<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Media, informatie en communicatie: trends en beleid
Frank Huysmans | WareKennis
in opdracht van
Raad voor Cultuur, Den Haag
24 januari 2014
                                                  http://warekennis.nl
                             -1-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
	
  
     1. INLEIDING EN VERANTWOORDING	
  ..........................................................................................................................................	
  3	
  
     2. OVERZICHT VAN ECONOMISCHE, TECHNOLOGISCHE EN JURIDISCHE ONTWIKKELINGEN	
  ...................................................	
  5	
  
        2.1 Economische ontwikkelingen	
  ........................................................................................................................................	
  5	
  
        2.2 Technologische ontwikkelingen	
  ...................................................................................................................................	
  9	
  
        2.3 Juridische ontwikkelingen	
  ............................................................................................................................................	
  13	
  
     3. TRENDS IN CIJFERS	
  ..................................................................................................................................................................	
  16	
  
        3.1 Gedrukte media	
  ................................................................................................................................................................	
  17	
  
        3.2 Audiovisuele media	
  .........................................................................................................................................................	
  25	
  
        3.3 Digitale media	
  ...................................................................................................................................................................	
  37	
  
        3.4 Nederlandse publieke omroep in perspectief	
  .........................................................................................................	
  51	
  
        3.5	
  Conclusies	
  ..........................................................................................................................................................................	
  56	
  
     4. CONTOUREN BELEID 2013-2020	
  ........................................................................................................................................	
  58	
  
        4.1 Het denkkader van de WRR	
  ..........................................................................................................................................	
  58	
  
        4.2	
  Actualiseren	
  van	
  het	
  WRR-­denkkader:	
  lessen	
  voor	
  een	
  toekomstvast	
  mediabeleid	
  .........................	
  60	
  
        4.3	
  Van	
  de	
  realiteit	
  in	
  2013	
  naar	
  de	
  wenselijke	
  ordening	
  in	
  2020/2025	
  .....................................................	
  61	
  
Dit werk is gelicenseerd onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen
4.0 Internationaal. Ga naar http://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0/deed.nl om een
kopie van de licentie te kunnen lezen.
                                                                                              -2-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>1. Inleiding en verantwoording
Deze studie is ontstaan in het kader van een verzoek van staatssecretaris Dekker aan de Raad
voor Cultuur. De staatssecretaris heeft de Raad verzocht een verkenning te maken van de
toekomst van het publieke mediabestel en in het bijzonder de positie van de publieke
omroep in het veranderende mediabestel. De doelstelling van het mediabeleid van de
overheid is het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig
media-aanbod dat toegankelijk is voor alle lagen van de bevolking, bestaande uit radio,
televisie, kranten en internetdiensten. Uit onderstaand citaat blijkt dat de adviesaanvraag
wordt ingegeven door veranderingen in de maatschappij en het medialandschap enerzijds,
en door een bezuinigingstaakstelling voor de Publieke Omroep anderzijds:
         “Ontwikkelingen in de samenleving in het algemeen en in het medialandschap in het
         bijzonder hebben gevolgen voor de positie van de publieke omroep en de wijze waarop hij
         zijn functie uitvoert. Deze ontwikkelingen … hebben kort gezegd tot gevolg dat het bestel
         zoals wij dat nu kennen onder druk staat. Bovendien verlaagt dit kabinet de
         rijksmediabijdrage. Dit dwingt tot het maken van scherpe keuzes in de wijze waarop het
         aanbod van de publieke omroep tot stand komt en gepresenteerd wordt, en in de wijze
         waarop onze publieke omroep is vormgegeven. Wat kan en moet de publieke omroep doen,
         gegeven de nieuwe financiële realiteit en de snelle veranderingen in het medialandschap om
         zijn maatschappelijke functie te vervullen. En hoe moet de publieke omroep dat dan doen?” 1
Inmiddels is duidelijk dat de aanvullende korting op de rijksmediabijdrage beperkt zal blijven
tot 50 miljoen in plaats van de eerder aangezegde 100 miljoen. Het gaat om een aanvullende
korting per 2016 bovenop de korting van 200 miljoen per 2015.
Het kabinet zet de lijn van het vorige kabinet door met de verschuiving van externe
pluriformiteit (verschillende stromingen in de maatschappij met afzonderlijke organisaties
vertegenwoordigd in het bestel) naar interne pluriformiteit (een kleiner aantal organisaties
dat de verschillende stromingen in de programmering aan bod laat komen). Maar het tast nog
in het duister hoe dit precies georganiseerd zou kunnen worden. Een aantal punten wordt in
de brief van de staatssecretaris speciaal genoemd. Ten eerste hoe de openheid van het bestel
in de nieuwe situatie gewaarborgd zou kunnen worden. Ten tweede hoe de publieke omroep
zich op de middellange en lange termijn, in een expanderend en competitiever internationaal
mediabestel, zou kunnen blijven profileren met hoogwaardige Nederlandse media-aanbod.
Ten derde hoe de interne-pluriformiteit-in-wording zodanig kan worden georganiseerd dat
het programma-aanbod evenwichtig van karakter is én er voldoende verantwoording
(‘informele publieke verantwoording’, aldus de brief) plaatsvindt.
Geen onderdeel van de verkenningsaanvraag aan de Raad maken twee andere in de brief
genoemde onderwerpen uit. Wel dient de verkenning van de Raad er rekening mee te
houden. Ten eerste benoemt staatssecretaris Dekker de mogelijkheden tot het vergroten van
de eigen inkomsten van de publieke omroep en die van de STER, zodat het totale budget van
1
  Brief staatssecretaris van OCW aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 20 juni 2013 (TK
2012-2013 32 827 nr. 49).
                                                          -3-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>de NPO niet hoeft te dalen (of althans niet in de mate waarin de rijksbijdrage wordt
teruggebracht). Juridische belemmeringen hiervoor dienen in kaart te worden gebracht zodat
ze waar mogelijk kunnen worden weggenomen. Het rapport van de Boston Consulting Group
is inmiddels verschenen.2
Ten tweede speelt ook de kwestie van de integratie van de landelijke en de regionale publieke
omroep. Het kabinet wil de verbinding tussen de twee lagen sterker maken door de regie in
één – landelijke – hand te leggen. Het budget wordt in één hand (landelijk) gelegd en per
2016 met 25 miljoen euro verlaagd. De regionale publieke omroep wordt hiermee
geïntegreerd in het landelijke bestel.
De Raad voor Cultuur is een traject gestart om via een aantal stappen te komen tot de
gevraagde verkenning. Als startschot voor het traject dient (a) een viertal documenten,
vervaardigd door het ministerie zelf, waarin op eendere wijze de positie van de publieke
omroep in Nederland, Vlaanderen, Groot-Brittannië en Duitsland is beschreven; (b) een
overzicht van wetenschappelijke literatuur naar de publieke omroep door Manuel Kaal (Raad
voor Cultuur) en (c) dit document.
De Raad heeft Frank Huysmans (WareKennis onderzoek en advies) opdracht gegeven om in
kort bestek de belangrijkste trends en aspecten te beschrijven van het domein waarin de
publieke omroep zich beweegt: het domein van media, informatie en communicatie. De
opdracht is in overleg met de Raad breed opgevat. Door middel van desk research, informatie-
inwinning per telefoon en e-mail en mondelinge interviews met vertegenwoordigers van de
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (dr. D. Broeders), het Sociaal en Cultureel
Planbureau (prof. dr. J. de Haan en dr. N. Sonck) en het Stimuleringsfonds voor de Pers (dhr. R.
van Zanten en drs. A.R. van Dijk) is informatie vergaard die is geanalyseerd en gecomprimeerd
tot de onderhavige rapportage.
In hoofdstuk 2 passeren economische, technologische, juridische en sociaal-culturele
aspecten van het media-, informatie- en communicatieveld de revue. Vervolgens komen in
hoofdstuk 3 de belangrijkste trends in aanbod, distributie, bereik en gebruik van gedrukte,
audiovisuele en digitale media cijfermatig in beeld. In hoofdstuk 4 wordt op essayistische
wijze gepoogd de eerdere bevindingen te vertalen naar een beleidsagenda, die (op verzoek
van het ministerie) aansluit op het denkkader dat de Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid in 2005 in zijn rapport Focus op Functies aanbood en dat in de jaren sindsdien
voor het landelijke mediabeleid van belang is geweest.3
2
  Boston Consulting Group (2013), Onderzoek naar mogelijkheden tot verhogen inkomsten van de Landelijke
Publieke Omroep; bijlage bij Kamerstuk 32 827 nr 57 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-253734.pdf).
3
  Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2005). Focus op functies. Uitdagingen voor een
toekomstbestendig mediabeleid. Den Haag: WRR/Amsterdam: Amsterdam University Press
(http://www.wrr.nl/publicaties/publicatie/article/focus-op-functies-uitdagingen-voor-een-toekomstbestendig-
mediabeleid-1/, geraadpleegd 10 oktober 2013).
                                                       -4-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>2. Overzicht van economische, technologische en juridische ontwikkelingen
2.1 Economische ontwikkelingen
2.1.1 Eigendomsconcentratie en crossmedialisering
De grootste bedreiging voor de pluriformiteit van de pers gaat uit van persconcentratie – dat
is althans van oudsher de aanname geweest in onderzoek en beleid. Wanneer meerdere
mediakanalen in één hand komen, is er het gevaar van een teruggang in de verscheidenheid
aan opinies waaruit burgers kunnen kiezen. Dat dit gevaar niet denkbeeldig is, heeft de
situatie in Italië laten zien. De grootste mediaondernemer werd premier en bracht delen van
de staatsomroep RAI min of meer onder regeringscontrole, waarmee hij een groot deel van
het medialandschap zijn wil kon opleggen.
Onderzoek heeft aan het licht gebracht dat het evenwel geen automatisme is dat
aanbiedersconcentratie ook tot redactionele concentratie leidt. Zo heeft het in één hand
verkeren van krantentitels geleid tot het kunnen overleven van Trouw en het Parool in een tijd
dat deze kranten het moeilijk hadden. Doordat de Volkskrant toentertijd wel rendeerde,
konden de verdiensten daaruit worden aangewend om de verlieslijdende titels weer rendabel
te maken. Ook heeft het eigendom van Volkskrant en NRC Handelsblad bij PCM niet geleid tot
samenvoeging van die titels, hoe bedrijfsmatig onhandig het ook was voor de eigenaar én de
betreffende titels.
Zelfs wanneer aanbiedersconcentratie wel tot samenvoeging van redacties leidt, is het nog
niet zeker dat daarmee de pluriformiteit terugloopt. In een cultureel klimaat waarin
persorganen, nieuwsbulletins op televisie en nieuwssites op het web niet (zoals in verzuilde
tijden) sterk één ideologische stroming vertegenwoordigen, kan interne pluriformiteit worden
georganiseerd. Bijvoorbeeld door afwisselend conservatieve en progressieve columnisten aan
het woord te laten, evenals ‘rechtse’ en ‘linkse’ economen. In wezen is de ontwikkeling in de
organisatie van de publieke omroep te kenschetsen als een overgang van externe naar
interne pluriformiteit.
Van publieksconcentratie is sprake wanneer redactionele concentratie tot gevolg heeft dat
mediapublieken intern homogener en extern heterogener worden. Op grond van
sociodemografische kenmerken is het dan beter te voorspellen welke krant iemand leest of
welk nieuwsbulletin hij/zij kijkt. Een voorbeeld: nadat het Algemeen Dagblad werd
samengevoegd met acht regionale dagbladen, kregen de publieken van die negen
persorganen te maken met dezelfde ‘kopkrant’. Voor wat betreft het lezen van die kopkrant
werden de voorheen gescheiden publieken samengevoegd tot één publiek.
                                                  -5-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Grote delen van het publiek betrekken hun nieuws, informatie en meningsvorming uit maar
enkele bronnen, wat de Meinungsvielfalt (verscheidenheid aan opinies) ondergraaft. Het
meest in het oog springt momenteel een publieksconcentratie die niet door aanbieders- of
redactionele concentratie is afgedwongen: die bij het gebruik van internetzoekmachines. In
Nederland en veel andere westerse (en niet-westerse) landen gaat het overgrote deel van de
zoekvragen via het Amerikaanse Google. Er zijn (of waren) wel degelijk alternatieve
zoekmachines (Yahoo!, Bing, DuckDuckGo en het open source CommonCrawl) maar toch kiest
de meerderheid de kwaliteit en snelheid van het Google-algoritme. Dit heeft tot gevolg dat
Google over het kapitaal beschikt om zijn vleugels uit te slaan naar andere delen van het web.
Hetzij door zelf diensten te introduceren, hetzij door ze over te nemen (Gmail, overname
YouTube, Docs, Google+). Inmiddels gaat ongeveer een kwart van het wereldwijde
internetverkeer via servers van Google.
De genoemde vormen van concentratie beperken zich al enige tijd niet meer tot een enkele
mediabedrijfskolom. Was er in vroegere jaren sprake van mediaconcentratie, dan betrof het
vrijwel altijd concentratie binnen de pers (fusies en overnames van dagbladen) óf binnen de
omroepwereld. Dat de werelden van pers, omroep en digitale platforms integreren, wordt
daarom aangeduid met crossmedialisering. Daarmee wordt overigens niet alleen eigendom,
maar ook het uitdragen van content via alle beschikbare platforms bedoeld.4 Mediabedrijven,
groot geworden binnen één bedrijfstak, slaan hun vleugels uit naar alle contentplatforms om
zo allround mediabedrijven te worden. Een duidelijk voorbeeld in de Nederlandse situatie is
de Telegraaf Media Groep: groot geworden met het dagblad en tijdschriften als Privé, maar
inmiddels met belangen in omroep (SBS) en het web (Ilse, NU.nl, Hyves). Een ander voorbeeld
is BNR, begonnen als nieuwsradiozender maar inmiddels crossmediaal werkend onder meer
door de overname van het bedrijf door het Financieele Dagblad in 2003. Het Finse Sanoma
kocht in 2001 de tijdschriften van VNU uitgevers over en ontwikkelde zich sindsdien tot speler
op de mediamarkt met belangen in omroep en op het web, o.a. door de grootste nieuwssite
NU.nl over te nemen.
Figuur 2.1 horizontale (rood), verticale (blauw) en diagonale (geel) mediaconcentratie
                         pers                   radio                 televisie               web
Creatie
Productie
‘Packaging’
Distributie
Gebruik
2.1.2 Genrevermenging/hybridisering
In de loop der jaren zijn scheidslijnen tussen contentgenres (informatie, opinie, amusement,
sport) gaan vervagen. Termen als infotainment, reality soap en culturele talkshow getuigen
4
  In deze betekenis is crossmedialisering niet te verwarren met multimedialisering. Met die term wordt het
combineren van tekst, stilstaand/bewegend beeld en geluid in het produceren van content voor het web
bedoeld.
                                                         -6-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>daarvan. Vanuit een cultuurkritisch, ‘elitair’ perspectief luidt de verdenking en kritiek dat deze
trend erop duidt dat ‘moeilijke’ genres ‘makkelijker’ worden gemaakt om een groter publiek
te kunnen trekken. De kritiek gaat in twee richtingen. Enerzijds mengt men elitaire met
populaire genres om een groter aantal kijkers te trekken. Daarmee gepaard gaand, maar wel
daarvan te onderscheiden, zouden ook de kwaliteitsstandaarden worden verlaagd (het
zogenaamde ‘dumbing down’).5
De cultuurkritiek moet overigens niet te gemakkelijk voor ‘de werkelijkheid’ worden
gehouden. Het is zeer de vraag of hiervan echt sprake is, of dat er veeleer sprake is van
golfbeweging. Zo stonden veel van de eerste kranten in de 17e en 18e eeuw bol van het
sensatienieuws, vergelijkbaar met de 112-sites van nu.6
Desalniettemin zijn er wel indicaties dat ook in Nederland televisienieuws en politieke
verslaggeving gepopulariseerd zijn geraakt. Zo is in de periode 1995-2001 het televisienieuws
inderdaad wat sensationeler geworden, maar niet op alle onderliggende dimensies. De
gedachte dat de toegenomen concurrentie tussen de nieuwsprogramma’s (NOS Journaal,
RTL4 Nieuws en SBS Het Nieuws) tot deze sensationalisering heeft geleid, wordt door de
onderzoekers gerelativeerd.7 Een studie naar politieke verslaggeving door Nederlandse
nieuwsprogramma’s en dagbladen in de periode 1998-2010 laat zien dat de politiek in die
periode juist minder sterk gericht was op personen, strijd en negativiteit.8 Al met al lijkt er
eerder sprake van golfbewegingen dan een duidelijke trend in de ene of andere richting.
2.1.3	
  Op	
  zoek	
  naar	
  nieuwe	
  businessmodellen	
  	
