<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>raad vo OT cultuur RJ. Schimmelpennincklaan 3
raad Voor cultuur postbus 61243

2506 AE Den Haag

ra a d Voo r C u Itu u r telefoon +31(0)70 310 66 86
fax +31(0)70 361 47 27
e-mail cultuur@cultuur.nl

www.cultuur.nl

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
de heer drs. H. Zijlstra

Postbus 16375

2500 BJ Den Haag

datum: 07 JULI 2011

uw kenmerk: NA/11/7451

uw brief van: 14 april 2011

ons kenmerk: aca-2011.06148/5

onderwerp: Herziening Archiefwet 1995

Geachte heer Zijlstra,

In uw bovengenoemde brief verzocht u de Raad voor Cultuur vóór | juli 2011 te adviseren
over het concept voorstel van wet tot herziening van de Archiefwet 1995, zoals dat hem al
eerder door de algemene rijksarchivaris was toegezonden. Ook zond u daarbij alle tot dan
toe ontvangen reacties toe”, alsmede de tekst van het bestuursakkoord inzake de Regionale
Historische Centra, waaraan in het voorstel werd gerefereerd.

Op hoofdlijnen beoogt het voorstel de volgende wijzigingen van de Archiefwet 1995:
a. de zorg voor de provinciale archiefbescheiden wordt na overbrenging naar een
archiefbewaarplaats verplaatst van de minister van OCW naar gedeputeerde staten.

| Bij brief van 2 maart 2011, kenmerk: 7.135 had de algemene rijksarchivaris het voorstel om reactie aan de Raad
voorgelegd. Daarnaast werd dat voorstel door hem zonder onderscheid ook rechtstreeks om reactie aan een aantal
betrokken mstellingen uit het openbaar bestuur en het archiefwezen toegezonden. Tegelijkertijd is ook een
internetconsultatie gestart.

Bij brief van 31 maart 2011 (kenmerk: rc-201 1.06148/2) heeft de Raad een cerste (voorlopige) reactie gegeven.
Kern hiervan was de vraag of het bij dit verzoek wel om een formele adviesaanvraag, kon gaan. De Raad wees er
daarbij op dat de context van het verzoek (o.m. korte reactietermijn; het nog niet kennis kunnen hebben van de
reacties uit de samenieving; het ontbreken van de tekst van het (ontwerp) bestuursakkoord, waaraan in het voorstel
werd gerefereerd) niet strookte met de gebruikelijke context van een adviesverzoek in dit soort aangelegenheden.
Verder gaf de Raad op voorhand al enkele algemene overwegingen mee over het voorstel als zodanig alsmede
over de twee meest relevante onderdelen (deze komen in het advies verder aan de orde).

? Deze reacties waren afkomstig van: de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Branchevereniging
Archiefinstellingen in Nederland (BRAIN), de Koninklijke Vereniging van Archivarissen in Nederland (K VAN},
de Directeuren van de Regionale Historische Centra (RHC’s), het Landelijk Overleg van provinciale
archiefinspecteurs (LOPAI), alsmede het resultaat van de internetconsultatic. Later bleek dat het Interprovinciaal
Overleg (IPO) ook had gereageerd. De Raad heeft dit commentaar bij de overige reacties gevoegd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur
raad voor cultuur

pagina: 2
aca-2011.06148/5

b. de advisering door de Raad voor Cultuur over afzonderlijke ontwerp selectielijsten komt
te vervallen.

c. de advisering bij de overbrenging over de openbaarheid van decentrale
rijksarchiefbescheiden wordt verplaatst van de rijksarchivarissen naar de algemene
rijksarchivaris,

Gelijktijdig met dit adviesverzoek heeft de Raad ook uw adviesverzoek van 4 oktober 2010,
kenmerk NA/2010/5.907 over een nieuwe archiefselectiemethode behandeld. Integrale
onderdelen van die methode zijn het schrappen van de adviesfunctie van de Raad met
betrekking tot ontwerp selectielijsten archiefbescheiden en een nieuwe opzet van het
ambtelijke overleg ter voorbereiding van de samenstelling van deze lijsten. Inhoudelijk
passen de hierboven onder b en c genoemde onderdelen het beste in de context van dit
advies, Mede omdat inmiddels óók voor dat advies een termijn van 1 juli 2011 is gesteld,
heeft de Raad daarom besloten de beraadslaging over deze twee onderdelen bij de
voorbereiding van dat advies onder te brengen.

Op uw adviesverzoek over de wetswijziging zal de Raad dus in twee, elkaar aanvullende,
adviezen adviseren.

Samenvatting van dit advies

De Raad onderkent het specifieke doel (regeerakkoord) dat tot het wijzigingsvoorstel op het
punt van de verplaatsing van de zorg voor de provinciale archiefbescheiden na
overbrenging naar een archiefbewaarplaats van de minister van OCW naar gedeputeerde
staten aanleiding heeft gegeven.

De Raad acht dit voorstel echter nogal onvolledig uitgewerkt. Daarnaast acht hij deze
wijziging tegen de achtergrond van hetgeen in de op 30 juni jl. gepubliceerde archiefvisie
ten aanzien van het archiefbestel nog ontwikkeld moet worden prematuur. Hij meent deze
wijziging als zodanig dan ook te moeten ontraden.

Volgens de Raad is er voor de realisering van het beoogde doel een andere oplossmg
mogelijk en, met medewerking van alle betrokken partijen, ook (sneller) realiseerbaar. Hij
adviseert concreet om door middel van delegatie en een daarop geënte aanvulling van het
bestuursakkoord een voorziening te treffen op grond waarvan het voornemen uit het
regeerakkoord wordt geëffectueerd en waarmee dan, hangende een integrale herziening van
de Archiefwet 1995, op dit punt de nodige ervaring kan worden opgedaan.

Op de twee andere onderdelen van de beoogde wetswijziging komt hij terug in zijn advies
over de nieuwe archiefselectiemethode.

