<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>            Advies Ontwerpsector
 Ontwerp
   voor
Pleidooi voor
creatieve reflectie
op maatschappelijke
                                 de
vraagstukken
 toekomst
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>   Voorwoord                              4
1. Inleiding                              7
   De ontwerpsector: een afbakening       7
   Adviesaanvraag en werkwijze            7
   Perspectieven                          8
   Opbouw van het advies		                9
2. Beschrijving van de ontwerpsector     11
   Architectuur                          11
   Vormgeving                            14
   E-cultuur                             18
   Dwarsverbanden                        22
3. Artistiek-cultureel perspectief       29
   Veelzijdigheid en kwaliteit           29
   Ontwerpproces als kwaliteit           30
   Opleidingen en talentontwikkeling     32
   Presentatiemogelijkheden              33
   Beheer en behoud                      33
   Internationalsering                   35
   Conclusies                            35
4. Economisch perspectief                38
   Brede economische context             38
   Cultureel ondernemerschap             39
   Financieringsinstrumenten             40
   Huisvesting                           40
   Instroom en doorstroom                41
   Internationalisering                  42
   Conclusies                            42
5. Maatschappelijk perspectief           45
   Ontwerp en samenleving                45
   Samen ontwerpen 		                    46
   Publiek, diversiteit en inclusiviteit 48
   Ontwerp en cultuureducatie            49
   Conclusie                             49
                                            2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>6. Conclusies en aanbevelingen                           52
   De rol van instellingen in de ontwerpsector           52
   De afbakening van e-cultuur                           53
   Aanbevelingen                                         54
   1. Versterk de infrastructuur		                       55
   2. Faciliteer en financier ontwerponderzoek		         56
   3. Stimuleer de in- en doorstroom van startend talent 57
   4. Benut de potentie van de ontwerpsector bij
		 de aanpak van maatschappelijke vraagstukken           58
   5. Zorg voor een beter beheer en behoud
		 van het ontwerperfgoed                                60
   6. Bouw voort op internationalisering                 60
   Bijlagen		                                            63
   Adviesaanvraag                                        64
   Samenstelling commissie                               75
   Overzicht gesprekspartners                            76
   Literatuur                                            79
   Colofon                                               82
                                                            3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>        Toekomst Cultuurbeleid / Ontwerpsector / Voorwoord
         Voorwoord
Bekijk ons land van boven en je ziet dat het een ontwerp is: nooit af, werk in
uitvoering en het resultaat van de eeuwigdurende strijd tegen water en klimaat.
Ook van dichterbij zien we ontwerp; we wonen en werken in ontworpen ruimtes,
reizen in ontworpen voertuigen, we klussen met ontworpen gereedschappen en we
trappen een balletje in een ontworpen park. Onder ‘ontwerp’ valt dan ook een zeer
breed scala aan disciplines en praktijken.
In dit advies richten we ons op verzoek van de minister op drie deelsectoren:
architectuur, vormgeving en e-cultuur, en op de dwarsverbanden daartussen. Deze
deelsectoren kennen op hun beurt verschillende onderdelen, zoals
landschapsarchitectuur, interieur, mode, grafische en productvormgeving,
gameontwerp, interactieontwerp of artscience. Wat de sector typeert, is zijn concrete
betekenis voor actuele ontwikkelingen in de samenleving en de noodzaak om met
verschillende partijen samen te werken in creatie, realisatie en verspreiding.
Nederlands ontwerp valt regelmatig in de prijzen. In 2016 kreeg modeontwerper Iris
van Herpen bijvoorbeeld internationale erkenning met de STARTS Prize van de
Europese Commissie; het digital designbureau Clever°Franke kreeg in 2017 twee
gouden en twee zilveren European Design Awards. Landschapsarchitect en
voormalig Rijksadviseur Dirk Sijmons ontving de prestigieuze
Sir Geoffrey Jellicoe Award. Het Nederlandse duo modeontwerpers
Rushemy Botter en Lisi Herreburgh is in 2018 winnaar geworden van
de Hyères-modeprijs. En Jalila Essaïdi won de Chivas Venture met Mestic; textiel
gewonnen uit koeienmest.
Vooral de integrale aanpak en het analytisch vermogen van Nederlandse ontwerpers
wordt internationaal gewaardeerd. Architectenbureaus als Mecanoo, MVRDV en
OMA zijn daarom mondiaal veelgevraagd. Landschapsarchitecten van bureaus als
West 8, LOLA landscape architects en ZUS ontwerpen in de hele wereld stedelijke
gebieden en parken. De installaties van Daan Roosegaarde zijn tot ver over de grens
bekend. Technologiefestivals als Sonic Acts, STRP, Gogbot en Today’s Art bieden de
internationale voorhoede van de digitale cultuur de kans nieuw werk te maken en dit
aan een divers publiek te presenteren. E-cultuurinstellingen als Mediamatic, V2_,
Worm en De Waag trekken jonge talenten uit alle windstreken aan. Bekende
ontwerpers doceren hun vak aan internationale universiteiten. Waterfronten, mode,
product design, digitaal ontwerp, innovatieve lichtontwerpen; op alle gebieden
hebben Nederlandse ontwerpers internationaal naam gemaakt.
Daarnaast is hun werk te zien in internationale museumcollecties. Zo verzamelt
bijvoorbeeld het MOMA in New York het werk van grafisch ontwerper Irma Boom,
heeft Hella Jongerius speciaal voor het Zwitserse bedrijf Vitra diverse
meubelstukken ontworpen en heeft het gelijknamige designmuseum werk van
Nederlandse hedendaagse ontwerpers in zijn collectie. Het is onder meer door deze
                                                                                      4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>internationale reputatie dat onze ontwerpopleidingen buitenlandse studenten
aantrekken en goed staan aangeschreven op de internationale ranglijsten. [ 1 ]
Ook buiten de sector is het besef gegroeid dat aan alles een ontwerp ten grondslag
ligt. Uiteenlopende onderwerpen als de energietransitie, de straat, het
businessmodel, onze gezondheid of het onderwijs worden tegenwoordig als
‘ontwerpopgaven’ getypeerd, die de bijbehorende methodieken en ontwerpers nodig
hebben. De overheid schrijft de sector dan ook een belangrijke maatschappelijke en
innovatieve betekenis toe. [ 2 ]
Zo op het eerste gezicht heeft de ontwerpsector dus de wind mee. Toch is er bij
nadere beschouwing reden tot zorg. Hoewel de economie de laatste jaren is
opgeveerd, heeft de crisis diepe sporen in de sector nagelaten. Het CBS laat in de
kwartaalcijfers van de periode 2009 – 2013 omzetdalingen van 20 procent zien voor
de architectenbranche. [ 3 ] Hoewel de omzetcijfers van vormgeving en digitaal
ontwerp iets rooskleuriger zijn, geldt ook hier dat het aantal bureaus is afgenomen
en dat de meeste ontwerpers als zzp’er werken. Deze onevenwichtige verdeling zorgt
ook voor problemen als de markt weer aantrekt; dan blijkt dat er onvoldoende
ontwerpers in vaste dienst werkzaam zijn, waardoor bureaus het werk vaak niet
aankunnen. De arbeidsmarktknelpunten die de Raad voor Cultuur en de Sociaal-
Economische Raad in hun gezamenlijke verkenning signaleerden, zien we in de
ontwerpsector in de volle breedte terug. [ 4 ]
De crisis heeft niet alleen voor versnippering en omzetdalingen in de sector gezorgd,
maar dreigt ook te leiden tot een uitholling van zijn artistieke en culturele
vernieuwingskracht. De noodzaak om toegepaste projecten in opdracht uit te voeren,
is veel sterker geworden. Dit opdrachtwerk is tijdelijk en eenmalig en zorgt niet voor
de continuïteit van een eigen artistieke agenda en ontwikkeling. De instellingen in de
sector delen dit probleem met instellingen in andere culturele sectoren, waar de
noodzaak tot projectfinanciering ook de lange termijn van de creatieve kracht
ondermijnt. [ 5 ] Om een bijdrage te kunnen leveren aan de maatschappelijke
uitdagingen van vandaag en morgen, moet de sector kunnen experimenteren, zich
artistiek kunnen ontwikkelen en zijn kritisch vermogen kunnen versterken door
middel van onderzoek en reflectie. Het zijn juist deze elementen die nodig zijn voor
een bloeiend en sterk ontwerpveld.
In dit advies zijn wij nagegaan welke stappen de overheid en het veld zelf kunnen
nemen om de creatieve, kritische en innovatieve kracht van de Nederlandse
ontwerpsector toekomstbestendig te houden. Vanuit artistiek, economisch en
maatschappelijk perspectief hebben wij ontwikkelingen in de sector geanalyseerd en
daaraan aanbevelingen verbonden.
De ontwerpsector wordt ook vaak aangeduid als de ‘creatieve industrie’.
Het Stimuleringsfonds en de overkoepelende federatie van de sector dragen ook
deze naam. Het suggereert bij sommigen een grotere aandacht voor de economische
dan voor de creatieve en maatschappelijke betekenis van ontwerp. De verschillende
benamingen betreffen echter geen wezenlijk verschillende disciplines en
beoefenaars. Eerder weerspiegelen ze de geschiedenis van de termen en de focus van
de verschillende ministeries waar beleid over de ontwerpsector gemaakt wordt; het
Ministerie van Economische Zaken zet in op de innovatiekracht van de Topsector
                                                                                       5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Creatieve Industrie en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap legt de
nadruk op de culturele betekenis van de ontwerpsector. Beide ministeries delen hun
verwachtingen over de toegevoegde waarde van ontwerp en ontwerpers voor
maatschappelijke transities. Ontwerpers kunnen die rol echter alleen spelen
wanneer zij ook een autonome en kritische positie kunnen innemen. Over deze
dubbelrol gaat dit advies.
De raad dankt de commissie die dit advies heeft voorbereid:
Chris Sigaloff (voorzitter), Jeroen van den Eijnde, Anne Hoogewoning,
Hicham Khalidi, Jeroen van Mastrigt, Sebastian Olma, Stephan Petermann,
Angelique Spaninks, Saskia van Stein en Martine Zoeteman. Hun inbreng, inspiratie
en tijd waren cruciaal. De raad draagt de verantwoordelijkheid voor het advies.
Bij de voorbereiding van dit advies zijn vele gesprekken gevoerd met makers en
denkers uit het veld en met vertegenwoordigers van brancheorganisaties en fondsen.
Wij danken alle gesprekspartners voor hun bereidheid om ervaringen, zorgen en
ideeën met ons te delen.
Marijke van Hees, voorzitter
Jakob van der Waarden, directeur
  1
Domus’ Europe’s Top 100 Schools of Architecture and Design bevat
drie Nederlandse opleidingen. In de Domus top 50 voor design staan
DAE, KABK en Rietveld en staat er één architectuuropleiding in de top
50 (TU Delft). In de QS World University Rankings zijn twee
opleidingen voor architectuur opgenomen: TU Delft op 3, TU
Eindhoven op 47 en staat er één opleiding voor design op de lijst: DAE
op 31.
  2
Zie voor een uitgebreide behandeling van het belang van de sector
voor maatschappelijke uitdagingen, de Kennis-en Innovatieagenda
van de Topsector Creatieve Industrie, 2018.
  3
In het tweede kwartaal van 2013 daalde de omzet van de architecten
fors met bijna 14 procent. Deze daling minder sterk dan de
voorgaande twee kwartalen waarin de omzet met meer dan 20 procent
afnam.
‘CBS’
  4
‘Verkenning Arbeidsmarkt Culturele Sector’ (pdf)
Raad voor Cultuur en Sociaal-Economische Raad
januari 2016, pag. 9-19
  5
Zie bijvoorbeeld de sectoradviezen ‘De Balans, de behoefte’, ‘Over
grenzen’ en ‘Alles beweegt’.
                                                                                   6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>        Toekomst Cultuurbeleid / Ontwerpsector / Inleiding / 1. Inleiding
         1. Inleiding
De ontwerpsector: een afbakening
Meer dan de helft van de professionals die het CBS tot de kunstsector rekent, is
werkzaam in de ontwerpsector. Deze sector is dan ook omvangrijk en zeer divers van
karakter. Ontwerp richt zich niet alleen op het leveren van diensten en het maken
van gebruiksobjecten, zoals een website of meubilair, maar ook op het ontwerpen
van processen en het maken van autonome kunst. Als bijna onze hele leefomgeving
het werk is van ontwerpers, rijst de vraag: wat en wie rekenen we tot de
ontwerpsector, en wat en wie niet?
In dit advies onderscheiden we drie deelsectoren: architectuur, waaronder
stedenbouw, landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur; vormgeving,
waaronder grafische vormgeving, productvormgeving en mode; e-cultuur,
waaronder gameontwerp, digitaal ontwerp, interactiedesign en artscience.
Elke deelsector kent een eigen geschiedenis en creatieve praktijk waaraan we in dit
advies aandacht willen besteden. Tegelijkertijd willen we ook de dwarsverbanden en
grensvervaging in de sector laten zien. Ontwerpers zijn vaak niet meer verbonden
aan één discipline, maar werken dwars door (deel)sectoren heen. Een rigide
afbakening doet dan ook geen recht aan de bewegelijkheid van ontwerpers.
Bovendien zijn de deelsectoren in de afgelopen periode beleidsmatig naar
elkaar toegebracht.
Adviesaanvraag en werkwijze
Dit advies is een van de tien sectoradviezen die de Raad voor Cultuur tussen
november 2017 en de zomer van 2018 uitbrengt. Het doel van deze adviezen is
trends en ontwikkelingen binnen de sectoren en disciplines te beschrijven,
knelpunten en kansen te duiden en beleidsopties voor de korte en lange termijn te
verkennen. De sectoradviezen gelden, samen met onze verkenning ‘Cultuur voor
stad, land en regio’, als de bouwstenen voor een discussie over de toekomst van
het cultuurbestel.
Vanuit dit perspectief heeft de minister van OCW ons gevraagd uitspraken te doen
over de artistieke, maatschappelijke en economische stand van zaken in de
Nederlandse ontwerpsector. Meer in het bijzonder is de raad verzocht om in zijn
advies aandacht te besteden aan de rol van instellingen in de ontwerpsector. Ook is
ons gevraagd na te denken over de vraag hoe vanuit het cultuurbeleid het beste
verbindingen gemaakt kunnen worden met maatschappelijke uitdagingen,
bijvoorbeeld rondom de zorg, klimaatverandering, energietransitie en het onderwijs.
In de adviesaanvraag is ook het verzoek opgenomen om het domein van de e-cultuur
af te bakenen.
                                                                                    7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Om meer over de actuele ontwikkelingen te weten te komen, heeft de raad
‘tafellakensessies’ georganiseerd met makers en denkers uit de drie afzonderlijke
deelsectoren. In deze sessies kwamen professionals aan het woord over het
onderwijs, de beroepspraktijk en het discours in hun specifieke sector. [ 1 ] Ook zijn er
verdiepende gesprekken gevoerd met experts die over gespecialiseerde kennis
beschikken en voornamelijk interdisciplinair opereren. [ 2 ] Op basis hiervan zijn de
sterke en zwakke punten in de sector in kaart gebracht. Ook hebben we van
gedachten gewisseld met vertegenwoordigers van een aantal koepelorganisaties
en grote instellingen. [ 3 ]
Voor de kwantitatieve gegevens over de sector heeft de raad gebruikgemaakt van
diverse bronnen, zoals de monitor Creatieve Industrie van het CBS en de monitor
die door iMMovator is samengesteld. Verder hebben we ook gebruikgemaakt van de
Games Monitor, Cultuur in Beeld, de sectorbeschrijving van Panteia,
Kwink en Rebel, en van een quick scan van buitenlands beleid van de
Boekmanstichting. De verzamelde cijfers, bijvoorbeeld over de creatieve industrie,
zijn onderling of door de tijd heen lastig te vergelijken, omdat de sector op
verschillende manieren wordt afgebakend en er verschillende definities van de
deelsectoren worden gehanteerd.
