<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>        Advies
  bezuiniging cultuur
      2013-2016
Noodgedwongen keuzen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Samenvatting advies				        4
Vooraf 											             11
Uitgangspunten					            13
Criteria											            13
Rol van rijksoverheid, fondsen
en andere overheden 			        16
Cultureel ondernemerschap		    17
Bezuinigingen						            19
De nieuwe culturele
infrastructuur per sector			   21
Consequenties						            44
Overzicht gesprekspartners		   47
                                  3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
  Advies bezuiniging cultuur 2013 – 2016
  In dit advies doet de Raad voor Cultuur voorstellen voor een nieuwe infrastructuur
  van culturele instellingen, waarvoor het budget € 125 miljoen lager ligt dan bij de
  huidige basisinfrastructuur. De adviesvraag van de staatssecretaris stelde de Raad voor
  de uitzonderlijke opdracht meer dan een kwart te bezuinigen op het bestaande budget.
  De voorstellen die de Raad doet zijn ingrijpend. Wanneer deze worden uitgevoerd,
  zal het culturele aanbod aanzienlijk verschralen. Toegangsprijzen gaan fors omhoog
  met als gevolg dat minder mensen naar voorstellingen en tentoonstellingen gaan. De
  werkgelegenheid van enkele duizenden werknemers en minstens zo veel zzp’ers in de
  culturele sector en aanpalende sectoren komt op de tocht te staan. De kansen voor
  toptalent zullen sterk verminderen en de mogelijkheden voor innovatie en experiment
  lopen terug.
  De Raad heeft geprobeerd de voorstellen zodanig in te richten dat de schade enigszins
  kan worden beperkt. Aan zijn advies verbindt de Raad de voorwaarde dat de staats-
  secretaris voor invoering van de nieuwe infrastructuur een overgangstermijn neemt die
  loopt tot 2015. Een gefaseerde invoering opent de mogelijkheid voor rechtspositionele
  maatregelen die minder duur hoeven te zijn, en biedt meer ruimte aan instellingen,
  individuele kunstenaars en overige zelfstandigen om andere markten en exploitatievor-
  men te vinden. In een aantal sectoren is deze overgangstermijn ook nodig om omvang-
  rijke stelselveranderingen door te voeren.
  Daarnaast pleit de Raad voor voortzetting van de cultuurkaart voor jongeren, zo nodig
  in een gewijzigde en meer toegesneden vorm. Daarmee sluit de Raad aan bij de plan-
  nen van de staatssecretaris, waarin cultuureducatie centraal staat. Ook benadrukt de
  Raad nogmaals dat een terugkeer naar het BTW-tarief van 6% noodzakelijk is om de
  eigen inkomsten in de gesubsidieerde sector te kunnen verhogen.
  Nieuwe infrastructuur
  De Raad heeft gekozen voor een kleinere infrastructuur, waarin per sector het aantal
  instellingen of voorzieningen wordt vastgelegd dat in aanmerking kan komen voor de
  uitvoering van een bepaalde taak of functie. De beperkte omvang van deze infrastruc-
  tuur en de sectorale opbouw ervan maken het noodzakelijk dat alle instellingen daarin
  een perspectief van tenminste vier jaar subsidie krijgen.
  De ketenbenadering is een leidend principe bij de inrichting van de nieuwe infrastruc-
  tuur: een redelijke spreiding van activiteiten die de essentiële schakels vormen in de
  keten van creatie, productie, distributie, toegankelijkheid en beleving van culturele
  uitingen. De Raad is voorstander van een vereenvoudiging van de beoordelingssyste-
  matiek. Hij zal hiervoor op een later moment voorstellen doen.
  Criteria
  Voor opneming in de nieuwe infrastructuur vindt de Raad de volgende beoordelings-
  criteria relevant.
  • Kwaliteit: vakmanschap, zeggingskracht, ontwikkeling/vernieuwing.
  • Publiek: het aantal betaalde bezoeken, maar óók de breedte en het bereik van
     verschillende groepen qua achtergrond, interesse, leeftijd, levensfase, opleiding etc.
  • Ondernemerschap en eigen inkomsten: een percentage aan eigen inkomsten als in
     stapnorm voor de infrastructuur vindt de Raad redelijk. In lijn met eerder gemaakte
     afspraken kan deze norm in 2013 op 17,5% liggen en daarna tot 2016 met 1% per
     jaar worden verhoogd.
4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>• Educatie en participatie: De Raad hecht groot belang aan educatie en deelname van
  kinderen en jongeren aan uitingen van kunst en cultuur. Instellingen in de nieuwe
  infrastructuur zijn verplicht hieraan mee te werken: educatie is een kerntaak.
• Aanbod dan wel collectie van (inter)nationale betekenis: de instelling wordt bezocht
  door bezoekers uit het hele land en het aanbod krijgt nationale aandacht. Interna-
  tionale betekenis van voorzieningen moet o.a. blijken uit de omvang van buiten-		
  landse bezoekers en deelname aan buitenlandse internationale festivals.
• Innovatie en experiment: in een langjarig systeem is het noodzakelijk dat de instellin-
  gen die daarvan deel uitmaken vernieuwingsgericht zijn, dat zij ruimte geven aan
  experiment, aan onderzoek & ontwikkeling en aan interdisciplinair werken.
• Diversiteit: instellingen moeten duidelijk maken hoe zij qua publieksbereik, organi-
  satie en bestuur rekening houden met uiteenlopende bevolkingsgroepen.
Rollen van subsidiërende partijen
• De Raad heeft de rollen van de betrokken subsidiërende partijen -rijksoverheid, 		
  andere overheden en fondsen- tegen het licht gehouden. De verdeling van ver-
  antwoordelijkheden hangt af van de gewenste regionale spreiding van voorzienin-		
  gen, van keuzen over de te ondersteunen voorzieningen en van de noodzaak om tot
  onderlinge afstemming te komen.
• Het sterkst zullen de verhoudingen tussen de betrokken partijen veranderen in de
  sector podiumkunsten. De Raad heeft vastgesteld dat het streven van de staatsse		
  cretaris om de nieuwe infrastructuur te concentreren in geografische kernpunten,
  waarin cultuur en bedrijvigheid samenkomen, voor deze sector de meeste 		
  relevantie heeft. Cultuurbeleid hangt in hoge mate samen met stedelijk beleid en
  de huidige ontwikkelingen binnen de podiumkunsten zijn voor de Raad aanleiding
  voorstellen te doen voor een actualisering van de bestuurlijke verhoudingen.
• De Raad heeft besloten geen discipline uit te zonderen van het bezuinigingsadvies,
  dus ook de museumsector is in de afwegingen betrokken. Daarbij heeft de Raad 		
  geconstateerd dat het museumbestel toe is aan een herijking. Aan de orde komt 		
  dan ook de vraag welke collecties van (inter)nationaal belang zijn; wat behoort - 		
  qua inhoud en belang - tot de rijkscollectie of dient daartoe te behoren. De Raad
  zal zo spoedig mogelijk zijn advies hierover uitbrengen.
Cultureel ondernemerschap
• De Raad vindt dat de cultuursector zijn financiële basis moet verbreden. De moge-
  lijkheden daarvoor verschillen per sector en type instelling. Ondernemerschap 		
  komt niet zomaar van de grond. Het vraagt van instellingen en kunstenaars een 		
  werkwijze, waarin marketing een grotere rol speelt. En van de overheid vraagt het
  consistente wet- en regelgeving die cultureel ondernemerschap niet hindert maar
  stimuleert, onder meer in het fiscale domein.
• De Raad meent dat de bijzondere omstandigheid van een grootscheepse bezuini-
  ging ook bijzondere maatregelen rechtvaardigt. In vele gesprekken die door de 		
  jaren heen met instellingen zijn gevoerd, is een vaak gehoorde wens om het “eigen
  huis” in bezit te hebben. De Raad dringt erop aan een onderzoek te doen naar 		
  voor- en nadelen van overdracht van eigendom van gebouwen.
• Het belastingregime is van grote invloed op cultureel ondernemerschap en op de
  geefbereidheid van mensen. De Raad bepleit dan ook een consistent fiscaal pak-		
  ket van maatregelen dat de overgang naar een cultuursector die minder afhanke-
  lijk is van overheidssubsidie mogelijk maakt. Voorbeelden hiervan zijn een belas-		
  tingvoorziening om het vestigingsklimaat voor ondernemers in de creatieve indus-
  trie te verbeteren, het fiscaal aantrekkelijk geven (ook voor kleine gevers) en het
  voldoende aantrekkelijk houden van het belastingvoordeel in de regeling cultureel
  beleggen.
                                                                                          5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  Overgangsperiode
  • Het ingrijpende karakter van de bezuinigingsoperatie betekent dat er tot 2015
    sprake moet zijn van een overgangsperiode waarin de veranderingen en bezuini-
    gingen geleidelijk worden ingevoerd. Nader onderzoek, aangegane verplichtingen,
    herschikking van verantwoordelijkheden, bestelwijzigingen, juridische uitwerking
    e.d., maar ook de opbouw van de nieuwe positie in de infrastructuur dwingen tot
    matiging van het tempo. Een betekenisvolle verhoging van de eigen inkomsten kan
    niet overnight worden gerealiseerd en een abrupte beëindiging van het aanbod kan
    niet zonder omvangrijke personele en rechtspositionele gevolgen. Verder is er ook
    tijd nodig voor bijvoorbeeld de ontwikkeling en toepassing van de Geefwet en tax
    incentives Om nog grotere en onnodige schade aan de cultuursector te voorkomen,
    dringt de Raad aan op fasering van de bezuinigingen. Op 1 januari 2015 moet zijn
    bepaald of de derde tranche van de bezuiniging die met name is gerelateerd aan
    marktwerking al dan niet kan worden opgelegd. De Raad stelt dat wanneer, on-
    danks aantoonbare en controleerbare inspanningen van de instellingen de markt-
    werking niet of onvoldoende is gelukt, een heroverweging moet plaatsvinden.
6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Nieuwe infrastructuur per sector
Hierna is per sector aangegeven welk bedrag aan publieke middelen voor de basisin-
frastructuur beschikbaar is in 2011, na aftrek van de generiek aan de cultuursector
opgelegde bezuiniging van 5%. Daarna worden de bedragen genoemd die vanaf
2015 beschikbaar zouden zijn wanneer alle bezuinigingsvoorstellen uit dit advies
worden doorgevoerd en aan de daarin genoemde voorwaarden is voldaan. Ook is op-
genomen een overzicht van de voorzieningen die de Raad adviseert om op te nemen
in een nieuwe infrastructuur na ommekomst van de bezuinigingen.
Amateurkunst en Cultuureducatie
                                                      Huidig budget     Budget 2015
                                                      (-/-5%)
 Totaal                                               €     23.935.000 €     19.534.000
 Programmafonds                                                         €    15.884.000
 Kennisinstituut                                                        €      3.650.000
Architectuur, Stedenbouw, Monumenten, Archeologie
en Landschapsarchitectuur
                                                      Huidig budget     Budget 2015
                                                      (-/-5%)
 Totaal                                               €       9.933.000 €      7.929.000
 Regeling ontwikkeling individueel toptalent                            €       150.000
 Ontwikkelinstellingen                                                  €       456.000
 Stimulerings- en investeringsfonds                                     €      2.217.000
 Sectorinstituut (inclusief internationaal festival)                    €      5.106.000
Beeldende Kunst en Vormgeving
                                                      Huidig budget     Budget 2015
                                                      (-/-5%)
 Totaal                                               €     49.445.000 €     35.151.000
 Mondriaan fonds (beeldende kunst en vormgeving;                        €    23.085.000
 inclusief bouwkunst; exclusief erfgoed)
 Sectorinstituut                                                        €      1.856.000
 Zes presentatie instellingen                                           €      2.400.000
 Twee ondersteunende instellingen (bijzondere kunst-                    €      2.176.000
 projecten en mediakunst)
 Drie ontwikkelinstellingen                                             €        826.000
 Post-doc nu ingevuld door Jan van Eyckacademie en                      €      4.808.000
 zestig residency-voorzieningen bij de Ateliers en de
 Rijksakademie
E-Cultuur
                                                      Huidig budget     Budget 2015
                                                      (-/-5%)
 Totaal                                               €       5.000.000 €      4.100.000
 8 ontwikkelinstellingen                                                €      3.300.000
 Kennisinstituut                                                        €        800.000
                                                                                         7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  Film
                                                    Huidig budget       Budget 2015
                                                    (-/-5%)
  Totaal                                            €        46.550.000 €       35.019.000
  2 internationale festivals                                            €        1.632.000
  Fonds                                                                 €       26.866.000
  Sectorinstituut                                                       €        6.521.000
  Internationaal/Intercultureel
                                                    Huidig budget       Budget 2015
                                                    (-/-5%)
  Totaal                                            €         1.282.000 €        1.094.000
  Ondersteuning en coördinatie                                          €          611.000
  Ontwikkeling voor publiek en programmering                            €          263.000
  Expertisebevordering                                                  €          220.000
  Bibliotheken en Letteren
                                                    Huidig budget       Budget 2015
                                                    (-/-5%)
  Totaal                                            €        21.485.000 €       15.899.000
  Ondersteunende instelling                                             €        1.950.000
  Bemiddelende instelling tussen schrijvers, scho-                      €          765.000
  len en bibliotheken
  Algemeen letterenfonds                                                €        9.522.000
  Gespecialiseerd letterenfonds (bijzondere jour-                       €          393.000
  nalistieke projecten)
  Sectorinstituut bibliotheken                                          €        3.269.000
  Musea
  De totale investering in musea (exploitatie minus huren) bedraagt na generieke
  korting van 5%: € 96.029.108. In afwachting van de resultaten van de in dit advies
  aangekondigde onderzoek stelt de Raad voor een korting van 26% vanaf 2015 toe te
  passen en in 2013 te beginnen met een korting van 15%.
                                Huidig  Budget       Budget 2013        Budget 2015
                                (-5%)
  Totaal                        €        96.032.000   €      81.624.000 €       71.019.000
  Wetenschappelijke functie €             6.400.000   €       4.394.000 €        2.594.000
  Collectiefunctie              €        30.836.000   €      30.836.000 €       30.836.000
  Vaste presentatiefunctie      €        30.840.000   €      22.640.000 €       17.160.000
  Tijdelijke presentatiefunctie €         9.808.000   €       5.606.000 €        2.281.000
  Algemeen Beheer               €        18.148.000   €      18.148.000 €       18.148.000
  Musea overig - erfgoed                            €         8.900.000 €        6.800.000
  Erfgoed Nederland
  (sectoroverstijgend cultureel erfgoed)            €         2.100.000                  -
  Mondriaanfonds (cultureel erfgoed)                €         6.800.000 €        6.800.000
8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Podiumkunsten
                                             Huidig budget              Budget 2015
                                             (-/-5%)
Totaal                                       €       225.700.000 €      167.000.000
Landelijke instellingen
1 dansgezelschap voor ballet                                     €        5.000.000
2 symfonische muziekvoorzieningen                                €        9.000.000
2 begeleidingsvoorzieningen                                      €       13.500.000
1 landelijke opera/muziektheatervoorziening                      €       19.200.000
1 internationaal podiumkunstenbreed festival                     €        2.680.000
Regionale instellingen
8 theatervoorzieningen                                           €       24.000.000
1 suppletie internationaal excellent theater                     €        1.000.000
1 productiehuis voor theater                                     €        1.000.000
3 dansvoorzieningen                                              €        9.500.000
1 suppletie internationale excellentie dans                      €        1.000.000
6 regionale muziekvoorzieningen                                  €       21.000.000
Fonds Podiumkunsten                                              €       54.070.000
Sectorinstituut Theater/dans                                     €        2.600.000
Sectorinstituut Muziek                                           €        3.450.000
Boven sectoraal
                                             Huidig budget       Budget 2015
                                             (-/-5%)
Totaal                                       €         1.180.000 €          900.000
Kennis-, documentatie en debatvoorziening                        €          900.000
Totaal
                                             Huidig budget       Budget 2015
                                             (-/-5%)
Totaal                                       €       489.442.000 €      364.445.000
Bedrag bezuinigd                                                 €      124.997.000
                                                                                    9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>10</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>1. Vooraf
Kunstenaars zullen met verbazing de discussies van de afgelopen maanden heb-
ben gevolgd. Hun werk, en dat van andere cultuurproducenten, was bijna dagelijks
onderwerp van gesprek – en toch leek het daar helemaal niet over te gaan. Het ging
over structuren, instellingen, posities, het ging over beleidsopties, marktwerking,
publieksverbreding. Het ging dus ogenschijnlijk niet over hún positie, hún belang
voor de samenleving, hún werkgelegenheid. In de vele discussies die de Raad en zijn
commissies hebben gevoerd, is daar uitvoerig bij stilgestaan. Er moeten maatregelen
worden genomen om de disproportionele aanslag van 200 miljoen euro te doorstaan
en de Raad realiseert zich goed bij wie die maatregelen in alle hevigheid terechtko-
men.
Een bezuiniging van 200 euro miljoen en een btw-maatregel die ook nog eens een
kleine 100 miljoen euro moet opbrengen, raakt in hoge mate individuen, werkne-
mers, zzp’ers en andere zelfstandigen. Cultuur is mensenwerk, de begrotingen van
de culturele instellingen bestaan voor 80 procent uit personeelslasten en opdrachten
aan zelfstandigen. Naar schatting worden enkele duizenden kunstenaars direct in de
zelfstandige uitoefening van hun beroepspraktijk aangetast.
De Raad ziet zich voor de uitzonderlijke opdracht geplaatst voorstellen te doen voor
een nieuwe infrastructuur, waarvoor het budget 125 miljoen euro (ruim een kwart)
lager ligt dan het huidige en realiseert zich dat daarmee het aanbod van cultuur
verschraalt en de werkgelegenheid van ongeveer drieduizend werknemers en min-
stens evenveel zelfstandigen op de tocht komt te staan. De Raad heeft geprobeerd
de voorstellen zodanig in te richten dat de schade die er is, enigszins kan worden be-
perkt. Daarbij is ook gelet op de 75 miljoen euro die zal worden bezuinigd op onder
meer matchings- en innovatieregelingen en op de zogenoemde cultuurkaart.
In de adviesvraag vraagt de staatssecretaris of de Raad mogelijkheden ziet om de ei-
gen inkomstennorm te verhogen, hoe een ‘culture of asking’ bij culturele instellingen
kan worden vergroot, en hoe cultureel ondernemerschap het best kan worden geor-
ganiseerd. De mogelijkheden om, naast overheidsfinanciering, andere bronnen van
financiering van kunst en cultuur in te zetten, krijgen in het maatschappelijk debat
veel aandacht. Er is sprake van een zoektocht naar een nieuwe legitimering voor de
overheidssteun aan kunst en cultuur. Het ligt voor de hand, en het kabinet wijst na-
drukkelijk in die richting, om markt en marktwerking te beschouwen als legitimering
voor aanvullende overheidssteun. Wanneer een kunstenaar of kunstinstelling heeft
bewezen een publiek voor zijn of haar product te kunnen interesseren, is de overheid
bereid om tot een bepaald niveau aanvullende steun te verlenen.
