<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre> raad voor cultuur                                              R.J. Schimmelpennincklaan     3
 raad voor cultuur                                              postbus 61243
                                                                2506 AE Den Haag
 raad voor cultuur                                              telefoon +31(0)70310 66 86
                                                                fax +31(0)703614727
                                                                e-mail cultuur@cultuur.nl
                                                                www.cultuur.nl
de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
mevrouw lM van Bijsterveldt
Postbus 16375
2500 BJ Den Haag
datum: 0 I maart 2010
uw kenmerk: DKIB&B/153527
uw brief van: 6 oktober 2009
ons kenmerk: rc-2009.05528/2
onderwerp: advies evaluatie subsidiesystematiek
 Zeer geachte mevrouw Van Bijsterveldt,
 In zijn brief van 6 oktober 2009 verzoekt uw bewindsvoorganger        de Raad om een advies uit
 te brengen over de invoering van de nieuwe subsidiesystematiek.       Zoals hij zelf al schreef,
 heeft dit advies nog geen betrekking op de wijze waarop de basisinfiastructuur       in de
 praktijk functioneert, maar alleen op de inrichting van het nieuwe systeem. De Raad zal de
  werking van het nieuwe systeem in het voorjaar van 2011 aan de orde stellen in zijn advies
  Agenda Cultuurbeleid.
 Na een schets van de voorgeschiedenis      en een aantal algemene opmerkingen stelt de Raad
  de volgende onderwerpen aan de orde:
  - de werking en bruikbaarheid van de subsidieregeling,
  - integrale beoordeling van de cultuursector door de Raad,
  - het samenspel tussen rijk en andere overheden en tussen de Raad en de adviesraden en -
  commissies van andere overheden.
  Tenslotte blikt de Raad kort terug op de start van de nieuwe systematiek.
  Ter voorbereiding van het advies heeft de Raad een telefonische enquête gehouden onder
  de directies van een breedgekozen selectie van 23 instellingen die een aanvraag voor
  subsidie in het kader van de basisinfiastructuur  hebben ingediend (zie bijlage 1). Ook heeft
  de Raad bijeenkomsten georganiseerd met bestuurlijke en culturele vertegenwoordigers          uit
  de vijf landsdelen en heeft hij gesprekken gevoerd met het bestuur van de drie grote steden
  (bijlage 2). Tenslotte heeft hij contact gehad met de Amsterdamse Kunstraad, de
  Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur en met een vertegenwoordiging          van de ad hoc
  adviescommissie    in Den Haag. De Raad heeft de uitkomst van deze gesprekken en
  raadplegingen betrokken bij het opstellen van het advies.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur                                                   pagina: 2
                                                                    rc-2009.05528/2
raad voor cultuur
Voorgeschiedenis
De kiem van de nieuwe subsidiesystematiek         ligt besloten in de nota Verschil Maken, die
staatssecretaris Medy van der Laan in september 2005 heeft gepubliceerd, en die in juni
2006 in een brief aan de Tweede Kamer nader is uitgewerkt. Hierin stelt zij dat de oude
Cultuurnota-systematiek      is verworden tot een 'ontzielde procedure'. Het systeem was in de
loop van vijf ronden opgetuigd rond een cluster van meer dan vierhonderd instellingen, die
sterk uiteenlopen in omvang en takenpakket. Daarnaast duurde de procedure ook steeds
langer: het traject van vooradvies, sectoranalyses, uitgangspuntennota,        subsidie-adviezen en
convenantsoverleggen      gaf de Cultuurnota het karakter van een 'bestel waar de zon nooit
ondergaat', zoals de staatssecretaris het ooit typeerde.
Als alternatief presenteerde zij in Verschil Maken een nieuw systeem, dat bestaat uit drie
categorieën. Ten eerste is er de groep instellingen waarvan wettelijk is vastgelegd dat zij
een langjarig subsidieperspectiefkrijgen      en eens per vier jaar door visitatiecommissies
worden beoordeeld. Hiertoe behoren de sectorinstituten, subsidiefondsen, tien symfonie-
orkesten, de operagezelschappen       De Nederlandse Opera en Nationale Reisopera, de
dansgezelschappen      Het Nationale Ballet en Nederlands Danstheater en de musea die een
rijkscollectie beheren. De tweede categorie bestaat uit instellingen die een vierjarige
rijkssubsidie krijgen, omdat zij een specifieke en structurele functie in de cultuursector
 vervullen en daarom deel uitmaken van de zogenaamde basisinfrastructuur.            Ten derde
 kunnen een aantal rijksfondsen een subsidie voor een periode tot vier jaar toekennen aan
 instellingen op grond van hun (artistiek) functioneren.
