<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Adviesraad voor
wetenschap, technologie en innovatie

STRATEGISC
SAMENSPEL

BUNDEL DE KRACHT VAN NEDERLANDEN DE
VOOR MEER IMPACT VAN ONDERZOEK EN INNOVATIE

</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>De Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) brengt gevraagd en
ongevraagd advies uit aan regering en parlement. Zijn onafhankelijke adviezen zijn
strategisch van aard en gaan over de hoofdlijnen van wetenschaps-, technologie- en
innovatiebeleid. De leden van de AWTI zijn afkomstig uit kennisinstellingen en het
bedrijfsleven. De AWTI doet zijn werk vanuit de overtuiging dat het belang van kennis,
wetenschap en innovatie voor economie en samenleving groot is en in de toekomst
nog verder zal toenemen.
De raad is als volgt samengesteld:
dr. E.E.W. (Eppo) Bruins (voorzitter)
dr. ir. S. (Sjoukje) Heimovaara (vice-voorzitter)
dr. ir. J.P.H. (Jos) Benschop
prof. dr. ir. K. (Koenraad) Debackere
prof. dr. J. (Jolanda) Kluin
prof. dr. E.H.M. (Ellen) Moors
C. (Chokri) Mousaoui
drs. J.L. (Anka) Mulder
dr. h.c. M. (Marleen) Stikker
prof. dr. V. (Vinod) Subramaniam
P.W.J. (Patrick) Essers (secretaris)
Het secretariaat is gevestigd te:
Prins Willem-Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
t. 070 3110920
e. secretariaat@awti.nl
w. www.awti.nl
ISBN: 978-90-77005-93-4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Strategisch samenspel
Bundel de kracht van Nederland en de EU voor meer
impact van onderzoek en innovatie
maart 2023
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Colofon
Fotografie                          Bas Kijzers Fotografie
Ontwerp                             2D3D Design (opmaak), Kate Snow Design (illustraties)
Druk                                Quantes
                                    maart 2023
ISBN                                9789077005934
Alle publicaties zijn gratis te downloaden via www.awti.nl
Auteursrecht
Alle auteursrechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen van deze uitgave
worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de AWTI.
Een correcte bronvermelding bevat in ieder geval een duidelijke vermelding van organisatienaam en naam en jaartal van de uitgave.
Strategisch samenspel                                                                                                             2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Inhoud
Samenvatting                                                                           5
1    Aanleiding en adviesvraag                                                         7
1.1 Onderzoek en innovatie zijn strategische factor voor de EU                         7
1.2 Adviesvraag                                                                       10
1.3 Aanpak van het advies                                                             11
2    Analyse                                                                          13
2.1 EU-beleid voor WTI wordt een steeds belangrijkere factor                          13
2.2 Nederlandse partijen profiteren van EU-beleid voor WTI                            18
2.3 Bijdrage EU-beleid aan Nederlandse ambities niet optimaal                         32
2.4 Conclusie: Nederlands onderzoek en innovatie profiteert van EU-middelen, maar door
     ontkoppeld beleid is de impact daarvan op realisatie van ambities nog te beperkt 41
3    Aanbevelingen                                                                    45
3.1 Zorg dat Nederlands en EU-beleid voor WTI goed aansluiten doordat ze elkaar
     versterken òf aanvullen                                                          45
3.2 Handel proactief en strategisch in Brussel met een gerichte agenda                47
3.3 Blijf fundamenteel onderzoek steunen vanuit de EU en verbind het beter met
     innovatie                                                                        48
3.4 Maak als regio koppelingen met het EU-beleid voor WTI                             50
3.5 Ondersteun partijen om gebruik te maken van EU-instrumenten                       52
3.6 Waarborg de mogelijkheden voor samenwerking met aantrekkelijke niet-EU-
     partners                                                                         53
Bijlage 1 Adviesaanvraag                                                              58
Bijlage 2 Reviewers                                                                   59
Bijlage 3 Gesprekspartners                                                            60
Bijlage 4 Referenties                                                                 62
Strategisch samenspel                                                                  3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  Probleem: door ontkoppeld beleid draagt WTI te weinig bij aan realisatie van ambities
                                                              Ambities
                                   Activiteiten                                                            Activiteiten
                                                  EU-beleid                                    NL-beleid
                                                                                   Ambitie
                                                                                           s
                                                                 iten
                                                              Activite
                           id
                        EU-be
                              le
                                                                            id
                                                                         NL-bele
Advies: zorg voor coherente mix van EU- en NL-beleid gericht op bereiken van ambities
Strategisch samenspel                                                                                                     4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Wetenschap, technologie en innovatie (WTI) zijn cruciaal voor de ontwikkeling van de EU
en Nederland: voor het uitbouwen van de EU en Nederland als kenniseconomie en
vanwege de vele maatschappelijke uitdagingen waar we voor staan. De EU maakt dan
ook beleid om WTI te bevorderen, net zoals Nederland dat doet. Hoe zorgen we ervoor
dat het Europese en het Nederlandse beleid elkaar beter vinden en versterken?
Het EU-beleid voor WTI biedt veel kansen voor alle vormen van onderzoek en innovatie.
Het heeft geholpen om de lat qua onderzoek steeds hoger te leggen in Europa omdat de
EU zich richt op excellentie. Daarnaast stimuleert het EU-beleid voor WTI veel
internationale samenwerking. Nederlandse kennisinstellingen, bedrijven en andere
organisaties maken veel gebruik van de EU-mogelijkheden in vergelijking met andere
landen. Toch blijven er in de praktijk drempels waardoor bepaalde partijen (zoals
hogescholen en MKB) lastiger toegang weten te krijgen.
Een probleem is dat het EU-beleid voor WTI en het Nederlandse beleid redelijk ‘los’ van
elkaar staan. Ze gaan allebei een eigen richting op en zijn niet optimaal op elkaar
aangesloten. Daardoor worden er kansen gemist om ‘hefbomen’ te creëren waarbij het
ene beleidsinstrument het andere versterkt. Ook kan Nederland effectiever optreden in
Brussel om te zorgen dat de Nederlandse en de EU-agenda beter op elkaar aansluiten.
Daarnaast is er weliswaar veel focus op de middelen die worden behaald ter onder-
steuning van onderzoek en innovatie maar er is in het beleid veel minder aandacht voor
het effect: in hoeverre dragen die gesteunde onderzoeks- en innovatieactiviteiten
daadwerkelijk bij aan het realiseren van de beleidsambities?
Advies: Zorg voor een coherente mix van Europees en Nederlands WTI-beleid
gericht op het bereiken van de ambities
De Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) adviseert om het
Europese en Nederlandse beleid voor WTI als één geheel te beschouwen waarin de
verschillende onderdelen zo op elkaar aansluiten dat het een coherente beleidsmix
wordt. Let er daarnaast op dat de gestimuleerde WTI-activiteiten daadwerkelijk bijdragen
aan de ambities. Hiertoe doet de AWTI de volgende zes aanbevelingen.
Aanbeveling 1: Zorg dat Nederlands en EU-beleid voor WTI goed aansluiten
doordat ze elkaar versterken òf aanvullen
Beschouw het Nederlandse en Europese beleid voor WTI als één geheel. Houd steeds
de ambities goed voor ogen en zorg dan voor een samenhangende beleidsmix die die
ambities dient. Zorg dat Nederlandse en EU-beleidsinstrumenten (inclusief fiscaal beleid)
elkaar versterken of aanvullen (d.w.z. complementair zijn). Doe bij het vormgeven van
Nederlands WTI-beleid vooraf een ‘EU-check’, maak vervolgens een weloverwogen
Strategisch samenspel                                                                    5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>keuze hoe en waar het Nederlandse beleid daarop aan zal sluiten en houd achteraf een
evaluatie van de gehele beleidsmix van nationale en EU-regelingen.
Aanbeveling 2: Handel proactief en strategisch in Brussel met een gerichte agenda
Nederland kan effectiever zijn in Brussel door een meer strategische en selectieve,
gerichte inbreng in de EU-beleidsprocessen. Zorg nationaal voor een goed afwegings-
kader en een duidelijke agenda wat je via de EU wil bereiken. Opereer proactief en houd
daarbij oog voor het Brusselse speelveld. Versterk daarnaast de Nederlandse inbreng in
de fase van de concrete uitwerking van de EU-instrumenten voor WTI zodat die
EU-instrumenten en het Nederlandse beleid en agenda beter op elkaar aansluiten.
Aanbeveling 3: Blijf fundamenteel onderzoek steunen vanuit de EU en verbind het
beter met innovatie
Blijf als Nederland inzetten op een ruimhartige steun voor fundamenteel onderzoek
binnen het WTI-beleid van de EU en bepleit versterking van de bruggen tussen het
fundamenteel onderzoek en (de instrumenten voor) de toepassing van kennis, waar dat
relevant is.
Aanbeveling 4: Maak als regio koppelingen met het EU-beleid voor WTI
Om in de regio beter gebruik te maken van de kansen die het EU-beleid biedt en te
zorgen dat regionaal en EU-beleid elkaar versterken of aanvullen, is het belangrijk om:
a)     in de regionale innovatie-agenda rekening te houden met het relevante EU-beleid;
b)     de regionale EU-middelen in te zetten zodat ze het overige WTI-beleid versterken;
c)     in de regio partijen zo te helpen dat ze gebruik kunnen maken van EU-instrumenten;
d)     regionale ecosystemen te koppelen om daarmee ook inter-Europese samenwerking
       te bevorderen.
Aanbeveling 5: Ondersteun partijen om gebruik te maken van EU-instrumenten
Zorg dat Nederlandse partijen zoals kennisinstellingen en bedrijven maximaal gebruik
kunnen maken van de mogelijkheden die de EU-instrumenten voor WTI bieden door een
goede organisatie van de ondersteuning. Focus daarbij de ondersteuning vanuit de
overheid op die partijen die (nog) meer moeite hebben om toegang te krijgen tot
EU-instrumenten (zoals hogescholen en MKB). Behalve steun bij aanvragen gaat het
hierbij ook om steun bij het vergroten van het relevante netwerk voor die partijen.
Aanbeveling 6: Waarborg de mogelijkheden voor samenwerking met aantrekkelijke
niet-EU-partners
Nederland moet zich inspannen om samenwerking met partners uit Israël, het Verenigd
Koninkrijk en Zwitserland binnen de EU-programma’s voor WTI open te houden. Mocht
dat op enig moment niet lukken, dan moet Nederland werken aan bilaterale opties voor
samenwerking waar dat duidelijk van toegevoegde waarde is.
Strategisch samenspel                                                                     6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                                                                              1
1 Aanleiding en adviesvraag
  1.1 Onderzoek en innovatie zijn strategische factor voor de EU
  Op het wereldtoneel zijn duidelijk veranderingen gaande met betrekking tot de positie van
  wetenschap, technologie en innovatie (WTI). Verschillende andere landen zetten sterk in
  op het vergaren van nieuwe kennis en technologieontwikkeling ten behoeve van de
  versterking van hun eigen positie. Voorbeelden zijn de Verenigde Staten en China. Deze
  geopolitieke ontwikkelingen zetten de open houding die het EU-beleid ten opzichte van
  WTI lange tijd kenmerkte, onder druk. Waar jarenlang het devies van de EU was ‘open
  innovation, open science & open to the world’1 is er intussen in het Europese beleid meer
  aandacht gekomen voor ‘open strategic autonomy’ als beleidsdoel.2 Het huidige EU-
  kaderprogramma Horizon Europe heeft onder meer als achterliggende ambitie het
  bevorderen van de strategische autonomie van de EU door het stimuleren van innovatie
  en onderzoek in opkomende en sleuteltechnologieën zoals Artificial Intelligence en
  micro/nanotechnologie.3 Een ander voorbeeld is het voorstel voor een Europese Chips
  Act die erop gericht is om de Europese halfgeleiderindustrie wereldwijd leidend te laten
  zijn.4 Ook de recente ‘nieuwe Europese innovatieagenda’ ademt de ambitie om als EU
  stevig te staan en leidend te zijn op het gebied van ‘deep tech’.5
  Daarnaast is het EU-beleid voor WTI steeds meer omvattend geworden, wat door de
  jaren heen zorgt voor verschuivingen.6 Waar de Europese steun voor onderzoek zich oor-
  spronkelijk (dat wil zeggen in de jaren ’80) richtte op pre-competitief onderzoek in
  internationale samenwerking ten behoeve van de industriële ontwikkeling, kwamen later
  1. Europese Commissie, Directorate-General for Research and Innovation (2016), Open
       innovation, open science, open to the world: a vision for Europe, Publications Office.
  2. Europese Commissie (2021a), Communication of the European Commission on the Global
       Approach to Research and Innovation - Europe's strategy for international cooperation in a
       changing world, Brussels, 18.5.2021, COM(2021) 252 final.
  3. Europese Commissie, Directorate-General for Research and Innovation (2020), Strategic Plan
       2020-2024; en: Europese Commissie (2022c), Key enabling technologies policy, website:
       https://research-and-innovation.ec.europa.eu/research-area/industrial-research-and-
       innovation/key-enabling-technologies_en .
  4. Europese Commissie (2022a), Chips Act for Europe, Brussels, 08.02.2022, COM(2022) 45 final.
       Zie ook Raadsconclusies van 1 december 2022 op
       https://www.consilium.europa.eu/nl/meetings/compet/2022/12/01/
  5. Europese Commissie (2022b), A New European Innovation Agenda, 05.07.2022 COM(2022)
       332 final. Zie ook de Raadsconclusies van 2 december 2022 op
       https://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2022/12/02/new-innovation-agenda-
       council-adopts-conclusions/.
  6. Voor een inzichtelijk overzicht van de ontwikkeling van de Europese Kaderprogramma’s ter
       ondersteuning van onderzoek en innovatie, zie: Reillon, V. (2017), EU framework programmes
       for research and innovation. Evolution and key data from FP1 to Horizon 2020 in view of FP9,
       Brussels: European Parliamentary Research Service (EPRS).
  Strategisch samenspel                                                                             7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>steeds meer andere onderzoeks- en innovatieactiviteiten eveneens voor steun in
aanmerking. Ook het doel werd ruimer, doordat er meer aandacht kwam voor
maatschappelijke uitdagingen.7 Bovendien kwam er ook steun voor individuele
begunstigden, zoals onderzoekers (via de ‘Marie Skłodowska-Curie Acties’ sinds 1996 en
de Europese Onderzoeksraad sinds 2007) en bedrijven (via instrumenten gericht op het
MKB). In het laatste (afgeronde) Kaderprogramma Horizon 2020 ging ongeveer één
derde van het budget naar individuele begunstigden (en de rest naar samenwerking).
Het EU-beleid voor WTI is van oudsher in meerderheid gericht op specifieke thema’s of
bepaalde sectoren,8 maar er is vooral in de laatste decennia ook meer aandacht
gekomen voor generieke ondersteuning van onderzoek en innovatie.9 In het huidige WTI-
beleid van de EU geven de twee topprioriteiten van de Europese Commissie, de Green
Deal en de digitalisering,10 duidelijk richting aan, bijvoorbeeld, de ‘new industrial strategy
for Europe’11 of het ‘Strategic Plan for Horizon Europe 2021-2024’.12 Er vindt een
verschuiving plaats van focus op een ‘slimme, duurzame en inclusieve groei’ naar meer
en meer nadruk op de duurzame en digitale transitie en dit werkt door in het EU-beleid
voor onderzoek en innovatie. Daarbij komt ook steeds meer nadruk te liggen op het
versterken van de competitiviteit van de Europese industrie en het voorkomen van
nieuwe afhankelijkheden na de transitie.13 Een deel van de beleidsinstrumenten is
gekoppeld aan de inhoudelijke ambities van het EU-beleid voor de verschillende sectoren
of thema’s. Dit is ‘specifiek’ beleid. Daarnaast is een (kleiner) deel generiek.
De verhouding tussen specifiek en generiek beleid is continu aan discussie onderhevig.
Net zoals de vraag welke verschillende soorten activiteiten steun zouden moeten kunnen
krijgen vanuit het EU-beleid voor WTI. Het is belangrijk om de kennisbasis van de EU
sterk te houden, maar tegelijkertijd constateert men ook dat Europa achterblijft in het
7. Vanaf het Vijfde Kaderprogramma (1999) worden de maatschappelijke behoeften/uitdagingen
     een uitdrukkelijk doel voor het programma, zie (o.a.): Reillon (2017).
8. In het eerste Kaderprogramma was ongeveer 85% van het budget ‘thematisch’, wat stapsgewijs
     is gedaald tot 60% in het (achtste) kaderprogramma Horizon 2020, zie (o.a.): Reillon (2017).
9. Het meest omvangrijke generieke instrument is de Europese Onderzoeksraad, dat in Horizon
     2020 17% van het budget van het Kaderprogramma omvatte, zie (o.a.): Reillon (2017).
10. U. von der Leyen (2020), Politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2019-
     2024; Openingstoespraak in de plenaire zitting van het Europees Parlement op 16 juli 2019;
     Toespraak tijdens de plenaire vergadering van het Europees Parlement op 27 november 2019,
     Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie.
11. Europese Commissie (2020a), A New Industrial Strategy for Europe, Brussels, 10.3.2020,
     COM(2020) 102 final; Europese Commissie (2020b). Updating the 2020 New Industrial Strategy:
     Building a stronger Single Market for Europe’s recovery, Brussels, 5.5.2021, COM(2021) 350
     final.
12. Europese Commissie, Directorate-General for Research and Innovation (2021a), Horizon
     Europe Strategic Plan (2021-2024).
13. U. von der Leyen (2023), ‘Special Address by President von der Leyen at the World Economic
     Forum’, 17 januari 2023, https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/speech_23_232
Strategisch samenspel                                                                             8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>succesvol commercialiseren van die kennis. In hoeverre moet de EU een rol (willen)
spelen bij opschaling van innovatie dan wel de groei van start-ups?
Voor Nederland is de bijdrage vanuit de EU voor WTI een zeer relevante bron geworden:
de bijdrage vanuit het Europese kaderprogramma Horizon 2020 aan Nederlandse
partijen bedroeg meer dan 10% van de totale publieke middelen voor onderzoek in
Nederland.14 Bovendien hebben de EU-regelingen ter ondersteuning van onderzoek en
innovatie bijgedragen aan samenwerking binnen Europa, het neerzetten van een EU-
brede standaard voor excellent onderzoek en het toepassen van kennis voor
maatschappelijke uitdagingen.
Nederland ontvangt structureel meer uit de Europese kaderprogramma’s voor onder-
steuning van WTI dan het daaraan bijdraagt. Maar dit ‘succes’ is voor de toekomst zeker
niet vanzelfsprekend. Het succesvolle Verenigd Koninkrijk is door de Brexit weggevallen
binnen de EU en daardoor valt het nu meer op dat Nederland ook een grootverdiener is.
Andere landen, zoals lidstaten uit Centraal- en Oost-Europa of de grote lidstaten zoals
Frankrijk en Duitsland (die per inwoner relatief weinig ontvangen)15 krijgen steeds meer
aandacht voor deze Europese fondsen en ook dat zet het relatief grote Nederlandse
aandeel onder druk.
