<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre> raad voor cultuur                                               a.i.sch,mmel,ennnek aan,
 raad voor cultuur                                               3°3's-3612+3
                                                                 2506 AE Den Haag
 raad voor cultuur                                               teiercan.21<oy7.3.cssse
                                                                 fax +31(o)70 362 4727
                                                                 e-mail cultuur@cultuur.nl
                                                                 www.cultuur.nl
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
mevrouw M. van Bijsterveldt-Vliegenthart
Postbus 16375
2500 BD Den Haag
datum: 22 april 2010
uw kenmerk: DK/B&B/124372
uw brief van: 26 mei 2009
ons kenmerk: rc-2009.05316/17
onderwerp: Talentontwikkeling
 Geachte mevrouw Van Bijsterveldt,
 Op 26 mei 2009 heeft uw ambtsvoorganger de Raad voor Cultuur advies gevraagd over het
 onderwerp talentontwikkeling, waarbij hij de nadruk heeft gelegd op de ontwikkeling van
 toptalent, de instrumenten binnen het cultuurbeleid daarvoor en de aansluiting tussen het
 kunstvakonderwijs en de arbeidsmarkt. Hierbij wordt aan dat verzoek voldaan.
 Na stil te staan bij de context waarin dit advies tot stand is gekomen en het benoemen van
 enkele essentiële uitgangspunten, verkent de Raad de gestelde vragen en signaleert hij op
 sectorniveau de belangrijkste kansen en bedreigingen ten aanzien van talentontwikkeling.
 Het advies wordt afgerond met een aantal slotopmerkingen.
 De context en het moment van dit advies
 In de Tweede Kamer heeft men zich in 2008 afgevraagd of het kunstvakonderwijs wel
 voldoet in kwalitatieve zin, of er effectief wordt geanticipeerd op de arbeidsmarkt en of er
 niet wordt opgeleid tot een overschot op die markt waardoor men terugvalt op sociale
  uitkeringen. -
 Op 16 maart 2009 schreef uw ambtsvoorganger de Tweede Kamer in reactie daarop een
 brief met als doel meer duidelijkheid te verschaffen over het functioneren van het
 kunstvakonderwijs. Ook signaleerde hij aanknopingspunten ter verbetering en kondigde hij
  een aantal vervolgstappen aan.
  Op 24 maart 2009 verzocht hij de HBO-raad een sectorplan op te stellen met betrekking tot
  het kunstvakonderwijs in Nederland, één van de belangrijkste voorzieningen als het gaat
  om de ontwikkeling van talent. Hiertoe stelde de HBO-raad de externe commissie Dijkgraaf
  in die eerst aanbevelingen op hoofdlijnen zal formuleren.
  Tevens zijn bij diverse instituten onderzoeksvragen uitgezet: het bij de Wet Werk en
  Inkomen Kunstenaars (WWIK) behorende flankerend beleid wordt geëvalueerd. De
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad Voor cultuur                                               re-2009.053I6/17
raad voor cultuur
postacademische instellingen in de sector Beeldende Kunst en Vormgeving worden onder
de loep genomen en het MBO-kunstvakonderwijs wordt onderzocht. En omdat is
vastgesteld dat de HBO-monitor onvoldoende gegevens oplevert zal dit longitudinale
onderzoek anders worden vormgegeven, hetgeen op den duur moet leiden tot de feitelijke
gegevens en cijfers die nu nog ontbreken. Geen van de hiervoor genoemde
(onderzoeks)vragen zal voor april worden beantwoord.
Medio december 2009 meldde uw ambtsvoorganger de Tweede Kamer dat de HBO-raad
het gevraagde sectorplan pas in juli 2010 zal uitbrengen, hetgeen samenhangt met het
vertraagde, waarschijnlijk in mei 2010 uitkomende advies van de commissie Dijkgraaf.
Hoewel ook de Raad voor Cultuur zijn adviestraject pas later kon starten heeft uw
ambtsvoorganger aangegeven het advies graag te ontvangen voor 1 april 2010. Daarmee
wordt het een eerste zetstuk in een veelomvattend geheel dat zich de komende periode, aan
de hand van aanvullend materiaal en daarop gebaseerde inzichten, nader moet
uitkristalliseren.
De Raad zal met dit advies vooral signaleren en agenderen op hoofdlijnen. Voor het
instrumentaliseren van bepaalde inzichten is het, gelet op de geschetste omstandigheden,
immers te vroeg, Begin volgend jaar publiceert de Raad zijn periodieke analyse van de
culturele sector. Daarbij zal veel aandacht uitgaan naar de wijze waarop de per 2009
ingestelde culturele basisinfrastructuur functioneert. In dat kader zal hij ook terugkomen op
het onderwerp talentontwikkeling.
De uiteangspunten
Talent is de krachtigste bron voor de kwaliteit van kunst- en cultuurbeoefening. Afhankelijk
van de mate waarin talent wordt gekoesterd en geslepen ontwikkelen zich goede
kunstenaars en interessante cultuurdragers die ook buiten de grenzen worden gewaardeerd.
Dit vereist een open klimaat, adequaat onderwijs en een passend voorzieningenniveau.
Het is van algemeen maatschappelijk belang dat er voor iedere inwoner van dit land ruimte
is voor ontplooiing en reflectie door middel van culturele activiteiten.
Het is een grote verworvenheid dat men in principe kan kiezen welke opleiding men volgt
en hoe men professioneel actief wil zijn. Men is zelf verantwoordelijk voor de gevolgen
van die keuzes.
Kunstenaars en culturele professionals blijken vaak goed te zijn in het duiden van het
heden, het verkennen van de toekomst en het ontwerpen van nieuwe concepten en
perspectieven. In een sociaal-economische context waarin kennis en creativiteit steeds
belangrijker worden, is een florerende kunst- en cultuursector niet alleen een voorwaarde
voor welzijn maar ook voor welvaart Globalisering, digitalisering en medialisering bieden
extra mogelijkheden om de rijke diversiteit van kunst en cultuur in brede zin te verzilveren.
Zij scheppen bovendien belangrijke voorwaarden voor een opleidings- en beroepsklimaat
dat steeds meer wordt gekenmerkt door interdisciplinaire samenwerking en internationale
oriëntatie.
De kernbegrippen hier zijn vrijheid, verantwoordelijkheid, het belang van het individu en
het belang van de samenleving.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur                                                 pagma: 3
raad voor cultuur                                                 rc.2009.assisii7
raad voor cultuur
Een verkenning van de gestelde vraaen
 1. Op de eerste vraag, ofde kwaliteit van de afgestudeerden voldoet aan de behoefte aan
 (internationaal) toptalent, is een kort antwoord te geven: nee, daarop is het huidige
kunstvakonderwijs niet ingericht. Het kunstvakonderwijs weerspiegelt een egalitaire
mentaliteit die eerder is gericht op de grootste gemene deler dan op toptaient.
Behoefte
 Eerst een kanttekening bij het begrip behoefte, waarbij het kan gaan over de behoeften van
 het individu dat zich wil ontplooien, van de sector die zich wil ontwikkelen of van de
maatschappij die daaraan rendement wil ontlenen, in materiële of immateriële zin. Deze
behoeften kunnen zowel in elkaars verlengde liggen als op gespannen voet met elkaar
 staan. Toptalent onderscheidt zich vaak door het herdefiniëren van de vraag en verhoudt
zich tot onverwachte, (nog) niet gestelde vragen en niet eerder gearticuleerde behoeften.
 Tegelijkertijd beantwoordt toptalent zo aan het verlangen naar vernieuwing, Dit is een
belangrijke verbijzondering van het arbeidsmarktperspectief, waarbij persoonlijke urgentie
 direct is te koppelen aan maatschappelijke opbrengst.
 Toptalent
 Het begrip (top)talent wordt in dit advies gebruikt voor zowel de eigenschap als de persoon.
