<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>ADVIES 17/07 | April 2017
Passie gewaardeerd
Versterking van de arbeidsmarkt
in de culturele en creatieve sector
                           RAAD VOOR CULTUUR SOCIAAL-ECONOMISCHE RAAD
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Passie gewaardeerd
Versterking van de arbeidsmarkt
in de culturele en creative sector
UITGEBRACHT AAN:
- DE FEDERATIE CULTUUR
- DE KUNSTENBOND
- DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
NR.7 - APRIL 2017
                                                   RAAD VOOR CULTUUR SOCIAAL-ECONOMISCHE RAAD
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Sociaal-Economische Raad
De Sociaal-Economische Raad (SER) adviseert het kabinet en het parlement over
de hoofdlijnen van het te voeren sociaal en economisch beleid en over belangrijke
wetgeving op sociaal-economisch terrein. Ook is de SER betrokken bij de uitvoering
van enkele wetten.
De SER is in 1950 bij wet ingesteld. Zitting in de SER hebben vertegenwoordigers
van ondernemers en van werknemers, en kroonleden (onafhankelijke deskundigen).
De raad is een onafhankelijk orgaan dat door het gezamenlijke Nederlandse
bedrijfsleven wordt gefinancierd.
De SER wordt bij de uitvoering van zijn functies bijgestaan door een aantal vaste en
tijdelijke commissies. Enkele vaste commissies zijn onder bepaalde voorwaarden
ook zelfstandig werkzaam.
Actuele informatie over de samenstelling en de werkzaamheden van de SER en
zijn commissies, persberichten en het laatste nieuws zijn te vinden op de website
van de SER. Ook alle adviezen die sinds 1950 zijn verschenen, zijn daar te vinden.
Adviezen van de laatste jaren zijn ook in gedrukte vorm verkrijgbaar.
Het SERmagazine brengt maandelijks nieuws en achtergrondinformatie over de
SER, de overlegeconomie en belangrijke sociaal-economische ontwikkelingen.
Raad voor Cultuur
De Raad voor Cultuur is het wettelijke adviesorgaan van de regering en het
parlement op het gebied van kunst, cultuur en media. De raad is onafhankelijk
en adviseert, gevraagd en ongevraagd, over actuele beleidskwesties en subsidie-
aanvragen. De raad bestaat uit acht leden. Zij zijn afkomstig uit de culturele sector,
de media en de wetenschap.
De raad werkt tijdens de voorbereiding van zijn adviezen vooral met tijdelijke com-
missies die op maat worden samengesteld. In verband met de uitvoering van een
aantal wettelijke uitvoeringstaken heeft de raad ook een aantal vaste commissies.
Aan de raad is ook een kring van adviseurs verbonden. De raad kan op de leden van
deze kring een beroep doen voor specifieke adviestrajecten en voor de beoordeling
en monitoring van instellingen in de culturele basisinfrastructuur (BIS).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Voorwoord                                                              9
Samenvatting                                                         13
1.  Inleiding                                                        23
    1.1    Aanleiding                                                 23
    1.2    Achtergrond                                                23
    1.3    Vraagstelling                                              25
    1.4    Werkwijze                                                  27
    1.5    Samenstelling commissie en vaststelling advies             28
    1.6    Leeswijzer                                                 28
2.  De culturele en creatieve sector: kenmerken en
    arbeidsmarkt                                                     29
    2.1    Inleiding                                                  29
    2.2    Bijzondere kenmerken van de culturele en creatieve sector  29
    2.3    De arbeidsmarkt van de culturele sector                    33
    2.4    Conclusies                                                 41
3.  Vergroten verdienvermogen van de culturele
    en creatieve sector                                              43
    3.1    Inleiding                                                  43
    3.2    Benut de potentie van de sector en sluit aan bij andere
           beleidsagenda’s                                            44
    3.3    Verzamel, bundel en ontsluit kennis over marktstimulering  47
    3.4    Stimuleer private investeringen                            49
    3.5    Bied financieringsmogelijkheden voor ondernemers           50
    3.6    Vergroot de economische circulariteit binnen deelsectoren  51
    3.7    Versterk het auteursrecht en intensiveer de handhaving     53
    3.8    Conclusies                                                 56
4.  Verbeteren inkomenszekerheid                                     59
    4.1    Inleiding                                                  59
    4.2    Start met bewustwording: fair practice label               59
    4.3    Ontwikkel richtlijnen voor honoraria                       61
    4.4    Pas subsidievoorwaarden en –systematiek aan                62
    4.5    Stimuleer loondienstverbanden                              63
                                                                       3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>   4.6   Neem knelpunten weg in de WW                                       64
   4.7   Zorg voor een goede afbakening van ondernemerschap                 64
   4.8   Verken ruimte Mededingingsrecht                                    66
   4.9   Collectieve onderhandelingen door zzp’ers                          67
   4.10  Ultimum remedium: een wettelijke regeling voor een minimum-
         uurtarief                                                          68
   4.11  Stimuleer arbeidsongeschiktheidsverzekering (aov) en pensioen-
         opbouw                                                             68
   4.12  Conclusies                                                         70
5. Bevorderen van scholing en duurzame inzetbaarheid                       71
   5.1   Inleiding                                                          71
   5.2   Maak afspraken over scholing en duurzame inzetbaarheid             71
   5.3   Stimuleer leren tijdens de loopbaan middels een ontwikkelrekening  72
   5.4   Zorg voor voldoende scholingsaanbod en HRM-ondersteuning           73
   5.5   Continueer de versterking van de aansluiting onderwijs-werkveld    74
   5.6   Conclusies                                                         76
6. Versterken van de sociale dialoog                                       79
   6.1   Inleiding                                                          79
   6.2   Bundel de krachten voor betere belangenbehartiging                 80
   6.3   Benader de culturele sector en creatieve sector als eenheid        81
   6.4   Betrek alle belanghebbenden bij de sociale dialoog                 81
   6.5   Onderzoek de financiering van een inclusieve sociale dialoog       83
   6.6   Verbreed de toepassing van cao’s                                   83
   6.7   Verstrek informatie over samenwerkingsverbanden                    84
   6.8   Ontwikkel een platform voor arbeidsmarkt en HRM-beleid             84
   6.9   Conclusies                                                         86
7. Slotbeschouwing                                                         87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Bijlagen                                                               93
     1   Adviesverzoek culturele sector d.d. 30 juni 2016               93
     2   Brief SER en RvC aan minister Bussemaker d.d. 24 oktober 2016  97
     3   Brief minister Bussemaker aan de SER en RvC
         d.d. 28 november 2016                                          99
     4   CBS-afbakening creatieve industrie                            101
     5   Deelnemers aan de consultatiegesprekken                       103
     6   Organisaties die een position paper hebben ingediend          105
     7   Samenstelling Commissie Vervolg Arbeidsmarktverkenning
         Culturele Sector                                              107
                                                                         5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>6 cultuur.book Page 6 Monday, June 12, 2017 2:25 PM</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Voorwoord</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>8 cultuur.book Page 8 Monday, June 12, 2017 2:25 PM</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Voorwoord
De culturele en creatieve sector is een bijzondere sector; kunst en cultuur zijn
essentieel voor onze samenleving. Maar de waarde ervan komt lang niet altijd bij de
makers terecht en de arbeidsmarktpositie van veel mensen in deze sector is zorg-
wekkend.
Het is daarom mooi dat de sector zelf in actie is gekomen. Federatie Cultuur en de
Kunstenbond, de sectorale sociale partners, hebben ons om advies gevraagd hoe de
arbeidsmarkt in de culturele en creatieve sector te verbeteren. Een unieke situatie
voor ons; nog niet eerder hebben wij geadviseerd op verzoek van sociale partners
zelf. Het is ook een heel sterke situatie, want het maakt dat dit advies direct in de
culturele en creatieve sector landt. Dat vergroot het draagvlak.
In dit gezamenlijke advies komen wij – de SER en de Raad voor Cultuur – met con-
crete voorstellen om het verdienvermogen in de sector te vergroten, de inkomens-
zekerheid te verbeteren, scholing te bevorderen en het overleg tussen werkgevers en
de vakbeweging te versterken. Wij denken dat de sector met deze oplossingsrichtin-
gen aan de slag kan, waar nodig samen met de overheid.
Het is verheugend dat in een relatief kort tijdsbestek zoveel partijen in een con-
structieve sfeer betrokken waren bij de totstandkoming van het advies. Zo zijn er
consultatiegesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van branche- en koepelor-
ganisaties en deskundigen uit het onderwijs en de overheid. Daarnaast ontvingen
de raden 32 position papers van diverse partijen uit de sector. Wij zijn hun zeer erken-
telijk voor hun waardevolle inbreng.
De bereidheid om te overleggen over de wijze waarop de situatie op de arbeids-
markt kan worden verbeterd, bleek groot. Bijzonder is ook de uitgesproken bereid-
heid om te experimenteren met oplossingen die in het advies worden voorgesteld.
Wij rekenen er dan ook op dat alle betrokkenen met dezelfde constructieve inzet
verder zullen werken aan de noodzakelijke versterking van de arbeidsmarkt van de
                                                                                      9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>  culturele en creatieve sector, waarbij deze sector ook als proeftuin kan dienen om
  ervaring op te doen met kansrijke oplossingen.
  De verkenning is voorbereid door een commissie – met leden namens de SER en
  namens de Raad voor Cultuur – onder voorzitterschap van prof. mr. Evert Verhulp.
  Wij danken de leden van de commissie voor het vele werk dat zij hebben verricht.
  Mariëtte Hamer                                                       Marijke van Hees
  Voorzitter SER                                                       Voorzitter Raad voor Cultuur
  De Sociaal-Economische Raad en de Raad voor Cultuur hebben dit advies overhandigd aan de sociale partners in
  de culturele en creatieve sector: de Federatie Cultuur en de Kunstenbond.
  Van links naar rechts: SER-voorzitter Mariëtte Hamer, commissievoorzitter Evert Verhulp, voorzitter Federatie
  Cultuur Suzanne LeClaire-Noteborn, bestuurder Kunstenbond Douwe van der Werf en voorzitter Raad voor
  Cultuur Marijke van Hees.
0
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Samenvatting</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Achtergrond
In januari 2016 hebben de SER en de Raad voor Cultuur (RvC) de Verkenning arbeids-
markt culturele sector gepubliceerd.1 In deze verkenning concluderen de raden dat de
arbeidsmarktsituatie van veel werkenden in de culturele en creatieve sector zorg-
wekkend is. Dat komt door de combinatie van dalende werkgelegenheid, een rela-
tief hoge kans op werkloosheid, een stijgend aantal zzp’ers zonder basale sociale
zekerheid, lage en dalende inkomens en een zwakke onderhandelingspositie van
werkenden. Deze arbeidssituatie is het gevolg van bijzondere kenmerken van de
culturele en creatieve sector, stevige overheidsbezuinigingen en een economische
crisis. Mede naar aanleiding van de genoemde verkenning hebben Federatie
Cultuur2 en FNV Kiem3 in juni 2016 de SER en de RvC gevraagd om hen bij wijze
van vervolg te adviseren over concrete oplossingen om de structurele problemen
op de arbeidsmarkt van deze sector aan te pakken. Minister Bussemaker van het
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) heeft in aansluiting
hierop gevraagd om in dit advies ook aan te geven welke verantwoordelijkheid de
raden zien voor de sector, de Rijksoverheid, de subsidieverstrekkers en opdracht-
gevers.
De SER en de RvC hebben de commissie die de arbeidsmarktverkenning voor de
culturele sector heeft voorbereid, gevraagd om oplossingen aan te dragen voor de
knelpunten in de sector. Deze commissie heeft bij haar werkzaamheden gebruik-
gemaakt van de resultaten van de verkenning en van nieuwe onderzoeksgegevens
en literatuur. Daarnaast zijn er twee consultatiegesprekken gevoerd met partijen
uit het veld. Aan hen en aan andere partijen is bovendien gevraagd om in een
position paper oplossingen aan te dragen die kunnen leiden tot een betere arbeids-
marktpositie van de werkenden in de sector. Dit heeft geresulteerd in 32 position
papers die zijn meegenomen in de gedachtevorming over dit advies.
1  SER en RvC (2016) Verkenning arbeidsmarkt culturele sector, Den Haag : Sociaal-Economische Raad/Raad voor
   Cultuur.
2  Federatie Cultuur bundelt de branche- en werkgeversverenigingen in onder meer de podiumkunsten, musea,
   bibliotheken, centra voor de kunsten, podia en beeldende kunst. Federatie Cultuur bestaat uit de volgende leden:
   Cultuurconnectie, Koepel Opera, Museumvereniging, Nederlandse Associatie voor Podiumkunsten (NAPK),
   Nederlandse galerie Associatie (NGA), Vereniging Nederlandse Poppodia en -Festivals (VNPF), Vereniging van
   Openbare Bibliotheken (VOB) en de Vereniging van Schouwburg en Concertgebouwdirecties (VSCD).
3  Op 1 juli 2016 is FNV KIEM gesplitst, waarbij de kunstsectoren de nieuwe Kunstenbond vormen en de overige
   sectoren opgaan in een nieuwe sector bij de FNV, namelijk FNV Media en Cultuur.
                                                                                                                 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>  Bijzondere kenmerken van de culturele en creatieve sector
  De culturele en creatieve sector produceert intrinsieke, maatschappelijke en econo-
  mische waarden die van belang zijn voor individuen en de maatschappij als geheel.
  Gezien het belang van de publieke waarden heeft de overheid een wettelijke verant-
  woordelijkheid voor het goed functioneren van het cultuurbestel. Mede daarom
  wordt een deel van het aanbod aan kunst en cultuur gesubsidieerd. De legitimering
  voor subsidiëring wordt ook vaak gezocht in de externe positieve effecten van kunst
  en cultuur, waarvoor de maker doorgaans geen vergoeding krijgt. Daarnaast bevor-
  dert de culturele en creatieve sector het creatieve en innovatieve vermogen van de
  samenleving, de ondernemingszin, de fysieke inrichting, de sociale binding en het
  aanzien van Nederland.
  De economie van de culturele en creatieve sector heeft een aantal bijzondere ken-
  merken die structureel van invloed zijn op de markt voor kunst en cultuur. Zo is er
  een disbalans tussen vraag en aanbod. Deze ontstaat onder andere doordat kunst
  en cultuur vaak worden geproduceerd zonder dat hieraan een directe vraag ten
  grondslag ligt. Dit geldt vooral in het domein van de autonome kunsten. De dis-
  balans wordt nog versterkt door de sterke intrinsieke motivatie van makers. Zij
  blijven uit passie hun beroep uitoefenen, óók als daarmee weinig inkomen wordt
  verworven. Omdat de markt om verschillende redenen niet in balans is, is er in
  delen van de sector sprake van een lagere evenwichtsprijs dan maatschappelijk
  is gewenst. Deze situatie leidt tot een zwakke onderhandelings- en arbeidspositie
  van een deel van de werkenden in de sector, in het bijzonder van het toenemende
  aantal zzp’ers.
  Door de bijzondere kenmerken van de economie van de sector, de verantwoordelijk-
  heid van de overheid voor het cultuurstelsel en de structurele disbalans tussen
  vraag en aanbod, is het volgens de raden wenselijk dat de overheid, sociale partners
  en andere belanghebbenden zich inzetten voor een gezonde arbeidsmarkt. Een deel
  van de werkenden in de culturele en creatieve sector is voldoende weerbaar en zelf-
  redzaam. Dit advies richt zich daarom met name op de groeiende en kwetsbare
  groep werkenden in deze sector met een zwakke inkomens- en onderhandelingspo-
  sitie. In de ogen van de raden zijn er specifieke maatregelen nodig om de positie van
  deze werkenden op een maatschappelijk acceptabel niveau te brengen.
  Belangrijkste aanbevelingen
  De raden concluderen dat er geen allesomvattende oplossing is voor de problemen
  op de arbeidsmarkt van de culturele en creatieve sector. Aan de huidige situatie lig-
  gen verschillende oorzaken ten grondslag. Om een daadwerkelijke verbetering te
4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>realiseren, is het nodig dat er stappen worden gezet op verscheidene terreinen tege-
lijkertijd. In dit advies noemen de raden dit oplossingsrichtingen. Het doel hiervan
is de weerbaarheid en zelfredzaamheid van de werkenden, werkgevers en opdracht-
gevers in de culturele en creatieve sector te vergroten.
De raden onderscheiden vier oplossingsrichtingen:
1. Vergroten verdienvermogen van de culturele en creatieve sector.
2. Verbeteren inkomenszekerheid van werkenden.
3. Bevorderen van scholing en duurzame inzetbaarheid.
4. Versterken van de sociale dialoog.
Van deze vier oplossingsrichtingen achten de raden het vergroten van het verdien-
vermogen een noodzakelijke voorwaarde voor verbetering van de positie van de
werkenden in de sector. Immers, als het verdienvermogen van de sector toeneemt
en de vraag naar de diensten en producten van de culturele en creatieve sector
groeit, kan én het inkomen van werkenden stijgen én de werkgelegenheid behou-
den blijven én een bloeiend cultureel leven worden gewaarborgd. De raden zien
diverse kansen om nieuwe geldstromen aan te boren, waardoor het verdienvermo-
gen van de sector in zijn geheel zal toenemen.
Hoewel een noodzakelijke voorwaarde voor verbetering, is deze eerste oplossings-
richting op zichzelf onvoldoende om de arbeidsmarktsituatie te verbeteren. De
tweede oplossingsrichting behelst maatregelen om de inkomenspositie van wer-
kenden op de arbeidsmarkt te verbeteren, zodat de gecreëerde waarde in voldoende
mate terechtkomt bij de werkenden in de sector.
Als derde oplossingsrichting is het volgens de raden nodig om scholing en duur-
zame inzetbaarheid voor alle werkenden in de sector te stimuleren en zo de zelfred-
zaamheid en weerbaarheid van de werkenden te vergroten.
Tot slot is versterking van de sociale dialoog van belang om de versnippering van de
sector tegen te gaan. Hierdoor worden de kansen vergroot om het verdienvermogen
van de sector als geheel positief te beïnvloeden en is er gelegenheid om als sector
aandacht te vragen voor bijvoorbeeld de arbeidsmarktsituatie. Daarnaast draagt
een goede sociale dialoog bij aan een duurzame arbeidsmarkt.
De vier oplossingsrichtingen hangen met elkaar samen en versterken elkaar. Ook is
er sprake van medeverantwoordelijkheid van sociale partners, de Rijksoverheid en
lagere overheden. Tegelijkertijd benadrukken de raden het belang dat ieder vanuit
zijn eigen verantwoordelijkheid in actie komt en niet op elkaar wacht.
                                                                                   15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>  De raden hebben binnen elk van de vier oplossingsrichtingen concrete voorstellen
  gedaan om de weerbaarheid en zelfredzaamheid van de werkenden, werkgevers en
  opdrachtgevers in de culturele en creatieve sector te vergroten. Per voorstel geven
  de raden aan welke partij aan zet is: de sociale partners en de sector zelf waar het
  kan, de overheid, opdrachtgevers en financiers waar het moet en er een zwaarwe-
  gend publiek belang is. De volgende voorstellen hebben volgens de raden prioriteit:
  Vergroten van het verdienvermogen
  ■  Om het verdienvermogen van de culturele en creatieve sector te vergroten, ad-
     viseren de raden ten eerste dat de sector zijn onbenutte potentie zichtbaar maakt
     en actief aansluiting zoekt bij andere beleidsagenda’s, zoals innovatiebeleid,
     stedelijke profilering en regionale groei, participatiebeleid en sociale cohesie,
     internationale diplomatie en handel, en topsectorenbeleid. Om de potentie opti-
     maal te benutten, is het wenselijk dat departementen en decentrale overheden
     integraal beleid voeren en de schotten tussen de verschillende beleidsdomeinen
     wegnemen.
  ■  Ten tweede bevelen de raden de sector aan om gezamenlijk – met brancheorga-
     nisaties, sociale partners en beroepsverenigingen – een landelijk platform te
     ontwikkelen ten behoeve van het verzamelen, bundelen en beschikbaar stellen
     van kennis over marktstimulering. De overheid kan daarin een faciliterende rol
     spelen. Dit platform zou ook nieuwe samenwerkingsverbanden voor zelfstan-
     digen in de culturele en creatieve sector kunnen stimuleren en faciliteren.
  ■  Ten derde vinden de raden het wenselijk dat de overheid investeringen in de
     sector stimuleert – onder meer door behoud van de Geefwet, lage btw-tarieven
     en het vergroten van de toegankelijkheid van financierings- en stimulerings-
     regelingen voor starters en ondernemers in de sector – en bevordert dat de
     gecreëerde economische waarde zo veel mogelijk weer in de sector wordt
     geïnvesteerd.
  ■  Ten vierde is handhaving van het auteursrecht van belang voor het verdien-
     vermogen van de grote groep kleine en middelgrote makers en artiesten.
  Verbeteren van de inkomenszekerheid
  ■  Om de inkomenspositie van de werkenden in de sector te verbeteren, adviseren
     beide raden ten eerste dat de sector werkt aan bewustwording. Kunsten ’92 ont-
     wikkelt momenteel een Fair Practice Label en de raden adviseren dat daarin een
     code voor goed werkgever- en opdrachtgeverschap wordt opgenomen, met aan-
     dacht voor een redelijke vergoeding, verantwoordelijk marktgedrag, scholing,
     duurzame inzetbaarheid en beleid dat is gericht op een verantwoorde inzet van
     vrijwilligers. In aanvulling daarop adviseren de raden de sector om waar nodig
6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>  richtlijnen voor honoraria te ontwikkelen, zoals de richtlijn kunstenaarshono-
  raria. Zulke richtlijnen dragen bij aan de totstandkoming van redelijke vergoe-
  dingen en versterken de onderhandelingspositie van zzp’ers. De overheid en
  cultuurfondsen kunnen de totstandkoming hiervan ondersteunen. Rijk, pro-
  vincies, gemeenten en fondsen kunnen in hun subsidievoorwaarden hiernaar
  verwijzen.
■ Om de inkomenspositie van de werkenden in de sector te verbeteren, adviseren
  de raden ten tweede aan de overheid om te onderzoeken hoe collectief onderhan-
  delen door zzp’ers in de culturele en creatieve sector uit de sfeer van het
  mededingingsrecht kan worden gehaald. De raden stellen voor dat de overheid
  de sector experimenteerruimte geeft om te onderzoeken hoe dit in de praktijk
  werkt en wat de effecten zijn op de prijzen en tarieven.
■ Ten derde zou de overheid op een vergelijkbare manier de sector ruimte kunnen
  geven om te onderzoeken of het huidige geringe aandeel zzp’ers met een arbeids-
  ongeschiktheidsverzekering in de culturele en creatieve sector kan worden ver-
  groot door zo’n verzekering standaard in te voeren, met daarbij de mogelijkheid
  van een opt-out.
■ Als de hiervoor genoemde maatregelen niet of onvoldoende leiden tot een ver-
  betering van de inkomenspositie van zzp’ers in de culturele en creatieve sector,
  dan adviseren de raden als ultimum remedium te onderzoeken of een minimum-
  uurtarief voor alle zzp’ers in deze sector wettelijk kan worden geregeld en wat de
  mogelijkheden voor adequate handhaving zijn.
Bevorderen van scholing en duurzame inzetbaarheid
■ Om scholing en duurzame inzetbaarheid te bevorderen, is het volgens de raden
  in de eerste plaats van belang dat sociale partners afspraken maken over de
  financiering hiervan en de ruimte hiervoor. Dit kan in cao’s en arbeids- en
  opdrachtovereenkomsten, maar ook in richtlijnen voor honoraria. Scholing en
  duurzame inzetbaarheid voor alle werkenden zouden ook een plaats moeten
  krijgen in de eerdergenoemde code voor goed werkgever- en opdrachtgever-
  schap.
■ Ten tweede roepen de raden de overheid op om loopbaanleren te stimuleren
  door te komen tot een ontwikkelrekening voor alle werkenden: een persoons-
  gebonden budget voor een zelfgekozen ontwikkeltraject. De culturele en crea-
  tieve sector zou in dit verband als proeftuin kunnen dienen.
■ Ten derde adviseren de raden de sector om hun krachten te bundelen in een
  platform dat voldoende scholingsaanbod waarborgt, kleine organisaties onder-
  steunt bij HR-beleid en arbeidsmarktonderzoek stimuleert naar eenduidige en
  betrouwbare informatie over de arbeidsmarkt van de culturele en creatieve sec-
                                                                                   17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>     tor. Er is namelijk geen sectorbreed A+O fonds, dat in andere sectoren dergelijke
     functies vervult. De overheid kan een belangrijke rol spelen in de financiering
     van een dergelijk platform.
  ■  Tot slot vinden de raden het wenselijk dat het kunstonderwijs de maatregelen
     om de instroom te reguleren op het huidige niveau continueert en dat de op-
     leidingen de studenten ook de mogelijkheid bieden om zich tijdens hun studie
     te oriënteren op vakken waarmee zij zich voorbereiden op een brede inzetbaar-
     heid van hun specialisme in andere domeinen van de arbeidsmarkt.
  Versterken van de sociale dialoog
  ■  De raden denken dat versterking van de sociale dialoog in de sector zal bijdragen
     aan het vergroten van het verdienvermogen en een betere onderhandelingsposi-
     tie van kwetsbare groepen in de sector. Het is belangrijk dat, mede met het oog
     op belangenbehartiging richting de politiek, de sectorbrede samenwerking
     wordt versterkt en dat de sector met één stem naar buiten treedt. In dat kader
     adviseren de raden de belangenorganisaties samen op te trekken of zoveel
     mogelijk in federatief verband samen te gaan. Het ministerie van OCW zou het
     initiatief kunnen nemen om één of twee keer per jaar een brede sociaal-econo-
     mische dialoog met de sector te voeren.
  ■  Daarnaast adviseren de SER en de RvC sociale partners om samen onderzoek te
     doen naar de financiering van een inclusieve sociale dialoog en naar de mogelijk-
     heden voor een bredere toepassing van cao’s in de sector.
  Tot slot
  De raden zijn zich ervan bewust dat een aantal voorstellen een kostenverhogend
  effect zullen hebben voor werkgevers en opdrachtgevers. Het realiseren van zulke
  voorstellen hangt daarom onlosmakelijk samen met de algehele financiering van
  de sector. Er zullen hoe dan ook meer inkomsten moeten komen om invulling te
  kunnen geven aan deze oplossingsrichtingen. Dit kan gaan om publieke en/of pri-
  vate bijdragen. Als de extra kosten voor deze voorstellen niet gedekt kunnen worden
  door een verhoging van het verdienvermogen en/of hogere subsidies, voorzien de
  raden een afname van het kunst- en cultuuraanbod en een daling van het aantal
  werkenden in de sector – en dat gaat ten koste van een bloeiend cultureel klimaat
  in Nederland.
  Wat de samenleving overheeft voor kunst en cultuur, wordt uiteindelijk bepaald
  door consumenten, bedrijven en de politiek. De raden concluderen dat de huidige
  politieke en maatschappelijke verwachtingen die aan de gesubsidieerde cultuur-
  sector worden gesteld niet altijd realistisch zijn. Instellingen hebben de afgelopen
8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>jaren niet alleen te maken gekregen met bezuinigingen, maar ook met hogere ver-
wachtingen rond kwaliteit, kwantiteit, het aantal bezoekers en de eigen inkomsten.
Dat heeft bijgedragen aan een rijk cultureel aanbod, maar is in veel gevallen ge-
paard gegaan met concessies aan de arbeidsvoorwaarden van werkenden. De raden
achten het van belang dat Rijk, provincies, gemeenten en fondsen in hun subsidie-
systematiek rekening houden met een redelijke beloning voor werkenden en een
gezonde bedrijfsvoering door instellingen. Outputeisen moeten in verhouding
staan tot het budget van instellingen en in de hoogte van toekenningen dient reke-
ning gehouden te worden met kosten van exploitatie en bedrijfsvoering, bijvoor-
beeld binnen projectsubsidies en door indexering van meerjarige financiering. De
raden vinden de huidige situatie niet duurzaam en pleiten ervoor dat de overheid
hiermee rekening houdt in de volgende subsidieperiode.
