kalft de Nederlandse positie af. En aan het Nederlandse
toptalent wordt vanuit andere landen getrokken.
Nederlandse instellingen zijn niet in staat topwetenschappers de faciliteiten te bieden die ze van concurrenten uit
Singapore, Zwitserland, Duitsland of de Verenigde Staten wel kunnen krijgen. Daarbij gaat het om ruimte en tijd
voor onderzoek, om toegang tot onderzoeksfaciliteiten van topkwaliteit, en vooral om adequate
onderzoeksfinanciering. Hoogleraren in Nederland zijn verhoudingsgewijs heel veel tijd kwijt aan het najagen van
onderzoeksbudgetten. De aanvraagdruk is hoog, de omvang van de budgetten is laag en de
                                                                                                   24
honoreringspercentages liggen geregeld onder de tien procent.                                          Een relatief groot aandeel van de niet-
                                                                                                  25
geoormerkte onderzoeksmiddelen is nodig voor cofinanciering.                                           Wil Nederland toptalent kunnen binnenhalen en
                                                                             26
-houden, dan vereist dit meer financiële armslag.
Bijkomende aandachtspunten in de randvoorwaardelijke sfeer betreffen zaken als de eisen rond inburgering en
kennis van de Nederlandse taal, de harmonisatie van pensioenvoorzieningen, de toegang tot sociale zekerheid
en zorgvoorzieningen en de belastingdruk. Ten slotte valt op dat Nederland, in tegenstelling tot niet alleen landen
als India en China, maar ook Canada, geen beleidsinstrumenten heeft om terugkeer aantrekkelijk te maken voor
                                                             27
Nederlands toptalent in het buitenland.
19 Zie voor nadere informatie deel 2.
20 In totaal is het aantal buitenlanders van minder dan twintig tot rond vijfendertig procent gestegen; zie Dialogic, NIFU en Universiteit Leiden, (2014), p. 31.
21 Gegevens die dit illustreren, zijn te vinden in de Elsevierstudie, hoofdstuk 5 (zie verder deel 2).
22 Zie OECD (2015c), hoofdstuk 1, p. 68 en onderliggende data; zie ook hoofdstuk 3.
23 Commissie Breimer (2015).
24 Honoreringspercentages in het VK liggen veelal in de range van 20 tot 30 procent; zie bijvoorbeeld www.rcuk.ac.uk/research/efficiency/successrates/. De percentages
   in Europese programma’s zijn wat gezakt: FP7 zat op 20 procent en Horizon 2020 tot nu op 14 procent (zie ec.europa.eu/programmes/horizon2020/en/horizon-2020-
   statistics). De Deutsche Forschungsgemeinschaft (DFG) zit rond 30% (zie
   www.dfg.de/en/dfg_profile/facts_figures/statistics/processing_times_success_rates/index.html).
25 Zie Rathenau Instituut (2016), p. 6: “De competitieve druk in de financiering door onder andere de toename van Europese financiering en de daarmee toenemende
   matchingsdruk is veel groter dan die lijkt te zijn volgens de verhouding 1e – 2e geldstroom.” Volgens het rapport wordt tweederde van de voor onderzoek gebruikte
   directe publieke financiering gebruikt voor matching.
26 De commissie Breimer pleit voor start-up funding en retentiebudgetten (via de eerste geldstroom), naast meer middelen in competitie te verwerven middelen (via de
   tweede geldstroom) .
27 Voor informatie over dergelijke regelingen, zie deel 2.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                                     18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Mobiliteit tussen bedrijven en kennisinstellingen
Ook al is de Nederlandse academische wereld relatief open, toch is met name de arbeidsmobiliteit tussen
                                                                       28
bedrijven en kennisinstellingen tamelijk beperkt.                         Overstappen is vaak lastig omdat een wetenschappelijke
carrière wordt gebouwd op een publicatierecord en onderwijservaring, en een bedrijfscarrière op een reeks van
                                                29
bedrijfsrelevante vaardigheden.                     Een overstap hoeft echter niet perse langdurig en voor de volle werktijd te zijn
om een brug tussen kennisinstellingen en bedrijven te slaan. Er zijn deeltijdhoogleraren die tegelijkertijd in beide
soorten organisatie werken (vooral in technische en medische vakgebieden), wetenschappers die
promotieonderzoek bij bedrijven verrichten en onderzoekers uit het bedrijfsleven die tijdelijk aan de slag gaan op
                       30
universiteiten.
Dat er iets te winnen valt bij het verruimen van de arbeidsmobiliteit tussen publieke kennisinstellingen en
bedrijven, valt op te maken uit het succes van de ‘Kenniswerkersregeling’. Deze regeling is een aantal jaren
geleden van kracht geweest als crisismaatregel, toen bedrijven dreigden om budgettaire redenen hun R&D-
capaciteit drastisch te reduceren. De impuls die de tijdelijke mobiliteit van kenniswerkers uit het bedrijfsleven aan
het publieke onderzoek gaf, was een onverwacht positief neveneffect van deze regeling.
Overnames
Een belangrijk mechanisme voor bedrijven om aan kennis te komen, is een ander bedrijf overnemen. Gevestigde
bedrijven acquireren daartoe vaak startups. Voor veel grote bedrijven is het scouten van het veld, het aandelen
nemen in bedrijven met complementaire kennis en het overnemen van gespecialiseerde kleine bedrijven een
                                                                                         31
belangrijke aanvulling op of een alternatief voor eigen R&D.
3.3 Het kennisabsorptievermogen op stelselniveau
Het kennisabsorptievermogen op stelselniveau bestaat – net als het kennisabsorptievermogen op individueel en
organisatieniveau – uit drie onderdelen: het vermogen toekomstige kennisontwikkelingen vroegtijdig te zien
aankomen (foresight), de capaciteit om deze ontwikkelingen met eigen onderzoek verder te brengen, en het
vermogen om de resulterende kennis maatschappelijk en economisch te valoriseren.
Sterktes van het nationale kennis- en innovatiesysteem
Het nationaal kennis- en innovatiesysteem van Nederland heeft een aantal kenmerken die het
kennisabsorptievermogen van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen positief beïnvloeden. Het
Nederlandse onderwijs is degelijk en naar verhouding sterk gericht op het aanleren van leervaardigheden. Het
kent meer dan andere onderwijssystemen een traditie om scholieren en studenten uit te dagen om kritisch na te
denken, zaken niet op gezag aan te nemen en zelf op zoek te gaan naar antwoorden op prangende vragen. De
Nederlandse wetenschap is in de volle breedte goed ontwikkeld en verschaft daarmee de voor kennisabsorptie
noodzakelijke brede kennisbasis. Niet alleen de Nederlandse wetenschap is een hoogvlakte met pieken, maar
ook het Nederlandse bedrijfsleven. Onze economie drijft op een breed spectrum aan mkb-bedrijven, waaronder
een reeks van bedrijven die wereldmarktleider zijn in specifieke toeleveringsketens, in combinatie met een
handvol grote multinationale bedrijven die in verschillende sectoren een krachtige positie bekleden. Daarmee is
de economische basis vrij breed, maar kent deze ook een paar industriële zwaartepunten: de ‘topsectoren’. Deze
                                                                                                                                  32
nemen samen het overgrote deel van de Nederlandse private R&D voor hun rekening.                                                      De grote multinationale
28 Zie Rathenau Instituut (2013) en deel 2 voor cijfers.
29 Hierin komt de laatste tijd wel enige beweging. Zo geven decanen van universiteiten aan deeltijdhoogleraren uit het bedrijfsleven te rekruteren, ook als ze geen lange
   lijst publicaties kunnen overhandigen.
30 Deeltijdhoogleraren bekleden vaak een bijzondere leerstoel, een leerstoel die door een externe partij – meestal een stichting of een vereniging, soms een bedrijf –
   wordt gefinancierd.
31 Een voorbeeld van een bedrijf dat naar verhouding weinig in R&D investeert en nieuwe kennis en technologie voornamelijk langs deze weg betrekt, is Medtronics.
32 Samen leveren ze ongeveer 25 procent van de toegevoegde waarde, omvatten ze 30 procent van de bedrijven, zijn ze verantwoordelijk voor 55 procent van de
   exportwaarde en voor 80 procent van alle R&D-uitgaven (cijfers 2011; zie www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/bedrijven/publicaties/artikelen/archief/2013/2013-
   topsectoren-2011-art.htm).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                                        19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                                                                                      33
ondernemingen daarbinnen spenderen daarvan ruim een derde deel.                                           De overheid zet met ‘integraal beleid’ in
op wederzijdse afstemming van de academische pieken en de economische zwaartepunten.
Het is van belang de R&D-intensieve topsectoren niet te vereenzelvigen met de kennisintensieve sectoren van de
Nederlandse economie. Meer dan driekwart van de beroepsbevolking is werkzaam in private of publieke
dienstensectoren. Bedrijven in deze sectoren investeren weliswaar nauwelijks in formele R&D, maar zijn vaak wel
zeer dynamisch en kennisintensief. Daarvoor steunen ze op een goed ontwikkeld kennisabsorptievermogen.
Het Nederlandse kennis- en innovatiesysteem is internationaal stevig verankerd, zowel aan de academische als
aan de commerciële kant. Nederlandse wetenschappers spelen een prominente rol in internationale
wetenschappelijke netwerken en Nederlandse bedrijven werken internationaal en zijn sterk verweven met
internationale productieketens. Wel kent onze academische oriëntatie een zekere bias richting de Angelsaksische
wereld en onze commerciële oriëntatie een bias richting onze Europese buurlanden. Onze relaties met sterke
                                                                                                                                                                    34
opkomende economieën zoals China zijn in ontwikkeling, maar we lopen daarin achter bij omringende landen.
Dreigende zwaktes in het nationale kennis- en innovatiesysteem
De Nederlandse onderzoekscapaciteit verandert door de jaren. Het onderzoeksgeld in de eerste geldstroom volgt
deels de studiekeuzes van middelbare scholieren en dit vertaalt zich in groei of krimp van onderzoekscapaciteit.
Faculteiten als rechten en psychologie hebben een onstuimige groei gekend, faculteiten als wiskunde, Slavische
talen en islamologie krimp, fusies en soms opheffing.
Daar komt bij dat Nederlandse kennisinstellingen zich steeds meer profileren en specialiseren in hun onderzoek.
Dit grijpt niet zozeer aan op het niveau van faculteiten, als wel op dat van vakgroepen en leerstoelen. Binnen
disciplines ontstaan soms hoge pieken, die in de mondiale kopgroep een substantiële bijdrage leveren op hun
                             35
onderzoeksterrein.              Daarnaast zijn er tal van lagere pieken. Indien binnen disciplines het aantal pieken – de
hoge en de minder hoge – te dun gezaaid is en daarmee de aansluiting op de internationale kennisontwikkeling
hapert, kan het integrale overzicht over de ontwikkelingen binnen een gebied verloren gaan. Er zijn vooralsnog
geen aanwijzingen dat het stimuleren van pieken in Nederland ten koste gaat van het kennisabsorptievermogen.
Op stelselniveau is kennisabsorptievermogen van oudsher mede geïnstitutionaliseerd in TO2-instellingen. De
                                                                                                                              36
TO2-organisaties zijn opgericht om een brug tussen wetenschap en praktijk te slaan.                                              Het was hun missie door
toepassingsgericht onderzoek academische kennis bruikbaar te maken. Dat was een kwestie van kennis
herkennen, combineren, toepasbaar maken en overbrengen. In Duitsland hebben de instituten van de Fraunhofer
Gesellschaft deze taak, in Frankrijk instituten als ondermeer Inria, INRA, IFP Energies Nouvelles en CEA, en in
het Verenigd Koninkrijk de Catapult Centres.
De overheid heeft de TO2-instellingen met veranderde financieringsarrangementen aangespoord om zich
geleidelijk te ontwikkelen van aanbodgedreven taakorganisaties in de richting van vraaggedreven
                             37
marktorganisaties.              Dat gebeurde mede vanuit de veronderstelling dat de tucht van de markt zou leiden tot een
betere kwaliteitprijsverhouding. Tegelijkertijd verlangt de overheid van hen dat ze zich niet te ver in deze richting
ontwikkelen en daarmee oneigenlijke concurrenten van commerciële organisaties worden. Daarmee zijn de TO2-
instellingen in een smaller deel van het spectrum terecht gekomen.
33 Zie de jaarlijkse R&D Top-30 van het Technisch Weekblad; zie verdere informatie in deel 2.
34 Zie de aandelen van de exporten naar China van verschillende landen op de website Observatory of Economic Complexity (www.atlas.media.mit.edu). Waar 6,3
   procent van de Duitse, 4,6 procent van de Franse, 4,0 procent van de Britse en 2,6 procent van de Belgische export naar China gaat, is dat slechts 1,9 procent van de
   Nederlandse (waarschijnlijk geschoond voor doorvoer). Dit is weliswaar een onderschatting, omdat een deel van de exporten naar omliggende landen tussenproducten
   zijn die terecht komen in eindproducten die naar China gaan (zie CPB, 2011). Zie verder www.cbs.nl, zoek op ‘belangrijkste handelspartners’, en zie dan onder
   Duitsland.
35 Zie Elsevierstudie: bijvoorbeeld katalyse binnen de chemie, reumatologie binnen de medische wetenschappen, mens-machine-interactie binnen de
   computerwetenschappen.
36 Hierbij ligt van oudsher een accent op de brug tussen technische wetenschappen en bedrijven, maar de TO2-organisaties beschikken ook over gedrags- en
   sociaalwetenschappelijke kennis en verrichten ook onderzoek voor publieke organisaties.
37 Zie daarover Commissie Wijffels (2004).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                                     20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Niet alleen heeft de overheid de TO2-organisaties steeds meer op afstand geplaatst, ook heeft ze de afgelopen
                                                                                                                    38
jaren de publieke budgetten voor deze instellingen substantieel teruggebracht.                                          Dat gebeurde in de
veronderstelling dat de instituten de daling in de publieke financiering zouden weten te compenseren door meer
geld uit de markt te halen. De markt voor onderzoek zou immers groeien omdat de fiscale stimulansen voor
onderzoek zijn uitgebreid en de TKI-toeslag voor PPS beschikbaar is gekomen – directe publieke financiering via
de aanbodzijde is daarmee vervangen door indirecte publieke financiering via de vraagzijde. Dat heeft echter niet
voldoende gewerkt om een sterke inkrimping van de instellingen te voorkomen.
Universiteiten, hogescholen en private partijen vullen de intermediaire functie van de TO2-organisaties aan.
Universiteiten doen dit onder meer via transfer offices, ontwikkeling van innovatiecampussen en
contractonderzoek. Binnen hogescholen spelen lectoren en Expertisecentra in op de behoeften van het regionale
                                                                        39
mkb (maar dit is vooralsnog beperkt in omvang).                            Private bureaus voor onderzoek en advies leveren kennis op
commerciële basis.
Het kennisabsorptievermogen van een nationaal kennis- en innovatiesysteem is mede afhankelijk van het
vermogen om vooruit te kijken. Dit was in het verleden geïnstitutionaliseerd via toekomststudies (foresight
exercises), voorheen belegd bij onder andere sectorraden, de WRR, de AWT en de OCV (Overlegcommissie
                       40
Verkenningen).             Toekomststudies schetsten op systematische wijze een beeld van mogelijke technologische,
economische en maatschappelijke ontwikkelingen, om op basis daarvan accenten in het kennisbeleid te bepalen.
Momenteel vindt dit vooruitkijken plaats in topsectorverband, waar men samen onderzoeksagenda’s en
innovatiecontracten opstelt. Daarnaast vormt de Nationale Wetenschapsagenda een handvat bij het vooruitkijken.
Systematische foresight-studies in het kennis- en innovatiedomein worden nog slechts incidenteel uitgevoerd,
                                                                        41
bijvoorbeeld door STT of het Rathenau Instituut.
38 De rijksbijdrage voor TNO is tussen 2010 en 2014 met ongeveer 13 procent nominaal afgenomen, en daarmee met ongeveer 22 procent in reële termen. De
   rijksbijdrage voor DLO is in 2014 nominaal met 19 procent gedaald ten opzichte van 2010, en daarmee met om en nabij 28 procent in reële termen. Zie de
   jaarverslagen van TNO en Wageningen UR, diverse jaren.
39 De website www.lectoraten.nl somt 461 lectoraten op, die over 41 hogescholen verspreid – meestal in deeltijd – actief zijn.
40 De vier sectorraden waren: de Raad voor ruimtelijk, milieu- en natuuronderzoek (RMNO), de Raad voor het Wetenschappelijk Onderzoek in het kader van
   Ontwikkelingssamenwerking (RAWOO), de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO), en de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek (NRLO).
41 AWT (2014a) beveelt de bewindspersonen van OCW aan zich te voorzien van informatie door middel van science foresight.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                           21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Vangen, verwerken en verwaarden 22</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                                                                                                                 4
4 Conclusies en aanbevelingen
  4.1 Conclusies
  Uit de beschouwing in de vorige hoofdstukken trekt de AWTI de onderstaande conclusies.
  Kennisabsorptievermogen is belangrijk en wordt nog belangrijker
  In een kennissamenleving als de Nederlandse is niet alleen het vermogen om kennis te ontwikkelen van belang,
  maar ook het vermogen om kennis die door anderen is ontwikkeld te identificeren, zich eigen te maken en te
  benutten. Dit geldt voor bedrijven, voor kennisinstellingen en voor Nederland als geheel. Het belang van
  kennisabsorptievermogen neemt toe, omdat steeds meer kennis door anderen ontwikkeld wordt. Succesvolle
  bedrijven halen steeds meer kennis uit hun netwerken, waarbinnen onder andere publieke kennisinstellingen een
  rol spelen. Nederlandse kennisinstellingen en ondernemingen halen steeds meer kennis van over de grens.
  Neerlands kennisabsorptievermogen: Blauwe hemel – paar donkere wolken
  Individueel kennisabsorptievermogen
  Het Nederlandse onderwijs met zijn accent op ‘leren leren’ en leren toepassen ondersteunt de ontwikkeling van
  kennisabsorptievermogen. De Nederlandse arbeidscultuur met zijn relatief grote autonomie voor kenniswerkers
  bevordert learning on the job. Het postinitieel onderwijs zou eventueel versterkt kunnen worden.
  Kennisbasis
  Kennisabsorptievermogen vereist een stevige kennisbasis. Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven
  beschikken daar in het algemeen over. Er zijn geen aanwijzingen dat de Nederlandse wetenschap substantiële
  hiaten of ‘witte vlekken’ vertoont of dat bedrijven structureel kennis tekortkomen. Nederland kan niet in elke
  subdiscipline op topniveau bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe kennis. Strategische keuzes maken waarin
  wel en waarin niet te investeren, is noodzakelijk. Profilering op zwaartepunten is niet bezwaarlijk, zolang de
  kennisbasis buiten de zwaartepunten maar zo solide is dat deze het vermogen tot absorptie van relevante kennis
                                                                          42
  uit de rest van de wereld voldoende ondersteunt.
  Internationale, transdisciplinaire en publiekprivate samenwerking
  Samenwerken versterkt het kennisabsorptievermogen. Nederlandse onderzoekers werken naar verhouding veel
  samen met buitenlandse partners. Ook loopt de Nederlandse wetenschap voorop in transdisciplinaire
  samenwerking.
  Ook door het topsectorenbeleid wordt in Nederland veel samengewerkt binnen de triple helix: het aantal PPS-en
  neemt toe. Daarnaast bloeit de publiekprivate samenwerking op rond Centres of Expertise, Centra voor Innovatief
  Vakmanschap en andere arrangementen. Wel wordt samenwerking op de werkvloer met het huidige fiscale
  beleidsinstrumentarium minder gestimuleerd dan met de vroegere subsidie-instrumenten. Daarom beperkt
  samenwerking in de topsectoren zich vaak tot gezamenlijke onderzoeksagendering, gevolgd door uitbesteding
  van projecten door bedrijven aan kennisinstellingen. Daaromheen organiseren bedrijven, kennisinstellingen en
                                                                                       43
  lokale en regionale overheden wel nog andere vormen van samenwerking.
  Arbeidsmobiliteit
  Bedrijven en kennisinstellingen absorberen kennis onder andere door nieuwe medewerkers binnen te halen. Het
  vermogen van Nederlandse kennisinstellingen om vers bloed aan te trekken en vast te houden, ook van buiten
  Nederland, komt steeds meer onder druk. Vooral waar het gaat om bewezen toptalent met een gevestigde
  internationale reputatie ontbreekt het aan financiële slagkracht. Dat speelt met name in de natuurwetenschappen.