 De benadering van toptalent vraagt om diversiteit, differentiatie en nuancering. Toptalent
 moet bezien worden in samenhang met aanstormend en bewezen talent, begrippen die zijn
 gebruikt in het in 2007 uitgebrachte Raadsadvies 'Talent begint bij ambitie. Over het
 ontwikkelen van toptalent.' Talent begint met het fysieke, mentale en emotionele vermogen
 om in een bepaald gebied bovengemiddeld te presteren. Waar talent echter vaak (nog)
 latent is, is toptalent evident. Toptalent is zelfbewust, wordt herkend, heeft een sterk lerend
 vermogen, blijft in beweging, schaalt zichzelf voortdurend op en zoekt navenante vormen
 van erkenning, vaak dus ook internationaal. Toptalent en succes vallen niet per definitie
 samen. Verschillende omgevingen kwalificeren toptalent ook anders. Zo is het werk van de
 artist's artist vooral van betekenis voor de ontwikkeling van een bepaalde discipline en valt
 kunst die op grotere schaal aanspreekt sneller de eer te beurt om te worden gepromoot als
 internationaal exportproduct.
 De kwaliteit van de afgestudeerden
 Ten slotte wordt in de eerste vraag geïnformeerd naar de kwaliteit van de afgestudeerden.
 Men zou dit kunnen meten aan de hand van de eindexamenresultaten. Daar kan men
 tegenover stellen dat de beroepspraktijk meer maatgevend is dan de opleiding. Het
 gemiddelde niveau van de afgestudeerden heeft echter nauwelijks relatie met de individuele
 kwaliteiten van toptalent.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur                                                pagma: 4
raad voor cultuur                                                <0-2009.05316/17
raad voor cultuur
Het kunstvakonderusjs
Dit brengt de Raad op enkele algemene observaties ten aanzien van het kunstvakonderwijs,
waarvan hij verwacht dat de commissie Dijkgraaf die deelt en nader uitwerkt. Deze
commissie gaat in op de vraag hoe kunstopleidingen zo goed mogelijk kunnen aansluiten
op de arbeidsmarkt van de toekomst, artistieke ontwikkelingen en internationale
 ontwikkelingen in het hoger onderwijs.
 De Raad vindt dat te veel opleidingen in het kunstvakonderwijs gebukt gaan onder de
 omvangrijke en veeleisende onderwijsstructuren waarvan zij deel uitmaken. Hierdoor lijkt
 er binnen het curriculum steeds minder ruimte te bestaan voor flexibiliteit. Het
 kunstvakonderwijs waarvoor de rijksoverheid verantwoordelijk is moet studenten vooral
 goed voorsorteren voor de beroepspraktijk, qua vaardigheden en in intellectueel en
 persoonlijk opzicht. Die beroepspraktijk vertegenwoordigt niet alleen de meest voor de
 hand liggende podia voor toptalent, maar is in de meeste gevallen toenemend dynamisch en
 hybride. Hierop wordt teruggekomen onder het kopjé 'Arbeidsmarkt of werkvelden'. Een
 intensievere wisselwerking tussen de opleidingen en de verschillende werkvelden dient
 voort te komen uit hun vanzelfsprekende medeplichtigheid aan een veelsoortig en
 veelkleurig cultureel klimaat. Dat zou de toekomstige perspectieven voor talent vergroten
 en op een natuurlijke manier ruimte kunnen creëren voor artistieke en maatschappelijke
 innovatie.
 Het kunstvakonderwijs op HBo-niveau moet, meer dan tot dusver, inzetten op ambitieuze,
 exclusieve, op maat gesneden opleidingen die zich overtuigend onderscheiden van het
 overige onderwijsaanbod in de kunsten. Een adequaat bekostigingssysteem en een strengere
 selectie op kwaliteit, zowel aan de poort als gedurende de rest van de opleiding, dragen
 daaraan bij.
 Dit impliceert volgens de Raad bovendien een wenselijker én effectiever
 sturingsmechanisme dan het alternatief; het a priori beperken van de getalsmatige capaciteit
 van opleidingen, hetgeen de suggestie zou wekken dat is te becijferen hoeveel kunstenaars
 ons land kan hebben.
 Een andere observatie is dat veel studenten de bachelorfase beschouwen als een afgeronde
 en voor de beroepspraktijk toereikende opleiding, terwijl de praktijk dat te vaak logenstraft.
 Mede daarom zou een aantal opleidingen er goed aan doen de verhouding tussen bachelor-
 en masterplaatsen te heroverwegen ten gunste van de laatste categorie. Daarmee drukken zij
 tegelijkertijd het gewenste ambitieniveau uit. Er moet binnen het kunstvakonderwijs meer
 ruimte voor onderzoek en reflectie worden ingebouwd. Voor ontwikkeling en innovatie zijn
  dit cruciale functies. Bovendien dragen zij substantieel bij aan een omgeving waarin
 toptalent kan floreren. De lectoraten die het laatste decennium zijn ingesteld zijn een goede
 stap in de richting. Zij vragen echter wel om evaluatie en verdere profilering. In dit kader
 kan ook de verbinding tussen academie en Academia worden meegenomen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad VoOr cultuur                                               pagma:s
                                                                re-2009.05316/17
raad voor cultuur
Ten aanzien van het MBO-kunstvakonderwijs maakt de Raad, vooruitlopend op de
 aangekondigde aanvulling op het Schoolverlatersonderzoek, de volgende kanttekeningen.
 Het is positief dat ROC's kansen geven aan doelgroepen die voorheen moeilijk werden
bereikt. Zij komen eveneens effectief tegemoet aan de vraag naar bepaalde technische en
uitvoerende functies binnen artistieke praktijken. Waar het aankomt op het artistiek-
 inhoudelijke niveau laten de opleidingen echter te wensen over en blijkt de door studenten
verlangde doorstroming naar hoger onderwijs of de praktijk vaak een illusie. Betere
 voorlichting en adequate toetsing dienen hier soelaas te bieden.
 2. Voldoen de instrumenten binnen het cultuurbeleid om talent verder te ontwikkelen tot
 toptalent? Hierbij wordt gerefereerd aan postacademische instellingen, productiehuizen en
 de rol van sectorinstituten. Deze vraag is niet zonder meer metja ofnee te beantwoorden
en vergt allereerst een sectorale benadering. Dat neemt niet weg dat toptalent zeer gebaat
kan zijn bij omgevingen waar ruimte is voor interdisciplinariteit.
De instrumenten
 Om te beginnen iets over het geheel aan instrumenten ten aanzien van talentontwikkeling,
 een veelomvattend en grillig amalgaam. Deze instrumenten ressorteren, op meerdere
 overheidsniveaus, zowel onder Onderwijs als onder Cultuur, onder Sociale Zaken en
 Werkgelegenheid, Economische Zaken, Buitenlandse Zaken en VROM. Ze worden zowel
 door overheden gefinancierd als door private fondsen, bedrijven en particulieren. Zij maken
 het mogelijk talent te herkennen, te stimuleren en te ontwikkelen, zowel in de
 buitenschoolse cultuureducatie, als in de opleidings- en beroepsfase.
 Er zijn de onderwijsgestuurde voorzieningen, zoals het primair en voortgezet onderwijs,
 kunstopleidingen en universitaire opleidingen. En er zijn, al dan niet gesubsidieerde,
 culturele voorzieningen die zijn gericht op verdere ontwikkeling, presentatie en promotie
 van talent.
 De routes in creatieve praktijken blijken niet altijd voorspelbaar of lineair. Er zijn grote
 verschillen per werkveld en sector, die om uiteenlopende voorwaarden en kansen vragen.
 Daarnaast ontstaan steeds meer praktijken die zich tussen de disciplines situeren, variërend
 van laboratoriumachtige settings tot inter- en multidisciplinaire producties.
Algemene voorwaardenscheppendefactoren
 Het ouderlijk huis en de sociale omgeving zijn van wezenlijke betekenis voor het
 herkennen en stimuleren van talent. Ontbreken hier interesse en kansen, dan kan dat verdere
 ontwikkeling frustreren. Daarnaast zijn sociale en economische emancipatie van belang;
 hierbij is ook de overheid in zicht. Vervolgens zijn er de voorzieningen waarvoor de
 overheid directe verantwoordelijkheid draagt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur                                               pagina:6
raad voor cultuur                                               sese,
raad voor cultuur
Met het oog op zowel de noodzakelijke voedingsbodem als ontwikkeling van toptalent zou
in het primair en voortgezet onderwijs moeten worden geïnvesteerd in meer tijd, aandacht
en professionaliteit ten aanzien van kunst en cultuur. In het in 2006 uitgebrachte
raadsadvies 'Onderwÿs in Cultuur ' vraagt de Raad aandacht voor de opleiding van
 kwalitatiefhoogwaardige docenten, doorlopende leerlijnen en de te leggen verbindingen
tussen schoolgebonden cultuureducatie, niet-schoolgebonden cultuureducatie en
amateurkunst.
