<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre> raad voor cultuur                                                 R.J. Schimmelpennincklaan 3
 raad voor cultuur                                                 postbus 61243
                                                                   zo6 AE Den Haag
  raad voor cultuur                                                telefoon  +31(0)703106686
                                                                   fax  +31(0)70 3614727
                                                                   e-mail cultuur@cultuur.nl
                                                                   www.cultuur.nl
 De Staatssecretaris van Onderwijs. Cultuur en Wetenschap
 de heer drs. H. Zijlstra
 Postbus 16375
 2500 BJ Den Haag
 datum: 16 september 2011
 ons kenmerk: rc-201 1.06245/2
onderwerp: Advies Wijziging van cle Wet op het specifiek cultuurbeleid en enkele
andere wetten
  Hierbij ontvangt ii de reactie op uw adviesaanvraag van 15 augustus ii. over cle Wet op het
  specifiek cultuurbeleid en enkele andere wetten.
  De wijzigingen die u voorstelt, zijn:
       1. her schrappen van artikel 4b, waarmee het langjarig subsidieperspectief voor
           aangewezen instellingen komt te vervallen:
      2. het opnemen van een criterium dat verwijst naar een vereist percentage eigen
           inkomsten in de regeling;
      3. het van toepassing verklaren van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen op de
           cultuurfondsen;
      4. technische wijzigingen in de Wet tot behoud van cultuurbezit en de
           Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970.
 Voordat de Raad kort de onderdelen 1.3 en 4 behandelt, wil hij bij het tweede punt
 uitgebreider stilstaan.
 De formulering die hier gekozen is (de criteria hebben in ieder geval betrekking op)
 suggereert dat alle criteria in cle regeling in ieder geval (ook) betrekking moeten hebben op
 het aandeel eigen inkomsten. Dat zou een zeer ingrijpende wijziging, om niet te zeggen
 algehele vervlakking. betekenen van het brede palet aan criteria waarop tot nu toe de
 plannen van de aanvragende instellingen worden getoetst. Dat roept wezenlijke vragen op
 over de onderlinge verhouding tussen en de weging van criteria.
Maar ook als de Raad cle bepaling opvat in de betekenis die er volgens de toelichting 01) het
wetsvoorstel aan moet worden gegeven namelijk dat dén van de criteria in de regeling
                                             —
altijd betrekking zal hebben op het aandeel eigen inkomsten       —  ook dan roept opneming
ervan in de wet vragen op niet betrekking tot de beoordeling en de onderlinge ‘erliouding
tussen de criteria.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>  raad voor cultuur                                                             paina: 2
  raad voor cultuur                                                                 201106245/2
  raad voor cultuur
    Want wat is de betekenis van het reit dat alleen de eigen inkomstennorm in de wet wordt
    opgenomen terwijl alle criteria die in de regeling zijn opgenomen verbonden zijn niet
    doelen waaraan de regering net zoveel belang hecht als aan eigen inkomsten?
    Dal kan bijvoorbeeld betekenen dat een hoog aandeel eigen inkomsten uiteindelijk
    doorslaggevend is voor subsidiëring, ook al blijven inspanningen op alle andere onderdelen
    ver achter.
    Nu de toelichting hierover zwijgt, dringt zich de gedachte op dat inderdaad sprake is van
    een rangorde als liet gaat om liet relatieve belang van de criteria. Dat roept dan weer de
    vraag op hoe dit zal doorwerken in het beoordelingskader.
   En hoe verhoudt zich dit voornemen tot artikel 3.7 van de regeling waarin staat dat er van
   cle criteria kan worden afgeweken in verband met geografische spreiding?
    De opzet van de wet in ogenschouw nernend, stelt de Raad vast dat tot nu toe alleen iii
   artikel 2 sprake is van een formulering ciie duidt op criteria.  1 Hier gaat het om doelen voor
   liet rijksbeleid waartoe de wet opdraagt en niet de beoordeling van aanvragen van
   i nstel Ii ugeil.
   Opneming van een nieuw criterium in een ander artikel roept de vraag op hoe dc beide
   artikelen zich qua belang van criteria tot elkaar verhouden.
  Bovenstaande vragen moeten naar de mening an de Raad eerst beantwoord worden
  voordat sprake kan zijn van een wetswijziging.
  De Raad heeft ook bezwaren van meer maatschappelijke en economische aard. Het kabinet
  wil dat culturele instellingen en kunstenaars ondernemender worden          . Ook de Raad vindt
                                                                              2
  dat   het   cultureel  ondernemerschap moet worden gestimuleerd, maar dan moeten de
  instellingen en kunstenaars hiervoor ook de mogelijkheden hebben. Op allerlei terreinen
  worden de. mogelijkheden voor instellingen andere. extra inkomsten te ‘verwerven juist
  ernstig ingeperkt: de kaartverkoop loopt terug door de crisis, er zijn forse lokale
  bezuinigingen, dalende inkomsten uit sponsoring en het Rijk heeft geheel contrair aan de
                                                                                        -
  doelstelling van het stimuleren van ondernemerschap een btw-verhoging ingevoerd.
                                                                     -                          3 Aan
  de   andere    kant zijn de stimulerende maatregelen van cle overheid nog gering.
 De onlangs verschenen brief Geefwer spreekt van een convenant tussen de filantropiesector
 en het kabinet. “Met de afspraken in het convenant wordt allereerst gestreefd naar liet
 verbeteren van de uitwisseling van kennis en informatie en liet verbeteren van de
 afstemming van beleid en 4        bestedingen.” Ook zult u samen niet uw collega van l-”inanciën
 een geefcampagne organiseren.
