<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>HET STELSEL
OP SCHERP GEZET
NAAR TOEKOMSTBESTENDIG
HOGER ONDERWIJS EN ONDERZOEK
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>De Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) brengt gevraagd en
ongevraagd advies uit aan regering en parlement. Zijn onafhankelijke adviezen zijn
strategisch van aard en gaan over de hoofdlijnen van wetenschaps-, technologie- en
innovatiebeleid. De leden van de AWTI zijn afkomstig uit kennisinstellingen en het
bedrijfsleven. De raad staat onder voorzitterschap van Uri Rosenthal. De AWTI doet
zijn werk vanuit de overtuiging dat het belang van kennis, wetenschap en innovatie
voor economie en samenleving groot is en in de toekomst nog verder zal toenemen.
De raad is als volgt samengesteld:
prof. dr. U. (Uri) Rosenthal (voorzitter)
prof. dr. ir. J.P.H. (Jos) Benschop
prof. dr. ing. D.H.A. (Dave) Blank
prof. dr. R. (Roshan) Cools
prof. dr. ir. K. (Koenraad) Debackere
prof. dr. ir. T.H.J.J. (Tim) van der Hagen
dr. ir. S. (Sjoukje) Heimovaara
prof. dr. E.M. (Emmo) Meijer
drs. N. (Nienke) Meijer
dr. ir. A.J.H.M. (Arno) Peels (tot 1.5.2019)
mr. J.J.G. (Anneke) Bovens (secretaris)
Het secretariaat is gevestigd te:
Prins Willem-Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
t. 070 3110920
e. secretariaat@awti.nl
w. www.awti.nl
ISBN: 978-90-77005-84-2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Het stelsel op scherp gezet
Naar toekomstbestendig hoger onderwijs en onderzoek
juni 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Colofon
Fotografie                          Bas Kijzers Fotografie
Ontwerp                             2D3D Design
Druk                                Quantes
                                    juni 2019
ISBN                                978-90-77005-84-2
Alle publicaties zijn gratis te downloaden via www.awti.nl.
Auteursrecht
Alle auteursrechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen van deze uitgave
worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de AWTI.
Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van organisatienaam en naam en jaartal van de uitgave.
Het stelsel op scherp gezet                                                                                                       2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Inhoud
Samenvatting                                                                      7
1    Aanleiding: zijn het hoger onderwijs en onderzoek klaar voor de
     toekomst?                                                                   13
1.1 Mondiale ontwikkelingen vragen aandacht                                      13
1.2 Adviesvraag: hoe is het stelsel goed voor te bereiden op de toekomst?        16
1.3 Aanpak van het advies                                                        16
2    Universiteiten en hogescholen moeten zich meer laten leiden door de
     maatschappelijke vraag                                                      19
2.1 Instellingen zijn te weinig toekomstbestendig                                20
2.2 Het hoger onderwijs moet meer doen om studenten op de juiste plek te krijgen 24
2.3 Het hoger onderwijs is te weinig voorbereid op toekomstige leervragen        27
2.4 De toppositie van het Nederlandse onderzoek staat onder druk                 27
2.5 De impact van onderzoek op de samenleving moet sterker                       29
3    Aanbeveling: formuleer een heldere opdracht en stuur op profilering en
     resultaat                                                                   33
3.1 Verduidelijk de maatschappelijke opdracht                                    33
3.2 Bewaak de stelseldoelen en stuur op profilering en resultaat                 36
4    Aanbeveling: zet aan tot profilering en bied de instrumenten daarvoor       45
4.1 Zorg dat instellingen zich sterker profileren                                45
4.2 Verruim de mogelijkheden voor selectie                                       50
4.3 Introduceer profielbekostiging                                               52
5    Aanbeveling: bevorder de samenwerking tussen instellingen                   55
5.1 Breng samenwerking een stap verder voor meer resultaat                       55
5.2 Onderwijsnetwerken bieden studenten snel de juiste plek                      56
5.3 Excellente onderzoeksallianties voor topkennis en toptalent                  58
5.4 Missiegedreven consortia pakken maatschappelijke opgaven effectief aan       61
BIJLAGEN                                                                         65
Bijlage 1 Gebruikte afkortingen                                                  66
Bijlage 2 Geraadpleegde bronnen                                                  68
Bijlage 3 Gesprekspartners                                                       76
Het stelsel op scherp gezet                                                       3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Het stelsel op scherp gezet 4</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Het stelsel op scherp gezet 5</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Het stelsel op scherp gezet 6</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Samenvatting
In het hoger onderwijs en onderzoek neemt de mondiale concurrentie toe. Nieuwe
ontwikkelingen stellen voortdurend andere eisen aan werkenden en bieden mogelijk-
heden om onderwijs en onderzoek fors te vernieuwen. Tegelijk raakt het stelsel
overbelast. Is het stelsel voor hoger onderwijs en onderzoek goed genoeg voorbereid op
de toekomst? Wat vraagt dat van onze universiteiten en hogescholen?
Het stelsel voor hoger onderwijs en onderzoek is niet toekomstbestendig
Het hoger onderwijs en onderzoek in Nederland is niet toekomstbestendig. Weliswaar
presteert het stelsel nu nog goed in vergelijking met andere landen, maar er zijn
belangrijke knelpunten. Het hoger onderwijs moet meer doen om studenten op de juiste
plek te krijgen. Er is een mismatch tussen opleidingen en arbeidsmarkt en lang niet alle
studenten komen op een bij hen passende opleiding terecht. Bovendien is het hoger
onderwijs in Nederland te weinig voorbereid op toekomstige leervragen. Het Nederlandse
onderzoek behoort in belangrijke mate tot de wereldtop, maar die positie wordt bedreigd
omdat het onderzoek onvoldoende geprofileerd is en de financiering onder druk staat. Dit
beperkt ook de aantrekkingskracht van Nederland voor toptalent en financiering. Het
onderzoek kan veel sterker bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen
dan nu gebeurt.
Dat het stelsel niet optimaal presteert, is een gevolg van hoe het stelsel georganiseerd is
en bekostigd wordt. Daarnaast ontbreken een helder kader en regie op het niveau van
het hele stelsel. Universiteiten en hogescholen maken geen scherpe keuzes die
aansluiten bij toekomstige maatschappelijke behoeften. Ze worden nu immers beloond
voor het aanboren van zo veel mogelijk financieringsbronnen én voor groei van hun
aantal studenten. Daardoor lijken de instellingen steeds meer op elkaar.
Het stelsel moet zich meer laten leiden door de maatschappelijke vraag, want alleen dan
bieden universiteiten en hogescholen onderwijs dat voorbereidt op de arbeidsmarkt van
de toekomst. Het hoger onderwijs weet zich dan aan te passen aan de kwaliteiten en
leervragen van studenten en aan de eisen die de maatschappij stelt aan afgestudeerden.
Zo’n stelsel positioneert tegelijk het Nederlandse onderzoek beter op het internationale
speelveld en zorgt voor een grotere impact op maatschappelijke vraagstukken. Om dit te
bereiken is een aantal veranderingen noodzakelijk. De Adviesraad voor wetenschap,
technologie en innovatie (AWTI) beveelt de regering daarom het volgende aan:
Het stelsel op scherp gezet                                                                 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Aanbevelingen
1.      Verduidelijk de maatschappelijke opdracht van het stelsel
De minister van OCW moet de maatschappelijke opdracht voor het stelsel en de
instellingen periodiek aanscherpen in één strategisch kader voor hoger onderwijs,
onderzoek en valorisatie. Dat kader beschrijft de stelseldoelen en ambities en stelt
prioriteiten.
2.      Bewaak de stelseldoelen en stuur op profilering en resultaat
De minister moet meer werk maken van haar verantwoordelijkheid voor het hele stelsel.
Daarvoor houdt zij actief toezicht op hoe het stelsel als geheel presteert en hoe de
instellingen daartoe bijdragen. Dit krijgt vorm in een governance cyclus waarin de
instellingen eerst een duidelijk profiel kiezen en vastleggen in bindende instellings-
plannen. Daarin leggen ze ook hun afspraken vast die ze maken met andere instellingen
over duurzame samenwerking en hoe ze taken doelmatig verdelen of concentreren.
De minister draagt de verantwoordelijkheid om:
►       te toetsen of met de gezamenlijke plannen de maatschappelijke opdracht van het
        stelsel en de specifieke ambities uit het strategisch kader gerealiseerd worden;
►       de prestaties van de instellingen en het stelsel te monitoren;
►       een strategische dialoog met de instellingen hierover te voeren en
►       de instellingen na een bepaalde periode te evalueren.
Deze evaluatie heeft effect op de bekostiging in de volgende periode. Aan het begin van
de nieuwe periode maken de instellingen weer een nieuw instellingsplan.
3.      Overweeg om stelseltoezicht over te laten aan een specifiek orgaan
Wij geven in overweging om de uitvoering van dit stelseltoezicht over te laten aan een
specifiek orgaan. Dit vormt een buffer tussen de politiek en de autonome instellingen. Bij
de samenstelling van dit orgaan wordt een bredere inbedding in de maatschappelijke
omgeving geborgd.
4.      Zorg dat instellingen zich sterker profileren
De instellingen moeten een helder profiel kiezen op hoger onderwijs, onderzoek en
kennisverspreiding. Ze moeten concreet maken wat hun bijdrage is aan de stelseldoelen:
waar staat de instelling voor, waar is ze sterk in en wil ze sterker worden, op welke
doelgroepen richt ze zich en wat zijn de concrete ambities? Daarnaast moeten de
instellingen hun profilering en plannen ook onderling afstemmen op het niveau van
sectoren om zo onderlinge strategische taakverdeling, specialisatie en concentratie van
aanbod in onderzoek en onderwijs te realiseren. Dit profiel, inclusief de concrete ambities
en afstemming, moeten de instellingen vastleggen in bindende instellingsplannen. Het
Het stelsel op scherp gezet                                                                8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>instellingsplan komt tot stand in open en actieve dialoog met betrokkenen. Een helder
profiel is goed voor de herkenbaarheid van de instelling en zorgt voor meer variëteit in
het stelsel.
5.      Geef instellingen meer instrumenten om hun profiel te realiseren:
       a)     Verruim mogelijkheden voor selectie
Stel instellingen in staat om zich te profileren. Daarvoor is het nodig dat instellingen meer
mogelijkheden hebben om te selecteren aan de poort. Zo kunnen ze beter sturen op
studentenstromen om hun beoogde profiel te realiseren en om een betere match voor
studenten en zo ook een groter studiesucces te verwezenlijken. De toegankelijkheid van
het stelsel is van grote betekenis: studenten moeten een plek kunnen vinden in het
stelsel in lijn met hun talenten en ambities. Maar dit staat de bedoelde selectie aan de
poort niet in de weg.
       b)     Introduceer profielbekostiging
De bekostiging moet het stelsel in staat stellen om de stelselambities waar te maken en
de profilering van de instellingen bevorderen. De wijze van bekostiging moet aansluiten
bij het profiel dat instellingen kiezen. De bekostiging van universiteiten en hogescholen
vanuit de eerste geldstroom moet daarom voor een deel gekoppeld worden aan het
realiseren van het profiel en de ambities in hun instellingsplan.
6.      Bevorder de samenwerking tussen instellingen
Door een doeltreffende en doelmatige samenwerking voldoen universiteiten en hoge-
scholen beter aan de verwachtingen van de samenleving. De instellingen moeten in
structurele samenwerkingsverbanden hun krachten bundelen. Deze samenwerkings-
verbanden staan ook open voor internationale partners. Ze gaan deze samenwerking aan
voor meerdere jaren en met duidelijke herkenbaarheid voor de buitenwereld op het
gebied van onderwijs, toponderzoek, of missiegedreven onderzoek en innovatie.
In onderwijsnetwerken organiseren universiteiten en hogescholen een complementair
aanbod van bachelor- en masteronderwijs, voor verschillende doelgroepen en met
verschillende oriëntaties. Ze bieden mogelijkheden voor heroriëntatie en schakelen.
Daarmee verbeteren ze de doorstroommogelijkheden. Op deze manier zal het stelsel
beter in staat zijn studenten sneller op de juiste plek te krijgen.
In excellente onderzoeksallianties verbinden sterke onderzoeksgroepen van
universiteiten en wetenschappelijke instituten zich rond specifieke onderzoeksgebieden,
technologiegebieden en thema’s om gezamenlijk de wereldtop in onderzoek te bereiken.
Met excellente onderzoeksallianties ontwikkelt het Nederlandse onderzoek zichtbaar
Het stelsel op scherp gezet                                                                  9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>leiderschap in toponderzoek op wereldschaal. Dit trekt toptalent en private investeringen
in onderzoek en ontwikkeling aan.
In missiegedreven consortia werken universiteiten en hogescholen samen met andere
publieke kennisorganisaties, bedrijven en maatschappelijke organisaties om
maatschappelijke opgaven effectief aan te pakken. Voor complexe maatschappelijke
opgaven is intensieve samenwerking langs de hele keten van onderzoek tot praktijk
nodig om de benodigde kennis en kunde samen te brengen.
Het stelsel op scherp gezet                                                              10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                            ADVIES
Het stelsel op scherp gezet        11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Het stelsel op scherp gezet 12</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                                                                                                           1
1 Aanleiding: zijn het hoger onderwijs en
  onderzoek klaar voor de toekomst?
                In het hoger onderwijs en onderzoek neemt de mondiale concurrentie toe.
                Nieuwe ontwikkelingen stellen voortdurend andere eisen aan werkenden
                en bieden mogelijkheden om onderwijs en onderzoek fors te vernieuwen.
                Tegelijk raakt het stelsel overbelast. Wat vraagt dit van universiteiten en
                hogescholen? Is het stelsel voor hoger onderwijs en onderzoek goed
                genoeg voorbereid op de toekomst?
  1.1 Mondiale ontwikkelingen vragen aandacht
  Universiteiten en hogescholen opereren in een internationaal krachtenveld tussen
  maatschappij, overheid en markt. Tal van ontwikkelingen beïnvloeden hun positie en hun
  functioneren, en daarmee ook de prestaties van het stelsel voor hoger onderwijs en
  onderzoek.
  Steeds sterkere mondiale competitie
  Wetenschap is steeds meer een mondiale community waarin onderzoekers digitaal en
  anderszins netwerken, samenwerken, elkaar opzoeken en kennis delen. Bedrijven
  zoeken mondiaal naar het beste onderzoek en zetten samenwerkingsverbanden op met
  instellingen die tot de top behoren.1 De internationale mobiliteit van studenten neemt toe
  en de groei van studenten in de wereld komt vooral uit opkomende economieën in Azië,
  Zuid-Amerika en Afrika.2 Ook in Nederland is het aantal internationale studenten de
  afgelopen jaren sterk toegenomen: zij vormen inmiddels 11,5 procent van de totale
  studentenpopulatie.3 De internationale studenten vertegenwoordigen zo’n 170
  nationaliteiten. Steeds meer studenten komen van buiten de Europese Economische
  Ruimte: zij vormen inmiddels 27 procent van het totaal aantal internationale studenten.4
  Het is lastig in te schatten hoe de instroom van buitenlandse studenten zich zal
  ontwikkelen, maar de verwachting is dat het aantal studenten vanuit Nederland de
  komende tien jaar zal afnemen onder invloed van demografische ontwikkelingen.
  Hogescholen krijgen hier eerder mee te maken dan universiteiten.5
  1.   The Economist (2015a); The Economist (2018a).
  2.   The Economist (2015c); UNESCO (2017).
  3.   Bij hogescholen is het aandeel van internationale studenten zes procent en bij universiteiten is dat aandeel 19 procent.
  4.   Steehouder, L. en F. van Donselaar (2019).
  5.   Ministerie van OCW (2018); Minister van OCW (2018).
  Het stelsel op scherp gezet                                                                                                   13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Er is mondiale concurrentie tussen instellingen om studenten, topwetenschappers en
onderzoeksmiddelen. Met het oog op hun carrière kiezen studenten voor instellingen die
een uitstekende reputatie hebben of die aantrekkelijke opleidingen bieden met goede
carrièreperspectieven.6 Diverse universiteiten openen filialen in andere landen.7
Overheden en universiteiten proberen topwetenschappers aan zich te binden met
investeringen in nieuwe onderzoekcentra en met aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden.8
Reputatie is belangrijk en er wordt steeds meer belang gehecht aan internationale
rankings van universiteiten. Wie in de top van de rankings komt, kan meer studenten en
topwetenschappers aantrekken en daarmee meer financiering binnenhalen voor zowel
onderwijs als onderzoek. Diverse landen zetten dan ook extra in op het bereiken van zo’n
toppositie voor hun instellingen.
Topuniversiteiten uit de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk hebben van
oudsher een sterke reputatie en kunnen steunen op aanzienlijke private financiering,
mede afkomstig van gefortuneerde alumni. Ook Zwitserland scoort hoog, onder andere
door stabiel beleid, selectieve genereuze financiering en heldere profielen van de
instellingen.9 Vooral aan deze landen verliest Nederland topwetenschappers.10 Duitsland
werkt al een aantal jaren aan het versterken van zijn universiteiten, onder andere via
excellentieclusters (Exzellenzcluster) en het gericht binnenhalen van topwetenschappers.
Vlaanderen weet topgroepen te verbinden in succesvolle onderzoeksinstituten zoals het
Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB). In Frankrijk zijn verschillende instellingen
samengevoegd tot één instelling, Paris Sciences et Lettres, om daarmee in de top van de
internationale ranglijsten te komen. De Nederlandse universiteiten staan bijna allemaal in
de top-200 in de verschillende rankings, maar ze behoren niet tot de top-50.11
De internationale concurrentie komt steeds vaker uit China. Het aandeel van Chinese
wetenschappers in het totaal aantal wetenschappelijke publicaties in de wereld neemt
sterk toe, net als de wetenschappelijke impact in het bijzonder in de vakgebieden natuur-
wetenschappen, engineering en wiskunde. Nog even en China streeft de VS voorbij in de
wetenschap.12 Dit gebeurt allemaal in een wereld waarin bestaande economische
6.   The Economist (2016).
7.   The Economist (2018b).
8.   Noort, W. van (2018); KNAW (2018a),; Dijck, J. van en W. van Saarloos (2017); Verhagen, L. (2018).
9.   Dudenbostel, T. en B. Tiefenthaler (2018); Krcal, A. en B. Bryan (2018).
10.  AWTI (2017b).
11.  Zie bijvoorbeeld de ranking van Nederlandse universiteiten in de Times Higher Education World University Rankings 2019. Deze
     ranking is gebaseerd op prestaties in onderwijs, onderzoek, citaties, inkomsten uit bedrijfsleven en internationale oriëntatie.
     Zeven Nederlandse universiteiten behoren tot de top-100. De andere universiteiten hebben een plek in de top-200. Als alleen
     naar de prestaties in onderzoek wordt gekeken scoort één Nederlandse universiteit een plek bij de top-50 en hebben nog eens
     zes universiteiten een plek bij de top-100. De positie van Nederlandse universiteiten verschilt sterk tussen de verschillende
     rankings. Zie Koens, L. et al (2018a) en Vennekens et al (2018) voor meer informatie over de positie van Nederlandse
     universiteiten in de rankings.
12. Orszag, P.R. (2018).
Het stelsel op scherp gezet                                                                                                          14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>samenwerkingsrelaties ter discussie staan en strategische en geopolitieke belangen juist
op het gebied van kennis, data en innovatie steeds belangrijker worden.
Veranderende eisen aan werkenden
Technologie heeft een belangrijke invloed op werkgelegenheid, arbeidsproductiviteit en
de inhoud van het werk.13 Door automatisering, digitalisering en robotisering verdwijnen
sommige banen, veranderen functies en komen er ook nieuwe banen. Dit geldt voor alle
typen werkzaamheden: productie, dienstverlening en advisering. 14 Mensen zullen
constant hun vaardigheden moeten ontwikkelen om daarin mee te kunnen bewegen: ze
moeten een ‘leven lang ontwikkelen’.15
Nieuwe onderwijsvormen16
Onderwijs gaat voor een groot deel online. Steeds meer instellingen, publiek en privaat,
bieden online studiemateriaal aan. De verspreiding gaat langzamer dan verwacht, maar
de verwachting is dat online onderwijs in de toekomst een grote rol gaat spelen, al dan
niet in combinatie met verdieping en discussie in traditionele werkgroepen. Met data
analytics kan men leerprocessen en leerprestaties digitaal meten, verzamelen en
analyseren, en zo met meer inzicht het leerproces optimaliseren. Met behulp van virtual
en augmented reality kunnen realistische digitale leeromgevingen worden gecreëerd. Dit
stimuleert het leren-door-te-doen; het draagt bij aan de effectiviteit van het leerproces.
Technologische ontwikkelingen ondersteunen ook de ontwikkeling naar probleem-
gestuurd onderwijs. Studenten werken in teams aan projecten, proberen complexe
problemen op te lossen en combineren daarin meerdere disciplines. Vaak zijn bedrijven
nauw betrokken in de ontwikkeling van het curriculum, als leverancier van de projecten.
Meer mogelijkheden voor wetenschap door burgers
De scheiding tussen wetenschappers en geïnteresseerde burgers wordt door technolo-
gische ontwikkelingen kleiner. Open science – de vrije toegang, begrijpelijkheid en het
mogelijke hergebruik van wetenschappelijke kennis17 – maakt citizen science mogelijk:
wetenschap door burgers.18 Ook innovatie is niet meer uitsluitend voorbehouden aan
specialisten, doordat gebruikers van een product of dienst actief betrokken kunnen zijn bij
de ontwikkeling en verbetering of er zelfs de initiator van zijn.
13. Jong, H. de en J.L. van Zanden (2015).
14. Nedelkoska, L. en G. Quintini (2018); Berger, T. en C. Frey (2016).; Est, R. van en L. Kool (2015); Went, R. et al (2015); Weel, B.
     ter (2015); Zweck, A. et al (2015).