1. Het concept voorstel als zodanig: algemene beschouwing

Het voorliggende voorstel kwam om advies op een moment, dat allerwegen, vanuit
verschillende groepen (openbaar bestuur, archiefveld en gebruikerskring} gepleit werd voor
de ontwikkeling van een omvattende en integrale archiefvisie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur
raad voor cultuur

pagina: 3
aca-2011,06148/5

Hierin zouden voorstellen dienen te worden ontwikkeld voor de knelpunten die zich de
afgelopen tijd in het archiefbeleid inhoudelijk, procedureel en organisatorisch hebben
voorgedaan. De knelpunten zouden in evenwicht van betrokken belangen en doelen in
onderlinge samenhang behoren te worden geïnventariseerd en geanalyseerd. Indien nodig
zouden zij voor de komende jaren in een vernieuwde archiefwet worden vastgelegd.

In zijn Besteladvies Archieven van 27 april 2010 heeft ook de Raad op een dergelijke
planmatige aanpak van de noodzakelijke bijstelling en vernieuwing van de Archiefwet 1995
aangedrongen. In zijn voorlopige reactie op het verzoek om op het concept-wetsvoorstel te
reageren (brief van 31 maart 2011, zie hierboven) heeft hij hieraan gerefereerd en daaraan
de conclusie verbonden, dat hij “een meer principiële reflectie op de noodzaak van de
voorgenomen wijziging” mist. Bedoelde aanbeveling uit het Besteladvies is vervolgens
bevestigd in de Sectoranalyse Archieven, zoals opgenomen bij het op 19 mei 2011
uitgebrachte advies Bezuiniging cultuur 2013-2016.

Na het Besteladvies zijn door uw ministerie ter voorbereiding van de archiefvisie
themabijeenkomsten georganiseerd en wensen en suggesties verzameld. Daarmee werd een
proces ingezet dat volgens de Raad breed wordt gedragen.

Des te opvallender is het dat er in het concept voorstel niets over terug te vinden is. Noch in
algemene zin, noch bij de verschillende onderdelen wordt gerefereerd aan, of
teruggekoppeld naar het ontwikkelingsperspectief van een archiefvisie in spe. De noodzaak
tot deze wijziging wordt in de toelichting slechts verklaard uit concrete feitelijke
omstandigheden. De Raad betreurt dit gebrek aan reflectie in hoge mate, vooral omdat
zowel de archiefvisie als het voorliggende voorstel tot uw bestuurlijke
verantwoordelijkheid behoren.

Daags voor het verstrijken van de door u gestelde adviestermijn voor dit advies is de
archiefvisie in de vorm van een brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 30
juni 2011 gepubliceerd. In §5. Bestel, onderdeel Wetgeving wordt aan het voorliggende
wetsvoorstel in de context van een beoogd wetgevingproces gerefereerd. Bij de toetsing van
het voorstel komt de Raad hierop terug.

IL Specifieke onderdelen van het voorstel

Zoals hierboven gezegd, geeft de Raad in dit advies alleen zijn mening over het onderdeel
van de voorgenomen verplaatsing van de zorg voor de provinciale archiefbescheiden na
overbrenging naar een archiefbewaarplaats van de minister van OCW naar gedeputeerde
staten.

In de ontwerp Toelichting bij het voorstel wordt als achtergrond verwezen naar hetgeen u
op 6 december 2010 (Kamerstuk II, 2010-2011, 32 500 VIII, nr, 75) aan de Tweede Kamer
heeft geschreven: “In het regeerakkoord is opgenomen, dat ‘de Regionale Historische
Centra (RHC's)* worden gedecentraliseerd naar de provincies met een korting op het
budget van 25%’.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur
raad voor cultuur

pagina: 4
aca-201 1.061 48/5

Archieven die in de provincies door rijksorganen worden gevormd, worden daar bewaard in
RHC*s — net als provinciale archieven — maar zonder dat de provincies hieraan financieel
bijdragen. Ik ga samen met het ministerie van BZK en IPO en

VNG in overleg over een bestuurlijke en financiële vormgeving die recht doet aan de
verschillende verantwoordelijkheden, binnen het financiële kader van het regeerakkoord.
Mijn uitgangspunt is dat de Archiefwet zodanig wordt gewijzigd dat provincies, net als
andere overheden, verantwoordelijkheid voor beheer en toegankelijkheid van de eigen
overgedragen archieven gaan dragen”,

De combinatie van herijking van de organisatie van de zorg voor de overgebrachte
provinciale archiefbescheiden en de beoogde korting op het budget van de RHC’s gaat
rechtstreeks terug op het regeerakkoord. Daarnaast heeft de Raad echter moeten vaststellen
dat het organisatorische aspect, los van een beoogde bezuiniging, al eerder aan de orde is
geweest, in ieder geval ais volgt.

De “decentralisatie van de Regionale Historische Centra” is aan de orde gesteld in de
Notitie van minister Plasterk (OCW) d.d. 26 juni 2007 Kunst van Leven: Hoofdlijnen
Cultuurbeleid: “Voor (....) de Regionaal Historische Centra geldt dat we (= rijksoverheid
en provincies) gezamenlijk moeten verkennen op welke wijze decentralisatie mogelijk is”.
Daarna is dit voornemen in het Rapport van de commissie decentratisatievoorstellen
provincies (commissie Lodders; in opdracht van het ministerie van BZK) van 16 oktober
2008 overgenomen:

“Regionale Historische Centra (RHC's)

In de nota ‘Kunst van Leven’ wordt opgemerkt dat gezamenlijk verkend zal worden op
welke wijze decentralisatie van RHC’s mogelijk is. RHC’s zijn fusies van
rijksarchiefbewaarplaatsen in de provincie met andere culturele instellingen. De commissie
onderschrijft de decentralisatie en begrijpt dat de voorwaarden waaronder de decentralisatie
vorm kan krijgen, nog uitwerking vergen”. Verder adviseerde de commissie Lodders dit
voornemen in 2011 middels een wijziging van de Archiefwet te realiseren.

in het op 21 april 2011 tussen het Rijk, de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen
gesloten Bestuursakkoord 2011-2015 is in Hoofdstuk 7 (Capita Selecta) een paragraaf 7.2
Regionale Historische Centra opgenomen, waarin grondslagen en conclusies over dit punt
van overeenstemming zijn vastgelegd (zie hierover hierna meer). Daarbij is aangekondigd,
dat de “bestaande VNG-IPO-Rijk stuurgroep RHC’s vóór 1 juli 2011 besluitvorming
voorbereidt over een aantal nader aangegeven onderwerpen”.