Perspectieven
In dit advies wordt de sector geanalyseerd vanuit drie perspectieven; het artistiek-
culturele perspectief, het economische perspectief en het maatschappelijke
perspectief. Deze invalshoeken gelden ook voor de andere sectoradviezen van de
raad en maken een vergelijking tussen de sectoren mogelijk. Daarnaast zijn ze voor
de ontwerpsector herkenbaar als de belangrijkste, maar verschuivende, redenen
voor het overheidsbeleid van de afgelopen 25 jaar.
In de jaren tachtig van de vorige eeuw motiveerde de Rijksoverheid haar beleid door
de esthetische kwaliteit en culturele betekenis van ontwerp te benadrukken. Het
beleid van de toenmalige ministers Hedy d’Ancona (Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur) en Hans Alders (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu) is hier
een goed voorbeeld van. Zij wilden de ruimtelijke kwaliteit vergroten door
architecten meer bij het begin van het ontwikkelproces te betrekken. Ook het
Nederlandse geld, het materieel en de huisstijl van de Nederlandse Spoorwegen en
de logo’s van publieke diensten werden vormgegeven door toonaangevende
Nederlandse ontwerpers als Robert Oxenaar of Bruno Ninaber van Eyben. Dit
vooruitstrevende overheidsbeleid viel internationaal op; onder de vlag van Dutch
Design en later ook Super Dutch kwam de weg open te liggen voor internationale
promotie van Nederlands ontwerp en architectuur. [ 4 ]
Vanaf de eeuwwisseling drong de economische waarde van de ontwerpsector door in
het beleid. Het feit dat de sector zo’n waarde vertegenwoordigde, een positieve
invloed op het vestigingsklimaat kon hebben en substantieel bijdroeg aan het bruto
nationaal product, bood een nieuwe legitimering. In het eerste decennium van de
twintigste eeuw ontwikkelden diverse Europese landen dan ook beleid voor de
creatieve industrie. Zo ook werd in Nederland de creatieve industrie onderdeel van
het topsectorenbeleid. Gemeentelijke overheden werden enthousiaste pleitbezorgers
van cultuur; de investeringen hierin groeiden.
                                                                                          8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Midden in de economische crisis, rond 2010, nam de aandacht voor de
maatschappelijke waarde van de culturele en creatieve sector toe. In 2012 maakte de
toenmalig minister van OCW, Jet Bussemaker, die waarde vervolgens
richtinggevend in haar cultuurbeleid. [ 5 ] Zij stelde dat maatschappelijke
vraagstukken rondom bijvoorbeeld zorg, maatschappelijk verantwoord
ondernemen, energie- en voedselvoorziening, krimp of vergrijzing steeds complexer
worden. Deze vraagstukken en beleidsthema’s moesten worden verbonden met de
creativiteit en innovatiekracht van de culturele en creatieve sector.
Ondanks de verschuiving van de aandacht, bleef de kern van het cultuurbeleid
steeds de erkenning van de artistiek-culturele waarde van de ontwerpsector voor de
samenleving. De verschillende invalshoeken zijn ook niet altijd makkelijk van elkaar
te scheiden. Wel hechten we eraan om te benadrukken dat waar het om
overheidsbeleid en subsidiëring van kunst en cultuur gaat, de artistiek-culturele
waarde altijd het uitgangspunt vormt van waaruit alle andere waarden tot stand
komen. Hoewel er tal van raakvlakken zijn tussen de ontwerpsector en de beeldende
kunst en we ontwerpers hebben gezien die conceptueel werk autonoom presenteren
in een museale context, onderscheiden we vanwege de toegepaste aard van ontwerp
duidelijke grenzen tussen wat beeldende kunst en wat ontwerp genoemd
kan worden.
Opbouw van het advies
Dit advies gaat in Beschrijving van de ontwerpsector verder met een beknopte schets
van de drie deelsectoren waarover ons advies is gevraagd. We pretenderen niet
volledig te zijn, maar willen kort de geschiedenis van het cultuurbeleid voor de
sector schetsen en de lezer een indruk geven van de huidige trends en
ontwikkelingen. Daarna kijken we achtereenvolgens vanuit artistiek-cultureel,
economisch en maatschappelijk perspectief naar de sector. We besteden daarbij
aandacht aan verschillende knelpunten en verkennen oplossingen daarvoor. Tot slot
vatten wij ons advies in het laatste hoofdstuk samen in zes aanbevelingen.
                                                                                     9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>  1
Bijlage ‘Overzicht gesprekspartners’
  2
Idem
  3
Idem
  4
Onder het bewind van Elco Brinkman (minister van Cultuur in 1985)
kwam de buitenland promotie op gang. Spraakmakend was ook de
tentoonstelling ‘Holland in Vorm’ die in 1987 door vijf verschillende
kunstmusea werd gepresenteerd. De term Super Dutch werd
gelanceerd in een publicatie uit 2000 van Bart Lootsma over nieuwe
Nederlandse architectuur.
The construction of a national practice at the intersection of national
and international dynamics
Meroz, J, Dutchnesses of Dutch Design, 2016
  5
Cultuur beweegt.
De betekenis van cultuur in een veranderde samenleving
Ministerie van OCW, 2013
                                                                        10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Ontwerpsector / Beschrijving van
         de ontwerpsector / 2. Beschrijving van de ontwerpsector
         2. Beschrijving van
         de ontwerpsector
De ontwerpsector is een veelomvattend creatief en innovatief veld dat zich kenmerkt
door een steeds intensievere samenwerking tussen zijn verschillende disciplines.
Deze trend naar convergentie en interactie is relatief recent en nog weinig
onderzocht; er zijn nauwelijks adequate studies of betekenisvolle cijfers. De raad
beschikt daarom niet over de bronnen om een volledig beeld te kunnen geven van de
ontwerpsector als een verzameling geconvergeerde disciplines met fluïde grenzen,
en heeft binnen de sectoradvisering niet de mogelijkheden om een eigen studie
te verrichten.
Daarnaast gaat de adviesaanvraag over drie specifieke deelsectoren, die ieder hun
eigen kracht en historie hebben en beschikken over eigen instrumentaria en
netwerken. We geven in dit hoofdstuk daarom, ondanks de alom waargenomen
trend tot convergentie en interactie, een aparte beschrijving per deelsector. We
sluiten af met een aantal thema’s dat de deelsectoren doorsnijdt en mogelijk nieuwe
ontwerprichtingen opent.
Architectuur
Beleidsgeschiedenis
Om een beeld te geven van 25 jaar architectuurbeleid, presenteerde
Het Nieuwe Instituut in 2017 een reizende overzichtstentoonstelling. [ 1 ] Deze
tentoonstelling sloot aan op de presentatie van de ‘Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp
2017 – 2020, Samen werken aan ontwerpkracht’. Deze agenda is de zevende editie
van de Architectuurnota, waarvan in 1991 de eerste verscheen. [ 2 ] Sinds dat jaar
presenteert de Rijksoverheid elke vier jaar een samenhangende visie op de meest
urgente ruimtelijke opgaven, met als doel het architectonische aspect van
ruimtelijke ontwikkelingen te stimuleren.
De tentoonstelling liet zien wat er in de afgelopen decennia in ons land tot stand is
gebracht via nationale stimuleringsregelingen en programma’s. Om het primaire
doel te bereiken – bevorderen van een architectuurklimaat en goed
opdrachtgeverschap – creëerde de overheid in 1991 ook een infrastructuur met
instellingen als Architectuur Lokaal, het Berlage Instituut, Het Nederlands
Architectuurinstituut en een stimuleringsfonds dat een uitvoeringstaak kreeg voor
het architectuurbeleid. Er kwam eveneens een regeling voor individuele ontwerpers
bij het Fonds BKVB.
Op lokaal niveau werden verspreid door het land circa 50 architectuurcentra
opgericht; dit alles ter stimulering van de architectonische kwaliteit en het debat
daarover. De opleving van de sector kreeg veel aandacht in landelijke dagbladen en
(vak)tijdschriften. De publieke belangstelling voor architectuur groeide; nieuw
opgeleverde gebouwen en hun ontwerpers werden gerecenseerd in landelijke
                                                                                      11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>dagbladen. De politiek en samenleving werden gevoelig voor de mogelijkheden om
hele gebieden tot ontwikkeling te brengen rondom spraakmakende bouwwerken.
Denk maar aan de spectaculaire herontwikkeling van bijvoorbeeld oude
havengebieden in Amsterdam en Rotterdam.
Vanuit het oogpunt van city branding wilde elke stad al gauw zijn eigen iconische
bouwwerk: de Erasmusbrug van Ben van Berkel, het Groninger Museum
van Mendini, Westpoint Tilburg van Van Aken, het stadhuis van Zaandam door
Soeters Van Eldonk, de VPRO-villa van MVRDV en Beeld & Geluid van
NeutelingsRiedijk. Bekende architecten zoals Rem Koolhaas, Liesbeth van der Pol,
Jo Coenen, Winy Maas, Wiel Arets, Francine Houben, Adriaan Geuze; allemaal
kwamen zij tot bloei in de jaren negentig, mede geholpen door startstipendia
en andere stimuleringsmaatregelen.
Deze generatie architecten kreeg het label ‘Superdutch’, waarmee ze ook over de
landsgrenzen bekendheid kreeg. Ontwerpend Nederland verwierf niet alleen aanzien
met zijn architecten en een unieke infrastructuur, maar ook met het integrale
ruimtelijke beleid, waarin ontwerpers invloed krijgen aan de voorkant van
ontwikkeltrajecten. De bijzondere rol van woningbouwcorporaties en de sociale
woningbouwopgaven werden in het buitenland geroemd. Dankzij deze sterke
reputatie trokken de Nederlandse opleidingen meer buitenlandse studenten. Velen
van hen bleven na hun studie hier werken.
Uit de huidige Actieagenda is het begrip ‘architectuur’ geschrapt en vervangen door
‘ruimtelijk ontwerp’. [ 3 ] Dit geeft aan dat het ontwerpen van stad en land niet meer
is voorbehouden aan architecten, maar samenwerking tussen verschillende
ontwerpende disciplines vereist. De Actieagenda voorziet tot 2020 in tien
programmaonderdelen, waarvoor de volgende partners samenwerken: de
ministeries van BZK (voorheen Infrastructuur en Milieu) en OCW, het
Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, de Internationale Architectuur Biënnale
Rotterdam, Architectuur Lokaal, het College van Rijksadviseurs, Het Nieuwe
Instituut, het O-team, de Technische Universiteit Delft, de Technische Universiteit
Eindhoven, Wageningen University & Research en de Academies van Bouwkunst.
Voor elk van de tien programmaonderdelen worden ontwerpers aangetrokken om
bijvoorbeeld te werken aan Deltaprojecten, die verbonden zijn aan de wateropgave
in Nederland of aan de herziening van het ruimtelijk systeem van landschappen en
stedelijke en dorpse omgevingen. Hiervoor is een budget van vier miljoen euro per
jaar beschikbaar. Het ministerie van OCW richt zich hierbij vooral op bevordering
van kwaliteit, talentontwikkeling, experiment, vernieuwing en internationalisering.
Daarnaast is voor het ministerie de samenhang tussen ontwerpopgaven en erfgoed
van belang. [ 4 ]
Opleidingen & talentontwikkeling
Architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur
zijn gereglementeerde beroepen. [ 5 ] Niet iedereen kan dus zomaar de titel architect
voeren. Accreditatie vindt plaats op basis van opleiding en wordt vastgelegd en
bijgehouden door het Bureau Architectenregister. Uit de cijfers blijkt dat het aantal
ingeschreven architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en
interieurarchitecten over de hele linie dalende is. [ 6] Sinds 2015 wordt twee jaar
praktijkervaring vereist, nadat in de jaren negentig een uitbreiding van de Wet op de
                                                                                       12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Architectentitel tot stand kwam. Onlangs is de tussenbalans opgemaakt van de
effectiviteit van deze ‘beroepservaringsperiode’ (BEP); er is de intentie om hiermee
door te gaan. [ 7 ]
Universitair onderwijs en onderzoek op het gebied van ruimtelijk ontwerp vinden
plaats bij de TU Delft, TU Eindhoven en Wageningen University. Daarnaast zijn er
zes Academies van Bouwkunst die opleidingen verzorgen die toegang geven tot het
architectenregister. Op het hbo-kunstvakonderwijs worden ook opleidingen spatial
design en interieurarchitectuur aangeboden, en er zijn verschillende technische
hbo-opleidingen voor architectuur. Ook op mbo-niveau kan een opleiding
ruimtelijke vormgeving worden gevolgd. Bij- en nascholing worden aangeboden via
onder meer de branchevereniging BNA en Bureau Architectenregister.
Er zijn enkele regelingen voor starters. TU Delft biedt afgestudeerde ontwerpers een
startup voucher om een ontwerp uit te werken tot een prototype. [ 8 ] Het
Stimuleringsfonds Creatieve Industrie zet zich ook in voor talentontwikkeling met
behulp van circa dertig beurzen per jaar, die worden verdeeld over
de drie deelsectoren.
Arbeidsmarkt [ 9]
In het architectenregister en de Kamer van Koophandel zijn zo’n
5.000 architectenbureaus geregistreerd, waarvan er 3.600 bestaan uit één persoon.
De inschatting is dat er zo’n 1.100 eenmanszaken ook daadwerkelijk actief zijn op de
markt. De totale werkgelegenheid wordt geschat op zo’n 9.000 werknemers (en
zzp’ers), ten opzichte van 19.000 in 2008. [ 10 ]
De economische crisis veroorzaakte een ware shake out in de bouwsector. In 2008
behaalde de architectenbranche nog een omzet van ruim 1,6 miljard euro; in 2012
daalde de omzet naar 725 miljoen euro. [ 11 ] Grote bureaus zoals MVRDV, UN Studio,
Mecanoo en OMA moesten saneren en overleefden vooral omdat zij doorlopende
opdrachten hadden in het buitenland. De CBS-cijfers van 2016 laten vanaf het
tweede kwartaal weer een behoorlijke groei van de bouwsom zien. [ 12 ] De
opdrachten hebben vooral betrekking op herbestemming, transformatie,
verduurzaming en verbouw. De gemiddelde werkvoorraad onder architecten laat
ook weer een lichte stijging zien. [ 13 ]
Om het hoofd te kunnen bieden aan de economische malaise zijn de afgelopen vijf
jaar op kleine schaal coöperatieve samenwerkingsvormen ontstaan, zoals het
multidisciplinaire The Cloud Collective. [ 14 ] Een van de oprichters ontving in 2017 de
ARC jong talent award, mede door zijn rol als initiatiefnemer. [ 15 ] The Cloud
Collective laat zien dat ontwerpers naar nieuwe bedrijfsmodellen zoeken die hen
minder kwetsbaar op de markt maken. Met name voor jonge ontwerpers, voor wie
de crisis een gegeven was, biedt een collectief de mogelijkheid om sneller te groeien
en grotere opdrachten te kunnen aannemen.
                                                                                         13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Opbrengst van de crisis
De crisis kende niet alleen verliezen, er waren ook opbrengsten. Zo heeft het Rijk
ingezet op green deals, onder andere voor de bouw. [ 16 ] Op die manier worden
experiment en onderzoek op het terrein van circulair bouwen gestimuleerd.