15. Zweck, A. et al (2015); The Economist (2017a).
16. Snijders, D. (2018); The Economist (2015b); The Economist (2015d).
17. AWTI (2016a).
18. The Economist (2017b).
Het stelsel op scherp gezet                                                                                                          15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Aansluiten op de ontwikkelingen lukt onvoldoende
Wat van de instellingen voor hoger onderwijs en onderzoek gevraagd wordt, verandert in
de tijd en vindt steeds meer plaats in een internationale context. Er zijn signalen dat het
de instellingen in het stelsel niet lukt om de veranderingen in de maatschappelijke
verwachtingen te volgen. Zo hebben de instellingen door capaciteitsgebrek moeite om
voldoende studenten in bèta- en techniekstudies op te leiden en is er een overschot aan
afgestudeerden in enkele andere studies. Het Nederlandse stelsel voor hoger onderwijs
is ook onvoldoende ingesteld op leven lang ontwikkelen en is nog op zoek naar een
geschikte inhoud, vorm en rol van digitalisering in het onderwijs. Het Nederlandse
onderzoek behoort in belangrijke mate tot de wereldtop, maar die positie wordt bedreigd
omdat het onderzoek onvoldoende geprofileerd is en de financiering onder druk staat.
Daarnaast kan nieuwe kennis nog beter ten goede komen aan de samenleving. De
knelpunten in de aansluiting op de maatschappelijke verwachtingen komen uitgebreid
aan bod in hoofdstuk twee.
1.2 Adviesvraag: hoe is het stelsel goed voor te bereiden op
de toekomst?
Deze ontwikkelingen roepen de vraag op of het stelsel voor hoger onderwijs en
onderzoek, zoals we dat in Nederland georganiseerd en bekostigd hebben, toekomst-
bestendig is.
In het werkprogramma van de AWTI is, na afstemming met de ministeries van OCW en
EZK, als centrale vraag voor het advies opgenomen: hoe kan de overheid het stelsel van
hoger onderwijs en onderzoek zodanig vormgeven dat de instellingen (universiteiten en
hogescholen) de ruimte hebben en ook gestimuleerd worden om hun functies goed te
vervullen en daarmee hun belang voor de samenleving waar te maken?
Scherper gesteld gaat het dan om de vraag:
     Is het stelsel voor hoger onderwijs en onderzoek goed genoeg voorbereid
     op de toekomst? Zo nee, wat moet er veranderen om de toekomstbestendig-
     heid van het stelsel te versterken?
1.3 Aanpak van het advies
Om te adviseren over de toekomstbestendigheid van het stelsel voor hoger onderwijs en
onderzoek is het stelsel benaderd ‘van buiten naar binnen’. Wat zijn de publieke functies
die het stelsel en de instellingen voor hoger onderwijs en onderzoek hebben? Wat vraagt
de samenleving van het stelsel? Tegen het licht van die functies hebben we in dit advies
gekeken naar het functioneren van het stelsel nu. We hebben dit aangevuld met een
Het stelsel op scherp gezet                                                                 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>analyse van ontwikkelingen die in de toekomst voor het stelsel van belang zijn. Dit levert
een beeld op van de belangrijkste knelpunten en uitdagingen voor de
toekomstbestendigheid van het stelsel. We concentreren ons op de bekostigde
hogeronderwijsinstellingen en laten de niet-bekostigde instellingen buiten beschouwing.
Bovendien is gekeken naar ervaringen in het buitenland. Er zijn twee achtergrondstudies
gemaakt over de organisatie en het functioneren van het stelsel voor hoger onderwijs en
onderzoek: één over het stelsel in Engeland als onderdeel van het Verenigd Koninkrijk en
één over het stelsel in Zwitserland.19 Daarnaast is gekeken naar ervaringen in
Vlaanderen, Duitsland en Ierland. Inzichten uit deze internationale analyses hebben we
verwerkt in dit adviesrapport.
Bij de voorbereiding van het advies hebben we naast literatuuronderzoek gesprekken
gevoerd met diverse belanghebbenden, onder wie studenten, wetenschappers,
bestuurders, beleidsmakers en vertegenwoordigers uit de samenleving en het
bedrijfsleven. Een overzicht van de gesprekspartners is opgenomen in bijlage drie.
Hoofdstuk twee opent met de kern van het advies: het stelsel moet zich meer richten op
wat de samenleving vraagt. Het hoofdstuk onderbouwt deze boodschap door te laten
zien wat de knelpunten en uitdagingen voor het stelsel zijn. Hoofdstukken drie, vier en vijf
geven aanbevelingen aan de regering om het stelsel toekomstbestendiger te maken.
   Dit advies is voorbereid door een projectgroep bestaande uit de raadsleden Sjoukje
   Heimovaara (voorzitter), Dave Blank, Koenraad Debackere en Arno Peels, en
   stafleden Hamilcar Knops en Annelieke van der Giessen (penvoerders), Paula Gouw,
   Inge van den Bosch en student-stagiair Isabelle Schroeten.
19. Beide achtergrondstudies (Dudenborstel, T en B. Tiefenthaler, 2018; Krcal, A. en B. Bryan, 2018) zijn gemaakt door Technopolis
     group en zijn beschikbaar via de website van de AWTI (www.awti.nl).
Het stelsel op scherp gezet                                                                                                     17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Het stelsel op scherp gezet 18</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                                                                                    2
2 Universiteiten en hogescholen moeten
  zich meer laten leiden door de
  maatschappelijke vraag
                Het stelsel voor hoger onderwijs en onderzoek presteert weliswaar goed in
                vergelijking met dat van andere landen, maar het is onvoldoende voor-
                bereid op de toekomst. Het hoger onderwijs moet zich veel meer laten
                sturen door de maatschappelijke vraag naar hoger opgeleiden. De sterke
                positie van het Nederlandse onderzoek staat onder druk en het onderzoek
                kan sterker bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen.
  Voor een toekomstbestendig stelsel is het cruciaal dat instellingen zich meer gaan richten
  op de maatschappij. Universiteiten en hogescholen hebben een maatschappelijke
  opdracht die in de wet breed geformuleerd is, en waarvan de instellingen ruimte hebben
  om die zelf nader in te vullen. Ze maken daarbij echter geen scherpe keuzes die
  aansluiten bij toekomstige maatschappelijke behoeften. Dat komt doordat de instellingen
  nu vooral worden beloond voor het aanboren van zo veel mogelijk externe financierings-
  bronnen én voor groei van hun aantal studenten. De instellingen volgen daarmee meer
  de studiekeuze van studenten dan dat ze sturen in de richting van de behoefte uit de
  maatschappij. Het onderwijs en onderzoek van de instellingen wordt daardoor steeds
  breder in plaats van geprofileerder. Het stelsel als geheel is daardoor minder goed in
  staat om aan de veelvormige maatschappelijke verwachtingen te voldoen of om flexibel
  in te spelen op snelle veranderingen in de wereld. Bovendien werkt de ruime autonomie
  van instellingen soms belemmerend voor de benodigde afstemming om het stelsel als
  geheel beter te laten presteren.
  In een stelsel dat zich meer richt op de maatschappelijke vraag bieden universiteiten en
  hogescholen onderwijs dat voorbereidt op de arbeidsmarkt van de toekomst. Het hoger
  onderwijs weet zich dan aan te passen aan de kwaliteiten en leervragen van studenten
  en aan de eisen die de maatschappij stelt aan afgestudeerden. Zo’n stelsel positioneert
  tegelijk het Nederlandse onderzoek beter op het internationale speelveld en zorgt voor
  een grotere impact op maatschappelijke vraagstukken. Het is dus toekomstbestendiger.
  Het stelsel op scherp gezet                                                              19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>2.1 Instellingen zijn te weinig toekomstbestendig
Universiteiten en hogescholen zijn instellingen van en voor de samenleving. Zij werken
met publieke middelen en verlenen maatschappelijke diensten.20 Hun maatschappelijke
opdracht is: leid mensen op op academisch of hogerberoepsniveau, verricht onderzoek
en draag kennis over ten behoeve van de maatschappij (zie het tekstkader). Daarom
stopt de samenleving ook veel publiek geld in het stelsel. Aan de relevantie van hun
maatschappelijke bijdrage ontlenen de instellingen hun legitimiteit. Studenten willen
opleidingen kunnen volgen die passen bij hun kwaliteiten en ambities, de arbeidsmarkt
verwacht dat afgestudeerden de gezochte kennis en vaardigheden hebben. De
samenleving verwacht dat onderzoek gedaan wordt waarmee de grenzen van de
wetenschap worden verlegd, waarbij de instellingen de kans krijgen vooruit te kijken en
kennispaden te creëren waaraan de maatschappij zelf nog niet denkt. De samenleving
verwacht ook dat onderzoek leidt tot toepassingen en oplossingen voor maatschappelijke
en economische vraagstukken. Al deze zaken zijn belangrijk voor Nederland als
kenniseconomie.
Om legitimiteit te behouden is het cruciaal dat de instellingen voeling houden met de
verwachtingen in de samenleving en eventuele veranderingen hierin. Worden andere
opleidingen gevraagd en zijn andere vaardigheden belangrijk geworden? Lukt het om de
nieuwe kennis voldoende te laten landen in samenleving en bedrijfsleven? De omgeving
zal met aandacht èn kritisch volgen in hoeverre instellingen op een goede manier blijven
beantwoorden aan hun maatschappelijke opdracht. Scherp gesteld: instellingen kunnen
het zich niet veroorloven om geen aandacht te besteden aan wat de samenleving
daadwerkelijk van ze verwacht en hoe die verwachting verandert. Door aandacht te
besteden aan wat de samenleving vraagt, kan het maatschappelijk draagvlak voor
publieke bekostiging van hoger onderwijs en onderzoek groter worden.
Instellingen oriënteren zich nu niet optimaal op wat de maatschappij van het stelsel en de
instellingen vraagt. Dit is een gevolg van de wijze waarop het stelsel voor hoger onderwijs
en onderzoek nu georganiseerd is en bekostigd wordt. Daardoor presteert het stelsel
voor hoger onderwijs en onderzoek niet optimaal en zullen de prestaties op een aantal
terreinen in de toekomst verslechteren.
20. AWT (2003). Voor een kort overzicht hoe de verschillende Nederlandse universiteiten zichzelf karakteriseren o.a. qua positie en
     opdracht, zie: Chiong Meza (2012), p. 4.
Het stelsel op scherp gezet                                                                                                       20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>   Maatschappelijke opdracht
   De maatschappelijke opdracht van universiteiten en hogescholen omvat drie functies:
   onderwijs, onderzoek en overdracht van kennis ten behoeve van de maatschappij.
   Het stelsel voor hoger onderwijs en onderzoek moet de functies invullen:
   ►        Onderwijs: Zorgen voor een balans in het stelsel tussen de vraag naar afgestu-
            deerden in bepaalde richtingen en niveaus en het aanbod van afgestudeerden.
            Afgestudeerden beschikken over kennis en vaardigheden die ingezet kunnen
            worden voor de arbeidsmarkt en de maatschappij. Instellingen leren studenten
            kennis en vaardigheden op onafhankelijke, analytische en kritische wijze te
            interpreteren, toe te passen en er over te communiceren. Bovendien bieden de
            instellingen studenten de gelegenheid zich te ontplooien en te vormen, en een
            opleiding te volgen die past bij hun persoonlijke talenten, ambities en interesses.
            Deze opdracht geldt niet alleen voor initiële opleidingen, maar ook daarna.
   ►        Onderzoek: Zorgen voor onderzoek dat bijdraagt aan het ontwikkelen van
            kennis, kunde en vaardigheden in de opleidingen, waarbij de oriëntatie van
            opleiding en onderzoek overeenkomen. Daarnaast voeren de instellingen
            onderzoek uit dat resulteert in nieuwe kennis en nieuwe antwoorden op
            onderzoekvragen. Deze nieuwe kennis creëert nieuwe kennispaden en draagt
            bij aan de ontwikkeling van nieuwe toepassingen en oplossingen voor maat-
            schappelijke en economische vraagstukken en de ontwikkeling van de beroeps-
            praktijk. De brede kennisbasis is van bovengemiddeld niveau en er is plaats
            voor het realiseren van onderzoek van wereldklasse in Nederland.
   ►        Verspreiding en benutting van kennis: Zorgen dat geproduceerde en
            opgedane kennis zich maximaal verspreidt en gedeeld wordt, niet alleen opdat
            de samenleving en het bedrijfsleven de kennis optimaal kunnen benutten, maar
            ook om daarmee het maatschappelijk debat te voeden.
Bekostigingsstelsel stimuleert focus op maatschappelijke verwachtingen niet
Binnen de breed geformuleerde opdracht uit de wet kunnen instellingen zelf hun profiel
kiezen. Het huidige bekostigingsstelsel beloont instellingen echter vooral voor
handhaving of groei van hun marktaandeel aan studenten en om in de breedte te zoeken
naar extra bronnen van financiering voor onderzoek. Het stelsel van bekostiging beloont
instellingen momenteel niet voor hun werkelijke bijdrage aan de maatschappij of voor het
maken van onderscheidende keuzes.
Het stelsel op scherp gezet                                                                     21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Focus op groei leidt tot verbreding aanbod en minder flexibiliteit
Het stelsel voor hoger onderwijs en onderzoek kent verschillende typen instellingen. Er is
onderscheid tussen het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs,
tussen algemene instellingen en gespecialiseerde (zoals technische universiteiten of
hogescholen voor de kunsten) en tussen instellingen die sterk zijn in bepaalde
vakgebieden of in een bepaalde onderwijsaanpak. Een palet aan verschillende profielen
stelt het stelsel in staat om de maatschappelijke opdracht goed te vervullen, in
verschillende richtingen te blijven innoveren en internationaal concurrerend te zijn.
Universiteiten en hogescholen zijn de afgelopen jaren echter steeds meer op elkaar gaan
lijken doordat ze elk hun aanbod van onderwijs en onderzoek hebben verbreed.
Daardoor is de variatie in het stelsel afgenomen (zie tekstkader).
    Variatie in stelsel hoger onderwijs en onderzoek is afgenomen
    Tot deze constatering kwam de Commissie Toekomstbestendig Hoger Onderwijs
    Stelsel (commissie-Veerman) al in 2010.21 Daarom pleitte deze commissie voor meer
    differentiatie. Ondanks de ingezette maatregelen – waaronder de verzelfstandiging
    van associate degree-opleidingen, de bekostiging van de masteropleidingen bij
    hogescholen en de prestatieafspraken over onderwijskwaliteit, studiesucces, zwaarte-
    puntvorming en profilering – constateerde de Reviewcommissie Hoger Onderwijs en
    Onderzoek in 2017 dat de differentiatie in het stelsel niet is toegenomen.22 Grosso
    modo is het onderwijsaanbod niet verder gedifferentieerd en is er bij de individuele
    instellingen juist sprake van verbreding in het aanbod van bachelor- en master-
    opleidingen. De instroom in de masteropleidingen in het hbo is beperkt en de
    instroom van vwo’ers in het hbo is verder gedaald. Ook concludeerde de Review-
    commissie dat universiteiten op steeds meer onderzoeksgebieden actief zijn, in
    steeds meer subdisciplines publiceren en dat er geen concentratie van onderzoeks-
    activiteiten op zwaartepunten had plaatsgevonden.
    Weliswaar was profilering van instellingen onderdeel van de prestatieafspraken
    tussen de overheid en de instellingen, maar dit aspect heeft minder aandacht
    gekregen dan gewenst, zo constateerde de Reviewcommissie. Ook de Evaluatie-
    commissie prestatiebekostiging hoger onderwijs (commissie-Van de Donk)
    concludeerde dit.23 De financiële consequenties van de afspraken waren beperkt en
    dus was er geen financiële prikkel om het anders te gaan doen. Ook was er geen
    stimulans om minder activiteiten te ondernemen en zo focus aan te brengen.
21. Commissie Toekomstbestendig Hoger Onderwijs Stelsel (2010).
22. Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek (2017a); Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek (2017b).
23. Evaluatiecommissie prestatiebekostiging hoger onderwijs (2017).
Het stelsel op scherp gezet                                                                                     22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Benodigde afstemming in hele stelsel komt onvoldoende van de grond
Instellingen voor hoger onderwijs en onderzoek hebben in het Nederlandse stelsel veel
autonomie. Dit stelt ze in staat om hun eigen ambities te formuleren en keuzes te maken.
Instellingen hebben die autonomie nodig om vanuit hun eigen context, aanpak en
processen te kunnen omgaan met de dynamiek in hun omgeving. De keerzijde hiervan is
dat instellingen vooral gericht zijn op hun eigen activiteiten en prioriteiten en zich minder
richten op overkoepelende, maatschappelijke belangen. Hierdoor functioneert het stelsel
als geheel ondoeltreffend en ondoelmatig.
Er is een betere balans nodig tussen autonomie enerzijds en toezicht en sturing vanuit de
overheid anderzijds. De minister van OCW heeft stelselverantwoordelijkheid en
waarborgt de publieke belangen van hoger onderwijs en onderzoek. De huidige
instrumenten waarmee de minister toezicht kan houden en sturen, en de manier waarop
deze nu worden toegepast, zijn niet voldoende. Deze instrumenten hebben elk betrekking
op een onderdeel van het stelsel of een deelaspect van de functies van de instellingen.
Ieder voor zich bieden ze geen mogelijkheid voor algehele coördinatie en afstemming op
het niveau van het gehele stelsel. De Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs
(CDHO) beoordeelt bijvoorbeeld de macrodoelmatigheid van een nieuw te starten
opleiding. De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) beoordeelt op haar
beurt de kwaliteit van de opleidingen en de afspraken over onderwijskwaliteit met de
instellingen. Deze aanpak leidt tot onvoldoende coördinatie en afstemming in het gehele
stelsel.
Neiging tot zelfgenoegzaamheid staat verandering in de weg
Omdat het Nederlandse stelsel in vergelijking met andere stelsels goed presteert en het
veel heeft opgeleverd, bestaat het gevaar van zelfgenoegzaamheid: “We doen het goed,
dus we vervullen onze taken goed”. Veelgehoord is ook de vraag om vertrouwen en de
weerstand tegen meer eisen aan verantwoording.24
Voor zelfgenoegzaamheid is echter geen ruimte. Het stelsel mag dan functioneren, het
werkt niet optimaal en is niet toekomstbestendig. Dit komt onder andere naar voren in
een mismatch tussen hoger opgeleiden en de arbeidsmarkt. Bovendien geldt dat, als
men geen heldere keuzes maakt, men niet kan excelleren, noch flexibel kan inspelen op
maatschappelijke uitdagingen. Dit werken we in de volgende paragrafen uit.
24. Zie bijvoorbeeld reactie van stakeholders op prestatieafspraken in Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek (2017b);
     VSNU (2015); Graaf, Th. de (2018); Vereniging Hogescholen (2017).
Het stelsel op scherp gezet                                                                                                  23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>2.2 Het hoger onderwijs moet meer doen om studenten op de
juiste plek te krijgen
Het Nederlandse hoger onderwijs weet een grote groep vooral jonge mensen op te leiden
in een academische of beroepsgerichte oriëntatie. Internationaal gezien doet Nederland
het goed.25 Niettemin kan het op een aantal punten beter. Het gaat om drie zaken:
voorkomen van mismatches, verbeteren van doorstroom in het hoger onderwijs en een
scherper onderscheid tussen beroepsgericht en academisch onderwijs.
Mismatch opleidingen en arbeidsmarkt, student en opleiding
Het stelsel levert niet de juiste mix aan afgestudeerden die de arbeidsmarkt vraagt, niet
qua oriëntatie (beroepsgericht of academisch), noch qua niveau en studierichting. Zo is
er een overschot aan afgestudeerden die daarom geen baan kunnen krijgen op minstens
het eigen opleidingsniveau (taal, cultuur, gedrag en maatschappij), en een tekort in
andere sectoren (bèta en techniek, zorg).26 Daarnaast is er in bepaalde richtingen een
overschot aan academisch en een tekort aan beroepsgericht opgeleiden.27 Daarmee
wordt zowel de studenten als de maatschappij tekort gedaan.
Bovendien komen niet alle studenten op een bij hen passende opleiding terecht. In
Nederland laten ze hun studiekeuze niet per se bepalen door arbeidsmarktperspectieven;
factoren als sociaaleconomische achtergrond of reisafstand tot de opleiding spelen een
belangrijke rol. Daarnaast wordt de keuze tussen academisch onderwijs of beroeps-
onderwijs sterk bepaald door de genoten vooropleiding en niet door wat beter bij een
persoon past. Hoewel vwo’ers zowel naar het wetenschappelijk onderwijs als naar het
hbo kunnen, kiezen ze bijna allemaal voor het eerste. Dit terwijl lang niet alle vwo’ers op
hun plek zijn bij de universiteit; sommigen zouden bij een beroepsgerichte opleiding beter
tot hun recht komen.28 Het helpt niet dat de studievoorlichting voor wo- en hbo-
opleidingen veelal gescheiden plaatsvindt en daardoor een goede afweging tussen beide
onderwijstypen lastiger maakt.29 Verder ontbreekt het vaak aan soepele mogelijkheden
voor een overstap van het ene type opleiding naar het andere, bijvoorbeeld na een eerste
studiejaar.
Ook is de studie-efficiëntie onvoldoende. Zowel in het hbo als in het wo stopt ongeveer
één op de drie studenten in het eerste jaar met de opleiding. Sommigen stappen over
naar een andere opleiding, maar in het hbo is de uitval na het eerste jaar hoog: 15
25.  U-Multirank (2019); OESO (2018).
26.  Het aandeel STEM-studenten is in Nederland het laagste van alle rijke landen; ROA (2017); UWV (2018).
27.  https://www.onderwijsincijfers.nl/; ROA (2017); Vereniging Hogescholen (2018); Nationale Alumni Enquête (2018).