Hieruit valt te concluderen dat er ter voorbereiding van dit akkoord een verkenning, zoals
gesuggereerd in de Notitie Kunst van Leven en overgenomen in de overwegingen van de
Commissie Lodders, heeft plaats gehad. Maar deze is dan wel binnen de relatieve
beslotenheid gebleven van de kring van de ambtelijke en bestuurlijke partijen die het
akkoord hebben voorbereid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur
raad voor cultuur

pagina: 5
aca-2011.06148/5

Als gevolg van die beslotenheid blijft onduidelijk, welke argumenten voor en tegen in die
verkenning een rol hebben gespeeld. Daarnaast is, getuige het inhoudelijke commentaar dat
op het nu voorliggende wetsvoorstel is uitgebracht, wel duidelijk dat bij deze verkenning in
ieder geval niet het archiefveld als zodantg betrokken is geweest of in de gelegenheid is
gesteld om inbreng te leveren.

Vanuit het regeer- resp. bestuursakkoord ligt er dus al met al een - in omgekeerde volgorde
- lijn naar het rapport van de Commissie Lodders en de Notitie Kunst van Leven. In het
voorstel blijft dit onvermeld, waardoor het voorstel het nodige inzicht in achtergrond en
herkomst ervan ontbeert.

HIL Kernpunt van het voorliggende voorstel

is wijziging van artikel 26, tweede lid, Archiefwet 1995: “In de hoofdplaats van elke
provincie is gevestigd een rijksarchiefbewaarplaats, welke is bestemd voor de bewaring van
de archiefbescheiden van de provinciale organen. Voorts is de rijksarchiefbewaarplaats in
de hoofdplaats van een provincie bestemd voor de bewaring van de archiefbescheiden van
de in die provincie gevestigde organen van het rijk, van de voormalige provinciale en
departementale besturen (enz.)”.

Opvallend in deze bepaling is dat de regeling van de bewaring in de provinciale
rijksarchiefbewaarplaatsen van de archiefbescheiden van de provinciale organen vooraf
gaat aan die van de archiefbescheiden van de in die provincie gevestigde rijksorganen,
alsmede van de voormalige provinciale en departementale besturen. De Raad beschouwt dit
meer dan alleen als reverentie aan de provinciale besturen: er is dus duidelijk sprake van
een door de wetgever aangegeven en gewaardeerde (bestuurlijke) volgorde. De
wetsgeschiedenis legitimeert deze vaststelling.

De in de 19° eeuw bestaande (1802-1877) provinciale archiefdepots zijn door een actief
beleid van de toenmatige rijksoverheid in het laatste kwart van die eeuw (1877-1890)
omgevormd tot rijksinstellingen. Daarmede werd de structuur gecreëerd waarop de huidige
organisatie van de archiefzorg van het rijk en de provincie nog steeds wortelt en in de
wetgeving sindsdien is vastgelegd: deze werd in de Archiefwet 1918, Stb. 378
gecodificeerd en bestendigd, in de Archiefwet 1962 nader uitgewerkt en in de Archiefwet
1995 gehandhaafd (met bijstelling ten aanzien van de rol van de provincie).

Als de voorgeschiedenis van deze wetten echter nader wordt beschouwd”, dan blijkt, dat bij
de voorbereiding en totstandkoming van élk van deze drie wetten wel steeds (en hoe jonger
de wet, hoe principiëler en grondiger) is gediscussieerd over het principe en de plek van
bewaring van de provinciale archieven. De rijksoverheid en wetgever hebben doelbewust
vastgehouden aan deze eind 19° eeuw in gang gezette ontwikkeling. Dat wil dus zeggen aan
de bewaring van provinciale archieven in een omgeving van de rijksarchieven in de
provincie“. Als meest actueel referentiepunt geldt uiteraard de Archiefwet 1995.

3 Voor een vollediger overzicht wordt verwezen naar de bestaande literatuur, vooral: F.C.J. Ketelaar, Archiefrecht
(Kluwer, Alphen a/d Rijn, 2001 ¢.v,j.), onderdeel A Archiefwet 1995, sub Artikel 26 en Artikel 29,

* Enkele memorabele feiten ter toelichting:
Bij de voorbereiding van de in 1968 in werking getreden Archiefwet 1962 is vermeldenswaard een brief van mr.
S.F. Fockema Andreae, lid van de commissie tot herziening van de Archiefwet 1918, van 7 oktober 1932. waarin
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur
raad voor cultuur

pagina: 6
aca-2011.06148/5

In zijn Nota Archiefbeleid (11, 1984-1985, 19068, nr. 2, blz. 19) koos de toenmalige
minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur nadrukkelijk voor handhaving van de
bestaande situatie.” Die keuze (er zijn geen goede redenen “om naast de bestaande
rijksarchiefbewaarplaatsen in de provincie afzonderlijke provinciale archiefbewaarplaatsen
op te richten”) ligt ook ten grondslag aan de Archiefwet 1995: “Zowel uit financieel
oogpunt, uit het gezichtspunt van de gebruikers, als uit een oogpunt van territoriaal
draagvlak moet geconstateerd worden dat de Nederlandse provincies te klein zijn voor drie
onderscheiden niveaus van openbaar archiefbeheer”. Daarbij wees hij ook nog naar de
beduidende overgangsproblematiek bij de splitsing tussen rijks- en provinciale archieven in
de praktijk (splitsing van soms complexe structuren die veel arbeidstijd zou vergen).