 Hetfunctioneren van talent
 Er zijn evidente verschillen ten aanzien van de leeftijd waarop talent bij voorkeur moet
 worden ontdekt, tot wasdom moet komen en verder moet worden ontwikkeld. Willen
 aanstormende talenten succesvolle musici of dansers worden, dan kunnen ze niet jong
 genoeg beginnen. Scheppend kunstenaarschap vereist daarentegen meer conceptueel
 vermogen en daarmee een zekere leeftijd en ervaring. Een danser van veertig laat zijn
 actieve loopbaan op het podium doorgaans achter zich, een architect van beneden de veertig
 wordt beschouwd als jong.
 Daarnaast zijn er artistieke praktijken waarin men overwegend individueel opereert, terwijl
 men in andere weinig begint zonder het collectief. Opdrachtgebonden disciplines als
 bouwkunst en vormgeving vergen andere omstandigheden dan het klimaat dat nodig is voor
 autonome praktijken in de beeldende kunst, film en letteren. Bij disciplines waarin
 podiumgebonden uitvoeringspraktijken de boventoon voeren zoals theater, dans en muziek
 ligt dat weer anders.
 Ongeacht deze verschillen behoeft elke vorm van serieuze talentontwikkeling een lange
 termijnaanpak en begint de ontplooiing van talent pas in de confrontatie met de praktijk: de
 ultieme uitdaging en toets.
 Bij het benoemen van de kansen en bedreigingen per sector beperkt de Raad zich niet tot de
 cultuurpolitieke instrumenten. Hij beziet dus zowel de buitenschoolse cultuureducatie, als
 de opleidings- en de beroepsfase.
 Bouwkunst
 Onder de bouwkunst vallen (interieur)architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur,
 verschillende disciplines met hun eigen opleidingen en beroepspraktijk. De kritische
 succesfactoren liggen in eerste instantie besloten in de overgang van de opleidingsfase naar
 de beroepspraktijk. Zowel de opgaven als de manier van werken zijn in complexiteit
 toegenomen. De opleidingen sluiten daar met hun beroepsprofielen nog te weinig op aan.
 Mede daarom wordt binnenkort een tweejarige praktijkervaringseis voor
 beroepskwalificatie ingevoerd.
 Gelet op de risicomijdende toepassing van de Europese regelgeving ten aanzien van
 aanbestedingen, in combinatie met het huidige economische klimaat, is het voor talent
 momenteel extra moeilijk zich in de beroepspraktijk te bewijzen, laat staan zich te
 ontwikkelen tot toptalent. Hoewel er initiatieven zijn om architecten, stedenbouwkundigen
 en landschapsarchitecten opstapmogelijkheden te bieden naar de beroepspraktijk,
 bijvoorbeeld via het Bureau Rijksbouwmeester, kan de effectiviteit hiervan nog niet worden
 beoordeeld.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur                                               pagma: 7
raad voor cultuur                                               <0-2009.05316/17
raad voor cultuur
Het postacademische Berlage-instituut zou een dankbare intermediaire rol kunnen spelen
tussen opleiding en bouwpraktijk. Ook zou binnen de postacademische setting een
 stimulerend klimaat kunnen worden geboden om individuele ontwerpkwaliteiten verder te
 ontwikkelen.
 Een door professionele opdrachtgevers gedragen netwerk en cultuur van
 opdrachtgeverschap, gericht op bevordering van (top)talent is nauwelijks aanwezig. Het
 zou wenselijk zijn als het Stimuleringsfonds voor Architectuur (SFA) en het Nederlands
 Architectuur Instituut (NAi), mogelijk in samenwerking met Architectuur Lokaal,
 onderzoeken op welke wijze zo'n netwerk tot stand gebracht kan worden en hun beleid en
 instrumenten op dit punt intensiveren.
 De huidige cultuurpolitieke instrumenten zijn met name gericht op het profileren en
 presenteren van talent en het bevorderen van (ontwerpend) onderzoek in de bouwpraktijk.
 Het SFA en het Fonds voor Beeldende Kunst, vormgeving en Bouwkunst (Fonds BKVB)
 bieden daartoe verschillende mogelijkheden. Het buitenlandbeleid van het NAi, dat onder
 meer in samenwerking met het programma Dutch Design, Fashion and Architecture
 (DDFA), toptalent de mogelijkheden biedt zich te manifesteren in het buitenland en daar
 opdrachten te verwerven, is een belangrijk instrument. Daarnaast zijn er prijzen en
 (ondersteuning van) openbare prijsvragen door Archiprix, Europan en Architectuur LokaaL
 Hoewel deze initiatieven van bovengenoemde drie instellingen kunnen bijdragen aan het
 vinden, ontwikkelen en uitventen van talent, zijn ze verre van toereikend voor een optimale
 manifestatie van toptalent in de bouwkunst.
  Vormgeving
 De belangstelling voor vormgeving is tegenwoordig zo groot dat toptalenten daaraan ten
 onder kunnen gaan. De opleidingsfase gunt hen nauwelijks de ontwikkeling die ze nodig
 hebben om werkelijk te kunnen groeien. In de markt lijkt het adagium 'anything goes' en
 de hang naar sterren is groot. Juist om die reden zijn in de vormgeving, nog meer dan in de
 bouwkunst, reflectie en theorievorming van essentieel belang. Daarbij gaat het, ook in de
 beroepsfase, om het niveau van de feitelijke vakuitoefening en het denken daarover. Het
 sectorinstituut Premsela stimuleert dit met uiteenlopende activiteiten.
 Een sector die de komende jaren steeds meer op basis van kennis zal functioneren dient zelf
 te kunnen investeren in het ontwikkelen daarvan. En gaat het om toptalent, dan gaat het
 evenzeer om het voeden en ontwikkelen van diegenen die binnen de sector een rol spelen
 als docent, criticus, promotor, opdrachtgever etc. Een positieve ontwikkeling in dit licht is
  de net opgerichte masteropleiding Design Cultures aan de Vrije Universiteit van
 Amsterdam.
  Deze probeert een brug te slaan tussen het traditionele kunsthistorische referentiekader en
  de perspectieven vanuit antropologische, sociologische en economische hoek. Daarvoor
 heeft Premsela een leerstoel Designcultures in het leven geroepen.
 Net als bij de bouwkunst zijn goede opdrachtgevers ook essentieel voor het gebied van de
  vormgevmg,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur                                                pagma: 8
raad voor cultuur                                                rc.2009.os316/17
raad voOr cultuur
Het is een gevoelig verlies dat de langdurige en succesvolle voorbeeldrol van het rijk is
verkleind, onder meer door privatisering en door andere regelgeving, zoals de Europese
aanbestedingsregels. Voor zover het rijk nog wel een rol heeft, wordt deze bepaald door
 ingewikkelde procedures en voorwaarden. Dit gaat ten koste van de kwaliteit.
 Wil de rijksoverheid toptalent stimuleren, dan moet nauwkeuriger met het eigen
 opdrachtgeverschap worden omgegaan.
 Voor zowel de bouwkunst als vormgeving geldt tenslotte dat investeringsmogelijkheden
nodig zijn om essentiële functies als vernieuwing en experiment, productie en distributie te
 faciliteren. Daaraan komen de cultuurpolitieke instrumenten tegemoet. Wat ontbreekt zijn
 voldoende impulsen voor het investeringsklimaat. Initiatieven als SEED en SOFA komen
 hieraan in bescheiden mate tegemoet door het bieden van kennis, netwerken, zakelijke
 ondersteuning en financiering. De strategie komt neer op het minimaliseren van risico en
 het maximaliseren van potentieel.
Beeldende kunst
 Zowel in de beeldende kunst als bij film blijkt het niet zelden problematisch dat studenten
 relatiefjong beginnen aan studies die bij uitstek vragen om een zekere geestelijke bagage.
