<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Advies evaluatie Wet op de
archeologische monumentenzorg
(Wamz) en Besluit archeologische
monumentenzorg (Bamz)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Inleiding
Staatssecretaris Zijlstra (Cultuur) heeft in zijn brief van 16 augustus 2011
(zie bijlage) de Raad voor Cultuur verzocht te reflecteren op de evaluatie
van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) en het Besluit
archeologische monumentenzorg (Bamz). De Wamz heeft betrekking op de
specifiek Nederlandse implementatie van de uitgangspunten van de Raad
van Europa-Conventie van Valletta (1992). In 2007 is deze wet in werking ge-
treden. Zoals destijds met de Eerste en Tweede Kamer is afgesproken, wordt
de Wamz dit jaar geëvalueerd.1
De staatssecretaris heeft ten behoeve van de evaluatie onderzoek laten
uitvoeren door RIGO Research en Advies bv. Naar aanleiding hiervan heeft
hij de Raad vier deelvragen voorgelegd. De Raad heeft zijn oordeel over het
eindrapport van RIGO (zie bijlage) betrokken bij de beantwoording van de
deelvragen en heeft daarbij tevens rekening gehouden met het streven van
de staatssecretaris naar een vereenvoudiging van het omgevingsrecht, een
vermindering van de regeldruk en de budgettaire mogelijkheden.
De inwerkingtreding van de Wamz is een belangrijke mijlpaal in het proces
dat in de jaren vijftig van de twintigste eeuw op gang kwam om het archeolo-
gisch erfgoed in Europa beter te beschermen. De Raad heeft gedurende deze
ontwikkeling de achtereenvolgende bewindslieden geadviseerd, onder meer
over de implementatie van het Verdrag van Malta, mededingingskwesties,
de invulling van de publieke taken en het opdrachtgeverschap op decentraal
bestuurlijk niveau, selectie, behoud en beheer, het verwerven van maatschap-
pelijk draagvlak en het vergroten van publieke betrokkenheid.2 Gedurende
de jaren tachtig van de vorige eeuw nam de behoefte aan een grotere maat-
schappelijke inbedding van de archeologische monumentenzorg sterk toe.
De ruimteclaims groeiden immers explosief en in hoog tempo werden gebie-
den ontwikkeld.De toen sterk gecentraliseerde en in hoge mate verstatelijkte
situatie van de archeologische monumentenzorg was geen goede uitgangspo-
sitie meer. De Wamz is het sluitstuk van een lang proces, waarmee deze on-
gunstige situatie formeel een halt is toegeroepen. De Wamz is een adequaat
instrument gebleken om een zorgvuldige omgang met archeologische resten
te waarborgen en een maatschappelijke acceptatie hiervoor te verwezenlij-
ken.
1    Brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. J. A. van der Hoe-
ven, 14 februari 2007. Aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Verga-
derjaar 2006-2007, 29 259, H. Volgens de brief moet de evaluatie antwoord geven op de
vraag hoe effectief het nieuwe wettelijke stelsel is. Ook moet worden bezien of gemeenten
en provincies het archeologisch belang serieus oppakken in het kader van de ruimtelijke
ordening, of het uitgangspunt van gelijke concurrentieverhoudingen tussen overheids-
organisaties en particuliere ondernemingen in voldoende mate worden gerespecteerd en
of de excessieve kostenregeling een zinvolle bijdrage levert aan het archeologiebeleid van
provincies en gemeenten.
2    Onder meer: De Malta-brief, 14-10-1997, Advies over de Nota ‘waardering en
selectie van onroerende archeologische monumenten’, 07-10-1999, Meer bodem onder
het nieuwe archeologiebestel. Advies over de invoering van het Verdrag van Valletta
(‘Malta’), 18-09-2000, Interimbeleid Verdrag van Valletta (‘Malta’), 01-03-2001.
                                                                                           2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Deze wet blijkt echter, zo zal later in dit advies worden uiteengezet, geen ade-
quaat instrument te zijn om het behoud van archeologische waarden in situ
te stimuleren. Ook op het wetsonderdeel dat de nadeelcompensatie regelt,
heeft de Raad kritiek. Op deze onderwerpen gaat de Raad bij de beantwoor-
ding van de vier adviesvragen nader in. Van groot belang vindt de Raad het
verder om ruimte te vragen voor een nieuwe invulling van public governance
van erfgoed.
In de praktijk van de ruimtelijke ordening regelt de Wamz met name de
procedures rond bodemverstoringen en opgravingen. Deze wet is er vooral
op gericht om de bestaande en toekomstige wetenschappelijke wereld te
voeden met gegevens die als bron voor onderzoek te gebruiken zijn. Dat de
wetenschappelijke wereld zo’n belangrijke rol speelt in de doelstellingen van
de Wamz, heeft te maken met het feit dat archeologisch bronnenmateriaal
van wezenlijk belang is voor de vorming van betekenisvolle kennis over de
(voor)geschiedenis van het Nederlandse grondgebied. Anders dan de milieu-
wetgeving en de flora- en faunawetgeving, die ook in de ruimtelijke ordening
zijn ingebed, regelt de Wamz daarom ook zaken die voor wetenschappelijke
kennisverwerving van eminent belang zijn.