De raden zien dat er in de culturele en creatieve sector een groot gevoel van urgen-
tie bestaat om de weerbaarheid en zelfredzaamheid van de werkenden en de sector
te vergroten. Er is een uitgesproken bereidheid te experimenteren met de in dit
advies genoemde maatregelen. De raden roepen de overheid dan ook op om samen
met sociale partners en brancheverenigingen na te gaan hoe de culturele en crea-
tieve sector als proeftuin kan dienen om ervaring op te doen met kansrijke oplos-
singen voor de gesignaleerde knelpunten.
                                                                                  19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>0</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Advies</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>1   Inleiding
1.1 Aanleiding
    In januari 2016 publiceerden de SER en de Raad voor Cultuur (RvC) de Verkenning
    arbeidsmarkt culturele sector.1 Aanleiding voor deze verkenning was de behoefte van
    beide raden om meer inzicht te krijgen in de arbeidsmarktsituatie in de culturele
    sector en in de gevolgen van de bezuinigingen voor het aantal vaste krachten,
    zzp’ers, stagiairs en vrijwilligers. De verkenning en de dialoogbijeenkomst hierover
    met stakeholders in april 2016 hebben ertoe geleid dat Federatie Cultuur2 en FNV
    Kiem3 beide raden hebben gevraagd een vervolg te geven aan hun verkenning en
    met hen mee te denken over de aanpak van de structurele problemen die zich op
    de arbeidsmarkt van deze sector voordoen (zie bijlage 1). In aansluiting hierop heeft
    minister Bussemaker aan de SER en de RvC gevraagd daarbij aan te geven wat de rol
    is van de sector, Rijksoverheid, subsidieverstrekkers en opdrachtgevers ten aanzien
    van oplossingsrichtingen en verantwoordelijkheden (zie bijlage 3).
1.2 Achtergrond
    In de Verkenning arbeidsmarkt culturele sector concluderen de SER en de RvC dat de
    arbeidsmarktsituatie van veel werkenden in de culturele sector zorgelijk is. Mede
    als gevolg van de economische crisis en overheidsbezuinigingen zijn er sinds 2009
    in de sector veel banen van werknemers verdwenen en is het van oudsher grote aan-
    tal zzp’ers in de sector verder gestegen. Tevens blijkt dat de inkomens- en onderhan-
    delingspositie van werkenden in deze sector zwak is en door de bezuinigingen in
    de afgelopen jaren verder onder druk is komen te staan. Daarbij past de aanteke-
    ning dat de culturele en creatieve sector zeer divers is. De branches in deze sector
    hebben vaak te maken met specifieke omstandigheden en verschillen in de aard en
    omvang van de arbeidsmarktproblematiek.
    Volgens de raden biedt de verkenning goede aanknopingspunten om tot aanbeve-
    lingen te komen over de aanpak van structurele problemen op de arbeidsmarkt en
    1   SER en RvC (2016) Verkenning arbeidsmarkt culturele sector, Den Haag : Sociaal-Economische Raad/Raad voor
        Cultuur.
    2   Federatie Cultuur bundelt de branche- en werkgeversverenigingen in onder meer de podiumkunsten, musea,
        bibliotheken, centra voor de kunsten, podia en beeldende kunst. Federatie Cultuur bestaat uit de volgende leden:
        Cultuurconnectie, Koepel Opera, Museumvereniging, Nederlandse Associatie voor Podiumkunsten (NAPK),
        Nederlandse galerie Associatie (NGA), Vereniging Nederlandse Poppodia en -Festivals (VNPF), Vereniging van
        Openbare Bibliotheken (VOB) en de Vereniging van Schouwburg en Concertgebouwdirecties (VSCD).
    3   Op 1 juli 2016 is FNV KIEM gesplitst, waarbij de kunstsectoren de nieuwe Kunstenbond vormen en de overige
        sectoren opgaan in een nieuwe sector bij de FNV, namelijk FNV Media en Cultuur.
                                                                                                                      23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>  zij geven aan graag bereid te zijn daarover te adviseren. In de dialoogbijeenkomst
  die SER en de RvC in april 2016 over de verkenning organiseerden, werd dit nog-
  maals bevestigd.
  In dezelfde periode heeft de RvC op verzoek van de minister van OCW geadviseerd
  over de besteding van twee miljoen euro die eenmalig per amendement van de
  Tweede Kamer beschikbaar is gekomen voor verbetering van de situatie op de
  arbeidsmarkt.4 De RvC heeft hierbij onder meer de uitkomsten van de verkenning
  betrokken en aanbevelingen gedaan voor verbetering van de arbeidsmarktpositie,
  voor het ondersteunen en faciliteren van ondernemerschap en voor beloning en
  zekerheid. Zo adviseerde de RvC om richtlijnen voor kunstenaarshonoraria te ont-
  wikkelen en een matchingsregeling te ontwerpen ten behoeve van ‘hanggeld’. Ver-
  der adviseerde de RvC om met belanghebbende partijen een code te laten ontwik-
  kelen voor goed werkgeverschap en opdrachtgeverschap; een en ander in lijn met
  de Code Governance Cultuur. De RvC adviseerde ook om laagdrempelige financie-
  ringsmogelijkheden en bijbehorend flankerend beleid te ontwerpen en wees op het
  belang van agentschappen om vraag en aanbod bij elkaar te brengen.
  In haar beleidsreactie op de verkenning en het advies van de RvC (van 31 mei 2016)
  komt naar voren dat minister Bussemaker van OCW de conclusie van de SER en de
  RvC deelt dat de inkomens- en arbeidspositie van werkenden in de culturele sector
  zorgwekkend is.5 Zij roept sociale partners onder andere op om gezamenlijk een
  arbeidsmarktagenda te ontwikkelen en stelt hiervoor middelen beschikbaar. Die
  agenda moet leiden tot:
  ■ Een code voor goed opdrachtgeverschap, goed werkgeverschap en goede omgang
     met vrijwilligers, in het verlengde van de Governance Code Cultuur.
  ■ Het vergroten van de bereikbaarheid van scholing (onder andere voor zzp’ers en
     leven lang leren).
  ■ De toepassing en verspreiding van kennis over arbeidsmarktregels.
  De minister heeft Kunsten ’92 gevraagd het initiatief te nemen bij de ontwikkeling
  van de arbeidsmarktagenda en werkgevers, vakbonden, beroepsgroepen en andere
  partners uit de culturele en creatieve sector daarbij te betrekken.
  4  RvC (2016) Verbetering positie kunstenaar op arbeidsmarkt, Den Haag : Raad voor Cultuur.
  5  Tweede Kamer (Vergaderjaar 2015-2016) 29554, Brief minister van OCW op de verkenning van SER en de RvC en op
     het advies van de RvC, nr. 271.
4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>    Het Mondriaan Fonds kreeg de gelegenheid om de richtlijn kunstenaarshonoraria
    te helpen ontwikkelen.6 De minister ziet daarnaast ook een rol weggelegd voor de
    SER en de RvC bij het vervolgtraject.
    Parallel hieraan hebben Federatie Cultuur en FNV Kiem beide raden dus gevraagd
    om oplossingen aan te dragen voor de knelpunten die zij in hun verkenning signa-
    leren. Sociale partners werken waar dat kan aan het versterken van de arbeids-
    markt in de culturele en creatieve sector. Zo zijn er in diverse branches cao’s afge-
    sloten die waar mogelijk algemeen verbindend zijn verklaard, teneinde goed werk-
    geverschap voor werknemers in deze branches te borgen.7 Ook verkent de sector
    actief hoe cao-afspraken zich beter kunnen verhouden tot de tarieven van zzp’ers,
    en – mede gezien de recentelijk gepubliceerde ACM-richtlijn8 – hoe de praktijk in
    de sector beter kan worden afgestemd op mededingingsregels, dan wel de interpre-
    tatie van mededingingsregels beter kan worden afgestemd op de sector. De vraag is
    welke andere en/of aanvullende maatregelen er mogelijk zijn om de arbeidsmarkt-
    positie van de werkenden in deze sector te verbeteren, met de toevoeging van de
    minister van OCW om daarbij aandacht te schenken aan de rolverdeling en verant-
    woordelijkheidsverdeling. Het is de bedoeling dat de oplossingsrichtingen van de
    raden worden meegenomen bij de ontwikkeling van de arbeidsmarktagenda voor
    de sector.
1.3 Vraagstelling
    Federatie Cultuur en FNV Kiem vragen de SER en de RvC te adviseren over de verbe-
    tering van de positie van werkenden in de culturele sector. Hierbij zijn er een drietal
    oplossingsrichtingen aangedragen:
    1. Een structuurverbeteringsagenda om institutionele problemen van de sector aan te
         pakken. Het gaat hier om vragen waarop de sector zelf zou kunnen reageren.
         De vraag is hoe sociale partners dat kunnen doen en welke rol de overheid daar-
         bij kan spelen.
    2. Een knelpuntenagenda om belemmeringen en problemen bij de beroepsuitoefe-
         ning, zoals versnippering en/of niet goed op elkaar afgestemd subsidiebeleid
         van lokale, provinciale en landelijke overheden en departementen op te lossen.
         Het gaat daarbij om knelpunten waarbij de verantwoordelijkheid bij de sector
         zelf ligt, anderzijds om belemmeringen die door wet- en regelgeving worden
         veroorzaakt.
    6  Mondriaan Fonds (8 december 2016) Mondriaan Fonds verwelkomt richtlijn kunstenaarshonoraria, Amsterdam :
       Mondriaan Fonds
    7  Zie bijv. de cao’s Bibliotheken, Kunsteducatie, Museum, Nederlandse podia en Toneel en Dans.
    8  ACM (2017) Leidraad tariefafspraken voor zzp'ers in cao's, Den Haag : Autoriteit Consument & Markt.
                                                                                                               25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>  3.   Een investeringsagenda die is gericht op wat de overheid kan bieden door middel
       van beleidskeuzes, wetgeving en/of extra regelgeving.
  Federatie Cultuur en FNV Kiem verzoeken beide raden zo concreet mogelijk te
  adviseren hoe aan deze oplossingsrichtingen kan worden gewerkt. Hierbij worden
  drie niveaus onderscheiden:
  ■ Karakteristieke kwesties die eigen zijn aan de culturele sector en creatieve
     industrie (bijvoorbeeld sterke motivatie en zwakke onderhandelingspositie).
  ■ Mogelijke specifieke oplossingen voor de sector die ook breder uitgerold kunnen
     worden (bijvoorbeeld specifieke UWV-ondersteuning of toegesneden zzp-
     maatregelen).
  ■ Algemene overheidsmaatregelen die (ook) belemmerend of bevorderend voor
     de culturele sector zijn.
  Daarnaast vragen Federatie Cultuur en FNV Kiem in het bijzonder aandacht voor de
  zwakke inkomens- en de (hieraan ten grondslag liggende) onderhandelingspositie
  van werkenden in de culturele sector. Ook heeft Federatie Cultuur tijdens het voor-
  overleg de wens uitgesproken dat er in het advies aandacht wordt besteed aan ver-
  nieuwende ideeën en ontwikkelingen in het veld, die van belang kunnen zijn en ter
  inspiratie kunnen dienen voor het advies.9 Tegelijkertijd zou er ruimte moeten zijn
  voor het constateren van problemen en weeffouten in bestaande regelingen.
  De SER en de RvC hebben de minister van OCW geïnformeerd dat zij op dit verzoek
  van Federatie Cultuur en FNV Kiem zullen ingaan en gaan onderzoeken hoe er
  zo concreet mogelijk aan de geconstateerde knelpunten kan worden gewerkt,
  welke maatregelen nuttig en haalbaar zijn en welke partijen dan aan zet zijn (zie
  bijlage 2). In haar reactie vraagt de minister beide raden om focus aan te brengen
  ten aanzien van oplossingsrichtingen en verantwoordelijkheden. Zij vraagt aan te
  geven wat volgens de raden de rol is van de sector, van de Rijksoverheid, van sub-
  sidieverstrekkers en van opdrachtgevers. Ten aanzien van de sector gaat het om de
  vraag hoe de sociale dialoog kan worden versterkt en de onderhandelingspositie
  van de makers kan worden verbeterd. Bij de Rijksoverheid gaat het om de vraag in
  hoeverre de specifieke kenmerken van de culturele en creatieve sector aanleiding
  vormen voor overheidsbemoeienis en hoe de verantwoordelijkheid van de overheid
  zich verhoudt tot de eigen verantwoordelijkheid van de sector. Ten aanzien van sub-
  sidieverstrekkers en opdrachtgevers is de vraag welke bijdrage het ministerie van
  OCW, provincies, gemeenten, cultuurfondsen en opdrachtgevers kunnen leveren
  aan het oplossen van de arbeidsproblematiek in de culturele en creatieve sector.
  9  Hierbij werden bij wijze van voorbeeld de ontwikkelingen binnen het MKB in het kader van de ‘Bruisende Binnen-
     steden’ genoemd.
6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>1.4 Werkwijze
    Voor dit traject heeft een commissie van de SER en de RvC de volgende activi-
    teiten uitgevoerd:
    a. Het specificeren/afbakenen van de vervolgopdracht.
       De commissie heeft de arbeidsmarktknelpunten die in de verkenning worden
       genoemd als uitgangspunt genomen en vier oplossingsrichtingen uitgewerkt:
       1. Hoe kan het verdienvermogen van de culturele en creatieve sector worden
             gestimuleerd?
       2. Hoe kan de inkomenszekerheid van werkenden worden vergroot?
       3. Hoe kunnen scholing en duurzame inzetbaarheid worden bevorderd?
       4. Hoe kan de sociale dialoog worden versterkt?
             Bij het aandragen van oplossingsrichtingen hebben de raden zich vooral
             gericht op de groeiende en kwetsbare groep werkenden in de culturele en
             creatieve sector met een zwakke inkomens- en onderhandelingspositie.
             Waar in dit rapport wordt gesproken over de werkenden betreft het daarom
             met name dit deel van de populatie werkenden.
             De culturele en creatieve sector wordt op dezelfde wijze gedefinieerd als in
             de eerdere arbeidsmarktverkenning van de SER en de RvC: uitgangspunt is
             de CBS-definitie van de creatieve industrie, aangevuld met de cultuuredu-
             catie10 (zie bijlage 4).
    b. Afstemming van de opdracht met andere stakeholders die op dit terrein actief
       zijn (zoals Kunsten ’92, sociale partners, OCW).
    c. Het, aan de hand van gesprekken en documentatie, inventariseren van de stand
       van zaken ten aanzien van de te onderzoeken vraagstukken en reeds lopende
       initiatieven hieromtrent binnen de sector.
    d. Het organiseren van twee consultatiegesprekken met partijen uit het veld om
       knelpunten en oplossingsrichtingen te inventariseren (zie bijlage 5 voor een
       overzicht van de deelnemers).
    e. Het benaderen van partijen uit het veld met het verzoek om in een position paper
       oplossingen aan te dragen voor de arbeidsmarktknelpunten in de sector. Dit
       heeft geleid tot 32 position papers (zie bijlage 6 voor een overzicht van de orga-
       nisaties die een position paper hebben aangeleverd).
    f. Het op basis van c), d) en e) komen met voorstellen hoe deze vraagstukken kun-
       nen worden aangepakt en wie daarvoor aan zet is.
    g. Het opstellen van het eindrapport.
    10 Hiertoe worden gerekend: de muziekscholen, centra voor de kunsten en volksuniversiteiten.
                                                                                                 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>.5 Samenstelling commissie en vaststelling advies
   De SER en de RvC hebben de gezamenlijke commissie die de Verkenning arbeidsmarkt
   culturele sector heeft voorbereid, gevraagd haar werkzaamheden voort te zetten. In
   bijlage 7 is de samenstelling van de commissie vermeld. De commissie heeft haar
   werkzaamheden verricht in de periode november 2016 tot en met maart 2017.
   De RvC heeft het advies vastgesteld in zijn raadsvergadering van 20 april 2017.
   De SER heeft het advies vastgesteld in zijn raadsvergadering van 21 april 2017.
.6 Leeswijzer
   Hoofdstuk 2 gaat nader in op de bijzondere kenmerken van de culturele en crea-
   tieve sector en op de arbeidsmarktknelpunten die daar spelen. Dit hoofdstuk bevat
   onder meer een beknopte samenvatting van de belangrijkste conclusies uit de ver-
   kenning, waar relevant aangevuld met nieuwe cijfers. In de hoofdstukken 3 tot en
   met 6 komen de in paragraaf 1.4 genoemde vier oplossingsrichtingen aan de orde
   die volgens de SER en de RvC kunnen bijdragen aan het versterken van de positie
   van de werkenden in de sector. Hoofdstuk 7 bevat een slotbeschouwing.
8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>2   De culturele en creatieve sector:
    kenmerken en arbeidsmarkt
2.1 Inleiding
    In dit rapport onderscheiden de SER en de RvC vier oplossingsrichtingen die kun-
    nen bijdragen aan het verminderen van de arbeidsmarktknelpunten in de culturele
    en creatieve sector. Deze oplossingsrichtingen dienen aan te sluiten bij het speci-
    fieke karakter van de sector en bij de kenmerken van de culturele en creatieve
    arbeidsmarkt. In paragraaf 2.1 van dit hoofdstuk schetsen de raden daarom een
    beknopt beeld van de bijzondere kenmerken van deze sector, terwijl in paragraaf
    2.2 op basis van de verkenning van de SER en de RvC de belangrijkste arbeidsmark-
    tontwikkelingen worden beschreven. In paragraaf 2.3 worden de belangrijkste
    resultaten samengevat. De kenmerken van de culturele en creatieve sector, gecom-
    bineerd met een arbeidsmarkt met een structurele disbalans tussen vraag en aan-
    bod, vragen volgens de raden om specifiek arbeidsmarktbeleid om de positie van
    werkenden in deze sector te verbeteren.
2.2 Bijzondere kenmerken van de culturele en creatieve sector
    De culturele en creatieve sector heeft een aantal bijzondere kenmerken die onder
    meer samenhangen met de economie van de sector, de projectmatige werkwijze in
    de sector en de sterke intrinsieke motivatie van de werkenden.
    Waarde(n) van de sector
    De culturele en creatieve sector wordt gekenmerkt door intrinsieke, esthetische
    waarden.1 Het publiek wordt door kunst en cultuur aangesproken door schoon-
    heid, ontroering, herinneringen en contemplatieve thema’s. Geen ander domein
    in de samenleving, van economie tot sport, religie of wetenschap, legt zo’n sterk
    verband met deze waarden.
    Het is belangrijk dat kunst en cultuur een functie vervullen als vrijplaats voor kri-
    tische en onconventionele opvattingen.2 De intrinsieke, autonome waarde is een
    van de belangrijkste motivaties om een deel van de culturele en creatieve sector
    door de overheid te subsidiëren. De functie van de culturele en creatieve sector als
    vrijplaats is te vergelijken met de wetenschap. Waar wetenschap de vrijheid gebo-
    1  WRR (2015) Cultuur herwaarderen, Verkenning 30, Den Haag : Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
    2  Raad voor Cultuur (2015) Agenda cultuur 2017 - 2020 en verder, Den Haag : Raad voor Cultuur.
                                                                                                                29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>  den wordt om belangeloos vragen te stellen over het functioneren van de wereld, is
  er ook ruimte voor kunst en cultuur om in alle vrijheid de eigen betekenis en die
  voor de samenleving te onderzoeken.
  Behalve de intrinsieke, esthetische waarde bezitten kunst en cultuur, waaronder
  ook de media, maatschappelijke en economische waarden die van belang zijn voor
  individuen en voor de samenleving als geheel.3 Zo dragen kunst en cultuur bij aan
  identiteitsvorming, ontplooiing, zingeving en informatievoorziening. Daarnaast
  bevordert de culturele en creatieve sector het creatieve en innovatieve vermogen
  van de samenleving, de ondernemingszin, de fysieke inrichting, de sociale binding
  en het aanzien van Nederland.
  Wat een land uiteindelijk financieel overheeft voor de intrinsieke, maatschappe-
  lijke en/of economische waarde van cultuur, is een beslissing van consumenten,
  bedrijfsleven en de politiek. Aangezien kunst en cultuur ook een publieke functie
  hebben, wordt mede op basis daarvan een deel van het kunst- en cultuuraanbod
  gesubsidieerd.
  Legitimeringsgronden voor subsidiëring worden ook vaak gezocht in de externe,
  positieve effecten van kunst en cultuur voor zowel individuen, de maatschappij als
  voor de economie. Het gaat hier om de positieve gevolgen van goederen of diensten
  die genoten kunnen worden, zonder dat de maker hiervoor een vergoeding krijgt.
  Zo is er de waarde die samenhangt met de beleving van de artistiek-inhoudelijke
  kwaliteit. In maatschappelijke effectmetingen wordt deze waarde in economische
  zin geobjectiveerd. Denk hierbij aan de positieve, economische effecten van kunst
  en cultuur op het vestigingsklimaat of aan de positieve effecten op het toerisme.
  Wanneer er sprake is van een keur aan culturele voorzieningen, zoals bioscopen,
  theaters, concertzalen, operahuizen en monumentale gebouwen en parken, heeft
  dit veelal een gunstig effect op de waarde van een stad of een wijk in de stad. Het is
  met andere woorden zo, dat afgezien van het genot dat individuen ontlenen aan de
  esthetische waarde van kunst en cultuur, er ook sprake is van een economische
  hefboomfunctie van kunst en cultuur. Zo is er aantoonbaar een stijging van de
  3  Zie de website Monitor Trends in Beeld van het ministerie van OCW. De minister van OCW heeft een verantwoor-
     delijkheid voor de cultuur en –mediastelsels. Vanuit die rol waarborgt de minister een aantal publieke belangen,
     waarvan het niet vanzelfsprekend is dat ze tot stand komen. In de Mediawet en de wet op bijzonder en specifiek
     cultuurbeleid is vastgelegd dat de cultuur- en mediastelsels moeten voldoen aan criteria van (1) verscheidenheid
     en pluriformiteit (inclusief bescherming van erfgoed); (2) spreiding (zowel geografische spreiding als toeganke-
     lijkheid); (3) kwaliteit; (4) onafhankelijkheid.
0
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>waarde van het vastgoed en wordt een positieve aantrekkingskracht gesignaleerd
op bedrijven en individuen.4
De bijdrage aan de economie van de culturele en creatieve sector wordt voorts
erkend in het Topsectorenbeleid van het Ministerie van Economische Zaken (EZ). De
Topsector Creatieve Industrie is een groeisector die positief bijdraagt aan de export-
positie van Nederland. Een van de belangrijkste knelpunten in de culturele en
creatieve sector is dat cultuurproducenten (te) weinig van de externe positieve
effecten terugzien in hun verdienmodellen.
Naast economische waarde produceert de culturele en creatieve sector maatschap-
pelijke opbrengsten: culturele voorzieningen dragen bij aan beter onderwijs,
gezondheid en welzijn, een actieve deelname van mensen aan de samenleving en
aan de gemeenschapszin van (groepen) mensen.
Economie van de sector
Er is in de culturele en creatieve sector sprake van een imperfecte markt. De imper-
fecties zijn door diverse economen beschreven.5 Deze houden onder meer verband
met het feit dat vraag en aanbod op een inefficiënte wijze bij elkaar komen. Het is
dan ook onzeker of er ooit een evenwicht zal komen tussen vraag en aanbod. Zo is
er voorkennis nodig om de artistiek-inhoudelijke waarde te kunnen bepalen. De
smaakonzekerheid aan de vraagkant veroorzaakt een informatiescheefheid die als
gevolg kan hebben dat er in de beeldende kunst, maar ook in muziek, film, litera-
tuur en architectuur een ‘winner takes all’ ontstaat, omdat het publiek op zeker
speelt en zich, al dan niet gesteund door deskundigen, op de gevestigde namen
richt.
Daarnaast werkt de intrinsieke drive van kunstenaars het in de hand dat er aanbod
wordt geproduceerd zonder dat hieraan een directe vraag ten grondslag ligt. Hier-
door ontstaat overaanbod, met veelal een ongelijke machtsverhouding en dalende
prijzen als gevolg. Desondanks reageert in grote delen van de culturele en creatieve
sector het aanbod van arbeid maar beperkt op een prijsdaling en verlaat men de sec-
tor niet. Veel zzp’ers in de culturele en creatieve sector ontvangen een lagere vergoe-
ding dan een omgerekend uurtarief dat vergelijkbaar is met het minimumloon. Zij
accepteren dat, omdat zij worden gedreven door de passie voor hun werk, maar ook
4  Zie Atlas voor gemeenten. De Atlas voor gemeenten vergelijkt elk jaar de 50 grootste gemeenten van Nederland
   met elkaar. Uit de vergelijking komt een woonaantrekkelijkheidsindex voort, samengesteld uit acht factoren, te
   weten bereikbaarheid van werk, het culturele aanbod, veiligheid, het aandeel koopwoningen in de woningvoor-
   raad, de nabijheid van natuurgebieden, de aanwezigheid van hoger onderwijs, het historische karakter van de stad
   en de kwaliteit van het culinaire aanbod.
5  Zie Klink, P. van (2016) De bijzondere economie van het kunstenaarschap of Wat iedere kunstenaar moet weten,
   Amsterdam : Amsterdam University Press; en Klamer, A (1996) The Value of Culture: On the relationship of econo-
   mics and art, Amsterdam : Amsterdam University Press.
                                                                                                                 31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>  omdat zij in beeld willen blijven en hun artistieke ontwikkeling vooropstellen.
  Deze kenmerkende intrinsieke motivatie helpt kunstenaars vaak niet om hun
  arbeidsmarktpositie te verbeteren. Als de focus op de artistieke productie ligt, is het
  moeilijk om tegelijkertijd het zakelijke belang in het oog te houden. Een effect dat
  nog versterkt wordt door een zwakke onderhandelingsmacht. Deze scheve situatie
  tussen vraag en aanbod is een mogelijke reden voor overheidsingrijpen. Daarnaast
  heeft het overaanbod in de culturele en creatieve sector niet louter negatieve effec-
  ten. De grote participatie in de sector – als amateur, als professional en op de grens
  van beide – is van grote waarde voor de kwaliteit van de output. Bovendien stimu-
  leert een groot aanbod innovatie en excellentie. Hiervan profiteert de Nederlandse
  economie en samenleving als geheel in termen van creativiteit, innovatie en leef-
  baarheid.
  De bijzondere kenmerken van de culturele en creatieve sector laten zien dat de sec-
  tor alleen onvoldoende in staat is om evenwichtige arbeidsverhoudingen te realise-
  ren. Het grote en groeiende aandeel zzp’ers en het huidige ongelijke speelveld voor
  werknemers en zzp’ers bieden geen zicht op een betere situatie. De overheid streeft
  er in algemene zin naar om goede arbeidsverhoudingen te bevorderen. Daarbij gaat
  het zowel om het faciliteren en stimuleren van moderne arbeidsrelaties als om de
  rechtsbescherming van werknemers. De effecten daarvan kunnen zijn dat er even-
  wichtiger arbeidsverhoudingen ontstaan, waarbij werkenden een minimumniveau
  van arbeidsrechtelijke bescherming wordt geboden dat in overeenstemming is met
  de maatschappelijke ontwikkelingen en dat sociale partners voldoende ruimte
  biedt voor eigen verantwoordelijkheid. Een dergelijke bescherming geldt echter
  onvoldoende voor het groeiende aantal zzp’ers in de sector. Op grond van het mede-
  dingingsrecht mogen zzp’ers geen prijsafspraken maken, tenzij het schijnzelfstan-
  digen betreft. Bij het uitblijven van (sector)specifieke wet- en regelgeving zijn collec-
  tieve afspraken over honoraria en (andere) standaardvoorwaarden volgens de ACM
  in Nederland vooralsnog praktisch onmogelijk.6
  De bijzondere kenmerken van de culturele en creatieve sector, de stelselverantwoor-
  delijkheid van de overheid voor kunst en cultuur én de structurele disbalans tussen
  vraag en aanbod op de arbeidsmarkt maken het wenselijk dat de overheid met
  andere belanghebbenden maatregelen treft om de positie van werkenden in de
  sector te beschermen en – waar nodig – te verbeteren. Dit vergt het stimuleren van
  sectorspecifiek arbeidsmarktbeleid.