  
Nu het internet langzaam maar zeker de ruggengraat van de mediadistributie aan het worden
is, wordt meer en meer duidelijk dat ook de manier om met media geld te verdienen aan het
verschuiven is. Het verkopen van content die niet langer vastgeklonken is aan een drager –
papier, vinyl, cd, dvd – lukt wel, maar tegelijkertijd is er de reële dreiging van piraterij. Nu is
piraterij niets nieuws. Het bestaat al zeker sinds Gutenberg en waarschijnlijk al langer.9 Tien
jaar geleden, met de opkomst van peer-to-peer-uitwisselingsnetwerken, kreeg de piraterij wel
een nieuwe dimensie. De muziekbusiness en ook de dvd-verkoop zagen hun
businessmodellen voor een belangrijk deel instorten doordat mensen onderling bestanden
gingen uitwisselen.
5
  Zie Herbert J. Gans (1999), Popular Culture and High Culture: An Analysis and Evaluation of Taste. New York: Basic
Books.
6
  Zoals http://www.at5.nl/eeneentwee.
7
  Paul Hendriks Vettehen, Koos Nuijten & Johannes Beentjes (2005). News in an Age of Competition: The Case of
Sensationalism in Dutch Television News, 1995-2001. Journal of Broadcasting & Electronic Media, 49 (3), 282-295.
8
  Janet Takens, Wouter van Atteveldt, Anita van Hoof & Jan Kleijnnijenhuis (2013), Media Logic in Election
Campaign Coverage, European Journal of Communication, 28 (3), 277-293; Rens Vliegenthart, Hajo G.
Boomgaarden & Jelle W. Boumans (2011), Changes in Political News Coverage: Personalization, Conflict and
Negativity in British and Dutch Newspapers, in Kees Brants & Katrin Voltmer (red.), Political Communication in
Postmodern Democracy: Challenging the Primacy of Politics (pp. 92-110), Basingstoke: Palgrave MacMillan.
9
  Adrian Johns (2009), Piracy: The Intellectual Property Wars from Gutenberg to Gates. Chicago/London: University of
Chicago Press.
                                                                  -7-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Om die piraterij tegen te gaan, zijn zowel juridische als technologische belemmeringen
opgeworpen. Op juridisch vlak zijn er in binnen- en buitenland diverse wetten en regelingen
bediscussieerd en al dan niet ingevoerd. Variërend van een verplichte thuiskopieheffing op
beschrijfbare cd’s en dvd’s tot de Franse HADOPI-wet volgens welke downloaders van het
internet konden worden afgesloten zo gauw ze voor de derde keer werden betrapt.
Technologische belemmeringen variëren van de inmiddels verouderde copy-control-
programmatuur, die verhinderde dat cd’s op een computer konden worden gekopieerd, tot
varianten van Digital Rights Management (DRM) die een limiet stellen aan de IP-adressen
waarop, het aantal apparaten waarmee en soms ook de periode waarin content kan worden
gebruikt.
Waar deze juridische en technische oplossingen grotendeels proberen de ‘fysieke orde’ in het
digitale tijdperk in stand te houden, zijn er nieuwe modellen ontstaan die aansluiten bij de
realiteit van het internet. Leidend is het model waarin webgebruikers gratis van een dienst
gebruik kunnen maken. ‘Gratis’ is daarbij relatief: in ruil voor het gebruiken van de dienst
worden gegevens van gebruikers geregistreerd, zoals naam, mailadres en IP-adres(sen).
Afhankelijk van de gebruiksvoorwaarden kunnen die gegevens met andere bedrijven worden
geruild en soms ook verhandeld, wat vervolgens meer spam in de mailbox tot gevolg heeft.
Een tweede model is dat waarbij de gebruikers advertenties te zien krijgen. Deze zijn al dan
niet op de interesses van de individuele gebruiker afgestemd, op basis van zoekwoorden
waarmee deze persoon zoekt. In het geval van Googles Gmail sluiten de advertenties aan op
de woorden in de tekst van e-mails. Een derde variant is die waarbij de gebruiker tegen een
maandelijks bedrag meer gebruiksmogelijkheden krijgt en de advertenties achterwege
blijven. Dit wordt het freemium-model genoemd, een samentrekking van free en premium. De
muziekstreamingdienst Spotify is hiervan een voorbeeld.
‘Puur gratis’ diensten zijn er overigens ook. Met name in de startfase van een webdienst is het
van belang in korte tijd veel gebruikers te krijgen. Wanneer die er eenmaal zijn, kan aan geld
verdienen worden gedacht door bijvoorbeeld advertenties te gaan tonen of gebruikers alsnog
tot registratie te dwingen wanneer zij de dienst willen blijven gebruiken. In reactie op de
recente onthullingen over de spionageprogramma’s van de geheime diensten van een aantal
landen, zijn er vanuit de open software-beweging nieuwe zoekmachines (DuckDuckGo,
Blippex), webbrowsers (Epic) en nog andere gratis toepassingen ontstaan die garanderen dat
de privacy van de gebruiker niet of zo min mogelijk zal worden aangetast. In de wereld van
het wetenschappelijk publiceren is open toegankelijkheid van artikelen en data aan een
opmars bezig. ‘Open’ staat daarbij niet alleen voor gratis, maar in veel gevallen ook voor het
gedeeltelijk vrijgeven in juridische zin (in uitzondering op het auteursrecht) van het materiaal
voor herpublicatie en -gebruik.
In bedrijfseconomische termen betekent dit dat uitgaande van het ‘gratis’-model eerst flink
moet worden geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen als servers en in de ontwikkeling van diensten
voor er inkomsten gegenereerd kunnen worden. Er moet namelijk eerst een voldoende grote
schare gebruikers ontstaan; lukt het niet deze kritieke massa aan de dienst te binden, dan is
wegkwijnen eerder regel dan uitzondering. Sociale media als Facebook en Twitter hebben
aanzienlijke aanloopverliezen geleden en Twitter doet dat nog steeds, net als muziekdienst
                                                 -8-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Spotify. Vroeg of laat ontstaat er druk van investeerders dat zij rendement willen zien. Dan is
het genereren van inkomsten uit advertenties of freemium-abonnementen niet meer ver
weg.10
2.2 Technologische ontwikkelingen
2.2.1 Integratie infrastructuren voor informatie en communicatie
Het samensmelten van contentdistributie-infrastructuren is al geruime tijd aan de gang. In de
afgelopen jaren is deze wel in een stroomversnelling gekomen. Analoge infrastructuur voor
televisie en telefonie wordt in hoog tempo vervangen door digitale. Bij televisie wordt
interactiviteit mogelijk. Kijkers kunnen de uitzending pauzeren die in real time plaatsvindt, ze
kunnen soms kiezen uit verschillende camerastandpunten (bijvoorbeeld de verschillende
motards tijdens de Tour de France) en meespelen met tv-quizzes. Doordat er in Europees
beleid een duidelijke scheiding is gemaakt tussen eigendom/beheer van distributie-
infrastructuur en de over die infrastructuur stromende content, is het mogelijk dat
dienstverleners zogenaamde ‘over the top’ (OTT)-diensten aanbieden. OTT-diensten, zoals in
Nederland sinds kort het Amerikaanse Netflix met zijn video-on-demand-dienst, zijn zelf niet
in het bezit van de infrastructuur maar kunnen die wel vrij gebruiken, en daarmee de digitale
tv-diensten van de netwerkbeheerders zelf beconcurreren. Beeldtelefonie, waarvan in de
jaren tachtig van de vorige eeuw al sprake was, is binnen bereik gekomen en zelfs gratis
(d.w.z. zonder meerkosten bovenop de internetaansluiting) te gebruiken. ‘Skypen’ heeft het
zelfs tot werkwoord geschopt. Ook gratis en populair zijn uitzending-gemist-platforms van de
publieke en commerciële zenders. De integratie met sociale media als Facebook en Twitter
heeft bovendien persoonlijke attendering op uitzendingen binnen bereik gebracht.
In 1982 stelden Bordewijk en Van Kaam een typologie op van informatieverkeerspatronen, die
ze later (1986) iets aanpasten.11 Deze typologie is nog altijd van nut bij het analyseren van wat
er op technologisch gebied verandert in de maatschappelijke informatievoorziening en hoe
dit verband houdt met sociale processen. Twee dimensies zijn hierbij leidend:
      1. Wie controleert thema, tijdstip en tempo van de informatieoverdracht?
      2. Wie levert de informatie (content)?
Antwoorden op de twee vragen zijn: (a) een centrale instantie, zoals een omroep, redactie of
zender, en (b) een individu.
10
   In zijn boek Free (2009) geeft Chris Anderson een overzicht van verschillende marktmodellen gebaseerd op
‘gratis’. Hij onderscheidt vier basismodellen en daarbinnen ettelijke varianten. Het boek is in Nederlandse
vertaling gratis te downloaden: http://lifehacking.nl/wp-content/uploads/Free.pdf.
11
   Jan L. Bordewijk & Ben van Kaam (1986), Towards a New Classification of Tele-Information Services. Intermedia,
34 (1), 16-21 januari 1986.
                                                        -9-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Figuur 2.2 Typologie van informatieverkeerspatronen
                               Informatievoorziening      Informatievoorziening
                               door centrum               door individu
Controle op inhoud
(thema, tijdstip, tempo)
door centrum                           Allocutie                  Registratie
Controle op inhoud
(thema, tijdstip, tempo)
                                      Consultatie                Conversatie
door individu
Bron: Bordewijk & Van Kaam (1986)
Allocutie is een andere naam voor de ‘traditionele’ massacommunicatie, waarbij ontvangers
geen zeggenschap hebben over wat er wordt uitgezonden op radio en televisie en op welk
moment zij dit tot zich kunnen nemen. Ook gedrukte media als kranten en tijdschriften zijn
hierbij inbegrepen. Al was er altijd meer vrijheid voor wat betreft thema, tijdstip en tempo bij
de ontvangers dan bij omroepmedia, ook hier bepaalde de redactie waarover werd
geschreven en lag ook het tijdstip van verspreiding vast.
In het digitale tijdperk zien we de drie andere verkeerspatronen aan prominentie winnen.
Voor gratis webdiensten en sociale media wordt door gebruikers betaald met registratie van
hun persoonlijke gegevens. De hierbij tot stand komende big data vertegenwoordigt market
intelligence en dus economische waarde. Ook e-commerce vindt plaats door middel van
registratie. Na een betalingsauthenticatie komt de transactie tot stand.
Consultatie was met de mediatechnologie van het grootste deel van de 20e eeuw niet
mogelijk. Door de opkomst van het web is de prominentie van dit patroon, het op afroep tot
zich nemen van content, enorm gegroeid. Een YouTube-filmpje aanklikken is het simpelste
voorbeeld, maar in feite is elk bezoek aan een website een consultatie. De nog recentere
opkomst van sociale media heeft conversatie een nieuwe vorm gegeven. Waar het oudere
telefoon- en sms-verkeer typisch een-op-een was, geven Facebook, Twitter en
berichtendiensten als WhatsApp groepen (ook onder elkaar [voorheen] onbekenden) een
conversatieplatform.
De meeste toepassingen zijn thans een mengvorm van deze patronen. Het lezen van een
(digitale) krant is te zien als een combinatie van allocutie en consultatie, evenals video-on-
demand-toepassingen. Nog duidelijker is het in de sociale media. Afhankelijk van het aantal
volgers in verhouding tot het aantal personen dat iemand volgt, krijgt bijvoorbeeld Twitter
meer het karakter van een conversatie- dan wel een allocutieplatform. Hoe meer volgers je
hebt, hoe meer tijd het kost om op alle conversatieverzoeken in te gaan. Tot het moment
komt dat het praktisch onmogelijk is geworden, zoals bij artiesten als Justin Bieber en Lady
Gaga met een fanschare van in de miljoenen (op Twitter resp. 45 en 40 miljoen volgers).
                                                 - 10 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>De bijna universele adoptie van internet heeft de verschuiving van allocutie naar met name
consultatie en conversatie gefaciliteerd. Daarmee zijn vraagstukken rond auteursrecht
(copyright) en privacy in korte tijd nijpend geworden. Via peer-to-peer-uitwisselingsplatforms
zijn vraag en aanbod op de ruilmarkt voor content dichterbij elkaar gekomen en
transactiekosten verlaagd (er hoeven geen cd’s meer gebrand en naar elkaar toe gebracht te
worden). En koppeling van gebruik(er)sregistraties brengt profilering van individuele
gebruikers dichterbij dan menigeen denkt.
Voor de Publieke Omroep bood de uitbreiding van radio en televisie naar internet nieuwe
mogelijkheden om content te verspreiden, onder andere via uitzending gemist, met
livestreams van programma’s (sinds kort beschikbaar voor alle zenders) en met digitale
themakanalen (o.a. nieuws, politiek, cultuur). Tegelijkertijd staken de problematieken rond
copyright (vergoeding voor de makers) en privacybescherming (registratie van
gebruikersgegevens) de kop op.
2.2.2 Capaciteitstoename
Informatieverkeer is niet alleen verschoven door de nieuwe technische mogelijkheden zelf,
maar ook door de spectaculaire toename van capaciteit in de verwerking (processeren), opslag
en distributie van gegevens.
Meest in het oog springend in de afgelopen jaren was de opkomst van meest gratis
cloudopslagdiensten. Door opslag van individuele bestandsbibliotheken op servers van
bedrijven kunnen personen hun bestanden gebruiken op diverse apparaten – als er een wifi-
of mobiele dataverbinding beschikbaar is – en zijn ze altijd ‘bij de hand’ , ook al is de eigen
laptop of smartphone buiten bereik. Vooral voor muziek, films, foto’s, e-books en actuele
officebestanden bleek er een grote latente behoefte hieraan te bestaan.
Talloze aanbieders zijn de afgelopen jaren overgegaan op het aanbieden, ook gratis, van
cloudopslagcapaciteit. Bekende aanbieders zijn Dropbox, Amazon (Cloud Drive), Megaupload
en natuurlijk Google (Drive), Microsoft (SkyDrive) en Apple (iCloud), maar een zoekopdracht
met Google leert dat er nog vele meer zijn. Er gaan diverse unique selling propositions (USP’s)
achter schuil, zoals grotere capaciteit en strengere beveiliging met cryptografie. Cloudservices
beperken zich overigens niet tot opslag van data. Ook software, virtuele computers (virtual
machines), rekencapaciteit en andere diensten kunnen worden gehost op centrale servers en
via inlog door eindgebruikers worden opgeroepen. De totale wereldmarkt voor clouddiensten
werd begin 2013 geschat op 131 miljard US-dollar. Daarvan zou bijna de helft worden besteed
aan cloud advertising: het just-in-time plaatsen van advertenties bij zoekopdrachten op
Google, bij afroep van video’s op Youtube en dergelijke.12
Even belangrijk als de opslagcapaciteit was die van de transmissie. De uitrol van glasvezel tot
aan de voordeur (fibre to the home, FTTH) is in Nederland minder snel gegaan dan mogelijk
was. Eind 2012 was slechts 5 procent van de huishoudens een aansluiting. Daarmee nam
12
   ‘Gartner Says Worldwide Public Cloud Services Market to Total $131 Billion;
http://www.gartner.com/newsroom/id/2352816, geraadpleegd 10 oktober 2013.
                                                     - 11 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Nederland een 16e plaats in Europa in, achter landen uit noord-, oost- en midden-Europa.13
Belangrijkste reden voor de langzame ‘verglazing’ was de hier reeds aanwezige en dichte
bekabeling met coax-kabel. Met nieuwe compressietechnieken bleken down- en
uploadsnelheden te kunnen worden bereikt die die van glasvezel benaderden. Hierdoor viel
de business case voor investeringen in glasvezel goeddeels weg.
Van recente datum is de introductie van de vierde generatie mobiele datatransmissie (4G). In
de Randstad is deze bandbreedte nu beschikbaar en de drie infra-aanbieders KPN, Vodafone
en T-Mobile (binnenkort aangevuld met Tele2) zijn druk doende 4G ook buiten de Randstad
uit te rollen. Vooralsnog maakt een klein deel van de smartphonebezitters er gebruik van. Op
de veel intensiever gebruikte 3G-netwerken doet het grote aantal gebruikers zich gevoelen.
Op plekken waar veel gebruikers bij elkaar zijn (NS-stations, voetbalstadions, festivals) is de
transmissiesnelheid aanzienlijk lager dan op dunner bevolkte plekken.
Beschikbaarheid van wifi is in het afgelopen decennium in veel huishoudens gewoon
geworden. Overal in huis kan op laptops, smartphones en tablets gesurft, gekeken, geluisterd
en gelezen worden. De verwachting dat dit zou leiden tot een toename van uitgesteld kijken
en bijgevolg het dalen van de lineaire kijktijd is vooralsnog niet bewaarheid. Een kracht in de
tegenovergestelde richting is het gevoel van verbondenheid dat ontstaat bij het
becommentariëren van veelbekeken programma’s als Boer Zoekt Vrouw (#bzv), The Voice of
Holland (#tvoh), Pauw en Witteman (#penw) en Zomergasten (#zg13) op de sociale media.
Sommige programma’s en ook de reclameblokken spelen op deze trend in met het aanbieden
van een tweede scherm waar kijkers hun kijkervaring kunnen verbreden en verdiepen, onder
meer door te reageren op stellingen die de presentatoren voorleggen.
Met de gegroeide distributiecapaciteit heeft streaming de afgelopen periode aan belang
gewonnen. Niet langer hoeven eindgebruikers een bestand eerst in zijn geheel te
downloaden voordat het bekeken en/of beluisterd kan worden. Content streamen kon al
geruime tijd, maar nu veel gebruikers over breedband beschikken, behoort het horten-en-
stoten van geluid en beeld tot het verleden. Dit maakt streaming in de kijk- en luisterbeleving
gelijkwaardig aan downloaden en afspelen. Niet voor niets heeft de Amerikaanse
videostreamingdienst Netflix onlangs de Nederlandse markt betreden en is
muziekstreamplatform Spotify een samenwerking aangegaan met breedbandaanbieder KPN.
Steeds meer huishoudens beschikken over de combinatie van breedbandinternet en wifi.
Gecombineerd met beschikbaarheid van desktops, laptops, tablets en smartphones betekent
dit dat in het gehele huis van tekstuele en audiovisuele content van het internet gebruik kan
worden gemaakt. Of dat ook zo vaak gebeurt, is de vraag. Cijfers van het continu
kijkonderzoek (zie het volgende hoofdstuk) lijken erop te duiden dat nog altijd maar een
gering percentage van de totale kijktijd van de Nederlander uitgaat naar het uitgesteld kijken.
Van het live kijken in gezelschap van huisgenoten en – via de sociale media en
13
   ‘Winners and losers emerge in Europe’s race to a fibre future’; press release Fibre to the Home Council Europe,
20 februari 2013 (http://www.ftthcouncil.eu/documents/PressReleases/2013/PR2013_EU_Ranking_FINAL.pdf,
geraadpleegd 10 oktober 2013).
                                                        - 12 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>berichtendiensten als WhatsApp – met vrienden op afstand gaat kennelijk nog altijd veel
aantrekkingskracht uit.
2.3 Juridische ontwikkelingen
In het korte bestek van deze studie is het ondoenlijk op alle subtiliteiten van de juridische
complexiteit rond media, informatie en communicatie in te gaan. De bespreking van het recht
blijft daarom beperkt tot de meest recente (sinds 2005) wet- en regelgeving in Europa,
aangezien die grotendeels bepalend is voor Nederland. Kern van die wijzigingen is dat het op
grond van de technologische convergentie noodzakelijk is gebleken de wettelijke kaders van
het informatierecht, het mediarecht en het telecommunicatierecht dichter bij elkaar te
brengen. Uiteindelijk zal het onontkoombaar zijn tot één alomvattend kader te komen, maar
zover is het nog niet.
  Mediawet, Artikel 2.1
                1. Er is een publieke mediaopdracht die bestaat uit:
                         a. het op landelijk, regionaal en lokaal niveau verzorgen van publieke mediadiensten
                         door het aanbieden van media-aanbod op het terrein van informatie, cultuur, educatie
                         en verstrooiing, via alle beschikbare aanbodkanalen; en
                         b. het verzorgen van publieke mediadiensten waarvan het media-aanbod bestemd is
                         voor Nederlanders die buiten de landsgrenzen verblijven.
                2. Publieke mediadiensten voldoen aan democratische, sociale en culturele behoeften van de
                Nederlandse samenleving door het aanbieden van media-aanbod dat:
                         a. evenwichtig, pluriform, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand is en zich tevens
                         kenmerkt door een grote verscheidenheid naar vorm en inhoud;
                         b. op evenwichtige wijze een beeld van de samenleving geeft en de pluriformiteit van
                         onder de bevolking levende overtuigingen, opvattingen en interesses op
                         maatschappelijk, cultureel en levensbeschouwelijk gebied weerspiegelt;
                         c. gericht is op en een relevant bereik heeft onder zowel een breed en algemeen
                         publiek, als bevolkings- en leeftijdgroepen van verschillende omvang en samenstelling
                         met in het bijzonder aandacht voor kleine doelgroepen;
                         d. onafhankelijk is van commerciële invloeden en, behoudens het bepaalde bij of
                         krachtens de wet, van overheidsinvloeden;
                         e. voldoet aan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen; en
                         f. voor iedereen toegankelijk is.
                3. Het programma-aanbod van de algemene programmakanalen van de landelijke, regionale en
                lokale publieke mediadiensten wordt via omroepzenders verspreid naar alle huishoudens in het
                verzorgingsgebied waarvoor de programma’s zijn bestemd zonder dat zij voor de ontvangst
                andere kosten moeten betalen dan de kosten van aanschaf en gebruik van technische
                voorzieningen die de ontvangst mogelijk maken.
                4. In het kader van de uitvoering van de publieke mediaopdracht volgen en stimuleren de NPO
                en de publieke media-instellingen technologische ontwikkelingen en benutten de mogelijkheden
                om media-aanbod aan het publiek aan te bieden via nieuwe media- en verspreidingstechnieken.
  Bron: http://wetten.overheid.nl/BWBR0025028/Hoofdstuk2/Titel21/Artikel21/geldigheidsdatum_10-10-2013
2.3.1	
  De	
  Mediawet	
  2008	
  (‘Multimediawet’)	
  
De belangrijkste wijzigingen in de Mediawet 2008 ten opzichte van de oorspronkelijke wet uit
1987 betroffen twee onderdelen:
1. de multimediawet: het onderscheid tussen hoofdtaken (het verzorgen van radio- en
televisieuitzendingen) en neventaken (op internet) werd weggenomen, om de publieke
omroep zo de mogelijkheid te verschaffen ook in het digitale domein zijn vleugels uit te slaan.
                                                               - 13 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Radio, televisie en internet werden als drie gelijkwaardige platforms erkend voor de publieke
mediafunctie, die in artikel 2.1 van de wet werd opgenomen (zie kader).
2. de erkenningswet: voor de concessieperiode 2010-2015 werden eisen gesteld aan de
erkenning van omroepverenigingen. Het ledental van omroepen resulteerde niet langer in
een A- en B-status. De zendtijd werd vastgesteld volgens een glijdende schaal naar gelang het
aantal leden (inclusief de abonnees op de programmabladen van de betreffende omroepen).
2.3.2 De Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten 2007 en het Green Paper 2013
De Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten (2007/65/EG)14 kan worden gezien als een poging
televisieomroep en telecommunicatie qua regelgeving dichter bij elkaar te brengen, nu deze
werelden technisch en economisch aan het versmelten zijn. De richtlijn maakt onderscheid
tussen lineaire diensten en non-lineaire diensten. Lineaire diensten zijn de traditionele
audiovisuele diensten die worden afgenomen op het tijdstip van verspreiding (‘allocutie’ in
het boven behandelde schema van Bordewijk en Van Kaam). Onder non-lineaire diensten
worden juist de diensten op afroep verstaan (video-on-demand), waarbij de kijker bepaalt wat,
wanneer en in welk tempo hij kijkt (de ‘consultatie’ in datzelfde schema). Eén van de meest in
het oog springende regels was dat per uur maximaal 12 minuten zendtijd aan de uitzending
van commerciële boodschappen mocht worden besteed.
Sindsdien heeft de Commissie dit speelveld in de gaten gehouden en diverse communicaties
uitgebracht. De laatste daarvan, het Green paper ‘Preparing for a Fully Converged Audiovisual
World: Growth, Creation and Values’ (COM(2013) 231 final)15 is voor nu het meest relevant.
Doel van deze paper is het aanzwengelen van een brede publieke discussie over de
voortgaande verandering van het audiovisuele landschap. Vooral de sterk groeiende
prominentie van ‘over-the-top’-diensten was aanleiding voor deze discussie. Onder ‘over-the-
top’-diensten worden aanbieders van audiovisuele content verstaan die zelf niet het beheer
hebben over de infrastructuur waarlangs zij hun content aan de eindgebruiker leveren. Netflix
is een voorbeeld van zo’n over-the-top-aanbieder, terwijl UPC en Ziggo via hun eigen netwerk
een video-on-demand-dienst kunnen aanbieden.
Het resultaat van de veranderingen in het audiovisuele landschap zou wel eens kunnen zijn
dat in de waarneming van de kijker de lineaire en de non-lineaire diensten van de Richtlijn uit
2007 samenvloeien. Mocht dat het geval zijn, en er in feite sprake zijn van één audiovisuele
markt, dan zou het onderscheid tussen lineaire en non-lineaire diensten in de regulering niet
langer wenselijk zijn. Met het paper wil de Commissie verkennen in hoeverre het onderscheid
nu nog geldig is en in hoeverre het dat op termijn nog zal zijn.
In de Green Paper wordt ook onderstreept dat de regulering van de AV-diensten in de Unie is
gebaseerd op kernwaarden. Genoemd worden: vrijheid van expressie, mediapluralisme,
versterken van de culturele diversiteit, bescherming van persoonlijke gegevens en
14
   http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/site/nl/oj/2007/l_332/l_33220071218nl00270045.pdf, geraadpleegd 10
oktober 2013.
15
   http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2013:0231:FIN:EN:PDF, geraadpleegd 10 oktober
2013.
                                                       - 14 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>bescherming van consumenten in het algemeen, in het bijzonder minderjarigen en
gehandicapten.
2.3.3	
  Dataprotectierichtlijn	
  
