<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                    Prins Willem Alexanderhof 20
                                                                    2595 BE Den Haag
                                                                    Postbus 61243
                                                                    2506 AE Den Haag
                                                                    t 070 3106686
                                                                    info@cultuur.nl
                                                                    www.cultuur.nl
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Mevrouw J. Bussemaker
Postbus 16375
2500 BJ 's Gravenhage
19 december 2013
Kenmerk: Kenmerk: rvc-2013.06359/81
Betreft: aanvullende documenten subsidieontvangers BIS 2013-2016
Geachte mevrouw Bussemaker,
In het advies Slagen in cultuur heeft de Raad voor Cultuur een aantal
instellingen een positief advies gegeven onder de voorwaarde dat zij in 2013
een aanvullend plan indienen. U heeft dit advies voor zes instellingen
overgenomen en deze voorwaarde in de desbetreffende
subsidiebeschikkingen opgenomen. Het betrof de volgende instellingen:
-   Museum Meermanno
-   Letterkundig Museum
-   NIADEC/AVE (inmiddels omgedoopt tot Het Nieuwe Instituut)
-   Rijksakademie van Beeldende Kunsten (RABK)
-   De Ateliers
-   Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst (LKCA)
In uw brief van 22 november 2013 verzoekt u de raad om richtinggevende
aandachtspunten te formuleren naar aanleiding van de aanvullende plannen
en stukken van Museum Meermanno, Het Letterkundig Museum, Het
Nieuwe Instituut en de Rijksakademie van Beeldende Kunsten. U heeft geen
plan ontvangen van De Ateliers, maar omdat zij een samenwerking zouden
aangaan met de RABK maken wij in het kader daarvan hieronder toch enige
opmerkingen.
U heeft uitstel verleend aan het LKCA, waardoor wij pas in 2014 een reactie
zullen geven op de strategische agenda van die instelling.
Daarnaast geeft de raad in deze brief ook richtinggevende aandachtspunten
over het nieuwe plan van De Utrechtse Spelen. U had die instelling om een
nieuw plan verzocht vanwege een ingrijpende koerswijziging. Ook dit plan
heeft u op 22 november jongstleden naar de raad gestuurd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Hieronder volgen de reacties van de raad op de plannen van Museum
Meermanno, Het Letterkundig Museum, Het Nieuwe Instituut, de
Rijksakademie van Beeldende Kunsten en De Utrechtse Spelen. Zoals u al in
de beschikking van de desbetreffende instellingen heeft aangekondigd, zullen
we de komende jaren in onze monitoring specifiek aandacht besteden aan de
wijze waarop de instellingen gehoor geven aan onze aandachtspunten.
Museum Meermanno en Letterkundig Museum
In ‘Slagen in Cultuur’ heeft de raad geschreven dat het Letterkundig Museum
en Museum Meermanno intensief moeten gaan samenwerken. Met het oog
hierop adviseerde de raad beide instellingen een subsidie toe te kennen ter
hoogte van 75 % van het richtbedrag.
Het advies van de raad heeft u integraal overgenomen. De instellingen
hebben het afgelopen jaar benut om te onderzoeken wat de mogelijkheden
en onmogelijkheden van nauwe samenwerking - eventueel een fusie - van
beide musea zijn. Het rapport van dit onderzoek heeft u de raad toegestuurd,
evenals de begeleidende brief van beide musea.
Uit het onderzoek en de begeleidende brief blijkt dat beide musea intensief
hebben gezocht naar mogelijkheden voor samenwerking. Helaas wordt er
een gebrek aan onderling vertrouwen en draagvlak gesignaleerd, evenals
verschillende invalshoeken en ambities. ‘Een gemeenschappelijk gedeeld en
overtuigend eindbeeld ontbreekt’, aldus de instellingen. Tegen die
achtergrond is een vrijwillige intensieve samenwerking op inhoudelijk vlak
niet mogelijk, zo constateren zij. Wel zullen de musea in het zogenoemde
Illustratorenproject gezamenlijk optrekken.
De raad betreurt dat de samenwerking tussen beide instellingen tot op heden
niet de vorm heeft gekregen die hij voor ogen had. Hij zag en ziet nog steeds
goede aanknopingspunten voor een intensieve samenwerking. De raad
realiseert zich echter dat beide instellingen nadrukkelijk een poging hebben
ondernomen naar aanleiding van het advies en dat nu ook naar andere
partners wordt gezocht. Beide instellingen hebben de bezuinigingsslag
verwerkt en zijn nieuwe allianties aangegaan.