Maar er is een tweede, belangrijker legitimering en die is niets meer of minder dan
de kwaliteit van de democratie. Zoals vooral het laatste decennium meer dan dui-
delijk is geworden, staat onze culturele identiteit permanent ter discussie. Cultuur-
politiek zou de poging moeten zijn om die discussie op een zelfkritische manier te
stimuleren, ook om een voortdurende dreiging van een gewelddadige clash tussen
culturen af te wenden. Een dergelijke zelfkritische discussie is bij uitstek de taak
van de kunsten – wat zou impliceren dat het aloude idee van de autonomie van
de kunsten plaatsmaakt voor de inherente bijdrage die de kunsten leveren aan de
democratie en het democratisch ideaal. Dit is geen oproep tot een politisering van
de kunsten, of een roep om meer maatschappelijke relevantie, maar in plaats van
een beroep op de autonomie van de kunsten of op een autonoom schoonheids-
ideaal of van een beroep op een ideaal van artistieke vernieuwing in dienst van de
vooruitgang, komt nu een beroep op typisch democratische waarden als openheid,
experiment, diversiteit en confrontatie – kortom op al wat in markttermen ‘innovatie’
heet, maar wat in publieke of politieke termen vooral draait om vrijheid, vrijheid van
meningsuiting en expressie, waarden die nooit eerder zo heftig gekoesterd werden
als tegenwoordig, en die het waard zijn te worden verdedigd van Facebook tot in het
Concertgebouw, en van Terschelling tot Kerkrade.                                       11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>   Natuurlijk mag er geld worden verdiend aan kunst en cultuur, maar de bewering dat
   alleen die kunst en cultuur relevant, zinvol is die geld opbrengt, ontkent de funda-
   mentele waarde ervan.
   De wens van de staatssecretaris om naar andere inkomsten te zoeken heeft geen zin
   als een instelling in een neerwaartse spiraal raakt door onvoldoende financiële basis
   om een aantrekkelijk aanbod te kunnen presenteren. Vijf ontwikkelingen komen
   samen: de rijksbezuinigingen, de lagere consumentenbesteding ten gevolge van de
   crisis die zich nu al manifesteert bij de kaartverkoop, de lokale bezuinigingen, de
   BTW-verhoging en dalende inkomsten uit sponsoring. Bovendien is de Raad, ook op
   grond van uitgebreide raadpleging van deskundigen uit de financiële sector, ervan
   overtuigd dat het vinden van alternatieve financiering vóór 2013 volstrekt illusoir is.
   Aan zijn advies verbindt de Raad de condities dat de staatssecretaris voor invoering
   van de nieuwe infrastructuur een overgangstermijn in acht neemt die loopt tot 2015
   en een onderzoek instelt uiterlijk eind 2014 naar de mate waarin van realisering van
   de marktwerking sprake is.
   Deze condities zijn overeenkomstig de zorgvuldigheid die bij bezuinigingen van een
   dergelijke omvang, 26 procent, in acht moet worden genomen en realistisch ten op-
   zichte van ingroei van meer ondersteuning door de markt. Een fasegewijze invoering
   opent de mogelijkheid voor rechtspositionele maatregelen die minder duur hoeven te
   zijn, en biedt een ruimere mogelijkheid aan instellingen en individuele kunstenaars
   en andere zelfstandigen om andere markten en andere exploitatievormen te vinden.
   De noodzaak van zorgvuldigheid en een implementatietermijn worden per sector
   toegelicht.
   Daarnaast pleit de Raad voor voortzetting van de cultuurkaart voor jongeren zo
   nodig in een gewijzigde en meer toegesneden vorm. Daarmee sluit de Raad aan bij
   de voorlopige beleidsvoornemens van de staatssecretaris waarin cultuureducatie
   centraal staat.
   Tenslotte herhaalt hij de noodzaak van terugkeer naar het BTW tarief van 6 pro-
   cent in het kader van het streven de eigen inkomsten in de gesubsidieerde sector te
   verhogen.
   In de aanloop naar dit advies hebben de commissies van de raad sectoranalyses
   voorbereid. De voorstellen voor bezuinigingen vloeien echter in een aantal geval-
   len niet rechtstreeks voort uit deze analyses. Dat houdt verband met de afwezige
   beleidsmatige sturing van de bezuinigingsaanslag door het kabinet bij het begin van
   het adviestraject. De Raad heeft in zijn advies ook functies moeten beëindigen of
   verminderen die een belangrijke bijdrage leveren aan het culturele leven. De omvang
   van de bezuinigingen liet geen andere keuze. Waar mogelijk heeft de Raad de bezui-
   niging gekoppeld aan vernieuwing van het bestel.
   Desalniettemin had het adviesproces veel weg van kiezen tussen verschillende kwa-
   den.
   Het advies beschrijft dit proces en is als volgt opgebouwd.
   In de paragrafen 2 tot en met 5 schetst de Raad de uitgangspunten en de criteria
   voor de nieuwe infrastructuur en de rol van overheden en fondsen daarin, en geeft
   hij kort invulling aan het fenomeen cultureel ondernemerschap. Hij doet dit deels in
   reactie op hetgeen de staatssecretaris daarover naar voren heeft gebracht.
   Paragraaf 6 beschrijft kort hoe de Raad te werk is gegaan bij de voorstellen voor be-
   zuiniging, waarna paragraaf 7 per sector de maatregelen weergeeft en beschrijft hoe
   de nieuwe infrastructuur er vervolgens uit zal zien. Paragraaf 8 tenslotte geeft inzicht
   in de gevolgen van de bezuinigingen.
12 Het advies wordt afgesloten met een paragraaf over de gevolgen van de bezuinigin-
   gen voor het kunst- en cultuurklimaat in Nederland.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>De veranderingen die het gevolg zullen zijn van de bezuinigingen en dit advies zal
ook betekenis hebben voor de taakinvulling en positie van de Raad. Hij zal zich
daarop nader beraden en met voorstellen komen.
Gelijktijdig met dit advies worden de hiervoor genoemde sectoranalyses gepubli-
ceerd. Daarin wordt ook ingegaan op specifieke vragen van de staatssecretaris die
losstaan van zijn voornemen te bezuinigen.
2. Uitgangspunten
In de adviesaanvraag stelt de staatssecretaris zijn uitgangspunten als verwoord in de
brief aan de Tweede Kamer van 6 december 2010 centraal. Zoals de Raad in zijn
brief van 7 december 2010 al vaststelde, zijn veel uitgangspunten, criteria of thema’s
van de staatssecretaris herkenbaar omdat ze dezelfde zijn als inb de huidige Basisin-
frastructuur. De context is wel ingrijpend veranderd.
De Raad heeft gekozen voor een opbouw van de nieuwe infrastructuur waarin per
sector het aantal instellingen of voorzieningen wordt vastgelegd dat in aanmerking
kan komen voor de uitvoering van een bepaalde taak of functie. Dat sluit aan bij het
verzoek van de staatssecretaris om per sector scenario’s te ontwikkelen. Aan verschil-
len per sector kan op deze manier recht worden gedaan. Immers, uitgangspunten en
criteria vereisen per sector verschillende uitwerking en toepassing.
De beperkte omvang van de nieuwe infrastructuur en de toegespitste opbouw per
sector vergt naar het oordeel van de Raad een besluit om alle instellingen daarin een
subsidieperspectief te geven van 4 jaar of meer. Dat is ook nodig voor de stabiliteit
en duurzaamheid van de nieuwe infrastructuur en het bestel. Het nieuwe systeem
voorziet in een periodieke beoordeling die de dynamiek waarborgt. De Raad zal hier-
over een apart advies uitbrengen als onderdeel van een kwaliteitszorgsysteem.
De Raad ziet de ketenbenadering als leidend principe voor het bestel en voor de posi-
tie en invulling van de nieuwe infrastructuur. In het bestel (gesubsidieerd en niet-ge-
subsidieerd) moet worden voldaan aan een redelijke spreiding van activiteiten die de
essentiële schakels vormen in de keten van creatie, productie, distributie, toegankelijk-
heid en beleving van culturele uitingen. Dat betekent overigens niet dat die schakels
allemaal vallen binnen de rechtstreeks door het Rijk gesubsidieerde infrastructuur.
Spreiding van het aanbod heeft in deze tijden van bezuiniging een extra dimensie ge-
kregen, dat wil zeggen: de noodzaak van afstemming en aanvulling en van het tegen-
gaan van dubbelen en versnipperen van aanbod is alleen maar groter geworden. Die
afstemming is onder meer van belang in de sector podiumkunsten, waar veelal sprake
is van gemengde subsidiëring. Dat is aanleiding voor de Raad om het stelsel voor de
podiumkunsten een meer decentrale component te geven. In die zin heeft de Raad het
uitgangspunt “focus op hoogwaardige kernpunten” van de staatssecretaris toegepast.
3. Criteria
In zijn adviesaanvraag noemt de staatssecretaris naast kwaliteit de volgende beoorde-
lingscriteria als het gaat om opneming in de nieuwe infrastructuur:
• Publiek: de instelling trekt voldoende bezoeken.
• Ondernemerschap: eigen inkomsten staan in verhouding tot de subsidie.
• Participatie en educatie: de instelling bereikt kinderen en jongeren.
   De instelling beheert een rijkscollectie van (inter)nationale betekenis of biedt aan-
   bod van (inter)nationale betekenis aan.
• Focus op hoogwaardige kernpunten in het land.                                           13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>   Hij vraagt de Raad welke parameters en prestatie-indicatoren hieraan kunnen worden
   gekoppeld. De Raad vult de criteria van de staatssecretaris als volgt nader in. Daarbij
   tekent hij aan dat bij toepassing van de criteria ruimte moet zijn voor verschillen per
   sector en soort voorziening.
   Kwaliteit:
   De Raad hanteert het begrip kwaliteit in termen van vakmanschap, zeggingskracht en
   ontwikkeling / vernieuwing. Deze kwaliteit blijft centraal staan als criterium voor op-
   neming van een voorziening in de rechtstreeks door de Rijksoverheid gesubsidieerde
   infrastructuur. De Raad is wel van oordeel dat de huidige beoordelingssystematiek
   aan heroverweging toe is. Hij adviseert om te komen tot een transparante beoorde-
   ling van culturele instellingen, daarin onderscheid te maken naar de verschillende
   typen instellingen (fondsen, sectorinstituten, presenterende en producerende instel-
   lingen, etc.), de systematiek te vereenvoudigen en de timing en vraagstelling vanuit de
   verschillende overheden te uniformeren.
   Daarmee wordt voorkomen dat er deels overlappende informatievragen op verschil-
   lende momenten in het jaar tot de instellingen worden gericht. De administratieve
   lasten kunnen daardoor worden beperkt. Zowel de instellingen als de subsidiegevers
   (rijk, gemeenten en provincies) zijn hiermee gediend.
   Het systeem zal mogelijkheden tot vergelijking en benchmarking moeten bieden.
   De Raad zal hierover nog nader adviseren.
   Publiek:
   De Raad plaatst publieksbereik in een bredere context dan alleen het aantal betaalde
   bezoeken. Het gaat ook om de breedte, het bereik van verschillende groepen die zich
   kunnen onderscheiden naar achtergrond, interesse, leeftijd, levensfase, opleiding, etc.
   De mate waarin een aanbod tegelijkertijd diverse groepen weet aan te spreken en te
   bereiken, de diversiteit, is een wezenlijk aspect van publieksbereik. De Raad heeft dit
   gemist in de adviesaanvraag van de staatssecretaris. Hij adviseert extra aandacht te
   schenken aan samenwerking tussen de cultuursector (in engere zin) en de (publieke)
   omroepen.
   De Raad operationaliseert het criterium publiek als volgt.
   De aanvragers moeten in hun plannen aangeven hoe hun publieksbereik zich de afge-
   lopen 3 jaar heeft ontwikkeld, zowel kwantitatief als kwalitatief (diversiteit), en welke
   maatregelen ze nemen om dit bereik te verbreden en verstevigen (binding), met wie
   daartoe wordt samengewerkt, welke investeringen daarvoor worden gedaan en hoe
   zich dit verhoudt tot de inhoudelijke taken of de programmering van de aanvrager.
   Ingeval er sprake is van een aanvrager zonder (subsidie)verleden, zal het voorgaande
   aannemelijk moeten worden gemaakt op basis van een omgevingsverkenning en daar-
   aan gerelateerde maatregelen.
   Zoals blijkt uit het onderzoek Cultuurbewonderaars en cultuurbeoefenaars heeft Neder-
   land in vergelijking met het Europese gemiddelde een opvallend hoge score onder
   de bevolking van 15 jaar en ouder als het gaat om bezoek aan kunsten en erfgoed en
   om kunstbeoefening (zie de bijlage bij het advies). Uit dit onderzoek blijkt ook dat
   slechts 1% cultuur ziet als “te elitair en niets voor mij”. Dat betekent voor de instel-
   lingen de taak die belangstelling te blijven vasthouden en voor de overheid de dure
   plicht het aanbod op peil te houden.
   Ondernemerschap en eigen inkomsten:
   De Raad heeft het belang van (cultureel) ondernemerschap voor instellingen in de
   Basisinfrastructuur altijd onderschreven evenals het streven naar geleidelijke vergro-
   ting van het aandeel van de eigen inkomsten in de financiering van de exploitatie.
   Het besluit van de staatssecretaris om binnen twee jaar 26 procent te bezuinigen,
14 doorkruist dit streven eerder dan dat het erdoor wordt bevorderd. Het tast de stabiele
   basis van de exploitatie van de instellingen en de financiële positie van individuele
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>makers aan, waardoor andere financiers kritischer worden en eerder zullen afzien
van een bijdrage.
Los van de bezuinigingen doet de Raad in dit advies in paragraaf 5 een aantal voor-
stellen en geeft hij wegen aan voor de toekomst, die de moeite van het verkennen
waard zijn.
Een percentage aan eigen inkomsten als instapnorm vindt de Raad redelijk. Dat
betekent dat aanvragers die niet aan die instapnorm voldoen niet in aanmerking
komen voor verdere beoordeling. De omvang van dat percentage zou conform de in
2009 met het veld gemaakte afspraken voor de nieuwe infrastructuur per 2013 17,5
procent kunnen zijn met een jaarlijkse verhoging van 1procent in de jaren 2013 -
2016.
Eenmaal voorbij die instapnorm maken eigen inkomsten vervolgens deel uit van de
verdere beoordeling van het ondernemerschap.
Als het gaat om verhoging van de eigen inkomsten wijst de Raad op zijn standpunt
dat de BTW weer op 6 procent gesteld moet worden. Hij merkt hierbij op dat in
ons omringende landen wel bezuinigingen op kunst en cultuur aan de orde zijn,
maar een laag BTW percentage wordt gehandhaafd mede als basis voor cultureel
ondernemerschap. Daarnaast zijn er in ons land recreatieve sectoren die wel het 6%
tarief mogen hanteren. Dat leidt tot scheve concurrentie op de vrijetijdsmarkt.
Educatie en participatie:
De Raad hecht groot belang aan educatie, aan het stimuleren dat kinderen en
jongeren daadwerkelijk kennismaken met en deelnemen aan uitingen van kunst en
cultuur. Kinderen ontwikkelen daardoor vaardigheden die van groot belang zijn
voor een onderzoekende houding, onontbeerlijk in de kennissamenleving. De Raad
is het dan ook eens met de staatssecretaris dat instellingen die deel uitmaken van de
nieuwe infrastructuur verplicht zijn daaraan mee te werken: educatie is een tweede
kerntaak.
Des te onbegrijpelijker vindt de Raad het dat het kabinet een zeer effectief instru-
ment als de cultuurkaart met een pennenstreek heeft afgeschaft.
De Raad stelt voor het criterium als volgt te operationaliseren.
Iedere instelling die streeft naar opneming in de nieuwe infrastructuur, heeft een
programmaonderdeel cultuureducatie. Dit programmaonderdeel is gebaseerd op
een kenbare visie opgesteld na een verkenning van de culturele en sociale omgeving
en het betrokken onderwijs. Er wordt aantoonbaar samengewerkt met onderwijs en
onderwijsinstellingen.
De instelling beschikt over een programma aan activiteiten om kinderen en jonge-
ren te bereiken. Met deze activiteiten is in de begroting rekening gehouden.
Aanbod dan wel collectie van (inter)nationale betekenis:
De cultuur producerende instellingen koppelen een sterke lokale en regionale ver-
ankering aan een aanbod van nationale – en afhankelijk van de aard van de voorzie-
ning internationale – betekenis.
Wil men deel uitmaken van de nieuwe infrastructuur, dan zal in het beleidsplan
moeten blijken dat het aanbod een eigen plaats inneemt. De instelling wordt be-
zocht door bezoekers uit het hele land en het aanbod krijgt nationale aandacht.
Internationale betekenis van een voorziening moet blijken uit het aantal buiten-
landse bezoekers, het aantrekken van buitenlandse uitvoerenden, internationale
programmering, deelname aan buitenlandse internationale festivals, deelname aan
internationale samenwerkingsrelaties en gemeenschappelijke internationale projec-
ten.
Focus op hoogwaardige kernpunten in het land:
De Raad meent dat het criterium focus op hoogwaardige kernpunten niet voor alle
aanvragers moet gelden, maar dat het moet worden opgevat als kenmerk van de           15
nieuwe infrastructuur. De rijkssubsidies komen in hoge mate terecht in de stede-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>   lijke gebieden en het is voor de hand liggend dat deze gebieden specifieke aandacht
   krijgen in het beleid en bij de opbouw van de rechtstreeks door het Rijk bekostigde
   nieuwe infrastructuur.
   Innovatie en experiment:
   De Raad stelt voor om het criterium innovatie en experiment toe te voegen. Zeker
   in een meerjarig systeem is het noodzakelijk dat de instellingen die daarvan deel
   uitmaken vernieuwingsgericht zijn, dat zij ruimte geven aan experiment, aan onder-
   zoek en ontwikkeling en interdisciplinair werken. De aanvragers zullen in hun plan-
   nen duidelijk moeten maken welke initiatieven zij ontplooien gericht op innovatie en
   experiment, dan wel hoe en in welke mate ze betrokken zijn of worden bij initiatieven
   van anderen. Een belangrijk aspect is samenwerking die over de grenzen van de eigen
   sector heen gaat.
   Diversiteit:
   Zoals uit de omschrijving van het criterium publiek blijkt, hecht de Raad veel waarde
   aan diversiteit, hetgeen hij ook al deed in zijn advies Innovatie en Participatie van
   2007. Dat is voor hem aanleiding dit een eigenstandig criterium te laten zijn voor
   opneming van instellingen in de nieuwe infrastructuur. Dat betekent dat de instel-
   lingen duidelijk moeten maken op welke wijze zij uitvoering geven aan diversiteit niet
   alleen wat betreft publieksbereik maar ook qua programmering en in eigen bestuur en
   organisatie. De Raad verwijst in dit verband naar de recent gelanceerde code culturele
   diversiteit.
   4. Rol van rijksoverheid, fondsen en andere­
   ­overheden
    In de voorstellen heeft de Raad waar mogelijk en relevant ingezet op allianties tussen
    rijksoverheid en andere overheden. Het in Nederland opgebouwde fijnmazige patroon
    aan culturele voorzieningen speelt ook een belangrijke rol bij het functioneren van
    sociaal-maatschappelijke en economische netwerken in stedelijke agglomeraties en re-
    gio’s. Dientengevolge raken de bezuinigingen meer dan alleen een groot aantal instel-
    lingen in de cultuursector.
    De Raad heeft de rollen van de betrokken subsidiërende partijen – rijksoverheid, an-
    dere overheden en fondsen – in het subsidiebestel tegen het licht gehouden. Hij heeft
    zich daarbij laten leiden door inhoudelijke overwegingen per sector. De verdeling van
    verantwoordelijkheden hangt af van de gewenste regionale spreiding van voorzienin-
    gen, van keuzes over de te ondersteunen voorzieningen en van de noodzaak om tot
    onderlinge afstemming te komen. Dit leidt tot aanpassingen waarvan de aard ook weer
    per sector verschilt.