Architecten die zich al eerder hierin specialiseerden, zoals Paul de Ruiter Architects,
Thomas Rau en Studio Marco Vermeulen, plukken daar nu de vruchten van.
In de eisenprogramma’s voor nieuwe projecten wordt met het oog op de
klimaatdoelstellingen meer en meer belang gehecht aan technologische,
energieneutrale en duurzame oplossingen. Hoe deze milieudoelen te realiseren, is
ook onderwerp van de bouwagenda die in 2017 is gepresenteerd. [ 17 ] Omdat voor
deze opgave specifieke kennis nodig is, moeten ontwikkelaars op zoek naar
gespecialiseerde ontwerpers of deze kennis in het ontwerpteam integreren.
Er zijn nog meer thema’s die door de crisis ineens kansen kregen, zoals het
vraaggericht bouwen, met name in de woningbouw, waarvan de in co-creatie
ontworpen superlofts van Marc Koehler een voorbeeld zijn. Bottom-up en door
architecten zelf geïnitieerde projecten als het Schieblock in Rotterdam, de Ceuvel in
Amsterdam en de Kleiburg klusflat in de Bijlmer zijn typisch projecten die door de
crisis vleugels konden krijgen. Leegstaande gebouwen een tijdelijke bestemming
geven, is hiervan ook een goed voorbeeld. De trend waarbij gebruikers, burgers en
omwonenden meer worden betrokken bij de ontwikkeling van de buurt waarin zij
wonen, werken, recreëren en zich verplaatsen, vraagt om een nieuwe rol van
ontwerpers. Behalve initiatiefnemers zijn zij in dit soort processen vaak regisseur,
ontwikkelaar en verbinder. [ 18 ]
Maatschappelijke en demografische transities
De huidige maatschappelijke veranderingen leiden tot een meer gedifferentieerde
opvatting over architectuur. Zo houdt architectuur zich steeds meer bezig met
vraagstukken, zoals de gezondheid in steden en de transitie naar een duurzame
energievoorziening. In het ontwerp van nieuwe woonwijken en -concepten speelt de
urgente vraag hoe de wensen van diverse en veranderende bewonersgroepen vorm te
geven. Bureau BPD liet in dat kader onderzoek doen naar de woonwensen van
Nederlanders met een migratieachtergrond en constateerde onder meer een
specifiek behoeftepakket ten aanzien van nieuwbouw, keuken en slaapkamers. [ 19 ]
Woningcorporaties in de grote steden houden daar al geruime tijd rekening mee.
Ook de vergrijzing stelt nieuwe eisen aan het ontwerp. In het kader van de prijsvraag
‘Who Cares’ werkten twintig teams van ontwerpers en zorgprofessionals aan nieuwe
woon- en zorgconcepten voor Rotterdam, Groningen, Sittard-Geleen en Almere. Het
ging hierbij niet alleen om het ontwerp van specifieke woonvormen, zoals hofjes,
maar ook om de wijze waarop eindgebruikers en zorgspecialisten met elkaar konden
samenwerken. De prijsvraag is overigens niet onomstreden, omdat de verliezende
inzendingen geen adequate vergoeding voor hun werk kregen.
Vormgeving
In de deelsector vormgeving wordt onderscheid gemaakt tussen grafisch ontwerp,
industrieel en productontwerp en interieur- en ruimtelijk ontwerp. Ook het CBS
maakt overwegend gebruik van deze driedeling. [ 20 ] Langzamerhand komen er
echter steeds meer nieuwe disciplines bij, zoals social design, service design en
                                                                                        14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>interaction design, die minder gemakkelijk in deze deelsector zijn onder te brengen
en grote raakvlakken hebben met andere deelsectoren en disciplines als artscience
en social studies. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor modeontwerp en digitaal ontwerp.
De BNO verdeelt de ontwerpsector in de volgende categorieën: communicatie
(on- en offline) en grafisch ontwerp, industrieel en productontwerp, ruimtelijk
ontwerp, service en user experience design.
‘Cultuur in Beeld 2016’ beschrijft de reikwijdte van vormgeving als ‘onder meer
mode, grafische vormgeving, product- en industriële vormgeving, interieur- en
ruimtelijk ontwerp en social design’. Die verbreding is ook zichtbaar in de
beleidsgeschiedenis en -context.
Beleidsgeschiedenis en opkomst van Dutch Design
De Nederlandse overheid ontwikkelde tot de jaren negentig van de vorige eeuw geen
specifieke beleidsvisie ten aanzien van de vormgevingssector. Haar betrokkenheid
diende eerder economische dan artistiek-inhoudelijke doelen. Zo was het beleid vlak
na de oorlog gericht op exportbevordering, promotie en bemiddeling. Nederlands
ontwerp werd in het buitenland gepromoot als sober, degelijk en niet duur. De
Nederlandse (semi)overheid trad daarnaast op als een belangrijke opdrachtgever,
bijvoorbeeld namens de PTT in de persoon van Robert Oxenaar. De staatsdrukkerij
beschikte tot 1988 over een eigen team van twintig ontwerpers. Ook de Nederlandse
Spoorwegen speelde een belangrijke rol als opdrachtgever. De wijze waarop PTT en
de NS belang hechten aan met name grafische vormgeving wordt nog altijd gezien
als spraakmakend en vooruitstrevend.
In 1990 publiceerde de minister van WVC, Hedy d’Ancona, een beleidsnota over
vormgeving, waarin zij pleitte voor de oprichting van een Nederlands
Vormgevingsinstituut. Het doel hiervan was de kwaliteit van het aanbod te
bevorderen en de vraag te stimuleren. Het instituut kwam er in 1993 en kreeg de
opdracht om de culturele aspecten van vormgeving voorop te stellen. Ontwerpers
konden bij de cultuurfondsen voor beeldende kunst een beroep doen op subsidiëring
van individuele, autonome (talent)ontwikkeling.
De verschillende mogelijkheden voor financiële bijdragen droegen sterk bij aan de
grote bloei van de ontwerpsector in Nederland en ver daarbuiten. In hetzelfde jaar
als de oprichting van het Nederlands Vormgevingsinstituut presenteerden
kunsthistorica Renny Ramakers en Gijs Bakker, sierraadontwerper en docent aan de
Design Academy Eindhoven (toen nog de Akademie voor Industriële Vormgeving
Eindhoven) een selectie van eigentijdse Nederlandse vormgeving onder de naam
‘Droog Design’ op de Salone del Mobile in Milaan. De presentatie kreeg deze titel
omdat het werk betrof waarin het concept belangrijker was dan de vormgeving en
omdat de producten op nuchtere wijze waren ontworpen. De presentatie kreeg grote
aandacht in de buitenlandse pers. Velen zien dat moment dan ook als de lancering
van het begrip ‘Dutch Design’.
In dezelfde periode ontwikkelde de Design Academy in Eindhoven zich steeds verder
tot een toonaangevende opleiding waar de ontwerper en gebruiker centraal stonden.
Tot op heden kenmerkt het ontwerp van afgestudeerden van de Design Academy
zich door kritisch onderzoek en de innovatieve uitwerking van het ontwerp.
                                                                                    15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Voorbeelden hiervan zijn het boek PIG 05049 van ontwerper
Christien Meindertsma, waarin zij onderzoekt wat er met de afgeleide producten van
varkens gebeurt, de printerrobots van Joris Laarman of de serviesonderdelen
van Atelier NL.
In de jaren waarin ‘Dutch Design’ zich steeds verder ontwikkelde, mede door
consequente overheidssteun, brak ook het Nederlandse modeontwerp op de
internationale podia door. Destijds ontstond vanuit Arnhem een initiatief van
zes jonge modeontwerpers die waren opgeleid aan de lokale Hogeschool voor de
Kunsten. Met hun initiatief Le Cri Néerlandais presenteerden de ontwerpers zich
onder meer in Parijs. Van 2005 tot 2013 vond in Arnhem de Modebiënnale plaats.
In 2018 start de opvolger van dit evenement, State of Fashion. Sinds enkele jaren
kent Arnhem ook het Fashion + Design Festival.
Het Nederlands Vormgevingsinstituut kreeg de opdracht om de culturele aspecten
van vormgeving voorop te stellen en richtte zich op de overgang naar een digitale
samenleving en de rol van vormgeving daarin. Het instituut was de eerste
verbindende schakel tussen de diverse ontwerpdisciplines maar werd na een
negatief advies van de Raad voor Cultuur in 2001 door het ministerie van OCW
stopgezet. Vervolgens werd het jaar daarna de Premsela Stichting opgericht die tot
doel had om de economische en maatschappelijke waarde van vormgeving te
promoten. Het instituut nam onder andere het initiatief om meer toenadering te
zoeken bij het ministerie van EZ. Hieruit is het programma DutchDFA ontstaan dat
zich richtte op de internationale promotie van design, fashion & architecture.
In 2012 fuseerde Premsela met het Nederlands Architectuurinstituut en Virtueel
Platform tot Het Nieuwe Instituut in Rotterdam.
Stedelijk designbeleid
Enkele gemeenten profileren zich nadrukkelijk op het gebied van design. In
Eindhoven was er in 1998 al een initiatief voor vormgeving; hier werd destijds de
Dag van het Ontwerp georganiseerd. Die ontwikkelde zich verder via de Week van
het Ontwerp (2002) tot Dutch Design Week (vanaf 2005). Dat is sindsdien
uitgegroeid tot een internationaal toonaangevend evenement waarop zowel de
beroepsgroep als het publiek massaal afkomt. Het evenement trok in 2017 circa
335.000 bezoekers.
In Rotterdam werd tot 2013 de Designprijs uitgereikt. Een van de doelen van deze
prijs was het publieke debat over vormgeving te stimuleren en de
gemeenschappelijke kwaliteit van het Nederlands ontwerp onder de aandacht te
brengen. Op gebied van vormgeving is er in de havenstad sinds 2002 ook de beurs
100% Design die in de voormalige Van Nelle Fabriek wordt georganiseerd. Deze
beurs is uitgegroeid tot een jaarlijks evenement met eveneens een internationale
uitstraling. Om het ontwerpklimaat te stimuleren, deed de gemeente Rotterdam
in 2007 onderzoek naar het draagvlak voor een designplatform, dat er vijf jaar later
ook kwam. Arnhem kent sinds 2015 het Ontwerp Platform Arnhem. Onder de
vleugels van de BNO organiseren ontwerpers op vrijwillige basis door heel
Nederland regionale ontwerpplatforms waar debatten en presentaties
worden georganiseerd.
                                                                                     16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Opleidingen & talentontwikkeling
Er zijn tien kunstvakopleidingen met de studierichting vormgeving en er zijn diverse
hbo- en mbo-opleidingen waar studies worden aangeboden op het gebied van mode,
productontwerp of communicatie en multimedia design. De nieuwste loot aan die
stam is de master digital design die in 2017 aan de Hogeschool van Amsterdam van
start ging. Drie universitaire instellingen hebben studierichtingen voor vormgeving:
Delft, Eindhoven en Twente.
In het laatste decennium is er op de opleidingen meer aandacht gekomen voor
onderzoek. Dat blijkt uit de hbo-lectoraten die praktijkgericht onderzoek initiëren,
in samenwerking met bedrijfsleven en kennisinstellingen. Vanaf 2011 tot en
met 2016 heeft het Rijk startsubsidies ter beschikking gesteld voor de ontwikkeling
van centres of expertise, waar kennisinstellingen, bedrijfsleven en overheden
samenwerken aan maatschappelijke uitdagingen. Om het hoger beroepsonderwijs
een kwaliteitsimpuls te geven, wordt het afgestudeerden gemakkelijker gemaakt om
onderwijs en onderzoek met elkaar te combineren. [ 21]
Na de opleiding zijn er nog diverse mogelijkheden om het talent verder te
ontwikkelen of een periode onderzoek te doen. In Nederland hebben wij hiervoor
onder meer postacademische instellingen als Van Eyck en Sundaymorning@ekwc.
Daarnaast zijn er gespecialiseerde werkplaatsen, zoals het Textiellab en de
Glaswerkplaats Leerdam. Ook kunnen er professionaliseringscursussen worden
gevolgd via Cultuur & Ondernemen en de BNO Academie. Inmiddels zijn er ook vele
centres of expertise verbonden aan het hoger beroepsonderwijs. Een aantal
bedrijven in de sector, zoals bijvoorbeeld Info.nl kent ook eigen werkplaatsen
en opleidingstrajecten.
Arbeidsmarkt
Over de deelname van ontwerpers aan de arbeidsmarkt zijn sterk uiteenlopende
cijfers in omloop. Bovendien blijven in de cijfers van het CBS de vormgevers die in
dienst zijn van niet-creatieve bedrijven buiten beeld. [ 22] Volgens de monitor van
Immovator waren er in 2015 20.600 banen in design. [ 23 ] BNO ziet al enkele jaren
een teruggang van het aantal ontwerpbedrijven: -31 procent over vijf jaar. Bijna
driekwart van de bedrijven houdt zich volgens BNO vooral met grafisch en
communicatieontwerp bezig, 18 procent met productontwerp en 10 procent met
ruimtelijk ontwerp. Daartegenover ziet het CBS, op een terugval rond 2013 na, al
jaren een toename van het aantal bedrijven. Sinds 2014 komt deze groei voor een
groot deel op het conto van grafisch ontwerp. Er is echter geen eenduidig beeld van
de ontwikkelingen; vanaf 2015 zien CBS en Immovator een stijging van het aantal
bedrijven, terwijl de BNO Branchemonitor uit dat jaar dit niet registreerde.
Daarnaast zag het CBS het aandeel zzp’ers groeien, terwijl BNO dit aantal
zag krimpen.
Voor startende productontwerpers zijn er enkele (inter)nationale podia waarop zij
zich kunnen manifesteren: Dutch Design Week in Eindhoven, Salone de Mobile in
Milaan, IMM in Keulen en diverse andere internationale design weeks en beurzen.
Dit zijn plekken waar het ontwerponderwijs zich ook vaak presenteert met
studenten, afstudeerders en alumni. Ook kunnen startende ontwerpers zich tot
publieke en private fondsen wenden voor een bijdrage op basis van een project- of
businessplan. Voor de beginnende modeontwerpers ontbreken er een sterk netwerk
                                                                                     17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>en een platform die zich exclusief op hen richten. Fashionclash in Maastricht biedt
hun echter één keer per jaar een internationaal podium.
In de mode is de druk groot om direct na de opleiding toe te treden tot de
arbeidsmarkt en om zo snel mogelijk een aantal eigen collecties te maken onder een
eigen label. Maar weinigen zijn hierin succesvol. In de sector zijn zorgen over een
tekort aan ondernemerschapsvaardigheden, een gebrek aan een ondersteunende
infrastructuurstructuur en aan financiële middelen, waardoor het voor de meeste
startende ontwerpers onhaalbaar is om door te breken en internationaal naam te
maken. Het hoge tempo van de mode-industrie maakt dit er niet gemakkelijker op.
Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie komt jonge modeontwerpers enigszins
tegemoet door talentbeurzen aan te bieden. En de Fashion Week in Amsterdam wil
nadrukkelijk een podium zijn waar startende ontwerpers zich kunnen presenteren.
Zo heeft Karim Adduchi, afgestudeerd aan de Rietveld Academie, na zijn show in de
Fashion Week de stap naar de rest van de wereld kunnen zetten en werd hij door
Forbes magazine op ‘30 under 30’ van grootste talenten in de kunst en cultuur
geplaatst. Het vierjaarlijkse State of Fashion Festival in Arnhem wil ook een
platform bieden aan startende modeontwerpers.