  42
     Zie AWT (2014a), p. 40: “Kiezen voor pieken impliceert het accepteren van dalen.”
  43
     Zie deel 2 en AWT (2014b).
  Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Nederlandse universiteiten weten ‘aanstormend talent’ nog wel een aantrekkelijke onderzoeksomgeving te
bieden, maar zijn nauwelijks nog in staat om internationaal toptalent met een solide staat van dienst te werven.
Daartoe ontbreken hen de middelen, die niet alleen Amerikaanse en Singaporese, maar ook bijvoorbeeld Duitse
en Zwitserse instellingen wel op tafel weten te leggen. Verbeteringen van de aantrekkelijkheid van een
academische positie in Nederland vereist het verruimen van de toegang tot onderzoeksbudgetten en -faciliteiten.
De Nederlandse academische wereld is een relatief open systeem, hetgeen resulteert in een behoorlijke
arbeidsmobiliteit tussen bedrijven en kennisinstellingen, vooral waar het jonge werknemers betreft. Beginnende
onderzoekers gaan tijdens of na een promotietraject vaak buiten de universiteit aan de slag. Het aantal
universitair hoofddocenten en hoogleraren dat zijn academische carrière inwisselt voor een loopbaan in het
bedrijfsleven is echter beperkt. Ook het aantal onderzoekers uit het bedrijfsleven of van een TO2-instelling dat
zijn carrière vervolgt in academisch onderzoek is niet groot. Wetenschappers die nevenfuncties vervullen,
deeltijdhoogleraren, onderzoekers in de derde geldstroom, lectoren en buitenpromovendi slaan wel een brug
tussen bedrijven en universiteiten, vooral sinds de jaren negentig en vooral aan medische faculteiten en
technische universiteiten.
Stelsel
Op stelselniveau is het kennisabsorptievermogen van Nederland goed georganiseerd. De academische
kennisbasis is breed, de economische basis is breed en gedifferentieerd, de internationale verankering is stevig.
Wel is de academische kennisbasis aan veranderingen onderhevig en dat zou op termijn kunnen leiden tot een
verzwakking van het kennisabsorptievermogen. De opbouw en afbouw van onderzoekscapaciteit ten gevolge van
aanwas of afname van studentenaantallen of van profilering en strategische keuzes zou na verloop van tijd
kunnen leiden tot een daling van het kennisabsorptievermogen in bepaalde (sub)disciplines.
De TO2-instellingen veranderen de laatste jaren van aard en gaan terug in omvang. De geleidelijke krimp van de
publieke organisaties voor toegepast onderzoek kan het kennisabsorptievermogen van het stelsel verzwakken
indien de functies van deze instituten niet op een andere manier worden ingevuld.
4.2 Rol van de overheid
De overheid is niet verantwoordelijk voor het kennisabsorptievermogen van kennisinstellingen en bedrijven. De
taak dit vermogen op peil te houden, ligt bij deze organisaties zelf. Het is wel een overheidstaak om het
onderhoud van kennisabsorptievermogen te faciliteren door de kwaliteit en samenhang van de publieke
kennisinfrastructuur te waarborgen. Daarbij gaat het niet alleen om het stimuleren van pieken, bijvoorbeeld met
een Nationale Wetenschapsagenda en met een inzet op profilering, maar ook om het in de gaten houden van het
geheel.
De overheid staan diverse instrumenten ter beschikking om haar verantwoordelijkheid waar te maken.
Overheidsbeleid kan het leervermogen op individueel niveau vergroten door het bevorderen van
vaardighedengericht onderwijs, ‘leven lang leren’ en arbeidsmobiliteit. Het beleid kan samenwerking tussen
organisaties ondersteunen, waarbij vooral samenwerking over disciplinaire, sectorale, publiekprivate en nationale
grenzen de aandacht behoeft. Op stelselniveau kan de overheid waarborgen dat functies die voor
kennisabsorptievermogen belangrijk zijn goed belegd zijn.
De overheid is ‘systeemverantwoordelijk’, in de zin dat ze verantwoordelijkheid draagt voor de karakteristieken
van de publieke onderdelen van het nationale kennis- en innovatiesysteem als geheel. Om ervoor te zorgen dat
dit stelsel geen gebreken gaat vertonen, is het belangrijk het zo in te richten dat het uit zichzelf reageert op
dreigende hiaten of witte vlekken – dat het responsief is. Dreigende gebreken moeten eerst en vooral worden
gesignaleerd en vervolgens vermeden. Voor het signaleren is een goede monitoring van belang. Voor het
vermijden moeten onderzoekers en kennisinstellingen niet alleen voldoende ruimte en beleidsvrijheid hebben,
maar ook voldoende geprikkeld worden om te reageren. De noodzakelijke ruimte en beleidsvrijheid kunnen
gewaarborgd worden door te zorgen voor voldoende budget voor ongebonden onderzoek. Dit biedt onderzoekers
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                  24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>de kans om nieuwe terreinen te verkennen en nieuwe kennisposities op te bouwen. Ook is het belangrijk voor het
vermogen van een instelling om internationale topwetenschappers aan te trekken. De prikkels om ‘gaten op te
vullen’ zijn inherent aan het huidige op competitie gebaseerde systeem: productie van kennis reageert op
waargenomen kansen en op behoeften aan kennis.
De mate waarin de overheid verantwoordelijkheid neemt voor het onderhouden van een geïnstitutionaliseerd
kennisabsorptievermogen als onderdeel van het nationale kennis- en innovatiesysteem, is de afgelopen jaren
veranderd. Voorheen werden instellingen als TNO en de GTI’s, maar ook DLO en proefstations voor de
landbouwsector, het RIZA en het RIKZ voor de waterbouwsector, en het RIVM voor de gezondheidssector,
gezien als taakorganisaties. Zij hielden een publieke voorziening, toegang tot kennis, op peil op basis van
publieke middelen. Tegenwoordig zijn deze organisaties vooral marktorganisaties, die een onderzoeksproduct
leveren voor een betalende klant.
Ook de mate waarin de overheid verantwoordelijkheid neemt voor toekomstverkenningen is veranderd. De
foresight-functie, een onderdeel van het geïnstitutionaliseerde kennisabsorptievermogen, was belegd bij
instanties als sectorraden, de OCV en de WRR. Nu is dit meer een met het bedrijfsleven binnen de topsectoren
en met de samenleving in het kader van de NWA gedeelde verantwoordelijkheid.
4.3 Aanbevelingen
Kennisabsorptievermogen is het vermogen relevante kennis van elders te identificeren, zich deze eigen te
maken, en deze te benutten. Dit advies betreft het kennisabsorptievermogen van kennisinstellingen en bedrijven.
Kennisabsorptievermogen is voor beide belangrijk, maar niet eenvoudig te meten en te beïnvloeden. Academisch
onderzoek reikt hiervoor nauwelijks handvatten aan en beperkt zich voor het overgrote deel tot kennisabsorptie
                                  44
door ondernemingen.                   Bij gebrek aan harde data en praktische handvatten beveelt de AWTI in dit stadium vooral
algemene maatregelen aan die bedoeld zijn om het kennisabsorptievermogen en eventuele knelpunten
daaromtrent zichtbaar te maken, te duiden en op te pakken. Meer specifieke maatregelen komen in beeld zodra
een helderder beeld van knelpunten of gebreken beschikbaar is.
Kennisinstellingen en bedrijven zijn verantwoordelijk voor het onderhoud van hun eigen kennisabsorptievermogen
en hebben daar ook groot belang bij. Het is aan de overheid om te zorgen dat het stelsel zo is ingericht dat een
tekort aan kennisabsorptievermogen tijdig wordt opgemerkt en dat partijen binnen het stelsel erop reageren. Het
is tevens aan de overheid om voorwaarden te scheppen die het onderhoud van het kennisabsorptievermogen
faciliteren. Waar het de publieke kennisinstellingen betreft, dient de overheid actie te ondernemen zodra het
kennisabsorptievermogen onder de maat dreigt te geraken. Dat is nu op onderdelen aan de orde.
In dit licht beveelt de AWTI de bewindslieden van EZ en OCW het volgende aan:
1. Houd de ontwikkeling van het kennisabsorptievermogen continu in de gaten:
              a.     Help kennisinstellingen op tijd te signaleren waar hun kennisabsorptievermogen afneemt en er
                     hiaten in de kennisbasis kunnen ontstaan. Verken daartoe systematisch toekomstige ontwikkelingen
                     in de wetenschap: investeer in foresight; doe dit door aan te sluiten op initiatieven in andere
                                 45
                     landen.
              b.     Vraag de VSNU, NWO en de KNAW om kennisabsorptievermogen een plek te geven in het
                     Standaard Evaluatie Protocol (SEP) en mee te nemen bij onderzoeksvisitaties. Monitor het
                     kennisabsorptievermogen van de wetenschap op stelselniveau door de visitatierapporten per
                     discipline te vergelijken en te bekijken of het geheel op stelselniveau hiaten vertoont.
44
   Zie deel 2, tekstkader ‘Kennisabsorptievermogen in de academische literatuur’.
45
   Zie bijvoorbeeld de initiatieven in het VK, Duitsland en Canada.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                           25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>            c.    Monitor het nationale kennis- en innovatiesysteem op het ontstaan van ‘structurele gaten’ in het
                  geïnstitutionaliseerde kennisabsorptievermogen ten gevolge van de herpositionering van de TO2-
                  instellingen.
            d.    Signaleer tijdig problemen die bedrijven ondervinden met hun vermogen kennis te absorberen, in
                  het bijzonder ten gevolge van onvoldoende aansluiting van het publieke onderzoek op de behoeften
                  van het bedrijfsleven dan wel van mismatches op de arbeidsmarkt. Voer hierover het gesprek met
                  bedrijven; inventariseer de stand van zaken niet alleen bij grote bedrijven, maar ook bij het
                  kennisintensieve mkb.
2. Onderhoud de basis van het kennisabsorptievermogen:
            a.    Waarborg dat de Nederlandse wetenschap beschikt over genoeg tijd, ruimte en middelen om het
                  kennisabsorptievermogen op peil te houden. Zorg er mede daarom voor dat er voldoende budget is
                  voor vrij en ongebonden onderzoek.
            b.    Stimuleer publiekprivate samenwerking ‘op de werkvloer’ in onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten:
                           i. Herstel de balans tussen fiscale stimuli voor onderzoek en ontwikkeling en
                              programmatische ondersteuning (subsidies) en geef samenwerking een plaats in de
                              subsidievereisten.
                          ii. Bevorder de totstandbrenging van gezamenlijke onderzoeksfaciliteiten door
                              kennisinstellingen en bedrijven. Doe dat onder andere door dit op te nemen in de
                              opdrachtformulering aan de Permanente Commissie voor Grootschalige
                              Wetenschappelijke Infrastructuur. Laat daarbij organisaties als het IPP, het Holst Centre,
                              de Hightech Campus en IMEC bronnen van inspiratie zijn.
            c.    Houd Nederland aantrekkelijk voor jong talent en toptalent:
                           i. Breng daartoe in de wetenschap de omvang van het te verdelen budget meer in balans
                              met de druk om middelen in competitie te vergaren.
                          ii. Ondersteun de publieke kennisinstellingen incidenteel, en waar passend binnen een
                              breder strategisch kader, in het aantrekken van wereldtoppers.
                         iii. Zorg voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor toptalent in het bedrijfsleven, onder
                              andere door een internationaal concurrerend aanbod op terreinen als wonen, onderwijs,
                              zorg en cultuur, dat in een gunstige verhouding staat tot de lastendruk.
            d.    Stimuleer arbeidsmobiliteit:
                           i. Stimuleer internationale mobiliteit van wetenschappers, maar bevorder ook dat Nederlands
                              wetenschappelijk toptalent repatrieert; ontwikkel daartoe een beleidsinstrument.
                          ii. Bevorder internationale mobiliteit van kenniswerkers in het bedrijfsleven, onder meer door
                              bedrijven die willen deelnemen aan Europese en andere internationale
                              onderzoeksprogramma’s beter te faciliteren en ondersteunen.
                         iii. Bevorder arbeidsmobiliteit tussen bedrijven en kennisinstellingen. Trek daartoe lessen uit
                              de ervaringen met de Kenniswerkersregeling (en de eerdere SKO-regeling en KIM-
                              regeling). Onderken het belang van nevenfuncties als middel om het
                              kennisabsorptievermogen in andere domeinen – publiek of privaat – te versterken.
                              Stimuleer in het bijzonder dat kennisinstellingen via deeltijdaanstellingen de banden met
                              het kennisintensieve mkb verstevigen.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                        26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>            e.     Zie erop toe dat de intermediaire rol in het kennis- en innovatiesysteem, die de schakel vormt
                   tussen kennisontwikkeling en kennistoepassing en daarmee essentieel is voor kennisabsorptie en
                   valorisatie, adequaat wordt ingevuld.
3. Tref maatregelen zodra de ontwikkeling van het kennisabsorptievermogen daar aanleiding
      toe geeft:
            a.     Intensiveer de samenwerking met andere landen op die terreinen waarop de Nederlandse
                   wetenschap de aansluiting met mondiale ontwikkelingen dreigt te verliezen, om daarmee het
                                                                                46
                   kennisabsorptievermogen te onderhouden.
            b.     Overleg met het bedrijfsleven over maatregelen die noodzakelijk zijn om het
                   kennisabsorptievermogen van bedrijven op peil te houden, bijvoorbeeld ten aanzien van
                   onderzoeks- en opleidingscapaciteit, van de arbeidsmarkt en van de internationale betrekkingen en
                   de initiatieven richting de EU.
Aldus vastgesteld te Den Haag, maart 2016
Prof. dr. U. Rosenthal (voorzitter)
Dr. D.J.M. Corbey (secretaris)
46
   De AWTI zal eind 2016 een advies uitbrengen over Science, Technology and Innovation diplomacy.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                   27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Vangen, verwerken en verwaarden 28</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Deel 2: Analyse
Vangen, verwerken en verwaarden 29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>De redeneerlijn en het advies zoals in het eerste deel van dit rapport gepresenteerd, stoelen op een analyse die
hieronder is uitgeschreven. Deze analyse bleek nodig omdat de beschikbare academische literatuur over
kennisabsorptievermogen vooralsnog onvoldoende kennis oplevert (zie kader).
    Kennisabsorptievermogen in de academische literatuur
    Het begrip kennisabsorptievermogen, absorptive capacity, is gemunt door de economen Cohen en Levinthal
    (1990). Zij omschrijven het als het vermogen van bedrijven om de waarde van nieuwe kennis van buiten het
    bedrijf te herkennen, deze op te nemen en commercieel te benutten. Zij conceptualiseren het onderhouden van
    het kennisabsorptievermogen van een bedrijf met name als een neveneffect van de R&D die het bedrijf verricht.
    Via R&D houdt een bedrijf een basis van bestaande kennis op peil, die het mogelijk maakt nieuwe kennis te
    begrijpen, op waarde te schatten, op te nemen en te benutten. Latere literatuur geeft overigens aan dat het
    investeren in R&D voor bedrijven lang niet de enige factor van belang is bij het opbouwen van
    kennisabsorptievermogen (zie 2.1).
    Het blijkt dat de daaropvolgende (internationale) wetenschappelijke literatuur over (het vermogen tot)
    kennisabsorptie veel naar het begrip kennisabsorptievermogen van Cohen en Levinthal verwijst, zonder nadere
    uitwerking of verdieping. De impliciete vooronderstelling is dat het beschikken over voldoende kennis vanzelf
    leidt tot het opnemen en benutten van nieuwe kennis. Maar uit de literatuur is niet op te maken hoe
    kennisabsorptie precies werkt in de praktijk. Niet duidelijk is welke actoren welke strategieën en mechanismen
    inzetten en welke succesfactoren en belemmeringen er zijn.
    Voor zover er onderzoek is naar kennisabsorptievermogen, beperkt dit zich bovendien tot bedrijven en gaat het
    voorbij aan kennisinstellingen. Echter, om gebruik te kunnen maken van in het buitenland geproduceerde
    (wetenschappelijke) kennis hebben ook kennisinstellingen absorptiecapaciteit nodig. Meer inzicht is nodig in
                                                               47
    hoe dit bij kennisinstellingen, en wetenschappers, werkt.
Onderstaande analyse is opgebouwd langs drie niveaus van kennisabsorptievermogen. In het eerste hoofdstuk
staat het niveau van het individu, de kenniswerker, centraal. Het tweede hoofdstuk beschrijft het
kennisabsorptievermogen van bedrijven en kennisinstellingen. Het derde hoofdstuk gaat in op het systeemniveau.
De vraag die steeds voorop staat, is: hoe staat Nederland ervoor wat betreft kennisabsorptievermogen op de
diverse aggregatieniveaus? Het antwoord hierop is zoveel mogelijk gebaseerd op beschikbare data en literatuur,
en een veertigtal gesprekken die voor dit advies zijn gehouden met onderzoekers en bestuurders van
kennisinstellingen en bedrijven (zie bijlage 2).
47
   Zie ook KNAW (2013).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                  30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                                                                                                                      1
1 De Nederlandse kenniswerker: innovatief en
  netwerker
  Kenniswerkers zijn een onderscheidende factor voor bedrijven, onderzoeksinstituten en de overheid. Hun
  arbeidsproductiviteit ligt doorgaans hoog en ze zorgen voor nieuwe kennis, creatieve en innovatieve ideeën en
                                48
  nieuwe oplossingen.               Wie een kenniswerker is, is niet enkel te bepalen op basis van opleidingsniveau, al heeft
  men het wel vaak over ‘middelbaar en hoger opgeleide professionals’. De vaardigheden van werknemers en de
  aard van het werk dat zij verrichten, zijn eveneens parameters, maar lastig te meten. Succesvolle kenniswerkers
  beschikken over een groot innovatief vermogen, het vermogen om te gaan met veel autonomie, en andere
                                            st
  relevante vaardigheden of 21 century skills, waaronder ook onderzoeksvermogen en kennisabsorptievermogen
  vallen. Werkgevers maken gebruik van termen als slimmeriken, creatievelingen of werknemers met een T-profiel,
                                                      49
  mensen die out of the box denken.
  Kenniswerkers zijn sterk bepalend voor het kennisabsorptievermogen van de samenleving en de economie. De
  mate waarin ze in staat zijn om te gaan met nieuwe kennis (deze te identificeren, vertalen en benutten) hangt
  samen met hun opleiding en vaardigheden (1.1) en de mate waarin ze samenwerken en netwerken (1.2).
  1.1 Opleiding en vaardigheden
  Het oefenen en versterken van het vermogen om nieuwe kennis te absorberen is een einddoel van elk
  onderwijstype, maar vooral van het hoger onderwijs. Het opleidingsniveau van de Nederlandse (aankomende)
  beroepsbevolking kent een stijgende lijn. Inmiddels volgt bijna de helft van de jongeren een havo- of vwo-
                                                                         50
  opleiding met een vervolg op hbo- of wo-niveau.                           In Nederland staan de scores van 15-jarigen op PISA-toetsen
                                      de
  taal en rekenen op de 10 plaats in de wereld (grote steden in China, Singapore en Korea staan aan de top). Ook
  staat het Nederlands onderwijs bekend om het grote beroep dat het doet op zelfstandigheid en om de nadruk op
  vaardigheden gericht op het zelfstandig en onderzoeksmatig leren en werken (dat sterk gerelateerd is aan
                                                                                                                          51
  kennisabsorptievermogen). Zelfstandig leren is een kernwaarde van het Nederlands onderwijs.
  Wat de beroepsbevolking betreft: in 2014 had 44% van de jongvolwassenen (25-34 jaar) in Nederland als
  hoogste opleidinghogeschool of wetenschappelijk onderwijs. Voor de totale beroepsbevolking (25- 65 jaar) was
                        52
  dat 34 procent. Het CBS laat zien dat het aandeel hoger opgeleiden in de beroepsbevolking in de afgelopen tien
  jaar is gestegen. Het aantal middelbaar opgeleiden bleef tussen 2003 en 2012 nagenoeg gelijk. In 2012 had 40
  procent van de bevolking als hoogst behaalde opleiding een havo- of vwo-diploma of een mbo-diploma op niveau
                           53
  twee, drie of vier.          Tegelijkertijd kan -al valt het buiten de reikwijdte van dit rapport- niet onvermeld blijven dat
                                                                                                                             54
  Nederland 1,3 miljoen laaggeletterde volwassenen kent (waarvan 65% van Nederlandse afkomst).                                  Driekwart
  hiervan scoort ook op het allerlaatste niveau van rekenvaardigheden en probleemoplossend vermogen.