Maar los van de financiële bijdrage die EU-regelingen bieden voor onderzoek en
innovatie in Nederland is de cruciale vraag in hoeverre het EU-beleid voor WTI bijdraagt
aan de realisatie van de ambities die op EU-niveau respectievelijk in Nederland
gekoesterd worden. Draagt het EU-beleid voor WTI in samenhang met het nationale
beleid in de praktijk bij aan die achterliggende doelen? Aan de ene kant zet de EU, net
als Nederland, in op excellente wetenschap omdat de Europese kennisbasis een
belangrijke kracht is. Aan de andere kant wordt van WTI ook een nuttige bijdrage
verwacht – via allerlei toepassingen van de kennis – bij het beantwoorden van de
maatschappelijke uitdagingen. En hoe verhoudt zich het EU-beleid, dat in meerderheid
een gerichte en strategische invulling krijgt, tot het Nederlandse WTI-beleid, dat zich al
lange tijd juist kenmerkt als overwegend generiek en open?
Deze vragen zijn hoogst actueel. De Adviesraad voor internationale vraagstukken vroeg
onlangs nog aandacht voor dit spanningsveld in de context van het industriebeleid.16
Bovendien worden momenteel in ‘Brussel’ alweer de eerste stappen gezet op weg naar
een volgend EU-kaderprogramma voor WTI.
14. Rathenau Instituut (2022a), Nederland en Horizon 2020, peildatum 4 april 2022.
15. IDEA Consult (2023), Nederland in Horizon 2020. Een kwantitatieve analyse voor de AWTI, Den
     Haag: AWTI. Zie ook: Rathenau Instituut (2022), Wetenschap in Cijfers. Europese financiering.
     Geraadpleegd via: https://www.rathenau.nl/nl/wetenschap-cijfers/geld/europese-financiering.
16. AIV (2022), Slimme industriepolitiek: een opdracht voor Nederland in de EU. Den Haag.
Strategisch samenspel                                                                              9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>1.2 Adviesvraag
Tegen de achtergrond van de genoemde geopolitieke verschuivingen en de verande-
ringen binnen de EU, die beide hun weerslag hebben op het Europese WTI-beleid en de
aansluiting daarvan op het Nederlandse beleid voor wetenschap, technologie en
innovatie, ontvangt de regering van de AWTI graag een antwoord op de vraag: 17
Hoe kan Nederland optimaal gebruik maken van het Europese WTI-beleid ten
behoeve van de versterking van de impact van wetenschap, technologie en
innovatie in en vanuit Nederland?
Bij de beantwoording van deze vraag is de raad uitgegaan van de Nederlandse
doelstellingen voor de ontwikkeling van wetenschap, technologie en innovatie. Vanuit dat
perspectief is gekeken naar het Europese beleid en de ontwikkelingen. In hoeverre
draagt dit EU-beleid voor WTI bij aan de realisatie van die ambities? En hoe zou
Nederland zijn invloed kunnen uitoefenen op het EU-beleid om dit beleid beter te laten
aansluiten op onze ambities? En welke aanbevelingen kunnen we geven voor het beleid
en de praktijk binnen Nederland, bij rijk en regio, om te zorgen dat Europees en
Nederlands beleid elkaar versterken en samen bijdragen aan de realisatie van de
ambities voor WTI? Daarbij hoort ook de vraag hoe Nederland kan bijdragen aan de
gezamenlijke Europese ambities voor WTI. Hierbij kijken we naar het gehele spectrum
van onderzoek, ontwikkeling en innovatie en is het streven dat het Europese beleid en
het nationale elkaar maximaal aanvullen (’complementair’ zijn) dan wel versterken.
Hierbij hebben we oog voor de specifieke aandachtspunten die de regering noemt in haar
adviesaanvraag,18 namelijk
1.      de verhouding tussen ondersteuning van fundamenteel onderzoek enerzijds en van
        toepassing en opschaling anderzijds binnen het EU-beleid voor WTI,
2.      de ontwikkeling dat Europese sectorale en thematische beleidsprioriteiten een
        steeds groter stempel drukken op (de invulling van) het Europese WTI-beleid,19 en
3.      de rol die (regionale) ecosystemen voor onderzoek en innovatie zouden kunnen
        spelen bij het versterken van de onderzoeks- en innovatiekracht in landen/regio’s
        die op dit terrein nog achterblijven.
17. Zie Bijlage 1 voor de adviesaanvraag aan de AWTI door de minister van OCW mede namens de
     minister van EZK.
18. Zie Bijlage 1.
19. Deze ontwikkeling geldt vooral voor de overgang van Horizon 2020 naar Horizon Europe. Over
     de hele geschiedenis van de kaderprogramma’s gezien is juist het aandeel ‘thematisch en
     sectoraal’ dalend, zie Reillon (2017).
Strategisch samenspel                                                                          10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>1.3 Aanpak van het advies
Voor dit advies hebben we eerst de meest relevante EU-regelingen in kaart gebracht die
wetenschap, technologie en innovatie raken. Een belangrijke pijler daarvan is het
Europese kaderprogramma voor onderzoek en innovatie. Voor het laatst afgeronde
kaderprogramma ‘Horizon 2020’ hebben we in meer detail laten uitzoeken hoe
Nederlandse partijen (zoals kennisinstellingen, bedrijven, overheden en andere
organisaties) daarvan gebruik hebben gemaakt. Het resultaat hiervan is te vinden in een
achtergrondstudie bij dit advies: Nederland in Horizon 2020,20 waarvan de belangrijkste
bevindingen zijn verwerkt in hoofdstuk 2 van dit advies. Daarnaast hebben we vele
gesprekken gevoerd en literatuur bestudeerd om ons een beeld te vormen over hoe het
Nederlandse en Europese beleid voor wetenschap, technologie en innovatie op elkaar
aansluiten. De lijst met gesprekspartners staat in Bijlage 3. Verder is ook gekeken naar
een aantal leerzame voorbeelden uit het buitenland.
In hoofdstuk 2 beschrijven we eerst het EU-beleid voor WTI (paragraaf 2.1). Daarna
zoomen we in op de mate waarin Nederlandse partijen gebruik weten te maken van de
mogelijkheden die het EU-beleid biedt. Hierbij schetsen we ook de belangrijkste
bevindingen uit onze achtergrondstudie (paragraaf 2.2). In paragraaf 2.3 buigen we ons
over de vraag in hoeverre het EU-beleid voor WTI en de daardoor gestimuleerde
activiteiten bijdragen aan de achterliggende beleidsambities (op EU- en Nederlands
niveau), alsmede de vraag hoe goed het EU-beleid voor WTI en het nationale beleid op
elkaar aansluiten. Paragraaf 2.4 concludeert.
In hoofdstuk 3 geven we ons advies en werken deze uit in een aantal aanbevelingen.
Projectgroep en reviewers
   Dit advies is voorbereid door een projectgroep bestaande uit de raadsleden Koenraad
   Debackere (voorzitter), Jos Benschop en Chokri Mousaoui en de stafleden Hamilcar
   Knops (penvoerder), Bart Gulden, Justien Dingelstad, Jeffrey de Hoogen, Ottilie
   Nieuwenhuis en Paul van der Sande.
In de eindfase van het adviestraject is het conceptadvies voorgelegd aan twee externe
reviewers (zie Bijlage 2). Aan hen is gevraagd om te reflecteren op de consistentie van
het conceptadvies en mogelijke lacunes. De opmerkingen van de reviewers zijn
vervolgens onder verantwoordelijkheid van de raad verwerkt.
20. IDEA Consult (2023), Nederland in Horizon 2020. Een kwantitatieve analyse voor de AWTI, Den
     Haag: AWTI.
Strategisch samenspel                                                                         11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Strategisch samenspel 12</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                                                                            2
2 Analyse
  2.1 EU-beleid voor WTI wordt een steeds belangrijkere factor
  2.1.1 Europees WTI-beleid groeit in omvang en reikwijdte
  Het EU-beleid voor wetenschap, technologie en innovatie doet ertoe. Het komt voort uit
  gezamenlijke programma’s ter ondersteuning van de industriële ontwikkeling in bepaalde
  sectoren (zoals ICT) door middel van pre-competitief onderzoek in internationale
  samenwerking. Na het ontstaan van de Europese Unie (Verdrag van Maastricht) en het
  uitbreiden van haar taken (o.a. in het Verdrag van Amsterdam) ontwikkelde zich een
  zelfstandig en steeds breder EU-beleid voor onderzoek en innovatie. Stap voor stap
  breidde dit beleid zich uit. Daarbij vorm(d)en de kaderprogramma’s het belangrijkste
  raamwerk. Daarin is in de laatste 15 jaar ook een stevige poot opgebouwd die zich richt
  op generieke ondersteuning van excellent onderzoek.
  De Europese programma’s voor WTI hebben duidelijk geholpen om de lat hoog te leggen
  in de EU – regelmatig hoger dan de ‘nationale lat’. Ook Nederland heeft goed gebruik
  weten te maken van de Europese mogelijkheden en doet dat nog steeds. Tevens heeft
  het EU-beleid voor WTI ook internationale WTI-samenwerking binnen en buiten de EU
  bevorderd en zo gezorgd dat daarmee de vruchten van internationale synergie geplukt
  konden worden.
  Toenemend budget
  Het Europese WTI-beleid wordt steeds ‘groter’: qua veelheid beleidsinstrumenten, qua
  reikwijdte, qua budget en wat betreft het aantal deelnemende landen. Traditioneel is het
  EU-kaderprogramma voor WTI het centrale instrument.21 Het budget van de kader-
  programma’s is steeds toegenomen.22 Waar Horizon 2020 (looptijd: 2014-2020) nog een
  budget van 77 miljard euro had, kent het huidige kaderprogramma Horizon Europe
  (2021-2027) een budget van 95,5 miljard euro. De bijdrage vanuit de EU voor Neder-
  landse WTI is dan ook een zeer relevante bron geworden, die meer dan 10% van de
  publieke onderzoeksfinanciering in Nederland levert.23 Naast de kaderprogramma’s voor
  WTI zijn er in de loop der tijd ook andere EU-beleidsinstrumenten gekomen die
  21. Art. 182 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU).
  22. De eerste zes kaderprogramma’s (KP’s) hadden elk een looptijd van ongeveer 4 jaar en hun
       budgetten bedroegen (in miljarden EUR): KP1: 3,8; KP2: 5,4; KP3: 6,6; KP4: 11,8; KP5: 13,7; en
       KP6: 17,9; daarna werd de looptijd 7 jaar en de budgetten: KP7: 50; KP8 (‘Horizon 2020’): 77;
       KP9 (‘Horizon Europe’): 95,5 (cijfers KP1-8 afkomstig van Reillon (2017)).
  23. Rathenau Instituut (2022b), De financiering uit EU-kaderprogramma’s, peildatum 8 april 2022.
  Strategisch samenspel                                                                              13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>onderzoek en innovatie raken. Ook dat zorgt dat er steeds meer middelen vanuit de EU
beschikbaar zijn om WTI te ondersteunen.
Naast fundamenteel onderzoek aandacht voor toepassingen en innovatie
Naast deze financiële groei neemt de reikwijdte van het beleid (en daarmee ook van de
betrokken partijen) toe. In eerste instantie richtte de Europese steun voor onderzoek en
ontwikkeling zich op pre-competitief onderzoek, maar dat is in de loop der tijd uitgebreid
tot alle fasen langs de ‘keten’ van onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Naast
fundamenteel onderzoek ondersteunt de EU inmiddels bijvoorbeeld ook toegepast
onderzoek alsmede innovatieve start-ups en scale-ups. De EU richt zich immers steeds
nadrukkelijker op de ‘hele keten’, vanuit het besef dat de EU-landen weliswaar sterk zijn
qua kennisontwikkeling, maar relatief minder succesvol om dat economisch op voldoende
schaal te exploiteren.24 Binnen Horizon 2020 bestond bijvoorbeeld een apart ‘MKB
instrument’ dat zich richtte op de ontwikkeling en uitbreiding van (innovatieve) MKB’s,25
wat inmiddels in ‘Horizon Europe’ is overgegaan in EIC Accelerator.26 Dit is een
instrument in de derde pijler van Horizon Europe; in deze pijler komen ook zaken als
opschaling ruim aan bod. Daartegenover staat dat met de Europese Onderzoeksraad
(European Research Council, ERC) sinds het zevende kaderprogramma een zeer stevig
instrument opgebouwd is dat zorgt voor generieke ondersteuning van excellent
(fundamenteel) onderzoek.
Door groei EU steeds meer landen betrokken
Met de uitbreiding van de EU in de recente jaren is ook het aantal landen waarvoor het
EU-beleid voor WTI bedoeld is, toegenomen. Om deze nieuwe landen qua onderzoek en
innovatie aan te laten haken bij de ‘standaard’ in de EU, is het ‘Widening participation
and spreading excellence’ programma in het leven geroepen met als doel om bij te
dragen aan de opbouw van onderzoeks- en innovatiecapaciteit in landen met een
achterstand op het gebied van onderzoek.27 Ook zijn er verschillende structuurfondsen
en andere regelingen die zich richten op het verkleinen van de welvaartsverschillen
tussen de regio’s en lidstaten, zoals het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling
24. Zie ook: Europese Commissie (2022b), A New European Innovation Agenda, 5 juli 2022
     COM(2022) 332 final.
25. Europese Commissie (2022e), Horizon 2020 Online Manual. Geraadpleegd via:
     https://ec.europa.eu/research/participants/docs/h2020-funding-guide/cross-cutting-
     issues/sme_en.htm
26. Europese Innovatieraad (2022), EIC Funding Opportunities.
27. Het gaat hier om de volgende landen: Bulgarije, Cyprus, Estland, Griekenland, Hongarije,
     Kroatië, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije en Tsjechië.
     Zie ook: https://ec.europa.eu/info/funding-tenders/opportunities/docs/2021-2027/horizon/wp-
     call/2021-2022/wp-11-widening-participation-and-strengthening-the-european-research-
     area_horizon-2021-2022_en.pdf.
Strategisch samenspel                                                                               14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>(EFRO)28 en Interreg. Deze fondsen richten zich onder andere ook op het verbeteren van
de economische concurrentiekracht door innovatie te stimuleren. Deze focus op het
stimuleren van lidstaten en regio’s met een achterstand leidt ertoe dat het Europese WTI-
beleid niet alleen thematisch, maar ook geografisch een bredere invulling krijgt.
2.1.2 Europees WTI-beleid: zowel generiek als specifiek
De eerste Europese programma’s voor (steun aan) onderzoek hadden een sectorale of
thematische focus. Dat hing samen met de toenmalige grondslag, die lag in een
algemeen verdragsartikel dat EEG-lidstaten unaniem konden besluiten acties te
ondernemen ten behoeve van de gemeenschappelijke markt.29 Zo kende het eerste
Kaderprogramma (1984-1987) zes thematische prioriteiten en één ‘horizontaal’ doel.30
Later werd de reikwijdte van de bevoegdheid van de EG verbreed tot alle onder-
zoeksactiviteiten die een doel van de EG/EU ondersteunen.31 Toen kwamen ook de
maatschappelijke uitdagingen in beeld als doel(en). Ook kreeg het kaderprogramma een
duidelijke basis in het Verdrag.32
Met het zevende kaderprogramma (dat startte in 2007) kwam er een groot instrument, de
Europese Onderzoeksraad, in het Engels: European Research Council (ERC), ter
generieke stimulering van excellent onderzoek. Daarnaast bestond er ook al een stevig
generiek instrument, de Marie Skłodowska-Curie Acties, gericht op de carrière-
ontwikkeling van onderzoekers. Met deze instrumenten wil(de) de EU de positie van de
EU op het gebied van fundamenteel onderzoek versterken, mede in vergelijking met
bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Naast deze generieke ondersteuning van WTI blijven
de EU-kaderprogramma’s nog steeds wel in meerderheid specifiek gericht (dat wil
zeggen thematisch of sectoraal). Belangrijk is dat de EU door de hele ‘keten’ heen
probeert te stimuleren: van fundamenteel onderzoek tot de toepassing en uitrol.
Kaderprogramma steeds meer gekoppeld aan ‘inhoudelijke’ ambities
De inzet van WTI wordt daarbij steeds vaker gekoppeld aan het sectorale beleid van de
EU.33 Zo kent het huidige Europese kaderprogramma voor onderzoek en innovatie,
28. Art. 176 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU).
29. Artikel 235 van het EEG-Verdrag (Verdrag van Rome), zie:
     https://eur-lex.europa.eu/eli/treaty/teec/sign .
30. Reillon (2017).
31. Art. 130f, eerste lid, van het EG-Verdrag luidde in 1993: “De [Europese] Gemeenschap heeft als
     doelstelling de wetenschappelijke en technologische grondslagen van de industrie van de
     Gemeenschap te versterken en de ontwikkeling van haar internationale concurrentiepositie te
     bevorderen, alsmede de onderzoekactiviteiten te bevorderen die uit hoofde van andere
     hoofdstukken van dit Verdrag nodig worden geacht.”
32. Momenteel in art. 182 VwEU.
33. Vergelijk: Europese Commissie (2022b), A New European Innovation Agenda. COM(2022) 332
     final.
Strategisch samenspel                                                                            15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Horizon Europe, diverse ambities. Het strategisch plan van het kaderprogramma
benoemt bijvoorbeeld het bevorderen van open strategische autonomie, het herstellen
van Europese ecosystemen en biodiversiteit, het maken van Europa tot eerste digitaal
ondersteunde klimaat-neutrale, duurzame economie en het creëren van een
veerkrachtiger, inclusiever Europa, als drijvende krachten achter het Europese
innovatiebeleid.34
EU-beleid voor WTI omvat een mix aan instrumenten: van generiek tot specifiek
Deze ambities zijn op verschillende manieren terug te zien in de vormgeving van de
verschillende pijlers binnen het lopende EU-kaderprogramma ‘Horizon Europe’.35 Naast
een eerste pijler, gericht op excellente wetenschap in den brede, richt de tweede pijler
zich enerzijds op maatschappelijke uitdagingen zoals gezondheid, klimaat en de digitale
transitie. Hierbij kiest de EU deels voor een missiegedreven aanpak, waarvoor enkele
Europese missies met ambitieuze doelstellingen zijn geformuleerd: 1) de aanpassing aan
klimaatverandering, 2) het redden van meer dan drie miljoen levens van kanker, 3) het
schoonmaken van zee- en zoetwater, 4) het ondersteunen van klimaatneutrale en slimme
steden en, tot slot, 5) het creëren van een gezonde bodem en voedsel. Anderzijds
ondersteunt de tweede pijler het industrieel concurrentievermogen, onder andere door
partnerschappen.36 Deze tweede pijler is thematisch en verenigt de tweede en derde
pijler uit het voorgaande kaderprogramma ‘Horizon 2020’. In de derde pijler van Horizon
Europe speelt innovatie een belangrijke rol (o.a. in de vorm van de European Innovation
Council) en wordt o.a. opschaling en radicale innovatie ondersteund met oog voor
ecosystemen die deze opschaling kunnen ondersteunen.