  6   ACM (2017) Leidraad tariefafspraken voor zzp'ers in cao's, Den Haag : Autoriteit Consument & Markt.
2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>2.3               De arbeidsmarkt van de culturele sector
                  In de Verkenning arbeidsmarkt culturele sector van januari 2016 concluderen de SER en
                  de RvC dat de arbeidsmarktsituatie van veel werkenden in de culturele sector zor-
                  gelijk is.7 In deze paragraaf vatten we de meest in het oog springende conclusies uit
                  de verkenning nog eens samen, waar mogelijk aangevuld met actuelere cijfers.
                  Minder werknemers, meer zelfstandigen
                  Uit de verkenning blijkt dat door de economische crisis en de bezuinigingen in de
                  afgelopen jaren veel banen van werknemers in de culturele en creatieve sector ver-
                  loren zijn gegaan. Volgens de meest recente cijfers in Cultuur in Beeld 2016 is in de
                  periode 2010 tot en met 2015 het aantal banen gedaald van 163.000 naar 140.000,
                  een krimp van 14,3 procent (zie tabel 2.1).8 Dit is exclusief de werkgelegenheidsont-
                  wikkeling in de cultuureducatie (zie kader). In de economie als geheel zijn er in
                  deze periode 112.000 banen bijgekomen, een winst van 1,4 procent.
Tabel 2.1         Ontwikkeling van het aantal banen van werknemers en aantal zelfstandigen9
                                                   Banen werknemers                                 Aantal zelfstandigen
                                          2010            2015            Groei             2010            2014           Groei
                                                                       2010-2015                                         2010-2014
  Totaal economie                        7.770.000       7.882.000            1,4%           960.000       1.033.000           7,6%
  Totaal culturele en creatieve            162.830          139.570         -14,3%            92.820         106.000          14,2%
  sector
  Kunsten en cultureel erfgoed              47.550           42.890          -9,8%            38.480          44.910          16,7%
  Media & Entertainment                     61.950           51.500         -16,9%            21.870          24.440          11,8%
  Creatieve zakelijke dienstver-            53.330           45.190         -15,3%            32.480          36.650          12,5%
  lening
                  Bron: CBS Statline (17 november 2016) Maatwerktabel t.b.v. Cultuur in Beeld 2016.
                  De werkgelegenheid bij culturele instellingen en rijkscultuurfondsen die gesubsi-
                  dieerd worden uit de Culturele Basisinfrastructuur (niet in tabel 2.1) daalde van
                  8.110 werknemers in 2010 naar 7.050 in 2013, steeg in 2014 naar 7.260 werknemers
                  en daalde in 2015 naar 7.120.10 Over het hele tijdvak is het aantal werknemers bij
                  7   SER en RvC (2016) Verkenning arbeidsmarkt culturele sector, Den Haag : Sociaal-Economische Raad/Raad voor
                      Cultuur.
                  8 Min. OCW (2016) Cultuur in Beeld 2016, Den Haag : Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
                  9 Het aantal zelfstandigen heeft betrekking op personen die aangifte hebben gedaan van winst uit een eigen onder-
                      neming. Zelfstandigen met resultaat uit overig werk of DGA’s zijn niet meegerekend.
                  10 CBS Statline (17 november 2016) Maatwerktabel Werknemers bij gesubsidieerde culturele instellingen, Voorburg/
                      Heerlen : Centraal Bureau voor de Statistiek.
                                                                                                                                   33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>  deze instellingen met 12,2 procent gedaald. Daarnaast is het aandeel voltijdse aan-
  stellingen bij de BIS-instellingen sinds 2013 gedaald: van 48 procent in de periode
  2010-2012 naar 44 procent in de periode 2013-2015.
  Terwijl er banen in loondienst verloren zijn gegaan, is het aantal actieve zelfstandi-
  gen in de culturele en creatieve sector gestegen. Het aantal zelfstandigen in de sec-
  tor (exclusief de cultuureducatie) is volgens tabel 2.1 tussen 2010 en 2014 met
  13.000 gestegen (+14,2 procent). In de gehele economie bedraagt de stijging van het
  aantal zelfstandigen in dit tijdvak 7,6 procent.
       Werkgelegenheid cultuureducatie
       De werkgelegenheidscijfers in tabel 2.1 zijn exclusief de cultuureducatie. Er zijn nog
       weinig betrouwbare cijfers over de werkgelegenheid in deze branche. In 2016 heeft
       het CBS een pilot gepubliceerd over het aanbod van kunst- en cultuureducatie.* Vol-
       gens deze pilot waren in 2015 circa 13 duizend personen in loondienst of als zelfstan-
       dige werkzaam in deze branche, waarvan 10.500 docenten en 2.500 ondersteunend
       personeel. Daarnaast waren er bijna 7.500 vrijwilligers en stagiairs in de branche
       actief. Uit een aanvullende maatwerktabel van het CBS blijkt dat de personeelsforma-
       tie in de cultuureducatie tussen 2007 en 2014 met 21 procent is gedaald.**
       Naast amateurkunst en buitenschoolse cultuureducatie is er ook cultuureducatie in
       het primair en voortgezet onderwijs. In het primair onderwijs zijn professionals actief
       met een onderwijsbevoegdheid, alsmede kunstenaars vanuit culturele instellingen.
       Het is niet bekend om hoeveel professionals het gaat. Leerlingen in het voortgezet
       onderwijs (vmbo, havo, vwo) krijgen voornamelijk te maken met kunst en cultuur bij
       Culturele en Kunstzinnige Vorming (CKV), bij de kunstvakken en bij culturele
       activiteiten. In het voortgezet onderwijs werkten in 2015 ruim 3.600 docenten met
       een eerstegraads en ruim 8.200 personen met een tweedegraads bevoegdheid in het
       vakkencluster Kunst.***
       * CBS (2016) Pilot Aanbod kunst- en cultuureducatie 2015, Voorburg/Heerlen : Centraal Bureau voor de Statistiek.
       ** CBS (10 maart 2016) Kerngegevens Kunst-/Cultuurconnectie 1991-2014, Voorburg/Heerlen : Centraal Bureau
           voor de Statistiek.
       *** Zie de website stamos.nl: Vakinformatie vo.
  Het aantal arbeidsjaren in de culturele en creatieve sector van werknemers en zelf-
  standigen samen is naar schatting gedaald van 190.000 in 2010 naar ruim 183.000
4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>in 2014, een afname van 3,5 procent. 11 Het toch al hoge aandeel zelfstandigen in
de culturele en creatieve sector is hierdoor nog verder gestegen: van 34,7 procent
van de arbeidsjaren in 2010 naar 40,6 procent in 2014.
Grote en toenemende bijdrage van vrijwilligers
Veel vrijwilligers vinden de culturele en creatieve sector een aantrekkelijk werk-
domein. Zij leveren een belangrijke bijdrage aan het maatschappelijk draagvlak
voor en binding met de sector. Vrijwilligers zijn voor culturele instellingen van
groot belang. Delen van de culturele en creatieve sector (denk aan musea, poppodia
en bibliotheken) kunnen door de bezuinigingen, uitstroom van professionele
krachten en een meer projectmatige werkwijze zonder vrijwilligers niet functione-
ren. Een aantal branches maakt daarom veel en steeds meer gebruik van vrijwilli-
gers.12 Hoewel deze vrijwilligers aanmerkelijk minder uren werkzaam zijn dan
werknemers, geeft dit het grote belang aan van vrijwilligers voor het functioneren
van delen van de sector en dat vrijwilligerswerk in deze branches een aantrekkelijk
werkdomein is. In de arbeidsmarktverkenning van de SER en de RvC wordt erop
gewezen dat de groei van het aantal vrijwilligers erop kan wijzen dat zij betaalde
krachten verdringen.13 Anderzijds kan de toename ook het gevolg zijn van de intro-
ductie van nieuwe werkzaamheden. Ook is het juist mede dankzij de inzet van vrij-
willigers mogelijk om bijvoorbeeld festivals te organiseren.
Stijgende deelname van stagiairs
Uit tabel 2.2 blijkt dat ook het aantal stagiairs in de culturele en creatieve sector is
gestegen, maar de toename (+15,2 procent) is minder groot dan de groei van het
totale aantal stagiairs in Nederland (+28,8 procent). Alleen in Media & Entertain-
ment is het aantal stagiairs sterk gegroeid. De sector maakt relatief veel en in toe-
nemende mate gebruik van stagiairs. In 2010 waren er 2,46 stagiairs per 100 banen
van werknemers; in 2015 waren dat er 3,31. In de economie als geheel steeg het aan-
tal stagiairs per 100 banen van 1,16 naar 1,48.
11 Eigen berekening op basis van CBS Statline (17 november 2016) Maatwerktabel t.b.v. Cultuur in Beeld 2016. Het aan-
    tal arbeidsjaren van zelfstandigen is bepaald conform de rekenregels die in Cultuur in Beeld 2013 zijn gehanteerd.
    Een zelfstandige die zelfstandigenaftrek heeft gekregen telt voor 0,875 arbeidsjaar mee. Een zelfstandige zonder
    zelfstandigenaftrek telt voor 0,375 arbeidsjaar mee.
12 Zie CBS Statline (4 oktober 2016) Musea; collectie, bezoeken, tarieven, tentoonstellingen, werkgelegenheid en CBS
    Statline (10 januari 2017) Professionele podiumkunsten; werkgelegenheid, baten en lasten, Voorburg/Heerlen :
    Centraal Bureau voor de Statistiek.
13 SER en RvC (2016) Verkenning arbeidsmarkt culturele sector, Den Haag : Sociaal-Economische Raad/Raad voor
    Cultuur, p. 13.
                                                                                                                   35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>abel 2.2  Ontwikkeling van het aantal stagiairs in de periode 2010-2015
                                                                        2010                     2015      Groei 2010-2015
            Totaal economie                                           90.360                  116.380                28,8%
            Totaal culturele en creatieve sector                        4.020                   4.630                15,2%
            Kunsten en cultureel erfgoed                                1.010                    1.180               16,8%
            Media & Entertainment                                       1.070                   1.420                32,7%
            Creatieve zakelijke dienstverlening                         1.950                   2.040                 4,6%
          Bron: CBS Statline (17 november 2016) Maatwerktabel t.b.v. Cultuur in Beeld 2016.
          Relatief groot en toenemend aandeel tijdelijke contracten
          Relatief veel werknemers in de culturele en creatieve sector werken op een tijdelijk
          contract, mede als gevolg van de financiële risico’s en projectmatige werkzaam-
          heden. Het aandeel van tijdelijke contracten is in de afgelopen jaren verder toe-
          genomen (zie figuur 2.1). In de economie als geheel loopt het aandeel tijdelijke
          contracten op van 28 procent in 2010 naar 33 procent in 2015.14 In de sector
          cultuur, sport en recreatie ligt dat ieder jaar in dit tijdvak circa 10 procentpunt
          hoger. Van de werknemers bij een BIS-instelling heeft ruim eenderde van de
          werknemers een dienstverband voor bepaalde tijd. Dit aandeel is in de periode
          2010-2015 overigens weinig gestegen.
iguur 2.1 Ontwikkeling van het aandeel tijdelijke contracten in de periode 2010-2015
          Bronnen: CBS Statline (20 januari 2017) Werkgelegenheid; geslacht, dienstverband, kenmerken baan, SBI2008 en
          CBS Statline (17 november 2016) Werknemers bij gesubsidieerde culturele instellingen.
          14 CBS Statline (20 januari 2017) Werkgelegenheid; geslacht, dienstverband, kenmerken baan, SBI2008, Voorburg/
              Heerlen : Centraal Bureau voor de Statistiek.
 6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Relatief grote ww-dynamiek
Als gevolg van de projectmatige werkwijze in de culturele en creatieve sector en het
grote aandeel tijdelijke contracten is ook de werkeloosheid verhoudingsgewijs
hoog.15 In 2014 was het aantal nieuwe en lopende WW-uitkeringen per 100 verze-
kerden in de sector ongeveer twee keer zo hoog als in de totale economie. Positief is
wel dat de instroom in de WW in 2015 met 8,4 procent is gedaald en het aantal
lopende uitkeringen met 8,6 procent.16 De sector steekt daarbij positief af bij de eco-
nomie als geheel waar de instroom met 3,5 procent is gedaald, terwijl het aantal
lopende uitkeringen nog met 1,1 procent steeg.
Hoewel ww’ers afkomstig uit culturele instellingen volgens het UWV relatief snel
weer aan het werk zijn (67 procent van de instroom in 2014 hervatte het werk bin-
nen een jaar), is hun werkhervatting verhoudingsgewijs weinig duurzaam. Bijna de
helft blijft na werkhervatting minimaal 12 maanden aan het werk, de rest is korter
dan een jaar werkzaam. Dit bevestigt het projectmatige en seizoensgebonden
karakter van het werk in de sector.17
Zwakke inkomenspositie
Uit de verkenning blijkt dat een groot deel van de mensen die werken in de cultu-
rele en creatieve sector een jaarinkomen heeft onder modaal niveau.18 Ongeveer de
helft van de mensen met een creatief beroep heeft een jaarinkomen dat lager is dan
30 duizend euro.19 Bij andere beroepsbeoefenaren met een hoog vaardigheidsni-
veau verdient maar twintig procent beneden modaal. Kunstenaars hebben vaker
een bijstands- of WW-uitkering.
Uit CBS-cijfers blijkt dat het persoonlijk inkomen van zzp’ers in de sector cultuur,
recreatie en overige diensten met gemiddeld 19 duizend euro het laagst is ten
opzichte van zzp’ers in andere sectoren.20 Van den Born heeft in 2013 onderzoek
gedaan naar het inkomen van zzp’ers die een creatief beroep uitoefenen.21 In dit
15 De sector culturele instellingen zoals gedefinieerd door het UWV is beperkter afgebakend dan de cultuursector in
   dit rapport. Het UWV rekent tot de sector culturele instellingen: toonkunstenaars, opera- en toneelgezelschappen,
   variété-, circusinstellingen en kermisgezelschappen, film, beeldhouwkunst, schilderkunst, letterkundigen, musea,
   archieven, monumenten en bibliotheken, andere culturele instellingen, zendgemachtigden op het gebied van radio
   en televisie, alsmede omroepproductiebedrijven. In 2014 ging het om ruim 50 duizend verzekerde personen.
16 UWV (2017) Informatie sociale verzekeringen naar sectoren 2015, Amsterdam : UWV.
17 UWV (2016) Kansrijk uit de ww, Amsterdam : UWV.
18 SER en RvC (2016) Verkenning arbeidsmarkt culturele sector, Den Haag : Sociaal-Economische Raad/Raad voor
   Cultuur.
19 CBS (2014) Monitor kunstenaars en afgestudeerden aan creatieve opleidingen, Voorburg/Heerlen : Centraal Bureau
   voor de Statistiek.
20 CBS nieuwsbericht (27 oktober 2015) Zelfstandige verdient gemiddeld 38 duizend euro, Voorburg/Heerlen : Centraal
   Bureau voor de Statistiek.
21 Born, A. van den (2013) Het einde van de zelfstandigenaftrek: De impact op de creatieve zelfstandige, Tilburg: Cre-
   atief Ondernemerschapslab.
                                                                                                                   37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>  onderzoek ligt het gemiddelde bruto-jaarinkomen van zzp’ers in de culturele sector
  op 21.908 euro. Dit is ruim 10 duizend euro lager dan het modaal bruto-inkomen
  van 32.500 euro in 2013. Daarnaast blijkt uit het meest recente onderzoek onder
  hbo-afgestudeerden opnieuw dat de uurtarieven en salarissen van afgestudeerden
  van het kunstvakonderwijs van alle hbo-afgestudeerden het laagst zijn. Anderhalf
  jaar na afstuderen krijgen hbo-alumni eind 2015 gemiddeld 14,20 euro bruto per
  uur. Voor afgestudeerden van het kunstvakonderwijs is dit 10,40 euro.22 Het groot-
  ste deel van de kunstenaars en creatieven is actief als zelfstandige. Met uitzonde-
  ring van een enkele beroepsgroep zoals medisch specialisten, ligt het inkomen van
  zelfstandigen doorgaans lager dan bij werknemers in loondienst.23
  Uit de verkenning van de SER en de RvC bleek dat er in sommige deelsectoren
  behoefte bestaat om te komen tot (minimum)tariefafspraken. De beperkingen die
  het mededingingsrecht daaraan stelt, vormen een belemmering.
  Weinig zzp’ers verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid
  Steeds minder zelfstandigen in Nederland hebben een arbeidsongeschiktheidsver-
  zekering (aov). Vaak geven zij aan dat zij zo’n verzekering te duur vinden en dat zij
  over voldoende andere oplossingen beschikken. Uit CBS-cijfers blijkt dat dit aandeel
  is gedaald van 23,4 procent in 2011 tot 21,9 procent in 2013.24 Het aandeel zzp’ers
  met een aov ligt in de culturele en creatieve sector nog lager dan gemiddeld. In de
  sector ‘cultuur, recreatie en overige diensten’ betalen relatief de minste zzp’ers deze
  premie: slechts 10 procent is verzekerd (zie figuur 2.2).
  Zzp’ers hebben onvoldoende financiële ruimte voor pensioenopbouw
  In de verkenning van de SER en de RvC uit 2016 wordt geconcludeerd dat er vaak
  onvoldoende financiële ruimte is voor het opbouwen van een oudedagsvoorzie-
  ning.25 Bijna de helft van de cultureel ondernemers zegt pensioenrechten te heb-
  ben opgebouwd die voortkomen uit een dienstverband.26 Daarnaast heeft 15 pro-
  cent van de zzp’ers pensioen gespaard via een lijfrente of bankspaarproduct, maakt
  1 op de 10 gebruik van de Fiscale Oudedagsreserve en spaart 1 op de 10 zonder
  gebruik te maken van een specifiek pensioenproduct.
  22 Vereniging Hogescholen (2016) Feiten en cijfers HBO-Monitor 2015: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van
     het hbo, Den Haag : Vereniging Hogescholen.
  23 CBS nieuwsbericht (5 maart 2016) Inkomen meeste zzp’ers lager dan van werknemers, Voorburg/Heerlen : Centraal
     Bureau voor de Statistiek.
  24 CBS nieuwsbericht (6 februari 2016) Een op vijf zzp'ers verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid, Voorburg/Heerlen :
     Centraal Bureau voor de Statistiek.
  25 SER en RvC (2016) Verkenning arbeidsmarkt culturele sector, Den Haag : Sociaal-Economische Raad/Raad voor Cul-
     tuur.
  26 Born, A. van den e.a. (2017) Culturele pensioenen voor en van culturele ondernemers, Tilburg : Tilburg University.
     Het gaat hierbij overigens om een beperkt onderzoek onder 122 culturele ondernemers.
8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>           Volgens het CBS betaalde in 2013 bijna 12 procent van alle zzp’ers lijfrentepremie
           voor een pensioen. In de sector ‘cultuur, sport en recreatie’ was dat met 7 procent
           het laagst (zie figuur 2.2).
Figuur 2.2 Zzp’ers met premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en lijfrente in 2013
           Bron: CBS nieuwsbericht (6 februari 2016) Een op vijf zzp'ers verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid.
           De redenen die zzp’ers noemen om geen pensioen op te bouwen, is dat men het
           te duur vindt, te ingewikkeld, iets voor de langere termijn en dat men het liever
           investeert in de eigen onderneming.27 Overigens heeft een aanzienlijk deel van de
           zzp’ers een dermate laag inkomen dat de AOW al een verbetering is en waardoor
           het ook niet nodig is om aanvullend te sparen voor de oude dag.
           Zwakke onderhandelingspositie zzp’ers
           De kern van het ondernemerschap is de vrijheid om over de prijsstelling en andere
           voorwaarden te onderhandelen. In specifieke sectoren wordt de marktwerking ver-
           stoord door een onvoldoende onderhandelingspositie van de zelfstandige. Een indi-
           catie hiervoor is het verschil tussen het persoonlijk inkomen van werknemers en
           zzp’ers. Het persoonlijk inkomen van een zzp’er ligt gemiddeld ruim 10 procent
           lager dan van een werknemer. Het verschil is het grootste in de beroepsgroep kun-
           stenaars.28 Hier hebben zzp’ers 43 procent minder inkomen dan een werknemer in
           27 Born, A. van den e.a. (2017) Culturele pensioenen voor en van culturele ondernemers, Tilburg : Tilburg University.
               Het gaat hierbij overigens om een beperkt onderzoek onder 122 culturele ondernemers.
           28 Tot de beroepsgroep kunstenaars horen beeldende beroepen, ontwerpende beroepen, uitvoerende beroepen en
               schrijvers en overige kunstenaarsberoepen. Circa 60 procent van de kunstenaars werkt als zelfstandige.
                                                                                                                              39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>  deze beroepsgroep. Meer dan de helft van de zelfstandigen in de culturele en crea-
  tieve sector is van mening dat zij een zwakke onderhandelingspositie hebben ten
  opzichte van opdrachtgevers en exploitanten.29 Het gevolg hiervan is dat zij minder
  goed in staat zijn om redelijke tarieven te vragen en om verzekeringspremies en
  reserveringen voor bufferopbouw in hun tarieven te verdisconteren.
  Onrust over zelfstandigenaftrek, wet DBA en Wwz
  Tot slot signaleren de SER en de RvC in hun verkenning dat veel zzp’ers bezorgd zijn
  dat zij bij de eventuele afschaffing/beperking van de zelfstandigenaftrek gedwon-
  gen zijn om te stoppen als zzp’er; zij beschouwen de zelfstandigenaftrek als een
  belangrijke inkomensondersteuning. Dit is vooral relevant als er geen alternatief is
  voor het zzp-schap, omdat het beroep weinig of niet in loondienst voorkomt; een
  situatie die in sommige delen van de culturele en creatieve sector relatief vaak voor-
  komt. Ook is er bij opdrachtgevers en opdrachtnemers onrust over de, per 1 mei
  2016 in werking getreden, wet DBA. De onduidelijkheid over deze wet en de finan-
  ciële gevolgen ervan als de Belastingdienst een naheffing en boete oplegt, heeft bij
  opdrachtgevers geleid tot terughoudendheid bij het inschakelen van zzp’ers, ook al
  is de werking van de wet vanwege de onrust tot 2018 uitgesteld. Er zijn signalen, ook
  uit de culturele en creatieve sector, dat opdrachtgevers om geen risico’s te lopen
  gebruikmaken van intermediairs als payrollbedrijven en uitzendbureaus.30 Een
  deel van de zzp’ers geeft aan hierdoor minder opdrachten te hebben gekregen.31
  Culturele instellingen zijn terughoudend om mensen in vaste dienst te nemen. Dit
  komt door het projectmatige karakter van veel van het werk, de onzekere financiële
  situatie en de kosten die zijn verbonden aan een vast dienstverband. De invoering
  van de Wet werk en zekerheid (Wwz) heeft ertoe geleid dat instellingen ervoor
  terugschrikken om mensen, met wie zij al tijdelijke contracten hadden, een nieuw
  contract aan te bieden. Volgens de ketenbepaling in de Wwz ontstaat er na drie
  tijdelijke contracten of na twee jaar recht op een vaste aanstelling, als er tussen deze
  contracten maximaal zes maanden zit. Overigens kunnen sociale partners in een
  cao van die regel afwijken tot maximaal zes contracten in vier jaar, mits zij kunnen
  motiveren waarom voor bepaalde functies of functiegroepen van de ketenbepaling
  moet worden afgeweken. Daarnaast kan de minister bij Algemene maatregel van
  Bestuur op verzoek van cao-partijen voor bepaalde functies in bepaalde sectoren de
  29 Weda, J. e.a. (2011) Wat er speelt, Amsterdam : SEO.
  30 Zie bijv. de brief van het Hoofd Productiefaciliteiten & ICT van de NTR Alex van Reenen, waaruit blijkt dat 'risico-
      beperking voor NTR bij het inhuren van freelancers via facilitaire bedrijven in het kader van de te verwachten toe-
      komstige wetgeving' één van de overwegingen is om de inhuur van freelancers via een derde te laten verlopen.
  31 KvK (2017) Zzp'ers en hun opdrachten, Utrecht : Kamer van Koophandel.
0
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>    ketenbepaling geheel buiten werking stellen, als die het voortbestaan van de sector
    in gevaar brengt. In de culturele en creatieve sector is dat gebeurd voor:
    ■ Artistieke functies, artistieke steunfuncties en productie- of voorstellings-
        gebonden personeel in de podiumkunstensectoren toneel en dans.
    ■ Remplaçanten in dienst bij de Stichtingen Remplaçanten of het Muziekcentrum
        van de Omroep.
    ■ Presentatoren in dienst bij RTL Nederland B.V. die voldoen aan bepaalde
        voorwaarden.32
2.4 Conclusies
    De culturele en creatieve sector heeft een aantal bijzondere kenmerken waardoor
    de markt in deze sector op onderdelen niet goed functioneert en veel werkenden in
    deze sector een zwakke arbeidspositie hebben. De werkenden zien over het alge-
    meen maar weinig terug van de waardecreatie die de sector realiseert, hoewel die
    een belangrijke bijdrage levert aan innovatie en economische welvaart, aan het wel-
    zijn van burgers en aan de maatschappelijke verbinding tussen groepen. De
    arbeidsmarkt in deze sector is structureel uit balans waarbij het aanbod de vraag
    overtreft. Op grote delen van de arbeidsmarkt van de culturele en creatieve sector
    is te zien dat het aanbod van arbeid slechts beperkt reageert op de prijsdaling. Door
    de intrinsieke motivatie blijven veel kunstenaars in deze sector uit creatieve drijfve-
    ren hun beroep uitoefenen, ook als ze daarmee weinig geld verdienen. Tegelijker-
    tijd draagt de grote participatie ook positief bij aan de kwaliteit van de sector en aan
    de creativiteit, innovatie en leefbaarheid van de Nederlandse economie en samen-
    leving.
    De disbalans tussen vraag en aanbod in de culturele en creatieve sector leidt ertoe
    dat de arbeidsmarktsituatie van veel werkenden in deze sector zorgelijk is. Door de
    economische crisis en de bezuinigingen is hun positie bovendien verder verzwakt.
    Het aantal banen van werknemers is gedaald, terwijl er tegelijkertijd relatief veel en
    in toenemende mate met tijdelijke contracten wordt gewerkt, wat er mede weer toe
    leidt dat de sector een relatief hoge kans op werkeloosheid kent. De daling van loon-
    dienstverbanden is gepaard gegaan met een verdere toename van het toch al hoge
    aandeel zzp’ers, vrijwilligers en stagiairs in deze sector en met een zwakke onder-
    handelingspositie van de werkenden.
    32 Staatscourant (2 januari 2017) nr. 132 Regeling ketenbepaling bijzondere functies en hogere vergoeding kanton-
        rechter.
                                                                                                                     41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>  De inkomens in de sector liggen laag en de meeste zzp’ers zijn niet verzekerd tegen
  het risico van arbeidsongeschiktheid. Tot slot hebben veel zzp’ers onvoldoende
  financiële middelen om te sparen voor de oude dag en is er zorg en onrust over
  (mogelijke) veranderingen in wet- en regelgeving.
  In de volgende hoofdstukken doen de raden voorstellen die tot doel hebben de posi-
  tie van de werkenden in de culturele en creatieve sector structureel te verbeteren.
  Het is de raden erom te doen dat de weerbaarheid en zelfredzaamheid van de wer-
  kenden en de werkgevers en opdrachtgevers wordt vergroot en dat zij in de gelegen-
  heid worden gesteld om te onderhandelen over redelijke honoraria en de verdeling
  van inkomsten uit auteursrechten. De voorstellen zijn verdeeld over vier oplossings-
  richtingen:
  ■ Hoe kan het verdienvermogen van de culturele en creatieve sector worden ver-
     groot? (hoofdstuk 3)
  ■ Hoe kan de inkomenszekerheid van werkenden worden verbeterd? (hoofdstuk 4)
  ■ Hoe kunnen scholing en duurzame inzetbaarheid worden bevorderd? (hoofd-
     stuk 5)
  ■ Hoe kan de sociale dialoog worden versterkt? (hoofdstuk 6)
2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>3   Vergroten verdienvermogen van de
    culturele en creatieve sector
3.1 Inleiding
    De culturele en creatieve sector verdient geld voor Nederland. De directe bijdrage
    aan het bruto binnenlands product (bbp) wordt geschat op 2,25 procent in de afge-
    lopen twintig jaar.1 Indirect draagt de sector bij aan onder meer het vestigings-
    klimaat voor burgers en bedrijven en aan de toeristische industrie. Zo bezochten
    in 2014 zes op de tien buitenlandse toeristen een of meer culturele instellingen,
    festivals of historische bezienswaardigheden tijdens hun verblijf in Nederland.2
    De waarde die gecreëerd wordt door de sector komt lang niet altijd bij de makers
    terecht. Zo hebben mensen geld over voor toegang tot nieuws, games, muziek en
    films via internet, maar gaat het grootste deel hiervan naar de bedrijven die de toe-
    gang faciliteren, zoals de producent van de smartphone of laptop en internetprovi-
    ders. Zoekmachines als Google en YouTube verdienen op hun beurt aan de recla-
    meopbrengsten van digitale bezoeken. Slechts een fractie van de gecreëerde waarde
    vloeit terug naar de makers van de creatieve content.