In de Europese Unie wordt gewerkt aan een nieuwe Dataprotectierichtlijn ter vervanging van
de bestaande uit 1995. In een communiqué uit januari 2012 (COM(2012) 9 final)16 wordt
toegelicht wat de nieuwe Richtlijn zal gaan toevoegen en veranderen aan de bestaande.
Belangrijkste vernieuwing is dat EU-burgers meer zeggenschap krijgen over hun persoonlijke
gegevens zoals die her en der, bijvoorbeeld in het kader van gratis diensten (zie boven),
worden geregistreerd. Ze krijgen ‘het recht om vergeten te worden’, oftewel ze kunnen zelf
bepalen welke gegevens van hen wel en welke niet (langer) geregistreerd mogen zijn. Ook
zullen dienstverleners expliciet om toestemming moeten vragen bij het registreren van
gegevens. Door aldus een hoger niveau van vertrouwen bij burgers te bereiken, wil men met
de Richtlijn ook economische groei bevorderen, nieuwe banen scheppen en innovatie
aanzwengelen.
Met de recente onthullingen over de monitoring van burgers door geheime diensten van
grote landen, onder welke enkele EU-lidstaten, is het zeer de vraag in hoeverre de hoop op
een hoger niveau van vertrouwen gerealiseerd zal worden.
2.3.4	
  Digitale	
  agenda	
  
Een apart domein in de EU vormt de Digitale Agenda, voortgestuwd door de Nederlandse
Eurocommissaris Kroes. Deze agenda wordt gedragen door zeven zuilen: (1) een digitale
enkele markt, (2) interoperabiliteit en standaarden, (3) vertrouwen en veiligheid, (4) snelle en
ultrasnelle internettoegang, (5) onderzoek en innovatie, (6) vergroten van digitale
geletterdheid, vaardigheden en insluiting, en (7) door ict mogelijk gemaakte voordelen voor
de EU-samenleving. Onder deze zeven zuilen vallen meer dan honderd actiepunten (132
volgens de laatste telling) die de Europese Commissie tot de hare heeft gemaakt. Per
actiepunt wordt toegelicht wat de Commissie al heeft bereikt en wat ze voor 2013 hoopt te
bereiken.17
16
   http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2012:0009:FIN:NL:PDF, geraadpleegd 10 oktober
2013.
17
   http://ec.europa.eu/digital-agenda/en/our-goals, geraadpleegd 10 oktober 2013.
                                                      - 15 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>3. Trends in cijfers
In woorden laten ontwikkelingen zich gedetailleerder beschrijven dan in cijfers. Toch kan een
trendrapportage niet om een cijfermatige weergave heen. Aan de hand van tellingen en
statistisch onderzoek kunnen veronderstellingen en verwachtingen worden getoetst. In het
publieke debat over de media en de publieke omroep in het bijzonder gebeurt het nog wel
eens dat veronderstellingen de toon aangeven, terwijl feiten in een andere richting wijzen.
Cijfers over ontwikkelingen in medialand zijn er te over. Het gevaar is dan ook dat je in de
overvloed aan details verstrikt raakt. In deze rapportage is gekozen voor een beperking tot de
hoofdlijnen. Uitsplitsingen naar hoofdtypen (zender, programmacategorie, dagblad) en
dergelijke komen uiteraard wel voor. Verdere verbijzondering blijft achterwege.
Daarnaast is de beschrijving van het veld minder economisch dan sociaal-cultureel getint.
Marktverhoudingen (eigendomsconcentratie, marktaandelen) komen nauwelijks aan de orde,
om meer ruimte te houden voor de verhouding tussen aanbod en vraag. Leidend bij het
selecteren van gegevens was de volgende trits factoren:
        - aanbod: uit welk aanbod kunnen mediagebruikers in principe kiezen?
        - uitrusting: in welke mate beschikken mensen over de toegangsvoorwaarden
        (abonnement, apparatuur) om van dat aanbod gebruik te maken?
        - bereik/gebruik: Welk deel van de bevolking wordt daadwerkelijk door de media
        bereikt, en wat is de intensiteit (frequentie, tijdbesteding) van het gebruik door
        degenen die bereikt worden?18
Zoals zal blijken is een volledige beschrijving niet voor elk mediumtype haalbaar gebleken
vanwege het ontbreken van (valide) gegevens of omdat (in het geval van ‘aanbod’) de
afgrenzing een probleem vormde. In voorkomende gevallen is getracht met benaderingen
(proxy-variabelen) toch iets te laten zien van de ontwikkeling in het betreffende veld.
Bij de indeling naar mediumtypen hanteren we opnieuw een driedeling:
        - gedrukte media: kranten en tijdschriften;
        - audiovisuele media: radio en televisie, beeld- en geluiddragers;
        - digitale media: websites en sociale media.
In de beschrijving beperken we ons tot de media die elke maand, week, dag of vaker met
nieuwe edities, programmering of afleveringen verschijnen (in het Duits mooi omschreven als
‘tagesaktuelle Medien’). Boeken en films blijven om die reden buiten beschouwing, aangezien
die als ‘eenmalig’ te karakteriseren zijn (gewijzigde herdrukken en sequels daargelaten).
18
   Zie voor een toelichting op deze factoren Karsten Renckstorf (1994), Mediagebruik als social handelen. Een
handelinsgtheoretisch referentiekader voor communicatiewetenschappelijk onderzoek. Nijmegen: Instituut voor
Toegepaste Sociale Wetenschappen (ITS).
                                                       - 16 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Door de convergentie van distributietechnologieën en in toenemende mate ook
mediacontent is het vanzelfsprekend niet meer zo eenvoudig om deze mediatypen van elkaar
te onderscheiden. Niettemin is nog altijd duidelijk uit welke sector de aanbieders van nu
komen. Gedrukte en audiovisuele media zijn, ook in hun huidige gedaante op het web, nog
altijd als pers- en omroepmedia te herkennen. Als zodanig zijn ze hier ook geclassificeerd.
3.1 Gedrukte media
3.1.1 Aanbod
Het aanbod aan dagbladen in Nederland is in de afgelopen decennia behoorlijk teruggelopen.
Primaire oorzaak daarvan is de teruglopende belangstelling voor het gedrukte nieuws
geweest. Als gevolg daarvan daalden de inkomsten op zowel de lezers- als de
advertentiemarkt. Bij een zekere ondergrens is een titel niet meer rendabel te exploiteren. In
zo’n situatie ligt het samenvoegen van titels binnen een uitgeversconcern, of de verkoop aan
een andere uitgever, voor de hand. In de periode 2000-nu daalde het aantal zelfstandige titels
vooral door de samenvoeging van acht regionale titels met het Algemeen Dagblad in 2005-
2006 (tabel 3.1).
 Tabel 3.1 Aanbod van algemene dagbladen (excl. FD en Cobouw) gericht op Nederlandse markt, 2000-2012
                                                               2000 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012
 algemene dagbladen met zelfstandige hoofdredactie                33     31      21     21     21     21     22 22 22
 dagbladuitgeverijen                                               8      9      10      9      9      8      9  9  9
 Bron: Bakker & Scholten (2011), Communicatiekaart van Nederland (zie noot 19); eigen aanvulling (2011-2012)
Voor de betaalde dagbladen was de komst van de gratis in het openbaar vervoer verspreide
kranten een additionele bedreiging. Vanaf 2002-2003 deden Sp!ts en Metro hun intrede in het
Nederlandse perslandschap en niet zonder succes, zoals een latere tabel (3.6) laat zien.
Het aanbod van tijdschriften gericht op de Nederlandse markt is veel lastiger vast te stellen.19
Er zijn heel veel periodieken en periodiekjes die als tijdschrift geteld kunnen worden, met
name op lokaal niveau (denk aan buurt-, wijk- en dorpskrantjes, parochieblaadjes,
ledenorganen van verenigingen etc.). Een afbakening geschiedt meestal op basis van
lidmaatschap van een vereniging, zoals het Nederlands Uitgeversverbond NUV. Hier is als
universum genomen de titels die zijn of waren aangesloten bij Het Oplage Instituut (HOI), dat
gecertificeerde oplagecijfers publiceert van dagbladen en tijdschriften (tabel 3.2). Bij de
interpretatie van de cijfers dient men te bedenken dat de aanvankelijke groei (periode 2000-
2005) waarschijnlijk een artefact is van het geleidelijk aansluiten van uitgevers met hun titels
bij Het Oplage Instituut (opgericht in 1998). De teruggang in recente jaren is wel als een
‘werkelijk’ verschijnsel aan te merken. Door teruglopende abonnemententallen en bijgevolg
het dalen van advertentieinkomsten zijn aardig wat titels van de markt gehaald. In totaal zijn
19
   Piet Bakker en Otto Scholten (red., 2011), Communicatiekaart van Nederland, overzicht van media en
communicatie (achtste druk). Alphen aan den Rijn: Kluwer (pp. 41-44).
                                                                - 17 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>in de periode 2000-2012 ruim elfhonderd titels in de HOI-database opgenomen geweest. Op
het hoogtepunt in 2008 waren zevenhonderd titels actief; in 2012 resteerden er netto nog
533.
 Tabel 3.2 Aantallen op de Nederlandse markt gerichte publiekstijdschriften en vakbladen, 2000-2012
                                                                                                                 titels
                                  2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012               totaal
 auto en motor                      11    12     12      12    14      15     15     16    16     15  14  12  12     20
 computer                            7     7       8      9    11       9      9      8     8      8   8   9   9     12
 culinair                            3     3       3      4      4      3      4      4     4      3   5   5   6       6
 dagbladmagazines                    1     1       2      6      6      6      7      6     5      5   4   4   4       8
 gezin                              11    11     11      12    14      16     20     18    18     18  16  15  15     21
 jongeren                           18    19     22      28    32      34     34     30    28     24  20  22  15     52
 management                         15    13     12      13    13      14     13     14    13     13  10   9   9     21
 mannen                              8    12     11      12    11      13     12      9     8      7   9   9   9     20
 mind en body                        2     2       3      3      4      4      4      5     7      7   7   6   7     10
 opinie                              4     4       5      5      7      7      7      7     6      6   7   6   6       8
 opvoeding                           6     6       6      7      7      9      9      9     8      9   9  12  12     14
 populair-wetenschappelijk           4     6       6      6      7      7      8      9    11     11   9   9   9     12
 reis en recreatie                   8     8     10      11    12      11     12     12    14     14  13  13  11     15
 radio en tv                        12    12     12      12    12      13     13     13    13     13  14  14  14     15
 special interest                   11    14     13      13    14      14     17     19    21     14  12  16  13     44
 sponsored magazines                 2     9     10      13    14      12     13     14    14     14  14  12  10     25
 sport                              17    17     18      18    19      20     19     18    16     16  17  15  13     30
 vrouwen                            28    26     29      32    34      39     39     40    40     33  33  32  34     59
 woon, tuin, doe-het-zelf           15    17     18      20    23      23     23     21    18     16  17  17  17     27
 totaal publieksbladen             183   199    211     236   258     269    278   272    268    246 238 237 225    419
 totaal vakbladen                  217   217    374     378   392     381    394   415    432    434 389 355 308    687
 titels totaal                     400   416    585     614   650     650    672   687    700    680 627 592 533 1.106
 Bron: Het Oplage Instituut (HOI, www.hoi-online.nl, geraadpleegd 16 september 2013)
3.1.2 Uitrusting
Hoeveel van de Nederlandse huishoudens beschikken over een betaald abonnement op een
dagblad? Doordat het aantal huishoudens groeide en de dagbladenmarkt kromp, is het
dekkingspercentage in de periode 2000-2012 flink teruggelopen. Op de 100 huishoudens
waren er in 2012 nog 42 die op een dagblad waren geabonneerd. Doordat dagbladen worden
doorgegeven van het ene aan het andere huishouden (familie, buren, vrienden) is het
feitelijke dekkingspercentage hoger, nl. 52 op de 100 huishoudens (tabel 3.3).
                                                                   - 18 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre> Tabel	
  3.3	
  Ontwikkeling	
  binnenlandse	
  oplage	
  betaalde	
  dagbladen	
  en	
  dekkingspercentages,	
  2000-­‐2012	
  (aantallen	
  en	
  %'s)	
  
                                                                                                                                                          index	
  	
      index	
  
 	
  	
                                                 2000	
   2005	
   2006	
   2007	
   2008	
   2009	
   2010	
   2011	
   2012	
   	
  	
   (2005)	
                 (2000)	
  
 gezamenlijke	
  oplage	
  (x	
  1.000)	
              4.323	
   3.810	
   3.659	
   3.615	
   3.533	
   3.501	
   3.376	
   3.327	
   3.192	
                      84	
       74	
  
                                                                                                                                                 	
  
 dekking	
  excl.	
  doorgifte	
  (%)	
                   65	
      55	
      54	
      52	
      50	
      48	
      47	
      45	
      42	
                      77	
       65	
  
                                                                                                                                                 	
  
 dekking	
  incl.	
  doorgifte	
  (%)	
                   78	
      69	
      67	
      64	
      60	
      59	
      57	
      55	
      52	
   	
  	
             76	
       67	
  
 Bron:	
  Bakker	
  &	
  Scholten	
  (2011:	
  25);	
  www.cebuco.nl	
  en	
  statline.cbs.nl,	
  geraadpleegd	
  17	
  september	
  2013;	
  eigen	
  berekeningen	
  
