<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>   Sectoradvies Dans
    l l  e     s
  A eegt
b e w
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>   Voorwoord                              3
   Inleiding		                            5
   Hoofdaanbevelingen                     9
1. Dans en de overheid		                 10
   De huidige rol van de overheid        10
   De gewenste rol van de overheid		     16
2. Het werkveld van de dansprofessional  21
   De podiumkunstsector                  21
   Het entertainmentcircuit              23
   Andere domeinen                       24
   Kunstvakonderwijs                     25
3. Bewegingen in de danskunst 		         30
   Artistieke ontwikkelingen		           30
   Maatschappelijke worteling            34
   Internationalisering		                37
   Arbeidsmarkt                          39
4. De populariteit van dans in Nederland 43
   Heel Holland Danst                    43
   Dansen is gezond                      46
   Dans in het onderwijs		               47
   Heel Holland Kijkt?                   49
5. Aanbevelingen                         54
   Cultuurpolitieke doelen               54
   Pluriformiteit, toegankelijkheid en
   zichtbaarheid van het aanbod          56
   Dansaanbod op maat in het hele land   60
   Bruggen naar andere domeinen          64
   Professionalisering                   66
   Tot slot                              67
   Bijlagen		                            69
   Adviesaanvraag                        70
   Literatuur                            81
   Colofon                               84
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>          Toekomst Cultuurbeleid / Voorwoord
          Voorwoord
“Tanzt, tanzt, tanzt,
sonst sind wir verloren.”
– Pina Bausch
Dit advies over dans is een van de tien sectoradviezen die de Raad voor Cultuur
tussen najaar 2017 en zomer 2018 uitbrengt. Het doel van deze adviezen is trends en
ontwikkelingen binnen disciplines te beschrijven, knelpunten en kansen te duiden
en beleidsopties voor de korte en lange termijn te verkennen. De sectoradviezen
gelden samen met de verkenning ‘Cultuur voor stad, land en regio’ als bouwstenen
voor een discussie over de herziening van het cultuurbestel. [ 1 ]
In dat licht heeft voormalig minister Bussemaker ons gevraagd uitspraken te doen
over de artistieke, maatschappelijke en economische stand van zaken in de
Nederlandse danswereld, zowel binnen als buiten het gesubsidieerde veld (zie ook
de ‘Adviesaanvraag’).
De afgelopen periode heeft de raad zich aan de hand van gesprekken met dansers,
choreografen, programmeurs, ballet- en dansgezelschappen, podia, festivals,
productiehuizen, fondsen, opleidingen, belangenverenigingen en koepels uit de
danssector een beeld gevormd van de stand van zaken en de kansen en knelpunten
waarmee de sector zich op dit moment geconfronteerd ziet. [ 2 ] Ons advies is tot
stand gekomen op basis van die gesprekken en van een groot aantal rapporten en
beschikbare data over de danssector, zoals de speellijstenapplicaties van het
ministerie van OCW en het Fonds Podiumkunsten.
Onlangs publiceerde de raad twee adviezen over de theater- en muzieksector,
respectievelijk ‘Over grenzen’ en ‘De balans, de behoefte’. [ 3 ] Veel daarin besproken
thema’s gelden in gelijke mate voor de danssector, eveneens een podiumkunst. Denk
aan de matige arbeidsomstandigheden, de vaak moeizame afstemming tussen de
belangen van de producent versus de belangen van het podium (vraag-aanbod), het
gebrek aan aandacht voor culturele en sociale diversiteit binnen organisaties en
programma’s, of de noodzaak om meer aandacht te besteden aan essentiële, maar
vaak naar het tweede plan geschoven zaken als educatie, talentontwikkeling,
archivering en ontsluiting, reflectie en debat.
Maar ook: de tendens dat vooral jonge kunstenaars steeds vaker interdisciplinair
werken, zich minder aan hokjes gelegen laten liggen, en niet op voorhand bepalen
wat ze willen maken maar dat gaandeweg uitvinden. Het proces van kunst maken, in
nauwe samenwerking met collega-kunstenaars en steeds vaker ook met speellocaties
en met publiek, staat voorop en lijkt voor de kunstenaar soms belangrijker te
worden dan het eindproduct: de voorstelling, het concert of de presentatie.
                                                                                        3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Dit vraagt ook om een andere benadering vanuit subsidiërende en
voorwaardenscheppende overheden. In het verlengde hiervan valt ook op dat nieuwe
genres, die vaak uit deze nieuwe vormen van werken ontstaan, lastig toegang krijgen
tot het gesubsidieerde bestel, omdat zij vaak niet passen in de traditionele manieren
van kunst beoordelen en waarderen.
Tenzij anders vermeld, sluiten we ons in dit advies aan bij onze aanbevelingen in
bovengenoemde sectoradviezen. We gaan in op de belangrijkste dilemma’s waar de
dans op dit moment voor staat; dilemma’s die ze naar ons idee met slim
(overheids)beleid, collectieve inspanning en duurzame aandacht de komende
beleidsperioden deels kan oplossen. Niet voor niets gaven we dit advies de titel ‘Alles
beweegt’. De maatschappij, de dans, de kunst zijn in beweging – en waar beweging
is, gloort een nieuw perspectief.
We hebben dit advies tot stand gebracht in samenwerking met een commissie die
een mooie afspiegeling vormde van de Nederlandse danssector. Deze bestond uit
Thomas Nijhuis (voorzitter), John Agesilas, Stef Avezaat, Samora Bergtop,
Guy Corneille, Eve Hopkins, Stella van Leeuwen en Erik Pals. Namens de raad was
Cees Langeveld betrokken bij de totstandkoming van het advies. Bij de start van het
proces zat Gemma Jelier de commissie voor; vanwege nieuwe werkzaamheden
moest zij zich terugtrekken.
Wij bedanken hen allen zeer voor hun professionele en bevlogen inbreng en voor
hun bereidheid keer op keer een aantal prangende onderwerpen opnieuw te
overdenken en te bediscussiëren. Het laatste woord over veel opgeworpen thema’s is
nog niet gesproken. We hopen de komende periode intensief met de commissieleden
en de sector in gesprek te blijven over wat er nu nodig is om de juiste vervolgstappen
te zetten.
Marijke van Hees, voorzitter
Jeroen Bartelse, directeur
  1
‘Cultuur voor stad,
land en regio’
Raad voor Cultuur, 2017
  2
Een lijst van gesprekspartners is opgenomen in de bijlagen.
  3
‘Over grenzen’
Raad voor Cultuur, 2018;
‘De balans, de behoefte’
Raad voor Cultuur, 2017
                                                                                        4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Voorwoord / Inleiding
          Inleiding
Iedereen danst. Peuters dansen, kinderen dansen, jongeren dansen, volwassenen
dansen, ouderen dansen. En ook veel mensen kijken naar dans. Voor sommige
ouders horen bezoeken aan danspodia bij de opvoeding; zij nemen hun kinderen
mee naar ballet of naar dansvoorstellingen speciaal voor de jeugd. Andere kinderen
maken kennis met hiphop en streetdance via YouTube, Instagram, het schoolplein of
televisie. Online en op tv groeide het laatste decennium de belangstelling voor dans
sterk, met wedstrijden als ‘So You Think You Can Dance’, ‘The Ultimate Dance
Battle’, ‘Everybody Dance Now’, ‘Dance Dance Dance’ en ga zo maar door. Mensen
die misschien nooit naar dansvoorstellingen gaan, dansen op dansscholen, in clubs,
op bruiloften, in sportscholen, op festivals.
‘Een vitale levenskracht’, noemen dansliefhebbers en -makers dans wel. Het aantal
volwassenen dat in de vrije tijd geregeld danst in een dansschool of sportclub ligt
volgens verschillende onderzoeken rond de 9 procent, en bedraagt zelfs 50 procent
als we de Nederlanders die dansen op feestjes en in uitgaansgelegenheden
ook meetellen. [ 1 ] Dansverenigingen, dansscholen en dansworkshops in Nederland
zijn talrijk en kennen hoge deelnamecijfers. Voor ieder is er wel een dansstijl: van
stijldans tot breakdance, van volksdans tot salsa, van ballet tot rollerskate-dans.
Steeds vaker dringt dans ook door tot het domein van de zorg, waar dansdocenten
en -therapeuten dansen met ouderen, mensen met Alzheimer of Parkinson, mensen
met een fysieke of mentale beperking of mensen met traumatische ervaringen.
Uit uiteenlopend onderzoek blijkt dat dansen en naar dans kijken een goed gevoel
geeft. In 2016 onderzochten Bryson en MacKerron hoeveel voldoening mensen
haalden uit hun dagelijkse activiteiten. Zij constateerden dat mensen bijna het
grootste geluk rapporteerden tijdens een bezoek aan theater, dans of concerten. Hun
geluksgevoel steeg daardoor met 9,29 procent ten opzichte van hun normale
geluksniveau; alleen de gerapporteerde stijging tijdens intimiteit en het bedrijven
van de liefde was groter. Zelf zingen en optreden scoorden ook hoog; die verbeterden
het geluksgevoel met 6,95 procent. [ 2 ] Over het verbindende, plezierige en soms zelfs
helende karakter van dans lijken, kortom, geen misverstanden te bestaan.
De grote populariteit van dans in de samenleving zorgt voor een aardige
werkgelegenheid voor dansers, choreografen en dansdocenten in de vrijetijds- en
entertainmentindustrie, de amateurdans en de zorg. Deze professionals en
semiprofessionals verzorgen dansshows in evenementenparken, in clubs, in de
horeca of op beurzen. Ze werken als choreograaf, docent, jurylid of begeleider mee
aan bovengenoemde dansshows op televisie. Ze begeleiden amateurs bij het maken
van voorstellingen. Ze geven danslessen of -workshops op dansscholen,
sportscholen, wijkcentra, zorgcentra of in het onderwijs, of ze zetten zich in
als danstherapeut.
                                                                                        5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Tegelijk hebben we in Nederland een actieve danskunstsector, die voorstellingen
maakt voor theaters, festivals en andere locaties. [ 3 ] Vergeleken met de theater- en
muzieksector is de danskunstsector klein van omvang, maar daarbinnen tekent zich
een grote rijkdom af aan vormen en stijlen. Er wordt een gevarieerd palet aan dans
gecreëerd, van complexe balletten tot filosofisch fysiek onderzoek, van opzwepende
urban shows tot verhalende voorstellingen over herkenbare onderwerpen, voor
volwassenen en voor jeugd. Opleidingen en gezelschappen hebben een hoog niveau;
nieuwe genres, ontwikkelingen en makers veroveren langzaamaan het veld; en er
ontstaat een dansstijl die elementen put uit hedendaagse dans en urban dans –
urban contemporary dance – die typisch Nederlands genoemd mag worden. We
hebben zelfs voorzichtig overwogen hiervoor de term ‘Dutch Dance’ te introduceren,
maar laten het aan de sector over deze term al dan niet te adopteren.
De kleine schaal van de podiumdans heeft als voordeel dat op een festival als de
Nederlandse Dansdagen bijna de hele sector elkaar weet te vinden om elkaars werk
te zien en met elkaar in gesprek te gaan. Tegelijk heeft de sector soms de neiging zich
bescheiden op te stellen of alleen de eigen belangen te behartigen; wij roepen hem
op meer in gezamenlijkheid op te treden jegens overheden, presentatieplekken en
publiek om zodoende meer slagkracht te genereren en de dans als geheel steviger op
de kaart te zetten.
Enerzijds een hoge participatiegraad dus, wat erop wijst dat Nederlanders veel
plezier beleven aan dans, en anderzijds een zeer hoog niveau en een voortdurende
stroom aan nieuwe ontwikkelingen in de kleine artistieke danssector; twee
belangrijke karakteristieken van de dans in Nederland die steun vanuit het Rijk en
andere overheden legitimeren.
Maar daarmee is niet het hele verhaal van de Nederlandse dans verteld. De liefde
voor dans van de Nederlandse bevolking zien we, vreemd genoeg, relatief weinig
vertaald in bezoek aan dansvoorstellingen op podia en festivals of op locatie. In
steden waar de grote dansgezelschappen zijn gevestigd (Amsterdam, Rotterdam,
Den Haag en Arnhem) en in enkele andere grote steden, zoals Utrecht, is er een
aardige toeloop voor dans. Maar in minder dichtbevolkte gebieden is het lastig
voldoende publiek voor dans op de been te brengen. En bij het uitblijven van dit
publiek zijn veel zalen voorzichtig met het programmeren van dans.
Hier is sprake van een kip-of-ei-dilemma. Is er te weinig dans te zien, en vindt het
publiek daarom niet zijn weg ernaartoe? Of komt het publiek te weinig af op dans, en
programmeren theaters het daarom minder vaak? Hoe het ook zij: de zaalbezetting
voor dans is vaak laag, vooral buiten de grote steden en dan vooral in de kleine zaal.
Publiek dat desgevraagd aangeeft geïnteresseerd te zijn in dans, koopt in de praktijk
maar zelden een kaartje voor een dansvoorstelling. Uit onderzoek van het SCP bleek
in 2013 dat 45 procent van de bevolking ‘een beetje’ tot ‘zeer’ geïnteresseerd is in
dans, en dat ongeveer een kwart van de bevolking weleens naar dans kijkt op tv
of dvd. [ 4 ] Echter, slechts 9 procent van de bevolking had in het jaar voorafgaand aan
het onderzoek een dansvoorstelling bezocht; dat is dus maar 20 procent van
de geïnteresseerden. [ 5 ] Daar ligt een enorm potentieel voor de danssector, dat tot op
heden echter niet wordt benut.
                                                                                         6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Het mag duidelijk zijn waar de uitdaging schuilt voor de komende jaren: hoe
enthousiasmeren we de grote geïnteresseerde groep potentiële bezoekers die
wegblijft – 36 procent van de bevolking, ofwel 6,2 miljoen Nederlanders – voor een
bezoek aan dans? [ 6] Of hoe enthousiasmeren we, om de toekomst niet al te
rooskleurig voor te stellen, in elk geval een gedeelte van deze groep
geïnteresseerden? Of, om de indruk te voorkomen dat we onszelf in dit advies louter
een marketingvraag hebben gesteld: hoe dichten we de kloof tussen de professionele
dans en dansminnend Nederland? Welke aanpassingen zijn nodig in beleid,
onderwijs, productie, programmering, marketing en publieksbenadering? En wie is
bij het initiëren van de nodige aanpassingen aan zet?
In dit sectoradvies wijzen we enkele factoren aan die volgens ons bovenstaande
mismatch helpen verklaren. De geringe toeloop voor dans blijkt dan niet alleen de
sector zelf aan te rekenen. Het delicate samenspel tussen gemeentelijke overheden,
theaters, dansgezelschappen, opleidingen, de amateursector en andere
maatschappelijke domeinen vraagt om meer aandacht en visie in de komende
beleidsperioden: een betere afstemming tussen aanbod en afname, en een intensieve
dialoog over en vooral ook mét het publiek, bij voorkeur (ook) op de schaal van de
stedelijke cultuurregio. Omdat het Rijk en andere overheden voor de dans een
belangrijke financiële partner zijn, nodigen wij hen uit hun beleid ten aanzien van
dans de komende perioden grotere prioriteit te geven. Alleen dan kan de
gesignaleerde potentie van de danssector beter worden benut.
Opbouw van dit advies
Dit sectoradvies is als volgt opgebouwd: in ‘Dans en de overheid’ zetten we kort
uiteen welke rol de overheid op dit moment speelt voor de dans in Nederland en aan
welke doelstellingen volgens de raad het cultuurbeleid ten aanzien van dans zou
moeten en kunnen voldoen.
In ‘Het werkveld van de dansprofessional’ schetsen we het veelzijdige werkveld van
de dansprofessional. Hem of haar zien we aan het werk in de podiumkunsten, maar
ook in het entertainmentcircuit, in de amateur- en vrijetijdssector en in andere
domeinen, zoals de sport-, de zorg of de onderwijssector. We brengen hier ook kort
de diverse dansopleidingen in beeld waar deze dansprofessionals worden opgeleid.
De hoofdstukken ‘Bewegingen in de danskunst’ en ‘De populariteit van dans in
Nederland’ belichten de dans in Nederland vanuit twee verschillende perspectieven.
Eerst delen we onze observaties ten aanzien van de artistieke dans op dit moment en
laten we zien waar professionele danskunstenaars zoal mee bezig zijn, en hoe de
kunstvorm daarmee in ontwikkeling is. Daarna bekijken we de dans vanuit haar
maatschappelijke rol en laten we dans zien als vrijetijdsbesteding, sport, schoolvak
of avond uit voor heel veel Nederlanders.
Nadat we hiermee de brede context van de dans in Nederland hebben geschetst,
buigen we ons in de ‘Aanbevelingen’ over de vraag: hoe zorgen we nu dat de
artistieke danssector de populariteit van dans in de maatschappij beter kan benutten
en omgekeerd, dat de talloze dansliefhebbers in Nederland beter de weg weten te
vinden naar het artistieke dansaanbod? Ons antwoord presenteren we in de vorm
van een reeks samenhangende aanbevelingen aan de minister, andere overheden, de
danssector zelf en enkele andere betrokken partijen.
                                                                                     7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  1
Dansen, een gezonde vorm van bewegen!
SCP en TNO, 2006;
Kunstzinnig en creatief in de vrije tijd.
LKCA, 2017;
Sport en Cultuur.
SCP, 2016
  2
Are you happy while you work?
Bryson, A., MacKerron, G.
2016
  3
Om het podiumkunstcircuit van ballet, hedendaagse/moderne dans en
urban dance – waarop subsidiërende overheden zich voornamelijk
richten – te onderscheiden van het circuit van populaire dansshows,
gebruiken we in dit advies voor het eerste circuit de termen
‘danskunst’ of ‘artistieke dans’. Dit betreft geen waardeoordeel over
andere vormen van dans op of buiten het podium.
  4
Dansconsumptie via internet werd niet meegenomen in dit onderzoek.
Kunstminnend Nederland?
SCP, 2013.
  5
Kunstminnend Nederland?
SCP, 2013.
  6
Gebaseerd op een Nederlandse bevolking van 17,2 miljoen mensen in
2018.
Bevolkingsteller CBS
                                                                      8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>        Toekomst Cultuurbeleid / Voorwoord / Hoofdaanbevelingen
        Hoofdaanbevelingen
Elk hoofdstuk in dit advies eindigt met enkele aanbevelingen aan overheden,
fondsen en de sector. In het ‘slothoofdstuk’ werken we de volgende zes
hoofdaanbevelingen uit, opgesplitst in vier gesignaleerde behoeftes:
    Pluriformiteit, toegankelijkheid en zichtbaarheid van het aanbod
   1.  Om de landelijke spreiding van hedendaagse en klassieke grootschalige
       dansproducties van hoge kwaliteit te bevorderen, bevelen wij twee zaken aan:
       een beter spreidingsbeleid voor de BIS-gezelschappen en een uitnodiging aan
       vrije producenten om hedendaagse en klassieke choreografieën te
       produceren.
   2.  Om een veelzijdiger, diverser en pluriformer dansaanbod te ontwikkelen, zijn
       inspanningen nodig van dansgezelschappen en productiehuizen en van
       landelijke, regionale en lokale overheden.
    Dansaanbod op maat in het hele land
   3.  Er moet aanbod op maat worden gecreëerd in de verschillende stedelijke
       cultuurregio’s, waarbij makers zich laten inspireren door de cultuur in de
       regio en hun werk kunnen afstemmen op de beschikbare zaal/locatie.
   4.  Elke stad of stedelijke cultuurregio heeft een continu, consequent en
       samenhangend dansprogramma nodig, waarin toegankelijke, aansprekende
       dans naast experimenteler of onbekender dans wordt geprogrammeerd;
       grootschalig naast kleinschalig; beginnend naast gevestigd talent, waarin
       dansmakers elkaar kunnen versterken en waarbij bezoekers de kans wordt
       geboden te ‘groeien’ als danskijker.
    Bruggen naar andere domeinen
   5.  Om het draagvlak voor dans de komende jaren te vergroten, moet de
       danssector zijn verbintenissen met andere culturele en maatschappelijke
       domeinen, zoals de entertainmentsector, de vrijetijds- en amateurdanssector,
       het basis- en voortgezet onderwijs, de zorgsector en de sport, de komende
       jaren verder uitbouwen en verstevigen.
    Professionalisering
   6.  Om bovenstaande aanbevelingen op het gebied van zichtbaarheid,
       toegankelijkheid, pluriformiteit, publieksbinding en maatschappelijke
       inbedding te realiseren, is een belangrijke voorwaarde dat dansgezelschappen
       werkenden in de danssector in staat stellen zich professioneel te ontwikkelen,
       in gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.
                                                                                      9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Dans / Dans en de overheid / 1. Dans en de overheid
         1. Dans en de overheid
De relatie van de danssector met de overheid is complex. Enerzijds besteden de
landelijke overheid en gemeentelijke en provinciale overheden in absolute zin weinig
middelen aan dans, omdat de danssector in vergelijking tot andere
(podium)kunstsectoren klein van omvang is. Dit brengt ook met zich mee dat dans
bij overheden niet altijd even scherp op het netvlies staat; inspanningen om het
podiumkunstklimaat te verbeteren richten zich al snel op theater of muziek, die
immers veel groter en zichtbaarder zijn.
Anderzijds gaat er verhoudingsgewijs juist véél overheidsgeld om in de dans, als we
ons realiseren dat er een veel kleiner ongesubsidieerd of vrij circuit is dan bij
bijvoorbeeld theater of muziektheater. Het grootste deel van de artistieke
dansproductie ontstaat in het gesubsidieerde circuit. Dat betekent dat
overheidsbeslissingen op het gebied van dans nog meer dan in andere sectoren
medebepalend zijn voor de productie en afname in de gehele artistieke danssector,
en dat die gebaat is bij goede afspraken en een scherpe inhoudelijke dialoog over
relevante ontwikkelingen met (co)financierende overheden.
We bespreken kort de huidige rol van de overheid ten aanzien van dans, en zetten de
cultuurpolitieke doelen uiteen waaraan een goed dansbeleid volgens ons zou
moeten bijdragen.
De huidige rol van de overheid
Bezien we de Nederlandse dans in haar totaliteit, dan speelt de overheid daarin een
bescheiden rol. Dansproductie en -presentatie in de entertainmentindustrie komen
doorgaans ongesubsidieerd tot stand en hetzelfde geldt voor dansproducties op
televisie en danslessen op particuliere dansscholen en sportscholen. Gemeentelijke
overheden en in iets mindere mate ook de landelijke overheid nemen enige
verantwoordelijkheid voor het faciliteren van danseducatie en amateurdans, het
verlenen van vergunningen of subsidies voor publieksevenementen rond dans en
voor het vormgeven van het kunstvakonderwijs.
Bekijken we de artistieke dansproductie en -vertoning, dan zien we iets anders. Dit
segment van de professionele danssector is klein, maar de overheid speelt er naar
verhouding juist een grote rol in. De productie van dans is allereerst duur.
Repetitieperiodes zijn lang en het vak vraagt om een continue training van dansers.
Grote voorstellingen hebben vaak grote casts en de technische eisen aan vloer,
belichting en decor zijn hoog. De subsidie per bezoeker bij het Fonds
Podiumkunsten is voor dans met 41 euro dan ook het hoogst van alle
podiumkunsten. [ 1 ] In de Culturele Basisinfrastructuur (BIS) zien we iets
soortgelijks; hier worden vier dansgezelschappen gesubsidieerd voor in totaal
17,92 miljoen euro, tegenover negen theaterinstellingen die samen in totaal
17,35 miljoen euro ontvangen.
                                                                                      10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Daarbij kent dans, anders dan theater, muziektheater en muziek, nagenoeg geen
vrije producenten die balletten of moderne dansvoorstellingen maken voor zalen en
festivals. Bij de Vereniging van Vrije Theater Producenten (VVTP) zijn alleen
(muziek)theater- en muziekproducenten aangesloten. [ 2 ] Zonder subsidie óf de
investering van een vrije producent is het niet mogelijk een dansvoorstelling uit te
brengen; de baten uit kaartverkoop, garantie- en uitkoopsommen betalen de lasten
voor honoraria, vormgeving en marketing nagenoeg niet terug. Dit betekent dat
bijna alle artistieke dansproducties met behulp van landelijke of regionale
overheden tot stand komen, en dus dat de gezamenlijke overheden méér dan in de
overige podiumkunsten voor een groot deel medebepalen welk dansaanbod het
publiek in de theaters te zien krijgt. Dit maakt de sector in hoge mate kwetsbaar voor
overheidsbezuinigingen, en dit maakt ook dat gewijzigd beleid ten aanzien van dans
heel direct de danssector beïnvloedt. Dat kan in negatieve zin zijn, maar
ook in positieve.