Koppeling met industriebeleid en regiobeleid
Ook is er samenloop met het industriebeleid van de EU. Daarin is een belangrijke plek
ingeruimd voor een aantal specifieke ‘sleuteltechnologieën’, waarbij koppeling wordt
gezocht met Horizon Europe.37 Er zijn ook buiten het kaderprogramma andere
beleidsinstrumenten die ten goede komen aan WTI. Zo worden bijvoorbeeld de EFRO-
middelen in Nederland ingezet ten behoeve van innovatie. Er is evenwel nog veel te
winnen met betrekking tot de synergie tussen Horizon Europe enerzijds en het EFRO
anderzijds zoals de Europese Commissie zelf aangeeft.38 Binnen de EU-regels voor
34. Europese Commissie (2021b), Horizon Europe. Strategic plan 2021-2024.
35. Verordening (EU) 2021/695 van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa — het
     kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, [en] tot vaststelling van de regels voor deelname
     en verspreiding, PbEU 2021 L 170/1.
36. Zie o.a.: Europese Commissie (2022d), European Partnerships in Horizon Europe.
37. Europese Commissie (2022c), Key enabling technologies policy, en zie ook: AWTI (2020).
     Krachtiger kiezen voor sleuteltechnologieën, Den Haag.
38. Europese Commissie, Directorate-General for Research and Innovation (2022), Synergies
     between Horizon Europe and ERDF programmes (Draft Commission Notice). C(2022), C 4747
     final.
Strategisch samenspel                                                                            16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>staatssteun bestaat verder de mogelijkheid van Important Projects of Common Interest
(IPCEI’s).39 Een IPCEI is een geïntegreerd Europees project dat bestaat uit meerdere
nationale projecten van bedrijven en/of onderzoeksinstellingen uit diverse EU-lidstaten
die complementair zijn, synergie hebben en bijdragen aan strategische Europese
doelen,40 waarbij de IPCEI markt- of systeemtekortkomingen of maatschappelijke
uitdagingen op moet lossen die anders (‘vanuit de markt’) niet zouden kunnen worden
aangepakt. Lidstaten kunnen de ‘onrendabele top’, dat wil zeggen dat deel van de
investering dat niet kan worden terugverdiend, financieren zonder dat dit vanuit de EU als
ongeoorloofde staatssteun beschouwd wordt. De IPCEI is weliswaar een mogelijkheid die
vanuit de EU is gecreëerd, maar deze moet worden ingevuld door samenwerkende
lidstaten die daar nationaal geld in stoppen.
Kennis ook belangrijk bij grote EU-initiatieven
Kennis en innovatie zijn ook belangrijke factoren in de pogingen in de afgelopen jaren om
de EU als geheel een flinke boost te geven qua (concurrentie)positie, zoals bijvoorbeeld
het investeringsprogramma InvestEU of Next Generation EU, het herstelplan van de EU
voor de periode na corona, met ‘blended funding’ benaderingen waarin subsidies,
leningen en kapitaal verstrekt kunnen worden aan ondernemingen bij hun activiteiten van
opschaling.
Conclusie: EU-beleid voor WTI is verknoopt met EU-beleidsagenda
Het Europese WTI-beleid wordt dus steeds breder en de beleidsinstrumenten strekken
zich intussen uit over het hele innovatietraject: de invulling van EU-WTI-beleid wordt ook
niet enkel meer vanuit het Directoraat-Generaal voor onderzoek & ontwikkeling bepaald
(en gefinancierd), maar wordt nu gecombineerd met de Europese industriestrategie of
regionale doelen die de EU wil nastreven. Het EU-beleid voor WTI is inmiddels een mix
van enerzijds specifiek beleid, dat wil zeggen beleid dat ofwel gericht is op een bepaalde
uitdaging (‘thematisch’) ofwel op een bepaalde sector/technologie (‘sectoraal’), en
anderzijds generiek beleid. Een belangrijk deel van het EU-beleid voor WTI is gekoppeld
aan een inhoudelijke richting. De aangroei van de EU-middelen voor WTI is dan ook niet
‘vrijblijvend’, maar de randvoorwaarden voor het gebruik ervan zullen toenemen.
2.1.3 Uitdagingen
Het Europese WTI-beleid is belangrijk voor de EU en voor Nederland. Het draagt bij aan
de kennismacht van Europa en daarmee ook de positie van Nederland in de wereld. Het
39. Zie art. 107, derde lid, onderdeel b, VwEU.
40. RVO (2021), Important Project of Common European Interest (IPCEI). Bij de synergie gaat het
     onder andere om synergieën die in staat zijn regionale waardeketens te creëren als onderdeel
     van de open strategische autonomie.
Strategisch samenspel                                                                             17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Europese beleid bevordert de WTI-samenwerking in Europa, wat de Nederlandse
kennisinstellingen en bedrijven ten goede komt. Ook ondersteunt het de thematische
beleidsambities, zoals rond de verschillende maatschappelijke uitdagingen waar de EU
en Nederland voor staan.
Toch is er een aantal uitdagingen voor het Europese WTI-beleid bezien vanuit het
Nederlandse perspectief. Ten eerste, welke verhouding zou er in het EU-beleid moeten
zijn tussen fundamenteel onderzoek enerzijds en meer toepassingsgericht onderzoek,
innovatie en marktgerichte instrumenten (zoals investeringsfondsen) anderzijds? Ten
tweede, Nederland kent een cultuur van vooral generiek beleid ter ondersteuning van
onderzoek en innovatie: hoe moet Nederland omgaan met de ontwikkeling dat het EU-
beleid tegelijk specifieker en gerichter wordt? Ten derde, hoe kan de EU en Nederland
zorgen dat ook de recente lidstaten sterker meegenomen worden in (de successen van)
het EU-beleid voor WTI?
2.2 Nederlandse partijen profiteren van EU-beleid voor WTI
Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven hebben door de jaren heen goed gebruik
weten te maken van de ondersteuning die het EU-beleid bood voor onderzoek en
innovatie. De AWTI heeft in meer detail laten analyseren hoe de Nederlandse partijen
hebben deelgenomen aan het laatste afgeronde kaderprogramma, Horizon 2020. De
resultaten staan in de achtergrondstudie Nederland in Horizon 2020.41 Daarbij is ook een
benchmark gemaakt met een aantal vergelijkbare regio’s in de EU,42 die vergeleken
worden met de vier Nederlandse NUTS-1-regio’s.43 De belangrijkste bevindingen uit de
rapportage van IDEA zijn hieronder verwerkt. Alle cijfers die in deze paragraaf genoemd
worden over Horizon 2020 zijn in principe afkomstig uit deze achtergrondstudie, tenzij
anders aangegeven.
2.2.1 Horizon 2020
Horizon 2020 was het achtste kaderprogramma van de EU voor onderzoek en
innovatie.44 Het programma kende een looptijd van 2014 tot en met 2020. Het budget
bedroeg ongeveer 77 miljard EUR. Het merendeel van het geld ging naar drie ‘pijlers’:
41. IDEA Consult (2023), Nederland in Horizon 2020. Een kwantitatieve analyse voor de AWTI, Den
     Haag: AWTI. In dit advies gaan we uit van de data uit dit IDEA-rapport.
42. De benchmarkregio’s zijn Estland, de vijf Duitse regio’s Oberbayern, Baden-Württemberg,
     Nordrhein-Westfalen, Koblenz en Lüneburg, Sydsverige (Zweden), Vlaanderen (België),
     Baskenland (Spanje) en Oost-Oostenrijk.
43. De vier NUTS-1-regio’s zijn Noord-Nederland (Friesland, Groningen en Drenthe), Oost-
     Nederland (Overijssel, Gelderland en Flevoland), Zuid-Nederland (Noord-Brabant en Limburg)
     en West-Nederland (Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Zeeland).
44. Kaderprogramma als bedoeld in art. 182 VwEU.
Strategisch samenspel                                                                           18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>(1) wetenschappelijke excellentie (24 mld), (2) industrieel leiderschap (17 mld), en
(3) maatschappelijke uitdagingen (31 mld). Daarnaast omvatte Horizon 2020 enkele
‘horizontale’ programma’s met een kleiner budget.
Nederland maakte bovengemiddeld gebruik van Horizon 2020
Nederlandse partijen haalden in 6149 projecten €5,37 miljard aan financiering voor
onderzoek en innovatie uit Horizon 2020. Dat is 7,9% van het totale budget van Horizon
2020 (en bijna 2 keer het Nederlandse aandeel van de EU-begroting van 4,1%). Ook qua
slagingskans zijn Nederlandse partijen relatief succesvol: voor een project waar een
Nederlandse partij bij betrokken is, is het slagingspercentage 16,9% tegenover 12,4%
gemiddeld in de EU.45 Van de voorstellen waar een Nederlandse partij bij betrokken is, is
61 procent overigens goed genoeg om in principe in aanmerking te komen voor finan-
ciering (de beoordeling van het voorstel is ‘boven de drempelwaarde’). Dit aandeel is
hoger dan het gemiddelde over de hele EU (ongeveer 50%). Slechts ongeveer een kwart
van die voorstellen ‘boven de drempelwaarde’ ontvangt uiteindelijk daadwerkelijk finan-
ciering (omdat het budget beperkt is).46 Dat betekent dat 3 op de 4 kwalitatief ‘goede’
voorstellen niet slagen, terwijl over het totaal van de ingediende voorstellen waar een
Nederlandse partij bij betrokken is, 5 van de 6 niet slagen (en binnen de EU 7 op de 8).
Er gaat dus nog veel energie verloren in het voorbereiden van zulke projectvoorstellen.
Dat Nederlandse partijen relatief succesvol zijn gebleken bij het verkrijgen van
financiering uit Horizon 2020 blijkt ook uit de benchmarkanalyses in de achtergrond-
studie, waarvan het resultaat in figuur 1 getoond wordt. Hier is het aantal succesvolle
deelnames per 100.000 inwoners weergegeven. Onder de benchmarkregio’s scoort de
Spaanse regio Baskenland het beste: vanuit deze regio werd 109 keer deelgenomen aan
Horizon 2020-projecten per 100.000 inwoners. Daarna volgen Oberbayern (Duitsland, 86
deelnames), West-Nederland (82) en Oost-Oostenrijk (78). Het cijfer voor heel Nederland
(64 deelnames per 100.000 inwoners) zit net onder Estland (68) en net boven
Vlaanderen (56), maar opvallend genoeg is het veel hoger dan van de Duitse deelstaat
Nordrhein-Westfalen die qua grootte van de bevolking vergelijkbaar is met Nederland. In
de grafieken waarin Nederland en de vier NUTS1-regio’s vergeleken worden met de
benchmarkregio’s, staan de regio’s geordend op hun ‘score’ in het Europese ‘Regional
Innovation Scoreboard 2021’, kortweg: RIS-score. Het gaat hier om de Regionale
Innovatie Index, die een maat is voor de innovatiekracht van een regio: hoe hoger die
score, hoe innovatiever de regio.47
45. Zie verderop in figuur 4 (p. 27).
46. Van voorstellen boven de drempelwaarde waar een Nederlandse partij bij betrokken is, wordt
     27,5% gehonoreerd, het gemiddelde over de hele EU is 24,9%. Voor de verschillen per pijler en
     thema, zie IDEA Consult (2023), Nederland in Horizon 2020.
47. Europese Commissie (2021c), Regional Innovation Scoreboard 2021, Luxembourg.
Strategisch samenspel                                                                             19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                      Aantal Horizon 2020-deelnames per 100.000 inwoners
              Oberbayern (174)                                             85,7
              Sydsverige (163)                        39,5
 Baden-Württemberg (153)                            37,4
              Vlaanderen (150)                                56,2
        Zuid-Nederland (144)                              47,8
        Oost-Oostenrijk (139)                                           78,0
               Nederland (138)                                   63,9
       West-Nederland (138)                                              81,5
        Oost-Nederland (132)                                53,2
Nordrhein-Westfalen (131)                    20,7
                  Estland (129)                                    67,6
              Baskenland (119)                                                         109,2
      Noord-Nederland (118)                        35,9
                  Koblenz (113)     2,4
                Lüneburg (105)       4,5
                                 0       20       40         60       80       100       120
Figuur 1 Aantal succesvolle deelnames aan Horizon 2020 projecten per 100.000
              inwoners voor Nederland, de Nederlandse regio’s en de benchmarkregio’s;
              de regio’s zijn geordend op ‘RIS-score’ voor 2021 (tussen haakjes)48
Bron: EU-Cordis databank Horizon 2020 met gehonoreerde projecten 2014-2020
   Good practice Baskenland: In onze benchmark presteert Baskenland heel goed.
   In het bijzonder de onderzoeksinstellingen doen het goed, niet alleen qua hoeveelheid
   projecten en geld, maar ook in het gemiddeld aantal Baskische partners in een project
   met Baskische deelname. Dit lijkt het resultaat van specifiek beleid in Baskenland.
   Ten eerste heeft men met Tecnalia een sterke organisatie voor toepassingsgericht
   onderzoek (TO2) gecreëerd, maar daarnaast wordt binnen de Basque research &
   technology alliance (BRTA), een Baskisch samenwerkingsverband van 17 TO2-
   achtige instellingen, intensief samengewerkt, o.a. met het oog op EU-projecten.
   BRTA ondersteunt onderzoekers en instellingen bij de positionering in Europese
   partnerschappen. Ze focussen op 3 elementen: 1) agendabeïnvloeding voor
   toekomstige programma’s, 2) opleiding en advies aan wetenschappers en
   3) specialisme voor ondersteuning bij aanvragen. Het helpt dat de Baskische
   beleidsprioriteiten zo veel mogelijk parallel aan de Europese worden gekozen.
   Bovendien is het financieringssysteem van de organisaties prestatiegericht ingesteld,
   waarbij een van de indicatoren het succes in ‘Europa’ is.
48. Zie voor deze RIS-score: Europese Commissie (2021c), Regional Innovation Scoreboard 2021.
Strategisch samenspel                                                                        20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                        Horizon 2020-financiering (2014-2017) in € per inwoner
              Oberbayern (174)                                                             531
              Sydsverige (163)                          205
 Baden-Württemberg (153)                              188
              Vlaanderen (150)                               261
        Zuid-Nederland (144)                             211
        Oost-Oostenrijk (139)                                     305
               Nederland (138)                                    309
       West-Nederland (137)                                                 403
        Oost-Nederland (132)                                 260
 Nordrhein-Westfalen (131)                   100
                  Estland (129)                         207
              Baskenland (119)                                             396
      Noord-Nederland (118)                         170
                  Koblenz (113)     5
                Lüneburg (105)      11
                                  0      100        200       300       400        500        600
Figuur 2 Toegekende Horizon 2020-financiering per inwoner (2014-2020, in €)
              voor Nederland, de Nederlandse regio’s en de benchmarkregio’s;
              de regio’s zijn geordend op ‘RIS-score’ voor 2021 (tussen haakjes)
Bron: EU-Cordis databank Horizon 2020 gehonoreerde projecten 2014-2020; inwoneraantal in 2020
Niet alleen in aantallen gehonoreerde projecten was Nederland succesvol, maar ook qua
financiering. Omgerekend per inwoner ontving Nederland € 309 aan financiering uit
Horizon 2020.49 Ten opzichte van de grotere EU-landen is dat veel (Duitsland, Frankrijk,
Italië en Spanje plus het Verenigd Koninkrijk ontvingen tussen € 95 en € 135 per
inwoner). Van de top-15-landen in totale ontvangsten van middelen uit Horizon 2020
ontving alleen Noorwegen nog meer per inwoner (€ 317). Denemarken was derde (€ 304
per inwoner). In figuur 2 is het beeld vanuit onze benchmark weergegeven. Alleen de
zeer innovatieve Duitse regio Oberbayern (€ 531 per inwoner) weet de Nederlandse
koploper West-Nederland (€ 403) voor te blijven. Ook hier scoort Baskenland weer goed
(€ 396) – ongeveer drie keer het gemiddelde voor heel Spanje! Binnen Nederland zijn er
verschillen tussen de regio’s. West-Nederland, waar de meeste kennisinstellingen zich
bevinden, springt eruit. Oost-Nederland haalde ook relatief veel financiering binnen,
terwijl Zuid-Nederland en Noord-Nederland per inwoner iets minder subsidie uit Horizon
2020 wisten te verwerven. Dat hangt vermoedelijk samen met het feit dat deze regio’s
relatief minder kennisinstellingen herbergen.
49. Het gaat hier om de ontvangen financiering uit Horizon 2020 opgeteld over de looptijd van het
     programma.
Strategisch samenspel                                                                             21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>   Good practice Noorwegen: Dit land is weliswaar geen lidstaat van de EU, maar wel
   van de EER (Europese Economische Ruimte) en Noorwegen doet ook mee binnen de
   kaderprogramma’s Horizon 2020 en Horizon Europe. Noorse partners in Horizon
   2020-projecten wisten nog meer financiering per deelname te verkrijgen dan de
   Nederlandse deelnemers omgerekend per hoofd van de bevolking. Met het oog op
   Horizon 2020 had de Onderzoeksraad van Noorwegen twee regelingen in het leven
   geroepen om de Noorse deelname aan de kaderprogramma’s te vergroten. De ene
   (PES2020) richt zich op het verbeteren van de kwaliteit en vergroten van het aantal
   projectvoorstellen vanuit Noorwegen voor Horizon. Dat gaat via co-funding van het
   projectvoorstel en steun bij het positioneren van de Noorse partijen en mobiliseren
   van partners. De andere regeling is STIM-EU waarmee Noorwegen (Noorse)
   deelnemers aan EU-projecten extra financiering geeft boven op de EU-bijdrage,
   onder andere om bepaalde overhead kosten te dekken.
We hebben ook bepaald welk aandeel van alle investeringen (privaat èn publiek) in
onderzoek en ontwikkeling (‘GERD’ in de terminologie van de OESO) 50 afkomstig is uit
Horizon 2020. Dit hebben we gedaan voor de top-15 aan ontvangende landen van
Horizon 2020. Dit wordt weergegeven in figuur 3, waarbij de positie op de y-as bestaat uit
het percentage dat de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling uitmaken van het Bruto
Binnenlands Product (BBP). In Nederland komt 4,7% van alle investeringen (privaat en
publiek) in onderzoek en ontwikkeling uit Horizon 2020, waarmee Nederland 3 e is binnen
de top-15 van ontvangende landen. Alleen de Zuid-Europese landen Griekenland en
Spanje halen een hoger percentage van hun financiering voor onderzoek en ontwikkeling
uit de EU, maar deze landen geven relatief ook veel minder uit voor dit doel. Bij de
benchmarkregio’s zijn vooral Estland (10%) en Baskenland (9%) het meest succesvol als
je let op het aandeel dat EU-financiering vormt binnen de totale uitgaven voor onderzoek
en ontwikkeling. Ter vergelijking: in Oberbayern was slechts 3% van de financiering van
onderzoek en ontwikkeling afkomstig van Horizon 2020. Ook valt op dat Nederlandse
deelnemers aan Horizon 2020-projecten zowel in de rol als coördinator als die van
‘gewoon’ partner gemiddeld meer ontvangen dan het gemiddelde over het hele Horizon
2020-programma. Dus ook per deelnemer zijn Nederlandse partijen relatief succesvol. 51
50. GERD = ‘Gross domestic expenditure on R&D’ en dat is de ‘total intramural expenditure on R&D
     performed in the national territory during a specific reference period’, zie: OESO (2015), Frascati
     Manual 2015: Guidelines for Collecting and Reporting Data on Research and Experimental
     Development, The Measurement of Scientific, Technological and Innovation Activities, Paris:
     OECD Publishing, DOI: http://dx.doi.org/10.1787/9789264239012-en .