De gezamenlijke binnenlandse oplage is in de afgelopen zeven jaar met 16 procent gedaald.
Gerekend vanaf de millenniumwisseling vijf jaar eerder bedroeg de teruggang ruim een
kwart. Omdat in dezelfde periode het aantal huishoudens in Nederland groeide, zijn de
dekkingspercentages nog harder teruggelopen. Ten opzichte van 2005 (2000) daalde de
dekking exclusief doorgifte met 23 (35) procent. De daling van de dekkingspercentages
inclusief doorgifte weken daar niet veel van af.
Voor tijdschriften zijn, ook vanwege de afbakeningskwestie (zie boven), geen cumulatieve
bereikcijfers beschikbaar. Ze zijn er wel voor afzonderlijke titels. Die lopen echter aardig in de
pas met de oplagecijfers in de volgende subparagraaf.
3.1.3 Bereik/gebruik
Voor het vaststellen van het bereik en de intensiteit van het lezen van dagbladen en
tijdschriften zijn geen goede trendcijfers beschikbaar. In de periode 1975-2005 werd in het
Tijdbestedingsonderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau en partners volgens
dezelfde methode de leestijd van Nederlanders vanaf 12 jaar in kaart gebracht. In die periode
kon een terugloop in de aan het lezen van kranten, tijdschriften en boeken bestede tijd
worden vastgesteld. Sinds 2005 is de meting niet meer (volgens dezelfde methode)
gehouden. Metingen met andere methoden (zoals schattingen van de leestijd met behulp van
vragenlijsten) leiden tot sterk afwijkende (hogere) cijfers. Hierdoor is vergelijking voor en na
2005 niet mogelijk.
Om toch iets te kunnen zeggen over het gebruik nemen we onze toevlucht tot de
oplagecijfers. Deze laten in grote lijnen dezelfde neergaande lijn zien, ook na 2005 (tabellen
3.4, 3.5 en 3.6).
                                                                                               - 19 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre> Tabel 3.4 Gemiddelde dagoplagen betaalde landelijke dagbladen, 2000-2012 (x 1.000) en index 2012
                                                                                                    index      index
                                     2000   2005     2006   2007  2008    2009  2010   2011   2012  (2005)     (2000)
 Algemeen Dagblad/AD-bladena           331   248      456    425    409    395   400     392   383           .          .
 Financieele Dagblad                    66     51      54     56     57     58    56      53    48         94         73
 Nederlands Dagblad                     32     33      32     32     31     30    29      27    25         76         78
 NRC Handelsblad                       257   232      218    208    198    188   185     187   185         80         72
 NRC Next                                                     63     65     66    70      74    70           .          .
 Reformatorisch Dagblad                 58     56      55     55     54     52    51      50    48         86         83
 Staatscourant                          10      6       5      5      4      4     3                         .          .
 Telegraaf                             782   678      644    635    618    580   587     543   522         77         67
 Trouw                                 105     98      93     94     92     92    94      92    91         93         87
 Volkskrant                            321   273      253    241    233    230   235     236   231         85         72
 Totaal                              1.962 1.675 1.812 1.813 1.761 1.694 1.710 1.654 1.604                 96         82
 Mutatie t.o.v. jaar ervoor (%)                         8      0     -3     -4     1      -3     -3
 a In 2006 samengevoegd met 8 regionale dagbladen
 Bron: Het Oplage Instituut (HOI), www.hoi-online.nl (geraadpleegd 16 september 2013)
Vrijwel alle landelijke dagbladen laten een dalende trend zien vanaf 2000 en/of 2005. Hier en
daar valt van het ene op het andere jaar wel een lichte oplagestijging op te tekenen. Tegen de
trend in gaat nieuwkomer NRC Next, al is de oplage van die krant in 2012 en vooral in 2013
flink gedaald. Wat het beeld enigszins verstoort is de samenvoeging van acht regionale titels
met het Algemeen Dagblad in 2006. Deze kunstmatige stijging heeft als spiegelbeeld een
sterkere daling bij de regionale titels (tabel 3.5).
                                                                  - 20 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Tabel 3.5 Gemiddelde dagoplagen betaalde regionale dagbladen, 2000-2012 (x 1.000)
                                                                                                              index     index
                                                        2000   2005   2006  2007   2008  2009 2010 2011 2012  (2005)    (2000)
Alphen.cc                                                                36    34     29   26   19   19    18         .       .
Amersfoortse Courant                                       34    23                                                   .       .
Apeldoornse Courant/Gelders Dagblad, Veluwe
Noord                                                      36                                                         .       .
Arnhemse Courant/Gelders Dagblad,
Liemers/Betuwe                                             17                                                         .       .
Barneveldse Krant                                          11    12      11    11     11   11   11   11    11       89      98
BN/DeStem                                                 146   129    124   122     118  114  112  109   101       79      70
Brabants Dagblad                                          159   143    136   137     134  132  129  125   118       82      74
Dagblad De Limburger                                      174   149    146   142     139  132                         .       .
Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad                                                          173  164   159         .       .
Dagblad Rijn en Gouwe                                      34    28                                                   .       .
Dagblad van het Noorden                                   189   162    156   153     148  142  138  130   123       76      65
De Dordtenaar                                              34    29                                                   .       .
De Gelderlander                                           164   173    164   164     157  152  149  143   136       78      83
De Gooi- en Eemlander                                      41    31      30    29     29   28   27   26    24       78      59
De Stentor                                                      146    141   138     136  134  131  125   119       81        .
De Twentsche Courant Tubantia                             139   127    124   121     117  115  114  111   107       84      77
De Twentsche Crt. Tubantia op Zondag                             49      50    50     47                              .       .
Deventer Dagblad/Overijssels Dagblad                       30                                                         .       .
Eindhovens Dagblad                                        125   117    117   115     113  111  108  105   100       85      80
Friesch Dagblad                                            22    19      17    16     16   16   15   16    15       79      68
Gelders Dagblad, Graafschap en Achterhoek                  16                                                         .       .
Gelders Dagblad, Vallei/Veluwe                              9                                                         .       .
Gelders Dagblad, Zutphen/Lochem                            18                                                         .       .
Goudsche Courant                                           15    12                                                   .       .
Haagsche Courant                                          120    90                                                   .       .
Haarlems Dagblad Kombinatie                                54    45      44    44     42   41   40   38    35       78      65
Het Parool                                                 89    87      87    87     87   88   88   79    72       83      80
Leeuwarder Courant                                        115   107    103   102      98   93   91   87    81       76      71
Leidsch Dagblad                                            41    35      35    35     34   33   32   31    29       82      70
Limburgs Dagblad                                           72    57      54    51     49   45                         .       .
Noordhollands Dagblad                                     156   149    147   146     144  140  137  132   125       84      80
Overijssels Flevolandse Dagbladen Combinatie               69                                                         .       .
Provinciale Zeeuwse Courant                                64    60      57    57     56   55   55   54    51       84      80
Rotterdams Dagblad                                        102    78                                                   .       .
Utrechts Nieuwsblad                                        87    69                                                   .       .
Totaal                                                  2.383 2.128 1.779 1.754 1.702 1.607 1.568 1.506 1.425       67      60
Mutatie t.o.v. jaar ervoor (%)                                          -16    -1     -3   -6   -2   -4    -5
Noot: in 2006 zijn 8 regionale titels samengegaan met het AD.
Bron: Het Oplage Instituut (HOI), www.hoi-online.nl (geraadpleegd 16 september 2013)
                                                                 - 21 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Mede door de samenvoeging met het AD is de totale oplage met een derde teruggelopen
sinds 2005. Zonder deze operatie was de oplage echter ook gedaald. Van de titels die in de
gehele periode 2000-2012 zijn verschenen, heeft er niet één oplagewinst kunnen boeken.
 Tabel 3.6 Gemiddelde dagoplagen gratis dagbladen, 2002-2012 (x 1.000)
                                                                                                             index
                                2002   2003 2004    2005    2006     2007    2008   2009  2010   2011   2012 (2005)
 Almere Vandaag                                71      73      74      76      77     77    78      75    77     105
 Barneveld Vandaag                                                             22     21    21                       .
 DAG                                                                          377                                    .
 Dagblad de Pers                                                      479     367    221   244    282                .
 Metro                                  297  340      415     465     516     533    505   485    434    439     106
 Sp!ts                           378    352  358      382     402     422     430    416   382    354    324       85
 Totaal                          378    649  769      870     941   1.493 1.807 1.240 1.210 1.146        840       97
 Mutatie t.o.v. jaar ervoor (%)          71    18      13       8      59      21    -31    -2       -5  -27
 Bron: Het Oplage Instituut (HOI), www.hoi-online.nl (geraadpleegd 16 september 2013)
Een deel van de oplagedalingen bij de betaalde landelijke en regionale dagbladen kan op het
conto van de gratis dagbladen worden geschreven. Deze kwamen in de periode 2002-2008
sterk op. Even was sprake van een uitdaging aan het adres van de betaalde krant: de gratis
krant zou de toekomst hebben. Sinds 2008 zijn twee titels (DAG en Dagblad de Pers)
verdwenen en inmiddels zijn Metro en Sp!ts, de twee grote overgebleven titels, redactioneel
samengevoegd.
Alle bovenstaande cijfers hadden betrekking op verspreiding op papier. In het afgelopen
decennium is ook getracht de krant digitaal te verkopen. Dat is tot dusver in bescheiden mate
gelukt, zoals tabel 3.7 laat zien.
 Tabel 3.7 Gemiddelde dagoplagen digitaal verspreide betaalde dagbladen, 2005-2012 (x 1.000)
                                                                                             index
                                     2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012                 (2007)
 Dagblad van het Noorden                           14      16     16     15     15     14        98
 De Volkskrant                         13   21     36      42     40     39     38     36       102
 Het Financieele Dagblad                                                   4      6    12          .
 Leeuwarder Courant                                13      13     13     12     12     11        87
 Nederlands Dagblad                                  0      1      1       1      1     2       605
 NRC Handelsblad                        4    6       6      7     10     16     15     18       281
 NRC.Next                                                                               4          .
 Reformatorisch Dagblad                              1      2      3       4      4     5       420
 Totaal                                17   27     71      81     83     91     92    102       145
 Mutatie t.o.v. jaar ervoor (%)             57    162      15      3       9      1    12
 Bron: Het Oplage Instituut (HOI), www.hoi-online.nl (geraadpleegd 16 september 2013)
                                                                    - 22 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Na een voorzichtig begin begonnen in 2007 meer titels een ‘digi-only’-abonnement aan te
bieden tegen een iets gereduceerd tarief (meer titels dan in de tabel bieden een combinatie
van print en digitaal aan tegen regulier tarief). Dat heeft er niet toe geleid dat abonnees
massaal zijn overgestapt. De aantallen digi-only-abonnees zijn in het gunstigste geval van jaar
tot jaar licht gegroeid. Bij andere titels is van stagnatie sprake. Niettemin zijn deze aantallen
voor de kleinere bladen (Financieele Dagblad, Nederlands Dagblad en Reformatorisch
Dagblad) substantieel.
Als de dekkings- en oplagecijfers een indicatie geven van de ontwikkeling van het bereik van
dagbladen, dan zou dat bereik ook moeten dalen. Inderdaad is dat het geval (tabel 3.8).
 Tabel 3.8 Gemiddeld dagbereik van dagbladen, 2005-2012 (%)
                                     2005   2006     2007    2008     2009      2010       2011     2012      index (2005)
 dagbladen incl. gratis                72      71      70       68      68        67         65       60                 84
 dagbladen excl. gratis                65      63      63       60      60        59         57       54                 84
 landelijk                             38      37      38       36      37        36         35       34                 88
 regionaal                             37      36      36       34      34        33         32       30                 80
        a
 gratis                                                         21      20        19         18       15                 70
 a Index 2008 i.p.v. 2005.
 Bronnen: NOM Printmonitor (www.nommedia.nl), krantenstatistiek.tumblr.com (Piet Bakker), geraadpleegd 16 september 2013
De landelijke bladen houden nog het beste stand, al is hun bereik onder de bevolking in
zeven jaar tijd teruggelopen van 38 naar 34 procent (een daling van 12 procent zoals uit het
indexcijfer blijkt). Harder zijn de klappen voor de regionale en vooral de gratis bladen, waar
het verdwijnen van De Pers zich doet gevoelen. Alle dagbladen tezamen, inclusief de gratis
bladen, bereikten in 2005 nog ruim zeven op de tien Nederlanders vanaf 13 jaar. Twee jaar
later is het aandeel gedaald tot zes op de tien. Het gezamenlijke bereik van de betaalde pers
daalde van 65 naar 54 procent van de Nederlanders vanaf 13 jaar (een daling van 16 procent).
Bij de tijdschriften is het beeld minder somber, al loopt ook hier de belangstelling terug.
Kijkend naar de jaaroplagen van de diverse groepen bladen (tabel 3.9) zien we aanvankelijk
een sterke stijging. Ook hier is de waarschuwing dat het voor een belangrijk deel gaat om een
artefact: veel van de titels bestonden al voor ze zich aansloten bij de leverancier van de
gegevens (HOI). Vanaf het midden van het decennium begint in de meeste genres de
gezamenlijke oplage (nota bene: van wekelijks, tweewekelijks, maandelijks verschijnende
bladen bij elkaar opgeteld) wat af te kalven. Door het voortdurend verschijnen en verdwijnen
van titels kan de gezamenlijke oplage binnen de genres behoorlijk fluctueren. Over de gehele
linie is er de laatste vijf jaar sprake van een daling, zowel bij de publieks- als de vakbladen (zie
onderaan de tabel).
                                                               - 23 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre> Tabel 3.9 Gemiddelde jaaroplagen publiekstijdschriften en vakbladen, 2000-2012 (x 1.000)
                                                                                                      index      index
                               2000    2005     2006      2007   2008     2009    2010    2011  2012  (2005)     (2000)
 auto en motor                   540     557      545      864     925      894    979      428   409         73         76
 computer                        628     572      526      490     446      408    365      354   320         56         51
 culinair                        237     113      279      277     257      208    227      230   229        202         97
 dagbladmagazines                166   2.062    2.437    1.772     929      901    628      605   596         29        359
 gezin                         5.656   5.586    5.731    5.591   5.543    5.736  5.478    5.240 5.160         92         91
 jongeren                      1.440   1.951    2.041    1.854   1.751    1.370  1.219    1.363 1.100         56         76
 management                    1.142   1.014    1.125    1.208   1.180      969    765      654   634         63         55
 mannen                          425     449      425      342     326      274    319      292   270         60         63
 mind en body                    125     355      414      485     668      713    656      566   606        171        484
 opinie                          252     303      301      299     276      264    278      267   252         83        100
 opvoeding                       791   1.047    1.099    1.057   1.030    1.048  1.003    1.293 1.231        118        156
 populair-
 wetenschappelijk                170     491      491      526     604      591    560      532   515        105        304
 reis en recreatie               413     546      522      498     544      549    517      493   466         85        113
 radio en tv                   4.830   4.201    4.109    4.005   3.996    3.695  4.023    3.820 3.483         83         72
 special interest                290     653      782      916   1.156    1.001    804    1.125 1.014        155        349
 sponsored magazines             435   6.158    6.419    7.158   7.634    8.627  8.368    7.993 7.463        121       1716
 sport                         1.732   1.996    1.174    1.157   1.087      996  1.023      880   692         35         40
 vrouwen                       3.219   3.348    3.488    4.234   4.080    3.711  3.726    3.569 3.395        101        105
 woon, tuin, doe-het-zelf      1.339   2.684    2.668    2.577   2.316    2.554  2.260    2.295 2.104         78        157
 totaal publieksbladen        23.828 34.085 34.575 35.309 34.748 34.510 33.198 32.001 29.938                  88        126
 totaal vakbladen              3.761   4.068    4.834    5.064   5.343    5.184  4.628    4.504 4.245        104        113
 totaal                       27.589 38.153 39.408 40.373 40.091 39.693 37.826 36.505 34.183                  90        124
 mutatie t.o.v. jaar ervoor                         1        2       -2      -1      -4      -4    -6
 Bron: Het Oplage Instituut (HOI), www.hoi-online.nl (geraadpleegd 16 september 2013)
Toch zijn er segmenten in de markt waar groei in zit. Met 2005 als uitgangsjaar (vanwege de
opstartfase van HOI) blijken mind- en bodybladen, special interestbladen en bladen over
opvoeding het goed te doen. Ook bladen voor vrouwen vormen een stabiel segment van de
markt. Zwaar hebben het de computer- en jongerenbladen, waaraan de alternatieven (sites en
blogs) op het web niet vreemd zullen zijn. Wat het segment sportbladen betreft is niet
duidelijk of de teruggang representatief is voor het totaalaantal sportmagazines
(waarschijnlijk is een groot aantal titels niet bij HOI aangesloten).
Voor het totaal van de tijdschriftenmarkt springen de krimppercentages vanaf 2009 in het
oog. De economische recessie zal hierin een rol spelen, maar ook de groei van gratis of
goedkopere alternatieven op het web (sites, blogs).
                                                                   - 24 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>3.2 Audiovisuele media
‘Audiovisuele media’ is een brede term waaronder ook beeld- en geluiddragers vallen.
Streaming video en audio vertonen hiermee een grote gelijkenis, dus zou het voor de hand
liggen die ook onder de AV-media te scharen. Hier beperken we ons goeddeels tot radio en
televisie, waarbij ook het uitgesteld kijken (video, dvd, uitzending gemist) enige aandacht
krijgt. Het luisteren naar muziek anders dan via de radio komt niet of nauwelijks in de
beschikbare cijfers voor. De systematiek van aanbod, uitrusting en bereik/gebruik vormt ook
hier de kapstok.
3.2.1 Aanbod
Het in kaart brengen van het aanbod aan radiozenders is een vrij hachelijke onderneming. Van
plaats tot plaats loopt het aantal via de ether kwalitatief voldoende te ontvangen zenders
nogal uiteen. Weliswaar is de situatie niet meer zo onoverzichtelijk als in de jaren ’70 en ’80,
toen talloze lokale en regionale piratenzenders de overheden tot wanhoop dreven. De
wettelijke opening voor commerciële zenders heeft veel piraten ertoe gebracht om de
overstap naar de legaliteit te maken.
Het Commissariaat voor de Media monitort het radiolandschap. In tabel 3.10 worden de
landelijke publieke en commerciële zenders genoemd. Hun aantal is sinds 2008 gedaald, wat
bij een constant aantal van zes publieke zenders betekent dat enige marktconcentratie heeft
plaatsgevonden in het commerciële segment.
Achter de som van de regionale publieke zenders gaan dertien zenders schuil: twee in Zuid-
Holland (Rijnmond en West) en telkens één in de overige provincies. Zij werken als
advertentiecombinatie op radio, tv en web samen in de organisatie Omroep Reclame
Nederland (ORN). Bij de niet-landelijke commerciële omroepen is het aantal veel groter,
waarbij het zenderbereik behoorlijk uiteenloopt. Het gaat om regionale en feitelijk lokale
stations, al maakt de Mediawet dit onderscheid niet. De (momenteel) 15 grootste zenders
werken samen in E-Power Radio Sales, om gezamenlijk net als ORN adverteerders een
landelijke dekking te kunnen bieden.
Dan zijn er nog de lokale publieke zenders. De Organisatie van Lokale Omroepen in Nederland
(OLON) noemt op haar website in september 2013 een getal van 287 zenders in 387
gemeenten. Deze produceren niet alleen lokale radio, maar ook tv en websites. De
luisteraandelen worden in de tabel onder ‘overige zenders’ geschaard.
Dit alles tezamen is het aanbod dat analoog en via de ether is te ontvangen. Daarnaast zijn er
talloze publieke, commerciële en ‘hobbyzenders’ (‘radiozenders’ van liefhebbers) die digitaal
                                                - 25 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>zijn te ontvangen. Het aanbod daarvan volledig en trendmatig in kaart brengen is letterlijk en
figuurlijk bijna onbegonnen werk.20
20
   Het Commissariaat heeft redelijk recent (peildatum 3 oktober 2012) in kaart gebracht welke radiozenders
worden aangeboden in digitale rtv-pakketten van distributeurs in Nederland:
http://www.mediamonitor.nl/analyse-verdieping/radiokanalen-in-rtv-pakketten-2013/.
                                                      - 26 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Tabel 3.10
Bron: http://www.mediamonitor.nl/mediamarkten/radio/radio-in-2012/, geraadpleegd 29 september 2013
Bij de televisie is het landschap iets overzichtelijker dan bij radio. Ook hier varieert het van
aanbieder tot aanbieder en van pakket tot pakket wat men kan ontvangen. We beperken ons
hier tot de algemene zenders die op Nederland zijn gericht, in concreto de drie publieke
zenders, de vier RTL-zenders (4, 5, 7 en 8) en de drie SBS-zenders (SBS6, Net5 en Veronica).
                                                               - 27 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Voor televisie zijn de programma’s inhoudelijk gecodeerd naar genre, zodat (in tegenstelling
tot bij radio) een inhoudelijke vergelijking tussen de zenders mogelijk is (tabel 3.11).
 Tabel 3.11 Verdeling uitzendtijd naar de NPO-, RTL- en SBS-zenders naar programmacategorie, 2004-
 2012 (in % van totale uitzendtijd)
                              2004     2005    2006     2007    2008     2009   2010   2011     2012
 NPO     non-fictie              56      62       60      56      54       55     55     58        58
         fictie                   9        7       7       7        6       6      6       5        5
         amusement                7        7       6       6        5       5      5       6        4
         sport                    9        6       7       6      10        8      9       6        8
         muziek                   3        3       3       4        4       4      4       4        4
         kind                    17      16       18      21      21       21     21     22        22
 RTL     non-fictie              53      52       47      60      60       59     53     50        53
         fictie                  27      27       26      24      26       26     30     28        25
         amusement               12      16       21      10        9       9      9       8        7
         sport                    4        5       4       5        4       6      6       5        5
         muziek                   0        0       0       0        1       0      0       0        0
         kind                     3        1       1       0        0       0      2       9       11
 SBS     non-fictie              25      28       31      37      41       44     45     50        53
         fictie                  57      45       39      40      45       41     41     42        40
         amusement                8      21       23      20        9       8      6       6        4
         sport                    5        4       4       2        3       4      5       1        1
         muziek                   1        0       0       0        0       0      0       0        0
         kind                     4        2       3       2        2       3      4       3        2
 Bron: SKO (Jaarrapporten 2004-2012),
 http://www.kijkonderzoek.nl/publicaties/rapporten/rapporten.html
Een vergelijking tussen de publieke en de commerciële zenders maakt duidelijk dat de
laatsten relatief meer fictie uitzenden. De publieke omroep zendt meer kinderprogramma’s
uit, meer sport (vooral in de ‘even’ jaren met evenementen als Olympische Spelen en WK/EK
voetbal) en meer muziek. De percentages ‘amusement’ lopen tussen de drie zendergroepen
niet ver uiteen. Daarbij zij aangetekend dat mengvormen als infotainment en talkshows met
een amuserend karakter standaard bij de non-fictie worden ingedeeld. Bij nadere uitsplitsing
zouden uiteenlopende profielen zichtbaar kunnen worden die in deze grove categorie
onzichtbaar blijven.
In het programma-aanbod zijn weinig systematische trends waarneembaar. Alleen bij de drie
SBS-zenders heeft de non-fictie duidelijk aan zendtijdaandeel gewonnen, ten koste van
achtereenvolgens fictie, amusement en sport. Bij de NPO dalen geleidelijk de
zendtijdaandelen voor fictie en amusement. Bij RTL is dat ook voor amusement het geval,
terwijl de laatste jaren de kinderprogrammering in de lift zit.
                                                                   - 28 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>3.2.2 Uitrusting
In nagenoeg elk Nederlands huishouden is wel ten minste één radio en één televisie
aanwezig. Waar dat niet het geval is, is dat niet vanwege de kosten van een toestel maar
meestal om een principiële reden, religieus of anderszins. Bij radio en televisie laten de
statistieken zien dat er wel sprake is van vervanging van oudere, analoge apparaten door
nieuwe digitale.
Bij de uitrusting met radio (gemeten bij personen i.p.v. bij huishoudens, en met inbegrip van
ontvangstmogelijkheden buitenshuis) is te zien dat de apparaten die we pakweg drie
decennia geleden al gebruikten om naar de radio te luisteren op hun retour zijn (tabel 3.12).
 Tabel	
  3.12	
  Uitrusting	
  radio:	
  beschikbaarheid	
  en	
  gebruik	
  platforms,	
  personen	
  van	
  13	
  jaar	
  en	
  
 ouder,	
  2009-­‐2013	
  (in	
  %)	
  
                                                                                                              a                                                   b
 	
  	
                                                              apparaat	
  ter	
  beschikking 	
   gebruikt	
  voor	
  radio 	
  
 	
  	
                                                               2009	
        2011	
        2013	
   	
  	
   2009	
   2011	
   2013	
  
 mobiele	
  telefoon	
                                                  96	
           90	
             .	
                    12	
             11	
                .	
  
                                                                                                              	
  
 smartphone	
                                                               3	
        28	
             .	
                     1	
              8	
                .	
  
                                                                                                              	
  
 mobiele	
  telefoon/smartphone	
                                            .	
            .	
       90	
                       .	
              .	
            15	
  
                                                                                                              	
  
 televisie	
                                                            97	
           97	
             .	
                    23	
             22	
                .	
  
                                                                                                              	
  
 digitale	
  settopbox	
                                                    7	
        34	
             .	
                     2	
              9	
                .	
  
                                                                                                              	
  
 televisie/digitale	
  settopbox	
                                           .	
            .	
       84	
                       .	
              .	
            22	
  
                                                                                                              	
  
 radio/stereoinstallatie	
                                              87	
           83	
           78	
                     73	
             66	
             60	
  
                                                                                                              	
  
 laptop/netbook	
                                                       59	
           73	
           76	
                     18	
             21	
             19	
  
                                                                                                              	
  
 autoradio	
                                                            76	
           75	
           74	
                     66	
             65	
             66	
  
                                                                                                              	
  
 desktopcomputer	
                                                      86	
           80	
           65	
                     32	
             27	
             18	
  
                                                                                                              	
  
 wekkerradio	
                                                          72	
           69	
           62	
                     36	
             33	
             28	
  
                                                                                                              	
  
 tablet	
                                                                    .	
        7	
           48	
                       .	
             1	
              8	
  
                                                                                                              	
  
 mediaspeler	
  (iPod,	
  mp3)	
                                        45	
           45	
           43	
                      8	
              9	
              7	
  
                                                                                                              	
  
 draagbare	
  radio	
                                                   45	
           41	
           36	
                     28	
             24	
             20	
  
                                                                                                              	
  
 badkamerradio	
                                                            9	
         9	
            8	
                      6	
              6	
              6	
  
                                                                                                              	
  
 geen	
  van	
  deze	
                                                      0	
         0	
            0	
   	
  	
   	
  	
           	
  	
           	
  	
  
 a	
  ‘Welke	
  apparaten	
  heeft	
  u	
  tot	
  uw	
  beschikking,	
  thuis,	
  op	
  uw	
  werk,	
  of	
  elders?’	
  
 b	
  ‘Via	
  welke	
  apparaten	
  luistert	
  u	
  wel	
  eens	
  naar	
  de	
  radio,	
  thuis,	
  op	
  uw	
  werk,	
  of	
  elders?’	
  