Culturele Basisinfrastructuur
Op dit moment maken vier gezelschappen deel uit van de BIS: het Nederlands Dans
Theater (NDT), Het Nationale Ballet (HNB), Scapino Ballet Rotterdam en Introdans
(dat ook een jeugddansopdracht heeft). Zij hebben de opdracht grootschalig,
onderscheidend dansaanbod te maken voor een groot landelijk publiek. Ook festival
de Nederlandse Dansdagen is opgenomen in de BIS, net als het Holland Festival en
Oerol, die verschillende podiumkunsten programmeren en (co)produceren,
waaronder dans. Van de drie productiehuizen in de BIS legt er één zich (onder
andere) toe op dans: De Nieuwe Oost in Arnhem.
    Aandachtspunt
    Opvallend in de BIS zijn de uiteenlopende bedragen die zijn vastgesteld voor de
    verschillende dansinstellingen: van 1,65 miljoen euro (Introdans) tot
    6,95 miljoen euro (HNB). Deze bedragen zijn historisch gegroeid en zijn niet
    (meer) gerelateerd aan de taken, de prestaties en het eigen profiel van de vier
    gezelschappen. Bovendien knellen voor alle gezelschappen de kaders, onder
    andere door de stijgende kosten voor tournees, de verhoogde aandacht voor goed
    werkgeverschap en de aangescherpte taken op het gebied van talentontwikkeling
    en educatie. Het gebrek aan flexibiliteit en maatwerk bij de toekenning van de
    bedragen staat gewenste ontwikkelingen op artistiek, maatschappelijk en
    economisch vlak volgens onze analyse in de weg. Zo heeft de raad de vier
    gezelschappen al geregeld gevraagd hun nationale reisbeleid op elkaar af te
    stemmen, maar zonder de mogelijkheid tot een aanpassing van hun (reis)budget
    hebben de gezelschappen te weinig ruimte om daadwerkelijk voor een andere
    werkwijze te kiezen. De raad adviseert, aansluitend bij het sectoradvies over
    theater, meer maatwerk toe te passen bij de toekenning van subsidiebedragen
    aan gezelschappen.
                                                                                       11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Fonds Podiumkunsten
De dynamiek in de danssector wordt vooral mogelijk gemaakt door de
subsidieregelingen van het Fonds Podiumkunsten (FPK). De ondersteunde dans
betreft een mix van interdisciplinaire dans, cross-overs, hedendaagse dans,
performatieve dans, jeugddans en urban dance. Belangrijke kernwaarden in de
ondersteuningsvormen van het FPK zijn dynamiek en doorstroming, waarmee het
fonds artistieke innovatie in de sector stimuleert.
Een van de regelingen van het FPK is de meerjarige activiteitenregeling, bedoeld om
producerende instellingen en festivals met een eigen artistieke signatuur te
ondersteunen. In dit kader ontvangen achttien dansorganisaties in de periode
2017 – 2020 meerjarige subsidie. [ 3 ] Hieronder zijn acht jeugd– en
jongerendansgezelschappen. Ook het dansproductiehuis Korzo in Den Haag is in
deze regeling opgenomen.
Het FPK ondersteunt in het kader van zijn meerjarige regeling ook veertien festivals
die (onder andere) dans produceren of programmeren. In de periode 2017 – 2020
gaat het om zes dansfestivals die zich specialiseren in dans: Flamenco Biënnale, het
Holland Dance Festival, Julidans, Schrit_tmacher, SPRING en
Summer Dance Forever. Daarnaast ondersteunt het FPK acht festivals die dans laten
zien naast andere podiumkunstvormen. Ook verstrekt het FPK diverse
programmeringssubsidies voor festivals en podia, waardoor zij zich iets meer
artistieke risico’s kunnen veroorloven bij het tonen van podiumkunsten. Zoals we al
lieten zien in de sectoradviezen over theater en muziek, werpen deze regelingen
hun vruchten af.
Het FPK verstrekt verder projectsubsidies aan makers en gezelschappen, speciale
subsidies voor talentontwikkeling van nieuwe makers en afnamesubsidies voor
podia, waarmee zij risicovoller kunnen programmeren. In de periode 2013 – 2016
kregen zestien nieuwe dansmakers een subsidie nieuwe makers toegekend; het ging
om negen moderne-dansmakers, zes urban dansmakers en een jeugddansmaker.
    Aandachtspunten
    De voornaamste knelpunten rond de meerjarige subsidiesystematiek van het
    FPK brachten we reeds in beeld in onze recente adviezen over de muziek- en
    theatersector. Het probleem dat de meerjarige regeling vooral op productie en
    speelbeurten is gericht en gezelschappen weinig middelen biedt voor educatie,
    participatie, maatschappelijke inbedding, onderzoek en andere wezenlijke
    aspecten van de kunstpraktijk geldt evengoed voor de dans. Ook hier adviseren
    we meer maatwerk en minder productiedwang.
    We vragen ook aandacht voor de positie van de jeugddans bij het FPK. Anders
    dan in het theater zijn er geen Nederlandse jeugddansgezelschappen opgenomen
    in de BIS, met uitzondering van Introdans. Bij het FPK worden de
    jeugddansgezelschappen hetzelfde behandeld als de gezelschappen voor
    volwassenendans. Naar ons inzicht dient jeugddans (evenals jeugdmuziek en
    jeugd-muziektheater) explicieter te worden verankerd in beleid, hetzij door
    rechtstreekse subsidiëring door OCW, hetzij door het FPK een expliciete taak te
    geven voor het ondersteunen van jeugddans en hiervoor mogelijk een vast
    budget te oormerken.
                                                                                     12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>     In haar visiebrief ‘Cultuur in een open samenleving’ kondigt minister
     Van Engelshoven aan extra middelen vrij te maken voor jeugdtheater en roept ze
     fondsen op om bij hun toekomstige programma’s voor vernieuwing en
     talentontwikkeling ook aanbod voor de jeugd te stimuleren. [ 4 ] De raad pleit
     ervoor dit budget ook ten goede te laten komen aan de jeugddans. We adviseren
     het door ons voorgestelde productiehuis voor jeugdtheater open te stellen voor
     alle jeugdpodiumkunsten. [ 5 ]
Landelijke spreiding van dansgezelschappen,
meerjarig gesubsidieerd door OCW en FPK
(in aantallen)
bron: speellijstapplicaties OCW en FPK
                                                                                    13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Volwassenendans
Verdeling meerjarig rijksbudget over het land (standplaatsen)
(x 10.000 euro)
Jeugd- en jongerendans
Verdeling meerjarig rijksbudget over het land (standplaatsen)
(x 10.000 euro)
● Dit betreft alleen het dansaandeel; Maas krijgt voor zijn theateractiviteiten subsidie
in het kader van de BIS; ook Introdans maakt jeugddans; zie hierboven voor
het totale subsidiebedrag ‘Volwassenendans’.
bron: speellijstapplicaties OCW en FPK
                                                                                         14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Fonds voor Cultuurparticipatie
Het Fonds voor Cultuurparticipatie (FCP) ondersteunt onder andere dansfestivals
en -initiatieven voor kinderen, jongeren en amateurs, zowel op projectbasis als
meerjarig. Hier krijgen ook initiatieven op het gebied van hiphop en urban arts soms
ondersteuning. Recentelijk gaf het FCP bijvoorbeeld subsidie aan een
buikdansfestival, het programma ‘Samenleving in Beweging’ van Holland Dance, het
urban festival The Notorious IBE, de breakdancewedstrijd Spin Off en urban
activiteiten van Solid Ground, DOX en Don’t Hit Mama.
Omdat urban dance zich het afgelopen decennium sterk heeft geprofessionaliseerd,
en omdat veel gemeenteloketten en fondsen professionele urban dansmakers nog
altijd doorverwijzen naar het FCP (of andere regelingen voor amateurdans of
dansparticipatie), heeft het zich de laatste jaren ontpopt tot deskundig fonds op het
gebied van urban dance, met ook aandacht voor professionele initiatieven op dit
terrein. De urban sector is hier zeer bij gebaat en we juichen deze deskundigheid toe.
Tegelijk wijzen we ook andere fondsen en overheden op de verantwoordelijkheid om
in hun beleid aandacht te besteden aan urban dance.
Gemeenten
Het dansbeleid van provincies en gemeenten in Nederland laat zich lastig in kaart
brengen, maar een inventarisatie in de negen grote cultuursteden leert dat
gemeenten bescheiden bijdragen aan dansproducenten, -festivals en -
productiehuizen en in het algemeen een beperkt beleid formuleren ten aanzien van
dans. Uitzonderingen vormen de steden Amsterdam en Den Haag.
In Amsterdam ontvangen zeventien dansinstellingen meerjarige subsidie. Deze
gemeente kijkt in het bijzonder naar talentontwikkeling en het belang van
instellingen voor de stad, en hecht daarom aan nieuwe vormen en het bereik van
nieuwe publieksgroepen. De stad ondersteunt een mix van grote en kleine
dansproducenten, festivals en een productiehuis en roept de danssector op een
goede, centrale plek voor ontwikkeling, productie en presentatie van de grond te
krijgen, om elke schakel van de keten optimaal tot zijn recht te laten komen.
Den Haag profileert zich expliciet als moderne-dansstad en subsidieert negen
dansinstellingen meerjarig; ook hier zien we een mix van producenten, festivals en
een productiehuis. Deze stad bereidt zich voor op de opening van het nieuwe
Onderwijs- en Cultuurcentrum aan het Spuiplein, waarin het Dans- en
Muziekcentrum Den Haag, het Residentie Orkest, het Nederlands Dans Theater en
het Koninklijk Conservatorium gehuisvest zullen worden. De stad roept de
instellingen in haar beleidsplan 2017 – 2020 op nauw met elkaar samen te werken
op het gebied van programmering, talentontwikkeling, educatie, marketing en
publieksopbouw, en vraagt dit ook aan de gehele Haagse danssector.
Rotterdam ondersteunt weliswaar zeven instellingen maar formuleert geen expliciet
dansbeleid. Maastricht ondersteunt vier instellingen meerjarig; Utrecht, Groningen
en Arnhem ieder drie. Utrecht geeft daarbij aan het ontbreken van een
dansgezelschap voor volwassenen als een omissie te zien maar heeft geen middelen
om dit te ondervangen; de stad heeft dit voor de lopende periode wel op de
gespreksagenda gezet.
                                                                                       15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Eindhoven heeft geen meerjarige subsidies toegekend aan dansinstellingen maar
moedigt enkele talenten aan via eenjarige regelingen. Enschede profileert zich als
muziekstad, en geeft geen meerjarige subsidies aan dansinstellingen.
De meeste gemeentelijk ondersteunde organisaties ontvangen ook subsidie van het
Fonds Podiumkunsten of van OCW.
De gewenste rol van de overheid
De Raad voor Cultuur heeft onlangs vier doelstellingen geformuleerd waaraan in zijn
ogen het cultuurbeleid idealiter zou moeten bijdragen. Deze doelstellingen zijn
overgenomen door minister Van Engelshoven in haar visiebrief ‘Cultuur in een open
samenleving’. [ 6] Hieronder lopen we ze kort langs en laten we zien wat deze
doelstellingen voor het dansklimaat betekenen.
Doelstelling 1
Creatief talent is optimaal in staat zich artistiek te ontplooien.
De raad vindt het ten eerste, vanuit het perspectief van de maker, belangrijk dat
creatief talent in staat is zich optimaal artistiek te ontplooien. Dat maakt het Rijk en
andere overheden er medeverantwoordelijk voor dat Nederland beschikt over de
juiste faciliteiten en begeleidingsmogelijkheden voor elke fase van de culturele
loopbaan, voor elke vorm van creatief talent, waar ook in het land.
Voor de dans betekent dit, dat er behoefte is aan goede dansopleidingen op mbo’s en
hogescholen. Belangrijk is ook dat wordt gestimuleerd dat afgestudeerde dansers
voldoende kansen krijgen om een werkpraktijk op te bouwen in hun vakgebied, door
bijvoorbeeld productiehuizen in diverse genres te ondersteunen. Er is behoefte aan
faciliteiten om zich gedurende de loopbaan verder te ontwikkelen. Aan educatieve
programma’s op scholen voor basis- en voortgezet onderwijs. Aan gevarieerde
danslessen en workshops in elke omgeving. Ook vooropleidingen zijn belangrijk
voor dansers, die immers al flink wat training nodig hebben voordat ze met een
mbo- of hbo-opleiding kunnen starten.
Maar we kunnen hier ook denken aan goede arbeidsomstandigheden: gezonde cao’s,
richtlijnen voor redelijke betalingen en, speciaal in het geval van de dans, goede
begeleidingsmogelijkheden bij blessures, tijdelijke arbeidsongeschiktheid of
carrièrebeëindiging – de gemiddelde danser gaat immers al rond zijn 34e ‘met
pensioen’.
In onze recente sectoradviezen over muziek en theater gaan we uitvoerig in op de
meeste van deze thema’s. We laten bijvoorbeeld zien dat mogelijkheden voor
talentontwikkeling versnipperd zijn en dat er meer coördinatie nodig is vanuit de
gezamenlijke overheden, liefst op het niveau van de stedelijke cultuurregio. We
betogen dat de totstandkoming en naleving van de Fair Practice Code (een initiatief
van de sector zelf) en de Arbeidsmarktagenda van Kunsten ’92 dienen te worden
gestimuleerd, en dat hantering hiervan een subsidievoorwaarde moet worden voor
gezelschappen om de arbeidsmarktpositie van kunstenaars te bevorderen. In dit
advies gaan we met betrekking tot de eerste cultuurpolitieke doelstelling in op vier
zaken die specifiek versterking behoeven in de dans:
                                                                                         16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>– De mbo-dansopleidingen en de positie van de mbo-gekwalificeerde danser.
    De fysieke gezondheid van de danser.
– Het verslechterende financiële perspectief van de Omscholingsregeling.
– De onzekere positie van de onafhankelijke dansmaker.
Doelstelling 2
Iedereen in Nederland heeft toegang tot kunst en cultuur.
Een tweede doelstelling is dat iedereen in Nederland, ongeacht leeftijd, culturele
achtergrond, inkomen of woonplaats, optimaal toegang heeft tot kunst en cultuur.
Dat betekent dat de overheid erop moet toezien dat er voldoende mogelijkheden zijn
voor kinderen en volwassenen om kennis te maken met kunst en cultuur en dat er
een breed, door het land gespreid aanbod is voor iedereen. Belangrijk is ook dat het
gezamenlijke publiek van gesubsidieerd (maar ook niet-gesubsidieerd) aanbod een
afspiegeling vormt van de maatschappij, wat vraagt om een breed aanbod in termen
van genres, stijlen en aanbiedingsvormen. Dus voor de dans: klassiek ballet naast
urban dance. De prettige anonimiteit van de grote zaal naast de kans om dwars door
de dansers heen te lopen op het festivalgras. Professionele moderne dans in een
theater naast een danskijkworkshop voor kinderen in het cultureel centrum of op
school. En experimenteel dansonderzoek voor een publiek van fervente
dansbezoekers naast toegankelijker werk voor mensen die voor het eerst van dans
komen proeven.
Het belang van het aanspreken van een breed, divers publiek in termen van leeftijd,
culturele herkomst, geslacht, opleidingsniveau en woonplaats onderstrepen we al in
onze adviezen over de theater- en muzieksector. We bepleiten daarin onder andere
een striktere naleving van (en toezicht op) de Code Culturele Diversiteit, een ruimer
aanbod aan binnen- en buitenschoolse cultuureducatie en een (gesubsidieerd)
aanbod dat recht doet aan de vele culturele voorkeuren, smaken en achtergronden
van de inwoners van Nederland. In dit advies roepen we op tot verbetering van drie
zaken die pregnant zijn in de dans:
– De kloof tussen het gesubsidieerde dansaanbod en het potentiële publiek.
– De potentiële bijdrage van danseducatie aan culturele en sportieve doelstellingen
    op scholen en in de maatschappij.
– De noodzaak om jeugddans steviger te verankeren in het bestel.
Doelstelling 3
Er is een pluriform aanbod van kunst en cultuur.
Ten derde vinden wij het belangrijk dat de overheid zich bekommert om een
pluriform aanbod van kunst en cultuur, waarin het bestaande wordt gekoesterd en
het nieuwe wordt omarmd. Dit brengt voor de overheid de verantwoordelijkheid met
zich mee om een veelzijdig cultureel aanbod te ondersteunen, met gevestigd én
nieuw aanbod, en om te zorgen voor het bewaren, onderhouden, ontsluiten en
steeds opnieuw betekenis geven aan tradities. Daarvoor is zowel het kunnen blijven
uitvoeren van de canon van belang, als het confronteren van die canon met nieuwe
interpretaties, vormen, genres, stijlen en uitvoeringswijzen.
                                                                                      17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Het is belangrijk – en ook gangbaar – dat grote gezelschappen werken van grote
Nederlandse choreografen als Hans van Manen of Jiří Kylián op hun programma’s
zetten. Maar het is net zo belangrijk dat ze soms hun deuren openen voor
hedendaagse of urban choreografen of samenwerken met kunstenaars uit andere
disciplines (vanzelfsprekend hoeft niet elk gezelschap dat in dezelfde mate te doen,
zolang het totale aanbod maar openstaat voor traditie én nieuwe ontwikkelingen).
Hoewel de overheid niet alles kan ondersteunen, is het belangrijk dat ze topkwaliteit
in diverse genres erkent, koestert en beloont; toonaangevende ontwikkelingen met
lokaal, regionaal, nationaal of internationaal aanzien, die het dansveld vooruit
kunnen brengen door hun voorbeeldfunctie of voortrekkersrol, of die het publiek
voor dans kunnen vergroten en verbreden.
De pluriformiteit van het landelijk gesubsidieerde podiumkunstlandschap laat nog
te wensen over, zoals we in onze adviezen over de theater- en de muzieksector
aantonen. Terwijl nieuwe makers en stromingen aan de deur staan te bonzen,
blijven landelijke subsidieregelingen zich hoofdzakelijk richten op kunstvormen die
van oudsher in aanmerking komen voor overheidssubsidie (in de muzieksector
bijvoorbeeld de symfonische muziekpraktijk en de ensemblecultuur). Hoewel
traditionele vormen blijvend moeten worden gekoesterd, mag hun dominante
positie geen belemmering vormen voor nieuwe ontwikkelingen om het veld in te
stromen. Voor de dans geldt dit onverkort, al moeten we constateren dat hier het
gesubsidieerde aanbod, vooral bij het FPK, al wat diverser en pluriformer is dan in
andere podiumkunstgenres. Wel is het noodzakelijk de pluriformiteit binnen de
dans blijvend te stimuleren. We besteden in dit advies daarom aandacht aan:
– De mbo-dansopleidingen en de positie van de mbo-gekwalificeerde danser.
– Enkele recente artistieke ontwikkelingen die bijdragen aan de pluriformiteit van
    het landschap, zoals de volwassenwording van de urban dance en de versmelting
    van urban met hedendaagse dans, en de opkomst van de ongebonden, veelzijdige
    danskunstenaar.
– De noodzaak om jeugddans steviger te verankeren in het bestel.
Doelstelling 4
De samenleving is een veilige haven voor kunst en cultuur.
De vierde doelstelling waaraan het cultuurbeleid volgens ons moet bijdragen, is dat
de samenleving fungeert als een veilige haven voor kunst en cultuur, waar kritische
reflectie op de maatschappij en haar inwoners kan plaatsvinden, en waar via kunst
elk debat mag worden gevoerd zonder ten prooi te vallen aan beknotting van vrijheid
of censuur. Hier brengen we het oude Thorbecke-principe nog eens in herinnering,
dat inhoudt dat de politiek zich niet moet bemoeien met de inhoud van kunst en
cultuur. Het betekent voor de dans dat de overheid goed zal moeten bekijken wat er
zoal leeft aan vormen en stijlen, zonder te redeneren vanuit een vooringenomen
standpunt over welk dansidioom van grotere waarde is. Het betekent ook dat kunst
en cultuur in de samenleving niet los gezien kunnen worden van andere
maatschappelijke domeinen, omdat de kunst in een voortdurende wisselwerking
met die domeinen reflecteert op actuele en historische ontwikkelingen.
                                                                                      18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Bovenstaande doelstelling vraagt van overheden een open houding ten aanzien van
nieuwe artistieke ontwikkelingen, zoals we ook betogen in onze adviezen over de
muziek- en theatersector. In dit advies plaatsen we de dans in een breder
maatschappelijk perspectief, door aan te wijzen waar de danssector zich volgens ons
nog intensiever of zichtbaarder kan verhouden tot andere maatschappelijke
terreinen: de vrijetijdssector, de sportsector en de gezondheidszorg.
                                                                                    19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>  1
Jaarverslag 2017.
Fonds Podiumkunsten, 2018
  2
De zeventien leden van de VVTP verzorgen naar eigen zeggen 60
procent van het theateraanbod; dit aanbod is er niet voor de dans.
  3
Vier van deze 18 dansinstellingen belandden na beoordeling door het
FPK op de zogenaamde ‘B-lijst’; het FPK beoordeelde hun aanvragen
positief maar het beschikbare budget was (deels) ontoereikend om ze
te honoreren. Een jeugddansgezelschap dat op de zaaglijn belandde
kreeg de subsidie in 2016 alsnog toegekend. Dankzij een eenmalige
impuls van minister Bussemaker werden ook de andere drie
instellingen alsnog voor het jaar 2017 ondersteund; het gaat om twee
jongerendansgroepen en een productiehuis. Op 10 november 2017
maakte minister Van Engelshoven bekend 9 miljoen euro vrij te
maken om de subsidiëring van de gehele B-lijst ook in de periode 2018
– 2020 te kunnen voortzetten. In totaal tien gezelschappen vroegen
meerjarige subsidie aan bij het FPK, maar zagen hun aanvraag
afgewezen.
  4
Cultuur in een open samenleving.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018
  5
Een in onze ogen problematische situatie is ontstaan rond het
Rotterdamse jeugdgezelschap Maas theater en dans. Dit gezelschap is
voor zijn theaterwerk opgenomen in de BIS en voor zijn danswerk in
de meerjarige regeling van het Fonds Podiumkunsten, waardoor het
dubbele verantwoordingen moet afleggen, twee jaarrekeningen moet
opstellen en, in geval van een productie die zowel dans als theater
bevat, op papier met zichzelf moet coproduceren. We adviseren de
minister dit gezelschap in de toekomst volledig op te nemen in een
landelijke subsidieregeling.
  6
Cultuur in een open samenleving.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018
                                                                      20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Dans / Het werkveld van de dansprofessional / 2. Het werkveld
         van de dansprofessional
         2. Het werkveld van de
         dansprofessional
Het veld waarin dansers, choreografen en dansdocenten opereren is breed, veel
breder dan alleen de (gesubsidieerde) artistieke dansproductie voor podia en
festivals. Dansprofessionals zijn actief in de podiumkunsten, in het
entertainmentcircuit, op dans- en sportscholen, op scholen voor voortgezet en
middelbaar onderwijs, in wijkcentra en steeds vaker ook in de zorg. Lange tijd was
het vak van danser voorbehouden aan studenten die toegang hadden tot een van de
hbo-dansvakopleidingen. Met de komst van de mbo-opleidingen tot artiest in 2005
is het aantal scholingsmogelijkheden voor dansers aan Nederlandse mbo’s snel
toegenomen. Hoewel het op zichzelf positief is dat het dansvak hiermee binnen
handbereik is gekomen van een veel grotere, diversere groep geïnteresseerden,
slagen de mbo-afgestudeerde dansers er nog onvoldoende in door te stromen
tot het dansveld.
De podiumkunstsector
Wanneer we het in het kader van cultuurbeleid over ‘de danssector’ hebben, denken
we allereerst aan de dans die in theaters, op festivals of op locatie voor een publiek
wordt uitgevoerd door (meestal) professionele dansers: dans als podiumkunst. Deze
artistieke danssector is klein van omvang, maar sterk van signatuur. Naar schatting
zijn er in Nederland ruim veertig professionele gezelschappen actief, vaak met een
vaste groep dansers. De meeste gezelschappen zijn geformeerd rond een choreograaf
(die dan meestal ook artistiek leider is); de danssector verschilt hierin van de
theatersector, waar een groter aantal gezelschappen geïnstitutionaliseerd is en werkt
met wisselende artistiek leiders en regisseurs. Naast deze dansgezelschappen zijn er
freelance choreografen die werk maken bij productiehuizen en festivals of op
uitnodiging bij grotere gezelschappen; zij wisselen het werken voor Nederlandse en
internationale opdrachtgevers vaak af.