  Uit een studie van de OESO blijkt dat promovendi in Nederland na hun promotie veelal buiten de universiteit
                                                                                     55
  werken en dat hun arbeidsmarktperspectieven goed zijn.                                Het aantal gepromoveerden is in Nederland sinds
  2000 bijna verdubbeld maar nog altijd lager dan het EU-gemiddelde (7,5 per 1000 mensen; in Nederland 6,6).
                                                                                                                             56
  Van de promovendi in dienst van universiteiten heeft 44 procent niet de Nederlandse nationaliteit.                            De meeste
                                                                                                           57
  gepromoveerden (70%) gaan daarna buiten de universiteit aan de slag.
  48
     AWTI (2013a).
  49
     AWTI (2013b).
  50
     Onderwijsraad (2013).
  51
     De ontwikkeling van zelfstandig maakt deel uit van de kerndoelen voor het basisonderwijs en voortgezet onderwijs.
  52
     OESO (2015).
  53
     CBS (2013c).
  54
     Buisman, M. en Houtkoop, W. (2014).
  55
     OECD (2013).
  56
     CBS (2014b). Zie ook VSNU website onder ‘promovendi’.
  57
     Rathenau (2014).
  Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                         31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                   st
Zwakker: 21 century skills als creativiteit en ondernemendheid
Iemands vermogen kennis te absorberen neemt toe naarmate hij of zij over de vaardigheden beschikt om iets met
kennis te doen in de praktijk. Er is een breed gedeelde zorg dat het Nederlandse onderwijs, door de nadruk te
leggen op meetbare prestaties, op enig moment te weinig aandacht zal hebben voor zaken als creativiteit, ICT-
                                                                                                      st
vaardigheden, ondernemendheid (het zien van kansen en die ook weten te benutten) en andere 21 century
         58
skills.      Zaken die sterk van belang zijn voor het kennisabsorptievermogen van kenniswerkers en daarmee voor
een succesvolle loopbaan. Het tekort aan dergelijke vaardigheden kwam ook naar voren in gesprekken die de
                                                                                             59
AWTI voerde met HR-managers en directies van grote bedrijven en mkb-ondernemingen.              Vaardigheden als een
sterk analytisch vermogen, probleemoplossende capaciteiten, conceptueel en strategisch denken, creativiteit en
praktijkgericht denken worden vaak gemist.
Schaarste aan bètatechnici en andere arbeidskrachten?
Een goede aansluiting tussen de vraag naar, en het aanbod van, verschillende typen kenniswerkers is een
belangrijke factor in het kennisabsorptievermogen. Daarin is jarenlang een mismatch gesignaleerd: een tekort
aan bètatechnisch geschoolden op het middelbaar en hoger niveau. Een dergelijke mismatch kan gevolgen
hebben voor de mate waarin kennis geabsorbeerd kan worden door organisaties en bedrijven. Dit is niet alleen
een Nederlands vraagstuk. Uit cijfers van de Europese commissie blijkt dat 51 procent van de bedrijven in de EU
moeite heeft bepaalde medewerkers te rekruteren, 43 procent vanwege tekorten aan vaardigheden op het gebied
                                                                                                               60
van bètatechniek. Positief is dat Europa over meer bètatechnici beschikt dan de Verenigde Staten en Japan.
Nederland zette vanaf 2004 in op meer deelname en succes in het bètatechnische onderwijs. Onder meer via het
Platform Bèta Techniek, dat de ambitie heeft om, samen met onderwijs, bedrijfsleven en overheid, te bereiken dat
40 procent van alle gediplomeerden (van vmbo tot en met wetenschappelijk onderwijs) een bètatechnisch profiel
heeft. Dit doel is deels al bereikt. In 2013 koos 48 procent van havo- en vwo-bovenbouwscholieren voor een
dergelijk profiel. Iets meer dan de helft van deze scholieren gaat vervolgens naar een bètatechnische opleiding in
het hoger onderwijs. In 2013 werd 33 procent van de nieuwe universitaire studenten ingeschreven aan een
bètatechnische opleiding. In 2002 was dit nog 24 procent. Op het hbo was, in 2013, 20 procent ingeschreven aan
een bètatechnische opleiding. Het aandeel van bètatechniek onder de diploma’s was 19 procent op het hbo en op
                                     61
de universiteit 22 procent.
Wie veel wil verdienen, kan volgens cijfers uit de Keuzegids Universiteiten 2016 het beste kiezen voor de meer
technische disciplines. Bovenaan staan tandheelkunde, fiscaal recht, geneeskunde en econometrie. Ook bij de
hogescholen geven de exactere studies de beste perspectieven op een hoog salaris: elektrotechniek/technische
natuurkunde, technische bedrijfskunde, werktuigbouwkunde/engineering, civiele techniek en ICT. Vorig jaar
waarschuwde de keuzegids nog dat het aanbod van ICT-afgestudeerden inmiddels hoger zou zijn dan de vraag.
Echter, in 2016 zijn de vooruitzichten voor afgestudeerden in de ICT-hoek alweer positief; de sector blijkt
               62
gegroeid.
Inmiddels heeft 20 procent van de werkenden in Nederland een technische opleiding genoten. Daarvan heeft 53
procent ook een technisch beroep, 38 procent een niet-technisch beroep (bij hoger opgeleiden vaak
leidinggevende of specialistische beroepen) en is 7,3% werkloos (relatief veel lager opgeleiden). En 44 procent
van de mensen werkzaam in de technische sector heeft een niet-technische initiële opleiding genoten en is later
                    63
bijgeschoold.          De meest voorkomende beroepen zijn software- en applicatieontwikkelaars (voor hoger
opgeleiden), bouwarbeider ruwbouw en machinemonteur (voor middelbaar en lageropgeleiden). Aangezien
technologie steeds meer een plek verwerft in het gehele leven, is het logisch dat ook de publieke sector en
58
   CPB (2014); Onderwijsraad (2013); AWTI (2015c).
59
   AWTI (2013a).
60
   Science Guide (2015).
61
62
   Platform Bèta Techniek (2014).
   Zie http://www.keuzegids.org/nieuws7715-nieuwe-prognoses-kans-op-een-baan-ietsje-groter.
63
   Platform bèta techniek (2015).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                   32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>private partijen als banken, advocatenkantoren, et cetera behoefte hebben aan mensen met een technische
achtergrond.
Dat het van belang is aanzienlijke hoeveelheden bètatechnisch geschoolden te (blijven) opleiden, is evident. De
invloed van technologie zal enkel groeien in de komende jaren en dus ook de noodzaak om voldoende
‘technologie begrijpers’ te hebben in Nederland, ongeacht waar zij komen te werken. Lastig is wel dat het tekort
aan bètatechnici, evenals andere tekorten aan bepaalde typen arbeidskrachten, ook enigszins een ‘kip of ei
kwestie’ lijkt. Krimpen bepaalde in Nederland gevestigde bedrijven en sectoren door de slechte conjunctuur, of
ook omdat er te weinig (bètatechnisch) talent voorhanden is? Het is ook de vraag waarom salarissen van
bètatechnici niet sterk stijgen en arbeidsvoorwaarden niet verbeteren (vaste contracten) als het Nederlandse
bedrijfsleven een sterk tekort ervaart. Een verklaring die wel wordt gegeven, is dat grote bedrijven technisch
talent wereldwijd kunnen binnenhalen en dus geen tekort ervaren.
Bedrijven en organisaties reageren volgens de studie ‘Schaarste bestaat niet’ nog teveel ad hoc op verwachte
schaarste in arbeidskrachten. Als ze hier beter op anticiperen door tijdig en innovatief personeelsbeleid, kunnen
bedrijven hun kennisabsorptievermogen op peil houden en concurrentievoordelen behalen. Dat kan grofweg op
vier manieren:via samenwerking, effectief werven, het investeren in duurzame arbeidsrelaties en technische en
                           64
sociale innovatie.
1.2 Leven lang leren – vooral informeel
Regelmatig bijleren draagt bij aan iemands vermogen om nieuwe kennis te absorberen. In 2014 namen bijna 1,6
miljoen mensen nemen deel aan een opleiding of cursus. Dat is bijna 18 procent van de 25- tot 65-jarigen in
                65
Nederland.          Hiermee behoort Nederland wat ‘een leven lang leren’ betreft tot de vijf best presterende landen van
                                                                                                        66
Europa, alleen Frankrijk en de Scandinavische landen scoren hoger.                                         Nederland heeft zich in 2000 tot doel
gesteld om de 20 procent te halen. Het benoemde taskforces, ontwierp en implementeerde actieplannen.
Dat bijleren op bredere schaal nodig is, laat onderzoek zien: 75 procent van 1000 ondervraagde werknemers (op
verschillende opleidingsniveaus) in de leeftijd van 34-54 jaar geeft aan dat de kennis en vaardigheden waarover
                                                          67
zij beschikken enigszins verouderd zijn.                      Waarom blijft deelname aan postinitieel onderwijs dan steeds steken op
nog geen vijfde van de volwassen bevolking? Hierover is weinig bekend. De Onderwijsraad beschreef, op basis
van een eigen studie, in 2009 drie redenen waarom volwassenen zelf aangeven niet vaker deel te nemen aan
postinitiële onderwijs: ervaren tijdgebrek, onvoldoende op de hoogte zijn van de mogelijkheden, en onbekendheid
                                                                                                                                                           68
met eventuele financieringsmogelijkheden (en geen bereidheid of mogelijkheid hierin zelf te investeren).
Maar ook kenniswerkers die niet deelnemen aan formele scholingstrajecten leren bij. Daarbij is sprake van
informeel leren waaronder leren via werkervaring . Daar is in recente jaren bijgekomen: het gebruik van open
(veelal gratis) leermiddelen die via internet beschikbaar zijn. Onder de 25- tot 65-jarigen leerden in 2011
ongeveer 2,5 miljoen personen (28,5 procent) volgens eigen zeggen op informele wijze bij. Informeel leren vindt
vaker plaats naarmate mensen jonger en/of hoger opgeleid zijn. Hoogopgeleiden leren met 41 procent veel vaker
informeel bij dan laagopgeleiden (13 procent). Onder 25- tot 35-jarigen leert 34,5 procent informeel, terwijl dat
                                                       69
onder 55- tot 65-jarigen 2 procent is.
64
   R. Dekker e.a. (2013).
65
   CBS (2016). Cijfers zijn van Eurostat. Dit onderzoek meet al het onderwijs dat door 25- tot 65-jarigen wordt gevolgd, dus ook langstudeerders vallen onder dit cijfer.
66
   Dit komt deels door verschillen tussen onderwijssystemen.
67
   Sander, J. & Kraan, K. (2013).
68
   Onderwijsraad (2009).
69
   CBS (2016).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                                         33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>1.3 Goed in netwerken, kennisuitwisseling en samenwerking
Het opbouwen en onderhouden van persoonlijke contacten is belangrijk voor kennisuitwisseling en
                       70
samenwerking.             Kenniswerkers geven aan dat zij regelmatig netwerken, koffiedrinken, lunchen en bijpraten
zonder direct doel. Ook wisselen wetenschappers via contacten die zij opdoen door valorisatieactiviteiten kennis
uit met ‘hun’ praktijk. Hierin brengen zij kennis, maar halen ook nieuwe kennis op, als input voor onderzoek.
Van belang hierbij is de beschikbaarheid en de toegankelijkheid van kennis. Kennis kan concurrentiegevoelig zijn.
Een bedrijf dat samen met wetenschappers onderzoek doet, verlangt soms dat zij wachten met publiceren tot de
kennis is beschermd met intellectueel eigendomsrecht. Ook wetenschappers zijn soms niet genegen hun kennis
te delen voordat zij hun naam eraan hebben kunnen verbinden door een publicatie. De huidige beweging naar
                                                                                         71
open access speelt een rol in de toegankelijkheid van kennis voor kenniswerkers.
Nederlandse kenniswerkers staan internationaal bekend om hun goede netwerk- en samenwerkingsvaardigheden
(zie kader). Hun informele stijl van netwerken (waarbij hiërarchie weinig meetelt) is te beschouwen als een uiting
van de kenmerken van de Nederlandse cultuur: niet-hiërarchisch, met veel nadruk op gelijkheid, met de neiging
conflicten door onderhandelingen en via compromissen op te lossen, en met aandacht voor de balans tussen
                         72
werk en vrije tijd.          Waar in bijvoorbeeld de Verenigde Staten mensen sterk aangezet worden om het beste uit
zichzelf te halen, speelt dat in Nederland minder, soms zelfs met een ‘zesjescultuur’ tot gevolg. Uitvoerige
gesprekken en veel vergaderen, met aandacht voor ieders standpunt en inbreng, behoren tot de dagelijkse
routine van veel Nederlandse kenniswerkers. De nadelen in termen van tijd zijn evident. De voordelen zijn dat
kenniswerkers zich goed op de hoogte kunnen stellen van nieuwe kennis en er een voedingsbodem ontstaat voor
samenwerking.
   Nederlanders de beste netwerkers ter wereld?
   LinkedIn ondervroeg 3.200 professionals wereldwijd over hun netwerkgewoontes. Uitkomst was dat
   Nederlanders ‘s werelds beste netwerkers zijn. Elke maand netwerkt bijna driekwart (74 procent) van de
   Nederlandse professionals offline en 65 procent online. De Nederlandse netwerkstijl lijkt informeler dan die van
   andere landen. Slechts een derde (36 procent) van de Nederlandse professionals denkt dat het voor een goede
   carrière belangrijk is om aardig te worden gevonden. Dit percentage is laag in vergelijking met bijvoorbeeld
   Singapore (80 procent) en Duitsland (50 procent). De Nederlander is bovendien informeler: strak in het pak,
   zien en gezien worden op de juiste evenementen en vooral aardig zijn tegen de baas vinden veel Nederlandse
   professionals niet heel belangrijk voor een succesvolle loopbaan.
1.4 Arbeidsmobiliteit: van baan wisselen en naar het buitenland
Via de overstap naar een nieuwe werkomgeving kunnen kenniswerkers hun kennisabsorptievermogen
versterken. Ze verdiepen hun kennis en ervaring door ze toe te passen in een nieuwe context en doen nieuwe
kennis en vaardigheden op. Bovendien zorgt arbeidsmobiliteit voor een betere match tussen vraag en aanbod:
mensen die niet op hun plek zijn, wisselen van baan en kunnen een betere bijdrage leveren aan kennisabsorptie.
Uit de gesprekken die voor dit advies zijn gevoerd, komt naar voren dat het periodiek wisseling van baan iemand
helpt bij het opbouwen van het veelgevraagde T-profiel: brede kennis gecombineerd met een specialisatie.
Daarvoor is natuurlijk wel een goede balans nodig tussen ergens wat langer (kunnen) blijven om een vak goed
onder de knie te krijgen, en arbeidsmobiliteit.
70
   Zie ook AWT (2013a).
71
   AWTI (2015b).
72
   Hofstede, G. e.a. (2010).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                     34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>De mate van mobiliteit van werknemers varieert met de conjunctuur. Als het goed gaat met de economie dan
                                          73
neemt de mobiliteit toe en andersom.         In het algemeen gesproken is het in de afgelopen decennia steeds
gewoner geworden om regelmatig te wisselen van werkgever en functie, en om dat als werkgever te verwachten
(en eisen) van medewerkers.
Tussen 2011 en 2012 wisselde 15 procent van de totale Nederlandse beroepsbevolking van baan, beroep, of
allebei. Hoogopgeleiden even vaak als anderen. In de helft van de gevallen ging het om interne mobiliteit (zelfde
werkgever – andere functie); de andere helft betrof externe mobiliteit. Jongeren en mensen met een flexibele
                                         74
arbeidsrelatie zijn het meest mobiel.
                                                                                                          75
Minder dan 1 procent van de Nederlanders werkt over de grens, ook in grensregio’s gebeurt dit weinig.
Internationale mobiliteit kent dan ook nog altijd veel praktische belemmeringen. Werken of studeren in het
buitenland vereist inspanning: schoolsystemen wijken af en wederzijds worden diploma’s niet altijd erkend.
Arbeidsmarkten, fiscale systemen en regelgeving zijn niet internationaal geïntegreerd en er zijn hierdoor
‘bureaucratische’ problemen met zaken als belastingen, zorgverzekeringen, kinderbijslag en pensioenen. Voor
wetenschappers wordt een tijd in het buitenland verblijven en werken wel gebruikelijker. Het is voor hen dé
manier om nieuwe kennis te absorberen (zie kader).
   Multidisciplinaire kennis halen buiten Nederland
   `Tijdens mijn verblijf als fellow aan het Wissenschaftskolleg in Duitsland werkte ik samen met een breed scala
   aan wetenschappers uit diverse disciplines die hun kennis onder elkaar verspreidden, onder andere door
   presentaties waarin vakjargon werd vermeden. Dit verhoogde zowel mijn wens als mijn competentie om met
   mensen buiten mijn vakgebied in discussie te gaan. Het was een belangrijke impuls voor de brede kijk op
   religiewetenschap die ik nu heb ontwikkeld.´
   Birgit Meyer (Spinozaprijswinnaar 2015).
73
   Bierings, H. e.a. (2013); SCP (2015).
74
   CBS (2013b).
75
   Marlet, G. e.a. (2014).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                 35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Vangen, verwerken en verwaarden 36</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                                                                                                                                                                2
2 Bedrijven en kennisinstellingen
  In dit hoofdstuk staat het kennisabsorptievermogen van bedrijven en kennisinstellingen in Nederland centraal. In
  beide type organisaties is, zoals in deel 1 besproken, een drietal elementen van belang. Het beschikken over: een
  dynamische kennisbasis (2.1), goede kenniswerkers (2.2), en een cultuur van netwerkgericht werken,
  samenwerking, ondernemendheid en ondernemerschap (2.3). De tekst maakt, waar relevant, onderscheid tussen
  zaken die specifiek zijn voor (grote en kleinere) bedrijven of kennisinstellingen.
  Duidelijk is dat het grootbedrijf (meer dan 250 werkenden) en de grotere mkb-bedrijven over meer mogelijkheden
  beschikken (menskracht, financiële armslag, infrastructuur, een groter netwerk) om het kennisabsorptievermogen
  op peil te houden dan het kleinere mkb. Het grootbedrijf en de grotere mkb-bedrijven zijn gemiddeld genomen
  ook innovatiever. Dit is waarschijnlijk (feiten zijn niet beschikbaar) gerelateerd aan hun sterkere
                                        76
  kennisabsorptievermogen.
  2.1 Dynamische kennisbasis
  “Bedrijven moeten zich meer inzetten om kennis samen met derden te ontwikkelen en kennis van buiten te
  gebruiken. Zij zouden een expliciete strategie moeten ontwikkelen hiervoor. Randvoorwaarde is: goed weten wat
  je core business is en waar je kennis van wilt nemen”. Rob Hamer, vicepresident R&D van Unilever.
  Een organisatie bouwt over de jaren heen een body of knowledge op. Deze heeft binnen een bedrijf betrekking op
  de producten en diensten die het levert, op efficiënte productie- en werkprocessen, op manieren om aan goede
  mensen te komen, en op mogelijkheden voor innovaties. De kennisbasis wordt opgebouwd uit kennis van elders
  en zelfgecreëerde kennis. Beide soorten kennis komen het bedrijf binnen via de werknemers en ondernemers die
  er werken . Zij beschikken over een eigen kennisbasis, vanuit opleiding en ervaring, en halen nieuwe kennis op
  via hun (internationale) netwerk, congresbezoek, door te lezen, via cursussen, et cetera. En vanuit hun
  ervaringen op de werkvloer, vanuit succesvolle en gefaalde pogingen tot innovatie. Daarbij creëren ze nieuw
  kennis en inzichten door te zoeken naar andere combinaties van kennis, toepassingsmogelijkheden et cetera.
  Daarnaast kan een bedrijf meer gestructureerd werken aan de kennisbasis door, alleen of in samenwerking R&D
  te verrichten.
  In kennisinstellingen is de kennisbasis vaak disciplinair en gebaseerd op theorieën en inzichten uit de mondiale
  wetenschap, het werk en het onderzoek van excellente wetenschappers. Deze kennis heeft zowel betrekking op
  inhoud (wetenschapsgebieden) als op (innovatieve) manieren om onderzoek uit te voeren. De kennisbasis wordt
  gevormd in langdurige, ook internationale, contacten tussen onderzoekers en kenniswerkers van buiten de
  kennisinstelling.