    De Nederlandse economie in het algemeen en de culturele en creatieve sector in het
    bijzonder zijn erbij gebaat dat deze toegevoegde waarde in grotere mate bij de
    makers neerslaat. Het te gelde maken van de economische waarde draagt niet
    alleen direct bij aan een gezonde arbeidsmarkt binnen de sector, maar zorgt ook
    voor economische circulariteit: hogere inkomsten geven ruimte voor nieuwe inves-
    teringen, die leiden tot meer maatschappelijke en economische impact, wat weer
    leidt tot hogere inkomsten, et cetera. Om deze opwaartse beweging op gang te bren-
    gen en in stand te houden, is versterking nodig van het verdienvermogen van de sec-
    tor. Dat dit verdienvermogen ook binnen andere sectoren kan liggen, laat het
    genoemde voorbeeld zien.
    Dit hoofdstuk bevat maatregelen die genomen kunnen worden door de sector en de
    overheid om het verdienvermogen van de sector te versterken. Deze maatregelen
    vergroten de koek voor iedereen. Om ervoor te zorgen dat de verzilverde waarde ook
    daadwerkelijk bij de juiste personen en organisaties terechtkomt, dienen de voor-
    1   Min. OCW (2016) Cultuur in Beeld 2016, Den Haag : Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
    2   ibid.
                                                                                                              43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>    stellen in dit hoofdstuk gezien te worden in samenhang met de voorstellen over een
    redelijke verdeling van de koek die in de andere hoofdstukken worden genoemd. De
    SER en de RvC wijzen erop dat de sector en de overheid een gedeelde verantwoorde-
    lijkheid hebben en niet op elkaar kunnen wachten.
3.2 Benut de potentie van de sector en sluit aan bij andere
    beleidsagenda’s
    De culturele en creatieve sector kan nog meer bijdragen aan onze welvaart dan hij
    nu al doet. Het is de verantwoordelijkheid van de sector zelf om zijn toegevoegde
    waarde voor het voetlicht te brengen en zo de vraag naar deze sector te vergroten.
    Dit vraagt om sterke vertegenwoordigers die het Nederlandse bedrijfsleven, con-
    sumenten en politieke beslissers van informatie kunnen voorzien. De raden moe-
    digen sectorpartijen als Kunsten ’92, Federatie Cultuur, de Federatie Creatieve
    Industrie, vakbonden en beroepsverenigingen aan om hierin intensief samen op te
    trekken en zoveel mogelijk met één stem te spreken.
    Om ervoor te zorgen dat de potentie van de sector optimaal wordt benut, is een
    overheid nodig die leert van ervaringen en op basis daarvan beleid ontwikkelt. De
    belangrijkste belemmerende factor is momenteel niet een gebrek aan goede initia-
    tieven, maar onvoldoende aandacht voor verspreiding en opschaling, waardoor
    centrale en decentrale overheden steeds opnieuw het wiel uitvinden. Ook zijn de
    beleidsagenda’s van departementen en centrale en decentrale overheden vaak niet
    goed afgestemd op elkaar en op de kenmerken van de sector, waardoor ambities
    stranden in goede voornemens. De raden adviseren daarom een integrale beleids-
    agenda op te stellen ter vergroting van de maatschappelijke en economische
    waarde van cultuur. Deze agenda zou geleid kunnen worden door de ministeries
    van OCW, EZ en Financiën, in afstemming met de sector, gemeenten, provincies en
    andere departementen.
    Hieronder volgt een niet-limitatieve opsomming van terreinen waar de raden onbe-
    nutte potentie zien van de culturele en creatieve sector voor de welvaart in Neder-
    land:
    De bijdrage van de sector aan innovatie
    Maatschappelijke uitdagingen zoals klimaatverandering, energietransitie en ver-
    grijzing vragen om nieuwe oplossingen. Met zijn creativiteit en ontwerpende
    kracht kan de sector hier bij uitstek aan bijdragen. De creatieve sector wordt vaak
    pas betrokken in de implementatiefase, zoals voor een publicatie, app of website.
 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>De meeste potentie ligt echter in de ontwerpfase waarin nieuwe concepten worden
ontwikkeld. Er zijn verschillende maatregelen mogelijk om dit te bewerkstelligen:
■ Opdrachtgevers zoals gemeenten leren hoe zij ontwerpdisciplines en digitale
   cultuur kunnen gebruiken voor actuele vraagstukken.3 Dit kan bijvoorbeeld via
   een stimuleringsprogramma naar het voorbeeld van Desiging Demand van de UK
   Design Council.
■ Bedrijven en overheden stimuleren om makers vroeger in het proces te betrek-
   ken. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland doet momenteel een pilot met
   vouchers voor bedrijven voor de inhuur van makers in de ontwerpfase.4
■ Samenwerking tussen bedrijven, overheden en makers stimuleren met behulp
   van matchingsregelingen. De sector kent veel zzp’ers en kleine studio’s die vaak
   met innovatieve ideeën komen voor actuele vraagstukken, zonder die te exploi-
   teren onder een eigen merk of label. Zij kunnen van waarde zijn voor gevestigde
   bedrijven en organisaties die de wens en slagkracht hebben om kansrijke ideeën
   uit te werken en te implementeren.
■ Kunstprojecten steunen met een duidelijke impact op een maatschappelijk
   thema of vraagstuk. Het tijdelijke stimulerings- en onderzoeksprogramma The
   Art Of Impact, dat werd gefinancierd door OCW en uitgevoerd door de zes publieke
   cultuurfondsen, zou een vervolg kunnen krijgen.5
De bijdrage van de sector aan stedelijke profilering en regionale groei
Culturele voorzieningen dragen bij aan het vestigingsklimaat voor burgers en
bedrijven. Evenementen en festivals trekken consumerende bezoekers. De aan-
wezigheid van makers stimuleert het ondernemersklimaat. Leegstand van winkels
en woningen kan worden weggenomen door herbestemming tot ateliers, galeries
en culturele broedplaatsen. De Agenda Stad van BZK, de RetailAgenda van EZ en
eventuele Citydeals bieden hiervoor aanknopingspunten.6
De bijdrage aan de kwaliteit van de bebouwde omgeving
De opgaven van transformatie van vastgoed in stedelijke regio’s zijn de komende
jaren een vraagstuk waaraan makers een positieve bijdrage kunnen leveren. VNO-
NCW werkt momenteel aan een programma voor bruisende steden en dorpen
waarin kunst en cultuur integraal wordt meegenomen. Een goed voorbeeld van een
bijdrage op het ruimtelijke terrein is het programma Ruimte voor de Rivier van het
ministerie van Infrastructuur & Milieu in samenwerking met verschillende steden,
3  UK Design Council Designing Demand, www.designcouncil.org.uk/resources/report/evaluation-our-designing-
   demand-programme
4  Zie website RVO Service design-vouchers, www.rvo.nl/subsidies-regelingen/service-design-vouchers
5  Zie www.theartofimpact.nl.
6  Zie www.agendastad.nl.
                                                                                                           45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>  waarin het indammen van overstromingsrisico’s hand in hand ging met stedelijke
  ontwikkeling.7 Het ging hier om de ontwikkeling van grote infrastructurele projec-
  ten waarin inwoners zelf een stem hadden, wat de gebruikerswaarde en maatschap-
  pelijke acceptatie ten goede kwam.
  De bijdrage aan participatie en sociale cohesie
  Cultuur kan bijdragen aan de participatie in de samenleving en betrokken worden
  in beleid dat is gericht op het tegengaan van eenzaamheid bij ouderen, het vergro-
  ten van kansen van jongeren en integratie van mensen uit verschillende groepen
  van de samenleving. Voorbeelden zijn het Manifest samen zingen 20208en het Jeugd-
  cultuurfonds9 ter bestrijding van armoede onder jongeren.
  De bijdrage aan de ontwikkeling van 21st century skills in het onderwijs
  Vaardigheden zoals creativiteit, flexibiliteit en reflectie worden steeds belangrijker
  in de maatschappij en op de arbeidsmarkt. Cultuureducatie en -participatie dragen
  daar bij uitstek aan bij. Voortzetting van het programma Cultuureducatie met kwa-
  liteit10 en het meenemen van cultuureducatie in de curriculumherziening in het
  kader van Onderwijs203211 lijken kansrijk.
  De bijdrage aan internationale diplomatie en handel
  Culturele instellingen worden regelmatig betrokken bij staatsbezoeken en interna-
  tionale handelsmissies omdat dit goed is voor het imago van Nederland. Een gro-
  tere impact is mogelijk door wederkerigheid een onderdeel te maken van het
  beleid, bijvoorbeeld door structurele uitwisselingen te faciliteren en vaker een
  podium te vragen voor Nederlandse kunstenaars en instellingen in het buitenland.
  De oprichting van de nieuwe stichting NL International Business biedt daartoe
  kansen.12
  De bijdrage van de sector aan economische groei
  De creatieve industrie, door het kabinet afgebakend als de sectoren design, media
  en entertainment, mode, gaming en architectuur, is de afgelopen jaren aangewe-
  zen als topsector vanwege diens internationale toppositie. Dit heeft bijgedragen
  aan een hogere organisatiegraad in de sector, het openen van internationale mark-
  ten en groei ondanks de economische crisis.13 Maatregelen waar de sector baat bij
  7  Zie www.ruimtevoorderivier.nl.
  8  Zie www.zingenlekkerbelangrijk.nl.
  9  Zie www.jeugdcultuurfonds.nl.
  10 Zie www.cultuureducatiemetkwaliteit.nl.
  11 Zie onsonderwijs2032.nl.
  12 Klink, P. van (2016) De bijzondere economie van het kunstenaarschap, Amsterdam: Amsterdam University Press.
6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>    had, waren onder meer de MIT-regeling, die innovatie in het midden- en kleinbe-
    drijf stimuleert over regiogrenzen heen.14 De steun voor Topconsortia voor Kennis
    en Innovatie (TKI’s) heeft bijgedragen aan een aanzienlijke toename van publiek-pri-
    vate samenwerking in de sector. Nu de economie weer aantrekt, verdient dit top-
    sectorenbeleid een passend vervolg waarin de eerdere lessen zijn meegenomen en
    het beleid wordt verbreed tot meer culturele en creatieve disciplines. In evaluaties
    is gewezen op de potentie van de sector op het gebied van crossovers met andere
    sectoren, zoals gestimuleerd door het platform CLICKNL. Verder liggen er nog kan-
    sen voor economische groei door het toegankelijker maken van financieringsmoge-
    lijkheden voor ondernemers in de sector, vraagstimulering in meer landen en het
    opschalen van creatieve concepten via incubators.15
3.3 Verzamel, bundel en ontsluit kennis over marktstimulering
    Het stimuleren van de markt voor diensten en producten van de culturele en crea-
    tieve sector, is een krachtige manier om het verdienvermogen van de sector te ver-
    sterken en tegelijk de impact van kunst en cultuur op de maatschappij te vergroten.
    De sector kent reeds veel verschillende initiatieven die de vraag naar kunst en cul-
    tuur vergroten, variërend van de Museumkaart tot cultuurabonnement WeArePu-
    blic16 en van de commerciële dancefeesten die een markt voor Dutch Dance creëer-
    den tot het crowdfundplatform Voordekunst.nl17. Nu staan dit soort initiatieven
    vaak op zichzelf. Zij maken de koek echter groter voor iedereen die in en rond de
    sector werkt en onderneemt.
    De raden denken dat een sterkere marktstimulering mogelijk is met een program-
    matische aanpak, waarbij bestaande kennis van marktstimulering wordt gebun-
    deld en nieuwe kennis wordt ontwikkeld en publiekelijk beschikbaar wordt
    gemaakt. Bundeling heeft als voordeel dat het overzicht creëert en gericht onder-
    zoek mogelijk maakt waar kennis ontbreekt. Ook wordt het makkelijker om midde-
    len bijeen te krijgen om initiatieven te ontwikkelen, te verbeteren of op te schalen.
    Deze sectorale functie zou beslag kunnen krijgen in een landelijk platform, dat ten
    dienste staat van de hele sector. Een dergelijk platform zou de volgende functies
    kunnen hebben:
    13 CBS (2016) Monitor topsectoren 2016, Voorburg/Heerlen : Centraal Bureau voor de Statistiek en
       Blank, D., [et al.] (2016) Flexibiliseren, differentiëren, scherper kiezen - Balans van de topsectoren 2016, Den Haag
       : Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie.
    14 Min. EZ (2015) Monitor Bedrijvenbeleid 2015, Den Haag : Ministerie van Economische Zaken.
    15 Zie www.clicknl.nl
    16 Zie We Are Public.
    17 Zie Voordekunst.
                                                                                                                          47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>  ■  Business cases ontwikkelen op meso- en macroniveau voor bedrijven en overheden,
     bijvoorbeeld op terreinen waar de potentie van cultuur nog onderbenut is.
  ■  Nieuwe productie- en financieringsmodellen ontwikkelen, verbeteren of opscha-
     len ten dienste van de sector, bijvoorbeeld in samenwerking met technologie-
     bedrijven.
  ■  Nieuwe (internationale) markten aanboren en bestaande markten vergroten, bij-
     voorbeeld door het promoten van merken zoals Dutch Dance en Dutch Design en
     door aansluiting bij de nieuwe Stichting NL International Business.18
  ■  Initiatieven die zijn gericht op consumenten stimuleren en opschalen, zoals de
     Museumkaart, de Cultuurkaart, de Stadspas en de MBO-Card.
  ■  De toegang tot bestaande Europese financieringsinstrumenten faciliteren, zoals
     het STARTS-programma (Science, Technology and the ARTS).19
  ■  Samenwerking tussen zzp’ers en mkb’ers bevorderen, bijvoorbeeld door voor-
     lichting te geven over het opzetten van besloten ondernemersnetwerken en de
     schaalvoordelen die dit biedt.
  ■  Bewustwordingscampagnes ontwikkelen, bijvoorbeeld over het belang van een
     redelijke vergoeding voor makers of de potentiële bijdrage van de sector aan onze
     welvaart.
  ■  Onderzoek laten doen naar de economische circulariteit in deelsectoren, waarbij
     gekeken wordt hoe de waarde die gecreëerd wordt ten goede kan komen aan
     gezonde ketens.
  ■  Structureel onderzoek stimuleren naar de impact van de culturele en creatieve
     sector.
  Brancheverenigingen en sociale partners zouden het voortouw moeten nemen in
  de ontwikkeling en regievoering van een dergelijk platform, uitgaande vanuit
  gedeelde belangen. Daarbij lijkt het de beide raden redelijk dat zij een vraag kun-
  nen neerleggen bij de Rijksoverheid, gezien het sectoroverstijgende belang van een
  bloeiende kunst- en cultuurmarkt, het ontbreken van kennis bij overheden en
  publieke instellingen over de werking van de kunstmarkt en de noodzaak om de
  zelfredzaamheid en weerbaarheid van de sector te vergroten. Voorwaarden die de
  Rijksoverheid zou kunnen stellen aan ondersteuning zijn investering van eigen
  middelen door de sector, een toenemende mate van sectorale samenwerking en het
  publiekelijk beschikbaar komen van informatie. Het ministerie van OCW kan de
  functie van een dergelijk platform eveneens meenemen in de inrichting van de
  ondersteunende functies in de culturele basisinfrastructuur vanaf 2021.
  18 Klink, P. van (2016) De bijzondere economie van het kunstenaarschap, Amsterdam: Amsterdam University Press.
  19 Zie STARTS-programma, ec.europa.eu/digital-single-market/en/ict-art-starts-platform
8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>3.4 Stimuleer private investeringen
    Achter de bezuinigingen op de culturele basisinfrastructuur van 200 miljoen per
    jaar vanaf 2011 lag de veronderstelling dat culturele instellingen meer privaat geld
    konden aantrekken. Deze private investeringen zijn echter nog niet op het destijds
    gehoopte en verwachte niveau en compenseren geenszins de gekorte subsidies, wat
    onder andere de ruimte beperkt om de arbeidsvoorwaarden van werkenden te ver-
    beteren. Wel heeft de grotere rol van privaat geld onder meer gezorgd voor een
    betere binding van cultuur met het publiek. De WRR schreef in zijn rapport Cultuur
    herwaarderen in 2015: “Afnemende subsidies en groeiende bijdragen uit de particu-
    liere sector zijn geen communicerende vaten, ze transformeren de sector”.20 Het is
    wenselijk dat de overheid beleid voortzet dat is gericht op het vrijmaken van private
    investeringen:
    ■ De beide raden achten voortzetting van de Geefwet van groot belang voor de cul-
       turele en creatieve sector. Uit een evaluatie van de giftenaftrek uit januari 2017,
       uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Financiën, blijkt dat de giftenaf-
       trek in het algemeen, en de culturele multiplier in het bijzonder, doeltreffend
       zijn: zij hebben geleid tot hogere private investeringen door burgers in cultuur
       en meer ondernemerschap in de sector.21
    ■ Lage btw-tarieven en vrijstellingen voor culturele diensten zijn van cruciaal
       belang voor de toegankelijkheid van cultuur en het samenkomen van vraag en
       aanbod. Duurzaamheid in de fiscale regelgeving is daarbij van groot belang:
       onzekerheid heeft een remmend effect op bestedingen.
    ■ Gesubsidieerde culturele instellingen hebben meer ruimte nodig om geld te ver-
       dienen en aan vermogensvorming en risicobeheersing te doen, evenals meer
       duidelijkheid vooraf over de mogelijkheden hiertoe. Nu krijgen instellingen vaak
       een lagere subsidie naarmate zij meer private gelden weten los te maken, omdat
       het exploitatietekort centraal staat waardoor risicovolle investeringen niet
       lonen. Om misstanden te voorkomen, zijn ook minder ingrijpende maatregelen
       mogelijk zoals het verbieden van winstuitkeringen en de instelling van een raad
       van toezicht.
    ■ Matchingsregelingen waarbij private partijen en decentrale overheden cofinan-
       ciering krijgen voor culturele projecten zijn een effectief middel om private
       investeringen los te maken. Hiermee zijn goede ervaringen opgedaan in de cul-
       turele en creatieve sector.
    20 WRR (2015) Cultuur herwaarderen, Den Haag : Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, p.41.
    21 Brennenraedts, R., [et al.] (2017) Evaluatie giftenaftrek, Utrecht : Dialogic.
                                                                                                          49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>    ■  Onderzocht kan worden hoe crowdfunding kan worden gestimuleerd. Crowd-
       funding vraagt relatief veel inspanning en levert relatief weinig geld op, maar
       bereikt nieuwe doelgroepen en vergroot het draagvlak voor cultuur. Zo heeft het
       crowdfundplatform Voordekunst sinds 2010 14 miljoen euro opgehaald bij meer
       dan 137.000 donateurs, onder wie veel jongeren, mensen met een cultureel
       diverse achtergrond en het midden- en kleinbedrijf. Met dat geld zijn ruim 3.200
       projecten gerealiseerd van veelal starters en kleine producenten.22
3.5 Bied financieringsmogelijkheden voor ondernemers
    Uit een verkenning naar financieringsmogelijkheden voor ondernemers en de toe-
    gankelijkheid voor (beeldend) kunstenaars blijkt dat veel kunstenaars niet in aan-
    merking komen voor stimulerende financieringsvormen voor zelfstandig onderne-
    mers vanuit de overheid.23 Hierbij gaat het onder meer om zaken als vereiste rechts-
    vorm, omzet-, winst- en kapitaaleisen, maar vooral ook om de focus op technische
    innovatie, die bij de kunstpraktijk niet altijd evident aanwezig is.
    Om dit te verbeteren, zou gedacht kunnen worden aan de volgende maatregelen:
    ■ Overleg tussen de sector en de overheid over de manier waarop de oprichting van
       Invest-NL (waarin financieringsinstrumenten zijn gebundeld in één loket) een
       bijdrage kan leveren aan de financiering van ondernemers en extra investerin-
       gen in de culturele sector als onderdeel van de Topsector creatieve industrie.24
    ■ Stimuleringsregelingen voor starters en scale-ups. Om een renderende kunst-
       praktijk op te bouwen heeft een kunstenaar tijd nodig, onder meer voor de
       ontwikkeling van een eigen signatuur en de opbouw van een portfolio. In het ver-
       leden zijn regelingen die afgestudeerde, startende culturele zelfstandigen
       daartoe in staat stelden zeer succesvol gebleken. Dit zou bijvoorbeeld kunnen
       in de vorm van stipendia (vergelijk die voor topsporters van het NOC*NSF25),
       risicodragende investeringen (vergelijk de SEED Capital-regeling voor techno-
       starters26), startersleningen, een centraal informatieloket, startersaftrek of extra
       aftrekposten voor een werkruimte of atelier aan huis. Daarbij dient wel voor-
       komen te worden dat een dergelijke ondersteuning tot valse concurrentie leidt
       met cultureel zelfstandigen die deze ondersteuning niet krijgen.
    22 Zie www.voordekunst.nl.
    23 BKNL (2016) Een verkenning naar financieringsmogelijkheden voor ondernemers en de toegankelijkheid voor
       (beeldend) kunstenaars, Utrecht : BKNL/Mondriaan Fonds.
    24 Zie Rijksoverheid.nl, Kabinet trekt investeringen los met oprichting Invest-NL.
    25 Zie www.nocnsf.nl: Stipendium.
    26 Zie www.rvo.nl: SEED Capital-regeling.
 0
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>    ■  Het (opnieuw) invoeren van een tijdelijke, aanvullende inkomensvoorziening
       voor startende creatieve professionals in aansluiting op hun opleiding, zodat
       opgeleid talent zelfstandig een beroepspraktijk kan ontwikkelen. In de culturele
       en creatieve sector kende men tot 2012 de Wwik: de Wet werk en inkomen kun-
       stenaars. Uit het evaluatierapport van Wwik uit 2010 blijkt dat 94 procent van de
       kunstenaars die uitstroomden geen beroep meer op een bijstandsuitkering
       hoefde te doen.27 83 procent van de kunstenaars die de Wwik beëindigden, kon
       leven van een eigen beroepspraktijk. Zie ook de aangenomen Tweede Kamer-
       motie van Peters-Azmani, die pleit voor integratie van succesvolle onderdelen
       van de Wwik in toekomstig beleid.28
3.6 Vergroot de economische circulariteit binnen deelsectoren
    Er zijn sectoren in het culturele en creatieve domein waarin de gecreëerde econo-
    mische waarde niet of nauwelijks terugvloeit naar de makers. Ook zijn er sectoren
    waarin een handvol makers het merendeel van het geld verdient (‘winner takes
    all’), onder meer door smaakonzekerheid bij de consument, met een verstikkend
    effect op het culturele aanbod tot gevolg.29 Partijen binnen dergelijke sectoren kun-
    nen afspraken maken die bijdragen aan het versterken van de economische circula-
    riteit en daarmee aan een gezonde keten. Voorbeelden zijn:
    ■ Partners in de keten productie – distributie – consumptie in de audiovisuele sec-
       tor kunnen afspraken maken over een afdracht. In de filmsector wordt
       momenteel goed onderhandeld over de hoogte van de afdracht van bioscoopex-
       ploitanten aan een fonds die deze uitkeert als vergoedingen en kan gebruiken
       voor de financiering van nieuwe producties. Deze exploitanten dragen hiermee
       bij aan nieuwe producties en versterking van de hele keten. Een vergelijkbaar ini-
       tiatief is wenselijk met digitale exploitanten.
    ■ Collectieve beheerorganisaties van auteursrechten kunnen ervoor zorgen dat
       niet alleen gevestigde namen, maar ook beginnende makers profiteren van
       auteursrechtafdrachten. Kleinere en startende makers van audiovisuele werken
       ontvangen nu soms geen uitkeringen omdat het om te kleine bedragen zou gaan,
       wat leidt tot een ongelijk speelveld. De ontwikkeling van nieuwe technologieën
       zoals automatische digitale herkenning zou gekoppeld kunnen worden aan
       geautomatiseerde uitbetaling.
    27 IJdens, T. e.a. (2010) Evaluatie van de Wet werk en inkomen kunstenaars (Wwik), Tilburg : IVA.
    28 Tweede Kamer (vergaderjaar 2011-2012) 32701 Intrekking van de Wet werk en inkomen kunstenaars, nr. 18.
    29 Klink, P. van (2016) De bijzondere economie van het kunstenaarschap, Amsterdam : Amsterdam University Press.
                                                                                                                 51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>  Waar partijen in de sector zelf niet tot afspraken kunnen komen, bijvoorbeeld
  omdat er sprake is van een ongelijke machtsverhouding of vanwege de dynamiek
  van de markt, zou de overheid kunnen ingrijpen als dat in het belang is van de sec-
  tor als geheel. De beide raden adviseren de overheid in ieder geval het volgende:
  ■ Zet in Europees verband in op een sterkere positie voor makers van creatieve con-
     tent. Zij staan in onderhandelingen tegenover grote (online) spelers, zoals zoek-
     machines en streamingdiensten, waarbij zij nauwelijks een onderhandelings-
     positie hebben. Deze thematiek wordt onder meer besproken in het kader van de
     nieuwe richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake auteursrecht in
     de digitale eengemaakte markt.30 Europese lidstaten ondervinden zelf ook na-
     deel van deze onevenwichtige machtspositie. Zo betalen verschillende lidstaten
     mee aan de productie van films, series en muziek, zonder dat zij kunnen beoor-
     delen wat de doelmatigheid is van deze subsidies of geld terug zien vloeien naar
     rato van gebruik, aangezien de exploitanten van VOD en streamingdiensten in
     de regel geen inzicht bieden in afname-aantallen.
  ■ Neem de bijdrage van de Wet op de vaste boekenprijs aan het verdienvermogen
     van Nederlandse schrijvers mee in toekomstige evaluaties van deze wet. Die
     wordt regelmatig getoetst, onder meer op marktverstorende effecten. Tijdens de
     consultatie werd door verschillende partijen uit de boekensector het belang van
     de wet onderstreept, zowel voor de pluriformiteit van het aanbod als voor het ver-
     dienvermogen van auteurs die nog niet zijn doorgebroken. Dat zou een zwaar-
     wegend argument kunnen zijn voor behoud van de vaste boekenprijs.
       Voorbeelden van economische circulariteit binnen een
       deelsector
       Een goed voorbeeld van een sector waarin de overheid de economische circulariteit
       bevordert, is de boekensector. In de Wet Vaste Boekenprijs (2005) is verankerd dat er
       vaste prijzen zijn voor boeken, waardoor de prijsconcurrentie tussen aanbieders van
       boeken tijdelijk is uitgeschakeld. Dit zorgt voor rust in de markt en stabiliteit in het
       inkomen van auteurs. Uit een recent onderzoeksrapport van SEO blijkt dat dit zorgt
       voor kruisbestuiving: een relatief klein aantal titels is verantwoordelijk voor een groot
       deel van de bijdrage aan de winstgevendheid, maar doordat de prijzen gelijk zijn krij-
       gen nieuwe auteurs een kans en verschijnen er meer titels dan alleen het werk van
       bekende schrijvers en bestsellers.*
       *   Buunk, E. e.a. (2016) Kruissubsidiëring door boekhandels en uitgevers, Amsterdam : SEO.