Gezelschappen en productiehuizen
De dansgezelschappen en onafhankelijke makers in Nederland tekenen voor een
breed palet aan dansuitingen, van klassiek en modern ballet tot hedendaagse dans,
urban dance en alle mogelijke mengvormen. Van klassiekers als Tsjaikovski’s
‘Zwanenmeer’ en ‘De Notenkraker’ tot de werken van grote Nederlandse
choreografen als Jiří Kylián of Hans van Manen bij de vier grotere gezelschappen;
van de artistieke onderzoeken van eigentijdse makers als Nicole Beutler, Emio Greco
of David Middendorp tot de crossovers die onafhankelijke artiesten als
Shailesh Bahoran, Ryan Djojokarso of Erik Kaiel creëren tussen moderne dans en
hiphop; van dans voor volwassenen tot dans voor kinderen en jeugd.
                                                                                                21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Er zijn zo’n elf professionele jeugddansgezelschappen – zoals De Stilte en
De Dansers voor kinderen, Danstheater AYA en DOX voor jongeren of Maas en Sally
Dansgezelschap Maastricht, die kinderen- én jongerenvoorstellingen maken.
Het jeugdgezelschap van Introdans maakt op maat gesneden grotezaalvoorstellingen
voor de jeugd. Deze gezelschappen laten jonge toeschouwers – actief en receptief –
kennismaken met de danskunst en laten hen via dans nadenken over vraagstukken
die hen raken, van verliefdheid tot gescheiden ouders of migratie.
Dankzij enkele schouwburgen en een aantal internationale dansfestivals, zoals
Holland Dance, Julidans, Cinedans en het Holland Festival, kunnen we in
Nederland ook kennismaken met internationaal werk (in het geval van
Cinedans dansfilmwerk).
In elk geval zes van de negen grote cultuursteden (G9) kennen een of meer
productiehuizen voor onder andere dans, van De Nieuwe Oost in Arnhem tot
Dansateliers in Rotterdam, van Urban House Groningen tot Via Zuid in
Maastricht. [ 1 ] Al deze huizen ontvangen subsidie van hun gemeente (of provincie).
Slechts twee van de veertien productiehuizen in deze steden ontvangen landelijke
ondersteuning: De Nieuwe Oost in Arnhem (BIS) en Korzo in Den Haag (FPK).
Sinds het wegvallen van de productiehuizen uit de BIS per 2013 hebben ook de vier
BIS-dansgezelschappen een expliciete taak om de talentontwikkeling van nieuwe
makers en dansers te ondersteunen. Dit doen ze onder andere door contacten met
het kunstvakonderwijs, instroom van jong talent, en door initiatieven als het NDT 2
voor prillere dansers en de Junior Company bij Het Nationale Ballet, waar
twaalf jonge dansers worden voorbereid op een carrière in het ballet.
Vrije producenten
Anders dan in andere podiumkunstsectoren ontbreekt er in de dans een circuit van
vrije producenten die balletten of hedendaagse dansvoorstellingen maken voor een
breder publiek. Het commerciële aanbod dat er is, vaak afkomstig uit het
buitenland, kent een heel eigen karakter: het betreft hoofdzakelijk shows die putten
uit gewilde dansstijlen op vaak populaire muziek. Denk aan voorstellingen als
‘Riverdance’ (Ierland), ‘Fire of Anatolia’ (Turkije) en diverse tango-, flamenco- of
andere folkloreshows. Grootschalige entertainmentshows als het succesformule
‘Holiday on Ice’ van Stage Entertainment of de theatertours van tv-formules als ‘The
Ultimate Dance Battle’ vinden eveneens hun weg naar Nederlandse podia. Ook doen
commerciële urban crews uit het buitenland soms Nederland aan. Een enkele keer
worden klassieke balletten uit het buitenland door Nederlandse vrije producenten
naar ons land gehaald. Voor kleine zalen ontbreekt het commerciële aanbod
vrijwel geheel.
                                                                                     22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Dans in muziektheater
Een aparte vermelding verdient het dansaandeel in musicals, theatrale concerten,
muziektheatervoorstellingen en opera. Hierin gaat de dans een relatie aan met
andere kunstvormen, zoals zang, toneelspel en muziek. Voor professionele dansers
en choreografen vormt dit circuit een extra werkveld; soms slaan muziektheater- en
dansgezelschappen hiervoor de handen ineen, soms worden dansers en
choreografen door muziektheatergezelschappen ingehuurd. Op de stand van zaken
rond het Nederlandse muziektheater (inclusief opera en musical) komen we terug in
een afzonderlijk sectoradvies. [ 2 ]
Presentatieplekken
Het werk van de meeste dansgezelschappen en -productiehuizen is vooral te zien in
theaters en op festivals, maar als speelplekken kiezen makers ook steeds vaker
alternatieve locaties in de publieke ruimte of bijvoorbeeld in zorginstellingen,
bedrijven of gevangenissen. Veel gezelschappen spelen ook op scholen; vooral de
jeugddansgezelschappen kennen vaak theater- en scholenversies van hun werk.
De landelijk gesubsidieerde dansgezelschappen en -productiehuizen speelden in de
periode 2013 – 2016 samen in totaal 5.781 voorstellingen in Nederland en
1.986 daarbuiten, goed voor respectievelijk 542.167 en 171.256 bezoekers. Veel van
deze voorstellingen stonden in vlakkevloertheaters en op festivals.
Op de circa 140 podia die zijn aangesloten bij de Vereniging van Nederlandse
Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD) maken dans en beweging
4,2 procent uit van de totale programmering; in 2016 programmeerden deze
theaters 1.170 dansvoorstellingen. Daarmee trokken ze in totaal 300.000 bezoekers,
ofwel 3 procent van hun totaalbezoek (10 miljoen). [ 3 ] De VSCD ziet in het publiek
voor dans en beweging een dalende trend, maar in 2015 en 2016 waren de aantallen
stabiel. Onze observatie dat de vrije productie in de dans veel minder dominant is
dan in het theater, wordt onderschreven door de verhouding tussen gesubsidieerd
en ongesubsidieerd aanbod op deze podia; van het totale podiumkunstaanbod is
14 procent gesubsidieerd, terwijl van het dansaanbod 43 procent gesubsidieerd is.
Hieronder vallen zowel voorstellingen uit het buitenland als uit Nederland.
Naast de theaters laat een flink aantal festivals dans zien. Het is niet van al die
festivals na te gaan hoeveel voorstellingen ze programmeren en hoeveel publiek ze
trekken. Wel ondersteunt onze analyse onze observatie in ‘Agenda Cultuur’ dat
publiek eerder afkomt op festivals dan op incidentele programmering in zalen, en
bovendien tijdens festivals vaak bereid is gedurfdere keuzes te maken uit het
aanbod. Zo staan bezoekers voor de dansprogrammering op Lowlands, Oerol of de
Parade jaarlijks in de rij. Dit geldt overigens ook voor gebundelde presentaties in
theaters, die duidelijk meer publiek trekken dan individuele voorstellingen.
Het entertainmentcircuit
Minder in beeld van overheden maar wel degelijk relevant voor de brede context
waarin de dans in Nederland opereert, is de dans die wordt opgevoerd in clubs,
recreatieparken, in televisieshows, op cruiseschepen, in familierestaurants en ga zo
maar door. Hier staat, meer dan artistiek of fysiek onderzoek, vooral de esthetische
aantrekkingskracht centraal: virtuositeit, kracht, schoonheid, symmetrie. Dansers en
                                                                                     23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>choreografen laten zich hier minder leiden door eigen artistieke drijfveren, maar
stellen hun talent ten dienste van hun (commerciële) opdrachtgevers.
Dansers en performers van alle opleidingsniveaus zijn in dit circuit actief, maar voor
mbo-gekwalificeerde dansers liggen hier de belangrijkste baankansen; mbo-
dansopleidingen richten zich hier ook heel specifiek op. [ 4 ] In een onderzoek naar
het werkveld van mbo-dansers die sinds de oprichting afstudeerden aan het
Amsterdamse ROC vond Marga Douma-Alta in 2012 verschillende werkzaamheden:
zij werkten als achtergronddanser voor artiesten bij de TMF Awards, coachten
artiesten bij het opnemen van videoclips, werkten mee aan de shows van tv-
danswedstrijden, dansten als entertainer in clubs en op feesten, toerden met shows
langs casino’s of dansten op beurzen, in winkelcentra of bij modeshows. [ 5 ] Enkele
agentschappen hebben zich gespecialiseerd in de bemiddeling tussen deze
opdrachtgevers en dansers.
    Aandachtspunt
    Geregeld doen professionele dansers of dansers in opleiding mee aan
    televisieprogramma’s bij commerciële omroepen of bij de Nederlandse Publieke
    Omroep. Niet in alle gevallen krijgen zij hiervoor betaald; vaak zijn dit soort
    optredens ‘voor de eer’. Dit soort praktijken is zorgelijk en vraagt om een
    mentaliteitsverandering bij omroepen en andere opdrachtgevers. De raad roept
    minister Arie Slob (Media) op om de onderbetaling van artiesten in
    televisieprogramma’s bij commerciële en publieke omroepen aan de
    orde te stellen.
Andere domeinen
De vrijetijds­ en sportsector
Naast de professionele dans zijn er in Nederland niet te onderschatten circuits van
amateurdans en vrijetijdsdans, die eveneens werkgelegenheid bieden aan
dansprofessionals. Het onderscheid tussen amateur- en vrijetijdsdans is niet
helemaal scherp te trekken. We onderscheiden hier voor het gemak dansers die in
hun vrije tijd, in groepsverband, voorstellingen voorbereiden en opvoeren voor een
publiek, dikwijls onder (semi)professionele begeleiding (amateurdans), en mensen
die op hun vrije avonden lessen volgen in stijldans, ballroom dance, salsadans,
streetdance, jazzdans, flamencodans, dansyoga et cetera, zonder de ambitie hiermee
op te treden (vrijetijdsdans). Een aparte categorie binnen het amateur- en
sportcircuit vormt de erkende wedstrijddans, waar solodansers, paren en groepen op
het gebied van stijldans strijden om landelijke en internationale titels en prijzen.
Talloze choreografen, workshopleiders en dansdocenten, vaak freelancers, zijn in
deze circuits werkzaam. Dat gebeurt op dansscholen, maar steeds vaker bieden ook
andere organisaties danslessen, -cursussen en -workshops aan. Denk bijvoorbeeld
aan sportscholen, buurtcentra, particuliere docenten en dansfestivals. Veel
sportscholen organiseren groepslessen in energieke dansvormen als zumba, salsa en
streetdance. Sport- en bewegingstheatervormen die tegen dans aan schuren, en waar
ook dansdocenten werkzaam zijn, zijn bijvoorbeeld circus, acrobatiek,
kunstschaatsen, bepaalde vormen van (power)yoga en freerunning.
                                                                                       24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>De zorgsector
Internationaal stijgt de aandacht voor dans als ondersteunend middel in de zorg of
als instrument om het fysieke welzijn of het sociale leven te vergroten van mensen
voor wie deze waarden onder druk staan: dans(workshops) met ouderen, met
mensen met Alzheimer, dementie, autisme, Parkinson of andere aandoeningen, of
met kinderen of volwassenen met een fysieke of mentale beperking. Dans helpt
mensen prettiger in hun lichaam te zitten, kan (ten dele) de rol van fysiotherapie
overnemen en haalt mensen uit een isolement. Een initiatief als Het Danspaleis
brengt jongeren en ouderen samen op de dansvloer. Initiatieven als Dance and
Creative Wellness en Dance for Health combineren elementen uit de moderne dans,
het klassiek ballet en fysiotherapie, waardoor patiënten met bijvoorbeeld reuma of
MS flexibiliteit, kracht, coördinatie en houding leren verbeteren. Soms verbinden
choreografen en dansers uit de professionele danssector zich met dit soort
initiatieven; zo droeg Scapino bij aan de ontwikkeling van Dance for Health en
werkten ook choreografe Krisztina de Châtel en Introdans al samen met
deze organisatie.
Behalve dat deze benadering van dans bijdraagt aan de gezondheid van
Nederlanders, is met de toegenomen belangstelling hiervoor ook de arbeidsmarkt
voor dansdocenten en (voormalig) dansers groeiende. De hogeschool Codarts in
Rotterdam kent een masteropleiding tot danstherapeut. Ook dansdocenten en
andere dansmakers komen terecht in dit circuit.
Het primair en voortgezet onderwijs
Dansdocenten zijn werkzaam op scholen voor primair of voortgezet onderwijs die
dans aanbieden als cultureel vak.
Kunstvakonderwijs
Hbo­opleidingen
Professionele dansers en choreografen bij dansgezelschappen zijn vooral geschoold
aan een van de zeven hbo’s die dansopleidingen aanbieden of aan een internationale
dansopleiding. Er zijn in Nederland twaalf bachelors die opleiden tot danser en/of
dansmaker, zeven bacheloropleidingen tot dansdocent en drie masteropleidingen (in
Amsterdam, Rotterdam en Arnhem). Behalve op dansvaardigheden ligt de nadruk
op ondernemerschap en het combineren van verschillende stijlen en disciplines.
Daarmee spelen de scholen in op de toekomstige werkpraktijk van hun studenten,
die vaak gemengd zal zijn. Aan de hogeschool Fontys in Tilburg kunnen studenten
zich bijvoorbeeld specialiseren in ‘dance arts in context’, en ArtEZ in Arnhem leidt
elke student op tot danser én dansmaker. Omdat dansers hun lichaam al op jonge
leeftijd moeten trainen, volgens ze tijdens hun middelbareschooltijd vaak al een
vooropleiding; alle hbo’s bieden die aan.
Dansers die in muziektheater en musicals werken, komen ook vaak van de
muziektheateropleidingen aan Codarts (Rotterdam) en Fontys (Tilburg). Deze
opleidingen leiden op tot allround muziektheaterperformer: studenten bekwamen
zich in zang, dans en spel. Enigszins aan dans verwant zijn ook de
circustheateropleidingen die dezelfde twee hogescholen aanbieden; ook deze
studenten komen soms in dansproducties terecht. Omgekeerd gebeurt het ook:
dansers bekwamen zich soms in circus of andere vormen van bewegingstheater.
                                                                                     25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>De Nederlandse hbo-opleidingen staan nationaal en internationaal goed
aangeschreven en trekken een groot aandeel buitenlandse studenten. Uit de HBO
Monitor 2016 bleek dat van de afgestudeerde hbo-dansers een kwart een autochtone
achtergrond had, 67 procent een niet-Nederlandse, westerse achtergrond (vaak
internationale studenten) en 8 procent een niet-westerse achtergrond. [ 6]
Jaarlijks studeerden in de periode 2012 – 2016 gemiddeld 163 studenten af aan de
hbo-dansopleidingen; het aantal afgestudeerden was over deze jaren stabiel. De
instroom was in dezelfde periode gemiddeld 204 studenten per jaar. Van de
instromers (en de afstuderende studenten in 2016) was 67 procent vrouw. Een jaar
na het afstuderen had 96 procent van de ondervraagde studenten werk in loondienst
of als freelancer, van wie 68 procent als danser of choreograaf. 10 procent werkte als
particulier kunstdocent of was werkzaam in de muziek; 20 procent deed iets heel
anders, zoals horecawerk of werk als docent basisonderwijs. Het gemiddelde
maandloon bedroeg 1.468 euro. Van alle ondervraagde studenten noemde
48 procent de studie een goede voorbereiding op de arbeidsmarkt; 86 procent zou
de opleiding opnieuw kiezen. [ 7 ]
Mbo­opleidingen
Sinds de eerste mbo-opleidingen tot artiest (te onderscheiden in opleidingen tot
danser, acteur, musicalspeler en muzikant) in 2005 hun deuren openden, is hun
aantal exponentieel toegenomen; er zijn inmiddels alleen al
tien mbo-dansopleidingen. Deze opleidingen specialiseren zich hoofdzakelijk in
urban dansvormen en showdans. Ze leiden studenten vooral op voor danswerk in
shows, eenvoudige voorstellingen, evenementen, entertainmentparken en voor werk
als bijvoorbeeld onderwijsassistent in het basis- en voortgezet onderwijs, in buurt-
en clubhuizen of op dansscholen. Op kleine schaal zien we mbo-afgestudeerde
dansers ook in voorstellingen in het gesubsidieerde circuit; zo nemen ISH,
Danstheater AYA, Don’t Hit Mama en Solid Ground Movement geregeld
mbo-geschoolde dansers op in hun casts.
In het algemeen zijn de baankansen voor mbo-gekwalificeerde dansers echter klein.
Van alle afgestudeerde mbo-artiesten vindt slechts 31 procent werk op het eigen
niveau binnen het eigen vakgebied, veelal zelfstandig en parttime. [ 8 ] Slechts
24 procent zegt desgevraagd zijn diploma nuttig te vinden, en oud-studenten
beoordelen de baankans zelf als slecht. Wel beleven ze veel plezier aan hun
opleiding. Het gemiddelde bruto uurloon van de ondervraagden bedraagt
9,20 euro. [ 9] De baankansen per opleiding lopen sterk uiteen. In haar
eerdergenoemde onderzoek naar het werkveld van mbo-dansers die sinds de
oprichting afstudeerden aan het Amsterdamse ROC vond Marga Douma-Alta in
2012 dat slechts 6 procent van hen als danser in de podiumkunsten werkte; de rest
had ander werk of studeerde door. [ 10 ]
De mbo-opleidingen tot artiest kwamen in 2005 van de grond als
doorstroommogelijkheid tussen het vmbo en het hbo-kunstvakonderwijs. Uit een
recente analyse van de Commissie macrodoelmatigheid mbo (CMMBO) bleek van
alle afgestudeerde studenten tot artiest 57 procent door te stromen naar een hbo-
vervolgopleiding (zowel binnen als buiten het eigen vakgebied); van hen behaalde
69 procent een hbo-diploma (ofwel 39 procent van het totale aantal
mbo-afgestudeerden). Voor mbo-gekwalificeerde dansers lijken de
                                                                                       26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>doorstroommogelijkheden naar hbo-dansopleidingen beperkter; deze
hbo-opleidingen zijn sterk internationaal georiënteerd en leunen op strenge
selectieprocedures, waarvoor mbo-afgestudeerde dansers in de praktijk vaak
onvoldoende zijn onderlegd. Van de oud-studenten aan het Amsterdamse ROC bleek
in 2012 11 procent een hbo-dansopleiding te zijn gaan volgen; 20 procent volgde een
opleiding buiten de dans. [ 11 ]
    Aandachtspunt
    De zwakke positie van de mbo-gekwalificeerde danser op de arbeidsmarkt en de
    geringe kansen om een vervolgdiploma te halen aan een hbo-dansopleiding
    verdienen extra inspanningen vanuit de overheid, het veld en de opleidingen.
    Het aantal mbo-dansopleidingen is sinds de oprichting van de eerste mbo-
    opleiding tot artiest sterk gestegen, zonder dat de markt voor deze studenten is
    meegegroeid. We beschikken niet over afzonderlijke kengetallen van de mbo-
    dansopleidingen, maar een blik op de explosieve toename van het totale aantal
    studenten tot mbo-artiest geeft een indruk van de stijging: in 2005 waren er in
    totaal 393 mbo-studenten tot artiest, in 2016 waren dat er al 3.051. Opmerkelijk
    is dat 28 procent van de studenten vanuit havo of vwo instroomt; vermoedelijk
    gaat het hier om jongeren die zijn afgewezen aan de hbo-kunstvakopleidingen.
    Tegelijk is de doorstroming van mbo-afgestudeerde dansers naar het hbo slecht,
    omdat de mbo-opleidingen onvoldoende aansluiten op de hoge eisen van de hbo-
    opleidingen, en mbo-gekwalificeerde dansers niet kunnen concurreren met
    onder andere het grote aantal internationale auditanten, die vaak hoogstaande
    vooropleidingen hebben gevolgd in hun eigen land.
    De Commissie macrodoelmatigheid mbo (CMMBO) bracht onlangs het ‘Advies
    arbeidsmarktperspectief van creatieve mbo-opleidingen’ uit. [ 12 ] Daarin
    adviseerde zij de opleidingen om hun inzicht te vergroten in de arbeidsmarkt en
    de kansen op vervolgonderwijs, en om in samenspraak met het werkveld en hbo-
    opleidingen het aanbod, het volume en de kwaliteit van de opleidingen te
    vergroten. De commissie oordeelde verder dat het arbeidsmarktperspectief van
    de mbo-opleidingen tot artiest te slecht is om deze opleidingen als zelfstandige
    kwalificatiedossiers in stand te houden en adviseerde deze dossiers te
    beëindigen. De bijbehorende vaardigheden zouden alleen nog kunnen worden
    onderwezen als onderdeel van andere opleidingen.
    Wij onderschrijven de constatering van de CMMBO dat het aantal mbo-
    afgestudeerden te snel is gestegen en niet in lijn is met de toename van kwaliteit
    aan de mbo-opleidingen, en dat er dus te veel, en te matig opgeleide, dansers de
    markt betreden.
    Het advies om de mbo-opleidingen tot artiest aan banden te leggen, beoordelen
    wij echter als problematisch. Deze mbo-opleidingen vergroten, mits van
    voldoende hoge kwaliteit, juist de mogelijkheden voor een loopbaan in de dans
    voor aspirant-dansers die met hun voortgezet-onderwijsdiploma geen
    rechtstreekse toegang hebben tot het hbo. Om de diversiteit van Nederlandse
    dansers en dansmakers verder te vergroten, de kruisbestuiving tussen urban
    dance en hedendaagse dansvormen te stimuleren, en een veel breder Nederlands
    publiek aan te spreken, is een grotere diversiteit onder geschoolde dansers een
                                                                                       27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>must. Dit was in het eerste decennium van deze eeuw ook een zwaarwegende
motivatie om mbo-dansopleidingen op te zetten.
Minister Van Engelshoven heeft naar aanleiding van het CMMBO-rapport laten
weten vóór het einde van het jaar van de mbo’s te willen horen hoe de
opleidingen tot artiest (en die tot mediavormgever en enkele andere beroepen)
zouden kunnen worden opgeheven of verkleind. Wij spreken ons uit tegen een
voorbarige opheffing van de mbo-dansopleidingen en bepleiten liever een nadere
analyse en een verbetertraject voor deze opleidingen, waarbij ook kritisch wordt
gekeken naar de omvang van de in- en uitstroom. Wij scharen ons achter de
aanbeveling van de CMMBO aan de creatieve opleidingen om de arbeidsmarkt
en de vervolgmogelijkheden voor alumni te onderzoeken en om in samenspraak
met het werkveld en hbo-opleidingen het aanbod, het volume en de kwaliteit van
de opleidingen te vergroten.
Ook vraagt de raad vanuit dit perspectief graag aandacht voor het hoge aandeel
buitenlandse studenten aan de hbo-dansopleidingen. De instroom in het mbo
(28 procent studenten met een havo/vwo-achtergrond) en de geringe
doorstromingskansen voor mbo-studenten zijn slechts twee van de indicatoren
voor de slechte toegankelijkheid van Nederlandse studenten tot
het hbo-dansonderwijs.
De hoge kwaliteit van vooropleidingen in veel andere landen geeft internationale
studenten een voorsprong bij auditierondes aan Nederlandse hbo-opleidingen.
Hoewel deze studenten mede bijdragen aan de hoge kwaliteit van de opleidingen
en aan een interculturele dialoog in het Nederlandse dansveld, is de vraag
legitiem of de internationale instroom niet moet worden beperkt om ook
Nederlands talent meer kans te geven een hbo-dansopleiding te volgen. Te
overwegen is een quotum voor een minimumaantal toelatingen van Nederlandse
studenten aan het hbo.
Daarnaast roepen we de hbo-opleidingen en het veld op om in gesprek te gaan
met de mbo-dansopleidingen om te bekijken hoe de kwaliteit van de
mbo-uitstroom zodanig kan worden verbeterd dat ze een beter
arbeidsmarktperspectief en betere doorstroomkansen naar het hbo biedt.
                                                                                 28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>  1
Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Groningen, Arnhem en
Maastricht.