28.  Inspectie van het Onderwijs (2018a); Warps, J. et al (2011); Vereniging Hogescholen (2019).
29.  Allen, J. et al (2016); Laer, E. toe (2017); Nimwegen, N. van (2016).
Het stelsel op scherp gezet                                                                                          24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>procent van de studenten stopt definitief na het eerste jaar. In het wo is dat iets meer dan
zes procent.30 Van degenen die hun oorspronkelijke studie vervolgen, heeft in het wo
slechts 71 procent na de formele studieduur plus één jaar de bachelor gehaald. In het
hbo is dat percentage 61. Het studiesucces verschilt per groep studenten. Zo heeft het
opleidingsniveau van ouders invloed, is het studiesucces bij vrouwen hoger dan bij
mannen en doen studenten met een migratieachtergrond het minder goed in het hoger
onderwijs dan studenten zonder deze achtergrond.31
Doorstroom is onvoldoende
Een ander punt is dat de doorstroom in het hoger onderwijs niet altijd even soepel gaat.32
Zelfs als de bachelor en master naadloos op elkaar aansluiten zijn er bij twee van de vijf
masters aanvullende eisen voor instroom in de master, zoals aanvullende toetsen en een
motivatiebrief. In andere gevallen wordt selectie toegepast of is het noodzakelijk om eerst
een pre-master te volgen. De overstap van een hbo-propedeuse naar het weten-
schappelijk onderwijs is geen automatisme meer. Bijna één op de vijf universitaire
masteropleidingen is niet toegankelijk voor studenten met een hbo-bachelor, terwijl dat
wel de bedoeling is. Ook zijn er veel verschillen tussen universiteiten.33 Er zijn ook –
zowel voor universitaire als voor hbo-studenten – financiële drempels door de invoering
van het leenstelsel, niet bekostigde pre-masters en hogere collegegelden voor extra
masters. De drempels zijn weliswaar ingesteld om de onderwijskwaliteit te verbeteren,
maar de mogelijkheden voor doorstroom en heroriëntatie voor studenten zijn daarmee
wel beperkt.
Beroepsonderwijs minder gewaardeerd dan wetenschappelijk onderwijs
Zowel de academische als de beroepsgerichte oriëntatie in het hoger onderwijs is van
grote waarde, maar in de praktijk wordt het beroepsonderwijs minder gewaardeerd dan
het wetenschappelijk onderwijs.34 Vwo’ers zien het hbo niet als een aantrekkelijke optie.
Zo’n 85 procent van de vwo’ers kiest direct voor een wo-studie.35 Studievoorlichting op
het vwo stimuleert in de eerste plaats een keuze voor het wo en de omgeving van
vwo’ers verwacht dat je met een vwo-diploma naar de universiteit gaat. Vwo’ers
verwachten ook dat er een niveauverschil is tussen beroepsonderwijs en
30. Een groter deel dan in het hbo stapt in het wo over naar een andere opleiding.
31. Inspectie van het Onderwijs (2019b).
32. Inspectie van het Onderwijs (2018a); Inspectie van het Onderwijs (2018b); Inspectie van het Onderwijs (2019a); Herweijer, L. en
     M. Turkenburg (2016).
33. Inspectie van het Onderwijs (2019a).
34. Inspectie van het Onderwijs (2018b); Warps, J. et al (2011); Nationale Studentenenquête (2017); Allen, J. et al (2016).
35. Inspectie van het Onderwijs (2018b).
Het stelsel op scherp gezet                                                                                                       25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>wetenschappelijk onderwijs. Verder denken zij dat een wo-diploma meer waard is en
meer status heeft dan een hbo-diploma.36
De voorkeur van werkgevers voor een hbo’er of wo’er hangt vooral samen met de aard
van de betreffende functie, maar ze betalen afgestudeerde wo’ers wel meer dan
afgestudeerde hbo’ers.37 Hbo-afgestudeerden betreden in de regel de arbeidsmarkt al na
het halen van een hbo-bachelor, terwijl na de wo-bachelor bijna alle studenten doorgaan
voor een master.38
Onderscheid tussen academische en beroepsgerichte opleidingen vervaagt
De verschillen tussen beroepsgeoriënteerde en academische opleidingen zijn in het
hoger onderwijs steeds minder zichtbaar, zowel op bachelor- als op masterniveau. De
commissie-Veerman deed al in 2010 de aanbeveling dat de universiteiten het
wetenschappelijk karakter van de opleidingen moesten versterken en de hogescholen de
beroepsoriëntatie, maar in 2017 constateerde de Reviewcommissie dat deze profilering
achterwege gebleven is.39 De afspraken die de instellingen hebben gemaakt over
differentiatie in het onderwijs gingen vooral over hoe zij het aanbod konden toesnijden op
doelgroep, vorm en niveau. Bijvoorbeeld via de ontwikkeling van brede bachelors,
excellentietrajecten en professionele masters. De instellingen maakten geen afspraken
over differentiatie in oriëntatie (beroepsgericht versus academisch) of in vakgebied of
sector. Sterker nog, regelmatig klinkt de klacht dat universiteiten de beroepsgerichte kant
op gaan (professional drift) of dat hogescholen academisch georiënteerde opleidingen
opzetten (academic drift).40
Het is lastig dat de behoeftes nu en in de toekomst vanuit de arbeidsmarkt niet duidelijk
zijn. Wat is er nodig aan vaardigheden en kennis? De ontwikkeling van die behoeftes kan
snel gaan: op het moment van afstuderen kunnen andere competenties nodig zijn dan bij
de aanvang van de studie. Het is ook voor werkgevers lastig in te schatten wat ze in de
toekomst nodig hebben en bovendien is het werkveld in veel sectoren niet zodanig
georganiseerd dat die vraag helder op tafel ligt.
36.  Warps, J. et al (2011).
37.  SEO economisch onderzoek (2018).
38.  Nationale Studentenenquête (2017).
39.  Commissie Toekomstbestendig Hoger Onderwijs Stelsel (2010) en Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek (2017a en
     b).
40. Wind, C. (2017); Bormans, R. (2018); Floor, T. (2016).
Het stelsel op scherp gezet                                                                                             26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>2.3 Het hoger onderwijs is te weinig voorbereid op
toekomstige leervragen
Het hoger onderwijs is onvoldoende ingesteld op flexibiliteit in leren en daardoor te weinig
voorbereid op toekomstige leervragen en -mogelijkheden. Er bestaat een groeiende
behoefte aan flexibiliteit in onderwijs en training, mede om vormen van leven lang
ontwikkelen mogelijk te maken.
Eerder constateerden de commissie-Veerman, de Onderwijsraad, de Adviescommissie
Flexibel hoger onderwijs voor werkenden (commissie-Rinnooy Kan) en de SER al dat het
Nederlandse stelsel niet is ingesteld op leven lang leren/ontwikkelen.41 In de recente
sectorakkoorden hebben alleen de hogescholen ambities op dit vlak geformuleerd; bij de
universiteiten ontbreekt het onderwerp. Er lopen verschillende experimenten om deeltijd-
onderwijs flexibeler te maken, maar alleen bij hogescholen en op kleine schaal, en de
experimenten bevinden zich in de beginfase.42 Diploma’s en certificaten worden per
instelling uitgegeven, in de regel aan het eind van een opleiding. Het is niet makkelijk om
een opleiding flexibel samen te stellen door modules van meerdere instellingen (in
binnen- én buitenland) te combineren. Een andere vraag is hoe je verschillende typen
vaardigheden zou kunnen certificeren. Daar komt bij dat er momenteel door financiële
hobbels een beperkte vraag is naar leven lang leren.43
Digitalisering biedt volop mogelijkheden om het onderwijs te verbeteren en flexibeler te
organiseren, maar het hoger onderwijs lijkt dit traag en slechts in beperkte mate te doen.
Men zoekt nog naar geschikte inhoud, vorm en rol. Een duidelijke visie op de relatie
tussen onderwijs en ict ontbreekt in veel gevallen. De instellingen verschillen ook sterk
van elkaar in de doelen die men wil bereiken met digitalisering van het onderwijs en in de
koers en de snelheid van de digitalisering.44
2.4 De toppositie van het Nederlandse onderzoek staat onder
druk
Wil Nederland zich staande houden in de mondiale competitie rond onderzoek, dan is het
van groot belang dat ons land op enkele thema’s zichtbaar toonaangevend is op wereld-
schaal. Alleen zo kunnen we talent en onderzoeksgelden blijven aantrekken. Het is nodig
om Nederland aantrekkelijk te houden als onderzoeksland.
41. Commissie Toekomstbestendigheid Hoger Onderwijs Stelsel (2010); Onderwijsraad (2012); Adviescommissie hoger onderwijs
     voor werkenden (2014); SER (2015).
42. Casteren, W. et al (2018).
43. Onderwijsraad (2016); SER (2017).
44. Onderwijsraad (2017).
Het stelsel op scherp gezet                                                                                               27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Toponderzoek onderbenut
Op dit moment behoort de Nederlandse wetenschap in belangrijke mate tot de wereldtop
en blinkt het onderzoek uit op een aantal gebieden.45 Toch wordt ons toponderzoek
onderbenut. Op een aantal gebieden waar het Nederlandse onderzoek als excellent
geldt, doet ons land relatief véél onderzoek, maar er zijn ook excellente onderzoeks-
gebieden waarin de omvang van het onderzoek in ons land beperkt is.46
Geen profilering maar verbreding van het onderzoek
De Nederlandse universiteiten hebben de afgelopen jaren hun onderzoeksprofiel niet
geconcentreerd op hun ‘pieken’. Hun inhoudelijk onderzoeksprofiel is eerder breder dan
smaller geworden, concludeerde de Reviewcommissie-Van Vught in 2017. Net als bij het
onderwijs is de differentiatie afgenomen. Universiteiten zijn op steeds meer onderzoeks-
gebieden actief en publiceren in steeds meer subdisciplines. Deze verbreding deed zich
bij alle universiteiten voor, maar sneller bij de niet‐algemene universiteiten: de technische
universiteiten inclusief Wageningen University & Research en de drie minder brede
universiteiten Universiteit Maastricht, Erasmus Universiteit Rotterdam en Tilburg
University.
Bij de hogescholen heeft het praktijkgerichte onderzoek zich versterkt via de ontwikkeling
van lectoraten, de Centres of Expertise (CoE’s) en de andere kenniscentra. Het neemt
echter binnen het geheel van de hogescholen een bescheiden plaats in.
De voortdurende zoektocht naar onderzoeksmiddelen,47 met een groot aandeel van
competitieve financiering, leidt tot het najagen van alle mogelijkheden. Dit heeft eerder
een verbreding van het onderzoeksportfolio tot gevolg dan profilering. Bovendien is het
merendeel van de onderzoeksmiddelen die zo uit de tweede en derde geldstroom
worden verworven, gebonden aan projecten met beperkte budgetten en beperkte
looptijden. In een deel van de gevallen vragen zulke projecten ook om de inzet van
middelen uit de eerste geldstroom van de instellingen. Al met al werkt ook dit de
geconstateerde verbreding, versnippering en het gebrek aan profilering in de hand.
45. Koens, L. et al (2018a); Elsevier Research Intelligence (2018).
46. Zie Besselaar, P. van den en E. Horlings (2010) , Koens, L. et al (2018a) en Broek, N. van den en A. Vennekens,(2019).
     Nederland doet relatief veel onderzoek in informatie- en communicatiewetenschappen, klinische geneeskunde, sterrenkunde, en
     politieke wetenschappen en het onderzoek heeft in deze gebieden een zeer hoge impact. In de wetenschapsgebieden
     gezondheid, gedrag & maatschappij en economie nemen de citatie-impact en de relatieve omvang ook sterk toe. In een groot
     aantal andere gebieden is de omvang van het onderzoek relatief klein tot gemiddeld, maar de impact is wel hoog tot zeer hoog.
     Dit geldt bijvoorbeeld voor de fysica en materiaalkunde, energiewetenschappen, civiele techniek, chemie en productie-
     technologie.
47. Koier, E. et al (2016).
Het stelsel op scherp gezet                                                                                                      28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Nederland steeds meer ‘doorgangsland’ voor talent
Nederland wordt voor wetenschappelijk talent steeds meer een doorgangsland. Ons land
slaagt er nog wel redelijk in om talentvolle wetenschappers aan het begin en midden van
hun carrière aan te trekken en te behouden,48 maar voor echte toppers op wereldschaal
kunnen we onvoldoende concurreren met landen als de Verenigde Staten of
Zwitserland.49 De topuniversiteiten daar bieden niet alleen hogere salarissen en vaak
meer onderzoeksvrijheid, maar kunnen ook bogen op een betere reputatie en
onderzoekskwaliteit. Ook Duitsland heeft in de afgelopen jaren via de Humboldt-
professoraten diverse topwetenschappers van ons land afgesnoept.50
Nederlands onderzoek trekt te weinig private investeringen aan
De aantrekkelijkheid van Nederland voor private investeringen in onderzoek en
ontwikkeling staat onder druk. Het Nederlandse bedrijfsleven financiert internationaal
gezien relatief veel publiek onderzoek,51 maar de Nederlandse bedrijven stoppen meer
privaat geld in dergelijk onderzoek in het buitenland dan dat buitenlandse bedrijven
investeren in publiek onderzoek in Nederland. Anders gezegd: Nederland kent een
‘handelstekort’ voor de private financiering van onderzoek en ontwikkeling. De toename
in publieke investeringen in onderzoek en ontwikkeling in een aantal andere landen
oefent een aantrekkingskracht uit op Nederlandse bedrijven om in het buitenland hun
gelden voor onderzoek te besteden.52 Als de Nederlandse overheid in navolging van
andere landen meer zou investeren in onderzoek, dan kan Nederland het tij keren.53
2.5 De impact van onderzoek op de samenleving moet sterker
Kennis moet beter benut worden, ook buiten de wetenschap. Goede benutting van
wetenschappelijke kennis en vaardigheden leidt tot nieuwe producten en toepassingen,
tot oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken en tot bijdragen aan
maatschappelijke discussies. Nederland kan hier meer doen, in het bijzonder op die
gebieden waarin ons land ook internationaal gezien een verschil kan maken.
Financiering zit samenwerking tussen kennispartners in de weg
Om dit te realiseren zijn goede verbindingen nodig tussen kennispartners: tussen univer-
siteiten, hogescholen, andere kennisinstellingen, het bedrijfsleven, maatschappelijke
48. KNAW (2018c).
49. Dijck, J. van en W. van Saarloos (2017); Commissie-Breimer (2016); Dijk, T. van (2018).
50. Eigen analyse van de AWTI op basis van de gegevens van de Alexander von Humboldt Stiftung, zie:
     https://www.humboldt-professur.de/de.
51. Rathenau Instituut (2018).
52. KNAW (2018c).
53. KNAW (2018c).
Het stelsel op scherp gezet                                                                         29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>organisaties en de overheid. Voor complexe maatschappelijke opgaven zijn complemen-
taire kennis en kunde nodig die vaak niet binnen één enkele organisatie te vinden zijn.
Nederland heeft een sterke, internationaal erkende traditie in het leggen van
verbindingen in publiek-publieke en publiek-private samenwerkingen. Desondanks slagen
de kennispartners in Nederland er te weinig in om voldoende capaciteit bijeen te brengen
binnen langjarige en stabiel gefinancierde samenwerkingsverbanden met voldoende
omvang en massa. Omvangrijke, complexe opgaven kunnen niet op voldoende schaal en
voldoende langdurig worden opgepakt.54 Een groot probleem is de complexiteit van de
financiering. Kennispartners zetten allerlei onderlinge samenwerkingsverbanden op, vaak
op project- en programmabasis en soms geïnstitutionaliseerd in een gezamenlijk centrum
of lab. De publieke financiering van deze samenwerkingsverbanden komt vaak – behalve
van de kennispartners zelf – uit verschillende bronnen, waaronder nationale programma’s
(bij NWO bijvoorbeeld), regionale fondsen en Europese kaderprogramma’s. Deze
publieke geldstromen en aanvullende private stromen hebben elk verschillende
tijdshorizonten, doelstellingen en voorwaarden. Er is dus nauwelijks sprake van een
structurele, meerjarige benadering en de financiering is veelal ad hoc en tijdelijk.
Actoren begeven zich te veel op elkaars terrein
Mede door de zoektocht naar meer financiering komt de benodigde complementaire
samenwerking moeilijk van de grond doordat de verschillende actoren zich steeds meer
op elkaars terrein begeven. Zo doen universiteiten steeds meer toepassingsgericht en
praktisch onderzoek, ook en in toenemende mate met en voor bedrijven. Universiteiten,
hogescholen en andere kennisinstellingen worden te veel concurrenten van elkaar.
Fundamenteel, toepassingsgericht onderzoek en innovatie zijn niet scherp van elkaar te
scheiden. Onderzoek en innovatie komen tot stand in een samenspel van verschillende
disciplines, fundamenteel en toepassingsgericht onderzoek. Tegelijkertijd werken
universiteiten en hogescholen en andere kennisinstellingen in dat proces elk vanuit een
eigen oriëntatie en op basis van eigen competenties. Dingen dubbel doen is niet
doelmatig en draagt niet bij aan excellentie. Samenwerking gedijt niet in een cultuur
waarin men elkaar te veel als concurrent ziet. Een helder profiel van instellingen is hier
van cruciaal belang.
Valorisatie is onderbelicht
Verspreiding en benutting van kennis is de derde functie van het stelsel, naast onderwijs
en onderzoek (zie pagina 21). De instellingen leveren mensen met state of the art kennis
af voor de maatschappij. Te weinig wordt dit gewaardeerd als een van de belangrijkste
54. AWTI (2017c).
Het stelsel op scherp gezet                                                                30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>vormen van kennisverspreiding en -benutting (valorisatie). Maar valorisatie gaat om
meer, zoals een meer ondernemende houding aanwakkeren bij onderzoekers en
studenten, of externe partijen betrekken bij het onderzoek en het toepassen van kennis.
Hoewel in de afgelopen jaren meer aandacht besteed is aan kennisverspreiding, blijkt uit
de evaluatie van het Valorisatieprogramma (2010-2018) dat deze functie binnen de
instellingen maar ten dele structurele aandacht krijgt en dat de infrastructuur voor
valorisatie niet toereikend is.55
Valorisatie als derde functie van de instellingen komt onvoldoende tot uitdrukking in de
bekostiging en in de beoordeling van activiteiten en prestaties van de instellingen.
Valorisatie was weliswaar opgenomen in de prestatieafspraken tussen overheid en
instellingen, maar de resultaten speelden geen rol in de financiële beoordeling van het
nakomen van deze afspraken.56 Bovendien krijgt de bijdrage van instellingen aan de
maatschappelijke discussie weinig aandacht. De samenwerking van universiteiten en
hogescholen met regionale valorisatiecentra en andere spelers, zoals instellingen voor
toepassingsgericht onderzoek, is beperkt.57
Kennisverspreiding en -benutting krijgen onvoldoende aandacht van de onderzoekers,
met name bij universiteiten en wetenschappelijke instituten. Onderzoekers vinden het
belangrijk dat hun resultaten benut worden door de maatschappij, maar besteden zelf
relatief weinig tijd aan kennisoverdracht. Ze wijzen erop dat hiervoor gezamenlijke actie
binnen hun instelling nodig is.58 De samenleving en het bedrijfsleven kunnen meer
profiteren van de toepassing van kennis uit onderzoek. Een goede verankering van het
belang van impact op maatschappij en bedrijfsleven in de onderzoekspraktijk is nodig,
onder andere in de opleiding en de waardering van onderzoekers.59
55.  Janssen, M. et al (2018).
56.  Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek (2017).
57.  Janssen, M., et al (2018).
58.  Koens, L. et al (2018b).
59.  AWTI (2016a).
Het stelsel op scherp gezet                                                               31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Het stelsel op scherp gezet 32</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                                                                                                                             3
3 Aanbeveling: formuleer een heldere
  opdracht en stuur op profilering en
  resultaat
                Het stelsel voor hoger onderwijs en onderzoek moet zich meer laten leiden
                door de vraag van de samenleving. Om dat te bewerkstelligen, moet de
                minister van OCW de maatschappelijke opdracht voor de instellingen
                aanscherpen en actief toezicht houden op hoe het stelsel als geheel en de
                instellingen afzonderlijk presteren. Zo nodig stuurt zij de instellingen
                daarop bij.
  3.1 Verduidelijk de maatschappelijke opdracht
  Universiteiten en hogescholen zijn instellingen van de samenleving. Zij werken met
  publieke middelen om hun maatschappelijke missie te vervullen: verzorgen van hoger
  onderwijs, verrichten van onderzoek en overdragen van kennis aan belanghebbenden.60
  De samenleving heeft verwachtingen ten aanzien van deze missie en investeert in het
  stelsel.
  De overheid moet vanuit haar stelselverantwoordelijkheid helderder aangeven wat zij van
  het stelsel en de instellingen verwacht. De instrumenten daarvoor bestaan al, maar de
  overheid moet deze scherper toepassen om meer richting te geven.
  Parlement en regering moeten in de wet, specifieker dan nu gebeurt, aangeven wat de
  functies en doelen van het stelsel zijn en wat dit betekent voor de instellingen.
  Verschillende buitenlandse wetten voor hoger onderwijs en onderzoek bieden
  interessante voorbeelden hoe dit kan.61
  Vervolgens werkt de minister van OCW dit verder uit in één strategisch kader voor het
  hoger onderwijs en onderzoek. Op dit moment heeft de regering nog aparte strategieën
  voor wetenschap (Wetenschapsvisie en -brief) en hoger onderwijs (Strategische Agenda
  Hoger Onderwijs en Onderzoek).62 De minister kan op grond van de huidige wet al zo’n
  60. De AWT omschreef eerder universiteiten als maatschappelijke ondernemingen: organisaties die het publieke belang dienen
       zonder dat zij onderdeel zijn van het overheidsapparaat. Zij leveren diensten met een publiek karakter, zijn bestuurlijk autonoom,
       vervullen hun taken zonder winstoogmerk, onderhouden relaties met veel verschillende belanghebbenden en leggen publieke
       verantwoording af over hun functioneren. Zie AWT (2003). De Evaluatiecommissie prestatiebekostiging hoger onderwijs
       (Commissie-Van de Donk) wijst in 2017 ook op de rol van onderwijsinstellingen als maatschappelijk dienstverlener.