    Het sterkst zullen de verhoudingen tussen de betrokken partijen veranderen in de
    sector podiumkunsten. De Raad heeft vastgesteld dat het streven van de staatssecre-
    taris om de nieuwe infrastructuur te concentreren in geografische kernpunten waarin
    cultuur en bedrijvigheid samenkomen voor deze sector de meeste relevantie heeft.
    Cultuurbeleid hangt in hoge mate samen met stedelijk beleid en de huidige ontwikke-
    lingen binnen de podiumkunsten zijn voor de Raad aanleiding voorstellen te doen voor
    een actualisering van de bestuurlijke verhoudingen.
    De Raad heeft hier gekozen voor een sterk decentrale invulling van het stelsel gerela-
    teerd aan de 9 brandpunten1, hierna conform de adviesaanvraag van de staatssecretaris
    kernpunten genoemd. Dat vergt een daaraan aangepaste relatie met de fondsen en een
    daarop toegesneden cofinanciering van de instellingen in de kernpunten. Bestaande
16
    1 Het betreft de gemeenten Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Eindhoven, Enschede, Groningen, Maastricht, Rotterdam,
    Utrecht.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>bestuurlijke afspraken over de verhouding in de financiering dienen opnieuw tegen het
licht te worden gehouden.
Het museumbestel is toe aan een herijking, waarbij de vraag aan de orde is welke col-
lecties van (inter)nationaal belang zijn en wat er qua inhoud en belang behoort tot de
rijkscollectie of daartoe dient te behoren. Dit kan gevolgen hebben voor de verantwoor-
delijkheidsverdeling tussen rijksoverheid en andere overheden.
Dat advies vergt echter meer tijd voor nader onderzoek en doordenking. De Raad zal zo
spoedig mogelijk, in ieder geval voor het eind van het jaar, hierover advies uitbrengen.
Na de recente fusie die heeft geleid tot het Fonds Podiumkunsten en de komende
fusie van de Mondriaan Stichting en het Fonds Beeldende Kunst, Bouwkunst en
Vormgeving en – als gevolg van de bezuinigingen – mogelijk nog enkele andere
bewegingen, is het goed de rol en de positie van deze uitvoeringsorganen van het
rijksbeleid binnenkort eens nader tegen het licht te houden. Het lijkt de Raad nuttig
in dit verband dan ook de relatie met de sectorinstituten te bezien.
5. Cultureel ondernemerschap
De Raad constateert een sterke inconsequentie tussen de wens en het streven cultu-
reel ondernemerschap te vergroten en het tegelijkertijd afschaffen van instrumenten
die die ontwikkeling stimuleren, zoals een matchingsregeling en het lage BTW tarief.
De Raad vindt ook dat de cultuursector zijn financiële basis moet verbreden. De mo-
gelijkheden daarvoor verschillen per sector en per type instelling. Ondernemerschap
komt niet zomaar van de grond. Het vraagt van instellingen en kunstenaars een
werkwijze waarin marketing en een doelgerichte aanpak een grotere rol spelen. En
van de overheid vraagt het om consistente wet- en regelgeving die cultureel onder-
nemerschap niet hindert maar stimuleert, onder meer in het fiscale domein. Beide
punten worden hierna uitgewerkt.
Vooraf twee kanttekeningen.
• De inkomsten zullen vanwege de doorwerking van de economische recessie eerst
   nog een daling laten zien. De Raad adviseert het kabinet dan ook om de snelheid
   waarmee de bezuinigingen worden ingevoerd te koppelen aan realistische inschat-
   ting van de groei van het verdienvermogen in de culturele sector.
• En ten tweede is het niet reëel om te verwachten dat bedrijven of mecenassen
   volledig de lacunes zullen invullen die door een terugtredende overheid ontstaan.
   Het aandeel van sponsoring en giften aan culturele instellingen is daarenboven
   conjunctuurgevoelig.
De overheid stimuleert door de jaren heen met wisselende maatregelen de verhoging
van de inkomsten (percentage eigen inkomsten, belastingmaatregelen, etc.) en de
uitgavenkant werd/wordt met enige regelmaat onder druk gezet door onder meer het
invoeren van efficiencykortingen. Er is, constateert de Raad, door al deze maatrege-
len bij de instellingen een groeiend besef om inkomsten en uitgaven in de hand te
houden. Instrumenten als prijsdifferentiatie, arrangementen en aangepaste openings-
tijden worden steeds meer gebruikt.
De kostenkant kent soms een aantal elementen die minder goed te beïnvloeden zijn
en samenhangen met het soort product. Er zijn bijvoorbeeld disciplines waar de
looncomponent praktisch een op een samenhangt met het product (de Negende van
Beethoven is niet sneller en met significant kleinere orkestbezetting te spelen). Niet-
temin meent de Raad dat bijvoorbeeld door betere samenwerking in de backoffices
nog een efficiencyslag in de lopende exploitatie te maken is.
                                                                                         17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>   Vanuit een meer bedrijfsmatige kijk op de exploitatie van instellingen en hun gebou-
   wen zijn de laatste decennia andere financieringsconstructies tot ontwikkeling geko-
   men. Niet allemaal even succesvol, maar langzamerhand is er een serieuze ‘andere’
   geldstroom op gang gekomen die zich richt op de profitcenters in de begroting van
   de instellingen (potentieel succesvolle projecten en voorstellingen, apart te finan-
   cieren) en op investeringen waarin bijvoorbeeld particulieren belastingvriendelijk
   kunnen participeren.
   De Raad is van mening dat de overheid een gericht appel moet doen op het bedrijfs-
   leven om op een meer systematische wijze verantwoordelijkheid te nemen voor een
   bloeiend kunstleven.
   De overheid en de cultuurfondsen zullen bij de ondersteuning van de cultuursector
   meer oog moeten hebben voor andere instrumenten dan subsidies: (achtergestelde)
   leningen, borgstellingsregelingen en investeringsfondsen. In andere sectoren is erva-
   ring opgedaan met instrumenten als vouchers, innovatiegericht aanbesteden en op-
   drachtgeverschap. De inzet van zulke instrumenten kan cultureel ondernemerschap
   stimuleren. De Raad adviseert dan ook nader onderzoek om deze instrumenten op
   waarde te schatten en waar mogelijk daadwerkelijk in te zetten.
   De Raad meent dat de bijzondere omstandigheid van een grootscheepse bezuiniging
   ook bijzondere maatregelen rechtvaardigt.
   De Raad dringt erop aan een onderzoek te doen naar voor- en nadelen van over-
   dracht van eigendom van gebouwen – ofwel aan instellingen zelf ofwel aan ‘beleg-
   gingsvehikels’ zoals vastgoedfondsen. In vele gesprekken die door de jaren heen
   met instellingen worden gevoerd, is een vaak gehoorde wens om het ‘eigen huis’ in
   bezit te hebben. De argumenten zijn dat onderhoud en (vervangings)investeringen
   goedkoper kunnen dan onder rijksbeheer. Bovendien kunnen culturele instellingen
   het vastgoed als onderpand gebruiken om investeringen te doen. De overdracht van
   gebouwen past bij een benadering van cultureel ondernemerschap waarin de instel-
   ling ruimte krijgt om zelf bedrijfsmatige afwegingen te maken. Een dergelijke ingreep
   moet zorgvuldig voorbereid worden. Ervaringen in andere sectoren, zoals het hoger
   onderwijs, leren dat de voorwaarden waaronder een overdracht plaatsvindt cruciaal
   zijn. Deze dienen dan ook eerst in kaart te worden gebracht.
   In het kader van een grotere zelfredzaamheid van de instellingen acht de Raad het
   gewenst dat de instellingen worden gestimuleerd reserves te vormen en dat belem-
   meringen op dit punt worden weggenomen. Uiteraard dient een goede balans te
   bestaan tussen enerzijds kwantiteit en kwaliteit van de activiteiten en de omvang van
   het eigen vermogen. Immers, het is niet primair de bedoeling van subsidies dat ze
   worden belegd voor slechte tijden.
   Het belastingregime is van grote invloed op cultureel ondernemerschap en op de
   geefbereidheid van mensen. De Raad bepleit dan ook een consistent fiscaal pakket
   van maatregelen dat de transitie naar een cultuursector die minder afhankelijk is van
   overheidssubsidie mogelijk maakt. Het zal ten minste in stand moeten laten wat er
   was bij de start van het kabinet en daarnaast nieuwe mogelijkheden moeten openen.
   Naast het lage btw-tarief zijn onderdelen van dit pakket:
   • Een belastingvoorziening om het vestigingsklimaat voor ondernemers in de
      creatieve industrie te verbeteren.
   • Fiscaal aantrekkelijk geven (inclusief aantrekkelijk maken van deze regeling voor
      ‘kleine gevers’).
   • Het belastingvoordeel in de regeling cultureel beleggen voldoende aantrekkelijk
      houden.
   • Tante Agaath regeling openstellen voor culturele instellingen.
18 Zonder deze en dergelijke maatregelen is het streven naar meer cultureel onderne-
   merschap op de korte en middellange termijn geen haalbare doelstelling.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>De cultuursector draait voor een aanzienlijk deel op de professionele zzp’er (zelfstan-
dige zonder personeel). De Raad wijst het kabinet op het regeerakkoord waarin zeer
nadrukkelijk aandacht is gevraagd voor de positie van de zzp’er.
6. Bezuinigingen
De Raad heeft zich bereid verklaard voorstellen te doen voor een nieuwe infrastruc-
tuur met een budget dat 26 procent lager is dan het huidige. Hij heeft zich het recht
voorbehouden een ondergrens aan te geven.
De voorstellen staan per sector in de volgende paragraaf. Zij maken zonneklaar dat
slogans als ‘meer voor minder’ of ‘minder maar beter’ en ‘teruggeven aan de samen-
leving’ de werkelijkheid ontkennen of op z’n minst vertekenen.
De Raad heeft zich in zijn advies niet beperkt tot het reduceren van de huidige
Basisinfrastructuur. Hij doet ook voorstellen voor verandering en vernieuwing of legt
daarvoor nu de basis. De Raad beoogt daarmee te bereiken dat de sectoren ondanks
de bezuiniging een voldoende geschakeerd en gespreid aanbod kunnen blijven ont-
wikkelen.
Op zich is het niet onlogisch een economische crisissituatie te gebruiken om maat-
regelen te nemen op het gebied van efficiency en effectiviteit, of – zoals al langer het
voornemen is – om het verwerven van eigen inkomsten van culturele instellingen ster-
ker te stimuleren. Het argument dat daarvoor nu wordt gebruikt, is echter curieus:
de kunst dient te worden teruggegeven aan de samenleving. Curieus omdat kunst en
cultuur integraal deel uitmaken van het dagelijks leven van miljoenen Nederlanders,
als publiek én als beoefenaars, en de directe en indirecte economische spin-off van
culturele activiteiten is bijzonder groot (zie o.a. een recente studie van Gerard Mar-
let). Bovendien is kunst een succesvol exportartikel. De vraag is met andere woorden
wat precies aan wie moet worden teruggegeven. Indien het kabinet met ‘samenleving’
eigenlijk doelt op de markt en op een ruimere plek voor marktwerking in de cultuur-
sector, dan zij ten overvloede opgemerkt dat culturele instellingen hun bedrijfsvoering
al langer serieus nemen en indien nodig nog serieuzer dan tot nog toe. De instellin-
gen dienen de relatie met hun publiek te begrijpen als een centraal aspect van hun
beleid, zo meent het kabinet. Maar het kabinet dient te begrijpen dat de markt niet
geacht mag worden garant te kunnen staan voor de instandhouding van de culturele
infrastructuur, noch voor de innovatieve kracht van de kunstsector, zoals dat ook niet
het geval is voor de wereld van het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek.
Het ingrijpende karakter van de operatie betekent dat er tot 2015 sprake moet zijn
van een overgangsperiode waarin de veranderingen en bezuinigingen geleidelijk wor-
den ingevoerd. Dat is niet alleen een kwestie van bestuurlijke zorgvuldigheid die bij
een operatie van deze omvang altijd vereist is.
Een betekenisvolle verhoging van de eigen inkomsten kan niet ‘overnight’ worden
gerealiseerd en een abrupte beëindiging van het aanbod kan niet zonder omvang-
rijke personele en rechtspositionele gevolgen. Laat staan dat dit op korte termijn een
bedrag van 125 miljoen zal opleveren. Er is tevens tijd nodig voor de ontwikkeling en
toepassing van (nieuwe) instrumenten als de Geefwet en tax-incentives. Onderzoek,
aangegane verplichtingen, herschikking van verantwoordelijkheden, bestelwijzigingen,
juridische uitwerking e.d. maar ook de opbouw van de nieuwe positie in de infra-
structuur dwingen tot matiging van het tempo. Om nog grotere en onnodige schade
aan de cultuursector te voorkomen, dringt de Raad aan op fasering van de bezuini-
gingen. Per sector is de overgangsperiode aangegeven en kort toegelicht.
De Raad meent dat er in de bezuinigingen een ondergrens moet worden aangebracht.
Na ampele overwegingen is besloten die per sector aan te geven. Een bedrag van 125       19
miljoen euro plus 75 miljoen euro binnen anderhalf jaar na besluitvorming korten,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>   vraagt om ongelukken en dus schade. De instellingen en individuele kunstenaars heb-
   ben meer tijd nodig om zich op de markt te richten en meer inkomsten te verwerven
   uit andere bronnen. Ook het kabinet is akkoord gegaan met een groei van de eigen
   inkomsten van 1procent per jaar, daarmee erkennend dat marktwerking tijd nodig
   heeft . Daarnaast lopen rechtsposities, contracten en andere verplichtingen vaak over
   langere perioden en alleen als het kabinet daarmee rekening houdt, kunnen onno-
   dige verliezen – materiële en immateriële – en desinvesteringen worden voorkomen.
   De Raad meent dat de bezuinigingen voor die instellingen die een grote verande-
   ring moeten ondergaan, hetzij door reorganisatie, hetzij met forse rechtspositionele
   consequenties, door scherpere eisen aan hun marktpositie, over meer jaren moeten
   worden uitgesmeerd. Per sector is aangegeven om welke (categorie) instellingen het
   gaat, waarmee dus ook duidelijk wordt waarop naar de mening van de Raad wel met
   ingang van 1 januari 2013 de volledige bezuiniging kan worden toegepast en waarop
   niet. Het voorbehoud voor het volledige tijdpad is dus de mate waarin de instel-
   lingen er in slagen hun marktpositie zodanig te verbeteren dat zij de bezuinigingen
   kunnen opvangen. De Raad adviseert daarvoor een helder beoordelingsmodel te
   ontwikkelen: comply or explain is de basis voor dit model. De grondslag voor de
   fasering van de bezuinigingen is als volgt. De “aangewezen” instellingen bezuinigen
   in 2013 maximaal 15%, het resterende deel van de bezuinigingen voor deze instel-
   lingen wordt bereikt in 2014 en 2015, met het bovenstaande voorbehoud voor de
   marktwerking. Op 1 januari 2015 moet dan zijn bepaald of de derde tranche van de
   bezuiniging die met name is gerelateerd aan marktwerking al dan niet kan wor-
   den opgelegd. De Raad stelt dat wanneer, ondanks aantoonbare en controleerbare
   inspanningen van de instellingen de marktwerking niet of onvoldoende is gelukt, een
   heroverweging moet plaatsvinden. In geld uitgedrukt betekent deze fasering: in 2013
   74 miljoen euro oplopend naar 99 miljoen in 2014 en 125 miljoen in 2015.
    Huidig budget (-/-5%) Budget 2013           Budget 2014           Budget vanaf 2015
    €         489.442.000 €        415 miljoen €         390 miljoen. €         364.445.000
   De Raad is van mening dat het verwerven van eigen inkomsten slechts één aspect is
   van het cultureel ondernemerschap, en dat dit begrip breder geïnterpreteerd moet
   worden. Een culturele instelling is een culturele onderneming met een organisatiefi-
   losofie die de tegenstelling markt versus overheid overstijgt. Zo’n onderneming moet
   zich hedendaagse ondernemende competenties eigen maken, zoals marktoriëntatie,
   communicatievaardigheden en netwerken. Het zijn vaardigheden die gedragen en
   ingevuld moeten worden door alle direct betrokkenen, inclusief de kunstenaars en de
   bestuurders van de onderneming. Vanuit een heldere culturele missie moet de onder-
   neming strategieën ontwikkelen om een breed en eigen publiek te bereiken, alsook
   om nieuwe publieksgroepen aan te spreken.
   Bij de voorbereiding van de voorstellen en de afweging die de Raad heeft gemaakt, is
   hij als volgt te werk gegaan.
   Zoals al eerder is aangegeven, is er sprake van een benadering per sector. De Raad
   baseert zijn voorstellen op een bezuiniging van gemiddeld 26% per sector maar in de
   uitwerking per sector verschilt het percentage. Totaal bedraagt de bezuiniging: € 125
   mln.
   De Raad merkt in dit verband op dat de bedragen die hij in dit advies gebruikt
   regelmatig zijn geverifieerd. Desalniettemin is het mogelijk dat zij niet in alle gevallen
   actueel zijn.
   Naast de inhoudelijke uitgangspunten uit paragraaf 2 heeft de Raad specifieke aan-
   dachtspunten voor bezuiniging toegepast:
   • dubbelingen en overlap in het aanbod identificeren;
20 • versnippering en overproductie tegengaan;
   • waar mogelijk aansluiten bij stedelijke brandpunten;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>•  positie en effectiviteit ondersteunende instellingen bezien;
•  samenwerking en efficiëntie bevorderen in de keten;
•  meer efficiëntie in backoffice
•  beter beheer.
Leidend daarbij was de ketenbenadering. Landelijk gezien (dus niet per gemeente of
provincie) moet daaraan worden voldaan. Daarbij is het hele palet aan voorzieningen
en instrumenten betrokken, dus zowel gesubsidieerd als ongesubsidieerd, zowel recht-
streeks door het Rijk gesubsidieerd als vallend onder de fondsen, zowel op titel van
cultuur als op andere titel (onderwijs, infrastructuur) bekostigd.
De sectorale benadering betekent ook dat is afgezien van generieke, intersectorale
bezuinigingsvoorstellen. Van ondersteunende instellingen is evenwel in algemene
zin vastgesteld dat zij geen programmerende rol moeten vervullen, maar de verdere
bezuinigingen op de ondersteuning zijn sectoraal ingevuld afhankelijk van de aard en
relevantie van de activiteiten en taken voor de desbetreffende sector. De Raad advi-
seert zeer expliciet te bezien hoe de sectorinstituten effectiever, efficiënter en goedko-
per kunnen functioneren.
Ten aanzien van de fondsen is de Raad van mening dat hun taak gericht moet zijn op
het faciliteren van initiatieven en niet op het zelf ter hand nemen van de uitvoering
daarvan.
De voorstellen voor bezuinigingen betreffen niet het functioneren van individuele
instellingen. Waar voorstellen te herleiden zijn naar instellingen, impliceren ze geen
oordeel over het functioneren ervan; dat is in dit advies niet aan de orde. Voor de
begrijpbaarheid van de voorstellen is het echter onontkoombaar ook hier een daar in-
stellingen met naam te noemen. Dat heeft echter uitsluitend betrekking op de situatie
van nu.