51. Zie: IDEA Consult (2023), Nederland in Horizon 2020. Een kwantitatieve analyse voor de AWTI,
     Den Haag: AWTI.
Strategisch samenspel                                                                                 22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                                          Horizon 2020-financiering per miljoen € R&D-uitgaven
                          5,0%
 GERD als % van het BBP
                          4,5%            IL
                          4,0%
                          3,5%             SE
                                              AT
                          3,0%       DE           FI
                                           CH DK
                          2,5%                   BE
                          2,0%            FR    EU27            NL
                                                           NO
                          1,5%                 UK     IT                  ES                           EL
                          1,0%
                          0,5%
                          0,0%
                                 0        20.000    40.000       60.000        80.000   100.000   120.000   140.000
                                                    Horizon 2020-financiering (in €) per mln € GERD (2014-2020)
Figuur 3 Toegekende Horizon 2020-financiering per miljoen € GERD (2014-2020, in €)
         Top 15-landen met hoogste totale Horizon 2020-financiering
Bron: EU-Cordis databank Horizon 2020 gehonoreerde projecten 2014-2020.
      Voor bron GERD en BBP: zie IDEA (2023)
Vooral universiteiten en bedrijven doen mee in EU-projecten,
hogescholen en MKB hebben meer moeite
Het grootste deel van de middelen voor Nederlandse partijen ging naar hogeronderwijs-
instellingen (2,7 miljard euro; 51%), gevolgd door bedrijven (1,3 miljard euro; 24%) en
onderzoeksinstellingen (1 miljard euro; 18%). De rest van de ‘Nederlandse’ middelen
kwam terecht bij overheidsinstellingen en andere organisaties. (Zie in tabel 1.) Bij de
hogeronderwijsinstellingen gaat het vooral om universiteiten en universitair medische
centra. In de top-15 hogeronderwijsinstellingen qua ontvangen financiering uit Horizon
2020 ontbreken de hogescholen. En hoewel bij de categorie bedrijven het aantal unieke
MKB’s dat in Nederland deelneemt in Horizon 2020 ten opzichte van grotere bedrijven
vergelijkbaar is met het Europees gemiddelde (resp. 81% en 78%), horen we toch van
verschillende kanten signalen dat het voor MKB-bedrijven lastig is om succesvol aan-
sluiting te vinden bij de EU-mogelijkheden.52 Uit onze analyse bleek ook dat in Nederland
relatief minder gebruik is gemaakt van de op MKB gerichte onderdelen van Horizon 2020.
52. Overigens lijkt het MKB voor zijn financiering van onderzoek en ontwikkeling een relatief groter
    deel uit de EU-instrumenten te halen dan grote bedrijven. In Nederland wordt immers ongeveer
    33% van de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling door bedrijven gedaan binnen MKB-
    bedrijven (zie: https://www.rathenau.nl/nl/wetenschap-cijfers/geld/wat-geven-bedrijven-uit-aan-
    rd/rd-uitgaven-van-bedrijven-nederland-naar ) terwijl 71% van de Horizon 2020-gelden voor
    Nederlandse bedrijven naar MKB-bedrijven gaat (bron: eigen communicatie met RVO).
Strategisch samenspel                                                                                             23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Zo is in het thema ‘innovatie in MKB’ het Nederlandse aandeel 6,7% van het totale
budget ten opzichte van 7,9% voor heel Horizon 2020 (H2020).
Tabel 1 Verdeling van Nederlandse H2020-financiering over de 5 categorieën actoren
  Totaal                                   Financiering                  Aandeel                Aantal
                                              (miljard €)                op totaal         deelnames
  Onderwijsinstellingen                               2,72                  50,6%                 4336
  Onderzoeksinstellingen                              0,99                  18,4%                 1743
  Bedrijven                                           1,27                  23,5%                 3853
  Overheidsinstellingen                               0,15                   2,7%                  430
  Overige                                             0,25                   4,7%                  758
Enkele instellingen weten heel vaak gebruik te maken van Horizon 2020: 21 unieke
deelnemers uit Nederland namen ieder meer dan 100 keer succesvol deel aan Horizon
2020-projecten. Maar de meeste organisaties hebben maar aan één project meegedaan
(63% van de unieke deelnemers) of 2 tot 5 keer (29% van de unieke deelnemers).
In tabel 2 staat per categorie actoren steeds de top-5 van de Nederlandse organisaties
qua ontvangen financiering uit Horizon 2020.53 De grootste ontvangers zijn te vinden
onder universiteiten en bij instellingen voor toepassingsgericht onderzoek (TNO,
Wageningen Research). Deze instellingen namen ieder ook deel aan honderden Horizon
2020-projecten.
Grote instellingen, zoals een universiteit, TNO of een groot bedrijf, hebben vaak intern
een functionaris of afdeling die ondersteunt bij het ontdekken van EU-regelingen, bij het
vormen van de juiste consortia en bij het indienen van projectvoorstellen. Daarnaast zorgt
ook RVO voor ondersteuning en helpt het Enterprise Europe Network MKB-bedrijven met
het vinden van de juiste partners in het buitenland.54
Een verklarende factor in de moeite die het MKB kennelijk heeft om succesvol in EU-
projecten betrokken te zijn, kan zijn dat de meeste programma’s in Horizon 2020 minder
geschikt waren voor hun deelname vanwege de complexiteit van aanvragen, de verplich-
ting resultaten te openbaren of het ontbreken van het juiste netwerk. Overigens kunnen
deze omstandigheden ook grote, R&D-intensieve bedrijven belemmeren om gebruik te
maken van de EU-instrumenten voor WTI. Bijvoorbeeld omdat de EU-projecten veel
verschillende deelnemers (moeten) hebben, terwijl een bedrijf liever bilateraal met één
kennisinstelling een project doet en daarvan liever ook niet de resultaten openbaar maakt
53. We hebben de verschillende rechtspersonen genomen zoals ze in de database van de EU
     (Cordis) voorkomen. Er heeft geen samenvoeging plaatsgevonden van rechtspersonen die
     mogelijk aan elkaar verwant zijn, zoals bijvoorbeeld verschillende vennootschappen van Philips
     (er staan er al 2 in de top-5) of een universiteit en het bijbehorende universitair medisch centrum.
54. Zie: https://een.ec.europa.eu/
Strategisch samenspel                                                                                  24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Tabel 2 Top-5 H2020-financiering ontvangende organisaties in Nederland per categorie
                                                H2020-financiering   Aandeel binnen         Aantal
        Actor
                                                        in miljoen €      type actor     projecten
  Onderwijsinstellingen
  1 Technische Universiteit Delft                              318,3          11,7%            538
  2 Universiteit Utrecht                                       237,9           8,7%            344
  3 Universiteit van Amsterdam                                 206,0           7,6%            304
        Technische Universiteit
  4 Eindhoven                                                  195,7           7,2%            337
  5 Stichting Radboud Universiteit                             185,1           6,8%            294
  Onderzoeksinstellingen
  1 TNO                                                        178,2          18,0%            359
  2 Geant vereniging                                           153,3          15,5%             24
  3 Stichting Wageningen Research                              132,0          13,3%            223
  4 Stichting NWO Instituten                                    94,4           9,5%            180
  5 KNAW                                                        70,4           7,1%            122
  Bedrijven
  1 ASML Netherlands BV                                         43,3           3,4%             11
  2 Philips Electronics Nederland BV                            31,4           2,5%             65
  3 Avantium Chemicals BV                                       21,9           1,7%             22
  4 Philips Medical Systems NL BV                               18,9           1,5%             32
  5 Lanzatech BV                                                18,6           1,5%               1
  Overheidsinstellingen/overheden
  1 RIVM                                                        33,1          22,6%             63
        Ministerie van Economische
  2 Zaken en Klimaat                                            18,9          12,9%             53
        Ministerie van Infrastructuur en
  3 Waterstaat                                                  12,5           8,6%             45
  4 Gemeente Groningen                                           6,4           4,4%             10
  5 Gemeente Amsterdam                                           5,6           3,8%             14
  Overige
  1 Climate KIC Holding BV                                      38,3          15,1%               8
  2 Stichting EGI                                               26,2          10,4%             38
  3 Stichting NLNET                                             19,0           7,5%               3
  4 Stichting Lygature                                          10,9           4,3%             17
  5 Stichting Prosafe                                            6,9           2,7%               4
vanwege het belang van dat onderzoek voor de eigen concurrentiepositie. Bij hoge-
scholen zal meespelen dat ze in vergelijking met universiteiten (nog) een aanmerkelijk
kleiner deel van hun inspanningen besteden aan onderzoek.55 Daarnaast kennen ze ook
55. Het zou op zich interessant zijn om voor hogescholen en universiteiten te bepalen welk aandeel
     EU-financiering uitmaakt op het totale onderzoeksbudget van de kennisinstelling. Dat zou een
     ‘zuivere’ vergelijking zijn. Dit hebben we niet gedaan/kunnen doen omdat de omvang van de
     onderzoeksbudgetten niet eenduidig bekend is.
Strategisch samenspel                                                                              25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>andere bronnen van financiering (bijvoorbeeld nationaal) waar ze soms met meer (kans
op) succes financiering kunnen verkrijgen.
Veel succes bij ‘wetenschappelijke excellentie’ en ‘maatschappelijke uitdagingen’
Als we kijken naar de verschillende pijlers van Horizon 2020 blijkt dat Nederlandse deel-
nemers zeer goed scoren in de pijlers ‘wetenschappelijke excellentie’ en ‘maatschappe-
lijke uitdagingen’. Bij beide pijlers ging ongeveer 8,5% van het totale budget naar
Nederlandse deelnemers. In de pijler ‘industrieel leiderschap’ bleven Nederlandse
deelnemers daarentegen achter: 6,5% van het totale budget ging hier naar Nederlandse
deelnemers. Dit is overigens nog wel een hoger percentage dan de bijdrage van
Nederland aan de EU-begroting (4,1%).
Verschillen per thema
Inzoomend op de deelprogramma’s of thema’s, blijkt dat Nederlandse partijen in absolute
zin het grootste bedrag ontvingen van de Europese Onderzoeksraad (ERC: € 1,2 mld),
gevolgd door de maatschappelijke uitdaging ‘gezondheid’ (€ 0,8 mld; pijler 2) en de Marie
Skłodowska Curie acties (MSCA: € 0,5 mld). ERC en MSCA waren de belangrijkste deel-
programma’s van de pijler ‘wetenschappelijke excellentie’. Wat betreft het ‘relatieve aan-
deel’ in de financiering, dat wil zeggen het aandeel van de ‘Nederlandse’ middelen op het
totaal van de EU, verkreeg Nederland de meeste middelen bij onderzoeksinfrastructuren
(13,5%, 1e pijler) en de thema’s ‘gezondheid’ (13%) en ‘biotech’ (11%) in de 2 e pijler.56
Ook qua slagingspercentage voor Nederlandse aanvragers springen enkele thema’s er
duidelijk uit doordat de slagingskans veel hoger is dan het EU-gemiddelde voor dat
thema: de top-3 bestaat uit biotech, milieu en voedsel. Ook in het grootste programma
(ERC) ligt het Nederlandse slagingspercentage met 18,1% ongeveer een derde hoger
dan het EU-gemiddelde van 13,7%.
De slagingspercentages per pijler in Horizon 2020 staan weergegeven in figuur 4. Daarbij
valt op dat, hoewel Nederland gemiddeld minder ‘scoort’ binnen de pijler ‘industrieel
leiderschap’ qua hoeveelheid behaalde financiering, de slagingskans van projecten waar
Nederlandse partijen bij betrokken zijn binnen deze pijler heel veel hoger ligt dan het EU-
gemiddelde (15,2% tegenover 8,8%). Bovendien zijn er toch ook thema’s binnen de pijler
van ‘industrieel leiderschap’ waar Nederland wel erg succesvol is qua financiering. In
absolute zin springt ICT er hier uit, maar relatief gezien scoort Nederland het beste op
‘biotechnologie’ met een aandeel van 11% van het totale EU-budget voor dit thema en
een slagingskans die 2,5 keer hoger ligt voor aanvragen waar een Nederlandse partij bij
betrokken is ten opzichte van het EU-gemiddelde binnen dit deel.
56. Een gedetailleerd overzicht naar de verschillende thema’s is te vinden in IDEA Consult (2023),
     Nederland in Horizon 2020. Een kwantitatieve analyse voor de AWTI, Den Haag: AWTI.
Strategisch samenspel                                                                              26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                                    Slagingskansen per pijler binnen Horizon 2020
    25%
                                              19,9%
    20%                                                                18,4%
                                                       16,5%                                16,9%
                      16,0%       15,2%                            15,7%
              14,4%
    15%                                   12,4%             12,1%                       12,4%
    10%                       8,8%                                                 8,2%
                                                                              6,4%
      5%
      0%
               1. Excellent 2. Industrial 3. Societal 4. Spreading 5. Science  6. Other   Horizon
                 Science      leadership challenges excellence for Society                 2020
                  Alle projectaanvragen             Projectaanvragen met een Nederlandse actor
Figuur 4 Slagingskansen binnen Horizon 2020 per pijler (2014-2020)
Bron: EU-Cordis databank Horizon 2020 voor 2014-2020, aantal projectaanvragen = 285.602
West-Nederland grootverdiener en Zuid-Nederland sterk op industrie
Binnen Nederland hebben we naar de vier NUTS-1-regio’s gekeken (de regio’s waar de
EU Nederland in verdeelt voor het regiobeleid): Noord-, Oost-, West- en Zuid-
Nederland.57 West-Nederland, waar ongeveer de helft van de universiteiten is gehuisvest,
had – in absolute zin – de grootste deelname aan Horizon 2020 en daar is ook de
hoogste financiering per inwoner behaald: 403 EUR (tegenover 309 EUR als landelijk
gemiddelde).58 In figuur 5 staat de verdeling van de ontvangen Horizon 2020-financiering
naar pijler per regio (voor de benchmarkregio’s en de Nederlandse NUTS1-regio’s).
Interessant is dat in Noord- en West-Nederland het grootste deel van de behaalde
financiering komt uit de pijler ‘excellente wetenschap’ (52% resp. 44%), terwijl in Oost-
Nederland de pijler ‘maatschappelijke uitdagingen’ op één staat (49%). Zuid-Nederland
heeft het meeste geld binnengehaald uit de pijler ‘industrieel leiderschap’ (37%). Hier
zien we de regionale verschillen terug met Zuid-Nederland als een industrieel
zwaartepunt met onder andere Brainport, terwijl Oost-Nederland met universiteiten als
Wageningen en Twente een stevige traditie kent van onderzoek (samen met bedrijven en
andere organisaties) dat zich op maatschappelijke uitdagingen richt. Ook onder de
benchmarkregio’s zijn dit soort verschillen herkenbaar (zie figuur 5).
57. Noord-Nederland omvat de provincies Groningen, Friesland en Drenthe; Oost-Nederland:
     Overijssel, Gelderland en Flevoland; West-Nederland: Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en
     Zeeland; Zuid-Nederland: Noord-Brabant en Limburg.
58. Zie figuur 2 op p. 21 voor het overzicht van de Nederlandse regio’s en de benchmarkregio’s.
Strategisch samenspel                                                                             27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                         Verdeling Horizon 2020-financiering over de pijlers
              Oberbayern (174)             41%                  25%             26%          6%
              Sydsverige (163)                52%                  14%            32%        2%
   Baden-Württemberg (153)                   47%                 19%             29%         4%
              Vlaanderen (150)           34%                25%                39%
         Zuid-Nederland (144)          31%                   37%                  30%
         Oost-Oostenrijk (139)              43%               15%             38%
               Nederland (138)             40%               17%              41%
        West-Nederland (137)                44%               12%             42%
         Oost-Nederland (132)           32%             17%                49%
  Nordrhein-Westfalen (131)             32%               22%               42%              3%
                  Estland (129)    14%       18%                 46%                 19%
              Baskenland (119)     16%             35%                      48%
       Noord-Nederland (118)                  52%                 8%           39%
                 Koblenz (113)    12%        22%                      59%                 6%
                Lüneburg (105)    11%                51%                     30%         9%
                                0%        20%           40%        60%          80%       100%
           1. Excellent Science         2. Industrial leadership     3. Societal challenges
           4. Spreading excellence      5. Science for Society       6. Other
Figuur 5 Verdeling Horizon 2020-financiering over de pijlers
              voor Nederland, de Nederlandse regio’s en de benchmarkregio’s;
              de regio’s zijn geordend op ‘RIS-score’ voor 2021 (tussen haakjes)
Bron: EU-Cordis databank Horizon 2020 gehonoreerde projecten 2014-2020.
         Voor de RIS-score, zie: Europese Commissie (2021c)
Samenwerking met andere landen
Een van de kenmerken van het Europese WTI-beleid is dat het samenwerking tussen
partijen wil bevorderen. In veel projecten werken dan ook partijen uit verschillende landen
samen. Figuur 6 laat zien met wie Nederlandse partijen veel samenwerken. In de figuur is
weergegeven met hoeveel partners uit de genoemde landen een Nederlandse partij
gemiddeld samenwerkt in één project dat meer dan één deelnemer kent.59 Nederlandse
partijen blijken vooral samen te werken met partners uit Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië
en het Verenigd Koninkrijk. Opvallend is dat Nederlandse partijen binnen de pijler
excellente wetenschap veel samenwerkten met kennisinstellingen uit het Verenigd
59. De projecten die maar één deelnemer hebben, kennen geen samenwerkingspartners en die
     hebben we voor deze analyse van samenwerkingspartners uit de steekproef gefilterd.
Strategisch samenspel                                                                           28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Koninkrijk en Zwitserland.60 Het zijn daarmee belangrijke Nederlandse partners. Deze
landen namen deel aan Horizon 2020, maar zijn (nu) geen lid van de Europese Unie en
hun deelname aan het huidige kaderprogramma Horizon Europe is nog steeds niet
geregeld.61 Mochten ze niet (alsnog) deel kunnen nemen, dan raakt Nederland een
belangrijk middel kwijt om tot samenwerking met (de veelal gerenommeerde) kennis-
instellingen in deze landen te komen. Samenwerking van Nederlandse partijen met
Belgische partijen vindt het vaakst plaats in de pijler van de maatschappelijke uit-
dagingen. Bij de samenwerking met het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken zijn
de samenwerkingspartners opvallend vaak hogeronderwijsinstellingen (universiteiten).