De Raad constateert dat er sinds de invoering (1992) en ratificatie (1998) van
het Verdrag van Malta en de daadwerkelijke inwerkingtreding van de Wamz
(2007) veel goeds tot stand is gebracht, met name binnen gemeenten. Uit het
RIGO-rapport blijkt dat 47% van de gemeenten inmiddels archeologiebeleid
heeft ontwikkeld. Vanuit het ontwikkelingsperspectief is de huidige evaluatie
echter een momentopname, die behalve de stand van zaken ook de gelegen-
heid biedt om nieuwe doelen te stellen. De Raad gebruikt dit advies om ook
een toekomstperspectief te schetsen.
Centraal staan een evenwichtige samenhang en interactie tussen drie aspec-
ten die naar de mening van de Raad de integrale omgang met het bodemar-
chief goed afdekken:
Creatie: het genereren van gegevens en kennis door professionals (opgra-
vingsbureaus en academici) ten behoeve van ofwel publieke besluitvorming
over beheer/behoud ofwel academische kennisvermeerdering ten aanzien
van de geschiedenis.
Retentie: het beheer en behoud van materialen, gegevens en kennis in situ en
daarbuiten, bijvoorbeeld in musea, datasystemen, depots.
Validatie: maatschappelijk gebruik of toepassing van kennis door bijvoor-
beeld bewoners, ontwerpers en amateurs.
                                                                                 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>De Wamz en de Bamz regelen met name creatie en retentie. Hoewel de drie
aspecten in elkaars verlengde liggen en onderling met elkaar in verband
staan, vindt de Raad dat validatie meer beleidsaandacht vraagt en in zekere
zin sturend zou moeten zijn voor de inhoud van creatie en retentie. Hierop
wordt bij vraag 4 ingegaan.
Beantwoording van de
adviesvragen:
1. De inbedding van archeologische waarden in de ruimtelijke orde-
ning (RO) is succesvol verlopen. Welke suggesties van bureau RIGO
verdienen opvolging om dit proces te bevorderen?
De Raad sluit zich aan bij de conclusie van RIGO dat de inbedding van
archeologische waarden in de RO op grote schaal succesvol verloopt. Maar
de wet- en regelgeving binnen de RO is nog steeds in beweging. Het verdient
daarom aanbeveling om zich er bij de inrichting van nieuwe regelgeving
steeds van te vergewissen dat deze niet in conflict komt met de doelen van de
Wamz.
Grosso modo is het stelsel dat de wetgever voor ogen heeft gestaan geëffec-
tueerd. Ten opzichte van de situatie in 1992 beschikken veel gemeenten over
archeologische verwachtingskaarten en worden bestuurlijke instrumenten,
zoals bestemmingsplannen, gebruikt om het bodemarchief daadwerkelijk
te beschermen. De volgende stap in de ontwikkeling, ervan uitgaande dat
de dekking uiteindelijk volledig zal zijn, is dat gemeenten het door de Wamz
aangereikte instrumentarium effectiever gaan benutten binnen de kaders
van een eigen archeologiebeleid. Er is volgens de Raad op het gebied van de
inzet van gedecentraliseerde bevoegdheden nog wel een wereld te winnen.
Gemeenten richten zich nu nog te eenzijdig op de protocollaire aanpak en
houden zich onvoldoende bezig met de invulling van de maatschappelijke
doelen van de archeologische monumentenzorg. Hier kan de rijksoverheid,
zoals bureau RIGO aangeeft, een faciliterende rol spelen. Idealiter zou elke
gemeente een beeld moeten hebben van het nut en de noodzaak van de om-
gang met haar bodemarchief en dus met haar eigen geschiedenis. Dat beeld
wordt volgens de Raad bij voorkeur kenbaar gemaakt, na discussie in bre-
dere kring, in een door de gemeenteraad vastgesteld document.
                                                                              4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Het is immers aan de decentrale overheden om in democratische proces-
sen te bepalen waaraan de gemeenschap behoefte heeft, wat behouden moet
worden, wat mag worden opgegeven en hoe dit alles moet gebeuren.
De keuze voor een RO-inbedding van de omgang met archeologische waar-
den heeft volgens de Raad het onbedoelde effect gehad dat de culturele
dimensie ondergeschikt is geraakt aan functionele en technocratische re-
gelgeving ten behoeve van met name de opgravingspraktijk. De Wamz, de
Bamz, het opgetuigde kwaliteitssysteem en de bijbehorende interne en exter-
ne borging hebben bij elkaar genomen het effect dat het overgrote deel van
de aandacht uitgaat naar de praktijk van opgravingen en kennisproductie.