 Kunstopleidingen worden steeds meer geconfronteerd met een variabele instroom en
 navenante niveauverschillen. Dit bemoeilijkt hun functioneren in het algemeen en de
 theorievorming in het bijzonder, die daarnaast te zeer wordt bepaald door een westers
 kunst- en cultuurbegrip en de daarbij behorende geschiedenis. Een multicultureel
 perspectief zou de toegankelijkheid voor cultureel divers talent vergroten en bovendien
 ruimte geven aan nieuwe benaderingswijzen.
 De vier postacademische instellingen op het gebied van beeldende kunst en vormgeving
 zijn sterk ingesteld op het faciliteren van toptalent in de overgang van opleidings- naar
 beroepsfase. Zij vertegenwoordigen elk èen bijzondere praktijk, hetgeen zowel grote
 belangstelling van buitenlandse deelnemers als een reputatie in de internationale
 kunstwereld heeft veroorzaakt. Niettemin is op herhaaldelijk aandringen van de Raad
 onderzoek gestart naar hun functioneren in relatie tot het huidige kunstvakonderwijs en
 vergelijkbare instellingen in het buitenland. De resultaten van dit onderzoek dienen een
 fundament voor toekomstig beleid te verschaffen,
 Het instrumentarium van het Fonds BKVB is gedifferentieerd en zowel gericht op artistieke
  ontwikkeling als op het functioneren van (top)talent in de praktijk. De variatie aan
  instrumenten - stimuleringssubsidies, buitenlandateliers, studiereizen, prijzen etc. - werpt
 vruchten af, zo blijkt ook telkens weer uit de antecedenten van succesvolle kunstenaars. Het
  fonds opereert de laatste jaren steeds meer volgens het adagium 'beter en minder',
 waardoor toptalent bewuster gestimuleerd wordt. Daarnaast zet het fonds nadrukkelijk in op
  internationalisering. Dit bevordert het inzicht en het opereren in andersoortige praktijken in
  hoog tempo en werkt de internationale toets in de hand.
  Ook de Mondriaan Stichting draagt structureel bij aan in- en uitwisseling met het
  buitenland door een programma en instrumenten die met name zijn gericht op bemiddelaars
  en instellingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur                                               pagma:9
                                                                re-2009.05316/17
raad voor cultuur
 De presentatie-instellingen bieden (top)talent de gelegenheid om te produceren en zich te
 presenteren. Zij bieden uitdrukkelijk een internationaal platform dat uitdaagt tot reflectie.
Film
 Op het gebied van talentontwikkeling in de film heeft de Raad recentelijk geadviseerd.
 De masteropleiding aan de Film- en Televisie Academie die als gevolg daarvan is opgezet,
 is inmiddels anderhalfjaar operationeel. De reacties zijn positief. Vooral bijzonder talent
 krijgt hier de mogelijkheden zich verder te ontwikkelen. Echter, zowel op de
 vakopleidingen als bij het Maurits Binger Instituut, de postacademische instelling in de
 filmsector, zou de focus op onderzoek, ontwikkeling en reflectie verstevigd moeten
 worden.
 Naar aanleiding van het geconstateerde gebrek aan samenwerking binnen de sector hebben
 de fondsen de afgelopen periode een grote slag gemaakt.
 Het Nederlands Fonds voor de Film heeft in samenwerking met het Mediafonds, het
 Cobofonds en de omroepen het Deltaplan Talent gelanceerd. Regelingen zijn inmiddels
 beter op elkaar afgestemd en kennen een hogere frequentie, talent krijgt de rust om te
 werken aan producties en ook bewezen talent krijgt de kans om na een debuut door te
 groeien.
 Letteren
  De letterensector is tot nu toe de enige kunstdiscipline waarin de beroepspraktijk alleen
 professioneel georganiseerd en ondersteund wordt ten aanzien van productie, distributie en
  afname, Deels gebeurt dit door beurzen en prijzen en deels door subsidies, promotionele
  activiteiten en leesbevordering, De markt is hoofdzakelijk actief ten aanzien van distributie
  en afname.
  Een volwaardige professionele opleiding kent letteren niet, zo constateerde de Raad al
 eerder. Tot op heden zijn veel auteurs autodidact. Er bestaan alleen schrijfopleidingen die
  zich toeleggen op het praktische aspect van het schrijven. Die zijn niet gericht op de groei
  en het conceptuele vermogen van de auteur. Het is positief dat in navolging van de ons
  omringende landen en de Angelsaksische wereld binnenkort een voltijds bachelor Creative
  Writing start aan de Hogeschool voor de Kunsten ArtEZ. Stichting De Wintertuin is als
  literair productiehuis nauw betrokken bij deze ontwikkeling.
  Daarnaast zou een goede literaire vertaleropleiding toptalenten moeten faciliteren. Zij
  ontsluiten immers het internationale cultuurgoed. Het huidige bestand vertalers vergrijst en
  er is onvoldoende nieuwe aanwas. Bovendien betreft het merendeel van vertalingen
  Angelsaksische literatuur. Die trend loopt synchroon met de afname van studenten in
  andere talen. Dit tekort wordt versterkt door het opheffen van de enige universitaire
  vertaalopleiding in Nederland, inmiddels tien jaar geleden. In september start de
  Universiteit Utrecht, in samenwerking met de universiteiten van Leuven en Antwerpen, een
  eenjarige master vertalen. Het Letterenfonds levert een bijdrage aan het praktijkdeel door
  middel van gastdocenten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur                                               paginaa0
                                                                re-2009.05316/l7
raad voor cultuur
 De financiering van deze opleiding is echter niet structureel waardoor dit initiatief mogelijk
 voortijdig strandt. Er zou bij de universiteiten op moeten worden aangedrongen deze lacune
blijvend te dichten.
Muziek
 Via onder meerjeugd-, harmonie- en fanfareorkesten, ensembles, popbands en
 muziekscholen zoekt aanstormend muziektalent in de cultuureducatiefase zijn weg naar de
 conservatoria. Nederland heeft nog altijd een divers amateurmuziekleven, maar
 verenigingen staan toenemend onder druk, Dat werkt in de hand dat vooral het sociale
milieu bepalend wordt voor de kansen die jong talent krijgt. Hoewel in de alledaagse
muziekpraktijk zoveel mogelijk bruggen worden geslagen, ontbreekt een gecoördineerde
 aanpak, gericht op de ontwikkeling van talent.
 Het primair onderwijs moet talent tijdig kunnen herkennen en gerichte
 scholingsmogelijkheden kunnen bieden. De Raad adviseerde in 2006 om de LOOT-
 systematiek uit de sportwereld (scholen waar jonge talenten primair en voortgezet
 onderwijs kunnen combineren met een tijdige en gerichte sportopleiding) nader te
 onderzoeken op toepasbaarheid in kunstsectoren.
 In het voortgezet onderwijs kan via cultuurprofielscholen gedacht worden aan een bijzonder
 aanbod van muziek, evenwichtig gespreid door het land. Door veelbelovende talenten in de
 laatste twee jaren van het voortgezet onderwijs voor te bereiden op professioneel
 muziekonderwijs, worden optimale condities voor groei gecreëerd.
 Wat betreft de opleidingsfase valt op dat vele conservatoria worden bevolkt door studenten
 die overwegend afkomstig zijn uit het buitenland. De Nederlandse opleidingen zijn voor
 hen aantrekkelijk, want relatief goedkoop. Vaak hebben ze al een vakopleiding in eigen
 land gehad. Op zich is deze internationale instroom toe te juichen. De geschetste, vooral
 wat betreft het voortraject gebrekkige situatie, zet de Nederlandse studenten echter wel op
 achterstand,
 Onder meer de postacademische instellingen, productiehuizen en/of ensembles zijn op de
 beroepsfase gerichte voorzieningen met ieder hun eigen specialisatie. Zij geven meer of
 minder systematisch invulling aan hun rol. Om te borgen dat aansluiting plaatsvindt tussen
 afgestudeerd toptalent en het internationale werkveld, is van de kant van deze instellingen
 meer maatwerk nodig. Gericht onderzoek naar de huidige praktijk kan aanknopingspunten
 bieden om de huidige situatie te optimaliseren. Er is bijvoorbeeld in de klassieke muziek
 nog onvoldoende zicht op hoe de fine fleur van jonge getalenteerde dirigenten, componisten
 en aankomende orkestmusici wordt doorgeleid naar een rol in de internationale top.
