<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre> R                                                                                             R.J. Schimmelpennincklaan 3
                                                                                               2517 JN Den Haag
 Y     0                                                                                       Postbus 61243
C L UUR
                                                                                               2506 AE Den Haag
                                                                                               t 070 3106686 f070 3614727
                                                                                               info@cultuur.nl
                                                                                               www.cultuur.nl
   De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
   Mevrouw dr. M. Bussemaker
   p/a Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
   Postbus i6oo
   3800 BP Amersfoort
   04   juli 2013
   Kenmerk: bcma-2o13.o6732/2
   Betreft: Beschermingsprogramma monumenten 1959-1965
   Geachte mevrouw Bussemaker,
   Op 18 maart jongstleden presenteerde u in het Evoluon te Eindhoven het
   Beschermingsprogramma voor monumenten uit de periode 1959-1965. Dit
   beschermingsprogramma is opgenomen in de publicatie ‘Monumenten van
   de prille welvaartsstaat: Nederland 1959-1965’. Het programma bevat een
   voordracht van 89 monumenten, omschreven als de nationale top van bijna
   honderd excellente monumenten van de wederopbouwjaren 1959-1965 O
   Nederlands grondgebied, die als toonbeelden van architectuur en
   stedenbouw worden beschouwdl. Aan de Raad voor Cultuur heeft u verzocht
   over dit concept beschermingsprogramma (inclusief alle onderdelen) advies
   uit te brengen. Per individuele monumentaanwijzing volgt nog een
   adviesverzoek aan de raad.
   Conclusie
   Voordat de raad concreet op een aantal onderwerpen in relatie tot dc
   adviesaanvraag in gaat, kan hij u melden in grote lijnen in te stemmen met
   dit beschermingsprogramma. In de genoemde periode van 1959 tot 1965 zijn
   veel bijzondere gebouwen en objecten van hoge kwaliteit tot stand gekomen
   en de raad is positief over het voorstel een aantal hiervan op de rijkslijst te
   plaatsen. Net als bij de Top 100 over de eerste periode van de wederopbouw
   (1940-1958) ziet de raad deze voordracht als een begin van een bredere
   aanwijzing van gebieden en gebouwen, gebaseerd op een afgewogen beleid
   over de wederopbouwperiode. Hij hoopt dan ook dat dit voorbeeld wordt
   gevolgd door gemeenten.
    1
      De voordracht vloeit voort uit de Beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2009, die met
    ingang van ijanuari 2009 in werking getreden is. Per 1januari   2013 is de Beleidsregel aanwijzing
    beschermde monumenten 2013 van kracht geworden, die in lijn is met die uit 2009. Volgens deze
    beleidsregel dienen de nieuw aan te wijzen monumenten uit de periode 1959-1965 opgenomen te worden
    in een aanwijzingsprogramma.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre> RAA
 iöO
CULTUUR
   Wel plaatst de raad kanttekeningen bij de totstandkoming van deze
   voordracht en mist hij een richtinggevende visie die aan deze selectie ten
   grondslag ligt. Ten aanzien van de onderdelen, de 89 gebouwen en objecten,
   maakt hij nadrukkelijk een voorbehoud: als een afzonderlijk gebouw of
   object in de nadere beschrijving bij de individuele aanwijzing onvoldoende
   gaaf of zeldzaam blijkt te zijn (dit zijn zware toetsingscriteria), dan neemt de
   raad de vrijheid in het betreffende geval alsnog een negatief advies te geven.
   Voordracht
   Uw selectie van 89 monumenten is een vervolg op de selectie van ‘loo
   evidente mijlpalen’ uit de wederopbouwperiode 1940-1958. Deze
   zogenoemde Top 100 uit 2007 was in de ogen van de raad een belangrijke en
   noodzakelijke stap naar wettelijke bescherming van waardevolle objecten en
   structuren uit deze periode. De voordracht bleek bovendien een flinke impuls
   te geven aan de algemene waardering van en het draagvlak voor
   wederopbouwarchitectuur. De raad steunde in zijn advies uit februari 2008
   de voordracht, maar vermeldde daar nadrukkelijk bij de Top 100 te zien als
   een aanzet tot een veel bredere selectie en bescherming van monumenten uit
   de wederopbouwperiode. Daarbij zou, anders dan bij de toen voorgedragen
   selectie van slechts 100 objecten, eerst een zo geobjectiveerd mogelijk
   afwegingskader dienen te worden ontwikkeld. In dat verband zou er volgens
   de raad niet alleen aandacht moeten zijn voor objecten, maar nadrukkelijk
   ook voor ensembles, structuren en landschappen; aspecten die in de
   wederopbouw een wezenlijke rol hebben gespeeld. De raad liet weten
   voorstander te zijn van een selectiebeleid dat niet alleen op
   literatuuronderzoek is gebaseerd (zoals bij de Top ioo), maar ook op een
   meer actuele, landelijk dekkende inventarisatie en waardestelling. Dat maakt
   het mogelijk om de cultuurhistorische betekenis van
   wederopbouwmonumenten te duiden vanuit een hedendaags perspectief en
   in onderling verband.