  61. Bijvoorbeeld het Zwitserse Bundesgesetz über die Förderung der Hochschulen und die Koordination im schweizerischen
       Hochschulbereich (HFKG) of de Britse Higher Education and Research Act.
  62. Ondanks de naam ‘Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek’ gaat deze agenda voornamelijk over hoger onderwijs.
  Het stelsel op scherp gezet                                                                                                          33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>strategisch kader vaststellen,63 maar het is nodig dat de minister daarin periodiek nog
scherper de ambities op stelselniveau formuleert en omzet in concrete doelstellingen.
Daarbij weegt zij de verschillende doelen en stelt prioriteiten. Hieraan koppelt zij beleid
en middelen die nodig zijn om deze ambities en prioriteiten te realiseren. Dit strategisch
kader geeft een duidelijke richting, maar biedt ook enige flexibiliteit zodat bijsturing
mogelijk is bij nieuwe inzichten of ontwikkelingen. Het strategisch kader moet over
onderwijs, onderzoek én kennisverspreiding gaan en is afgestemd met relevante andere
terreinen, zoals innovatiebeleid.64 Daarbij moet er ruimte zijn voor een dialoog met
groepen betrokkenen, zoals studenten, alumni, bedrijven en maatschappelijke
organisaties.
   Mogelijke ambities voor het strategisch kader
   In het strategische kader vertaalt de regering de maatschappelijke opdracht voor het
   stelsel in concrete ambities, prioriteiten en doelstellingen in een bepaalde periode.
   Deze ambities moeten helder geformuleerd zijn en gezamenlijk de maatschappelijke
   opdracht van het stelsel dekken. Dergelijke ambities zijn bijvoorbeeld:
   ►        Hoger onderwijs
            □       Afgestudeerden zijn goed voorbereid op de toekomstige arbeidsmarkt: het
                    aanbod sluit goed aan op de behoeftes van de arbeidsmarkt.
            □       Studenten volgen een studie die past bij hun kwaliteiten en capaciteiten:
                    het hogeronderwijsstelsel is goed toegankelijk voor alle studenten die
                    kunnen en willen en het onderwijsaanbod is toegesneden op verschillende
                    typen studenten.
            □       Hoger onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van studenten om
                    verantwoordelijk te handelen in sociale verbanden, om onafhankelijk,
                    creatief en kritisch te denken en te doen, en tot maatschappelijk
                    engagement.
            □       Studenten halen het maximale uit hun talenten: het hoger onderwijs biedt
                    flexibele doorstroommogelijkheden aan alle studenten.
            □       Het hoger onderwijs creëert een ambitieuze studiecultuur zodat
                    studiesucces toeneemt.
            □       Werkenden zijn duurzaam en flexibel inzetbaar op de toekomstige
                    arbeidsmarkt: het hoger onderwijs biedt flexibel en vraaggestuurd
                    onderwijs voor werkenden.
63. Art. 2.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
64. De roep om een strategisch kader is niet nieuw. De AWTI adviseerde eerder aan de minister om duidelijk te maken wat zij van
     het stelsel en de instellingen verwacht op het gebied van onderwijs, onderzoek en kennisverspreiding. Daarnaast is de AWTI al
     langer warm pleitbezorger van een nationale onderzoeks- en innovatiestrategie voor de langere termijn. Zie bijvoorbeeld AWT
     (2005); AWT (2007a); AWT (2007b); AWT (2010); AWT (2011); AWT (2013); AWT (2014); AWTI (2017b).
Het stelsel op scherp gezet                                                                                                       34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>            □      Het hogeronderwijsaanbod is macrodoelmatig: herkenbaar en compact
                   aanbod, arbeidsmarktrelevant en tegengaan van versnippering.
            □      Promovendi zijn ook goed voorbereid op carrièrepaden buiten de
                   wetenschap.
   ►        Onderzoek
            □      Het onderzoek draagt bij aan ontwikkeling van kennis, kunde en
                   vaardigheden in opleidingen en sluit aan op de oriëntatie van de
                   opleidingen.
            □      Het onderzoek is grensverleggend op nog onbekende kennispaden.
            □      Het onderzoek draagt bij aan het ontwikkelen van nieuwe toepassingen en
                   oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken en aan het ontwikkelen
                   van de beroepspraktijk.
            □      De brede disciplinaire kennisbasis in Nederland is kwalitatief hoogstaand.
            □      Het onderzoek is van wereldklasse op specifieke gebieden.
            □      Het onderzoek is aantrekkelijk voor talentvolle onderzoekers uit Nederland
                   en het buitenland.
            □      Instellingen bundelen expertise en competenties, ook met andere
                   kennispartners, om impactvolle kennisknooppunten te vormen.
            □      Het onderzoek werkt over grenzen van wetenschapsdisciplines heen.
   ►        Kennisoverdracht en -benutting
            □      Het onderzoek is verbonden met de samenleving: het gaat in dialoog met
                   de samenleving, het betrekt de samenleving bij het onderzoek en het deelt
                   de nieuwe kennis met de samenleving op open, transparante en
                   toegankelijke wijze.
            □      Het onderzoek voedt met nieuwe kennis en inzichten het maatschappelijk
                   debat.
            □      Het onderzoek betrekt actief (mkb-)bedrijven en maatschappelijke
                   organisaties voor kennisverspreiding en -benutting.
   Deze ambities moeten vertaald worden in specifieke doelstellingen, bijvoorbeeld het
   aandeel studenten dat na afstuderen werk vindt op niveau en in de sector van de
   opleiding, of een plek bij de mondiale top-5 van onderzoek op een specifiek gebied.
   En het strategisch kader moet duidelijk maken welke ambities prioriteit hebben.
   Verder kan het aangeven welke inspanningen van de instellingen verwacht worden op
   het gebied van bijvoorbeeld digitalisering, open access en internationalisering.
Het stelsel op scherp gezet                                                                   35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>3.2 Bewaak de stelseldoelen en stuur op profilering en
resultaat
Instellingen kiezen hun eigen profiel en maken daarin strategische keuzes waar ze zich
op willen richten. Daarbij moeten ze wel duidelijk de koppeling leggen met de stelsel-
ambities en -prioriteiten uit het strategisch kader. Ze kiezen aan welke van de stelsel-
doelen ze willen bijdragen en formuleren daarin hun eigen ambities. Daar kan een palet
aan profielen van instellingen uit voortvloeien. Zulke variatie zorgt ervoor dat het stelsel
beter aan de gevarieerde behoefte vanuit de samenleving kan voldoen.
Bewaak de resultaten van het stelsel als geheel
Juist in een situatie waarin instellingen de ruimte hebben om eigen, onderscheidende
keuzes te maken over hun bijdrage aan nationale ambities en prioriteiten, is het van groot
belang dat de minister, als hoeder van het publiek belang, regie voert over het hele
stelsel. Hoe presteert het stelsel als geheel: tot welke optelsom leidt het presteren van de
individuele instellingen als je over het hele stelsel kijkt? Haalt de kwaliteit van onderzoek
en onderwijs het ambitieniveau? Lukt het om de lat steeds hoger te leggen voor de
kwaliteit van het onderzoek? Is het stelsel als geheel voldoende toegankelijk? Levert het
een goede mix aan afgestudeerden voor de arbeidsmarkt?
Momenteel wordt dit overzicht en toezicht op stelselniveau te beperkt opgepakt. De
minister moet daar actiever werk van maken, in een permanente dialoog met de
instellingen. In het vervolg van deze paragraaf geven we aan hoe de regie over het
stelsel effectief en efficiënt kan worden uitgevoerd, zodat het stelsel zich blijvend richt op
de maatschappelijke opdracht. Zo ontstaat een gevarieerd, flexibel en toekomstbestendig
stelsel voor hoger onderwijs, onderzoek en valorisatie.
Voer een dialoog met instellingen op basis van instellingsplannen
Elke instelling moet in haar instellingsplan aangeven welk profiel ze kiest op de gebieden
hoger onderwijs, onderzoek en kennisverspreiding. Waar staat de instelling voor, waar is
ze sterk in, op welke doelgroepen richt ze zich en wat zijn de concrete ambities? Hoe sluit
dit aan op de ambities en prioriteiten uit het strategisch kader van de regering? Deze
instellingsplannen worden in hoofdstuk vier verder uitgewerkt.
De instellingsplannen zijn bindend en leidend voor de dialoog en het toezicht op
individueel niveau. Daarbij laten instellingen hun resultaten zien op de afgesproken
ambities en worden die resultaten periodiek geëvalueerd op concrete indicatoren. De
uitkomst hiervan is te koppelen aan een deel van de bekostiging, zoals uitgewerkt in
paragraaf 4.3. Verschillende andere landen passen dit proces al toe (zie tekstkader).
Het stelsel op scherp gezet                                                                   36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>   Instellingsplannen en toezicht in andere hogeronderwijsstelsels65
   In diverse landen maken instellingen en ministeries van onderwijs afspraken met
   elkaar over welke doelen de instellingen in onderwijs, onderzoek en kennis-
   verspreiding moeten nastreven en welke acties ze daartoe zullen ondernemen.
   Daarin wordt dan ook opgenomen welke prestaties op welke wijze gevolgd en
   beoordeeld zullen worden en wat de gevolgen daarvan zullen zijn voor bekostiging.
   Een eerste reden om dit te doen is dat overheden met de plannen instellingen willen
   aanmoedigen zich strategisch te positioneren en te profileren. Op die manier ontstaat
   een meer gediversifieerd stelsel. In Australië en Ierland bijvoorbeeld sluiten
   instellingen met de overheid een mission-based performance compact waarin een
   instelling vastlegt wat haar missie en profiel is, welke prioriteiten ze aanwijst in
   onderwijs, onderzoek en kennisverspreiding, welke van de stelseldoelen de instelling
   nastreeft, welke strategieën en acties de instelling inzet om de doelen te bereiken, en
   op welke indicatoren de resultaten gevolgd en beoordeeld zullen worden. 66 Op deze
   manier willen de Australische en Ierse overheden bevorderen dat instellingen
   onderscheidende missies nastreven, terwijl ze de nationale doelstellingen voor hoger
   onderwijs verwezenlijken. In Hong Kong leggen de instellingen hun missie en
   onderscheidende rol vast in role statements die goedgekeurd worden door een
   University Grants Committee. Deze role statements vormen samen met de richtlijnen
   en doelstellingen vanuit de University Grants Committee het startpunt voor het
   formuleren van Academic Development Proposals, de plannen op basis waarvan de
   instellingen middelen toegewezen krijgen.67
   Een tweede reden is dat de overheden de prestaties en de doelmatigheid van het
   hoger onderwijs en onderzoek willen verbeteren: hogere productiviteit, meer kwaliteit
   en meer rendement. Tot slot worden de afspraken en plannen gebruikt voor meer
   transparantie en verantwoording over resultaten en inzet van publieke middelen.
   In meerdere landen vormen nationale strategische kaders het startpunt van de
   dialoog met de instellingen en het maken van instellingsplannen en afspraken. In
   Oostenrijk bijvoorbeeld is een nationaal plan gemaakt voor het hoger onderwijs
   (Nationaler Hochschulplan). Dit plan komt tot stand in samenwerking tussen het
   ministerie en de instellingen en andere belanghebbenden via een Österreichische
65. Mede gebaseerd op vergelijkende studie door Boer, H. de et al (2015).
66. Australian Government Department of Education and Training, Mission based compacts, via
     https://www.education.gov.au/mission-based-compacts; Higher Education Authority (2018)..
67. University Grants Committee (2004).
Het stelsel op scherp gezet                                                                   37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>    Hochschulkonferenz.68 De Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen kent een Landes-
    hochschulentwicklungsplanung met daarin de stelseldoelen en prioriteiten voor het
    hoger onderwijs in de deelstaat.69 De instellingen moeten hun ontwikkelingsplannen
    afstemmen op dit plan op deelstaatniveau. Het doel is tot een gebalanceerd en
    complementair aanbod van onderwijs te komen dat goed is afgestemd op de
    behoeften van studenten en arbeidsmarkt en om capaciteiten in onderzoek doelmatig
    in te zetten. Ook in Ierland vormt een nationale strategie voor hoger onderwijs
    (National Strategy for Higher Education 2030 en het daaruit volgende System
    Performance Framework70) het uitgangspunt voor afspraken met instellingen.
    Instellingen worden nadrukkelijk aangespoord regionale samenwerking op te zoeken
    om aanbod en activiteiten af te stemmen en dit vast te leggen in de compacts.71
Organiseer vooraf stelseltoezicht op de gezamenlijke plannen
De minister draagt de verantwoordelijkheid dat vooraf beoordeeld wordt of de beoogde
bijdragen van instellingen opgeteld leiden tot de gewenste stelselprestaties. Belangrijk is
dat de instellingen in hun instellingsplannen ook aangeven op welke manier ze die
plannen strategisch hebben afgestemd met de plannen van andere instellingen en met
sectorplannen (zie ook paragraaf 4.1). Zo nodig kan de instellingen gevraagd worden om
hun activiteiten beter onderling af te stemmen, om zo ongewenste overlappen, onbenutte
mogelijkheden of lacunes op te lossen.
Monitor de prestaties van het stelsel en jaag nieuwe ontwikkelingen aan
De minister moet ervoor zorgen dat de prestaties op stelselniveau gevolgd worden. Deze
monitoring kan een aanleiding zijn om als verantwoordelijke voor het hele stelsel meer
regie te gaan voeren of bij te sturen.
De minister kan bijsturen door nieuwe ontwikkelingen aan te jagen en daarmee het
stelsel in beweging te zetten. Dat is aan de orde als zulke gewenste ontwikkelingen nog
onvoldoende uit het stelsel zelf opkomen. Die ontwikkelingen zullen in de regel steunen
op de ambities en prioriteiten uit het strategische kader (zie paragraaf 3.1). Er kunnen
extra middelen, instrumenten of experimenten voor worden ingezet.
Eén belangrijk middel om het stelsel als geheel op een aantal punten beter te laten
presteren is door instellingen diepgaand en aanvullend te laten samenwerken. Daarmee
is winst te halen op terrein van onderwijs, onderzoek en kennisverspreiding. Omdat dat
68.   Bundesministerium für Bildung, Wissenschaft und Forschung (2019).
69.   Ministerium für Innovation, Wissenschaft und Forschung des Landes Nordrhein-Westfalen (2016).
70.   Higher Education Authority (2018).
71.   Higher Education Authority, http://hea.ie/.
Het stelsel op scherp gezet                                                                         38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>potentieel nu nog niet voldoende wordt benut, doen we in hoofdstuk vijf voorstellen om
zulke vormen van samenwerking actiever te bevorderen.
Zoek een passende vorm voor het stelseltoezicht
Het is nodig om het toezicht op het functioneren van het hele stelsel van hoger onderwijs
en onderzoek steviger te organiseren. Dat kan op een aantal manieren. De minister kan
ervoor kiezen om al deze taken behorend bij het stelseltoezicht door het ministerie uit te
laten voeren.72
Een alternatief is om de uitvoering over te laten aan een specifiek orgaan, bijvoorbeeld
een stelselautoriteit. De opdracht en kaders voor dit orgaan moeten helder gedefinieerd
zijn en de gewenste richting moet ook duidelijk blijken uit de wet en het strategisch kader.
Op deze manier wordt er een buffer gecreëerd tussen de politiek en de autonome
instellingen in het stelsel. Ook kan hierdoor beter de blik op de langere termijn gericht
blijven. Bovendien kan door de samenstelling van dit orgaan een bredere inbedding in de
maatschappelijke omgeving verzekerd worden. De toetsing van macrodoelmatigheid
zoals die nu door de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (CDHO) wordt verricht,
is typisch een taak die ondergebracht moet worden bij zo’n specifiek orgaan voor de
uitvoering van het stelseltoezicht. De accreditatie van opleidingen zou separaat kunnen
blijven, zo laten ook de voorbeelden uit het buitenland zien. Wel moeten de kaders voor
die accreditatie eenduidig worden vastgesteld.
Bij de precieze vormgeving van zo’n apart orgaan kan geput worden uit de verschillende
voorbeelden uit het buitenland van regulators of commissies die coördineren of toezicht
houden over het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek en de instellingen daarin (zie
tekstkaders).
   Governance van hoger onderwijs en onderzoek in Ierland 73
   In Ierland wordt het hoger onderwijs verzorgd door zeven universiteiten, 14 Institutes
   of Technology en zeven Colleges of Education. Daarnaast is er een aantal instellin-
   gen dat hoger onderwijs biedt in een aantal specifieke gebieden zoals kunsten,
   geneeskunde, theologie, muziek en rechten.
   Het ministerie van onderwijs (Minister for Education and Skills) bepaalt het beleid,
   kiest de doelen en de beoogde resultaten en bepaalt de bekostiging. De instellingen
   hebben institutionele autonomie en dragen vanuit die autonomie bij aan de nationale
72. Het geschetste proces van planning, coördinatie, bewaking van de voortgang en resultaten, en bijsturing moet efficiënt gebeuren.
     Vergelijk Werkgroep Profilering en Bekostiging (2011).
73. Higher Education Authority, http://hea.ie/.
Het stelsel op scherp gezet                                                                                                       39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   doelstellingen. Externe controle en verantwoording ligt bij de Comptroller and Auditor
   General. De Higher Education Authority (HEA) is het centrale orgaan dat erop toeziet
   dat het stelsel en de instellingen in het stelsel gezamenlijk de verwachtingen voor
   hoger onderwijs en onderzoek doeltreffend en doelmatig waarmaken. De HEA heeft
   de verantwoordelijkheid om te zorgen voor een goed gecoördineerd stelsel van hoger
   onderwijs en onderzoek. Hiertoe dient de HEA:
   ►        te focussen op de resultaten en de prestaties van elke instelling en het stelsel
            als geheel;
   ►        met elke instelling een prestatiecontract (compact) af te sluiten die de missie van
            die instelling duidelijk reflecteert;
   ►        de prestaties van de instellingen te volgen tegen de achtergrond van de
            afgesproken resultaten;
   ►        de bekostiging toe te delen op basis van de prestaties.
   Wat betreft de toedeling van middelen ontwikkelt de HEA een bekostigingsmodel,
   houdt de HEA toezicht op de rechtmatige besteding van de middelen en bewaakt de
   autoriteit de financiële gezondheid van instellingen en het stelsel als geheel.
   Het compact komt tot stand in een strategische dialoog tussen de HEA en de
   instellingen. Het compact wordt beoordeeld door een (internationaal) expertpanel op
   coherentie en haalbaarheid. Het volgen van de prestaties zoals in de compacts is
   afgesproken gaat via een systeem van jaarlijkse rapportages en een strategische
   dialoog. De HEA heeft ook een kader (System Performance Framework) ontwikkeld
   om aan te geven wat voor een periode van drie jaar de stelseldoelen (key system
   objectives) en bijbehorende doelstellingen (high level targets) zijn.
   De relatie tussen de HEA en het ministerie en de taken en doelstellingen van de HEA
   worden vastgelegd in een Service Level Agreement. Jaarlijks moet de HEA een
   Annual System Performance Report aan de minister zenden, waarin de HEA laat zien
   hoe het staat met het halen van de vastgestelde nationale beleidsdoelen en aangeeft
   welke issues qua governance of financiën, dan wel breder, er spelen in het stelsel
   voor hoger onderwijs en onderzoek.
Het stelsel op scherp gezet                                                                    40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>   Governance van hoger onderwijs en onderzoek in Zwitserland74
   Zwitserland kent net als Nederland een stelsel met verschillende typen instellingen
   voor hoger onderwijs en onderzoek, die als ‘gelijkwaardig maar anders van karakter’
   worden beschouwd en het is een beleidsdoelstelling om dit onderscheid te behouden.
   Zwitserland kent de volgende typen instellingen:
   ►        Universiteiten: tien kantonnale universiteiten en twee federale technologische
            instituten (ETHs)
   ►        Zestien hogescholen voor lerarenopleidingen (Pädagogische Hochschulen)
   ►        Acht algemene hogescholen (Fachhochschulen)
   De Zwitserse Confederatie en de Kantons zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het
   hoger onderwijs in Zwitserland. Op federaal niveau ligt de verantwoordelijkheid bij de
   Staatssekretariat für Bildung, Forschung und Innovation (SBFI). Op kantonnaal
   niveau ligt de verantwoordelijkheid bij de Schweizerische Konferenz der kantonalen
   Erziehungsdirektoren (EDK). De EDK coördineert de interkantonnale afstemming en
   samenwerking in hoger onderwijs, inclusief financiering en toegankelijkheid van het
   onderwijssysteem. Met het Bundesgesetz über die Förderung der Hochschulen und
   die Koordination im schweizerischen Hochschulbereich (HFKG) hebben de
   Confederatie en de Kantons afspraken gemaakt over samenwerking en stelseldoelen
   en werd de basis gelegd voor gezamenlijke governance van het stelsel voor hoger
   onderwijs. De governance van het Zwitserse stelsel voor hoger onderwijs ligt
   daarmee bij drie organisaties:
   ►        De Schweizerische Hochschulkonferenz is het hoogste orgaan voor hoger
            onderwijs en coördineert de activiteiten van de Confederatie en de Kantons. De
            Konferenz neemt beslissingen rond onder andere de bekostiging, de
            toegankelijkheid en de doorstroom in het stelsel, de kwaliteitsbewaking en
            accreditatie, de erkenning van competenties en diploma’s, de typische profielen
            van de verschillende instellingen, gelijk speelveld met andere aanbieders van
            beroepsonderwijs en over de verdeling van kostenintensieve opgaven.
            Daarnaast houdt de Konferenz toezicht op de door haar ingestelde organen. De
            Konferenz wordt voorgezeten door de Confederatie en bestaat uit
            vertegenwoordigers van de verschillende kantonnale regeringen en adviserende
            leden vanuit de stakeholders.