  2
Te verschijnen zomer 2018.
  3
Infographic 2016.
VSCD, 2017
  4
Desondanks is de werkloosheid onder deze groep dansers hoog; hier
komen we later op terug.
  5
Dans Werkt.
Douma-Alta, M., 2012
  6
Statistisch supplement
HBO Monitor 2016.
Vereniging Hogescholen, 2017
  7
Statistisch supplement
HBO Monitor 2016.
Vereniging Hogescholen, 2017
  8
Advies Arbeidsmarktperspectief van creatieve
mbo-opleidingen.
CMMBO, 2018
  9
MBO Keuzegids 2017
  10
Dans Werkt.
Douma-Alta, M., 2012
  11
Dans Werkt.
Douma-Alta, M., 2012
  12
Advies Arbeidsmarktperspectief van creatieve
mbo-opleidingen.
CCMBO, 2018
                                                                  29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Dans / Bewegingen in de danskunst / 3. Bewegingen in de
         danskunst
         3. Bewegingen in de danskunst
De professionele danskunst in Nederland staat er in artistiek opzicht goed voor. Qua
diversiteit loopt ze voorop, er ontstaat een unieke mix van urban en moderne dans
(urban contemporary dance), en naast het aanbod voor volwassenen is er een breed
aanbod voor kinderen en jongeren. Het dansveld is sterk internationaal
georiënteerd, hoewel de internationale voortrekkersrol van de Nederlandse dans
mede onder invloed van de bezuinigingen wat lijkt afgenomen.
Ook in maatschappelijk opzicht is de danssector in beweging. De jongste generaties
dansmakers kijken actief om zich heen en spelen in op thema’s die leven bij hun
publiek. Dansgezelschappen vergroten door nieuwe samenwerkingen en
presentatievormen hun maatschappelijke voetafdruk. Met name in danssteden als
Amsterdam, Den Haag en Arnhem bundelen productiehuizen, opleidingen en
theaters zich in netwerken om gezamenlijk hun impact te vergroten.
Met betrekking tot hun positie op de arbeidsmarkt valt op dat de aandacht voor de
gezondheid van de danser lijkt toe te nemen, maar ook dat het voor veel dansers en
kleinere gezelschappen moeilijker wordt om geld in te leggen in de
Omscholingsregeling, die dansers voorbereidt op een studie of carrière
na de dansloopbaan.
Artistieke ontwikkelingen
Net als alle kunstsectoren is ook de dans de afgelopen jaren hard getroffen door de
bezuinigingen, waardoor artistieke ontwikkelingen voor een deel onder druk zijn
komen te staan. Sommige dansgezelschappen en -makers waren noodgedwongen
meer bezig het hoofd boven water te houden of de cijfers uit het rood krijgen dan om
nieuwe, risicovolle artistieke lijnen uit te zetten. Het is voor veel gezelschappen te
duur geworden om internationaal te reizen, het water staat veel freelance dansers
aan de lippen en plekken om zich verder te ontwikkelen na de opleiding of tijdens de
artistieke carrière zijn schaars.
Toch geeft een snelle blik op de Nederlandse danskunst in artistiek opzicht geen
somber beeld. De danskunst is zichtbaar in beweging en nieuwe vormen sijpelen op
een bijna organische manier door naar het veld. In de sector is er een grote
nieuwsgierigheid naar internationale ontwikkelingen en naar de danstalen van
diverse groepen in de samenleving. Dat zien we bij grote instellingen én bij kleine
danskernen, in de jeugddans én in de dans voor volwassenen. De technische
kwaliteit is hoog en wordt in het veld breed erkend. Dat dans minder dan sommige
andere podiumkunsten uitgaat van een vaststaande canon werkt in haar voordeel:
de dans is buigzaam, flexibel, nieuwsgierig en – in veel gevallen – genereus. Dat zit
ook al in de cultuur van de danser: dansen vraagt in de meeste gevallen om een
respectvol aftasten van elkaars en eigen grenzen en mogelijkheden, en dat maakt de
danser bij uitstek sociaal.
                                                                                          30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Gevestigde moderne-dansgezelschappen, zoals Conny Janssen Danst, LeineRoebana
of het Internationaal Danstheater – de eerste meerjarig ondersteund door het FPK,
de laatste twee voor de huidige periode afgewezen voor ondersteuning –, maken
aansprekende, toegankelijke dansvoorstellingen, net als de vier BIS-gezelschappen.
De jeugd- en jongerendansgezelschappen, zoals Danstheater AYA, DOX, De Stilte,
De Dansers, Introdans of Maas, spreken met hun werk grote groepen jeugdige
kijkers aan. Experimenteler dans is er bij gezelschappen als NBprojects
(Nicole Beutler), Neverlike (Keren Levi), SHARP (Arno Schuitemaker) en
WArd/waRD (Ann Van den Broek), alsmede bij productiehuizen als Korzo en
het Veem Huis voor Performance. Ontwikkelingen uit de urban dance dringen door
tot het podium bij instellingen als Backbone, DOX, ISH, Aight, het HipHopHuis,
Solid Ground en Urban House Groningen. Het zijn overigens vooral productiehuizen
en jongerengezelschappen die hier het voortouw nemen.
Hieronder delen we enkele observaties over de meest in het oog springende
artistieke ontwikkelingen in het dansveld anno 2018, in de volle wetenschap dat het
veld onder onze vingers verandert.
Urban invloeden dringen door tot de hedendaagse dans
Een eerste ontwikkeling die we zien, is dat urban dance zich in hoger tempo een weg
naar het gesubsidieerde dansveld baant dan bijvoorbeeld in de muziek- en
theatersector. We zien dat onder andere aan de toekenningen bij het Fonds
Podiumkunsten, waar in de periode 2013 – 2016 zes van de zestien gesubsidieerde
nieuwe makers (37,5 procent) urban dance of werelddans maakten, en waar vier van
de achttien meerjarig gesubsidieerde dansinstellingen (22 procent) zich bezighielden
met urban dance. [ 1 ] Van de veertien instellingen in Nederland die van hun
gemeente en/of het Rijk subsidie krijgen als productiehuis of plek voor
talentontwikkeling, zijn er vijf gespecialiseerd in urban dance of urban arts. Ook het
Fonds voor Cultuurparticipatie besteedt hier geregeld middelen aan. Samen met het
FPK introduceerde dit fonds hier recentelijk een speciale subsidieregeling voor.
Ook BIS-instellingen staan open voor deze beweging; zo werkte de Junior Company
van Het Nationale Ballet al samen met de breakdansers van ISH. Daarmee betreedt
urban dance stukje bij beetje het domein van de gesubsidieerde kunst, nadat het
genre jarenlang buiten het blikveld van de subsidiegever is gebleven. Deze
ontwikkeling verdient volgens ons een verdere stimulans, waarbij vooral een
intensievere aandacht geboden is voor de (professionalisering van de) scholing van
urban dansers/makers en de positie van de urban artiest in het dansveld.
Hoewel bovenstaande bewegingen een positief beeld schetsen, is het goed ons te
realiseren dat het hier slechts een topje van de ijsberg betreft; veel urban
dansmakers, dansers en initiatieven in Nederlandse steden vechten nog altijd om
erkenning en om een plek in het (gesubsidieerde) dansveld.
Wat zien we?
In de afgelopen vier decennia hebben urban dansstijlen en werkvormen zich
opgewerkt vanuit de underground en zijn steeds meer hun plek gaan opeisen in de
danswereld. De voorbeelden zijn legio: zie de opkomst van festivals als Summer
Dance Forever in Amsterdam of The Notorious IBE (International Breakdance
Event) in Heerlen; het succes van gezelschappen als Backbone, ISH, DOX en
Danstheater AYA (allemaal door het FPK meerjarig gesubsidieerd); de resultaten
                                                                                       31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>van de Amsterdamse vooropleiding ‘5 O’Clock Class’, waar hedendaagse en urban
dansers samen worden voorbereid op een opleiding in de hedendaagse dans; de vele
recente samenwerkingsprojecten tussen hedendaagse en klassieke
dansgezelschappen met breakdancers en hiphopdansers (de Junior Company van
Het Nationale Ballet met ISH, De Toneelmakerij met Danstheater AYA,
Nicole Beutler met DOX).
Dat heeft niet alleen zijn weerslag op de bewegingstaal die we op het podium zien –
denk aan hiphop, streetdance, breakdance, popping, locking en andere verwante
stijlen. Het heeft ook en vooral invloed op de wijze waarop voorstellingen tot stand
worden gebracht. Met de komst van urban arts zien we het creatieproces in de dans
veranderen van een top-down- naar een bottom-up-proces. Hierin bepaalt niet
langer de choreograaf, maar dansers en makers gezamenlijk welk verhaal de
voorstelling vertelt en welke vorm die krijgt. Niet langer liggen academische
opvattingen over beweging en zeggingskracht ten grondslag aan de creatie; kunst
ontstaat hier vanuit een gevoelde noodzaak om uitdrukking te geven aan emoties,
ervaringen, gedachten en opvattingen. Hier is sprake van een community-kunst, een
kunst die juist voortkomt uit verbindingen met anderen en waaraan iedereen kan
meedoen, omdat het geen rol meer speelt hoe of hoe ‘hoog’ je bent opgeleid, hoe
‘ontwikkeld’ je smaak is, en in hoeverre je je aan de regels houdt.
Voor de danskunst, die in artistiek opzicht floreert maar die met haar experimentele
karakter niet altijd even gemakkelijk een brug weet te slaan naar een nieuw publiek,
is dit een kansrijke ontwikkeling; urban dans ontstaat immers vanuit het draagvlak
in de community waarin de maker zich beweegt. De groeiende toenadering tussen
moderne dans en urban dance zorgt voor een nieuwe, verfrissende danstaal, de
urban contemporary dance, waarin Nederland een voortrekkersrol neemt. Het feit
dat de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten met ingang van komend
studiejaar de opleidingen ‘moderne theaterdans’ en ‘urban contemporary’
samenvoegt om een breed georiënteerde danser van de toekomst op te leiden, geldt
tegelijkertijd als een bevestiging van deze beweging én als een kansrijke stimulans
voor verdere artistieke versmelting.
     Aandachtspunt
     De verdere ontwikkeling van urban dance en urban contemporary dance kan niet
     plaatsvinden zonder de versterking van enkele noodzakelijke schakels in het
     ecosysteem. Met name de scholing en professionalisering van urban dansers,
     makers en docenten (aan vooropleidingen, mbo’s, hbo’s, bij gezelschappen et
     cetera) verdienen extra aandacht. Er is in de urban danswereld een tekort aan
     goede docenten en aan bewezen onderwijsmethoden, juist omdat een eerdere
     generatie urban dansers en makers het vak in de praktijk leerden, via
     peer­to­peer. De ontwikkeling van straatkunst naar podiumkunst gaat gepaard
     met de nodige obstakels op het gebied van overdracht, productie en presentatie.
     Hier wreekt zich ook de moeizame doorstroming van mbo-gekwalificeerde
     dansers tot het artistieke dansveld en tot de hbo-opleidingen. Het aantal mbo’s
     dat dansopleidingen aanbiedt lijkt harder gestegen dan de geboden kwaliteit,
     terwijl de behoefte aan goed opgeleide, ondernemende urban dansers alleen
     maar groeit. Het toenemende aanbod aan urban dance op hbo’s ondervangt de
     problematiek rond de mbo’s niet. Waarvoor in dit proces gewaakt moet worden,
                                                                                     32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>    is dat urban dance niet exclusief tot het domein van de hbo-geschoolde danser of
    maker gaat behoren, waardoor urban artiesten van het eerste uur – die vaak met
    twee benen in de gemeenschap staan – buitenspel worden gezet. Hiermee zou de
    urban dance een deel van haar eigenheid verliezen.
    De populariteit van urban dance onder jongeren vertaalt zich ook nog niet in
    binnenschoolse danseducatie, waar urban dance (net als in de muzieksector) nog
    altijd ondervertegenwoordigd is, alsof het geen volwassen kunstvorm is. Een
    tekort aan urban dansdocenten en een achterstand in kennis op het gebied van
    urban dance bij overheden, culturele instellingen en in het onderwijs lijken hier
    grotendeels debet aan.
    Tot slot valt op dat urban ontwikkelingen tot nu toe vooral doordringen tot
    enkele hiervoor speciaal ingerichte productiehuizen (Aight in Den Haag,
    HipHopHuis Rotterdam, Solid Ground in Amsterdam, Urban House Groningen)
    en tot een paar jongerendansgezelschappen (Danstheater AYA, DOX, ISH). De
    doorstroming van urban makers en dansers tot het veld van de reguliere
    dansgezelschappen stokt vooralsnog; de raad roept overheden en fondsen op
    hier de komende tijd alert op te zijn.
Grenzen vervagen en presentatiewijzen vernieuwen zich
Net als we in de muziek en het theater zagen, staat er ook in de danskunst een nieuw
type maker op, die interdisciplinair te werk gaat en zichzelf een minder vastomlijnde
identiteit aanmeet. Deze maker zoekt voortdurend naar nieuwe
samenwerkingspartners en kruisbestuivingen. ‘Zaal of straat’ is voor deze maker
geen uitgemaakte zaak; zijn werk staat waar dat het beste tot zijn recht komt: de ene
keer in een vlakkevloertheater, de andere keer in een open veld of een
winkelcentrum. Het werk heeft ook niet per se de vorm van een voorstelling; een
interventie in de openbare ruimte, een lecture performance, een battle of een
optreden in een museum zijn voor deze nieuwe maker evenwaardige vormen om
zich te manifesteren. Soms stapt deze maker uit de offline wereld de online wereld
in, of hij gebruikt digitale technieken als virtual reality om zijn publiek mee te
nemen naar andere werkelijkheden.
Wat zien we?
Als gevolg van deze flexibele attitude zien we spannende crossovers ontstaan tussen
dans en bijvoorbeeld acrobatiek, animatie, mediakunst, mime, livemuziek,
performance art, freerunning, wetenschap, literatuur, design en ga zo maar door.
Vaak komen dit soort samenwerkingen tot stand bij productiehuizen, die makers als
Amos Ben-Tal, Arno Schuitemaker, Jasper van Luijk, Michele Rizzo of
Fernando Belfiore de gelegenheid bieden artistiek onderzoek te doen en nieuwe
presentatievormen te verkennen. Ook festivals als Oerol bieden makers een platform
om nieuwe wegen in te slaan. Diverse gezelschappen, zoals Club Guy & Roni,
Maas theater en dans, Another Kind of Blue (David Middendorp), Panama Pictures
(Pia Meuthen), Backbone (Alida Dors) en Jan Martens, stappen buiten de getreden
paden met aansprekende crossovers. Het jonge gezelschap 155 combineert dans met
video en livemuziek; het jeugdgezelschap De Dansers staat bekend om zijn
energieke dansconcerten.
                                                                                      33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>    Aandachtspunt
    De keerzijde van deze flexibele artistieke praktijk is, zoals we ook in het
    sectoradvies over theater signaleerden, dat veel ongebonden makers en dansers
    er een onzekere beroepspraktijk op nahouden. Vaak gaat het om een
    aaneenschakeling van losse projecten die zich moeilijk laten plannen, in plaats
    van een carrièretraject dat rustig verloopt van opleiding via stageplaats,
    productiehuis, tot uiteindelijk een gezelschap. Zo’n loopbaan is vooral
    aantrekkelijk (of weggelegd) voor makers en dansers die wat minder behoefte
    hebben aan zekerheden. Dan nog vraagt deze veranderende praktijk om scherpe
    afspraken over eerlijke honorering van zzp’ers, een goed vangnet bij
    arbeidsongeschiktheid door bijvoorbeeld blessures en een passende regeling om
    als zelfstandige danser toch te kunnen sparen voor omscholing na de
    danscarrière, wat nu alleen mogelijk is voor dansers met een vast contract bij de
    grotere gezelschappen. In onze arbeidsmarktadviezen in samenwerking met de
    SER en in het advies ‘Over grenzen’ deden we al enkele aanbevelingen tot
    verbetering van het verdienvermogen van zzp’ers; deze gelden ook voor
    de danssector. [ 2 ]
    Tegelijk is het subsidiestelsel nog niet ingericht op deze nieuwe werkpraktijk
    – die we ook in de overige podiumkunstdisciplines zien en die naar verwachting
    de komende jaren verder zal toenemen. Zoals reeds uitvoeriger bepleit in onze
    muziek- en theateradviezen is er behoefte aan een nieuw stelsel, dat meer
    rechtdoet aan de artistieke en organisatorische ontwikkelingen in de sector. De
    nieuwe praktijk vraagt om meer maatwerk in subsidiëring, waarbij
    gezelschappen en makers – al naar gelang hun profiel en ambitie – extra
    suppletiebedragen kunnen aanvragen voor specifieke taken als het bespelen van
    de grote zaal of het ontwikkelen van talent. Daarmee moeten subsidiegevers oog
    hebben voor nieuwe makers, makers met andere achtergronden en makers die
    het dansvak op nieuwe manieren benaderen.
Maatschappelijke worteling
Een decennium geleden belandde de vraag voor wie een voorstelling was bedoeld
vooral op het bordje van de marketingmedewerker. Inmiddels zien we daar een
voorzichtige kentering in. Hoewel er nog altijd gezelschappen en makers zijn die zich
bij het maken van hun werk laten leiden door hun eigen artistieke drive, zonder
daarin de behoefte van het publiek te kennen, zien we bij een steeds grotere groep
makers dat de vraag ‘voor wie is deze voorstelling bedoeld?’ inherent wordt aan de
motivatie om een voorstelling te creëren. Daarmee schuiven het artistieke team en
de marketingmedewerker ook meer naar elkaar toe; zij tekenen samen voor het
vertellen van één verhaal.
                                                                                      34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Het is voor dansmakers en gezelschappen ook eenvoudiger geworden om hun
publiek te leren kennen. De opmars en verfijning van digitale technieken en
ontwikkelingen in de (online) media hebben de interactiemogelijkheden met het
publiek sterk vergroot. Dankzij kanalen als YouTube, Vimeo, Facebook of Instagram
kunnen makers rechtstreeks in contact komen met hun publiek, zowel na een
voorstelling als eraan voorafgaand. Vooral urban dans vindt haar platform deels
online, waarbij fanbases via digitale wegen worden geactiveerd. Als deze
ontwikkeling zich voortzet, kan zij op den duur bijdragen aan het draagvlak en de
zichtbaarheid van dans.
Wat zien we?
Veel makers tonen zich betrokken bij de gemeenschap waarvoor ze iets maken. Dit
zien we in gekozen thema’s maar ook in de tendens dat steeds meer makers nieuwe
locaties en opstellingen uitproberen of publiek betrekken bij het creatieproces. Het
choreografenduo Jérôme Meyer en Isabelle Chaffaud (Meyer-Chaffaud) verbrak
bijvoorbeeld de kloof tussen publiek en makers in zijn voorstelling ‘SOUL
#1 Audience’, door het publiek uit te nodigen deel te nemen aan een speels debat
rond filosofische ideeën en sociale thema’s. Choreograaf Amos Ben-Tal maakte met
zijn collectief OFFprojects en muzikant Spinvis de voorstelling ‘Howl’, een mix van
een talkshow, een dansvoorstelling en een concert, met in elke stad een andere gast.
En choreografe Hilde Elbers maakt belevingsvoorstellingen waarin een actieve rol is
weggelegd voor de gevoelens van het publiek.
Het afstemmen van het artistieke verhaal op de maatschappelijke context is sowieso
een basisattitude voor urban dansmakers. Ook in de jeugd- en jongerendans is het
onbestaanbaar dat een voorstelling tot stand komt zonder de behoeften en
capaciteiten van het publiek mee te rekenen; een maker van een kinder- of
jongerenvoorstelling zal zich ervan moeten vergewissen wat toeschouwers van een
zekere leeftijd beweegt en wat zij begrijpen (of juist kinderachtig vinden). Maar ook
een groeiende groep hedendaagse choreografen neemt de interesse of de aard van
het publiek als (mede)uitgangspunt voor haar voorstellingen. Dansvoorstellingen
worden daardoor minder afstandelijk of hermetisch dan een paar decennia geleden.
Voor deze ontwikkeling is de danssector grotendeels schatplichtig aan een aantal
productiehuizen en verwante organisaties die zich actief inspannen om artistiek
experiment in te bedden in een maatschappelijke context. Deze productiehuizen
vervullen steeds meer een brugfunctie tussen kunstenaars en de maatschappij.
Behalve dat ze de taak van talentontwikkeling van onafhankelijke dansmakers en
dansers voor hun rekening nemen, leggen ze ook actief verbindingen met
opleidingen, theaters en festivals en andere culturele en maatschappelijke
instellingen. Daarbij kijken ze over de grenzen van de professionele dans, door
samenwerking te zoeken met bijvoorbeeld dansscholen of andere
amateurdansorganisaties.
Het tekent de levensvatbaarheid van de danssector dat er nog altijd een groot aantal
productiehuizen actief is, dat zichzelf ondanks de bezuinigingen in stand heeft weten
te houden. Zo kennen we op het gebied van hedendaagse dans onder andere Korzo
(Den Haag), De Nieuwe Oost (Arnhem), Dansateliers (Rotterdam), Dansmakers
Amsterdam (Amsterdam), DansBrabant (Tilburg) en Random Collision
(Groningen). De laatste vijf huizen organiseren jaarlijks het reizende festival
                                                                                      35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Moving Futures, waarin jonge dansmakers zich presenteren aan een publiek in heel
Nederland (en sinds de laatste editie ook in het Duitse Mainz). Voor urban makers
zijn er Aight (Den Haag), het HipHopHuis en Hiphop in je Smoel (Rotterdam), Solid
Ground (Amsterdam) en Urban House Groningen, die de cultuur van de straat en de
cultuur van het theater met aansprekende programma’s bij elkaar brengen.
Ook een organisatie als Holland Dance (Den Haag) stimuleert de aansluiting tussen
dansprofessionals en de dansende amateur, door projecten met onder andere
voetballende jeugd en projecten op het gebied van inclusiedans. Een voorbeeld van
het laatste is het festival DanceAble, waarbij Nederlanders met en zonder fysieke
beperking samen dansen. Ten slotte noemen we hier ook het gezelschap DOX, dat
zich inspant voor talentontwikkeling van jonge makers en groepen (zoals Ryan
Djojokarso en 155) en zich profileert als bruggenbouwer tussen selfmade of
mbo-geschoolde dansers/makers en dansers/makers afkomstig van het hbo.
In verschillende steden, zoals Den Haag, Amsterdam en Arnhem, ontstaan rond dit
soort productiehuizen hechte dansnetwerken, waarin nauw wordt samengewerkt
met theaters, dansgezelschappen, festivals, opleidingen en andere culturele en
maatschappelijke partners. Voor dit soort ‘danshuizen’ – of die nu de vorm hebben
van fysieke huizen of van netwerken – zien wij daarom een groeiende rol in het
danslandschap. Door de bundeling van krachten wordt het mogelijk om de
danssector in een stad of regio in haar volle breedte op de kaart te zetten in
samenwerking met gemeentelijke of provinciale overheden, en om zo gezamenlijk
meer slagkracht te genereren in het opbouwen van een trouw danspubliek.
De toegenomen openheid naar de maatschappelijke context blijkt verder uit diverse
nieuwe manieren waarop BIS-gezelschappen zich recentelijk presenteerden. Deze
gezelschappen laten vaker hun gezicht zien buiten de gangbare theaterzalen. Ze
treden naar buiten met grootschalige, risicovolle projecten, waarbij ze ook media-
aandacht niet schuwen, zoals Scapino Ballet met de voorstelling ‘Ting!’ (een
samenwerking met de NITS en een aantal circusartiesten) en HNB met de
AVRO-documentaire ‘Bloed, Zweet en Blaren’. Introdans zoekt al langere tijd
rechtstreekse connecties met bewoners in de eigen regio door educatie- en
participatietrajecten te ontwikkelen met bijvoorbeeld Nederlanders met een
migratieachtergrond, leerlingen met fysieke en mentale beperkingen of
homoseksuele ouderen.