Als gebaar naar de provincies werd hen het in artikel 29 omschreven (bindende) adviesrecht
toegekend.°

Het voorliggende voorstel berust vooral op conciusies van bestuurlijke en financiéle aard:
de provincies behoren ten aanzien van de archiefzorg in dezelfde positie te komen als de
andere centrale en decentrale overheden en een korting van 25% op de bekostiging van
rijkswege op de RHC's.

hij pleit voor een regeling waarbij ook de zorg voor de overgebrachte archieven bij de provincies blijft berusten:
“de stelling, dat (...) de archieven door de provinciale besturen sedertdien (lees: sedert 1813) gevormd eigenlijk
Rijksarchieven zijn, lijkt me staatsrechtelijk volkomen onhoudbaar en voor de provinciale besturen
onaanvaardbaar” Dit met argumenten onderbouwde pleidooi is uitemdelijk niet door deze commissie
overgenomen en heeft dus niet het beoogde gevolg gehad. De Archiefwet 1962 (op basis van het ontwerp uit 1957)
bleef in dit opzicht de Archiefwet 1918 volgen. Dit zal ongetwijfeld (ook) te maken hebben met de omstandigheid,
dat op een vraag aan de colleges van gedeputeerde staten of zij behoefte hadden aan de mogelijkheid tot vestiging
wan een provinciale archiefbewaarplaats naast de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie, door de meerderheid
deze vraag toen ontkennend is beantwoord.

In de discussies ter voorbereiding van de Archiefwet 1995 is in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw
met tal van inhoudelijke en bestuurlijke argumenten lang en uitvoerig over de relatie tussen rijk en provincies op
het stuk van de archiefzorg gediscussieerd, Daarbij ging het vooral om de vraag of de bestaande
rijksarchiefbewaarplaatsen in de provincie zouden moeten worden omgezet tot provinciale archiefbewaarplaatsen
dan wel of naast die rijksarchiefbewaarplaatsen provinciale archiefbewaarplaatsen moesten worden gesticht. Die
discussie heeft o,m, zijn neerslag gevonden in de Discussienota Archiefbeleid van de Commissie Nota

Archiefbeleid (1982).

5 Die keuze wordt nog scherper uitgelijnd als deze wordt vergeleken met een eerder standpunt van deze minister.
In zijn Voorlopig standpunt met betrekking tot de Discussienota Archiefbeteid (1982, zie vorige voetnoot) het hij
aanvankelijk weten, te kiezen voor de volledige doorwerking, van het principe, dat “Archieven van
overheidsorganen (...) de tastbare neerslag (zijn) van het bestuur en de belichaming van de continuïteit daarvan.
Hieruit vloeit voort, dat de organisatie van het openbare archiefwezen afgestemd dient te zijn op de organisatie van
het overheidsbestel. In concreto betekent dit, dat in principe iedere overheidslaag blijvend de zorg draagt voor zijn
archieven: archieven van de ene bestuurslaag komen derhalve niet in aanmerking voor overdracht (noch bij wijze
van decentralisatie noch bij wijze van centralisatie van bestuurstaken) aan een andere bestuurslaag”.

Op basis hiervan sprak hij zich uit om “de provincies de zorg voor en het beheer van de archieven van de
Commissaris der Koningin en van de (overige) provinciale organen, gevormd sedert het ontstaan van de provincies
in 1814, blijvend in eigen hand dienen te krijgen en te nemen. Daartoe zou wel als minimumeis moeten worden
gesteld een voor de bewaring van de over te brengen archieven bestemde bewaarplaats. Hoewel ik de
wenselijkheid van de aanstelling van een gekwalificeerd provinciale archivaris gaarne onderken, acht ik het niet
opportuun deze aanstelling wettelijk te verplichten. (.....) De archieven van de voormalige provinciale en
gewestelijke besturen, wier rechten en verplichtingen bij de vorming van de eenheidsstaat zijn overgegaan naar de
tijksoverheid, blijven daarentegen bij de rijksarchiefdienst berusten”

"$ Deze bepaling luidt:
1, Gedeputeerde staten kunnen Onze minister voorstellen doen omtrent het beheer van de in een
rijksarchtefbewaarplaats berustende archiefbescheiden van de provinciale organen.
2. Onze minister wijkt van dat voorstel niet af dan na overleg met gedeputeerde staten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur
raad voor cultuur

pagina: 7
aca-2011.06148/5

Naar het oordeel van de Raad vergen deze conclusies echter nadere uitleg en
onderbouwing. In het bijzonder pleit hij er vaor, dat alsnog, de stellige argumenten, die
rijksoverheid en wetgever destijds in het bijzonder bij de totstandkoming van de Archiefwet
1995 hebben gehanteerd worden getoetst om de ratio van de omslag in het denken over de
principiële structuur van archiefzorg- en beheer te verduidelijken en te legitimeren. Juist
omdat inzicht hierover ontbreekt, wekt het voorstel ogenschijnlijk de indruk van een zeker
gemak waarmee het Rijk feitelijk decennia lang gekoesterd beleid ter zijde schuift.

Bij deze nadere noodzakelijke toetsing gaat het dus, nogmaals gezegd, om de volgende
criteria: “Zowel (1) uit financieel oogpunt, (2) uit het gezichtspunt van de gebruikers, (3)
als uit een oogpunt van territoriaal draagvlak moet geconstateerd worden dat (4) de
Nederlandse provincies te klein zijn voor drie onderscheiden niveaus van openbaar
archiefbeheer”.

In feite kan, zo meent de Raad, pas na deze toetsing een afsluitende mening over de
opportuniteit van het voorstel worden gevormd.

De Raad is vervolgens verbaasd over het ontbreken in het voorstel van een referentie aan de
voorstellen van de Commissie Oosting betreffende een concrete verandering van de wijze
waarop in het provinciale archieftoezicht zou moeten worden voorzien. Dit, terwijl daar
genoeg aanleiding voor is, ook omdat deze voorstellen inmiddels in de vorm van een
voorstel van wet (voorstel van Wet revitalisering generiek toezicht) bij de Tweede Kamer
der Staten-Generaal aanhangig zijn gemaakt (11, 32 389, nr. 8, Nota van Wijziging van 10
mei 2011)*. Zonder daarop in detail in te gaan, merkt de Raad hierover op, dat de daarin
opgenomen wijziging van de Archiefwet 1995 vanuit een oogpunt van wenselijk te achten
archiefbeleid een nogal technocratisch karakter heeft (want vooral gericht op een andere
invulling van het toezichtstelsel ais zodanig, dus zonder specifiek rekening te houden met
de belangen waartoe het toezicht dient). Ook dit is derhalve een punt van nadere toetsing;
hierop wordt hierna teruggekomen.