 De instellingen in de basisinfrastructuur   (waartoe volgens de systematiek zowel de
 langjarig- als vierjarig gesubsidieerde instellingen behoren) vervullen zoals gezegd een
 specifieke functie in de cultuursector. Er worden in eerdergenoemde brief aan de Tweede
 Kamer (naast het beheer van rijkscollecties, dat door de desbetreffende musea wordt
 vervuld) drie functies onderscheiden:
 - de instandhoudingsfunctie.     Deze functie wordt vervuld door de langjarig gesubsidieerde
 symfonie-orkesten,    drie operagezelschappen     (waarvan twee langjarig gesubsidieerd),
 dansgezelschappen     (waarvan twee langjarig gesubsidieerd), toneelgezelschappen,         de
jeugdpodiumkunstengezelschappen          en de internationale festivals.
 - de ontwikkelingsfunctie.     Deze functie wordt vervuld door productiehuizen       in de
 podiumkunsten, presentatie-instellingen      in de beeldende kunst en instellingen in andere
 sectoren die zich specifiek bezighouden met de ontwikkeling van professioneel talent.
 - de ondersteuningsfunctie.     Deze functie wordt hoofdzakelijk vervuld door de (langjarig
 gesubsidieerde)   sectorinstituten.
 Volgens de plannen zou de nieuwe systematiek drie doelen moeten bewerkstelligen:
 - een nieuw evenwicht tussen cultuur en politiek. Het politieke debat zou meer op
 hoofdlijnen gevoerd moeten worden, en minder over individuele instellingen moeten gaan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur                                                     pagina: 3
raad voor cultuur                                                     rc-2009.05528/2
raad voor cultuur
- een kanteling van het subsidiegebouw. Het moet niet langer het hoogste doel van een
instelling zijn om een vierjarige rijkssubsidie te verwerven. De wijze waarop een instelling
subsidie ontvangt,     moet afhangen van de functie die een instelling vervult. De status van de
instelling is daarvan niet afhankelijk, zodat er principieel geen hiërarchie bestaat tussen
instellingen in de basisinfrastructuur      en instellingen die subsidie van een fonds krijgen.
- een nieuw samenspel tussen de bewindspersoon             van OCW en partners. Er moet een betere
afstemming plaatsvinden tussen het rijk en de andere overheden op het gebied van
cultuurbeleid en -subsidiëring.
De Raad voor Cultuur heeft op basis van de voorstellen in Verschil Maken en de
aanvullende kamerbrief in Innoveren, participeren!           (maart 2007) geadviseerd hoe de
basisinfrastructuur    ingevuld moet worden, welke categorieën instellingen een subsidie-
aanvraag hiervoor moeten kunnen doen en welke taken die instellingen moeten uitvoeren.
Mede op basis van dit advies heeft toenmalig           minister Plasterk in Kunst van leven Uuni
2007) zijn hoofdlijnen voor het cultuurbeleid uitgezet, die uiteindelijk hun beslag hebben
gekregen in de subsidieregeling       (november 2007). In januari 2008 hebben de instellingen
hun subsidie-aanvraag       ingediend, waarover de Raad in mei 2008 het advies
Basisinfrastructuur      1.0 heeft uitgebracht.   Toenmalig minister Plasterk heeft in september
 van dat jaar de subsidiebesluiten bekendgemaakt.          Het nieuwe systeem is op I januari 2009
 van start gegaan.
 Algemeen
 Vooraf moet worden gesteld dat de Raad nog geen definitief oordeel kan vellen over de
 basisinfrastructuur   (BIS). Een evaluatie van de nieuwe subsidie-systematiek        krijgt pas
 werkelijk waarde wanneer duidelijk is hoe de BIS in de praktijk werkt. Het is nu nog te
 vroeg om definitief op basis van de werking te kunnen beoordelen of de instellingen in de
 BIS hun functie naar behoren kunnen vervullen, of er geen lacunes zijn en of het nieuwe
 systeem werkelijk meerwaarde heeft.