Er is maar één opleiding in Nederland die de link legt tussen ontwerp en de
commerciële en communicatieve aspecten van de mode-industrie: het Amsterdam
Fashion Institute. Er zijn wel veel kleine experimentele kledingwinkels die het op de
lange termijn waarschijnlijk niet zullen redden. Deze winkels zijn echter van groot
belang voor beginnende ontwerpers en vormen de tegenpool van grotere retailers.
Nieuwe ontwikkelingen: digitalisering en dataficering
Processen van digitalisering en dataficering hebben geleid tot enorme hoeveelheden
informatie die zowel voor professionals als voor burgers nog maar moeilijk zijn te
doorgronden. In die context wordt de vraag naar inzichtelijke en aansprekende
beelden van kennis steeds groter. De ontwikkeling van infographics en
datavisualisatie is daar een antwoord op en heeft een hoge vlucht genomen.
Datavisualisatie is geworteld in het grafisch ontwerp en is steeds meer een eigen tak
van sport geworden, met invloeden uit onder meer digitaal ontwerp en animatie.
Het Nederlandse bureau Clever°Franke heeft zich gespecialiseerd in datavisualisatie
en werkt voor partijen als Google en Wired. BNO organiseert sinds 2008 jaarlijks
een congres over infographics en kent ook de Infographics Jaarprijs toe.
Om met big data het verhaal te vertellen dat een breed publiek begrijpt, worden
ontwerpers uitgenodigd om de data te visualiseren. Zij proberen deze data te
gebruiken om het publiek te laten zien wat er in de wereld aan de hand is en wat
meestal voor onze ogen verborgen blijft. Tegelijkertijd zet Datastudio Eindhoven
– een ontwerpproject van Het Nieuwe Instituut en de gemeente Eindhoven –
dezelfde gegevens en technieken in om dataficering en ‘algoritmisering’ kritisch te
ondervragen en te ontmaskeren.
E­cultuur
Van de drie deelsectoren is e-cultuur de jongste; zo’n 25 jaar geleden begon haar
geschiedenis. Destijds verkenden schrijvers, ontwerpers en programmeurs
gezamenlijk de mogelijkheden van internet en digitale media voor nieuwe creatieve
praktijken. Dit heeft onder meer zijn beslag gekregen in een succesvolle Nederlandse
                                                                                      18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>game-industrie die zowel blockbuster producenten als artistieke gamemakers
herbergt. Tegelijkertijd zien we dat de twee andere deelsectoren in dit advies,
architectuur en vormgeving, niet meer zonder digitale verbeeldings-, presentatie- en
opslagtechnieken kunnen en willen, en dat onze digitale omgeving zelf ook een
permanente ontwerpopgave is geworden. De oorspronkelijke drang om nieuwe
technologieën te verkennen, heeft doorgezet; nu richt men zich ook op de creatieve
mogelijkheden en uitdagingen van bio-, nano- en medische technologie, robotica,
big data of algoritmen.
Beleidsgeschiedenis
In het begin van de jaren negentig werd duidelijk dat de digitaliseringstrend ook de
ontwikkelingen in de cultuur zou beïnvloeden. Dit werd in 1996 voor het eerst
expliciet beschreven in de cultuurnota ‘Pantser of ruggegraat’. In datzelfde jaar werd
het Virtueel Platform opgericht met de bedoeling om een samenwerkingsplatform in
het leven te roepen met onder andere V2_, Waag Society en STEIM. Deze
instellingen gebruikten destijds de term e-cultuur als tegenhanger van e-commerce.
Zij experimenteerden met digitale verbeelding en praktijken, vaak in de vorm van
algemeen toegankelijke ‘labs’, en hadden daarnaast een debat- en presentatiefunctie.
Op initiatief van V2_ werd met ingang van 1994 tweejaarlijks het internationale,
goed bezochte Dutch Electronic Art Festival georganiseerd.
Door deze ontwikkelingen werd OCW uitgedaagd om nieuw beleid te formuleren. In
2002 publiceerde het ministerie de ’Beleidsbrief e-Cultuur’, waarin het een aantal
categorieën opsomde dat om aandacht vroeg: digitale kunsten en ontwerp,
digitalisering van erfgoedcollecties en nieuwe, digitale toegang tot informatie en
bijbehorende nieuwe diensten van de publieke omroep. Ter oriëntatie op nieuwe
taken rondom digitalisering vroeg het ministerie vervolgens aan de WRR en het SCP
om de reikwijdte van e-cultuur te verkennen. In 2002, enkele maanden na de
beleidsbrief van OCW, publiceerde het SCP ‘E-cultuur: Een empirische verkenning’.
ICT bleek volgens het SCP een grote veranderkracht te zijn. Onder de vlag
‘multimedia’ groeiden diverse technologische terreinen naar elkaar toe: informatica,
telecommunicatie en audiovisuele media. [ 24]
Het ministerie van OCW oriënteerde zich breed en vroeg in 2002 ook de Raad voor
Cultuur te adviseren over beleid voor e-cultuur. In 2003 publiceerde de raad
‘eCultuur van i naar e: over implicaties digitalisering in cultuurbeleid’. De
belangrijkste conclusie was dat digitalisering op verschillende domeinen binnen het
cultuurbeleid van invloed zou zijn:
– Op de manier waarop informatie verzameld en ontsloten wordt, het domein van
    de erfgoedinstellingen en bibliotheken.
– Op de manier waarop media functioneren, van aanwezigheid op het web tot
    uiteindelijk media on demand, wat toen nog achter de horizon lag.
– Op de kunst- en cultuuruitingen, het domein van de kunsten.
Ruim tien jaar later zijn die domeinen allang niet meer de enige plek waar e-cultuur
zich afspeelt. In ‘Cultuur in Beeld 2016’ wordt de term e-cultuur daarom ruimhartig
beschreven als ‘verzamelbegrip voor instellingen en projecten op het snijvlak van
design, technologische innovatie en maatschappij’. De letter ‘e’ in e-cultuur wordt
door die verbreding door sommige partijen in deze deelsector daarom steeds vaker
opgevat als een verwijzing naar ‘emergente’ technologieën, in plaats van uitsluitend
                                                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>digitale. In toenemende mate richten ontwerpers en onderzoekers zich ook op
andere technologieën; bijvoorbeeld op de bio- en nanotechnologie, robotica of
big data en op algoritmen. Verder is er in deze deelsector sprake van nauwe
verwevenheid met de (bèta) wetenschappen, hetgeen benoemd wordt als
‘artscience’, waarin (technisch) wetenschappelijk onderzoek de inspiratiebron vormt
voor artistieke projecten.
Welk hokje, welke naam?
In 2000 maakte OCW een bedrag van 3,6 miljoen euro per jaar vrij om in het kader
van de cultuurnota enkele e-cultuurinstellingen structureel te kunnen
subsidiëren. [ 25 ] Deze werden beleidsmatig ingedeeld in de categorie ‘beeldende
kunst en vormgeving’, maar met wisselende etiketten, zoals nieuwe media-
instellingen, media-instituten of infrastructurele instellingen en initiatieven.
Naast de instellingen waren er veel kleinschalige initiatieven op het gebied van
e-cultuur die allemaal een beroep deden op een projectsubsidie bij de diverse
cultuurfondsen. De categorisering en beoordelingssystematiek bij de fondsen legden
het dilemma bloot dat multidisciplinaire cultuuruitingen oproepen: ze passen niet in
het hokje van de desbetreffende subsidieregeling. Een korte periode is daarom
geprobeerd om een soort ‘interfonds’ ofwel een Interregeling Kunst en
Nieuwe Media te creëren, waarbij een gemengde commissie – met leden uit de
beoordelingscommissies van de diverse fondsen – over projectsubsidieaanvragen
oordeelde. [ 26 ] In 2003 werd dit project beëindigd, om in 2007 weer nieuw leven
ingeblazen te krijgen. Toen besloten De Mondriaan Stichting, het Nederlands Fonds
voor de Film en het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties
gezamenlijk de ontwikkeling van interdisciplinaire
e-cultuurprojecten te ondersteunen.
In 2009 werd het Virtueel Platform aangemerkt als sectorinstituut voor e-cultuur in
de BIS. Dit was de bekroning van een stormachtige ontwikkeling, maar onder druk
van nieuwe beleidsontwikkelingen en bezuinigingen werd het platform in 2013
samengevoegd met de sectorinstituten voor architectuur (NAi) en vormgeving
(Premsela) in Het Nieuwe Instituut, dat als taak kreeg onderzoek en presentaties te
ontwikkelen over de rol van architectuur, vormgeving en e-cultuur. [ 27 ] In dezelfde
bezuinigingsronde besloot OCW het Mediafonds op te heffen. Sinds 2012 zijn de
financiële middelen voor e-cultuur belegd bij het Stimuleringsfonds Creatieve
Industrie. [ 28 ] Vanaf 2017 zijn onder de vlag ‘digitale cultuur’ de middelen voor
e-cultuur en het Gamesfonds samengevoegd.
De manier waarop e-cultuur de verschillende beleidssectoren en
subsidiemogelijkheden doorkruist, wordt in het bijzonder duidelijk als we naar het
veld van game-ontwerp kijken. Gaming heeft ook een belangrijke positie in ons
advies over de audiovisuele sector. In het verleden was gameontwikkeling een
belangrijk bestanddeel van het mediabeleid. Het Mediafonds, Fonds BKVB en het
Virtueel Platform stelden in 2008 bijvoorbeeld eenmalig de DING!-Prijs in, ter
bevordering van artistieke games. Door de aanzienlijke hoeveelheid hoogwaardige
inzendingen riepen het Fonds BKVB en het Mediafonds gezamenlijk een nieuwe
subsidieregeling voor de ontwikkeling van artistieke games in het leven: het
Gamefonds, dat inmiddels weer opgeheven is. [ 29 ] Gaming valt nu onder de
regelingen voor digitale cultuur van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie met
                                                                                      20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>jaarlijks een budget van 850.000 euro. [ 30 ] Daarnaast is er een sterke groei in de
vraag naar serious games die voor maatschappelijke doelen ingezet kunnen worden,
variërend van onderwijs en training, tot gezondheidsbevordering en therapie, of
logistiek en planning.
Opleidingen
Ontwerpers voor e-cultuur kunnen opleidingen volgen aan het hbo,
kunstvakonderwijs en universiteiten. Het gaat hier om een waaier van bachelors en
masters op het gebied van interactieontwerp, beeld- en mediaontwerp,
muziektechnologie, design en technologie, robotica of artscience. Voor makers en
uitvoerders zijn er ook mbo-opleidingen. In alle grote en veel middelgrote steden
zijn er fulltime studies voor gameontwikkeling. In de periode 2012 – 2015 is het
aantal fulltime opleidingen gestegen van 35 tot 44. [ 31 ]
Er is geen goed cijfermatig overzicht waaruit valt af te lezen hoeveel studenten er
zijn bij de diverse opleidingen in het domein van e-cultuur. De Game Monitor 2015
telde 189 voltijdstudenten gaming in het wetenschappelijk onderwijs,
433 op het hbo en 369 op het mbo; bij elkaar een kleine 1.000 voltijdstudenten.
Opvallend is de scheve verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke studenten;
slechts 4 procent van de hbo-studenten ‘game architecture & design’ is vrouw.
Talentontwikkeling
Er zijn diverse regelingen voor talentontwikkeling van jonge e-cultuurmakers en
ontwerpers. Wie de weg naar Europese regelingen weet te vinden, kan in het kader
van Creative Europe subsidies aanvragen binnen diverse regelingen, bijvoorbeeld
voor bio-art of innovatieve mediaproducties. Er is ook een regeling die de concept-
en projectontwikkeling, tot en met de bètaversie, van narratieve games met een
commercieel doel stimuleert. Voor internationale presentaties, bijvoorbeeld
deelname aan een beurs, kan ook een bijdrage worden aangevraagd bij het
Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.
Startende gameontwikkelaars kunnen terecht bij Dutch Game Garden. Jaarlijks
organiseert die het internationale evenement Indigo. Hier komen overwegend
onafhankelijke, nieuwe bureaus op af. In 2017 werden er 42 games gepresenteerd.
Voor talentontwikkeling kan ook worden gekeken naar de innovatieregelingen die
CLICKNL in de context van het beleid voor de Topsector Creatieve Industrie heeft
ontworpen. Deze behelzen onder meer impulsen voor verkennend onderzoek,
stimulering van MKB, fieldlabs en ondersteuning van samenwerking. [ 32 ] Om het
ondernemerschap te stimuleren, zijn er daarnaast borgstellingen en MKB-kredieten,
die het ministerie van EZ verstrekt. Zo wordt het makkelijker om een lening bij een
bank af te sluiten. Ontwerpers met een haalbaar businessplan kunnen ook
aanspraak maken op innovatiekrediet, dat ze bij succes moeten terugbetalen. Veel
van dit soort regelingen voert de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland uit.
Veel jonge, startende makers ervaren deze regelingen als ondoorzichtig en
ontoegankelijk, en zien er weinig mogelijkheden in voor hun eigen ontwikkeling. Zij
experimenteren volop en energiek in hun eigen labs en residencies, maar van
structurele, coherente begeleiding en ondersteuning van talent is nauwelijks sprake.
                                                                                     21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Arbeidsmarkt
Voor een schoolverlatersonderzoek houdt het Researchcentrum voor Onderwijs en
Arbeidsmarkt enquêtes onder hbo-alumni. [ 33 ] Met een kleine slag om de arm kan
op basis daarvan worden aangenomen dat circa 50 procent van de afgestudeerde
web- en multimediaontwikkelaars en -vormgevers aan de slag kan. Andere
studierichtingen in de digitale cultuur scoren lager. Veel afgestudeerden hebben een
gemengde beroepspraktijk en werken voor verschillende werkgevers of
opdrachtgevers.
De Games Monitor telde in 2015 circa 455 gamebedrijven in Nederland; een stijging
van ruim 40 procent ten opzichte van 2011. Er zit groei in de mogelijkheden voor
Nederlandse entertainment games. Het aantal studio’s is sinds 2012 gegroeid
van 83 naar 160. Dankzij de ondersteuning van cultuurfondsen worden er
internationale successen geboekt, zoals met de games DEEP VR en Hidden Folks.
Toch moeten jonge, kleine studio’s over het algemeen veel moeite doen om hun plek
te vinden. [ 34 ]
Van de andere onderdelen van e-cultuur, digitaal ontwerp, interactie-ontwerp of
artscience, is het moeilijk om goede cijfers te verzamelen, omdat deze vaak zijn
ondergebracht bij bredere bureaus of deel uitmaken van een andere werkpraktijk
(bijvoorbeeld wetenschappelijk onderzoek).
Makersbeweging
De digitale en soms hoogtechnologische onderstromen in de e-cultuur, worden in
toenemende mate vergezeld van een actieve combinatie met oude ambachten en
productietechnieken. Overal in het land zijn zogenaamde ‘maker spaces’ of ‘fablabs’
ontstaan, waar in principe iedereen zowel met traditionele hout- of
metaalbewerkingsmachines aan de gang kan als met 3D printers, lasersnijders of
robots. [ 35 ] Deze makersbeweging combineert educatie, gemeenschapsvorming en
sociale doeleinden met creatieve, ontwerpende praktijken.