   ►        De Rektorenkonferenz (swissuniversities) bestaat uit de rectoren van de
            universiteiten, de algemene hogescholen en de hogescholen voor leraren-
            onderwijs. De Rektorenkonferenz is verantwoordelijk voor de coördinatie en
74. Gebaseerd op achtergrondstudie bij dit advies: Dudenbostel, T en B. Tiefenthaler (2018).
Het stelsel op scherp gezet                                                                  41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>            samenwerking tussen de instellingen zodat het stelsel efficiënt kan werken en
            nationale Zwitserse doelen kan behalen en doet – wanneer nodig – voorstellen
            aan de Hochschulkonferenz, die vervolgens beslist. De voorzitter van de
            Rektorenkonferenz is adviserend lid van de Hochschulkonferenz.
   ►        De Akkreditierungsrat wordt benoemt door de Hochschulkonferenz en bestaat
            uit vertegenwoordigers van hoger onderwijs en werkgevers, inclusief een
            verplicht aantal leden uit het buitenland. De Akkreditierungsrat besluit over de
            verplichte accreditatie op instituutsniveau en de vrijwillige accreditatie op het
            niveau van opleidingen.
   De instellingen werken een meerjarig ontwikkelings- en financieringsplan uit, inclusief
   meerjarige doelen en zwaartepunten. Daarin houden ze rekening met de richtlijnen
   van de Hochschulkonferenz en de aanbevelingen van de Rektorenkonferenz. De
   Rektorenkonferenz doet een voorstel aan de Hochschulkonferenz voor de afstem-
   ming en taakverdeling tussen de instellingen en baseert zich daarbij op de plannen
   van de instellingen, de richtlijnen van de Hochschulkonferenz en de budgetten van de
   Confederatie en de Kantons. De Hochschulkonferenz legt de afstemming en
   taakverdeling vast, wijst prioriteiten aan en neemt maatregelen die de stelseldoelen
   moeten bevorderen. De Hochschulkonferenz kan besluiten tot de oprichting van
   opleidingen die van belang zijn voor Zwitserland, maar die nog niet of onvoldoende
   worden aangeboden door de instellingen.
   De governance structuur komt ook tot uitdrukking in de financiering van het hoger
   onderwijs. De Confederatie financiert de ETHs; de Kantons en de Confederatie
   financieren gezamenlijk de kantonnale universiteiten en hogescholen en de Kantons
   financieren de hogescholen voor lerarenopleidingen. Bij de institutionele financiering
   door de Confederatie wordt gebruik gemaakt van prestatie-indicatoren die verschillen
   per type instelling, zodat de prestaties tussen vergelijkbare instellingen vergeleken
   kunnen worden. De federale financiering wordt aangevuld met kantonnale
   financiering. De instellingen zijn autonoom in de besteding van dat gecombineerde
   budget. Instellingen ontvangen niet alleen geld van het Kanton waarin ze gevestigd
   zijn, maar ook van de Kantons waar de studenten vandaan komen.
Het stelsel op scherp gezet                                                                   42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>   Governance van hoger onderwijs en onderzoek in Engeland75
   Het Engelse stelsel voor hoger onderwijs kent drie typen instellingen: universiteiten,
   Further Education Colleges (FECs) en alternatieve aanbieders. Engeland kent 108
   universiteiten, waarvan sommige tot de oudste universiteiten ter wereld horen, terwijl
   recenter diverse hogescholen (polytechnics en instellingen voor beroepsonderwijs)
   getransformeerd zijn in universiteiten. Ondanks dat al deze instellingen universiteit
   zijn, zijn er behoorlijke verschillen tussen de brede topuniversiteiten en de rest van de
   sector. Er zijn 240 Further Education Colleges, maar slechts negen mogen een
   diploma of graad afgeven; de anderen verstrekken certificaten. Verder zijn er 114
   alternatieve aanbieders die geen publieke financiering ontvangen. Daarvan hebben er
   zeven de bevoegdheid diploma’s te verstrekken. De andere bieden kwalificaties die
   gevalideerd worden door universiteiten.
   De Higher Education and Research Act 2017 biedt in het Verenigd Koninkrijk het
   kader voor hoger onderwijs. Het doel is concurrentie en keuze voor studenten te
   bevorderen, te zorgen dat studenten waar voor hun geld krijgen en het onderzoek te
   versterken. De wet benoemt twee regulators die de aansturing van het stelsel voor
   hoger onderwijs organiseren: Office for Students (OfS) voor het onderwijs en United
   Kingdom Research and Innovation (UKRI) voor het onderzoek.
   Het OfS houdt zich bezig met toelating van instellingen, moet de accreditatie laten
   verzorgen en verdeelt het geld. Het OfS heeft ook de bevoegdheid instellingen hun
   diplomabevoegdheid en universitaire status te ontnemen. Het OfS beschermt de
   autonomie van de instellingen en moet erop toezien dat studenten voldoende keuze
   en mogelijkheden in studies hebben en goed onderwijs kunnen volgen, instellingen
   waar voor hun geld bieden, de toegankelijkheid van het stelsel op orde is en de
   middelen doelmatig besteed worden.
   De UKRI faciliteert en investeert in onderzoek en innovatie in het gehele Verenigd
   Koninkrijk en financiert, via Research England, onderzoek en kennisuitwisseling aan
   de instellingen in Engeland. De UKRI is ontstaan uit de samenvloeiing van zeven
   research councils, InnovateUK en de kennisuitwisselingsactiviteiten van de Higher
   Education Funding Council for England (HEFCE, waarvan de onderwijsfuncties zijn
   overgenomen door OfS). Daarmee combineert de UKRI de eerste geldstroom
   (Research England) en de tweede geldstroom (de vroegere research councils). UKRI
   heeft als opdracht zo doelmatig mogelijk grensverleggend onderzoek van wereld-
   klasse te stimuleren en om bij te dragen aan economische en maatschappelijke
75. Gebaseerd op achtergrondstudie bij het advies: Krcal, A. en B. Bryan (2018).
Het stelsel op scherp gezet                                                                  43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>   impact van onderzoek. Daarvoor moet de UKRI een coherente nationale strategie
   voor onderzoek en innovatie ontwikkelen, prioriteiten aangeven, werk maken van
   commercialisering van publiek onderzoek, aandacht hebben voor talent en samen-
   werking in onderzoek en innovatie faciliteren. Om te zorgen dat de onderzoeks-
   agenda en de onderwijsagenda samenkomen, moeten OfS en UKIR, zo nodig,
   samenwerken en afstemming zoeken over prioriteiten en activiteiten.
   De politieke verantwoordelijkheid blijft bij de minister die algemene aanwijzingen aan
   OfS en UKRI kan geven.
Het stelsel op scherp gezet                                                               44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                                                                                     4
4 Aanbeveling: zet aan tot profilering en
  bied de instrumenten daarvoor
                Met een palet aan instellingen voor hoger onderwijs en onderzoek kan het
                stelsel beter aan de maatschappelijke opdracht voldoen. Zorg daarom dat
                instellingen zich sterker profileren. Ze moeten met elkaar wel afstemmen
                hoe ze dan samen de maatschappelijke opdracht waar gaan maken. Geef
                instellingen meer instrumenten om hun profiel te realiseren door
                mogelijkheden voor selectie van studenten te verruimen en door een deel
                van de bekostiging te koppelen aan het realiseren van het profiel.
  4.1 Zorg dat instellingen zich sterker profileren
  Verschillende typen duidelijke profielen nodig
  De instellingen moeten een helder profiel kiezen op de gebieden hoger onderwijs,
  onderzoek en kennisverspreiding. Ze moeten concreet maken wat hun bijdrage is: waar
  staat de instelling voor, waar is ze sterk in en waarin wil ze sterker worden, op welke
  doelgroepen richt ze zich en wat zijn de concrete ambities? Zo’n helder profiel is goed
  voor de herkenbaarheid van de instelling en de variëteit in het stelsel. De samenleving
  heeft immers behoefte aan verschillende herkenbare oriëntaties van hoger onderwijs en
  onderzoek (van abstract denkend tot praktisch handelend), op verschillende niveaus, in
  verschillende vakgebieden en voor verschillende sectoren of doelgroepen. Scherpere
  profielen en meer variëteit in het stelsel zorgen voor een betere match tussen het aanbod
  van onderwijs en onderzoek enerzijds en de verwachting van de maatschappij
  anderzijds. Samen met goede afspraken over samenwerking gaat het onnodige
  concurrentie tussen instellingen, versnippering van middelen en duplicatie van activiteiten
  tegen.
  Laat het profiel vastleggen in een instellingsplan
  Instellingen moeten hun eigen profiel vastleggen in bindende instellingsplannen. De wet
  verplicht de instellingen nu al om elke zes jaar een instellingsplan te maken.76 Maar de
  instellingen moeten daarin scherper dan nu een profiel kiezen en duidelijker de koppeling
  gaan maken met de stelselambities en prioriteiten uit het strategisch kader. De
  instellingen kunnen daarbij uitgaan van hun bewezen en nog te ontwikkelen sterktes in
  onderwijs en onderzoek en inspelen op de nationale ambities en prioriteiten die zijn
  76. Art. 2.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
  Het stelsel op scherp gezet                                                               45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>opgenomen in de strategische visie. Ze kiezen aan welke van de stelseldoelen ze willen
bijdragen en maken concreet wat daarbinnen hun eigen ambities zijn en op welke manier
ze deze willen halen. Alleen dan kan vastgesteld worden in hoeverre de instellingen erin
slagen de beoogde doelen te realiseren en kan de minister de instellingen aan de
plannen en ambities houden.
In de instellingsplannen maken de instellingen de verschillende aspecten van hun profiel
helder. Ze maken daarin duidelijke keuzes op verschillende dimensies.
Dimensies voor profilering
►       Op welke doelgroepen richten ze zich?
►       Wat is de oriëntatie van de opleidingen (academisch, beroepsgericht)?
►       Hoe differentiëren ze in het onderwijs naar doelgroep, onderwijsvorm, niveau en
        breedte?
►       Welke ambities zijn er ten aanzien van internationalisering en Europese
        samenwerking?
►       Welk aanbod ontwikkelen ze gericht op leven lang ontwikkelen?
►       Welke ambities zijn er ten aanzien van digitalisering in het onderwijs?
►       Welk type onderzoek voeren ze uit en wat is de intensiteit daarvan?
►       In welke vakgebieden specialiseren ze zich en welke zwaartepunten zijn er in
        vakgebieden of sectoren? Specialisaties en zwaartepunten kunnen daarbij
        nadrukkelijk inter- en multidisciplinair zijn, ook tussen wetenschap en technologie.
►       Welke ambities zijn er ten aanzien van kwaliteit, niveau en geografisch speelveld
        (regionaal of mondiaal)?
►       Welke ambities zijn er ten aanzien van kennisverspreiding en maatschappelijke
        impact?
►       Hoe is het werkveld betrokken?
►       Hoe verhouden deze keuzes zich tot die van andere instellingen, in vergelijkbare
        sectoren en bijvoorbeeld in dezelfde regio?
►       Met welke andere instellingen, nationaal en internationaal, en voor welke ambities
        organiseren ze duurzame samenwerking?
Actieve dialoog met betrokkenen van binnen én buiten de instelling
Bij de totstandkoming van het instellingsplan voeren de instellingen een open en actieve
dialoog met verschillende groepen betrokkenen, zowel binnen de instellingen als in de
omgeving. Ze geven in het plan ook aan hoe ze deze dialoog hebben vormgegeven.
Met de in 2018 geïntroduceerde kwaliteitsafspraken ontwikkelen de instellingen al
plannen over hoe zij de vrijgekomen studievoorschotmiddelen willen inzetten. Daarin
betrekken ze interne belanghebbenden (studenten, wetenschappers, docenten) en
Het stelsel op scherp gezet                                                                  46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>relevante externe belanghebbenden (bedrijven, maatschappelijke organisaties, regionale
overheden en andere onderwijsinstellingen). Het is van belang om deze werkwijze te
verbreden naar de instellingsplannen, die ruimer zijn dan de kwaliteitsafspraken. De
beoogde instellingsplannen gaan immers over het omvattende profiel en de gehele
maatschappelijke opdracht van de instelling, en geven aan hoe de instelling bijdraagt aan
de stelseldoelen en -ambities en hoe ze zich oriënteert op de belanghebbenden in de
maatschappij.
Ruim baan voor verschillende profielen en stevige ambities
Met hun keuzes qua profiel kunnen de instellingen voortbouwen op de eigen oorsprong
en ontwikkeling. Nederland kent van oudsher een variëteit aan instellingen: van breed en
algemeen georiënteerd naar smal en sterk gespecialiseerd, zowel bij universiteiten als
hogescholen. De ene instelling kent bijvoorbeeld een sterke traditie in samenwerking met
het bedrijfsleven, terwijl een andere instelling traditioneel een groter deel van haar
inspanningen op onderwijs richt. Het is goed dat instellingen in hun instellingsplannen
duidelijk kiezen waar in de komende periode hun ambities liggen en daar dan ook de lat
voldoende hoog durven leggen. Dat prikkelt om op die punten steeds beter te presteren.
Instellingen kunnen dan groeien op de terreinen van hun profielgebonden ambities,
bijvoorbeeld naar excellentie in onderzoek, in aantrekkelijk bachelor-onderwijs, in een
flexibel aanbod voor leven lang ontwikkelen of op het aspect van regionale impact.
Hoofddimensies waarop instellingen scherpe keuzes maken
Een fundamenteel onderscheid in de profielen is dat tussen de twee basisoriëntaties:
academisch aan de ene kant en beroeps- en praktijkgericht aan de andere kant. Bij
academisch onderwijs leren studenten wetenschappelijke kennis, werkwijzen en
aannames in het eigen vakgebied op onafhankelijke, analytische en kritische wijze te
interpreteren en er over te communiceren. Dit alles is ingebed in een omgeving waarin
ruimte gemaakt wordt voor een bredere blik en ontwikkeling. Bij beroeps- en
praktijkgericht onderwijs leren studenten vakinhoudelijke beroepscompetenties en
generieke vakoverstijgende vaardigheden waaronder probleemoplossend vermogen en
samenwerkings- en communicatievaardigheden. Ze leren nieuwe kennis op te pikken en
toe te passen in de beroepspraktijk. Dit is geen absoluut onderscheid, want universiteiten
leiden als academische instelling studenten ook op voor een beroep, terwijl analytisch en
kritisch denken ook van belang is voor studenten aan praktijkgerichte hogescholen. Het
basisonderscheid tussen academisch en praktijkgericht is echter essentieel om het
karakter van elk type onderwijs en onderzoek helder, herkenbaar en aantrekkelijk te
maken.
Het stelsel op scherp gezet                                                              47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>Een tweede dimensie betreft de relatieve focus op onderzoek of onderwijs. Bovendien
kan de samenhang tussen onderzoek en onderwijs verschillend ingevuld worden. Er zijn
instellingen en opleidingen met veel aandacht voor onderzoek en stevige ambities op
specifieke onderzoekszwaartepunten. Dit kan fundamenteel, probleemgeoriënteerd,
toegepast of praktijkgericht onderzoek zijn met als doel de kennisvoorraad te vergroten of
nieuwe oplossingen te ontwikkelen voor maatschappelijke en economische vragen.
Afgestudeerden en gepromoveerden brengen de nieuwste kennis bij de organisaties
waar ze aan de slag gaan, maar daarnaast werken deze instellingen nauw samen met
bedrijven en maatschappelijke organisaties om nieuwe oplossingen en toepassingen te
ontwikkelen en kennis toegankelijk te maken voor de samenleving.
Bij andere instellingen en opleidingen ligt er juist een grotere nadruk op het verzorgen
van onderwijs en zal het onderzoek ook meer ten dienste staan van het onderwijs. Ze
richten zich op goed onderwijs in beroepsgerichte bachelors of in brede academische
bachelorstudies en vervolg masterstudies, inclusief beroepsgerichte studies voor
bepaalde academische professies zoals artsen en juristen. Het onderzoek ondersteunt
het onderwijs en helpt studenten analytische en probleemoplossende vaardigheden te
ontwikkelen zodat zij in staat zijn nieuwe kennis op te pikken, door te ontwikkelen en toe
te passen in de beroepspraktijk. Ook hier is geen sprake van een absoluut onderscheid
en zijn mengvormen mogelijk, zelfs binnen dezelfde instelling.
Daarnaast kiest een instelling voor een bepaalde inhoudelijke afbakening qua
vakgebieden of voor een bepaalde onderwijsaanpak of voor een specifieke doelgroep.
Ook dit draagt bij aan verschillende profielen.
Als instellingen op al deze punten scherpe keuzes maken, komt er een duidelijker palet
aan profielen tot stand. Daarmee biedt het stelsel voor hoger onderwijs en onderzoek
optimale mogelijkheden voor studenten om een opleiding te volgen die zo goed mogelijk
past bij hun wensen, ambities en talenten en bij de behoeftes van de arbeidsmarkt en de
samenleving. Ook wat betreft onderzoek en kennisverspreiding zal het stelsel dan beter
aansluiten bij de maatschappelijke vraag.
Afstemming tussen instellingen …
De verschillende profielen van de instellingen moeten samen leiden tot het realiseren van
de ambities en prioriteiten op stelselniveau. De minister van OCW is verantwoordelijk
voor de regie op de samenhang van keuzes, zoals beschreven in paragraaf 3.2, maar de
instellingen zijn zelf aan zet om tot een doelmatige afstemming en taakverdeling te
komen. Daarbij zorgen ze voor onderlinge strategische afstemming op instellingsniveau
en werken daarnaast mee aan afstemming op sectoraal en stelselniveau. Bovendien
kunnen instellingen in zo’n afstemmingsproces al domeinen identificeren waarop ze
duurzaam en intensief willen samenwerken om gezamenlijk tot betere prestaties te
Het stelsel op scherp gezet                                                                48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>komen. Ook zulke voornemens voor duurzame samenwerking met andere instellingen
horen in het instellingsplan.
… en afstemming binnen sectoren
Naast de strategische afstemming op instellingsniveau is het ook van belang dat
instellingen tot een effectieve taakverdeling en zwaartepuntvorming komen voor de
verschillende sectoren waarop ze actief zijn. Dit helpt om de ambities en doelen op het
stelselniveau op een doelmatige manier te realiseren. Er zijn in de praktijk goede
ervaringen met de inhoudelijke afstemming op het niveau van een sector: een verzame-
ling van samenhangende disciplines of opleidingen aan universiteiten en hogescholen.
Voor zo’n sector wordt een nationaal sectorplan gemaakt waarin universiteiten en
hogescholen hun portfolio aan onderwijs en onderzoek in de sector afstemmen en
scherpe keuzes maken. In de sectorplannen ontwikkelen de instellingen op basis van een
analyse van de sterktes en zwaktes in het aanbod een gezamenlijk beeld op de ambities
en prioriteiten in onderwijs en onderzoek. De afzonderlijke instellingen maken daarin
duidelijk aan welke ambities en prioriteiten in de sectoren ze kunnen bijdragen gezien
hun sterktes en profiel. Deze voorstellen worden dan afgestemd zodat de instellingen tot
onderlinge strategische taakverdeling, specialisatie en concentratie komen van bestaand
en toekomstig aanbod in onderzoek en onderwijs in de sectoren.
Er komt daarmee een iteratief proces en dialoog op gang tussen instellingen met hun
instellingsplannen enerzijds en de sectorplannen anderzijds. De instellingen moeten de
sectorplannen dragen en de taak- en rolverdeling binnen een sector moet overeenkomen
met de individuele profielen van de instellingen. Binnen een instelling worden ook
afwegingen gemaakt tussen sectoren en worden dwarsverbanden tussen sectoren,
opleidingen en onderzoeksgebieden georganiseerd. Naast afstemming op landelijk
niveau in een sector kunnen instellingen ook in regionale clusters afspraken maken.
   Ervaring met sectorplannen
   Er is al de nodige ervaring met het maken van sectorplannen. In verschillende
   sectoren hebben commissies gezamenlijk met decanen, wetenschappers en
   docenten uit de betreffende sectoren plannen gemaakt voor afstemming en taak-
   verdeling. De aanpak en ook de effectiviteit verschilde sterk. Met de Commissie-
   Breimer, die in de periode 2009-2016 sectorplannen ontwikkelde voor de natuur- en
   scheikunde, is een integrale aanpak ontwikkeld voor sectorplannen waarbij landelijke
   strategievorming, taakverdeling en concentratie in onderzoek, onderwijs en valorisatie
   plaats vindt. Deze aanpak vormt nu het kader voor de ontwikkeling van nieuwe
   sectorplannen in onder andere de bèta- en technieksector en het domein van sociale
Het stelsel op scherp gezet                                                               49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   en geesteswetenschappen. De ervaring leert dat voor het welslagen van afstemming
   op sectorniveau het volgende nodig is:
   ►        Sectorplannen bevatten scherpe voornemens over taakverdeling en concentratie
            van bestaand en toekomstig aanbod en faciliteiten. Ze laten duidelijk zien waar
            doelmatigheidswinst wordt behaald en geven SMART77-geformuleerde
            doelstellingen.
   ►        Sectorplannen zijn gericht op de lange termijn en gebaseerd op onderbouwde
            sterke-zwakte analyse, onafhankelijke en deskundige oordelen en internationale
            benchmarking.
   ►        Sectorplannen bieden een integrale aanpak voor afstemming in bachelor- en
            masteronderwijs, onderzoek en valorisatie.
   ►        Sectorplannen zijn nadrukkelijk afgestemd op de behoeftes van maatschappij en
            werkveld.
   ►        Sectorplannen betrekken zowel hogescholen als universiteiten en behandelen
            het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek in samenhang met het beroeps-
            gerichte onderwijs en onderzoek.
   ►        Er moet werk gemaakt worden van onderlinge samenwerking en afstemming
            ook als sectoren daarin nog weinig ervaring hebben en een landelijk bestuurlijk
            overleg ontbreekt. Een externe kwartiermaker kan daarin helpen.