Zo is het Letterkundig Museum van plan een duurzame samenwerking aan te
gaan met het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis om de
collectie beter te ontsluiten en toegankelijk te maken.
Museum Meermanno en de Koninklijke Bibliotheek hebben een
intentieverklaring getekend voor de komende twee jaar, waarin structurele
samenwerking het doel is, evenals de mogelijkheid om op termijn Museum
Meermanno te integreren in de Koninklijke Bibliotheek.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>De raad heeft in zijn advies ‘Ontgrenzen en Verbinden’ het belang genoemd
van samenwerking, zowel tussen musea onderling als tussen musea en
verwante instellingen. Niet als doel op zich, maar als middel om onder meer
een breed publiek te bereiken, kennis te delen en efficiënter te werk te gaan.
De raad ziet in dat licht potentie in de voorliggende plannen. Gezien het feit
dat de door de raad voorgestelde samenwerking tussen beide musea
vooralsnog weinig levensvatbaar blijkt, vindt hij samenwerking met
bovengenoemde andere instellingen een goed alternatief. Wel wil hij enkele
aandachtspunten meegeven.
Het Letterkundig Museum noemt vele samenwerkingspartners naast het
Huygens Instituut. De samenwerkingsvormen hebben verschillende doelen
en zijn wisselend van invulling. Het gevaar van versnippering dreigt.
In zijn vorige advies noemde de raad het verschil in kwaliteit van enerzijds
het Kinderboekenmuseum en anderzijds de museale functie voor
volwassenen van het Letterkundig Museum. Om deze specifieke museale
functie te versterken, adviseerde de raad verregaande samenwerking met
Museum Meermanno. Nu dit geen optie blijkt te zijn, adviseert de raad de
focus te verleggen. Over de kwaliteit van het Kinderboekenmuseum bestaat
naar de mening van de raad geen twijfel. Daarnaast is de
documentatiefunctie van het Letterkundig Museum een belangrijke, zo niet
leidende taak. Op deze twee terreinen dient volgens de raad dan ook de
nadruk te liggen. Met het oog op de documentatiefunctie adviseert hij dat de
instelling meer synergie en afstemming zoekt met partners op dit gebied. Te
denken valt aan de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam,
maar ook aan andere universiteitscollecties zoals die in Leiden of Utrecht.
In zijn eerdere advies zag de raad onvoldoende grond voor een zelfstandig
voortbestaan van Museum Meermanno. In de intentieverklaring met de
Koninklijke Bibliotheek wordt gesproken van een mogelijke integratie van
het museum in de Koninklijke Bibliotheek. De raad gaat een stap verder en
verwacht dat deze integratie vóór aanvang van de nieuwe beleidsperiode in
2017 een feit is.
Het Nieuwe Instituut
In zijn eerdere advies over Het Nieuwe Instituut, dat destijds nog NIADEC
heette, heeft de raad aangegeven dat aan een fusietraject van drie
sectorinstituten een integrale visie ten grondslag moet liggen, zodat de
inhoud van zowel het beleid als de programmering gekaderd en gestuurd
kan worden. De drie programmalijnen - architectuur, e-cultuur en design -
zouden daarbinnen zoveel mogelijk ruimte moeten krijgen om te integreren,
zonder volledig aan het zicht onttrokken te raken.
In de aanvulling op het beleidsplan presenteert de nieuwe directeur een
aansprekende visie, die volgens de raad aan de basis kan liggen van zowel de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>drie programmalijnen als de interdisciplinaire projecten. Uit deze visie
spreekt het streven om de verschillende disciplines samen te binden.
De raad waardeert dat bij de ontwikkeling van de plannen van Het Nieuwe
Instituut in korte tijd veel contacten zijn gelegd met stakeholders. Het
instituut onderkent zelf terecht dat er nog onvoldoende afstemming is over
het beleid van Het Nieuwe Instituut en het Stimuleringsfonds voor Creatieve
Industrie, met name op het gebied van internationalisering. De raad ziet uit
naar een verdere uitwerking in de praktijk.
Met zijn keuze voor jaarprogramma's die aansluiten op belangrijke en grote
gebeurtenissen kan Het Nieuwe Instituut in de ogen van de raad extra
inkomsten verwerven. Volgens de raad moet het wel extra inspanningen
leveren om zijn publiek te vinden, aan te trekken en te behouden. In de
plannen is daarvan weinig terug te vinden, waardoor het voor de raad niet
duidelijk is hoe de instelling de eis van het ministerie kan halen om jaarlijks
315.000 bezoekers te trekken. Het bereiken van een groot publiek is tevens
een voorwaarde om sponsors en andere financiers voor het instituut te
interesseren.