 Onder dit voorbehoud concludeert de Raad dat de nieuwe subsidiesystematiek              een
 verbetering lijkt te zijn ten opzichte van de oude Cultuumota. De BIS heeft in ieder geval
 de volgende voordelen opgeleverd:
 - de basisinfrastructuur    maakt duidelijk welke functies noodzakelijkerwijze       vervuld moeten
 worden om de Nederlandse cultuursector een fundament te geven. De functies in de BIS
 vormen essentiële schakels in de keten van creatie, productie, distributie, toegankelijkheid
 en beleving van culturele uitingen. Een dergelijke keten is in de ogen van de Raad (in
 navolging van de UNESCO) een noodzakelijke basis voor het cultureel burgerschap.
 - de systeemwijziging      heeft gezorgd voor een verdeling in drie categorieën, waarvan de
 Raad verwacht dat die in de toekomst zorgen voor meer helderheid. Voor de instellingen in
 elk van de drie categorieën is in het algemeen duidelijk wat de functie in de cultuursector is
 en welke verantwoordelijkheden         zij hebben. Het systeem voorziet in een afbakening tussen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
                                                                      pagina: 4
raad voor cultuur
                                                                      rc-2009.05528/2
raad voor cultuur
de langjarige instellingen, vierjarige instellingen en fondsgesubsidieerde         instellingen. De
instellingen in de eerste twee categorieën hebben niet alleen een artistieke waarde maar
vervullen daarnaast een belangrijke specifieke functie in de cultuursector, terwijl de
instellingen in de derde categorie hoofdzakelijk op de artistieke merites worden beoordeeld.
De hoeveelheid instellingen in de basisinfrastructuur        heeft een overzichtelijke omvang.
- in de basisinfrastructuur   ligt duidelijker dan voorheen een belangrijk deel van het
rijkscultuurbeleid   verankerd. In de subsidieregeling      is vastgelegd welke categorieën
instellingen deel uitmaken van de BIS, en aan welke eisen die instellingen moeten voldoen.
De minister kan daardoor in deze regeling bepalen welke functies noodzakelijkerwijze              in de
BIS vervuld moeten worden - vanzelfsprekend in samenhang met ontwikkelingen in de
cultuur die door de instellingen en kunstenaars in gang worden gebracht.
- doordat het algemene rijkscultuurbeleid       en het beleid dat zich richt op de concrete
instellingen sterker met elkaar verbonden zijn, is de Raad van mening dat dit cultuurbeleid
ook meer dan vroeger inzet kan worden van het politieke debat. De politiek kan zich
minder bezighouden met het debat over subsidies van individuele instellingen, maar meer
met de functie die de rijksgesubsidieerde       instellingen vervullen. Dit streven werd in
 Verschil Maken al genoemd als een van de uitgangspunten voor de nieuwe systematiek; de
politieke praktijk moet uitwijzen of dit ook bewaarheid wordt.
De Raad beschouwt bovenstaande punten als belangrijke doelen van het nieuwe systeem.
Voor een deel zijn zij al bereikt door de nieuwe systematiek, maar de Raad is van mening
dat alle betrokken partijen zich moeten inspannen om het nieuwe systeem verder te
verfijnen.
Tegenover deze bereikte doelen staat dat een ander streven van de nieuwe systematiek, het
verkorten van de procedure, nog niet is gerealiseerd. Ook in de basisinfrastructuur staat de
zon bijkans permanent boven de einder. Het traject loopt nog steeds van een Agenda
Cultuurbeleid met sectoranalyses die door de Raad vanaf het tweede jaar van het
Subsidieplan wordt voorbereid, via een hoofdlijnennota van de bewindspersoon en een
subsidieregeling in het derde jaar naar de advisering en besluitvorming over de nieuwe
subsidieaanvragen     in het vierde jaar van het Subsidieplan. Afwikkeling van een en ander
loopt door tot in het eerste jaar van de nieuwe periode. De Raad constateert dat de totale
procedure heel veel tijd in beslag neemt. Maar hij vraagt zich af of die verkort kan worden
zonder dat de kwaliteit ervan afneemt. De Raad neemt zich voor om in de Agenda
Cultuurbeleid nadere voorstellen te doen die de procedure zouden kunnen verkorten.