4.2 Verruim de mogelijkheden voor selectie
Om zich te profileren, moeten hogescholen en universiteiten daartoe in staat gesteld
worden. Voor het hoger onderwijs betekent het dat instellingen meer mogelijkheden
moeten hebben om de studenteninstroom en -doorstroom strategisch te beheersen door
middel van selectie. Omdat de studiekeuze van studenten mede bepalend is voor waar
instellingen hun capaciteit aan wetenschappelijk personeel op moeten inzetten, kan een
instelling door het beter beheersen en sturen van de studenteninstroom ook beter recht
doen aan een keuze voor specifieke vakgebieden en disciplines. Selectie gecombineerd
met capaciteitsbeheersing is ook de manier om te sturen in de aantallen afgestudeerden
in bepaalde disciplines waarnaar veel of juist weinig vraag is vanuit de arbeidsmarkt. Dit
zal de efficiency van het systeem vergroten.
Daarnaast is belangrijk dat een student terecht komt bij de instelling en opleiding die bij
hem of haar past, bij zijn of haar talent, leerstijl, motivatie en inhoudelijke interesses.
Zeker met een groter en duidelijker onderscheid in profielen vraagt dit om vormen van
samenwerking tussen instellingen om de (her)oriëntatie van studenten op hun
77. Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden.
Het stelsel op scherp gezet                                                                 50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>studiekeuze zo soepel mogelijk te laten plaatsvinden. Bijvoorbeeld doordat instellingen
hun complementaire onderwijsaanbod gezamenlijk aanbieden. Door te selecteren op
geschiktheid kan ook de hoge uitval worden verlaagd, wat voor zowel voor de opleiding
als de student goed is. Selectie kan eveneens bijdragen aan het vergroten van de
motivatie en inzet van studenten en ook daardoor leiden tot een hoger studierendement.
Vooral de mogelijkheden om te kunnen selecteren aan de poort in de bachelorfase
moeten uitgebreid worden. De huidige selectiemogelijkheden zijn beperkt tot decentrale
selectie in de bachelorfase bij een opleiding met numerus fixus of bij ‘kleinschalige en
intensieve’ opleidingen en bij masteropleidingen.78 Uitbreiding van mogelijkheden tot
selectie hoeft niet ten koste te gaan van de toegankelijkheid op stelselniveau.
Voorwaarden voor selectie
Instellingen hanteren verschillende selectiemethodes en er is discussie over de
objectiviteit, validiteit en betrouwbaarheid van instrumenten die worden gehanteerd bij
non-cognitieve criteria. Bij het uitbreiden van de mogelijkheden om te selecteren aan de
poort geldt dat die selectie aan een aantal randvoorwaarden moet voldoen:
►       Selectie moet aanvullend zijn ten opzichte van het eindexamen in het voorbereidend
        onderwijs en de selectiecriteria moeten passen bij het onderwijsconcept van de
        opleiding.
►       Selectie mag op stelselniveau geen studenten uitsluiten. Instellingen hebben
        gezamenlijke verantwoordelijkheid om te garanderen dat elke student een geschikte
        opleiding kan volgen.
►       Instellingen mogen zelf hun selectiemethodes bepalen, maar deze methodes
        moeten getoetst worden op effectiviteit en eventuele onwenselijke effecten.
        Instellingen dienen daarbij te opereren met tijdige transparantie en voorlichting over
        selectiemethode, criteria en procedures.
Instellingen moeten de strategische keuzes rond selectie afstemmen op sectorniveau.
Selectie mag immers niet leiden tot uitsluiting van studenten in het stelsel. Het stelsel
moet toegankelijk zijn voor studenten: studenten moeten een passende studie kunnen
volgen, maar het kan zijn dat die studie wordt aangeboden bij een andere instelling dan
die van hun eerste keuze. Ze moeten terecht kunnen bij een opleiding en instelling die
past bij hun talenten en ambities. De voornemens en keuzes rond selectie vormen ook
onderdeel van de instellingsplannen. Daarbij beargumenteren de instellingen de
78. Opleidingen kunnen ook aanvullende eisen stellen en studenten selecteren voor de specifieke inhoud van de opleiding. Dit zijn
     bijvoorbeeld muziekopleidingen of op opleidingen waar fysiek uithoudingsvermogen voor nodig is.
Het stelsel op scherp gezet                                                                                                       51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>noodzaak en het doel van selectie, geven ze aan welke selectiemethodes ze inzetten en
maken ze duidelijk hoe ze het selectieproces inrichten.
4.3 Introduceer profielbekostiging
Eerder wees de AWTI erop dat, als Nederland concurrerend wil blijven in globaliserende
markten en aantrekkelijk wil blijven voor innovatieve bedrijven, het een krachtig en
internationaal ingebed kennis- en innovatiesysteem nodig heeft. Om dit kennis- en
innovatiesysteem op het gewenste ambitieniveau te houden pleiten wij ervoor om meer te
investeren in onderzoek, ontwikkeling en innovatie, waar mogelijk samen met het
bedrijfsleven; zo kan Nederland de doelstelling realiseren om 2,5 procent van het Bruto
Binnenlands Product aan onderzoek en ontwikkeling te besteden.79 Als instellingen
scherpere keuzes maken over wat ze wel en niet doen en als ze beter aanvullend
samenwerken, zullen hierdoor middelen beschikbaar komen, is onze inschatting. Die
kunnen gebruikt kunnen worden om de specifieke ambities van de instellingen en het
stelsel te realiseren.
Het huidige bekostigingsstelsel leidt tot allerlei knelpunten in het stelsel voor hoger
onderwijs en onderzoek. De Adviescommissie Bekostiging Hoger Onderwijs en
Onderzoek (Commissie-Van Rijn) heeft dit nog eens bevestigd en heeft aanbevelingen
gedaan om op de korte termijn de meeste acute knelpunten op te lossen. 80 De
aanbevelingen van de Commissie-Van Rijn gaan vooral over een andere verdeling van
de rijksbijdrage tussen instellingen. De Commissie-Van Rijn geeft aan dat voor een
toekomstbestendig stelsel van bekostiging op de lange termijn meer fundamentele
wijzigingen nodig zullen zijn, die de reikwijdte van haar advies overstijgen.
Voor een toekomstbestendig stelsel is het volgens de AWTI nodig dat de bekostiging de
profilering van instellingen en hun bijdragen aan de gewenste stelseldoelen ondersteunt.
Daarom moet de bekostiging van universiteiten en hogescholen vanuit de rijksbijdrage
voor een deel gekoppeld worden aan de realisatie van de profielen van universiteiten en
hogescholen zoals die in hun instellingsplan zijn vastgelegd. Een dergelijke vorm van
bekostiging heeft twee duidelijke voordelen. Ten eerste ondersteunt het de profilering van
de instellingen: ieder wordt immers beloond voor het realiseren van het gekozen profiel.
Een tweede voordeel is dat het de instellingen stimuleert zich meer te richten op het
realiseren van hun bijdrage aan de maatschappelijke opdracht.
De instellingen kiezen hun eigen profiel en geven zelf aan op welke meetbare resultaten
zij moeten worden beoordeeld. Een voorbeeld: een instelling kiest ervoor dat ze op een
79. Zie brief van de voorzitter van de AWTI aan informateur Schippers, 28 maart 2017. Zie verder ook AWTI (2016c) en AWTI
     (2017c) voor een indicatie van waarvoor extra publieke middelen ingezet moeten worden.
80. Adviescommissie Bekostiging Hoger Onderwijs en Onderzoek (2019).
Het stelsel op scherp gezet                                                                                               52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>bepaald gebied qua onderzoek een plek bij de wereldtop wil hebben. Dan kan zij als
ambitie formuleren dat een aantal van haar onderzoekers tot de meest geciteerde
onderzoekers ter wereld op dat vakgebied dient te behoren. Een ander voorbeeld: een
instelling kiest ervoor om qua opleiding extra bij te dragen aan de maatschappelijke
behoefte aan kennis en bekwame mensen in een bepaalde sector. Dan kan deze als
ambitie formuleren dat ze een toenemend aantal studenten opleidt in die richting die na
hun afstuderen hun weg weten te vinden naar de betreffende sector.
Internationaal wordt steeds meer ervaring opgedaan met het afrekenen op geleverde
prestaties of bereikte resultaten.81 Ook in Nederland hebben instellingen er al enige
ervaring mee.82 Universiteiten en hogescholen in Nederland kenden tussen 2012 en 2016
prestatieafspraken met financiële consequenties. In 2018 hebben de instellingen nieuwe
afspraken gemaakt. Maar deze kwaliteitsafspraken gaan vooral over onderwijskwaliteit en
richten zich op de inspanningen en niet zozeer de resultaten (de outcome, zoals goed
opgeleide mensen). Dit betekent dat een groot deel van de maatschappelijke opdracht
van de instellingen niet wordt gedekt door deze kwaliteitsafspraken. Er worden wel
financiële consequenties verbonden aan de kwaliteitsplannen, maar een financiële
stimulans die gekoppeld is aan resultaten ontbreekt.83
Een vorm van bekostiging op basis van de realisatie van de ambities brengt uitdagingen
met zich mee,84 maar die hoeven het parlement, de regering en de instellingen er niet
van te weerhouden zich van dit instrument te bedienen. Bekostiging is een effectief
middel om beweging te initiëren. Wel moet er steeds goed op gelet worden dat prikkels
geen pervers effect hebben. Bij het invoeren van een vorm van bekostiging op basis van
de realisatie van de profielgebonden ambities is het volgende van belang:
►       Garandeer dat het deel van de bekostiging op basis van de realisatie van de
        ambities groot genoeg is. Uit internationale ervaringen85 blijkt dat effecten al
        zichtbaar zijn bij prestatiebeloningen vanaf vijf procent van de publieke bekostiging
        van een instelling.86 Bij percentages boven 30 procent ontstaat te veel onzekerheid
81. Zie internationaal vergelijkende studies van bekostiging op basis van prestaties door o.a. Boer, H. de et al (2015); Jongbloed, B.
     et al (2018); Boer, H. de en B. Jongbloed (2015); Debackere, K. et al (2018); Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek
     (2017b); Jonkers, K. en T. Zacharewicz (2017).
82. Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek (2017b); Vught, F. van (2018).
83. Zie ISO, LSVB, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Vereniging van Hogescholen en VSNU (2018). Aan de
     evaluatie van de realisatie van het plan voor de inzet van de studievoorschotmiddelen worden geen financiële consequenties
     verbonden. Zie ook het advies van de Raad van State (2019) over het Besluit kwaliteitsbekostiging hoger onderwijs.
84. Zie noten 81 en 82. Pluspunten zijn dat afrekenen op prestaties het prestatie- en kostenbewustzijn vergroot, transparantie
     bevordert en zorgt voor een betere dialoog tussen overheid en instellingen. Belonen van gewenste prestaties werkt beter dan het
     bestraffen van niet-realisatie. Er zijn ook nadelen. Het is soms lastig om adequate en meetbare indicatoren te vinden.
     Kwalitatieve indicatoren kunnen nuttig zijn, maar zijn arbeidsintensief. Als je een beperkt aantal identieke indicatoren voor alle
     instellingen toepast, richten ze zich op hetzelfde en wordt het stelsel homogener. Ook bestaat het gevaar dat instellingen zich
     richten op het optimaal realiseren van indicatoren en niet op het realiseren van de gewenste effecten.
85. Zie bijvoorbeeld Boer, H. de et al (2015); Jongbloed, B. et al (2018); Boer, H. de en B. Jongbloed (2015); Debackere, K. et al
     (2018); Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek (2017); Jonkers, K. en T. Zacharewicz (2017).
86. Vijf procent is de ondergrens. De prestatieafspraken in de periode 2012-2016 hadden betrekking op zeven procent van de eerste
     geldstroom.
Het stelsel op scherp gezet                                                                                                             53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>        over financiering en kunnen onbedoelde effecten te sterk gaan opspelen. Het is dan
        ook niet wenselijk om de bekostiging volledig te koppelen aan bereikte resultaten.
►       Kies voor eenvoudige, relevante en robuuste indicatoren en zorg dat afspraken over
        het ambitieniveau vanaf het begin duidelijk zijn en niet tussentijds aangepast
        worden.
►       Zorg voor heldere meetlatten en vergelijkbare indicatoren voor instellingen die
        soortgelijke doelen nastreven.
►       Geef bij de beoordeling van de gerealiseerde ambities ruimte aan de kwalitatieve,
        doch valideerbare waardering van de resultaten en de context waarin deze tot stand
        zijn gekomen.
►       Als een instelling goed scoort (boven de meetlat) geeft dat recht op een bonus, in
        het bijzonder als dat geldt in een benchmark met andere instellingen. Maak voor dit
        deel van de bekostiging budget vrij zodat er ruimte is om prestaties boven de
        meetlat daadwerkelijk te belonen met extra middelen.87
►       Zorg voor voldoende financieringsmogelijkheden voor vrij en fundamenteel
        onderzoek. Het is een van de wezenlijke functies van ons stelsel voor hoger
        onderwijs en onderzoek en vormt een nadrukkelijk onderdeel van de
        maatschappelijke opdracht.
87. Als er geen extra middelen beschikbaar zouden zijn (en er dus enkel een herverdeling van bestaande middelen plaatsvindt),
     bestaat er een kans dat instellingen die hun ambities halen er toch financieel op achteruit gaan, namelijk als de andere
     instellingen het relatief nog beter doen. Dit is niet wenselijk.
Het stelsel op scherp gezet                                                                                                   54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                                                                                    5
5 Aanbeveling: bevorder de samenwerking
  tussen instellingen
                Door de krachten te bundelen voldoen universiteiten en hogescholen beter
                aan de verwachtingen van de samenleving. Dit hoofdstuk schetst drie
                vormen van samenwerking: voor onderwijs, voor toponderzoek en voor
                maatschappelijke uitdagingen. De geschetste samenwerking gaat verder
                dan nu gangbaar is.
  5.1 Breng samenwerking een stap verder voor meer resultaat
  De Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs en onderzoek werken volop samen,
  zowel in onderzoek als in onderwijs. Naast samenwerking in tijdelijke onderzoeks-
  projecten en –programma’s werken universiteiten onderling samen in strategische
  allianties zoals de 4TU.Federatie, de alliantie Leiden-Delft-Erasmus of in nationale
  onderzoeksscholen. Ook op het gebied van onderwijs ontwikkelen universiteiten
  gezamenlijke, multidisciplinaire bachelors, masters en post-masters. Hogescholen
  kennen ook diverse strategische allianties, waarvan sommige geleid hebben tot een
  fusie. In die strategische allianties bundelen hogescholen hun kennis en expertise op een
  specifiek domein in nauwe samenwerking met het werkveld. In Centres of Expertise
  werken hogescholen samen met bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties aan
  onderzoek en kennisuitwisseling.
  De samenwerkingen beperken zich doorgaans echter tot universiteiten onderling of hoge-
  scholen onderling en gaan zelden de grens over tussen universiteiten en hogescholen.
  Verschillende universiteiten en hogescholen bieden wel gezamenlijk een academische
  lerarenopleiding primair onderwijs of maken afspraken over masteropleidingen. Pogingen
  om tot een bestuurlijke fusie te komen zijn vooralsnog weinig succesvol. Er zijn enkele
  voorbeelden van strategische allianties, zoals de samenwerking tussen de Universiteit
  Twente en de Hogeschool Saxion en die tussen de Universiteit Leiden en de Haagse
  Hogeschool. Verschillende zaken bemoeilijken samenwerking tussen universiteiten en
  hogescholen. Naast verschillen in cultuur, zorgt de bekostigingssystematiek ervoor dat
  instellingen concurreren op aantallen studenten en middelen voor onderwijs en
  onderzoek. De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek staat veel
  typen van samenwerking toe, maar een gezamenlijk diploma van een universiteit en
  hogeschool is niet mogelijk.
  De overheid stimuleert en faciliteert volop onderzoekssamenwerking tussen universi-
  teiten, hogescholen en het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Zo werken
  Het stelsel op scherp gezet                                                             55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>universiteiten, hogescholen en andere kennisinstellingen samen binnen de Topsectoren,
in de routes van de Nationale wetenschapsagenda, in het kader van City Deals en in
Europese onderzoeksprogramma’s en NWO-programma’s. Toch is deze samenwerking
bijna nooit diepgaand, structureel en langjarig. Ze vindt plaats in tijdelijke onderzoeks-
projecten die nauwelijks herkenbaar zijn voor de buitenwereld. De financiering komt uit
verschillende bronnen, met elk verschillende tijdshorizonnen, doelstellingen en
voorwaarden. Door deze beperkingen wordt niet het volle potentieel gerealiseerd van het
bundelen van de krachten van verschillende instellingen, waarbij ieders bijdrage
voortbouwt op het eigen profiel en de eigen sterktes.
Omdat diepgaande samenwerking tussen verschillende typen instellingen in het huidige
stelsel onvoldoende tot stand komt, is het aan de minister van OCW om de gewenste
ontwikkeling in gang te zetten. Bij het in dit advies voorgestelde scherpe profiel van de
afzonderlijke instellingen is dit des te meer aan de orde. Dat vraagt om vormen van
aanvullende samenwerking. De minister kan instellingen nadrukkelijk uitnodigen
structurele samenwerkingsverbanden aan te gaan en zorgen dat voor zulke
samenwerking financiering gegeven kan worden voor een langere periode, over
regeerperiodes heen. Dit is goed te koppelen aan de governance cyclus zoals
beschreven in paragraaf 3.2: zulke samenwerking kan worden opgenomen in de
profilering in het instellingsplan. Daarbij maken de instellingen ook duidelijk welke vorm
van samenwerking met internationale partners zij voorzien. In deze samenwerkings-
verbanden bundelen instellingen hun krachten om samen betere resultaten te bereiken.
De relaties worden aangegaan voor meerdere jaren, leiden tot diepgaande
samenwerking en zijn duidelijk herkenbaar voor de buitenwereld. Ze kunnen zich
bijvoorbeeld richten op onderwijs, toponderzoek, of missiegedreven onderzoek en
innovatie. De functies en kenmerken van dit soort samenwerkingsverbanden komen aan
bod in de volgende paragrafen.
5.2 Onderwijsnetwerken bieden studenten snel de juiste plek
In onderwijsnetwerken stemmen universiteiten en hogescholen de organisatie van
bachelor- en masteropleidingen met verschillende oriëntaties af. Door onderwijs-
netwerken op te zetten zal het stelsel beter in staat zijn om studenten sneller op de juiste
plek te krijgen: op een plek die zowel aansluit op de behoeften van de arbeidsmarkt als
bij de talenten en interesses van de student. Het maakt het ook mogelijk om gezamenlijk
een flexibel onderwijsaanbod te ontwikkelen dat aantrekkelijk is voor werkenden.
Samenwerking tussen algemene instellingen en technische instellingen biedt ook volop
kansen voor het ontwikkelen van interdisciplinaire curricula. Samenwerking in onderwijs-
netwerken helpt verder om versnippering van middelen en onnodige duplicatie te
Het stelsel op scherp gezet                                                                 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>voorkomen. Dit vergroot de doelmatigheid van het onderwijs en houdt de toegankelijkheid
op peil.
Afstemming binnen onderwijsnetwerken gaat bijvoorbeeld over:
►       Gezamenlijk voorlichting geven over het studieaanbod van betrokken instellingen
        om studenten zo goed mogelijk op hun plek te krijgen.
►       Een complementair aanbod van bachelor en masteronderwijs bieden, voor
        verschillende doelgroepen, voor initieel onderwijs en leven lang ontwikkelen.
►       De mogelijkheden scheppen voor soepele heroriëntatie en schakelen tussen typen
        opleidingen en opleidingsoriëntaties, en verbeteren van doorstroommogelijkheden.
►       Het delen van infrastructuur en faciliteiten, zoals werkplaatsen of laboratoria.
Voor een betere aansluiting en doorstroming tussen niveaus en oriëntaties in opleidingen
is het van belang dat de eindtermen helder en onderscheidend geformuleerd zijn. Dit
geldt voor alle opleidingen: beroepsgericht en wetenschappelijk, op bachelor- en
masterniveau.
De onderwijsnetwerken beperken zich niet tot hogescholen en universiteiten, maar
betrekken ook het mbo erbij voor doorlopende leerlijnen voor een goede aansluiting met
het hbo en voor een aanbod dat bijdraagt aan leven lang ontwikkelen. Betrokkenheid van
bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheidsorganisaties zorgt voor een betere
aansluiting met de praktijk.
De onderwijsnetwerken komen tot stand op initiatief van de instellingen, maar deze
worden daartoe wel nadrukkelijk uitgenodigd door de minister. De betrokken instellingen
formuleren de doelen van het onderwijsnetwerk en geven vanuit hun eigen profiel aan
welke bijdrage ze willen leveren aan de doelen van het samenwerkingsverband. De
onderwijsnetwerken worden periodiek beoordeeld op hun gezamenlijke resultaten en bij
een positief oordeel daarvoor beloond.
Alleen aansporing, goede wil en financiering is niet voldoende om dit type diepgaande
samenwerking tussen instellingen op te zetten. Er kunnen allerlei barrières zijn,
bijvoorbeeld door wet- en regelgeving, door schotten in financieringsstromen, of door
verschillen in cultuur, in schaal of in administratieve systemen. Het is dus van belang dat
bepalingen en regels die samenwerking in de weg zitten, kritisch worden bezien.
   Voorbeelden van onderwijsnetwerken
   Rotterdam Arts and Sciences Lab (RASL) is een samenwerkingsverband tussen de
   hogescholen Codarts en Willem de Kooning Academie en de Erasmus Universiteit
   (Kunst en Cultuurstudies en Erasmus University College). RASL vormt een platform
Het stelsel op scherp gezet                                                               57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>   waar kunsten en wetenschap bij elkaar komen. Zowel in onderwijs als in onderzoek
   werken de instellingen samen. RASL biedt studenten de mogelijkheid om in een
   vijfjarig programma twee bachelordiploma’s te halen: één aan de Erasmus Universiteit
   en één aan Codarts of Willem de Kooning Academie. Verder ontwikkelt RASL
   gezamenlijke, interdisciplinaire onderzoeksprogramma’s, wisselen de partners
   onderwijservaringen uit en ontwikkelen ze samen nieuwe, innovatieve onderwijs-
   vormen.