 In 'Innoveren, vitaliseren/', het recentelijk uitgebrachte Raadsadvies over de Nederlandse
 orkesten, is voorgesteld dat orkesten en conservatoria gezamenlijk verantwoordelijkheid
 nemen voor de instroom van orkestmusici en de talentontwikkeling van jonge componisten
 en dirigenten. Trainingstrajecten en stageplaatsen kunnen hierbij behulpzaam zijn. Verder
 dienen de orkesten hun aannamebeleid periodiek te evalueren en heroverwegen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur                                                pagina: 11
raad voor cultuur                                                re-2009.os316/17
raad voor cultuur
Dans
 Dans is de meest fysieke van alle kunstvormen. Dat stelt specifieke eisen aan de
ontwikkeling van talent; een danser is in feite kunstenaar en topsporter tegelijk. Talent moet
op (zeer) jonge leeftijd herkend, begeleid en geschoold worden. Van oudsher gebeurt dat op
 de balletscholen, tegenwoordig manifesteert talent zich echter op veel meer plaatsen.
 Behalve om actieve scouting, vraagt talentontwikkeling in de dans om versterking van de
 voortrajecten, aanzienlijke aanpassingen in het dansvakonderwijs en een goede
 samenwerking tussen de opleidingen en de partijen in de beroepspraktijk.
 Evenals de conservatoria kennen ook de dansopleidingen een grote instroom van
 buitenlandse studenten, die vaak in eigen land al een vakopleiding hebben gehad. Positief is
 dat dit internationaal toptalent genereert, zorgt voor culturele interactie, nieuwe
 internationale netwerken en de kennismaking met andere methodes. Anderzijds beperkt dit
 de ruimte voor Nederlandse studenten. Om de concurrentie met het buitenland het hoofd te
 bieden behoeft de Bachelor dans een nieuwe inrichting, gekoppeld aan de vooropleiding.
 Dat maakt het mogelijk dat klassieke en eigentijdse dansers op jonge leeftijd hun HBO-
 diploma kunnen behalen.
 Om te kunnen excelleren is, behalve een hoogwaardig onderwijsaanbod voor dansers én
 voor dansdocenten, een streng selectiebeleid noodzakelijk.
 De dans van de toekomst vraagt ook om flexibiler dansonderwijs. De danstaal is zeer
 dynamisch geworden en door interdisciplinaire en interculturele kruisbestuivingen is een
 breed cross-over gebied ontstaan. Anders dan vroeger horen professionele dansdocenten
 daarom van alle markten thuis te zijn. Zij moeten, vaak in een multiculturele omgeving, in
 allerlei stijlen doceren, dansen en choreograferen. Deze veelzijdigheid vraagt om een
 verbreding van het curriculum en samenwerking met andere partijen, Binnen de
 opleidingsfase zouden er voor toptalent bovendien meer individuele trajecten mogelijk
 moeten zijn die niet worden overheerst door regels maar zich kenmerken door persoonlijke
 aandacht.
 Belang en rol van de dansopleidingen in Nederland zijn voor de sector evident, reden
 waarom deze zich medeverantwoordelijk opstelt voor de verdere ontwikkeling van
 uitstromend talent. Dat talent manifesteert zich vervolgens op festivals, in productiehuizen
 en via door het Fonds voor de Podiumkunsten gesubsidieerde trajecten en producties. Ook
 de vrije sector met zijn talrijke musicalproducties en televisie vormt een belangrijke
 arbeidsmarkt voor dansers.
 Voor de overgang van opleidings- naar beroepsfase moet onderscheid worden gemaakt
 tussen uitvoerende en scheppende danskunstenaars. Voor choreografen bestaan met de
  invoering van de basisinfrastructuur voldoende voorzieningen op het gebied van
 talentontwikkeling. Zo is er veel aandacht en steun voor beginnende choreografen, die na
 hun dansopleiding een masteropleiding kunnen volgen en daarna bij verschillende
 productiehuizen hun eerste producties maken. Voor dansers is dat niet het geval. Niet alleen
  de kwalitatieve aansluiting is al jaren een punt van zorg, opleidingen zouden daarnaast
  meer rekening moeten houden met de praktijkeisen. Aansluiting is echter een complexe
 gedeelde verantwoordelijkheid tussen opleiding en arbeidsmarkt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur                                                pagma: 12
raad voor cultuur                                                re-2009.05316/17
raad voor cultuur
 Voor beginnende dansers geldt dat professionele gezelschappen meer ruimte zouden
moeten bieden aan nieuw talent. Ook later in de beroepsfase zijn er voor zowel dansers als
 dansdocenten nauwelijks mogelijkheden om hun ontwikkeling een extra impuls te geven.
 Aparte aandacht in de dans- en theatersector verdienen de alternatieve trajecten voor
 talentontwikkeling die zich met name richten op cultureel divers talent en dito
 geïnspireerde kunstvormen. Samenwerking en coproducties met opleidingen,
 productiehuizen, gezelschappen en festivals in de basisinfrastructuur kunnen jong talent in
 aanraking brengen met de gevestigde orde en vice versa. Best practices kunnen daarna
 mede worden uitgedragen door bijvoorbeeld de sectorinstituten.
  Theater
 Kinderen en jongeren met belangstelling voor theater vinden vaak hun weg naar
 jeugdtheaterscholen, vooropleidingen theater ofjongerentheatergroepen die zich vooral
  richten op cultureel divers talent. Zulke instellingen brengen hen de eerste
  acteursvaardigheden bij en blijken in de praktijk een goede kweekvijver te zijn voor talent
  dat doorstroomt naar het kunstvakonderwijs of interculturele talentontwikkelaars.
  Het opleidingsaanbod voor theatermakers en regisseurs is de laatste jaren echter sterk
  gegroeid, onder meer als gevolg van de toegenomen diversiteit aan theatervormen. Dat
  werpt de vraag op of de instroom, kwaliteit en uitstroom zich voldoende verhouden tot wat
  het werkveld aankan.
  De verhouding tussen de bachelor- en masterplaatsen zou heroverwogen moeten worden
  ten faveure van de ruimte voor masters. De verschillende acteursopleidingen zouden gebaat
  zijn bij een duidelijker identiteit met een onderscheidend opleidingsprofiel. Hierbij kan men
  bijvoorbeeld denken aan profielen die het werken in interdisciplinaire verbanden faciliteren,
  die zich toespitsen op acteren in film- en televisieproducties en die ruimte geven aan inter-
  en multiculturaliteit. Andere aandachtspunten ten aanzien van de opleidingsfase zijn het
  verdwijnen van de bekostiging voor de tweede studie en de consequenties die dit heeft voor
  theatermakers in spe. De verjonging van studenten die hierdoor plaatsvindt pakt niet
  positief uit omdat het (leren van het) vak om enige geestelijke bagage vraagt.
  Het absorptievermogen van de theaterwereld lijkt kwantitatief redelijk in balans als het gaat
  om de uitstroom van de Nederlandse en Vlaamse acteursopleidingen. Daarnaast is het
  werkveld voor acteurs het afgelopen decennium uitgebreid in verband met film- en
  televisieproducties.
  De beroepspraktijk is nauw betrokken bij de lespraktijk van de vier HBO-
  theateropleidingen. Zowel de instellingen in de basisinfrastructuur als de door het Fonds
   voor Podiumkunsten gesubsidieerde gezelschappen werken met studenten en jonge acteurs.
   Het is belangrijk dat zij ook expliciet verantwoordelijkheid nemen om deze talenten te
   begeleiden en verder te brengen. Er is voor acteurs namelijk geen postacademische
   opleiding en de productiehuizen richten zich voornamelijk op regisseurs en makers.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur                                                 """"""
                                                                  re-2009.05316/17
raad voor cultuur
 Sinds de invoering van de basisinfrastructuur is de ontwikkeling van talent binnen de
 podiumkunsten bezien vanuit een ketengedachte waarbij vooral theatermakers en regisseurs
na hun opleiding via een productiehuis bij een gezeischap komen. Een andere mogelijkheid
 is dat zij functioneren als zelfstandig maker en zich na een traject bij een productiehuis
 aanmelden bij het Fonds voor de Podiumkunsten voor eventuele ondersteuning. De
 samenwerking tussen de betrokken instellingen is sindsdien verder geïntensiveerd. Dat lijkt
 voorlopig positief, niettemin is het van belang om de werking van de structuur van de keten
 en de mogelijkheden voor of knelpunten in doorstroming van makers naar een zelfstandige
 positie in het werkveld kritisch te bekijken en te volgen.