IV. Toetsing van het voorliggende concept wetsvoorstel
1. Context en randvoorwaarden van de toetsing
Op grond van bovenstaande overwegingen meent de Raad de opportuniteit (noodzaak,
moment en inhoud} van de omvang van het voorstel aan de volgende drie thema’s in
onderlinge samenhang te moeten toetsen:

-  dealgemene opvatting van de Raad over het beste moment van actualisering van

de Archiefwet als zodanig,
- de grondslag (bestuurlijk, financieel en inhoud) van het voorstel,
- de wijze waarop die grondslag concreet is uitgewerkt.

7 De eerder aangeduide overgangsproblematiek is hier weggelaten, omdat deze, hoewel complex, in principe
slechts tijdelijk van aard is.

* Specifiek gaat het hierbij — kort gezegd - om enerzijds wijziging van artikel 7 van de wet (met compensatie van
een nieuwe voorziening conform het Archiefbesluit) en anderzijds — vooral voor dit advies relevant - de
schrapping, van de artikelen 33/34 (gemeenten) en 38/39 (waterschappen) en de introductie van een nieuw artikel
38 {eveneens waterschappen).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur
raad voor cultuur

pagina: 8
aca-2011.06148/5

De algemene opvatting van de Raad ligt uiteraard besloten in zijn hiervoor benoemde
Besteladvies.

In dat advies heeft de Raad, kort samengevat, om verschillende, zowel inhoudelijke als
organisatorische redenen, afgeraden om “halverwege de grote transitie die het archiefwezen
thans doormaakt ook de archiefwet zelf aan te pakken”. Binnen de Nederlandse
verhoudingen achtte hij het eigenlijk “vruchtbaarder om eerst een nieuw evenwicht te laten
Ontstaan om die vervolgens in wetgeving te bestendigen”. Voor het overige wordt naar
onderdeel 3.4.1. van dat advies verwezen. De strekking van dit advies onderschrijft de Raad
nog steeds. Hierna zal hij deze opvatting nader toetsen aan de zojuist verschenen
Archiefvisie.

Voor wat betreft de andere thema’s merkt hij het volgende op.

De grondslag voor de voorgenomen overdracht door het rijk van de zorg voor de
overgebrachte provinciate archiefbescheiden is, voor zover de Raad daarvan op de hoogte is
(Kunst van Leven, Commissie Lodders, regeer- en bestuursakkoord), vanuit een algemeen
bestuurlijk en financieel perspectief ingegeven. Het belang van de daarbij betrokken
archieven vormt in ieder geval geen specifiek punt van aandacht en overweging.

Aard en omvang van de onderhavige toetsing wordt overigens niet alleen bepaald door de
vraag of het rijk de zorg voor de overgebrachte provinciale archiefbescheiden aan de
provinciale overheid zou moeten overdragen, maar ook door het feit, dat het rijk vanuit zijn
bestaande verantwoordelijkheid de zorg voor en het beheer van die archiefbescheiden in de
samenwerking met andere overheden en derden van particuliere huize in RHC’s heeft
ingebracht. Daardoor zijn deze bescheiden deel geworden van de infrastructuur, die deze
RHC’s ten aanzien van het gebruik en de raadpieging van deze bescheiden door
onderzoekers (vakman en amateur) en andere belangstellenden beogen te bieden. Door de
overdracht van de provinciale archiefzorg worden deze bestanden uit die
samenwerkingsverbanden gelicht, waardoor aan die infrastructuur als zodanig afbreuk
wordt gedaan en herstel daarvan aan een vrije beslissingsbevoegdheid (“freies Ermessen”)
van de provinciale overhetd wordt overgelaten. De ontwerp-MvT bij het conceptvoorstel is
daarover duidelijk: “De taken en bevoegdheden van het Rijk die met dit voorstel naar de
provincies gaan (ter uitvoering, van de decentralisatieopdracht uit het Regeerakkoord 2010),
kan het Rijk niet langer inbrengen in de RHC’s. De provincies kunnen dat natuurlijk wel,
Wat blijft is immers dat de RHC’s kunnen werden benut als de juridische structuur
waarbinnen zorg/beheer over de provinciale archiefbescheiden na overdracht plaatsvindt “.
Ook dit aspect zal dus moeten worden getoetst. In het Bestuursakkoord zijn hierover zaken
vermeld die belangrijk zijn om ter harte te nemen (meer hierover in het navolgende).

Voor wat betreft het aspect van de decentralisatie, wordt ten deze overigens gerefereerd aan
de opvatting van het [PO in diens reactie op het voorstel, dat de overdracht van de

zorgplicht voor het eigen archief géén decentralisatie (curs. RvC) is, maar wel in lijn met

de afspraken over de RHC’s in het Bestuursakkoord 2011-2015. De Raad conformeert zich -
aan deze opvatting,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur
raad voor cultuur

pagina: 9
aca-2011.06148/5

In het bestuursakkoord wordt met betrekking tot de Regionale Historische Centra wel
gerefereerd aan een typisch “arehiefkader”, maar de uitwerking ervan ontbreekt. Verder
bevat dat akkoord alleen de (op macroniveau) bereikte conclusies van de bereikte
overeenstemming. Voor de toetsing acht de Raad vooral deze van belang:

~ Rijk, IPO en VNG onderschrijven gezamenlijk het belang van de taken van de RHC’s.

- de rijksbijdrage aan de RHC’s wordt met 5 miljoen gekort (= kennelijk de 25% van het
Regeerakkoord).

- het kabinet zal de Archiefwet 1995 terzake van de zorg, voor de overgebrachte provinciale
archieven aanpassen.

- provincies gaan per 1 januari 2012 meebetalen aan de 11 RHC’s en — voor Zuid-Holland —
het Nationaal Archief.

- het Rijk blijft deelnemen aan de RHC’s.