   Energy Academy is een samenwerkingsverband tussen de Rijksuniversiteit
   Groningen, Hanze Hogeschool, Energy College en het Energy Delta Institute. De
   Academy biedt onderwijs rond het thema energietransitie op het niveau van
   middelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs
   op zowel bachelor als masterniveau en een postacademische MBA. Daarnaast zijn er
   online onderwijsmodules, een PhD-zomerschool en andere onderwijsprogramma’s.
   De partners werken ook samen op het gebied van interdisciplinair onderzoek in
   publiek-private samenwerkingen en in innovatietrajecten. Energy Academy biedt
   bijvoorbeeld een open innovatiecentrum en een field lab waarin studenten,
   onderzoekers en bedrijven samen energie-innovaties testen en verder ontwikkelen,
   en waarin start-ups op weg geholpen worden.
5.3 Excellente onderzoeksallianties voor topkennis en
toptalent
In excellente onderzoeksallianties verbinden sterke onderzoeksgroepen van
universiteiten en wetenschappelijke instituten zoals de NWO- en KNAW-instituten zich
met elkaar om gezamenlijk herkenbaar de wereldtop in onderzoek te bereiken. Excellente
onderzoeksallianties verbinden zich rondom specifieke onderzoeksgebieden,
technologiegebieden of thema’s. Daarbij zullen vaak de kennis en expertise van
algemene universiteiten of hogescholen en technische universiteiten of hogescholen bij
elkaar gebracht worden. Om onze kenniseconomie vitaal te houden is het absoluut
noodzakelijk om op een aantal gebieden uit te blinken en de echte top te behalen – ook
omdat bedrijven steeds meer mondiaal zoeken naar de beste kennis en talenten. Om
zulk talent en internationale bedrijven hier te houden of hierheen te trekken, is het
cruciaal dat Nederland ze op een aantal thema’s een excellente omgeving kan bieden.
Het bundelen van excellent onderzoek in combinatie met langjarig commitment vanuit de
overheid leidt tot zichtbaar leiderschap in onderzoekszwaartepunten. Dit helpt ook om
buitenlandse investeringen voor onderzoek en ontwikkeling aan te trekken.
Het stelsel op scherp gezet                                                            58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Excellente onderzoeksallianties hebben de volgende kenmerken:
►       Ze richten zich op fundamenteel en strategisch basisonderzoek.
►       Ze verbinden nationale onderzoekszwaartepunten, maar kunnen ook open zijn voor
        structurele samenwerking met internationale excellente onderzoeksgroepen.
►       Ze formuleren gezamenlijke doelen voor de alliantie; de deelnemende instellingen
        bepalen hun bijdragen daaraan op basis van hun eigen profiel.
►       Ze zijn georganiseerd als een virtueel onderzoeksinstituut: dit houdt in dat de
        onderzoekers en hun onderzoek weliswaar zijn ingebed in de deelnemende
        instellingen, maar dat de onderzoeksalliantie als ‘virtueel instituut’ wel een eigen
        programmering kent, eigen gedeelde faciliteiten, een eigen bestuur en eigen
        financiering vanuit het ministerie van OCW, vastgelegd in convenanten van vijf jaar.
►       Ze komen bottom-up tot stand in reactie op een ‘open call’, waarbij NWO op basis
        van heldere selectiecriteria enkele (vijf tot tien) onderzoeksallianties selecteert.
►       Ze worden periodiek beoordeeld op kwaliteit en excellentie via een internationale
        benchmark en op de realisatie van de gezamenlijke doelen via een evaluatie.
►       Ze maken nadrukkelijk werk van kennisverspreiding en -benutting.
►       Ze kunnen onderwijs bieden aan gespecialiseerde onderzoeksmasters en
        promovendi.
   Voorbeelden van excellente onderzoeksallianties
   Het Oncode Institute is een virtueel onderzoeksinstituut dat excellent onderzoek
   uitvoert en fundamentele inzichten vertaalt naar toepasbare methoden voor diagnose
   en behandelingen van kanker. Het Oncode Institute brengt de top in fundamenteel
   kankeronderzoek samen. Er zijn meer dan 500 Nederlandse onderzoekers aan
   verbonden. Zij zijn ondergebracht in 43 groepen bij negen verschillende
   onderzoeksorganisaties (vijf UMCs, drie onderzoeksinstituten en een universiteit).
   Naast fundamenteel onderzoek werkt het Oncode Institute samen met anderen aan
   translationeel en klinisch onderzoek om nieuwe diagnostica, geneesmiddelen en
   innovatieve behandelingen te ontwikkelen. Kennisverspreiding behoort nadrukkelijk
   tot de opdracht van Oncode. KWF Kankerbestrijding investeert samen met de
   ministeries EZK, OCW en VWS, Health~Holland, NWO, ZonMW en de negen
   partnerinstituten in totaal 120 miljoen euro in het Oncode Institute (tot 2022).
   Het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) is een van de vier strategische
   onderzoekscentra (SOC) in Vlaanderen. De vier SOC’s hebben de ambitie om
Het stelsel op scherp gezet                                                                  59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>   excellent te zijn in wetenschappelijk onderzoek en kennisverspreiding.88 Ze krijgen
   daarvoor een meerjarige subsidie die zij inzetten voor strategisch basisonderzoek.
   Het VIB verricht basisonderzoek naar de werking van het menselijk lichaam, naar
   planten en micro-organismen. De nadruk ligt op het vertalen van basisonderzoek naar
   toepassingen voor de geneeskunde en de landbouw. Het VIB opereert als een
   virtueel onderzoeksinstituut: 1470 wetenschappers werken voor het VIB en zijn
   ingebed in 75 universitaire onderzoeksgroepen van de vijf betrokken Vlaamse
   universiteiten (Katholieke Universiteit Leuven, Universiteit Antwerpen, Universiteit
   Gent, Vrije Universiteit Brussel en Universiteit Hasselt). Niet alleen de onderzoekers,
   maar ook de onderzoeksfaciliteiten bevinden zich op de universitaire campussen.
   Het VIB heeft een raamovereenkomst met de deelnemende universiteiten, waarbij de
   opbrengsten 100 procent gedeeld worden. Met andere woorden: onderzoekers
   hebben voor hun publicaties een dubbele affiliatie (VIB en universiteit) en het VIB en
   de universiteiten delen de intellectuele eigendomsrechten. Bij het afsluiten van een
   nieuw convenant worden de deelnemende onderzoeksgroepen en onderzoekers
   geëvalueerd op basis van kritische prestatie-indicatoren, samenwerking tussen
   onderzoeksgroepen en een internationale vergelijking met andere onderzoeks-
   organisaties in de biotechnologie. Onvoldoende prestatie leidt tot verwijdering uit het
   VIB. Het VIB is internationaal erkend als excellent onderzoeksinstituut in de life
   sciences. Dit blijkt uit een evaluatie van het VIB (2016) en uit de Leiden Ranking voor
   Biomed & health onderzoek (2015), waarin VIB de tweede plaats bezette achter MIT.
   Het VIB zet ook in op valorisatie en toepassing van de onderzoeksresultaten.89
   Het VIB sluit elke vijf jaar een nieuw convenant met de Vlaamse overheid en de
   deelnemende universiteiten. In die convenanten wordt vastgelegd wat de jaarlijkse
   bijdrage is vanuit de Vlaamse overheid en welke doelstellingen voor het VIB van
   belang zijn. Naast kwantitatieve doelen wordt het VIB ook beoordeeld op basis van
   meer kwalitatieve doelen. Het gaat dan om de economische impact van de activiteiten
   in Vlaanderen. Maakt de Vlaamse industrie voldoende gebruik van kenniswerkers,
   kennis en technologie van het VIB?90 Naar aanleiding van de goede resultaten uit de
   evaluatie en de uitbreiding van de doelstellingen voor het VIB heeft de Vlaamse
   overheid de jaarlijkse bijdrage met 33 procent verhoogd ten opzichte van de toelage
   in 2014.
   Exzellenzcluster. In 2005 hebben de Bonds- en Bundesländerregeringen het
   Exzellenzinitiative in het leven geroepen om het Duitse hoger onderwijs- en
88. Stichting Innovatie en Arbeid (2014); Hertog, P. den et al (2016).
89. Bury, J. en J. Cardoen (2017).
90. Dessers, R. et al (2016).
Het stelsel op scherp gezet                                                                60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>    onderzoekssysteem voor studenten en onderzoekers attractiever te maken. Het
    initiatief had een budget van 4,6 miljard euro in twee fases: 2006-2011 en 2012-2017.
    Doel was om toponderzoek aan universiteiten te bevorderen en hun internationale
    concurrentiekracht te vergroten.91 In 2018 is de opvolger van het Exzellenzinitiative,
    de Exzellenzstrategie, van start gegaan met een jaarlijks budget van zo’n 533 miljoen
    euro.
    Een van de pijlers van de Exzellenzstrategie wordt gevormd door de excellentie-
    clusters (Exzellenzcluster). De Exzellenzcluster stimuleren internationaal concur-
    rerende onderzoeksgebieden bij universiteiten. In zo’n cluster werken onderzoekers
    uit verschillende disciplines en instituten samen. Universiteiten met een Excellenz-
    cluster kunnen een extra premie ontvangen ter ondersteuning van hun organisatie- en
    strategieontwikkeling. In 2018 zijn 57 Exzellenzcluster geselecteerd uit 88 ingediende
    voorstellen. Voor deze clusters is 385 miljoen euro per jaar beschikbaar, in eerste
    instantie voor zeven jaar, met een mogelijk vervolg voor nog eens zeven jaar.
5.4 Missiegedreven consortia pakken maatschappelijke
opgaven effectief aan
Wij herhalen hier ons eerdere advies om een programmatische, missiegedreven aanpak
te hanteren voor complexe maatschappelijke opgaven.92 Inmiddels heeft het vernieuwde
innovatiebeleid al meer oog ontwikkeld voor een missiegedreven aanpak.93 Ook rond
energie en klimaat wordt langs deze lijnen een ‘integrale kennis- en innovatieagenda’
ontwikkeld.94
De bepleite aanpak kan goed vorm krijgen in missiegedreven onderzoeksconsortia.
Daarin werken algemene en technische universiteiten en hogescholen samen met
instellingen voor toegepast onderzoek, andere publieke kennisorganisaties, bedrijven en
maatschappelijke organisaties. Kennis- en innovatievragen rondom complexe
maatschappelijke opgaven staan centraal; specifiek gaat het om thema’s waarin
Nederland een voorsprong heeft op andere landen. Voor zulke complexe opgaven zijn
kennis en kunde nodig die meestal niet binnen één enkele organisatie te vinden zijn.
Daarom zijn samenwerkingsverbanden nodig. De missiegedreven onderzoeks- en
innovatieconsortia verbinden de zwaartepunten in fundamenteel, toepassingsgericht en
praktijkgericht onderzoek in verschillende disciplines. Ze betrekken het bedrijfsleven en
maatschappelijke organisaties om nieuwe kennis te verspreiden en deze te vertalen in
91.   Deutsche Forschungsgemeinschaft (DFG) et al (2013).
92.   AWTI (2017c); AWTI (2016b).
93.   Minister en staatsecretaris van Economische Zaken en Klimaat (2018).
94.   Taakgroep Innovatie (2019).
Het stelsel op scherp gezet                                                                61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>nieuwe toepassingen en oplossingen. Ze bundelen activiteiten rondom een specifieke
maatschappelijke opgave langs de hele, multidisciplinaire keten van onderzoek tot
praktijk, waarin intensief wordt samengewerkt.
Missiegedreven onderzoeks- en innovatieconsortia hebben de volgende kenmerken:
►       Deze consortia zijn samenwerkingsverbanden die werken aan duidelijke missies
        voor onderwerpen waarop Nederland een voorsprong heeft.
►       Ze verbinden zwaartepunten in verschillende disciplines in fundamenteel,
        toepassingsgericht en praktijkgericht onderzoek met kennis en ervaringen uit de
        praktijk van het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.
►       De consortia zijn open voor structurele samenwerking met internationale partners.
►       Ze formuleren gezamenlijke doelen en de deelnemende partijen bepalen vanuit hun
        eigen profiel hun bijdrage daaraan.
►       Deze consortia werken als een virtueel samenwerkingswerkingsverband: de
        onderzoekers zijn ingebed in de eigen organisatie, maar de onderzoeks-
        infrastructuur wordt gedeeld binnen het consortium. Het consortium werkt op basis
        van programma’s met duidelijke missies en kent een eigen bestuur en financiering,
        vastgelegd in convenanten van vijf jaar.
►       Ze komen bottom-up tot stand in reactie op thematische calls, waarbij de selectie
        van specifieke consortia tot stand komt onder verantwoordelijkheid van de overheid.
►       Kennisverspreiding en -benutting krijgen in de consortia een prominente rol.
►       De consortia worden periodiek beoordeeld en bij een positief oordeel beloond op de
        realisatie van de gezamenlijke doelen.
   Voorbeelden van missiegedreven onderzoeks- en innovatieconsortia
   WaterCampus Leeuwarden brengt onderzoek, innovatie en onderwijs op het gebied
   van watertechnologie samen. Nationale en internationale kennisinstellingen, bedrijven
   en overheden nemen deel en geven vorm aan onderzoek, onderwijs en innovatie. Zo
   neemt het technologisch topinstituut Wetsus het precompetitieve wetenschappelijk
   onderzoek voor zijn rekening. Het Center of Expertise Water Technology (CEW) richt
   zich op toegepast onderzoek, technologieontwikkeling en innovatie. In Wetsus werken
   meer dan 20 nationale en internationale universiteiten en onderzoeksinstituten en
   meer dan 100 bedrijven samen aan wetenschappelijk onderzoek en onderwijs
   (masters). Het Center of Expertise Water Technology is een samenwerkingsverband
   tussen NHL Stenden Hogeschool en Hogeschool VHL. Net als bij Wetsus is ook bij
   CEW het bedrijfsleven betrokken. Zowel Wetsus als het CEW beschikken over
   onderzoeksfaciliteiten. WaterCampus Leeuwarden biedt onderwijsprogramma’s op
Het stelsel op scherp gezet                                                               62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>   verschillende niveaus, inclusief programma’s voor basisschoolleerlingen. De
   programma’s zijn met elkaar verbonden zodat leerlingen en studenten goede
   doorstroommogelijkheden hebben.
   Het Advanced Research Center Chemical Building Blocks Consortium (ARC
   CBBC) is een nationaal publiek-privaat consortium dat onderzoek doet naar
   duurzame chemische bouwstenen voor energiedragers, coatings en materialen. In het
   ARC CBCC werken toponderzoekers van drie universiteiten samen met onderzoekers
   van drie multinationals: AkzoNobel, BASF en Shell. Het ARC CBCC is een virtueel
   onderzoeksconsortium bestaande uit drie hub-locaties aan de universiteiten die
   verschillende landelijke interdisciplinaire expertises verbinden. Het ARC CBBC
   beslaat de gehele kennisketen: van fundamenteel onderzoek op het terrein van
   nieuwe chemische conversies en functionele materialen tot aan de ontwikkeling van
   nieuwe energie-efficiënte processen en de ontwikkeling van nieuwe energiedragers
   en componenten voor chemische bouwstenen.
Den Haag, juni 2019,
prof. dr. U. Rosenthal, voorzitter
mr. J.J.G. Bovens, secretaris
Het stelsel op scherp gezet                                                          63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>Het stelsel op scherp gezet 64</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>                            BIJLAGEN
Het stelsel op scherp gezet          65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>Bijlage 1 Gebruikte afkortingen
►       4TU                 Vier technische universiteiten
►       ARC CBCC            Advanced Research Center Chemical Building Blocks
                            Consortium
►       AWT                 Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid
►       AWTI                Adviesraad voor wetenschap, technologie en
                            innovatie
►       CDHO                Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs
►       CoE                 Centre of Expertise
►       CEW                 Center of Expertise Water Technology
►       EDK                 Schweizerische Konferenz der kantonalen
                            Erziehungsdirektoren
►       ETH                 Eidgenössische Technische Hochschule
►       EZK                 Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
►       FEC                 Further Education Colleges
►       hbo                 Hoger beroepsonderwijs
►       HEA                 Higher Education Authority
►       HFKG                Bundesgesetz über die Förderung der Hochschulen und die
                            Koordination im schweizerischen Hochschulbereich
►       HEFCE               Higher Education Funding Council for England
►       KNAW                Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen
►       MBA                 Master of Business Administration
►       mbo                 Middelbaar beroepsonderwijs
►       MIT                 Massachusetts Institute of Technology
►       NVAO                Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie
►       NWO                 Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
►       OCW                 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
►       OfS                 Office for Students
►       PhD                 Doctor of Philosophy
►       RASL                Rotterdam Arts and Sciences Lab
►       SBFI                Staatssekretariat für Bildung, Forschung und Innovation
►       SER                 Sociaal-Economische Raad
►       SMART               Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden
►       SOC                 Strategisch onderzoekscentrum
►       UMC                 Universitair Medisch Centrum
►       UKRI                United Kingdom Research and Innovation
►       VIB                 Vlaams Instituut voor Biotechnologie
►       VH                  Vereniging Hogescholen
Het stelsel op scherp gezet                                                             66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>►       VHL                 Hogeschool Van Hall Larenstein
►       VSNU                Vereniging van universiteiten
►       vwo                 Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
►       VWS                 Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
►       wo                  Wetenschappelijk onderwijs
Het stelsel op scherp gezet                                                  67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>Bijlage 2 Geraadpleegde bronnen
►       Adviescommissie Bekostiging Hoger Onderwijs en Onderzoek (2019), Wissels om,
        Naar een transparante en evenwichtige bekostiging, en meer samenwerking in
        hoger onderwijs en onderzoek, mei 2019
►       Adviescommissie hoger onderwijs voor werkenden (2014), Flexibel hoger onderwijs
        voor werkenden, 12 maart 2014
►       Alexander von Humboldt Stiftung, ‘Alexander von Humboldt-Professur’,
        https://www.humboldt-professur.de/de
►       Allen, J., C. Meng en R. van der Velden (2016), Wat verwachten werkgevers van
        hbo-afgestudeerden, Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA),
        Maastricht, ROA-R-2016/1
►       Australian Government Department of Education and Training, ‘Mission based
        compacts’, via https://www.education.gov.au/mission-based-compacts
►       AWT (2003), Wijsheid achteraf – De verantwoording van universitair onderzoek,
        Den Haag, juni 2003
►       AWT (2005), Tijd voor een opKIQer!. Méér investeren in onderwijs en onderzoek,
        Den Haag, oktober 2005
►       AWT (2007a), Balanceren met beleid. Wetenschaps- en Innovatiebeleid op
        hoofdlijnen, Den Haag, maart 2007
►       AWT (2007b), Weloverwogen impulsen. Strategisch investeren in zwaartepunten,
        Den Haag, november 2007
►       AWT (2010), Briefadvies Crisis als kans, Den Haag, april 2010
►       AWT (2011), Scherp aan de wind! Handvat voor een Europese strategie voor
        Nederlandse (top)sectoren, Den Haag, augustus 2011
►       AWT (2013), Going Dutch. De kennissamenleving in internationaal perspectief, Den
        Haag, november 2013
►       AWT (2014), Boven het maaiveld. Focus op wetenschappelijke zwaartepunten, Den
        Haag, april 2014
►       AWTI (2016a), Durven delen. Op weg naar een toegankelijke wetenschap, Den
        Haag, januari 2016
►       AWTI (2016b), Oppakken en doorpakken. Durven kiezen voor energie-innovatie,
        Den Haag, november 2016
►       AWTI (2016c), Houd de basis gezond, Den Haag, november 2016
►       AWTI (2017a), Prioriteiten voor het wetenschaps- en innovatiebeleid van een
        nieuwe regering, Brief van de AWTI-voorzitter aan kabinetsinformateur mevr. drs. E.