  30 Zie https://www.eerstekamer.nl/eu/edossier/e160037_voorstel_voor_een.
2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>         Een ander goed voorbeeld uit de boekensector is Schrijvers School Samenleving (SSS),
         een organisatie die leesbevordering stimuleert. Via deze organisatie worden jaarlijks
         5.000 auteurslezingen geboekt en ruim 400.000 lezers bereikt in scholen, boekhan-
         dels, bibliotheken, festivals en musea. SSS ontvangt uit de BIS 650.000 euro subsidie
         voor leesbevordering, die zodanig wordt geïnvesteerd dat jaarlijks 2 miljoen euro uit
         de markt wordt gehaald voor honoraria voor auteurs. De samenleving en de boeken-
         sector profiteren van leesbevordering, en SSS zorgt ervoor dat auteurs meeprofiteren
         en een eerlijke beloning krijgen voor hun bijdrage daaraan.
3.7 Versterk het auteursrecht en intensiveer de handhaving
    Auteursrechten en naburige rechten zijn een belangrijke inkomstenbron voor
    auteurs en artiesten. In de verkenning van de SER en de RvC kwam naar voren dat
    exploitatievergoedingen onder druk staan: vergoedingen komen onvoldoende bij
    de makers terecht en hun honoraria dalen.31 Ook hebben rechthebbenden te
    maken met auteursrechtenschendingen door derden. Behalve tot inkomstender-
    ving op microniveau, kunnen dergelijke schendingen, indien zij vaak voorkomen,
    ook leiden tot een lagere moraal om te betalen en een verzwakte onderhandelings-
    positie van makers op macroniveau. Om de inkomenspositie van makers te verbete-
    ren en tegelijk het verdienvermogen van de sector te vergroten, zien beide raden
    een gecombineerde aanpak voor zich: het maken van evenwichtige afspraken over
    exploitatievergoedingen en het tegengaan van auteursrechtschendingen.
    Het maken van evenwichtige afspraken
    Sociale partners kunnen bestaande afspraken nalopen om te kijken of makers vol-
    doende profiteren van het auteursrecht. Waar er sprake is van een scheve verdeling
    van opbrengsten zijn nieuwe afspraken geboden. Een voorbeeld van een bruikbare
    modaliteit is de ‘bestseller-clausule’ die gangbaar is in de boekensector en die
    inhoudt dat een auteur bij onverwacht succes meedeelt in de winst, bovenop de
    reeds verkregen vergoeding voor zijn werk. Daarbij is het van belang dat een hogere
    exploitatievergoeding niet wordt overgecompenseerd met een lagere initiële ver-
    goeding, waardoor de positie van het merendeel van de makers alsnog niet verbe-
    tert. Hier moet een evenwichtige balans worden gevonden. Ook afspraken tussen
    partijen die bijdragen aan een gelijkmatigere verdeling van de gecreëerde waarde
    in de keten productie-distributie-consumptie kunnen helpen. Verder kan de ont-
    31 SER en RvC (2016) Verkenning arbeidsmarkt culturele sector, Den Haag : Sociaal-Economische Raad/Raad voor
       Cultuur.
                                                                                                                 53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>  wikkeling van honorariumrichtlijnen, bijvoorbeeld voor producties in opdracht
  van de Publieke Omroep, bijdragen aan een betere inkomenspositie.32
  De overheid kan bijdragen aan een gelijk speelveld voor dergelijke afspraken. Een
  belangrijke oorzaak van de scheve verdeling van opbrengsten en lage honoraria is
  de ongelijke machtspositie tussen de – vaak kleine – makers aan de productiekant
  en – vaak grote – partijen aan de distributiekant. Het auteursrecht laat onverlet dat
  er veel ruimte is voor deze partijen om onderling afspraken te maken, variërend
  van de hoogte van exploitatievergoedingen tot de afstemming daarvan op initiële
  vergoedingen. Om deze afspraken evenwichtiger te krijgen, achten de raden het van
  belang dat de onderhandelingspositie van auteurs wordt versterkt. Dit kan door de
  collectieve onderhandelingsmacht van auteurs te vergroten (zie hoofdstuk 4 en
  hoofdstuk 6).
  Het tegengaan van auteursrechtschendingen
  Op het gebied van de versterking van het auteursrecht zijn er de afgelopen jaren
  belangrijke stappen gezet. De contractuele positie van auteurs en uitvoerende kun-
  stenaars is – met de inwerkingtreding van de nieuwe Auteurscontractenwet – ver-
  stevigd (zie kader). Uit de consultatieronden bij de SER en de RvC bleek echter dat
  dit nog niet heeft geleid tot stijgende honoraria en dat de exploitatievergoeding
  nog onvoldoende bij de maker terecht komt. Met de Tweede Kamer is afgesproken
  dat de Auteurscontractenwet vijf jaar na de totstandkoming (1 juli 2020) wordt geë-
  valueerd en dat na tweeënhalf jaar (1 januari 2018) een tussenstand volgt. Daarbij
  zou volgens beide raden aandacht besteed kunnen worden aan het volgende:
  ■ Voorkomen moet worden dat producenten of bemiddelaars zich als auteurs
     laten (mee)registreren en zo een deel van de inkomsten uit de auteursrechten
     naar zich toe trekken, zoals het Hof van Justitie aangaande het reproductierecht
     heeft geoordeeld.33 Dit zou kunnen door een verbod op (mee)registratie van per-
     sonen die geen directe creatieve bijdrage leveren en/of een scherpere definitie
     van het begrip auteur.
  32 Hugenholtz, P.B. (2015) De Rechtspositie van de Audiovisuele Maker binnen de Publieke Omroep, Amsterdam :
     Universiteit van Amsterdam.
  33 In 2012 oordeelde het Hof van Justitie dat de billijke compensatie voor privé kopiëren, als bedoeld in artikel 5 lid 2
     sub b van de Auteursrechtrichtlijn, toe dient te komen aan degene die op grond van de richtlijn is aangemerkt als
     houder van het reproductierecht (auteurs en producenten). Dit recht is niet-overdraagbaar: de houder kan hier geen
     afstand van doen. Het Hof van Justitie acht dit namelijk begripsmatig onverenigbaar met de op de lidstaat rustende
     resultaatsverplichting om ervoor te zorgen dat de compensatie daadwerkelijk wordt geïnd. Zie: HvJ EU 9 februari
     2012, C-277/10 (Luksan/van der Let). Eveneens ten aanzien van het reproductierecht heeft het Hof van Justitie in
     2014 geoordeeld dat de genoemde richtlijn in de weg staat om de uitgever mee te laten delen in de billijke ver-
     goeding: de uitgever staat immers niet genoemd in de lijst van houder van het reproductierecht. Zie: HvJ EU 12
     november 2015, C-572/13 (Hewlett-Packard Belgium/Reprobel).
4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>■  Bekeken zou kunnen worden of het begrip ‘billijke vergoeding’ nader kan
   worden uitgewerkt.
     Wet auteurscontractenrecht
     Met de inwerkingtreding van de Wet auteurscontractenrecht per 1 juli 2015 is de
     rechtspositie van auteurs en uitvoerend kunstenaars op een aantal terreinen verbe-
     terd:
     ■     Makers hebben recht op een billijke vergoeding voor de verlening van exploita-
           tierechten.
     ■     Makers hebben recht op een aanvullende billijke vergoeding als er een ernstige
           onevenredigheid bestaat tussen de ontvangen vergoeding en de opbrengsten
           van de exploitatie (‘bestsellerbepaling’).
     ■     Makers hebben het recht om een overeenkomst met een exploitant geheel
           of gedeeltelijk te ontbinden als het werk onvoldoende geëxploiteerd wordt
           (‘non-usus bepaling’).
     ■     Makers kunnen onduidelijke of onredelijk lange aanspraken op de exploitatie van
           toekomstige werken en andere onredelijke bezwarende bedingen vernietigen.
     ■     Een vereniging van makers kan in samenspraak met een vereniging van exploi-
           tanten de minister van OCW vragen om de hoogte van een billijke vergoeding
           vast te stellen. De RvC dient hierbij om advies gevraagd te worden.
     ■     Schriftelijke toestemming is vereist voor de overdracht van exclusieve licenties.
     Makers kunnen geen afstand doen van deze rechten, ook niet contractueel. Boven-
     dien gelden de regels ook voor contracten die gesloten worden onder buitenlands
     recht, mits de exploitatie voor een belangrijk deel in Nederland plaatsvindt. Wie het
     idee heeft dat zijn of haar rechten geschonden worden, kan zich richten tot een
     geschillencommissie. Die biedt ook de mogelijkheid om in sommige gevallen ano-
     niem een klacht voor te leggen. Hiermee hebben de maker en zijn of haar exploitant,
     in het geval er een geschil ontstaat, een laagdrempelig alternatief voor een gerechte-
     lijke procedure.
Bij de handhaving van auteursrechten is een belangrijke rol weggelegd voor recht-
hebbenden zelf. Zij doen reeds veel om naleving te stimuleren en schendingen
tegen te gaan. De door de sector zelf gefinancierde Stichting BREIN ontwikkelt
bewustwordingscampagnes en onderneemt juridische actie tegen auteursrecht-
schendingen door commerciële partijen. In de audiovisuele sector hebben recht-
hebbenden met een eenmalige subsidie een platform ontwikkeld dat het totale
legale aanbod van films en series in Nederland bijhoudt, om de kritiek te weerleg-
                                                                                             55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>    gen dat er onvoldoende legaal aanbod is of dat dit te moeilijk te vinden is door
    consumenten.34 Ook wordt er in toenemende mate gebruikgemaakt van techno-
    logische mogelijkheden, zoals automatische muziekherkenning op internet en bij
    evenementen. De sector loopt echter tegen een beperkte handhaafbaarheid van
    auteursrechten aan, zowel richting consumenten als richting distributeurs. De
    bereidheid van consumenten om te betalen voor auteursrechtelijk beschermd werk
    dat wordt aangeboden via internet is relatief laag en het gaat om grote aantallen.
    Het aanbod aannemen, kent eveneens knelpunten en onzekerheden: zo is het nog
    onduidelijk of internet service providers gedwongen kunnen worden om inbreuk
    makende content te blokkeren, zelfs als het gaat om commerciële websites waarvan
    het businessmodel gebaseerd is op auteursrechtenschendingen. Dit is nu onder-
    werp van een rechtszaak en een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese
    Unie, in een zaak tussen Stichting Brein en Ziggo/XS4ALL. Dergelijke beperkingen
    en onzekerheden verzwakken de handhaafbaarheid van het auteursrecht door de
    sector zelf.
    Om dit aan te pakken, zou de overheid een grotere rol kunnen gaan spelen in de
    handhaving van het auteursrecht. Dit hoeft niet in de vorm van politieoptreden,
    het kan ook door het steunen van initiatieven voor bewustwording – zo had het
    genoemde platform in de audiovisuele sector niet kunnen ontstaan zonder begelei-
    ding door de overheid en een eenmalige subsidie van OCW – of steun voor initiatie-
    ven om de inning en verdeling van auteursrechten te moderniseren met behulp van
    technologische mogelijkheden. Zo is onafhankelijk onderzoek wenselijk naar de
    mogelijkheden van block chain technologie voor het efficiënter beheren en verzilve-
    ren van muziekrechten. Het is daarbij van belang dat het auteursrecht niet alleen
    wordt benaderd als juridisch leerstuk, maar ook wordt bekeken vanuit het sociaal-
    economische en commerciële perspectief van de scheppende en uitvoerende kun-
    stenaar. Beide raden pleiten in dit verband voor een integraal beleid van V&J, OCW
    en EZ.
3.8 Conclusies
    In dit hoofdstuk hebben de raden voorstellen gedaan om het verdienvermogen van
    de culturele en creatieve sector te vergroten. Hiervan hebben volgens de raden de
    volgende voorstellen prioriteit:
    ■ Om het verdienvermogen van de culturele en creatieve sector te vergroten, advi-
       seren de raden ten eerste dat de sector zijn onbenutte potentie zichtbaar maakt
    34 Zie www.film.nl.
 6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>  en actief aansluiting zoekt bij andere beleidsagenda’s, zoals innovatiebeleid,
  stedelijke profilering en regionale groei, participatiebeleid en sociale cohesie,
  internationale diplomatie en handel, en topsectorenbeleid. Om de potentie opti-
  maal te benutten, is het wenselijk dat departementen en decentrale overheden
  integraal beleid voeren en de schotten tussen de verschillende beleidsdomeinen
  wegnemen.
■ Ten tweede bevelen de raden de sector aan om gezamenlijk, met brancheorga-
  nisaties, sociale partners en beroepsverenigingen, een landelijk platform te ont-
  wikkelen ten behoeve van het verzamelen, bundelen en beschikbaar stellen van
  kennis over marktstimulering. De overheid kan daarin een faciliterende rol spe-
  len. Dit platform zou ook nieuwe samenwerkingsverbanden voor zelfstandigen
  in de culturele en creatieve sector kunnen stimuleren en faciliteren.
■ Ten derde vinden de raden het wenselijk dat de overheid investeringen in de sec-
  tor stimuleert – onder meer door behoud van de Geefwet, lage btw-tarieven en
  het vergroten van de toegankelijkheid van financierings- en stimuleringsregelin-
  gen voor starters en ondernemers in de sector – en bevordert dat gecreëerde
  economische waarde zo veel mogelijk weer in de sector wordt geïnvesteerd.
■ Ten vierde is handhaving van het auteursrecht van belang voor het verdien-
  vermogen van de grote groep kleine en middelgrote makers en artiesten.
                                                                                   57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>8</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>4   Verbeteren inkomenszekerheid
4.1 Inleiding
    Uit hoofdstuk 2 blijkt dat veel werkenden in de culturele en creatieve sector (werk-
    nemers én zzp’ers) een zwakke inkomens- en onderhandelingspositie hebben.
    Werknemers hebben relatief vaak alleen tijdelijke contracten. Zzp’ers verdienen
    vaak weinig, hebben weinig financiële ruimte voor pensioenopbouw en maar een
    klein deel van hen verzekert zich tegen arbeidsongeschiktheid. De beperkte onder-
    handelingspositie wordt in belangrijke mate veroorzaakt doordat het aanbod op de
    arbeidsmarkt groter is dan de vraag. Door de economische crisis en overheidsbezui-
    nigingen in de afgelopen vijf jaar is de onderhandelings- en inkomenspositie van
    werknemers en zzp’ers verder onder druk komen te staan. Er zijn banen verdwe-
    nen, waardoor een deel van de werknemers zich gedwongen voelt om als zzp’er
    door te gaan. Er wordt door zzp’ers en opdrachtgevers op prijs geconcurreerd, door
    bijvoorbeeld geen acht te slaan op arbeidsvoorwaarden. De positie van zzp’ers is
    ook zwak omdat de inhoudelijke gedrevenheid en artistieke ontwikkeling vaak
    voorop worden gesteld. Maar er is ook een sterke productiedrang vanuit het zakelijk
    belang om in beeld te blijven. De groei van het aandeel zzp’ers heeft mogelijk ook
    een drukkend effect op de inkomens en/of het aantal banen van werknemers in
    deze sector.
    Om de inkomenszekerheid te vergroten, doen de SER en de RvC de volgende voor-
    stellen voor de culturele en creatieve sector:
4.2 Start met bewustwording: Fair Practice Label
    Het verbeteren van de inkomenszekerheid en duurzame inzetbaarheid van werken-
    den begint met bewustwording bij makers, instellingen, consumenten, bedrijven,
    subsidieverstrekkers en overheden. Een meer gebundelde aandacht voor deze
    arbeidsmarktkwesties is behulpzaam. Een middel daarvoor is een Fair Practice Label
    waaraan op verzoek van de minister van OCW door Kunsten ’92 wordt gewerkt. Dit
    label maakt deel uit van een bredere arbeidsmarktagenda. De raden adviseren om
    in het kader daarvan tot gedeelde waarden en uitgangspunten te komen bij een
    aantal kernonderwerpen. Daarbij zien zij graag dat er ruimte gelaten wordt voor
    nadere uitwerkingen in deelsectoren, zodat maatwerk mogelijk is. Dit is de verant-
    woordelijkheid van de sector zelf.
                                                                                     59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>  De overheid en in het bijzonder de publieke cultuurfondsen kunnen de sector
  ondersteunen bij de ontwikkeling van instrumenten. Voorts ligt er voor hen een
  belangrijke rol weggelegd in de naleving van eventuele codes en richtlijnen die
  voortvloeien uit een Fair Practice Label.
  De raden adviseren om hierin de volgende kernonderwerpen te betrekken:
  Goed werkgever- en opdrachtgeverschap
  Gezien de arbeidsmarktsituatie van veel werkenden in de culturele en creatieve
  sector is het wenselijk om een code voor goed werkgever- en opdrachtgeverschap te
  ontwikkelen. Zo’n code omvat in ieder geval het bieden van een redelijke beloning,
  aandacht voor scholing en duurzame inzetbaarheid, naleving van de cao en het
  tegengaan van verdringing.
  Verantwoord marktgedrag
  De culturele en creatieve sector heeft niet alleen te maken met het instrument van
  subsidieverstrekking: in toenemende mate worden overheidsopdrachten én op-
  drachten van (gesubsidieerde) culturele instellingen vergund via aanbestedings-
  procedures. In de consultatie kwam naar voren dat een goede inschatting van de
  prijs-kwaliteitverhouding bij aanbestedingsprocedures niet altijd makkelijk is en
  dat men relatief vaak voor de laagste prijs kiest. Dit kan op termijn leiden tot het
  verdwijnen van kwalitatief betere aanbieders. Zeker in de culturele en creatieve sec-
  tor dreigt het risico van oneigenlijke constructies rond arbeidsvoorwaarden om uit
  te komen op een lagere prijs. Dit vraagt om een investering in de professionalise-
  ring van de inkoopfunctie, vooral bij decentrale overheden en publieke instellin-
  gen: aanbestedingen in de culturele en creatieve sector moeten gericht zijn op de
  beste prijs-kwaliteit verhouding en moeten oog hebben voor de voorwaarden waar-
  onder het resultaat tot stand komt. Ook is er aandacht nodig voor de looptijd door
  te werken met langjarige contracten waar dat past bij de aard van de dienstverle-
  ning. In diverse sectoren is hiervoor een Code Verantwoordelijk Marktgedrag opge-
  steld: spelregels tussen aanbestedende diensten, aanbieders en werknemersverte-
  genwoordiging voor aanbestedingen van een bepaald soort diensten en producten.1
  Daartoe behoort de mogelijkheid om een minimumlooneis of minimumtarief te
  stellen conform de loonschalen van een algemeen geldende cao. De raden adviseren
  1  Enkele voorbeelden:
     - Code verantwoordelijk marktgedrag schoonmaak- en glazenwassersbranche: professionele inrichting en uit-
       voering van het aanbestedingsproces; sturen op EMVI, met een passende weging van kwaliteitsfactoren; aan-
       dacht voor kwaliteit van het werk en de arbeidsomstandigheden; maatschappelijk verantwoord ondernemen.
     - Code verantwoordelijk marktgedrag thuisondersteuning: dialooggericht aanbesteden, met transparant inzicht in
       reële kosten, streven naar meerjarig partnerschap.
0
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>    aanbestedende diensten en sociale partners een dergelijke code ook voor de cultu-
    rele en creatieve sector te ontwikkelen.
    Verantwoord vrijwilligersbeleid
    De culturele en creatieve sector is een aantrekkelijk werkdomein voor vrijwilligers.
    Omgekeerd dragen vrijwilligers bij aan een rijk cultureel aanbod en aan het draag-
    vlak voor kunst en cultuur in de samenleving. De sector kan meer van deze combi-
    natie profiteren door het vrijwilligersbeleid te professionaliseren. De sector kan
    onderzoeken welke afspraken met vrijwilligers gemaakt kunnen worden zodat
    meer zekerheid ontstaat over hun inzet. Omgekeerd kan er bekeken worden wat
    vrijwilligers daarvoor terugkrijgen. Een goed voorbeeld hiervan is de handleiding
    voor vrijwilligersbeleid in musea.2 Voorts heeft Movisie in opdracht van de Vereni-
    ging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV) het keurmerk Vrijwillige
    Inzet Goed Geregeld ontwikkeld.3 De raden adviseren de sector om te kijken wat zij
    van deze initiatieven kunnen leren en overnemen.
    Volgens de arbeidsmarktverkenning van de SER en de RvC zou de sterke groei van
    het aantal vrijwilligers in sommige delen van de culturele en creatieve sector erop
    kunnen wijzen dat zij betaalde krachten verdringen.4 Waar dit aan de orde is, kan
    het wenselijk zijn om in cao’s afspraken te maken over het voorkómen van verdrin-
    ging van reguliere betaalde formatie door de inzet van vrijwilligers (zie cao Biblio-
    theken). Hierbij is het van groot belang dat het kind niet met het badwater wordt
    weggegooid: zo zijn er veel kleine musea, festivals en monumenten die enkel kun-
    nen bestaan dankzij de grote inzet van betrokken vrijwilligers.
4.3 Ontwikkel richtlijnen voor honoraria
    Voor deelsectoren waar geen collectieve afspraken voor of met zzp’ers bestaan, kan
    de ontwikkeling van richtlijnen voor honoraria een bijdrage leveren aan het tot
    stand komen van redelijke vergoedingen. Een goed voorbeeld is de richtlijn kunste-
    naarshonoraria. Deze richtlijn biedt een handreiking aan zowel kunstenaars als
    instellingen en musea in de beeldende kunst voor exposities zonder verkoopdoel.
    De richtlijn kent genormeerde beloningsbedragen met daarbij een rekenmodel en
    een checklist. De richtlijn wordt gevolgd onder het motto ‘pas toe of leg uit’ met een
    ingroeitraject. Om het naleven van richtlijnen te verankeren, is monitoring vereist.
    2  Popovic, M. e.a. (2016) In de vaste collectie van het museum: de vrijwilliger, Utrecht : Movisie.
    3  Zie de website van de NOV: NOV-keurmerk Goed Geregeld, www.nov.nl/kwaliteit-en-diensten/goed-geregeld
    4  SER en RvC (2016) Verkenning arbeidsmarkt culturele sector, Den Haag : Sociaal-Economische Raad/Raad voor
       Cultuur, p. 13.
                                                                                                                 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>    De raden adviseren sociale partners en Kunsten ’92 om te onderzoeken in welke
    deelsectoren er behoefte is aan de ontwikkeling van een richtlijn en dit onderdeel
    te maken van de arbeidsmarktagenda, die Kunsten ’92 op verzoek van het minis-
    terie van OCW opstelt. Het ontwikkelen van richtlijnen voor honoraria is een ver-
    antwoordelijkheid van de sector. De ontwikkeling en duurzame implementatie van
    dergelijke richtlijnen zouden mede gefaciliteerd kunnen worden door de overheid
    en de cultuurfondsen.
4.4 Pas subsidievoorwaarden en -systematiek aan
    De zeer lage arbeidskosten in de sector zijn een indicatie dat er onvoldoende reke-
    ning wordt gehouden met een reële doorberekening van de kosten. De oplossing
    voor dit vraagstuk begint bij de maker of instelling zelf die in termen van gebruikte
    materialen en arbeidstijd de productiekosten in beeld moet brengen. Voor zover het
    de gesubsidieerde sectoren betreft, vinden de raden dat subsidiënten erop moeten
    letten dat bij het indienen en toekennen van subsidieaanvragen redelijke vergoe-
    dingen voor kunstenaars worden begroot, waarbij er ook rekening is gehouden met
    andere arbeidsvoorwaarden. Ook zijn er knelpunten in de subsidiesystematiek, die
    een gezondere bedrijfsvoering en redelijke arbeidsvoorwaarden onder druk zetten.
    De raden vinden het van groot belang dat de overheid dergelijke knelpunten mee-
    neemt bij de aangekondigde herziening van het cultuursubsidiestelsel vanaf 2021.
    De raden zien het als de verantwoordelijkheid van Rijk, provincies, gemeenten en
    publieke fondsen om de onderstaande punten mee te nemen.
    Redelijk vergoeding als subsidievoorwaarde
    De raden adviseren subsidiënten als de overheid en de fondsen om voorwaarden te
    stellen aan het toekennen van een fonds- of overheidssubsidie. Dit kan bijvoorbeeld
    gaan om het onderschrijven van een code voor goed opdrachtgeverschap/werkge-
    verschap, een met de representatieve makersverenigingen overeengekomen stan-
    daardovereenkomst met minimumtarieven, of het hanteren van een met represen-
    tatieve verenigingen overeengekomen honorariumrichtlijn. Het toepassen van een
    redelijke vergoeding als subsidievoorwaarde, inclusief bij het subsidiebudget pas-
    sende prestatie-eisen is een verantwoordelijkheid van de overheid en andere subsi-
    diënten (fondsen).
    In verhouding met outputeisen
    De eisen die gepaard gaan met overheidssubsidie kunnen een gezonde bedrijfsvoe-
    ring en redelijke arbeidsvoorwaarden onder druk zetten. Zo ontstaan er problemen
    wanneer een overheid of fonds een lagere subsidie aan een instelling toekent dan
 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>    die heeft aangevraagd, maar wel de output verwacht die is vermeld in de subsidie-
    aanvraag. Eveneens problematisch is het wanneer gemeenten besluiten om de
    subsidies van lokale podia te verlagen, met als gevolg dat de beschikbare uitkoop-
    sommen per voorstelling of concert fors dalen en de toegangskaartjes flink duurder
    worden, terwijl de Rijksoverheid onverminderd lokale speelbeurten met een
    bepaalde opbrengst en opkomst verwacht. De raden achten het van belang dat
    outputeisen in verhouding staan tot het budget, met in achtneming van redelijke
    arbeidsvoorwaarden voor medewerkers.
    Rekening houden met bedrijfsvoering en exploitatiekosten
    In subsidietoekenningen wordt voorts niet altijd voldoende rekening gehouden
    met de kosten van exploitatie en bedrijfsvoering. Deze komen niet alleen ten goede
    aan werkgever- en opdrachtgeverschap, maar ook aan inspanningen om meer
    publieksinkomsten of private gelden te realiseren, bijvoorbeeld via marketing. Het
    merendeel van de culturele instellingen in ons land wordt op projectbasis gesubsi-
    dieerd via cultuurfondsen. Deze projectsubsidies mogen vaak niet aangewend wor-
    den voor exploitatie en bedrijfsvoering, wat een gezonde bedrijfsvoering en lange-
    termijnplanning door instellingen bemoeilijkt. Instellingen die wel meerjarige sub-
    sidies ontvangen – zoals de instellingen in de culturele basisinfrastructuur als het
    Rijksmuseum en een aantal instellingen via de publieke cultuurfondsen – krijgen
    een bedrag voor exploitatie en bedrijfsvoering dat niet geïndexeerd is. Aangezien de
    kosten wel elk jaar stijgen, heeft dit een sterk uithollend effect op de slagkracht van
    instellingen en ondergraaft het onder meer de ruimte om mensen in vaste dienst te
    nemen en een reëel arbeidsvoorwaardenoverleg te voeren. De raden bevelen aan dat
    periodieke indexatie een onderdeel gaat vormen van meerjarige subsidieafspraken.
    Ook zou voor fonds-gefinancierde instellingen bekeken kunnen worden hoe de
    behoefte aan meer stabiliteit gecombineerd kan worden met een impuls voor pro-
    fessionalisering van de bedrijfsvoering.
4.5 Stimuleer loondienstverbanden
    De sector werkt bovengemiddeld project-, seizoens- en subsidiegebonden. Dat heeft
    te maken met de aard van het werk, maar ook met de structuur van financiering
    van de sector. Subsidiëring vindt plaats voor een bepaalde tijd of is projectgebon-
    den. Ook zijn er vaak beperkingen in het opbouwen dan wel aanhouden van het
    weerstandvermogen om aan de eisen voor werkgeverschap te kunnen voldoen. De
    raden vinden het wenselijk dat het voor werkgevers weer aantrekkelijker wordt om
    mensen in dienst te nemen, bij voorkeur voor langere tijd en zoveel mogelijk in con-
    tracten voor onbepaalde tijd waar het continue werkzaamheden betreft. Het ver-
                                                                                          63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>    kleinen van de verschillen tussen groepen werkenden vergt – bij gelijkblijvende
    financiering – aanpassing van wet- en regelgeving door de overheid. Dit bredere
    vraagstuk vormt thans onderwerp van bespreking in SER-verband.
    Waar het (opvolgende) werkzaamheden voor een bepaalde tijd betreft, ligt er ook
    een opdracht bij sociale partners om hierover in cao-verband afspraken te maken.