 	
  
 Bron:	
  Radio	
  Advies	
  Bureau	
  (RAB)/Intomart	
  GfK,	
  Radio	
  Platformonderzoek	
  (2013)	
  via	
  
 http://www.rab.fm	
  
De radio op/via de stereoinstallatie, de draagbare radio en de wekkerradio lijken op hun
retour te zijn, al is het percentage Nederlanders dat erover beschikt nog altijd aanzienlijk. De
autoradio is still going strong en is thans ook het apparaat waarop het grootste percentage
zegt naar radio-uitzendingen te luisteren. Twee op de drie Nederlanders vanaf 13 jaar doen
dat ‘wel eens’. Opmerkelijk is dat de desktopcomputer als luisterkanaal plaats aan het maken
is voor de tablet, terwijl het bezit van laptops/netbooks wel stijgt maar het gebruik ervan als
radio-ontvangstapparaat niet. Qua leeftijdsprofiel zijn het, niet verrassend, jongeren die
relatief vaak gebruik maken van digitale en draagbare apparaten (mobiele
                                                                                                                - 29 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>telefoon/smartphone, laptop/netbook, tablet en mediaspeler). Vijftigplussers gebruiken
relatief vaak de radio/stereoinstallatie, de autoradio en draagbare- en wekkerradio’s.
Bij de televisie is de beeldbuis sinds 2005 aan een zwanenzang bezig (figuur 3.1). Was in dat
jaar nog 90 procent van de hoofdtoestellen in Nederlandse huishoudens een
beeldbuistoestel, in 2012 was het nog geen kwart. De platte schermen verdringen de
kathodestraalbuis dus in hoog tempo, wat tevens betekent dat breedbeeld
(schermverhouding 16:9) sinds 2008 de norm is en het 4:3-scherm over niet al te lange tijd
alleen nog in musea als Beeld en Geluid te bewonderen zal zijn.
Het is vooralsnog gissen welke beeldschermtechniek de norm wordt bij de nieuwe generatie
tv’s. Qua verspreiding is dat het LCD-scherm, maar de penetratiegraad daarvan is sinds 2010
weer licht gedaald ten gunste van andere technieken. Ook plasmaschermen hebben hun
groei zien stokken. LED lijkt de beste papieren te hebben, nu de 3D-schermen niet die
doorbraak hebben beleefd die werd verwacht. Tv op de muur projecteren met een beamer
blijft voorbehouden aan een selecte groep liefhebbers.
Figuur 3.1
                        TV-­‐apparatuur	
  (hoofdtoestel)	
  in	
  huishoudens,	
  	
  
                                                   2005-­‐2012	
  (in	
  %)	
  
  100	
  
    90	
  
    80	
                                                                                                     LCD	
  
    70	
                                                                                                     Beeldbuis	
  
    60	
                                                                                                     Plasma	
  
    50	
                                                                                                     LED	
  
                                                                                                             3D	
  TV	
  
    40	
  
                                                                                                             Projector/beamer	
  
    30	
  
                                                                                                             Breedbeeld	
  16:9	
  
    20	
  
                                                                                                             Normaal	
  beeld	
  4:3	
  
    10	
  
      0	
  
             2005	
     2006	
      2007	
    2008	
     2009	
     2010	
    2011	
      2012	
  
Bron: Stichting Kijkonderzoek, TV in Nederland 2005-2012 (2005-2010 Establishment Survey; 2011-2012 Media Standaard Survey), via
http://www.kijkonderzoek.nl.
Naast het scherm is het relevant te kijken naar ontwikkelingen in de wijze van ontvangst
(figuur 3.2) en de op de tv aangesloten randapparatuur (figuur 3.3). Die drie dingen samen
bepalen hoe aantrekkelijk het medium is voor de leden van een huishouden.
                                                                  - 30 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>De analoge ontvangst via de kabel vertoont dezelfde curve naar beneden als de beeldbuis: in
2005 was het in bijna 90 procent van de huishoudens de wijze van ontvangst op het
hoofdtoestel, in 2012 nog maar in een kwart. Een digitale ontvanger/decoder via de kabel is
thans de meest voorkomende ontvangstmogelijkheid, al heeft de groei na 2011 niet
doorgezet. Ook de digitale etherontvangst is na 2010 weer wat in populariteit gedaald. De
recente groeiers zijn tv via internet en glasvezel. Behalve digitale en analoge kabel
overschreed in 2012 geen van de ontvangstmogelijkheden de 10-procentsdrempel.
Figuur 3.2
                         TV-­‐ontvangst	
  (hoofdtoestel)	
  in	
  huishoudens,	
  	
  
                                                   2005-­‐2012	
  (in	
  %)	
  
  100	
  
    90	
                                                                                          digitale	
  ontvanger/decoder	
  
                                                                                                  kabel	
  
    80	
  
                                                                                                  analoge	
  kabel/gemeensch	
  
    70	
                                                                                          antenne	
  
    60	
                                                                                          digitale	
  ether	
  (Digitenne)	
  
    50	
  
    40	
                                                                                          digitale	
  ontvanger/decoder	
  
                                                                                                  TV	
  via	
  internet	
  
    30	
  
                                                                                                  schotel	
  
    20	
  
    10	
                                                                                          glasvezel	
  
      0	
  
            2005	
   2006	
   2007	
   2008	
   2009	
   2010	
   2011	
   2012	
  
Bron: Stichting Kijkonderzoek, TV in Nederland 2005-2012 (2005-2010 Establishment Survey; 2011-2012 Media Standaard Survey), via
http://www.kijkonderzoek.nl.
Met de beeldbuis en de analoge kabelontvangst zit de videorecorder in de hoek waar de
klappen vallen (figuur 3.3). Terwijl er al bijna geen videobanden meer te koop, leen of huur
zijn, heeft nog wel 20 procent van de huishoudens er een op de tv aangesloten. In 2005 was
dat nog 70 procent. Maar ook de dvd/BlueRay-speler heeft het moeilijk.
                                                                  - 31 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Figuur 3.3
                 TV-­‐randapparatuur	
  (aangesloten	
  op	
  hoofdtoestel)	
  in	
  
                                      huishoudens,	
  2005-­‐2012	
  (in	
  %)	
  
  80	
  
                                                                                               dvd/BlueRay-­‐speler	
  
  70	
  
                                                                                               videorecorder	
  
  60	
  
                                                                                               spelcomputer	
  
  50	
  
                                                                                               dvd-­‐recorder	
  met	
  harddisk	
  
  40	
  
                                                                                               digitale	
  ontvanger	
  met	
  
  30	
                                                                                         harddisk	
  
                                                                                               dvd-­‐recorder	
  zonder	
  harddisk	
  
  20	
  
                                                                                               harddiskrecorder	
  zonder	
  dvd	
  
  10	
  
                                                                                               in	
  tv	
  ingebouwde	
  harddisk	
  
    0	
  
          2005	
   2006	
   2007	
   2008	
   2009	
   2010	
   2011	
   2012	
  
Bron: Stichting Kijkonderzoek, TV in Nederland 2005-2012 (2005-2010 Establishment Survey; 2011-2012 Media Standaard Survey), via
http://www.kijkonderzoek.nl.
De snelste stijger van het moment is de digitale tv-ontvanger met ingebouwde harddisk, vaak
gratis of tegen een gering bedrag onderdeel van het tv-ontvangstpakket van de distributeur.
De andere opname- en terugkijkapparaten lieten in 2012 geen groei of zelfs een daling zien,
de harddiskrecorder zonder ingebouwde dvd-speler uitgezonderd. Mogelijk speelt het
uitzending-gemist-aanbod van belangrijke aanbieders als NPO, RTL en SBS ook een rol.
3.2.3 Bereik/gebruik
Het toegenomen aantal platforms waarop we radio kunnen luisteren en tv kunnen kijken,
heeft niet geleid tot een navenante stijging van bereik – percentages deelnemers aan deze
activiteiten – en gebruik: de luister- respectievelijk kijktijd. Te beginnen met het bereik van de
radio kun je van een stabiel beeld spreken (tabel 3.13).
                                                                  - 32 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre> Tabel	
  3.13	
  Gemiddeld	
  dagbereik	
  radiozenders,	
  bevolking	
  van	
  10	
  jaar	
  en	
  ouder,	
  2000-­‐2012,	
  tijdvak	
  06:00-­‐24:00	
  uur	
  (in	
  uren:minuten)	
  
                                                                                                                                                                 index	
                index	
  
 	
  	
   	
  	
                             2000	
   2005	
   2006	
   2007	
   2008	
   2009	
   2010	
   2011	
   2012	
   	
  	
   (2005)	
                                         (2000)	
  
 totaal	
  (incl.	
  overige	
  zenders,	
  
 niet	
  in	
  de	
  tabel)	
                  72	
        69	
        68	
        69	
        71	
         72	
        71	
        71	
        68	
                        99	
                    94	
  
                                                                                                                                                            	
  
 	
   	
  
 landelijke	
        publieke	
  zenders	
       .	
  	
     .	
  	
     .	
  	
     .	
  	
      .	
  	
     .	
  	
     .	
  	
     .	
  	
     .	
  	
   	
                .	
  	
                 .	
  	
  
          Radio	
  1	
                         13	
        11	
        10	
        10	
        10	
         10	
        11	
        10	
        10	
   	
                   84	
                    76	
  
 	
   Radio	
  2	
                              9	
         9	
         9	
         9	
          9	
         9	
         9	
         9	
         8	
   	
                   84	
                    85	
  
 	
   3FM	
                                    11	
         6	
         7	
         7	
          7	
         8	
         8	
         9	
         9	
   	
                  146	
                    78	
  
 	
   Radio	
  4	
                              2	
         2	
         2	
         2	
          2	
         2	
         2	
         2	
         2	
   	
                   99	
                    99	
  
 	
   Radio	
  5	
                              2	
         1	
         1	
         2	
          2	
         2	
         2	
         2	
         2	
   	
                  156	
                   142	
  
 	
   Radio	
  6	
  soul	
  en	
  jazz	
                                                         0	
         0	
         0	
         0	
         0	
   	
                     .	
                     .	
  
 	
                                                  	
       	
          	
          	
                                                                    	
  
 	
   	
  
 regionale	
         publieke	
  zenders	
     16	
  	
    14	
  	
    14	
  	
    13	
  	
    13	
  	
     12	
  	
    12	
  	
    11	
  	
    10	
  	
   	
               73	
  	
                64	
  	
  
                                                                                                                                                            	
  
 	
   	
  
 commerciële	
             zenders	
             .	
  	
     .	
  	
     .	
  	
     .	
  	
      .	
  	
     .	
  	
     .	
  	
     .	
  	
     .	
  	
   	
                .	
  	
                 .	
  	
  
          Sky	
  Radio	
                       16	
        10	
         9	
        10	
        10	
         10	
         9	
         9	
         9	
   	
                   95	
                    56	
  
 	
   538	
                                     9	
        11	
        11	
        11	
        11	
         11	
        11	
        12	
        11	
   	
                   98	
                   126	
  
 	
   Q-­‐music	
                               6	
         5	
         6	
         7	
          8	
         8	
         7	
         7	
         6	
   	
                  132	
                   110	
  
 	
   Classic	
  FM	
                           3	
         2	
         2	
         2	
          2	
         2	
         2	
         2	
         2	
   	
                   77	
                    57	
  
 	
   Arrow	
  Classic	
  Rock	
                1	
         2	
         2	
         2	
          3	
         2	
         1	
         1	
         1	
   	
                   56	
                    69	
  
 	
   BNR	
  Nieuwsradio	
                      1	
         1	
         1	
         1	
          1	
         2	
         2	
         2	
         2	
   	
                  186	
                   257	
  
 	
   Slam!FM	
                                             2	
         2	
         2	
          3	
         3	
         3	
         3	
         3	
   	
                  188	
                      .	
  
 	
   Radio	
  Veronica	
                            	
     4	
         4	
         5	
          5	
         5	
         5	
         5	
         5	
   	
                  117	
                      .	
  
 	
   Sublime	
  FM	
                                	
     1	
         1	
         1	
          1	
         1	
         0	
         1	
         1	
   	
                  102	
                      .	
  
 	
   100%	
  NL	
                                   	
                             1	
          3	
         4	
         5	
         5	
         5	
   	
                     .	
                     .	
  
 	
   Radio	
  10	
  Gold	
                     7	
  	
     4	
  	
     4	
  	
     3	
          2	
         2	
         2	
         2	
         2	
   	
                   52	
                    27	
  
 	
  	
   E	
  Power	
  Radio	
                  	
  	
     3	
         3	
         3	
          4	
         4	
         4	
         4	
         4	
   	
  	
              152	
                      .	
  
 Bron:	
  Nationaal	
  Luisteronderzoek/Intomart	
  GfK	
  (op	
  aanvraag,	
  september	
  2013);	
  eigen	
  berekeningen	
  
In 2012 is het gemiddeld dagbereik van de radiozenders die worden gemonitord in het
luisteronderzoek plots met drie procentpunt gedaald nadat het sinds 2005 geleidelijk was
gestegen. Het is nog te vroeg om te zeggen of dit het begin is van een neerwaartse trend.
Gezien de eerdere schommelingen lijkt dat voorbarig. Naar de afzonderlijke zenders kijkend,
wordt duidelijk dat 3FM sinds 2005 weer in de lift zit (na een forse daling in de jaren ervoor).
De gezamenlijke regionale publieke zenders laten een gestaag dalend beeld zien.
Bij de commerciële zenders blijft er veel achter komma verscholen. De indexcijfers geven hier
een indicatie van de stijgers en dalers. Niettemin is voorzichtigheid geboden. Zo is het
gemiddeld dagbereik van BNR Nieuwsradio en Slam!FM sinds 2005 bijna verdubbeld, maar
nog altijd bereiken deze zenders maar 2-3% van de bevolking vanaf 10 jaar.
De trends bij de luistertijd zien er iets anders uit, maar over het geheel genomen luidt ook hier
de bevinding dat er grosso modo van een stabiel patroon gesproken kan worden. Ook hier is
er van 2007-2011 een geleidelijke toename zichtbaar die dan in 2012 plots weer is verdwenen.
Opvallend is wel dat die dip vooral ten koste gaat van de landelijke publieke zenders en niet
van de commerciële zenders. Overigens is de ruim drie uur die we dagelijks luisteren voor het
overgrote deel ‘parallelle’ luistertijd: we luisteren terwijl we ook met iets anders bezig zijn.
                                                                                               - 33 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre> Tabel	
  3.14	
  Luistertijd	
  radiozenders,	
  bevolking	
  van	
  10	
  jaar	
  en	
  ouder,	
  januari/februari	
  2000-­‐2012,	
  tijdvak	
  06:00-­‐24:00	
  uur	
  (in	
  
 uren:minuten)	
  
                                                                                                                                                                                    index	
         index	
  
 	
  	
   	
  	
                                 2000	
   2005	
   2006	
   2007	
   2008	
   2009	
   2010	
   2011	
   2012	
   	
  	
   (2005)	
   (2000)	
  
 totaal	
                                         3:09	
   3:17	
   3:17	
   3:15	
   3:17	
   3:22	
   3:25	
   3:28	
   3:16	
                                                         100	
         104	
  
                                                                                                                                                                           	
  
 	
   	
  
 landelijke	
        publieke	
  zenders	
   	
   1:01	
   	
   0:56	
   	
   0:57	
   	
   1:02	
   	
   1:00	
   	
   1:00	
   	
   1:05	
   	
   1:11	
   	
   1:02	
   	
   	
       109	
   	
   101	
  
          Radio	
  1	
                            0:14	
   0:16	
   0:15	
   0:14	
   0:14	
   0:14	
   0:15	
   0:17	
   0:13	
   	
                                                      80	
         93	
  
 	
   Radio	
  2	
                                0:16	
   0:21	
   0:21	
   0:26	
   0:22	
   0:21	
   0:21	
   0:21	
   0:19	
   	
                                                      89	
        122	
  
 	
   3FM	
                                       0:27	
   0:12	
   0:14	
   0:15	
   0:14	
   0:15	
   0:17	
   0:21	
   0:19	
   	
                                                    156	
          72	
  
 	
   Radio	
  4	
                                0:02	
   0:03	
   0:03	
   0:04	
   0:03	
   0:03	
   0:04	
   0:04	
   0:04	
   	
                                                    102	
         155	
  
 	
   Radio	
  5	
                                0:01	
   0:01	
   0:01	
   0:02	
   0:04	
   0:04	
   0:05	
   0:06	
   0:05	
   	
                                                    302	
         327	
  
 	
   Radio	
  6	
  soul	
  en	
  jazz	
                                                                  0:00	
   0:00	
   0:00	
   0:00	
   0:00	
   	
                                     .	
            .	
  
 	
                                                      	
         	
            	
            	
                                                                         	
  
 	
   	
  
 regionale	
         publieke	
  zenders	
   	
   0:27	
   	
   0:29	
   	
   0:29	
   	
   0:27	
   	
   0:25	
   	
   0:27	
   	
   0:25	
   	
   0:24	
   	
   0:23	
   	
   	
         79	
   	
   87	
  
                                                                                                                                                                           	
  
 	
   	
  
 commerciële	
             zenders	
         	
   1:14	
   	
   1:27	
   	
   1:26	
   	
   1:27	
   	
   1:35	
   	
   1:42	
   	
   1:42	
   	
   1:40	
   	
   1:40	
   	
   	
       115	
   	
   136	
  
          Sky	
  Radio	
                          0:30	
   0:19	
   0:18	
   0:18	
   0:18	
   0:18	
   0:18	
   0:17	
   0:16	
   	
                                                      84	
         54	
  
 	
   538	
                                       0:12	
   0:23	
   0:20	
   0:20	
   0:22	
   0:21	
   0:21	
   0:23	
   0:23	
   	
                                                      99	
        185	
  
 	
   Q-­‐music	
                                 0:09	
   0:08	
   0:10	
   0:11	
   0:13	
   0:13	
   0:13	
   0:14	
   0:11	
   	
                                                    130	
         127	
  
 	
   Classic	
  FM	
                             0:03	
   0:04	
   0:04	
   0:03	
   0:04	
   0:04	
   0:04	
   0:03	
   0:03	
   	
                                                      84	
         95	
  
 	
   Arrow	
  Classic	
  Rock	
                  0:02	
   0:03	
   0:03	
   0:02	
   0:05	
   0:05	
   0:02	
   0:02	
   0:02	
   	
                                                      63	
        106	
  
 	
   BNR	
  Nieuwsradio	
                        0:00	
   0:00	
   0:01	
   0:00	
   0:01	
   0:01	
   0:02	
   0:01	
   0:01	
   	
                                                    259	
         350	
  
 	
   Slam!FM	
                                    .	
          0:01	
   0:02	
   0:03	
   0:03	
   0:03	
   0:03	
   0:04	
   0:04	
   	
                                               357	
               .	
  
 	
   Radio	
  Veronica	
                                       0:08	
   0:09	
   0:10	
   0:10	
   0:11	
   0:12	
   0:10	
   0:11	
   	
                                               132	
               .	
  
 	
   Sublime	
  FM	
                                    	
   0:01	
   0:01	
   0:01	
   0:01	
   0:01	
   0:00	
   0:00	
   0:01	
   	
                                                 105	
               .	
  
 	
   100%	
  NL	
                                       	
                                 0:00	
   0:02	
   0:05	
   0:08	
   0:08	
   0:08	
   	
                                          .	
            .	
  
 	
   Radio	
  10	
  Gold	
                       0:15	
  	
   0:09	
  	
   0:09	
  	
   0:08	
   0:05	
   0:05	
   0:04	
   0:05	
   0:05	
   	
                                          55	
         34	
  
 	
   E	
  Power	
  Radio	
                                     0:05	
   0:05	
   0:04	
   0:06	
   0:08	
   0:09	
   0:08	
   0:10	
   	
                                               186	
               .	
  