Alvorens de voorstellen per sector aan de orde te stellen, herhaalt de raad hier nog
eens dat van de voorstellen deel uitmaken voortzetting van de cultuurkaart voor jonge-
ren en de terugkeer naar het BTW tarief van 6 procent.
7. De nieuwe culturele infrastructuur per sector
In de bezuinigingsvoorstellen zijn de sectoren Archieven en Media niet opgenomen;
zij hebben geen instellingen in de basisinfrastructuur. Overigens wordt wel bezui-
nigd op de mediabegroting, maar daarover is de Raad niet om advies gevraagd. Op
verzoek van de minister doet de Raad dit graag op een later moment.
Amateurkunst en cultuureducatie
Algemeen
De huidige basisinfrastructuur ziet er als volgt uit:
• 2 ondersteunende instellingen (Cultuurnetwerk en het Nederlands Centrum voor
   Volkscultuur);
• 27 ontwikkelinstellingen (ondergebracht bij het Fonds voor Cultuurparticipatie);
• 1 fonds (Fonds voor Cultuurparticipatie);
• 1 sectorinstituut (Kunstfactor).
Na aftrek van de reeds opgelegde vijf procent bezuinigingen gaat er 23.935.000 euro
in om.
De Raad is van mening dat subsidies verstrekt aan de sector Amateurkunst en Cul-
tuureducatie gericht moeten zijn op de culturele loopbaan (zie hiervoor sectoranaly-
se Amateurkunst en Cultuureducatie). Dit houdt onder andere in dat een bundeling
van ondersteunende taken gewenst is en het fonds op een meer programmatische               21
wijze moet gaan subsidiëren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>   Nieuwe infrastructuur
   De Raad adviseert het huidige fonds te transformeren naar een programmafonds
   voor cultuureducatie, kunstbeoefening in de vrije tijd en volkscultuur. Programma’s
   die ten dienste staan van een doorlopende culturele loopbaan van kind naar vol-
   wassenen. Programma’s als ‘Er zit muziek in ieder kind’ verdienen binnen dit fonds
   hun plaats, maar ook verbreed naar meer kunstdisciplines. De helft van het huidige
   budget voor de 27 ontwikkelinstellingen op het gebied van Amateurkunst en Cul-
   tuureducatie in de Basisinfrastructuur wordt ingezet voor een aparte regeling gericht
   op jeugdeducatie-instellingen waarin alle disciplines worden vertegenwoordigd. De
   resterende 50 procent van het budget wordt ingezet ten behoeve van de program-
   ma’s van het fonds.
   Verder adviseert de Raad bij het fonds 750.000 euro te bezuinigen op de overhead,
   hetgeen mogelijk moet zijn door een eenvoudigere opzet van regelingen aldaar.
   Richtbedrag: 15.884.000 euro
   De Raad stelt voor in het nieuwe stelsel een nieuw kennisinstituut op te richten
   waarin de huidige ondersteunende instellingen inclusief het sectorinstituut in de
   sector Amateurkunst, Cultuureducatie en Volkscultuur samen gaan. Dit kennisinsti-
   tuut moet zich richten op het onderwijsveld en alle culturele instellingen en weeft
   een hecht netwerk met universiteiten, hoge scholen en de werkvelden in de praktijk.
   Een agenda voor onderzoek kent zijn uitwerking in kenniskringen van wetenschap,
   opleiding en de praktijk van iedere dag. Het instituut werkt in het verlengde van
   het programmafonds ter versterking van het brede veld. Vanuit de programma’s bij
   het fonds wordt een onderzoek agenda geactualiseerd en worden onderzoeksvragen
   uitgezet.
   De totstandkoming van dit kennisinstituut brengt met zich mee dat de bezuiniging
   naar de mening van de Raad gefaseerd tot stand moet komen.
   Richtbedrag: 3.650.000 euro
   De Raad adviseert 18% te bezuinigen op de sector Amateurkunst en Cultuureduca-
   tie. Na deze bezuiniging ziet de nieuwe infrastructuur er als volgt uit:
   • 1 programmafonds, richtbedrag 15.884.000 euro;
   • 1 kennisinstituut, richtbedrag 3.650.000 euro.
   ASMAL2
   Algemeen
   De huidige basisinfrastructuur ziet er als volgt uit:
   • 1 Sectorinstituut (NAi)
   • 1 Stimuleringsfonds voor Architectuur
   • 1 Postacademische Instelling (Berlage Instituut)
   • 1 Internationaal platform (Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam)
   • 1 ontwikkelinstelling (Archiprix)
   • 1 ontwikkelingstelling (Architectuur Lokaal)
   • 1 ontwikkelinstelling (Europan)
   Na aftrek van de reeds opgelegde vijf procent bezuinigingen op het totaalbudget voor
   ASMAL is er 9.933.000 euro voor de sector beschikbaar.
   De omstandigheden waaronder architectuur, stedenbouw, monumentenzorg, archeo-
   logie en landschapsarchitectuur tot stand komen, zijn veranderd. Economische krimp,
   doorgaande decentralisatie, een herontwikkelingsagenda en een gesignaleerde kloof
   tussen de sector en ‘publiek en gebruiker’ vragen om nieuwe accenten in de infra-
22
   2 Architectuur, stedenbouw, monumenten, archeologie en landschapsarchitectuur
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>structuur. De sector proeft bovendien de zure vruchten van het terugvallen van de
markt. Grote aantallen professionals hebben hun orderportefeuilles ziek slinken of zijn
werkloos geraakt. Ook culturele instellingen hebben te kampen met een terugval in de
eigen inkomsten. Daardoor is het onverstandig meer dan 20 procent te bezuinigen.
Nieuwe infrastructuur
De Raad adviseert de functie van postacademische instelling te beëindigen. Daar-
voor in de plaats stelt de Raad voor, in eerste instantie onder de vleugels van het
Stimuleringsfonds voor Architectuur, een voorziening in het leven te roepen om
innovatief onderzoek van individueel (professioneel) toptalent te stimuleren.
Voorts moet het Stimuleringsfonds voor Architectuur zich kunnen ontwikkelen tot
een breed fonds voor architectuur, stedenbouw, erfgoed, landschapsarchitectuur,
waarin de bij ruimtelijke ontwikkelingen en innovatie betrokken ministeries parti-
ciperen. Ook kan nader onderzocht worden of decentrale overheden in het fonds
kunnen participeren. Naast stimuleringssubsidies zou ook ruimte geschapen kunnen
worden voor investeringsregelingen.
De functie en taken van het toekomstige, brede stimulerings- en investeringsfonds
overlappen niet met de functie en taken van het sectorinstituut, dat zich richt op
zijn kerntaken archivering, ontsluiting van de (erfgoed)collectie, educatie en ken-
nisoverdracht, ook door middel van agendering en debat. De Raad adviseert voorts
de functie van Internationaal Festival onder te brengen bij het sectorinstituut dat
immers een belangrijke publiekstaak heeft en educatietaak.
Gelet op de verdergaande decentralisatie van de ruimtelijke ordening, kan volgens de
Raad worden overwogen of enkele van de lokale architectuurcentra, die momenteel
jaarlijks door het Stimuleringsfonds voor Architectuur worden gesubsidieerd, hun
rol kunnen uitbouwen tot regionale centra voor architectuur, stedenbouw, monu-
mentenzorg, archeologie en landschapsarchitectuur. In de infrastructuur is ruimte
voor een ontwikkelinstelling die zich richt op het stimuleren van excellent afstude-
ren. Hier verdient de bestendiging van de internationalisering volgens de Raad extra
ondersteuning. Er is tevens ruimte voor een of meer ontwikkelinstellingen die zich
richten op de bevordering van de(culturele) kwaliteit van het opdrachtgeverschap,
zowel publiek als privaat.
Op basis van een bezuinigingsvoorstel van 2.004.000 euro wordt het budget voor
ASMAL in de nieuwe infrastructuur 7.931.000 euro.
De bezuiniging is opgebouwd uit het bedrag 1.154.000 euro (beëindiging van de
functie Postacademische Instelling) en uit 1.000.000 euro (vermindering van het
huidige budget van het sectorinstituut) en verminderd met het bedrag van 150.000
euro dat wordt gereserveerd voor ontwikkeling van individueel (top)talent. Vanwege
de langlopende contractuele verplichtingen en de omvang van de bezuiniging dienen
deze gefaseerd te worden uitgevoerd.
De bezuiniging levert het volgende overzicht voor de infrastructuur op:
• 1 regeling voor ontwikkeling van individueel toptalent: nieuw richtbedrag
   150.000 euro;
• 1 ontwikkelinstelling ter stimulering van excellente afstudeerprojecten;
• ontwikkelinstelling(en) ter stimulering van goed opdrachtgeverschap;
• 1 internationaal festival (ondergebracht bij het sectorinstituut);
• ontwikkelinstelling(en) ter stimulering van goed opdrachtnemerschap;
• 1 stimulerings- en investeringsfonds;
• 1 sectorinstituut: nieuw richtbedrag 5.106.000 euro (inclusief de Biënnale).
                                                                                        23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>   Beeldende Kunst en Vormgeving
   Algemeen
   De huidige basisinfrastructuur ziet er momenteel als volgt uit:
   • twee fondsen, de Mondriaan Stichting en het Fonds BKVB
   • een sectorinstituut vormgeving, de Premsela Stichting
   • een internationaal festival, Manifesta
   • elf presentatie-instellingen
   • drie ondersteunende instellingen, Trans Artists, NIMk, SKOR
   • twee ontwikkelinstellingen, Droog Design, Young Designers & Industry
   • vier postacademische instellingen, EKWC/Sunday Morning, Jan van Eyck
     Academie, Rijksakademie, de Ateliers
   Na aftrek van de reeds opgelegde vijf procent bezuinigingen gaat er 49.445.000 euro
   in de sector om. De nieuwe infrastructuur wordt vereenvoudigd; zij moet de ont-
   wikkeling van kunst en ontwerp kunnen stimuleren. Voor een vitale en pluriforme
   beeldende kunst en vormgeving is het belangrijk dat alle schakels van de keten zijn
   vertegenwoordigd: opleiding en talentontwikkeling, creatie en productie, presentatie,
   behoud en beheer, onderzoek en reflectie. De Raad adviseert om de functie internati-
   onaal festival bij de fondsen onder te brengen.
   De nieuwe infrastructuur
   De sector Beeldende Kunst en Vormgeving (BKV) wordt gedomineerd door de mu-
   sea en door het Fonds BKVB en de Mondriaan Stichting; vanaf 1 juli is het nieuwe
   gefuseerde fonds - het Mondriaanfonds – operationeel. De aangekondigde fusie van
   de twee fondsen biedt mogelijkheden om de gewenste afstemming tussen productie
   en aanbod van kunst te realiseren en dynamiek en vernieuwing in de sector te stimu-
   leren. Vier jaar na de publicatie Second Opinion, waarin de fondsen zelf pleitten voor
   een scherpere keuze, zijn de focus op kwaliteit en een vermindering van het aanbod
   nog steeds actueel. Het kwaliteitscriterium bij het Fonds BKVB is relatief soepel
   en zou verder kunnen worden aangescherpt. Ook de Mondriaan Stichting zou een
   strengere selectie kunnen maken. Daarnaast kan het honorarium van kunstenaars
   worden verbeterd.
   De bezuiniging is 8.530.000 euro, waarbij rekening is gehouden met 2 procent
   efficiency-bezuiniging door de fusie.
   Richtbedrag:23.085.000 euro ten behoeve van beeldende kunst, vormgeving en
   bouwkunst plus 6.800.000 ten behoeve van aparte regelingen, erfgoed (op dit bud-
   get wordt niet gekort).
   Het sectorinstituut vormgeving, de Premsela Stichting, opereert als een netwerk-
   organisatie en draagt verantwoordelijkheid voor kerntaken als internationalisering,
   coördinatie van archivering van het erfgoed, regie in onderzoek, reflectie en debat,
   informatie, social design en goed opdrachtgeverschap. Om de bezuiniging te behalen
   kan gekeken worden naar de relevantie van de programma’s voor de kerntaken. De
   Raad stelt voor te onderzoeken of de Premsela Stichting en het Nederlands Instituut
   voor Mediakunst (NIMk) betrokken kunnen worden bij de fusie van het Virtueel
   Platform en Digitaal Erfgoed Nederland (zie e-cultuur).
   De bezuiniging is 795.000 euro. Fasering is noodzakelijk vanwege forse bezuiniging.
   Richtbedrag: 1.856.000 euro
24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>De dynamiek en (internationale) betekenis van Nederlandse beeldende kunst is voor
een belangrijk deel te danken aan een klein aantal presentatie-instellingen. Het zijn
wegbereiders in velerlei opzichten: ze voeren op hoog niveau een internationaal dis-
cours met andere instellingen, theoretici en kunstenaars en weten dat te vertalen in
een divers en publiek toegankelijk programma van kunstproductie, -reflectie en –pre-
sentatie. In totaal blijven zes presentatie-instellingen (vier grote en 2 kleinere) in de
nieuwe infrastructuur gehandhaafd. Andere presentatie-instellingen dienen op een
meer flexibele manier financiële ondersteuning bij het nieuwe fonds aan te vragen.
De bezuiniging is 1.129.000 euro.
Richtbedrag: 2.400.000 euro (6 instellingen)
Er resteren twee ondersteunende instellingen in het nieuwe stelsel. De huidige instel-
lingen zijn SKOR, verantwoordelijk voor het ontwikkelen en realiseren van bijzon-
dere kunstprojecten in relatie tot het publieke domein; de tweede is het NIMk, dat
een hoofdrol speelt op het terrein van mediakunst. De derde instelling, Trans Artists,
heeft een faciliterende rol met betrekking tot artist-in-residence-voorzieningen. De
Raad beveelt aan deze functie onder te brengen bij een van de fondsen.
De bezuiniging is 1.152.000
Richtbedrag: 2.176.000 euro
De postacademische instellingen zouden naar de mening van de Raad tot een bezui-
niging kunnen komen door de overhead te beperken, de duur van de programma’s
aan te passen, overlap tussen het aanbod van de postacademies te beperken, de
residency-functie voorop te stellen (de Rijksakademie), door fusies met musea of
presentatie-instellingen. Er kan geld gegenereerd worden door een grotere eigen
bijdrage van de deelnemers conform reguliere artist-in-residence-plaatsen, door
fondsen bestemd voor innovatieve projecten aan te spreken, door sponsoring en me-
cenaatbevordering. De Raad adviseert de Jan van Eyckacademie te handhaven en het
aantal residence-voorzieningen bij de Rijksakademie en de Ateliers terug te brengen
van 75 naar 60 plaatsen.
Fasering is noodzakelijk omdat de complexiteit van de maatregelen voor de postaca-
demische instellingen zodanig groot is dat een gefaseerde bezuiniging noodzakelijk
is. De bezuiniging is 1.550.000 euro. Voor de bezuiniging per instelling moet nader
onderzoek verricht worden.
Richtbedrag: 4.808.000 euro
Het Europees Keramisch Werkcentrum (EKWC) is een werkplaats die kunstenaars
de gelegenheid biedt hun talent te uiten in het medium keramiek. De Raad adviseert
dit type instelling onder te brengen bij ontwikkelinstellingen. In de nieuwe infrastruc-
tuur zijn er totaal drie ontwikkelinstellingen; zij staan garant voor vernieuwend en
experimenteel aanbod. In de huidige Basisinfrastructuur vervullen Droog Design en
Young Designers & Industry deze functie.
De bezuiniging is 338.000 euro
Richtbedrag: 826.000 euro
De Raad adviseert 30 procent te bezuinigen op de sector BKV. Het budget voor de
nieuwe infrastructuur bedraagt: 35.151.000 euro. De nieuwe infrastructuur ziet er
als volgt uit:
• Mondriaanfonds, richtbedrag 23.085.000 euro (excl. Erfgoed);
• Een sectorinstituut, richtbedrag 1.856.000 euro;
• Zes presentatie instellingen, richtbedrag 2.400.000 euro;
• Twee ondersteunende instellingen, richtbedrag 2.176.000 euro;
• Drie ontwikkelingsinstellingen, richtbedrag 826.000 euro;
• Drie postacademische voorzieningen, richtbedrag 4.808.000 euro.                         25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>   Bibliotheken en Letteren
   Algemeen
   De huidige basisinfrastructuur ziet er als volgt uit:3
   • 2 internationale festivals (Crossing Border en Poetry International);
   • 7 ontwikkelinstellingen (Autped, El Hizjra, Fonds Bijzonder Journalistieke
       Projecten, Passionate Bulkboek, Poëziepaleis, School der Poëzie, De Wintertuin);
   • 2 ondersteunende instellingen (Schrijvers School en Samenleving en Stichting
       Lezen);
   • 1 fonds (Nederlands Letterenfonds, fusie van twee fondsen sinds 1 januari 2010);
   • 1 sectorinstituut bibliotheken.
   Na aftrek van de reeds opgelegde vijf procent bezuinigingen gaat 21.485.000 euro
   om in deze sector.
   De voorgenomen bezuiniging op dit budget leidt tot nieuwe afwegingen binnen de
   sector. De infrastructuur zal kleiner worden, met als consequentie dat de letteren-
   educatie-instellingen erbuiten gaan vallen. De staatssecretaris stelt in zijn adviesaan-
   vraag voor activiteiten op het gebied van leesbevordering te bundelen. De Raad pleit
   daartegen, maar adviseert wel dat instellingen die weliswaar zeer waardevol zijn maar
   in verhouding een kleiner bereik hebben voortaan via een fonds subsidie moeten
   aanvragen. Bij het fonds voor cultuurparticipatie komt een regeling voor dit soort
   instellingen.
   Voor de internationale festivals en de ontwikkelinstellingen die een festivaltaak heb-
   ben, zal budget worden gereserveerd bij het fonds. Het fonds heeft al een festivalre-
   geling; deze zal dus breder worden.
   Nieuwe infrastructuur
   Er is een ondersteunende instelling die zich richt op leesbevordering. Daar komt
   kennis samen, wordt onderzoek gestimuleerd en worden instrumenten op het gebied
   van leesbevordering ontwikkeld.
   Richtbedrag: 1.950.000 euro
   Er is een landelijk opererende instelling die bemiddelt tussen schrijvers, scholen, bi-
   bliotheken en andere instellingen en organisaties, nu ingevuld door Schrijvers School
   en Samenleving. Deze instelling maakt een verbinding tussen educatie, onderwijs en
   makers.
   Richtbedrag: 765.000 euro
   Er is een gespecialiseerd letteren fonds dat zich richt op het stimuleren van bijzonde-
   re, diepgravende journalistiek. Het stelt kleine bedragen ter beschikking om onder-
   zoek te doen.4 Het fonds moet zijn recoupmentpositie aanzienlijk verbeteren zodat
   (een deel van) de bezuiniging kan worden opgevangen.
   Richtbedrag: 393.000 euro
   Er is een algemeen letteren fonds dat zich richt op het bevorderen van de kwaliteit
   en diversiteit van de Nederlandse en Friese letteren, en van vertalingen uit andere
   talen naar het Nederlands. Daarnaast richt het fonds zich op promotie en vertaling
   van Nederlandse literatuur in het buitenland. De Raad adviseert de werkbeurzen
   3 Het Letterkundig Museum wordt meegenomen bij de sector musea.
   4 De staatssecretaris heeft de Raad in zijn adviesaanvraag verzocht te bezien of ondersteuning van bijzondere journalistieke
   producties onder te brengen is bij het fonds. De Raad heeft dit serieus onderzocht en ziet geen enkele meerwaarde in een
26 dergelijke fusie. De instelling die thans deze taak uitvoert doet dat dermate efficiënt dat eerder verlies dan meerwaarde ontstaat
   bij opgaan in een groter fonds.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>van het fonds voor auteurs te verminderen. Het fonds kan zijn recoupmentpositie
aanzienlijk verbeteren en daarmee een deel van deze bezuiniging opvangen. Het
vertaalbeleid moet daarbij volgens de Raad worden ontzien. De tijdschriftenregeling
kan echter ook aanzienlijk worden ingeperkt. Vroeger waren tijdschriften een belang-
rijk instrument voor talentontwikkeling van auteurs; inmiddels hebben ze sterk aan
belang ingeboet.