Subsidieregeling
Hoewel de Raad van mening is dat de nieuwe systematiek een verbetering lijkt ten opzichte
van het Cultuurnota-systeem,       kan hij nu al aspecten aanwijzen die geoptimaliseerd kunnen
worden. In Basisinjrastructuur       1.0 heeft de Raad de vinger gelegd op een aantal zwakke
plekken van de subsidieregeling, die hij hieronder kort memoreert. In de voorbereiding van
dit advies en tijdens de gesprekken die de Raad de afgelopen maanden met diverse
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
                                                                     pagina: 5
raad voor cultuur                                                    rc-2009.05528/2
raad voor cultuur
betrokkenen (zoals instellingen en andere overheden) heeft gevoerd, kwamen deze
onvolkomenheden       van de subsidieregeling     opnieuw aan het licht:
- de instellingen in de archiefsector passen slecht in de basis infrastructuur.      I De Raad zal
komend voorjaar in het advies over het archiefbestel aanbevelingen doen om
archiefinstellingen    op een andere wijze te subsidiëren.
- de basisinfrastructuur    biedt vanwege de te nauwe criteria in de subsidieregeling
 onvoldoende houvast voor instellingen die actief zijn in het deelgebied erfgoed,
 monumentenbeleid       en archeologie en het deelgebied landschap, landschapbeheer en
 landschapontwikkeling.      Hierdoor is er geen sprake van een evenwichtige aandacht voor alle
 deelgebieden in het ruimtelijk gebied waarover de Raad voor Cultuur adviseert.2
 - Het artikel over het internationaal festival sluit niet goed aan bij de infrastructuur van een
 aantal sectoren. De criteria hebben ervoor gezorgd dat in sommige sectoren festivals niet
 zijn toegelaten die wel noodzakelijk zijn voor de culturele basisinfrastructuur.        Zo heeft het
 criterium dat zo'n festival één keer per jaar of eenmaal in de twee jaar moet plaatsvinden,
 ervoor gezorgd dat de aanvraag van de Landschapstriënnale           - ongeacht de kwaliteit van de
 instelling - al bij voorbaat werd afgewezen. Het Nederlands Filmfestival kon vanwege de
 voorwaarden alleen als ontwikkelinstelling        beoordeeld worden, hetgeen allesbehalve een
 elegante wijze was om dit festival in de BIS terecht te laten komen. In andere sectoren zijn
 daarentegen festivals toegelaten die volgens de Raad beter door een fonds gesubsidieerd
 kunnen worden.
 - De Raad is van mening dat in de subsidieregeling zo min mogelijk categorieën
 instellingen apart benoemd moeten worden die op één specifieke instelling van toepassing
 zijn. Het artikel over het Fries theatergezelschap      suggereert een open intekening die in de
 praktijk slechts schijn is. De Raad stelt voor om de specifieke functie van een Fries
 theatergezelschap    op te nemen in het artikel over toneelgezelschappen.
 - Het artikel over het operagezelschap      in het zuiden is eveneens een artikel dat slechts op
  één specifieke instelling betrekking kan hebben, namelijk Opera Zuid. Er is hierbij geen
  sprake van open intekening. Dit specifieke geval beschouwend,           pleit de Raad ervoor om
  Opera Zuid net als De Nederlandse Opera en de Nationale Reisopera een langjarig
  subsidieperspectiefte    bieden. Een van de redenen dat de andere operagezelschappen          een
  langjarig subsidieperspectiefkregen,      was dat ze samen met de orkesten een samenhangend
 bestel vormden. Om het operabestel geheel in zijn samenhang te kunnen beschouwen en
 beoordelen, zou ook Opera Zuid tot die groep moeten behoren.
 - Zoals de Raad al heeft betoogd in Innoveren, participeren!3, in het aanvullend advies
 Innoveren, participeren!,     in Basisinjrastructuur   1.0 en in het recente orkestenbesteladvies
  1 Zie ook Basisinjrastructuur 1.0, p. 201 ev.
 2  Zie ook Basisinfrastructuur 1.0, p. 213 ev.
  3 Zie Innoveren, participeren!    p.163, brief van de Raad aan de minister, d.d. 29 augustus
 2007, Basisinjrastructuur 1.0, p. 466 even Innoveren, vitaliseren, p. 22.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur                                                    pagina: 6
raad voor cultuur                                                    rc-2009.05528/2
raad voor cultuur
Innoveren, vitaliseren! is hij nog steeds van mening dat de BIS ook ruimte moet bieden aan
 een aantal instellingen dat verantwoordelijk      is voor de instandhouding van de oude muziek
 en het moderne muziekrepertoire.