  Opbouwen kennisbasis voor grotere bedrijven makkelijker dan kleinere
  Aangezien kennis zich steeds sneller vernieuwt, kan een bedrijf niet langer jaren leunen op eens gedegen kennis,
  maar zal de kennisbasis mee moeten evolueren. Op innovatie gerichte bedrijven zetten kennisontwikkeling
  (Research & Development) in om nieuwe producten en diensten te ontwikkelen, en tegenwoordig is het ‘bijblijven’
  in ontwikkelingen in technologie en wetenschap en de netwerken waarin deze kennis circuleert ook een
                                                     77
  belangrijke overweging voor R&D.
  R&D binnen bedrijven is in de afgelopen decennia sterk veranderd. Bedrijven hebben minder vaak eigen R&D
  afdelingen, doen minder aan fundamenteel, langetermijnonderzoek, leggen meer nadruk op development dan
  voorheen, kopen onderzoek vaker in (besteden het uit) aan universiteiten. Van alle R&D uitgaven in Nederland,
                                                                                                                                                                78
  komt 52% voor rekening van bedrijven, de rest wordt uitgevoerd door universiteiten, UMC’s en hogescholen.                                                        In
  76
     AWTI (2014b).
  77
     Cohen, W.M. en Levinthal, D.A. (1990). Dit punt komt ook naar voren in de gesprekken die met vertegenwoordigers van bedrijven zijn gevoerd, zie bijlage 2.
  78
     TNO (2014).
  Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                                  37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>2011 verrichte 1,5 procent van de bijna 1,2 miljoen bedrijven in Nederland eigen R&D- activiteiten, voor het
overgrote deel ging het om mkb-bedrijven. Wel is het grootbedrijf oververtegenwoordigd als het gaat om de
uitgaven aan R&D. De 500 grote bedrijven waren samen goed voor 3,7 miljard euro aan R&D. De overige R&D-
uitgaven door bedrijven zijn afkomstig uit het mkb. In 2012 gaven zij samen 3,3 miljard euro uit aan R&D, 45
                                                            79
procent van de totale uitgaven aan R&D door bedrijven.
Nederlandse bedrijven geven steeds meer R&D-geld uit in het buitenland, met name aan development. Deze
werkzaamheden wordt veel uitgevoerd in landen met snelgroeiende economieën, veelal in Azië. Andersom
komen buitenlandse R&D-investeringen in Nederland minder voor. Voor hun research blijken bedrijven vooral
plekken te kiezen met een goede toegang tot onderscheidende kennisbronnen, getalenteerde onderzoekers en
mogelijkheden voor samenwerking in onderzoek. Nederland kan daar volgens het Rathenau Instituut zijn
voordeel mee doen in de internationale concurrentie om kennisinvesteringen door te zorgen voor een
                                      80
aantrekkelijke kennisinfrastructuur.
Uit de beschikbare literatuur blijkt echter dat het niveau van kennisabsorptievermogen niet alleen te verklaren is
uit investeringen in R&D. Er zijn sectoren waar veel kennis wordt geabsorbeerd, die weinig R&D-intensief zijn,
zoals de dienstensectoren en delen van de creatieve industrie. Ook kleinere mkb-bedrijven kunnen toch over een
goede kennisbasis beschikken. In sectoren zoals de hightechsector, waar veel aan R&D gedaan wordt en het
kennisabsorptievermogen dientengevolge groot is, zijn er daarnaast allerlei andere ingrediënten nodig voor
succesvolle innovatie, zoals ontwikkelvaardigheden, ondernemerschap en creativiteit. Dat geldt a fortiori
naarmate het gaat om meer radicale innovaties en in het geval het gaat om fundamenteel nieuwe markten en
businessmodellen. Onderzoek laat zien dat het opleidingsniveau en de vaardigheden (technische vaardigheden,
                                                                                                                  81
ondernemendheid, creativiteit) van de mensen die bij een bedrijf werken hiervoor sterk bepalend zijn (zie 2.1).
Een bedrijf heeft, om een kennisbasis op te bouwen en te onderhouden zonder R&D, dus nog altijd een bepaalde
financiële armslag nodig: om te investeren in goede mensen en in tijd en geld voor scholing en het onderhouden
van, en uitbreiden van, het netwerk. Voor kleinere bedrijven is dit vaak lastig.
Er zijn geen aanwijzingen dat de kennisbasis van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen structureel
tekortschiet. Wel is het waarschijnlijk dat kleinere bedrijven hier meer moeite mee hebben dan grotere. Ook
leunen veel bedrijven voor hun toegang tot nieuwe kennis meer dan voorheen op externe bronnen, vaak publieke
kennisinstellingen. Daarbij nemen ze meer deel aan publiekprivate samenwerkingsverbanden. Het grootbedrijf
bouwt innovaties veelal op kennis die buiten Nederland wordt ontwikkeld.
Kennisinstellingen: aandacht voor trans- en multidisciplinariteit neemt toe
Kennisontwikkeling in de wetenschap vindt van oudsher plaats binnen disciplines die zijn verdeeld in categorieën
als natuurwetenschappen, menswetenschappen en geesteswetenschappen. Ook de basisfinanciering van
onderzoek (eerste geldstroom en deel van de tweede geldstroom) komt langs disciplinegrenzen tot stand.
Wetenschap georganiseerd op discipline basis heeft in het verleden veel kennis opgeleverd en gezorgd voor een
                                                                         82
toename van de levensverwachting van mensen en van de welvaart.             Echter, complexe maatschappelijke
                                                                                        83
uitdagingen en systemen moeten vanuit meerdere disciplines tegelijk worden bezien.         Transities, veranderingen
en het oplossen van problemen vragen om het denken in termen van (maatschappelijke) systemen, om multi- en
transdisciplinaire samenwerking en om nieuwe allianties, ook met partijen buiten de wetenschap. Dit alles is in de
huidige internationaal gangbare disciplinaire inrichting van de wetenschap niet vanzelfsprekend. Wel wordt er,
ook in Nederland, al langer en op diverse plekken gewerkt aan verandering. Steeds vaker werken (jonge)
onderzoekers samen aan onderzoek, vanuit allerlei specialismen, met innovatieve onderzoeksopzetten en over
grenzen heen.
79
   CBS (2013a).
80
   Rathenau Instituut (2015b).
81
   Zahra, S.A. en George, G. (2002).
82
   KNAW (2013).
83
   KNAW (2011).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                    38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Andere kennisinstellingen, zoals de TO2-instellingen en onderzoeksinstituten zoals RIVM en KNMI, zijn rond
specifieke (praktijk)thema’s georganiseerd. Recentelijk zijn er stappen gezet om de TO2-instellingen onderling
meer in contact te brengen en te laten samenwerken. De TO2-federatie is opgezet om gezamenlijke doelen en
richtingen af te spreken. Met de totstandkoming van Deltares in 2008, door samenvoeging van verschillende
rijksdiensten, wetenschappelijke instituten en delen van TNO, is de stap gezet naar meer multidisciplinair werken.
Ook TNO is, mede als reactie op de bezuinigingen op de overheidsbekostiging, bezig de kennisbasis en
expertisegebieden te herzien en samen te voegen om de kennisbasis meer te richten op die (multidisciplinaire)
gebieden waar nu en in de toekomst de grootste impact kan worden bereikt. Ook op hogescholen is het
onderzoek thematisch georganiseerd, naar de beroepsgroepen en praktijkvragen die er in de praktijk bestaan.
2.2 Talent aantrekken en benutten
Organisaties en bedrijven zoeken goede kenniswerkers. Dat begint bij het aantrekken van talent (1). Vervolgens
is het van belang dit talent te benutten door mensen voldoende tijd en ruimte te geven (2), en faciliteiten te bieden
(3). Tot slot is er een balans nodig tussen het vasthouden en het verversen van de pool van kenniswerkers (4).
Hoe staan Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen er op elk van deze punten voor?
Ad 1: Binnenhalen talent
Bedrijven: aantrekken en overnemen
Door het aannemen van talent haalt een bedrijf een ‘pakket’ binnen van expliciete kennis, tacit knowledge en
vaardigheden, en breidt het tevens het netwerk uit. Onderdeel van het kennisabsorptievermogen van een bedrijf
is dan ook het vermogen om talent op te sporen en aan te trekken, en de financiële armslag om hoogopgeleid
talent aan zich te binden. Dat laatste is voor kleinere bedrijven vaak lastig. Voor deze bedrijven, en ook andere, is
het nuttig (soms broodnodig) onderdeel uit te maken van een ecosysteem waarin talent aanwezig is. Dat betekent
goede (samenwerkings)relaties met kennis- en onderwijsinstellingen.
Voor het grootbedrijf en het grote mkb is overname van (kleinere) bedrijven een veelgehanteerde strategie om
                                                84
talent en kennis binnen te halen.                   Grote bedrijven nemen ook startups over, in sommige gevallen zelfs wanneer
die uit henzelf zijn voortgekomen (spin-offs). De overname is dan vaak onderdeel van een bewuste strategie:
kennis wordt buiten het bedrijf ontwikkeld, in de verwachting dat dit beter of sneller tot innovatie leidt, en dan weer
geabsorbeerd.
Een bedrijfsovername is ingrijpender, kostbaarder en risicovoller dan het binnenhalen van één medewerker, en
mislukt vaak (cijfers lopen uiteen van 60 tot 85 procent van de gevallen). Overnames kunnen plaatsvinden met
als doel het marktaandeel te vergroten (meer producten en klanten) of met het oog op innovatie. Het gaat dan om
kennisintensieve bedrijven die kleinere bedrijven overnemen vanwege de collectieve kennis die daar is
opgebouwd, om het eigen innovatieve vermogen te versterken. Echter, in 60% van de gevallen zijn er hierbij
                                                   85
integratieproblemen na overname.                      Onderzoek naar de hightech sector laat zien dat een belangrijke faalfactor is
                                                                                                                              86
dat collectieve kennis en vaardigheden moeilijk overdraagbaar zijn naar het overnemende bedrijf.                                 Vaak legt het
overnemende bedrijf de nadruk op te sterke integratie in de bestaande organisatie en is er te weinig autonomie.
Zodoende veranderen de sociale structuur, routines en netwerk van het overgenomen bedrijf. Het resultaat kan
zijn dat het overgenomen bedrijf niet meer beschikt over de waardevolle capaciteiten waarvoor het juist werd
overgenomen. Bedrijven die succesvolle kennisintensieve overnames doen, zorgen er daarom soms bewust voor
dat de sociale structuur en routines van het overgenomen bedrijf intact blijven. Amiryani spreekt daarnaast over
grafting capacity: bedrijven dienen na de overname te investeren in activiteiten die interactie tussen medewerkers
(van het moederbedrijf en het overgenomen bedrijf) stimuleren, zoals werken in projecten en roulatie van
medewerkers. Naast bedrijfsovernames, zijn er strategieën om binnen een bedrijf bepaalde afdelingen of
84
   Zo besteedde Intel in 2000 $ 8 miljard aan overnames, twee keer het R&D-budget van het bedrijf. Bron: Amiryany, N. (2013).
85
   Puranam,P. et al. (2003)
86
   Amiryany, N. (2013)
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                             39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>programma’s vorm te geven van relatieve ’buitenstaanders’, met eigen omgangsregels en werkwijzen, die anders
zijn dan die van het moederbedrijf, om zo te proberen innovatie uit te lokken. Een voorbeeld is het GameChanger
programma van Shell.
Kennisinstellingen: sturen vanuit beschikbaar talent of inhoudelijke lijn?
Op universiteiten zijn decanen (hoofden van faculteiten) doorgaans verantwoordelijk voor het aannemen van
talent. Zij doen dat vaak op (gezamenlijk) voorstel van de wetenschappers die onderzoeksgroepen leiden. Deze
wetenschappers kijken in hun vakgebied en netwerk ‘wie beschikbaar is’, wie mogelijk geïnteresseerd is, et
cetera. Veel kennisinstellingen lijken zich bij de vervulling van vacatures minder te laten leiden door eigen
profielschetsen dan door de kansen die er zijn om erkend talent aan te trekken. Individuele topwetenschappers
nemen vaak enkele medewerkers en promovendi mee, ofwel worden gevolgd door collega’s. In een enkel geval
vertrekt een gehele onderzoeksgroep naar een andere universiteit.
Hogescholen maken een andere ontwikkeling door: naar organisatiestructuren (bijvoorbeeld bundeling in
expertisecentra) waarbij lectoraten in dienst van de strategie van de onderwijsinstellingen staan. Zo is de
inhoudelijke lijn geen individuele zaak van een lector, maar gebaseerd op afspraken tussen lectoren onderling en
met onderwijsdirecteuren. Inhoudelijke lijnen gaan dan niet verloren door vertrek van een individuele lector. De
TO2-instellingen, tot slot, zijn over het algemeen gesproken niet bezig met groei in personeel (door afgenomen
overheidsfinanciering), maar met het versterken van hun samenwerking met universiteiten, bedrijven, de overheid
                87
en elkaar.
Ad 2: Tijd en ruimte bieden
Bedrijven en kennisinstellingen: ruimte voor ondernemendheid
Voor innovatie is het van belang dat kenniswerkers handelingsruimte hebben. Zij moeten tijd, ruimte en
autonomie hebben om zijpaden in te slaan, schijnbaar overbodige en niet direct doelgerichte activiteiten te
verrichten, nieuwe kennis op te doen, dingen te ondernemen. Kenniswerkers zijn gebaat bij minder hiërarchie,
meer verantwoordelijkheid, en ruimte voor creativiteit en oplossingsgerichtheid (ook wel ´het nieuwe werken´
genoemd).
   Zelfstandigheid kenniswerkers bij Nedap en Green Peaks
   Van de medewerkers van Nedap (Nederlandse Apparatenfabriek), gevestigd te Groenlo, wordt verwacht dat ze
   zelfstandig nadenken en beslissingen nemen. En dat ze open staan voor discussie – dat is nodig voor de
   samenwerking. Het beleid is erop gericht iedereen gelijkwaardig te behandelen. Zo zijn er geen functienamen.
   Als er een belangrijk gesprek met een grote klant plaatsvindt, geven de ontwikkelaars zelf een presentatie.
   Alles staat in dienst van het proces achter het product.
   Ook Green Peaks (aanbieder van draadloze producten en technologie) leunt op zelfstandig opererende
   werknemers. Cees Links, ontwerper van de eerste draadloze netwerktechnologie (wifi) en oprichter van het
   bedrijf geeft aan dat innovatie om een minder ‘hands on’ managementstijl vraagt. Vroeger zou een directeur 90
   procent van de taken in zijn bedrijf ook zelf kunnen vervullen, nu is dat nog maar 10 procent.
   Bron: gesprekken voor dit advies, zie bijlage 2.
Concurrentie prikkelt bedrijven om innovatief te zijn. Tegelijkertijd maakt competitie, en het hoge tempo, het soms
lastig de neiging te weerstaan om vooral business as usual te doen. Bedrijven reserveren dan te weinig tijd en
geld voor het zoeken naar kennis buiten de gebaande paden, voor zaken die innovatie mogelijk maken. Ook de
87
   Blijkens de gesprekken die de AWTI voerde voor onder andere dit advies (zie bijlage 2).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                  40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>wetenschap kent geen lineair proces van vooruitgang. Een wetenschapper bewandelt zijpaden, leest een variëteit
aan literatuur en spreekt met een diversiteit aan mensen in binnen- en buitenland, voordat nieuwe ideeën voor
onderzoek en nieuwe kennis ontstaan.
Beschikken wetenschappers in Nederland over voldoende ruimte en autonomie? Dat hangt ervan af wie je het
vraagt. Veel wetenschappers ervaren een sterke druk om gebaande paden te volgen. Hun carrière hangt sterk af
van de mate waarin zij weten te publiceren in gerenommeerde tijdschriften. De kans op snelle publicatie neemt
meestal niet toe als er bestaande paradigma’s, theorieën of modellen ter discussie worden gesteld waardoor een
opzet niet direct past binnen de bestaande tijdschriften. Daarnaast zijn onderzoekers veel tijd en energie kwijt aan
het schrijven en indienen van aanvragen voor onderzoeksfinanciering, waarvan slechts een klein deel
gehonoreerd wordt. Deze context leidt ertoe dat wetenschappers soms geprikkeld worden de zijwegen en de
zoektocht naar echt nieuwe kennis te laten voor wat ze zijn. Dat betekent dat multidisciplinaire onderwerpen en
innovatieve maar tijdrovende aanpakken sneuvelen.
Ook op hogescholen speelt tijdgebrek een rol als het gaat om kennisabsorptie. Hogeschoolmedewerkers zijn het
grootse deel van hun tijd kwijt aan onderwijstaken. Slecht tien procent van de medewerkers is betrokken bij
                                                                         88
onderzoek, meer dan voorheen maar nog altijd te weinig.                     Onderzoekers bij TO2-instellingen kampen met
steeds lagere budgetten en de noodzaak zelf financiering binnen te halen. Dat prikkelt ze niet tot activiteiten om
kennis uit al afgerond onderzoek over te dragen, bijvoorbeeld aan het mkb (zie ook hoofdstuk 3).
Norm van halen en brengen
Er zijn zeker wetenschappers die tegen de prikkels in kiezen voor bredere kennisabsorptie (en disseminatie), ook
                                                                                        89
als ze daardoor de kans lopen minder goede publicatiescores te behalen.                    Zij besteden tijd aan
kennisuitwisseling (brengen én halen) met de praktijk (scholen, patiëntenverenigingen, advocaten), en
verwachten dat ook van hun aio’s en postdocs. Wetenschappers met een succesvolle carrière hebben hiervoor
de meeste ruimte. Ze hebben bijvoorbeeld een prijs gewonnen of zijn lid van de KNAW. Vaak geven ze aan dat
deze positie hen helpt om ‘tegen de prikkels in’ te bewegen. Ze bouwen daarbij aan een cultuur (in een faculteit,
op een kennisinstelling) van halen en brengen. Dat de norm is: onderzoekers helpen elkaar en zijn open over hun
kennis (ook al zijn ze in feite in competitie met elkaar). De norm is ook: de praktijk brengt wetenschappers nieuwe
kennis (als mensen deelnemen als respondent, informant, onderzoeksobject) en wetenschappers dienen daar
iets voor terug te geven. Ook al kost dit tijd die niet aan het eigen onderzoek kan worden besteed.
Ad 3: Onderzoeksbudgetten en faciliteiten
Toponderzoekers die overstappen naar een andere kennisinstelling of een bedrijf zijn vaak gemotiveerd door het
vooruitzicht van meer ruimte om hun eigen thema’s uit te werken en aldus hun vak beter uit te oefenen. Een
topwetenschapper die de belangstelling trekt van verschillende partijen moet vaak een aantrekkelijk bod worden
gedaan, veelal uitgedrukt in de omvang van het budget om een onderzoeksgroep op te bouwen. In
                                                                               90
bètatechnische richtingen kan dat oplopen tot enkele miljoenen.                   Andere factoren die de aantrekkingskracht van
een kennisinstelling bepalen, zijn de aanwezigheid van collega-onderzoekers (talent trekt talent), de
internationale reputatie van een instelling, en het ecosysteem waarin een kennisinstelling zich bevindt,
bijvoorbeeld het deel uitmaken van een regionale innovatie hotspot, de aanwezigheid van grote bedrijven in de
buurt.
Onderzoeksfaciliteiten en -budgetten van kennisinstellingen en bedrijven zijn een belangrijke ‘trekker’ van
                                    91
(inter)nationaal talent.               De aanwezigheid van grootschalige infrastructuur kan grote uitstralingseffecten hebben in
termen van innovatieve economische bedrijvigheid en spinoffs. Het kan gaan om kostbare laboratoria en
88
   AWTI (2014b); Vereniging Hogescholen (2016).
89
   Zie ter illustratie de interviews met wetenschappers in ZonMW (2015).
90
   Zie bijvoorbeeld Commissie Breimer (2015).
91
   AWT (2013b).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                              41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>apparaten, omvangrijke databanken en onderzoekscollecties van, of beheerd door, kennisinstellingen en
bedrijven.
   Gedeelde infrastructuur als bindmiddel
   Differ (Dutch Institute for Fundamental Energy Research) is opgericht in 2012 als uitbreiding van het eerdere
   FOM institute (NWO) voor plasma physics. Het plan voor het nieuwe instituut is mede tot stand gekomen via
   KIC InnoEnergy (onderdeel van het European Institute of Innovation and Technology – EIT). “Voor de TU/e is
   dit lab interessant voor verschillende onderzoekers en is geworden tot een samenbindend element in
   onderzoek op de grensvlakken van disciplines. Daar liggen de interessantste kansen, omdat je vooral daar veel
   van elkaar kunt leren”, aldus Jaap Schouten, decaan scheikundige technologie, TU/e.