                  Gemiddeld aantal samenwerkingspartners per project
  2,5
           2,1
                2,0
  2,0
                      1,5 1,5
                              1,4 1,4
  1,5
                                      1,0
  1,0
                                          0,5 0,5 0,5 0,4
  0,5                                                     0,4 0,3 0,3 0,3
                                                                           0,3 0,3
                                                                                     0,2 0,2 0,1
  0,0
           NL DE FR ES IT UK BE SE EL AT CH DK FI PT NO PL IE CZ HU RO
Figuur 6 Gemiddeld aantal samenwerkingspartners per land binnen succesvolle
              projecten met meer dan 1 deelnemer en minstens één Nederlandse deelnemer
              voor de top-20 landen in Horizon 2020 (2014-2020)
Bron: EU-Cordis databank Horizon 2020 gehonoreerde projecten 2014-2020; totaal aantal projecten
         met meer dan 1 deelnemer waaronder een Nederlandse = 4.694
60. Zie IDEA Consult (2023), Nederland in Horizon 2020. Een kwantitatieve analyse voor de AWTI,
     Den Haag: AWTI.
61. In februari 2023 waren het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland nog in onderhandeling over
     eventuele associatie voor Horizon Europe. Wel stellen beide landen voorlopig ‘eigen’ financiering
     beschikbaar voor binnenlandse partijen die meedoen aan Horizon Europe projecten.
Strategisch samenspel                                                                                29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Samenwerking met het Verenigd Koninkrijk ingestort, met andere landen gegroeid
We hebben de samenwerking tijdens de eerste helft van de looptijd van Horizon 2020
vergeleken met die in de tweede helft. Over bijna de volledige breedte zijn Nederlandse
partijen in de tweede helft van Horizon 2020 meer gaan samenwerken met partners uit
andere landen. De toename is vooral te zien bij samenwerking met Griekenland, Spanje
en België. Ook binnen de nieuwere lidstaten in het oosten van de EU weten Nederlandse
partijen vaker samenwerkingspartners te vinden. Als contrast blijkt alleen de samen-
werking met partners uit het Verenigd Koninkrijk sterk te zijn afgenomen gedurende de
tweede helft van het Horizon 2020 programma, mogelijk vanwege onzekerheid rond de
effecten van de Brexit.
Nederlandse partijen weten elkaar ook te vinden
In de 6149 Horizon 2020-projecten met één of meer Nederlandse partijen zijn in totaal
11120 deelnames vanuit Nederland. Dat betekent gemiddeld 1,81 Nederlandse deel-
nemer per project met Nederlandse deelname. Dat is hoog in vergelijking met de
benchmarkregio’s (alleen Baskenland komt in de buurt met 1,69). Kijkend naar de
Nederlandse NUTS1-regio’s is dit cijfer in West-Nederland nog steeds relatief hoog (1,55
deelnemer uit West-Nederland).62 De andere regio’s zijn vergelijkbaar met de beter
scorende benchmarkregio’s (rond de 1,35 uit dezelfde regio). Het lijkt er dus op dat
Nederlandse partijen ook andere Nederlandse deelnemers ‘meenemen’ in de Europese
projecten en vaak ook partijen uit dezelfde regio. Als we inzoomen op die projecten met
Nederlandse deelname waarbij meer dan één deelnemer is (zie figuur 6) dan zijn bij die
projecten gemiddeld net iets meer dan 2 Nederlandse partijen betrokken.
‘Romaanse’ partijen doen minder vaak mee met Nederlandse coördinatoren
Vooral (hoger)onderwijsinstellingen nemen in Nederland de rol van coördinator in een
EU-project op zich. Opvallend is dat, indien er een Nederlandse partij coördinator is,
Spaanse, Italiaanse en Franse partijen minder vaak vertegenwoordigd zijn, terwijl
Nederlandse partijen wel aansluiten bij coördinatoren uit deze landen.63 Onduidelijk is of
Nederlandse coördinatoren minder snel zoeken naar partners uit Spanje, Frankrijk of
Italië of dat partijen uit die landen minder graag willen aansluiten bij een Nederlandse
coördinator.
62. Naar verwachting ligt dit cijfer voor de (Nederlandse) regio’s lager dan voor heel Nederland: het
     gaat immers om het aantal partijen uit hetzelfde gebied voor een project waar minstens één
     deelnemer uit dat gebied betrokken is. Dus voor heel Nederland is dit (ook) aan de orde bij een
     partij uit Delft en een partij uit Groningen, maar binnen een regio alleen als naast de partij uit
     Delft een partij uit West-Nederland betrokken is.
63. Zie IDEA Consult (2023), Nederland in Horizon 2020. Een kwantitatieve analyse voor de AWTI,
     Den Haag: AWTI.
Strategisch samenspel                                                                                   30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>    Good practice Zweden: VINNOVA is een organisatie in Zweden met een eigen budget
    dat ze coördineert via diverse programma’s op het gebied van samenwerking,
    capaciteitsontwikkeling en thematisch onderzoek.     VINNOVA  heeft een duidelijke rol
    richting de EU-regelingen, want ze ondersteunt bij alle Europese aanvragen, maar
    daarnaast heeft VINNOVA niet alleen kantoren in Zweden, maar ook in Brussel, Silicon
    Valley en Tel Aviv. Op die manier kan     VINNOVA ook bijdragen aan het vinden van de
    juiste partners in het buitenland (ook buiten de EU). Voor het MKB is er een speciaal
    agentschap dat ondersteunt en zich inzet om het Zweedse MKB aan te laten sluiten
    bij Europese programma’s. Dit gebeurt door directe ondersteuning (zowel 1-op-1 als
    via workshops) en via incubators en science parks.
Ook buiten de EU-projecten om wordt er samengewerkt
De EU-programma’s voor onderzoek en innovatie bevorderen internationale samen-
werking. Maar ook los van het kaderprogramma en andere programma’s wordt inter-
nationaal samengewerkt. Onlangs heeft het Rathenau Instituut dit in kaart gebracht.64 Er
is gekeken naar gezamenlijke publicaties (van auteurs in Nederland met auteurs van
elders) voor de periode 2018-2021. Dan wordt het meest samengewerkt met de
(1) Verenigde Staten, (2) het Verenigd Koninkrijk en (3) Duitsland. We hebben gepro-
beerd een inschatting te maken wat het effect is van samenwerking binnen EU-projecten
op de totale samenwerking tussen (partijen uit) beide landen. Daarvoor hebben we de
verhouding bepaald tussen het aantal samenwerkingen binnen EU-programma’s ener-
zijds en het aantal gezamenlijke publicaties van auteurs uit beide landen anderzijds. Hoe
hoger dit quotiënt, des te groter achten wij de invloed van EU-projecten op de samen-
werking tussen (partijen uit) beide landen. Als we dit doen, dan lijkt vooral bij Spanje en
Griekenland de samenwerking binnen Horizon 2020 een groot effect te hebben en in iets
mindere mate bij Oostenrijk en Noorwegen. Zeker bij de samenwerking met zulke landen
lijkt een Europees kaderprogramma dus een stimulerend effect te hebben.
2.2.2 Andere EU-instrumenten ter ondersteuning van WTI
Naast de kaderprogramma’s zoals Horizon 2020 en Horizon Europe vloeien er ook
investeringen in WTI naar Nederlandse partijen via andere programma’s en fondsen. Een
voorbeeld vormt het Europees fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO). Nederland
krijgt uit dit structuurfonds relatief weinig middelen binnen – vergeleken met de minder
ontwikkelde regio’s in de EU. Dat hangt samen met de opzet van het fonds dat er juist op
gericht is minder ontwikkelde gebieden te helpen zich verder te ontwikkelen. Maar de
64. Rathenau Instituut (2022c), Samenwerkingslanden Nederland, peildatum 02-09-2022.
Strategisch samenspel                                                                       31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>EFRO-middelen die de Nederlandse regio’s mogen besteden, moeten ten goede komen
aan innovatie. Beleid en verdeling van de gelden wordt bepaald door de betreffende
regio’s zelf. De regio’s moeten in dit kader komen met een ‘smart specialisation strategy’
waarin ze aangeven waar hun regio zich specifiek op zal richten (passend bij de kracht
en ambitie van die regio). In Nederland zijn er voor EFRO vier regio’s: Noord-Nederland,
Oost-Nederland, West-Nederland en Zuid-Nederland. Die hebben ieder een
managementautoriteit, die het programma beheert.65
Meer missiegericht heeft de Europese Commissie het tijdelijke instrument ‘Next
Generation EU’ uitgerold. Deze middelen hebben een duidelijk doel en richten zich deels
op innovatie. Voorbeelden hiervan zijn het ‘Just transition fund’ (567 miljoen voor
Nederlandse partijen gericht op het ondersteunen van de regio’s naar een klimaat-
neutrale en circulaire economie) en de ‘Recovery and resilience facility’ (4,7 miljard EUR
in totaal voor Nederland, waarvan een deel bestemd is voor duurzaam en groen herstel
na de COVID-crisis). Ook via Interreg, een fonds gericht op grensoverschrijdende
regionale samenwerking zijn er middelen voor WTI. Ook daar worden de gelden verdeeld
(en het beleid gemaakt) door de (inter)regionale autoriteiten.
Een instrument dat de EU ook inzet zijn de IPCEI’s (Important Projects of Common
European Interest). Dit zijn grote, baanbrekende projecten waarbij partners uit
verschillende lidstaten samenwerken. Bij een IPCEI mogen lidstaten bedrijven meer
steunen dan de staatssteunregels ‘normaal’ zouden toestaan. Maar de middelen moeten
hier dus wel van de betrokken lidstaten zelf komen. De EU zet hier niet apart zelf
middelen voor in. Nederland doet momenteel weliswaar mee aan 4 van deze projecten,
maar het vinden van (nationaal) budget is lastig.66 Daardoor loopt Nederland zeker niet
voorop bij het gebruiken van de mogelijkheden die dit instrument biedt.
2.3 Bijdrage EU-beleid aan Nederlandse ambities niet optimaal
Er komen steeds meer middelen beschikbaar voor ondersteuning van WTI vanuit de
Europese Unie, waar Nederlandse partijen relatief sterk van profiteren. Maar geld op zich
is niet het doel van WTI-beleid. Het gaat natuurlijk bij de inzet van WTI om het realiseren
van de achterliggende ambities. De belangrijkste vraag is dan ook in hoeverre de EU-
regelingen voor WTI bijdragen aan de Europese ambitie, dan wel de nationale ambitie(s).
65. Voor Noord-Nederland is dit het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (www.snn.nl), voor
     Oost-Nederland: EFRO Oost (https://www.efro-oost.eu/), voor West-Nederland: Kansen voor
     West (www.kansenvoorwest2.nl/nl/) en voor Zuid-Nederland heet het programma “OPZuid”
     (beheerd door Stimulus Programmamanagement: https://www.stimulus.nl/opzuid-2021-2027).
66. Zie ook: Kamerbrief Minister Adriaansens. Kamerbrief strategisch en groen industriebeleid. D.d.
     8 juli 2022 (kenmerk DGBI-TOP / 22266731), Kamerstukken II 2021-2022, 29 826, nr. 147.
Strategisch samenspel                                                                             32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Figuur 7 Voortgang Horizon 2020 m.b.t. streefdoelen voor de verschillende pijlers
Bron: Figuur 2.4 (“Overzicht van alle in de programmaverklaring opgenomen Horizon 2020-
         indicatoren”) uit Europese Rekenkamer (2020).67
Europese Rekenkamer kritisch over pijler ‘maatschappelijke uitdagingen’
Op het niveau van de EU heeft de Europese Rekenkamer (ERK) hiernaar gekeken. In
2019 voerde de ERK een prestatiecontrole uit op onder andere het kaderprogramma
Horizon 2020. De resultaten staan afgebeeld in figuur 7. Kort samengevat liggen naar het
oordeel van de ERK 14 indicatoren ‘op schema’, 17 niet en kan van 23 indicatoren niet
vastgesteld worden of ze op schema liggen. Opvallend is dat van alle indicatoren zonder
67. Europese Rekenkamer (2020), Verslag van de Europese Rekenkamer betreffende de prestaties
     van de EU-begroting — Stand van zaken eind 2019, Luxemburg: Bureau voor publicaties van de
     Europese Unie.
Strategisch samenspel                                                                         33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>gekwantificeerde streefdoelen het onduidelijk is of ze op schema liggen. Het duidelijkst is
de voortgang voor de pijler ‘excellente wetenschap’, waar 4 van de 6 indicatoren op
groen staan. Maar bij ‘maatschappelijke uitdagingen’ liggen 13 indicatoren niet op
schema, slechts één wel, en zijn 16 niet te beoordelen. Dit is wel een pijler waar
Nederland sterk in deelneemt. De ERK is zeer kritisch op of hier op EU-niveau de
beoogde doelen worden gehaald. De ERK laat zich niet uit over de situatie op het niveau
van de lidstaten, maar als de ERK oordeelt dat een indicator (op Europees niveau)
onvoldoende duidelijk is (dat wil zeggen niet goed te bepalen) zal dat vaak ook op
nationaal niveau zo zijn. Vooral in de pijler ‘maatschappelijke uitdagingen’ doet dat
probleem zich voor.
Bovendien doet de ERK nog een aantal andere interessante observaties. Het slagings-
percentage onder Horizon 2020 was slechts 12%, wat betekent dat veel inspanningen
voor het bijeenbrengen van partijen en opstellen van voorstellen geen vruchten afwerpen.
Bovendien heeft het ‘excellentiekeurmerk’ (seal of excellence) voor voorstellen die
weliswaar heel goed zijn, maar toch geen financiering krijgen, nog niet het beoogde
effect: er wordt in de nationale regelingen weinig mee gedaan. Verder constateert de
ERK dat het moeilijk is om een overzicht te krijgen over alle financieringsinstrumenten
voor onderzoek en innovatie. Daarbij hebben MKB-bedrijven nog eens extra
belemmeringen in het aanvraagproces of extra lasten bij de uitvoering.
Dragen de EU-regelingen (in Nederland) bij aan het realiseren van onze ambities met WTI?
In Horizon 2020 en Horizon Europe wordt het geld verdeeld door de Europese Commis-
sie tegen het licht van de beleidsdoelstellingen op EU-niveau. Daar heeft de Europese
Rekenkamer naar gekeken en deze constateert dat het voor een deel van Horizon 2020
nog onduidelijk is of de (Europese) streefdoelen zullen worden gehaald. In dit advies
stellen we de vraag in hoeverre de inzet van EU-middelen (ook) bijdraagt aan de Neder-
landse streefdoelen en ambities voor WTI.
Rekenkamer kritisch over inzicht in bijdrage EU-gelden aan Nederlandse ambities
Onlangs heeft de (Nederlandse) Algemene Rekenkamer onderzoek gedaan naar de
mate waarin EU-gelden die onder gedeeld beheer van de EU en Nederland vallen,
bijdragen aan de Nederlandse beleidsambities.68 Hieronder vallen niet de Europese
kaderprogramma’s (Horizon), maar bijvoorbeeld wel de EFRO-middelen. De Nederlandse
ontvangers van de EU-subsidies geven aan dat ze zelf baat hebben gehad van de ont-
vangen gelden. Wel vond men de administratieve lasten hoog en had twee derde zich
laten ondersteunen door een externe adviseur bij de aanvraag. Maar over de toegevoeg-
68. Algemene Rekenkamer (2022), Toegevoegde waarde EU-subsidies in Nederland, Den Haag:
     oktober 2022.
Strategisch samenspel                                                                     34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>de waarde van die EU-gelden voor de Nederlandse ambities is de Algemene Reken-
kamer zeer kritisch (en dat terwijl Nederland hier meebeslist over de verdeling). Zo is het
verband tussen de focus die in (nationale uitvoering van) programma’s wordt aange-
bracht en de achterliggende problemen die men wil aanpakken, vaak onduidelijk of slecht
onderbouwd. Bovendien, als er gebruik gemaakt wordt van indicatoren, dan richten die
zich meestal op de output (prestaties) en niet zozeer op de outcome (effecten). Uit de
onderzoeken van de Europese en Nederlandse Rekenkamer komt dus het beeld naar
voren dat er maar beperkt zicht is op de effecten van EU-regelingen en of die regelingen
daadwerkelijk bijdragen aan het oplossen van de achterliggende problemen.
Ambities voor excellente wetenschap lopen parallel, maar afstemming onduidelijk
Op het terrein van wetenschap en fundamenteel onderzoek lopen de ambities in Neder-
land en die van de pijler ‘Excellent Science’ van de kaderprogramma’s redelijk parallel.
Het doel is om excellent onderzoek generiek te bevorderen, wat bij moet dragen aan de
kracht van Europa (of Nederland) als kennismacht. Toch zouden we bij de uitvoering nog
een paar kritische noten willen plaatsen. In Nederland speelt NWO een belangrijke rol
omdat deze organisatie veel persoonsgebonden grants verstrekt aan talentvolle weten-
schappers. Hoe is het beleid van NWO ‘afgestemd’ met wat de ERC op Europese schaal
doet qua persoonsgebonden grants?69 Daarnaast doen we in Nederland weinig tot niets
met het ‘Seal of Excellence’ dat de EU verstrekt aan op zich heel goede onderzoeks-
voorstellen die vanwege beperkte budgetten toch geen EU-financiering konden krijgen.70
Ontbreken Nederlands industriebeleid bemoeilijkt aansluiting met ‘industrieel leiderschap’
Bij ‘industrieel leiderschap’ scoorde Nederland ‘slecht’ in Horizon 2020, althans hier
kregen Nederlandse partijen gezamenlijk relatief minder financiering dan in de andere
twee pijlers. Nederland had in die periode ook geen gerichte industriepolitiek (anders dan
generiek voorwaardenscheppend beleid en Topsectoren die vooral zelf ‘bottom-up’ hun
agenda bepaalden).71 Daardoor ontbrak het ons land aan een heldere agenda in Brussel
wat betreft industriebeleid. Dat maakt(e) het lastiger om succesvol te opereren in deze
pijler (het kabinet erkent dat impliciet in de recente kabinetsbrief over industriebeleid).72
En zonder duidelijke beleidsambities is het ook moeilijk om te concluderen of het
Europese WTI-beleid heeft bijgedragen aan het realiseren van de Nederlandse ambities.
69. Inmiddels is het bedrag dat Nederlandse onderzoekers jaarlijks aan Europese ERC-beurzen
     ontvangen ongeveer even groot als het NWO-Talentprogramma, zie Rathenau Instituut (2022b).
70. Zie hierover Diepstraten, F. (2021), ‘2 op 3 excellente MSCA-voorstellen niet gefinancierd’.
     Hierin wordt gemeld dat in Nederland (alleen) het LUMC in Leiden ’uit eigen zak’ onderzoekers
     financiert die in Brussel een seal of excellence (SoE) hebben behaald. De Europese Commissie,
     Directorate-General for Research and Innovation (2022) geeft suggesties voor gebruik van SoE.
71. AIV (2022), Slimme industriepolitiek: een opdracht voor Nederland in de EU, Den Haag.
72. Kamerbrief Minister Adriaansens. Kamerbrief strategisch en groen industriebeleid. D.d. 8 juli
     2022 (kenmerk DGBI-TOP / 22266731), Kamerstukken II 2021-2022, 29 826, nr. 147.