Naast deze sectorspecifieke aspecten constateert de Raad ook dat de subsidieregeling op
 sommige vlakken verfijnd, vereenvoudigd en/of verduidelijkt kan worden. Zo bleek tijdens
 de advisering dat met name de typeringen 'ontwikkelinstelling'          en
 'ondersteuningsinstelling'    geen heldere beoordelingskaders      boden. Wanneer de Raad in het
 komende advies Agenda Cultuurbeleid de werking van de nieuwe basisinfrastructuur
 evalueert, zal hij nader analyseren of en hoe de subsidieregeling beter aangepast kan
 worden aan de praktijk en op basis daarvan suggesties voor verbetering doen. Dan zou de
 Raad ook dieper kunnen ingaan op het stellen van maximale aantallen instellingen per type
 en per sector.
 Integrale     beoordeling
 De Raad heeft er in eerdere adviezen al op gewezen dat hij veel belang hecht aan integrale
 beoordeling. In de nieuwe systematiek moet de Raad zo veel mogelijk zicht houden op de
 hele cultuursector en daarover met een weidse blik kunnen adviseren. Met de invoering van
 de basisinfrastructuur    komt die integrale beoordeling echter in gevaar. Dit geldt met name
 voor de langjarig gesubsidieerde instellingen (musea, sectorinstituten, fondsen, orkesten,
 Het Nationale Ballet, Nederlands Danstheater, De Nederlandse Opera en Nationale
 Reisopera), die in tegenstelling tot de instellingen in het Subsidieplan voortaan buiten de
 directe beoordeling van de Raad vallen.
 De beoordeling van deze instellingen voorziet momenteel in een zelfevaluatie van de
 instelling en een visitatie door een commissie waarvan de leden door de instellingen zelf
 gezamenlijk zijn voorgesteld. De betrokkenheid van de Raad bij de visitatie van de
  langjarig gesubsidieerde instellingen beperkt zich tot een oordeel over de samenstelling van
  de visitatiecommissies.    Als de visitaties afgerond zijn, kan de Raad de rapporten betrekken
  in zijn sectoranalyses.
 De Raad is van mening dat de wijze waarop op dit moment het systeem van visitatie is
 ingericht, niet kan volstaan voor een integrale beoordeling en afweging van het
 cultuurbeleid. De langjarig gesubsidieerde instellingen staan daarvoor op te grote afstand
  van Raad en ministerie.
  Daarnaast schiet de visitatie op dit moment tekort als volwaardig instrument om de
  individuele instellingen te beoordelen. In de richtlijnen voor de visitatie die het ministerie
 heeft opgesteld is omschreven dat de commissies moeten onderzoeken hoe de instellingen
  omgaan met de beleidsprioriteiten      van de minister. De Raad constateert echter dat de
  (pilot)-visitaties van de musea die tot nu toe zijn uitgevoerd te weinig inzicht geven in de
  concrete uitwerking hiervan, met name in beleid op het gebied van collectiebeheer, het
 uitvoeren van wetenschappelijke       taken, culturele diversiteit, maatschappelijk belang,
  publieksbereik en internationalisering.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
                                                                  pagina: 7
raad voor cultuur                                                 rc-2009.05528/2
raad voor cultuur
Bij de producerende instellingen schiet de visitatie vooral tekort bij het oordeel over het
artistiek functioneren ervan. De visitatiecommissies   volgen de instellingen namelijk slechts
gedurende een deel van de vierjaarscyclus. Daarnaast biedt het huidige model te weinig
mogelijkheden om de te visiteren instellingen als onderdeel van de gehele sector te
beschouwen. Daarvoor moeten de visitatiecommissies        idealiter de hele sector gevolgd
hebben.
De Raad pleit er derhalve voor nauwer betrokken te zijn bij de beoordeling van de langjarig
gesubsidieerde instellingen ten behoeve van een integrale beoordeling en afweging van de
instellingen die vallen onder de basisinfrastructuur. Vooruitlopend hierop blijft de Raad de
langjarig gesubsidieerde   instellingen monitoren door middel van het verzamelen van
informatie, het voeren van gesprekken en het bezoeken van concerten en voorstellingen, op
dezelfde wijze als hij de instellingen in het Subsidieplan volgt.