Dat is op zichzelf een goede zaak, maar
de culturele betekenis van het bodemarchief omvat veel meer. De Raad vindt
dat die substantieel kan toenemen wanneer gemeenten en provincies zich
meer bewust worden van de mogelijkheden van hun publieke taak en een
betere invulling geven aan hun rol als opdrachtgever.
Ruimtelijke kwaliteit en culturele identiteit
In 2000 sprak de Raad de verwachting uit dat de beslissing om de Wamz bij
het regime van de RO onder te brengen een verrijking van de ruimtelijke
kwaliteit zou opleveren.3 De positie van archeologie in de ruimtelijke ont-
wikkelingsprocessen heeft bovendien de mogelijkheid opgeleverd om met
archeologische monumentenzorg inhoud te geven aan het begrip ‘culturele
planologie’. Dit was helemaal in lijn met het toen nog jonge Belvedere-beleid.
Archeologische monumentenzorg is daarmee onderdeel geworden van het
werken aan de ruimtelijke kwaliteit.
De vraag die de Raad anno 2011 wil stellen, is of de wet er daadwerkelijk
toe heeft bijgedragen dat archeologische waarden in voldoende mate mede-
bepalend zijn geweest voor de ruimtelijke kwaliteit en de culturele identiteit
van een plek. Daarvan zijn weliswaar enkele goede voorbeelden te noemen,
zoals de parkeergarage Castellum in Woerden,4 maar tot op heden ontbreekt
een samenhangend overzicht.
Er kan daarom niet zonder meer vanuit worden gegaan dat de nieuwe po-
sitie van archeologie in ruimtelijke ontwikkelingsprocessen er ook toe heeft
bijgedragen dat archeologische waarden die gewenste rol in voldoende mate
hebben gespeeld. De Raad koestert overigens wel de verwachting dat dit
slechts een kwestie van tijd is, te meer omdat cultuurhistorie via de Moder-
nisering van de Monumentenzorg steviger in de ruimtelijke ordening wordt
verankerd.
3    Meer bodem onder het nieuwe archeologiebestel. Advies over de invoering van het
Verdrag van Valletta (‘Malta’), 2000.
4		  http://www.woerden7.nl/
                                                                                     5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Regelgeving en de RO
De regelgeving in de ruimtelijke ordening is, zoals eerder opgemerkt, in
beweging. Het is de vraag of bij wijzigingen voldoende rekening gehouden
wordt met de doelstellingen van de Wamz. De Raad constateert dat de in
2010 in werking getreden omgevingsvergunning (Wabo) conflicteert met
de Wamz, met name waar het de termijnen voor het afgeven van bouw- en
sloopvergunningen betreft. Het is geen sinecure om gedegen archeologisch
onderzoek in zes tot maximaal twaalf weken uit te voeren.
Omdat het ministerie van Infrastructuur en Milieu op dit moment opnieuw
aan een herziening van het Omgevingsrecht werkt, wil de Raad in navol-
ging van de conclusies van bureau RIGO adviseren om er op toe te zien dat
de uitgangspunten van de Wamz voldoende ondersteund worden in nieuwe
regelgeving in de ruimtelijke ordening.
Publieke taken en opdrachtgeverschap
De taken zijn goed belegd: de provincies zijn er voor structuurvisies en de
gemeenten maken bestemmingsplannen. Echter, met het oog op verbetering
van de publieke taak en de kwaliteit van opdrachtgeverschap op het gebied
van ontwerp, grijpt de Raad terug op een suggestie die hij al in 2000 deed,
toen hij het functioneren van Architectuur Lokaal aan de archeologiesector
ten voorbeeld stelde.5 Gemeenten doen er nog steeds goed aan hun kennis en
ervaring op het gebied van het archeologiebeleid te delen. In relatie hiermee
acht de Raad het de moeite waard om te onderzoeken of bijvoorbeeld pro-
vinciale steunpunten voor monumenten en archeologie, in navolging van een
instelling als Architectuur Lokaal, gemeenten inhoudelijk kunnen ondersteu-
nen bij het invullen van hun publieke taak en opdrachtgeverschap. Hierbij
zou de expertise van instellingen als de Stichting Infrastructuur Kwaliteits-
borging Bodembeheer (SIKB), Curnet, Bodem+ en het eerder genoemde
Architectuur Lokaal betrokken kunnen worden.
Het Rijk heeft naast een algemene bestelverantwoordelijkheid ook als taak
om in eigen huis voorbeeldig op te treden en derden te faciliteren zodat zij
geïnformeerd invulling aan hun eigen rol kunnen geven.6 Meer overwegingen
met betrekking tot de maatschappelijke kant van de omgang met archeolo-
gisch erfgoed onder de Wamz komen nog aan de orde bij de beantwoording
van de vierde vraag.