De in 2015 opgerichte Permanente Commissie voor Grootschalige Wetenschappelijke Infrastructuur heeft de
opdracht een nationale strategie te formuleren voor investeringen in grootschalige wetenschappelijke
infrastructuren. De Permanente Commissie zal de voor Nederlandse onderzoekers beschikbare grootschalige
onderzoeksfaciliteiten (in binnen- en buitenland) in kaart brengen, inclusief de faciliteiten die beheerd worden
door de TO2-instellingen (zie kader) en de Rijksinstituten (zoals RIVM, KNMI). Daarna zal de commissie, najaar
2016, een advies opstellen over de vormgeving van een nieuwe Nationale roadmap voor grootschalige
                                      92
wetenschappelijke infrastructuren.
   Grootschalig onderzoeksinfrastructuur bij TO2-instellingen
                                                                                                       93
   Voor de TO2-instellingen is onlangs in kaart gebracht welke onderzoeksfaciliteiten zij beheren.        Daaruit blijkt
   dat zij circa zestig grote onderzoeksfaciliteiten ter beschikking hebben (onderzocht zijn faciliteiten met een
   initiële investeringsomvang van € 2 miljoen of meer). Met hun faciliteiten vormen zij een belangrijk onderdeel
   van de Nederlandse kennisinfrastructuur. Universiteiten en TO2-instellingen benutten en beheren sommige van
   deze faciliteiten samen.
Ad 4: Arbeidsmobiliteit: wisselen van baan, type organisatie, land
Op organisatieniveau betekent de arbeidsmobiliteit van kenniswerkers dat kennis zich periodiek ververst en dat er
steeds nieuwe, ook tacit, kennis binnenkomt. Kennis verdwijnt niet geheel met de vertrekkende medewerker, tacit
kennis wel. In gesprekken werd als keerzijde van arbeidsmobiliteit opgemerkt dat er in het bedrijfsleven soms wel
erg snelle wisselingen plaatsvinden. Dat maakt het lastiger voor een kennisinstelling om langdurige relaties op te
bouwen met een bedrijf.
Op het stelselniveau is er geen probleem met internationale arbeidsmobiliteit, tenzij er continu veel meer
kenniswerkers vertrekken dan erbij komen, in het algemeen of op bepaalde terreinen (zie hoofdstuk 3). Echter,
voor specifieke kennisinstellingen, wetenschapsgebieden of bedrijven kan het een hard gelag zijn een topper en
een boegbeeld kwijt te raken. Voor een kennisinstelling kan dit het verlies van (wetenschappelijk) aanzien op een
bepaald terrein betekenen, dat er minder makkelijk – op basis van reputatie – (onderzoek)subsidies
binnengehaald worden, en het verlies van een deel van het persoonlijk netwerk van de wetenschapper.
Een bestand aan gedeelde onderzoekers en kenniswerkers kan het absorptievermogen van een organisatie
verhogen. Dergelijke constructies bestaan volop, denk aan promovendi die een deel van hun tijd in bedrijven
onderzoek doen, deeltijdhoogleraren, lectoren en onderzoekers die door kennisinstellingen en industrie tezamen
bekostigd worden, et cetera. Onduidelijk is op welke plaatsen en in welke mate dergelijk gedeelde kenniswerkers
92
   Ministerie van OCW (2015).
93
   Ministerie van EZ (2015).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                        42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>voorkomen. Het vermoeden bestaat dat bijvoorbeeld deeltijdhoogleraren (deels in dienst bij een universiteit, deels
elders) meer voorkomen in de bètatechnische sector dan in andere wetenschapsgebieden; feiten hierover zijn
echter niet gevonden.
Scheiding van kenniscreatie en geld verdienen?
Onderzoekers stappen wel eens over naar het bedrijfsleven. Binnen sommige kennisinstellingen bestaat een
cultuur waarbij een dergelijke overstap prima is of wordt aangemoedigd. Bij andere kennisinstellingen, vooral
universiteiten, hangt daaraan volgens gesprekspartners soms een ‘zweem van verraad’: de gedachte dat iemand
                                                                                                                         94
zijn wetenschappelijke ambities heeft ingeruild voor een hoger salaris, is ‘gezwicht voor het grote geld’.                  Dit is
met name lastig voor individuen die in beide werelden blijven, door een positie als deeltijdhoogleraar of bijzonder
hoogleraar (gefinancierd door derde partijen). Zij ervaren dan dat zij door collega-hoogleraren niet voor vol
worden aangezien. Iemand heeft zijn leerstoel ‘gekocht’. Of, als hij echt goed was, zou er wel een ‘echte leerstoel’
zijn aangeboden. De beeldvorming hangt samen met wantrouwen over bepaalde industrieën (zoals de
farmaceutische) die er vooral op uit zouden zijn zoveel mogelijk geld te verdienen, met producten voortkomend uit
wetenschappelijk onderzoek. Ook is er in Nederland in achterliggende jaren veel gediscussieerd over de
(hoeveelheid en soort) nevenfuncties die bestuurders, topambtenaren, politici en wetenschappers al of niet
(mogen) vervullen. Vaak aan de hand van concrete gevallen waarin sprake bleek van belangenverstrengeling.
Om transparantie te waarborgen, is regelgeving doorgevoerd waarbij personen hun nevenfuncties openbaar
moeten maken en zijn de regels aangescherpt. Transparantie is nodig, maar de regels veroorzaken wel een
hogere drempel voor samenwerking tussen bedrijven in bepaalde sectoren en kennisinstellingen. Natuurlijk zijn er
voorbeelden van onethisch handelen. Tegelijkertijd geven medische wetenschappers aan dat de medicijnen die
op basis van fundamenteel onderzoek tot stand komen zonder farmaceutische bedrijven niet doorontwikkeld en
op de markt gebracht kunnen worden.
2.3 Cultuur van netwerken, samenwerking, ondernemendheid
In netwerken en samenwerking tussen organisaties wordt kennis opgebouwd. Via ondernemerschap en een
ondernemende houding van medewerkers (intrapreneurship) wordt deze kennis vertaald en benut. Grote
bedrijven werken uitgebreid samen, in verschillende constellaties en constructies, op diverse thema’s en op
verschillende manieren, met elkaar en met publieke kennisinstellingen, in Nederland en internationaal. Het draait
daarbij in feite steeds om leren in communities of practice, waarin kennis in een gemeenschappelijke praktijk
                                                                         95
wordt opgezocht, gecreëerd, ingekleurd en uitgewerkt.                       Uit diverse onderzoeken blijkt dat de meerderheid van
mkb-bedrijven niet of nauwelijks samenwerkt met publieke kennisinstellingen. Van de innovatieve mkb-
                                                                                                                            96
ondernemingen met 50-249 medewerkers werkt slechts 13,6% samen met universiteiten of hogescholen.                              In
andere landen ligt dit percentage beduidend hoger. En dat terwijl bedrijven die nauw samenwerken met
                                                                   97
kennisinstellingen vaker innovaties realiseren.
Het landschap van samenwerking in Nederland is in de afgelopen decennia sterk veranderd. Er zijn vier
ontwikkelingen:
1    Open innovation, shared innovation, pps. Bedrijven zijn (mondiaal) vanaf de jaren negentig geleidelijk
     overgeschakeld van een werkwijze vooral gebaseerd op R&D in eigen huis naar een model van meer open
     innovatie, in de praktijk vooral shared innovation. Dit betekent dat bedrijven kennis creëren en innovaties
     ontwikkelen met elkaar (veelal toeleveranciers) en met kennisinstellingen. Daarmee zijn bedrijven, zeker in
     hightech sectoren, steeds afhankelijker van samenwerking in de keten en van de innovatie-inspanningen van
     andere bedrijven (zie kader).
94
   Blijkens gesprekken met verschillende wetenschappers (zie bijlage 2).
95
   Brown, J.S. en Duguid, P. (2000).
96
   AWTI (2015b). Gegevens komen van Eurostat.
97
   Ministerie van Economische zaken (2015b).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                    43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>   Samenwerking ASML – Carl Zeiss
   ASML werkt sinds het ontstaan in 1984 (uit ASM International en Philips) samen met Carl Zeiss, een
   belangrijke toeleverancier. In 1993 werd er een strategisch en exclusief partnerschap ondertekend. In een
   interview met Hermann Gerlinger, Zeiss bestuursvoorzitter, uit 2009 benadrukt hij het grote belang van
   kennisuitwisseling: “Er is geen dag dat er geen Zeiss-researcher bij ASML is of omgekeerd. Ons succes is te
   danken aan het feit dat je elkaar moet kunnen vertrouwen omdat je op elkaar aangewezen bent. We kunnen
   allebei niet zeggen: ik zoek wel een ander meisje om verkering mee te krijgen, want er is er maar een.”
   Martin van den Brink, directeur en CTO, geeft aan dat ASML naast eigen kennisontwikkeling, kennis van
   andere vakgebieden van buiten haalt, bijvoorbeeld op het gebied van auto’s en water. ASML werkt hiertoe
   samen met Zeiss, heeft Cymer overgenomen en werkt met TNO samen.
   Bron: gesprek met Martin van den Brink en Bart Noorda (Hoofd Research). Citaat Gerlinger komt
   uit:http://www.ed.nl/economie/asml/asml-25-jaar-wij-leveren-de-motor-in-de-racewagen-1.2182662.
Samenwerking gebeurt steeds vaker in publiekprivate samenwerkingsverbanden (pps), waaraan
kennisinstellingen, bedrijven en maatschappelijke organisaties deelnemen. Deze partners vestigen zich vaak in
regionale hotspots voor innovatie (clusters van bedrijven en kennisinstellingen), waar zij een netwerk vormen
gericht op kennisproductie en (open) innovatie. De belangrijkste bijdrage van een hotspot aan het
kennisabsorptievermogen komt voort uit de fysieke nabijheid en de onderlinge relaties tussen kennisinstellingen
en bedrijven. Hierdoor is er een continue, veelal informele en ongerichte stroom van kennis over ontwikkelingen,
nieuwe vindingen, marktkansen en mislukkingen, als voedingsbodem voor innovatie. De hotspots in Nederland
                                                                              98
zijn relatief kleinschalig, met Brainport Eindhoven als de meest omvangrijke.
   Samenwerking in NanoNextNL en NanoLabNL
   Op nanogebied is het afgelopen decennium een intensieve samenwerking tot stand gebracht tussen diverse
   publieke en private partijen, die samen nieuwe kennis vertalen in innovatieve toepassingen. Door NanoNextNL
   en NanoLabNL te ondersteunen, heeft de Nederlandse overheid een stevige impuls gegeven aan versterking
   van het kennisabsorptievermogen van het bedrijfsleven, met name van het mkb.
   NanoNextNL is een consortium waarin bijna alle Nederlandse universiteiten en academische medische centra,
   en een reeks van andere onderzoeksinstituten, samenwerken met ruim honderd bedrijven. Er zijn ongeveer
   750 onderzoekers bij betrokken. Het consortium heeft een looptijd van vijf jaar, tot eind 2016, en een budget
   van in totaal 250 miljoen euro, waarvan de helft door de partners en de helft door de overheid is ingebracht.
   Binnen NanoNextNL werken onderzoekers aan vraagstukken die toepassingen vinden in de productie en het
   gebruik van energie, in de geneeskunde (nanomedicine), in de productie van schoon water en de productie en
   de behandeling van voedsel.
   NanoLabNL is de Nederlandse nationale onderzoeksfaciliteit voor nanotechnologisch onderzoek, met
   vestigingen in Delft, Eindhoven, Twente en Groningen. Het is een open access faciliteit, ten dienste van zowel
   academisch onderzoek als bedrijfs-R&D.
98
   AWTI (2014b).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                  44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>2   Het UMC-model. Nederland heeft acht UMC’s, die rond de eeuwwisseling zijn ontstaan uit fusies van
    academische ziekenhuizen en de medische faculteiten van universiteiten. Het internationale succes van het
    wetenschapsgebied medicijnen is voor een belangrijk deel te verklaren uit deze nieuwe organisatievorm,
    waarbij universiteiten en ziekenhuizen samen gehuisvest zijn en samenwerken in één organisatie. Praktijk en
    onderzoek vinden dicht bij elkaar plaats, met lage drempels voor de implementatie van vernieuwingen. Andere
    landen beschouwen het Nederlandse model als een goed voorbeeld.
3   Samenwerking rond maatschappelijke thema’s. Er wordt de afgelopen jaren druk geëxperimenteerd met
    nieuwe samenwerkingsvormen rond maatschappelijke thema’s, zoals living labs, social labs en academische
    werkplaatsen. Hierbij staat kennis cocreatie centraal: het samen met toekomstige benutters van producten en
    diensten ontwikkelen van kennis (zie kader).
  Living Lab voor Zorginnovaties (LLvZ)
  LLvZ is een publiekprivaat samenwerkingsverband tussen maatschappelijke ondernemers, bedrijven,
  kennisinstellingen en financiers (gemeenten, Provincie Zuid-Holland, Ministerie van Economische Zaken). In
  LLvZ werken deze met eindgebruikers samen aan het in de markt zetten van succesvolle, vernieuwende
  producten en diensten die ervoor zorgen dat ouderen en mensen met beperkingen langer zelfstandig kunnen
  wonen.
  De samenwerking begint met een vraag of probleem vanuit zorg, wonen of welzijn. Volgens een
  trechtermethode selecteren en verrijken de partners een nieuw concept. Vervolgens wordt dit concept verder
  ontwikkeld, getest, gedemonstreerd en gevalideerd in Living Labs, waar experts en gebruikers feedback
  leveren. Tegelijkertijd werkt men via concrete (maatschappelijke) business cases aan nieuwe business
  activiteiten en verdienmodellen, waarvoor ondersteuning wordt gezocht.
4   Europese ecosysteem voor samenwerking onderzoekers en bedrijven (EIT) De Europese commissie
    ontwikkelt ecosystemen gericht op de totstandbrenging van samenwerking rond gezamenlijke thema’s (zie
    kader).
  European Institute of Innovation and Technology (EIT en KIC’s)
  Europa kan bogen op excellent onderzoek en onderwijs, een geïntegreerde markt en ambitieuze ondernemers
  (grote en kleinere bedrijven). Het EIT is opgericht als ecosysteem die de verschillende partijen hierbinnen
  (kennisinstellingen, onderwijsinstellingen, grotere en mkb-bedrijven) bij elkaar brengt met als doel een bijdrage
  te leveren aan concurrentiekracht en duurzame groei. Het EIT is een vehikel voor samenwerking ten behoeve
  van innovatie: van idee tot product, van laboratorium tot de markt en van student tot ondernemer.
  Binnen het EIT hebben de KICs (Knowledge and Innovation Communities) de opdracht deze innovatieve
  ecosystemen daadwerkelijk vorm te geven. In 2010 zijn er drie KICs van start gegaan (Climate-KIC, EIT Digital,
  KIC InnoEnnergy). In 2014 kwamen er twee bij (EIT Health, EIT Raw Materials), in 2016 zullen het er samen
  zeven zijn en in 2018 acht. Met de KICs ontwikkelt het EIT innovatiegemeenschappen en koppelt daaraan
  programma’s op het gebied van onderwijs, ondernemerschap en kennisverspreiding.
  Tot dusver (maart 2016) zijn bij het EIT meer dan 800 partners betrokken geweest, waarvan vele mkb-
  bedrijven, heeft het EIT 903 business ideas opgeleverd en 181 innovatieve start-ups voortgebracht. Er zijn 478
  knowledge transfers and adoptions geweest, 142 nieuwe producten en diensten in de markt gezet en 486
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                  45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   studenten van een EIT degree program afgestudeerd. Het EIT ontvangt een budget van ruim 2,4 miljard euro uit
   Horizon 2020.
   Bron: http://eit.europa.eu/eit-community-at-a-glance#slide_1368
5      Internationale en trans- of multidisciplinaire samenwerking in de wetenschap. In de Nederlandse
       wetenschap wordt veel internationaal samengewerkt. Kennisinstellingen gaan samenwerkingsverbanden
       aan in het buitenland, wetenschappers publiceren samen over grenzen heen. Ook samenwerking over
       disciplinaire grenzen, of boven deze grenzen uit (transdisciplinair)heen komt in de Nederlandse wetenschap
       steeds beter van de grond.
Ondernemendheid en ondernemerschap
Nederland kan het wat ondernemerschap en ondernemendheid betreft beter doen, aldus het World Economic
          99
Forum.       De neiging tot risicovermijding en de sterke focus op baanzekerheid komen het ondernemerschap in
Nederland niet ten goede. Op bijna alle dimensies van ondernemerschap scoort Nederland lager dan gemiddeld.
Zo start een relatief laag percentage (8 procent) van de Nederlandse beroepbevolking een eigen onderneming
(internationale gemiddelde is 10 procent). En startende ondernemers hebben vaak minder hoge groeiambities
dan die in andere landen. Binnen grote bedrijven stellen medewerkers zich over het algemeen gesproken nog
weinig ondernemend op (weinig intrapeneurship). Vaste medewerkers van bedrijven in de Scandinavische landen
hebben veel meer ruimte voor ondernemerschap en worden meer aangespoord tot ondernemende initiatieven
dan medewerkers van bedrijven in Nederland.
Er zijn natuurlijk goede voorbeelden. Wetenschappers, vaak in de medische of technische sector, richten
bedrijven op, al of niet met behulp van financiering en steun vanuit de universiteiten, het ministerie van EZ, et
cetera. En andersom zijn er entrepreneurs die via een positie als deeltijdhoogleraar hun kennis overdragen naar
de wetenschappelijke wereld. Verschillende universiteiten hebben infrastructuur ontwikkeld, gericht op het
steunen van wetenschappers die goede ideeën naar de markt willen brengen, van transfer offices tot en met
volledige campussen.
   Wetenschapper en ondernemer tegelijk
   John Kastelein (hoogleraar AMC) is een goed voorbeeld van een succesvolle wetenschapper en entrepreneur.
   Twee door hem opgerichte bedrijven zijn nu aan de Nasdaq genoteerd en een bedrijf dat hij samen met
   anderen oprichtte, Dezima Pharma, is onlangs voor veel geld verkocht aan Amgen.
   Kastelein ziet de volgende succesfactoren: bereid zijn alles op alles te zetten om het bedrijf succesvol te
   maken, zoeken naar de juiste mensen en investeerders om het mee samen te doen, een club bouwen die
   zakelijke belangen hoog in het vaandel heeft, met zakenmensen die zich elders hebben bewezen. “Wat je niet
   moet doen: enkel wetenschappers bij elkaar zetten zonder goed management team. Je moet de
   wetenschappers de leiding uit handen nemen, wat soms lastig is.” Verder is de huidige startsubsidie van het
   ministerie van EZ volgens Kastelein “een fantastische kickstart geweest, en onontbeerlijk voor het snelle
   succes van Dezima Pharma.”
99
   World Economic Forum (2015).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                   46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>2.4 Tot slot: het belang van échte samenwerking
Bedrijven onderstrepen het belang van ‘echte samenwerking’ veelvuldig. Dat wil zeggen: samenwerking op basis
van fysieke nabijheid, betrokkenheid, echt bij elkaar komen en samen ergens aan werken (1), en het opbouwen
van persoonlijke, langdurige contacten (2).
Ad 1: Fysieke nabijheid
Ondanks de toegenomen virtuele mogelijkheden is voldoende direct contact tussen samenwerkingspartners nog
altijd van immens belang. Het belangrijkste voordeel is de onderlinge uitwisseling van kennis, ook (nog) niet
opgeschreven kennis en tacit kennis. Zo leren medewerkers van bedrijven over toepassingsmogelijkheden van
kennis, niet alleen via publicaties, maar ook via rechtstreekse contacten met wetenschappers. Fysieke nabijheid,
bij elkaar over de vloer komen, is hiervoor een vereiste. Daarbij zijn ‘gedeelde carrièrepaden’ waardevol (zie
           100
kader).        Het initiatief hiertoe hoeft echter niet perse bij de overheid te liggen, ook bedrijven kunnen gedeelde
carrièrepaden voor onderzoekers ontwikkelen.