 Samenspel andere overheden
Een van de drie belangrijkste doelen van de nieuwe subsidiesystematiek         was in Verschil
Maken 'een nieuw samenspel tussen de bewindspersoon         van OCW en partners.( ... ) "Het
 overleg met andere overheden krijgt een inhoudelijke in plaats van een procedurele inzet."
 Terugkijkend op de aanloop naar de BIS kan geconcludeerd worden dat dit doel van de
nieuwe systematiek nog niet bereikt is. Uit gesprekken met de vijf landsdelen en drie grote
 steden is gebleken dat de bestuurders hiervan de convenantsbesprekingen          erg
 onbevredigend vonden. De besprekingen vinden te laat in het proces plaats en zijn te weinig
 inhoudelijk.
 De Raad onderschrijft van harte het streven om meer inhoud te geven aan de convenanten
 tussen het rijk en de andere overheden. Gezien de overlap tussen rijkscultuurbeleid     en dat
 van andere overheden, is het van kardinaal belang dat er een goede onderlinge afstemming
 plaatsvindt. Die afstemming mag zich niet beperken tot het maken van afspraken welke
 overheid welke instelling met welk bedrag subsidieert, maar zou al halverwege de
 Subsidieplan-periode   haar beslag moeten krijgen in een bestuurlijk overleg waarin
 ervaringen en ambities, bijvoorbeeld op het gebied van productie, spreiding en afname,
 worden uitgewisseld. De Raad dringt er bij de minister op aan om de Raad instrumenten te
 (laten) ontwikkelen die hem in staat stellen om bij zijn advisering meer rekening te houden
 met het cultuurbeleid van de andere overheden. Vooruitlopend hierop is de Raad van plan
 om halverwege de lopende subsidieperiode een rondgang langs bestuur van en instellingen
 in de steden en provincies te maken.
 Op basis van de gesprekken die de Raad gevoerd heeft, vraagt hij zich af of de wijze
 waarop de provincies en steden nu tot vijf landsdelen zijn samengevoegd, de juiste is. Het
 landsdeel Zuid bestrijkt bijvoorbeeld een te groot gebied van drie provincies, terwijl
bijvoorbeeld Almere in de regio Midden meer verwantschap heeft met Amsterdam dan met
 delen van de provincie Utrecht. De clustering zou beter aan kunnen sluiten bij de praktijk
 en binnen de convenanten moet meer oog zijn voor relevante constellaties binnen één
 landsdeel, zoals bijvoorbeeld Zuid-Limburg ofhet stedennetwerk Brabantstad.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
                                                                  pagina: 8
raad voor cultuur
                                                                  rc-2009.05528/2
raad voor cultuur
De Raad heeft met de andere overheden en de daartoe behorende adviesraden en-
 commissies afgesproken om meer afte stemmen met lokale en regionale adviesorganen.
 Voor alle betrokkenen staat voorop dat er geen afstemming op het gebied van inhoudelijke
beoordeling moet plaatsvinden. Wel zou het raadzaam zijn als op welgekozen momenten in
het adviestraject overleg plaatsvindt tussen de verschillende adviesorganen en bepaalde
tendensen en eventuele probleemgevallen       doorgesproken kunnen worden.
Het is daarnaast ook van belang dat de aanvraagprocedures       beter op elkaar aansluiten. Het
zou de aanvragende instellingen veel tijd en moeite schelen als de subsidie-aanvragen       en
prestatieoverzichten    van verschillende overheden zo veel mogelijk gestandaardiseerd     zijn.
De Raad signaleert ten slotte dat er veel onvrede heerst over de wijze waarop hij tijdens de
advisering normbedragen voor de subsidiëring in de BIS van toneelgezelschappen          heeft
vastgesteld. Hij heeft een normbedrag per type instelling vastgesteld maar bij het adviseren
van de subsidiehoogte trok hij van dit bedrag de subsidie af die een instelling van andere
overheden zou krijgen. Instellingen ervoeren dat als een 'straf' voor het feit dat een lokale
of provinciale overheid hen ook subsidieerde. De Raad heeft voor deze methodiek gekozen,
 OIndat hij niet wilde dat de instellingen er de dupe van werden dat zij geen subsidie van
 stad of provincie kregen. Niettemin realiseert hij zich dat door deze keuze sommige
 instellingen een gevoel van rechtsongelijkheid    hebben ervaren.