De raad hecht eraan dat het instituut in alle disciplines ruimte biedt aan
research & development, dat verschillende onderzoeksdoelen moet dienen.
Het Nieuwe Instituut presenteert interessante initiatieven op het terrein van
onderzoek. Met De dingen en de materie beantwoordt het instituut aan de
behoefte aan een onderzoekslab. Daarnaast is er het meer op architectuur
gerichte Jaap Bakema Study Centre, waarmee Het Nieuwe Instituut een
samenwerking met de TU Delft aangaat. De raad verwacht dat het instituut
ook relaties met de universiteiten in de noordelijke en oostelijke delen van
Nederland aanknoopt, omdat hier interessante onderzoeksprogramma's
lopen om bij aan te sluiten. Verder vraagt de raad aandacht voor de artistiek
gestuurde onderzoeken, die in de context van de universiteiten minder
ruimte krijgen. Om die reden is het belangrijk contact met het
kunstvakonderwijs te onderhouden en een relatie te zoeken met de
lectoraten.
Uit de aanvulling op het beleidsplan blijkt dat Het Nieuwe Instituut
voortbouwt op de reeds ontwikkelde educatieve activiteiten en per
programmaonderdeel nieuwe educatieve activiteiten gaat ontwikkelen. Het
is voor de raad echter nog niet duidelijk hoe de instelling de ambitieuze
prestatie-eis van 10.500 bezoekende scholieren kan behalen.
Uit de begroting blijkt dat voor alle drie programmalijnen educatieve
activiteiten zijn opgenomen, maar in de plannen zelf wordt de rol van e-
cultuur niet verder omschreven. De raad verwacht dat het instituut ook op
dit terrein educatieve activiteiten ontwikkelt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Rijksakademie van Beeldende Kunsten
Rijksakademie en De Ateliers hadden voor de periode 2013-2016 een
rijkssubsidie gekregen onder de voorwaarde dat de instellingen medio 2013
een concretere uitwerking van de plannen en gezamenlijke begroting voor de
resterende periode zouden indienen. De Rijksakademie heeft een plan voor
de gevraagde termijn ingediend, maar De Ateliers niet. In een begeleidend
schrijven meldt de directeur van de Rijksakademie dat De Ateliers zich twee
weken voor de indiening van de plannen uit de samenwerking heeft
teruggetrokken. De raad onthoudt zich van een opinie over de toedracht van
het stopzetten van de gesprekken.
De raad hecht veel waarde aan een intensieve samenwerking van de beide
instellingen en betreurt dat deze samenwerking niet tot stand is gekomen.
Nu de voorgenomen samenwerking lijkt te zijn afgeketst, is er geen sprake
meer van een versterkte propositie in de beeldende kunstsector; eerder zal de
onderlinge concurrentie toenemen bij de verwerving van gelden in de
huidige competitieve en overbevraagde markt.
Mochten middelen van de Ateliers vrijkomen, dan adviseert de raad de
vrijkomende middelen via het Mondriaan Fonds beschikbaar te stellen voor
talentontwikkeling.
De raad is van mening dat de Rijksakademie met dit plan de komende drie
jaar voldoet aan haar kerntaak, namelijk het verzorgen van 50 ateliers en
begeleiding voor kunstenaars. De raad constateert dat de Rijksakademie zich
ten opzichte van eerdere plannen heeft ingezet om meer efficiency en hogere
eigen inkomsten te bewerkstelligen. Zo zijn de personele lasten sterk omlaag
gebracht en er is een oplossing voor de hoge huisvestingskosten. Het pand is
sinds kort eigendom van de Rijksakademie en de grond is erfpacht van de
gemeente Amsterdam. Hiermee is aan de randvoorwaarde uit het advies
Slagen in Cultuur voldaan.
De instelling biedt kunstenaars kortere en langere werkperioden aan en
stimuleert samenwerking van kunstenaars, bedrijven en
onderzoeksinstituten waarvoor een verdienmodel wordt ontwikkeld.
Daarnaast worden in het plan initiatieven beschreven om het publiek meer te
betrekken bij de activiteiten en een zichtbare positie in de samenleving in te
nemen. Strategische allianties met kunst, wetenschap en industrie worden
sterker verankerd in de benadering en programmering. Ook dit zou kunnen
zorgen voor meer eigen inkomsten.
