<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                  R.J. Schimmelpennincklaan 3
                                                                  2517 JN Den Haag
                                                                  Postbus 61243
                                                                  2506 AE Den Haag
                                                                  t 070 3106686 f 070 3614727
                                                                  info@cultuur.nl
                                                                  www.cultuur.nl
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
De heer drs. H. Zijlstra
Postbus16375
2500 BJ Den Haag
25 januari 2012
Kenmerk: rc-2011.06151/s
Betreft: advies restitutiebeleid
Geachte heer Zijlstra,
In uw brief van 7 maart 2011 vraagt u de Raad voor Cultuur te adviseren
over het beleid restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede
Wereldoorlog. In uw brief van 5 april 2011 verzoekt u de raad een
aanvullend advies over de claimtermijn uit te brengen.
Ter voorbereiding hiervan is een ad hoc commissie ingesteld, waarvan de
samenstelling geheel overeenkomt met de voormalige commissie Ekkart.
Deze ad hoc commissie bestond uit de volgende leden:
         prof. dr. R.E.O. Ekkart, voorzitter
         mevrouw drs. H. d'Ancona
         mevrouw drs. J.C.E. Belinfante
         drs. R.M. Naftaniel
De commissie werd ondersteund door mevrouw drs. H.C.M. Schretlen, die
als secretaris optrad.
Bijgaand ontvangt u het advies, waarin het aanvullend advies is opgenomen.
De raad onderschrijft het advies en dankt de commissie Ekkart voor de
voorbereiding.
Met vriendelijke groet,
Joop J. Daalmeijer
Voorzitter                                          Algemeen secretaris
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  R AA                                                                  R.J. Schirnrnelpennincklaan
        0
                                                                        2517JN Den Haag
cdii U U R
                                                                       Postbus 61243
                                                                       t070 3106686 foo 3614727
                                                                       info@cultuur.nl
                                                                       www.cultuur.nl
    25januari 2012
    Kenmerk: rc-2011.06151/5
    Betreft: advies restitutiebeleid
    In zijn brief van 7maart 2011 verzoekt de staatssecretaris van Onderwijs,
    Cultuur en Wetenschap de Raad voor Cultuur te adviseren over een
    eventuele aanpassing van het restitutiebeleid ten aanzien van objecten uit de
    rijkscoflectie, die niet behoren tot de zogenoemde NK- collectie. Op 5 april
    2011 volgde een aanvullende adviesaanvraag over een eventuele beëindiging
    van de toepassing van het bestaande, verruimde restitutiebeleid.
    Ter voorbereiding van deze adviezen is een ad hoc commissie ingesteld,
    waarvan de samenstelling geheel overeenkomt met de voormalige
    Begeleidingscommissie Herkomst Gezocht, beter bekend als de Commissie
    Ekkart. De ad hoc commissie bestond uit de volgende leden:
         -  prof. dr. R.E.O. Ekkart, voorzitter
         -  mevrouw drs. H. d’Ancona
        -   mevrouw drs. J.C.E. Belinfante
        -   drs. R.M. Naftaniel
    De commissie werd ondersteund door mevrouw drs. H.C.M. Schretlen, die
    als secretaris optrad.
    De commissie is op i4juni 2011 in vergadering bijeengeweest in Den Haag.