 De Raad adviseert krachtig in te zetten op de campagne maar ook om op korte termijn een
samenhangend pakket van belastingmaatregelen in te voeren clie cle cultuursector minder
 afhankelijk van subsidie maken. Bijvoorbeeld een belastingvoorziening clie het
1
    ‘Onze Minister is belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en
geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen; hij laat zich daarbi; leiden door overwegingen
van kwaliteit en verscheidenheid.”
2
   Brief Staatssecretaris van OCW, Nieuwe visie cultuurbeleid, p.2
  Zie ook het advies Noodgedwongen keuzen.
   Van 21 juni jl. Ook ondertekend door de Staatssecretaris van veiligheid en Justitie en de Staatssecretaris van
Financiën.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>   raad voor cultuur                                                         paina: 3
   raad voor cultuur                                                         rc-0l t 06215/2
   raad voor cultuur
    aantrekkelijk maakt voor cultureel ondernemers zich in Nederland te vestigen. meer ruimte
    voor publiek gefinancierde instellingen een buffervermogen aan te houden en extern
    kapitaal te verwerven. maar ook het fiscaal aantrekkelijker maken van kleine giften.
    En, hoewel cle Raad hier in herhaling moet vervallen, ook het lage btw—tarief is hierbij
    onmisbaar.
    Het ontbreken van een dergelijk pakket onderstreept naar de mening van de Raad nog eens
    het belang en de noodzaak van een geleidelijke invoering van marktwerkiiig en ersterking
   ondernemerschap, zoals hij al eerder bepleitte.
   Op   basis van het voorgaande concludeert de Raad dat opneming an de eigen
   inkomstennorm als enig criterium in de wet onduidelijkheid schept over liet belang van de
   andere criteria. Het is ook voorbarig nu uw voornemens rond de zo geheten gee/itet
   grotendeels onbekend zijn. laat staan dat hun effectiviteit kan worden beoordeeld. l)aarrnee
   legt het voorstel de inspanningen vooralsnog eenzijdig bij de instellingen.
   De Raad adviseert u dan ook af te zien van de wijziging c.ij. aanvulling van artikel 4a. Dit
   doet overigens niets af aan het belang dat u hecht aan de bevordering van eigen inkomsten
   c.q. terugdringing van subsidieafhankelijkheid als cén van de uitgangspunten van
   cultuurbeleid.
  Het lungjarig subsidieperspectief
  t-let langjarig subsidieperspectief is ingevoerd naar aanleiding van de beleidsnota Verschil
  iiiaken (september 2005). Daarin is gekozen voor een gedifferentieerd subsidieniodel dat
  bestaat uit drie categorieën. De eerste categorie betreft dc instellingen met een langjarig
  subsidieperspectief. Dit zijn sectorinstituten. cuhuurfondse.n, symfonieorkesten.
  operagezelschappen, dansgezelschappen en musea die een rijkscollectie beheren. De
 tweede categorie bestaat uit instellingen die voor een vierjarige rijkssubsidie in aanmerking
 komen, omdat zij een specifieke en structurele functie in de cultuursector ervullen. De
 derde categorie betreft instellingen die op grond van hun (artistieke) functioneren voor vier
 jaar gesubsidieerd worden door cultuurfondsen.
 De wijziging die hier aan de orde is, betreft de eerste categorie.
                                                                5 De Raad kan zich vinden
 in deze aanpassing waarmee het subsidiesysteeni weer flexibeler wordt. Hij plaatst er wel
 een paar kanttekeningen hij.
 Het langjarig subsidieperspectief is vrij recent geïntroduceerd, bij cle invoering van de
 Basisinfrastructuur 2009-20 12. Voordat de ctoorwerking geëvalueerd kan worden, wordt de
 wet al weer afgeschaft. En zelfs voordat de wetswijziging van kracht is, treedt cle regeling
clie ‘achter cle wet hangt’ al in werking. Dit. tast cle rechtszekerheid aan.
De betreffende instellingen zijn immers (mede) op basis van het langjarig
                                                —
subsiclieperspectief verplichtingen aangegaan. Een redelijke overgangsperiode was
                        —
volgens de Raad zorgvuldiger geweest.
5
Q  ok de derde categorie wordt aangepast — de fondsen zullen geen vierjarige subsidies meer gaan verlenen. De
periode betreft ten hoogste twee jaar.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur                                              pagina: 4
raad voor cultuur                                              rc-2011 .06245/2
raad voor cultuur
Cultuurfondsen
Het wetsvoorstel verklaart de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing op de
cultuurfondsen. De Raad ondersteunt dit voornemen, waardoor de besteding van
overheidsmiddelen transparanter wordt. De Raad heeft met instemming kennis genomen
van het feil dat artikel 22 van de Kaderwet niet van toepassing wordt verklaard op de
cultuurfondsen. De onafhankelijke besluitvorming van de cultuurfondsen blijft op deze
wijze gegarandeerd.
Wijzigingen in de Wet tot behoud van cultuurbezit en de Uitvoeringswet UNESCO­
verdrag 1970
De Raad is het eens met de technische wijzigingen in de Wet tot behoud van cultuurbezit.
De wijziging van artikel 8 van de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 heeft tot gevolg
dat de taak tot toezicht op de naleving van de wet geheel bij de Erfgoedinspectie berust. De
Raad is, evenals de wetgever, van mening dat die taak daar hoort .
Hoogachtend,
Wnd. voorzitter                                        Algemeen secretaris
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>