    Aandachtspunt
    Het moet gezegd worden dat de genoemde beweging van de dans richting de
    maatschappij zich tot nog toe beperkt tot een klein aantal grote steden: de
    plekken waar de meeste productiehuizen en gezelschappen zijn gevestigd en
    waar theaters meer werk maken van hun dansprogrammering. Volgens ons is de
    publieksbelangstelling voor dans direct gerelateerd aan de mate waarin makers
    en gezelschappen, maar ook theaters en programmeurs, zich betrokken tonen bij
    hun publiek. We zien dat gestaafd door het feit dat makers en gezelschappen het
    meeste publiek trekken in hun eigen standplaats of op festivals met
    contextprogrammering – daar waar ze hun publiek actief betrekken – terwijl de
    publieksopkomst vaak achterblijft in toursteden die gezelschappen alleen
    aandoen voor het spelen van een voorstelling.
                                                                                    36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Internationalisering
De danssector is een internationaal georiënteerde sector. Bij de grote gezelschappen
zijn vaak internationale choreografen werkzaam. Danserstableaus vormen
doorgaans een mix van Nederlands en internationaal talent. De Nederlandse
opleidingen trekken een groot aandeel buitenlandse studenten, terwijl in het
buitenland opgeleide dansers (van Nederlandse en internationale komaf) graag voor
Nederlandse producties auditeren.
Veel onafhankelijke choreografen opereren in een internationaal circuit waarin
productiehuizen en festivals een spilfunctie bekleden. Onder andere Korzo (Den
Haag) verbindt zich met diverse internationale netwerken. Voor jonge choreografen
zijn er netwerken als Aerowaves of het European Dancehouse Network. Het
jongemakersfestival Moving Futures, opgericht door vijf dansproductiehuizen, reist
inmiddels ook over de Nederlandse grens. Het Nederlands Dans Theater nodigt
jaarlijks een groot aantal talentvolle internationale dansers uit voor een
workshopprogramma en speelt bovendien 29 procent van zijn voorstellingen in het
buitenland (in bijna dertig steden). Veel in Nederland opgeleide choreografen
vertrekken na hun masteropleiding naar het buitenland, enerzijds bij gebrek aan
doorstroommogelijkheden in Nederland, anderzijds omdat hun danstaal elders
enthousiast wordt opgepikt; zo zijn Oostenrijk, Duitsland en Frankrijk vruchtbare
plekken voor hedendaagse dans.
Het internationale verkeer speelt in de danswereld ook een onmisbare rol voor het
voeren van een inhoudelijk discours over de dans. Zo kunnen enkele Nederlandse
programmeurs, verbonden aan bijvoorbeeld Julidans, Holland Dance of Korzo,
dankzij hun internationale netwerken op het scherp van de snede programmeren.
En Het Nationale Ballet neemt een voortrekkersrol in het organiseren van
internationale debatten over zaken als innovatie in het ballet, culturele diversiteit in
de balletwereld of andere thema’s die tot ver over de landsgrenzen actueel zijn.
Nederlands aanbod in het buitenland
Bekijken we de cijfers van de meerjarig rijksgesubsieerde gezelschappen, dan is het
totale aandeel internationale producties hoog in vergelijking tot andere
podiumkunstsectoren. De meerjarig ondersteunde FPK-gezelschappen stonden in
de periode 2013 – 2016 in totaal 392 keer per jaar op buitenlandse podia; 17 procent
van al hun voorstellingen. BIS-dansgezelschappen stonden in dezelfde periode in
totaal 104 keer per jaar op buitenlandse podia, oftewel 18 procent van al hun
voorstellingen. Alleen de muziekensembles bij het FPK behaalden een hoger
percentage (22 procent). De verschillen tussen de gezelschappen zijn echter zeer
groot, waarbij een paar gezelschappen tekenen voor het gros van de internationale
optredens en waar slechts een klein aantal instellingen een groot aandeel van zijn
werk in het buitenland speelt. Daartegenover staat een groot aantal gezelschappen
dat zelden of nooit naar het buitenland reist.
                                                                                         37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Top 5
BIS- en FPK-gezelschappen met meeste voorstellingen in het buitenland 2013 – 2016
(in aantallen)
● Deze organisatie wordt per 2017 niet langer meerjarig gesubsidieerd door het FPK.
bron: speellijstapplicaties OCW en FPK)
Top 5
BIS- en FPK-gezelschappen met hoogste aandeel voorstellingen
in het buitenland 2013 – 2016
(in percentages)
● Deze stichting is in Nederland én Vlaanderen gevestigd en werkzaam.
bron: speellijstapplicaties OCW en FPK
     Aandachtspunt
     Voor zo’n internationaal georiënteerd veld is het des te zorgwekkender dat de
     exportvlag er na de bezuinigingen minder wapperend bij staat dan daarvoor.
     In 2008, in zijn advies ‘Strategische keuzes internationaal cultuurbeleid’,
     signaleerde de raad nog dat de Nederlandse moderne dans een vooraanstaande
     internationale positie had ingenomen. Tien jaar later hebben geldgebrek en
     aangescherpte subsidie-eisen het de sector aanzienlijk lastiger gemaakt om
     internationaal te reizen. Gezelschappen die internationale tournees willen
                                                                                    38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>    plannen, stuiten structureel op problemen. Veel van hen hebben de mankracht of
    de middelen niet om dit te realiseren. Dit geldt zowel voor BIS-gezelschappen als
    voor gezelschappen met subsidie van het FPK. De kosten voor internationale
    reizen zijn vaak te hoog om de bestaande subsidie te dragen. Productiehuizen
    zijn minder in staat om actief te bemiddelen in het internationale dansveld,
    terwijl de behoefte aan artistieke en organisatorische uitwisseling groeit.
    Een deel van de bemiddeling en promotie van Nederlandse dans in het
    buitenland wordt gedaan door de organisatie Dutch Performing Arts,
    ondergebracht bij het FPK. Daarnaast is ook de internationale agent in opmars,
    die de belangen van een aantal gezelschappen of makers in het buitenland
    vertegenwoordigt. Het FPK heeft verder een internationaliseringsregeling om
    uitwisseling, internationale tournees en buitenlandse optredens in Nederland
    mogelijk te maken. Deze werpt vruchten af, blijkt uit een evaluatie van
    onderzoeksbureau KWINK in 2017. [ 3 ] De middelen zijn echter beperkt; zo
    werden in de periode 2013 – 2015 in totaal 79 tournees (deels) bekostigd vanuit
    het zogenaamde ‘Snelloket’ van het FPK, op een krappe 400 internationale
    speelbeurten per jaar. Het is raadzaam de rijksmiddelen voor internationale
    tours de komende jaren te verhogen.
Internationaal aanbod in Nederland
Internationale festivals als SPRING, Julidans, Holland Dance, het Holland Festival
en Tweetakt steken hun nek uit om kwalitatief hoogstaand buitenlands dansaanbod
te presenteren. Ook een beperkt aantal schouwburgen programmeert internationale
voorstellingen. Zij vormen een waardevolle aanvulling op het Nederlandse aanbod
en bieden het Nederlandse publiek een perspectief bieden op andere (dans)culturen
en thematieken.
    Aandachtspunt
    Om de publieke belangstelling voor internationaal dansaanbod aan te wakkeren,
    is het in eerste instantie een vereiste dat een zaal of festival al een publiek heeft
    opgebouwd voor dans. Deze belangstelling is op veel plekken in het land niet
    evident. In combinatie met de hoge kosten voor het presenteren van
    internationaal aanbod vinden de meeste theaters de risico’s voor internationale,
    kwalitatieve gastproducties te hoog. Een uitbreiding van de afnameregeling voor
    internationaal aanbod, zoals we ook in het theateradvies bepleiten, zou hiervoor
    een deel van de oplossing kunnen bieden, althans voor die theaters en festivals
    die al duurzaam investeren in publiek voor dans. Hier komen we in de
    ‘Aanbevelingen’ op terug.
Arbeidsmarkt: specifieke eisen aan het vak van danser
Een laatste thema dat we willen behandelen met betrekking tot de stand van zaken
in de professionele danssector zijn enkele specifieke eisen die het dansvak stelt, die
niet (of in veel mindere mate) gelden voor de meeste andere kunstenaars, met
uitzondering van uitvoerend circusartiesten en sommige bewegingsacteurs. Het
betreft het bewaken van de mentale en fysieke gezondheid van de danser door zijn
carrière heen, en de noodzaak om tijdig te anticiperen op een tweede loopbaan
na de danscarrière.
                                                                                          39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Bewaken en bevorderen van de gezondheid van dansers
De danser in een voorstelling is uitvoerend kunstenaar, maar ook sporter. In zijn
werk balanceert hij steeds tussen de artistieke veeleisendheid van het vak en zijn
eigen fysieke kwetsbaarheid. Lange tijd werd in de danssector vooral aandacht
besteed aan de kunst, en stonden de fysieke prestaties ten dienste van de
choreografie. Inmiddels is betere kennis over goed bewegen, een gezonde leefstijl en
goede medische begeleiding behalve tot de sport gelukkig ook tot de danssector
doorgedrongen. De danser ontwikkelt zich steeds vaker tot een gezonde, zelfbewuste
topsporter, die waar nodig begeleiding inroept van fysiotherapeut of diëtist. In
toenemende mate kan hij ook gebruikmaken van verworven kennis uit de sport. Ook
daar is de aandacht voor voeding, crosstraining, herstel, blessurepreventie en -
behandeling de laatste decennia sterk toegenomen.
We zien daarnaast een geruststellende beweging, die gaandeweg ook in de mode
terugkeert, naar een ruimere visie op het vereiste fysiek van een danser. Vooral in de
hedendaagse en urban dans maakt een lang gekoesterd, eenvormig
schoonheidsideaal plaats voor de overtuiging dat elk lijf als krachtig en getalenteerd
kan worden gezien; ook dansers met steviger billen, kortere benen, hogere
vetpercentages of een fysieke handicap. Deze ontwikkeling volgt op een veel bredere
emancipatie van de danser die de laatste vijfentwintig jaar plaatsvond, waarin de
danser niet meer een instrument is in handen van de choreograaf, maar door de
choreograaf veel meer wordt uitgedaagd zijn eigen materiaal – zijn lichaam,
ervaringen, identiteit, geschiedenis – mee te brengen in het creatieproces.
Eigenheid, zelfbewustzijn en mentale en fysieke fitheid zijn daarvoor
stevige voorwaarden.
Een mooie illustratie van de toenemende erkenning van de danser als (top)sporter is
het project ‘Fit to Perform’, ontwikkeld door het lectoraat Performing Arts Medicine
van hogeschool Codarts in Rotterdam. Hierin werkt Codarts samen met onder
andere Het Nationale Ballet en Scapino Ballet aan het ontwerpen van
meetinstrumenten om de fysieke en mentale gezondheid van dansers te monitoren
en aan een protocol om de fysieke en mentale gesteldheid van dansers te verbeteren.
Daarnaast staat bij ditzelfde lectoraat onder andere een promotieonderzoek op
stapel naar de mentale risicofacturen van blessures bij dansers, waarvoor wordt
samengewerkt met de Vrije Universiteit Amsterdam en de Technische
Universiteit Eindhoven.
    Aandachtspunt
    Het blijft noodzakelijk dat werkgevers in de danssector extra alert blijven op de
    mentale en fysieke gezondheid van dansers, en hiermee ook rekening houden bij
    het aangaan van overeenkomsten. In de danskunst doet zich, overigens net als in
    de muziek, een hoog percentage blessures voor. Medische begeleiding dient
    gemakkelijk toegankelijk en betaalbaar te zijn. Daarbij blijft de beroepsgroep
    bovengemiddeld gevoelig voor de druk om slank, licht, sterk en aantrekkelijk te
    blijven; het lichaam is voortdurend under construction. Uit diverse onderzoeken
    blijkt het percentage eetstoornissen onder professionele dansers aanzienlijk
    hoger dan onder de reguliere bevolking. Dit verdient blijvende aandacht van
    werkgevers (gezelschappen) en opleidingen.
                                                                                       40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>    Projecten als ‘Fit to Perform’, waarin opleidingen, wetenschap en de sector de
    krachten bundelen, is naar onze opvatting van het grootste belang om de danser
    van de toekomst gezond te houden. Wij moedigen de sector aan resultaten van
    dit soort onderzoek breed te delen en onderling nog intensiever over dit thema
    met elkaar in gesprek te gaan. Waar mogelijk kan de dialoog worden verstevigd
    met de sportsector om te leren van elkaars bevindingen. Bij het bepalen van
    duurzame tarieven voor (freelance) dansers is het bovendien van belang
    realistische inschattingen te maken van het aantal uren training en rust dat náást
    de repetities en voorstellingen vereist is voor de uitvoering van het vak.
Omscholingsregeling
Omdat dansers hun vak niet tot de wettelijke pensioenleeftijd kunnen uitvoeren,
staan bijna alle dansers voor hun veertigste levensjaar voor een carrièrewissel.
Gemiddeld stopt de danser op zijn 34e met dansen. Vanaf dan, maar liefst al
daarvoor, zal hij of zij zich moeten oriënteren op een volgende loopbaan, binnen de
dans of daarbuiten. Om die reden richtte het Directie Overleg Dans in 1986 het
Omscholingsfonds op, destijds met steun van het ministerie van OCW. Het was een
sociale regeling waaraan werkgevers en werknemers premies moesten bijdragen.
Sindsdien hielp dit fonds, inmiddels beheerd door de organisatie Omscholing
Dansers Nederland, honderden dansers een nieuw spoor te vinden. Per jaar doen
zo’n honderdtwintig dansers kosteloos een beroep op de expertise van de
loopbaanadviseurs van deze regeling. In de periode 2012 – 2016 ontvingen
gemiddeld 72 dansers een toelage voor studie en inkomen; gemiddeld 41 dansers
ontvingen een tegemoetkoming in de studiekosten. [ 4 ] Dansers moeten hiervoor
respectievelijk 96 en 60 premies hebben afgedragen tijdens hun loopbaan. De
Omscholingsregeling biedt dansers een goede manier om zich te heroriënteren op
een tweede loopbaan, en we noemden deze regeling daarom al als best practice in de
‘Verkenning arbeidsmarkt ’‘culturele sector’. [ 5 ]
    Aandachtspunt
    De Omscholingsregeling wordt bekostigd uit premiebijdragen van dansers en
    gezelschappen en overheidssubsidie, die sinds 2009 via de werkgevers naar de
    Omscholingsregeling zouden moeten worden doorgeleid. Het gaat echter niet om
    geoormerkte middelen en de regeling is ruim 20 procent van deze subsidiegelden
    kwijtgeraakt sinds de subsidie niet meer rechtstreeks wordt overgemaakt aan dit
    fonds. Dit heeft negatieve gevolgen voor de regeling en voor de aanspraak die
    dansers hierop kunnen maken. De raad ziet dat gezelschappen, ook als gevolg
    van de bezuinigingen, in toenemende krapte opereren en begrijpt dat de keuze
    om niet (of minder) van hun subsidies af te dragen aan de Omscholingsregeling
    geen geheel vrijwillige keuze is. Toch baart de verslechterde positie van deze
    regeling de raad zorgen. We roepen de minister en het FPK op samen met de
    sector te bekijken hoe een deel van de subsidies toch kan worden aangewend
    voor de Omscholingsregeling, enerzijds door hiervoor een deel van de subsidie te
    oormerken, anderzijds door subsidies waar nodig te verhogen. Dit is in lijn met
    onze eerdere aanbeveling om subsidiebedragen zodanig op te bouwen dat
    medewerkers redelijk kunnen worden vergoed voor hun werk. Een passende
    bijdrage aan de Omscholingsregeling kan door dansgezelschappen ook worden
    overeengekomen in het kader van de Fair Practice Code.
                                                                                       41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>  1
Dit is in absolute zin nog altijd een zeer klein aantal; de
nieuwemakersregeling is bescheiden van omvang.
  2
‘Verkenning arbeidsmarkt culturele sector’, 2016;
‘Passie gewaardeerd’, 2017
Raad voor Cultuur, SER;
‘Over grenzen’
Sectoradvies Theater
Raad voor Cultuur, 2017
  3
Kwink Groep, 2017
  4
Omscholing Dansers Nederland, 2017
  5
‘Verkenning arbeidsmarkt culturele sector’
Raad voor Cultuur, SER, 2016
                                                            42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Dans / De populariteit van dans
         in Nederland / 4. De populariteit van dans in Nederland
          4. De populariteit van dans
          in Nederland
Dans leeft in de Nederlandse maatschappij. Veel mensen dansen: voor het plezier,
als vrijetijdsbesteding, als sport. En veel mensen kijken naar dans: ze zetten de tv
aan voor populaire dansprogramma’s, ze volgen dansartiesten op YouTube of ze
bezoeken voorstellingen en shows in het professionele of amateurcircuit. Dans geeft
een prettig gevoel, het geeft energie, het lucht op. De toegenomen aandacht voor
gezond bewegen in alle levensfasen en voor expressieve en sociale vaardigheden in
het onderwijs en in de zorg vergroten de zichtbaarheid van dans in de maatschappij.
Lang niet elke dansliefhebber koopt een kaartje voor een voorstelling in het theater
of op een festival, maar als we de rol van dans in de maatschappij eens goed
bekijken, doemt een beeld op van de potentie van de dans dat veel hoopgevender is
dan we tot nu toe hebben aangenomen, op basis van de kaartverkoop voor
gesubsidieerd dansaanbod.
Heel Holland Danst
Nederlanders, jong en oud, zwart en wit, lenig en stijf; ze dansen wat af. Ze dansen
op dansscholen, in clubs, op bruiloften, in sportscholen, op festivals. Het aantal
Nederlanders dat in de vrije tijd geregeld danst in een dansschool of sportclub ligt
naar schatting rond de 1,4 miljoen (9 procent van de bevolking van zes jaar en
ouder), en bedraagt zelfs 7,7 miljoen (50 procent) als we de Nederlanders die graag
dansen op feestjes en in uitgaansgelegenheden ook meetellen. [ 1 ] Onder kinderen
van 4 tot 12 jaar staat dansen op de vierde plaats van meest beoefende sporten, na
voetbal, hockey en zwemmen. [ 2 ]
Dansverenigingen, dansscholen en dansworkshops in Nederland zijn talrijk. Uit
recente cijfers van de Kamer van Koophandel blijkt dat het aantal (geregistreerde)
dansscholen de afgelopen vijf jaar met 52 procent is toegenomen, van
1.569 dansscholen in 2013 tot 2.388 dansscholen nu. [ 3 ] De toename van
dansscholen die zich specialiseren in dans voor kinderen was 117 procent; van 76
naar 165. Het aantal balletscholen steeg met 56 procent; van 54 in 2013 tot 84 op dit
moment. Het aantal hiphopscholen maakte een groei door van 61 procent; van 28
naar 45. Een deel van de toename is mogelijk verklaarbaar doordat grotere
dansscholen de deuren hebben moeten sluiten als gevolg van een verslechterd
cultureel klimaat, waarna veel docenten eigen, veel kleinere dansscholen zijn
begonnen. Kunstbalie constateerde in 2016 een grote toename van dansscholen die
worden gerund door één of twee zzp’ers. [ 4 ] Maar ook onderschrijft de toename
duidelijk de blijvende of zelfs stijgende populariteit van dans.
                                                                                      43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Veel sportscholen, culturele centra en particuliere docenten bieden danslessen aan.
Van de mensen die dansen doet 49 procent dat op een dansschool, 15 procent in een
buurthuis, wijkcentrum of activiteitencentrum, 15 procent in een
sportaccommodatie, 12 procent in een verenigingsgebouw en 8 procent op een
school of buitenschoolse opvang. 10 procent van de mensen leert zichzelf dansen
met behulp van digitale voorbeelden op internet of apps: de hoeveelheid
instructievideo’s op sociale media neemt met de dag toe (op 14 mei 2018 gaf
YouTube 27,8 miljoen resultaten op de zoekterm ‘dance tutorial’).
Voor ieder is er wel een dansstijl: van stijldans tot breakdance, van volksdans tot
salsa of flamenco, van ballet tot dans op rolschaatsen of ijsschaatsen, van
paaldansen tot dansen in een rolstoel. De meeste dansvormen kennen hun eigen
verenigingen (soms zelfs meer), wat het lastig maakt de totale vrijetijdsdans in kaart
te brengen.
Optredens
Met de enorme bedrijvigheid in de vrijetijdsdans gaat ook een actieve
voorstellingspraktijk gepaard; 28 procent van de mensen die in hun vrije tijd
dansen, treedt weleens op. Dat gebeurt vooral in theater-, dans- of concertzalen,
maar ook in bijvoorbeeld buurthuizen, sportzalen of op festivals en concoursen.
Opvallend is het aantal mensen dat online ‘optreedt’ via social media: dit doet maar
liefst 15 procent. [ 5 ]
Wedstrijden
Dans wordt van oudsher ook in wedstrijdverband beoefend. Getalenteerde
Nederlandse dansers kunnen in Nederland en in het internationale circuit
deelnemen aan talloze informele wedstrijden, van heel kleinschalig (tussen de leden
van één dansschool) tot internationaal, op basis van vrije inschrijving door crews,
duo’s en solodansers van alle leeftijden. Er zijn wedstrijden die zijn gericht op alle
dansstijlen – urban, freestyle, jazz, ballet, modern, rolstoeldans en ga zo maar door
– en de aantrekkingskracht schuilt er vaak in dat dansers hun entree mogen maken
in professionele theaters, voor een volle zaal.
Een bijzondere positie, ergens tussen de beroepsdanser in de podiumkunst en de
amateurdanser bij de dansvereniging, neemt de wedstrijddanser in. Het
Internationaal Olympisch Comité (IOC) heeft in 1997 de danssport officieel erkend.
De professionaliteit en de organisatie van nationale en internationale wedstrijden
worden in Nederland bevorderd door twee bonden die elk hun eigen
stijldanswedstrijden organiseren: De Nederlandse Algemene Danssport Bond
(NADB), opgericht in de jaren zestig, sinds 1997 lid van de NOC*NSF en daarnaast
aangesloten bij de World Dance Sport Federation, en de WCD Dutch Amateur
League, die is aangesloten bij de World Dance Council Amateur League.
Hoewel de World Dance Sport Federation zich daarvoor wel heeft ingezet, is de
danssport tot nu toe geen olympische medaillesport geworden. Wel is het een sport
op de Wereldspelen (in 2005 als medaillesport) en is het een medaillesport op de
Aziatische Indoorspelen. Dit jaar maakt breakdance bovendien voor het eerst
onderdeel uit van de Jeugd Olympische Spelen, in oktober in Buenos Aires.
                                                                                       44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Het onderscheid tussen profs en amateurs is in de traditionele wedstrijddans eerder
vergelijkbaar met de situatie in bijvoorbeeld de wielersport, waar amateurs die door
hun talent komen bovendrijven de keuze kunnen maken om prof te worden. In de
wedstrijddans is ‘prof’ een categorie en duidt de term niet op een beroepsstatus;
dansers betalen juist flink voor deelname aan (internationale) lessen en wedstrijden.
Alleen wie er met de prijzenpot vandoor gaat of op basis van vele gewonnen prijzen
wordt uitgenodigd om shows te komen geven, maakt kans iets aan het dansen te
verdienen. Door de opkomst van vele andere dansvormen en de afname van het
aantal jonge mensen dat voor stijldansen kiest, is het aantal deelnemers aan de
wedstrijddans in Nederland de afgelopen decennia aanzienlijk afgenomen.
De NADB krijgt een kleine vergoeding van NOC*NSF. Vroeger kreeg deze bond ook
wat geld om getalenteerde dansers te ondersteunen (‘topsportondersteuning’) maar
sinds de lancering van haar nieuwe topsportagenda (2012 – 2016) geeft NOC*NSF
alleen nog topsportondersteuning aan sporten die kans maken op een top-10-
kwalificatie op een EK of WK. Dans komt daar niet voor in aanmerking. Wel hebben
enkele wedstrijddansers een topsportstatus van NOC*NSF, waarmee ze incidenteel
een beroep kunnen doen op gemeentelijke subsidiepotjes voor het bezoeken van
belangrijke toernooien.
Om de belangen voor de dans beter te kunnen behartigen, streeft NOC*NSF er
samen met de NADB naar om alle bonden voor verschillende stijlen (stijldans,
streetdance, rolstoeldansen, salsa et cetera) te verenigen in één federatie. Tot op
heden is dat echter nog niet gelukt.
    Aandachtspunten
    Uit diverse onderzoeken en een veldverkenning die het LKCA specifiek voor dit
    sectoradvies uitzette onder professionals uit de danseducatie en de amateurdans,
    komen enkele knelpunten ten aanzien van de vrijetijds- en amateurdanssector
    herhaaldelijk naar voren.