    ASML: werken in teams van kenniswerkers
    “Collectief denken is nodig voor innovatie”, aldus Martin van den Brink, CTO van ASML – marktleider op het
    gebied van machines voor de halfgeleiderindustrie. Dat betekent samenwerking op de werkvloer. Maar:
    “Universiteiten rekenen onderzoekers af op publicaties. Samenwerking met het bedrijfsleven is dan niet altijd de
    juiste stap voor hun wetenschappelijke carrière. Terwijl voor ASML werken in teams van waarde is. Het zou
    voor ASML heel waardevol zijn als er voor onderzoekers een carrièrepad mogelijk zou zijn, waarbij zij deels
    binnen de muren van de universiteit en deels binnen de muren van het bedrijfsleven werken.”
Ad 2: Bouwen aan een vertrouwensband
Voor echte samenwerking is intensieve interactie nodig. Dat vergt een open houding, de bereidheid om
vertrouwde paden te verlaten en nieuwe dingen te leren. Degelijke samenwerking komt pas echt van de grond als
er een stevige vertrouwensband is opgebouwd tussen de samenwerkende partners, aldus diverse
gesprekspartners (zie bijlage 3). Zo gaat het bijvoorbeeld in projecten van de Stichting Technische
Wetenschappen (STW), aldus voormalig directeur Eppo Bruins, om het bouwen van vertrouwensrelaties in
relatief kleine groepen. Bedrijven zitten erbij om te leren, voor het netwerk, om bij te blijven en/of een
promovendus aan het werk te zien. En ook vanuit kennisinstellingen komt het belang van langdurige
vertrouwensrelaties naar voren (zie kader).
    Jarenlange connecties nodig
    Jaap Schouten, decaan TU Eindhoven: “Kennisabsorptie komt tot stand door jarenlange connecties, relaties
    met bedrijven, persoonlijke contacten, regelmatig bij elkaar over de vloer komen. Ook vroegere promovendi
    zitten op een gegeven moment op belangrijke posities in bedrijven. Als je jarenlang goede mensen aflevert
    bouw je vertrouwen op, bedrijven zijn afhankelijk van deze nieuwe talenten. Essentieel is dat je elkaar goed
    kent en gemakkelijk weet te vinden”.
100
    AWTI (2014b).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                        47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>                                                                                                                  3
3 Het Nederlandse kennis- en innovatiesysteem
  Nederland heeft een nationaal kennis- en innovatiesysteem (NKIS) dat kenmerkend is voor middelgrote,
  ontwikkelde economieën. Het bestaat uit bedrijven, universiteiten, hogescholen, NWO- en KNAW-
  onderzoeksinstituten, ROC’s, intermediaire kennisinstellingen (waaronder TO2-instellingen), andere publieke en
  private onderzoeksinstituten, opleidingsinstituten en adviesbureaus en dergelijke. Voor de governance van dit
  systeem zijn allerhande constructies en instituties in het leven geroepen als topteams, TKI’s, publieke
  uitvoeringsorganisaties als RVO en NWO, controlerende instanties als de NVAO, brancheorganisaties en
  belangenvertegenwoordigers als VNO-NCW, MKB Nederland, KNAW en VSNU.
  Het hiernavolgende gaat kort in op opvallende punten aangaande het Nederlandse NKIS die bepalend zijn voor
  de sterkte van het kennisabsorptievermogen van dit systeem:
  1      Een onderwijsstelsel dat de internationale competitie aankan en toegankelijk is; voldoende (mogelijkheden
         voor) bijscholing nadien;
  2      Een sterk wetenschapsstelsel, een hoogvlakte met pieken; ruimte voor de samenleving om mee te denken
         over de wetenschap;
  3      Een sterke en diverse economische sectorstructuur; een goed vestigingsklimaat voor bedrijven, voldoende
         investeringen in onderzoek door bedrijven;
  4      Aantrekkelijk klimaat voor talentvolle kenniswerkers;
  5      Infrastructuur en prikkels om kennis om te zetten naar benutting in economie en maatschappij.
  Hoe staat Nederland ervoor op genoemde terreinen?
  3.1 Onderwijsstelsel: goede resultaten, aandacht voor skills nodig
  Het Nederlandse onderwijs presteert op allerlei indicatoren bovengemiddeld in vergelijking met andere Europese
  landen en legt daarmee een stevige basis voor het kennisabsorptievermogen van onze samenleving en
                  101
  economie.           Met een gemiddelde financiële inzet (in vergelijking met andere Europese landen) levert het
                                              102
  onderwijs bovengemiddelde prestaties.           Er is veel aandacht voor zelfstandig leren. Steeds meer mensen zijn
  hoger opgeleid en de kwaliteit van de scholen is, op een enkele uitzondering na, in orde.
  De bacheloropleidingen in het publiek bekostigd hoger onderwijs zijn toegankelijk voor eenieder met de juiste
  kwalificaties. Universiteiten hebben wel meer ruimte gekregen voor selectie aan de poort. Selecteren mag bij
  University Colleges, honours programs, kunstopleidingen, opleidingen die de NVAO als ‘excellent’ beoordeeld
  heeft en alle masteropleidingen. Daarnaast wordt de loting bij opleidingen met een numerus fixus per collegejaar
  2017-2018 afgeschaft. Dat betekent dat deze opleidingen voortaan zelf selecteren. Deze ontwikkelingen kunnen
  de toegankelijk van het hoger onderwijs op termijn beïnvloeden. Daarnaast is in het systeem van
  studiefinanciering via een basisbeurs voor iedereen per september 2015 vervangen door een leenstelsel (een
  lening tegen ‘zachte’ voorwaarden). De effecten hiervan op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs, met
  name voor studenten uit lagere sociaaleconomische milieus, zijn nog onbekend.
  Er zijn grote stappen gemaakt in het wegwerken van tekorten in bèta- en technisch onderwijs. Wel moet gewaakt
                                                                 st
  worden dat Nederland niet achterblijft als het gaat om 21 century skills. Dat vraagt om onderwijsvernieuwing en
  voldoende learning on the job. SCP-onderzoek laat zien dat bedrijven in recente jaren minder tijd en geld
                                                          103
  besteden aan personeelsbeleid, inclusief scholing.
  101
      OECD (2015).
  102
      Onderwijsraad (2013); OESO (2015).
  103
      SCP (2015).
  Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                    48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>3.2 Wetenschapsstelsel: een hoogvlakte met pieken
Nederland behoort tot de internationale top wat de kwaliteit en impact van universitair onderzoek betreft. Er is
sprake van een open, excellent en aantrekkelijk wetenschapssysteem, ook in vergelijking met andere Europese
           104
landen.        Hogescholen weten hierin hun onderzoekspositie steeds beter te vinden, lokaal, regionaal en nationaal
                                                                                105
in relatie tot bijvoorbeeld het mkb, maar ook internationaal.                        Daarnaast beschikt Nederland over een reeks
andere, publieke en privaat gefinancierde, onderzoeksinstanties.
Het Nederlandse wetenschapslandschap is te vergelijken met een hoogvlakte met pieken. De hoogvlakte bestaat
uit het gehele veld van wetenschap, dat naar internationale maatstaven bovengemiddeld presteert (en dus een
hoogvlakte is). De pieken (enkele tientallen) worden gevormd door de wetenschapsgroepen die hier bovenuit
steken, die excellent en baanbrekend onderzoek verrichten. De pieken bepalen de aantrekkingskracht van
Nederlandse kennisinstellingen op de mondiale markt voor onderzoekstalent. Het vermogen om mee te draaien
aan de grenzen van de wetenschap en om grensverleggende kennis van elders te absorberen, is gevestigd in de
pieken. Pieken en hoogvlakte zijn complementair. Een wetenschappelijke piek wordt gevoed vanuit de
                                                                                                                              106
hoogvlakte. De hoogvlakte is van belang voor het kennisabsorptievermogen van de pieken.
Waken voor hiaten in kennis en bescherming van fundamenteel onderzoek
Kennisinstellingen specialiseren zich steeds sterker. De overheid voert beleid gericht op specialisatie en
profilering. De voordelen zijn evident: door het gericht inzetten van middelen en inspanningen worden de pieken
mogelijk gemaakt. Echter, het kiezen voor pieken impliceert het, tot op zekere hoogte, accepteren van dalen.
Specifieke wetenschapsgebieden kunnen op zeker moment hiaten vertonen volgens deskundigen (zie kader over
kennis van Rusland) of zelf, in termen van de KNAW, ‘witte vlekken’ worden. Het risico bestaat in dat geval dat
Nederland op een bepaald moment niet langer in staat is om zich vlot aan te sluiten bij de mondiale top. Dat kan
gebeuren als in de hoogvlakte onvoldoende talent en kennis aanwezig is op een bepaald terrein. Volgens de
                                                                  107
KNAW zijn deze witte vlekken er nu echter niet.                       Wel zijn er ‘signaalgebieden’ die extra aandacht behoeven
                                                                                                     108
zoals wiskunde, plantkunde, geesteswetenschappen en Nederlands recht.                                     Dat er dergelijke hiaten in het
wetenschappelijk specialisatiepatroon zitten, is onvermijdelijk voor een klein land als Nederland, en is niet altijd
een probleem. Opmerkzaamheid is geboden als er hiaten ontstaan in kennis dat niet uit het buitenland te halen is
(Nederlands recht), of wanneer de verdwijnende discipline aan de basis staat van andere vakgebieden (bepaalde
richtingen in de wiskunde).
Heeft het Nederlandse wetenschapssysteem voldoende kennisabsorptievermogen – is de hoogvlakte voldoende
                                                                                                                                                       109
breed en flexibel, zodat mogelijke hiaten opgevangen kunnen worden? De AWTI heeft eerder gesteld van wel.
Het is vooral een taak van veld zelf, de wetenschappers en kennisinstellingen, om te monitoren of witte vlekken
ontstaan en hierop te reageren. De nationale wetenschapsagenda kan hierin een belangrijke rol vervullen.
Daarnaast is het van groot belang te zorgen voor voldoende ruimte voor (inhoudelijk ongebonden en)
fundamenteel onderzoek.
104
    European Commission (2014).
105
    AWTI (2014b).
106
    AWTI (2014a).
107
    KNAW (2015).
108
    De KNAW trekt deze conclusie uit enquêteonderzoek onder decanen en KNAW-leden De minister van OCW volgt deze conclusies (Ministerie van OCW 2016).
109
    AWTI (2014a).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                        49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>    Gebrek aan kennis van Rusland?
    Nederland kent nog maar twee volwaardige vakgroepen Russisch en er is nog maar één hoogleraar Russische
    taal- en letterkunde volgens dr. Scheijen, slavist verbonden aan de Universiteit Leiden. Over vijf jaar, denkt hij,
    worden deze vakgroepen wellicht ook geabsorbeerd door brede studies als International relations of Eurasian
    studies. Hierdoor is er te weinig kennis om het huidige Rusland te doorgronden. Ook op ministeries,
    ambassades en bij kranten zijn steeds minder Russisch-sprekenden en kenners van Rusland.
    Bron Volkskrant, 3 april 2014’, Opiniestuk Dr. Scheijen, Universiteit Leiden: ‘Gebrek aan kennis nekt ons nu
    inzake Rusland’.
Meedenkende maatschappij
Tegenwoordig zoeken beleidsmakers manieren om partijen buiten de wetenschap expliciet te betrekken bij het
wetenschappelijk onderzoek. In Nederland is dat recent gebeurd via het opstellen van een Nationale
Wetenschapsagenda (NWA) op basis van publieksvragen en met medewerking van de wetenschap. In
bijvoorbeeld Frankrijk wordt hieraan op een andere manier vormgegeven (zie kader).
    Frankrijk: cocreatie wetenschapsvragen door onderzoekers en maatschappij
    Het Franse programma Nouveaux Commanditaires – Sciences heeft, net als onze wetenschapsagenda, tot
    einddoel de maatschappelijke relevantie van wetenschap te versterken. De aanpak is echter anders. Het
    programma beoogt gemeenschappen van mensen buiten de wetenschap (zoals scholen) te stimuleren en
    ondersteunen bij het samen met wetenschappers formuleren van onderzoeksvragen. In twee tot drie jaar tijd
    worden onderzoeksmethodologieën gezamenlijk ontworpen, en soms nemen niet-wetenschappers ook deel
    aan het analyseren en creëren van onderzoeksresultaten.
    Het doel van de Franse aanpak is de totstandkoming van gedeelde vragen en een gezamenlijke verkenning
    van het onbekende. Dat is anders dan de Nederlandse NWA, dat de vragen van partijen buiten de wetenschap
    heeft geïnventariseerd en gegroepeerd, en de agenda van de kennisinstellingen daarop wil afstemmen.
3.3 Economische structuur, vestigingsklimaat en R&D
Met negen topsectoren en in totaal 82 bedrijfssectoren (indeling CBS) heeft Nederland een diverse economische
structuur. De topsectorenaanpak in het bedrijvenbeleid is succesvol als het gaat om de publiekprivate
samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen en de gezamenlijke aanpak ten aanzien van
internationalisering, human capital en wet- en regelgeving. Voor een excellent kennisabsorptievermogen is echter
ook vereist dat kennis en competenties over de grenzen van sectoren heen worden uitgewisseld en benut. Het
huidige beleidsinstrumentarium biedt formeel de ruimte voor crossovers, maar dit is in de praktijk lastig.
Crossovers met bedrijven buiten de topsectoren zijn nog weer wat lastiger. Bovendien is het instrumentarium
                                                                                                        110
vooral gericht op productie van nieuwe kennis en veel minder op disseminatie van kennis (zie 3.4).
Voor het behoud van een sterke economische structuur zijn voldoende publieke en private investeringen in R&D
en innovatie van groot belang. De overheidsambitie voor 2020 is om 2,5 procent van het BBP aan R&D uit te
geven, maar het is de vraag of dat gehaald zal worden. Het Rathenau Instituut laat zien dat de
overheidsbudgetten voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie de komende jaren eerder zullen dalen dan
110
    AWTI (2015a).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                     50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>             111
stijgen.         Een wereldwijde ontwikkeling is dat bedrijven vaak niet meer zelf investeren in fundamenteel
                                                                                                             112
onderzoek, maar hiervoor samenwerking zoeken met kennisinstellingen.
3.4 Aantrekkelijk klimaat bieden voor kenniswerkers en bedrijven
Uitwisseling tussen kennisinstellingen en bedrijfsleven
Het Nederlandse kennisabsorptievermogen is gebaat bij veel uitwisseling van kenniswerkers tussen bedrijven en
kennisinstellingen. Dergelijke uitwisselingen komen regelmatig voor. De overstap van wetenschap naar
bedrijfsleven lijkt even vaak voor te komen als andersom (zie kader). Het is waarschijnlijk dat de mate van
overstap sterk verschilt per sector. Wetenschappers en ondernemers in de bètatechnische en medische hoek
hebben bijvoorbeeld vaker onderlinge contacten, waaruit overstappen kunnen voortkomen, dan veel (niet alle)
alfa- en gammawetenschapsgebieden. Feitelijke gegevens hierover zijn helaas niet voorhanden.
    Rathenau-onderzoek naar uitwisseling wetenschap – bedrijfsleven
    Het Rathenau Instituut heeft in 2013 laten zien dat de Nederlandse academische arbeidsmarkt een opener
                                                                 113
    systeem is dan wel wordt aangenomen.                             Gemiddeld wisselt per jaar ongeveer 32 procent van de postdocs en
    docenten, 15 procent van de universitair docenten, 14 procent van de universitair hoofddocenten en 10 procent
    van de hoogleraren van functie. Vooral aan de basis, bij promovendi, postdocs en docenten is er veel
    beweging, hetgeen samenhangt met de vele tijdelijke aanstellingen in deze laag.
    Het Rathenau-onderzoek geeft ook inzicht in de uitwisseling tussen de drie belangrijkste wetenschappelijke
    functies en het bedrijfsleven:
    1        Er vertrekken evenveel universitaire docenten (UD’s) naar het bedrijfsleven als dat er nieuwe UD’s de
             universiteit instromen vanuit het bedrijfsleven, namelijk 14 procent van het totaal (ongeveer 105 personen
             van de in totaal 750 nieuwe UD’s per jaar).
    2        Van de universitaire hoofddocenten (UHD’s) die de universiteit vertalen gaat naar schatting de helft naar
                                                                         114
             het bedrijfsleven, in of buiten Nederland.                       Van de jaarlijks nieuw aangestelde UHD’s (300) komt 18
             procent (rond 54 personen) van buiten de universiteiten, naar schatting de helft daarvan vanuit het
                                 115
             bedrijfsleven.
    3        Er worden jaarlijks 300 nieuwe hoogleraren aangesteld, waarvan 120 van buiten de universiteit. Daarvan
                                                                                116
             komen er 24 (8 procent) uit het bedrijfsleven.                         Van de vertrekkende hoogleraren gaan er 30 (10 procent)
             naar het bedrijfsleven.
Jong talent komt nog graag werken bij een universiteit, maar mid-career kiezen velen ervoor om over te stappen
naar elders. Ook dit lijkt met name te spelen (ook hier zijn geen feitelijke gegevens beschikbaar) in
wetenschapsgebieden die een nauwe relatie hebben met het bedrijfsleven (technisch, medisch). Daarin is wel
wat veranderd in de afgelopen decennia volgens Jaap Schouten, decaan faculteit scheikundige technologie, TU
Eindhoven: “Een generatie geleden maakten veel hoogleraren eerst carrière in de industrie (meestal binnen de
R&D) en stapten daarna over (naar een TU) vanwege wetenschappelijke ambities. Bedrijven hebben hun R&D-
afdelingen echter sterk ingekrompen of zelfs afgestoten, dus het type onderzoekers dat de overstap naar de
wetenschap wil maken werkt daar niet meer. Dit wordt enigszins opgevangen door het aanstellen van
111
    Totale investeringen in Wetenschap en Innovatie (TWIN 2013-2019).
112
    Bijvoorbeeld https://www.timeshighereducation.com/news/carnegie-mellon-university-president-subra-suresh-industry-is-failing-to-fund-basic-research
113
    Rathenau Instituut (2013).
114
    Dit is een eigen schatting die ervan uitgaat dat een even groot percentage UHD’s en UD’s (waarvoor gegevens bekend zijn) naar het bedrijfsleven gaat (de overigen
    stappen over naar de publieke sector). Dat zou betekenen dat iets minder dan de helft van de 90 UHD’s die jaarlijks naar een positie buiten een universiteit vertrekken,
    overstapt naar het bedrijfsleven.
115
    Ook dit is een eigen schatting, gebaseerd op het feit dat een deel van de nieuwe hoogleraren vanuit de publieke sector overstapt.
116
    Rathenau Instituut geeft aan dat het om 20 procent gaat van de hoogleraren van buiten de universiteit (20 procent van 120).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                                         51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>deeltijdhoogleraren, collega’s die deels in de industrie werken, deels op de universiteit.” Bestuurders van deze
kennisinstellingen verzuchten dat ze de competitie met het (internationale) bedrijfsleven op financiële gronden
niet kunnen winnen, en reppen van een braindrain naar het bedrijfsleven.
Internationale arbeidsmobiliteit kenniswerkers
Het Nederlandse kennisabsorptievermogen wordt sterker naarmate er meer kenniswerkers uit het buitenland hier
werken en meer Nederlandse kenniswerkers een tijd buiten Nederland werkzaam zijn. Nederland zit op het
internationale gemiddelde als het gaat om de instroom van buitenlandse kenniswerkers, en onder het gemiddelde
wat betreft instroom van internationale studenten. Volgens onderzoek uit 2013 zijn er ongeveer 100.000
                                                                                                                                 117
buitenlandse kenniswerkers in Nederland, ongeveer 4 procent van het totale aantal.                                                   In 2013 bestond ruim 8
procent van de totale studentenpopulatie (op universiteit en hogescholen) uit internationale studenten. Hiermee
                                                                                                                     118
blijft Nederland net onder het Europees gemiddelde (EU28) van 8,9 procent.
Andersom – uitstroom uit Nederland – zijn Nederlandse studenten en pas afgestudeerden als groep (nog) weinig
mobiel. Van de 27.000 studenten die in 2012 hun masterdiploma behaalden blijft 65 procent na afronding van de
studie in het eigen landsdeel wonen, een derde verhuist naar een ander deel van Nederland. Slechts 6 procent
woonde na 18 maanden in het buitenland (waaronder veel studenten). Van de hbo-afgestudeerden blijft 76
                                                            119
procent in het eigen landsdeel wonen.                            Slechts 3,2 procent van de Nederlandse onderzoekers blijft langer dan
                                             120
twee jaar in het buitenland.