- provincies zijn vrij om tot de RHC’s toe te treden dan wel hun bijdrage te leveren in de
vorm van een bekostigingsrelatie met het RHC. Provincies zetten de uitvoering van de
archiefzorg voort bij de RHC’s.

- na een periode van 4 jaar zullen de effecten van de samenwerking in de RHC’s door Rijk,
IPO en VNG gezamenlijk en door de samenwerkende partijen per RHC worden
geëvalueerd.

Deze conclusies brengen weliswaar de omslag in het denken over de organisatie van de
zorg voor de provinciale archiefbescheiden aan het licht, maar geven, bij gebrek aan inzicht
over een onderliggende verkenning (zie hiervoor), onvoldoende inzicht in de daaraan ten
grondslag liggende inhoudelijke analyse met de argumenten voor en tegen.

Dit ervaart de Raad te meer als een gemis, omdat die conclusies in feite haaks staan op de
argumenten die nog bij de Archiefwet 1995 met politieke en bestuurlijke overtuiging over
handhaving van de bewaring van provinciale rijksarchieven in een rijkssetting zijn
gehanteerd. Omwille van de noodzakelijke transparantie, inzicht in de ontwikkeling en
bestuurlijke continuïteit zou zo’n specifieke toetsing van die argumenten aan huidige
inzichten dus wel op zijn plaats zijn geweest.

2. Concrete toetsing van het concept wetsvoorstel

Zoals gezegd, is op 30 juni jl. de Archiefvisie gepubliceerd. In deze visie wordt in
onderdeel Wetgeving van 85. Bestel opgemerkt, dat het kabinet “voorstander is van
modernisering van de Archiefwet, in kleinere stappen, zonder grote ingrepen”. Wat in dit
verband onder “klein”respectieveliik “groot’moet worden verstaan wordt echter niet
uitgewerkt. Verder wordt slechts verwezen naar het in dit advies beschouwde concept
wetsvoorstel en naar de in de bijlage van de archiefvisie vermelde wijziging van de
archiefregelgeving.

De Raad merkt allereerst op dat de archiefvisie door haar opzet en inhoud meer het karakter
heeft van een strategische agenda dan een inhoudelijk uitgewerkte visie op wenselijk beleid
_ ten aanzien van de archieven. In baar opzet is deze visie meer een inventarisatie van
agendapunten dan een toekomstperspectief voor een vitaal “bij de tijd te brengen” van
archiefwezen en archiefwet. Anders gezegd, de archiefvisie gaat feitelijk alleen over
oplossingen. In dat opzicht beantwoordt de visie niet aan de verwachtingen van de Raad.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur
raad voor cultuur

pagina: 10
aca-2011.06148/5

Dit advies is echter niet de plaats om over de archiefvisie als zodanig een standpunt uit te
werken. De Raad sluit op voorhand niet uit, dat hij later op de archiefvisie als zodanig zal
reageren.

Voor wat betreft het archiefbestel lijkt de archiefvisie te suggereren dat er omtrent
eventuele aanpassing van het bestel op korte termijn slechts specifieke aanleiding bestaat
om tot wetaanpassing te komen. De Raad constateert daarentegen een andere werkelijkheid.
Het bestel, zoals vastgelegd in de Archiefwet 1995, vraagt op alle overheidsniveaus door
Organisatorische èn inhoudelijke ontwikkelingen zowel binnen als buiten de sector om
bijstelling en vernieuwing. De Raad verwijst daarbij naast naar zijn eigen adviezen ook
naar de reacties, commentaren en voorstellen uit bestuurlijke kringen en het archiefveld die
ter voorbereiding van zowel de archiefvisie als in het kader van dit concept wetsvoorstel
zijn ingebracht. In die inbreng zitten tal van significante signalen en argumenten, die
nadere, integrale en grondige discussie verdienen alvorens het komt tot formulering van een
aanpassing van de wet.

De Raad acht het - onder verwijzing naar eerder genoemd Besteladvies - van belang en
geboden, dat de nu voorliggende visie eerst verder wordt uitgewerkt in een samenhangende
inhoudelijke visie over de wenselijke inrichting van het archiefbestel op alie betrokken
overheidsniveaus. Hierbij spelen zowel bestuurlijke als inhoudelijke factoren en belangen
een rol, De uitkomst van deze discussie kan dan vervolgens in wetsaanpassing haar
integraal beslag krijgen.

Tegen deze achtergrond acht de Raad maar één conclusie mogelijk: het heden is nog niet
het geëigende moment voor een actualisering van de Archiefwet 1995. Vanuit dit
perspectief gezien wordt het voorliggende voorstel daarom ontraden.

De Raad beseft daarentegen dat het wetsvoorstel uiteindelijk vooral is bedoeld ter
realisering van een politiek-bestuurlijk voornemen uit het regeerakkoord. Hij heeft daarom
het concrete voorstel nader op deze specifieke belangen bekeken. De Raad heeft daarbij
ook de mogelijkheid van een alternatief betrokken, waarbij het voorstel en de uitwerking
van een brede inhoudelijke archiefvisie ten aanzien van het bestel meer met elkaar in
verbinding en overeenstemming worden gebracht.

In het voorliggende voorstel wordt aangestuurd op een specifieke wijziging van de
Archiefwet. Op zich maakt het voorstel duidelijk, waarom deze wijziging, wordt
voorgesteld, maar — zoals de Raad hierboven reeds heeft vastgesteld — mist het door enkel
te refereren aan het regeerakkoord qua proces en inhoud de historische diepgang en
transparantie die het betrokken thema op zich verdient. Daarnaast is niet duidelijk waarom
de beoogde wijziging zó dringend en dwingend is, dat elke verwijzing naar de ontwikkeling
van een over-all archiefvisie onvermeld zou kunnen blijven. In die context kan, zo vreest de
Raad, het voorliggende voorstel eerder een vertragende breuk, dan een versnellende

constante in de uitwerking van de nu voorliggende archiefvisie opleveren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur
raad voor cultuur

pagina: 11
aca-2011.06148/5

AI was het maar omdat de verdere voorbereiding en behandeling van het wetsvoorstel nog
veel tijd en energie van vele direct betrokkenen zal vergen, tijd en energie die - zeker in een
tijd van krapte en bezuinigingen - beter aan de verdere ontwikkeling van de archiefvisie
zouden kunnen worden besteed.