    Waar het de wijze van publieke financiering van de Rijksoverheid en de cultuur-
    fondsen betreft, dient dit onderwerp te zijn van de verkenningsaanvraag cultuurbe-
    leid 2021 en verder. Waar het de publieke financiering van provincies, gemeenten
    of andere openbare lichamen betreft, dient de wijze ervan, met inbegrip van een
    jaarlijkse indexatie van de initiële meerjarige subsidie, in relatie tot duurzame
    arbeidsverhoudingen, eveneens onderwerp van gesprek te zijn.
4.6 Neem knelpunten weg in de WW
    Veel werkenden in het culturele en creatieve domein werken projectmatig en in
    sommige sectoren, zoals de podiumkunsten, is het werk bovendien seizoensgebon-
    den. Zo kunnen acteurs in loondienst zelden elf maanden per jaar werken. Hier-
    door voldoen zij vaak niet aan de wekeneis om een WW-uitkering te ontvangen, ter-
    wijl werkgevers voor hen wel verplicht premie afdragen en bovendien een hoger
    bedrag vanwege de flexibiliteit in hun contract. Werkgevers betalen dan mee aan
    een uitkering waarop deze werknemers zelf nooit een beroep kunnen doen. De
    overheid als wetgever zou hiermee meer rekening kunnen houden.
4.7 Zorg voor een goede afbakening van ondernemerschap
    Er is een grote diversiteit in zzp’ers, ook binnen de culturele en creatieve sector.5 Er
    zijn zzp’ers die uit volle overtuiging voor het zelfstandig ondernemerschap hebben
    gekozen. Een groot deel van hen blijft bewust eenpitter, een ander deel heeft de
    ambitie om te groeien. Ook zijn er zzp’ers die geen keuze hebben omdat ze een
    beroep hebben gekozen dat niet of in zeer beperkte mate in loondienst kan worden
    uitgeoefend. Denk aan beeldend kunstenaars, componisten, fotografen of galerie-
    houders. Er zijn ook mensen die uit noodzaak zzp’er zijn geworden. Zij zijn bijvoor-
    beeld hun baan kwijtgeraakt en kunnen min of meer alleen via het zzp-schap aan
    werk komen. Dit is bijvoorbeeld gebeurd met musici die in dienst waren bij een
    5  Fiscaal gezien is er onderscheid in drie categorieën zelfstandigen: IB-ondernemers en zelfstandige beroeps-
       beoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en resultaatgenieters. De laatste groep, waaronder freelancers
       vallen, heeft geen recht op fiscale ondernemersfaciliteiten.
 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>orkest, zangers die werkzaam waren bij een koor, docenten die in loondienst waren
bij een muziekschool of technici die werkten bij podia. Ook wordt er afwisselend
(voltijds) in loondienst en als zzp’er gewerkt. En het komt ook voor dat zzp’ers tijde-
lijk de rol van opdrachtgever aannemen. Tot slot is het van belang op te merken dat
in de sector ook het hybride zzp-schap, een combinatie van een (deeltijd)baan en
zzp’er, relatief vaak voorkomt.
De raden vinden het belangrijk dat mensen die zzp’er willen worden hun wens ook
kunnen realiseren. Daarentegen zouden mensen die uit noodzaak zzp’er zijn ge-
worden meer kansen moeten krijgen om weer in (vaste) loondienst te kunnen tre-
den. In de beleidsdiscussie over zzp’ers wordt vaak gesproken over het onderscheid
tussen echte zelfstandigen, schijnzelfstandigen en werknemers. Relatief vaak ein-
digt die discussie in een patstelling met een pleidooi om of (individuele) onderne-
mersvrijheid voorop te stellen, of (collectieve) bescherming. De raden zijn van
mening dat beide waarden van belang zijn en dat er een modus moet worden
gevonden om zzp’ers te faciliteren en een zekere bescherming te bieden.
De raden constateren dat er in de praktijk onduidelijkheid bestaat over de status
van zzp’ers. De onduidelijkheid is vergroot met de invoering van de Wet DBA en de
modelovereenkomsten, waarin zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers verant-
woordelijk zijn voor het vaststellen van de arbeidsrelatie die ze aangaan. De wet is
bedoeld om een beter onderscheid te kunnen maken tussen zelfstandigen en men-
sen in loondienst – en daarmee schijnzelfstandigheid te bestrijden – maar in de
praktijk heeft dit geleid tot terughoudendheid bij opdrachtgevers, omdat ze bang
zijn mensen in dienst te nemen en/of vrezen voor naheffingen en boetes van de
Belastingdienst. Bij een deel van de zzp’ers heeft dit geleid tot minder opdrachten.
Vanwege de commotie die de wet DBA opriep, heeft het kabinet besloten om de wer-
king van deze wet in ieder geval tot 2018 uit te stellen.6
De sector kent een relatief groot aantal zelfstandigen en heeft ook daarom baat bij
een heldere afbakening van ondernemerschap. Daarbij zou de focus niet zozeer
moeten liggen op een juridische afbakening van het begrip zzp’er – ondernemer is
een open wettelijke term inherent aan de aard van het ondernemerschap – maar op
een sociaal-economische benadering. Daarbij zijn er verschillende denkrichtingen
6  Zie www.belastingdienst.nl: Bang voor boetes of naheffingen? Niet nodig. De Belastingdienst schort de repressieve
   handhaving van de Wet DBA op tot in ieder geval 1 januari 2018, tenzij er sprake is van kwaadwillendheid omdat
   er opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid is.
                                                                                                                  65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>    mogelijk.7 De raden adviseren de overheid om de knelpunten die zijn voortgeko-
    men uit de wet- en regelgeving zo spoedig mogelijk op te lossen, en duidelijkheid te
    verschaffen over wanneer er sprake is van loondienst en wanneer er sprake is van
    zelfstandig ondernemen.
4.8 Verken ruimte mededingingsrecht
    De Mededingingswet verbiedt afspraken die de concurrentie beperken – in het bij-
    zonder tariefafspraken. Dit kartelverbod geldt ook voor zelfstandigen – maar niet
    voor ‘schijnzelfstandigen’ die feitelijk onder het gezag staan van opdrachtgevers en
    waarvan de werksituatie vergelijkbaar is met die van een werknemer.
    Een uitzondering op het kartelverbod wordt gemaakt voor afspraken die voldoen
    aan elk van de volgende vier voorwaarden:
    ■ De afspraken zorgen ervoor dat de betrokken partijen efficiënter werken, waar-
       door de voordelen groter zijn dan de nadelen.
    ■ Een eerlijk deel van deze voordelen komt ten goede aan de gebruikers.
    ■ De afspraken zijn nodig om deze voordelen te realiseren, maar gaan niet verder
       dan nodig.
    ■ Na het maken van de afspraken blijft er genoeg concurrentie over op de markt.
    Het kartelverbod geldt niet voor afspraken binnen een onderneming. De raden advi-
    seren de sector om nader te verkennen hoe nieuwe samenwerkingsverbanden zoals
    ‘besloten netwerken’ kunnen bijdragen aan collectieve onderhandelingen en de
    kennis over deze rechtsvormen met de daarbij geldende voorwaarden breed in de
    sector te delen.
    De raden adviseren de wetgever om in overleg met de ACM te kijken hoe de ruimte
    in het mededingingsrecht beter kan worden benut ten behoeve van redelijke zzp-
    tarieven en bescherming van cao-afspraken. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan over
    de realisatie en uitwisseling van openbare, objectieve en geaggregeerde marktinfor-
    matie, onder meer ten behoeve van calculatieschema’s voor tarieven, maar ook over
    7  Zie bijvoorbeeld de aanbevelingen van de Commissie Boot (2016) Commissie (model)overeenkomsten. Eindrapport,
       Den Haag : Ministerie van Financiën, www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/11/18/rapport-com-
       missie-boot. Deze commissie adviseert ondernemerschap af te bakenen op basis van de duur van de opdracht, de
       prijs en de aard van het werk.
 6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>    de kaders waarbinnen wel afspraken in een cao kunnen worden gemaakt. Meer in
    het bijzonder verwijzen de raden naar de in 2011 verruimde bagatelvrijstelling.8
4.9 Collectieve onderhandelingen door zzp’ers
    De raden vinden het uit sociale overwegingen van belang dat werkenden tenminste
    een minimuminkomen kunnen verwerven voor een zelfstandig bestaan dat vol-
    doende is om zich te kunnen verzekeren tegen ziekte en arbeidsongeschiktheid, om
    pensioen op te bouwen voor hun oude dag en om zich te blijven scholen. In de cul-
    turele en creatieve sector is dat voor een deel van de werkenden niet mogelijk, aan-
    gezien de arbeidsmarkt in deze sector niet goed functioneert. De budgetten van cul-
    turele instellingen staan onder druk en er is een scheve machtsverhouding tussen
    werkenden en opdrachtgevers/werkgevers. Ook vinden de raden dat voorkomen
    moet worden dat het cultureel aanbod onder druk komt te staan door beperkte ver-
    goedingen waarvan men niet kan leven.
    Collectieve afspraken over honoraria kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan
    een betere inkomenspositie van zzp’ers. Voor schijnzelfstandigen zijn collectieve
    afspraken over honoraria en (andere) standaardvoorwaarden mededingingsrech-
    telijk toelaatbaar; voor zelfstandige ondernemers in beginsel niet.
    De raden adviseren de wetgever om te onderzoeken hoe door specifieke wetgeving
    voor de culturele en creatieve sector, vanwege een welomschreven publiek belang
    dat een mededingingsbeperkende maatregel kan rechtvaardigen, een uitzondering
    op het verbod op collectief onderhandelen door zzp’ers kan worden gemaakt9.
    Voorbeelden uit landen die onder hetzelfde Europese mededingingsrecht vallen,
    kunnen bij dit onderzoek worden betrokken.10 Met een dergelijke wettelijke uitzon-
    dering (of vrijstelling) kunnen in bestaande cao’s in de culturele en creatieve sector
    ook minimumtarieven voor zzp’ers worden afgesproken, zodat er voor gelijkwaar-
    dige taken van werknemers en zzp’ers ook een gelijkwaardige beloning kan worden
    8  In artikel 7 van de Mededingingswet is de bagatelvrijstelling opgenomen: het kartelverbod geldt niet als afspraken
       een verwaarloosbaar effect op de markt hebben. Dit is aan de orde als de afspraken gaan over: maximaal acht
       ondernemingen met een gezamenlijke omzet van 5,5 miljoen euro voor ondernemers die goederen leveren of
       1,1 miljoen euro in alle andere gevallen. Wanneer bovenstaande grenzen worden overschreden zijn kartelafspraken
       alleen mogelijk voor ondernemingen met een gezamenlijk marktaandeel van maximaal 10% én de afspraken geen
       merkbaar ongunstig effect hebben op de handel tussen EU-lidstaten.
    9 Vgl. de regeling van het auteurscontractenrecht (art. 25 c lid 2 Auteurswet) die de minister van OCW de mogelijkheid
       geeft om op voorstel van representatieve verenigingen van makers voor een specifieke branche een standaardver-
       goeding vast te stellen. Denk ook aan de wetgeving die de vaste boekenprijs beschermt, met het oog op de cultu-
       rele diversiteit.
    10 Vgl. de regelingen en de benadering van de mededingingswetgeving die landen als Duitsland, Frankrijk, Denemar-
       ken en Ierland hebben gekozen.
                                                                                                                       67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>     afgesproken. Ook de Tweede Kamer heeft in 2016 een motie aangenomen waarin
     het kabinet wordt verzocht om in gezamenlijk overleg met belanghebbenden en de
     ACM met een voorstel te komen hoe zelfstandig kunstenaars hun krachten bij
     onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden kunnen bundelen.11 Het is de verant-
     woordelijkheid van de wetgever om publieke belangen zodanig helder aan te
     duiden dat deze goed als rechtvaardiging voor een beperking van de mededinging
     kunnen dienen. De raden adviseren de overheid te monitoren hoe een wettelijke
     vrijstelling in de culturele en creatieve sector in de praktijk uitpakt voor de prijzen
     en tarieven.
4.10 Ultimum remedium: een wettelijke regeling voor een
     minimumuurtarief
     Als de hiervoor genoemde stappen niet of onvoldoende leiden tot een verbetering
     van de inkomenspositie van zzp’ers in de culturele en creatieve sector, adviseren de
     raden te onderzoeken of voor deze specifieke sector als afgebakende proeftuin wet-
     telijk geregeld kan worden dat er een bodem wordt gelegd onder de vergoedingen
     voor zzp’ers. De bodem zou gelijkgesteld kunnen worden aan een uurtarief dat is
     afgeleid van het wettelijk minimumloon, met een opslag om kwalitatief redelijke
     voorzieningen voor arbeidsongeschiktheid, pensioen en scholing te kunnen finan-
     cieren. Dat laat onverlet dat zzp’ers met een sterkere onderhandelingspositie zelf
     hogere tarieven kunnen uitonderhandelen. De raden vinden het wenselijk dat de
     invoering van een minimumuurtarief voor zzp’ers in deze sector wordt onder-
     zocht, zodat inzicht ontstaat hoe dit in de praktijk werkt en wat de mogelijkheden
     voor een adequate handhaving zijn.
4.11 Stimuleer arbeidsongeschiktheidsverzekering (aov) en
     pensioenopbouw
     De culturele en creatieve sector kent relatief het laagste aandeel zzp’ers met een
     aov. De kosten van een aov en pensioenregeling worden verlaagd bij collectieve deel-
     name. Om het aandeel werkenden dat een aov heeft te vergroten, kan de overheid
     er (als proeftuin) voor kiezen om dit standaard voor zzp’ers in de culturele en crea-
     tieve sector in te voeren, met daarbij de mogelijkheid om te kiezen voor een opt-out.
     De kosten van een aov dienen dan wel doorberekend te kunnen worden in de tarie-
     ven, dan wel als opslag te worden doorberekend aan de opdrachtgever (met als voor-
     11 Tweede Kamer (vergaderjaar 2015-2016) 32.820 Motie van de leden Monasch en Jasper van Dijk, nr. 194.
 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>waarde dat deze opslag daadwerkelijk aan een aov wordt besteed). Dit zou kunnen
wanneer collectieve onderhandelingen voor zzp’ers in deze sector mogelijk worden
gemaakt, dan wel bij invoering van een minimumuurtarief voor zzp’ers in de cul-
turele en creatieve sector. Daarnaast ligt een koppeling met deelsectoren die een
honorariumrichtlijn kennen voor de hand. De (deel)sector zou als proeftuin kun-
nen fungeren om het aandeel zzp’ers met een aov te vergroten.
In Nederland geldt de AOW als wettelijke basis voor de oudedagsvoorziening.
Zzp’ers in de culturele en creatieve sector hebben door de over het algemeen lage
inkomens in deze sector vaak onvoldoende financiële ruimte om te sparen voor een
aanvullend pensioen. De raden adviseren om nader te onderzoeken hoe kan wor-
den bevorderd dat zelfstandigen in deze sector meer mogelijkheden krijgen om een
aanvullend pensioen op te bouwen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door in richtlij-
nen voor honoraria of collectieve afspraken over een minimumuurtarief ook een
opslag mee te nemen voor pensioenopbouw.
Het bredere vraagstuk van een (verplichte) aov en de pensioensopbouw voor zzp’ers
vormt thans onderwerp van bespreking in SER-verband.
    Pensioenregelingen voor de culturele en creatieve sector
    Werknemers in de culturele en creatieve sector bouwen bij verschillende pensioen-
    fondsen pensioen op. Op 1 oktober 2010 heeft het Pensioenfonds Zorg en Welzijn de
    pensioenaanspraken overgenomen van het Pensioenfonds Cultuur. Het gaat om ruim
    20.000 (oud-)werknemers uit de sectoren dans, theater, kunst en cultuur. Werknemers
    uit de creatieve sector zijn aangesloten bij pensioenfonds PNO Media en werknemers
    werkzaam in de grafimedia bij Pensioenfonds PGB. Kleinere bedrijven die niet onder
    een cao vallen kennen vaak geen pensioenregeling, of een verzekerde regeling.
    Tot en met 2012 was er ook een pensioenregeling voor zelfstandige kunstenaars.
    Deze regeling werd door het Beroepspensioenfonds voor Zelfstandige Kunstenaars
    AENA uitgevoerd. AENA werd tot eind 2012 voor diverse zelfstandige kunstenaars
    gesubsidieerd door de overheid en door Buma. De overheidssubsidie voor de pensi-
    oenpremies van diverse zelfstandige kunstenaars is per 1 januari 2013 stopgezet als
    gevolg van de sterke bezuinigingen die de overheid heeft doorgevoerd in de cultuur-
    sector. Hierdoor bouwen de zelfstandige kunstenaars vanaf 1 januari 2013 geen nieuw
    pensioen meer op. Ten behoeve van aangesloten auteurs en muziekuitgevers heeft
    Buma daarop een eigen oudedagsvoorziening gerealiseerd. Rechthebbenden met
    een minimuminkomen komen in aanmerking voor een percentage van hun inkomen
    voor inleg in een oudedagsvoorziening.
                                                                                        69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>4.12 Conclusies
     Veel werkenden in de culturele en creatieve sector (werknemers én zzp’ers) hebben
     een zwakke inkomens- en onderhandelingspositie. Van de voorstellen die in dit
     hoofdstuk zijn genoemd om deze situatie te verbeteren, hebben volgens de raden
     de volgende prioriteit:
     ■ Om de inkomenspositie van de werkenden in de sector te verbeteren, adviseren
        beide raden ten eerste dat de sector werkt aan bewustwording. Kunsten ’92 werkt
        momenteel aan een Fair Practice Label en de raden adviseren dat daarin een code
        voor goed werkgever- en opdrachtgeverschap wordt opgenomen, met aandacht
        voor een redelijke vergoeding, verantwoordelijk marktgedrag, scholing en duur-
        zame inzetbaarheid en beleid dat is gericht op een verantwoorde inzet van
        vrijwilligers. In aanvulling daarop adviseren de raden de sector om waar nodig
        richtlijnen voor honoraria te ontwikkelen, zoals de richtlijn kunstenaarshonora-
        ria. Zulke richtlijnen dragen bij aan de totstandkoming van redelijke vergoe-
        dingen en versterken de onderhandelingspositie van zzp’ers. De overheid en cul-
        tuurfondsen kunnen de totstandkoming hiervan ondersteunen. Rijk, provincies,
        gemeenten en fondsen kunnen in hun subsidievoorwaarden hiernaar verwijzen.
     ■ Om de inkomenspositie van de werkenden in de sector te verbeteren, adviseren
        de raden ten tweede aan de overheid om te onderzoeken hoe collectief onderhan-
        delen door zzp’ers in de culturele en creatieve sector uit de sfeer van het
        mededingingsrecht kan worden gehaald. De raden stellen voor dat de overheid
        de sector experimenteerruimte geeft om te onderzoeken hoe dit in de praktijk
        werkt en wat de effecten zijn op de prijzen en tarieven.
     ■ Ten derde zou de overheid op een vergelijkbare manier de sector ruimte kunnen
        geven om te onderzoeken of het huidige geringe aandeel zzp’ers met een arbeids-
        ongeschiktheidsverzekering in de culturele en creatieve sector kan worden
        vergroot door zo’n verzekering standaard in te voeren, met daarbij de mogelijk-
        heid van een opt-out.
     ■ Als de hiervoor genoemde maatregelen niet of onvoldoende leiden tot een verbe-
        tering van de inkomenspositie van zzp’ers in de culturele en creatieve sector, dan
        adviseren de raden als ultimum remedium te onderzoeken of een minimumuurta-
        rief voor alle zzp’ers in deze sector wettelijk kan worden geregeld en wat de
        mogelijkheden voor adequate handhaving zijn.
 0
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>5   Bevorderen van scholing en duurzame
    inzetbaarheid
5.1 Inleiding
    Uit de verkenning van de SER en de RvC blijkt dat scholing een aandachtspunt is.
    In een sector waarin veel zelfstandigen met moeite rondkomen en instellingen fors
    moesten bezuinigingen, zijn scholing en duurzame inzetbaarheid een financiële
    sluitpost. Ook de werkdruk staat soms voldoende aandacht voor scholing in de weg.
    Dat terwijl werkenden betere perspectieven hebben op bij- of omscholing en de cul-
    turele en creatieve sector baat heeft bij verdere professionalisering. Meer in het
    algemeen is een leven lang leren van belang in een veranderende wereld om een
    internationaal hoogwaardige industrie in stand te houden. In het SER-advies Leren
    en ontwikkelen tijdens de loopbaan: een advies over post-initieel leren (maart 2017) wijst de
    raad op het belang van leren tijdens de loopbaan voor zowel werkenden, werkgevers
    en opdrachtgevers als de Nederlandse maatschappij als geheel. Met het Sectorplan
    Cultuur dat werkgevers- en werknemersorganisaties en sociale fondsen hebben
    opgezet, is behalve voor bijscholing ook de aandacht voor Human Resource Manage-
    ment (HRM) bij culturele instellingen toegenomen.1 Verdere stappen zijn echter
    nodig.
    De SER en de RvC stellen de volgende maatregelen voor ter vergroting van de
    duurzame inzetbaarheid van werkenden in de culturele en creatieve sector:
5.2 Maak afspraken over scholing en duurzame inzetbaarheid
    Het verminderen van de vrijblijvendheid van scholing en duurzame inzetbaarheid
    is primair de verantwoordelijkheid van de sector zelf. Makers, sociale partners en
    branche- en beroepsverenigingen hebben hier allen belang bij. Aandacht voor scho-
    ling en duurzame inzetbaarheid zou, als onderdeel van goed werkgever- en op-
    drachtgeverschap, een belangrijk onderdeel kunnen zijn van een Fair Practice Label
    (zie paragraaf 4.2). Er zijn echter ook vervolgstappen nodig.
    Sociale partners kunnen afspraken maken over scholing en duurzame inzetbaar-
    heid in cao’s, arbeidsovereenkomsten en opdrachtovereenkomsten. In deze afspra-
    1   Zie: www.sectorplancultuur.nl.
                                                                                                71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>    ken dienen zowel mensen in loondienst als zzp’ers, stagiairs en vrijwilligers aan-
    dacht te krijgen, op gepaste wijze, om te voorkomen dat ongewenste concurrentie
    plaatsvindt door het afzien van scholing. De beide raden adviseren om over de vol-
    gende onderwerpen afspraken te maken:
    ■ De financiering van scholing. Waar het gaat om functionele scholing, dus scho-
       ling die direct nodig is voor de uitvoering van iemands functie, ligt het voor de
       hand dat de werkgever deze scholing betaalt. Waar het gaat om scholing en ont-
       wikkeling ten bate van iemands algemene ontwikkeling, zou financiering
       kunnen plaatsvinden door een bedrag te verdisconteren in de hoogte van het
       loon of honorarium, of door een gezamenlijke afdracht aan een persoonlijke
       ontwikkelrekening of scholingsfonds. Een goed voorbeeld is de Omscholings-
       regeling Dansers.
    ■ Tijd en ruimte voor scholing. Binnen een dienstverband of opdracht dient
       voldoende tijd en aandacht te zijn voor scholing. Dit kan in de vorm van
       begeleiding, een vrijstelling voor scholingsactiviteiten of anders.
    ■ Het openstellen van sectorale scholingsvoorzieningen voor zzp’ers, tegen
       variabele betaling.
    ■ Versterking van de leercultuur. Het aanleren van nieuwe vaardigheden en de
       noodzaak om te investeren in scholing vraagt soms eerst om een andere mindset
       of bewustwording.
    Daarnaast kunnen beroeps- en brancheverenigingen scholing minder vrijblijvend
    maken door kwaliteitskeurmerken te ontwikkelen, waarbij opleidingsniveau en
    permanente bijscholing een rol spelen. Dergelijke keurmerken werken vaak
    vraagsturend voor subsidieverstrekkers en opdrachtgevers, wat als voordeel heeft
    dat regulering van het arbeidsmarktaanbod en professionalisering hand in hand
    gaan. Waar opleidingseisen worden gesteld, kan certificering helpen om in de
    praktijk of theorie ontwikkelde kennis en vaardigheden alsnog te waarderen.
5.3 Stimuleer leren tijdens de loopbaan middels een
    ontwikkelrekening
    Een leven lang leren is onontbeerlijk in de huidige tijd en in het belang van werken-
    den en werkgevers. Scholing is echter ook een langetermijninvestering, waarbij
    mensen belemmeringen ervaren: de urgentie wordt onvoldoende gevoeld, het ont-
    breekt aan tijd of geld, er is onduidelijkheid over de mogelijkheden of opbrengsten,
    of mensen hebben eerdere negatieve leerervaringen. Het is vanuit maatschappelijk
    en economisch oogpunt onwenselijk wanneer werkenden niet duurzaam inzetbaar
    zijn en er is een publiek belang om dat te voorkomen. De SER heeft recentelijk een
 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>    advies over postinitieel leren uitgebracht, waarin hij verschillende aanbevelingen
    doet om leren tijdens de loopbaan te stimuleren en minder vrijblijvend te maken.2
    Om te ontdekken wat werkt en deadweight loss te voorkomen, oftewel meebetalen
    aan scholing die anders ook had plaatsgevonden, zijn experimenten en een lerende
    overheid noodzakelijk. De culturele en creatieve sector leent zich om verschillende
    redenen uitstekend voor proeftuinen.
    De beide raden zien voor deze sector de volgende mogelijke maatregelen, die vooral
    liggen op de beleidsterreinen van de ministeries van SZW, OCW, EZ en Financiën:
    ■ Stimuleer de leervraag door de invoering van een ontwikkelrekening, waarop
       werkenden fiscaal vriendelijk kunnen sparen. Op deze rekening kunnen werken-
       den, werk- en opdrachtgevers, fondsen en overheden zelf middelen storten, die
       kunnen worden besteed aan ontwikkeltrajecten naar vrije keuze van de wer-
       kende. Dit is tegelijk een prikkel en een uitnodiging om meer aan ontwikkeling
       te doen.3
    ■ Introduceer een trekkingsrecht zodat het inzichtelijk wordt voor werkenden
       welke opleidingsmogelijkheden zij in financieel opzicht hebben. Dit leerrecht
       dient ook aangewend te kunnen worden voor het behalen van deelcertificaten.
    ■ Waarborg toegang tot scholingsvoorzieningen voor niet-werkenden en kwets-
       bare zzp’ers. Bijvoorbeeld met een revolverend scholingsfonds, waarbij tegen
       gunstige tarieven geld geleend kan worden voor bij- of omscholing.
    ■ Continueer het UWV-beleid dat dansers die gestopt zijn de mogelijkheid biedt
       om gebruik te blijven maken van een werkeloosheidsuitkering, terwijl zij zich
       omscholen.
5.4 Zorg voor voldoende scholingsaanbod en HRM-ondersteuning
    Binnen disciplines en regio’s dienen er voldoende, kwalitatief goede bij- en omscho-
    lingsmogelijkheden te zijn. Dit is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de
    sector zelf. Door de versnippering in de sector en de vele zzp’ers en kleine organisa-
    ties zijn centrale organisatie en een bundeling van middelen noodzakelijk (zie para-
    graaf 6.8). Aandachtspunten bij het waarborgen van voldoende scholingsaanbod en
    HR-ondersteuning zijn:
    ■ Naast beroeps- en sectorspecifieke scholing, zijn ook omscholingsmogelijkheden
       naar andere disciplines en sectoren van belang. Tevens is er sectorbreed aan-
    2  SER (2017) Leren en ontwikkelen tijdens de loopbaan : een advies over postinitieel leren, Den Haag : Sociaal-
       Economische Raad.
    3  Ibid.
                                                                                                                     73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>       dacht nodig voor scholing in opdrachtnemer- en ondernemerschap en kennis
       van de markt in de sector.
    ■  Erkenning van reeds verworven competenties (EVC) kan in sommige deelsecto-
       ren bijdragen aan de mobiliteit van werkenden en het versterken van een
       leercultuur. Bestaande competenties valideren kan zowel via kwalificaties van
       onderwijsinstellingen als via branchekwalificaties. De sector zou daarbij gebruik
       kunnen maken van de expertise van het Nationaal Kenniscentrum Erkenning
       van verworven competenties.4
    ■  Voor (kleine en grote) werkgevers en opdrachtgevers zijn scholing en ondersteu-
       ning op het gebied van goed personeelsbeleid/HRM en goed werk- en opdracht-
       geverschap onontbeerlijk om de duurzame inzetbaarheid van werkenden te
       verbeteren. Een mogelijkheid hiertoe is middelen te bundelen door samen te
       werken in coöperatief verband. Een andere mogelijkheid is dit te regelen via een
       gezamenlijk platform (zie paragraaf 6.8), waarbij voorzieningen ook openstaan
       voor kleine organisaties.