In het kader van de bezuinigingen zal het fonds naar de mening van de Raad moeten
kijken of het zich op minder landen gaat richten. Het fonds voert onder andere een
festivalregeling uit. Het budget voor dit laatste onderdeel adviseert de Raad op te
hogen met een deel van het budget dat nu nog landelijk voor festivals wordt ingezet.
Het verdient aanbeveling de festivalregeling meerjaarlijks te maken. Culturele diver-
siteit moet helder zijn opgenomen in de regelingen.
Tot slot kan het fonds een deel van de bezuiniging vinden door te korten op over-
head.
Richtbedrag: 9.522.000 euro
Er is een sectorinstituut voor bibliotheken dat binnen zijn stelseltaken doet wat
de brancheorganisatie en eventuele andere partijen niet voor de sector doen. Voor
de invulling van deze taken kan, naar de mening van de Raad, het huidige budget
gehalveerd worden. Vanwege de omvang van de bezuiniging dient deze gefaseerd te
worden uitgevoerd.
Het sectorinstituut heeft als opdrachtgever en initiator de verantwoordelijkheid voor
innovatie en ontwikkeling van het digitale bibliotheekwerk. Mede hierom, en om
transparantie te bevorderen en bestuurlijke drukte te verminderen dient de stich-
ting Bibliotheek.nl. onder het instituut te vallen. Het instituut is daarmee de enige
opdrachtgever van Bibliotheek.nl.
Naast het digitale bibliotheeknetwerk richt het instituut zich onder meer op samen-
werkingsverbanden met verwante sectoren, zoals scholen en archieven.
Het budget van Bibliotheek.nl dient nog bij onderstaand richtbedrag geteld te wor-
den.
Richtbedrag: 3.269.000 euro
De Raad adviseert 26 procent te bezuinigen op de sector Bibliotheken en Letteren.
Het budget voor de nieuwe infrastructuur bedraagt 15.899.000 euro. De nieuwe
infrastructuur ziet er als volgt uit:
• een ondersteunende instelling, richtbedrag 1.950.000 euro;
• een bemiddelende instelling, richtbedrag 765.000 euro;
• een gespecialiseerd letterenfonds, richtbedrag 393.000 euro;
• een algemeen letterenfonds, richtbedrag 9.522.000 euro;
• een sectorinstituut bibliotheken, richtbedrag 3.269.000 euro.
E-cultuur
Algemeen
De huidige basisinfrastructuur ziet er als volgt uit:
• 1 sectorinstituut
• 7 ontwikkelinstellingen
Het e-cultuurbeleid vraagt in de komende jaren om heldere uitgangspunten omdat
het een bloeiende industrie is, die op vele terreinen van het leven impact heeft.
Door samenvoeging van kennisinstellingen en een bezuiniging op ontwikkelinstel-
lingen wordt een korting van 18 procent gerealiseerd op het budget van 5.000.000
euro. Het budget voor de nieuwe infrastructuur bedraagt 4.100.000 euro.
                                                                                      27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>   Nieuwe infrastructuur
   Instellingen (3.300.000 euro te verdelen naar 6 kleine en 2 grote instellingen)
   De kerntaak van rijksgesubsidieerde instellingen in de e-culturele sector is het
   onderzoek naar nieuwe methodes, technieken, concepten en presentatievormen,
   het zogenaamd vormonderzoek. Met dit vormonderzoek beïnvloedt de e-culturele
   sector andere sectoren met nieuwe gereedschappen voor traditionele makers, nieuwe
   genres, nieuwe distributievormen, en vooral ook nieuwe relaties met publiek en
   samenleving. Duurzame verankering van fundamentele veranderingen valt onder
   transformatieonderzoek. Deze twee soorten onderzoek ziet de Raad als netwerktaken
   van deze rijksgesubsidieerde instellingen. Binnen het context- en transformatieon-
   derzoek ontstaat vernieuwing door nieuwe inzichten en technologie.
   Vormonderzoek is experimenteel van karakter en onttrekt zich aan marktwerking.
   Daarnaast fungeert dit type onderzoek als onmisbare voedingsbodem voor context-
   en transformatieonderzoek voor de hele sector. Om deze redenen verdient vormon-
   derzoek de focus van overheidsbeleid.
   Kerntaken
   De kerntaken van een e-culturele instelling zijn het zelf doen van onderzoek en het
   functioneren als een toegankelijke hotspot die vernieuwing en creativiteit faciliteert
   en kennis deelt. Daarbij richten de grotere instellingen zich ook op de netwerktaken,
   het context- en transformatie onderzoek.
   Een dergelijke instelling heeft een heldere identiteit in termen van
   • aard en inhoud van eigen artistiek onderzoek
   • een afgebakende thematiek
   • een lange termijn visie en -onderzoeksagenda
   • samenwerking met nationaal en internationaal relevante partners
   • zichtbare resultaten
   Kennisinstituut (800.000 euro ) – Fusie Virtueel Platform (VP) en Digitaal Erf-
   goed Nederland (DEN)
   Binnen de huidige BIS functioneert het VP als sectorinstituut. Onderzoek wijst
   uit dat er behoefte is aan een instituut dat zich, in deze door kleinschaligheid ge-
   kenmerkte sector, nationaal en internationaal beweegt op terrein van afstemming
   en coördinatie (vraagbundeling, netwerkcentrum voor kennisdeling contacten en
   adviezen).
   Binnen de huidige BIS richt DEN zich op de integrale toegang tot en het behoud
   en beheer van culturele informatie, digitale duurzaamheid en de kwaliteitszorg voor
   digitaal erfgoed. Zij biedt voor de erfgoedsector de toegang tot kennis van innovatie
   in het commerciële, wetenschappelijke en culturele domein.
   VP en DEN zijn beide van belang voor het context- en transformatieonderzoek: voor
   het tot stand brengen van verbindingen binnen en tussen netwerken, kennisdissemi-
   natie, vraagbundeling en internationale samenwerking. Daarom worden VP en DEN
   samengevoegd tot kennisinstituut voor het e-culturele domein in de breedste zin van
   het woord.
   Het kennisinstituut ondersteunt de ontwikkeling van e-cultuur langs de assen
   aanbod, ontwikkeling en duurzaamheid voor de hele sector. Tot de taken van het
   instituut horen afstemming en coördinatie, maar ook (inter)nationale presentatie,
   educatie, informatie en reflectie, digitaal erfgoed, documentatie en de intelligente
   koppelingen tussen de e-cultuur en instellingen binnen en buiten de kunst en cul-
   tuur.
   Voor intelligente koppelingen is het noodzakelijke dat het sectorinstituut geëqui-
   peerd wordt om de relatie met de verschillende grote en kleinere partners in het veld
28 te onderhouden, zowel organisatorisch als beleidsmatig ( bijvoorbeeld Koninklijke
   Bibliotheek en Nationaal Archief).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Onderdeel van de taak van het kennisinstituut moet ook zijn:
• Kennisontwikkeling en borging.
• Actief stimuleren van transformatieonderzoek, met name in de erfgoedsector, naar
   duurzame verankering van e-cultuur.
• Slaan van een brug tussen instellingen werkzaam in het e-cultureel domein en de
   wetenschap
• Proactief projecten opzetten waarin vormonderzoek van de rijks gesubsidieerde
   instellingen wordt doorontwikkeld in context en transformatieonderzoek.
• Kennisdisseminatie, zowel naar peers in eigen en andere sectoren als naar het
   grote publiek.
• Kwantitatief en kwalitatief onderzoek naar omvang en toegevoegde waarde sector
• Samenwerking met het Nederlands Instituut voor Mediakunst (NIMk) voor wat
   betreft documentatie en archivering van nieuwe media.
Onderzocht moet worden of bij de fusie van het VP en DEN het NIMk en het Prem-
sela Instituut betrokken kunnen worden.
Toegang tot middelen
In de sectoranalyse is beschreven dat alle programma’s ingericht voor de bevordering
van e-culturele ontwikkelingen inmiddels zijn beëindigd. Nog bestaande regelingen
voor gaming zijn alleen gerelateerd aan de mediasector. Er is echter niet een specifiek
op e-cultuur gericht fonds, waardoor de sector moeizaam toegang heeft tot financie-
ring en bij aanvragen niet op de sectoreigen kenmerken beoordeeld wordt. E-cultuur
beweegt zich op alle disciplines. Het is belangrijk dat in de bestaande fondsen geoor-
merkt budget komt voor e-cultuur. Dat vraagt specifieke beoordelingscriteria om een
bestaande discipline te positioneren. Dat geldt bijvoorbeeld voor de fondsen op het
gebied van film, media, dans, bkvb, architectuur en podiumkunsten.
In de bedrijvenbrief van EL&I is de creatieve sector als een van de topsectoren
opgenomen. De groeikernen voor e-cultuur vallen samen met de door EL&I gesig-
naleerde groeigebieden: Eindhoven, Wageningen, Groot-Amsterdam (Amsterdam
en omstreken), Zuidvleugel (Rotterdam, Den Haag en omstreken), Utrecht, Twente
(Enschede en omstreken) en Groningen. Samenwerking met EL&I ligt daarom voor
de hand. Het in de bedrijvenbrief voorgestelde Innovatiefonds zou ook voor de e-
culturele sector toegankelijk moeten zijn.
Film
Algemeen
De huidige Basisinfrastructuur ziet er als volgt uit:
• vier internationale festivals (Cinekid Nederland, Holland Animation Film Festival,
   International Documentary Film Festival Amsterdam en International Film Festi-
   val Rotterdam);
• twee postacademische instellingen (Binger Filmlab en Nederlands instituut voor
   animatiefilm);
• een ontwikkelinstelling (Nederlands Film Festival);
• een fonds (Nederlands Filmfonds);
• een sectorinstituut (Eye, begin 2010 ontstaan uit fusie).
De voorgenomen bezuiniging op dit budget leidt tot nieuwe afwegingen binnen de
filmsector. De postacademische instellingen zouden naar de mening van de Raad
voortaan in beginsel bij bestaande (hbo-)structuren aansluiting moeten vinden en/of
binnen de markt moeten opereren. Voor deze overgang naar onderwijs of markt moe-
ten deze instellingen wel de tijd krijgen. Een overgangstermijn van twee tot vier jaar
met een geleidelijke afbouw van het budget acht de Raad noodzakelijk. Hij adviseert     29
daarom de bezuiniging te faseren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>   Aansluitend bij het uitgangspunt ‘publiek’ van de staatssecretaris adviseert de Raad
   filminstellingen gericht op publiek/participatie relatief minder zwaar te belasten met
   de bezuinigingen dan aanbodgerichte instellingen – te weten het productiebudget bij
   het Filmfonds.
   De bezuiniging zal echter wel alle filminstellingen raken; een uitzondering daarop is
   de animatiesector (productie en vertoning). De Raad is van mening dat deze sector
   in verhouding zo weinig subsidie krijgt en van zo’n belang is dat een verdere korting
   onwenselijk is.
   Een deel van de bezuiniging kunnen filmfestivals en sectorinstituut vinden in betere
   samenwerking, onder andere op het gebied van educatie.
   Nieuwe infrastructuur
   De Raad stelt voor in de nieuwe infrastructuur twee internationale filmfestivals
   op te nemen. De uitgangspunten van de staatssecretaris zijn op deze festivals van
   toepassing: ondernemerschap, publiek, participatie en educatie en aanbod van (in-
   ter)nationale betekenis. Wat het laatste uitgangspunt betreft stelt de Raad voor dat
   voor deze positie het festival per se van internationale betekenis moet zijn. De Raad
   adviseert dat de uitgangspunten verder moeten worden uitgewerkt en doet daar een
   voorstel voor. De filmfestivals die het hoogst scoren op onderstaande criteria komen
   in aanmerking voor rijkssubsidie:
   • internationaal aanbod én internationaal onderscheidende statuur: zichtbaarheid
      van het festival buiten Nederland, samenwerking met buitenlandse partners, een
      niet-Nederlands breed aanbod en publiek, plus de aanwezigheid van een copro-
      ductiemarkt;
   • innovatie op eigen terrein;
   • diversiteit in aanbod;
   • verdieping van het aanbod met bijvoorbeeld een website, publicaties, debatten,
      lezingen.
   Richtbedrag: 1.632.000 euro
   Het sectorinstituut is verantwoordelijk voor het behoud en beheer van het Neder-
   landse filmerfgoed in alle filmgenres (speelfilm, documentaire en animatie). Deze
   instelling presenteert, doet de promotie van de Nederlandse film in het buitenland
   en coördineert op landelijk niveau educatie, reflectie en onderzoek. Deze instelling
   kent geen taak op het gebied van filmdistributie en wordt daarop specifiek gekort.
   De Raad is van mening dat een grotere bezuiniging op dit sectorinstituut ongewenst
   is gezien de geplande verhuizing en daarmee gepaard gaande stijging van exploitatie-
   kosten.
   Richtbedrag: 6.521.000 euro
   Het Filmfonds is met name verantwoordelijk voor de productie van animatie, docu-
   mentaire en speelfilm. De Raad adviseert dat het fonds verschillende instrumenten
   moeten inzetten als het gaat om productie; naast subsidie zal het meer moeten gaan
   werken met investerings-/garantieregelingen. Ook zal het fonds de recoupmentpositie
   moeten verbeteren.
   Het fonds voert nu een regeling uit op het gebied van distributie en festivals. Het
   budget voor dit laatste onderdeel zal worden opgehoogd met budget dat nu nog lan-
   delijk voor festivals wordt ingezet. Het verdient aanbeveling de festivalregeling meer
   jaarlijks te maken. Prioriteit moet worden gelegd bij animatie, kinder- en Neder-
   landse film.
   De Raad stelt voor aansluitend op dit advies met een apart advies over filmdistribu-
   tie te komen. Daarin worden met name de regelingen voor filmdistributie tegen het
   licht gehouden.
30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Bezuinigen op het Filmfonds is naar de mening van de Raad overigens alleen moge-
lijk als tegelijkertijd een tax incentive wordt ingevoerd.5 De productiesector moet een
zeker soortelijk gewicht hebben, willen er überhaupt films gemaakt kunnen worden.
Ook de artistieke film is afhankelijk van de commerciële film: beide maken gebruik
van dezelfde infrastructuur. Zodra een tax incentive van kracht is, kan de huidige
suppletieregeling voor de productie van meer commerciële films worden terugge-
bracht met ongeveer 7 miljoen euro. De andere productieregelingen moeten echter
in stand gehouden worden op het oude niveau. Dit betreft onder andere animatie,
documentaire en experimentele films.
Richtbedrag: 26.866.000 euro
Na aftrek van de reeds opgelegde vijf procent bezuinigingen gaat er 46.550.000 euro
om. Daar blijft na een bezuiniging van 25 procent 35.019.000 euro van over.
De nieuwe infrastructuur ziet er als volgt uit:
• twee internationale festivals, richtbedrag 1.632.000 euro;
• een fonds, 26.866.000 richtbedrag euro;
• een sectorinstituut, richtbedrag 6.521.000 euro.
Intercultureel en internationaal6
Algemeen
De huidige basisinfrastructuur ziet er als volgt uit:
• Intercultureel: drie ontwikkelinstellingen (Atana, Eutopia, Imagine IC)
• Internationaal: een ondersteunende instelling (Sica)
• Het huidige budget bedraag na de generieke korting 1.282.000 euro.
Intercultureel
Marktgericht werken
Instellingen moeten worden aangemoedigd in te spelen op demografische en cultu-
rele ontwikkelingen. Alleen met voldoende kennis van de markt kan men tegemoet
komen aan de vraag van een nieuw publiek en zo het publieksbereik te vergroten.
Dat betekent een focus op mengculturen in steeds wisselende samenstellingen, zoals
ze zich voordoen in onze voortdurend veranderende samenleving. Met marktgericht
werken wordt in dit verband bedoeld dat instellingen goed kijken naar de omge-
ving waarin ze functioneren en aan de hand hiervan hun maatschappelijke functie
bepalen. Het gaat niet alleen om demografie, maar ook om innovatie; het inspelen op
veranderingen. Hoe verandert het publiek, welke ontwikkelingen spelen er?
Vaak wordt publieksbereik vooral kwantitatief bekeken. De Raad pleit vanuit het
oogpunt van diversiteit voor een kwalitatieve benadering. Er zal een beoordelingsmo-
del moeten komen waarin wordt meegewogen welke publieksgroepen een instelling
bereikt. Instellingen die publiek bereiken dat doorgaans weinig van het gesubsidieer-
de cultuuraanbod gebruik maakt (waaronder jongeren en cultureel divers publiek)
moeten worden gestimuleerd. Binnen zo’n model kan ook de maatschappelijke
impact van de instelling meegenomen worden; naast fysieke bezoekers en makers
hebben instellingen een platform in de (digitale) media, doen ze mee in het publieke
debat en spelen ze een rol in hun lokale omgeving.
                                                                                                               31
5 Zie tekst sectoranalyse.
6 Voor de subsidieregeling beveelt de Raad aan de budgetten voor internationaal en intercultureel te scheiden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>   Expertisebevordering in samenwerking met het bedrijfsleven
   Culturele diversiteit is in de gesubsidieerde kunst en cultuursector nog niet het
   vanzelfsprekende aspect dat het in het bedrijfsleven inmiddels is geworden. Dat is
   immers geneigd om zich omwille van de eigen overlevingskansen te richten op een
   veranderende markt. Een positie die ook de cultuursector moet zoeken.
   Internationaal
   Internationaal Cultuurbeleid
   De Raad heeft in 2010 het advies Culturele vertegenwoordiging in het buitenland
   uitgebracht. De staatssecretaris vraagt dit advies te bezien in het licht van de bezuini-
   gingen. De belangrijkste aanbeveling was en is een strakkere regie van OCW op het
   internationaal cultuurbeleid, waarin de taken van alle spelers duidelijk zijn gedefini-
   eerd. Om middelen in handen te krijgen die het mogelijk maken de regie op het ICB
   daadwerkelijk te voeren, beveelt de Raad de beschikking van OCW over een deel van
   de HGIS gelden aan. Het maken van duidelijke afspraken met de fondsen en de sec-
   torinstituten zal alleen tot de door de staatssecretaris gewenste stroomlijning leiden
   wanneer afgesproken verplichtingen worden geëvalueerd. Vervolgens wijst de Raad
   op de kostenbesparing die zal worden gerealiseerd wanneer de SICA wordt aangewe-
   zen als overkoepelende en coördinerende instelling bij (statelijke) manifestaties.
   Het is aan te bevelen de samenwerking tussen de departementen OCW, BZ en
   ELenI voort te zetten nu de meerwaarde hiervan ten opzichte van een versnipperd
   opereren duidelijk is gebleken.
   De kostenbesparing die de in het advies voorgestelde evenwichtige en doeltreffende
   culturele vertegenwoordiging van ons land met zich meebrengt door flexibilisering
   van de posten, wordt hier buiten beschouwing gelaten.