In situ of ex situ
De Raad heeft reserves over de effectiviteit van de Wamz waar het een aantal
concrete doelstellingen betreft. De wet beoogt uitvoering te geven aan het
hoofddoel van Malta, namelijk om het bodemarchief beter te beschermen
door het zoveel mogelijk in situ te bewaren en daarvoor een toereikend in-
strumentarium te leveren.
5    Ibidem.
6    In het advies Het tekort van het teveel (2005) merkte de Raad onder meer op dat
de overheid de samenleving (burgers, eigenaars) dient te faciliteren om geïnformeerd
verantwoordelijkheid te nemen, als eigenaar zelf voorbeeldig op te treden, en als vangnet
te fungeren in evidente gevallen van overmacht.
                                                                                          6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Het heeft de Raad verbaasd in het RIGO-rapport geen kwantitatieve gege-
vens aan te treffen over in situ-behoud en -beheer.
Het is niet bekend in hoeveel gevallen er sinds 2007 is besloten om vondsten
en vindplaatsen te ontzien, hoe duurzaam dit is en of dit positief afsteekt
bij de situatie van vóór ‘Malta’. Alleen aan de hand van enige schattingen
worden in het rapport over het behoudsaandeel uitspraken gedaan. Maar
de vermelde opinies van rond twintig procent in situ-behoud zijn niet of
niet sterk gefundeerd. Het gelijkstellen van opgravingen met ex situ-behoud
doet daaraan weinig af. Deze constatering maakt duidelijk dat een van de
belangrijkste pijlers van de wet – het stimuleren van behoud in situ – met dit
rapport niet goed geëvalueerd kan worden. De Raad adviseert om zo spoedig
mogelijk gerichte analyses uit te voeren, zodat uiteindelijk meetbaar wordt
wat daadwerkelijk in situ en ex situ bewaard wordt, hoe vaak uitgeweken
wordt en hoe zich deze gegevens verhouden tot de behoudsagenda van het
Rijk. Het is daarom verstandig om, analoog aan de RIGO-aanbeveling, de
selectiebesluiten systematisch te monitoren.
Conclusie
De regelgeving in de RO is sterk in beweging. De Raad adviseert er nauw
op toe te zien dat de uitgangspunten van de Wamz voldoende ondersteund
worden in nieuwe regelgeving in de ruimtelijke ordening.Decentrale overhe-
den dienen te worden gestimuleerd om de beleidsruimte die zij hebben ten
aanzien van het archeologiebeleid daadwerkelijk in te vullen. Het Rijk kan
derden stimuleren om aan het opdrachtgeverschap en/of de publieke taken
een betere invulling te geven.
Het rapport van bureau RIGO bevat geen kwantitatieve gegevens ten aan-
zien van het behoud in situ en/of behoud ex situ. De Raad adviseert daarnaar
onderzoek te laten doen. Behoud in situ is per slot van rekening een van de
hoofddoelstellingen van de Wamz.
                                                                               7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>2. Ten aanzien van de financiële kaders wordt in het rapport van
RIGO opgemerkt dat voor kleinere verstoorders de verplichtingen
ten aanzien van het archeologische onderzoek een onevenredig grote
kostenpost met zich mee kunnen brengen. Het RIGO-rapport doet de
suggestie om een compensatieregeling in het leven te roepen voor deze
kleine verstoorders. De vraag is of de Raad hier mogelijkheden ziet.
Het probleem van de excessieve kosten voor kleine verstoorders was een
belangrijke reden om in 2007 de Tweede Kamer de evaluatie van de Wamz en
Bamz toe te zeggen. De Raad kijkt anders tegen het vraagstuk van de exces-
sieve kosten aan dan bureau RIGO. Volgens de Raad worden de financiële
problemen die kleine verstoorders ondervinden vooral veroorzaakt door ge-
meentelijk beleid ten aanzien van archeologische monumentenzorg. Zo is het
de keuzevrijheid van gemeenten om al of niet te besluiten bepaalde groepen
kleine verstoorders te ontzien of financieel te compenseren.
Gemeenten bepalen in hun archeologiebeleid immers zelf hoe ze met ver-
wachte of bewezen archeologische waarden willen omgaan. De wet schrijft
per slot van rekening niet voor dat de archeologische waarden beschermd
moeten worden, alleen dat er rekening mee moet worden gehouden. De op-
lossing van het probleem van de excessieve kosten ligt met andere woorden
op gemeentelijk niveau.