    Een eerste veelgenoemd knelpunt is een gebrek aan middelen en aan
    plekken/faciliteiten voor lessen, repetities en uitvoeringen. Van alle
    amateurdansers, bijna ongeacht of ze in een stedelijke of niet-stedelijke
    omgeving wonen, ervaart 8 procent dat er te weinig ruimtes beschikbaar zijn
    waar ze hun dansactiviteiten kunnen ontplooien. 8 procent vindt ook dat er te
    weinig les wordt gegeven in de eigen omgeving, en 6 procent ervaart een gebrek
    aan podia om op te treden. [ 6] Een onderzoek van Kunstbalie naar (onder
    andere) het amateurdansveld onderschrijft dit voor de provincie Noord-Brabant:
    een gebrek aan oefenruimte en uitvoeringslocaties bleek veel dansverenigingen
    parten te spelen. Ook kampten veel respondenten met te lage inkomsten en te
    hoge uitvoeringskosten. [ 7 ]
    Een tweede knelpunt waarmee de amateurdanssector zich geconfronteerd ziet, is
    het gebrek aan begeleiding en scholing van dansdocenten – gepaard aan de grote
    aanwas van (niet altijd geschoolde) docenten. Omdat dansdocent een
    onbeschermd beroep is en iedereen een dansschool kan beginnen of danslessen
    kan aanbieden, is er enerzijds sprake van een moordende concurrentie en
    anderzijds van een gebrek aan kwaliteit die zich moeilijk laat coördineren.
    Hiervan zijn goede, gekwalificeerde dansdocenten
                                                                                      45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>    Ten derde heeft het amateurdansveld op veel plekken in het land behoefte aan
    meer coördinatie, belangenbehartiging en kennisuitwisseling, juist ook om onder
    meer bovenstaande problemen te ondervangen. In het genoemde onderzoek van
    Kunstbalie liet de Noord-Brabantse amateurdanssector weten behoefte te
    hebben aan steun bij lobby, faciliteiten, juridische en inhoudelijke informatie,
    (bij)scholing van dansdocenten en festivals om het gemaakte werk te tonen. Voor
    Brabant zijn deze resultaten opgepakt door deDansPunt, sinds zestien jaar de
    koepelorganisatie voor de amateurdans in Noord-Brabant, en enkele partners,
    zoals Dansbelang en DansBrabant. [ 8 ] Navraag leert dat in andere provincies
    soortgelijke problemen op de agenda staan. In Friesland hebben op initiatief van
    Keunstwurk alle organisaties die zich binnen de provincie bezighouden met
    amateurdans, danseducatie en -opleiding hun krachten recentelijk gebundeld in
    De Friese Dansimpuls. DeDansPunt en Keunstwerk organiseren beide ook
    festivals, respectievelijk Kick Off en De Friese Dansdagen (dit jaar voor het
    eerst), die kunnen helpen amateurdans steviger op de kaart te zetten in de
    provincie. Door het land heen wordt een gebrek aan dit soort festivals ervaren.
    Er ligt een taak voor gemeenten en stedelijke cultuurregio’s om de
    basisvoorzieningen voor danseducatie en -participatie in kaart te brengen en
    deze infrastructuur waar nodig te verstevigen, rekening houdend met de eigen
    bevolkingssamenstelling en danscultuur. Hierbij is het niet alleen gewenst extra
    middelen beschikbaar te stellen, maar ook om te zorgen voor fysieke ruimtes die
    voldoende geoutilleerd zijn om er te kunnen dansen, wat eisen met zich
    meebrengt op het gebied van afmeting en veiligheid. De verschillenden
    belangenverenigingen in de sector roepen we op zich te bundelen en een
    gezamenlijke agenda op te stellen. Hierin kunnen afspraken en doelstellingen
    worden opgenomen met betrekking tot de omgang met ongekwalificeerde
    docenten en overige kwaliteitsbewaking, belangenbehartiging jegens overheden,
    kennisdeling met dansverenigingen en -scholen, vergroting van zichtbaarheid
    jegens leden/deelnemers en publiek, en samenwerkingsmogelijkheden met
    maatschappelijke en culturele partners en het onderwijsveld.
Dansen is gezond
Het mag duidelijk zijn: Nederland danst graag. Deze grote populariteit onder de
Nederlandse bevolking is niet alleen een indicator voor een grote culturele
belangstelling (en daarmee het domein van het ministerie van OCW, cultuurfondsen
en cultuurafdelingen van gemeenten en provincies); de belangstelling voor dans is
voor veel mensen ook sportief of sociaal gemotiveerd. Daarmee is dans ook een
relevant aandachtsgebied voor de domeinen waarmee het ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) zich bezighoudt.
In het voorwoord verwezen we al naar het onderzoek van Bryson en MacKerron, die
vaststelden dat mensen hun geluksgevoel met 9,29 procent voelden stijgen door het
bezoeken van een voorstelling en met 6,95 procent door zelf te performen. Hun
geluksgevoel steeg ook nog eens met 8,1 procent door zelf te bewegen. Wie even
rondneust in academische databases vindt talloze onderzoeken uit gerenommeerde
medische en sociale tijdschriften die het positieve effect van dansen op het welzijn
en op de gezondheid onderschrijven; zo kan dansen depressie, obesitas en dementie
afremmen en bijdragen aan een betere stemming en een groter zelfvertrouwen.
                                                                                     46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Ook de effecten van dans op de fysieke conditie zijn groot. Van de mensen die
geregeld dansen voldoet 60 procent aan de Norm Gezond Bewegen, waar het
gemiddelde van de Nederlandse bevolking op 46,5 procent ligt. [ 9] De
Gezondheidsraad becijfert op basis van de MET-waarde (Metabolic Equivalent of
Task) of Nederlanders aan de door deze raad opgestelde beweegrichtlijnen voldoen.
De MET-waarde van dans loopt uiteen van 3 (‘matig intensief bewegen’) voor
ballroomdansen tot 7,3 (‘zwaar intensief bewegen’) voor streetdance. Door te dansen
voldoen jongeren tot en met 18 jaar al gauw aan het advies van de Gezondheidsraad
om dagelijks een uur matig tot zwaar intensief te bewegen; volwassenen komen met
een avond dansen dicht in de buurt van het voor hen geldende advies van
150 minuten per week.
Met de toegenomen aandacht voor een gezonde levensstijl, en toenemend bewijs
voor het effect van beweging op veroudering, hersenfuncties en mentale gezondheid,
komt ook de rol van dans in de samenleving in een nieuw daglicht te staan. Dans
wint aan aandacht van overheden, scholen en zorginstellingen die inwoners,
leerlingen of patiënten willen aanzetten tot meer bewegen. Door de veelzijdigheid
van dans kan iedereen een dansvorm van zijn gading en niveau vinden.
In dit licht bezien, is de recente oproep van de Raad voor Volksgezondheid
en Samenleving interessant om ‘de opbrengsten van werk, woning, opleiding,
voeding en vrijetijdsbesteding voor een gezond leven’ een grotere rol te laten spelen
in een visie op een gezonde samenleving. ‘Investeren in een gezonde samenleving
betekent dat er veel meer dan nu gebeurt aandacht is voor de bijdragen die andere
sectoren van de samenleving aan de volksgezondheid leveren. Er wordt veel
gesproken over het belang van preventie, maar vooralsnog is de investering in
preventie uiterst beperkt en ligt het initiatief hiervoor nog te veel binnen het domein
van zorg en hulp alleen. De RVS verwacht dat meer oog voor de feitelijke en
mogelijke opbrengsten die andere domeinen voor volksgezondheid hebben het
smalle debat over de betaalbaarheid van zorg en hulp in Nederland verruimt.’ [ 10 ]
Deze oproep nemen we hier graag over.
Op beperkte schaal zien we de dans al doordringen tot het domein van de zorg; hier
liggen volgens ons nog veel meer kansen. In bijvoorbeeld het onderwijs wordt dans
juist weinig gekozen als kunstvorm, terwijl hier juist een tweeledig doel kan worden
gediend: kunstonderwijs én gezond bewegen.
Dans in het onderwijs
Gezien de grote populariteit van dans, vooral ook onder kinderen en jongeren, en
gezien het inmiddels erkende effect van dansen en bewegen op de ontwikkeling van
motorische, conditionele, creatieve, cognitieve, emotionele én sociale vaardigheden,
zouden we verwachten dat scholen voor basis- en voortgezet onderwijs op grote
schaal ruimte maken voor dans. Het feit dat daarmee ook nog twee onderwijsdoelen
tegelijk worden gediend – het kunst- en cultuuronderwijs én het beweegonderwijs –
ondersteunt die veronderstelling alleen maar. Dans sluit niemand uit op basis van
intellectuele verschillen of op basis van een taalachterstand; het is daarmee een
kunstvorm die kinderen van elk leerniveau kunnen begrijpen en uitproberen. En
dans opnemen in het curriculum náást de gymles kan bovendien de
bewegingsachterstand van veel kinderen helpen verminderen. We verwijzen wat dat
betreft graag naar de ‘Leefstijlmonitor’ van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid
                                                                                        47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>en Milieu (RIVM), die laat zien dat slechts 37 procent van de jongeren tussen de 12
en 17 jaar en slechts 56 procent van de kinderen tussen 4 en 12 jaar voldoen aan
de Beweegrichtlijnen. [ 11 ] Door actief dansonderwijs op te nemen in het lespakket
kunnen scholen de mentale en fysieke gezondheid van hun leerlingen bevorderen –
waarbij ook kinderen worden aangesproken die zich minder door het competitieve
aspect van de sportles voelen aangetrokken. [ 12 ] We signaleren, kortom, enkele
mooie kansen voor dans als structureel onderdeel van het onderwijs.
Toch zien we hier nog geen optimistisch beeld. Hoewel er de laatste jaren een goed
integraal, inhoudelijk en didactisch fundament is gelegd voor het vak dans in het
basisonderwijs, onder andere via de Kennisbasis Dans en Drama voor de Pabo en
het programma ‘Cultuureducatie met Kwaliteit’ van het Fonds voor
Cultuurparticipatie, dringt in de praktijk deze kwaliteitsimpuls moeizaam door tot
het basisonderwijs. [ 13 ] [ 14 ] [ 15 ] Enkele scholen ontwikkelen boeiende langlopende
leerlijnen waarin aandacht is voor productie, receptie en reflectie van dans, maar de
meeste scholen kiezen eerder voor andere kunstvormen, zoals theater
of beeldende kunst.
Uit een onderzoek uit 2016 bleek vooral een gebrek aan visie, middelen en
bekwaamheid scholen te belemmeren om voor dans te kiezen: 30 procent van de
basisscholen acht zich ‘geheel onbekwaam’ om les te geven op het gebied van dans
en beweging, en slechts 6 procent noemt zich ‘in grote mate bekwaam’. [ 16 ]
Daarnaast is er op scholen een tekort aan goede leermiddelen en materialen en is de
druk op de onderwijstijd hoog.
Ook in het middelbaar onderwijs blijft dans een ondergeschoven kind. Slechts
18 procent van de scholen biedt het vak in het eerste jaar aan; 9 procent biedt dans
aan als keuzevak in de onderbouw en slechts 4 procent biedt het aan
als eindexamenvak. [ 17 ]
    Aandachtspunten
    Rijksgesubsidieerde dansgezelschappen, zelfs de jeugddansgezelschappen,
    hebben moeite hun educatieprogramma’s af te zetten bij scholen, omdat die
    maar weinig voor dans kiezen en omdat dit professionele aanbod relatief duur is.
    Voor scholen staat de ontwikkeling van het creatieve vermogen van de leerling
    centraal in het dansonderwijs. Hiervoor vinden veel scholen een bezoek aan een
    professionele dansvoorstelling niet per se nodig, of ze hebben hier onvoldoende
    middelen voor; YouTube-filmpjes bekijken is een goedkopere manier om het
    doel te bereiken. Deze opvatting is vanuit de professionele dans moeilijk te
    onderschrijven, gezien de grote waarde van juist de live ervaring en interactie
    tussen performers en publiek in de podiumkunsten. De doelstellingen vanuit het
    onderwijs sluiten onvoldoende aan op de doelstellingen vanuit de
    podiumkunstsector om door middel van educatie kinderen en jongeren intensief
    bij voorstellingen en bij de kunstvorm dans te betrekken, en daarmee ook het
    publiek te vergroten en een publiek voor de toekomst te creëren.
                                                                                         48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>    Het wegvallen van veel regionale steunpunten – de bemiddelaars tussen scholen
    en gezelschappen – onder invloed van de bezuinigingen in de afgelopen jaren
    heeft de toenadering tussen dansgezelschappen en scholen alleen maar verder
    bemoeilijkt. Dit is mede problematisch omdat de BIS-gezelschappen een
    expliciete opdracht hebben om een educatie-aanbod te ontwikkelen.
    Om deze problematiek het hoofd te bieden, roepen wij de artistieke danssector
    op de handen ineen te slaan om collectief een programma te ontwikkelen ter
    vergroting van het dansaanbod in het primair en voortgezet onderwijs. Hierbij
    kan worden geleerd van het succes van het programma ‘Méér Muziek in de Klas’
    en kan gebruik worden gemaakt van onderzoeken die het effect van dans op de
    mentale en fysieke gezondheid van kinderen en jongeren aantonen.
    Mede met het oog op het geconstateerde ongemak van veel scholen/docenten om
    dans te onderwijzen, adviseren we de sector om een programma te ontwikkelen
    om zich de komende jaren collectief te presenteren aan het onderwijs en het
    gesprek met docenten aan te gaan over waarde, nut en noodzaak van dans. Zo
    kunnen scholen worden aangezet vaker voor dans te kiezen, als een van de
    weinige niet-talige, fysieke kunstvormen. Hierbij kan ook de amateurdanssector
    worden betrokken, die vaak regionaal steviger geworteld is.
    Aansluitend op ons advies over theater bepleiten we daarnaast een hernieuwde
    aandacht voor de bemiddeling tussen aanbieders en scholen en voor andere
    manieren om de relatie tussen onderwijs en de cultuursector te bestendigen. Ook
    adviseren we het programma ‘Cultuureducatie met kwaliteit’ van het Fonds voor
    Cultuurparticipatie na 2020 te verlengen en uit te breiden.
    Het is verder van belang dat gezelschappen meer middelen kunnen vrijmaken
    voor hun educatieve inspanningen. In hun recente oproep aan de overheid en
    culturele partners wijzen de Nederlandse jeugddansgezelschappen onder andere
    op het gebrek aan middelen om educatie een structurele plek te geven in het
    aanbod en er constructief beleid op te maken. [ 18 ] Zij verwijzen onder meer naar
    het rapport ‘Pluspunten’ uit 2011, dat toen al de vinger legde op het
    spanningsveld tussen educatie en voorstellingsproductie. De exploitatie van
    beide zouden afzonderlijk inzichtelijk moeten worden gemaakt en afzonderlijk
    moeten worden bekostigd door subsidiënten. [ 19 ] Wij adviseren overheden en
    fondsen om de eisen voor het behalen van eigen inkomsten te matigen waar
    dansgezelschappen educatieve activiteiten ontplooien en afzetten.
Dit jaar komen de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, de Onderwijsraad en
de Nederlandse Sportraad met een advies over sport en bewegen in het onderwijs.
De danssector kan mogelijk gebruikmaken van de resultaten van dit onderzoek.
Heel Holland Kijkt?
In 2013 publiceerde het SCP een voor de danssector hoopgevend onderzoek. [ 20 ] Dit
onderzoek toonde aan dat het potentiële publiek voor dansvoorstellingen veel groter
is dan het aantal daadwerkelijke bezoekers. Van de Nederlandse bevolking zegt zo’n
45 procent geïnteresseerd te zijn in dans (van ‘een beetje’ tot ‘zeer’ geïnteresseerd).
Ongeveer een kwart van de bevolking kijkt weleens naar dans op tv of dvd. Dat is een
                                                                                        49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>ongekend groot aandeel Nederlanders. En de dansconsumptie via internet was in dit
onderzoek dan nog niet meegenomen.
Wat bleek echter? Slechts 9 procent van de bevolking gaf aan zijn interesse in dans
ook weleens om te zetten in een bezoek aan een dansvoorstelling. [ 21] Er is dus een
grote groep potentiële bezoekers die niet wordt bereikt: 36 procent van de bevolking
zou wel geïnteresseerd zijn in dans, maar niet de stap maken om voorstellingen
te bezoeken.
Kijken we naar cijfers en onderzoeken over bezoek aan gesubsidieerde dans, dan
zien we inderdaad dat die (sterk) achterblijven bij de belangstelling van
Nederlanders voor dans. Al in 2003 signaleerde de raad dat de moderne dans in
Nederland er in artistiek opzicht zeer goed voor stond – zij kenmerkte zich door
‘individualiteit, originaliteit, vindingrijkheid en vrijheid’ – maar dat het publiek voor
kleinschalige dans in het hele land (met uitzondering van Noord- en Zuid-Holland)
achterbleef. [ 22] Dansgezelschappen werden te weinig geboekt omdat theaters het
risico niet konden nemen bij gebrek aan danspubliek; en potentieel publiek kwam
niet in aanraking met dans omdat er te weinig dans in de theaters was. Vijftien jaar
later kunnen we constateren dat deze vicieuze cirkel nog niet is doorbroken. Nog
steeds kampt dans vooral buiten de grote steden met een afnameprobleem en een
gebrek aan publieke belangstelling (of aan bekendheid).
Het SCP telde in 2012 949.000 mensen die dat jaar specifiek een klassieke of
moderne dansvoorstelling hadden bezocht, ofwel 5 à 6 procent van de bevolking. [ 23 ]
De landelijk gesubsidieerde dansgezelschappen en productiehuizen trokken in de
periode 2013 – 2016 samen ruim 542.000 bezoekers per jaar. [ 24]
Diverse onderzoeken schetsen de bezoeker van ballet en moderne dans als
hoofdzakelijk hoogopgeleid, bemiddeld, 50-plus, vrouw en van westerse afkomst.
Ook wonen bezoekers vaker in een stedelijke omgeving. Hoewel vooral
programmeurs uit grote steden dit beeld nuanceren – het danspubliek in enkele
grootstedelijke schouwburgen lijkt juist jonger dan het publiek voor theater en ook
meer gevarieerd – is het wel de moeite waard hier een nadere blik op te werpen.
Gegevens van OCW en het FPK ondersteunen dat het publiek voor de meerjarig
rijksgesubsidieerde gezelschappen buiten de negen grote cultuursteden (G9) lager is
dan in die steden. Zo spelen de BIS-gezelschappen ruim een kwart van hun
voorstellingen elders in het land, maar ze bereiken daar maar 15 procent van hun
publiek. Zalen zitten er gemiddeld halfvol. Ter vergelijking: in Amsterdam,
Rotterdam, Den Haag en Utrecht spelen ze bijna 40 procent van hun voorstellingen,
en bereiken daarmee de helft van hun publiek. Een iets betere spreiding van
voorstellingen en publiek zien we bij de FPK-gezelschappen, die meestal in kleine
zalen staan. Hun publiek is wat evenrediger verspreid over het land – maar daarbij
moet worden aangetekend dat hun bezettingsgraden gemiddeld ook lager zijn en
minder hoge pieken vertonen in de vier grote steden. [ 25 ]
Er schuilt altijd een zeker risico in het vergelijken van cijfermateriaal over
bezettingsgraden en bezoekersaantallen. Het is niet vreemd dat een gezelschap in
een dunner bevolkte omgeving minder bezoekers trekt dan in een dichtbevolkte
stad. Bovendien is er in de grote steden vaak een fijnmazig netwerk aan zalen,
waardoor gezelschappen hun voorstelling kunnen spelen in een ‘zaal op maat’.
                                                                                          50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Wanneer ze toeren met een productie, wordt dat anders; buiten de Randstad zijn
veel minder vlakkevloerzalen, waardoor aanbod dikwijls in te grote, minder
geschikte zalen terechtkomt.
Toch lijken we op basis van deze gegevens wel te kunnen constateren dat het aanbod
dat veelal in de grote steden wordt ontwikkeld en daar goed loopt, minder goed
‘past’ in andere regio’s. Onbekendheid met het gezelschap, een andere
bevolkingssamenstelling, een andere artistieke belangstelling kunnen allemaal
belemmeringen vormen voor publiek buiten de grote steden om gesubsidieerde
voorstellingen te bezoeken. Daarbij mag het dansaanbod in grotere steden dan meer
publiek bereiken, dat betekent nog niet dat dit ook een divers publiek betreft; ook
hier blijft de belangstelling van lager opgeleiden en mensen met diverse culturele
achtergronden achter.
Het SCP-onderzoek uit 2013 geeft, behalve een hoopvolle kijk op de interesse van
Nederlanders voor dans, een bruikbare eerste aanzet tot de beantwoording van de
vraag waarom sommige belangstellenden wel een kaartje kopen voor een
dansvoorstelling en andere belangstellenden niet. Anders dan vaak wordt gesteld,
zijn voor de interesse in dans het opleidingsniveau, inkomen of de woonomgeving
nauwelijks relevant. De belangstelling voor dans is (anders dan bij veel andere
kunstvormen!) vrij evenwichtig verdeeld onder de bevolking.
Pas als we kijken naar het daadwerkelijke bezoek aan dans, zien we dat dit
gedomineerd wordt door hoger opgeleiden en door mensen die in een ‘cultureel
actieve sociale omgeving’ verkeren. Hoogopgeleiden blijken hun interesse voor dans
drie keer vaker om te zetten in een bezoek aan een voorstelling dan lager opgeleiden.
En mensen uit een cultureel minder actieve sociale omgeving gaan minder naar
dans, ook al zijn ze evenzeer in dans geïnteresseerd. Dit betekent dat, mits
dansgezelschappen er beter in slagen hun werk af te stemmen op diverse
doelgroepen, het publiek voor dans potentieel sterk kan stijgen. De vraag wat
daarvoor nodig is, is uiteraard nog niet zo eenvoudig beantwoord. Het is aan de
danssector, de theaters en festivals, en de verschillende overheden om hier de
komende periode antwoorden op te formuleren.
                                                                                      51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>  1
Dansen, een gezonde vorm van bewegen!
Sociaal en Cultureel Planbureau, TNO, 2006;
Kunstzinnig en creatief in de vrije tijd.
Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst, 2017;
Sport en Cultuur.
Sociaal en Cultureel Planbureau, 2016
  2
Tabel ‘Dertig meest beoefende takken van sport naar achtergrond-
kenmerken, bevolking 4 jaar en ouder’.
Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor
CBS i.s.m. RIVM, 2017
  3
Flinke toename in dansscholen.
Kamer van Koophandel, 2018
  4
Behoefteonderzoek koorzang, theater en dans.
Kunstbalie, 2016
  5
Kunstzinnig en creatief in de vrije tijd.
Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst, 2017
  6
Kunstzinnig en creatief in de vrije tijd.
Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst, 2017
  7
Behoefteonderzoek koorzang, theater en dans.
Kunstbalie, 2016
  8
Dansend Brabant.
DeDansPunt, 2017
  9
Dansen, een gezonde vorm van bewegen!
Sociaal en Cultureel Planbureau, TNO, 2006;
Leefstijlmonitor.
CBS i.s.m. RIVM, 2017
  10
De Zorgagenda voor een gezonde samenleving.
Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, 2018
  11
Leefstijlmonitor.
CBS i.s.m. RIVM, 2017
  12
Danseducatie en sportonderwijs.
Kool, L., 2013
  13
Hierin wordt de relevante vakkennis voor het vakgebied dans
vastgesteld; op dit moment wordt gewerkt aan een herziening.
Implementatie wordt verwacht met ingang van het studiejaar 2019 –
2020.
  14
Dit programma bevordert de samenwerking tussen scholen en
culturele instellingen en zet in op langere leerlijnen in plaats van op
eenmalige bezoeken.
                                                                        52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>  15
Visiedocument VONKC voor curriculum.
VONKC, 2017
  16
Monitor Cultuuronderwijs in het primair onderwijs en programma
Cultuureducatie met kwaliteit.
Kruiter, J., Hoogeveen, K., e.a., 2016
  17
Visiedocument VONKC voor curriculum.
VONKC, 2017
  18
Een dringende oproep van Nederlandse jeugddansgezelschappen.
Danstheater AYA, De Dansers, DOX e.a., 2018
  19
Pluspunten: het potentiële verdienvermogen van jeugdproducenten.
Nederlandse Associatie voor Podiumkunsten, 2011
  20
Kunstminnend Nederland?
Sociaal en Cultureel Planbureau, 2013
  21
Kunstminnend Nederland?