Strategisch samenspel                                                                              35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Aankondiging Nederlands industriebeleid is een belangrijke eerste stap…
Inmiddels is hier een kentering. Onlangs heeft het kabinet aangekondigd van plan te zijn
om ‘actief industriebeleid’ te gaan voeren. Belangrijk daarbij is volgens het kabinet om te
zorgen voor een goede pro-actieve aansluiting op wat in de EU gebeurt. Ook een goede
nationale agenda om de ontwikkelingen in ‘Brussel’ de gewenste kant op te sturen is een
must. Het helpt als de verschillende partijen uit het veld in Nederland goed samenwerken
en daarmee in Brussel ook effectiever kunnen opereren bij vergelijkbare gremia op EU-
niveau.73 Het kabinet schetst hier dus belangrijke ingrediënten die ervoor moeten zorgen
dat het EU-beleid rond onderzoek, technologieontwikkeling en innovatie in samenhang
met het industriebeleid effectiever zal bijdragen aan de realisatie van de Nederlandse
ambities.
…die (nog) vertaald moet worden in concrete acties…
De AWTI tekent hier wel bij aan dat het vooralsnog vooral ‘op papier’ de goede kant
opgaat, en dat het nu van belang is om de aansluiting op het EU-beleid ook echt concreet
te realiseren. Al te vaak wordt er in beleidsdocumenten immers plechtig opgeschreven
dat er ‘aansluiting met het EU-beleid gezocht moet worden’, maar ontbreekt vervolgens
de uitvoering. Zo bleven de meeste Topsectoren lang achter met het ontwikkelen van een
internationale strategie, een verantwoordelijkheid die bij hen al vanaf hun start was
neergelegd.74 Overigens is het belangrijk dat die internationale strategie méér is dan een
export-strategie; die strategie moet nadrukkelijk ook gaan over internationale samen-
werking op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie.
…en waarvoor budget vrijgemaakt moet worden
Ook al geeft de recente Kamerbrief over het industriebeleid aan dat aansluiting gezocht
moet worden bij de EU-instrumenten, toch blijft nog veel onduidelijk hoe men die link met
EU-agenda concreet wil maken. Bovendien ontbreekt het eigenlijk nog aan voldoende
fondsen om die ambities ook echt te realiseren: het geld ligt niet zomaar klaar, zoals het
kabinet ook toegeeft.75 Voor de IPCEIs lonkt de regering naar het Nationaal Groeifonds
voor structurele middelen van enige omvang. De vraag is wel hoe deze ‘claim’ zich
verhoudt tot de beoordelingsvrijheid die de Commissie van het Nationaal Groeifonds
heeft. Verder geeft het kabinet (in de Kamerbrief) alleen een concrete ambitie voor
European Digital Innovation Hubs. In de praktijk blijft koppeling met EU dus nog achter.
73. Ibidem, p. 21-22
74. Zie ook AWTI (2017), WTI-Diplomatie, Den Haag, waar de AWTI er al op wees dat de meeste
     Topsectoren nog geen internationaliseringsstrategie hadden, terwijl ook recent nog (in juli 2022)
     het ontwikkelen van zulke strategie weer alsnog uit te voeren actie wordt benoemd in de
     Kamerbrief over het industriebeleid (Kamerstukken II 2021-2022, 29 826, nr. 147).
75. Kamerbrief Minister Adriaansens. Kamerbrief strategisch en groen industriebeleid. D.d. 8 juli
     2022 (kenmerk DGBI-TOP / 22266731), Kamerstukken II 2021-2022, 29 826, nr. 147.
Strategisch samenspel                                                                                36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Versterken van het verdienvermogen vereist zicht op buurlanden en EU
Overigens constateerde de Commissie van het Nationaal Groeifonds zelf dat de
ingediende voorstellen in de eerste en tweede ronde wel erg ‘nationaal’ waren qua
partners en focus.76 In de ogen van de Commissie is dat een risico, omdat het succes
van projecten die we in Nederland ondernemen in belangrijke mate ook afhangt van wat
het buitenland doet. Groeifonds-projecten hebben in het oog van de Commissie ook baat
bij aansluiting bij Europese initiatieven. En dat zag de Commissie van het Nationaal
Groeifonds nog onvoldoende terug in de voorstellen.
Onduidelijk of EU-steun voor ‘maatschappelijke uitdagingen’ helpt ambities te realiseren
Bij de pijler die gaat over ‘maatschappelijke uitdagingen’ is het beeld complexer.
Enerzijds ‘scoort’ Nederland hier goed qua projecten en financiering die Nederlandse
partijen hebben behaald (in Horizon 2020), maar anderzijds is het hier heel moeilijk om
vast te stellen in hoeverre die projecten daadwerkelijk hebben bijgedragen aan de
achterliggende beleidsambities, zoals de Europese Rekenkamer al moest constateren.
Bovendien is niet altijd even duidelijk of de Nederlandse en Europese ambities/doelen
parallel lopen.
Nederlandse ambities en die van de EU verschillen van elkaar
Zo kent Nederland een eigen missiegedreven innovatiebeleid waarvoor de missies in
2019 zijn bepaald. Binnen het EU-beleid maken de missies deel uit van Horizon Europe,
dat in 2021 van start ging. In Nederland zijn 25 missies geïdentificeerd, binnen de EU 5.
Met zoveel missies zit er weliswaar enige overlap, maar we zien nog niet echt terug dat
de Nederlandse invulling van het missiegedreven innovatiebeleid ‘afgestemd’ is met de
relevante EU-missie(s), ondanks een advies van de AWTI om hier vooraf een gerichte
keuze te maken voor enkele missies die relevant zijn zowel voor de EU als voor Neder-
land.77 In 2021 wordt dit gebrek aan afstemming door de regering erkend en wordt als
verbeterpunt genoemd dat het missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid ‘verbreed
zou kunnen worden […] middels het aansluiten bij of gezamenlijk programmeren met
andere onderzoek- en innovatieprogramma’s [zoals] de Europese onderzoeks-
agenda’s.’78
Soms wordt in de Nederlandse plannen en agenda’s wel verwezen naar de mogelijk-
heden (middelen) die het EU-beleid biedt, maar er wordt geen aanpak of strategie
geformuleerd (of in de praktijk toegepast) om die aansluiting ook concreet een vorm te
76. Commissie Nationaal Groeifonds (2021), Rapport eerste beoordelingsronde, p. 19 en
     Commissie Nationaal Groeifonds (2022), Rapport tweede beoordelingsronde, p. 30.
77. Brief van de voorzitter van de AWTI (2018) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en
     Wetenschap d.d. 18 januari 2018 met ‘Suggesties voor missies’ (kenmerk: 0009/18/ri).
78. Kamerbrief Minister Blok. Kamerbrief over Missiegedreven Topsectoren- en Innovatiebeleid. D.d.
     15 oktober 2021, p. 30 (Kamerstukken II 2021-2022, 33 009/32 637, nr. 102).
Strategisch samenspel                                                                           37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>geven. Binnen het Nederlandse innovatiebeleid was de laatste jaren een sleutelrol
toebedeeld aan de Topsectoren, maar het merendeel van de Topsectoren was lange tijd
toch erg nationaal gericht (ondanks dat men de opdracht had een internationale agenda
te ontwikkelen).79
Ook adviseerde de AWTI een paar jaar geleden nog dat het nodig is om (nationale)
programma’s die zich richten op sleuteltechnologieën goed te laten aansluiten op
internationale ontwikkelingen en initiatieven.80 En recent herhaalde de AIV in zijn advies
over industriebeleid het pleidooi voor een goede aansluiting tussen nationaal innovatie-
en industriebeleid en het Europese beleid.81
   Good practice Oostenrijk: Dit land scoort ook goed in onze benchmark voor Horizon
   2020. Met de Forschungsförderungsgesellschaft (FFG) hebben ze een centrale en
   actieve organisatie die niet alleen onderzoek en innovatie bevordert via nationale
   fondsen/regelingen, maar zich ook actief inzet om Oostenrijkse partijen te laten
   slagen binnen de EU-regelingen. Ze bieden niet alleen project-specifieke onder-
   steuning, maar ook ondersteuning bij de strategische positionering van Oostenrijk(se
   partijen) in de Europese omgeving voor onderzoek en innovatie. Daarnaast is het
   interessant om te zien dat de beleidsmakers in Oostenrijk welbewust de nationale
   onderzoeksprioriteiten afstemmen op de Europese: op basis van de sterkten van
   Oostenrijk kiest men uit de EU-focusgebieden enkele prioriteiten waar Oostenrijk dan
   ook extra op inzet. In de nationale strategie voor onderzoek, technologie en innovatie
   wordt ook uitdrukkelijk de ambitie uitgesproken om ‘hefbomen’ te creëren tussen EU-
   beleid en het Oostenrijkse beleid.82
Synergie tussen EU-beleid en Nederlandse praktijk begint met gerichte inzet vooraf…
De kans dat het gebruik van EU-beleid voor WTI bijdraagt aan de realisatie van onze
nationale ambities neemt toe als Nederland vooraf in ‘Brussel’ gericht inzet op basis van
een heldere agenda. Een middelgroot land als Nederland kan immers niet de hele
agenda mee bepalen en zal dus zijn inspanningen gericht moeten doen. Dit beïnvloeden
van de EU-agenda gaat effectiever als we een duidelijke nationale agenda hebben op de
betreffende terreinen.83 Dat helpt bij het focussen van de aandacht en inzet in de
79. Dit wordt impliciet bevestigd in de Kamerbrief van de minister van EZK aan de Tweede Kamer
     d.d. 8 juli 2022, ‘Het verschil maken met strategisch en groen industriebeleid’ waarin de regering
     aankondigt dat de Topsectoren nu echt een internationaliseringsstrategie gaan opstellen.
80. AWTI (2020), Krachtiger kiezen voor sleuteltechnologieën, Den Haag.
81. AIV (2022), Slimme industriepolitiek: een opdracht voor Nederland in de EU, Den Haag.
82. Federal Government Republic of Austria (2020), RTI Strategy 2030. Strategy for Research,
     Technology and Innovation of the Austrian Federal Government, Vienna.
83. Vergelijk ook aanbeveling 1 van AIV (2022), p. 7.
Strategisch samenspel                                                                                 38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Brusselse processen.84 Het Ministerie van Buitenlandse Zaken concludeerde zelf dat er
nog wel wat schort aan het Nederlandse Europabeleid:85 een uitgewerkt strategisch
kader voor de inzet in Brussel ontbreekt, terwijl de politieke sturing en de strategische
standpuntbepaling beperkt zijn. Ook in verschillende gesprekken die we gevoerd hebben
met personen die goed zicht hebben op de processen in ‘Brussel’ wordt dit beeld
bevestigd. De indruk is dat het nog niet goed genoeg lukt om tijdig en aan ‘de voorkant’
van het Brusselse beleidsproces tot onderlinge afstemming te komen tussen de ver-
schillende betrokken vakdepartementen en dan door middel van keuzes en prioritering
een sterke positie in Brussel in te brengen. Meer selectiviteit en flexibiliteit zijn nodig om
effectiever te zijn in Brussel, volgens het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Bovendien concludeerde men ook dat de focus bij de Nederlandse standpuntbepaling
meer ‘naar binnen’ gericht is op het bereiken van nationale overeenstemming (‘polderen’)
waarbij minder rekening wordt gehouden met het krachtenveld in Brussel, terwijl juist de
posities van de Europese Commissie, het Europees Parlement en de andere lidstaten zo
bepalend zijn voor het verloop van de onderhandelingen. Het is dan ook belangrijk om op
basis van de nationale agenda een pragmatische koppeling te maken met wat er in
Brussel gebeurt. Hoe kan Nederland bijdragen aan de ambities van de EU? Rond het
industriebeleid wees de AIV hier ook op: Nederland doet er goed aan zich tijdig en
sterker te oriënteren op waar de lijnen in het Brusselse heen bewegen.86
   Good practice Vlaanderen. Ook Vlaanderen doet het goed in de benchmark. Een
   interessante practice in Vlaanderen is het ‘Vlaams platform voor Europese
   programma’s’ (EU-Platform).87 Dit platform is samengesteld uit overheden, kennis-
   instellingen, industrie en de burgersamenleving (quadruple helix). Het doel van EU-
   platform is om te zorgen voor een nauwere samenwerking tussen betrokken actoren
   op basis van duidelijke taakverdeling en transparante afspraken. Dit gebeurt door het
   coördineren van wie deelneemt en het input leveren voor Vlaams beleid. Dit helpt
   zowel bij de Vlaamse inzet bij de ontwikkeling van het EU-beleid als later bij de
   uitvoering ervan. Het systeem van EU-platform staat in Vlaanderen bekend als ‘good
84. In de Kamerbrief over het industriebeleid kondigt het kabinet een ‘gefocuste internationalise-
     ringsagenda’ aan, waarbij het belangrijk is ook de nationale en regionale agenda’s goed af te
     stemmen (Kamerstukken II 2021-2022, 29 826, nr. 147).
85. Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie
     (2021), Tactisch en praktisch. Naar een toekomstbestendige coördinatie van het Nederlandse
     Europabeleid, Den Haag: december 2021.
86. Zie bijvoorbeeld aanbeveling 2 (‘Spreek in termen van Europese publieke belangen…’),
     aanbeveling 5 (‘Zoek bondgenoten in de EU…’) en aanbeveling 6 (‘Zoek bovendien meer
     aansluiting bij Berlijn en Parijs’) van AIV (2022), p. 7-8.
87. https://www.ewi-vlaanderen.be/onze-opdracht/excellerend-onderzoek/internationale-
     samenwerking/eu-platform
Strategisch samenspel                                                                              39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   practice’ voor stakeholder management. Hoewel het hiermee dus goed lukt om tijdig
   in Vlaanderen in te spelen op de ontwikkelingen die in Brussel gaande zijn, is de
   impact op de standpuntbepaling van geheel België binnen de EU minder eenduidig,
   omdat het hierbij gaat om een federaal standpunt en daar ook eventuele inbreng uit
   Wallonië of de regio-Brussel meespeelt.
…en vraagt om een doordachte afstemming tussen generiek en specifiek beleid
Hierbij is een knelpunt dat Nederland op vele terreinen de traditie heeft van generiek
beleid. Het EU-beleid voor WTI is echter in meerderheid specifiek en maakt steeds vaker
een koppeling aan thematisch of sectoraal EU-beleid. Daar moet Nederland een
weloverwogen antwoord op vinden. Maar Nederland heeft in het algemeen moeite met
kiezen. Deze eigenschap belemmert ons met betrekking tot de inzet in Brussel – want in
Brussel kun je niet alles krijgen. En met wie vorm je je coalities in Brussel? Ook hier kan
een duidelijke agenda en een afwegingskader88 helpen. De regering heeft onlangs een
eerste stap gezet met het afwegingskader voor (deelname aan) IPCEI’s.89 Een volgende
vraag is of Nederland, als het Europese beleid dan eenmaal uitgekristalliseerd is, dan
gerichte keuzes durft te maken in het nationale beleid om dit succesvoller af te stemmen
met het Europese beleid? Keuzes maken vraagt om kennis en durf en dat is beide een
uitdaging voor de overheid. Overigens kan het bij gerichte keuzes zowel gaan om de
keuze om nationale en Europese regelingen op elkaar aan te laten sluiten (‘versterken’)
of juist om nationale en EU-regelingen aanvullend (‘complementair’) te laten zijn
(wanneer men nationaal bewust inzet op andere zaken dan de EU). Dat laatste kan
bijvoorbeeld aan de orde zijn als je een vakgebied of economische sector wil onder-
steunen waarin Nederland uitblinkt, maar dat in de rest van Europa minder in beeld is.
Zuinige en soms afwachtende houding belemmert
Ten slotte mist Nederland vaak de (financiële) ruimte of politieke slagkracht om mee te
doen met Europese acties. Zo reageerde Nederland in eerste instantie afwachtend bij het
European Universities Initiative, maar kwamen de partijen (universiteiten) uiteindelijk zelf
wel in beweging. En bij de IPCEI’s, waar lidstaten zelf met middelen over de brug moeten
komen,90 kijkt Nederland een beetje de kat uit de boom en mist het eigenlijk ook het
budget om stevig mee te doen. Budget voor deelname in IPCEI’s moet steeds ad hoc
gezocht worden, ondanks dat de regering de ambitie heeft om ‘adequaat te investeren in
88. Aanbeveling 3 van de AIV (2022), p. 7, dat daar verder wordt uitgewerkt in hoofdstuk 5.
89. Kamerbrief Minister Adriaansens. Kamerbrief strategisch en groen industriebeleid. D.d. 8 juli
     2022 (kenmerk DGBI-TOP / 22266731), p. 39-43 (Kamerstukken II 2021-2022, 29 826, nr. 147).
90. Eventueel kan een lidstaat ook middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit van de EU inzetten
     (zie art. 18, lid 4, onderdeel h van Verordening (EU) 2021/241).
Strategisch samenspel                                                                                40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Europese industriële projecten’.91 Het nadeel van deze houding is dat Nederland hierdoor
in de eerste fase van zulke initiatieven niet echt een bepalende plek aan tafel heeft en
daardoor de kans misloopt om zo’n initiatief de voor Nederland gewenste kant op te
sturen.
‘Afstand’ tot Brussels WTI-beleid zit effectieve afstemming ook in de weg
Binnen de departementen van OCW en EZK, die eerstverantwoordelijk zijn voor het
onderzoeks- en innovatiebeleid, staan de mogelijkheden die de EU biedt voor WTI in
Nederland wel redelijk op het netvlies. Maar doordat ook steeds meer sectoraal of
thematisch beleid vanuit de EU een WTI-component heeft, wordt het ook voor de
(andere) vakdepartementen belangrijker om dat goed in de gaten te houden bij het
optimaal vormgeven van het Nederlandse beleid. Hetzelfde geldt voor provincies en/of
regio’s. Voor deze organisaties is dit echter een lastige opgave omdat daar de kennis van
het Brusselse beleid en de processen beperkter aanwezig is. Provincies en regio’s
hebben vermoedelijk instrumenten zoals EFRO en Interreg nog wel in het vizier – die ook
uitgevoerd worden via regio’s – maar van bijvoorbeeld het Kaderprogramma zullen ze
minder kennis hebben. Het gevolg hiervan is dat de mogelijkheden die het EU-beleid
voor WTI biedt voor de Nederlandse ambities, te weinig meegenomen (zullen) worden in
beleid van die vakdepartementen, regio’s of provincies.
2.4 Conclusie: Nederlands onderzoek en innovatie profiteert
van EU-middelen, maar door ontkoppeld beleid is de impact
daarvan op realisatie van ambities nog te beperkt
Het Europese beleid voor WTI wordt steeds omvangrijker en raakt steeds meer verknoopt
met de andere beleidsprioriteiten van de EU. Het Europese WTI-beleid is een zeer
relevante factor geworden naast het nationale WTI-beleid. Idealiter versterken het EU-
beleid en het nationaal beleid voor WTI elkaar òf vullen ze elkaar juist aan. Maar de
aansluiting tussen het nationale en het Europese WTI-beleid is niet optimaal. Eigenlijk
staan beide in de praktijk vrij ‘los van elkaar’. Dat is in figuur 8, die het ‘probleem’ van dit
advies verbeeldt, weergegeven doordat de ‘stenen’ van het EU-beleid voor WTI en van
het Nederlandse beleid ieder een andere kant opvallen. Enerzijds wordt er in Nederland
nog te weinig gedacht ‘hoe kan het Nederlandse beleid bijdragen aan de EU-ambities?’.