De vraag zou volgens de Raad moeten zijn op welke manier gemeenten
gestimuleerd kunnen worden om aan hun rol als kadersteller en handhaver
zo geïnformeerd mogelijk invulling te geven en daarbij maatschappelijke
partijen, burgers en andere betrokkenen maximaal te engageren. De omgang
met archeologische waarden krijgt bij uitstek vorm en betekenis binnen het
publieke domein. De wet biedt daartoe de nodige handvatten. Zo ligt de ver-
antwoordelijkheid om programma’s van eisen vast te stellen bij de gemeen-
ten. Die dienen vervolgens zelf de bestuurlijke afweging te maken tussen
erfgoedbehoud en andere belangen. Het publieke debat over de uitgangspun-
ten en de waarde en betekenis van de voorgestelde keuzen is dan het demo-
cratische sluitstuk.
Excessieve kostenregeling
Evenmin als bureau RIGO ziet de Raad redenen om het bouwwerk te her-
zien dat gebaseerd is op het principe dat de verstoorder betaalt. Grondei-
genaren, ontwikkelaars en overheden omarmen de logica en wenselijkheid
daarvan, wanneer er ruimte voor medezeggenschap is. In bijzondere geval-
len heeft het Rijk enige budgettaire ruimte wanneer plafonds worden bereikt:
de zogenaamde excessieve kostenregeling. Hiervan kan in de huidige situatie
alleen op getrapte wijze gebruik worden gemaakt; door verstoorders bij ge-
meenten of provincie, en door deze laatste twee bij het Rijk. Het rijksbudget
om excessieve kosten te compenseren blijkt maar mondjesmaat te worden
aangesproken.
                                                                              8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Volgens de Raad moet het rijksbudget voor de archeologische monumenten-
zorg ter bevordering van de werking van de Wamz gehandhaafd blijven, maar
hoeft het niet, zoals RIGO aanbeveelt, in de richting van een specifieke na-
deelcompensatie omgebogen te worden. Dat zou juist een contraproductieve
prikkel geven en haaks komen te staan op het principe dat de verstoorder
betaalt. Bovendien zou hierdoor de nadruk wederom komen te liggen op on-
derzoek door middel van opgravingen. Ook komt de nadeelcompensatierege-
ling niet tegemoet aan de wens om de regeldruk te verminderen. De Raad
ziet meer heil in de ontwikkeling van een ander soort instrument.
Met een beloning of financiële bijdrage aan gemeenten of particuliere par-
tijen die hun rol voorbeeldig vervullen, behoud in situ begunstigen of archeo-
logiebeleid inzetten om de kwaliteit van de ontwerpopgave te verbeteren,
geeft het Rijk een krachtig signaal af in de hierboven geadviseerde richting.7
Conclusie
De bestaande nadeelcompensatie doet niet waarvoor ze bedoeld is. De hui-
dige nadeelcompensatie bevordert behoud in situ niet, en verstoorders zijn
eerder geneigd de complexe en bureaucratische regeling te negeren dan er
gebruik van te maken. Er is op rijksniveau geen nieuwe regeling nodig voor
kleinere gemeenten, want de keuze om bepaalde groepen te ontzien of te
compenseren ligt bij de gemeenten.
De Raad ziet meer in het inzetten van deze middelen ten behoeve van prik-
kels, in de vorm van een premie of financiële ondersteuning vanuit een fonds,
waarmee gemeenten, ontwikkelaars of eigenaren gestimuleerd worden om
op inspirerende wijze, bijvoorbeeld door middel van een excellent ontwerp,
met archeologische waarden om te gaan. Of om voorbeeldig opdrachtgever-
schap bij gemeenten dan wel behoud in situ te stimuleren.
7    De nadeelcompensatie wordt geregeld in de Bamz en heeft een wettelijke grondslag
via artikel 34a in de Monumentenwet 1988. Voor een stimuleringsregeling zou een andere
juridische grondslag moeten worden ontwikkeld .
                                                                                       9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>3. Uit het rapport van RIGO blijkt dat ondernemers in de sector
zelfregulering voorstaan ten aanzien van de borging van kwaliteit
van archeologisch onderzoek. Ter ondersteuning zou een openbaar
beroepsregister ingericht kunnen worden, waarbij de toelatingseisen
worden afgestemd op de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm voor de
Nederlandse Archeologie (KNA). De staatssecretaris vraagt of de Raad
een suggestie heeft om tot een succesvol certificeringssysteem en be-
roepsregister te komen.
De Raad wijkt af van de conclusies van bureau RIGO, in zoverre dat hij geen
voorstander is van het instellen van een beroepsregister. Er zijn geen kriti-
sche incidenten gerapporteerd waaruit blijkt welke risico’s moeten worden
afgedekt en of die urgent en groot genoeg zijn om een dergelijk instrument te
rechtvaardigen.