                                                                                                                            121
De meeste actieve wetenschappers in Nederland zijn wel internationaal mobiel.                                                   Tweederde van deze
wetenschappers is tussen 1996 en 2013 een tijdlang weggeweest uit Nederland of juist teruggekeerd na een
verblijf elders. Een derde hiervan bestaat uit tijdelijk (korter dan twee jaar) in Nederland verblijvende
wetenschappers, vooral niet-Nederlanders. Deze groep publiceert 50 procent meer dan de gemiddelde
wetenschapper in Nederland, en wordt meer dan twee keer zo vaak geciteerd als het wereldgemiddelde. Verder
is het aandeel buitenlandse promovendi op Nederlandse universiteiten in de afgelopen jaren sterk gestegen, tot
                                                                                                                                             122
44 procent in 2014. Daarvan bevindt 32 procent zich tien jaar na de promotie nog in Nederland.                                                   Nog eens een
derde van de in Nederland actieve wetenschappers is tussen 1996 en 2013 in Nederland gebleven. Deze groep
is relatief jong en (nog) minder wetenschappelijk actief.
Dreiging internationale braindrain bètatechnische wetenschappen
De strijd om academisch talent is een internationale. Wetenschappers komen vanuit andere landen naar
Nederland, wetenschappers vertrekken ook naar elders, voor langere of kortere duur. Landen ontwikkelen steeds
vaker nationale strategieën, en bijbehorende financieringsregelingen, om topwetenschappers aan te trekken van
                                                                                                123
elders, en ‘eigen’ wetenschappers te stimuleren terug te keren.
In het algemeen gesproken kent Nederland op dit moment een redelijke balans tussen binnenkomende en
                                                  124
vertrekkende wetenschappers.                          Van de in Nederland actieve wetenschappers is tien procent tussen 1996 en
2013 naar het buitenland vertrokken en (nog) niet teruggekeerd. Andersom is in deze periode 8,7 procent van de
wetenschappers uit het buitenland naar Nederland gekomen en verblijft hier al minstens twee jaar (deels
terugkerende Nederlanders, deel buitenlandse wetenschappers). Dat betekent dat er sprake is van een netto
uitstroom van ruim 1 procent over een periode van achttien jaar (1996-2013). Maar de binnenkomende
wetenschappers zijn doorgaans productiever (aantal publicaties), meer senior en hebben een hogere impact
(citatiescores). Dit suggereert dat er in Nederland in het algemeen gesproken geen braindrain plaatsvindt en dat
men veel kennis uit het buitenland weet te halen.
117
    Nuffic (2012).
118
    Zie Gezamenlijke Visie Internationaal van de VSNU en de Vereniging Hogescholen.
119
    Nuffic (2012).
120
    Elsevier (2015).
121
    Elsevier (2015).
122
    CPB (2015).
123
    Zie bijvoorbeeld: http://ssti.org/blog/tbed-around-world-national-governments-foundations-look-attract-star-scientists.
124
    Elsevier (2015).Deze studie, met een toelichting op de methode en betrouwbaarheid van de resultaten, is te vinden op de website van de AWTI.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                             52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>Tegelijkertijd komen er uit de bètatechnische hoek signalen dat Nederland op het niveau van excellente
topwetenschappers de competitie met andere landen dreigt te verliezen. Salarissen en het onderzoeksbudget zijn
voor universiteiten die toppers willen aanstellen vaak een struikelblok. Uit het recent verschenen rapport van de
commissie Breimer: “De realiteit is dat de verschillen met de aanbiedingen die aan buitenlandse instellingen
worden gedaan soms alarmerend groot zijn. Een start-up pakket van boven de 2 miljoen is niet ongebruikelijk
                                                                                                                                  125
voor een hoogleraar in een experimentele bètadiscipline in landen als Duitsland, Zwitserland en de V.S.”
                                                                            126
Bètadecanen signaleerden dit probleem al eerder.                                De conclusie is dat alertheid geboden is. Dat Nederland
voldoende aantrekkelijk blijft voor topwetenschappers is immers van groot belang voor het
kennisabsorptievermogen van de wetenschap nu en in de toekomst.
Tegelijkertijd, als Nederland buitenlands talent wil binnenhalen, kan het niet te protectionistisch omgaan met
eigen talent. Voordelen van vertrekkende Nederlandse kenniswerkers naar elders: er ontstaan in het buitenland
ambassadeurs voor Nederland, zij maken onderdeel uit van het ‘mondiale netwerk’ van Nederland en kunnen een
link vormen tussen Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen en het land waar zij wonen en werken. Ook
kunnen ze de kennis uit het nieuwe land overdragen naar ‘thuis’ en hier benutten.
Voorbeelden van beleid gericht op behoud en werving talent
Het is goed mogelijk om beleidsstrategieën (en financiering) te richten op het aantrekken en behouden van
wetenschappelijk (top)talent en op het ondersteunen van repatriëring, zoals steeds meer landen doen, waaronder
                                                                               127
Singapore, Israel, Canada en Duitsland (zie kaders).
    De Canada Research Chairs Program (CRCP)
    Het CRCP vormt de kern van een nationale strategie met als doel Canada een mondiale toppositie te laten
    innemen in onderzoek en ontwikkeling. In 2000 ontwikkelde de Canadese overheid hiertoe een programma om
    2000 leerstoelen te vestigen op de erkende instellingen voor hoger onderwijs verspreid over het land. De CRCP
    investeert ongeveer $265 miljoen per jaar om mondiale toptalenten aan te trekken en behouden.
    Leerstoelhouders richten zich op onderzoeksexcellentie in engineering en de natuurwetenschappen,
    gezondheidswetenschappen, de geesteswetenschappen en de sociale wetenschappen. Hun doelen zijn het
    verbeteren van het kennisniveau van Canada, bij te dragen aan levenskwaliteit, Canada’s internationale
    competitiviteit vergroten en de volgende generatie hooggeschoolden goed op te leiden.
    Duitsland: actief aantrekken van wetenschappers
    De Bondsrepubliek voert een actief en consistent beleid om zich als techniekland te profileren en internationaal
    gerenommeerde onderzoekers naar Duitsland te halen (taak van de Alexander von Humboldt-Stiftung).
    Zodoende slagen universiteiten en onderzoeksinstellingen erin hun onderzoeksprogramma’s telkens van
    nieuwe input te voorzien, zonder dat dit ten koste gaat van de basisinfrastructuur van vooral de universiteiten.
    Ook de DAAD, de Duitse organisatie voor uitwisseling van studenten en academici, is in het buitenland een
    begrip.
    Zowel de DAAD als de Alexander von Humboldt-Stiftung hebben omvangrijke en uitstekende
    alumniprogramma’s waarmee zij permanent contact houden met de onderzoekers die ze hebben gefinancierd.
    Het beleid is gericht op het creëren van een familiegevoel en de bijbehorende trots om bij een uitgelezen
125
    Commissie Breimer (2015).
126
    Commissie Breimer (2014).
127
    http://ssti.org/blog/tbed-around-world-national-governments-foundations-look-attract-star-scientists
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                         53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>    gezelschap te behoren. Gelet op het aantal mensen dat zichzelf als bijvoorbeeld Humboldtianer betitelen slaagt
                                    128
    Duitsland daar goed in.
Gunstig vestigingsklimaat bedrijven
In het bedrijfsleven is een succesvol (internationaal opererend) grootbedrijf erg aantrekkelijk voor excellente
kenniswerkers uit binnen- en buitenland, en is in staat ze goed te belonen. De overheidsrol in het handhaven en
versterken van het kennisabsorptievermogen ligt er vooral in te zorgen voor goede randvoorwaarden: een
dusdanig gunstig vestigingsklimaat dat bedrijven in Nederland blijven en naar Nederland komen. Nederland doet
het hierin goed. Inmiddels werkt 15% van de Nederlandse werknemers voor een buitenlands bedrijf. Een derde
van de uitgaven aan onderzoek en innovatie (R&D) in Nederland wordt gedaan door buitenlandse bedrijven.
Bedrijven vestigen zich graag in Nederland. In 2013 zijn 370 buitenlandse bedrijfsvestigingen aangetrokken, 18
                                      129
procent meer dan in 2012.
3.5 Infrastructuur en prikkels voor toepasbaar maken van kennis
Nederland kent verschillende mechanismes voor het toepasbaar maken van wetenschappelijke kennis. Tezamen
zouden deze moeten zorgen voor een goede vertaling en benutting van de gecreëerde kennis. Duidelijk is dat het
vertalen van kennis naar innovatie en praktijkverbeteringen geen lineair proces is. Het ‘uitrollen’ van kennis naar
andere organisaties en sectoren is vaak lastig. Kennis heeft meestal een vertaalslag nodig naar toepassing in
specifieke situaties. Kennis wordt doorgaans het best benut wanneer het samen met de beoogde gebruikers is
geproduceerd en gaandeweg in de praktijk (en in innovaties) wordt uitgeprobeerd: cocreatie van kennis. De
infrastructuur voor kennisdeling dient daarom verbindingen tussen partijen na te streven, samenwerking mogelijk
te maken en waar nodig te stimuleren. Dit geldt voor het delen van kennis met bedrijven, maar ook met
maatschappelijke organisaties. In de woorden van Geert ten Dam, hoogleraar Onderwijskunde aan de UvA:
“Wetenschappelijke kennis over onderwijs bereikt de praktijk het best via ‘warme overdracht’. Het onderwijs
verandert niet spontaan door de beschikbaarheid van onderzoeksresultaten: deze dienen naar de praktijk
vertaald te worden. Hoe je dat doet, vergt steeds aandacht.”
Het Nederlandse systeem van kennis- en innovatie omvat, naast de samenwerkingsvormen die in paragraaf 2.2
zijn benoemd, de volgende mechanismen voor het toepasbaar maken van kennis (met deze opsomming streven
we geen compleet beeld na):
1        In de topsectorenaanpak ondersteunt de overheid negen economische aandachtsgebieden (topsectoren)
         met een combinatie van een generiek (financieel) instrumentarium en gerichte aandacht voor optimale
         samenwerking in de ‘gouden driehoek’ van bedrijven, kennisinstellingen en overheid, vooral in publiekprivate
         samenwerkingsverbanden (PPS). Het aantal PPS-en is sinds de invoering van deze aanpak inderdaad
         gestegen. Ambitie van het beleid was dat publieke en private partijen in 2015 voor tenminste 500 miljoen
         euro zouden participeren in Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s), waarbij tenminste 40 procent
         gefinancierd zou worden door het bedrijfsleven, en dat is gehaald. De uitgaven in het kader van
         publiekprivate samenwerking bij innovatieprojecten komen in 2014 uit op € 814 miljoen, waarvan 44 procent
                                             130
         gefinancierd door bedrijven.            Het is wel de vraag welk deel van deze toename toe te schrijven is aan het
         topsectorenbeleid. In de praktijk blijken grotere bedrijven hun samenwerking met kennisinstellingen vaak
         bilateraal te organiseren (buiten het TKI om), of richten ze zich alleen op deelname aan Europese
                                                                                 131
         programma’s, omdat de TKI-toeslag niet interessant genoeg is.
128
    AWT (2012).
129
    IBM (2014).
130
    Ministerie van Economische Zaken (2015).
131
    AWTI (2015a).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                           54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>2         De topsectorenaanpak omvat een regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) 2014, waarvan veel
          gebruik gemaakt wordt. Ondernemers kunnen hierbij subsidies aanvragen voor onder andere
          kennisvouchers (een waardebon om een vraag te laten beantwoorden door een kennisinstelling),
          haalbaarheidsstudies en R&D-samenwerkingsprojecten. Met een budget van € 20 miljoen werden in 2013 in
          totaal 1700 mkb-ondernemers gestimuleerd om innovatief te ondernemen. In 2014 werd het budget meer
          dan verdubbeld, ook twee provincies droegen bij. In 2015 was opnieuw ruim € 50 miljoen beschikbaar,
                                                              132
          steeds wordt dit budget overtekend.
3         Universiteiten hebben de wettelijke taak zich bezig te houden met kennistransfer (valorisatie). NWO-
          onderzoekssubsidies vragen hier eveneens om. Er zijn veel goede voorbeelden van georganiseerde
          valorisatie te vinden, zoals de academische werkplaatsen van ZonMW. Met name technische universiteiten
          en medische faculteiten van algemene universiteiten (ondergebracht in UMC’s) hebben, als gevolg van de
          praktische aard van hun studiegebieden, een sterke rol in het toepasbaar maken van kennis voor de
          industrie. Echter, in de praktijk worden wetenschappers nog altijd vooral afgerekend op hun academische
          publicaties, niet op hun inspanningen op het gebied van toepassing. Zelfs de technische universiteiten
          hebben hierdoor te weinig kunde en praktijkervaring opgebouwd op het gebied van toepassingsgericht
          onderzoek. Zij zijn zich steeds meer op universitair (veelal fundamenteel) onderzoek gaan richten. Volgens
                                                                                                                        133
          veel wetenschappers blijft kennis in Nederland daardoor nog te vaak onbenut.                                      In de sociale en
          geesteswetenschappen is er bovendien veel verwarring over het begrip valorisatie en de betekenis ervan
          voor deze wetenschapsgebieden, waardoor mogelijkheden voor valorisatie onbesproken en onbenut
                   134
          blijven.
4         Hogescholen hebben sinds tien jaar de opdracht om samen met (mkb) bedrijven en maatschappelijke
          organisaties kennis te creëren en voor toepassing geschikt te maken via praktijkgericht onderzoek. Zij doen
          dit vooral in regionaal verband, maar opereren inmiddels ook in internationale samenwerkingsverbanden.
                                                                                      135
          Deze rol van hogescholen is nog niet uitontwikkeld.                             Het aantal lectoren lag in 2014 op 592 (361 fte’s) en
                                                                               136
          er waren ruim 3500 docentonderzoekers actief.                             Een goede ontwikkeling bij diverse hogescholen, is het
          bundelen van lectoraten (in een kennis- of expertisecentrum) zodat er meer omvang en samenhang
          ontstaat.
5         Er waren in 2014 inmiddels 17 Centra voor Innovatief Vakmanschap en 24 Centres of Expertise (CoE’s)
          actief, waarbij 2.120 bedrijven betrokken waren (bijna een derde meer dan het jaar ervoor). CoE’s zijn
          publiekprivate samenwerkingsverbanden van hogescholen, bedrijven en soms universiteiten en andere
          instellingen, waarin onderwijs, praktijkgericht onderzoek en valorisatie van kennis in samenhang
          plaatsvinden en in aansluiting op de regionale kennisinfrastructuur. Een voorbeeld is het Automotive Centre
          of Expertise (ACE). De CoE’s hebben bij de Regionale Opleidingscentra (ROC’s, mbo-opleidingen) een
          evenknie in de vorm van Centra voor Innovatief Vakmanschap (CIV’s).
6         Tot voor kort onderhield de overheid Syntens, een organisatie van adviseurs die ondernemers in het mkb
          ondersteunden bij innovatie. Syntens hield zich onder andere bezig met het toepasbaar maken van nieuwe
          kennis voor het mkb. Deze organisatie is recentelijk ondergebracht bij de KvK en in omvang gereduceerd.
7         Het Industrial Partnership Programme (IPP) van de Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie
          (FOM) is een instrument (binnen de topsectorenaanpak) voor onderzoeksfinanciering die academische en
          industriële partners op een productieve manier samenbrengt (zie kader).
132
    http://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/mkb-innovatiestimulering-regio-en-topsectoren-mit
133
    Wetenschappers met wie voor dit advies gesproken is gaven dit aan, alsmede diverse wetenschappers geïnterviewd voor de bundel van ZonMW 2015.
134
    De Jong (2015).
135
    Zie AWTI (2014b) en AWTI (2015d).
136
    Vereniging hogescholen (2016).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                   55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>    Duurzame samenwerking in IPP
    Een voorbeeld van succesvolle samenwerking, zo blijkt uit een recente evaluatie, is het Industrial Partnership
    Programme van het instituut voor Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM). Het financieringsinstrument
    IPP richt zich op vraaggestuurd (use inspired), exploratief, precompetitief onderzoek. Het onderzoek binnen
    IPP’s moet primair gericht zijn op fundamenteel begrip, maar daarnaast ook op toekomstige toepassingen. De
    onderzoekers en bedrijven werken op gelijke voet samen: ze formuleren samen de onderzoeksdoelen en
    gedurende de uitvoering is er veel interactie.
    De evaluatiecommissie concludeert dat het IPP uitzonderlijk goed scoort ten opzichte van andere vormen van
    publiekprivate samenwerking. Vrijwel alle industriële partners zeggen dat het IPP heeft geleid tot nieuwe of
    intensievere contacten met wetenschappers en toegang tot nieuwe kennis en expertise. Bovendien vervolgt
    ruim een derde van de promovendi die deel uitmaakten van een IPP-project zijn of haar carrière in een
    technologisch bedrijf. Dat is bijna tweemaal zo veel als het FOM-gemiddelde. Dat is belangrijk, vooral gelet op
    het feit dat 87 procent van de industriële partners de toegang tot gekwalificeerd talent als expliciet doel heeft
    voor deelname aan een IPP-project. De commissie adviseert dan ook om het IPP breder beschikbaar te
    maken: voor andere disciplines en voor kleine innovatieve bedrijven.
Organisaties voor toegepast onderzoek (TO2-instellingen)
                                                                                                                                                             137
Nederland beschikt over organisaties voor toegepast onderzoek (TO2). Dat zijn TNO, DLO en de vier GTI´s.
Sinds 2010 vormen ze samen de ´TO2-federatie´. Hun missie: het leveren van een bijdrage aan het oplossen van
maatschappelijke vraagstukken, het versterken van het innovatievermogen van het bedrijfsleven, en de overheid
                                                              138
inhoudelijk ondersteunen bij beleidsvragen.                       Dit doen ze door onderzoek te verrichten en diensten te leveren
aan overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke instanties. De TO2-federatie functioneert als schakel tussen
kennis en toepassing in de gouden driehoek van bedrijfsleven, overheid en kennisinstellingen. TO2-instellingen
geven de samenwerking vorm in topsectorverband (sinds 2010), met het mkb, met universiteiten en hogescholen,
voor de overheid en in internationaal verband (deelname aan Horizon 2020, lidmaatschap van EARTO en andere
mondiale netwerken). De TO2-instellingen hebben een aantal strategische grootschalige onderzoeksfaciliteiten in
                                                                                                                           139
beheer, soms samen in gebruik met universiteiten en andere onderzoeksinstellingen.
De vaste rijksbijdrage (basisfinanciering) voor deze instellingen daalde de afgelopen jaren gestaag, van 2011 tot
                                                                                                                           140
2016 met circa 25 procent (van circa € 440 miljoen per jaar naar circa € 340 miljoen).                                          Deze dalende
Rijksbijdrage past volgens minister Kamp bij de bekostigingsfilosofie van het kabinet, waarbij de inzet van het
onderzoek binnen publiek- private programma’s zoveel mogelijk wordt gebundeld en TO2-instellingen meer
vraaggericht gaan werken. De TO2-instellingen kunnen volgens de minister de dalende rijksbijdrage (circa € 100
miljoen per jaar) compenseren door een groter aandeel van hun publieke financiering ‘te verdienen’ via
opdrachten van derden, via de topsectorenaanpak (TKI-toeslag), regionale en nationale subsidies en Europese
                     141
programma’s.              Een deel van de TKI-middelen – in 2014 ging het om € 14,6 miljoen – is daarom geoormerkt
voor TO2-brede samenwerkingsprojecten, in 2014 gericht op de in Horizon 2020 geformuleerde maatschappelijke
uitdagingen. Een onbedoeld gevolg van deze financieringsfilosofie is dat TO2’s meer zullen inzetten op nieuw (al
of niet publiek gefinancierd) onderzoek dan op het verhogen van de impact van bestaande kennis uit onderzoek.
In 2016 worden de TO2-instellingen geëvalueerd, met de nadruk op de kwaliteit en impact van de kennis die zij
creëren ten behoeve van topsectoren en maatschappelijke thema’s.
137
    DLO is de organisatie voor toegepast onderzoek van Wageningen UR. De GTI’s (Grote Technologische Instituten) zijn het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium
    (NLR), Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), het Maritime Research Institute Netherlands (MARIN) en Deltares.
138
    TO2 federatie 2014.
139
    Ministerie van Economische Zaken (2015).
140
    Ministerie van Economische zaken (2014).
141
    Ministerie van Economische zaken (2014).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                                                                 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>Werkt het systeem goed genoeg?