 De Raad zal zich in het advies Agenda Cultuurbeleid opnieuw buigen over de
wenselijkheid van normbedragen voor soortgelijke instellingen en nagaan voor welke typen
instellingen zo'n normering toepasbaar zou kunnen zijn. Hij kan zich ook voorstellen dat
hij voortaan vaststelt wat het noodzakelijke subsidiebedrag voor een instelling moet zijn,
zonder dat hij een uitspraak doet over de hoogte van de rijkssubsidie voor die instelling.
Terugblik     op de start van het nieuwe systeem
In de voorgaande paragrafen heeft de Raad aan de hand van specifieke onderwerpen
verwezen naar de manier waarop de nieuwe systematiek in de praktijk uitpakte. De Raad
vindt het niet nodig om in dit kader in extenso terug te blikken op het jaar 2008, toen de
instellingen hun aanvraag moesten indienen, de Raad het advies Basisinjrastructuur 1.0
uitbracht en de toenmalige minister, de andere overheden en de fondsen hun
subsidiebesluiten    hebben genomen. De Raad zal zijn eigen functioneren overigens in de
loop van het jaar uitgebreid onder de loep nemen in de volgende wettelijk verplichte,
vijfjaarlijkse zelfevaluatie over het functioneren van de Raad in zijn totaliteit.
Toch wil de Raad er nog op wijzen dat er vanwege de late start van het Nederlands Fonds
voor de Podiumkunsten       een gebrekkige volgtijdelijkheid van de verschillende adviezen en
besluiten heeft plaatsgevonden.      De gemeenten en provincies die de fondsgesubsidieerde
instellingen cofinancierden, kregen laat inzicht in de subsidiehoogten van het NFPK om
daarmee bij de eigen besluitvorming rekening te houden. Een en ander had tot gevolg dat
instellingen lange tijd niet wisten waar ze aan toe waren. Specifiek was er extra veel
onduidelijkheid    bij de instellingen voor jeugdpodiumkunsten,     omdat de Raad daarover nog
eind 2007 een aanvullend advies moest uitbrengen, terwijl de subsidieregeling al
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
                                                                    pagina: 9
raad voor cultuur
                                                                    rc-2009.05528/2
raad voor cultuur
 gepubliceerd was. Zulke problemen hangen samen met de overgang naar het nieuwe
 systeem en zullen waarschijnlijk bij de volgende aanvraag- en beoordelingscyclus        niet
 meer aan de orde zijn. Toch vindt de Raad het belangrijk ze te signaleren.
 Tenslotte wil de Raad nog in het kort terugblikken op het standpunt dat hij had ingenomen
 ten aanzien van het financiële kader van de BIS-advisering. De Raad zag zich bij de
 subsidie-advisering    genoodzaakt om het budget dat de toenmalige minister ter beschikking
 had gesteld, te overschrijden. Een en ander had tot gevolg dat de toenmalige minister de
 Raad vroeg om een nader advies uit te brengen, waarin wel werd uitgegaan van het
 beschikbare budget. De Raad is verheugd over het besluit van de toenmalige minister om
 na ampele overwegingen daarna toch een hoger budget beschikbaar te stellen voor de
 financiering van de basisinfrastructuur.    Daardoor heeft het nieuwe subsidiesysteem een
 goede start kunnen maken. De Raad had al in innoveren, participeren! geconstateerd dat de
 nieuwe systematiek niet met het toenmalige budget gefinancierd kon worden, maar hij had
 toen geen schatting gemaakt van het noodzakelijke budget. De Raad realiseert zich dat het
 beter was geweest om toen al een raming van de kosten te geven.
 Tot slot
 De Raad hecht er aan om nog twee zaken aan de orde te stellen.
 Ten eerste vraagt hij zich af of de zogenaamde 'kanteling van het subsidiegebouw'        zozeer
 geslaagd is dat instellingen geen verschil in hiërarchie tussen de drie subsidiemogelijkheden
 ervaren. Uit gesprekken in het veld is gebleken dat instellingen denken dat een positie in de
 basisinfrastructuur   toch meer status en zekerheid biedt dan subsidie door een fonds. Een
 reden hiervoor is dat instellingen in de BIS een functie vervullen die een zekere mate van
 continuïteit veronderstelt, terwijl bij een fonds hoofdzakelijk het artistiek functioneren van
 een instelling de grondslag voor de subsidiëring biedt. Maar de artistieke kwaliteit biedt
 fondsgesubsidieerde instellingen toch niet altijd het zelfvertrouwen om zich even goed te
 voelen als een BIS-instelling.