Uit eerder onderzoek in de sector kwam naar voren dat ook de beroepsgroep
dergelijke risico’s niet zag.8 Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen of inzich-
ten bekend om aan te nemen dat pogingen om een dergelijke onderlinge
erkenningsregeling in het leven te roepen, nu wel slagen. De Raad meent
daarnaast dat er voldoende correctiemechanismen bestaan, waaronder
marktwerking en een gang naar de rechter, om de kwaliteit van het eind-
product te waarborgen. Opgravingsvergunningen worden verleend door de
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Daarmee wordt er vooraf voldoende
controle op de kwaliteit uitgeoefend om ook zonder formeel bedrijfscertifi-
ceringssysteem op adequate wijze uitvoerend werk te kunnen doen. Ook op
dit gebied is de Raad geen klemmende noodzaak bekend om tot escalatie van
checks and balances op het gebied van kwaliteit over te gaan.
De opgravings- en onderzoeksbureaus volgen de richtlijnen en besluiten
van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA is
door onderhandeling met last en ruggespraak tussen alle betrokken partijen,
inclusief overheden, in een privaat lichaam (SIKB) tot stand gekomen en
wordt daar gedurig onderhouden. In een zelfregulerende sector dient van
tijd tot tijd een kwaliteitsdebat plaats te vinden om de fungerende normen
tegen het licht te houden en in de context van nieuwe ontwikkelingen te
bezien. In plaats van een beheersstrategie die de regeldruk verhoogt, advi-
seert de Raad liever te kiezen voor een betrokkenheidsstrategie zonder extra
regels. De vorm en zwaarte van de erkenningsregels van individuele actoren
moeten daarmee in de pas lopen.
Het verdient wel aanbeveling om op centraal en decentraal niveau gehan-
teerde normen, bijvoorbeeld ten aanzien van persoonlijke kwaliteitseisen, op
elkaar af te stemmen, zodat er voor alle spelers in het veld een gelijke uit-
gangspositie geldt.
8    Vinkenburg, H.H.M., en D.R.M. Maas, “Nederlandse Vereniging van Archeologen:
beroepsregistratie”. Twynstra Gudde, december 2000. Zie ook http://www.erfgoedne-
derland.nl/nieuws/nvva-stopt-met-beroepsregister-voor-archeologen/item8053
                                                                                  10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Het past binnen de rol van het Rijk als bestelverantwoordelijke om ten aan-
zien van het onderhoud van de kwaliteitsnorm activiteiten op dit terrein te
ondersteunen. Het feit dat het Rijk de SIKB al financieel ondersteunt, beves-
tigt het belang ervan.
De Raad adviseert deze ondersteuning voort te zetten, maar wel binnen
een formeel kader, bijvoorbeeld op titel van de financiële paragraaf in een
beleidsstuk als de Nota Erfgoed en Ruimte.
Daarnaast moet het belang van preventieve en curatieve inspectie niet over
het hoofd worden gezien. Het rapport van RIGO besteedt aandacht aan de
werking en effectiviteit van de Erfgoedinspectie, die een belangrijke, extern
toetsende en handhavende rol speelt op het gebied van de kwaliteitszorg.
Maar recente signalen over onvoldoende uitvoeringscapaciteit maken de
Raad er niet geruster op dat de kwaliteitsborgingscyclus ook gesloten blijft.
Er heerst in brede kring in het veld niet de overtuiging dat de instelling van
een register voor individuele beroepsbeoefenaars hiervoor een oplossing kan
bieden.
Tot slot merkt de Raad over dit onderwerp op dat beroepsregisters, zoals
van de Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers (BNO) en de Konink-
lijke Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst Bond van Nederlandse
Architecten (BNA), vooral individuen verenigen, bijvoorbeeld hoofden van
bureaus. In de archeologiesector wordt het werk niet op individuele titel
geworven. In de opgravingsmarkt zijn professionele bureaus en bedrijven
actief. Mocht de kwaliteit van een bureau onder de maat zijn, dan kan dat
uiteindelijk ook nog worden gecorrigeerd door het marktmechanisme of een
gang naar de rechter.
Concurrentievervalsing - marktwerking
In 2007 was een van de expliciete motivaties voor de evaluatie van de Wamz
dat het belangrijk was om er mogelijke concurrentievervalsing door overhe-
den mee te onderzoeken. De Raad vraagt in dat verband aandacht voor de
rol die ondernemende (semi-)overheden spelen in de markt. Het rapport van
bureau RIGO bevat geen gegevens over onderzoek naar mogelijke concur-
rentievervalsende activiteiten in deze zin. De Raad adviseert aanvullend
onderzoek te doen naar mogelijke marktverstorende activiteiten van (semi-)
overheden op het gebied van uitvoeringsactiviteiten in de archeologische
monumentenzorg. Dat laat onverlet dat inhoudelijke ondersteuning, door
bijvoorbeeld provinciale steunpunten zoals hierboven bepleit, van belang kan
blijven.