   Werkwijze
   De raad stelt vast dat zowel de opzet als de uitvoering van de selectie bij deze
   nieuwe voordracht niet wezenlijk zijn gewijzigd. De werkwijze waarvoor de
   raad in zijn vorige advies pleitte, is niet toegepast waardoor de selectie
   dezelfde vragen oproept. Uit de adviesaanvraag blijkt dat de Rijksdienst voor
   het Cultureel Erfgoed (hierna: RCE) op basis van literatuurondcrzoek en
   eigen kennis een globale schifting heeft gemaakt; hierbij zijn de objecten per
   vooraf gekozen thema’s vergeleken en daaruit zijn ‘de beste’ gekozen.
   Door deze werkwijze lijken verschillende categorieën gebouwen (nagenoeg)
   geheel te ontbreken, zoals industriecomplexen, boerderijen,
   seriewoningbouw en defensiegebouwen. De toetsing op een vooraanstaande
   positie en duiding in de nationale en internationale vakliteratuur (artikel 6
   onder a van de beleidsregel) is naar de mening van de raad een tamelijk
   willekeurig beoordelingscriterium; zo wordt het redactiebeleid van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  RAA
 inO
CIJL1UUR
    tijdschriften in de betreffende periode maatgevend voor een
    monumentenselectie. Daarbij is de Nederlandse vakliteratuur vanouds
    gericht op de Randstad, waardoor ontwikkelingen in andere Nederlandse
    regio’s mogelijk onderbelicht blijven. Dit alles wordt versterkt doordat er
    vooraf geen inventariserend veldonderzoek heeft plaatsgevonden.
    Het valt de raad verder op dat bij de selectie de architectuurhistorische
    waarden en het werk van bekende architecten steeds de voorkeur lijken te
    hebben gekregen. Ook het primaat van architectuurhistorische waarden
    draagt bij tot minder aandacht voor bepaalde categorieën gebouwen. De raad
    noemt in dit verband meer alledaagse objecten, zoals de typische bushokjes
    of telefooncellen uit de wederopbouwperiode; objecten die een grote
    symboolwaarde hebben maar niet prominent in de vakliteratuur voorkomen.
    Daarnaast is relatief weinig aandacht voor de bouwtechnische
    ontwikkelingen en toepassing van nieuwe constructies en materialen.
    Een groot verschil met de werkwijze van de eerste Top ioo is dat deze keer
    gemeenten, belangenorganisaties en externe deskundigen op het gebied van
    monumentenzorg geraadpleegd zijn bij de samenstelling van de lijst. Ook de
    raad is in een eerder stadium geïnformeerd. Hij is daarover positief, net als
    over het feit dat voorafgaand aan deze voordracht alle objecten ook
    daadwerkelijk bezocht zijn en ter plekke zijn beoordeeld.
    Visie
    De raad moet helaas constateren dat het Rijk, evenals bij de eerste Top loo,
    geen heldere visie geformuleerd heeft op de wederopbouw als opgave voor de
    monumentenzorg. De raad mist een zienswijze die dit naoorlogse
    monumentenbestand plaatst in het licht van de totale lijst met beschermde
    monumenten en zich verhoudt tot grootschalige objecten en complexen, de
    veelheid van de bouwproductie, en de vaak industriële wijze waarop deze tot
    stand kwam gedurende de wederopbouw.
    In een dergelijke visie zouden de contouren geschetst kunnen worden van
    nieuwe afwegingen die ten aanzien van bescherming gemaakt moeten
    worden bij de overweldigende hoeveelheid gebouwen die na de Tweede
    Wereldoorlog in Nederland gebouwd zijn. Daaruit kan een selectiemethode
    voortkomen die past in het Nederlandse bestel van gedecentraliseerde
    monumentenzorg, met een heldere opvatting over de rollen van de
    verschillende partijen in het bestel. Een opvatting waarin recht gedaan wordt
    aan de plaats van de RCE als kennisinstituut en aan de gemeenten en hun
    provinciale steunpunten als kenners van objecten, draagvlak,
    behoudsperspectieven, etc.