 	
                                                      	
                                                                                                                	
  
 	
   	
  
 overige	
         zenders	
                 	
   0:26	
   	
   0:24	
   	
   0:24	
   	
   0:17	
   	
   0:15	
   	
   0:12	
   	
   0:12	
   	
   0:12	
   	
   0:10	
   	
  	
   	
     44	
   	
   40	
  
 Bron:	
  Nationaal	
  Luisteronderzoek/Intomart	
  GfK	
  (op	
  aanvraag,	
  september	
  2013);	
  eigen	
  berekeningen	
  
Over de periode 2005-2012 genomen is groei zichtbaar bij 3FM en Radio 5, dat overdag een
muzieknostalgiezender is geworden. Sterke groeiers bij de commerciële zenders zijn BNR
Nieuwsradio (maar: luistertijd gemiddeld rond de 1 minuut), Slam!FM en de E-Power-zenders,
een groep commerciële zenders met regionaal bereik die door samenwerking adverteerders
een landelijk bereik kunnen bieden. Opvallend is ook de groei van 100% NL met een nadruk
op muziek van eigen bodem. De overige zenders (publieke regionale en lokale zenders,
kleinere commerciële zenders en buitenlandse zenders) zijn in populariteit gedaald.
Bij radio zagen we dat de trends in bereik en gebruik grotendeels parallel lopen. Bij televisie
zien we een ander beeld. Hier dalen de bereikcijfers van de algemene, op Nederland gerichte
zenders van de NPO, RTL en SBS (tabel 3.15), terwijl de totale kijktijd stijgende is (tabel 3.16).
Dit lijkt erop te duiden dat kijkers sinds 2007 minder gevarieerd zijn gaan kijken en ze langer
blijven ’hangen’ bij hun voorkeurszenders.
De lat ligt bij het dagbereik in tabel 3.15 laag: één minuut gekeken hebben naar een zender is
voldoende om als ‘bereikt’ aangemerkt te worden. Op een doorsnee dag in 2012 bereikte de
Publieke Omroep met haar drie zenders 62 procent van de bevolking van 6 jaar en ouder.
Voor de vier RTL-zenders bedroeg het gezamenlijke bereik 54 procent. Zes jaar eerder lag het
bereik voor beide zendergroepen nog vier procentpunt hoger. De teruggang in het bereik
                                                                                                            - 34 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>was bij de drie SBS-zenders echter nog groter: van 52 naar 41 procent. Van de tien zenders
kon alleen RTL8 zich anno 2012 in een groter bereik verheugen. Nemen we echter 2008 als
uitgangsjaar, dan is er bij alle zenders van een daling spake geweest.
 Tabel 3.15 Gemiddeld dagbereik (ten minste 1 minuut gekeken) van algemene op Nederland gerichte zenders, tijdvak
 02:00-26:00 uur, bevolking van 6 jaar en ouder, 2007-2012 (%)
 Zender                                     2007       2008     2009        2010       2011      2012      index (2007)
 Publieke Omroep                              66         66       65          65         62        62                94
  Nederland 1                                 54         55       54          55         52        51                96
  Nederland 2                                 37         36       34          34         32        31                82
  Nederland 3                                 36         37       36          35         33        31                86
 RTL-zenders                                  58         57       56          56         56        54                92
  RTL4                                        45         43       42          43         43        41                93
  RTL5                                        30         27       25          23         22        18                61
  RTL7                                        27         25       24          25         23        21                78
  RTL8                                          6        15       13          12         12        12               189
 SBS-zenders                                  52         50       49          48         45        41                80
  SBS 6                                       39         39       39          37         34        31                78
  Net5                                        23         22       20          18         16        15                67
  Veronica                                    20         19       17          16         16        14                71
 Bron: SKO Jaarrapporten 2007-2012 (http://www.kijkonderzoek.nl/publicaties/rapporten/rapporten.html, geraadpleegd 15
 september 2013)
Zoals al gememoreerd is de daling in het bereik van de tv-zenders niet vergezeld gegaan van
een navenante teruggang in kijktijd (tabel 3.16). Ten opzichte van het jaar 2000 is de kijktijd
gestegen met 20 procent. De grootste groei vond plaats in de periode 2000-2005. Sinds dat
laatste jaar is de kijktijd van de Nederlander eerst gedaald en daarna weer gestegen. Anno
2012 ligt het op hetzelfde niveau als 2005. De invloed van de seizoenen komt goed uit de
tabel naar voren. In de donkere en koude herfst- en wintermaanden ligt de kijktijd een stuk
hoger dan in de zomer. In de fluctuaties in de maand juni is tevens de invloed van de
voetbalkampioenschappen in de ‘even’ jaren te zien.
                                                                - 35 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre> Tabel 3.16 Kijktijd televisie en video (dvd, on demand) in minuten per dag, 02:00-26:00 uur, 6+, totaal zenders,
 per maand
                 2000 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012                       index (2005)    index (2000)
 jaar              163     195     197    186    184  184     191   191     196               101            120
 januari           185     218     224    213    211  213     212   212     214                98            116
 februari          175     213     236    205    202  205     210   204     216               101            123
 maart             169     206     210    191    198  193     191   198     197                96            117
 april             159     195     200    172    177  175     180   180     199               102            125
 mei               147     185     184    179    157  173     182   179     177                96            120
 juni              159     166     187    170    171  161     184   171     190               114            119
 juli              145     171     152    170    153  160     173   181     173               101            119
 augustus          128     171     176    158    175  153     169   171     172               101            134
 september         166     181     180    181    172  175     181   182     189               104            114
 oktober           170     197     197    190    189  193     196   197     197               100            116
 november          176     215     209    199    204  204     202   207     209                97            119
 december          182 218 213 206 203 205 213 211 216                                         99            119
 Bron: Stichting Kijkonderzoek, Jaarrapporten
 (http://www.kijkonderzoek.nl/publicaties/rapporten/rapporten.html, geraadpleegd 15 september 2013)
De populariteit van de grote voetbaltoernooien is ook goed zichtbaar in tabel 3.17, die per
zendergroep de verdeling van de kijktijd naar programmagenre toont. In de ‘even’ jaren trekt
de sport bij de NPO meer kijktijdaandeel naar zich toe. Dit wordt gespiegeld in de kijktijd naar
met name non-fictie in de ‘oneven’ jaren. Uit het hoge percentage is af te leiden dat ‘non-
fictie’ een zeer brede categorie is. Ze omvat onder meer praatprogramma’s die zowel een
informatief als amuserend karakter hebben.
In de periode 2004-2012 zijn de kijkers naar Nederland 1, 2 en 3 relatief meer op non-fictie
gericht geweest, ten koste van met name het amusement. Bij de RTL-zenders zijn de
kijktijdaandelen behoorlijk stabiel over de genres en jaren. De SBS-zenders hebben de laatste
jaren relatief meer kijktijd gescoord met non-fictie. In de eerdere jaren daalde vooral het
kijktijdaandeel van de sport bij SBS. In meer recente jaren was het de kijktijd naar fictie die in
relatieve zin is afgenomen.
                                                                     - 36 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre> Tabel 3.17 Verdeling kijktijd naar de NPO-, RTL- en SBS-zenders naar programmacategorie, 2004-2012 (in % van totale kijktijd per
 zendergroep)
                                          2004        2005       2006       2007    2008        2009       2010         2011      2012
 NPO       non-fictie                        44         48         46         53       50         54          52           60       55
           fictie                             9           8         9         10        8          7           7             8       7
           amusement                         12         15         11         13       12         13           9             9       8
           sport                             27         20         26         16       22         16          23           14       22
           muziek                             3           4         3          3        2          3           2             3       3
           kind                               5           5         5          6        6          6           6             6       6
 RTL       non-fictie                        45         46         41         43       40         42          43           45       47
           fictie                            38         33         32         35       35         33          31           31       29
           amusement                         12         12         18         13       16         17          18           17       15
           sport                              4           7         8          9        8          7           7             7       9
           muziek                             0           0         0          0        0          0           0             0       0
           kind                               1           0         0          0        0          1           1             1       1
 SBS       non-fictie                        32         32         33         33       36         38          41           47       48
           fictie                            49         50         47         51       50         46          45           43       43
           amusement                          7           6         9         10        9         11          10             7       5
           sport                             11         11         10          5        4          4           4             3       4
           muziek                             0           0         0          0        0          0           0             0       0
           kind                               1           1         1          1        1          1           1             1       0
 Bron: SKO-jaarrapporten 2004-2012 (http://www.kijkonderzoek.nl/publicaties/rapporten/rapporten.html, geraadpleegd 15 september
 2013)
Duidelijk zichtbaar zijn zowel in de programmering (zie boven, tabel 3.11) als in de kijktijd
(tabel 3.17) de profielen van de drie zendergroepen. Op de SBS-zenders stemmen de kijkers
vooral af om fictieprogramma’s te kijken. RTL is een goede tweede, terwijl de NPO het veel
minder van fictie moet hebben in de concurrentie om de kijker. De NPO trekt daarentegen
een groot kijktijdaandeel met zijn sport- en kinderprogrammering en, in vergelijking met de
commerciële zenders, ook met muziek.
3.3 Digitale media
Het in kaart brengen van de reikwijdte van digitale media gelijkt het aan de muur spijkeren
van een pudding. En dat om meerdere redenen. Ten eerste is het internet maar zeer licht
gereguleerd, waardoor het moeilijk is om betrouwbare cijfers te verkrijgen. Ten tweede is het
per definitie wereldomspannend. Dat maakt het lastig om het voor de Nederlands(talig)e
gebruikers relevante deel van het web af te bakenen. Qua taligheid is ook een belangrijk deel
van de .be-domeinen voor Nederlanders toegankelijk, maar welk deel is Nederlands- en welk
deel Franstalig? Een telling van het aantal petabytes aan informatie dat het web omvat is
sowieso te onspecifiek. Een zekere mate van pragmatisme bij het afbakenen van met name
het aanbod aan digitale media is daarom onvermijdelijk.
                                                                    - 37 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>3.3.1 Aanbod
Een goede indicatie van het aanbod aan digitale media gericht op Nederland is het aantal
geregistreerde domeinnamen dat eindigt op .nl. Het is zeker geen feilloze indicator, omdat er
ook talloze op Nederland gerichte domeinen zijn met extensies als .com, .org., .net en .info. Zo
bevinden veel Nederlandse blogs zich op .com-domeinen als Wordpress.com, Blogspot.com
en Tumblr.com. Niettemin hebben veel personen, organisaties en bedrijven gekozen voor een
.nl-domeinnaam. De Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN) houdt bij hoeveel
er zijn geregistreerd. In figuur 3.4 is de groei van het volume aan .nl-domeinnamen per maand
verbeeld.
Figuur 3.4
                                .nl-­‐domeinnamen,	
  jan	
  1998	
  -­‐	
  aug	
  2013	
  	
  
                            .nl-­‐domeinen	
  (linker	
  as,	
  x	
  1	
  mln)	
    groei	
  tov	
  jaar	
  ervoor	
  (x	
  1.000)	
  
      7	
                                                                                                                              70	
  
     6	
                                                                                                                               60	
  
      5	
                                                                                                                              50	
  
      4	
                                                                                                                              40	
  
      3	
                                                                                                                              30	
  
      2	
                                                                                                                              20	
  
      1	
                                                                                                                              10	
  
      0	
                                                                                                                              0	
  
Bron: SIDN (2013), https://www.sidn.nl/fileadmin/downloads/Diversen/NL_STATS_2013_AUG.csv, geraadpleegd 17 september 2013
Het blauwe vlak geeft de indruk van een zeer gelijkmatige stijging van het ‘Nederlandse’ deel
van het internet. Doordat er in de loop der jaren uiteraard ook domeinen zijn verdwenen,
moet het worden gelezen als de netto groei (nieuwe domeinen minus de verdwenen
bestaande). De rode lijn (af te lezen op de rechter as) maakt echter duidelijk dat de groei met
horten en stoten is gegaan. In drie tijdvakken is het groeitempo duidelijk afgezwakt: na het
barsten van de internetzeepbel in 2000-2001, in het eerste jaar na de credit crunch in 2008 en
sinds de recessie waarin de Nederlandse economie zich sinds medio 2011 bevindt. Medio
2013 is het aantal .nl-domeinnamen aanbeland op een niveau van ruim 5 miljoen, ook al is de
grote groei er de laatste twee jaar wel uit. De figuur doet vermoeden dat het aantal domeinen
weer sterker zal gaan groeien als de economische recessie verleden tijd is.
                                                                             - 38 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>3.3.2 Uitrusting
Internationaal gezien behoort Nederland tot de voorlopers in internetuitrusting. We bevinden
ons in het gezelschap van een kopgroep van Zuid-Korea en de Noord-Europese landen,
inclusief IJsland.21 Sinds 2008 beschikken ten minste 9 van de 10 Nederlanders thuis over een
internetaansluiting. De ontwikkeling doet vermoeden dat de 100 procent wellicht niet
gehaald zal worden, net zo min als dat bij de televisie het geval is. Het gaat dan wel, net als bij
de tv, om een vrijwillige keuze, niet om een door economische omstandigheden ingegeven
feit (tabel 3.18).
 Tabel 3.18 Beschikken over apparatuur en internet in het huishouden door personen van 12 jaar en ouder, 2005-
 2012 (%)
                                        2005     2006    2007    2008     2009  2010    2011 2012     index (2005)
 personal computer                         87      88       90      92      93    94      96    96             110
    desktop                                83      83       84      83      83    80      79    78              94
    laptop                                 32      38       45      56      64    71      76    80             250
 internet: aansluiting                     83      85       88      91      93    94      95    96             116
    geen breedband                         23      14        9      13      14      7     10     7              30
    breedband                              59      71       79      78      79    87      85    84             142
 internet: via…
    pc                                     82      85       87      89      92    93      95    95             116
                          desktop          78      79       80      79      80    78      76    74              95
                          laptop           22      28       39      51      60    68      74    78             355
    mobiele telefoon                       11      12       18      22      28    36      51    61             555
    andere apparatuur                       4        6      12      15      24    27      33    39             975
 Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Statline (statline.cbs.nl), geraadpleegd 14 september 2013
De tabel brengt een aantal zaken aan het licht. Naast de bijna volledige dekking met pc’s en
internet is te zien dat de desktopcomputer over zijn hoogtepunt heen is, ook als internet-
device. De laptop is nog wel in opmars maar krijgt als internet-device concurrentie van ‘nog
mobielere’ apparaten als de smartphone en de tablet (verstopt onder ‘andere apparatuur’).
Opmerkelijk is dat het percentage personen dat thuis beschikt over een breedbandaansluiting
sinds 2010 licht is gedaald. Vermoedelijk is de ontvangst via het 3G-netwerk hieraan debet.
Om kosten te besparen kunnen (zeker eenpersoons-)huishoudens volstaan met alleen een
mobiele internetaansluiting via hun smartphone(s) en tablets, mits met 3G- of inmiddels 4G-
ontvangstmogelijkheid uitgerust.
Er is al met al een duidelijke trend naar ‘mobiel’ zichtbaar. Volgens een recent onderzoek van
GfK beschikt inmiddels 44 procent van de Nederlanders over een tablet. En in het eerste
21
   International Telecommunications Union (2013). Measuring the Information Society 2013.
http://www.itu.int/en/ITU-D/Statistics/Pages/publications/mis2013.aspx, geraadpleegd 7 oktober 2013.
                                                                         - 39 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>kwartaal van 2013 overschreed het smartphonebezit de 60%-grens waar het een jaar eerder
net boven de 50 procent was uitgekomen.22
Onder ‘uitrusting’ is met recht en reden ook het aantal personen te scharen dat beschikt over
sociale media accounts. Nu bestaan er in de praktijk meer accounts dan er daadwerkelijk
worden gebruikt. Een aanzienlijk deel is inactief, wat wil zeggen dat de eigenaar van het
account er niet meer naar omkijkt. Een goede proxy van de uitrusting met sociale media is het
aantal maandelijkse unieke bezoekers (figuur 3.5).
Figuur 3.5
Bron: http://www.marketingfacts.nl/berichten/social-media-cijfers-augustus-2013-overzicht/, geraadpleegd 16 september 2013
Uit de figuur wordt duidelijk hoezeer Hyves, dat nog niet zo lang geleden te boek stond als
een uniek Nederlands netwerk met 10 miljoen accounts, in een vrije val is geraakt. Het
Amerikaanse Facebook heeft de socializing-functie van het Nederlandse vriendennetwerk
duidelijk overgenomen. Inmiddels is Hyves door eigenaar TMG tot een gaming platform
omgevormd. Opmerkelijker nog is de constatering dat de groei er bij alle vier de social media
22
   GfK: http://www.gfk.com/nl/news-and-events/press-room/press-releases/paginas/bijna-helft-van-
nederlanders-in-bezit-van-tablet.aspx; Telecompaper: http://www.marketingfacts.nl/berichten/1-op-de-3-
huishoudens-bezit-een-tablet; beide geraadpleegd 26 september 2013.
                                                                   - 40 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>platforms sinds medio 2012 uit lijkt. Vermoedelijk is de recente populariteit van WhatsApp als
groeps-sms-dienst en van Instagram en SnapChat als platforms waarop ouders – nog – niet
meekijken hier op zijn minst gedeeltelijk voor verantwoordelijk.
3.3.3 Bereik/gebruik
Net als bij het aanbod aan websites is het in kaart brengen van het bereik en gebruik van
afzonderlijke sites en mobiele diensten ondoenlijk. We doen er verstandig aan ons te
beperken tot bulkgegevens. Deze zijn weinig gedifferentieerd maar geven toch wel een
goede indicatie van hoe ons media- en informatiegebruik alsmede onze manieren van
communiceren veranderd zijn in een bestek van maar enkele jaren.
Figuur 3.6
Bron: EZ, TNO & CBS (2013), Ict, kennis en economie 2013, p. 61 (http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/vrije-tijd-
cultuur/publicaties/publicaties/archief/2013/2013-ict-kennis-economie-2012-pub.htm, geraadpleegd 17 september 2013)
                                                                       - 41 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Het grootste deel van het Nederlandse internetverkeer, in het binnenland en naar en van het
buitenland, verloopt via de twee knooppunten AMS-IX en NL-IX. Figuur 3.6 geeft daarom een
goed beeld van de exponentiële groei in het internetverkeer hier te lande. De toegenomen
breedbandigheid van de internetaansluitingen leidt ertoe dat er steeds makkelijker grote
bestanden worden uitgewisseld (denk aan muziek, foto’s en film(pje)s) en er steeds vaker
content gestreamd wordt. Eind 2012 was er maandelijks 500 terabyte aan data in het
internetverkeer via de twee Nederlandse knooppunten. Dat komt ongeveer overeen met 50
keer de gedrukte collectie van ’s werelds grootste bibliotheek, de Library of Congress in de VS.
Figuur 3.7
Bron: EZ, TNO & CBS (2013), Ict, kennis en economie 2013, p. 62 (http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/vrije-tijd-
cultuur/publicaties/publicaties/archief/2013/2013-ict-kennis-economie-2012-pub.htm, geraadpleegd 17 september 2013).
Figuur 3.7 toont dat er in de eerste helft van 2012 bijna 10 terabyte aan data via het mobiele
internet (thuis-wifi daarin dus niet inbegrepen) in Nederland vloeide; ongeveer evenveel
informatie als in de gedrukte collectie van de Library of Congress. Hoewel het gaat om maar
een klein deel van het totale volume aan data dat via internet stroomt (in deze figuur gaat het
om halfjaarlijkse hoeveelheden, in de vorige figuur om maandelijkse), is de groeicurve hier
                                                                     - 42 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>steiler. Het is daarom niet te gewaagd te stellen dat de toekomst van het internet, ook in ons
land, draadloos zal zijn.
Waar worden digitale media gebruikt? De huiselijke sfeer spant nog steeds de kroon, zoals dat
ook al in 2005 zo was (figuur 3.8).
Figuur 3.8
Bron: EZ, TNO & CBS (2013), Ict, kennis en economie 2013, p. 85 (http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/vrije-tijd-
cultuur/publicaties/publicaties/archief/2013/2013-ict-kennis-economie-2012-pub.htm, geraadpleegd 17 september 2013).
Het percentage feitelijke internetgebruikers ligt lager dan het aantal mensen dat toegang tot
het net hebben (uitrusting). Basis voor figuur 3.8 zijn alleen de feitelijke gebruikers; hoeveel
dat er zijn ten opzichte van degenen die toegang hebben, is niet precies bekend. Hoe dan ook
blijkt dat van de mensen die in de afgelopen drie maanden het internet hebben gebruikt, in
2012 toch zo’n 13 procent dat niet (bijna) dagelijks doet. Zo’n 11 procent van de gebruikers
doet het minimaal een keer per week en nog eens 2 procent minder vaak dan eens per week.
Het percentage bijna dagelijkse gebruikers is wel gestegen sinds 2005.
De grootste groei bij de plaats waar men het internet gebruikt, is niet thuis, op het werk of op
school, of bij iemand anders thuis, maar ‘elders’ – een categorie die vermoedelijk voor een
belangrijk deel het gebruik onderweg omvat. Dat het gebruik op het werk en in het onderwijs
                                                                     - 43 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>maar licht is gestegen sinds 2005 heeft ermee te maken dat lang niet alle internetgebruikers
betaald werk verrichten of studeren, en ook met het gegeven dat voor lang niet alle banen
internetgebruik vereist is of in de rede ligt.
Het mobiele internet is aan een opmars bezig, zagen we al. Dat de smartphone daarbij de
kroon spant als ontvangstapparaat, blijkt uit figuur 3.9.
Figuur 3.9
Bron: EZ, TNO & CBS (2013), Ict, kennis en economie 2013, p. 86 (http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/vrije-tijd-
cultuur/publicaties/publicaties/archief/2013/2013-ict-kennis-economie-2012-pub.htm, geraadpleegd 17 september 2013).
De smartphone, als meest mobiele van de drie apparaten, wordt door bijna zeventig procent
van de mobiele internetgebruikers (bijna) dagelijks gebruikt. Laptops en tablets gaan minder
vaak mee onderweg, wat zich uitdrukt in een stuk lagere percentages (bijna) dagelijks gebruik
als internetdevices.
Van datavolume en gebruiksfrequentie hebben we nu wel een aardig beeld. Maar hoeveel tijd
spenderen we aan het web? En welke sociale verschillen doen zich daarbij voor? Tabel 3.19
geeft daarvan een indruk.
                                                                     - 44 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre> Tabel 3.19 Tijdbesteding aan surfen, bevolking 13+ naar sekse, leeftijd en opleiding, 2011-2012
 (uren per week)
                                         2011          2012       index (2011)
 allen                                    11,3          11,3                                    100
 man                                      12,5          12,5                                    100
 vrouw                                    10,0          10,2                                    102
 13-17 jaar                               13,6          13,5                                     99
 18-24 jaar                               17,6          16,8                                     95
 25-34 jaar                               13,4          14,4                                    107
 35-49 jaar                               11,0          11,1                                    103
 50-64 jaar                                9,0            9,0                                   100
 65+                                       6,2            6,2                                   100
 laag                                      7,7            8,3                                   108
 midden                                   10,5          10,6                                    101
 hoog                                     13,4          13,3                                     99
 Bron: Media Standaard Survey 2012, p. 6
 (http://www.kijkonderzoek.nl/images/MSS/Rapportage_2012_Media_Standaard_Survey_MSS.pdf,
 geraadpleegd 16 september 2013)
Gebruikers vragen naar hun gebruikstijd van een medium in een vragenlijst, is vragen om
overschatting van de werkelijk bestede tijd.23 Aan de absolute hoogte van de gerapporteerde
tijd in tabel 3.19 moeten we daarom misschien niet teveel waarde hechten, al lijkt de ruim 1,5
uur per dag die voor 2011 en 2012 wordt gerapporteerd ook weer niet ver bezijden de
waarheid. Relevanter zijn de sociale verschillen en de groei die in de meeste
bevolkingsgroepen lijkt te zijn gestokt. Alleen onder laagopgeleiden en de leeftijdsgroep van
25-34 jaar was nog sprake van groei, terwijl de jongvolwassenen tussen 18-24 jaar minder tijd
aan het internet zijn gaan besteden. Mogelijk heeft de benaming ‘surfen’ voor onduidelijkheid
gezorgd, aangezien die benaming steeds minder geschikt lijkt voor wat men op het net doet.
Men ‘surft’ minder dan voorheen min of meer doelloos van de ene site naar de andere, maar
bezoekt gerichter sites die men al kent.
Dat de groei in het internetgebruik er een beetje uit is, blijkt ook uit tabel 3.20, waarin soorten
internetgebruik zijn uitgezet voor de periode 2005-2012.
23
   Robinson, J.P. (1985). The Validity and Reliability of Diaries versus Alternative Time Use Measures. In F.T. Juster,
& F.P. Stafford (Eds.), Time, Goods, and Well-Being (pp. 33-62). Ann Arbor: Survey Research Center, University of
Michigan.
                                                                    - 45 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre> Tabel 3.20 Soorten internetgebruik onder internetgebruikers (in afgelopen 3 maanden) van 12-74 jaar, 2005-2012 (%)
                                                                                                                       index
                                                          2005     2006     2007    2008   2009   2010     2011   2012 (2005)
 informatie over goederen en diensten zoeken                 87        88     89       86    87      90        87   89    102
 radio luisteren of tv kijken                                26        35     42       52    57      58        60   60    231
 spelletjes, afbeeldingen of muziek*                         50        55     56       65    57      56        59   60    120
 kranten downloaden of lezen                                 35        43     45       47    49      53        56   59    169
 diensten van de reisbranche gebruiken                       49        50     54       55    51      55        52   55    112
 software downloaden                                         27        31     34       37    34      32        30   33    122
 solliciteren en/of zoeken naar een baan                     19        22     21       18    19      21        20   21    111
 telebankieren                                               58        67     72       74    78      81        82   82    141
 andere financiële diensten                                   5         8      7        8     6        9        9   12    240
 Bron: EZ, TNO & CBS (2013), Ict, kennis en economie 2013, p. 88 (http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/vrije-tijd-
 cultuur/publicaties/publicaties/archief/2013/2013-ict-kennis-economie-2012-pub.htm, geraadpleegd 17 september 2013).
Bij de in de tabel opgesomde gebruiksmogelijkheden valt op dat het vooral het naar het net
gemigreerde mediagebruik is dat sinds 2005 in de lift heeft gezeten. Het luisteren naar de
radio of kijken naar tv is in de periode 2005-2009 sterk gegroeid. Sindsdien is de groei er wel
uit. Het downloaden of lezen van kranten groeit nog wel gestaag in recente jaren. Verder zijn
het het telebankieren en andere financiële diensten die de afgelopen zeven jaar groei hebben
laten zien.
Specifiek voor radio zijn er ook gegevens voor de periode 2005-2012 (figuur 3.10).
                                                                     - 46 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Figuur 3.10
Bron: Radio Advies Bureau/GfK (2013), Radioplatforms 2013 (http://www.rab.fm/Onderzoek/radioplatforms/, geraadpleegd 26 september
2013)
Uit de figuur komt hetzelfde beeld naar voren als uit de vorige tabel: de sterke groei in het
gebruik van audio- en audiovisuele media vond plaats in de periode 2005-2008. Daarna is de
groei bescheiden geweest. Anno 2012 gebruikte ruim een op de drie Nederlanders vanaf 13
jaar internetradio.
Een aanvullend beeld van de vertegenwoordiging van ‘traditionele’ media op het web komt
naar voren uit het bezoek dat wordt gebracht aan websites van mediaorganisaties en –
bedrijven (figuur 3.11).
                                                                  - 47 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Figuur 3.11
                     Bezoeken	
  aan	
  websites	
  van	
  enkele	
  mediaorganisaties/
                                             bedrijven	
  (januari,	
  x	
  1000)	
  