Anderzijds ontbreekt in ons land vaak een heldere nationale agenda, waardoor Neder-
land minder effectief is in Brussel om te bewerkstelligen dat het EU-beleid voor WTI goed
aansluit bij onze nationale ambities en beleid. Bovendien is het niet eenvoudig om een
91. Kamerbrief Minister Adriaansens. Kamerbrief strategisch en groen industriebeleid. D.d. 8 juli
     2022 (kenmerk DGBI-TOP / 22266731), p. 5 (Kamerstukken II 2021-2022, 29 826, nr. 147).
Strategisch samenspel                                                                             41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>goede afstemming te vinden tussen het vaak generieke beleid (of beleidstraditie) in
Nederland en de meer (sector- of thema-) specifieke regelingen uit Brussel.
Desondanks weten partijen uit Nederland, zoals kennisinstellingen, bedrijven en
onderzoeksinstituten, goed gebruik te maken van de mogelijkheden die het EU-beleid
biedt. Nederlandse partijen wisten in de afgelopen jaren bovengemiddelde financiering uit
EU-programma’s voor WTI te verwerven en ook hadden de Nederlandse partijen een
grotere kans op succes (een hoger ‘slagingspercentage’ dan gemiddeld). Ook dit is
weergegeven in figuur 8 doordat de ‘steen’ van het EU-beleid voor WTI zorgt voor het in
gang zetten van vele ‘activiteiten’ op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en
innovatie. Het EU-beleid zorgt in Nederland voor veel output. Overigens blijken bepaalde
typen partijen in Nederland meer moeite te hebben om succesvol aan EU-regelingen
mee te doen, zoals hogescholen of MKB.
Juist omdat momenteel het EU-beleid voor WTI en het Nederlandse eigenlijk ‘los’ van
elkaar staan, is het niet helder of de WTI-activiteiten die Nederlandse partijen verrichten
gesteund door het EU-beleid, daadwerkelijk ‘inhoudelijk’ bijdragen aan de achterliggende
ambities. Met andere woorden: we hebben er niet goed zicht op of het beleid bijdraagt
aan de gewenste outcome. Dit wordt in de figuur weergegeven doordat de stenen van het
beleid en de daardoor getriggerde activiteiten langs de (steen van) de ambities vallen. Op
dit aspect, namelijk of het WTI-beleid echt bijdraagt aan de achterliggende
(beleids)ambities, valt nog zeker wat te winnen waardoor de impact van het Europese
WTI-beleid in samenhang met het Nederlandse (rijk en regio) beleid kan toenemen.
Strategisch samenspel                                                                       42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                                                   Ambities
                        Activiteiten                                         Activiteiten
                                       EU-beleid
                                                                 NL-beleid
Figuur 8
Probleem: door ontkoppeld beleid draagt WTI te weinig bij aan realisatie van de ambities
Strategisch samenspel                                                                       43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>                                                           Ambitie
                                                                   s
                                         iten
                                      Activite
                  id
               EU-be
                     le
                                                    id
                                                 NL-bele
Figuur 9
Advies: Zorg voor een coherente mix van Europees en Nederlands WTI-beleid gericht op
        het bereiken van de ambities
Strategisch samenspel                                                             44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                                                                                         3
3 Aanbevelingen
  Zorg dat het EU-beleid voor wetenschap, technologie en innovatie (WTI) en het
  Nederlandse beleid hand in hand gaan: zorg dat ze elkaar ofwel versterken
  (‘hefboom’) ofwel aanvullen (‘complementair’). Let er daarnaast op dat de gestimu-
  leerde WTI-activiteiten daadwerkelijk bijdragen aan de achterliggende ambities.
  Advies: Zorg voor een coherente mix van Europees en Nederlands WTI-beleid gericht op
  het bereiken van de ambities
  Dit advies is afgebeeld in figuur 9. In tegenstelling tot figuur 8, die de huidige situatie
  weergeeft waarbij het Nederlandse en Europese beleid voor WTI ieder een verschillende
  richting op gaan, staan de stenen van het EU-beleid en het Nederlandse in figuur 9
  schouder aan schouder: elkaar versterkend òf elkaar aanvullend. Bovendien zet het
  beleid nu activiteiten in gang die gericht zijn op de achterliggende ambities.
  Nederland en Europa hebben veel van elkaar te winnen op het terrein van WTI
  Wij denken dat zulke aansluiting van het Europese en Nederlandse beleid voor WTI heel
  goed mogelijk is. De thema’s die voor Europa belangrijk zijn staan veelal ook hoog op de
  Nederlandse agenda (zoals energie/klimaat en digitalisering). Ook het algemene belang
  van een sterke kennisbasis en goed onderzoek staat zowel in Brussel als Den Haag
  buiten kijf. Deze thema’s die zowel binnen de EU als Nederland op de agenda staan, zijn
  onderwerpen die in de regel internationale samenwerking vereisen. Europese projecten
  versterken deze samenwerking. Uit onze analyse blijkt dat Nederlandse partijen daarbij
  een interessante partner vormen: Nederlandse partijen weten gezamenlijk een
  substantiële financiële ondersteuning uit de EU te krijgen voor wetenschap, technologie
  en innovatie, terwijl ze dat doen in samenwerking met partijen uit vele landen.
  De uitdaging is om ook in de toekomst een interessante partner te blijven – dat gaat niet
  vanzelf – en om te zorgen dat het Europese en Nederlandse beleid elkaar aanvullen en
  gezamenlijk bijdragen aan de achterliggende doelen van het WTI-beleid. Daartoe doet de
  AWTI de volgende zes aanbevelingen.
  3.1 Zorg dat Nederlands en EU-beleid voor WTI goed
  aansluiten doordat ze elkaar versterken òf aanvullen
  Aanbeveling 1: Beschouw het Nederlandse en Europese beleid voor WTI als één
  geheel. Houd steeds de ambities goed voor ogen en zorg dan voor een samenhangende
  beleidsmix die die ambities dient. Zorg dat Nederlandse en EU-beleidsinstrumenten
  (inclusief fiscaal beleid) elkaar versterken of aanvullen (d.w.z. complementair zijn).
  Strategisch samenspel                                                                       45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                                                               s
                                                                            Ambitie
                                                        iten
                                                     Actiivite
                               id
                            EU-be
                                  le                                id
                                                                 NL-be
                                                                       le
Figuur 10 Aanbeveling 1: Zorg dat Nederlands en EU-beleid voor WTI goed aansluiten
                         doordat ze elkaar versterken òf aanvullen
Idealiter slagen we erin om binnen de totale beleidsmix de verschillende instrumenten
zodanig te koppelen met andere (nationale en regionale) instrumenten dat ze elkaar
versterken. Dan is er sprake van ‘hefbomen’, inhoudelijk en/of financieel (bijvoorbeeld in
de vorm van co-investeringen). Een alternatief is om het nationale beleid juist aanvullend
(’complementair’) te laten zijn aan het Europese, bijvoorbeeld voor thema’s die voor
Nederland wel van groot belang zijn maar niet binnen de EU. Hierbij moeten we ook de
fiscale instrumenten niet vergeten. Belastingmaatregelen worden weliswaar nationaal
genomen, maar de EU bepaalt een kader in relatie tot de regeling van een minimum-
niveau voor belasting voor bedrijven.92 Belangrijk is dat dit Europese bedrijven blijft
prikkelen om onderzoek en ontwikkeling te doen en dat het aansluit bij het overige beleid.
92. Richtlijn (EU) 2022/2523 van Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal
    minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en
    omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PbEU 2022, L 328).
Strategisch samenspel                                                                         46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Om deze aanbeveling in de praktijk te brengen, bevelen we de Nederlandse overheid
aan om bij het bepalen van het Nederlandse beleid voor WTI vooraf een ‘EU-check’ te
doen: welke EU-regelingen bestaan er op het betreffende terrein en maak dan een
weloverwogen keuze hoe de nationale regeling daarop aansluit: ofwel door parallelle
keuzes te maken zodat het versterkend werkt, ofwel door juist complementair te zijn. Dit
laatste kan betekenen dat je als land of regio weloverwogen inzet op een sector of een
thema dat niet in het EU-beleid aan bod komt. Doe daarnaast periodiek ex post een
evaluatie van de hele beleidsmix (die zowel EU- als Nederlandse beleidsinstrumenten zal
omvatten), waardoor de nadruk ligt op het samenspel van de verschillende maatregelen.
Zo kun je identificeren waar verschillende regelingen elkaar versterken, of juist tegen
elkaar in werken, of waar nog lacunes zijn. Hierbij kun je ook evalueren hoe generieke èn
specifieke beleidsinstrumenten zich verhouden. Vullen ze elkaar goed aan of ligt er te
veel nadruk op één van beide?93
3.2 Handel proactief en strategisch in Brussel met een
gerichte agenda
Aanbeveling 2: Wees effectiever in Brussel door een meer strategische en selectieve,
gerichte inbreng in de EU-beleidsprocessen. Zorg nationaal voor een goed afwegings-
kader en een duidelijke agenda wat je via de EU wil bereiken. Opereer proactief en houd
daarbij oog voor het Brusselse speelveld. Versterk daarnaast de Nederlandse inbreng in
de fase van de concrete uitwerking van de EU-instrumenten voor WTI zodat die
EU-instrumenten en het Nederlandse beleid en agenda beter op elkaar aansluiten.
Om de aansluiting tussen het Europese en Nederlandse beleid voor WTI te verbeteren is
het belangrijk om het EU-beleid tijdig en zo goed mogelijk te beïnvloeden. Bijvoorbeeld:
welke thema’s kiest de EU en hoe worden die vervolgens concreet ingevuld? Effectievere
invloed vereist een meer strategische en selectieve koppeling van de nationale en de
Europese agenda dan nu gebeurt. Een middelgroot land als Nederland kan immers niet
de hele agenda mee bepalen en zal dus zijn inspanningen gericht moeten doen. Daar-
voor is betere afstemming tussen de verschillende departementen nodig die leidt tot
keuzes en prioriteiten waar gericht op wordt ingezet in ‘Brussel’. Daarbij helpt een
afwegingskader om te bepalen wanneer we iets een onderwerp vinden om via de EU op
te pakken en welke rol voor Nederland we voorzien. Daarnaast is het van belang om
meer oog te hebben voor de ontwikkelingen op het EU-speelveld en de posities die de
verschillende landen innemen. Trek samen op met andere landen en denk ook na over
93. Vgl. VARIO (2022), Visie op een goede beleidsmix tussen vrije en thematische steun voor O&O
     in Vlaanderen, Brussel.
Strategisch samenspel                                                                          47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>                                                                        Ambitie
                                                                                s
                                                       iten
                                                    Actiivite
                            leid
                           EU-be                                 leid
                                                                NL-be
Figuur 11
Aanbeveling 2 Handel proactief en strategisch in Brussel met een gerichte agenda
hoe Nederland actief kan bijdragen aan de ambities van de EU. Niet alleen omdat je, als
je in Brussel iets wil bereiken, ook iets moet willen ‘brengen’, maar juist ook omdat
samenwerking binnen de EU veel kansen biedt voor Nederlands onderzoek en innovatie
en er gezamenlijk meer impact bereikt kan worden bij het realiseren van de ambities.
3.3 Blijf fundamenteel onderzoek steunen vanuit de EU en
verbind het beter met innovatie
Aanbeveling 3: Blijf als Nederland inzetten op een ruimhartige steun voor fundamenteel
onderzoek binnen het WTI-beleid van de EU en bepleit versterking van de bruggen
tussen het fundamenteel onderzoek en (de instrumenten voor) de toepassing van kennis,
waar dat relevant is.
Strategisch samenspel                                                                   48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>                                                                          Ambitie
                                                                                 s
                                       o ek
                                  onderz
                                enteel
                                                                erzoek
                             Funda
                                   m                         ast ond
                                                           Toege
                                                                 p
                     id
                  EU-be
                        le
                                                  id
                                                   d
                                               NL-bele
                                                    l
Figuur 12 Aanbeveling 3 Blijf fundamenteel onderzoek steunen vanuit de EU
                        en verbind het beter met innovatie
De EU heeft met haar WTI-beleid in de loop der jaren een stevige steun gegeven aan
fundamenteel onderzoek (onder andere via de Europese Onderzoeksraad ERC, in de
laatste 15 jaar). Binnen het huidige kaderprogramma wordt dat voortgezet. Ook in de
toekomst zal steun voor fundamenteel onderzoek een belangrijke pijler moeten blijven in
het EU-beleid voor WTI omdat het bijdraagt aan het behouden en uitbouwen van Europa
als ‘kennismacht’. Nederland zal hierop (moeten) inzetten in ‘Brussel’.
Omdat het Europese beleid voor WTI nadrukkelijk de ambitie heeft om de hele keten van
onderzoek en innovatie te ondersteunen, zal steun voor fundamenteel onderzoek altijd
naast steun voor meer toepassingsgericht onderzoek en andere activiteiten (zoals op-
schaling) staan. Belangrijk is dat waar mogelijk en zinvol een goede koppeling wordt
gemaakt tussen de verschillende soorten onderzoek en ontwikkeling. Streef dus naar
verbetering van de verbinding tussen de verschillende EU-instrumenten. Bijvoorbeeld
Strategisch samenspel                                                                  49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>door versterking van de links tussen de instrumenten van de Europese Onderzoeksraad
(ERC) en de Europese Innovatieraad (EIC). Dit zal onder andere leiden tot meer inter-
actie tussen onderzoekers en ondernemers, wat noodzakelijk is om de kloof tussen
kennisontwikkeling en –toepassing te dichten.94
Het Europese WTI-beleid is, net als het Nederlandse, nadrukkelijk een ‘èn…èn’-verhaal.
Er bestaat geen toverformule voor de verhouding tussen steun voor fundamenteel
onderzoek, toepassingsgericht onderzoek of opschaling. Het afwegingskader over de rol
van de EU (zie aanbeveling 2) zal richting moeten geven in hoeverre Nederland een rol
voor de EU ziet bij de ondersteuning van de verschillende typen activiteiten, al dan niet
gericht op bepaalde thema’s of sectoren. Het EU-beleid is immers (net als het nationale
beleid) ook een combinatie van generieke instrumenten èn specifieke. Het is belangrijk
om te beseffen dat activiteiten die steunen op generiek beleid ook (kunnen) bijdragen aan
bepaalde specifieke doelen. ‘Generiek versus specifiek’ is dus geen zwart-wit tegen-
stelling. Maak dit inzichtelijk door een analyse achteraf te maken van de besteding van
de generieke middelen: aan welke thema’s, sectoren of uitdagingen heeft het onderzoek
bijgedragen?95 Bijvoorbeeld: zoveel procent van het (generieke) budget is besteed aan
klimaatgerelateerd onderzoek. Dit past overigens heel goed in de hiervoor geadviseerde
evaluatie van de beleidsmix (zie aanbeveling 1).
3.4 Maak als regio koppelingen met het EU-beleid voor WTI
Aanbeveling 4: Om in de regio beter gebruik te maken van de kansen die het EU-beleid
biedt en te zorgen dat regionaal en EU-beleid elkaar versterken of aanvullen, is het
belangrijk om:
(a) in de regionale innovatie-agenda rekening te houden met het relevante EU-beleid;
(b) de regionale EU-middelen in te zetten zodat ze het overige WTI-beleid versterken;
(c) in de regio partijen zo te helpen dat ze gebruik kunnen maken van EU-instrumenten;
(d) regionale ecosystemen te koppelen om daarmee ook inter-Europese samenwerking te
bevorderen.
In de regio’s gebeurt het. Daar vindt onderzoek plaats en wordt gewerkt aan innovatie.
Bovendien ontwikkelen veel regio’s hun eigen beleid voor innovatie. De AWTI adviseerde
de regio’s eerder om regionale innovatie-ecosysteem agenda’s te ontwikkelen.96 Die
94. Europese Onderzoeksraad (2022), Annual Report on the ERC activities and achievements in
     2021, Luxembourg: Publications Office of the EU, p. 27.
95. Vgl. VARIO (2022), Visie op een goede beleidsmix tussen vrije en thematische steun voor O&O
     in Vlaanderen, Brussel.
96. AWTI (2021), Samen de lat hoog leggen. Regio en rijk bundelen krachten voor innovatie, Den
     Haag.
Strategisch samenspel                                                                          50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>regionale innovatie-agenda moet ook de kansen meenemen die het EU-beleid biedt. Ook
de regio’s moeten dus een ‘EU-check’ vooraf doen (zie aanbeveling 1). Directe kansen
voor de koppeling van de regionale en de EU-agenda liggen er bij instrumenten zoals
EFRO en Interreg, die via regionale organisaties verdeeld worden. Maar de regio’s
moeten ook letten op de kansen die andere EU-instrumenten, zoals het kaderprogram-
ma, bieden. Ook hier geldt dat de mogelijkheden die het EU-beleid biedt integraal
onderdeel moeten zijn van wat er in de regio gebeurt. Een aandachtspunt hierbij is wel
dat het complexe Brusselse speelveld niet voor iedere regio makkelijk te doorgronden is.
Samenwerking onderling tussen de regio’s en met bijvoorbeeld RVO kan helpen om
beter zicht te hebben op de ontwikkelingen en kansen in Europa.
                                                                               s
                                                                            Ambitie   Ambitie
                                                                                              s
                                                 en                  iten
                                            Acttivite
                                                                 Activite
                                                      it
                        id
                    EU-be           gio
                          le
                                                              id
                                                               d
                                 in de re                  NL-b
                                                              bele
                                                                l
                               Beleid
Figuur 13 Aanbeveling 4 Maak als regio koppelingen met het EU-beleid voor WTI
Strategisch samenspel                                                                             51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>De regio’s kunnen eventueel ook een rol spelen bij het verkleinen van de ‘innovatiekloof’
tussen enerzijds de gemiddeld veel innovatievere regio’s in de oude EU-lidstaten en
anderzijds de minder innovatieve regio’s in veel van de nieuwere EU-lidstaten. Geef
hierbij ruim baan aan de pilot projecten die kort geleden gestart zijn via de Partnerships
for Regional Innovation.97 Evalueer deze goed en gebruik vervolgens die ervaringen.
3.5 Ondersteun partijen om gebruik te maken van EU-
instrumenten
Aanbeveling 5: Zorg dat Nederlandse partijen zoals kennisinstellingen en bedrijven
maximaal gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die de EU-instrumenten voor
WTI bieden door een goede organisatie van de ondersteuning. Focus daarbij de
ondersteuning vanuit de overheid op die partijen die (nog) meer moeite hebben om
toegang te krijgen tot EU-instrumenten. Behalve steun bij aanvragen gaat het hierbij ook
om steun bij het vergroten van het relevante netwerk voor die partijen.
Een deel van de Nederlandse partijen weet de weg naar de EU-regelingen effectief te
vinden. Die zijn op de hoogte van de mogelijkheden en beschikken over het juiste
netwerk om samen voorstellen in te dienen. Voor partijen die nu nog moeilijk de weg naar
EU-regelingen vinden, zoals MKB-bedrijven en hogescholen, is het belangrijk dat ze
daarbij worden geholpen. Zulke steun is cruciaal. De inzet van de overheid om partijen te
helpen moet zich in ieder geval richten op die groepen die meer moeite ondervinden om
toegang te krijgen tot EU-instrumenten.