Sociaal en Cultureel Planbureau, 2013
  22
Vooradvies dans 2005 – 2008.
Raad voor Cultuur, 2003
  23
Het SCP spreekt zelf over 6 procent; uitgaande van een bevolking van
15,81 miljoen personen van zes jaar en ouder in dat jaar, zou dit om
circa 949.000 bezoekers gaan.
Culturele activiteiten in 2012.
Sociaal en Cultureel Planbureau, 2012
  24
Let op dat in dit laatste cijfer ook de mensen zijn meegenomen die
vaker dan eens per jaar een voorstelling bezoeken.
  25
Er zijn binnen de BIS en FPK-gezelschappen overigens grote
verschillen tussen instellingen; er zijn ook gezelschappen die niet aan
de vraag naar hun voorstellingen kunnen voldoen.
                                                                        53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Dans / Aanbevelingen / 5. Aanbevelingen
         5. Aanbevelingen
Zoals we hebben laten zien, kent de Nederlandse danscultuur een grote potentie. De
kwaliteit en de innovatieve kracht van de artistieke danssector zijn groot. De
Nederlandse bevolking toont zich massaal liefhebber van dans. En er is een
bloeiende amateurdanssector die voorziet in lessen, wedstrijden en ruimtes
om te dansen.
Toch wordt die grote potentie niet ten volle benut. Het lukt dansgezelschappen en
theaters niet of onvoldoende om in het hele land structureel publiek op te bouwen.
Vooral buiten de grote steden blijft het publiek voor de danskunst beperkt in
omvang en diversiteit, maar ook binnen die steden is het vooral een hoogopgeleid,
traditioneel westers publiek dat affiniteit heeft met het bestaande aanbod.
Wat gaat hier nu mis? Hoe kunnen we de mismatch tussen dansminnend Nederland
en het artistieke dansaanbod buiten de grote steden verklaren? En hoe kunnen de
sector en de overheid dit gezamenlijk oplossen? In dit laatste hoofdstuk benoemen
we enkele factoren die volgens ons verklaren waarom de dans op veel plekken te
weinig zichtbaar of te weinig gewild is. Twee aspecten behoeven verbetering:
enerzijds de pluriformiteit, toegankelijkheid en zichtbaarheid van het aanbod,
anderzijds de maatschappelijke inbedding van de danssector.
Cultuurpolitieke doelen
Aan het begin van dit advies hebben we gewezen op enkele cultuurpolitieke doelen
waaraan cultuurbeleid volgens de raad moet voldoen. Een ervan is dat ons land een
pluriform kunstaanbod nodig heeft, waarin verschillende vormen van kunst – nieuw
en oud, toegankelijk en complex, divers in stijl en genre – naast elkaar kunnen
bestaan. Een ander cultuurpolitiek doel, hieraan nauw gerelateerd, is dat het totale
kunstaanbod in ons land de gehele diverse Nederlandse populatie moet aanspreken,
wat vraagt om een breed aanbod in termen van genres, stijlen en presentatie.
Het is een taak van de overheid om te zorgen voor een kunstaanbod dat niet door de
markt tot stand kan wordt gebracht, maar dat wel bijdraagt aan die gewilde
pluriformiteit en toegankelijkheid.
In veel kunstdisciplines, waaronder theater of muziektheater, bestaat er van oudsher
een vrij of ongesubsidieerd circuit van producenten die voor eigen risico populair
aanbod maken. Daarnaast staan de gesubsidieerde theatermakers, die zich meer
toeleggen op artistiek experiment, innovatie of topkwaliteit; dit is veelal duurder of
gedurfder werk, dat commerciële partijen zich niet kunnen permitteren omdat bij
voorbaat niet vaststaat wat de artistieke uitkomst zal zijn en of er publieke
belangstelling voor is. Subsidiërende overheden zijn in deze genres vooral
verantwoordelijk voor het bevorderen en aanwakkeren van experiment, innovatie en
topkwaliteit. Samen met de markt ontstaat zo idealiter een compleet, pluriform
aanbod, waarin iedere Nederlander iets van zijn gading kan vinden.
                                                                                       54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>In de dans ziet het totaalplaatje er iets anders uit. Zoals we hebben gezien, is er naast
het artistieke, doorgaans gesubsidieerde, dansaanbod nauwelijks een vrije sector. Er
is weliswaar commercieel aanbod, maar dit betreft heel ander werk: het gaat hier om
populaire dansshows en slechts zelden om hedendaagse dans of ballet. Om een
pluriform danskunstaanbod te verzekeren, waarin elke Nederlander die potentieel in
dans geïnteresseerd is zich kan vinden, staat de overheid dus meer te doen dan
alleen artistiek experiment, innovatie en topkwaliteit te ondersteunen. Het is net zo
belangrijk om toegankelijk aanbod te helpen ontstaan; om publiek de stap te bieden
om kennis te maken met de dans en zich eventueel, eenmaal gewonnen voor het
genre, aan een complexer aanbod te wagen.
Die toegankelijke laag lijkt nu grotendeels te ontbreken, op het (bescheiden) aanbod
van de BIS-gezelschappen, de jeugddansgezelschappen en het urban dance-aanbod
na. Veel hedendaagse dans voor de kleine zaal of de vlakke vloer betreft artistieke
experimenten die vooral een ingewijd danspubliek aanspreken. Dit publiek bevindt
zich met name in de grotere steden, waardoor dit dansaanbod slechts mondjesmaat
belangstelling trekt van programmeurs en publiek in de rest van het land.
Onbekendheid met experimentele dans en een gebrek aan zichtbaarheid onder veel
Nederlanders spelen de danssector hier parten.
Dat leidt tot een zorgwekkend beeld: zalen zitten niet vol, voorstellingen die in Den
Haag of Amsterdam voldoende publiek op de been brengen, trekken te weinig
bezoekers in het oosten of noorden van het land, programmeurs weten het aanbod
slecht te vinden of te verkopen. Dit alles heeft negatieve gevolgen voor de
ontwikkelmogelijkheden voor choreografen en dansers en voor de financiële
gezondheid van de sector.
Hieronder doen we enkele voorzetten om de pluriformiteit, toegankelijkheid en
zichtbaarheid van het dansaanbod te bevorderen, om dans beter te laten aansluiten
op potentieel publiek in het hele land, en om de connectie tussen dans en andere
culturele en maatschappelijke domeinen nog verder te versterken.
Voor onze aanbevelingen leren we van de good practices die we in voorgaande
hoofdstukken hebben benoemd. Waar dans zich maatschappelijk betrokken toont,
waar dans een cultureel divers gezicht toont, waar dans inspeelt op interesses en
smaakvoorkeuren van het publiek, waar gezelschappen samen optrekken met
bevlogen programmeurs en met andere culturele en maatschappelijke partners…
daar floreert de kunstvorm. Gebeurt dat alles niet? Dan schommelt ze minzaam
in slaap.
                                                                                          55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>Pluriformiteit, toegankelijkheid en zichtbaarheid van het aanbod
Het huidige dansaanbod is te weinig pluriform en het aanbod in zijn totaliteit is
onvoldoende toegankelijk en onvoldoende zichtbaar voor veel Nederlanders.
Enkele complexe factoren werken dit in de hand.
Knelpunten
Dans mag nog zo populair zijn onder een groot aantal Nederlanders, als sport,
vrijetijdsbesteding of op tv, velen van hen kennen niet de dansprogrammering van
de theaters en festivals in hun buurt of zijn daarin niet geïnteresseerd, omdat de
gepresenteerde voorstellingen hen niet aanspreken. Het is daarom van wezenlijk
belang dat de dans haar zichtbaarheid en veelvormigheid verbetert.
Dat schuilt allereerst in het feit dat het gesubsidieerde dansaanbod te eenvormig is
om het gehele potentieel aan publiek aan te spreken. Het beleid bevordert te weinig
de verscheidenheid in de dans. Nieuwe soorten initiatieven en makers vinden
onvoldoende hun weg naar de podia. Hoewel het FPK al wat aandacht aan urban
dance en crossovers besteedt, blijft de gesubsidieerde sector, vooral in de
volwassenendans, weinig divers in genres en stijlen en leunt ze nog sterk op
academische tradities. Dit heeft er vanzelfsprekend ook mee te maken dat slechts
een klein aantal dansorganisaties – acht voor jeugd en veertien voor volwassenen –
structurele rijkssubsidie ontvangt, en dat er in de meeste gemeenten ook maar een
heel bescheiden dansaanbod wordt ondersteund. Voor nieuwe makers en
ontwikkelingen is het moeilijk het stelsel in te stromen. Ook mbo-gekwalificeerde
makers hebben moeite zich een plek te verwerven in het bestel, waarbij zowel
onbekendheid hiermee als een gebrek aan ondernemerschapsvaardigheden een rol
speelt. Dit is jammer, omdat juist deze makers en dansers vaak met twee benen in de
maatschappij staan en sterk kunnen bijdragen aan de pluriformiteit en diversiteit
van het dansaanbod.
Daarnaast is er in het hele land weinig groot gemonteerd (doorgaans toegankelijker)
aanbod te zien, omdat twee van de vier BIS-dansgezelschappen maar weinig reizen
en er bovendien nauwelijks vrije producenten zijn die hedendaagse choreografieën
of balletvoorstellingen produceren. Het idee dat het BIS-aanbod ten goede komt aan
de bevolking in het hele land gaat voor de dans niet op; waar Scapino Ballet
Rotterdam en vooral Introdans veelvuldig reizen, kiezen Het Nationale Ballet en het
Nederlands Dans Theater voor een beperkt aantal speelplekken. Dit komt deels
voort uit praktische overwegingen, zoals kostenoverwegingen (de reiskosten zijn
hoger dan de opbrengsten), het gebrek aan zalen van voldoende grootte in de
theaters en de geringe beschikbaarheid van dansers, die na een korte tournee alweer
beschikbaar moeten zijn voor een volgende dansproductie. Een enkel theater kiest
voor producties uit bijvoorbeeld Oost-Europa of Azië om zijn publiek toch groot
gemonteerd ballet te kunnen tonen; op veel meer plekken in Nederland ontbreekt
grootschalig dansaanbod echter nagenoeg op de podia.
Dit is problematisch, omdat juist deze voorstellingen tot de verbeelding spreken van
een groot publiek, en zij veel bezoekers kunnen enthousiasmeren voor dans. Voor
veel bezoekers geldt dit grotere werk ook als opstap om later (of daarnaast) ook
kleinschaliger dansvoorstellingen te bezoeken. Ook FPK-gezelschappen en
choreografen in het productiehuiscircuit zijn gebaat bij een rijker, grootschalig
dansprogramma door het land heen, omdat mensen dat werk eerder bekijken als het
                                                                                     56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>in hun stad of regio naast grootschalige voorstellingen staat geprogrammeerd dan
als het dansaanbod beperkt blijft tot de kleinere (minder vindbare/toegankelijke)
zalen.
De zichtbaarheid van dans is verder klein omdat veel theaters in het seizoen maar
één dansvoorstelling per maand tonen, waardoor het lastig is een structureel publiek
op te bouwen voor dans.
Oplossingsrichtingen
Mogelijke oplossingsrichtingen voor deze problematiek zijn naar onze opvatting
tweeledig: groot gemonteerd dansaanbod moet zichtbaarder worden gemaakt door
enerzijds het BIS-dansaanbod beter te spreiden over het land en anderzijds vrije
producenten te bewegen tot het produceren van moderne of klassieke dans (1); en
dansgezelschappen en overheden moeten streven naar een veel pluriformer en
diverser dansaanbod (2).
1.  Om de landelijke spreiding van hedendaagse en klassieke grootschalige
    dansproducties van hoge kwaliteit te bevorderen, bevelen wij twee zaken aan:
    een beter spreidingsbeleid voor de BIS-gezelschappen en een uitnodiging aan
    vrije producenten om hedendaagse en klassieke choreografieën te produceren.
In de BIS-adviesronde voor de periode 2017 – 2020 heeft de raad de vier
dansgezelschappen in de BIS opnieuw opgeroepen hun reisbeleid beter op elkaar af
te stemmen. Hieraan zijn echter geen consequenties verbonden en elk gezelschap
heeft zijn eigen redenen om al dan niet te reizen of voor een beperkt aantal
speelplekken te kiezen. Wel zijn de gezelschappen over dit thema met elkaar in
gesprek gegaan. Wij vinden het van wezenlijk belang om, losstaand van de
BIS-advisering, de mogelijkheid te onderzoeken om BIS-aanbod voor meer plekken
in het land beschikbaar te maken.
Zo zouden gezelschappen mogelijk meer kunnen reizen met aangepaste decors of
bezettingen, met reisversies van producties of met speciale reisvoorstellingen die
eventueel met een tweede cast kunnen worden opgevoerd. Navraag bij de BIS-
gezelschappen leert echter dat er veel bezwaren kleven aan een dergelijke opdracht
en dat dit gevolgen met zich zal meebrengen voor de benodigde financiering door
het Rijk. De raad is daarom van plan om in een eigenstandige analyse specifiek de
mogelijkheden en onmogelijkheden te verkennen van een beter afgestemd
reisbeleid, in nauwe samenspraak met de BIS-gezelschappen en een aantal grote
zalen in het land. Dit onderwerp zullen we podiumkunstenbreed bekijken.
Aanbevelingen aan de minister
– Vraag de Raad voor Cultuur om een separaat advies uit te brengen over een
    betere spreiding van BIS-dansgezelschappen, met betrekking tot alle
    podiumkunsten. Maak op basis van de uitkomsten van dit advies nieuwe
    afspraken met BIS-gezelschappen over hun reisbeleid.
– Onderzoek de mogelijkheden om een revolving fund op te richten om vrije
    producenten in staat te stellen grootschalige hedendaagse of klassieke
    choreografieën op het programma te zetten.
                                                                                     57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>– Verruim de middelen voor het FPK om dit fonds in staat te stellen meer
    afnamesubsidies te verstrekken voor Nederlands en internationaal dansaanbod
    van hoge kwaliteit.
Aanbevelingen aan BIS­dansgezelschappen
– Stem het reisbeleid beter met elkaar af. Bekijk waar in Nederland onvoldoende
    BIS-aanbod te zien is, en hoe dit kan worden opgelost. Mogelijke strategieën zijn
    het creëren van kleinere reisversies van voorstellingen, die goedkoper kunnen
    reizen en sneller kunnen worden opgebouwd; het instellen van tweede casts om
    succesvolle producties vaker te kunnen spelen, terwijl de eerste cast alweer aan
    een volgende productie werkt; georganiseerde bezoeken aan dansvoorstellingen
    in de grote steden voor theaterpubliek door het land heen; en het onderling
    verdelen van taken, waarbij HNB en het NDT de provinciehoofdsteden kunnen
    bedienen, terwijl Scapino en Introdans de overige landsdelen voor hun
    rekening nemen.
– Ontwikkel een gezamenlijke campagne om het publiek in Nederland te
    informeren over het totale BIS-aanbod in het land, om de betrokkenheid van
    Nederlandse dansliefhebbers bij de gezelschappen te vergroten. Werk daarbij
    samen met theaters en festivals.
Aanbevelingen aan de gehele danssector
– Ga in gesprek met vrije theaterproducenten om de vraag te onderzoeken of zij
    moderne of klassieke dansvoorstellingen kunnen gaan produceren, of bereid zijn
    succesvolle producties uit het gesubsidieerde circuit te hernemen en door te
    ontwikkelen voor een groter publiek. Hiermee wint de dans aan zichtbaarheid en
    krijgen goede choreografieën de kans om verder te rijpen.
2.  Om een veelzijdiger, diverser en pluriformer dansaanbod te ontwikkelen, zijn
    inspanningen nodig van dansgezelschappen en productiehuizen en van
    landelijke, regionale en lokale overheden.
Gezelschappen en productiehuizen moeten nog vaker andersoortige makers kansen
geven, zoals makers met een cultureel diverse achtergrond, makers afkomstig van
mbo-opleidingen, makers die dans combineren met andere kunstdisciplines, makers
die nieuwe presentatievormen ontwikkelen, et cetera. Overheden op hun beurt
moeten zich eveneens openstellen voor deze makers en voor nieuwe genres en
uitingsvormen die een breder en diverser publiek kunnen aanspreken.
Aanbevelingen aan de minister
– Ontwerp een nieuw stelsel dat meer maatwerk biedt in subsidiëring, waarbij
    gezelschappen en makers al naargelang hun profiel en ambitie extra
    suppletiebedragen kunnen aanvragen voor specifieke taken, zoals het bespelen
    van de grote zaal, het ontwikkelen van talent, of activiteiten op het gebied van
    educatie of publieksontwikkeling. Ruim binnen dit stelsel expliciet plek in voor
    nieuwe makers, makers met diverse achtergronden en makers die het dansvak op
    nieuwe manieren benaderen.
                                                                                      58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>– Verruim de middelen aan het FPK om een grotere rol te kunnen spelen in de
  talentontwikkeling en doorstroming van jonge (onafhankelijke makers).
– Herbezie de positie van de jeugddans in het landelijk bestel. Creëer hiervoor
  ruimte in de BIS of geef het FPK een expliciete taak om jeugddans te
  ondersteunen. Bestem het extra budget voor jeugdaanbod niet alleen voor
  jeugdtheater, maar ook voor jeugddans. Stel het door de raad voorgestelde
  productiehuis voor jeugdtheater open voor alle jeugdpodiumkunsten, of rust een
  dansproductiehuis expliciet uit met de taak jeugddans te maken.
Aanbevelingen aan overheden en fondsen
– Bekijk hoe de talentontwikkeling en doorstroming van nieuwe en onafhankelijke
  makers kunnen worden bevorderd. Jonge makers hebben te weinig
  mogelijkheden om toe te treden tot het bestel, ervarener makers die niet aan een
  gezelschap gebonden zijn stromen nauwelijks door naar de grote zaal en wijken
  vaak uit naar het buitenland.
Aanbevelingen aan het FPK
– Blijf ook de komende jaren de vinger aan de pols houden met betrekking tot
  nieuwe ontwikkelingen in de dans, zoals de opkomst van urban dance of nieuwe
  presentatievormen, en bekijk hoe het FPK kan stimuleren dat nieuwe
  ontwikkelingen behalve tot de jeugddans en de productiehuizen sneller
  doordringen tot het overige veld.
– Overweeg de mogelijkheid om, naar analogie met de compositiebijdragen in de
  muziek en de bijdragen voor theaterauteurs, onafhankelijke dansmakers in staat
  te stellen werk te ontwikkelen dat vervolgens door dansgezelschappen kan
  worden uitgevoerd. Bekijk ook of de nieuwemakersregeling kan worden
  uitgebreid, zodat deze meer jonge dansmakers kan helpen zich verder te
  ontwikkelen en door te stromen.
– Onderzoek de mogelijkheden om goede mbo-gekwalificeerde makers te helpen
  door te stromen tot het veld, bijvoorbeeld door een nieuwemakersregeling te
  ontwikkelen die specifiek is gericht op de mbo-gekwalificeerde danser.
Aanbevelingen aan productiehuizen en dansgezelschappen
– Maak ruimte voor nieuwe makers en opkomende genres, ook in de grote zaal.
– Bekijk in samenwerking met de mbo-opleidingen hoe mbo-dansstudenten
  kunnen worden geholpen in hun voorbereiding op een loopbaan in de dans,
  bijvoorbeeld door stageplekken, talentontwikkeltrajecten en residenties te
  organiseren voor deze studenten of oud-studenten.
Aanbevelingen aan het mbo­ en hbo­onderwijs
– Bekijk hoe de problemen rond de mbo-opleidingen kunnen worden ondervangen
  door de output te verkleinen, de kwaliteit te verhogen en de aansluiting tussen
  mbo- en hbo-dansopleidingen, en tussen mbo-opleidingen en het professionele
  dansveld te verbeteren.
                                                                                   59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>– Besteed aandacht aan kwaliteitsverbetering van het mbo door docenten beter op
    te leiden en/of bij te scholen.
Dansaanbod op maat in het hele land
Danspubliek in elke regio heeft behoefte aan een ander aanbod, aan dansaanbod
op maat. Enkele factoren zorgen ervoor dat zulk aanbod er nu niet is.
Knelpunten
Omdat de danssector klein is, is er allereerst niet (zoals in het theater) ‘voor elk wat
wils’. Het dansaanbod in zijn totaliteit is vrij complex. De kleinschaligheid van de
sector en het ontbreken van een vrij circuit maken het instapniveau relatief hoog;
experimentele dansvoorstellingen vergen vaak enige voorkennis en inspanning van
het publiek, maar zonder een toegankelijker dansaanbod kan het publiek deze
voorkennis en ervaring nergens opdoen. Een brede laag aan toegankelijk aanbod
ontbreekt immers. Daardoor weet het bestaande gesubsidieerde aanbod een groot
deel van het publiek onvoldoende te raken. Dat geldt buiten de grote steden waar
dans goed loopt, maar evengoed binnen die steden; ook daar vinden we bij
kleinschalige dansvoorstellingen voornamelijk een publiek van danskenners, dat
dikwijls hoogopgeleid is en vertrouwd met de westerse danstradities.
Daarnaast komt veel aanbod niet tot zijn recht in de bestaande zalen; in de grote
steden zijn er veel vlakkevloerzalen, maar in de regio’s zijn die er veel minder, en
voorstellingen die gemaakt zijn voor de vlakke vloer ‘werken’ niet of minder goed in
reguliere zalen. Daarbij komt dat voorstellingen vaak in te grote zalen staan, zoals
we ook aangaven in ons advies over de theatersector.
Ten slotte houdt het bestaande aanbod, vaak buiten de stedelijke cultuurregio’s
gemaakt (veel gezelschappen zijn gevestigd in de Randstad), onvoldoende rekening
met verschillen in cultuur, smaak, traditie en interesse onder bevolkingsgroepen in
de verschillende regio’s. Zo betekent culturele diversiteit in Groningen iets anders
dan in Rotterdam, haalt een Amsterdams publiek misschien de schouders op bij een
voorstelling die een publiek in Oost-Nederland choqueert, of slaat een voorstelling
die in Maastricht bewondering oproept misschien dood in Leeuwarden.
Oplossingsrichtingen
Oplossingen voor deze problematiek moeten naar onze opvatting worden gezocht in
drie richtingen: er moet aanbod op maat worden gecreëerd; er is een
samenhangende, continue programmering nodig; overheden moeten bij het
subsidiëren van dans veel meer kijken naar de pluriformiteit en diversiteit
van het aanbod.
1.  Er moet aanbod op maat worden gecreëerd in de verschillende stedelijke
    cultuurregio’s, waarbij makers zich laten inspireren door de cultuur in de regio
    en hun werk kunnen afstemmen op de beschikbare zaal/locatie.
Het gegeven dat in de eigen standplaats vaak (veel) meer publiek wordt bereikt dan
op tournee, onderschrijft dat publiek eerder komt kijken naar een gezelschap dat het
associeert met de eigen woonplaats; omdat het vertrouwd is, omdat het thematisch
meer aanspreekt, of omdat mensen graag staan voor hun eigen cultuurgoed (zie ook
de populariteit van de eigen voetbalclub). De dans kan daar meer gebruik
van maken.
                                                                                         60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>In onze analyse van het dansveld signaleerden we onder andere de tendensen dat
steeds meer makers voorstellingen maken vanuit een maatschappelijk engagement
en dat met de opkomst van de urban dancecultuur steeds explicieter de stem van de
community doorklinkt in dansproducties. Deze twee tendensen zijn kansrijk en
verdienen een verdere stimulans. Makers kunnen door het land heen vaker het
initiatief nemen om ter plekke voorstellingen te ontwikkelen, waarbij ze dan ook
ondersteuning vanuit overheden verdienen.
Aanbevelingen aan het FPK
– Bezie de werking van dansgezelschappen meer binnen hun landelijke, regionale
    en lokale context. Baseer meerjarige subsidiebudgetten minder op productie en
    speelbeurten en houd meer rekening met de (beoogde) inspanningen van
    gezelschappen op het gebied van educatie, participatie, maatschappelijke
    inbedding, publieksonderzoek en andere wezenlijke aspecten
    van de kunstpraktijk.
– Onderzoek de mogelijkheid voor een regeling om dansgezelschappen en -makers
    te helpen om nauwere aansluiting te vinden bij publiek in het land en bekijk
    daarbij ook hoe regionale spreiding van dansgezelschappen (hetzij door vaste
    vestiging, hetzij door residenties) kan worden bevorderd.