Het Groningse Maakfestival is inmiddels uitgegroeid tot een toonaangevende
ontmoetingsplaats van makers uit diverse hoeken van het land, waar ook duidelijk
wordt dat plaatselijke maker spaces hun eigen, lokaal gewortelde agenda hebben: zo
richt het Frysklab, vormgegeven als een mobiele werkplaats die door de provincie
rijdt, zich op watertechnologie maar probeert Bouwkeet Rotterdam vooral jongeren
uit de omliggende wijk te betrekken. De makersbeweging trekt jongeren en ouderen,
amateurs en professionals en kan voor sommige groepen een eenvoudiger opstap
zijn naar een professionele maakpraktijk dan een geformaliseerde vorm
van (hoger) onderwijs. [ 36 ]
Dwarsverbanden
Er zijn diverse dwarsverbanden tussen de drie deelsectoren aan te geven. Deze
betreffen in het bijzonder de gemeenschappelijke aandacht voor nieuwe materialen
en technologieën, het maatschappelijke engagement en de wens om op nieuwe
manieren samen te werken en tot gedeelde praktijken te komen, door middel van
open en democratisch ontwerp. Een gemeenschappelijk probleem van de sector is
het gebrek aan diversiteit in de samenstelling van de beroepsgroepen.
                                                                                     22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Duurzaam en innovatief materiaalgebruik
De ontwerpsector hecht grote betekenis aan hergebruik van materialen en de
ontwikkeling van duurzame waardeketens. Dat uit zich in allerlei vormen van
herontwikkeling: van voormalige industriële zones zoals de NDSM-werf,
de Spoorzone in Tilburg en Strijp S in Eindhoven; van afgedankte materialen, door
bijvoorbeeld Dirk van der Kooij, die cd’s en afgedankte koelkasten gebruikt als
grondstof voor zijn veelal 3D-geprinte meubels; van natuurlijke restproducten zoals
palmleer en tulpenkoppen (Tjeerd Veenhoven) of vlas (Christien Meindertsma).
Dergelijke innovatieve toepassingen van oude en nieuwe materialen worden onder
meer gefaciliteerd in werkplaatsen als EKWC, Textiellab en Glaswerkplaats. De New
Material Award, in het leven geroepen door stichting DOEN, het Nieuwe Instituut en
Fonds Kwadraat, schenkt aandacht aan de innovatieve toepassing
van nieuwe materialen.
Wetenschap en technologie
Naast materialen vormen ook nieuwe technologieën een belangrijk dwarsverband in
de ontwerpsector. Belangrijke thema’s zijn hypernatuur (natuur die door
technologie aan de wensen van mensen wordt aangepast), bionische technologie die
het lichaam herstelt of verbetert, en de toekomst van voedselproductie. De afgelopen
edities van de Dutch Design Week, herbergden bijvoorbeeld een Embassy of Food en
een Embassy of Health. In die laatste viel het werk van Frank Kolkman op, die met
‘Outrospectre’ toeschouwers via een virtual reality- installatie de ervaring wilde
geven van een lichaamsuittreding. Ook de technologische vernieuwingen op het
gebied van data, machine learning en algoritmen staan in de belangstelling van
ontwerpers. Een voorbeeld hiervan is The Mirror Room van WeAreData, een
reizende container die op festivals en stedelijke locaties neergezet wordt, waarna
bezoekers geconfronteerd worden met het dataspoor dat ze achtergelaten
hebben. [ 37 ] In al deze gevallen leggen ontwerpers op een creatieve en kritische
manier de sociale en ethische vraagstukken rond deze nieuwe technologieën bloot.
Open en democratisch ontwerp
In alle drie deelsectoren is een sterk besef ontstaan dat ontwerpopgaven de meeste
kans van slagen hebben als ze in samenspraak met gebruikers tot stand komen.
Onder architecten komt er bijvoorbeeld steeds meer aandacht voor ‘de stad op
ooghoogte’ van de gebruikers en praktijken van ‘place making’ in samenwerking met
de lokale gemeenschap. Dit past in een bredere, zogenaamde ‘open design filosofie’:
een ontwerphouding die de gebruiker uitnodigt tot participatie en aanpassing van
het ontwerp, waarbij gedeeld auteurschap ontstaat.
De organisatorische vormen waarin de democratisering van design en productie
verkend wordt en zich verder ontwikkelt, worden vaak aangeduid als ‘lab’. Hiermee
wordt innovatie in de ontwerpsector transparant en toegankelijk gemaakt voor
kunstenaars, ontwerpers, ondernemers, bestuurders en burgers.
                                                                                     23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Zo’n actieve burgerparticipatie is in het bijzonder een onderdeel geworden van
programma’s voor weerbare ‘smart cities’. Sommige labs stellen zich ook ten doel
om burgers weerbaar te maken door hen actief te betrekken bij de ontwikkeling van
beleid en wetenschapsvragen. Zo heeft bijvoorbeeld Waag Society verschillende
projecten opgezet, waaronder ‘Making Sense’, waar burgers vanuit heel Europa
actief deelnemen aan burgerwetenschap met behulp van speciaal
ontwikkelde toolkits.
Gebrek aan diversiteit
De ontwerpsector is net als de andere culturele sectoren in Nederland weinig divers
samengesteld; Nederlanders met een migratieachtergrond en mensen met weinig
opleiding hebben niet eenvoudig toegang. De nieuwe aandacht voor
ambachtelijkheid in de makersbeweging biedt op dat laatste element een inclusiever
perspectief. De beleidsplannen van de instellingen en fondsen in de sector spelen
nog slechts schoorvoetend op een inclusievere agenda in, en tonen zich bewust van
de Code Culturele Diversiteit.
Dit heeft zich echter nog niet vertaald in concreet beleid en uitvoering. De sector zou
gebaat zijn bij een grondiger analyse van belemmeringen en kansen die er voor
uiteenlopende bevolkingsgroepen zijn. Daarnaast zouden de spaarzame goede
voorbeelden beter zichtbaar moeten worden, en kan het buitenland, in het bijzonder
het Verenigd Koninkrijk via zijn Design Council, een bron van inspiratie zijn.
                                                                                        24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>   1
Rijk aan Ontwerpkracht.
25 jaar Nederlands architectuurbeleid, samengesteld door het atelier
Rijksbouwmeester, onder leiding van
Floris Alkemade.
   2
Ruimte voor Architectuur, ondertekend door d’Ancona (WVC) en
Alders (VROM).
‘nrc.nl’
   3
Samen werken aan ontwerpkracht.
Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp 2017 – 2020
Ministeries van OCW en IenM, 14 december 2016
   4
De tien programmaonderdelen zijn:
1. Atelier X;
2. College van Rijksadviseurs;
3. O-team;
4. Projectateliers IABR;
5. Stimuleringsprogramma Innovatieve Vormen Opdrachtgeverschap;
6. Stimuleringsprogramma Zorg en Onderwijs;
7. Programma Ontwerp en Praktijk;
8. Programma Ontwerp en Overheid;
9. Programma Opdrachtgeverschap en Ontwerp;
10. Rijksprijs Gouden Piramide.
‘samenwerkenaanontwerpkracht.nl’
   5
Beroepskwalificaties zijn vastgelegde minimale eisen aan kennis,
houding, vaardigheden en ervaring van een beroep. Deze kunnen
gecontroleerd worden door een opleidingstitel, een bekwaamheidstest
of beroepservaring.
   6
Ingeschrevenen op
31 december 2017: architecten 10.448 (
in 2015: 10.695), stedenbouwkundigen 802
(in 2015: 836), tuin- en landschapsarchitecten 749
(in 2015: 767), interieurarchitecten 1.806
(in 2015: 1.891).
‘architectenregister.nl’
   7
Het aantal deelnemers sinds 2015 vanuit architectuur is relatief hoog
(137), vanuit stedenbouw (5), tuin- en landschapsarchitectuur (10) en
interieurarchitectuur (6) is dat aantal nog gering en blijft (relatief)
achter. Uit de enquête blijkt dat van de respondenten, die de
zelfstandige route of het geïntegreerde programma volgen, iets minder
dan twee derde een cao-conform startersalaris krijgt en meer dan 80
procent ontvangt boven het minimumloon.
‘Verslag Toogdag BEP (pdf)’
   8
TU DELFT Startup Voucher: Ter stimulering van ondernemerschap.
The faculty of Industrial Design Engineering (IDE). Voor alle TU
studenten met een innovatief en schaalbaar idee, die de stap naar een
prototype kunnen maken.
   9
Opstap naar een betere toekomst.
Sectorplan Architectuurbureaus
2014 – 2016
Stichting Fonds Architectenbureaus, 2015
                                                                        25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>   10
Van binnen naar buiten.
Een onderzoek naar de rol van de wettelijke titelbescherming voor
Interieurarchitecten
Heebels, B., Kloosterman, R.C., 2016;
Opstap naar een betere toekomst.
Sectorplan Architectuurbureaus
2014 – 2016
Stichting Fonds Architectenbureaus, 2015
   11
Van binnen naar buiten.
Een onderzoek naar de rol van de wettelijke titelbescherming voor
Interieurarchitecten
Heebels, B., Kloosterman, R.C., 2016
   12
Vanaf 1 januari 2017 is CBS gestopt met het verzamelen van dit soort
branchegegevens.
   13
‘bna.nl’
   14
‘thecloudcollective.org’
   15
‘dearchitect.nl’
   16
In 2011 is daarom de Green Deal-aanpak begonnen. Met deze
interactieve werkwijze wil de overheid vernieuwende, duurzame
initiatieven uit de samenleving de ruimte geven. Dit doet zij door
knelpunten in de wet- en regelgeving weg te nemen, nieuwe markten
te creëren, goede informatie te geven en te zorgen voor optimale
samenwerkingsverbanden. Door heldere onderlinge afspraken kunnen
deelnemers werken aan concrete resultaten, waarbij iedere betrokken
partij zijn eigen verantwoordelijkheid heeft. Biobased Bouwen,
Duurzaam Beton en Aanpak Duurzame Grond Weg en Waterbouw.
   17
De Bouwagenda is een meerjarig programma van samenwerkende
partijen in de bouwketen: Rijk, provincies, gemeenten,
waterschappen, bouwbedrijven, woningcorporaties,
projectontwikkelaars, architecten, ingenieurs, toeleverende industrie,
kennisinstellingen en de financiële sector.
‘rijksoverheid.nl’, ‘Bouwen aan de kwaliteit van leven (pdf)’
   18
Er is een Taskforce met vertegenwoordigers uit de overheid, de bouw,
architecten, de opleidingen/wetenschap (TU’s) en marktpartijen. De
Taskforce moet erop toezien dat de doelen van de Bouwagenda
worden gehaald:
2020: energieneutrale nieuwbouw van woningen en
utiliteitsgebouwen;
2025: 10 procent productiviteitsstijging in de bouwsector door een
combinatie van hogere kwaliteit en lagere kosten;
2030: 50 procent minder gebruik van primaire grondstoffen;
2050: energieneutrale gebouwde omgeving en Nederland circulair.
   19
‘bna.nl’
   20
‘Woonwensen van nieuwe Nederlanders’ (pdf)
BPD
                                                                       26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>  21
‘Kenmerkend voor de vormgever is dat zijn rol en het gebied waarin
hij zich beweegt, niet vastliggen. Het staat hem vrij om te kiezen voor
een context (gebonden of vrij, al dan niet marktgericht of een eigen
markt creërend) en de eigen rol daarin (autonoom, dienstbaar aan een
programma van eisen en/of adviserend). Al naar gelang die keuze kan
hij zich ontwerper of kunstenaar noemen. Er zijn dan ook veel
crossovers.’
Uit: Advies Vormgeving,
Tijdelijke Vormgeving Commissie, 2001, pagina 7
  22
OCW stelt daarom eenmalig 6 miljoen euro in 2018 en daarna
structureel 2 miljoen euro per jaar beschikbaar zodat Regieorgaan SIA
een hbo-postdocprogramma kan uitvoeren. Het programma biedt
docent-onderzoekers carrièreperspectief en maakt het aantrekkelijk
voor hen om binnen het hbo te werken.
‘vereniginghogescholen.nl’
  23
Het TNO-rapport ‘Vormgeving in de Creatieve Economie’(2005)
schatte in dat destijds twee derde van de vormgevers werkzaam was in
functie van een andere productieactiviteit dan vormgeving, en dus niet
bij vormgevingsbureaus.
  24
‘Monitor Creatieve
Industrie 2016’
iMMovator, 2017, pagina 25
  25
‘eCultuur van i naar e.’
Over implicaties digitalisering in cultuurbeleid
Raad voor Cultuur, 2003
  26
‘Cultuur als confrontatie’
Ministerie van OCW, 1999
pagina 49-50
  27
Doel van het fonds was tweeledig: financieren uit een apart fonds van
de interdisciplinaire nieuwe media kunst en het bevorderen van
expertise bij de verschillende fondsen zelf (het delen van elkaars
inzichten). Deelnemende fondsen zijn Fonds voor de Podiumkunsten,
Mondriaan Stichting, Fonds BKBV, Stimuleringsfonds voor
Architectuur, Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele
Omroepproducties en het Nederlands Fonds voor de Film. De
Interregeling Kunst en Nieuwe Media ging september 2001 van start
met uit elk fonds een of meerdere adviseurs en enkele
interdisciplinaire ‘specialisten’. BIS 2009 – 2012 bevatte acht
organisaties die als e-cultuur kunnen worden geclassificeerd: één
sectorinstituut (Virtueel Platform) en zeven ontwikkelinstellingen.
  28
Totaal 4,9 miljoen euro. Dit is indeling zoals gebruikt in BIS-advies;
MU, NIMK stonden onder BKV destijds, DEN dus destijds tot e-
cultuur gerekend. Stimuleringsfonds Creatieve Industrie geeft in de
periode 2017 – 2020 meerjarige subsidies aan tien e-cultuur
organisaties, totaalbedrag 2,3 miljoen euro.
  29
Het budget gealloceerd voor projectsubsidies digitale cultuur
(850.000 euro) is iets lager dan dat voor architectuur en vormgeving
(beide 1,1 miljoen euro); daar staat dus tegenover dat in de
meerjarenregeling weer relatief veel e-cultuur organisaties zijn
vertegenwoordigd (ongeveer drie kwart van het budget).
                                                                        27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>   30
Het Gamefonds heeft bestaan tot en met 2016, de laatste jaren
uitgevoerd door Mediafonds en Stimuleringsfonds. In 2017 is het
Gamefonds in aangepaste opzet onderdeel geworden van de regeling
Digitale Cultuur.
   31
Ter vergelijking: in België wordt jaarlijks een budget voor
gameontwikkeling vrijgemaakt van 1,73 miljoen euro.
   32
ROA Statistics geeft overzichten in opleidingsniveaus, deel- en/of
fulltime en soort opleidingen.
‘maastrichtuniversity.nl’
   33
‘clicknl.nl’
   34
‘hbomonitor.nl’
   35
‘dutchgamegarden.nl’
   36
‘makerscene.io’
   37
De makerbeweging.
Broedplaatsen voor cultuurparticipatie.
Douma, I., Jansen, P., 2016;
In: Zicht op actieve cultuurparticipatie.
Thema’s en trends in praktijk en beleid
LKCA, FCP
                                                                   28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Ontwerpsector / Artistiek-cultureel perspectief / 3. Artistiek-
         cultureel perspectief
         3. Artistiek-cultureel perspectief
In dit hoofdstuk belichten we de ontwerpsector vanuit het artistiek-culturele
perspectief. De intrinsieke, artistieke waarde van ontwerp staat daarbij centraal; we
bespreken hoe die via onderzoek en experiment, en dankzij artistiek ingestoken
opdrachtgeverschap tot stand komt. Ook bekijken we talentontwikkeling en de vraag
via welke instrumenten en regelingen beginnende talenten op weg geholpen worden.