De Raad voelt zich in deze opvatting gesterkt door aard en inhoud van de op het concept
wetsvoorstel binnengekomen reacties. Daarin wordt een aantal kiemmende algemene en
specifieke vraagtekens en knelpunten geplaatst ten aanzien van de grondslag, consistentie
en uitwerking van het concept wetsvoorstel. Details en nuances daargelaten, hebben deze -
in samenvatting gezegd - grosso modo de volgende kritische thema’s gemeenschappelijk:
- gemis aan samenhang, waarbij met name wordt verwezen naar de toen nog in
voorbereiding zijnde Archiefvisie en de consequentie van de voorstellen van de commissie
Oosting,

- onduidelijkheden en onwenselijkheden in (de context van) het voorstel: de
vrijblijvendheid van de benoeming van een provinciearchivaris, de toekomstige positie van
de RHC’s, de zorgvuldige en vakbekwame regeling van intern en extern archieftoezicht.
Ondanks het inmiddels verschijnen van de archiefvisie, zijn deze reacties nog steeds
actueel, omdat anders dan verwacht, die viste meer agenderend dan inhoudelijk is en dus
ook niet op deze reacties ingaat.

De Raad acht in bedoelde reacties voldoende de specifieke kritiek benoemd, waartoe het
concept wetsvoorstel aanleiding geeft. Als zodanig heeft hij geen aanvullende of
afwijkende opmerkingen, maar wil hij zich in hierboven samengevatte zin aan die reacties
conformeren.

In dit verband refereert de Raad in het bijzonder met instemming aan de reactie van het IPO
- als in deze aangelegenheid, naast de rijksoverheid, de meest betrokken actor - op het
concept-wetsvoorstel: “De Archiefwet 1995 wordt vanuit verschillende invalshoeken op
onderdelen aangepast. Naast dit wetsvoorstel worden ook vanuit het interbestuurlijk
toezicht (Revitalisering Generiek Toezicht) en vanuit de Archiefvisie wijzigingen
voorbereid. Dit brengt risico's met zich mee voor de samenhang van het archiefbestel. De
Archiefvisie zou sturend moeten zijn voor de aanpassing van de Archiefwet. Deze dient
derhalve te worden vastgesteld, voordat wijziging van de Archiefwet plaatsvindt (curs.
RvC)”.

Voor de Raad is daarom de primaire vraag of de in het regeerakkoord aangekondigde
lineaire wetswijziging de enige en tevens meest geëigende oplossingsrichting is om de
bezuinigingsdoelstelling in kwestie te kunnen halen.

De Raad meent deze vraag in de context van de nog noodzakelijke uitwerking van een
integrale archiefvisie en in de context van de veelheid van specifieke kritiek die op het
voorliggende voorstel in de verschillende reacties is uitgebracht ontkennend te moeten
beantwoorden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur
raad voor cultuur

pagina: 12
aca-2011.06148/5

Hij is niettemin van oordeel, dat alsnog gezocht kan en moet worden naar

een oplossing, waarbij enerzijds de doelen van het regeerakkoord recht kunnen worden
gedaan en anderzijds rekening wordt gehouden met de verschillende intrinsieke belangen
van een gewenste integrale actualisering van het archiefbeleid met bijbehorende aanpassing
van de Archiefwet 1995.

Voor een dergelijke oplossing meent de Raad voidoende grondslag in het bestuursakkoord
te vinden.

De hierboven aangehaalde onderdelen van het bestuursakkoord zijn, met uitzondering van
de daarin bedoelde wijziging van de Archiefwet 1995, in feite “louter” bestuurlijke
thema’s, thema’s die op zich geen wetaanpassing vergen. Belangrijk acht de Raad het punt,
waarbij de provincies toezeggen “de uitvoering van de archiefzorg voort (te zetten) bij de
RHC’s”. Als op deze wijze de provinciale archieven (vooralsnog, in ieder geval voor de
voorziene evaluatieperiode van vier jaar) blijven ingebed in de infrastructuur van de RHC's
is dat (los van de bedrijfsmatige efficiency voordelen) in het voordeel van een goede en
zorgvuldige bewaring van de archieven zelf en de belangen van alle daarbij betrokken,
onder wie niet in het minst de onderzoeker/gebruiker van de archieven.

De vraag is of deze thema’s zonder de beoogde wetswijziging geëffectueerd zouden kunnen
worden, of, anders gezegd: is wetswijziging onvermijdelijk vereiste voor de realisering van
de bestuurlijke thema’s?

De Raad wil deze vraag op een andere wijze dan het voorliggende concept wetsvoorstel
beantwoorden. Hij neemt daarbij als randvoorwaarden de hierboven weergegeven opvatting
van het IPO op het voorstel, in het bijzonder dat de vaststelling van een uitgewerkte
archiefvisie aan wijziging van de wet vooraf dient te gaan. Verder sluit hij aan bij de in het
bestuursakkoord voorziene evaluatie: na een periode van 4 jaar zullen de effecten van de
samenwerking in de RHC’s door Rijk, IPO en VNG gezamenlijk en door de
samenwerkende partijen per RHC worden geëvalueerd.

De Raad stelt voor om deze twee aspecten in een aanvullende wijziging van het
bestuursakkoord bij elkaar te brengen.

VI. Conclusie en advies

In het model dat de Raad voor ogen staat wordt binnen de bestaande wettelijke situatie, dus
zonder voorafgaande wetswijziging, een proefondervindelijke periode vastgelegd, waarbij
rijk en provincie afspreken, dat (hoewel het rijk juridisch vooralsnog de zorgdrager blijft
voor de overgebrachte provinciale archieven) de provincie op titel van delegatie juridisch
en feitelijk deze verantwoordelijkheid op zich neemt. Het rijk beperkt zijn zorgtaak tot
uitvoering van het provinciale archiefzorgbeleid voor haar overgebrachte
archiefbescheiden.” De Raad gaat er vanuit dat de provincies hun in dat akkoord
overeengekomen financiële bijdrage zullen leveren, omdat deze aanbeveling uitsluitend
betrekking heeft op aanpassing van het punt van de beoogde wetswijziging (en dus niet op
de andere in het bestuursakkoord vermelde afspraken).