    In de ogen van de raad kan een dergelijke visie leiden tot een samenhangend
    beeld van de monumentenzorgopgave en de wijze waarop die kan worden
    uitgevoerd. Een duidelijke visie biedt bovendien handvatten voor een
    nationaal beschermingsprogramma, waarin centraal de criteria vastgelegd
    kunnen worden en waarbij bij voorkeur decentraal voordrachten zouden
                                 -                         -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre> RA
CYaUUR
  kunnen worden geformuleerd. Beschermingsprogramma en criteria bieden
  dan het kader om de selectie breed aan te pakken, zodat niet het kleinste
  (bushaltes) en het grootste (woningbouwcomplexen en stedenbouwkundige
  ensembles zoals universiteitscampussen) al direct apart hoeven te worden
  gezet. Bovendien zou het de drie selectielijsten die inmiddels in relatie tot de
  wederopbouw zijn verschenen de eerste Top loo, de aanwijzing van 30
                                    -
  nationale wederopbouwgebieden en de huidige voordracht van 89
  monumenten in onderling verband kunnen plaatsen. Een bredere,
                  —
  decentrale aanpak is daarnaast ook een middel om de lagere overheden te
  enthousiasmeren om op gemeentelijk niveau eveneens gebieden en
  gebouwen uit deze periode te beschermen. De aanpak vanuit een visie, via
  een beschermingsprogramma naar criteria, zou ook directer aansluiten bij de
  strekking van de Monumentenwet 1988, waarin het belang dat in
  aanwijzingsprocedures is toegekend aan het advies van gemeenten, zwaar
  weegt.
  De raad adviseert dan ook nadrukkelijk een visie te ontwikkelen. Dit is
  noodzakelijk als perspectief op een toekomstige aanpak als geheel, maar ook
  om met betrekking tot voorliggend beschermingsprogramma aanvullende
       -                                                            -
  voordrachten met inhoudelijke argumenten positief dan wel negatief te
  kunnen beoordelen. Deze visie is bovendien onontbeerlijk voor de
  ontwikkeling en het behoud van draagvlak in de monumentenzorg. De raad
  is uiteraard bereid daarover te adviseren.
  Selectie en beoordeling van de afzonderlijke objecten
  Uit het enorme aanbod van gebouwen konden er nu volgens opdracht slechts
  circa ioo worden geselecteerd. De RCE heeft in de mondelinge toelichting bij
  de selectie aangegeven dat daarom alles op de lijst van topkwaliteit diende te
  zijn. Bij de toelichting werd voor ‘top’ verwezen naar het criterium dat een
  object in literatuur en tijdschriften uit de bouwperiode is gepubliceerd.
  Vanwege deze beperkte selectie dienen, volgens de raad, met name de
  toetsingscriteria zeldzaamheid en gaafheid scherp te worden gehanteerd.
  Deze criteria zijn ook door u in uw adviesaanvraag genoemd. De
  geselecteerde gebouwen moeten dus in beginsel gaaf (lees: ongewijzigd) zijn.
  De raad heeft de lijst in zijn geheel beschouwd en in de voorbeschouwing ook
  naar de afzonderlijke objecten gekeken. Of alle geselecteerde monumenten
  voldoen aan de beoordelingscriteria uit de Beleidsregel 2013 en of zij
  allemaal tot de ‘top’ behoren, kan de raad nog niet in alle gevallen afgewogen
  beoordelen. Bij een aantal objecten is in de huidige beschrijving namelijk
  nog onvoldoende onderbouwd wat de specifieke betekenis en kwaliteiten zijn
  om als ‘topmonument’ te worden gekwalificeerd. Evenmin worden voor alle
  gebouwen en objecten zeldzaamheid en gaafheid aannemelijk gemaakt. Dat
  is van wezenlijk belang omdat er anders, zeker zonder een goed
  geformuleerde visie op de stedenbouw en architectuur in de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>C
  wederopbouwperiode, onvoldoende argumenten zijn om vergelijkbare
  objecten ook te plaatsen dan wel af te wijzen voor bescherming, als deze door
  derden worden voorgedragen.
  De raad vertrouwt erop dat bij elk van de 89 individuele voordrachten een
  adequate omschrijving wordt gemaakt, die de omvang van de bescherming
  helder definieert, de bijzondere betekenis en cultuurhistorische waarden
  onderstreept en goed inzicht geeft in de gaafheid en zeldzaamheid. De
  individuele adviezen kunnen dan door de raad snel en efficiënt worden
  afgerond.
  Tot slot spreekt de raad de hoop uit dat er op korte termijn ook aandacht zal
  worden besteed aan de architectuur en stedenbouw in de periode na 1965,
  waarbij naast vele uitbreidingen en nieuwbouw ook aandacht kwam voor
  stads- en dorpssanering. Uw opmerking dat daarvoor een plan van aanpak in
  voorbereiding is, stemt de raad verwachtingsvol.
  Hoogachtend,
  Joop Daalmeijer
  Voorzitter                                            Algemeen secretaris
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>