We zullen zien dat beheer en behoud in de sector gefragmenteerd zijn en om nieuwe
oplossingen vragen.
Veelzijdigheid en kwaliteit
De veelzijdigheid van ontwerpers komt tot uitdrukking in de verschillende
perspectieven van waaruit zij een opgave benaderen: technologie (materiaalgebruik
en maakprocessen), functie (vorm, stijl, praktische gebruiksfunctie), betekenis
(symbolische functie, culturele inbedding, betekenisgeving) en maatschappij
(sociale en economisch functie). Ontwerpers moeten verschillende rollen spelen en
over diverse soorten kennis beschikken om deze perspectieven samen te brengen.
Technologie vraagt van oudsher om klassieke rollen als ingenieurs, bouwkundigen of
ambachtslieden, maar in toenemende mate om soft- en hardware kennis en data-
inzicht. Functie vraagt om begrip van de potentiële gebruiker en vereist
ergonomische en psychologische kennis. Betekenis vraagt om antropologisch,
filosofisch en sociologisch inzicht. Het perspectief van de maatschappij vraagt om
kennis van bestuurlijke en zakelijke processen. Een goede balans tussen deze vier,
soms zeer uiteenlopende aspecten zal eerder in samenwerking tussen verschillende
ontwerpers ontstaan dan dat ze samengebald kan zijn in één individu. Niet voor
niets ontstaat er veel waardering voor ontwerp, omdat er juist in de samenwerking
extra kwaliteit tot stand komt. Zo won de multimediale presentatie ‘Canon van
Nederland’ van het Openlucht Museum in mei 2018 de prestigieuze internationale
museum en erfgoedprijs, vooral vanwege ‘de indrukwekkende samenwerking van
verschillende partijen’. [ 1 ]
Omdat ontwerpers in zoveel verschillende contexten opereren, hangt een
kwaliteitsoordeel vaak samen met de specifieke, vaak veranderende context. Of het
nu mode, architectuur, vormgeving of gaming is, de sector beweegt zich tussen de
uitersten van dienstbaar, functioneel design, persoonlijke, artistieke vormgeving en
kritische, maatschappelijke reflectie. In het kwaliteitsoordeel over bijvoorbeeld een
stoel van Maarten Baas wordt dus naar een andere soort kwaliteit gezocht dan in het
oordeel over het ontwerp voor een kopieermachine.
Zo’n ‘situationeel kwaliteitsoordeel’ is misschien ook wel de reden waarom er in de
sector soms heftige discussies losbarsten over ontwerp(ers). Een typisch voorbeeld
daarvan is de doorlopende controverse over het werk van Daan Roosegaarde dat
door de een als goed in de markt gezette ‘kitsch’ wordt beschouwd, en door de ander
                                                                                                  29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>hartstochtelijk verdedigd als schoolvoorbeeld van een ontwerper die succesvol op
het snijvlak van kunst, design en technologie opereert, en maatschappelijke kwesties
voor een groot publiek inzichtelijk maakt. [ 2 ] Maar ook een architect als
Rem Koolhaas is langdurig onderwerp van onenigheid geweest over bijvoorbeeld het
gebrek aan respect voor de gebouwde context enerzijds, en de bewondering voor zijn
radicale vernieuwingsdrift anderzijds. [ 3 ]
Ontwerpers worden tijdens hun opleiding aan de design- en kunstopleidingen volop
gestimuleerd om een eigen signatuur te ontwikkelen en hun persoonlijke drijfveren
als uitgangspunt te nemen. Er is ook een duidelijke behoefte aan dergelijke
artistieke, individuele expressie en betekenisvol ontwerp die een autonome inbreng
van de ontwerper veronderstellen. Maar de specifieke context van de ontwerpsector
laat meestal weinig ruimte voor zo’n autonome positie. Ontwerpers werken immers
voor (een netwerk van) opdrachtgevers en meestal met een team, waarin de
eerdergenoemde ontwerprollen en expertises vertegenwoordigd zijn. De balans en
de synergie tussen de vier perspectieven (technologie, functie, betekenis en
maatschappij) zijn dus onmiddellijk van belang voor de artistiek-culturele kwaliteit,
veel meer dan het niveau van elk perspectief apart.
In die context is het begrijpelijk dat de behoefte aan beargumenteerde discussies en
reflecties op synergie tussen de perspectieven, laten we ze ‘slow debates’ noemen,
steeds groter wordt. Om zich te kunnen blijven ontwikkelen, is het van belang dat
zowel de ontwerpers als de partijen waarmee zij samenwerken kunnen reflecteren
op de ontwerppraktijk en de betekenis daarvan voor de samenleving. Alleen dan kan
het kritisch vermogen binnen de sector blijven bestaan dat noodzakelijk is om een
relevante bijdrage te kunnen leveren. De raad heeft de teloorgang van dergelijke
podia ook in andere sectoren geconstateerd en betreurt dit.
Ontwerpproces als kwaliteit
Als we voor een nadere bezinning op de artistiek-culturele waarde van de sector
kijken naar de kwaliteitsoordelen van de diverse instellingen, dan valt op dat hun
waardering vaak betrekking heeft op de werkwijzen en processen die ontwerpers
met elkaar en met andere werkvelden aangaan. Ontwerpers die actief zijn in wat in
de literatuur ‘relational design’ wordt genoemd, werken samen in teams waarin
diverse expertises samenkomen. [ 4 ] Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie geeft
bijvoorbeeld ruimte aan projecten die als doel hebben om experimenten en
crossovers mogelijk te maken, en stimuleert onderzoek, analyse en reflectie. [ 5 ]
Daarnaast kunnen specifieke opdrachtgevers, in het bijzonder de diverse overheden,
een belangrijke rol spelen voor de artistiek-culturele kwaliteit in de sector.
Onderzoek en experiment
Onderzoek en experiment zijn de voedingsbronnen voor de artistiek-culturele
ontwikkeling in de sector. Ook deze behelzen zeer uiteenlopende praktijken. Het kan
gaan om klassiek materiaalonderzoek, vergelijkbaar met het onderzoek dat
bijvoorbeeld beeldende kunstenaars verrichten; het kan gaan om traditioneel
wetenschappelijk onderzoek; het kan lijken op journalistiek onderzoek naar
maatschappelijke fenomenen, maar meestal gaat het om een mengvorm van deze
richtingen. Typisch voor de sector is eveneens een vorm van onderzoek die zich
positioneert tussen het domein van de autonome, beeldende kunst en het domein
van de reguliere wetenschap, waarin ontwerpmethodieken worden ingezet om
                                                                                      30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>inzichten te verwerven; het gaat hier niet per se om onderzoek ten behoeve van
ontwerp maar om ‘ontwerpend onderzoek’ dat als werkvorm ook ingezet wordt in
andere maatschappelijke domeinen, zoals we in ‘Maatschappelijk perspectief’
zullen zien.
Welke vorm van onderzoek een ontwerper ook in zijn praktijk wil inzetten, in de
regel ontbreken ruimte, tijd en geld om onafhankelijk te experimenteren. Een groot
deel van de ontwerpers werkt als zzp’er of is onderdeel van een klein collectief en
heeft nauwelijks mogelijkheden om zelf te investeren in research & development. De
markt vult deze leemte niet en ontwerpers moeten het onderzoek, voorafgaand aan
de voorlopige ontwerpen, vaak zelf betalen. Gezien het grote scala aan
maatschappelijke terreinen waarin ontwerp een rol speelt, is het te betreuren dat de
sector, buiten de eigen fondsen en regelingen, in Nederland nauwelijks andere
mogelijkheden heeft om onderzoeksfinanciering binnen andere beleids- en
financieringskaders aan te vragen. De sector valt tussen diverse wallen en schepen
omdat het noch wetenschappelijk, noch toegepast, noch praktijkonderzoek is, maar
een eigen vorm en vocabulaire heeft.
Internationaal gezien zijn er op dit punt betere voorbeelden en mogelijkheden en
worden transsectorale ontwerpsamenwerkingen vaak beter gefinancierd. Denk
hierbij aan het onderzoek dat plaatsvindt bij de Royal College of Art in het Verenigd
Koninkrijk, het design lab van het Massachusetts Institute of Technology of de
Haute Ecole d’art et de design de Genève. Ook de EU-onderzoeksfinanciering biedt
goede mogelijkheden voor de ontwerpsector, al is deze wel vaak voorbehouden aan
grote, internationale consortia.
Autonoom onderzoek en experiment moeten gezien worden als de unieke en
definiërende artistieke praktijk van deze sector. Gelet op de essentiële betekenis
daarvan vindt de raad het van belang dat er meer mogelijkheden komen voor
ontwerpend onderzoek, in de vorm van extra financiën, faciliteiten, ruimte en tijd.
Opdrachtgeverschap en gunning
De wederzijdse afhankelijkheid tussen ontwerpers en opdrachtgevers zorgt ervoor
dat laatstgenoemde of gunningsprocessen meer dan in andere cultuursectoren een
doorslaggevende rol kunnen hebben of nemen voor de artistiek-culturele kwaliteit.
Van oudsher speelt de (Rijks)overheid als opdrachtgever een belangrijke rol in de
bevordering van ontwerpkwaliteit, we noemden daar al enkele voorbeelden van.
In deze beleidsperiode doet zich een unieke ontwerpmogelijkheid voor omdat meer
dan 300 rijksvastgoedobjecten naar de markt zullen worden gebracht. Dit is een
uitgelezen kans om de ontwerpkracht te stimuleren en om te experimenteren met
innovatief opdrachtgeverschap.
Ontwerpers hebben tijdens de economische crisis zelf ook talloze initiatieven
genomen om met andere partijen projecten te ontwikkelen. Zij treden dan eerder als
initiatiefnemer en verbinder op dan als opdrachtnemer. Vanuit deze positie gaan zij
in gesprek met overheden, gemeenschappen, producenten en financiers en smeden
coalities met verschillende maatschappelijke partijen om kansen te benutten of
maatschappelijke vraagstukken te verkennen. Hierdoor is de bestaande verhouding
tussen opdrachtgevers en ontwerpers veranderd; zij begint naar een vorm van
gelijkwaardige samenwerking te groeien waarin ook, en in toenemende mate,
gebruikers worden betrokken. Dit vergt van alle partijen nieuwe vaardigheden en
                                                                                      31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>een nieuwe mentaliteit, en vereist een heroverweging en verkenning van nieuwe
vormen van opdrachtgeverschap. Dit blijft, wat de raad betreft, een vast onderwerp
op de beleidsagenda. Elementen daarvan zijn bijvoorbeeld een gezamenlijke, in
plaats van eenzijdige opdrachtformulering; een specifiek gunningsbeleid dat is
gericht op jonge en startende ontwerpers; meer inzetten op (kleinschalige)
prijsvragen. [ 6]
Via prijsvragen kan een gunningsproces ontstaan waarin de ontwerpkwaliteit
centraal staat, die ook iets kan betekenen voor de artistiek-inhoudelijke
ontwikkeling van de sector. In toenemende mate worden meedingende ontwerpen
gepubliceerd, waardoor zowel het professionele als publieke debat gestimuleerd
wordt. De vijf inzendingen voor de Bijlmerbajes-prijsvraag zijn bijvoorbeeld
allemaal in het complex zelf tentoongesteld.
Er moet wel een kanttekening bij worden geplaatst: prijsvragen zijn vaak
arbeidsintensief en on(der)betaald. In onder andere Zwitserland en Duitsland is
daarom bij publieke projecten wettelijk vastgelegd dat er een vergoeding tegenover
deelname moet staan. De Nederlandse overheid zou in navolging hiervan ook een
vergoeding voor prijsvragen wettelijk kunnen vastleggen.
Opleidingen en talentontwikkeling
Gezien de nauwe verwevenheid met maatschappelijke en technologische
ontwikkelingen, is het voor een ontwerper noodzakelijk om niet alleen goed
geschoold te zijn, maar ook om zich permanent bij te scholen.
Technische universiteiten en kunstvakopleidingen, zoals de Design Academy en de
kunstacademies, bieden studenten de gelegenheid om al tijdens hun opleiding aan
de slag te gaan met concrete ontwerpvraagstukken. Sommige onderwijsinstellingen
organiseren deze mogelijkheid via denktanks, zoals de Why Factory aan de
TU Delft. [ 7 ] Op hbo’s zijn centres of expertise en diverse platforms voor onderzoek
naar bijvoorbeeld circulaire, veerkrachtige steden en applied design research.
Daarnaast zien we mogelijkheden om deel te nemen aan researchgroepen voor een
PhD, om in contact te komen met het bedrijfsleven of om deel te nemen in living
labs, zoals het Smart Cities Program aan TU Eindhoven. [ 8 ]
TU Twente biedt ook design labs, waarin de instelling samenwerkt met ontwerpers
en bedrijven die een specifieke kennisvraag hebben. In de design labs krijgen
studenten met realistische opgaven te maken en werken zij in interdisciplinaire
teams. Deze opleidingsfase is belangrijk, omdat zij ontwerpers voorbereidt op de rol
als gesprekspartner van bestuurders, projectontwikkelaars en grote bedrijven. Naast
de aandacht voor de ontwikkeling van ‘creatieve individuele makers’ krijgen ze zo
ook de kennis en vaardigheden om op te treden als ‘creatieve verbinders’ die nieuwe
samenwerking mogelijk maken.
Tegelijkertijd dreigt met de vergaande nadruk op onderzoek, experiment en
(high-tech) kennisontwikkeling in de ontwerpsector een onwenselijke
academisering. Het succes van de makersbeweging laat bijvoorbeeld zien dat er
behoefte is aan en ruimte voor simpelere en meer rechtstreekse manieren van
onderzoeken, ontwerpen en maken. Deze hebben als voordeel dat ze
laagdrempeliger zijn, en eveneens verdwijnende vormen van ambachtelijkheid doen
                                                                                       32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>herleven en beschermen. Het IJssellinie-theater uit Wijhe werkt bijvoorbeeld met
Syrische kleermakers voor hun historische locatieproducties. [ 9] Ook de recent
gestarte meestercoupeuropleiding (de enige in de Benelux) is succesvol en bouwt
voort op ambachtelijke technieken die in Nederland nauwelijks meer
beheerst worden.
Presentatiemogelijkheden
Een deel van de ontwerpuitkomsten is onmiddellijk zichtbaar als concreet
bouwwerk, product, game of webdesign. Een ander deel is veel minder zichtbaar en
uit zich in nieuwe concepten, nieuwe werkwijzen of nieuwe inzichten. Beide bieden
de ontwerper de basis om zich verder te ontwikkelen en nieuw werk te verkrijgen. Er
zijn diverse (inter)nationale festivals en beurzen waar ontwerpers hun werk kunnen
laten zien en met andere professionals en opdrachtgevers in contact kunnen komen.
Zo presenteert studio Makkink & Bey tijdens de IABR een prototype van een nieuw
schoolconcept dat ze tijdens de tentoonstelling met wetenschappers, bedrijven en
beleidsmakers daadwerkelijk willen gaan realiseren. In Nederland fungeert
Het Nieuwe Instituut als landelijke instelling voor ontwerp waar de sector via
debatten, tentoonstellingen en onderzoeksprojecten in de aandacht komt te staan.
Maar waar kan de jonge ontwerper zonder stevig gevestigde praktijk terecht?
Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie biedt een financiële bijdrage aan jonge
ontwerpers plus een publicatie en presentatie tijdens de Dutch Design Week.