    De twee adviezen worden hierna in afzonderlijke hoofdstukken besproken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>  RAA
 jûO
CLIL’IUUR
        1.       Restitutiebeleid rijkscollectie
    Zoals in de adviesaanvraag staat, is het huidige restitutiebeleid gebaseerd op
    de aanbevelingen die de Commissie Ekkart in 2001, 2003 en 2004 deed. Die
    aanbevelingen waren gericht op de eventuele teruggave van voorwerpen uit
    de zogenoemde NK-collectie (na de Tweede Wereldoorlog aan Nederland
    geretourneerde werken door de geallieerden vanuit Duitsland). Bij de
    behandeling van de eerste reeks aanbevelingen besloot de regering, op eigen
    initiatief en zonder dat men op dat ogenblik daarvan de consequenties
    geheel kon overzien, het voor de NK-collectie voorgestelde ruimhartige
    restitutiebeleid toe te willen passen voor de gehele rijkscollectie. Dat wil
    zeggen dat claims op kunstwerken uit de rijksverzamelingen die niet tot de
    NK-collectie horen op dezelfde manier zouden worden bezien als claims op
    NK-werken. Dit betekent dat de Restitutiecommissie, anders dan bij een
    bindend advies over claims op kunstwerken uit het bezit van niet
    rjksverzamelingen, bij honorering van een claim slechts kan adviseren tot
    teruggave van het desbetreffende kunstwerk. Dit gebeurt dan zonder enige
    weging van de diverse belangen en van de wijze waarop de verwerving van
    het kunstwerk tot stand is gekomen.
    Deze strenge richtlijn is geheel te billijken ten aanzien van werken uit de
    NK-collectie, aangezien deze na afloop van de Tweede Wereldoorlog naar
    Nederland zijn gerecupereerd met de uitdrukkelijke intentie dat
                                     -
    rechthebbenden in hun rechten zouden worden hersteld. Voor andere
    kunstwerken uit de rijksverzamelingen is een dergelijke richtlijn echter
    minder geschikt. Bovendien creëert deze richtlijn een rechtsongelijkheid
    tussen de rijksverzamelingen en museale collecties die aan andere
    overheden en particuliere stichtingen toebehoren. Bij deze collecties dient
    de Restitutiecommissie immers conform artikel 2, derde lid, van het
                                       -
    instellingsbesluit en geheel in overeenstemming met de in de Washington
    Princip les vastgelegde internationale restitutieafspraken een claim te
                                                                 -
    beoordelen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Bij die
    beoordeling kunnen feiten en omstandigheden van een specifiek geval
    zorgvuldig worden gewogen en kunnen ook andere oplossingen dan
    uitsluitend teruggave worden geadviseerd.
    Tot nu toe heeft de Restitutiecommissie slechts een enkele claim op niet tot
    de NK-collectie behorende kunstwerken uit rijksbezit behandeld, maar
    verwacht mag worden dat dit aantal zal toenemen door het onderzoek
    Museale Verwervingen, dat nu onder auspiciën van de Nederlandse
    Museumvereniging wordt uitgevoerd. Het betreft dan met name werken die
    door de Nederlandse rijksmusea zijn verworven in de jaren 1933-1940 en in
    de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Daarbij kan zich de situatie voordoen
    dat de Restitutiecommissie, in verband met de huidige instructie bij
    objecten met geheel overeenkomstige herkomstgeschiedenis, een ander
     advies moet geven als het werk behoort tot de rijkscollectie dan wanneer het
    behoort tot de verzameling van bijvoorbeeld een provincie, gemeente of
    onafhankelijke stichting. Dit is een uitermate ongewenste en verwarrende
    vorm van restitutiebeleid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre> RAAO
CÔLTUUR
    De internationale standaard voor het restitutiebeleid is, zoals al werd
    opgemerkt, gebaseerd op de Washington Principles. Die schrijven voor dat
    “steps should be taken expeditiously to achieve ajust and fair solution,
    recognizing this may vary according to the facts and circumstances
    surrounding a specific case.” Deze omschrijving komt zeer goed overeen met
    de instructie van de Restitutiecommissie voor verzoeken van derden voor
   bindend advies, maar niet met de aanwijzing dat alle kunstwerken uit de
    rijkscollectie moeten worden behandeld conform de aanwijzingen voor de
    NK-collectie.
   Aanbeveling 1
    Op grond van deze overwegingen beveelt de commissie aan om te komen
    tot een meer gedfferentieerde behandeling van eventuele claims op niet tot
   de NK-collectie behorende cultuurgoederen uit de rjksverzamelingen.