 Podiumkunsttalent kan niet zonder podium en publiek. Het is daarom belangrijk dat ook de
 podia zich committeren aan talentontwikkeling. Het Theater Instituut Nederland organiseert
 weliswaar reprisetournees van jonge theatermakers, maar dit ontslaat podia niet van verdere
 verantwoordelijkheid voor het programmeren van nog relatief onbekende makers.
 Productiehuizen
 De over het land verspreide productiehuizen in de basisinfrastructuur hebben de taak
 gekregen om pas afgestudeerd talent in de podiumkunsten verder te ontwikkelen. De
 productiehuizen verschillen per discipline, qua methode en werking. In april publiceren zij
 een inventarisatie van hun doelen en voorlopige resultaten sinds de invoering van het
 nieuwe stelsel.
 De productiehuizen komen opnieuw aan de orde als de Raad de werking van de
  basisinfrastructuur evalueert.
 De aandacht zal daarbij uitgaan naar het vastgelegde aantal productiehuizen, hun
 profilering, onderlinge afstemming en de kwaliteit van hun activiteiten. Een en ander wordt
 mede bekeken in het licht van talentontwikkeling en de brugfunctie naar de praktijk. Punt
  van aandacht zal ook zijn of er voor de zogenoemde werkplaatsfuncties nog voldoende
  ruimte bestaat, samenhangend met de mogelijkheid om te werken zonder productiedwang
  en functies als onderzoek en ontwikkeling. Tenslotte is de vraag of alle productiehuizen in
  de nieuwe structuur voldoende middelen hebben om structureel volwaardige producties te
  faciliteren.
 Sectorinstituten
  In de praktijk blijken de sectorinstituten zeer verschillende instellingen te zijn, waarvan de
  al dan niet prille geschiedenissen, feitelijke taken en accenten sterk samenhangen met de
  specificiteit van de sectoren en eigen taakopvattingen. Des te nuttiger is het dat zij
  inmiddels een periodiek overleg hebben opgezet.
  Gelet op de hiervoor gesignaleerde kansen en bedreigingen ten aanzien van
  talentontwikkeling, lijkt het voor de hand liggend de sectorinstituten hierin een rol te geven.
  De Raad vindt hierin enige terughoudendheid noodzakelijk, aangezien menig sectorinstituut
  al zwaar beladen is in relatie tot de beschikbare capaciteit. Effectiever dan deze instellingen
  op te zadelen met een extra taak is om ze te vragen binnen de vigerende taken aandacht te
  schenken aan de ontwikkeling en manifestatie van (top)talent.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur                                                pagma: 14
raad voor cultuur                                                <c-2009.os31sii7
raad voor cultuur
Dat is met name logisch in relatie tot de functie educatie, informatie en reflectie, de functie
nationale en internationale promotie en de ftmetie afstemming en coördinatie.
 De gang van zaken in de filmsector heeft inmiddels geleerd dat er per sector eerst een
agenda en concrete doelen moeten worden geformuleerd en vervolgens coalities moeten
 worden gevormd, zowel binnen de sector als met andersoortige publieke en private
 partners.
 3. De derde vraag luidt: voldoen de beleidsinstrumenten binnen het cultuurbeleidom de
 aansluiting tussen het kunstvakonderwijs en de arbeidsmarkt te versterken? De nadruk ligt
 by deze vraag nog op lineair denken en gekende economische perspectieven. Een eenduidig
 antwoord is niet mogelyk. Bovendien ontbreken bruikbare onderzoeksgegevens. Empirisch
 is vastgesteld dat veel van de benoemde beleidsinstrumenten bijdragen aan waardevolle en
 renderende creatieve praktijken.
 Arbeidsmarkt ofwerkvelden
 De vraag weerspiegelt het meest direct de eerder genoemde, ook in de Tweede Kamer
 geventileerde zorg over het arbeidsmarktperspectiefvan afgestudeerden in de
 kunstensector. De discussie over het emplooi dat kunstenaars en creatieve professionals
 weten te vinden is echter een andere dan die over de betekenis van, respectievelijk
 voorwaarden voor, talentontwikkeling. De nuancering is noodzakelijk in het licht van dit
 advies, Daarnaast kan er een meer fundamentele en wellicht verhelderende kanttekening
 worden geplaatst bij de notie 'arbeidsmarkt'.
 Het begrip suggereert een directe, eenduidige relatie tussen opleiding en
 beroepsuitoefening, zoals die lijkt te gelden voor bijvoorbeeld leraren, verplegers en
 technisch tekenaars. Maar alom is bekend dat de praktijk van afgestudeerden van het
 kunstvakonderwijs in vele opzichten gemengd is en blijft. En dat deze praktijk zich daarom,
 minstens ten dele, onttrekt aan voorspelbare carrièrepaden, arbeidsrelaties en
 (bij)scholingstrajecten die kenmerkend zijn voor vrijwel alle beroepen waarvoor het HBO
 opleidt.
 Kunstenaars en creatieve professionals zijn werkzaam in commerciële en niet-commerciële
 contexten, zij werken afwisselend autonoom of in opdracht, bewegen zich binnen en buiten
  voor de hand liggende artistieke praktijken. Zoals ook voor universitaire opleidingen vaak
 geldt, leveren kunstvakopleidingen competenties op die weikom blijken in zeer
 uiteenlopende professionele omgevingen en werksituaties. De inkomsten hieruit vertonen
 navenant grillige patronen, zoals ook blijkt uit de recentelijk door uw ministerie
 uitgebrachte publicatie TKunst in cijfers'.
  In de kunsten duidt het begrip arbeidsmarkt dus op een veranderlijke, gevarieerde en vaak
  onvoorspelbare vraag van een dito verzameling werkgevers, opdrachtgevers en kopers. Ook
  omdat het aandeel van zelfstandigen zonder personeel zo groot is, zijn conventionele
  begrippen over arbeid en inkomen, betaald werk, maandloon en werkloosheid niet
 toereikend.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur                                                    .    .
raad voor cultuur                                                penas
                                                                 re-2009.05316/17
raad voor cultuur
Daarmee zou de gevarieerde en veelal initiërende beroepspraktijk van kunstenaars en
creatieve professionals wel eens vooruit kunnen wijzen naar een model dat van groot
belang is voor de manier waarop in de toekomst wordt gekeken naar arbeidsvraagstukken,
werkgelegenheid en de rol die kennisproductie en waardecreatie innemen in de
postindustriële economie.
Op grond van voorgaande constateringen biedt het begrip werkvelden een aanzienlijk
adequatere beschrijving van de professionele omgevingen waarin kunstenaars hun
 capaciteiten inzetten.
 Waar bij de tweede vraag aan de orde was hoe de cultuurpolitieke instrumenten
 functioneren in het licht van talentontwikkeling, staat bij deze vraag de relevantie van
 verschillende werkvelden en economische zelfstandigheid voorop. Idealiter faciliteert de
 culturele basisinfrastructuur beide perspectieven. Het artistiek functioneren blijft echter de
 belangrijkste legitimatie, Met de introductie van de basisinfrastructuur is tegelijkertijd een
 aanzet gegeven tot een stelsel dat prioriteit en samenhang aanbrengt in de productie en
 distributie van kunst en cultuur.
 Ontbrekende onderzoeksgegevens daargelaten, is het evident dat de relatie tussen
 'afnemers' en (top)talent nog niet optimaal is. Dat vergt inzet van de kant van zowel de
 opleidingen als de culturele instellingen. Beide partijen hebben in dezen een
 vei-antwoordelijkheid. De kunstvakopleidingen dienen te benoemen hoe zij zich tot de
 verschillende werkvelden verhouden. Culturele instellingen dienen zich vervolgens waar te
 maken als podium, platform en intermediair naar het publiek.
 De Raad wil de evaluatie van het flankerend beleid van de WWIK afwachten alvorens op
 dit onderwerp terug te komen. Met name de instrumenten van organisaties als Kunstenaars
 & CO en Kunst & Zaken zijn immers gericht op het vergroten van ondernemerschap en het
 uitbreiden van werkvelden.