* De Raad wijst ten deze ook op het reeds in artikel 29 Archiefwet 1995 voorziene adviesrecht van de provincie.
Hoewel van beperkter strekking dan het door hem gedane voorstel, kunnen de daarmee opgedane ervaringen
wellicht (de Raad zelf is niet op de hoogte van de mate waarin provincies daadwerkelijk van dat adviesrecht
gebruik hebben gemaakt) ook bij deze aanvullende afspraken worden betrokken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur
raad voor cultuur
raad voor cultuur

pagina: 13
aca-2011.06148/5

Volgens de Raad is een dergelijke tijdelijke voorziening een verantwoorde investering om
later tot betere wetgeving te komen. De stelligheid van de reeds door betrokken actoren in
bestuursakkoord en reacties op het voorliggende herzieningsvoorstel uitgesproken
uitgangspunten beschouwt de Raad op voorhand als waarborg voor haalbaarheid en
effectiviteit ervan.

Uiteraard vergt dit nadere uitwerking in de vorm van afspraken over wederzijdse rechten,
verantwoordelijkheden en verplichtingen en te voeren beleid, wellicht volledigheidshalve
zelfs een geschillenregeling, Heel specifiek valt bijvoorbeeld te denken aan het feit dat de
provincie in het bestuur van de RHC een nadere positionering zou moeten krijgen (als
daarin nog niet voldoende adequaat is voorzien). Verder zullen praktische zaken moeten
worden uitgewerkt (hetgeen, naar de Raad aanneemt, ook zonder meer aan de orde zou zijn
bij toepassing van het voorliggende bestuursakkoord). Uiteraard is de Raad bereid om u
over deze nadere uitwerking te adviseren.

Per saido kan deze proefondervindelijke constructie voor de komende jaren enerzijds
invulling geven aan de bezuinigingsdoelstelling van het regeerakkoord, en anderzijds aan
het verwerven van inzicht en kennis over hoe een en ander, vooral de wijziging van de
archiefzorg, in de praktijk uitwerkt (in termen van het Bestuursakkoord: grondstof voor de
evaluatie na een periode van vier jaar). Voorts wordt ruimte gecreëerd voor een meer
doorgedachte invulling van de benoeming van een gekwalificeerd archivaris bij de andere
overheden alsmede van het intern en externe archieftoezicht. Tenslotte kunnen deze
aspecten op hun beurt weer worden ingebed in de door hem bepleite over-all benadering
van de voor de toekomst wenselijk geachte organisatie van het archiefwezen, ofwel de
besteldiscussie.

De Raad wijst er op dat in zijn voorstel de doelstellingen van het regeerakkoord sneller
worden gehaald en wellicht ook ingeboekt.'° Het traject van wetswijziging met alle
procedures van dien kan immers vooralsnog achterwege blijven.

Voor alles acht de Raad echter als voordeel dat de nu beoogde wetswijziging geen
hypotheek op de nog te ontwikkelen uitwerking van de archiefvisie kan gaan vormen. De
visie kan verder onbelast voorbereid, bediscussieerd en vastgesteld worden. Nieuwe
inzichten omtrent provinciale archiefzorg en provinciaal archieftoezicht lopen niet tegen
een mogelijk beletsel aan door al eerder bij aanpassing van de Archiefwet betrokken te zijn.
Tevens kunnen de gevolgen van de voorstellen van de Commissie Oosting nog eens tegen
het licht worden gehouden, ook al zijn deze inmiddels al in wetgevingsvoorstellen vertaald.
Op die manier vindt dus, zij het breder, de verkenning plaats zoals bedoeld in Kunst van
Leven.

"De Raad gaat er daarbij vanuit, dat de in het regeerakkoord genoemde bezuiniging van 25% op de RHC’s
overeenstemt met het in het (op macroniveau) in het Bestuursakkoord benoemde bedrag van € 5 miljoen, dat (op
hasis van een nadere toerekening per RHC) voor rekening van de provincies zal komen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>raad voor cultuur pagina: 14
raad voor cultuur aca-2011.06148/5
raad voor cultuur

Concluderend kiest de Raad in plaats van de beoogde lineaire wetswijziging voor een
flexibel tussenmodel, waarbij de doelstelling van het regeerakkoord kan worden
gerealtseerd en betrokken partijen kunnen uitgroeien naar nieuwe bestuurlijke
verhoudingen. Op basis van evaluatie is bijstelling op niet al te gecompliceerde wijze
mogelijk. De plannen kunnen voorts worden ingebed in een verdere gedachteontwikkeling
over de vormgeving van provinciaal archiefbeleid (in het bijzonder op het gebied van het
toezicht), Tenslotte kan hetgeen nu voorligt in de bredere context van een uit te werken
integrale visie op het toekomstige archiefbestel met een evenwichtige structuur van checks
& balances worden ingebracht.

De Raad ts van mening, dat zijn aanbevelingen over een tussenmodel meer dan het
voorliggende voorstel tot wetaanpassing verschillende, wellicht zelfs onderling
tegenstrijdige, zaken met elkaar zou verenigen en dus, mi en op langere termijn, de
ontwikkeling van een integrale en complementaire uitwerking van de archiefvisie tot
voordeel zou strekken').

Els H. Swaab ne

wnd. Voorzitter Algemeen secretaris

Hoogachtend,

u Dit advies is voorbereid door de Algemene commissie Archieven van de Raad. Mevrouw drs. M. Loef, lid van
deze commissie, heeft ter voorkoming van de schijn van belangenverstrengeling (het voorliggende concept
wetsvoorstel heeft immers ook betrekking op de positie van haar (hoofd)functie als provinciale inspecteur der
archieven) aan deze voorbereiding niet deelgenomen. Vanuit het secretariaat van de Raad is mr. L. Lieuwes als
ambtelijk adviseur bij de voorbereiding van dit advies betrokken geweest.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>