De hulp die zij ontvangen zal allereerst gericht moeten zijn op het vergroten van de
bekendheid met de mogelijkheden die EU-regelingen bieden. Naast voorlichting kan ook
de deelname aan de juiste netwerken hier veel betekenen: via deze netwerken kunnen
partijen, zoals kennisinstellingen en bedrijven, op het spoor gezet worden van concrete
kansen die het EU-beleid biedt. Ondersteuning vanuit de overheid bij zulke strategische
netwerkvorming is nuttig en effectief. In Baskenland zagen we het positieve effect van de
alliantievorming van TO2-instellingen. In Noorwegen en Zweden worden partijen onder-
steund bij het vinden van de juiste netwerkpartners. Een ander voorbeeld vormt het
Enterprise Europe Network (waar Nederland aan meedoet),98 dat in het bijzonder MKB-
bedrijven helpt internationaal geschikte partners voor innovatie of commercialisatie te
vinden. Naast voorlichting en netwerkvorming kunnen partijen steun gebruiken bij het
maken van projectvoorstellen voor EU-regelingen, zowel administratief als financieel. De
combinatie van zulke ondersteunende activiteiten zal de drempel verlagen en
97. https://s3platform.jrc.ec.europa.eu/pri
98. https://een.ec.europa.eu/ en specifiek voor Nederland: https://www.rvo.nl/onderwerpen/een
Strategisch samenspel                                                                         52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>                                                                  Ambittiie
                                                                          es
                                                        en
                                                   Activite
                                                            it
                         Hoges
                               cholen                            MKB
           leid
          EU-be                             id
                                             d
                                         NL-b
                                            bele
                                              l
Figuur 14
Aanbeveling 5 Ondersteun partijen om gebruik te maken van EU-instrumenten
vermoedelijk ook het succes verhogen, in het bijzonder voor die partijen die nu nog meer
moeite hebben om toegang te krijgen tot EU-instrumenten.
3.6 Waarborg de mogelijkheden voor samenwerking met
aantrekkelijke niet-EU-partners
Aanbeveling 6: Nederland moet zich inspannen om samenwerking met partners uit het
Verenigd Koninkrijk, Zwitserland en Israël binnen de EU-programma’s voor WTI open te
houden. Mocht dat op enig moment niet lukken, dan moet Nederland werken aan
bilaterale opties voor samenwerking waar dat duidelijk van toegevoegde waarde is.
Strategisch samenspel                                                                  53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>Rond onderzoek en innovatie heeft het een duidelijke meerwaarde om deel uit te maken
van de juiste netwerken van binnen- en buitenlandse partners. Verschillende analyses
laten zien dat Nederlandse actoren goed samenwerken met partijen uit binnen- en
buitenland. Het EU-beleid voor WTI is een belangrijke steun daarvoor. In de laatste jaren
zit de samenwerking met Zuid- en Oost-Europese landen in de lift. Maar tegelijkertijd
werken Nederlandse partijen ook stevig samen met gereputeerde partners uit niet-EU-
landen zoals het Verenigd Koninkrijk, Zwitserland en Israël. Het is in het belang van de
(impact van de) Nederlandse WTI dat ook samenwerking met partners uit die landen
mogelijk blijft, bij voorkeur – zoals in de afgelopen jaren – binnen EU-programma’s. Het is
positief dat Israël inmiddels geassocieerd is voor Horizon Europe.99 Voor het Verenigd
Koninkrijk wordt nog onderhandeld, hoewel het Verenigd Koninkrijk voorlopig hun
binnenlandse partijen zelf financiert in het geval ze succesvol zijn binnen Horizon
Europe.100 Ook Zwitserland heeft nog geen associatie en geldt vooralsnog als een ‘derde
land’, dat zelf succesvolle Zwitserse partijen financiert.101 Lukt het niet om samenwerking
met deze landen via het raamwerk van de EU-programma’s te bevorderen, dan zou
Nederland moeten zorgen voor bilaterale regelingen als vangnet.
99. Europese Commissie, Directorate-General for Research and Innovation (2021b), ‘Israel joins
     Horizon Europe research and innovation programme’, nieuwsbericht van 6 december 2021:
     https://research-and-innovation.ec.europa.eu/news/all-research-and-innovation-news/israel-
     joins-horizon-europe-research-and-innovation-programme-2021-12-06_en
100. Department for Business, Energy & Industrial Strategy (2022), ‘Government extends Horizon
     Europe financial safety net’, persbericht van 19 december 2022:
     https://www.gov.uk/government/news/government-extends-horizon-europe-financial-safety-net--2
101. Federal Department of Economic Affairs, Education and Research - State Secretariat for
     Education, Research and Innovation (2023), Status Update: Swiss participation in Horizon
     Europe and related programmes and initiatives, Information as of 30 January 2023,
     geraadpleegd via:
     https://www.sbfi.admin.ch/dam/sbfi/en/dokumente/2019/02/horizon-
     europe.pdf.download.pdf/Fact-sheet_Horizon_en.pdf
Strategisch samenspel                                                                             54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                                                                               s
                                                                            Ambittiie
                                                                                    e
                                                    en
                                               Activite
                                                        it
                                                                   ners
                                                             Niet-E
                                                                   U part
            leid
          EU-be                         id
                                         d
                                     NL-b
                                        bele
                                          l
Figuur 15 Aanbeveling 6 Waarborg de mogelijkheden voor samenwerking met
                        aantrekkelijke niet-EU-partners
Strategisch samenspel                                                                   55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>Strategisch samenspel 56</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>                      3
Bijlagen
Strategisch samenspel   57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Bijlage 1 Adviesaanvraag
Strategisch samenspel    58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Bijlage 2 Reviewers
In de eindfase van het adviestraject is het conceptadvies voorgelegd aan twee externe
reviewers. Aan hen is gevraagd om te reflecteren op de consistentie van het concept-
advies en mogelijke lacunes. De opmerkingen van de reviewers zijn vervolgens onder
verantwoordelijkheid van de raad verwerkt.
De reviewers voor dit advies waren:
     ►       dr. J.J.H. (Jan) van den Biesen MBA, Adviseur Europees onderzoeksbeleid en
             onderzoeks- en innovatiestrategie bij EUROPOLARIS
     ►       drs. M.A. (Marc) Holtkamp, Senior adviseur strategische samenwerking bij de
             Universiteit Leiden
Strategisch samenspel                                                                    59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>Bijlage 3 Gesprekspartners
► Muriël Attané         EARTO
► Christine Balch       TNO
► Gaby Bes              ASML
► Michael Binder        Forschungsförderungsgesellschaft (FFG)
► Nora van Bracht       Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
► Marjolijn Brussaard   ArtEZ; Verening Hogescholen
► Erik Drop             TNO
► Servaas Duterloo      TU Delft
► Werner van Eck        MEP Communicatiesystemen
► Thomas Geernaert      Vlaamse Adviesraad voor Innoveren & Ondernemen
► Audrey Goosen         Permanente Vertegenwoordiging Brussel
► Lisa Gorter           UNL
► Dolf Grasveld         Permanente Vertegenwoordiging Brussel
► Marc Holtkamp         Europese Commissie (ten tijde van het gesprek)
► Joep Houterman        Fontys; Vereniging Hogescholen
► Ineke Hoving-Nienhuis Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
► Linda Hulspas         Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)
► Jasper Jans           Onderwijsraad
► Hans Kamphuis         RVO Enterprise Europe Netwerk
► Doenja Koppejan       Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
► Arco Krijgsman        ASML
► Melle Kromhout        KNAW
► Marjolein Lauwen      Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
► Veerle Linseele       Vlaamse Adviesraad voor Innoveren & Ondernemen
► Emy Margarittha       Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)
► Frank Nouwens         Beefy Green
► Juliët van Oudenhoven TU Delft
► Koen de Pater         Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
► Bart Pierik           UNL
► David van der Plas    Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
Strategisch samenspel                                                   60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>► Stephan Raes        OESO
► Danielle Raspoet    Vlaamse Adviesraad voor Innoveren & Ondernemen
► Elie Ratinckx       Vlaamse Adviesraad voor Innoveren & Ondernemen
► Jurgen Rienks       Neth-ER
► Karin Roelofs       Radboud Universiteit; Association of ERC Grantees
► Patrick Schelvis    Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
► Wijnand van Smaalen Provincie Zuid-Holland
► Jan Reint Smit      Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)
► Robert-Jan Smits    TU Eindhoven
► Luc Soete           Universiteit Maastricht
► Talitha Stam        Onderwijsraad
► Meindert Stolk      Province Zuid-Holland
► Merei Wagenaar      Ministerie van Buitenlandse Zaken
► Margot Weijnen      NWO
► Olga Wessels        European Consortium of Innovative Universities
► Jack de Wit         RijkZwaan
Strategisch samenspel                                                   61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Bijlage 4 Referenties
►       Adviesraad voor Internationale Vraagstukken (2022). Slimme industriepolitiek: een
        opdracht voor Nederland in de EU. Den Haag. Geraadpleegd via:
        https://www.adviesraadinternationalevraagstukken.nl/documenten/publicaties/2022/
        03/18/slimme-industriepolitiek.
►       Algemene Rekenkamer (2022). Toegevoegde waarde EU-subsidies in Nederland.
        Den Haag: oktober 2022. Geraadpleegd via
        https://www.rekenkamer.nl/publicaties/rapporten/2022/10/18/toegevoegde-waarde-
        eu-subsidies-in-nederland.
►       AWTI (2017). WTI-Diplomatie. Den Haag: 2017.
►       AWTI (2018). Brief van de voorzitter van de AWTI aan de minister van Onderwijs,
        Cultuur en Wetenschap d.d. 18 januari 2018 met ‘Suggesties voor missies’
        (kenmerk: 0009/18/ri).
►       AWTI (2020). Krachtiger kiezen voor sleuteltechnologieën. Den Haag: 2020.
►       AWTI (2021), Samen de lat hoog leggen. Regio en rijk bundelen krachten voor
        innovatie, Den Haag: 2021.
►       Commissie Nationaal Groeifonds (2021). Rapport eerste beoordelingsronde.
        Den Haag: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Geraadpleegd via:
        https://www.nationaalgroeifonds.nl/documenten/rapporten/2021/04/09/adviesrapport
        -eerste-beoordelingsronde-commissie-nationaal-groeifonds .
►       Commissie Nationaal Groeifonds (2022). Rapport tweede beoordelingsronde. Den
        Haag: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Geraadpleegd via:
        https://www.nationaalgroeifonds.nl/documenten/rapporten/2022/04/14/adviesrapport
        -tweede-beoordelingsronde-commissie-nationaal-groeifonds .
►       Department for Business, Energy & Industrial Strategy (2022). ‘Government extends
        Horizon Europe financial safety net’, persbericht 19 december 2022:
        https://www.gov.uk/government/news/government-extends-horizon-europe-
        financial-safety-net--2
►       Diepstraten, F. (2021). ‘2 op 3 excellente MSCA-voorstellen niet gefinancierd’.
        Geraadpleegd via: https://www.neth-er.eu/onderzoek/2-op-3-excellente-msca-
        voorstellen-niet-gefinancierd.
►       Europese Commissie (2020a). A New Industrial Strategy for Europe. Brussels,
        10.3.2020, COM(2020) 102 final.
►       Europese Commissie (2020b). Updating the 2020 New Industrial Strategy: Building
        a stronger Single Market for Europe’s recovery. Brussels, 5.5.2021, COM(2021) 350
        final.
Strategisch samenspel                                                                     62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>►       Europese Commissie (2021a). Communication of the European Commission on the
        Global Approach to Research and Innovation - Europe's strategy for international
        cooperation in a changing world. Brussels, 18.5.2021, COM(2021) 252 final.
►       Europese Commissie (2021b). Horizon Europe. Strategic plan 2021 - 2024.
        Geraadpleegd via:
        https://www.eeas.europa.eu/sites/default/files/horizon_europe_strategic_plan_2021-
        2024.pdf.
►       Europese Commissie (2021c). Regional Innovation Scoreboard 2021. Luxembourg:
        Publications Office of the EU, https://data.europa.eu/doi/10.2873/674111
►       Europese Commissie (2022a). Chips Act for Europe. Brussels, 08.02.2022,
        COM(2022) 45 final.
►       Europese Commissie (2022b). A New European Innovation Agenda. Brussels,
        05.07.2022 COM(2022) 332 final.
►       Europese Commissie (2022c). Key enabling technologies policy. Geraadpleegd via:
        https://research-and-innovation.ec.europa.eu/research-area/industry/key-enabling-
        technologies_en.
►       Europese Commissie (2022d). European Partnerships in Horizon Europe.
        Geraadpleegd via: https://research-and-innovation.ec.europa.eu/funding/funding-
        opportunities/funding-programmes-and-open-calls/horizon-europe/european-
        partnerships-horizon-europe_en.
►       Europese Commissie (2022e). Horizon 2020 Online Manual. Geraadpleegd via:
        https://ec.europa.eu/research/participants/docs/h2020-funding-guide/cross-cutting-
        issues/sme_en.htm.
►       Europese Commissie, Directorate-General for Research and Innovation (2016).
        Open innovation, open science, open to the world : a vision for Europe. Publications
        Office, 2016, https://data.europa.eu/doi/10.2777/061652.
►       Europese Commissie, Directorate-General for Research and Innovation (2020).
        Strategic Plan 2020-2024. Geraadpleegd via:
        https://commission.europa.eu/publications/strategic-plan-2020-2024-research-and-
        innovation_en .
►       Europese Commissie, Directorate-General for Research and Innovation (2021a).
        Horizon Europe Strategic Plan (2021-2024).
►       Europese Commissie, Directorate-General for Research and Innovation (2021b).
        ‘Israel joins Horizon Europe research and innovation programme’, nieuwsbericht
        van 6 december 2021: https://research-and-innovation.ec.europa.eu/news/all-
        research-and-innovation-news/israel-joins-horizon-europe-research-and-innovation-
        programme-2021-12-06_en
►       Europese Commissie, Directorate-General for Research and Innovation (2022).
        Synergies between Horizon Europe and ERDF programmes (Draft Commission
Strategisch samenspel                                                                      63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>        Notice). C(2022), C 4747 final. Geraadpleegd via: https://research-and-
        innovation.ec.europa.eu/system/files/2022-07/c_2022_4747_1_en_annex.pdf.
►       Europese Innovatieraad (2022). EIC Funding Opportunities. Geraadpleegd via:
        https://eic.ec.europa.eu/eic-funding-opportunities/eic-accelerator-0_en.
►       Europese Rekenkamer (2020). Verslag van de Europese Rekenkamer betreffende
        de prestaties van de EU-begroting — Stand van zaken eind 2019, Luxemburg:
        Bureau voor publicaties van de Europese Unie. Geraadpleegd via:
        https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/annualreport-Performance-
        2019/annualreport-Performance-2019_NL.pdf.
►       Federal Department of Economic Affairs, Education and Research - State
        Secretariat for Education, Research and Innovation (2023). Status Update: Swiss
        participation in Horizon Europe and related programmes and initiatives, Information
        as of 30 January 2023, geraadpleegd via:
        https://www.sbfi.admin.ch/dam/sbfi/en/dokumente/2019/02/horizon-
        europe.pdf.download.pdf/Fact-sheet_Horizon_en.pdf
►       Federal Government Republic of Austria (2020). RTI Strategy 2030. Strategy for
        Research, Technology and Innovation of the Austrian Federal Government. Vienna.
►       IDEA Consult (2023). Nederland in Horizon 2020. Een kwantitatieve analyse voor
        de AWTI. Den Haag: AWTI.
►       Kamerbrief Minister Adriaansens (2022). Kamerbrief strategisch en groen
        industriebeleid. D.d. 8 juli 2022 (kenmerk DGBI-TOP / 22266731), Kamerstukken II
        2021-2022, 29 826, nr. 147.
►       Kamerbrief Minister Blok (2021). Kamerbrief over Missiegedreven Topsectoren- en
        Innovatiebeleid. D.d. 15 oktober 2021 (kenmerk DGBI-I&K / 21253939),
        Kamerstukken II 2021-2022, 33 009/32 637, nr. 102.
►       Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Internationaal Onderzoek en
        Beleidsevaluatie (2021). Tactisch en praktisch. Naar een toekomstbestendige
        coördinatie van het Nederlandse Europabeleid. Den Haag: december 2021.
        Geraadpleegd via https://www.iob-
        evaluatie.nl/publicaties/rapporten/2021/12/03/coordinatie-nederlands-eu-beleid.
►       OESO (2015). Frascati Manual 2015: Guidelines for Collecting and Reporting Data
        on Research and Experimental Development, The Measurement of Scientific,
        Technological and Innovation Activities. OECD Publishing, Paris, DOI:
        http://dx.doi.org/10.1787/9789264239012-en .
►       Rathenau Instituut (2022a). Nederland en Horizon 2020, peildatum 4 april 2022.
        Geraadpleegd via https://www.rathenau.nl/nl/wetenschap-cijfers/nederland-en-
        horizon-2020.
Strategisch samenspel                                                                      64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>►       Rathenau Instituut (2022b). De financiering uit EU-kaderprogramma’s, peildatum 8
        april 2022. Geraadpleegd via https://www.rathenau.nl/nl/wetenschap-
        cijfers/geld/europese-financiering/de-financiering-uit-eu-kaderprogrammas.
►       Rathenau Instituut (2022c). Samenwerkingslanden Nederland, peildatum 02-09-
        2022. Geraadpleegd via: https://www.rathenau.nl/nl/wetenschap-cijfers/werking-van-
        de-wetenschap/samenwerking/samenwerkingslanden-nederland.
►       Reillon, V. (2017). EU framework programmes for research and innovation.
        Evolution and key data from FP1 to Horizon 2020 in view of FP9, Brussels:
        European Parliamentary Research Service (EPRS).
►       RVO (2021). Important Project of Common European Interest (IPCEI).
        Geraadpleegd via: https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/ipcei.
►       Vlaamse Adviesraad voor Innoveren en Ondernemen (VARIO, 2022). Visie op een
        goede beleidsmix tussen vrije en thematische steun voor O&O in Vlaanderen.
        VARIO-advies nr. 27. Brussel: mei 2022. Geraadpleegd via:
        https://www.vario.be/sites/default/files/documents/2022_MEI_VARIO_ADVIES_NR_
        27_BELEIDSMIX.pdf
►       Von der Leyen, U. (2020). Politieke beleidslijnen voor de volgende Europese
        Commissie 2019-2024; Openingstoespraak in de plenaire zitting van het Europees
        Parlement op 16 juli 2019; Toespraak tijdens de plenaire vergadering van het
        Europees Parlement op 27 november 2019, Luxemburg: Bureau voor publicaties
        van de Europese Unie. Geraadpleegd via:
        https://data.europa.eu/doi/10.2775/760240.
►       Von der Leyen, U. (2023). ‘Special Address by President von der Leyen at the
        World Economic Forum’, Davos: 17 januari 2023,
        https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/speech_23_232
Strategisch samenspel                                                                    65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie
Prins Willem-Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
t. 070 3110920
e. secretariaat@awti.nl
w. www.awti.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>