                                                                               11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Conclusie
De Raad ziet geen meerwaarde voor de sector als een beroepsregister inge-
steld wordt.Ten aanzien van de persoonsgebonden kwaliteitseisen adviseert
de Raad om de centraal en decentraal gehanteerde normen beter op elkaar
af te stemmen, zodat er voor alle spelers in het veld een gelijke uitgangs-
positie geldt. De Raad bepleit het voortzetten van financiële steun aan een
platform om kwaliteitsnormen te ontwikkelen en te onderhouden.
Om beter inzicht te verkrijgen in eventuele marktverstorende activiteiten
van (semi-)overheden adviseert de Raad onafhankelijk onderzoek te laten
verrichten.
4. In de aanbevelingen van RIGO komen het kennisaspect en het
maatschappelijke draagvlak nadrukkelijk aan bod. Bedrijven, de we-
tenschappelijke wereld en overheden zouden zich gezamenlijk moeten
inspannen om kennis en draagvlak in de samenleving te vergroten. De
staatssecretaris vraagt de Raad hoe dit te realiseren is, zowel financi-
eel als organisatorisch.
De Wet op de archeologische monumentenzorg regelt vooral de praktijk van
opgravingen en het optimale behoud van informatie. Het Verdrag van Malta,
waar de Wamz uitvoering aan beoogt te geven, behelst echter meer dan
veldwerk en wetenschap. Er zijn ook doelstellingen met betrekking tot pu-
blieksoverdracht. Pas daardoor en daarna worden vindplaatsen en vondsten
tot cultureel erfgoed in het publieke en het private domein. In dit verband is
de Raad zich steeds bewust geweest van het kwetsbare gegeven dat van alle
archeologische waarden zich 99% in de bodem bevindt. Het is daarom een
taaie opgave om voor iets dat grotendeels onzichtbaar blijft en beschreven
wordt in verwachtingskaarten of opgravingsrapporten, publiek draagvlak
te vinden. Door de wet in te bedden in de systematiek van de RO wordt die
opdracht niet minder taai. Integendeel.
De Raad hanteert nu echter noties over cultuurparticipatie die aanmerkelijk
verschoven zijn ten opzichte van wat er ten tijde van de vaststelling van het
Verdrag van Malta, bijna 20 jaar geleden, op dit gebied courant was.9
 Informeren van het publiek en de samenleving waartoe in paragraaf 9 van
het Verdrag van Malta wordt opgeroepen, is geen sluitstuk, maar een voor-
waarde voor een betekenisvol, maatschappelijk breed gedragen erfgoed.
9		 Zie daarvoor het vooradvies Innoveren, participeren!, Advies agenda cultuurbeleid
en culturele basisinfrastructuur (2007), met name de Sectoranalyse Amateurkunst en
Cultuureducatie, alsmede het advies Netwerken van betekenis. Netwerken in digitale cul-
tuur en media (2010).
                                                                                        12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Dat impliceert dat partijen in de samenleving van meet af aan een rol in
keuzeprocessen moeten kunnen krijgen. Het primaat van wetenschappelijke
kennis staat een veel actievere rol van bewoners, gebruikers, eigenaren en
liefhebbers niet in de weg. Het gaat dan om meer dan het achteraf benutten
van kennis die uit veldonderzoek, opgravingen en syntheses voortkomt. Een
principiële verbetering treedt op wanneer de samenleving als “co-creatieve”
partner wordt toegelaten. Kennisprocessen moeten zo ontworpen worden
dat de samenleving wordt uitgenodigd daarin deel te nemen. De werking en
betekenis van de Wamz krijgen volgens de Raad bijzonder reliëf wanneer de
drie aspecten uit de inleiding – creatie, retentie en validatie – nauwer met
elkaar in verband worden gebracht. Gegevens zitten in de bodem, maar
kennis en erfgoed tussen de oren. Maatschappelijk betekenisvolle kennisvra-
gen (cultuur) vormen een onmisbare input voor een breed gedragen onder-
zoeksagenda (wetenschap). Het uitvoeringskader is de ruimtelijke ordening
(bodemingrepen). Deze drie aspecten kunnen nauwer bij elkaar worden
betrokken.
Om dit proces van innovatie te bevorderen, adviseert de Raad met klem om,
nu de procedurele kant van het veiligstellen van archeologische waarden
door middel van inbedding in het RO-regime is geborgd, te laten onderzoe-
ken hoe maatschappelijke toe-eigening en co-creatie op dit gebied gestalte
kunnen krijgen.10 De resultaten van dergelijk onderzoek kunnen worden geïn-
tegreerd in de Erfgoedbalans die het Rijk periodiek opmaakt.