        Schippers, 28 maart 2017
►       AWTI (2017b), WTI-Diplomatie. Offensief voor de internationalisering van
        wetenschap, technologie en innovatie, Den Haag, mei 2017
Het stelsel op scherp gezet                                                              68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>►       AWTI (2017c), Onmisbare schakels – De toekomst van toepassingsgericht
        onderzoek, Den Haag, augustus 2017
►       Berger, T. en C. Frey (2016), ‘Structural Transformation in the OECD: Digitalisation,
        Deindustrialisation and the Future of Work’, OECD Social, Employment and
        Migration Working Papers, No. 193, Paris, OECD Publishing, 26 september 2016
►       Besselaar, P. van den en E. Horlings (2010), Focus en massa in het
        wetenschappelijk onderzoek: de Nederlandse onderzoeksportfolio in internationaal
        perspectief, Den Haag, Rathenau Instituut
►       Boer, H. de, B. Jongbloed, P. Benneworth, L. Cremonini, R. Kolster, A. Kottmann,
        K. Lemmens-Krug en H. Vossensteyn (2015), Performance-based funding and
        performance agreements in fourteen higher education systems, Report for the
        Ministry of Education, Culture and Science, CHEPS, maart 2015
►       Boer, H. de en B. Jongbloed (2015), Reflections on performance agreements in
        higher education Practical considerations in delivering system-wide improvements,
        CHEPS working paper 09/2015
►       Bormans, R. (2018), ‘Blijvend actueel’, Column in TH&MA, nr. 2-18
►       Broek, N. van den en A. Vennekens (2019), ‘Ontwikkeling van het wetenschappelijk
        onderzoeksprofiel van Nederland’, Den Haag, Rathenau Instituut, 6 februari 2019,
        https://www.rathenau.nl/nl/wetenschap-cijfers/output/ontwikkeling-van-het-
        wetenschappelijk-onderzoeksprofiel-van-nederland
►       Bundesgesetz über die Förderung der Hochschulen und die Koordination im
        schweizerischen Hochschulbereich (HFKG), 30 september 2011, beschikbaar op:
        https://www.admin.ch/opc/de/official-compilation/2014/4103.pdf
►       Bundesministerium für Bildung, Wissenschaft und Forschung (2019),
        ‘Hochschulkonferenz’, beschikbaar op http://www.hochschulplan.at/
►       Bury, J. en J. Cardoen (2017), ‘Presentatie VIB aan het Vlaams Parlement’, 15 juni
        2017, bijlage bij Verslag van de hoorzitting over de evaluatie van de strategische
        onderzoekscentra en de nieuwe convenanten, namens de Commissie voor
        Economie, Werk, Sociale Economie, Innovatie en Wetenschapsbeleid, beschikbaar
        op https://www.vlaamsparlement.be/parlementaire-documenten/parlementaire-
        initiatieven/1154624
►       Casteren, W., J. Nooij, M. van Essen en B. Janssen (2018),Tussenverslag monitor
        experimenten flexibilisering en vraagfinanciering hoger onderwijs, in opdracht van
        Ministerie van OCW, uitgevoerd door ResearchNed, Nijmegen, februari 2018
►       Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en
        het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) (2019), ‘Onderwijs in
        Cijfers’, https://www.onderwijsincijfers.nl/
►       Chiong Meza, C. (2012), De Nederlandse universiteiten. Feiten en cijfers 2012, Den
        Haag, Rathenau Instituut
Het stelsel op scherp gezet                                                                 69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>►       Commissie-Breimer (2016), Een succesvolle stap. Eindrapportage Commissie
        Breimer, april 2016
►       Commissie Toekomstbestendig Hoger Onderwijs Stelsel (2010), Differentiëren in
        drievoud omwille van kwaliteit en verscheidenheid in het hoger onderwijs, april 2010
►       Debackere, K., E. Arnold, G. Sivertsen, J. Spaapen en D. Sturn (2018), Mutual
        Learning Exercise Performance-Based Funding of University Research, report for
        Directorate-General for Research and Innovation, Luxembourg, Publications Office
        of the European Union, 19 maart 2018
►       Dessers, R., E. van der Velde en A. Wastyn (2016), Evaluatie van VIB,
        managementsamenvatting punctuele evaluatie VIB, juni 2016, op aanvraag van de
        Vlaamse overheid – Departement EWI
►       Deutsche Forschungsgemeinschaft (DFG), federführend Wissenschaftsrat
        Bundesministerium für Bildung und Forschung (BMBF), Ministerien,
        Senatsverwaltungen und Behörden für Wissenschaft und Forschung der Länder
        (2013), Exzellenzinitiative auf einen Blick, Der Wettbewerb des Bundes und der
        Länder zur Stärkung der universitären Spitzenforschung, Die zweite Förderphase
        2012 bis 2017 Graduiertenschulen – Exzellenzcluster – Zukunftskonzepten,
        http://www.dfg.de/download/pdf/dfg_im_profil/geschaeftsstelle/publikationen/exin_br
        oschuere_de.pdf
►       Dijck, J. van en W. van Saarloos (2017), Wetenschap in Nederland: Waar een klein
        land groot in is en moet blijven, Amsterdam, KNAW
►       Dijk, T. van (2018), ‘TU heeft de grootste moeite om toptalent binnen te halen’, TU
        Delta, 8 februari 2018, https://www.delta.tudelft.nl/article/tu-heeft-de-grootste-
        moeite-om-toptalent-binnen-te-halen
►       Dudenbostel, T. en B. Tiefenthaler (2018), The Higher Education and Research
        System in Switzerland – A Country Profile for AWTI, Technopolis group, Den Haag,
        AWTI, 20 september 2018
►       Elsevier Research Intelligence (2018), Kwantitatieve analyse van onderzoek en
        innovatie in sleuteltechnologieën in Nederland, in opdracht van ministerie van
        Economische Zaken en Klimaat, juni 2018
►       Est, R. van en L. Kool (red.), Werken aan de robotsamenleving: visies en inzichten
        uit de wetenschap over de relatie technologie en werkgelegenheid, Den Haag,
        Rathenau Instituut, juni 2015
►       Evaluatiecommissie prestatiebekostiging hoger onderwijs (2017), Van aanvinken
        naar aanvonken, Den Haag
►       Floor, T. (2016), HBO versus Universiteit – Zoek de verschillen, Volkskrant
        Magazine, 30 mei 2016, https://archief.ukrant.nl/magazine/hbo-versus-wo
►       Graaf, Th. de (2018), Een voorzitter kijkt terug HBO 2012-2018, Den Haag
Het stelsel op scherp gezet                                                                 70
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>►       Hertog, P. den, W. van der Beken, F. Bongers en B. Erven (2016),
        Systeemevaluatie van imec, VIB en iMinds – managementsamenvatting, in opdracht
        van EWI en uitgevoerd door Dialogic en Idea Consult, juli 2016
►       Herweijer, L. en M. Turkenburg (2016), Wikken en wegen in het hoger onderwijs.
        Over studieloopbanen en instellingsbeleid, Den Haag, SCP
►       Higher Education Authority (2018), Higher Education System Performance
        Framework 2018-2020, beschikbaar op:
        https://www.education.ie/en/Publications/Education-Reports/higher-education-
        system-performance-framework-2018-2020.pdf
►       Higher Education Authority, http://hea.ie/; HE reform via http://hea.ie/policy/he-
        reform/; http://hea.ie/policy/he-reform/the-changing-landscape/ ; Managing
        performance via http://hea.ie/funding-governance-performance/managing-
        performance/system-performance-framework/
►       Higher Education and Research Act 2017, Chapter 29, beschikbaar op:
        http://www.legislation.gov.uk/ukpga/2017/29/contents/enacted
►       Inspectie van het Onderwijs (2018a), Staat van het hoger onderwijs 2018, Utrecht,
        april 2018
►       Inspectie van het Onderwijs (2018b), In- en doorstroommonitor, Utrecht, juni 2018
►       Inspectie van het Onderwijs (2019a), Doorstromen van hbo naar wo. In hoeverre is
        de wo-master toegankelijk voor hbo-gediplomeerden?, Utrecht, februari 2019
►       Inspectie van het Onderwijs (2019b), Staat van het hoger onderwijs 2019, Utrecht,
        april 2019
►       ISO, LSVB, Ministerie van OCW, VH en VSNU (2018), Investeren in
        Onderwijskwaliteit. Kwaliteitsafspraken 2019-2024, Amsterdam, 9 april 2018
►       Janssen, M., P. den Hertog, L, Korlaar, S. de Haas van Dorsser en P.J. de Boer
        (2018), Eindevaluatie Valorisatieprogramma, Utrecht, Dialogic, in opdracht van het
        ministerie van EZK, 30 juni 2018
►       Jong, H. de en J.L. van Zanden (2015), ‘Technologische ontwikkeling, economische
        verandering en de Nederlandse arbeidsmarkt in de twintigste eeuw.’ In B. ter Weel
        (red.), De match tussen mens en machine, Preadviezen van de Koninklijke
        Vereniging voor de Staathuishoudkunde, Vol. 2015, Amsterdam, Joh. Enschede,
        pp. 25-43
►       Jongbloed, B., F. Kaiser, F. van Vught en D. F. Westerheijden (2018), ‘Performance
        Agreements in Higher Education: A New Approach to Higher Education Funding’, in
        Curaj, A., L. Deca en R. Pricopie (eds), European Higher Education Area: The
        Impact of Past and Future Policies, Springer International Publishing, pp. 671-687
►       Jonkers, K. en T. Zacharewicz (2017), Research Performance Based Funding
        Systems: a Comparative Assessment, Luxembourg, Publications Office of the
        European Union, EUR 27837 EN
Het stelsel op scherp gezet                                                                71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>►       KNAW (2018a), Aantrekkelijkheid van Nederland als onderzoeksland, Amsterdam,
        januari 2018
►       KNAW (2018b), Maatschappelijke impact in kaart, Amsterdam, oktober 2018
►       KNAW (2018c), Wederzijdse versterking. Hoe publieke en private investeringen in
        onderzoek en ontwikkeling samenhangen, Amsterdam, december 2018
►       Koens, L., A. Vennekens, R. Hofman, N. van den Broek-Honingh en J. de Jonge
        (2018a), Balans van de wetenschap 2018, Den Haag, Rathenau Instituut
►       Koens, L., R. Hofman en J. de Jonge (2018b), Drijfveren van onderzoekers. Goed
        onderzoek staat nog steeds voorop, Den Haag, Rathenau Instituut
►       Koier, E., B. van der Meulen, E. Horlings en R. Belder (2016), Chinese borden -
        Financiële stromen en prioriteringsbeleid in het Nederlandse universitaire
        onderzoek, Den Haag, Rathenau Instituut
►       Krcal, A. en B. Bryan (2018), The Higher Education and Research System in
        England – A Country Profile for AWTI, Technopolis group, Den Haag, AWTI,
        september 2018
►       Laer, E. toe (2017), ‘Leuke studie, maar wat kun je ermee?’, Het Financieele
        Dagblad, 7 april 2017
►       Minister en staatsecretaris van Economische Zaken en Klimaat (2018), Naar
        Missiegedreven Innovatiebeleid met Impact, kamerbrief, 13 juli 2018
►       Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2018), Internationalisering in
        evenwicht, kamerbrief, 4 juni 2018
►       Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2014), Wetenschapsvisie 2025,
        keuzes voor de toekomst, Den Haag, november 2014
►       Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015), De waarde(n) van weten.
        Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015-2025, Den Haag, juli
        2015
►       Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2018), Referentieraming 2018,
        Den Haag
►       Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2019), Nieuwsgierig en
        betrokken. De waarde van wetenschap, Den Haag, januari 2019
►       Ministerium für Innovation, Wissenschaft und Forschung des Landes Nordrhein-
        Westfalen (2016), Landeshochschulentwicklungsplan Nordrhein-Westfalen,
        beschikbaar op: https://www.mkw.nrw/hochschule/hochschulen-in-
        nrw/hochschulvertraege-und-landeshochschulentwicklungsplan/
►       Nationale Studentenenquête (2017), ‘Resultaten Nationale Studenten Enquête 2017
        bekend!’ zie: https://www.studiekeuze123.nl/nieuws/resultaten-nationale-studenten-
        enquete-2017-bekend
Het stelsel op scherp gezet                                                              72
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>►       Nedelkoska, L. en G. Quintini (2018), ‘Automation, skills use and training’, OECD
        Social, Employment and Migration Working Papers, No. 202, Paris, OECD
        Publishing
►       Nimwegen, N. van (2016) ‘Gegoochel met cijfers leidt tot verkeerde studiekeuze’,
        De Monitor, 14 januari 2016, beschikbaar op: https://demonitor.kro-
        ncrv.nl/artikelen/gegoochel-met-cijfers-leidt-tot-verkeerde-studiekeuze
►       Noort, W. van (2018), ‘Nederland kampt met braindrain in artificiële intelligentie’,
        NRC Handelsblad, 27 augustus 2018
►       OECD (2018), Education at a Glance. OECD Indicators. Paris, OECD Publishing
►       Onderwijsraad (2012), Over de drempel van postinitieel leren, Den Haag, juni 2012
►       Onderwijsraad (2016), Vakmanschap voortdurend in beweging, Den Haag, oktober
        2016
►       Onderwijsraad (2017), Doordacht digitaal, Den Haag, mei 2017
►       Onderwijsraad (2018), Inzicht in en verantwoording van onderwijsgelden, Den
        Haag, juli 2018
►       Orszag, P.R. (2018), ‘China is overtaking China in scientific research’, The Straits
        Times, 18 september 2018
►       Raad van State (2019), Besluit kwaliteitsbekostiging hoger onderwijs W05.18.0410/I
        26 april 2019, https://www.raadvanstate.nl/adviezen/@113258/w05-18-0410/
►       Rathenau Instituut (2018), ‘R&D-investeringen in internationaal perspectief’,
        Factsheet 15 februari 2018, https://www.rathenau.nl/nl/wetenschap-cijfers/geld/rd-
        investeringen-internationaal-vergeleken/rd-investeringen-internationaal
►       Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) (2017), De arbeidsmarkt
        naar opleiding en beroep naar 2022, Maastricht, december 2017, ROA-R-2017/10
►       Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek (2017a), Stelselrapportage 2016,
        Den Haag, januari 2017
►       Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek (2017b), Prestatieafspraken: het
        vervolgproces na 2016. Advies en zelfevaluatie, Den Haag
►       SEO economisch onderzoek (2018), Studie & Werk 2018. De arbeidsmarktpositie
        van hbo- en wo-alumni, in opdracht van Elsevier Weekblad, Amsterdam, juni 2018
►       SER (2015), Leren in het Hoger Onderwijs van de toekomst, Den Haag
►       SER (2017), Leren en ontwikkelen tijdens de loopbaan: een advies over postinitieel
        leren, Den Haag
►       Snijders, D. (2018), Het eeuwige leren. Over Leren, Technologie en de Toekomst,
        Den Haag, Stichting Toekomstbeeld der Techniek
►       Steehouder, L. en F. van Donselaar (2019), Incoming degree student mobility in
        Dutch higher education 2018-2019, Nuffic
►       Stichting Innovatie & Arbeid (2014), Informatiedossier Innovatiestructuren in
        Vlaanderen
Het stelsel op scherp gezet                                                                  73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>►       Taakgroep Innovatie (2019), Innoveren met een missie, Integrale kennis- en
        innovatieagenda voor klimaat en energie, Den Haag
►       The Economist (2015a), ‘Top of the Class – rankings’, The Economist Special
        Report Excellence v. Equity, 26 maart 2015
►       The Economist (2015b), ‘Not classy enough’, The Economist Special Report
        Excellence vs. Equity, 26 maart 2015
►       The Economist (2015c), ‘The world is going to university’, The Economist Special
        Report Excellence v. Equity, 26 maart 2015
►       The Economist (2015d), ‘Flying high’, The Economist, 25 juni 2015
►       The Economist (2016), ‘Class apart’, The Economist, 19 maart 2016
►       The Economist (2017a), ‘Lifelong learning is becoming an economic imperative’,
        The Economist, 12 januari 2017
►       The Economist (2017b), ‘Do-it-yourself science is taking off’, The Economist, 19
        december 2017
►       The Economist (2018a), ’How global university rankings are changing higher
        education’, The Economist, 19 mei 2018
►       The Economist (2018b), ‘British universities set up shop overseas’, The Economist,
        25 augustus 2018
►       Times Higher Education (2019), ‘World University Rankings 2019’, beschikbaar op:
        https://www.timeshighereducation.com/world-university-rankings/2019/world-
        ranking#!/page/0/length/25/sort_by/scores_overall/sort_order/asc/cols/scores
►       U-Multirank (2019), https://www.umultirank.org/study-in/the-netherlands/
►       UNESCO (2017), ‘Six ways to ensure higher education leaves no one behind’, in:
        Global Education Monitoring Report, policy paper 30
►       University Grants Committee (2004), Hong Kong Higher Education: To Make a
        Difference. To Move with the Times,
        http://www.ugc.edu.hk/doc/eng/ugc/publication/report/policy_document_e.pdf en
        https://www.ugc.edu.hk/eng/ugc/activity/academic.html
►       UWV (2018), Technische beroepen Factsheet arbeidsmarkt, 6 februari 2018
►       Vennekens, A., N. van den Broek-Honingh en R. Hofman (2018), ‘Ranglijsten /
        rankings, Rathenau Instituut, 11 januari 2018,
        https://www.rathenau.nl/nl/wetenschap-cijfers/werking-van-de-
        wetenschap/excellentie/ranglijsten-rankings
►       Vereniging Hogescholen (2017), ‘Verantwoording is en blijft nodig’, Standpunt,
        beschikbaar op:
        https://www.vereniginghogescholen.nl/standpunten/verantwoording-is-en-blijft-nodig
►       Vereniging Hogescholen (2018), Factsheet HBO monitor 2017, Den Haag, april
        2018
Het stelsel op scherp gezet                                                              74
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>►       Vereniging Hogescholen (2019), ‘Hoogste instroom in hbo ooit’, 1 februari 2019,
        beschikbaar op:
        https://www.vereniginghogescholen.nl/actueel/actualiteiten/hoogste-instroom-in-
        hbo-ooit
►       Verhagen, L. (2018), ‘Toptalent in kunstmatige intelligentie vertrekt naar China en
        de VS. ‘Je moet een beetje gek zijn om hier te blijven’’, de Volkskrant, 11 december
        2018, https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/toptalent-in-kunstmatige-
        intelligentie-vertrekt-naar-china-en-de-vs-je-moet-een-beetje-gek-zijn-om-hier-te-
        blijven-~b9df70b2/
►       VSNU (2015), ‘Reactie van de Vereniging van Universiteiten op de protesten van
        studenten en universitair medewerkers’, 4 maart 2015, beschikbaar op:
        https://vsnu.nl/nieuws/nieuwsbericht/189-reactie-van-de-vereniging-van-
        universiteiten-op-de-protesten-van-studenten-en-universitair-medewerkers.html
►       Vught, F. van (2018), ‘Performance Contracts: A New Tool in Higher Education
        Governance’, in: Weingarten, H.P., M. Hicks en A. Kaufman (eds), Assessing
        Quality in Postsecondary Education, International Perspectives, Queen’s Policy
        Series, Montreal, London, Ithaca, pp. 107-124
►       Warps, J., M. Thomassen en M. Brink (2011), Kiezen voor hbo of wo.
        Achtergronden en motieven van vwo’ers die kiezen voor een hbo-studie, Nijmegen,
        in opdracht van Ministerie van OCW en uitgevoerd door ResearchNed, april 2011
►       Weel, B. ter (red.), De match tussen mens en machine, Preadviezen van de
        Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde. Vol. 2015. Amsterdam, Joh.
        Enschede
►       Went, R., M. Kremer en A. Knottnerus (red.), De robot de baas. De toekomst van
        werk in het tweede machinetijdperk, Den Haag, WRR, WRR-Verkenning nr. 31,
        december 2015
►       Werkgroep Profilering en Bekostiging (2011), Naar een meer geprofileerd hoger
        onderwijs en onderzoek. Een procesaanpak voor profilering en profielgebonden
        bekostiging, Den Haag: 12 mei 2011
►       Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, beschikbaar op:
        https://wetten.overheid.nl/BWBR0005682/2019-02-01
►       Wind, C. (2017), ‘Voor iedere student een doorloopmaster’, HanzeMag, 12
        september 2017, http://www.hanzemag.nl/voor-iedere-student-een-doorloopmaster/
►       Zweck, A., D. Holtmannspötter, M. Braun, L. Erdmann, M. Hirt en S. Kimpeler
        (2015), Stories from the future 2030, Volume 3 of results from the search phase of
        BMBF Foresight Cycle II, Düsseldorf, VDI Technologiezentrum GmbH
Het stelsel op scherp gezet                                                                 75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>Bijlage 3 Gesprekspartners
►       Hanneke Ackermann   FME
►       Kristel Baele       Erasmus Universiteit Rotterdam
►       Jacky Bax           Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht
                            Onderzoek SIA
►       Babs van den Bergh  VSNU
►       Tessa Bijvank       Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                            Wetenschap
►       Marcelis Boereboom  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                            Wetenschap
►       Ron Bormans         Hogeschool Rotterdam
►       Karlo van Dam       Ministerie van Economische Zaken en
                            Klimaat
►       Dirk van Damme      Organisatie voor Economische
                            Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)
►       Simon van Damme     op het moment van het gesprek: Kabinet
                            Vlaams viceminister-president Hilde Crevits
►       Pieter Duisenberg   VSNU
►       Anne Flierman       NVAO
►       Stan Gielen         NWO
►       Marissa Herder      Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                            Wetenschap
►       Niek Hinsenveld     FME
►       Martijn Janmaat     Ministerie van Economische Zaken en
                            Klimaat
►       Maurice Limmen      Vereniging Hogescholen
►       Daan van der Linde  Ministerie van Economische Zaken en
                            Klimaat
►       Judith Mesman       Leiden University College The Hague
►       Inez Meurs          Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht
                            Onderzoek SIA
►       Ron Minnée          Vereniging Hogescholen
►       Erwin Muller        Universiteit Leiden Campus Den Haag
►       Wim van Niekerk     Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                            Wetenschap
►       Sijbolt Noorda      International Baccalaureate
►       Mirko Noordegraaf   Universiteit Utrecht
Het stelsel op scherp gezet                                             76
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>►       Gareth O’Neill                   European Council of Doctoral Candidates
                                         and Junior Researchers
►       Bronne Pot                       Hogeschool Utrecht
►       Mirjam van Praag                 Vrije Universiteit Amsterdam
►       Maarten Prak                     Universiteit Utrecht
►       Jet de Ranitz                    Hogeschool InHolland
►       Wim van Saarloos                 KNAW
►       Ineke Sluiter                    KNAW
►       Roeland Smits                    Vereniging Hogescholen
►       Remco Smulders                   VSNU
►       Luc Soete                        Universiteit Maastricht
►       Farid Tabarki                    Studio Zeitgeist
►       Geke van Velzen                  Stichting Lezen & Schrijven
►       Lucien Vijverberg                Ministerie van Economische Zaken en
                                         Klimaat
►       Martien Visser                   Hanzehogeschool Groningen / Gasunie
►       Frans van Vught                  Topadviseur Europese Commissie/
                                         Universiteit Twente
►       Marcel Wintels                   De Baak
De AWTI heeft op twee discussiebijeenkomsten bij de TU Delft en Fontys Hogeschool
gesproken met 15 wo-studenten en 15 hbo-studenten.
Het stelsel op scherp gezet                                                       77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>u
wt Adviesraad voor
wetenschap, technologie en innovatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie
Prins Willem-Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
t. 070 3110920
e. secretariaat@awti.nl
w. www.awti.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>