  350.0	
  
  300.0	
  
  250.0	
  
                                                                                                   NPO	
  
                                                                                                   RTLa	
  
  200.0	
  
                                                                                                   SBS	
  
  150.0	
                                                                                          TelegraaYb	
  
                                                                                                   Wegener	
  
  100.0	
                                                                                          Sanomac	
  
    50.0	
  
      0.0	
  
                2007	
          2008	
       2009	
     2010	
          2011	
   2012	
   2013	
  
a RTL: vanaf 2012 incl. Buienradar.nl.
b Telegraaf: vanaf 2011 incl. Hyves.nl.
c Sanoma: vanaf 2010 incl. Nu.nl.
Bron: STIR (www.stir.nl), geraadpleegd 9 september 2013
Het meest in het oog springende gegeven dat uit figuur 3.11 naar voren komt, is de algehele
daling in bezoeken aan de sites tussen januari 2012 en januari 2013. In alle zes gevallen daalt
het aantal bezoeken in niet geringe mate. De Telegraaf Media Groep (TMG) spant daarbij de
kroon door de teruggang van het sociale netwerk Hyves, dat men in 2010 acquireerde. De
overnames van Nu.nl en Buienradar.nl door respectievelijk Sanoma en RTL heeft de
aantrekkelijkheid voor adverteerders van deze bedrijven eveneens vergroot, maar ook hier
bleek het van tijdelijke aard. Of dit betekent dat de groei op het web eruit is, is niet zeker,
maar het is zeker een teken aan de wand dat er geen dubbelcijferige groeipercentages
verwacht moeten worden voor de komende jaren. Figuur 3.12 met de bereikspercentages van
de zes organisaties/ondernemingen onderstreept dat nog eens.
                                                                 - 48 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Figuur 3.12
                          Bereik	
  gezamenlijke	
  websites	
  van	
  enkele	
  
                     mediabedrijven/organisaties	
  (13+,	
  januari,	
  %)	
  
  90	
  
  80	
  
  70	
  
                                                                                       NPO	
  
  60	
  
                                                                                       RTL	
  
  50	
                                                                                 SBS	
  
                                                                                       Telegraaf	
  
  40	
  
                                                                                       Wegener	
  
  30	
  
                                                                                       Sanoma	
  
  20	
                                                                                 totaal	
  
  10	
  
    0	
  
            2007	
       2008	
      2009	
    2010	
   2011	
       2012	
   2013	
  
a RTL: vanaf 2012 incl. Buienradar.nl.
b Telegraaf: vanaf 2011 incl. Hyves.nl.
c Sanoma: vanaf 2010 incl. Nu.nl.
Bron: STIR (www.stir.nl), geraadpleegd 9 september 2013
In vijf van de zes gevallen daalde het bereik van de gezamenlijke websites binnen de zes
mediaorganisaties/-bedrijven tussen januari 2012 en januari 2013. Alleen SBS liet een zeer
licht herstel zien. Bijzonder scherp waren de dalingen bij RTL en de Telegraaf Media Groep.
Ook de NPO had met een substantiële teruggang te maken.
                                                                 - 49 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>Figuur 3.13
Bron: TelecomPaper TP Research (2013), Monitor Mobiele Markt januari 2013, p. 52 (https://www.acm.nl/nl/download/publicatie/?id=11717,
gedownload 17 september 2013)
Tot slot van deze verkenning van het gebruik van digitale media geeft figuur 3.13 een indruk
van de groei en de relatieve verspreiding van tablet-apps voor verschillende doeleinden in het
jaar 2012. Het meest populair waren apps gekoppeld aan sociale media. Aan het eind van dat
jaar maakte iets meer dan de helft van de bevolking van 12-80 jaar gebruik van ten minste één
app voor sociale media op een tablet. Instant messaging (IM) lijkt daar in het tweede halfjaar
van 2012 een beetje onder te hebben geleden. Een sterke groei maakten de apps van tv-
aanbieders door. In iets minder sterke mate geldt dat ook voor apps waarmee tv online
gestreamd kan worden. (Video)bellen via apps maakte maar een lichte groei door.
Alles overziend kan de verkenning van de verspreiding en gebruik van digitale media in drie
punten worden samengevat:
     1. Het internetgebruik groeit sterk in termen van datavolume, maar nauwelijks of zelfs
           niet meer in termen van bereik en gebruiksintensiteit ;
     2. Internetgebruik wordt in toenemende mate mobiel;
     3. Bij het gebruik van traditionele media als kranten, radio en televisie via internet is nog
           wel een lichte groei waarneembaar.
                                                                - 50 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>3.4 Nederlandse publieke omroep in perspectief
In hoeverre is de publieke omroep in een veranderend medialandschap nog nodig als borger
van kernwaarden als onafhankelijkheid, verscheidenheid, kwaliteit en toegankelijkheid? Het
antwoord op die vraag blijft in laatste instantie een politieke. De cijfermatige trends die in dit
hoofdstuk zijn gepresenteerd, geven alleen de kaders aan waarbinnen een politieke afweging
over het waarom en hoe van een publieke mediavoorziening moet worden gemaakt.
Om de inkadering nog wat steviger te maken, plaatsen we in deze slotparagraaf de
Nederlandse publieke omroep in de context van het Europese buitenland. De focus ligt
daarbij op de financieringskwestie. Vooraleer we dat doen, kijken we naar de financiering van
de Nederlandse Publieke Omroep zelf. Aan de meerjarenbegroting voor de periode 2012-
2016 ontlenen we cijfers over de inzet van middelen voor de drie platforms waarop de NPO
actief is: video, audio en internet (tabel 3.21).
 Tabel 3.21 Meerjarenbegroting Nederlandse Publieke Omroep 2010-2013 naar video, audio en
 internet (in mln EUR)
                                                             2010      2011     2012      2013
 Video         bijdragen OCW                                 515,7     529,5    515,1     513,7
               inzet (overgedragen) reserves                  19,2      16,4     21,0       8,0
               overige inkomsten                              50,9      15,5     13,6      12,4
               totaal                                        585,8     561,4    549,7     534,1
                w.v. Z@ppelin/Z@PP                            50,8      54,5     60,8      60,9
                w.v. themakanalen video                       10,0      12,0      8,2       8,3
 Audio         bijdragen OCW                                  93,0     103,7    103,6     104,6
               inzet (overgedragen) reserves                    0,4       0,0     0,2       0,0
               overige inkomsten                                7,3       0,7     0,5       0,5
               totaal                                        100,7     104,4    104,3     105,2
 Internet      bijdragen OCW                                  23,0      25,2      0,0       0,0
               inzet (overgedragen) reserves                    1,8       0,0     0,0       0,0
               overige inkomsten                                5,2       3,0     0,0       0,0
               totaal                                         30,0      28,2      0,0       0,0
 Noot: vanaf 2012 is het budget voor Internet overgeheveld naar de post Video (2012: 16,2
 miljoen)
 Bron: NPO (2011, september), Meerjarenbegroting Publieke Omroep 2012-2016, pp. 66-67
 (http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-
 publicaties/begrotingen/2012/04/27/meerjarenbegroting-2012-2016-nederlandse-publieke-
 omroep-npo.html, geraadpleegd 16 september 2013)
Uit de tabel blijkt dat het budget voor video, dat vanaf 2012 ook het internetaanbod omvat,
daalt (volgens de ingediende begroting althans). Binnen dat krimpende budget wordt meer
besteed aan de kinderprogrammering via Z@ppelin en Z@pp. Aan de digitale themakanalen
wordt na 2011 flink minder uitgegeven.
                                                                   - 51 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Het audiobudget blijft wel op peil en groeit licht. Dit betekent dat de bestedingen ongeveer
gelijk blijven als de invloed van de inflatie wordt verdisconteerd.
De bijdragen OCW in de tabel zijn met inbegrip van de STER-reclamegelden, die hier dus niet
apart als inkomstenbron worden opgevoerd (ze worden door de STER afgedragen aan OCW
en vinden hun weg terug via de OCW-bijdrage aan de NPO).
Over de reclame als inkomstenbron voor de Publieke Omroep is al jaren veel te doen. Private
mediabedrijven stellen dat de Publieke Omroep de vrijemarktwerking verstoort. De STER-
reclame haalt immers geld uit de markt door het uitzenden van met belastinggeld
geproduceerde programma’s en webcontent. Dit belemmert organisaties en bedrijven die het
zonder overheidsgeld moeten redden in het betreden van de omroepmarkt. Nu de meeste
mediabedrijven crossmediaal werken, is het commercieel exploiteren van met belastinggeld
vervaardigde content op websites van de Publieke Omroep een doorn in het oog.
Voorstanders van een reclamedragende omroep brengen daartegen in dat de publieke
omroep zonder reclame voor de belastingbetaler duurder zou worden. De publieke
programma’s trekken kijkers en dus is het interessant voor adverteerders om voor en na die
programma’s hun boodschap kwijt te kunnen. Adverteerders zien de reclameblokken dus ook
niet graag verdwijnen, en dat is een tweede argument om reclame op de Publieke Omroep te
houden.
Gezien deze discussie, die uiteraard ook in andere (EU-)landen speelt, is het interessant te
bekijken hoe de Nederlandse reclamemarkt eruit ziet in Europese context. We beperken ons
tot een vergelijking van Nederland met de EU als geheel, waarin de Nederlandse
marktverhoudingen dus meewegen (figuur 3.14).
Figuur 3.14
                            Reclamebestedingen	
  in	
  Nederland	
  en	
  de	
  Europese	
  Unie	
  naar	
  
                                        mediumtype,	
  2007-­‐2011	
  (in	
  %)	
  
                 2007	
                          35	
                                   18	
                            20	
                           6	
   0	
  4	
                17	
  
 Nederland	
  
                 2008	
                         34	
                                  18	
                           20	
                          6	
   0	
  4	
                   18	
  
                                                                                                                                                                                                              dagbladen	
  
                 2009	
                       31	
                             15	
                           21	
                         6	
   0	
  4	
                         22	
  
                                                                                                                                                                                                              tijdschriften	
  
                 2010	
                      29	
                         14	
                        22	
                        6	
   0	
  4	
                            26	
  
                 2011	
                 26	
                       12	
                          23	
                        6	
   0	
  4	
                               29	
                                televisie	
  
                 2007	
                      30	
                           14	
                                    32	
                                      5	
   1	
   6	
              12	
               radio	
  
                 2008	
                  28	
                             14	
                                 32	
                                     5	
   1	
   6	
                14	
                   bioscoop	
  
 EU27	
          2009	
                 27	
                        12	
                                   32	
                                   6	
   1	
   6	
                    16	
                     outdoor	
  
                 2010	
                25	
                      11	
                                33	
                                       5	
   1	
   6	
                     18	
                      internet	
  
                 2011	
               24	
                     11	
                               33	
                                   5	
   1	
   6	
                          21	
  
                            0	
     10	
              20	
      30	
               40	
          50	
               60	
               70	
                   80	
                 90	
             100	
  
Bron: European Audiovisual Observatory (2013), tabel T4-13 (http://www.obs.coe.int/about/online_services.html, geraadpleegd 17
september 2013); eigen berekeningen
                                                                                                          - 52 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>In 2007 waren dagbladen en tijdschriften in Nederland nog goed voor ruim de helft (53%) van
de reclamebestedingen (in dat jaar 4,4 miljard euro24), tegenover 44 procent in de EU als
geheel. Het aandeel dat internet naar zich toe trok, lag toen al boven het EU-gemiddelde. De
bestedingen aan televisiereclame lagen in Nederland een stuk lager. Sindsdien is het aandeel
van print in de totale bestedingen sterker gedaald dan in de gehele Unie. Vooral bij
tijdschriften was dit het geval. Internet groeide als advertentiemedium sterk en sinds 2011
trekt het een even groot aandeel van de reclamegelden (nu wat lager, 4,0 miljard euro25) naar
zich toe als televisie en radio samen. Anno 2011 zijn de aandelen print en internet nog altijd
groter dan in de EU als geheel en is de positie van de tv-reclame in EU-vergelijking nog altijd
niet rooskleurig.
Ook niet florissant in EU-vergelijking is het bedrag aan inkomsten per hoofd van de bevolking
dat de Nederlandse Publieke Omroep te besteden heeft. In 2011 bedroeg het totaal van
publieke inkomsten, commerciële inkomsten (Ster-inkomsten, sponsoring, verkoop
programma’s en formats etc.) en overige inkomsten van de Nederlandse publieke omroep 980
miljoen euro. Per hoofd van de bevolking is dat 59 euro. Weliswaar laat Nederland daarmee de
meeste andere EU-landen achter zich (figuur 3.15), maar de landen aan welke het zich
normaal spiegelt, hebben per hoofd vaak fors meer te besteden. Ook moet bedacht worden
dat het budget van de publieke omroepen in landen als Spanje en Italië, met vergelijkbare
(iets lagere) per capita inkomsten, veel groter is doordat deze landen veel meer inwoners
hebben. In Spanje had de publieke omroep een budget van 2,5 miljard en in Italië 3,0 miljard
euro te besteden in 2011. Daarmee bevinden ze zich in de achterhoede van andere grote
Europese landen als Duitsland (8,9 miljard), Groot-Brittannië (7,1 miljard) en Frankrijk (4,6
miljard). In het minder bevolkingsrijke Oostenrijk was het budget iets hoger dan het
Nederlandse. Denemarken (830 miljoen), Zweden (790 miljoen) en België (730 miljoen)
hebben niet veel minder te besteden, ondanks hun veel kleinere bevolkingsomvang.
24
   Boston Consulting Group (2013), Onderzoek naar mogelijkheden tot verhogen inkomsten van de Landelijke
Publieke Omroep; bijlage bij Kamerstuk 32 827 nr 57 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-253734.pdf),
p. 24
25
   Idem, p. 24.
                                                     - 53 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>Figuur 3.15
                                                    Publieke	
  omroep	
  in	
  24	
  EU-­‐landen:	
  	
  
                                                     inkomsten	
  per	
  capita,	
  2011	
  (EUR)	
  
  160	
  
  140	
  
  120	
  
  100	
  
   80	
  
   60	
  
   40	
  
   20	
  
     0	
  
           LT	
   BG	
  	
  RO	
  	
  LV	
  	
   PL	
   EE	
  	
   SK	
   GR	
   PT	
  	
  HU	
  CZ	
  	
   CY	
   IT	
   ES	
  	
  NL	
  	
   SI	
   FR	
   IE	
   FI	
   SE	
  	
  DE	
  	
  GB	
   AT	
   DK	
  
Bron: European Audiovisual Observatory (2013), tabel T4-06 (http://www.obs.coe.int/about/online_services.html, geraadpleegd 9 september
2013)
In de discussie over de financiën van de Nederlandse publieke omroep wordt vaak de grote
overhead genoemd die het bestel onnodig duur zou maken. Die overhead is een rechtstreeks
gevolg van de inrichting van het bestel, waarin het stromingenbeginstel (elke
maatschappelijke of levensbeschouwelijke stroming kan, mits die aantoont over voldoende
draagvlak – leden – te beschikken, toegang krijgen tot omroepzendtijd en -geld). Door de vele
omroepdirecties en –besturen, die het ook nog eens met elkaar eens moeten worden over de
strategische koers, zou het bestel bovendien onvoldoende slagvaardig zijn.
                                                                                                                   - 54 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>Figuur 3.16
                                         Publieke	
  omroep	
  in	
  24	
  EU-­‐landen:	
  inkomsten	
  
                                               per	
  capita	
  versus	
  marktaandeel	
  
                               80	
  
                                                                                                             y	
  =	
  0.4577x	
  
                                                                                                             R²	
  =	
  0.55811	
  
                               70	
  
                               60	
  
     marktaandeel	
  (%)	
  
                               50	
  
                               40	
  
                               30	
  
                               20	
  
                               10	
  
                                 0	
  
                                         0	
     20	
     40	
           60	
       80	
      100	
      120	
        140	
           160	
  