De Raad moedigt nieuwe vormen van engagement tussen provinciale en
gemeentelijke monumentenzorg en agrarische ondernemers aan. Een ge-
zamenlijk optrekken van overheden met grondbezitters en -gebruikers ligt
voor de hand, al was het maar om te voorkomen dat partijen zich van elkaar
vervreemden. Zo vindt de Raad het in de rede liggen een verfijning van de
cultuurhistorische verwachtingskaarten na te streven, waarvoor onlangs
door de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO) is gepleit.11
Het is volgens de Raad niet het enige doel van de Wamz dat creatie en re-
tentie worden gewaarborgd. Het is, zoals eerder gezegd, ook belangrijk dat
er validatie plaatsvindt. Hierdoor ontstaat betekenisvol erfgoed door debat,
ontwerpen, verhalen en de beleving ervan in de fysieke omgeving. Het is
een belangrijke opgave een modus te bedenken waarin de maatschappelijke
toe-eigening optimaal kan plaatsvinden. In dit verband wijst de Raad op het
soort activiteiten waarmee op het gebied van het bodemarchief vanuit de
Rijksuniversiteit Groningen en de provincie een brug geslagen wordt tussen
universiteit, overheid en burgers.12 Hierbij worden principes gevolgd van wat
elders wel community of public archaeology wordt genoemd.13
10   Een aanzet voor de discussie over dit onderwerp wordt gegeven in het rapport
Verantwoordelijkheid door medezeggenschap dat voor de leden van Neprom en NVB is
uitgebracht onder de titel Verantwoordelijkheid door medezeggenschap. Evaluatie Wet
Archeologische monumentenzorg (Wamz), door The Missing link, augustus 2011.
11   LTO Noord, 2010.
12   Dit programma wordt geleid door prof. dr. H.A. Groenendijk, als invulling van de
notie “burgerparticipatie” zoals beschreven in de Groninger provinciale cultuurnota 2009-
2012, in vervolg op het het project ‘Westerwolde schoon!’ (Stadskanaal 2006).
13  http://en.wikipedia.org/wiki/Community_archaeology: The design, goals,
involved communities, and methods in community archaeology projects vary greatly,
but there are two general aspects found in all community archaeology projects. First,
                                                                                          13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Het belang van ‘gemeenschappen’ is daarbij evident, waardoor in feite een
nieuwe invulling van ‘erfgoed governance’ ontstaat. Volgens de Raad ligt de
sleutel naar een grotere betrokkenheid en validatie in de co-creatieve om-
gang met archeologische waarden. “Waarden” moeten maatschappelijk tot
leven worden gebracht en kunnen dan niet zonder implicaties blijven. Een
dergelijke omgang heeft een situatie nodig waarin een veelheid aan partijen
een stem gegeven wordt en ook daadwerkelijk betrokken kan worden. Zo is
er een wens van ontwikkelaars, die als bodemverstoorders moeten betalen
voor archeologisch onderzoek, om mede een rol te spelen bij de keuzeproces-
sen die van belang zijn voor de inhoud van hun eindproduct. Als experts ook
publiek zijn, dan moeten verstoorders ook afnemers kunnen zijn. Bewoners
en eigenaren willen de gelegenheid krijgen om zich de geschiedenis van hun
omgeving toe te eigenen. Dat kan alleen als de processen die nu exclusief in
de RO zijn belegd voor iedereen toegankelijk worden. Volgens de Raad moet
hierbij gedacht worden aan een principieel open procesontwerp. De rijks-
overheid kan hier faciliterend optreden, in eigen huis het goede voorbeeld
geven en stimuleringsregelingen inrichten, bijvoorbeeld voor goed opdracht-
geverschap, inspirerend ontwerp en meer algemeen voor research & deve-
lopment als onderdeel van maatschappelijke innovatie.
Conclusie
Nu creatie en retentie door de Wamz zijn gewaarborgd, adviseert de Raad in
te zetten op het derde aspect – validatie. Dit kan door processen te ontwik-
kelen die de co-creatie van erfgoed bevorderen, bijvoorbeeld in de vorm van
programma’s, stimuleringsmaatregelen, prijsvragen, et cetera. Door ‘ge-
meenschappen’ nadrukkelijker een rol te geven ontstaat eindelijk het per-
spectief op duurzame invulling van Artikel 9 van het Verdrag van Malta.
Samenstelling ad-hoc commissie:
Dr. R. Knoop (vz)
Drs. J. Breimer
Drs. B. Goudswaard
Prof.dr. G. Rooijakkers
Ir. M. Schmitt
Mevr. drs. N. Vossen
Secretariaat:
Mevr. drs. K. Brummel
Mevr. drs. A. Pasveer
community archaeology involves communities “in the planning and carrying out of
research projects that are of direct interest to them”. Second, community archaeologists
generally believe they are making an altruistic difference. Deze opvattingen sluiten aan
bij de uitgangspunten van de Kaderconventie van  de Raad van Europa over de bijdrage
van cultureel erfgoed aan de samenleving (Faro), die in juni van dit jaar van kracht werd.
                                                                                           14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>