Incubators als de Game Garden helpen beginnende ondernemers op het gebied van
digitaal ontwerp op weg. Dit soort incubators voorzien in een ontwikkelbehoefte van
ontwerptalent en brengen ontwerpers in contact met potentiële opdrachtgevers en
zakelijke partners. Daarnaast zijn prijsvragen belangrijk, vooral die waarmee de
winnaar een ontwerp ook daadwerkelijk kan realiseren, zoals Europan (voor
architecten) of de recent ingestelde stimuleringsprijs voor jonge ontwerpers; young
innovators zijn van belang voor de artistieke-culturele kwaliteit van de sector en de
doorstroming van jong talent.
Beheer en behoud
Om een goed inzicht te hebben in de manier waarop de sector zich artistiek-cultuur
ontwikkeld heeft en welke toekomstige uitdagingen hij kan verwachten, is een
stevige infrastructuur van instellingen voor beheer en behoud van collecties
noodzakelijk. Momenteel is er noch overkoepelend landelijk beleid, noch een
overkoepelende landelijke instelling voor het beheer en behoud van de gehele
ontwerpsector. Wel is er een aantal belangrijke archieven waarin delen van de eigen
geschiedenis opgeslagen zijn, zoals bijvoorbeeld:
– Het Nieuwe Instituut beheert en behoudt de Nederlandse architectuurcollectie.
– Sinds 2011 bestaat in Eindhoven het Louis Kalff Instituut, erfgoedcentrum
    industriële vormgeving, onderdeel van Regionaal Historisch Centrum
    Eindhoven. Hier worden archieven bewaard en ontsloten van onder meer
    Philips Design, Vormgeversoverleg Eindhoven en de Akademie voor Industriële
    Vormgeving Eindhoven.
                                                                                      33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>– Modekern in Arnhem verzamelt, ontsluit, onderzoekt en presenteert sinds 2013
    de archieven van Nederlandse modeontwerpers van internationale betekenis.
    Zo wil men de kennis over de moderne Nederlandse modegeschiedenis vergroten
    en verder ontwikkelen. Het is verbonden aan ArtEZ, het Gelders Archief en
    Museum Arnhem.
– Het Wim Crouwel Instituut, gekoppeld aan Bijzondere Collecties UvA, richt zich
    sinds 2013 op het erfgoed van grafische vormgeving en typografie.
De voorbeelden suggereren een gefragmenteerd archiefbeleid, waarin vormgeving,
mode en e-cultuur buiten de boot vallen, en dat grotendeels afhankelijk is van
particulier initiatief en lokale ondersteuning, zonder veel samenhang.
Daarnaast is er een intensief gesprek in de sector over de wenselijkheid van een
nieuw design museum dat zou kunnen dienen als vliegwiel voor beheer, behoud en
presentatie van ontwerpprocessen en archieven. In dit debat hebben zich onder
meer Het Nieuwe Instituut, het Cube Design Museum in Kerkrade, het Stedelijk
Museum ’s-Hertogenbosch en het MOTI in Breda (opgegaan in het
Stedelijk Museum Breda) gemengd. In het najaar van 2017 nam de provincie Noord-
Brabant een motie aan om de mogelijkheid voor een rijksmuseum voor design in
Eindhoven te onderzoeken. We komen in onze ‘aanbevelingen’ op deze
discussie terug.
Voor het beheer en behoud in de erfgoedsector biedt digitalisering, net zoals in de
andere cultuursectoren, belangrijke kansen. Het gaat dan ten eerste om
digitalisering van klassiek ontwerperfgoed in de vorm van digitale opslag en toegang
tot collecties. In 2015 maakte een coalitie van culturele instellingen een rapport over
dergelijke digitale collecties. [ 10 ] Inmiddels heeft Het Nieuwe Instituut de eerste
digitale architectuurcollecties opgenomen in het archief. De ervaring die het
instituut hiermee opdoet, wil het delen met de sector in de leeromgeving
‘digital preservation’.
Ten tweede gaat het om het beheer en behoud van ontwerp dat 100 procent
verweven is met digitale en mediatechnologieën, het zogenaamde ‘born-digital’
ontwerp. Virtueel Platform organiseerde hierover in 2009 de expertmeeting
Archive2020. LIMA is een instelling die veel ervaring heeft met het behoud en
beheer van dergelijke ontwerpvormen en deelt haar kennis van de born-digital
collecties met erfgoedinstellingen, ontwerpers en kunstenaars. De ondersteunende
instelling Digitaal Erfgoed Nederland (DEN) kan hierbij ook een rol spelen, zeker nu
de instelling sinds 2016 de taak heeft gekregen om ook het cultuurproducerende
deel van de sector te helpen met het behoud en beheer van hun collecties.
Tenslotte is er een steeds urgentere kwestie: de archivering van uniek erfgoed uit de
e-cultuur. In 2017 leidde een intensieve samenwerking tussen het Instituut voor
Beeld en Geluid, het Amsterdam Museum, de Universiteit van Amsterdam en Waag
Society tot een herleving van een deel van De Digitale Stad, Nederlands eerste
internetplatform: de begindagen uit 1993 werden opgezocht en hersteld, zodanig dat
enkele van de oude pagina’s nu opnieuw te zien én te gebruiken zijn. Inmiddels
hebben ook de BNO, Het Nieuwe Instituut en het Stedelijk Museum Amsterdam zich
gemengd in de discussie over het behoud en beheer van
Nederlandse ontwerpcollecties.
                                                                                        34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Internationalsering
De ontwerpsector heeft een mondiaal werkveld en presenteert zichzelf op een
mondiaal podium. Internationalisering is van vitaal belang voor de artistiek-
culturele ontwikkeling van ontwerpers. Internationale platforms zoals biënnales,
vakinhoudelijke congressen en evenementen spelen een grote rol bij het tonen van
talent en nieuwe ontwikkelingen, kennisuitwisseling, de opbouw van netwerken en
het creëren van internationale bekendheid. Die oriëntatie start al tijdens de studie.
Daar wordt internationalisering weerspiegeld in de samenstelling van de
studentenpopulatie. Ook werken ontwerpbureaus veel met internationale stagiairs
waardoor zij gemakkelijker netwerken kunnen opbouwen over de wereld.
Uitwisseling, dialoog en samenwerking met internationale bureaus en ontwerpers
zijn niet alleen belangrijk voor inspiratie en kennisopbouw. Ook bieden
internationale thema’s en vraagstukken de gelegenheid om te experimenteren en
daarvan te leren. Zoals ontwerpen met nieuwe bouwmaterialen of ontwerpen voor
een lowtech samenleving. Er is daarom behoefte aan nieuwe internationale dialogen,
aan nieuwe presentatievormen en aan internationale samenwerkingsverbanden.
Er zijn diverse instellingen die een bijdrage leveren aan internationalisering van de
sector. Zo heeft Het Nieuwe Instituut zich vanaf het begin gepositioneerd als een
internationale organisatie en is het verantwoordelijk voor internationale
tentoonstellingen en conferenties. Verder runt het een internationaal
bezoekersprogramma en het informatiepunt Creatieve Industrie en
Internationalisering. Met de Deelregeling Internationalisering ondersteunt het
Stimuleringsfonds Creatieve Industrie projecten die inhoudelijk bijdragen aan het
ontwikkelen, profileren en versterken van de internationale positie van de
hedendaagse ontwerpsector. Dutch Culture is de landelijke informatiemakelaar voor
professionals in de culturele en diplomatieke sector met internationale culturele
ambities. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft startersregelingen om
internationalisering te ondersteunen. En via het netwerk van Creative Holland
worden de internationaliseringsactiviteiten afgestemd. De toename in het aantal
aanvragen ten behoeve van internationalisering geeft aan dat ontwerpers hieraan
een grote behoefte hebben. [ 11 ]Er vindt een verschuiving plaats van de focus op
marktverruiming naar het versterken van de artistiek-culturele werkpraktijk.
Conclusies
Het functioneren van de ontwerpsector wordt in belangrijke mate bepaald door de
mogelijkheden en ruimte voor een artistiek-culturele ontwikkeling. We
constateerden dat deze door de economische crisis onder druk is komen te staan en
dat veel ontwerpers hebben overleefd door direct dienstbaar, toegepast ontwerp te
maken. Maar de artistiek-culturele kracht van de sector ligt bij de mogelijkheden die
hij heeft om autonoom onderzoek te verrichten en om te experimenteren, en bij de
relatie met opdrachtgevers die deze ruimte willen bieden. Uit de kwaliteit van die
processen ontstaat ook de kwaliteit van het ontwerp in zijn specifieke context. Er
zijn echter buiten de universitaire en hbo-instellingen die ontwerpopleidingen
aanbieden weinig voorzieningen voor het onafhankelijke, experimentele onderzoek
dat specifiek is gericht op ontwerpopgaven en de artistiek-culturele kwaliteit van de
sector onderbouwt. De raad vindt het noodzakelijk dat die ruimte er wel komt om de
                                                                                      35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>hoge internationale kwaliteit van het Nederlands ontwerp te continueren en verder
te ontwikkelen.
Daarnaast constateren we twee ontwikkelingen die elkaar niet zouden moeten
uitsluiten. Aan de ene kant schurkt de sector steeds dichter aan tegen de wetenschap
en wetenschappelijke ontwikkelingen: hij gebruikt ze, ondervraagt ze en bekritiseert
ze. Aan de andere kant is er een beweging naar directe, ambachtelijke en digitale
maakprocessen die openstaan voor iedereen. De raad adviseert om beide
bewegingen goed en in samenhang te ondersteunen.
Als het ontwerponderwijs beter aansluit op het hoger onderwijs, zullen ontwerpers
beschikken over meer onderzoeksvaardigheden en kennis uit andere domeinen, en
daarmee beter in staat zijn om in de frontlinie te werken aan complexe,
maatschappelijke vraagstukken. Tegelijkertijd moet academisering van de sector
niet doorschieten en is erkenning van de ambachtelijkheid, die nodig is om zowel
met nieuwe als oude materialen en technieken te werken, onontbeerlijk om ook de
concrete kwaliteit te handhaven, en om een begin te maken met een inclusievere
praktijk. Idealiter verlopen beide ontwikkelingen hand in hand, en de raad neemt
zich dan ook voor om juist deze gezamenlijkheid te faciliteren.
We zien verder dat ontwerp in het brandpunt van de maatschappelijke
belangstelling staat en tot heftige, maar vaak kortstondige en niet altijd goed
onderbouwde discussies leidt, zowel onder deskundigen als het publiek. De diverse
festivals en prijsvragen worden onvoldoende structureel ondersteund als platforms
voor professionele reflectie, presentatie en uitwisseling. Net als wij bij andere
sectoren hebben geconstateerd, is zo’n bezinning wel nodig om het niveau van de
ontwerpsector op peil te houden.
Jonge ontwerpers kunnen moeilijk een vaste plek en rol in de sector veroveren. Niet
alleen zijn de financiële regelingen gevarieerd en onoverzichtelijk, ook zijn de
mogelijkheden om hun werk daadwerkelijk te maken en te laten zien nog beperkt,
zeker op internationaal gebied. Bestaande instrumenten als publicaties, festivals,
beurzen en prijsvragen hebben zeker een stimulerend effect, maar kosten ook geld
en zijn vaak extreem competitief. Wij pleiten ervoor startende talenten met meer
middelen te ondersteunen.
                                                                                     36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>  1
Exhibition architects Kossmann.DeJong, film- en animatieontwerper
Redrum, interactive designer Ijsfontein, experience management
XPEX, het Openlucht Museum en het Rijksmuseum.
‘openluchtmuseum.nl’
  2
“De kritiek op Daan Roosegaarde is echt niet meer van deze tijd”.
NRC Handelsblad, 29 februari 2016
  3
‘www.architectuur.org’
  4
‘Designs for the Pluriverse.
Radical Interdependence, Autonomy, and the Making of Worlds’
Arturo Escobar, 2018
  5
‘Subsidiereglement
2018 – 2020’ (pdf)
Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie
  6
‘Goed opdrachtgeverschap.
Vragen naar de onbekende weg’ (pdf)
Raad voor Cultuur, 2012
  7
The Why Factory (T?F) is a global think­tank and research institute,
run by MVRDV and Delft University of Technology and led by
professor Winy Maas.
  8
Smart Cities Program (SCP/e) translates all kinds of new innovative
technology and technological systems into the everyday life of people
by embedding it into the everyday living environment of citizens: it
makes technology spatial and liveable.
  9
‘sallandcentraal.nl’
  10
Collectie Digitaal: born digital.
Eindrapport van het NCDD-project Collectie Digitaal, 2015
Nationale Coalitie Digitale Duurzaamheid is in 2008 opgericht door
organisaties uit de publieke sector die de langdurige zorg voor digitale
informatie in het publieke domein tot hun kerntaak rekenen. De
NCDD fungeert als platform voor het delen van kennis en expertise en
coördineert de ontwikkeling van een landelijk netwerk waarin de
toegang tot digitale informatie van de publieke sector gegarandeerd is.
  11
Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie heeft in de jaren 2015 en
2016 minder dan de helft van de aanvragen voor de deelregeling
internationalisering kunnen honoreren (gemiddeld 40 procent). De
hoeveelheid inzendingen voor de open oproepen was eveneens hoger
dan gehonoreerd kon worden.
                                                                         37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Ontwerpsector / Economisch perspectief / 4. Economisch
         perspectief
         4. Economisch perspectief
Een economisch perspectief op de ontwerpsector moet rekening houden met de
grote verschillen in verdienvermogen, organisatievormen, ontwerpopgaven en
creatieve agenda’s. We richten ons op de economische component van de
ontwerppraktijk. Eerst schetsen we het algemene economische beeld, zodat de
daaropvolgende analyse van cultureel ondernemerschap, kleinschaligheid,
financieringsinstrumenten, huisvesting en internationalisering scherper
afgebakend is.
Brede economische context
De ontwerpsector heeft een grote economische en innovatieve kracht. Het is een van
de snelst groeiende sectoren in Nederland en levert een belangrijke bijdrage aan
werkgelegenheid en innovatie in andere bedrijfstakken. Met het topsectorenbeleid
van de ministeries van EZK en OCW wordt dan ook intensief ingezet op verdere
kennisontwikkeling. Dit economische beeld is herkenbaar als we naar grote
bedrijven en afdelingen in de ontwerpsector kijken, zoals Philips Design Lab, ING
Innovation Studio of KLM X; voorbeelden van zogenaamde ‘ingebedde creativiteit’.
Naar schatting van iMMovator, die de Monitor Creatieve Industrie samenstelt, werkt
twee derde van de ontwerpers voor dit soort bedrijven of voor media- en
reclamebureaus en uitgeverijen. [ 1 ]
Daarnaast zien we enkele toonaangevende ontwerpstudio’s zoals Studio Drift,
Studio Roosegaarde, Fabrique en Studio JongeriusLab die door goed gekozen
samenwerking een groter team aan het werk houden, eigen research financieren en
op die manier een brug slaan tussen ontwerper en industrie. Dit geldt ook voor het
modeontwerp waar merken als G-Star en Scotch&Soda bijvoorbeeld duizenden
verkooppunten in het buitenland hebben.
50 procent van de omzet van de totale Nederlandse textielbranche komt uit
export. [ 2 ] De totale waarde die de sector toevoegt, bedroeg in 2015 16,8 miljard
euro, 2,8 procent van de totale economie. [ 3 ] Met name de toegevoegde waarde van
vormgeving en ‘digital design’ liet een groei zien. [ 4 ]
Het beeld is echter minder rooskleurig als we naar de sector als geheel kijken: in tien
jaar tijd is het aantal bedrijven in de ontwerpsector volgens de metingen van
iMMovator en het CBS weliswaar fors gegroeid, maar de omvang per bedrijf nam af.