    De commissie heeft zich uitvoerig beraden op de vraag welke factoren van
   betekenis zijn voor de afwegingen van de Restitutiecommissie, maar is tot
    de conclusie gekomen dat niemand gebaat is bij een lange lijst van criteria.
    Uit eerdere bindende adviezen van de Restitutiecommissie conform artikel
                                                                  -
   2, derde lid, van het instellingsbesluit blijkt duidelijk dat deze commissie
                                           -
   zonder een knellende lijst van criteria uitstekend vorm weet te geven aan de
   voorgeschreven maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Het is wel
   noodzakelijk dat de Restitutiecommissie daarbij de gelegenheid krijgt eigen
   onderzoek te verrichten naar de gegrondheid van een claim en naar de
   diverse omstandigheden die van belang zijn om de begrippen redelijkheid
   en billijkheid inhoud te geven. Voor de hiervoor voorgestelde, meer
   gedifferentieerde behandeling van claims op kunstwerken uit de
   rijksverzamelingen die niet tot de NK-collectie behoren, kan dus worden
   volstaan met een aanpassing van artikel 2 van het instellingsbesluit van de
   Restitutiecommissie.
   Aanbeveling 2
   De commissie adviseert om het instellingsbesluit van de
   Restitutiecommissie zodanig aan te passen dat in artikel 2, eerste lid,
   wordt toegevoegd dat het hierbij zowel gaat om de destijds door de
   geallieerden vanuit Duitsland naar Nederland gerecupereerde
   cultuurgoederen (de zogenaamde NK-collectie) als om alle op andere wijze
   in het bezit van de Staat der Nederlanden gekomen cultuurgoederen. Het
   vierde lid van artikel 2 dient zodanig te worden aangepast dat de
   commissie de adviestaak verricht, bedoeld in het eerste lid voor zover deze
   betrekking heeft op objecten uit de zogenaamde NK-collectie, met
   inachtneming van het rijksbeleid hierover en waar deze betrekking heeft
   op andere tot het bezit van de Staat der Nederlanden behorende
   cultuurgoederen naar maatstaven van redelijkheid en billjkheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre> RA
CÔ&UUR
      II.     Duur van de claimtermijn c.q. van het verruimde
              restituliebeleid
  In de adviesaanvraag van de staatssecretaris van 5 april 2011 is gelet op de
                                                                    -
  brief van 10 juli 2009 van de toenmalige minister van OCW waarin stond
  dat het verruimde restitutiebeleid voorlopig zou worden voortgezet de  -
  vraag gesteld welke claimtermijn redelijk is c.q. hoe en op welke termijn het
  verruimde restitutiebeleid kan worden beëindigd. Uit de adviesaanvraag
  blijkt dat daarbij ook moet worden gelet op de internationale
  restitutiepraktijk en,voor zover relevant, op de termijnen die zijn gesteld in
  internationale verdragen met betrekking tot teruggave van cultuurgoederen.
  Wat betreft het laatste punt: zoals hiervoor al opgemerkt, volgt ook
  Nederland de Washington Principles, waarin geen bepalingen zijn
  opgenomen over een eindtermijn van het restitutiebeleid. In de
  internationale restitutiepraktijk wordt momenteel nog nauwelijks gesproken
  over eindtermijnen en wordt zelfs regelmatig de mening verkondigd dat er
  geen sprake kan zijn van een eindtermijn. Dit alles hangt samen met het feit
  dat in vele landen een georganiseerd restitutiebeleid nog maar nauwelijks
  tot stand is gekomen of zelfs ontbreekt. Hoewel Nederland in internationaal
  opzicht behoort tot de voorlopers op het gebied van systematisch onderzoek
  naar roofkunst en restitutiebeleid, zou op dit ogenblik en in de nabije
  toekomst een eenzijdige beëindiging van restitutie op groot onbegrip
  stuiten. In verband hiermee komt de commissie tot de conclusie dat de
  vaststelling van een eindtermijn voor het claimen van kunstwerken, dat wil
  zeggen van verjaring van onvrijwillig bezitsverlies tijdens het nazi-regime,
  slechts mogelijk is als daarover internationale consensus is ontwikkeld.