Aanbevelingen aan de danssector
– Verstevig de band met het publiek door permanent of tijdelijk neer te strijken in
    een stedelijke cultuurregio en in samenwerking met theaters of festivals
    dansaanbod te maken ‘op maat’; passend bij de speelplek, de
    publiekssamenstelling, culturele kenmerken van de regio et cetera – uiteraard
    zonder de eigen artistieke eigenheid te verliezen.
– Ontwikkel aansprekende contextprogramma’s om het artistieke werk
    toegankelijk en aantrekkelijk te presenteren aan een breed publiek. Juist in de
    dans kunnen perceptie (kijken naar een voorstelling, luisteren naar een
    toelichting door een maker) en actie (zelf dansen op een afterparty, een
    dansworkshop) elkaar gemakkelijk ontmoeten.
2.  Elke stad of stedelijke cultuurregio heeft een continu, consequent en
    samenhangend dansprogramma nodig, waarin toegankelijke, aansprekende dans
    naast experimenteler of onbekender dans wordt geprogrammeerd; grootschalig
    naast kleinschalig; beginnend naast gevestigd talent, waarin dansmakers elkaar
    kunnen versterken en waarbij bezoekers de kans wordt geboden te ‘groeien’
    als danskijker.
Uit gesprekken met programmeurs van theaters waar dans wél goed loopt, blijken
steeds continue programmering, zorgvuldige keuzes uit het aanbod en duidelijke
communicatie sleutelwoorden te zijn. Door festivalformules of danspakketten aan te
bieden, publiek te wijzen op mogelijke vervolgbezoeken die aansluiten bij eerder
bezocht werk en door dans als vast onderdeel van de programmering op te nemen in
plaats van het incidenteel te tonen, lukt het om een trouw, nieuwsgierig publiek op
te bouwen en te vergroten voor het genre.
                                                                                    61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>In het bewerkstelligen van een samenhangend programma kunnen ook de in dit
advies gesignaleerde dansnetwerken of ‘danshuizen’, waarvan productiehuizen vaak
de spil vormen, een motor vormen, mits zij daartoe steviger worden ondersteund
door overheden. Door het complete dans-ecosysteem onder te brengen onder één
dak of in een hecht netwerk van instellingen (productie, talentontwikkeling,
educatie, publieksverdieping, participatie, onderzoek, presentatie, reflectie, debat, et
cetera) krijg de dans een zichtbaarder plek in de maatschappij. Door de gebundelde
krachten wordt zo’n huis ook een steviger gesprekspartner in het maatschappelijke,
culturele en politieke debat.
Dit soort initiatieven draagt zowel bij aan de opbouw van publiek als aan de
ontwikkeling van dansmakers. Productiehuizen zorgen voor vernieuwing van
onderop en kunnen nieuw talent helpen zich te ontwikkelen. Door hun worteling in
verschillende regio’s kunnen dit soort netwerken rekening houden met de behoeftes
en interesses van het publiek ter plaatse.
Aanbevelingen aan de minister en andere overheden
– Stem landelijke subsidie-afspraken en verantwoordingseisen af op afspraken en
    eisen op regionaal en lokaal niveau, zodat gezelschappen een optimaal
    programma kunnen ontwikkelen voor het eigen speelgebied (regionaal, landelijk
    of internationaal) in samenspraak met alle subsidiërende overheden of fondsen
    en met zalen.
Aanbevelingen aan provincies en steden (stedelijke cultuurregio’s)
– Bezie het aanbod in een stad of regio in samenhang en bespreek in regionaal
    verband hoe de danssector kan worden verstevigd en wat daarvoor nodig is. Kijk
    daarbij niet alleen naar gezelschappen maar ook zeker naar productiehuizen,
    opleidingen, dansscholen, et cetera. De cultuurplannen vanuit de stedelijke
    cultuurregio’s bieden hier kansen.
– Betrek productiehuizen op het gebied van hedendaagse dans en urban dance
    nauw bij het vormgeven van effectief dansbeleid. Zij zijn vaak de voortrekkers
    van hechte dansnetwerken, waarin wordt samengewerkt met theaters,
    dansgezelschappen, festivals, opleidingen en andere culturele en
    maatschappelijke partners. Deze ‘danshuizen’ kunnen functioneren als een spil
    in het dansklimaat, en ook bruggen slaan naar de amateurdanssector. Bekijk de
    mogelijkheden om deze initiatieven impulsen te geven om hun formule verder
    te ontwikkelen.
Aanbevelingen aan productiehuizen en dansgezelschappen
– Bundel op nationaal niveau de krachten en vertel een gezamenlijk verhaal over
    de dans; ontwikkel landelijke campagnes om de zichtbaarheid van dans te
    vergroten onder een breed publiek en speel daarbij in op de publieke
    belangstelling voor dans. Betrek hierbij zowel de grootschalige gezelschappen als
    de kleinere danskernen door het land heen.
                                                                                         62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Aanbevelingen aan productiehuizen, dansgezelschappen, theaters en festivals
– Sla de handen ineen en wissel kennis uit: vergroot onder programmeurs de
   kennis over dans, vergroot onder dansmakers de kennis over het (potentiële)
   publiek ter plaatse. Buig je gezamenlijk over de vraag met welk aanbod dat
   publiek kan worden bereikt en teken samen voor de verantwoordelijkheid om dat
   publiek in huis te halen. Leer van gezelschappen die hun publiek goed kennen en
   bezoekers aan zich weten te binden.
– Ontwikkel gezamenlijk aansprekende pakketten van dansvoorstellingen die
   theaters in het hele land kunnen afnemen, waarin complexer en toegankelijker
   aanbod elkaar in evenwicht houden.
– Sla op regionaal niveau de handen ineen en ontwikkel ‘danshuizen’ (door) zoals
   hierboven geschetst: netwerken van productiehuizen, gezelschappen, theaters,
   festivals, opleidingen, amateurdanspartners en andere culturele en
   maatschappelijke organisaties.
Aanbevelingen aan theaters en festivals
– Werk samen en stel stads- of regioprogrammeurs aan, om per regio of stad een
   samenhangend aanbod te laten zien. Zorg voor een compleet aanbod van kinder-
   en jongerendans, toegankelijke moderne dans, urban dance en ballet, en
   complexer hedendaagse dans. Help bezoekers hun weg door het aanbod te
   vinden door complexer werk te presenteren in de context van toegankelijker
   voorstellingen, door in het seizoen series aan te bieden en door voorstellingen
   aan te bieden in gebundelde presentaties of festivals met een iets hogere
   evenementswaarde dan een afzonderlijke voorstelling. Investeer in het vergroten
   van kennis onder dansprogrammeurs; organiseer zo mogelijk een landelijk
   programmeursoverleg.
Aanbevelingen aan de amateurdanssector
– Zoek contact met de artistieke danssector om te bekijken op welke terreinen en
   op welke wijze beide sectoren elkaar kunnen ondersteunen en (helpen)
   versterken.
– Bundel de verschillende belangenverenigingen in het land en stel een
   gezamenlijke agenda op met betrekking tot kwaliteitsbewaking, (bij)scholing van
   docenten, belangenbehartiging jegens overheden, kennisdeling met
   dansverenigingen en -scholen, vergroting van zichtbaarheid jegens
   leden/deelnemers en publiek, en samenwerkingsmogelijkheden met
   maatschappelijke en culturele partners en het onderwijsveld.
3. Zoals reeds betoogd: overheden moeten bij het subsidiëren van dans veel meer
   kijken naar de pluriformiteit en diversiteit van het aanbod.
                                                                                   63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Bruggen naar andere domeinen
De Nederlandse danssector is geen eiland. Zoals we hebben gezien, zijn er al
vertakkingen naar de entertainmentsector, het basis- en voortgezet onderwijs, het
vrijetijdsdansveld, de zorgsector en de sport. Vooral mbo-dansopleidingen, de
amateurdanssector, de jeugddans en urban dance slaan reeds stevige bruggen
tussen de professionele danskunstsector en de samenleving. Maar ook hbo-
opleidingen, theaters, festivals en overige dansgezelschappen kunnen met hun
expertise en kennis van veel grotere waarde zijn voor andere domeinen, en
omgekeerd profijt halen uit deze samenwerkingen in termen van
draagvlakvermeerdering en publieksopbouw. Organisaties die hier al mee bezig zijn,
waarvan we er enkele hebben uitgelicht in dit advies, onderstrepen de meerwaarde
hiervan. Makers die zich laten inspireren door hun maatschappelijke context en
organisaties die verbintenissen aangaan met organisaties buiten de dans, lukt het
doorgaans beter om Nederlanders van alle leeftijden en achtergronden te bereiken
dan gezelschappen en makers die zich alleen met de productie van
dans bezighouden.
Kansen
We hebben gezien hoe populair dans is als vrijetijdsbesteding en sport onder de helft
van alle Nederlanders. Niet al onze gesprekspartners waren ervan overtuigd dat
mensen die zelf dansen óók geïnteresseerd zouden zijn in het bezoeken van
dansvoorstellingen. Twee observaties stemmen ons echter hoopvol: ten eerste het
aangehaalde onderzoek van het SCP dat aangeeft dat 45 procent van de
Nederlanders wel geïnteresseerd is in dans, maar dat maar 9 procent die interesse
daadwerkelijk omzet in een bezoek; ten tweede een onderzoek van het Fonds voor
Cultuurparticipatie dat blootlegt dat jongeren die zelf actief aan talentprogramma’s
deelnemen veel vaker naar dansvoorstellingen gaan dan de gemiddelde
jongere. [ 1 ] Bezoekt gemiddeld 6 procent van de jongeren tussen de 12 en 19 jaar
minimaal eens per jaar een dansvoorstelling, van de danstalenten die deelnamen
aan het onderzoek van het Fonds voor Cultuurparticipatie was dat maar liefst
58 procent. [ 2 ]
Om het draagvlak voor dans de komende jaren te vergroten, moet de danssector zijn
verbintenissen met andere culturele en maatschappelijke domeinen, zoals de
entertainmentsector, de vrijetijds- en amateurdanssector, het basis- en voortgezet
onderwijs, de zorgsector en de sport, de komende jaren verder uitbouwen
en verstevigen.
Aanbevelingen aan de danssector
– Vergroot de banden met de entertainmentsector, de amateurdanssector, het
    basis- en voortgezet onderwijs, het vrijetijdsdansveld, de zorgsector en de sport.
    Benader deze domeinen niet louter als potentiële afnemers van
    dansvoorstellingen en educatie-aanbod, maar onderzoek op welke terreinen de
    danskunstsector en andere domeinen elkaar kunnen aanvullen en versterken, en
    ontwikkel hier plannen voor.
                                                                                       64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>  Veel vraagstukken die leven in andere domeinen hebben raakvlakken met
  vraagstukken in de dans: denk aan de kwaliteitsbewaking en -verhoging van
  docenten in de amateurdans, de vraag om versterking van kennis over dans in
  het onderwijs, de behoefte aan goede blessurepreventie in de sport, het gebrek
  aan werkgelegenheid voor mbo-dansers, en ga zo maar door.
– Ontwikkel collectief een programma om scholen te helpen hun kennis en
  bekwaamheid op het gebied van dans te vergroten en het aanbod aan artistieke
  dans in het primair en voortgezet onderwijs te vergroten. Leer hierbij van het
  succes van het programma ‘Méér Muziek in de Klas’ en maak gebruik van
  onderzoeken die het effect van dans op de mentale en fysieke gezondheid van
  kinderen en jongeren aantonen.
– Bekijk waar de danssector de handen ineen kan slaan met andere domeinen of
  sectoren om onderwerpen gezamenlijk onder de aandacht te brengen bij publiek,
  partners of politiek.
– In het kader van het Nationaal Programma Preventie van het ministerie voor
  Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn al 120 gemeenten zogenaamde ‘Jeugd op
  Gezond Gewicht-gemeenten’ geworden, en 1.200 scholen hebben het label
  ‘Gezonde School’. Bekijk in een gezamenlijke campagne of – en hoe –
  samenwerking kan worden gezocht met deze gemeenten en scholen om de jeugd
  op gezond gewicht te (helpen) brengen door middel van danseducatie- of -
  participatieprogramma’s. Ontwikkel, los daarvan, collectieve campagnes om
  dans in de klas te krijgen.
Aanbevelingen aan de minister, andere overheden en fondsen
– Kijk bij het aangaan van subsidierelaties niet alleen naar output in termen van
  voorstellingen en presentaties, maar tel veel meer ook de maatschappelijke
  voetafdruk van dansinstellingen mee en faciliteer deze. Zorg dat binnen de
  subsidiebudgetten ruimte is voor educatie, talentprogramma’s,
  participatieprojecten, publieksonderzoek, et cetera. Beschouw het produceren
  van voorstellingen niet per definitie als primaire taak voor elk dansgezelschap;
  een maatschappelijk geworteld artistiek onderzoek kan even interessant zijn en
  meer bijdragen aan de zichtbaarheid en betekenis van dans in de samenleving.
  Heb oog voor de onderzoeks- en ontwikkelbehoefte vanuit de sector om zich
  dieper maatschappelijk te wortelen.
– Hernieuw de aandacht voor de bemiddeling tussen aanbieders en scholen en
  voor andere manieren om de relatie tussen onderwijs en de cultuursector
  te bestendigen.
– Verleng het programma ‘Cultuureducatie met kwaliteit’ van het Fonds voor
  Cultuurparticipatie na 2020 en breid dit uit.
                                                                                   65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>Aanbeveling aan provincies en gemeenten (stedelijke cultuurregio’s)
– Breng de basisvoorzieningen voor danseducatie en -participatie in kaart en
    verstevig waar nodig deze infrastructuur, rekening houdend met de eigen
    bevolkingssamenstelling en danscultuur. Maak oefenruimtes en
    uitvoeringslocaties financieel en fysiek toegankelijker voor amateurverenigingen
    en freelance docenten. Help de zichtbaarheid van de (amateur)danssector te
    verstevigen door evenementen en festivals mede mogelijk te maken.
Aanbevelingen aan de amateurdanssector
– Sla een brug naar de sport-, zorg- en danskunstsector om waar mogelijk
    problemen rond zichtbaarheid, financiën, faciliteiten, ledenwerving, et cetera
    gezamenlijk aan te pakken.
Aanbeveling aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
– Kijk in het kader van het Nationaal Programma Preventie ook naar de waarde
    van dans en stel dansgezelschappen in de gelegenheid subsidie aan te vragen in
    het kader van dit programma.
Professionalisering
Om bovenstaande aanbevelingen op het gebied van zichtbaarheid,
toegankelijkheid, pluriformiteit, publieksbinding en maatschappelijke inbedding te
realiseren, is een belangrijke voorwaarde dat dansgezelschappen en werkenden in
de danssector in staat zijn zich professioneel te ontwikkelen, in gezonde en
veilige arbeidsomstandigheden.
Om die reden nemen we hieronder enkele aanbevelingen op die we door het advies
heen al hebben aangestipt, maar die we in dit hoofdstuk graag nog
eens onderstrepen.
Aanbeveling aan de minister
– Herbezie de subsidiebedragen voor de dansinstellingen in de BIS en bekijk hoe
    ze gerelateerd zijn aan de taken, prestaties en het eigen profiel van de vier
    gezelschappen. Hanteer flexibiliteit en maatwerk bij het toekennen van
    subsidiebedragen. Houd hierbij rekening met de toegenomen kosten voor
    tournees, de verhoogde aandacht voor goed werkgeverschap en de aangescherpte
    taken op het gebied van talentontwikkeling en educatie. Oormerk eventueel
    bedragen voor de Omscholingsregeling voor dansers.
Aanbeveling aan het FPK
– Rust instellingen uit om zich als goed werkgever op te stellen, waarbij FPK-
    gesubsidieerde dansinstellingen ook in staat zijn premies af te dragen voor de
    Omscholingsregeling. Oormerk hiervoor eventueel een deel van de subsidie.
                                                                                     66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>Aanbevelingen aan de sector
– Sla de handen ineen om kennis en inzichten op het gebied van de gezondheid van
    dansers op de korte en lange termijn te delen en te vergroten, en stel in het kader
    van de Fair Practice Code elkaar de vraag hoe kan worden bevorderd dat
    gezelschappen vanzelfsprekend bijdragen aan de Omscholingsregeling. Kijk voor
    deze thema’s ook in de sportsector, die zich eveneens over deze
    vraagstukken buigt.
– Ontwikkel richtlijnen voor dansershonoraria waarin ook rekening wordt
    gehouden met een redelijk aantal uren voor training en rust, en waaruit freelance
    dansers premies voor het Omscholingsfonds en/of verzekeringen tegen
    arbeidsongeschiktheid door blessures kunnen betalen.
Tot slot
Het mag duidelijk zijn geworden: de potentie van de Nederlandse danssector is
groot, de oplossingsrichtingen liggen klaar, maar er is wel nog wat werk aan de
winkel om van de huidige stand van zaken te bewegen naar een wenselijker situatie.
De bal ligt hierbij niet alleen bij makers, programmeurs en subsidiegevers;
gezamenlijke inspanningen van het hele veld – productiehuizen, gezelschappen,
theaters, festivals, mbo- en hbo-opleidingen, de amateurdanssector – zijn nodig om
dans in jet hele land steviger op de kaart te zetten. De positieve drive die de
danssector vandaag de dag tekent en het enorme enthousiasme dat we waarnemen
in de amateur- en vrijetijdsdans geven de raad het vertrouwen dat er met die
inspanningen grootse resultaten te behalen zijn.
                                                                                        67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>  1
Kunstminnend Nederland?
Sociaal en Cultureel Planbureau, 2013
  2
TOM volgt zijn talenten.
Fonds voor Cultuurparticipatie, 2014
                                      68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>Bijlagen
         69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>70</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>71</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>72</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>73</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>74</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>75</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>76</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>77</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>78</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>79</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>80</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>        Toekomst Cultuurbeleid / Bijlagen / Literatuur
        Literatuur
Bryson, A.,                   Douma-Alta, M.           Kamer van
MacKerron, G.                 Dans Werkt.              Koophandel
Are you happy while           Een onderzoek naar       Flinke toename
you work?                     het werkveld van         in dansscholen
in: The Economic              afgestudeerde MBO        Persbericht
Journal                       dansers en               29 april 2018
april, 2015                   choreografen
                              Masteronderzoek          Kool, L.
Commissie                     kunsteducatie,           Danseducatie en
macrodoelmatigheid            Amsterdamse              sportonderwijs:
mbo                           Hogeschool voor          de overeenkomsten
Advies                        de Kunsten               en verschillen in het
Arbeidsmarktperspectief       Amsterdam, 2012          beleven van een
van creatieve                                          dans- en sportles
mbo-opleidingen               Fonds voor               bij kinderen van
Den Haag, 2018                Cultuurparticipatie      9-12 jaar
                              TOM volgt zijn           Masteronderzoek
Danstheater AYA,              talenten.                kunsteducatie,
De Dansers,                   Eindrapport over de      Amsterdamse
DOX e.a.                      eerste peiling           Hogeschool voor
Een dringende                 van het                  de Kunsten
oproep                        talentenvolgonderzoek    Amsterdam, 2013
van Nederlandse               2013 – 2017
jeugddansgezelschappen        Uitgevoerd door          Kunstbalie
Brief                         Erasmus                  Behoefteonderzoek
maart, 2018                   Universiteit             koorzang, theater
                              Rotterdam en             en dans
deDansPunt                                             Uitgevoerd door
                              Bureau Advies
Dansend Brabant.                                       &Concept
                              Research Training
Koersplan                                              Tilburg, 2016
                              2014 (idem 2017)
2017 – 2021
Tilburg, 2017                 Fonds
                              Podiumkunsten
                              Jaarverslag 2017
                              2018
                                                                             81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>Kruiter, J.,            Raad voor Cultuur     RIVM, CBS, e.a.
Hoogeveen, K., e.a.     Vooradvies dans       In opdracht van
Monitor                 2005 – 2008           Ministerie van
Cultuuronderwijs        Den Haag, 2003        Volksgezondheid,
in het primair                                Welzijn en Sport
onderwijs en            Raad voor Cultuur,    Leefstijlmonitor
programma               Sociaal-              2017
Cultuureducatie         Economische Raad      Den Haag, 2017
met kwaliteit           Verkenning
Peiling 2015 – 2016,    arbeidsmarkt          Scholten van
Sardes en Oberon        culturele sector      Aschat, G.
Utrecht, 2016           Den Haag, 2016        Kunstenaars
                                              behoren
Landelijk               Raad voor Cultuur,    veel beter te
Kennisinstituut         Sociaal-              verdienen
Cultuureducatie en      Economische Raad      In: de Volkskrant
Amateurkunst            Passie gewaardeerd.   24 april 2018
Neele, A., Zernitz, Z., Versterking van de
IJdens, T.              arbeidsmarkt in       Sociaal en Cultureel
Kunstzinnig en          de culturele en       Planbureau, TNO
creatief                creatieve sector      Tiessen-Raaphorst,
in de vrije tijd.       Den Haag, 2017        A., Breedveld, K.,
Monitor                                       Ooijendijk, W.
                        Raad voor Cultuur     Dansen, een gezonde
Amateurkunst 2017
                        Cultuur voor stad,    vorm van bewegen!
Utrecht, 2017
                        land en regio.        Den Haag, 2006
Ministerie van          De rol van stedelijke
Onderwijs, Cultuur      regio’s               Sociaal en Cultureel
en Wetenschap           in het cultuurbestel  Planbureau
Cultuur in een          Den Haag, 2017        Culturele activiteiten
open samenleving                              in 2012
                        Raad voor Cultuur     Den Haag, 2012
Den Haag, 2018
                        De balans, de
Nederlandse             behoefte.             Sociaal en Cultureel
Associatie voor         Pleidooi voor een     Planbureau
Podiumkunsten           integraal, inclusief  Kunstminnend
Pluspunten:             muziekbeleid          Nederland?
het potentiële          Den Haag, 2017        Interesse en bezoek,
verdienvermogen                               drempels en
                        Raad voor Cultuur     ervaringen.
van jeugdproducenten
                        Over grenzen          Het culturele
Uitgevoerd door
                        Den Haag, 2018        draagvlak, deel 12
LaGroup
Amsterdam, 2011                               Den Haag, 2013
                        Raad voor
                        Volksgezondheid en
Omscholing Dansers
                        Samenleving
Nederland
                        De Zorgagenda voor
Jaarverslag 2016
                        een gezonde
Amsterdam, 2017
                        samenleving
                        Den Haag, 2018
                                                                     82
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>Sociaal en Cultureel  Vereniging             Vereniging
Planbureau            Hogescholen            Onderwijs Kunst en
Tiessen-Raaphorst,    Statistisch            Cultuur
A., Broek, A. van den supplement             Visiedocument
Sport en Cultuur.     HBO Monitor 2016.      VONKC
Patronen in           KUO_2016               voor curriculum.
belangstelling        ‘hbomonitor.nl’        Nu: dans
en beoefening         2017                   Almelo, 2017
Den Haag, 2016
                      Vereniging van
                      Schouwburg- en
                      Concertgebouwdirecties
                      Infographic 2016
                      Amsterdam, 2017
                                                                83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>           Toekomst Cultuurbeleid / Dans / Colofon
           Colofon
‘Alles beweegt’
is een uitgave van de Raad voor Cultuur.
Leden
Marijke van Hees voorzitter
Brigitte Bloksma
Lennart Booij
Özkan Gölpinar
Erwin van Lambaart
Cees Langeveld
Thomas Steffens
Liesbet van Zoonen
Jeroen Bartelse directeur
Raad voor Cultuur
Prins Willem Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
070 – 3106686
‘info@cultuur.nl’
‘www.cultuur.nl’
Ontwerp
‘High Rise’
Alle adviezen van de raad zijn ook te vinden op ‘cultuur.nl’.
Wilt u op de hoogte blijven van de activiteiten van de raad?
Dan kunt u zich aanmelden voor de ‘nieuwsbrief’.
Volg ons ook op ‘Twitter’.
Het is toegestaan (delen van) de inhoud van de jaarverslagen
te citeren of te verspreiden, mits daarbij de Raad voor Cultuur
en het jaarverslag als bronnen worden vermeld.
Aan de jaarverslagen kunnen geen rechten worden ontleend.
© Raad voor Cultuur, juni 2018
                                                                84
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>De Raad voor Cultuur is het wettelijke
adviesorgaan van de regering en
het parlement op het terrein van kunst,
cultuur en media.
De raad is onafhankelijk en adviseert,
gevraagd en ongevraagd, over actuele
beleidskwesties en subsidieaanvragen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>