 Onderzoek
 Het begin van dit advies somt de onderzoeksvragen op die uitstaan. Duidelijk moge zijn
 hoe complex het onderzoeksgebied is als het gaat om kunstenaars, hun beroepspraktijk en
 hun werkvelden. Met verwijzing naar het recentelijk uitgebrachte Raadsadvies over digitale
 cultuur en media Netwerken van betekenis: het instellen van een kennisnetwerk kan
 bijdragen aan het ontsluiten en aggregeren van de enorme hoeveelheid informatie die reeds
 is verzameld, zowel op wetenschappelijk als op praktisch niveau, In dit verband kan ook
 worden gedacht aan minder conventioneel alumnionderzoek waarbij wordt ingespeeld op
 de genoemde nieuwe modellen rond werk en inkomen die samenhangen met
 kennisproductie en waardecreatie. Een coördinerende rol van uw ministerie ligt het meest
 voor de hand.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>raadvoorcultuur                                                  pagma: 16
raad voor cultuur                                                <0-2009.05316/17
raad voor cultuur
 Slotopmerkingen
 1. Op sectoraal niveau zijn in dit advies verscheidene (aanzetten tot) aanbevelingen
 geformuleerd. De Raad signaleert kansen en bedreigingen ten aanzien van
 talentontwikkeling die op een aantal punten vragen om nadere bestudering en vertaling, en
 verder om tijd en enig geduld. Een algemene conclusie heeft betrekking op de culturele en
 sociaal-economische condities waarin talent zich manifesteert en gedijt. Talent is gebaat bij
 een culturele omgeving die kritische massa én diepgang biedt om tijdens verschillende
 stadia van ontwikkeling voor nieuwe impulsen te zorgen. Talent verhoudt zich telkens op
 een eigenzinnige wijze tot zijn omgeving en poogt zich daarvan bewust te onderscheiden.
 Met andere woorden: bevordering van de substantie - in het kunstvakonderwijs, vanuit de
 instellingen in de basisinfrastructuur, in het opdrachtgeverschap, in de kunstkritiek en
 kunstbeschouwing, in het internationaal cultuurbeleid - zal gunstig uitwerken op de
 condities waaronder talent zich ontplooit.
 De focus op (top)talent dwingt tot inhoudelijke verdieping, scherpere reflectie en een sterk
 internationaal georiënteerde vakuitoefening. Het beleidsinstrumentarium moet daarop
 anticiperen. Tegelijk vraagt talentontwikkeling om een context die voor een rijke, breed
 geschakeerde voedingsbodem zorgt; voor voldoende kritische massa. Het cultuurpolitieke
  instrumentarium zal zowel recht moeten doen aan het bewaken van de kwantiteit als aan het
 versterken van het gemiddelde niveau.
 (Top)talent vraagt daarnaast om een sociaal-economische omgeving waarin het
 beleidsinstrumentarium een uitdrukking is van de wil tot fundamentele vernieuwing. De wil
 om dwars door disciplines en gevestigde sectoren nieuwe verbanden te leggen,
 samenwerking en investering te stimuleren en daarbij het risico op mislukking als een
  onvermijdelijke voorwaarde voor vooruitgang te accepteren. Een dergelijk ondernemend
 klimaat stimuleert het individu én het collectief. Het confronteert talenten uit verschillende
 sectoren en sociaal-economische domeinen - cultuur, wetenschap, bedrijfsleven - met
  elkaar, en zorgt zo voor een innovatieve omgeving waarin synergie kan ontstaan.
  Het ministerie is in dit proces zeker niet de enige regisseur. Maar via onder meer de
 sectorinstituten beschikt het over een instrument om de culturele substantie binnen de
 verschillende sectoren te versterken en daarmee bij te dragen aan de rol die talenten vanuit
  de verschillende sectoren kunnen innemen in een breder sociaal-economisch
  vermeuwmgsproces.
  2. Succesvolle scouting en ontwikkeling van (top)talent zijn in eerste instantie afhankelijk
  van de instrumenten buiten het cultuurbeleid. Blijven er zaken liggen op het terrein van
  onderwijs en sociaal beleid, dan zullen reguliere cultuurpolitieke instrumenten dat slechts
  ten dele kunnen compenseren. Om die reden heeft de Raad zich in dit advies een aantal
  opmerkingen veroorloofd ten aanzien van de MBO- en HBO-kunstvakopleidingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur                                                 pagma: 17
raad Voor cultuur                                                 re-2009.05316/17
raad voor cultuur
3. De argumenten voor een volwassen voorzieningenniveau op het gebied van kunst en
 cultuur zijn gelegen in de maatschappelijke waarde daarvan, of daarbij mi de nadruk ligt op
een principieel wenselijk klimaat of op het verlangen om toptalent te laten schitteren en te
kunnen exploiteren. De afgelopen periode zijn grote inspanningen-gedaan om te komen tot
 een adequate culturele basisinfrastructuur. De 1.0.-versie van dit stelsel is een jaar
 operationeel. Aandachtspunten vanuit het perspectief van talentontwikkeling zijn met name
 de balans in de voorzieningen, de brugfunctie van postacademische instellingen en
 productiehuizen ten opzichte van de praktijk, de mate waarin fondsen zijn gericht op
 toptalent en internationalisering en de bijdrage van de sectorinstituten.
 4. De belangstelling voor (top)talent en voor een beleidsinstrumentarium dat het herkennen,
 begeleiden en profileren daarvan faciliteit, is niet louter de uitdrukking van de tijdsgeest.
 Toch is het niet los te zien van de tendens om jeugdige sporters steeds vaker in
 topsportinternaten onder te brengen, amateurs zich via televisie in enkele weken op te laten
 werken tot musicalster of popzanger, en ontwerpers een paar jaar na hun eerste
 professionele daad uitzicht te bieden op de mondiale eretitel 'Designer of the Year' Het
 sterrendom betovert en zorgt voor publieke identificatie.
 Zo groot als de waardering voor de ster in de kunsten kan zijn, zo groot is de verwarring
 over de wijze waarop kunstenaars feitelijk werken. Er is weinig begrip voor wat de
 opleiding, ontwikkeling en vakpraktijk van kunstenaars feitelijk inhoudt. De vraagstelling
 die aan dit advies (en in het bijzonder aan de verwoording van de derde vraag) ten
 grondslag heeft gelegen, getuigt daarvan. Het zou de discussie over zaken als
 opleidingscapaciteit, marktkansen en de maatschappelijke rol van kunstenaars een
 belangrijke impuls geven, wanneer het cultuurpolitieke beleidsinstrumentarium
 geïnformeerd zou worden door een realistischer beeld van de actuele kunstenaarspraktijk.
 De Raad meent dat kunstenaars en creatieve professionals in allerlei domeinen een
 werkpraktijk verkennen of vertegenwoordigen die een voorbeeldwerking kan hebben voor
 het denken over nieuwe arbeidspatronen, kennisontwikkeling en toekomstige economische
 structuren.
 Totstandkomine advies
 Dit advies is voorbereid door een ad hoc commissie onder voorzitterschap van Hans
 Esmeijer, Gedeputeerde Cultuur van de provincie Gelderland. De leden werden
 gerekruteerd uit bestaande raadscommissies: Endry van Velzen/commissie Architectuur en
 Stedenbouw, Gert Staal/commissie Beeldende Kunst en Vormgeving, Hildegard
 Draaijer/commissie Podiumkunsten/Dans en Amateurkunst en Cultuureducatie, Geurt
  Grosfeld/commissie Podiumkunsten/Muziek en Laura Minderhoud/commissie
 Podiumkunsten/Theater. Ook de vaste commissies van de Raad leverden bijdragen. Het
 secretariaat lag in handen van Madeleine van Lennep en Lotte Ravenhorst.
  De commissie nam kennis van verzamelde relevante informatie, inclusief twee zeer
 recentelijk verschenen rapporten: de analyse van het kunstvakonderwijs van de Nederlands
 Vlaamse Accreditatie Organisatie en de evaluatie van de WWIK.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur                                             pagina: 18
raad voor cultuur                                             rc-2009.05316/17
raad voor cultuur
Zij kwam tussen medio november en medio maart zeven maal bijeen. Ter toetsing van haar
bevindingen vond medio februari een expertmeeting plaats met een kleine twintig
deskundigen uit het veld (zie bijlage).