  Dit betekent niet dat de duur van het verruimde restitutiebeleid, dat in de
  jaren 2001-2005 is vastgesteld op basis van aanbevelingen van de
  toenmalige Commissie Ekkart, eindeloos moet worden opgerekt. In de
  slotaanbevelingen stelde deze commissie in september 2004 al een
  beperking voor van de claimmogelijkheden van NK-werken op basis van het
  verruimde restitutiebeleid. Dat advies werd door de regering overgenomen,
  maar in verband met de aanhoudende binnenkomst van claims werd de
  geldigheid van dit beleid met een niet nader bepaalde periode verlengd.
  De commissie is van mening dat het vigerende kabinetsbeleid twee jaar na
  publicatie van de volledige resultaten van het lopende museumonderzoek
  kan worden beëindigd, mits daarbij een hardheidsclausule voor schrijnende
  nieuwe gevallen wordt ingebouwd. Deze hardheidsclausule zou moeten
  gelden voor zaken waarin geheel nieuwe feiten tevoorschijn zijn gekomen en
  waarin de claimant kan aantonen dat hij de desbetreffende claim niet eerder
  kon indienen. Bij de beoordeling van claims die aan deze eisen voldoen, kan
  dan worden overwogen of volgens de normen van redelijkheid en billijkheid
  aanleiding bestaat aspecten van het verruimde beleid alsnog van toepassing
  te verklaren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>‘S
    RAA
    ‘tnO
   CULTUUR
       Aanbeveling 3
       De commissie adviseert het vigereride, verruimde regeringsbeleid ten
       aanzien van restitutiezaken te laten voortduren tot twee jaar na publicatie
       van de volledige resultaten van het lopende museumonderzoek. Daarna
       kan bij claims, die gebaseerd zijn op geheel nieuwefeiten en waarbij de
       claimant kan aantonen dat hij de desbetreffende claim niet eerder kon
       indienen, worden overwogen of deze volgens normen van redelijkheid en
       billijkheid alsnog worden behandeld onder toepassing van aspecten van
       het verruimde regeringsbeleid. Beroep op verjaring en volledige sluiting
       van de indieningsmogelijkheid van claims kunnen pas worden overwogen
       wanneer daarover internationale conserzsus bestaat, die in de plaats komt
       van de nu geldende Washington Principles.
       Hoewel in de adviesaanvraag niet met zoveel woorden is verzocht om een
       aanbeveling hoe lang de Restitutiecommissie moet blijven bestaan, heeft de
       commissie zich wel over die vraag beraden. De instelling van de
       Restitutiecommissie is immers een essentieel onderdeel van de vormgeving
      van het vigerende regeringsbeleid. De conclusie van de commissie is dat de
      Restitutiecommissie moet blijven bestaan totdat alle claims, die binnen de
      hiervoor genoemde termijn van twee jaar na publicatie van de resultaten van
      het museumonderzoek zijn binnengekomen, zullen zijn afgehandeld. Voor
      advisering over de naar verwachting zeer incidentele claims die daarna
      binnenkomen, zal de regering zich kunnen laten adviseren door een ad hoc
      commissie.
      Aanbeveling 4
      De commissie adviseert de Restitutiecommissie in stand te houden totdat
      alle claims die binnen twee jaar na publicatie van de resultaten van het
      museumonderzoek zijn ingediend, zullen zijn afqehandeld. Voor de
      beoordeling, op grond van aanbeveling 3, van de daarna binnenkomende
      claims kan de regering zich laten adviseren door een ad hoc commissie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>