    ■  Het kunstonderwijs kan een rol spelen in bij- en omscholing. Het is daarvoor van
       belang dat het kunstvakonderwijs de gevraagde ruimte krijgt om te pionieren
       met nieuwe leerwegen, zoals een flexibel en divers onderwijsaanbod voor ver-
       schillende doelgroepen (inclusief werkenden binnen en buiten de sector). Het
       ministerie van OCW kan bekostigde onderwijsinstellingen meer ruimte geven
       om leertrajecten op maat te bieden voor werkenden, met meerdere instroom-
       momenten, verschillende instapniveaus en de mogelijkheid om deelcertificaten
       te halen.
5.5 Continueer de versterking van de aansluiting onderwijs-
    werkveld
    Het is belangrijk dat het kunstvakonderwijs studenten optimaal voorbereidt op het
    werkveld. Dit is primair de verantwoordelijkheid van het kunstvakonderwijs en het
    ministerie van OCW, maar daarnaast is er ook een rol weggelegd voor regionale
    overheden en partijen uit de sector.
    In het hbo-kunstvakonderwijs is de afgelopen jaren een structurele daling in de
    instroom van studenten gerealiseerd. Ook heeft er een herijking van de beroepspro-
    fielen en verwachte vaardigheden plaatsgevonden, waardoor ondernemerschap nu
    is opgenomen in alle curricula, en zijn er nieuwe masteropleidingen ontwikkeld.
    Dit is het resultaat van een sectorplan van het kunstvakonderwijs, in navolging van
    4   Zie www.nationaal-kenniscentrum-evc.nl.
 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>het advies van de commissie Dijkgraaf.5 Het hbo- kunstvakonderwijs heeft het
initiatief genomen voor een vervolg op het sectorplan met Kunstonderwijs Next
Agenda 2016-2020.6 De beide raden beoordelen deze ontwikkelingen als positief en
adviseren de betrokken partijen om verder te gaan op de ingeslagen weg, de maat-
regelen om de instroom te reguleren op het huidige niveau te continueren en de
resultaten te monitoren. Daarbij geven de raden drie overwegingen mee:
■ Uitwisseling van best practices kan de kwaliteit van het ondernemerschapson-
   derwijs versterken. Het kunstvakonderwijs pioniert op het gebied van onder-
   nemerschapsonderwijs – zo wordt in sommige opleidingen van studenten ver-
   wacht dat zij zelf een onderneming opzetten en zijn er incubatorprogramma’s
   voor start-ups. Ook worden studenten op verschillende manieren voorgelicht
   over de werking van de markt waarin zij mogelijk gaan opereren. De inbedding
   en kwaliteit van dit onderwijs verschillen echter nog sterk per opleiding. Van het
   delen van best practices zouden niet alleen kunstvakopleidingen, maar ook op-
   leidingen uit andere domeinen kunnen profiteren.
■ De groeiende vraag naar creativiteit en kritisch denken in de samenleving,
   beschreven door onder meer de OESO,7 biedt nieuwe perspectieven voor het
   kunstonderwijs als basisopleiding. Naast afgestudeerden die excelleren in (de top
   van) hun discipline, zijn afgestudeerden werkzaam in diverse contexten, zoals
   (cultuur)educatie, (openbaar) bestuur en organisatie, de zorg en het bedrijfsle-
   ven. Een groot deel van de alumni komt bovendien terecht in andere sectoren,
   waar (zeker in internationaal perspectief) een groter belang wordt gehecht aan
   een masterdiploma. Voor een goede aansluiting op het werkveld is het daarom
   belangrijk dat studenten gemakkelijk kunnen doorstromen. Dit kan door meer
   mogelijkheden te creëren voor studenten met een kunstvakbachelor naar mas-
   teropleidingen van andere faculteiten. Het kunnen behalen van deelcertificaten
   is een andere mogelijkheid.
■ Samenwerking met faculteiten buiten het kunstvakonderwijs kan leiden tot
   waardevolle kruisbestuivingen, zoals inhoudelijke kennisuitwisseling en net-
   werkvorming tussen studenten, meer mogelijkheden tot het volgen van flexibele
   individuele leerroutes en verbeterde doorstroommogelijkheden. Ook de derde
   cyclus verdient aandacht: de mogelijkheid om te promoveren door verdieping op
   het snijvlak van kunst en wetenschap. Deze behoefte is reeds geagendeerd door
   het kunstvakonderwijs zelf. De raden adviseren om hiervan gezamenlijk werk te
   maken.
5  Commissie Dijkgraaf (2010) Onderscheiden, verbinden, vernieuwen - de toekomst van het kunstonderwijs, Den
   Haag : Koninklijke De Swart.
6  Vereniging Hogescholen (2016) Kunstonderwijs NEXT Agenda 2016-2020, Den Haag : Vereniging Hogescholen.
7  Winner, E. [et al.] (2013) Art for Art’s Sake? The Impact of Arts Education, Educational Research and Innovation, Parijs:
   OECD Publishing.
                                                                                                                         75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>    Beide raden hechten veel belang aan realistische voorlichting over het arbeids-
    marktperspectief voor studiekiezers en studenten. Hoewel uit cijfers blijkt dat de
    initiële werkgelegenheid van afgestudeerden in het kunstonderwijs relatief goed is,
    verwachten de raden niet dat de lage inkomens en beperkte sociale zekerheid in
    grote delen van de culturele en creatieve sector op korte termijn zijn opgelost. Dit
    heeft onder meer gevolgen voor de mogelijkheden van jonge mensen om bijvoor-
    beeld een hypotheek af te sluiten. Studiekiezers en studenten die een professionele
    carrière in de sector ambiëren, moeten een bewuste afweging kunnen maken op
    dit vlak.
5.6 Conclusies
    In een sector waarin veel zelfstandigen met moeite rondkomen en instellingen fors
    moesten bezuinigingen, zijn scholing en duurzame inzetbaarheid vaak een finan-
    ciële sluitpost. Dat terwijl werkenden betere perspectieven hebben met op bij- of
    omscholing en de culturele en creatieve sector baat heeft bij verdere professionali-
    sering. In dit hoofdstuk hebben de raden daarom verschillende voorstellen gedaan
    ter vergroting van de duurzame inzetbaarheid in de sector. Hiervan hebben de vol-
    gende voorstellen prioriteit:
    ■ Om scholing en duurzame inzetbaarheid te bevorderen, is het volgens de raden
       in de eerste plaats van belang dat sociale partners afspraken maken over de
       financiering hiervan en de ruimte hiervoor. Dit kan in cao’s en arbeids- en
       opdrachtovereenkomsten, maar ook in richtlijnen voor honoraria. Scholing en
       duurzame inzetbaarheid voor alle werkenden zouden ook een plaats moeten
       krijgen in de eerdergenoemde code voor goed werkgever- en opdrachtgever-
       schap.
    ■ Ten tweede roepen de raden de overheid op om loopbaanleren te stimuleren
       door te komen tot een ontwikkelrekening voor alle werkenden: een persoonsge-
       bonden budget voor een zelfgekozen ontwikkeltraject. De culturele en creatieve
       sector zou in dit verband als proeftuin kunnen dienen.
    ■ Ten derde adviseren de raden de sector om hun krachten te bundelen in een
       platform dat voldoende scholingsaanbod waarborgt, kleine organisaties onder-
       steunt bij HR-beleid en arbeidsmarktonderzoek stimuleert voor eenduidige en
       betrouwbare informatie over de arbeidsmarkt van de culturele en creatieve
       sector. Er bestaat geen sectorbreed A+O fonds, dat voor andere sectoren dergelijke
       functies vervult. De overheid kan een belangrijke rol spelen in de financiering
       van een dergelijk platform.
    ■ Tot slot vinden de raden het wenselijk dat het kunstonderwijs de maatregelen
       om de instroom te reguleren op het huidige niveau continueert en dat de oplei-
 6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>dingen de studenten ook de mogelijkheid bieden om zich tijdens hun studie te
oriënteren op vakken, waarmee zij zich voorbereiden op een brede inzetbaar-
heid van hun specialisme in andere domeinen van de arbeidsmarkt.
                                                                            77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>8</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>6   Versterken van de sociale dialoog
6.1 Inleiding
    De sociale dialoog in Nederland wordt gevoerd op nationaal, sectoraal en bedrijfs-
    niveau.1 Op nationaal niveau zijn de gesprekspartners de centrale werkgeversorga-
    nisaties, zzp-organisaties als PZO-ZZP en FNV Zelfstandigen, vakbonden en soms de
    Rijksoverheid. Voorbeelden zijn het overleg in de Stichting van de Arbeid en in de
    Sociaal-Economische Raad. Op sectoraal niveau is de dialoog doorgaans bipartiet
    georganiseerd, dat wil zeggen tussen sectorale werkgeversorganisaties en vakbon-
    den. Dit is in de praktijk de belangrijkste en meest voorkomende vorm van overleg.
    Op dit niveau komen de sector-cao’s tot stand. Op bedrijfsniveau heeft de sociale dia-
    loog betrekking op het gesprek tussen bestuurder en vakbond (ondernemings-cao’s,
    sociale plannen), dan wel ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging.
         ILO-definitie van sociale dialoog
         De International Labour Organization (ILO) hanteert als definitie van sociale dialoog:
         “Alle vormen van onderhandeling, consultatie of uitwisseling van informatie tussen
         vertegenwoordigers van overheden, werkgevers en werknemers over economische
         en sociale beleidsvragen met een gezamenlijk belang”.* Dit omvat zowel bipartiete
         vormen van sociale dialoog (werkgevers en werknemers) als tripartiete vormen
         (werkgevers, werknemers en overheid). Daarnaast kan de sociale dialoog uitgebreid
         worden met andere belanghebbenden. Voor de culturele sector zijn in dat verband
         (belangenorganisaties van) zzp’ers van belang, aangezien circa 40 procent van de
         werkgelegenheid in de culturele sector zzp’ers betreft. Sociale dialoog omvat het
         brede spectrum van medezeggenschap op bedrijfsniveau tot internationale sociale
         dialoog in de ILO. Het overleg faciliteert gezamenlijke uitkomsten op een vreedzame
         en duurzame wijze.
         Dit voorkomt arbeidsonrust en bevordert daarmee het investeringsklimaat en duur-
         zame economische en sociale ontwikkeling.
         *    SER (2011) De bijdrage van sociale partners en sociale dialoog, Den Haag : Sociaal-Economische Raad.
    1  Er is daarnaast ook een internationale sociale dialoog, zoals bijv. de Europese Sociale Dialoog. Dit niveau laten we
       hier verder buiten beschouwing.
                                                                                                                         79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>    De SER en de RvC concluderen in hun arbeidsmarktverkenning van de culturele en
    creatieve sector dat de sociale dialoog op sectoraal niveau over het algemeen zwak
    is ontwikkeld. Ook op het niveau van de organisaties hebben individuele werkne-
    mers en opdrachtnemers ten opzichte van werkgevers en opdrachtgevers beperkte
    onderhandelingsmacht.2 Dit komt enerzijds doordat het aanbod van werkenden
    veel groter is dan de vraag, anderzijds doordat de inhoudelijke gedrevenheid vaak
    voorop wordt gesteld en onderhandelingsvaardigheden zwak ontwikkeld zijn. Ook
    is de onderhandelingsruimte bij gesubsidieerde culturele instellingen regelmatig
    beperkt omdat er geen ruimte is voor arbeidsvoorwaardenontwikkeling, bijvoor-
    beeld door het uitblijven van indexatie. Desondanks geven sociale partners aan op
    dat er op sectoraal niveau doorgaans wel een goede samenwerking is. Zij wijzen
    daarbij op de bestaande cao’s in de culturele sector, het sectorplan Cultuur, hun rol
    bij het tijdelijk UWV Servicepunt Kunst en Cultuur, hun betrokkenheid bij het over-
    leg tussen opleidingen en beroepspraktijk en hun inzet om de cultuurparticipatie
    te vergroten.3
    Om de sociale dialoog zowel op sectorniveau als individueel niveau te versterken,
    doen de SER en de RvC de volgende voorstellen:
6.2 Bundel de krachten voor betere belangenbehartiging
    Treed naar buiten met één stem
    Hoewel binnen diverse disciplines in de culturele en creatieve sector bestuurlijke
    partners elkaar in toenemende mate opzoeken en samen naar oplossingen zoeken,
    is de (sociale) dialoog nog kleinschalig georganiseerd en versnipperd. Dit leidt ertoe
    dat betrokkenen tegen elkaar worden uitgespeeld. Om de belangen van de sector
    richting de politiek goed te behartigen, is het belangrijk dat men de sectorbrede
    samenwerking intensiveert en met één stem naar buiten treedt. Dit is bijvoorbeeld
    van belang voor het zichtbaar maken van de onbenutte potentie van de sector door
    aansluiting te zoeken bij ander beleidsagenda’s (zie paragraaf 3.2).
    Voer een brede sociaal-economische dialoog
    De raden adviseren één of twee keer per jaar een brede sociaal-economische dialoog
    te voeren over het functioneren van de kunst- en cultuurmarkt en de arbeidsmarkt,
    waarbij naast organisaties van werk- en opdrachtgevers en organisaties van werken-
    den in de culturele en creatieve sector ook de overheid, de cultuurfondsen en
    2   SER en RvC (2016) Verkenning arbeidsmarkt culturele sector, Den Haag : Sociaal-Economische Raad/Raad voor
        Cultuur, p. 14.
    3   Zie bijlage 1.
 0
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>    andere belanghebbenden betrokken zijn. Het ministerie van OCW zou hiervoor het
    initiatief kunnen nemen.
6.3 Benader de culturele sector en creatieve sector als eenheid
    De culturele sector en de creatieve sector worden beleidsmatig niet vanuit een geza-
    menlijke visie benaderd. Grenzen van sectoren vervagen echter. Creatieve profes-
    sionals zijn mobiel en bewegen zich vaak niet binnen de grenzen van een deelsec-
    tor, ze beperken zich zelfs niet tot de culturele sector en de creatieve sector. Het
    komt de mobiliteit en brede inzetbaarheid ten goede als beide hierboven genoemde
    sectoren door de overheid beleidsmatig meer met elkaar worden verbonden en van-
    uit een gezamenlijke visie worden benaderd, zowel ten behoeve van het stimuleren
    van ondernemerschap als een integrale benadering van de arbeidsmarkt. Meer
    specifiek is het zinvol om verbinding te leggen met de Human Capital Agenda van
    de topsector creatieve industrie.4
6.4 Betrek alle belanghebbenden bij de sociale dialoog
    Onderzoek hoe de sociale dialoog kan worden verbreed
    De sociale dialoog kan worden versterkt door ervoor te zorgen dat alle belangheb-
    benden erbij worden betrokken. In de sector werken naast werknemers veel zzp’ers
    en vrijwilligers. Een beperkt deel van de werknemers en zzp’ers is nu lid van een
    vakbond, of als zzp’er aangesloten bij een werkgeversorganisatie. Daarnaast zijn er
    in de sector veel kleine en grotere beroepsverenigingen en informele overleggen,
    waar werkenden elkaar vakinhoudelijk treffen en die worden gebruikt voor netwer-
    ken en professionele ontwikkeling.
    Aan werkgeverszijde wordt er weliswaar in toenemende mate samengewerkt, maar
    is de uitdaging de samenwerking af te stemmen op de lokale ontwikkelingen waar-
    bij steeds meer gemengde culturele instellingen ontstaan die de deelsectoren over-
    stijgen.
    De raden adviseren organisaties van werkgevers en opdrachtgevers en organisaties
    van werkenden om te onderzoeken wat de verschillende modi zijn om te komen tot
    een bredere samenwerking, waarbij alle belanghebbenden betrokken zijn.
    Versterk de samenwerking tussen beroeps- en vakverenigingen
    Vooruitlopend hierop kunnen vertegenwoordigers van werkenden in de sector zelf
    het initiatief nemen om meer samen te werken. Het samengaan of samen optrek-
    4  Topteam Creatieve Industrie (2012) Smart and Creative Human Capital.
                                                                                         81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>  ken van beroeps- en vakverenigingen in federatief verband draagt bij aan het ver-
  minderen van de versnippering van de sector en kan tevens bijdragen aan het ver-
  sterken van de onderhandelingspositie van werkenden. De uitdaging daarbij is de
  samenwerking zowel sectoroverkoepelend als disciplinespecifiek te organiseren,
  zodat de verschillende beroepsgroepen zich betrokken blijven voelen.
  Het samengaan of samen optrekken kan leiden tot professionelere belangenbehar-
  tiging. Dit betekent wel dat men bereid moet zijn om een deel van de autonomie te
  collectiviseren ten behoeve van een krachtige, gezamenlijke stem.
  Spreek mensen aan op hun passie
  Doordat er in het kunstonderwijs meer aandacht is voor ondernemerschap zijn
  nieuwe generaties gediplomeerden beter geëquipeerd voor de markt. Desondanks
  worden werkenden in de culturele en creatieve sector in het algemeen meer gedre-
  ven door de passie voor hun vak en hun artistieke ontwikkeling, dan door discussies
  over arbeidsvoorwaardelijke aspecten. Beroepsverenigingen en vakbonden kunnen
  de betrokkenheid van werknemers en zzp’ers bij discussies hierover vergroten door
  aan te sluiten bij de passie voor het vak en arbeidsvoorwaardelijke aspecten in die
  context aan de orde te stellen. Ook het kunstonderwijs kan hieraan een sterke bij-
  drage leveren door studenten gedurende de hele opleiding voor te bereiden op de
  arbeidsmarkt waarin zij komen te werken, de arbeidsverhoudingen en arbeidsvoor-
  waarden(vorming) en de belangenorganisaties in de sector.
  Nieuwe vormen van inspraak
  Draagvlak en betrokkenheid kunnen ook worden vergroot door belanghebbenden
  beter en breder te betrekken bij het cao-proces.5 Naast online informatieverstrek-
  king over start, voortgang en resultaat kan gebruik worden gemaakt van panels,
  groepsdiscussies, enquêtes, large scale interventions etcetera om meningen te peilen.
  Ook co-creatie is een relatief nieuwe methode om met elkaar, door de dialoog, te
  komen tot een nieuwe cao of vernieuwing van onderdelen daarvan. Een goed voor-
  beeld is de totstandkoming van de cao voor de orkestensector, waarbij op basis van
  een conferentie cao-thema’s zijn benoemd waarover vervolgens met inbreng van
  musici afspraken zijn gemaakt. Tot slot kunnen sociale partners de betrokkenheid
  ook vergroten door de toegankelijkheid en leesbaarheid van de cao te vergroten.
  5  Zie SER (2013) Verbreding draagvlak cao-afspraken, Den Haag : Sociaal-Economische Raad.
2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>6.5 Onderzoek de financiering van een inclusieve sociale dialoog
    In de culturele en creatieve sector zijn veel zzp’ers, vrijwilligers en stagiairs actief.
    Doordat zij vaak niet of kleinschalig georganiseerd zijn, hebben vakbonden en
    beroepsverenigingen weinig financiële slagkracht en expertise voor belangenbe-
    hartiging. Sociale partners onderkennen dat sterke vakbonden en werkgeversorga-
    nisaties een belangrijke voorwaarde zijn voor een succesvolle dialoog. Daarvoor is
    het nodig dat zij de beschikking hebben over de noodzakelijke middelen, sociaal-
    economische expertise en vertegenwoordiging in het veld. Verder dienen bij de dia-
    loog ook de belangen van de zzp’ers, vrijwilligers en stagiairs te worden betrokken.
    De raden adviseren sociale partners daarom de financiering van een inclusieve soci-
    ale dialoog nader te onderzoeken. Voor de financiering van een dergelijk onderzoek
    zouden zij een gezamenlijk verzoek kunnen indienen bij de minister van SZW.
    Samenwerking tussen werkgeversorganisaties en tussen vakbonden en beroepsver-
    enigingen kan bijdragen aan het vergroten van de financiële slagkracht, waardoor
    er meer capaciteit ontstaat voor generieke belangenbehartiging, maar er ook des-
    kundigheid blijft om de specifieke disciplines in de culturele sector te ondersteu-
    nen. Naar de mening van beide raden dienen de overheid, fondsen en sociale part-
    ners initiatieven die dergelijke samenwerking bevorderen (financieel) te belonen.
6.6 Verbreed de toepassing van cao’s
    Stimuleer harmonisatie van cao’s
    De groei van het aantal gemengde culturele instellingen vraagt om harmonisatie
    en integratie van cao’s met voldoende maatwerk en flexibiliteit om de arbeidsvoor-
    waarden van werknemers naar wens in te richten. Het beperken van het aantal
    cao’s in de sector kan bijdragen aan het verminderen van de versnippering en het
    verbreden van het draagvlak. Daarbij is het wel van belang dat de cao passend is,
    dat wil zeggen is toegesneden op de situatie en omstandigheden van de sector of
    organisatie waarvoor de cao geldt en aansluit bij de heersende sociaal-economische
    en maatschappelijke omstandigheden. Een aandachtspunt is dat harmonisering
    een prijsopdrijvend effect kan hebben, wat de integratie van cao’s kan bemoei-
    lijken.
    De raden adviseren werkgevers- en werknemersorganisaties om gezamenlijk te
    onderzoeken welke cao’s in de culturele en creatieve sector in aanmerking komen
    voor harmonisatie, de uitgangspunten daarbij en het tijdpad waarbinnen het har-
    monisatieproces kan plaatsvinden. Dit gesprek wordt in de sector ook regelmatig
    gevoerd.
                                                                                           83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>    Stimuleer collectieve onderhandelingen waar nog geen cao’s gelden
    De raden adviseren sociale partners om in die delen van de culturele en creatieve
    sector waar nog geen cao’s gelden tot collectieve arbeidsvoorwaardenvorming te
    komen en, voor zover mogelijk, zzp’ers te betrekken bij deze onderhandelingen (zie
    paragraaf 4.9).
    Stel bepaalde cao-onderdelen open voor alle werkenden
    Het aandeel zzp’ers in de culturele sector is relatief hoog. De vraag doet zich voor
    of en hoe dit moet doorwerken in de bestaande arrangementen voor werknemers,
    zoals bijvoorbeeld opleidingsfaciliteiten. De SER heeft in zijn eerdere advisering
    over zzp’ers aanbevolen te bezien of bepaalde onderdelen van de cao ook kunnen
    worden opengesteld voor zzp’ers.6 In een aantal sectoren zijn er inmiddels initiatie-
    ven genomen om zzp’ers te laten deelnemen aan bijvoorbeeld opleidingsstructuren
    of pensioenfondsen. In de culturele sector zouden sociale partners cursussen onder
    voorwaarde van een financiële bijdrage ook kunnen openstellen voor zzp’ers.
6.7 Verstrek informatie over samenwerkingsverbanden
    Een knelpunt van veel individuele zzp’ers is dat zij een zwakke onderhandelings-
    positie hebben ten opzichte van hun opdrachtgever. Deze positie is door de bezui-
    nigingen verder verzwakt. Hierdoor is er op dit niveau in veel gevallen geen sprake
    van een evenwichtige sociale dialoog. Zzp’ers kunnen hun onderhandelingspositie
    versterken door meer samen te werken. Samenwerkingsverbanden die een gemeen-
    schappelijk doel dienen, zijn in toenemende mate populair onder zzp’ers en
    mkb’ers. In dergelijke (besloten) netwerken kan van alles geregeld worden: geza-
    menlijk inkoop, verkoop of promotie, collectieve risicodeling, etcetera (zie para-
    graaf 4.8). Het verstrekken van informatie over samenwerkingsverbanden en het
    delen van best practices kan bijdragen aan een hogere organisatiegraad in de sector
    en verbinding in goed ondernemerschap. Vakbonden, beroepsverenigingen en het
    onderwijs kunnen hierin een rol spelen.
6.8 Ontwikkel een platform voor arbeidsmarkt en HRM-beleid
    De raden adviseren de sector om de krachten te bundelen en een platform te ont-
    wikkelen dat voldoende scholingsaanbod waarborgt, kleine organisaties onder-
    steunt bij HR-beleid en arbeidsmarktonderzoek stimuleert naar eenduidige en
    6   Zie SER (2013) Verbreding draagvlak cao-afspraken, Den Haag : Sociaal-Economische Raad.
 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>betrouwbare informatie over de arbeidsmarkt van de culturele en creatieve sector
(zie kader).
     Arbeidsmarktonderzoek
     Er vindt onvoldoende systematisch en samenhangend onderzoek plaats naar de ont-
     wikkelingen op de arbeidsmarkt van de culturele en creatieve sector. Hoewel het CBS
     periodiek in opdracht van het ministerie van OCW de Monitor Kunstenaars en afgestu-
     deerden aan creatieve opleidingen* maakt en jaarlijks maatwerk levert op enkele
     hoofdlijnen, is het onderzoekslandschap op dit terrein versnipperd. Er bestaan welis-
     waar standaard afbakeningen van de culturele en creatieve sector en van creatieve
     beroepen, maar die afbakeningen worden niet door iedereen gebruikt. De belang-
     rijkste arbeidsmarktgegevens zijn verspreid over allerlei aanbieders, worden in
     opdracht van verschillende partijen onregelmatig verzameld (OCW, branches,
     beroepsverenigingen), zijn soms sectoraal en soms disciplinegericht, sluiten qua
     methodiek en resultaten niet altijd goed bij elkaar aan en zijn zonder verdere bewer-
     king meestal niet direct bruikbaar voor partijen die beleidsverantwoordelijk zijn voor
     de personeelsvoorziening in de sector. De wens om te komen tot harmonisering van
     het onderzoek en zo het collectieve belang van de sector te dienen, is bovendien niet
     overal in de sector even sterk ontwikkeld. Aangezien eenduidige en betrouwbare
     informatie nodig is om beleid te kunnen ontwikkelen en uit te voeren, is het volgens
     de raden belangrijk om de transparantie te bevorderen en orde en eenduidigheid aan
     te brengen in het informatielandschap. De raden adviseren de sector om samen met
     het ministerie van OCW het initiatief te nemen om te komen tot eenduidige en
     betrouwbare informatie over de arbeidsmarkt van de culturele en creatieve sector. Dit
     zou kunnen door een gezamenlijk onderzoeksprogramma te ontwikkelen en te finan-
     cieren die als missie heeft om aan een brede doelgroep van partijen objectieve, uni-
     forme, actuele en onafhankelijk verwerkte kwantitatieve informatie over de culturele
     en creatieve arbeidsmarkt toegankelijk beschikbaar te stellen.**
     *   Zie bijv. CBS (2014) Monitor kunstenaars en afgestudeerden aan creatieve opleidingen, Voorburg/Heerlen :
         Centraal Bureau voor de Statistiek.
     ** Een voorbeeld van een dergelijk programma is het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn
         waarin het ministerie van VWS en sociale partners samenwerken om arbeidsmarktinformatie over de sector
         zorg en welzijn te verzamelen (zie www.azwinfo.nl).
Dit platform zou paritair aangestuurd kunnen worden door vertegenwoordigers
van organisaties van werkgevers/opdrachtgevers en van werkenden. Het platform
zou ook kunnen bijdragen aan het vergroten van het bereik van cao’s door harmo-
nisatie of het openstellen van onderdelen voor zzp’ers. Van belang is dat dit effici-
entie en een effectiviteitsslag oplevert. De culturele en creatieve sector heeft geen
                                                                                                                  85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>    centraal A+O fonds dat expertise en budget heeft voor onderzoek, opleidingen, pro-
    jecten, etcetera. In veel sectoren wordt de financiering van arbeidsmarktfondsen
    geregeld in de cao of wordt er een aparte cao voor een arbeidsmarktfonds afgeslo-
    ten. Dit betekent in de regel dat gebonden organisaties een bepaald percentage van
    de loonsom beschikbaar stellen aan een fonds. Mede gezien het bijzondere karakter
    van de culturele en creatieve sector, het gebrek aan voldoende (grote) sector-cao’s en
    het grote aandeel zzp’ers en vrijwilligers dat actief is in de sector, zal het noodzake-
    lijk zijn dat de overheid een rol speelt bij de financiering van een dergelijk plat-
    form.