   Europa
   Nu minder geld beschikbaar is zullen instellingen zich wellicht (meer) richten tot de
   Europese fondsen. Het verdient aanbeveling het ContactPunt in versterkte vorm
   te handhaven. Een effectieve lobby in Brussel kan goede diensten bewijzen. Onder-
   zocht moet worden hoe deze kan worden gevoerd. Kennis van de diplomatie en van
   het culturele veld zijn daarbij onontbeerlijk.
   Nieuwe infrastructuur
   Het budget voor de nieuwe infrastructuur bedraagt 1.094.000 euro, een verminde-
   ring van 15 procent.
   Ondersteuning en coördinatie
   • Ondersteuning bij aanvragen Europese subsidies
   • Onderhouden contacten in Brussel
   • Coördinatie internationale manifestaties
   Nieuw richtbedrag 611.000 euro
   Ontwikkeling ten behoeve van publiek en programmering
   • Ontwikkelen van innovatieve projecten die gericht zijn op jong en ‘pluricultureel’
   publiek.
   Nieuw richtbedrag 263.000 euro
   Expertisebevordering in samenwerking met het bedrijfsleven
   • Expertise van bedrijven op het gebied van diversiteit overdragen op culturele
   instellingen.
   Nieuw richtbedrag 220.000 euro
32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Bovensectoraal
Algemeen
De huidige basisinfrastructuur ziet er als volgt uit:
• 1 ondersteunende instelling (Boekmanstichting)
• 1 ontwikkelinstelling (De Balie)
Het huidige budget voor documentatie, kennis en debat bedraagt na de generieke
korting 1.180.000 euro.
De Raad pleit voor handhaving van een landelijk onderzoeks en documentatiecen-
trum dat zich niet alleen richt op afname en consumptie van cultuur, maar ook op
beleids- en bestuursprocessen die daarmee gepaard gaan en het debat daarover.
Hij onderschrijft daarmee het belang van het conserveren en actualiseren van een
nationale kenniscollectie op het gebied van kunst en cultuur, het bijdragen aan
kennisoverdracht en het voeden van het debat als ook het functioneren als informa-
tiemakelaar. Participatie in internationale samenwerkingsverbanden, samenwerking
met universiteiten en technologische vernieuwing zijn daarbij onontbeerlijk.
De Raad acht deze functie onmisbaar in de boven sectorale ondersteuning van het
culturele veld alsmede ten behoeve van het beleid en de beleidsontwikkeling.
De Raad wil met deze voorziening een nauwe relatie aangaan. Gelet op effectiviteit
en efficiency van het hem ondersteunende secretariaat stelt hij voor dat er een on-
derzoek wordt gestart naar een samenwerking met de Boekmanstichting.
Nieuwe infrastructuur
De bezuinigingen bedragen 24 procent op het geheel. Het budget voor de nieuwe
infrastructuur bedraagt 900.000 euro voor genoemde functies.
Musea
Algemeen
In de adviesvraag van de staatssecretaris van OCW worden de musea niet uitgeslo-
ten van de bezuinigingen. De Raad volgt de adviesvraag.7 De Raad is van mening dat
besparing mogelijk is door efficiëntere samenwerking onder andere door front-office
en back-office integratie.
De Raad stelt een korting op de sector musea voor van 26% in het jaar 2015, met
ingang van het jaar 2013 stelt de Raad een korting voor van 15%. De wijze waarop
de volledige bezuiniging wordt ingevuld is afhankelijk van de resultaten van nader
onderzoek naar een bestelwijziging en de rijkscollecties en de verantwoordelijkheid
van de rijksoverheid daarvoor.
Het rijksmuseale landschap kent 29 instellingen en een documentatie-instelling. In
dit homogene landschap wordt het onderscheid bepaald door het verzamelgebied
van de diverse instellingen. In relatie tot andere sectoren zijn zij eindpunt (verzame-
lingen) en begin van (kennisdistributie) de culturele keten.
Bestelwijziging musea
Voor de sector musea stelt de Raad een bestelwijziging voor waardoor meer samen-
hang ontstaat, tussen de verschillende bestuurslagen en tussen middelgrote en kleine
musea. Ter voorbereiding hiervan wil de Raad een nader onderzoek naar, en een
advies uitbrengen over, de bestelwijziging, waarbij ook aandacht besteed wordt aan
de rijkscollecties en de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid daarvoor en hoe
een betere bedrijfsvering en efficiency kan worden bereikt door samenwerking tussen
                                                                                                                               33
7 Huur is uitgezonderd van de bezuinigingen, bij sluiting van een instelling blijven de kosten voor gebouw en beheer collectie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>   de VRM musea en vervolgen in het totale museale bestel. 8 Met dit onderzoek wordt
   ingezet op een actieve beweging naar meer samenwerking, naar nieuwe rollen en het
   vergroten van de actieradius (inkomstenverwerving, ontwikkeling mecenaat, publiek
   private samenwerkingsmodellen en netwerken). De focus op regionale spreiding
   wordt ingevuld aan de hand van het begrip moedermuseum. Het zelfverdienend ver-
   mogen van de sector dient volgens de Raad verder te worden ontwikkeld. De Raad
   stelt voor dat het onderzoek december 2011 gereed is. Daarbij is het van belang dat
   het Rijk de erfgoedbalans en het waardestellend kader op korte termijn voltooit.
   De Raad doet het voorstel dat de minst door bezuiniging getroffen musea een grote
   verantwoordelijkheid hebben voor de minder sterke musea ( het delen van kennis,
   vaardigheden en netwerken). De instellingen dienen zich te richten op duurzame
   samenwerkingsvormen.
   De Raad geeft de volgende overwegingen mee (bedrijfsmatig , inhoudelijk en/of
   regionale spreiding):
   • Uitgangspunt voor de visie op samenwerking en netwerken is de gedachte van het
      moedermuseum.
   • Inherent aan de gekozen oplossing is het beleggen van verantwoordelijkheid op
      decentraal bestuursniveau. Dit vraagt om meer coördinatie en het bestaan van een
      wettelijk kader waarbinnen de verschillende overheidslagen kunnen opereren.
   • De Raad wijst een aantal wetenschappelijk kernfunctie-instellingen aan:
      Letterkundig Museum, Museum voor Volkenkunde, RMO, Rijksmuseum,
      Naturalis, het Catharijneconvent en de RKD. Het Rijksmuseum krijgt tot taak de
      materiële presentatie van geschiedenis.
   • Bereik efficiency door backoffice integratie op stedelijk niveau tussen VRM-musea
      (Utrecht, Amsterdam, Den Haag).
   • Daar waar de continuïteit kritisch is, kan een verbinding of fusie overwogen
      worden met een verwant museum of instellingen met verwante bedrijfsactiviteiten
      (Boerhaave en Naturalis, woonhuisfunctie Meermanno bij Mauritshuis en de col-
      lectie verbinden met de KB)
   • Streef (op stedelijk niveau) bovendien naar integratie en geef invulling aan samen
      hang waar deze inhoudelijk mogelijk is (Mauritshuis/Gevangenpoort en Meerman-
      no (breng collectie Meermanno onder bij KB) (Huis Doorn, paleis het Loo).
   • Daar waar sprake is van een regionale functie dient een instelling door het aangaan
      van verbindingen het bewustzijn hiervan te tonen. (Rijksmuseum Twente, Kröller
      Muller). Benut daarbij de kans tot sterkere gezamenlijke inhoudelijke programme-
      ring en zoek voor continuïteit naar meer hechting binnen de eigen omgeving.
   • Realiseer waar mogelijk programmatische samenwerking (eventueel uitlopend in
      bedrijfsmatige samenwerking). In ieder geval zodanig dat, daar waar sprake is van
      in stand houding vanuit regionaal perspectief, meerwaarde gegenereerd kan wor-
      den (samenwerking Rijksmuseum, Mauritshuis, Rijksmuseum Twenthe) (samen-
      werking Van Goghmuseum en Kröller Muller).
   • Benut bestaande samenwerkingsverbanden en maak binnen deze verbanden
      heroverwegingen op gebied van behoud, beheer en presentatie/educatie (samen-
      werkende Volkenkundige musea, samenwerkende maritieme musea, samenwerking
      op gebied van religieuze cultuur, natuurhistorische musea). Denk daarbij ook aan
      de wetenschappelijke steunfunctie van musea (zie hieronder).
   • Onderzoek integratie van de ‘media musea’ . (Letterkundig Museum presentatie
      functie onderbrengen bij Beeld en Geluid. Depot in stand houden in Den Haag bij
      KB).
34 8 Bij de publiekrechtelijke verantwoordelijkheid van de rijksoverheid voor de rijkscollecties wordt uitgegaan van de verant-
   woordelijkheid van het Rijk voor de rijkscollectie die gebaseerd is op: A. juridische status, B. Financiële relatie, C. bestuurlijke
   betrokkenheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Huisvestingsproblematiek
In het kader van het bevorderen van ondernemerschap zou in overweging genomen
kunnen worden in overleg met de instellingen een verandering aan te brengen in
de eigendomsrelatie met de Rijks Gebouwen Dienst (RGD). De beheerovereen-
komsten met de RGD hebben een looptijd van vijftien jaar. Dat betekent dat de
huurovereenkomsten in 2014 aflopen. De ruimte die daardoor ontstaat zou ingezet
kunnen worden om inhoud te geven aan ondernemerschap. De huisvesting van mu-
sea maakt veelal onlosmakelijk deel uit van het primair proces. Een dergelijke bena-
dering vereist gedegen onderzoek naar de wijze waarop het beheer van de gebouwen
in termen van efficiency en effectiviteit vorm gegeven zou kunnen worden.
Nieuwe infrastructuur
De Raad stelt een korting op de sector musea voor van 26 procent . Met ingang van
het jaar 2013 stelt de Raad een korting voor van 15 procent. De bezuiniging op lan-
ge termijn is afhankelijk van de resultaten van nader onderzoek naar een bestelwijzi-
ging en de rijkscollecties plus de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid daarvoor.
De bezuiniging dient nadrukkelijk in het licht gezien worden van de herinrichting
van de sector op lange termijn.
In afwachting van de uitkomsten van het onderzoek wordt, om de door de Raad
voorgestelde bezuiniging van 26 procent te realiseren, gekort op de volgende muse-
ale functies:
1. Wetenschappelijke functie – Op de investeringen in de wetenschappelijke functie
wordt een bezuiniging van 3,8 miljoen euro gerealiseerd per 2016. De onderbouwing
van deze korting wordt hieronder beschreven.
De Raad stelt voor een aantal wetenschappelijke kerninstellingen aan te wijzen:
Letterkundig Museum, Museum voor Volkenkunde, RMO, Rijksmuseum, Naturalis
en het Catharijneconvent en het RKD. Ook wordt voorgesteld op dit budget bij het
Rijksmuseum een bezuiniging van 1,3 miljoen te realiseren. Na deze bezuiniging
resteert nog 1,3 miljoen waarvan 300.000 euro geoormerkt wordt voor de materiele
presentatie van geschiedenis. Op het budget van Naturalis wordt een bezuiniging van
600.000 euro gerealiseerd. De overige instellingen ontvangen geen subsidie meer
voor het uitoefenen van de wetenschappelijke taak.
 Nota bene: Voor de bezuiniging per 2013 geldt de hierboven specifiek voor het
Rijksmuseum (behoudens de aangewezen 300.000 euro) en Naturalis voorgestelde
korting niet.
2.Collectiefunctie – vier jaar onaangetast laten
De exploitatielasten voor de collectie (de kern van het museum) blijven onaange-
roerd in afwachting van herziening van de wettelijke regeling. De Raad stelt voor de
exploitatielasten voor vier jaar op dit niveau te handhaven en in 2018 opnieuw te
bezien, als de collectie Nederland op orde is. De beheerovereenkomsten met betrek-
king tot de rijkscollectie lopen in 2023 af.
3.Presentatiefunctie
A. Vaste presentatie (specifieke budgetten in onderstaand overzicht voor 2013 en
2016)
De inzet op de vaste presentatie dient vanuit een visie op de lange termijn gerea-
liseerd te worden. Daar dient het mecenaat (waaronder ook vriendenkringen) een
meer pregnante rol in te gaan spelen. Instellingen moeten wel geëquipeerd worden
om een buffer op te bouwen (endowment fonds).
B. Tijdelijk presentatie (specifieke budgetten in onderstaand overzicht voor 2013 en
2016)
Met name voor de tijdelijke presentatiefunctie musea geldt dat de marktwerking wel     35
moet blijken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>   Nota bene: Uitkomst van de onderzoeken en het tot stand komen van nieuwe sa-
   menwerkingsvormen zullen aanleiding zijn voor het herzien van de wijze waarop
   invulling gegeven wordt aan de voorgestelde bezuinigingen.
   Bezuiniging en fasering
   De totale investering in musea (exploitatie minus huren) bedraagt 96.000.000 euro.
   Conform de voorgestelde werkwijze en in afwachting van de resultaten van het on-
   derzoek stelt de Raad voor een korting van 26 procent per 2015 te realiseren en in
   2013 te beginnen met een korting van 15 procent.
                                    Huidig Budget    Budget 2013        Budget vanaf 2015
                                                     (15%)              (26%)
    Totaal                          €     96.032.000 €      81.624.000  €      71.019.000
    Wetenschappelijke functie       €      6.400.000 €       4.394.000  €       2.594.000
    Collectiefunctie                €     30.836.000 €      30.836.000  €      30.836.000
    Vaste presentatiefunctie        €     30.840.000 €      22.640.000  €      17.160.000
    Tijdelijke presentatiefunctie   €      9.808.000 €       5.606.000  €       2.281.000
    Algemeen Beheer                 €     18.148.000 €      18.148.000   €     18.148.000
   NB: De afgelopen jaren is steeds vanuit beleidsperspectief juist geïnvesteerd in de
   presentaties vanuit de redenatie dat een goede presentatie (waarbij voldaan wordt
   aan de eisen die deze tijd stelt aan de belevingswaarde van de presentatie) samen-
   hangt met het trekken van meer publiek.
   2013: dat betekent een korting op de Presentatiefunctie (vast + 8.202.000 Euro,
   tijdelijk + 4.202.000 Euro) en de Wetenschappelijke functie (2.000.000 Euro)
   2016: dat betekent een korting op de Presentatiefunctie (vast + 13.679.000 Euro,
   tijdelijk + 7.650.000 Euro) en de Wetenschappelijke functie (3.800.000 Euro)
   Erfgoed Nederland
   Algemeen
   Erfgoed Nederland is ontstaan uit een fusie van het Nationaal Contact Monumenten
   (NCM), de Stichting voor Nederlandse Archeologie (SNA), de erfgoedkoepel voor de
   Documentaire Informatievoorziening en het archiefwezen (DIVA) en Erfgoed Actueel.
   Het sectorinstituut Erfgoed Nederland heeft een brede sector overstijgende taak
   voor het cultureel erfgoed toebedeeld gekregen. Het is echter een takenpakket dat
   op meerdere terreinen dubbelt met taken van andere (rijks)instellingen. Op interna-
   tionaal gebied positioneert Erfgoed Nederland zich bijvoorbeeld meer en meer als
   expertisecentrum voor Europa. Daarmee overlapt in de ogen van de Raad Erfgoed
   Nederland met de Sica, dat immers al die taak heeft. Daarnaast begeeft de instel-
   ling zich op het terrein van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed. Overigens heeft het
   erfgoedveld zich de afgelopen jaren ook sterk geëmancipeerd zoals bijvoorbeeld blijkt
   uit de oprichting van FIM en BRAIN, waardoor de meerwaarde van Erfgoed Neder-
   land verder is afgenomen.
   De Raad concludeert dat de taken van Erfgoed Nederland elders in voldoende mate
   zijn belegd. Een aantal taken vragen echter specifieke aandacht:
   Erfgoededucatie.
   Het werkveld archeologie en specifiek de organisatie van de Reuvensdagen.
   Erfgoed Nederland ontvangt in de huidige basisinfrastructuur een budget van €
   2.100.458 (-/- generieke korting 5 procent). Dit bedrag zal gefaseerd moeten worden
   afgebouwd naar nul euro.
36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Podiumkunsten
Voorstel voor nieuw stelsel podiumkunsten
Algemeen
De huidige basisinfrastructuur Podiumkunsten ziet er momenteel als volgt uit. Er
zijn:
• 10 orkesten;
• 3 operagezelschappen (De Nederlandse Opera, Nationale Reisopera en
   Opera Zuid);
• 7 dansgezelschappen;
• 9 theatergezelschappen, waarvan één voor Friestalig theater;
• 13 jeugdpodiumkunstengezelschappen (negen jeugdtheatergezelschappen en vier
   jeugddansgezelschappen);
• 21 productiehuizen9;
• 4 postacademische instellingen (Nederlands Vocaal Laboratorium, Nederlandse
   StrijkKwartet Academie, Opera Studio Nederland, Henny Jurriëns Stichting;
• 6 festivals (Holland Festival, Holland Dance Festival, Music Meeting,
   Noorderslag, Organisatie Oude Muziek, Oerol);
• 1 fonds (Fonds Podiumkunsten);
• 3 sectorinstituten (Theater Instituut Nederland, Muziek Centrum Nederland,
   Nederlands Muziek Instituut).
Na aftrek van de reeds opgelegde vijf procent aan bezuinigingen gaat er ongeveer
225,7 miljoen euro in om. Hiervan wordt ongeveer 57,8 miljoen euro beschikbaar
gesteld aan het Fonds Podiumkunsten (FPK). Dit fonds verstrekt onder andere sub-
sidies van vier jaar en projectsubsidies aan instellingen en initiatieven in de podium-
kunsten.
De voorgenomen bezuiniging op dit budget leidt tot nieuwe afwegingen binnen het
podiumkunstenbestel, dat als voornaamste doel heeft zo veel mogelijk een kwalitatief
hoogstaand aanbod in het theater, de dans, de muziek en het muziektheater in stand
te houden en te ontwikkelen.
Er is een aantal landelijke podiumkunsteninstellingen die tot de internationale top
behoren en die positie moeten kunnen blijven behouden. De Raad vindt het vervol-
gens van grote waarde dat de rol van de regionale podiumkunsteninstellingen in de
kernpunten behouden blijft, en dat de kracht van de keten van talentontwikkeling,
aanbod en afname die de verschillende instellingen in die steden vormen, optimaal
benut wordt. In negen geografisch gespreide kernpunten in het land bevinden zich
dergelijke knooppunten. In zulke kernpunten zijn grote podiumkunsteninstellingen,
kwaliteitspodia, instellingen voor kunstvakonderwijs en andere instellingen op het
gebied van talentontwikkeling gevestigd. Die instellingen zijn over het algemeen goed
in het maatschappelijke en lokale culturele leven ingebed, en werken in een kernpunt
met elkaar samen.
De Raad is van mening dat de sterke kanten in al die kernpunten het aangrijpings-
punt moeten vormen voor de verandering van het podiumkunstenbestel. Het lokale
culturele leven zou grote schade worden toegebracht als dergelijke instellingen,
die vaak al decennia lang zo’n spilfunctie vervullen, verdwijnen. Deze instellingen
zullen zichzelf echter grotendeels opnieuw moeten uitvinden, waarbij er ambiti-
euze doelstellingen op het gebied van ondernemerschap en publieksbereik worden
nagestreefd. In de muziekdiscipline sluit een dergelijke cultuuromslag aan bij de
vernieuwingsbeweging die de orkesten sinds het Raadsadvies Innoveren, vitaliseren!