 Ten tweede wil de Raad - wellicht ten overvloede - benadrukken dat hij ervan uitgaat dat
 indachtig het nieuwe systeem iedere vier jaar instellingen opnieuw kunnen en moeten
 intekenen op een functie in de basisinfrastructuur.     Het feit dat de functies in de
 subsidieregeling    vastliggen, wil niet zeggen dat de instellingen die die functies nu
 vervullen, dat ook tot in lengte der dagen zullen doen. Het lijkt erop dat niet alle
 instellingen zich dat realiseren. De flexibiliteit van de BIS biedt de garantie dat iedere vier
jaar opnieuw beoordeeld kan worden welke instellingen daaraan optimaal invulling kunnen
 geven.
 De Raad hoopt dat hij met deze evaluatie een bijdrage heeft geleverd om de nieuwe
 subsidiesystematiek     te optimaliseren. Hij zal in zijn komende adviezen, met name in het
 volgende advies Agenda Cultuurbeleid op basis van de sectoranalyses, nadere
aanbevelingen doen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
                  pagina: 10
raad voor cultuur
                  rc-2009.05528/2
raad voor cultuur
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
                                                   pagina:
raad voor cultuur                                           11
                                                   rc-2009.05528/2
raad voor cultuur
  Bijlage 1
  Instellingen waarvan de directie is geënquêteerd
 Toneelgezelschappen
 Ro Theater
 Toneelgroep Maastricht
 Tryater
 Dansgezelschappen
 Station Zuid
 Guy & Roni
 Jeugdgezelschappen
 Artemis
 Speeltheater Holland
 Merkx en Dansers
 Festivals
 IDFA
 Poetry International
 Springdance
Productiehuizen
Generale Oost
Dansateliers
Presenta tie- instelli ng
Diepenheim
Scheltema
Postacademische      instelling
Maurits Binger
Berlage Instituut
Vocaal lab
Ontwikkelinstelling
Worm
Wintertuin
Dutch Fashion Foundation
Ondersteu ningsinstelling
Nederlands Instituut Mediakunst
Nationaal Business Archief
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur                                               pagina: 12
                                                                rc-2009.05528/2
raad voor cultuur
  Bijlage 2
  Gesprekspartners    uit de vijf landsdelen en drie grote steden
  Bestuur en/ofambtelijke   vertegenwoordiging  van de Provincies:
  Drenthe
  Flevoland
  Friesland
  Gelderland
  Groningen
  Limburg
  Noord Brabant
  Overijssel
  Utrecht
  Zeeland
 Zuid Holland
 Bestuur en/ofambtelijke   vertegenwoordiging   van de Gemeenten:
 Almere
 Amersfoort
 Arnhem
 Amsterdam
 Breda
 Deventer
 Eindhoven
 Groningen
Haarlem
 's Gravenhage
 's Hertogenbosch
Leeuwarden
Maastricht
Nijmegen
Rotterdam
Utrecht
Zwolle
Vertegenwoordiging     van de adviesraden en- commissies van:
Provincie Drenthe
Provincie Noord Brabant
Provincie en Gemeente Utrecht
Provincie Noord Holland
Gemeente Amsterdam
Gemeente Den Haag
Gemeente Groningen
Gemeente Rotterdam
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
                                                          pagina: 13
raad voor cultuur
                                                          rc-2009.05528/2
raad voor cultuur
  Vertegenwoordiging van instellingen:
 J. de Beij                Bibliotheek Deventer
  C. van Helmond           Generale Oost
 R. Berends                Kunst en Cultuur Noord Holland
 K. Hoekstra               Kunstgebouw
 R. Helmer                 LAK Theater
 A. Koers                  LUX
 R. Keuning                Museum de Fundatie
 W. Buma                  Nationaal Jeugd Orkest
 N. Klein Bleumink         de Noorderlingen
 F. Eerland               Noorderzon
 J.G. Vierkant            Noord Nederlands Orkest
 G. van Honk              Odeon Spiegeltheater
 F. Tazelaar              Productiehuis de Wintertuin
 J. Lampe                 Schouwburg Haarlem
 L. Claus                 Stadsschouwburg   Utrecht
 J. van der Putten        Verkadefabriek
 S. Huijts                Schunck*
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>