De productiviteitstoename is in Nederland en veel andere OECD-landen afgevlakt in het afgelopen decennium,
                          142
aldus de OECD.                 Redenen zijn volgens de OECD onder andere dat landen minder investeren in fundamenteel
onderzoek en dat er in systemen een gebrek is aan ‘mechanismes voor kennisdisseminatie van onderzoek naar
innovaties’. De OECD adviseert landen hun ‘diffusiemachines’ te evalueren en waar nodig te herzien. Daarbij is
meer samenwerking tussen bedrijven en universiteiten nodig, zodat bedrijven toegang krijgen tot de wereldwijd
beschikbare wetenschappelijke kennis en gebruik kunnen maken van onderzoeksinfrastructuur. In de Innovation
Review van Nederland (2014a) wijst de OECD ondermeer op de noodzaak de basisfinanciering van universiteiten
en instituten voor toegepast onderzoek te handhaven in het belang van het innovatievermogen. Ze roept de
                                                                                                              143
overheid op niet te veel te snijden in de basisfinanciering, zodat een gezonde kennisbasis blijft bestaan.
De bovenstaande opsomming van mechanismen laat zien dat de beleidsinstrumenten vooral gericht zijn op het
gezamenlijk, in pps-verband, ontwikkelen van nieuwe kennis, en veel minder op het toepasbaar maken van
bestaande kennis voor het bedrijfsleven, waaronder het mkb. Wat ook speelt is dat het huidige, op fiscale
instrumenten gebaseerde, innovatiebeleid echte samenwerking – samenwerking ‘op de werkvloer’ – minder
stimuleert dan beleid in het verleden. Het topsectorenbeleid betrekt bedrijven veel meer dan vroeger bij de
onderzoeksagendering van de publieke kennisinstellingen, maar brengt minder bedrijfsmedewerkers binnen de
muren van de kennisinstellingen bij de uitvoering van dit onderzoek. Samenwerking beperkt zich veelal tot
uitbesteding van onderzoek door bedrijven aan publieke onderzoeksinstellingen. Een aanwijzing hiervoor is dat
                                                                                                                144
het aantal copublicaties van wetenschappers en onderzoekers uit het bedrijfsleven de laatste jaren daalt.
Voorbeelden ter inspiratie: Duitsland en de UK
Landen om ons heen hebben sterkere systemen gericht op toepassing van gecreëerde kennis , waarvan valt te
                                                                 145
leren. Twee voorbeelden uit recente AWTI-landenstudies:
1       Duitsland kent veel meer kapitaalkrachtige buitenuniversitaire onderzoeksinstituten dan Nederland. Het
        bekendst zijn de Fraunhofer-, Helmholtz-, Leibniz- en Max Planck-instituten – maar er zijn er meer. Een
        substantieel deel van het geld dat de federale overheid en de deelstaten aan onderzoek uitgeven, gaat naar
        deze instituten. Daarmee wordt een hoge mate van stabiliteit en continuïteit in het onderzoek gecreëerd.
        Bovendien staan bij de buitenuniversitaire onderzoeksinstituten de technologische onderzoeksprogramma’s
        niet in onmiddellijke concurrentie met andere disciplines en kan er een solide infrastructuur opgebouwd
        worden. Deze onderzoeksinstituten hebben door hun lange traditie en hoog aanzien het gewicht, de massa
        en vaak ook het eigen vermogen om, ook onder moeilijke condities, hun programma’s uit te voeren. Ze zijn
        door dit alles minder gevoelig voor schommelingen van buitenaf dan het Nederlandse onderzoekssysteem.
        De buitenuniversitaire onderzoeksinstituten zijn bovendien toegankelijker voor de industrie dan
        universiteiten, en beter toegerust om met de lastige economische en juridische kwesties om te gaan
        waarmee publiekprivate samenwerking gepaard kan gaan.
2       Het systeem van wetenschapsfinanciering in het Verenigd Koninkrijk omvat, sinds 2009, expliciete prikkels
        gericht op kennistransfer naar de praktijk. Het wetenschaps- en innovatiebeleid zijn ondergebracht bij één
        ministerie. Financiering van wetenschap gebeurt op basis van een combinatie van excellentie,
        duurzaamheid van de onderzoeksomgevingen sociaal en/of economische impact. Deze impact moet worden
        aangetoond door middel van case studies (kritiek hierop is het hoge bureaucratische gehalte van de
        trajecten). Om voor competitieve financiering in aanmerking te komen, dienen wetenschappers de
        verwachte impact aan te geven (zoals ook voor NWO-subsidies gebruikelijk is). De Technology Strategy
        Board (het agentschap voor innovatie) staat centraal in het innovatiebeleid. De TSB besteedt veel aandacht
        aan de samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen. Het treedt op als verbinder (via advies aan
142
    OECD (2015a).
143
    OECD (2014).
144
    Elsevier (2015); R. Tijssen (2012).
145
    AWT (2012); AWT (2014c).
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                     57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>      bedrijven, partners zoeken, Knowledge Transfer Networks onderhouden), en zorgt voor fysieke faciliteiten
      om technologieën te ontwikkelen en te testen, bijvoorbeeld in Catapult Centres.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                               58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Vangen, verwerken en verwaarden 59</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>Vangen, verwerken en verwaarden 60</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Bijlage 1: Adviesvraag uit werkprogramma 2015
Van alle nieuwe kennis die in de wereld gegenereerd wordt, neemt Nederland nu nog ongeveer anderhalf à twee
procent voor zijn rekening – de rest komt vanuit andere landen. Met de genoemde groei van de academische
wereld en de opkomst van nieuwe spelers zal het volume aan buitenlandse kennis enorm toenemen en het
aandeel van Nederland in het totaal in de toekomst verder dalen.
Kennis van elders moet via allerhande kanalen zijn weg naar Nederland zien te vinden, naar de plaatsen waar
behoefte aan deze kennis bestaat. Het vermogen om als samenleving die kennis te identificeren en te begrijpen,
te importeren en te benutten, noemen we het kennisabsorptievermogen. Kennisabsorptievermogen omvat niet
alleen de absorptie van formele en ‘expliciete’ kennis – door buitenlandse publicaties en websites te lezen,
conferenties te bezoeken en directe contacten te onderhouden – maar ook de absorptie van tacit knowledge, die
ontwikkeld en overgedragen wordt door zelf ervaren en doen. Dit is wat het organiseren van
kennisabsorptievermogen ingewikkeld maakt.
Het benodigde kennisabsorptievermogen moet op verschillende plaatsen gewaarborgd zijn. Allereerst in de
wetenschap: onderzoekers moeten voldoende aangesloten zijn op internationale netwerken om nieuwe
ontwikkelingen in hun vakgebied (maar vanwege het steeds meer transdisciplinaire karakter van onderzoek ook
die in andere vakgebieden) te kunnen volgen en daaraan bij te kunnen dragen. In de tweede plaats in het
bedrijfsleven: ondernemingen moeten voldoende aangesloten zijn op de internationale kennisontwikkeling – hetzij
rechtstreeks, hetzij via banden met lokale kennisinstellingen – om nieuwe relevante kennis op te kunnen pikken
en te vertalen naar hun behoeften. In de derde plaats in de samenleving als geheel: publieke en
maatschappelijke organisaties moeten voldoende inzicht hebben in nieuwe kennisontwikkelingen om de
relevantie voor Nederland te kunnen identificeren en te weten welke maatregelen te nemen om relevante kennis
te absorberen. Dit is vooral van belang waar ‘witte vlekken’ in de eigen Nederlandse kennisproductie ontstaan.
Er zijn verschillende instrumenten of mechanismes die kennisabsorptievermogen en kennistransfer versterken.
Bekend zijn conferenties, wetenschappelijke tijdschriften, websites, leerboeken en andere onderwijsvormen. Het
gaat echter ook om nieuwe werkwijzen: open innovatie, transdisciplinaire samenwerking, academische
werkplaatsen, living labs, open data, maar ook intellectueel eigendom (patenten).
De AWTI buigt zich over de vraag hoe het vermogen om (buitenlandse) kennis te absorberen geborgd en
versterkt moet worden. Daarbij kan verdere digitalisering van het onderwijs een rol spelen. Als eerste stap zal de
raad onderzoeken wat Nederland aan absorptievermogen nodig heeft en hoe het hiermee momenteel gesteld is.
Hij zal daarbij gebruikmaken van het werk van KNAW en Rathenau op het gebied van ‘witte vlekken’. Juist op die
gebieden kan het nodig zijn het kennisabsorptievermogen te versterken. De voor ondernemingen relevante
nieuwe kennis komt tegenwoordig grotendeels uit het buitenland. Het kennisabsorptievermogen van het
bedrijfsleven, met name het MKB, zal daarom een centrale plaats krijgen in het advies.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Bijlage 2: Gesprekspartners
Dominique Baeten                AMC-UvA
John Kastelein                  AMC-UvA
Marcel Levi                     AMC-UvA
Joost Frenken                   ARCNL
Jasper Reijnders                ARCNL
Martin van den Brink            ASML
Bart Noordam                    ASML
Diederik Zijdeveld              Avans Hogeschool
Vinod Ramnandanlal              ECN
Markus Leuenberger              ECN
Cees Links                      GreenPeak
Sjaak Deckers                   G-Therapeutics (co-founder Sapiens)
Leonard Geluk                   Haagse Hogeschool
Susana Menéndez                 Haagse Hogeschool
Eelco van der Eijk              IA Berlijn
Marc Nellen                     IA Israel
Eric van Kooi                   IA Parijs
Robert Thijssen                 IA San Francisco
Jan-Hein Christoffels           IA Tokio
Chris Sigaloff                  Kennisland
Marlieke Kieboom                Kennisland
Gert-Jan Cornel                 Living Labs
Felix Janszen                   Living Labs
Rik Breur                       Micanti BV
Mat Josquin                     Mikrocentrum
Ruben Wegman                    Nedap
Annette de Deugd                NWO
Edwin Horlings                  Rathenau Instituut
Kristian Peters                 Rijksuniversiteit Groningen
Jan Reint Smit                  RVO
Bas Oosterhout                  Shell
Eppo Bruins                     STW
Victor Gilsing                  Tilburg University
Saskia Lavrijssen               Tilburg University
Erik Drop                       TNO
Hans Veltman                    TNO
Bert Meijer                     TU/e
Jaap Schouten                   TU/e
Vangen, verwerken en verwaarden                                     62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>Annelien Bredenoord             UMCU
Rob Hamer                       Unilever
Hans Hilgenkamp                 Universiteit Twente
Ellen Oude Luttikhuis           Universiteit Twente
Gaston Heimeriks                UU
Antoine Buyse                   UU
Birgit Meyer                    UU
Geert ten Dam                   UvA
Thomas Grosfeld                 VNO-NCW
Piek Vossen                     Vrije Universiteit
Vangen, verwerken en verwaarden                     63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>Bijlage 3: Literatuur
►    Amiryany, N. (2013), ‘High-Technology Acquisitions: An inquiry toward microfoundations of grafting
     capability’.
►    AWT (2012), ‘Vasthoudend Innoveren – Een onderzoek naar het Duitse wetenschapslandschap en R&D-
     beleid’.
►    AWT (2013a), ‘Kiezen voor kenniswerkers – Vaardigheden op de arbeidsmarkt voor kenniswerkers’.
►    AWT (2013b), ‘Maatwerk in onderzoeksinfrastructuur – Strategisch investeren in grootschalige
     onderzoeksfaciliteiten’.
►    AWT (2014a), ‘Boven het maaiveld – Focus op wetenschappelijke zwaartepunten’.
►    AWT (2014b), ‘Regionale hotspots – Broedplaatsen voor innovatie’.
►    AWT (2014c), ‘Food for thought’.
►    AWTI (2014a), ‘De kracht van sociale innovatie’.
►    AWTI (2014b), ‘MKB en Hogescholen – Partners in innovatie’.
►    AWTI (2015a), ‘Blijf scherp op continue ontwikkeling topsectorenaanpak’, briefadvies.
►    AWTI (2015b), ‘Durven delen – Op weg naar een toegankelijke wetenschap’.
►    AWTI (2015c), ‘Klaar voor de Toekomst? – Naar een brede strategie voor ICT’.
►    AWTI (2015d), ‘Verwevenheid van onderzoek en hoger onderwijs – Eenheid in verscheidenheid’.
►    Bierings, H., Kooiman, N., Vries, R. de (2013), ‘Arbeidsmarkttransities in Nederland: een overzicht’. In: R. van
     Gaalen, A. Goudswaard, J. Sanders, W. Smits en R. van der Bie (red.), ‘Dynamiek op de Nederlandse
     arbeidsmarkt’, Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.
►    Brown, J.S. en Duguid, P. (2000), ‘The social life of information’.
►    Brynjolfsson, E. en McAfee, A. (2014), ‘The second machine age’.
►    Buisman, M. En Houtkoop, W. (2014). Laaggeletterdheid in kaart. ECBO
►    CBS (2013a), ‘MKB goed voor bijna de helft aan R&D-uitgaven’.
►    CBS (2013b), ‘Verandering van werkgever, beroep en lonen’.
►    CBS (2013c), ‘Opleidingsniveau bevolking gestegen’.
►    CBS (2014a), ‘Duitsland: exportaandeel een kwart in 2012’.
►    CBS (2014b), ‘Aantal gepromoveerde vrouwen neemt toe, vooral in alfa en gamma richtingen’.
►    CBS (2015), ‘De staat van het mkb 2015’.
►    CPB (2015). ‘Stay rates of foreign PhD graduates in the Netherlands’.
►    CBS (2016), ‘Een leven lang leren in Nederland’.
►    CBS en TNO (diverse jaren), ‘Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden’.
►    Cohen, W.M., Levinthal, D.A. (1989), ‘Innovation and Learning: The Two Faces of R & D’, The Economic
     Journal, Vol. 99, No. 397, pp. 569-596.
►    Cohen, W.M., Levinthal, D.A. (1990), ‘Absorptive Capacity: A New Perspective on Learning and Innovation’,
     Administrative Science Quarterly, Vol. 35, No. 1, Special Issue: Technology, Organizations, and Innovation,
     pp. 128-152.
►    Commissie Breimer (2014), ‘Tweede tussenrapportage inzake implementatie sectorplan natuur- en
     scheikunde’.
►    Commissie Breimer (2015), ‘Koersvast – aanbevelingen ter verdere versterking van de bètadisciplines
     natuur- en scheikunde’.
►    Commissie Wijffels (2004), ‘De kracht van directe verbindingen’.
►    CPB (2011), ‘The rise of the BRIC countries and its impact on the Dutch economy’.
►    CPB (2014), ‘Investeringen in persoonlijke ontwikkeling verbeteren sociaaleconomische uitkomsten’, Policy
     brief.
►    CPB (2015), ‘Stay rates of foreign PhD graduates in the Netherlands’.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                   64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>►    Dekker, R., Freese, C., Oonk, V., G.J. Waasdorp (2013), ‘Schaarste bestaat niet. Strategisch omgaan met de
     factor tijd’.
►    Derksen, W. (2011), ‘Kennis en beleid verbinden – Praktijkboek voor beleidsmakers’.
►    Dialogic, NIFU en Universiteit Leiden (2014), ‘Wetenschaps, Technologie & Innovatie Indicatoren – Resumé
     WTI2’.
►    Elsevier (2015), ‘International comparative performance of Netherlands’ research base – 2015’.
►    European Commission (2014), ‘Research and Innovation performance in the EU – Innovation Union progress
     at country level’.
►    Hofstede, G., Hofstede, G.J., Minkov, M. (2010), ‘Cultures and organizations: Software of the mind’, (Rev.
     3rd ed.), New York: McGraw-Hill.
►    IBM (2014), ‘Global location trends’.
►    Jong, S. de (2015), ‘Engaging scientists – Organising valorisation in the Nederlands’.
►    KNAW (2011), ‘Kwetsbaarheid en veerkracht van maatschappelijke systemen’.
►    KNAW (2013), ‘Publieke kennisinvesteringen en de waarde van wetenschap’.
►    KNAW (2015), ‘Ruimte voor ongebonden onderzoek – Signalen uit de Nederlandse wetenschap’.
►    Lectoraten: zie www.lectoraten.nl.
►    Marlet, G., Oumer, A., Ponds, R. En C. van Woerkens (2014), ‘Groeien aan de grens’.
►    Ministerie van Economische zaken (2014), Implementatie van de visie op het toegepast onderzoek:
     Kabinetsreactie op het Strategisch Kader TO2 federatie en het Strategisch Plan TNO 2015-2018’,
     kamerbrief.
►    Ministerie van Economische Zaken (2015), ‘Samen werken aan vernieuwing’.
►    Ministerie van Economische Zaken (2015), ‘Inzake instandhouding grote faciliteiten bij TO2-instellingen’,
     kamerbrief.
►    Ministerie van Economische Zaken (2015), ‘Monitor bedrijvenbeleid’.
►    Ministerie van OCW (2016), ‘Op weg naar 2025: voortgangsrapportage wetenschapsvisie’, kamerbrief.
►    Nonaka, I., Takeuchi, H. (1994), ‘The knowledge creating company – How Japanese companies create the
     dynamics of innovation’.
►    Nuffic (2012), ‘Mobiliteit in beeld’.
►    Observatory of Economic Complexity: zie http://atlas.media.mit.edu/en/.
►    OECD (1997), ‘National Innovation Systems’.
►    OECD (2013), ‘Careers of doctorate holders’.
►    OECD (2014), ‘Review of innovation policy: Netherlands 2014’.
►    OECD (2015a), ‘The future of productivity’, policy note.
►    OECD (2015b), ‘Education at a glance 2015’.
►    OECD (2015c), ‘STI-scoreboard 2015’.
►    Onderwijsraad (2009), ‘Middelbaar en hoger onderwijs voor volwassenen’.
►    Onderwijsraad (2013), ‘Een smalle kijk op onderwijskwaliteit – Stand van educatief Nederland 2013’.
►    Platform Bèta Techniek (2014), ‘Monitor Facts and figures’.
►    Platform31 (2014), ‘Factsheet Grensoverschrijdende Stedelijke netwerken’.
►    Puranam, P., Singh, H., Chaudhuri, S. (2009), Integrating acquired capabilities: When structural integration is
     (un)necessary. Organization science, 20 (2): 313-328.
►    Rathenau Instituut (2013), Goede, M. de, Belder, R., Jonge, J. de, ‘Feiten & cijfers – Academische carrières
     en loopbaanbeleid’.
►    Rathenau Instituut (2015a), ‘Totale Investeringen in Wetenschap en Innovatie 2013-2019’.
►    Rathenau Instituut (2015b), Deuten, J., ‘R&D goes global – Policy implications for the Netherlands as a
     knowledge region in a global perspective’.
►    Rathenau Instituut (2016), Koier, E., Meulen, B. van der, Horlings, E. en R. Belder ‘Chinese borden –
     Financiële stromen en prioriteringsbeleid in het Nederlandseuniversitaire onderzoek’.
►    Sander, J., Kraan, K. (2013), ‘Kwalificatieveroudering in Nederland’, TNO.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>►    Schwab, K. (2016), ‘The Fourth Industrial Revolution: what it means, how to respond’.
►    SCP (2015), ‘Vraag naar arbeid’.
►    Technisch Weekblad (diverse jaren), ‘R&D Top 30’.
►    Tijssen, R. (2012), ‘Co-authored research publications and strategic analysis of public-private collaboration’,
     Research Evaluation.
►    TNO (2014), ‘Staat van Nederland Innovatieland’.
►    TNO jaarverslag (diverse jaren).
►    TO2-federatie (2014), ‘Strategisch kader 2015-2018’.
►    Vereniging hogescholen (2016), ‘Factsheet praktijkgericht onderzoek’.
►    VSNU, Vereniging Hogescholen (2014), ‘Gezamenlijke visie internationaal’.
►    Wageningen UR jaarverslag (diverse jaren).
►    World Economic Forum (2015), ‘Leveraging Entrepreneurial Ambition and Innovation: A Global Perspective
     on Entrepreneurship 2015’.
►    Zahra, S.A., George, G. (2002), ‘Absorptive Capacity: A Review, Reconceptualization, and Extension’,
     Academy of Management Review, vol. 27, blz. 185-203.
►    ZonMW (2015), ´Dwarsdenken en doordouwen´.
Vangen, verwerken en verwaarden                                                                                   66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>.
wt Adviesraad voor
wetenschap, technologie en innovatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie
Javastraat 42
2585 AP Den Haag
t. 070 31 10 920
e. secretariaat@awti.nl
w. www.awti.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>