(2010) zijn gaan inzetten.
Ondanks de bezuinigingen moeten talentontwikkeling en R&D gewaarborgd blijven.
De huidige structuur van productiehuizen biedt een groot aantal makers en musici
                                                                                        37
9 alsmede 1 productiehuis dat tot en met 2012 projectsubsidie van OCW ontvangt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>   de gelegenheid om ervaring op te doen en een eigen signatuur te ontwikkelen. De
   ontwikkelplekken voor Theater en Dans kunnen nog beter in het podiumkunsten-
   bestel worden geïntegreerd en het zullen er minder moeten zijn. Het FPK speelt
   eveneens een onmisbare rol op dit gebied, omdat het nieuwe makers, ensembles en
   gezelschappen voor korte of langere tijd ondersteunt, en de ontwikkeling van talent,
   metier en genres zich met name in dat deel van de sector afspeelt. De Raad is van
   mening dat dit van essentieel belang is voor een vitaal podiumkunstenbestel en een
   divers aanbod. Hij constateert echter dat met name in het theater en jeugdtheater op
   dit moment sprake is van een onevenredig groot aantal instellingen die voor vier jaar
   door het FPK ondersteund worden. Dit leidt tot een versnippering van de beschik-
   bare middelen en heeft een overaanbod in het vlakke vloercircuit tot gevolg.
   De Raad onderkent ook het grote belang van festivals in de podiumkunsten. Het zijn
   vaak gelegenheden waar een relatief groot en vaak nieuw publiek kennismaakt met
   nationaal en internationaal, grootschalig en kleinschalig aanbod.
   De drie sectorinstituten voeren een groot aantal taken uit die de podiumkunstensec-
   tor ondersteunen. Als gevolg van de bezuinigingen heeft de Raad scherp gekeken
   naar de vraag welke taken voorrang verdienen.
   Nieuwe infrastructuur
   Het nieuwe podiumkunstenbestel bevat een aantal landelijke (gespecialiseerde)
   instellingen van internationale statuur die een boegbeeld van de sector en het cul-
   turele leven vormen, en die een groot publiek trekken in binnen- en/of buitenland.
   Ze vormen vanwege hun kwaliteit, hun repertoire of hun functie (of een combinatie
   hiervan) een buitencategorie, die bestaat uit twee orkesten, één operagezelschap, één
   dansgezelschap, één podiumkunsten breed festival en twee orkesten gespecialiseerd
   in begeleiding van opera en dans en gelieerd aan het landelijke opera- en dansgezel-
   schap.
   Richtbedrag: 49.380.000 euro
   De Raad pleit ervoor dat in de kernpunten de bestaande rijksgesubsidieerde theater-,
   dans- en muziekinstellingen worden omgevormd tot voorzieningen die een sleutelrol
   spelen in de theater-, dans- en muziekdiscipline van dat kernpunt. Zulke instellingen
   creëren aanbod voor de middenzaal en grote zaal en de grote concertzalen, gaan
   binnen het kernpunt een hechte relatie aan met het publiek en andere culturele en
   maatschappelijke instellingen, en zijn verantwoordelijk voor educatie en participatie,
   talentontwikkeling en R&D. De theatervoorzieningen en twee dansvoorzieningen
   verzorgen daarnaast ook aanbod voor de jeugd. De hoeveelheid voorzieningen per
   discipline is afhankelijk van de mate waarin de bestaande instellingen in de kernpun-
   ten geworteld zijn, binding hebben met lokaal publiek, in de eigen regio allianties
   aangaan en de potentie hebben om een samenhangend geheel te vormen met andere
   instellingen.
   Ze vervullen daarnaast evenzeer een belangrijke landelijke functie. De voorzieningen
   garanderen dat het podiumkunstenaanbod in duurzame constellaties geografisch
   gespreid over het land is, en ook zijn zij – vooral in de theater- en dansdiscipline - de
   instellingen die door middel van tournees de landelijke diversiteit van het aanbod
   verzorgen. Specifieke instellingen hebben in meerdere of mindere mate ook een
   internationale werking. De voorzieningen hebben een open karakter en kiezen elk
   een artistiek profiel en een ondernemende organisatievorm die het beste aansluiten
   bij de ambities en de mogelijkheden in het kernpunt, en die de kerntaken het beste
   in samenhang vorm geven. De muziekvoorzieningen vinden hun uitgangspunt in de
   huidige orkesten.
   Richtbedrag: 57.500.000 euro
   In het bestel neemt het FPK een onmisbare plaats in. Dit fonds beschikt over een
   programma- en productiebudget om ontwikkelingen en diversiteit te stimuleren, de
38 kwaliteit van genre specifiek aanbod te waarborgen en doelgericht ketens op elkaar
   te laten aansluiten. Middelen uit het FPK vormen belangrijke bouwstenen voor de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>ontwikkeling in het landelijke bestel en staan in relatie tot de landelijke en regio-
nale Basisinfrastructuur. Regionale spreiding is een belangrijk criterium, juist in
kernpunten waar geen voorziening is gevestigd (zoals in de dansdiscipline op een
aantal plekken plaatsen het geval is). Maatwerk in financiering biedt instellingen een
werkbaar perspectief en stimuleert tegelijkertijd een ondernemende houding. De
middelen garanderen de diversiteit, dynamiek en flexibiliteit in de kunstwereld en
continuïteit voor specifiek genre gericht aanbod. Het FPK beschouwt de financie-
ring van producties ook vanuit het perspectief van de afname.
Het Fonds Podiumkunsten verstrekt ook de subsidies voor vijf van de zes festivals
in de podiumkunsten die nu rechtstreeks door het Rijk gesubsidieerd worden. Deze
festivals kunnen dan zowel in hun diversiteit als in hun samenhang met het overige
festivalaanbod beoordeeld worden. Vooral festivals waar jonge makers hun voorstel-
lingen aan een groot publiek kunnen vertonen, verdienen het ondersteund te wor-
den.
Richtbedrag: 54.070.000 euro
De sectorinstituten hebben specifieke ondersteunende besteltaken die niet door
andere partijen in de podiumkunstensector (kunnen) worden uitgevoerd. Hun
nieuwe taakopvatting, die als gevolg van de bezuinigingen wordt ingeperkt, moet in
het verlengde liggen van de vernieuwingsbeweging die de podiumkunstensector de
komende jaren in de ogen van de Raad moet maken (en die geformuleerd is in dit
advies). De sectorinstituten zullen hun plannen hiervoor moeten afstemmen met
brancheorganisaties, het FPK en andere organisaties die ondersteunende taken uit-
voeren, en zich specifiek richten op die taken die niet door andere instanties gedaan
(kunnen) worden. Er moet nader onderzocht worden in hoeverre de erfgoedtaak van
het sectorinstituut voor theater en dans elders belegd kan worden, en in hoeverre dit
een extra besparing oplevert. De Raad ondersteunt de plannen van de twee sectorin-
stituten muziek om te fuseren.
Richtbedrag: 6.050.000 euro
Per discipline is dit bestel als volgt uitgewerkt:
Theater
Acht kernpunten (de agglomeraties Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht,
Arnhem/Nijmegen, Groningen, Maastricht en Brabantstad) beschikken over een the-
atervoorziening die op integrale wijze verantwoordelijkheid neemt voor de productie
en distributie van theater.
Deze voorzieningen kiezen elk voor een samenwerkingsverband tussen instellingen
binnen een kernpunt. Bestaande merknamen en/of organisaties kunnen hierbinnen
blijven bestaan. Nadrukkelijk neemt het centrale podium (of podia) een belangrijke
positie in binnen het samenwerkingsverband om aanbod en afname in evenwicht te
krijgen. De Raad gaat er van uit dat dit podium een sleutelrol speelt bij de ontwikke-
ling van een visie op de theatervoorziening in het kernpunt en bij het bepalen welke
instellingen of initiatieven deel uit maken van die voorzieningen. De gezamenlijke
instellingen in het kernpunt (inclusief het podium) kunnen ook deze rol ook beleg-
gen bij een door hen te benoemen intendant.
Een theatervoorziening is een samenwerkingsverband van instellingen die de vol-
gende taken uitvoeren: 1. het produceren van aanbod voor de midden- en grote zaal,
waarbij artistieke kwaliteit gelijk op gaat met ambitieuze publieksdoelstellingen; 2.
het produceren van jeugdtheater, waarbij ook het onderwijs een belangrijke op-
drachtgever en afnemer is; en 3. het begeleiden en faciliteren van makers en uitvoe-
renden ten behoeve van talentontwikkeling en R&D (ontwikkeling van de discipline),
bijvoorbeeld in samenwerking met het kunstvakonderwijs in de vorm van duale
masters.
Elke theatervoorziening levert een breed palet aan producten (‘outcome’) die zich
zowel live als op virtuele podia kunnen afspelen. De theatervoorzieningen worden
afgerekend op concrete resultaten op het gebied van maatschappelijke inbedding,        39
allianties (met o.a. podia), publieksdoelstelling, eigen inkomsten en artistieke im-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   portantie. De reisverplichting wordt omgezet in een reiskans, die aangegrepen wordt
   om voldoende publiek voor de productie te genereren. Iedere theatervoorziening
   beschrijft hoe de spreiding van voorstellingen die een grote kring van podia bedie-
   nen, georganiseerd en gefinancierd wordt. De theatervoorzieningen stemmen dit
   landelijk met elkaar af.
   Naast de acht theatervoorzieningen is er één Productiehuis Theater, dat bij voorkeur
   gevestigd is in een kernpunt waar kunstvakonderwijs wordt gegeven. De Raad pleit
   ervoor dat dit productiehuis ook in samenwerking hiermee duale masters ontwikkelt.
   Het productiehuis heeft geen artistiek profiel maar ondersteunt makers uit verschil-
   lende sub-disciplines inhoudelijk en facilitair. Het ontwerpt een traject per maker en
   sluit daarin bij voorkeur allianties met theatervoorzieningen en/of fondsgesubsidieer-
   de gezelschappen. De instelling wordt beoordeeld op basis van concrete resultaten
   op het gebied van de allianties, de publieksdoelstelling en de eigen inkomsten en de
   artistieke importantie van de makers.
   Het FPK verstrekt meerjarige en projectsubsidies aan theaterinstellingen en -ini-
   tiatieven (waarvan maximaal twee jeugdtheaterinstellingen), om instellingen die
   bijdragen aan de diversiteit van het aanbod, in continuïteit te kunnen ondersteunen.
   Het FPK neemt ook de verantwoordelijkheid voor de financiering van het Friestalige
   theateraanbod.
   Financiering theater
   De rijksbijdrage van iedere theatervoorziening is gebaseerd op een normbedrag van
   in totaal 3 miljoen euro voor de kerntaken productie theater (richtbedrag € 2 miljoen
   euro), productie jeugdtheater (minimaal 0,5 miljoen euro) en talentontwikkeling/
   R&D (minimaal 0,5 miljoen euro), inclusief de overhead voor de voorziening. Er is
   één suppletie-bedrag (1 miljoen euro) beschikbaar voor internationale excellentie.
   De rijksbijdrage voor het Productiehuis Theater bedraagt 1 miljoen euro.
   Per jaar zijn er bij het FPK drie suppletie budgetten (van elk 0,5 miljoen euro)
   beschikbaar om een grote zaalvoorstelling voor het jeugdtheater te realiseren. Thea-
   tervoorzieningen kunnen hiervoor jaarlijks een aanvraag indienen; aan de drie beste
   plannen wordt budget toegekend.
   De Raad is van mening dat deze voorzieningen niet alleen rijkssubsidie moeten
   ontvangen, maar dat de andere overheden ook een substantiële financiële bijdrage
   moeten leveren. Bestaande bestuurlijke afspraken dienen hiertoe opnieuw onderzocht
   te worden.
   Richtbedrag rijksgesubsidieerd theater (exclusief fondssubsidies): 26.000.000
   euro
   Dans
   Eén kernpunt beschikt in de nieuwe infrastructuur over een dansgezelschap dat
   voorziet in een voor Nederland onderscheidend repertoire op het gebied van ballet.
   Het verzorgt het aanbod van (reis)producties voor middenzaal en grote zaal en heeft
   een internationale werking. Het heeft een naar internationale standaarden passende
   omvang van het dansers tableau en besteedt aandacht aan de ontwikkeling van dan-
   sers. Drie kernpunten (de agglomeraties Den Haag, Rotterdam en Arnhem) beschik-
   ken over dansvoorzieningen die elk op integrale wijze verantwoordelijkheid nemen
   voor de productie en distributie van dans.
   Deze voorzieningen kiezen elk voor een samenwerkingsverband tussen instellingen
   binnen een kernpunt. Bestaande merknamen en/of organisaties kunnen hierbinnen
   blijven bestaan. Nadrukkelijk neemt het centrale podium (of podia) een belangrijke
   positie in binnen het samenwerkingsverband om aanbod en afname in evenwicht te
   krijgen. De Raad gaat er van uit dat dit podium een sleutelrol speelt bij de ontwik-
   keling van een visie op de dansvoorziening in het kernpunt en bij het bepalen welke
   instellingen of initiatieven deel uit maken van die voorzieningen. De gezamenlijke
40 instellingen in het kernpunt (inclusief het podium) kunnen ook deze rol ook beleg-
   gen bij een door hen te benoemen intendant.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Elke voorziening heeft een specifiek profiel op grond van de traditie en de ontwikke-
ling van de danskunst in dat kernpunt, waarbij een grote landelijke diversiteit wordt
nagestreefd. Het zijn samenwerkingsverbanden van instellingen die de volgende taken
uitvoeren: 1. het verzorgen van dansaanbod voor de middenzaal en grote zaal, waar-
bij artistieke kwaliteit gelijk op gaat met publieksdoelstellingen; 2. (in twee dansvoor-
zieningen) het produceren van jeugddans, waarbij ook het onderwijs een belangrijke
opdrachtgever en afnemer is; 3. het begeleiden en faciliteren van makers en uitvoe-
renden ten behoeve van talentontwikkeling/R&D (ontwikkeling van de discipline), bij-
voorbeeld in samenwerking met het kunstvakonderwijs in de vorm van duale masters.
Elke dansvoorziening levert een breed palet aan producten (‘outcome’) die zich
zowel live als op virtuele podia kunnen afspelen. De dansvoorzieningen worden
afgerekend op concrete resultaten op het gebied van maatschappelijke inbedding,
allianties (met o.a. podia), publieksdoelstelling en eigen inkomsten, en artistieke
importantie. De reisverplichting wordt omgezet in een reiskans, die wordt aangegre-
pen om voldoende publiek voor de productie te genereren. Iedere dansvoorziening
beschrijft hoe de spreiding georganiseerd en gefinancierd is. De dansvoorzieningen
stemmen dit landelijk met elkaar af.
Het FPK verstrekt meerjarige en projectsubsidies voor dansinstellingen en
 -initiatieven om instellingen die bijdragen aan de diversiteit van het aanbod, in
continuïteit te kunnen ondersteunen. Bij het FPK is een geoormerkt bedrag gereser-
veerd voor jeugddans.
Regionale spreiding is specifiek van belang om die plekken te faciliteren waar geen
jeugddans in de dansvoorziening is opgenomen. Budget voor jeugddans kan daar-
naast ook (eigenstandig zelfstandig en/of gezamenlijk) door het Fonds Cultuurparti-
cipatie worden gefinancierd.
In plaats van een aparte postacademische instelling voor danstraining (in de huidige
Basisinfrastructuur) is er bij het FPK een budget belegd waar vijf (landelijk gesprei-
de) instellingen een suppletiebedrag voor danstraining kunnen aanvragen.
Financiering dans
De rijksbijdrage van het balletgezelschap en de drie dansvoorzieningen is gebaseerd
op normbedragen. Het balletgezelschap kan een subsidieaanvraag doen voor een
bedrag van 5 miljoen euro. Voor de dansvoorzieningen in Rotterdam en Arnhem is
een normbedrag beschikbaar van in totaal 2,5 miljoen euro voor het verzorgen van
dansaanbod (richtbedrag 1,5 miljoen euro) (inclusief de overhead voor de voorzie-
ning), een normbedrag voor productie jeugddans (richtbedrag 0,5 miljoen euro) en
voor talentontwikkeling / R&D (richtbedrag 0,5 miljoen euro).
Voor de dansvoorziening in Den Haag is een normbedrag beschikbaar van in to-
taal 4,5 miljoen euro voor het verzorgen van onderscheidend modern dansaanbod
(richtbedrag 3 miljoen euro) (inclusief de overhead voor de voorziening), talentont-
wikkeling van dansers (richtbedrag 0,5 miljoen euro) en een extra zware taak op
het gebied van talentontwikkeling / R&D voor choreografen (richtbedrag 1 miljoen
euro).
Er is één suppletie-bedrag (1 miljoen euro) beschikbaar voor internationale excel-
lentie.
Richtbedrag rijksgesubsidieerde dans (exclusief fondssubsidies): 15.500.000
euro
Overgangssituatie theater- en dansvoorzieningen 2013-2016
De theater- en dansvoorzieningen zullen in een groeimodel hun definitieve gestalte
krijgen. Er kan worden gestreefd naar een entiteit met één ondernemingsplan per
kernpunt voor theater (in totaal acht) en een entiteit met één ondernemingsplan per
kernpunt (in totaal drie) voor dans. Volgens een groeimodel zal voor de komende
aanvraagperiode een tussenstap worden gemaakt. Voor de periode 2013- 2016 doen
de instellingen in een kernpunt nog afzonderlijk een aanvraag bij het ministerie van
OCW, die vervolgens ter beoordeling aan de Raad voor Cultuur wordt voorgelegd.            41
De Raad zal de subsidieaanvragen beoordelen aan de hand van de subsidieregeling
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   en de visie op de voorzieningen zoals hij die heeft geformuleerd. Een noodzakelijk
   criterium hierbij zal zijn dat de instelling in de aanvraag kan aantonen dat deze past
   in de visie die het centrale podium of de benoemde intendant op de toekomstige
   voorziening(en) heeft geformuleerd. Aanvragen die niet aan deze voorwaarde vol-
   doen, zullen ter beoordeling doorgestuurd worden naar het FPK.
   Muziek en muziektheater
   Het stramien van een bestel van orkesten met vaste aantallen symfonische producties
   wordt omgevormd tot een stelsel van muziekvoorzieningen. Er is onderscheid tussen
   de voorzieningen op het gebied van regionale verankering, (inter)nationale excellen-
   tie en begeleiding.
   Zes kernpunten (de agglomeraties Maastricht, Eindhoven, Den Haag, Arnhem,
   Enschede en Groningen) beschikken over een regionale symfonische muziekvoorzie-
   ning. Elke muziekvoorziening levert een breed palet aan producten waarin aandacht
   is voor het uitvoeren van symfonisch repertoire, begeleiding, bereik, participatie,
   educatie en talentontwikkeling. De huidige orkesten en hun grote publieke achterban
   in de kernpunten vormen de basis voor de muziekvoorzieningen, maar er zal – gezien
   de grote vermindering van de rijkssubsidie – een drastische verschuiving binnen dit
   palet moeten plaatsvinden door aanpassing van het repertoire, verdere profilering en
   afstemming op regionale behoeften en mogelijkheden. Voor groot symfonisch reper-
   toire kan daarnaast samenwerking gezocht worden met andere muziekvoorzieningen.
   Samenwerking met zowel instellingen in het kernpunt als tussen regionale orkesten
   onderling is onderdeel van de beoordeling. Dit geldt in het bijzonder voor educatie,
   het bereik van de jeugd, en talentontwikkeling voor musici, dirigenten en componis-
   ten.