Niettemin vindt de raad de financiële onderbouwing van de beschreven
ambities in het plan beperkt. Hij vraagt zich af of de begrote
sponsorinkomsten voor 2015-2016 haalbaar zijn. De raad onderschrijft de
opmerking van de Rijksakademie dat er een kritische grens is aan het
verkrijgen van sponsorinkomsten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>De raad stelt vast dat de instelling in het activiteitenplan geen strategie
beschrijft hoe zij na 2016 op eigen benen kan staan. Opmerkelijk, omdat
de instelling er rekening mee moet houden dat het Rijk vanaf dat jaar geen
financiële ondersteuning meer zal bieden. Uw ambtsvoorganger heeft
immers aangekondigd dat de postacademische instellingen vanaf 2016 geen
rijkssubsidie meer ontvangen. De raad betwijfelt of deze instellingen in dat
geval zelfstandig kunnen voortbestaan. U heeft in uw brief Cultuur beweegt
het belang van talentontwikkeling benadrukt, en heeft onlangs aangekondigd
over dat onderwerp volgend jaar een brief aan de Tweede Kamer te schrijven.
De raad deelt uw opvatting over talentontwikkeling, en verzoekt u om ook de
rol van de postacademische instellingen bij uw visie op talentontwikkeling te
betrekken.
Voor de huidige periode is de Rijksakademie sterk afhankelijk van de
beurzen die het Mondriaan Fonds ter beschikking stelt aan de
postacademische instellingen. De raad adviseert het beleid ten aanzien van
de toekenning van deze beurzen ook voor de jaren 2015-2016 voort te zetten.
De Utrechtse Spelen
De Utrechtse Spelen (DUS) heeft op verzoek van de minister een nieuw
activiteitenplan en een nieuwe meerjarenbegroting ingediend, omdat bij die
instelling een ingrijpende koerswijziging heeft plaatsgevonden. Algemeen
directeur Jacques van Veen en artistiek directeur Thibaud Delpeut zijn in
september 2013 aangesteld.
De raad heeft er respect voor dat de instelling op korte termijn een plan voor
de komende jaren heeft ontwikkeld. Een deel van de vragen die hij over de
inhoud en invulling van het plan heeft, wordt dan ook waarschijnlijk
veroorzaakt door de korte tijd die de instelling beschikbaar had.
De raad constateert dat in het artistieke beleid van DUS het werk van
Thibaud Delpeut centraal staat: de nadruk ligt op zijn ontwikkeling als
regisseur van schouwburgproducties.
De raad beschouwt hem als een getalenteerd regisseur die de potentie heeft
om met DUS te bouwen aan een bestendige positie in het landelijke
theaterbestel. Wel vindt de raad het gekozen repertoire niet bijzonder
onderscheidend ten opzichte van andere rijksgesubsidieerde
theatergezelschappen en spoort hij de instelling aan om de plannen minder
sterk te richten op een ingewijd theaterpubliek. De raad is daarnaast van
mening dat de plannen voor talentontwikkeling nog een nadere uitwerking
behoeven.
Volgens de raad profileert De Utrechtse Spelen zich in het nieuwe plan nog
in beperkte mate als het stadsgezelschap van Utrecht, en de verbindingen die
het wil aangaan met andere instellingen zijn vooralsnog intentioneel. Dit is
gezien de korte voorbereidingstijd van het plan begrijpelijk. De visie van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>instelling op haar positie in de stad kan echter nog verder worden uitgebreid.
De raad gaat ervan uit dat de positionering in de loop van de tijd nader vorm
zal krijgen, omdat een theatergezelschap in de Basisinfrastructuur goed
geworteld moet zijn in de eigen stad.
Het is voor het draagvlak en succes essentieel dat De Utrechtse Spelen zich
goed positioneert in de stad en de banden aanhaalt met publiek en culturele
organisaties. Een doortimmerd marketingbeleid op dat vlak ontbreekt ook
nog. Het feit dat DUS vaker in het eigen theater, De Paardenkathedraal, gaat
spelen, ziet de raad wel als een goede ontwikkeling die de eigen positie in de
stad kan vergroten.
DUS zal, volgens de afspraak met de subsidiënten, aan het einde van de
subsidieperiode het financiële tekort op de balans hebben weggewerkt. De
instelling is zich bewust van de risico’s die tegenvallende inkomsten tot
gevolg kunnen hebben. Niettemin vindt de raad de geplande bezoekcijfers
voor de komende jaren erg ambitieus, ook gezien het feit dat het gezelschap
opnieuw een naam en reputatie zal moeten opbouwen. De raad is benieuwd
hoe het gezelschap zich de komende jaren op de kaart gaat zetten en zijn
ambities gaat waarmaken.
Met vriendelijke groeten,
Joop Daalmeijer                                     Jeroen Bartelse
Voorzitter                                          Algemeen secretaris
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>