6.9 Conclusies
    De raden denken dat versterking van de sociale dialoog in de sector zal bijdragen
    aan het versterken van het verdienvermogen en een betere onderhandelingspositie
    van kwetsbare groepen in de sector. Om dit te realiseren, hebben volgens de raden
    de volgende voorstellen prioriteit:
    ■ Het is belangrijk dat, mede met het oog op belangenbehartiging richting de
       politiek, sectorbrede samenwerking wordt versterkt en dat de sector met één
       stem naar buiten treedt. In dat kader adviseren de raden de belangenorganisaties
       samen op te trekken of zoveel mogelijk in federatief verband samen te gaan. Het
       ministerie van OCW zou het initiatief kunnen nemen om één of twee keer per
       jaar een brede sociaal-economische dialoog met de sector te voeren.
    ■ Daarnaast adviseren de SER en de RvC sociale partners om samen onderzoek te
       doen naar de financiering van een inclusieve sociale dialoog en naar de mogelijk-
       heden voor een bredere toepassing van cao’s in de sector.
 6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>7 Slotbeschouwing
  De raden constateren in hun gezamenlijke Verkenning arbeidsmarkt culturele sector dat
  veel problemen van de werkenden in de culturele en creatieve sector verband hou-
  den met de specifieke eigenschappen van deze sector, zoals versnippering, het grote
  aantal zzp’ers, de lage inkomens en een gebrekkige onderhandelingsmacht. Ook
  signaleren de raden symptomen van een imperfecte markt. Ter aanvulling daarop
  willen de raden er nogmaals op wijzen dat de economische crisis en de bezuinigin-
  gen vanaf 2010 de sector verder hebben verzwakt. De bezuinigingen zijn niet, zoals
  gehoopt, gecompenseerd door inkomsten uit andere bronnen. Desondanks wordt
  er nog steeds hoogstaande kunst en cultuur geproduceerd en wordt er volop geëx-
  perimenteerd. Dat duidt erop dat de werkenden in de sector zelf blijven investeren
  in behoud van het aanbod, hoewel er vaak genoegen genomen moet worden met
  minder financiële middelen. Werkenden worden door passie en/of door hoop op
  betere tijden gedreven. De raden waarschuwen dat bij onveranderde omstandig-
  heden uitholling van de culturele en creatieve sector dreigt. De aanbevelingen die
  de raden in dit advies hebben gedaan, zullen bijdragen aan de verbetering van
  de positie van de werkenden in de culturele en creatieve sector, zzp’ers en werk-
  nemers.
  Volgens de raden kan dit advies ook bijdragen aan een algemene bewustwording
  van het productieproces van kunst en cultuur. Het werk dat in dat proces verzet
  wordt, zou naar waarde fatsoenlijk betaald moeten worden. Ook zou het niet meer
  dan normaal moeten zijn dat werkenden zich ook verzekeren, sparen voor hun
  oude dag en dat zij zich kunnen bijscholen om in de markt te blijven, of dit nu bin-
  nen de sector is of in een nieuwe loopbaan. De raden hebben ernaar gestreefd om
  in dit advies voorstellen te doen die tot structurele verbeteringen van de positie van
  werkenden in de culturele en creatieve sector leiden. Het is de raden erom te doen
  dat de weerbaarheid van de werkenden wordt vergroot en dat zij in de gelegenheid
  worden gesteld om daadwerkelijk te onderhandelen over redelijke honoraria en de
  verdeling van inkomsten uit auteursrechten.
  Het vraagt van alle starters in de sector doorzettingsvermogen om in de markt te
  groeien. Het kost simpelweg tijd om tot wasdom te komen in de culturele en crea-
  tieve sector. Kunstenaars zoeken naar creatieve oplossingen om te overleven in een
  marktsituatie waar vraag en aanbod moeizaam bij elkaar komen. Een gecombi-
  neerde en hybride beroepspraktijk is eerder regel dan uitzondering. Het is mooi dat
  er een grote mobiliteit is in de sector, maar de raden zien ook dat deze situatie het
  in de hand werkt dat talent wordt gekannibaliseerd. Maatregelen waarmee de vraag
                                                                                       87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>  wordt gestimuleerd, kunnen ertoe bijdragen dat de markt efficiënter wordt en
  maatregelen die ertoe bijdragen dat er richtlijnen of afspraken over minimumtarie-
  ven komen, zullen helpen voorkomen dat starters zich lange tijd onbetaald moeten
  invechten.
  De raden zijn zich ervan bewust dat een aantal voorstellen een kostenverhogend
  effect zullen hebben voor werkgevers en opdrachtgevers. Het realiseren van zulke
  voorstellen hangt daarom onlosmakelijk samen met de algehele financiering van
  de sector. Er zullen hoe dan ook meer inkomsten moeten komen om invulling te
  kunnen geven aan deze voorstellen. Dit kan gaan om publieke en/of private bijdra-
  gen die zorgen voor een gezonde financieringsmix. Als de extra kosten voor deze
  voorstellen niet gedekt kunnen worden door een verhoging van het verdienvermo-
  gen en/of hogere subsidies, voorzien de raden een afname van het kunst- en cultuur-
  aanbod en een daling van het aantal werkenden in de sector. Dat gaat ten koste van
  een bloeiend cultureel klimaat in Nederland.
  Daarnaast achten de raden alle mogelijke acties die tot doel hebben om de circula-
  riteit van financiële middelen te bevorderen zeer noodzakelijk. Immers, de waarde
  die in de culturele en creatieve sector wordt geproduceerd en wordt vermeerderd
  in de exploitatie, zou in een efficiënt en eerlijk werkende markt weer terug moeten
  vloeien in de sector; naar de producenten en makers.
  De raden hebben bij het opstellen van dit advies ervaren dat sociale partners een
  grote urgentie voelen om de knelpunten op de arbeidsmarkt op te lossen en zich
  gezamenlijk sterk willen maken voor de implementatie van de voorgestelde oplos-
  singen. De raden roepen de overheid op dit proces te faciliteren, belemmeringen en
  knelpunten in wet- en regelgeving weg te nemen en mee te werken aan het stimu-
  leren van de markt. De raden constateren dat er in toenemende mate behoefte is om
  op kleinere schaal te experimenteren met beleidsvraagstukken voordat deze alge-
  meen worden toegepast.1 De culturele en creatieve sector leent zich goed voor een
  dergelijke werkwijze.
  In deze sector zijn de sociale partners voorstander van een proeftuinbenadering,
  zoals blijkt uit de gezamenlijke adviesaanvraag waarin wordt aangegeven dat erva-
  ringen in deze sector lessen kunnen opleveren voor een groter maatschappelijk
  geheel (zie bijlage 1). Ook zijn zij het eens over de doelstelling om de arbeidsmarkt
  in de culturele en creatieve sector te versterken. De voorstellen die bij de concrete
  1   Zoals bijvoorbeeld in het ESB-nieuwjaarsartikel is bepleit door M. Camps (2017) Durf te leren, ESB, jaargang 102
     (4745), pp. 6-9.
8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>oplossingsrichtingen in het advies zijn opgenomen, zijn mogelijk breder toepas-
baar dan alleen in deze sector. Wanneer de ervaringen achterblijven bij de verwach-
tingen kunnen zij worden bijgesteld, zodat de doelen alsnog kunnen worden
behaald voordat ze breed worden toegepast. Wanneer de ervaringen positief zijn,
kunnen ze mogelijk ook breder worden toegepast.
Den Haag, april 2017
Mariëtte Hamer                                   Marijke van Hees
Voorzitter SER                                   Voorzitter Raad voor Cultuur
Véronique Timmerhuis                             Jeroen Bartelse
Algemeen secretaris SER                          Directeur Raad voor Cultuur
                                                                                 89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>0</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>Bijlagen</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>93</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>4</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>95</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>6</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>97</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>8</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>99</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>00</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>CBS-afbakening creatieve industrie
In dit advies is de culturele en creatieve sector op dezelfde wijze gedefinieerd als in
de Verkenning arbeidsmarkt culturele sector die de SER en de RvC in januari 2016 hebben
gepubliceerd.1 Uitgangspunt is de CBS-afbakening van de culturele industrie (zie
hieronder), aangevuld met de branche cultuureducatie2 (SBI-code 8552).
Kunsten en cultureel erfgoed
7990           Reisinformatie- en reserveerbureaus
90011          Beoefening van podiumkunst
90012          Producenten van podiumkunst
9002           Dienstverlening voor uitvoerende kunst
9003           Scheppende kunst
90041          Theaters, schouwburgen en concertgebouwen
91011          Openbare bibliotheken
91012          Kunstuitleencentra
91019          Overige culturele uitleencentra en openbare archieven
91021          Musea
91022          Kunstgalerieën en -expositieruimten
9103           Monumentenzorg
94994          Vriendenkringen van cultuur
Media & entertainment
4761           Winkels in boeken
4763           Winkels in audio- en video-opnamen
5811           Uitgeverijen van boeken
5813           Uitgeverijen van kranten
5814           Uitgeverijen van tijdschriften
5819           Overige uitgeverijen (niet van software)
5821           Uitgeverijen van computerspellen
5829           Overige uitgeverijen van software
59111          Productie van films (geen televisiefilms)
59112          Productie van televisieprogramma's
5912           Facilitaire activiteiten voor film- en televisieproductie
5913           Distributie van films en televisieproducties
5914           Bioscopen
1  SER en RvC (2016) Verkenning arbeidsmarkt culturele sector, Den Haag : Sociaal-Economische Raad/Raad voor
   Cultuur.
2  De branche cultuureducatie bestaat uit muziekscholen, centra voor de kunsten en volksuniversiteiten.
                                                                                                             101
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>   5920        Maken en uitgeven van geluidsopnamen
   6010        Radio-omroepen
   6020        Televisieomroepen
   6321        Persagentschappen
   6329        Overige informatievoorziening
   74201       Fotografie
   90013       Circus en variété
   Creatieve zakelijke dienstverlening
   7021        Public relationsbureaus
   7111        Architectenbureaus
   7311        Reclamebureaus
   7410        Industrieel design
   8230        Organiseren van congressen en beurzen
02
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>Deelnemers aan de consultatiegesprekken
Eerste gesprek
■  Erwin Angad-Gaur (Nederlandse Toonkunstenaarsbond)
■  Irene Asscher-Vonk (Museumvereniging)
■  Teun Gautier (De Coöperatie)
■  Samantha Hoekema (Nederlandse Galerie Associatie)
■  Joram Kraaijeveld (Platform Beeldende Kunst)
■  Suzanne Leclaire-Noteborn (Federatie Cultuur)
■  Marie-France van Oorsouw (Vereniging van Ondernemers in Archeologie)
■  Janne Rijkers (Auteursbond)
■  Berend Schans (Vereniging Nederlandse Poppodia en -festivals)
■  Michelle Schulkens (Platform Beeldende Kunst)
■  Peter Stadhouders (Nederlands Uitgeversverbond)
■  Jort Vlam (Vereniging Vrije Theaterproducenten)
■  Marc Wingens (Gelders Erfgoed)
Tweede gesprek
■  Monique Aerts (Ministerie van EZ)
■  Paul Bronkhorst (Stichting Omscholingsregeling Dansers)
■  Birgit Donker (Mondriaanfonds)
■  Syb Groeneveld (Fonds Creatieve Industrie)
■  Jo Houben (Cultuur+Ondernemen)
■  Thera Jonker (Vereniging Hogescholen)
■  Désirée Majoor (Hogeschool voor de Kunsten Utrecht)
■  Sarah Malko (Mondriaanfonds)
■  Eleonora van Ree (Ministerie van SZW)
■  Heidi Schouten (Ministerie van Financiën)
■  Marianne Versteegh (Kunsten ’92)
■  Anne Zeegers (Schrijvers School Samenleving)
■  Audrey Zimmerman (Vereniging Hogescholen)
                                                                        103
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>04</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>Organisaties die een position paper hebben ingediend
Position papers deelnemers consultatiegesprekken:
■  Auteursbond
■  Coöperatie Gelders Erfgoed
■  Cultuur+Ondernemen
■  De Coöperatie
■  Mondriaanfonds
■  Museumvereniging
■  Nederlandse Galerie Associatie
■  Nederlandse Toonkunstenaarsbond (Ntb) en Vereniging voor Componisten en
   Tekstdichters Ntb (VCTN)
■  Platform Beeldende Kunst (Platform BK)
■  Platform Makers
■  Stichting Omscholingsregeling Dansers
■  Stichting Schrijvers School Samenleving
■  Stimuleringsfonds Creatieve Industrie
■  Topteam Creatieve Industrie
■  Vereniging Nederlandse Poppodia en –Festivals (VNPF)
■  Vereniging van Nederlandse Orkesten (VvNO), FNV Media & Cultuur, Ntb
Position papers schriftelijke consultatieronde:
■  Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers (BNO)
■  Beroepsvereniging Nederlandse Stripmakers (BNS)
■  Dutch Directors Guild
■  Fonds Podiumkunsten
■  KNMO
■  Koorsector
■  Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst (LKCA) en Fonds
   voor Cultuurparticipatie (FCP)
■  Nederlands Filmfonds
■  Nederlands Letterenfonds
■  Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) en de Nederlandse Vereniging
   van Fotojournalisten (NVF)
■  Restauratoren Nederland (RN)
■  SMartNL
■  Sociaal Fonds Podiumkunsten (SFPK)
■  Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)
■  Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA)
                                                                            105
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>   ■  VLS voor Muziekdocenten
   Schriftelijke inbreng commissie Vervolg Arbeidsmarktverkenning Culturele sector:
   ■  Reactie Federatie Cultuur3 ten aanzien van de oplossingsrichtingen SER/RvC op
      arbeidsmarktknelpunten culturele sector
   ■  Position paper Kunstenbond
   ■  Position paper PZO-ZZP
   3  Federatie Cultuur bundelt de branche- en werkgeversverenigingen in onder meer de podiumkunsten, musea,
      bibliotheken, centra voor de kunsten, podia en beeldende kunst. Federatie Cultuur bestaat uit de volgende leden:
      Cultuurconnectie, Koepel Opera, Museumvereniging, Nederlandse Associatie voor Podiumkunsten (NAPK),
      Nederlandse galerie Associatie (NGA), Vereniging Nederlandse Poppodia en -Festivals (VNPF), Vereniging van
      Openbare Bibliotheken (VOB) en de Vereniging van Schouwburg en Concertgebouwdirecties (VSCD).
06
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>Samenstelling commissie Vervolg Arbeidsmarktverkenning
Culturele Sector
Leden
■ Evert Verhulp (SER; Kroonlid; voorzitter)
■ Jan Brands (SER; Cultuurconnectie, namens Federatie Cultuur)
■ Josien van Breda (SER; FNV Zelfstandigen)
■ Peter van den Bunder (SER; Kunstenbond)
■ Lineke Burghout (SER; NAPK, namens Federatie cultuur)
■ Roel van Dongen (SER; PZO-ZZP)
■ Jeroen van den Eijnde (RvC; Commissie BKVA)
■ Wim Hupperetz (RvC; Commissie Erfgoed)
■ Wim Jansen (RvC; Commissie Media)
■ Caspar de Kiefte (SER; Kunstenbond)
■ Annick Schramme (RvC; Raadslid)
■ Leo Stevens (SER; Kroonlid)
■ Frans Vreeke (RvC; Commissie Podiumkunsten)
Toehoorders
■ Katie Schreiber (ministerieel vertegenwoordiger OCW)
■ Marianne Versteegh (Kunsten ’92)
Secretariaat
■ Klazien Brummel (RvC)
■ Gerard van Essen (SER)
■ Arjen Gerretsen (RvC)
■ Tyche Riemens (SER)
■ Joris Steenkamp (SER)
■ Jeroen Visser (SER)
                                                               107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>08</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>Publicatieoverzicht
Algemeen
Publicaties van de SER verschijnen digitaal. Alle publicaties zijn te downloaden op
onze website. Sommige publicaties zijn in boekvorm te bestellen tegen vergoeding
( 7,50). Kijk daarvoor onderaan de beginpagina van een publicatie.
Van de adviezen verschijnt eveneens een Engelstalige samenvatting. Deze is te vinden
op de webpagina van het desbetreffende advies en de Engelstalige website van de SER.
Adviezen en verkenningen
Passie Gewaardeerd - Versterking van de arbeidsmarkt in de culturele en creatieve sector
2017, 114 pp., ISBN 978-94-6134-100-6, bestelnummer 17/07
Grenswaarde voor acrylamide
2017, 18 pp., ISBN 978-94-6134-099-3, bestelnummer 17/06
Governance van het energie- en klimaatbeleid
2017, 22 pp., ISBN 978-94-6134-098-6, bestelnummer 17/05
Leren en ontwikkelen tijdens de loopbaan - Een richtinggevend advies
2017, 112 pp., ISBN 978-94-6134-097-7, bestelnummer 17/04
Opgroeien zonder Armoede
2017, 166 pp. ISBN 978-94-6134-095-5, bestelnummer 17/03
Medezeggenschap Pensioen in Kleine Ondernemingen
2017, 30 pp., ISBN 978-94-6134-094-8, bestelnummer 17/02
Regionaal samenwerken: Leren van praktijken
2017, ISBN 978-94-6134-093-1, bestelnummer 17/01
Signalering Nieuwe wegen naar een meer succesvolle arbeidsmarktintegratie van vluchtelingen
2016, 116 pp., ISBN 978-94-6134-092-4, verkrijgbaar via www.ser.nl
Grenswaarde voor meelstof
2016, 20 pp., ISBN 978-94-6134-091-7, bestelnummer 16/09
Verkenning Mens en technologie - Samen aan het werk
2016, 164 pp., ISBN 978-94-6134-090-0, verkrijgbaar via www.ser.nl
Een werkende combinatie - Advies over het combineren van werken, leren en zorgen in de toekomst
2016, Deel I Samenvatting & Visie, 110 pp., ISBN 978-94-6134-089-4, bestelnummer 16/08
2016, Deel II Analyse, 242 pp., ISBN 978-94-6134-089-4, bestelnummer 16/08
Toekomstgericht beroepsonderwijs - Deel 1 Voorstellen ter versterking van de beroepsbegeleidende leerweg
2016, 66 pp., ISBN 978-94-6134-088-7, bestelnummer 16/07
                                                                                                         109
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>   Versnelling van verduurzaming van de veehouderij
   2016, 48 pp., ISBN 978-94-6134-087-0, bestelnummer 16/06
   Werken aan een circulaire economie: geen tijd te verliezen
   2016, 100 pp., ISBN 978-94-6134-085-6, bestelnummer 16/05
   Verkenning sociale infrastructuur kwetsbare groepen binnen de Participatiewet
   2016, 42 pp., ISBN 978-94-6134-084-9, verkrijgbaar via www.ser.nl
   Verkenning wettelijk minimumjeugdloon
   2016, 86 pp., ISBN 978-94-6134-083-2, verkrijgbaar via www.ser.nl
   Verkenning persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling
   2016, 102 pp., ISBN 978-94-6134-082-5, verkrijgbaar via www.ser.nl
   TTIP - Transatlantic Trade and Investment Partnership
   2016, 200 pp., ISBN 978-94-6134-080-1, bestelnummer 16/04
   Snel en toegankelijk geschillen oplossen
   2016, 20 pp., ISBN 978-94-6134-079-5, bestelnummer 16/03
   Werk: van belang voor iedereen - Een advies over werken met een chronische ziekte
   2016, 178 pp., ISBN 978-94-6134-078-8, bestelnummer 16/02
   Gelijk goed van start: Visie op het toekomstige stelsel van voorzieningen voor jonge kinderen
   2016, 186 pp., ISBN 978-94-6134-077-1, bestelnummer 16/01
   Verkenning Arbeidsmarkt Culturele Sector
   2016, 111 pp., verkrijgbaar via www.ser.nl
   Leren in het hoger onderwijs van de toekomst
   (Advies over de Strategische Agenda Hoger Onderwijs 2015 - 2025)
   2015, 80 pp., ISBN: 978-94-6134-076-4, bestelnr: 15/06
   De SER-agenda voor de Stad
   2015, 124 pp., ISBN 978-94-6134-074-0, bestelnr: 15/05
   Het Nederlandse stedenlandschap: impressies en achtergronden
   Achtergronddocument bij het SER-advies Agenda Stad
   2015, 84 pp., verkrijgbaar via www.ser.nl
   Leren in het funderend onderwijs van de toekomst
   2015, 28 pp., ISBN 978-94-6134-075-7, bestelnr: 15/04
   Sociale ondernemingen: een verkennend advies
   2015, 134 pp., ISBN 978-94-6134-073-3, bestelnr: 15/03
   Werkloosheid voorkomen, bewerken en goed verzekeren
   2015, 216 pp., ISBN 978-94-6134-070-2, bestelnr: 15/02
   Toekomst Pensioenstelsel
   2015, 178 pp. 178, ISBN 978-94-6134-069-6, bestelnr: 15/01
   Arbeidsmigratie
   2014, 264 pp., ISBN 978-94-6134-068-9, bestelnr: 14/09
   Grenswaarde voor 1,3-Butadieen
   2014, 20 pp., ISBN 978-94-6134-066-5, bestelnr: 14/08
10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>Rapporten
Verbreding en versterking financiering MKB
2014, 80 pp., ISBN 978-94-6134-067-2
Energieakkoord voor duurzame groei
2013, 146 pp., ISBN 978-94-6134-057-3
Nederlandse economie in stabieler vaarwater: een marco-economische verkenning
2013, 64 pp., ISBN 978-94-6134-052-8
Engelstalige publicaties
TTIP - Transatlantic Trade and Investment Partnership
2016, 196 pp., ISBN 978-94-6134-081-8, orderno. 16/04E
The power of consultation: The Dutch consultative economy explained
General brochure, 2010, 34 pp., ISBN 978-94-6134-011-5
Europe 2020: The New Lisbon Strategy
Abstract, 2009, 40 pp., ISBN 90-6587-991-9, orderno. 2009/04E
Social and Economic Council’s Statement on International Corporate Social Responsibility
Statement, 2008, 91 pp., ISBN 90-6587-983-8
On sustainable globalisation: A world to be won
Abridged version, 2008, 132 pp., ISBN 90-6587-979-X, orderno. 2008/06E
Overige publicaties
Leidraad personeelsvertegenwoordiging – met toelichting en bijlagen
2010, 104 pp., ISBN 90-6587-998-6
Voorbeeldreglement Ondernemingsraden – met toelichting en bijlagen
2010, 264 pp., ISBN 90-6587-997-8
       Alle uitgaven zijn te bestellen:
       ■    telefonisch bij de afdeling Verkoop (070 3499 671);
       ■    via de website (www.ser.nl);
       ■    door overmaking van de vermelde prijs op banknummer NL17INGB0667165908
            ten name van de SER te Den Haag, onder vermelding van het bestelnummer
            en de titel.
                                                                                         111
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>   Beleidsadviezen Raad voor Cultuur
   2017
   - Professionele organisatie voor monumentenbehoud
   - Verdrag van Maastricht
   - Besteding één miljoen euro voor cultuursector
   2016
   - Internationaal cultuurbeleid
   - Beleidsplan 2016-2020 Beeld en Geluid
   - Het puberbrein van de overheid
   - Verbetering positie kunstenaar op arbeidsmarkt
   - Meerjarenbeleidsplan Stichting Omroep Muziek
   - Nieuwe beleidsregel rijksmonumenten
   - Actieagenda voor Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp 2017 - 2020
   - Begroting 2017 Nederlandse Publieke Omroep
   - Voorselectie Europees Erfgoedlabel
   2015
   - Voordracht Europees Erfgoedlabel
   - De waarde van creativiteit (samen met Awti)
   - Agenda Cultuur 2017 - 2020 en verder
   - Ouderen en Cultuur: een kwestie van waarde(n)
   - Nationale Monumentenorganisatie
   - Regionale omroepen
   - Talentontwikkeling in de audiovisuele sector
   - Concessiebeleidsplan Nederlandse Publieke Omroep
   - AT5 (samen met Amsterdamse Kunstraad)
   - Van statisch naar dynamisch – professionalisering monumentenbehoud
   - Meerjarenbegroting Nederlandse Publieke Omroep
   - Voordracht immaterieel erfgoed UNESCO
   2014
   - Meedoen is de kunst – advies over actieve cultuurparticipatie
   - De tijd staat open: naar een toekomstbestendige publieke omroep
   - Immaterieel erfgoed
   - Erfgoedwet
   - Omroeperkenningen 2016 – 2020
   - De cultuurverkenning: ontwikkelingen en trends in het culturele leven van Nederland
   - Vaste boekenprijs – advies bij tweede evaluatie van de wet
   2013
   - Ontgrenzen en verbinden: naar een nieuwe museaal bestel
   - Stimuleringsmaatregelen filmsector
   - Selectie van archieven: een kwestie van waarderen
   - Culturele vertegenwoordiging in Frankrijk
   - Stelsel van openbare bibliotheekvoorzieningen
   - Tropenmuseum (samen met Amsterdamse Kunstraad)
   - Beschermingsprogramma monumenten periode 1959 – 1965
   - Erfgoedwet
   - Beschermingsprogramma archeologie
12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>2012
- Restitutiebeleid
- Goed opdrachtgeverschap - vragen naar de onbekende weg
- Voor media en cultuur - samenvoeging Mediafonds en Stimuleringsfonds voor de Pers
- Wijziging Archiefbesluit
- Europees Erfgoedlabel
- Cultuureducatie: Leren, creëren, inspireren!
- Mediafonds - budget bijzondere culturele mediaproducties
- Digitale vervanging
- Culturele vorming in het middelbaar onderwijs
- Voordracht Europees Erfgoedlabel
- Slagen in Cultuur – culturele basisinfrastructuur 2013-2016
2011
- Noodgedwongen keuzen: advies bezuiniging cultuur 2013-2016
- Herziening Archiefwet
- Slagen in waardering en selectie
- Culturele Europese Hoofdstad 2018
- Wijziging van de Wet Specifiek Cultuurbeleid
- Meerjarenbegroting Nederlandse Publieke Omroep
- Evaluatie wetgeving archeologische monumentenzorg
- Leidraad afstoten museale objecten
2010
- Culturele vertegenwoordiging in het buitenland
- Concessiebeleidsplan Nederlandse Publieke Omroep
- Archievenbestel
- Talentontwikkeling in culturele sector
- Netwerken van betekenis
- Toekomstverkenning publieke omroep
- Evaluatie subsidiesystematiek
- Orkestenbestel
      Naast beleidsadviezen brengt de Raad voor Cultuur ook subsidieadviezen,
      uitvoeringsadviezen en verkenningen uit. Deze publicaties zijn te downloaden
      op www.cultuur.nl
                                                                                    113
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>   Colofon
   Uitgave
   Sociaal-Economische Raad
   Bezuidenhoutseweg 60
   Postbus 90405
   2509 LK Den Haag
   T 070 3499 525
   E communicatie@ser.nl
   www.ser.nl
   Raad voor Cultuur
   Prins Willem Alexanderhof 20
   2595 BE Den Haag
   T 070 3106 686
   E info@cultuur.nl
   www.cultuur.nl
   Tekst
   Commissie Vervolg Arbeidsmarktverkenning Culturele Sector
   Fotografie
   Omslag en binnenwerk (p. 19, 28, 57, 77, 89): Aad Hoogendoorn
   Binnenwerk (p. 10): Dirk Hol
   Vormgeving en druk
   2D3D, Den Haag (basisontwerp); Huisdrukkerij SER
   © 2017, Sociaal-Economische Raad en Raad voor Cultuur
   Alle rechten voorbehouden
   Overname van teksten is toegestaan onder bronvermelding.
   ISBN: 978-94-6134-100-6
14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>SOCIAAL-ECONOMISCHE RAAD         RAAD VOOR CULTUUR
Bezuidenhoutseweg 60             Prins Willem Alexanderhof 20
Postbus 90405                    2595 BE Den Haag
2509 LK Den Haag
T 070 3499 525                   T 070 3106 686
E communicatie@ser.nl            E info@cultuur.nl
www.ser.nl                       www.cultuur.nl
© 2017, Sociaal-Economische Raad
en Raad voor Cultuur
ISBN 978-94-6134-100-6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>