   Er zijn twee symfonische muziekvoorzieningen (in Amsterdam en Rotterdam) die als
   orkest een nationale en internationale taak hebben, gericht op de excellente uitvoe-
   ringspraktijk van de symfonische traditie. Er zijn twee symfonische muziekvoorzie-
   ningen (standplaats Amsterdam en Haarlem) met een taak voor begeleiding van de
   landelijke opera- en dansgezelschappen. Ook voor deze vier orkesten is regionale
   verankering van belang.
   De muziekvoorzieningen worden afgerekend op concrete resultaten op het gebied
   van maatschappelijke inbedding, allianties, publieksdoelstellingen en eigen inkom-
   sten en artistieke importantie. De basis voor het samenstellen van een nieuwe mix
   van activiteiten is te vinden in de prestatiemodellen zoals ontwikkeld door Beren-
   schot.
   Richtbedrag rijksgesubsidieerde muziek (exclusief fondssubsidies): 43.400.000
   euro
   Er is één landelijke voorziening voor opera (standplaats Amsterdam) die voorziet in
   repertoire op het gebied van opera met een sterke nationale en internationale wer-
   king. Deze voorziening heeft geen reisverplichting. De Raad pleit voor nader onder-
   zoek naar en een nader advies over de regionale infrastructuur en het aanbod voor
   muziektheater, waarin de relatie tussen afname en aanbod, de breedte van de disci-
   pline, talentontwikkeling en ontwikkelingen in de kernpunten worden meegenomen.
   Ook de rol van de twee overige opera-instellingen uit de huidige Basisinfrastructuur
   wordt in dit kader onderzocht. Het uitgangspunt hierbij is dat zij beide zullen gaan
   opereren als middelgrote productiekernen, mogelijk gefinancierd door het FPK. Dit
   nader onderzoek moet uitwijzen welke taken hierbij noodzakelijk en realistisch zijn in
   relatie tot de activiteiten van andere instellingen.
   Richtbedrag rijksgesubsidieerd muziektheater (exclusief fondssubsidies):
   19.200.000 euro + PM
   Het Fonds Podiumkunsten verstrekt meerjarige en projectsubsidies voor muziek-
   en muziektheaterinstellingen en initiatieven om die instellingen die bijdragen aan
42 de diversiteit van het aanbod, in continuïteit te kunnen ondersteunen. Het FPK
   heeft een geoormerkt bedrag beschikbaar voor ensembles, die als boegbeeld van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>ensemblecultuur een (inter)nationale vooraanstaande rol vervullen, en voor meerja-
rig te ondersteunen muziektheater initiatieven, de laatste onder voorbehoud van de
uitkomst van nader onderzoek naar de regionale infrastructuur muziektheater. De
bestaande regelingen voor postacademische instellingen en productiehuizen voor
muziek en muziektheater in de Basisinfrastructuur wordt met behoud van budget
omgevormd tot een nieuwe regeling voor ontwikkeling in muziek en muziektheater
bij het FPK. Het FPK blijft, met behoud van budget, uitvoering geven aan de rege-
ling voor componisten.
Overgangssituatie en fasering muziekvoorzieningen en opera
De Raad pleit ervoor dat de regionale orkesten zich transformeren tot muziek-
voorzieningen in kernpunten. Dit impliceert dat deze orkesten een intensief ver-
anderingstraject moeten inslaan, dat grote gevolgen heeft voor de organisatie, de
arbeidsrechtelijke verhoudingen, de personele invulling en het repertoire, de pro-
grammering en de marketing. Om deze verandering verantwoord te kunnen onder-
gaan zal de bezuiniging gefaseerd ingevoerd moeten worden ingevoerd.
In het genoemde onderzoek naar de infrastructuur en het aanbod van muziekthea-
ter wordt ook bekeken hoe en in welk tijdsbestek de toekomstige financiering haar
beslag moet krijgen en de genoemde productiekernen gevormd kunnen worden. Van-
wege de omvang van de bezuiniging pleit daarnaast voor een fasering van de korting
voor de landelijke operavoorziening.
De Raad adviseert 26 procent te bezuinigen op de sector Podiumkunsten. Van het
totale budget resteert 167 miljoen euro.
Landelijke instellingen (totaal richtbedrag 49.380.000 euro)
• Eén dansgezelschap voor ballet, richtbedrag 5 miljoen euro
• Twee landelijke symfonische muziekvoorzieningen, richtbedrag 9 miljoen euro
• Twee begeleidingsvoorzieningen, richtbedrag 13,5 miljoen euro
• Eén landelijke opera/voorziening voor opera en muziektheater, richtbedrag €19,2
   miljoen euro
• Eén internationaal podiumkunstenbreed festival, richtbedrag 2,68 miljoen euro
Regionale instellingen (totaal richtbedrag 57.500.000 euro)
• Acht theatervoorzieningen, richtbedrag 24 miljoen euro
• Eén suppletie internationale excellentie theater, richtbedrag 1 miljoen euro
• Eén productiehuis voor theater, richtbedrag 1 miljoen euro
• Drie dansvoorzieningen, richtbedrag 9,5 miljoen euro
• Eén suppletie internationale excellentie dans, richtbedrag 1 miljoen euro
• Zes regionale muziekvoorzieningen, richtbedrag 21 miljoen euro
Fonds Podiumkunsten (totaal richtbedrag 54.070.000 euro)
Waarvan:
• Meerjarig theateraanbod, richtbedrag 8,7 miljoen euro
• Drie suppleties grote zaal-jeugdtheateraanbod, richtbedrag 1,5 miljoen euro
• Meerjarig dansaanbod, richtbedrag 7,55 miljoen euro
• Vijf suppleties danstraining, richtbedrag € 250.000 euro
• Meerjarige regeling muziekensembles, richtbedrag 8 miljoen euro
• Meerjarige regeling ontwikkeling muziek, richtbedrag 1,9 miljoen euro
• Regelingen compositie, richtbedrag 1,8 miljoen euro
• Beschikbaar budget meerjarig muziektheateraanbod 7,3 miljoen euro (tot nader
   advies)
• Meerjarige festivals, richtbedrag 3,87 miljoen euro
Sectorinstituten (totaal 6.050.000 euro)
• Sectorinstituut theater/dans, richtbedrag 2,6 miljoen euro                       43
• Sectorinstituut muziek, richtbedrag 3,45 miljoen euro
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   8. Consequenties
   De Raad geeft hieronder een korte schets van de consequenties van de bezuinigingen
   en de voorstellen. Hij vindt het van belang dat in het vervolg van de besluitvorming
   die consequenties nog verder worden verkend.
   De nieuwe infrastructuur zal aanzienlijk kleiner worden. Wat dat concreet betekent
   voor het aanbod van de cultuur producerende instellingen, is mede afhankelijk van
   hoe de voorzieningen hun rol invullen. In zijn voorstellen heeft de Raad waarborgen
   opgenomen voor verscheidenheid, maar dit neemt niet weg dat er over de hele linie
   verschraling zal optreden.
   Door een hogere prijs, een verminderde beschikbaarheid en een verslechterde be-
   reikbaarheid vermindert voor alle bevolkingsgroepen de toegankelijkheid van cultuur
   en dat is een somber perspectief.
   De gevolgen van een bezuiniging van 125 miljoen euro op de instellingen in de
   basisinfrastructuur en € 75 miljoen op een aantal beleidsregelingen, zoals de cultuur-
   kaart, de innovatie- en matchingsregelingen zijn groot. In zijn brief van 7 december
   2010 schetst de Raad de dreigende consequenties van een stapeling van maatregelen
   binnen en buiten de cultuurbegroting en van het hoge tempo waarin de bezuinigin-
   gen moeten worden doorgevoerd. Na een grondige verkenning van alle mogelijk-
   heden en onmogelijkheden in de diverse sectoren komt de Raad tot de conclusie
   dat die waarschuwing geen overbodige was. Het culturele leven wordt schraler, de
   toegangsdrempel hoger, er ontstaat schade. Onmiskenbaar.
   De Raad heeft uitvoerig gediscussieerd over de vraag of er een kaasschaaf moest
   worden toegepast dan wel met gerichte keuzes de bezuiniging te verdelen. Uiteinde-
   lijk is voor een mix gekozen. Na alle mogelijkheden zorgvuldig te hebben bestudeerd,
   heeft de Raad de aanslag van plusminus 26% over de sectoren verdeeld Binnen deze
   sectorale verdeling is eveneens een mix van meer of minder bezuinigen gehanteerd
   en in enkele gevallen is besloten te adviseren een functie te beëindigen.
   - Het aanbod wordt minder toegankelijk: Ook al wordt het Raadsadvies over
   de cultuurkaart opgevolgd, voor jongeren wordt de bereikbaarheid van culturele
   voorzieningen moeilijker, zowel de passieve beleving als de actieve participatie, ook
   omdat in vele gemeenten inmiddels wordt bezuinigd op o.a. de muziekscholen. Toe-
   gangsprijzen gaan fors omhoog – een stijging van 20% of meer zal geen uitzondering
   zijn. Verkoopprijzen voor kunstwerken gaan omhoog en de afzetmogelijkheden daar-
   mee omlaag. Er dreigt een negatieve spiraal van oplopende prijzen en achterblijvende
   vraag. De consequenties van deze economische wetmatigheid moge duidelijk zijn.
   Nu al blijken de verkopen van abonnementen voor de theaters met 10% achter te
   blijven t.o.v. de cijfers van vorig jaar. Nederland gaat zijn plaats in de top van Europa
   op het gebied van cultuurparticipatie verliezen.
   - Het aanbod zal in sterke mate verschralen: 6 Orkesten zullen hun bezettingen
   drastisch moeten inkrimpen, meer dan 200 musici zullen naar verwachting hun baan
   verliezen, de bereikbaarheid van het klassieke, symfonische repertoire loopt aan-
   zienlijk terug. Repertoiregezelschappen theater en dans zullen nog minder (kunnen)
   gaan reizen dan nu het geval is, er zullen regio’s zijn waar niet tot nauwelijks groot-
   schalige voorstellingen te zien zullen zijn. Dat geldt ook voor operavoorstellingen. De
   productie van Nederlandse films zal met 30% verminderen, kleine artistieke film zal
   nog minder productiemogelijkheden krijgen. De keuze om de leesbevordering niet
   (te) zwaar te treffen heeft geleid tot een mindere mogelijkheid van stipendia voor
   schrijvers. Een omgekeerde keuze had ook gekund, maar uiteindelijk achtte de Raad
   het belangrijker de aanwas van lezers te bevorderen en daarmee de markt hopelijk op
   peil te houden.
   - De kansen voor toptalent lopen sterk achteruit: De aanwas van toptalent in
44 de architectuur, beeldende kunst, vormgeving muziek van oudsher een belangrijke
   exportproducten van ons land, dreigt ernstig te stagneren. De grote crisis in de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>bouwwereld bespoedigt die ontwikkeling en de bezuinigingen remmen haar niet af,
integendeel. Talentontwikkeling in de beeldende kunst en vormgeving gaat ook in
ambities terug. Of minder ook beter zal worden, moet in deze risicovolle operatie
nog blijken. De dynamiek in en de positie van de Nederlandse kunst en ontwerp
komen in gevaar.
- Innovatie en experiment krijgen minder mogelijkheden: Het toch al geringe
budget voor e-Cultuur, het research and development laboratorium van de Ne-
derlandse samenleving verschraalt nog verder. De Raad heeft besloten minder dan
gemiddeld op de sector te bezuinigen en hoopt dat door fusies en nauwe samenwer-
king het effect van de korting enigszins wordt beperkt
- De (inter)nationale economische positie van Nederland wordt aangetast:
Cultuur is voor Nederland een belangrijk import- en exportproduct. Bijvoorbeeld
de musea zijn een belangrijke bezoekmarkt, ook voor toeristen. De publicatie “Meer
dan waard” toont de waarde van de musea aan. De Top 55 van de grootste musea
noteerden in 2010 maar liefst 12,5 miljoen bezoeken. Toch heeft de Raad gemeend
de sector musea niet uit te zonderen van de zeer forse aanslag. Dat betekent een
noodzakelijke herziening van het stelsel, en als consequentie van de bezuiniging 1
tot meerdaagse sluiting voor het publiek.. Export van succesvolle podiumkunsten is
voorzienbaar moeilijker: orkesten en dansgezelschappen zullen hogere uitkoopsom-
men voor internationale tournees moeten rekenen en daarmee minder snel gevraagd
worden. Het vestigingsklimaat voor de creatieve sector verslechtert aanmerkelijk.
- De werkgelegenheid zal scherp dalen: Gezien het grote aandeel arbeid in de ex-
ploitatie van kunstinstellingen moet uitgegaan worden van het verdwijnen van enkele
duizenden arbeidsplaatsen. Daarnaast verliezen ook nog eens duizenden zelfstan-
digen eveneens hun kansen op een professioneel kunstenaars bestaan. Aanpalende
sectoren als horeca, vervoer en toeleveranciers zullen qua werkgelegenheid ook de
gevolgen van de bezuinigingen ondervinden.
De 1%-norm
De Raad – en niet hij alleen – heeft in het verleden meerdere keren gepleit voor een
stijging van het nationale cultuurbudget tot 1% van de Rijksuitgaven en de argumen-
ten daarvoor nog vorig jaar weer eens aangereikt aan de kabinetsinformateur. Op dit
moment bedraagt het cultuurbudget nauwelijks 0,5% , een korting van een kwart
betekent een terugval naar 0,4%, internationaal gezien een schamel bedrag.
                                                                                     45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>   Bijlage
   Positie Nederland in Europa wat
   betreft bezoek en deelname aan
   kunst en cultuur10
   Bezoek aan kunsten
    Bezoek aan Ballet, Dans en Opera                           Nederland 26%                Europa 18%
    Bezoek aan Theater                                         Nederland 58%                Europa 32%
    Bezoek aan Concert                                         Nederland 56%                Europa 37%
    Bezoek aan museum of galerie                               Nederland 62%                Europa 41%
   Bezoek aan kunsten in Europa in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête,
   Europese bevolking van 15 jaar en ouder,2007
   Bezoek aan cultureel erfgoed
    Bezoek aan Museum en Galerie                               Nederland 62%                Europa 41%
    Bezoek aan Historisch monument                             Nederland 71%                Europa 54%
   Bezoek aan Cultureel erfgoed in de twaalf maanden voorafgaan aan de enquête,
   Europese bevolking van 15 jaar en ouder, 2007
   Kunstbeoefening
    Kunstbeoefening een kunstdiscipline                        Nederland 78%                Europa 62%
    Kunstbeoefening instrument bespelen                        Nederland 19%                Europa 10%
    Kunstbeoefening zingen                                     Nederland 21%                Europa 15%
    Kunstbeoefening acteren                                    Nederland 7%                 Europa 3%
    Kunstbeoefening dansen                                     Nederland 22%                Europa 19%
    Kunstbeoefening beeldende kunst                            Nederland 31%                Europa 16%
    Kunstbeoefening fotografie en film                         Nederland 36%                Europa 27%
    Kunstbeoefening schrijven                                  Nederland 25%                Europa 12%
   Kunstbeoefening in Europa, in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête,
   bevolking van 15 jaar en ouder,2007
   Belang en betekenis van Cultuur
    Belang en betekenis Cultuur                                Nederland 78%                Europa 77%
    Cultuur ”te elitair en niets                               Nederland 1%                 Europa 3%
    voor mij vinden’’
   Belang en betekenis van cultuur in Europa, bevolking van 15 jaar en ouder, 2007
46
   10 Bron: A. van den Broek, J. de Haan, F. Huysmans (2009). Cultuurbewonderaars en cultuurbeoefenaars. Den Haag: SCP
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                           Overzicht
                gesprekspartners
   Advies bezuiniging cultuur 2013-2016
De Raad heeft met onderstaande, externe deskundigen een aantal informele ge-
sprekken gevoerd als onderdeel van een bredere raadpleging bij de totstandkoming
van dit advies.
Alexander Rinnooy (voorzitter Sociaal-Economische Raad)
Eric Holterhues (hoofd Kunst en Cultuur Triodos Bank)
Jan Driessen (directeur Communicatie Aegon)
Ook met Elco Brinkman (voorzitter Bouwend Nederland) is een informeel gesprek
gevoerd over de hoofdlijnen van het advies. Over het onderwerp educatie heeft de
Raad overleg gevoerd met vertegenwoordigers van de Onderwijsraad.
Tijdens de voorbereiding van het Advies bezuiniging cultuur 2013-2016 heeft de
Raad debatten georganiseerd over de thema’s legitimering, financiering en bestuur-
lijke verhoudingen.
Legitimering
Hans Achterhuis - Emeritus hoogleraar filosofie van de universiteit Twente.
Wim Blockmans - Emeritus hoogleraar middeleeuwse geschiedenis, Leiden.
Rutger Claassen - Politiek filosoof aan het Instituut Politieke Wetenschappen van de
Universiteit Leiden.
Bram Kempers   - Hoogleraar sociologie aan de universiteit van Amsterdam.
Warna Oosterbaan Martinius - Emeritus bijzonder hoogleraar Journalistiek en
samenleving in de Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen.
Cas Smithuijsen - Directeur Boekman Stichting.
Financiering
Brigitte Bloksma: Programmadirecteur Marres, docent aan de Faculteit Kunst en
Sociale Wetenschappen, Universiteit van Maastricht.
Eric Holterhues: Hoofd Kunst en Cultuur Triodos Investment Management BV
Dirk Noordman: Directeur Adviesbureau Cultuurtoerisme.
Ryclef Rienstra: Directeur van de VandenEnde Foundation.
Marjan Sax: Oprichter/directeur Mama Cash, oprichter/directeur Donor Company.
Theo Schuyt: Hoogleraar filantropische studies, Vrije Universiteit van Amsterdam.
Cas Smithuijsen: Directeur Boekman Stichting
Ron Soonieus: Ambassadeur cultuur INSEAD Non Executive Directors (INNED)
Kees Vuyk: Filosoof, universitair hoofddocent faculteit Geesteswetenschappen,
Universiteit van Utrecht
                                                                                     47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   Bestuurlijke verhoudingen
   Mark van Twist: Hoogleraar Bestuurskunde en Publiek private Samenwerking,
   Erasmus Universiteit Rotterdam
   Hans van der Vlist: Secretaris Generaal ministerie van VROM
   Freek van Duijn: voorzitter commissie Podiumkunsten
   Leo zum vörde sive Vörding: hoofd kunst & cultuur gemeente Maastricht
   Hans Esmeijer: gedeputeerde Gelderland .
   Jan van der Putten: directeur Verkade Fabriek
   Angelique Spaninks: directeur Stichting MU, Eindhoven
   Cas Smithuijsen: directeur Boekmanstichting
   Harm Mannak: orkest van het Oosten
   Jan Jaap Knol: directeur fonds voor cultuurparticipatie
   Jan van der Putten: directeur Verkadefabriek
   Lydia Jongmans: VNG
   Stef Oosterloo: hoofd kunst Rotterdam
   Thijs Kuipers: commissie Bibliotheken: directeur/bestuurder van BiblioPlus ,voorzit-
   ter van de Brabantse NetwerkBibliotheek
   Ruud Visschedijk: voorzitter commissie Film, directeur fotomuseum
   Eveline de Graaff: IPO
   Joost Westerveld: Amsterdam Sinfonietta
   Max van Engen: hoofd kunst, gemeente Amsterdam
48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>