Afsluiting
Onder verwijzing naar het traject dat in het begin van dit advies is geschetst, ziet ook de
Raad de resultaten van de uitgezette (onderzoeks)vragen graag tegemoet. Hij hoopt dat de
hier opgetekende inzichten door de verschi1Jende betrokkenen worden gedeeld en dat in het
veld wordt doorgedacht over de rol die verschillende actoren ten aanzien van (top)talent
kunnen spelen. Hij komt op het onderwerp talentontwikkeling terug in zijn periodieke
analyse van het culturele klimaat en de vertaling daarvan in een concrete beleidsagenda.
Hoogachtend,
�H�                                                  .-------îZe"es Weeda
                                                   /
Voorzitter                                                       Algemeen secretaris
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur                                        pagnam
                                                         rc-2009.05316/17
raad voor cultuur
Bijlage
Deelnemers expertmeeting talentontwikkeling 16 februari 2010
Mieke Bernink                  docent Masteropleiding Film
Jan van Bilsen                 directeur School voor Jong Talent Koninklijk
Conservatorium
Lex ter Braak                  directeur Fonds BKVB
Freek van Duijn                voorzitter commissie Podiumkunsten
Henk Heuvelmans                hoofd afdeling Klassiek/Hedendaags Muziek Centrum
Nederland
Willem Hillenius               voorzitter college van bestuur Artez
Marijke Hoogenboom              lector Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten
Teunis IJdens                   onderzoeker Cultuurnetwerk
Dingeman Kuilman                directeur Premsela
 Klaas Kuitenbrouwer           programmamanager vhtueel Platform
 George Lawson                  directeur Fonds Podiumkunsten
 Hans Nieuwenhuis               directeur Opera Studio Nederland
Janny Rodermond                 directeur Stimuleringsfonds Architectuur
Leo Spreksel                    artistiek leider Korzo
Afwezig met afmelding
 Guus Beumer                    directeur Marres en NAi Maastricht
Ole Bouman                     directeur Nederlands Architectuurinstituut
Anita van Dolen                 programmeur Melkweg
Peggy Olislaegers               huisdramaturg Dansateliers
Henk Pröpper                    directeur Letterenfonds
Jan Zoet                        directeur Rotterdamse Schouwburg
Marc van Zijp                   zelfstandig adviseur
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                                                        Ministerie van Ondenvijs, Cultuur en
                                              Na Wetenschap
> Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag
                                                      Raad voor Cultuur                Rijnstraat 50
                                                      INGEKOMEN                        oen  saas
                                                                                       Postbus 153g
                                                                                       2500 51 Den Haag
Aan de Raad voor Cultuur                               2 8 MEl 2009                    --ee
RJ Schimmelpennicklaan 3                                                  ..           contactpersoon
2506 AE DEN HAAG                              Doss.                                    e.c.G, slot
                                              g e doo         - O CS                   T +31--70-412 4473
                                                                                       e.c.g.slot©minocw,nl
                                                                                       IPc 3300
                                                                                       onza referentie .
                                                                                       owaas/u4372
Datum           2'6 MEt 2669
Betreft        Advies talentontwikkeling
Geachte bestuur,
Ik vraag u mij te adviseren over de ontwikkeling van talent in de culturele sector
en hierbij het accent te leggen op de aansluiting van de bestaande instrumenten
voor talentontwikkeling op de arbeidsmarkt. Deze vralifilöëit~vööEûlfinljiiliñëi
aan de Tweede Kamer over het kunstvakondenvljs van 16 maart fl.
De brief aan de Kamer behandelt met name de aansluiting van het
kunstvakonderwijs op de arbeidsmarkt. Ik ben met de brief de toezegging         -
negefaïñïêifânf~de~iaamer te Informeren over de mogelijkheid tot en wenselijkheid
van een strengere selectie van studenten door kunstvakopleidingen.
Op basis van gesprekken en bestaand onderzoek ben ik in de brief tot een drietal
conclusies gekomen:
  - Het beschikbare onderzoek geeft geen sluitend beeld over het
     kunstvakonderwijs en de beroepspraktlfk van kunstenaars, maar is goed
     genoeg voor een aantal Indicaties.
  - Uit de visitaties van de kunstvakopleidingen biljkt dat de basiskwaliteit van
     het kunstvakondenNijs niet ter disCUsSie staat. De kwaliteit |S wel voor
     verbetering vatbaar als het gaat om de voorbereiding op de arbeidsmarkt,
  -- Het kunstvakonderwijs sluit bij een aantal studierichtingen onvoldoende aan
     op de arbeidsmarkt. De werkloosheid Ilgt boven het HBO-gemiddelde, de
     afgestudeerden zijn kritisch over de wijze waarop de opleiding voorbereidt op
     de arbeidsmarkt en de inkomenspositie van afgestudeerden van het
     kunstvakonderwijs is slechter. Ook stel ik vast dat de gesignaleerde
     problematiek zeker niet uitsluitend, maar wel het meest pregnant naar voren
     komt bij de studierichting autonome beeldende kunst.
Ik heb het kunstvakonderwijs en de vertegenwoordigers van de beroepspraktijk
gevraagd om met een open en constructieve houding de bestaande problemen
met betrekking tot de aansluiting van het kunstvakonderwijs op de arbeidsmarkt
nader te analyseren en hiervoor oplossingen aan te dragen. Daartoe is onder
meer een structureel overleg nodig tussen het kunstvakonderwijs en de
kunstsector.
                                                                                        Pagina i van 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre> Bovendien heb ik de HBO-Raad gevraagd om voor het eind van het jaar een
sectorplan op te stellen met mogelijke oplossingen voor de gesignaleerde             e
 problemen, ook op het gebied van de kwailteit van het kunstvakonderwijs. Ik heb
 de HBO-Raad met name gewezen op de problernatiek in de (autonoom)
 beeldende kunstsector. Met de HBO-Raad heb ik afgesproken dat hij bij de
 ontwikkeling van het sectorplan de adviezen van uw Raad betrekt. De afgelopen
jaren heeft u immers in verschillende adviezen een aantal knelpunten met
 betrekking tot het kunstvakonderwijs benoemd. Ik verwacht van de HBO-Raad
dat hij hierover met u het overleg zal aangaan,
 Daarnaast vraag ik u om een apart advies over talentontwikkeling in de
 cultuursector. Het gaat hierbij niet om een oordeel over het sectorpfan van de
 HBO-Raad, maar om uw advies over de kwaliteit van de afgestudeerden en de
 beleidsinstrumenten voor talentontwikkeling binnen het cultuurbeleid. Ik vraag u
 in uw advies de volgende vragen te beantwoordem
   - Voldoet de kwaliteit van de afgestudeerden aan de behoefte aan
     (internationaal) toptaient?
   - Voldoen de beleidsinstrumenten binnen het cultuurbeleid om talent verder te
     ontwikkelen tot toptalent (o.a. postacademische opleidingen, productiehulzen,
     de rol van sectorinstituten op dit gebied)?
   - Voldoen de beleidsinstrumenten binnen het cultuurbeleid om de aansluiting
     tussen het kunstvakonderwijs en de arbeidsmarkt te versterken?
 Ik vraag u mij nog dit jaar te adviseren. Het sectorplan van de HBO-Raad, het
 hernieuwde overieg tussen onderwijs en arbeidsmarkt, een beter (cijfermatig)
 onderzoek en uw advies over talentontwikkeling kunnen dan alle dienen als
 bouwstenen voor eventuele beleidswijzigingen. Daarnaast wordt dit jaar de WWIK
 (Wet Werk en Inkomen Kunstenaars) geevalueerd, alsook het flankerend beleid.
 Deze onderzoeken houden direct verband met de positie van de kunstenaar op de
 arbeidsmarkt en bieden daarom ook inzicht en een handvat voor verbeteringen.
Tenslotte noem ik in dit kader het eerder aangekondigde onderzoek naar de
 postacademische instellingen in de beeldende kunstsector, dat ook dit jaar zal
 worden verricht.
 Met vriendelijke groet,
 De minister van Ond         ,   Ituur en Wetenschap,
 Dr. R nald H.A. Plasterk
                                                                                   Pagina 2 van 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>