                                                                   inkomsten	
  per	
  capita	
  (EUR)	
  
Bron: European Audiovisual Observatory (2013), tabel T4-06 en tabel T5-04 (http://www.obs.coe.int/about/online_services.html,
geraadpleegd 9 september 2013); eigen berekeningen
Wanneer de inkomsten per hoofd van de bevolking worden afgezet tegen het behaalde
marktaandeel (figuur 3.16) dringt zich in ieder geval de suggestie op dat de in de publieke
omroep geïnvesteerde gelden zich uitbetalen. In landen waar de inkomsten per capita hoger
liggen, is dat grosso modo ook voor het marktaandeel het geval. De zogenaamde regressielijn
die door de datapunten loopt, geeft modelmatig aan hoe het verband verloopt. Bijna 56
procent van de variantie in het marktaandeel blijkt te verklaren door de inkomsten per
capita.26 Daarmee wil zeker niet gezegd zijn dat in de publieke omroep geïnvesteerd geld de
alles bepalende factor is. Zo maken de commerciële revenuen onderdeel uit van de inkomsten
op de horizontale as, en die zijn in de regel hoger als het marktaandeel hoger is. In
onderzoekjargon zit er daarmee een reverse causaliteit in het model. Ook is zeer goed
denkbaar dat er achter de inkomsten per hoofd andere variabelen schuilgaan die het in de
figuur gesuggereerde verband geheel of gedeeltelijk zouden kunnen wegverklaren.
Laten we deze kanttekeningen buiten beschouwing en kijken we puur naar de samenhang,
dan kan aan de positie van Nederland in de figuur (het rode wybertje) worden afgelezen dat
de Nederlandse Publieke Omroep in 2011 een iets hoger marktaandeel bereikte dan op grond
van de inkomsten per capita verwacht mocht worden. De Italiaanse en vooral de Poolse
26
  Voor liefhebbers: de regressielijn is hier op de oorsprong gefixeerd. Wordt die beperking losgelaten, dan wordt
een nog veel hogere R2 gevonden (0,736). In dat model doorsnijdt de regressielijn de Y-as bij het punt 10,6. Dat
zou inhouden dat bij een investering van 0 euro per hoofd van de bevolking al een marktaandeel van ruim 10%
behaald zou kunnen worden, wat uiteraard nogal onwaarschijnlijk is.
                                                                                               - 55 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>publieke omroepen doen het ronduit goed, terwijl het de Oostenrijkse en Duitse omroepen
zijn die qua marktaandeel minder presteren dan gemiddeld in de EU.
3.5	
  Conclusies	
  
In dit hoofdstuk is een groot aantal trends in aanbod, uitrusting, bereik en gebruik met behulp
van cijfers beschreven. Het is bijna niet doenlijk om de vele ontwikkelingen in een paar
kerntrends samen te vatten. Niettemin doen we een poging.
Allereerst is duidelijk dat het internet steeds meer de ruggengraat aan het worden is van alles
wat we doen op de terreinen van media, informatie en communicatie. Niet alles wat digitaal is,
verloopt via het Internet Protocol (denk bijvoorbeeld aan digitale ethertelevisie en –radio, het
in aanbouw zijnde DAB+), maar het internet is wel meer en meer hét distributieplatform aan
het worden, ook voor de traditionele gedrukte en audiovisuele media.
Een tweede trend is die van ‘vast’ naar ‘mobiel’. Laptops, smartphones en tablets winnen aan
populariteit als ontvangst- en zendtoestellen. De handzaamheid en multifunctionaliteit in
combinatie met draadloze verbindingen, inclusief de 3G- en 4G-netwerken, duwen de vaste
verbindingen en desktop computers langzaam maar zeker naar de achtergrond.
Een derde observatie is dat de gedrukte media nog erg aan papier zijn gebonden. Ze hebben
niet de overstap gemaakt naar het web als distributieplatform die bij radio en televisie
waarneembaar is. De vergelijking gaat in enkele opzichten mank, maar waar we bij radio en
televisie zien dat de apparatuur van dertig jaar geleden nu echt op haar retour is, zien we bij
dagbladen en tijdschriften dat het verkoopmodel nog sterk aan het aloude papier is
gebonden. Internetgebruikers zijn in recente jaren wel vaker omroep- en dagbladcontent
gaan gebruiken (tabel 3.20) maar dit uit zich vooralsnog niet in het verkopen van digi-only-
abonnementen aan nieuwe doelgroepen. Dit terwijl er met de laptops, tablets en
smartphones zeker mogelijkheden zijn bijgekomen om de overstap naar digitaal te maken.
Kranten die met digitale abonnementen experimenteren, boeken vooralsnog niet de oplages
die ze met papier nog wel bereiken. Hét verdienmodel voor dagbladen en tijdschriften op
internet lijkt nog niet te zijn gevonden. Dit uit zich in een gestaag afnemend bereik van ‘print’
en daarmee ook een dalende interesse van adverteerders voor krant en blad als
advertentiemedia.
Misschien wel de opmerkelijkste observatie is dat de groei bij het web- en sociale
mediagebruik er een beetje uit lijkt te zijn. De hoeveelheid data die wordt verwerkt groeit nog
altijd sterk, maar de websites van de grote aanbieders in Nederland worden – zeer recent –
minder vaak bezocht dan voorheen. Per bezoek aan een site neemt de data-intensiteit (de
hoeveelheid gedown- en geüploade data) wel toe, maar het aantal bezoeken stijgt dus niet
meer.
Over de verhouding tussen publieke en commerciële aanbieders van content zeggen deze
trends nog niet zo veel. Duidelijk is wel dat een publieke omroep die op het – mobiele – web
                                                - 56 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>zijn vleugels niet kan uitslaan, op termijn gemarginaliseerd zal raken. Anderzijds kan een te
zeer protectionistische benadering van de publieke media fnuikend uitpakken voor nieuwe
initiatieven. Bedoeld worden initiatieven die vanuit een publiek ethos worden opgestart met
als oogmerk niet uit te gaan van bestaande werkwijzen maar juist op de nieuwe media
toegesneden aanpakken uit te proberen. Hierin een evenwicht vinden is voorwaar een
bijzonder lastige politieke opgave.
                                               - 57 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>4. Contouren beleid 2013-2020
Tien jaar geleden begon een discussie over het te voeren mediabeleid die nog altijd niet is
afgesloten. De kern van de discussie laat zich samenvatten in drie samenhangende
uitgangspunten:
      1. In een geglobaliseerde markt moet overheidsbeleid gericht zijn op het waarborgen
           van het publieke belang (‘the public interest’) daar waar marktfalen ertoe leidt dat er
           geen maatschappelijk gewenst optimum ontstaat. Dit publieke belang is op
           verscheidene terreinen te definiëren: sociaal-cultureel, economisch en politiek (Van
           Cuilenburg en McQuail 2003).27
      2. Het is niet langer zinvol beleid te voeren op de afzonderlijke terreinen pers, omroep,
           (overheids)informatie en (tele)communicatie. Er moet worden toegewerkt naar een
           geïntegreerd communicatiebeleid, dat wil zeggen beleid voor “het geheel van
           technische, juridische, economische en sociale voorzieningen voor maatschappelijke
           communicatie” (Bardoel en Van Cuilenburg 2003: 20).28
      3. Dit geïntegreerde beleid moet niet sturen op mediumtypen (pers, omroep, etc.) maar
           juist distributietechnologie-onafhankelijk op de functies die media, informatie en
           communicatie voor burgers vervullen (Huysmans et al. 2004; WRR 2005).29
Vanuit dit perspectief op het gehele maatschappelijke communicatiesysteem krijgt het
nadenken over de toekomst van de publieke omroep een ruimere invulling dan wanneer het
over de grootte van het budget van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) gaat. Doel van
dit beknopte en essayistische slothoofdstuk is om dit brede perspectief voor ogen te houden
bij het nadenken over de toekomst van de historisch gegroeide constellatie van Hilversumse
omroeporganisaties. Hierbij sluiten we aan bij de discussie die in 2005 ontstond naar
aanleiding van de publicatie van het WRR-advies Focus op functies. We gaan na in hoeverre het
door de WRR geïntroduceerde denkkader van waarden en functies acht jaar later nog bij de
tijd is. En zo ja, of het goede diensten zou kunnen bewijzen bij het nadenken over een
geïntegreerd communicatiebeleid waarbij de drie uitgangspunten hierboven leidend zijn.
4.1 Het denkkader van de WRR
De analyse die de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in 2005 presenteerde in
het rapport Focus op functies, was gestoeld op de observatie dat het medialandschap te snel
veranderde om het in een strak beleidskader te kunnen vatten. Wetten en regelgeving
27
   J.J. van Cuilenburg en D. McQuail (2003), Media Policy Paradigm Shifts. Towards a New Communications Policy
Paradigm. European Journal of Communication, 18 (2), 181-207.
28
   J. Bardoel en J. van Cuilenburg (2003), Communicatiebeleid en communicatiemarkt - Over beleid, economie en
management voor de communicatiesector, Amsterdam: Cramwinckel.
29
   F. Huysmans, J. de Haan en A. van den Broek (2004). Achter de schermen. Een kwart eeuw lezen, luisteren, kijken en
internetten. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau
(http://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2004/Achter_de_schermen, geraadpleegd 9
september 2013); Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2005). Focus op functies. Uitdagingen voor
een toekomstbestendig mediabeleid. Den Haag: WRR/Amsterdam: Amsterdam University Press
(http://www.wrr.nl/publicaties/publicatie/article/focus-op-functies-uitdagingen-voor-een-toekomstbestendig-
mediabeleid-1/, geraadpleegd 10 oktober 2013).
                                                        - 58 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>zouden te snel gaan knellen, wat niet alleen eventuele onwenselijke maar ook wenselijke
ontwikkelingen in de weg zou gaan zitten. De Raad stelde in plaats daarvan een
beleidsinstrumentarium voor waarin variëteit en selectie de boventoon voeren. Hierbij wordt
zo weinig mogelijk in regels en voorschriften neergelegd. De veranderlijkheid van het
medialandschap wordt als uitgangspunt genomen bij het monitoren van ontwikkelingen in
dat landschap. Het beleid observeert die, benoemt positieve en negatieve ontwikkelingen en
probeert op basis daarvan bij te sturen in de maatschappelijk wenselijke richting. Het is dus
vooral een kwestie van trial-and-error. Dat stelt eisen aan het kunnen omgaan met
onzekerheid, bij de beleidsmakers maar zeker ook bij de actoren in het medialandschap.
Tegelijkertijd tekent de Raad aan dat het helemaal zonder wetten en regels natuurlijk ook niet
zal gaan, met name waar de grondrechten als de vrijheid van meningsuiting en bescherming
van de persoonlijke levenssfeer in het geding zijn.
Wat die maatschappelijk wenselijke richting betreft, gaf de Raad een leidraad met het
benoemen van een zestal waarden die aan het beleid ten grondslag liggen, en een zestal
functies die de media in en voor de samenleving vervullen. De zes waarden pluriformiteit,
toegankelijkheid, onafhankelijkheid, sociale samenhang, kwaliteit en (bescherming) persoonlijke
levenssfeer zijn door het kabinet in zijn reactie op het rapport overgenomen als basis voor het
mediabeleid met uitzondering van sociale samenhang en (bescherming) persoonlijke
levenssfeer. De vier waarden keerden in de Mediawet 2008 terug in het nieuwe artikel 2.1,
tweede lid, dat de publieke mediaopdracht benoemt, samen met de waarde
evenwichtigheid.30
De zes maatschappelijke functies die het medialandschap in de optiek van de Raad vervult,
zijn nieuwsvoorziening, opinievorming en achtergrond, specifieke informatie, kunst en cultuur,
vermaak en reclame/voorlichting (commerciële en overheidscommunicatie). Door de waarden
en functies met elkaar te confronteren (in analogie aan de weefkunst sprak de Raad van
‘schering en inslag’) ontstaat een 6x6-matrix. Voor elk van de 36 combinaties heeft de Raad
getracht in te schatten of er vanuit het publieke belang risico’s zouden kunnen ontstaan
zonder ingrijpen van de overheid (= zonder correctie van marktfalen). De uitkomst van deze
analyse in 2005 was als volgt (tabel 4.1).
30
   Het Commissariaat voor de Media dat op naleving van de wet toeziet, formuleerde die opdracht kernachtig in
een brief aan toenmalig minister Bijleveld (15 oktober 2012): ‘Het media-aanbod dient evenwichtig te zijn,
pluriform, gevarieerd, kwalitatief hoogstaand en verscheiden. Daarnaast onafhankelijk van commerciële en
overheidsinvloeden, voor iedereen toegankelijk en gericht op zowel een breed publiek als specifieke
doelgroepen’ (http://bit.ly/H5dLs2 [p. 1], geraadpleegd 10 oktober 2013).
                                                       - 59 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Tabel 4.1 Risicoanalyse van het medialandschap in termen van waarden en functies
                               Nieuws-            Opinievorming                Specifieke         Kunst &         Vermaak Reclame/
                               voorziening        & achtergrond                informatie         cultuur                 voorlichting
Pluriformiteit
                                        √√                  √√                         -               √              -         -
Toegankelijkheid
                                         √                   √                         -              √√              -         -
Onafhankelijkheid
                                        √√                  √√                        √√               √              -         √
Sociale
                                         √                   √                         -               √              -         -
samenhang
Kwaliteit
                                        √√                  √√                        √√               √              -         √
Persoonlijke
                                         -                   -                         √               -              √        √√
levenssfeer
Legenda: √√ = risico                 √ = geen direct risico, wel reden voor aandacht                - = geen risico
Bron: WRR (2005: 92)
4.2	
  Actualiseren	
  van	
  het	
  WRR-­‐denkkader:	
  lessen	
  voor	
  een	
  toekomstvast	
  mediabeleid	
  
Het zou goed zijn deze analyse voor het huidige medialandschap te herhalen, om te bezien
wat er in de afgelopen acht jaar is veranderd. Desgevraagd stelde één van de auteurs van het
WRR-advies recent dat een aantal van de ontwikkelingen die zich sinds 2005 hebben
voorgedaan al op de radar van de WRR waren verschenen. Andere ontwikkelingen, zoals de
opkomst en het succes van de sociale media, de mogelijkheden van mobiel internet en
geolocatie, en ook de commerciële potentie van de big data die door de registratie van
mediagebruik op internet is ontstaan, konden destijds niet worden voorzien.31
De lessen die van zo’n exercitie uitgaan, kunnen dienen als reality check en als onderbouwing
van het door de WRR in 2005 voorgestelde beleidsinstrumentarium in termen van variëteit en
selectie. Even verhelderend zou een analyse zijn van de wijzigingen die zich sinds 2005 in de
wet- en regelgeving in Nederland en Europa hebben voorgedaan. Dit alles, gecombineerd
met de veranderingen die zich sinds 2005 empirisch in aanbod, uitrusting en bereik/gebruik
hebben voorgedaan (zie de indexcijfers in hoofdstuk 3 van deze studie), zouden een goede
basis zijn voor een geleidelijke overgang naar een minder sturend en meer bijsturend geïntegreerd
communicatiebeleid. Een voorbeeld van een terrein waarop bijsturing door de overheid
wenselijk lijkt, is de pluriformiteit en kwaliteit van de nieuwsvoorziening op regionaal en
lokaal niveau. Diverse recente studies hebben laten zien dat er daar reden is tot bezorgdheid.
Voor inwoners van diverse gemeenten is het niet meer mogelijk om een onafhankelijk beeld
te krijgen van de politieke besluitvorming in de gemeenteraad en de Provinciale Staten.32
31
   Interview met dr. Dennis Broeders, senior wetenschappelijk medewerker WRR, 27 augustus 2013. Broeders
sprak op persoonlijke titel, niet namens de WRR.
32
   Q. Kik en L. Landman (red., 2013), Nieuwsvoorziening in de regio, Diemen: AMB
(http://www.persinnovatie.nl/attachment/13215, geraadpleegd 20 oktober 2013); Commissariaat voor de Media
(2013), Mediamonitor 2013: Mediabedrijven en mediamarkten 2012-2013, Hilversum: CvdM
(http://www.mediamonitor.nl/wp-content/uploads/2013/10/Mediamonitor-2013-Mediabedrijven-en-
Mediamarkten-2012-2013.pdf, geraadpleegd 20 oktober 2013).
                                                                           - 60 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Wat de positie is van een publieke omroep binnen zo’n geïntegreerd communicatiebeleid is
op voorhand niet zeker. De dynamiek van het maatschappelijk communicatiebestel is tegelijk
groot en beperkt. Het is groot doordat amper acht jaar geleden grote veranderingen die zich
inmiddels hebben voorgedaan niet konden worden voorspeld. De opkomst en het succes van
sociale media en de maatschappelijke en economische betekenis van big data zijn wat dat
betreft een teken aan de wand. Anderzijds heeft de beschrijving van trends in hoofdstuk 3 van
deze studie laten zien dat ontwikkelingen vaak ook weer niet zo snel gaan als verwacht.
Mensen blijken gehecht te zijn aan hun vertrouwde patronen van mediagebruik en schakelen
niet zo snel over op nieuwe mogelijkheden. Het tot nu toe maar zeer beperkte succes van
digitale abonnementen op dagbladen en tijdschriften is wat dat betreft een teken aan de
wand. Het beperkte succes van uitgesteld kijken en video-on-demand is eveneens een
waarschuwing dat datgene wat technisch mogelijk is, in sociaal-cultureel opzicht niet op korte
termijn tot verandering van gebruik leidt.
4.3	
  Van	
  de	
  realiteit	
  in	
  2013	
  naar	
  de	
  wenselijke	
  ordening	
  in	
  2020/2025	
  
Een geïntegreerd communicatiebeleid laat zich niet vanaf de tekentafel realiseren. Een
analyse zoals in dit slothoofdstuk voorgesteld loopt het risico in een diepe ministeriële
bureaula te verdwijnen omdat ze niet aansluit bij de historisch gegroeide instituties die-er-nu-
eenmaal-zijn en de beleidstraditie die-nu-eenmaal-zo-is-gegroeid. Toch hoeft het een het
ander niet in de weg te staan. Het is zeer wel mogelijk om een pad te schetsen van de
empirische en beleidsrealiteit van 2013 naar een alternatieve ordening van het media-,
informatie- en communicatiebeleid van 2020 of 2025.
Het wereldwijde web en de distributietechnologieën leiden de weg naar een maatschappelijk
communicatiebestel waarin scheidslijnen tussen pers, omroep en digitale media zullen zijn
vervaagd en wellicht compleet verdwenen. Het zou niet verstandig zijn om die ontwikkeling
te remmen door aan een beleidsinstrumentarium vast te houden dat het bestaande probeert
te beschermen ten nadele van nieuwe vormen die eigen zijn aan de toekomstige
technologische-economische mogelijkheden. Daarom zou gewerkt moeten worden aan een
toekomstvisie voor 2020-2025 waarin het geïntegreerde beleid centraal staat, in combinatie
met een schets van de weg daarheen vanuit de bestaande situatie in 2013.
Zo’n tweesporenbeleid geeft de partijen van nu (contentaanbieders zoals de publieke
omroepen van nu, maar ook de geschreven pers en de distributeurs) een perspectief op een
toekomst waarin ze wellicht een andere rol spelen dan nu. Het geeft hun de mogelijkheid om
zich op een andere toekomst in te stellen.
Van de overheid kan in dit duale scenario worden verwacht dat ze een goede afweging maakt
tussen de belangen van gevestigde partijen en die van nieuwe toetreders. In
overgangssituaties als deze is een zekere mate van ‘creatieve destructie’ onvermijdelijk en
zelfs wenselijk (het teloorgaan van aanbieders van traditionele technologie ten gunste van
innovatoren; vergelijk de opkomst van digitale fotografie en film ten nadele van analoge).
Nieuwe aanbieders dragen niet de ballast met zich mee van het moeten omvormen van een
                                                                                  - 61 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>organisatie/bedrijf naar een nieuwe wijze van productie of dienstverlening. Zij kunnen de
nieuwe realiteit omarmen en in korte tijd tot de nieuwe dominante spelers uitgroeien (denk
aan Apple, Amazon en Google). Tezelfdertijd moet ervoor worden gewaakt dat het
waardevolle van de traditie niet met het badwater wordt weggegooid. Hoezeer de
Hilversumse Publieke Omroep ook ter discussie staat, niemand zal durven ontkennen dat er in
‘Hilversum’ in de loop der jaren veel kennis en ervaring in het maken van programma’s is
opgebouwd. Het onverkort overboord kieperen daarvan staat gelijk aan kapitaalvernietiging
waarop de belastingbetaler, met wiens geld die kennis en ervaring in de loop der decennia is
opgebouwd, ook niet zit te wachten. Het vinden van de balans tussen traditie en vernieuwing
is misschien wel dé uitdaging voor de Europese, nationale, regionale en lokale beleidsmakers
in de overgang van het gesegmenteerde beleid van nu naar een geïntegreerd beleid in
2020/2025.
                                              - 62 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>