Deze schaalverkleining tempert het positieve beeld en uit zich vooral in een
groeiende hoeveelheid zzp’ers en kleine bedrijven. [ 5 ] De nadelen van de organisatie
in dit soort bedrijven zijn onder meer het gebrek aan onderhandelingsmacht, de
matige toegang tot financiële middelen en een achterstand bij Europese of nationale
aanbestedings- of toeslagregels. Het aanvragen van een PPS-toeslag die de
Topsector Creatieve Industrie bijvoorbeeld mogelijk maakt als ontwerpers,
overheden en kennisinstellingen samenwerken, loont eigenlijk alleen als het om
                                                                                         38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>grote bedragen en werkzaamheden gaat. Bureaus hebben dus een bepaald volume
nodig om te kunnen investeren in innovatie, onderzoek en ontwikkeling. Daarom is
het voor kleine bedrijven moeilijk om bij te blijven en te investeren in experiment en
kennisontwikkeling, of om door te groeien tot een grotere organisatie.
In een deel van de sector wordt kleinschaligheid toch als een kracht gezien, juist
voor de artistiek-culturele context. Het past bij een flexibele en dynamische sector
die snel kan inspelen op trends en nieuwe kansen kan benutten. Door hun
veelzijdigheid en lenigheid kunnen ontwerpers op vele manieren reageren op nieuwe
mogelijkheden. Het veld vernieuwt razendsnel en blijkt in staat om zich continu
opnieuw uit te vinden. Destructie en creativiteit gaan hand in hand. Het is juist deze
wisselwerking, deze ongrijpbaarheid en complexiteit die zorgen voor de
noodzakelijke dynamiek en kracht van deze sector. Het biedt de kans om
daadwerkelijk creatief, speculatief en toekomstgericht te zijn.
Cultureel ondernemerschap
De kleinschaligheid in de sector dwingt tot nieuwe vormen van organisatie en
financiering, bijvoorbeeld door middel van (combinaties van) crowdfunding,
business angels, kredietunies of collectieven. Van die laatste zijn inmiddels talloze
voorbeelden te vinden, zoals Atelier Complex De Besturing in Den Haag, A-Lab in
Amsterdam-Noord, het SELF collectief in Leeuwarden of Carbon 6 in Heerlen.
De Federatie Creatieve Industrie publiceerde in 2015 een overzicht van dit soort
alternatieve financierings- en samenwerkingsmogelijkheden, inclusief aansprekende
voorbeelden. Ook Cultuur + Ondernemen, het kenniscentrum voor
ondernemerschap in de cultuursector, biedt talloze programma’s, trajecten en best
practices die bijdragen aan het vinden van nieuwe financieringsbronnen. Voor
leiders die werkzaam zijn in de culturele sector is er het programma LinC.
Toch zijn de economische uitdagingen in de sector groot. Ten eerste geldt voor
ontwerpers die een artistieke en/of kritische praktijk nastreven dat zij soms moeilijk
opdrachtgevers kunnen vinden die dat soort werk willen ondersteunen. [ 6] Ten
tweede gaan ontwerpers nogal eens onwetend om met de economische waarde die
hun culturele en creatieve productie genereert. Uit de BNO -branchemonitor
van 2018 blijkt bijvoorbeeld dat de aangesloten zzp’ers en bureaus slechts 2 procent
inkomsten behalen uit royalty’s of licenties. Hieruit kan worden opgemaakt dat men
onvoldoende onderhandelingsmacht heeft om auteursrechten te claimen en te
vermarkten. [ 7 ] Dat ontwerpers zich vaak niet bewust zijn van de economische
waarde van hun werk constateerden ook de Raad voor Cultuur en de Sociaal-
Economische Raad in hun advies ‘Passie gewaardeerd’. De opbrengsten uit ontwerp
vloeien zelden terug naar de oorspronkelijke ontwerpers.
Ten derde merken wij dat zelfstandige ontwerpers of kleine bureaus niet altijd in
staat zijn om een goede omgevingsanalyse van hun werk en mogelijkheden te
maken, bijvoorbeeld als het gaat om concurrentie, de dynamiek van de markt, de
eigenaardigheden van de non-profitsector of het tempo van bestuurlijke organen.
In een licht ironisch betoog, stelt OMA-onderzoeker en architect De Graaf
bijvoorbeeld dat net afgestudeerde ontwerpers nauwelijks zijn voorbereid op de rol
die zij in de harde, op winst gerichte realiteit van de vastgoedontwikkeling
gaan spelen.
                                                                                       39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Financieringsinstrumenten
Buiten het gewone opdrachtontwerp bestaat er voor de ontwerpsector een veelheid
aan subsidie-instrumenten en fondsen die niet erg overzichtelijk zijn. Het Nieuwe
Instituut in Rotterdam is de enige ontwerpinstelling die in de BIS is opgenomen; het
heeft met name een agenderende en ondersteunende functie en een jaarlijks budget
van 10 miljoen euro. Daarnaast is er het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie dat
over een jaarlijks budget van 15 miljoen euro beschikt. [ 8 ] CLICKNL, het kennis- en
innovatieplatform van de Topsector Creatieve Industrie, heeft geen vast eigen
budget, maar geeft wel invulling aan en toegang tot diverse calls en regelingen voor
onderzoek en innovatie die speciaal voor de sector in het leven zijn geroepen. [ 9]
Ontwerpers en bureaus weten daarnaast de weg te vinden naar een scala aan private
fondsen, onderzoeks- en ontwikkelingsfondsen van de Europese Unie en provinciale
of gemeentelijke cultuurbudgetten en -fondsen.
De wirwar aan financierings- en subsidiemogelijkheden heeft ertoe geleid dat de
grote ontwerpbureaus en -studio’s formatieplaatsen gereserveerd hebben voor het
schrijven van aanvragen en de verantwoording achteraf. Hoewel begrijpelijk, loopt
de sector als geheel daardoor een groot risico op het Mattheus-effect: men krijgt
steeds meer aanvraagervaring en eenmaal succesvol wordt de kans op volgend
succes groter. Het is daarom verheugend om te zien dat ook brancheverenigingen en
andere ondersteunende instellingen in de sector zich inzetten om het
subsidielandschap toegankelijker te maken.
We spraken hiervoor al over de mogelijkheden die goed opdrachtgeverschap biedt
voor de versterking van de artistiek-culturele kracht van de sector. Dit geldt ook als
we de ontwerpsector vanuit economisch perspectief bekijken. Voor opdrachtgevers
betekent de breed geaccepteerde Fair Practice Code dat ontwerpers eerlijk betaald
moeten worden voor hun werk en dat de sector zich gezamenlijk inzet voor
verantwoord marktgedrag. Daarnaast hamert deze code op veel meer aandacht voor
eigendom, bronvermelding en rechtenafdracht dan tot nu toe gebruikelijk is in de
ontwerpsector. Opdrachtgevers en -nemers hebben hier een gezamenlijke
verantwoordelijkheid. Het middel ‘prijsvraag’ moet in deze context herzien worden,
omdat het ontwerpers dwingt om vrijwel onbezoldigd aan vooronderzoek en
conceptontwikkeling te doen.
Huisvesting
Een specifieke uitdaging voor de ontwerpsector is het vinden van betaalbare
experimenteer- en werkruimtes. De druk op beschikbare grond en gebouwen in de
grote steden is in de laatste decennia enorm toegenomen. Veel stedelijke
cultuurregio’s hebben daarom gericht beleid ontwikkeld voor zogenaamde
‘broedplaatsen’: ruimtes die voor lage huren beschikbaar worden gesteld om
creatieven, onder wie ontwerpers, de mogelijkheid te geven hun artistiek-culturele
praktijk te ontwikkelen. In veel gevallen treden gemeenten op als bemiddelaar
tussen creatieve ondernemers en vastgoedeigenaren. Het broedplaatsenbeleid in
Amsterdam geldt nationaal en internationaal als voorbeeldstellend, en is structureel
in het gemeentelijk beleid ingebed. Vanaf 2000 helpt de gemeente initiatieven van
creatieve ondernemers en kunstenaars met zijn Bureau Broedplaatsen. Behalve hulp
met vergunningen, bouwplannen en financiering heeft het bureau ook een
borgstellingsfonds dat leningen bij de Triodosbank mogelijk maakt. In Amsterdam
                                                                                       40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>zijn er inmiddels zo’n 70 van dit soort plekken waarin vaak diverse ontwerp- en
andere cultuurdisciplines gehuisvest zijn. Ook de andere grote steden maken
dergelijke broedplaatsen mogelijk, zoals onder andere De Besturing, Maakhaven en
Seelab in Den Haag, de Keilewerf in Rotterdam en VechtclubX en Kytopia
in Utrecht. In provinciehoofdsteden als Maastricht of Zwolle komen dergelijke
broedplaatsen ook steeds vaker tot stand, bijvoorbeeld in voormalige
kantoorgebouwen, industriële locaties of scholen.
Voor veel gemeenten is het nog onduidelijk tegen welke beleids- en operationele
uitdagingen ze aanlopen; gedeeltelijk wordt lokaal daarom steeds opnieuw het wiel
uitgevonden. Kennisdeling is ook hier cruciaal, maar is nog niet gewaarborgd.
Daarnaast is het in de huidige hoogconjunctuur steeds moeilijker om broedplaatsen
te ontwikkelen en/of te behouden ten opzichte van de verleiding van grootschalige,
kapitaalkrachtige projectontwikkeling, met name in en om Amsterdam. In het
Amsterdamse coalitieakkoord is tegen deze conjuncturele trend in besloten om
‘meer ruimtes voor kunstenaars te borgen, door het aantal (permanente)
broedplaatsen uit te breiden, de ijzeren voorraad voor ateliers en atelierwoningen
vast te leggen en bij nieuwbouw afspraken te maken met ontwikkelaars om
broedplaatsen en ateliers(woningen) te realiseren’.
Instroom en doorstroom
Toetreding tot de ontwerpsector verschilt per discipline: een aantal, met name
technische ontwerpvacatures blijkt moeilijk op te vullen, ook kent Nederland weinig
belemmeringen om als zzp’er te beginnen. [ 10 ] Voor een carrière als architect of
interieurarchitect is wel een titel nodig, maar voor de andere ontwerpdisciplines
bestaan geen gereguleerde opleidingseisen. Toegang tot de sector lijkt daarom
misschien niet heel ingewikkeld, maar de opbouw van een regulier inkomen en
doorstroom naar een structurele positie zijn lastiger. Dit heeft te maken met de
(bescheiden) waardering die opdrachtgevers en fondsen hebben voor het nieuwe, en
met de gebrekkige financieringsmogelijkheden voor uitbreiding en consolidatie van
een portefeuille met een eigen signatuur. Dat betekent dat waar vooronderzoek naar
bijvoorbeeld prototypes al niet makkelijk gefinancierd worden, de verdere uitbouw
en verspreiding van het ontwerp nog moeizamer gaan. Er wordt van de makers
verwacht dat zij dit op eigen kracht organiseren. Dat is bijvoorbeeld goed zichtbaar
in het modeontwerp: de druk is groot om direct na de opleiding een aantal eigen
collecties te maken onder een eigen label. Weinigen zijn hierin succesvol, en
degenen die zo’n eerste keer wel slagen, missen dan vaak de
ondernemersvaardigheden en financiële middelen om verder door te breken.
Ook de inclusiviteit van de sector vraagt om aandacht. In sommige
ontwerpopleidingen, met name de technische, zijn nauwelijks vrouwen te vinden en
overal ontbreekt het aan studenten met een migratieachtergrond, zeker in
vergelijking met andere opleidingen. [ 11 ] [ 12 ] Recente cijfers uit andere Europese
landen laten ook zien dat het deelnamepercentage van mensen met een
migratieachtergrond in de ontwerpsector lager is dan in andere beroepen. [ 13 ] Dit is
niet alleen beperkend voor de artistiek-culturele kwaliteit van de sector, maar is ook
economisch en maatschappelijk nadelig. Een ontwerp moet aansluiten op de wensen
die een cultureel diverse samenleving heeft, anders zal het onrendabel of overbodig
zijn. In deze context zijn het mbo-onderwijs en de eerdergenoemde maakplaatsen
                                                                                       41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>van wezenlijk belang, omdat zij een nog niet aangeboorde bron van talent kunnen
bieden. Het is belangrijk om de doorstroom vanuit deze plekken naar de sector niet
alleen te bevorderen, maar ook – met het oog op verbetering – te monitoren.
Internationalisering
Internationalisering is ook van belang voor de economische positie. Nederland biedt
weinig kansen voor marktverruiming, schaalvergroting en groei. De druk op de toch
al kleine thuismarkt is groter geworden doordat buitenlandse bureaus meedingen
naar Nederlandse opdrachten. Tijdens perioden van laagconjunctuur valt die
binnenlandse vraag naar ontwerp dan ook nog eens stil. Als een bureau wil groeien
en interessante opdrachten wil krijgen, kan het daarom niet zonder een
internationaliseringsstrategie of buitenlandse partners. Daarnaast worden
ontwerpers door de Europese regelgeving en competitie steeds vaker uitgedaagd om
te internationaliseren. Ook zijn ontwerpers voor materialen en de productie van
onderdelen vaak afhankelijk van buitenlandse partners.
Samen met hen worden projecten georganiseerd die kennisuitwisseling over
innovatie van materialen, design en duurzaamheid stimuleren en Nederlandse
ontwerptalenten ondersteunen bij de internationalisering van hun werkpraktijk.
Mondiale samenwerking en een internationale oriëntatie zouden voor ontwerpers
heel gewoon moeten zijn, ook al omdat de kunstvakopleidingen en de technische
ontwerpopleiding bevolkt worden door internationale studenten. Toch is een
internationale orderportefeuille nog zelden een standaardonderdeel van de
economische strategie van ontwerpers, ook door de kleinschaligheid. De grotere
studio’s staan er op dit punt beter voor.
De grote maatschappelijke opgaven zijn mondiale opgaven. Landen kunnen elkaar
op een zinnige manier helpen door kennis uit te wisselen. De IABR heeft hieraan
tijdens een aantal edities al een bijdrage geleverd door diverse partijen te verbinden;
het heeft een memorandum van overeenstemming bereikt met de Nederlandse
watergezant en doet grote projecten in het buitenland, bijvoorbeeld samen met de
Asian Infrastructure Investment Bank, 100ResilientCities en GCECA. Dit soort
projecten wordt medegefinancierd door de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland en de FMO. Hierbij is het essentieel dat er vruchtbaar contact is tussen
de diverse ministeries.
Conclusies
We constateren dat de economische wind die de sector in de rug heeft vooral de
‘ingebedde creativiteit’ van grote bedrijven betreft en een aantal grote, commerciële
ontwerpbureaus. Daarnaast zijn er enkele studio’s die floreren, maar autonome
ontwerpers die als zzp’er in micro- of collectief verband opereren, lopen harder
tegen de grenzen van de conjunctuur aan. Hoewel zij zeker inventief zijn geweest in
het vinden van nieuwe financierings- en organisatievormen, kan het cultureel
ondernemerschap nog aanzienlijk versterkt worden. Daarvoor heeft de sector zelf al
verschillende initiatieven genomen: brancheorganisaties als BNO en BNA bieden op
dit terrein advies en trainingen aan. Om meer grip te krijgen op een eerlijker
verdeling van de opbrengsten, moet de markt- en onderhandelingspositie van
ontwerpers sterker worden. De Fair Practice Code is hiervoor een
concreet instrument.
                                                                                        42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Een onmiskenbaar onderdeel van cultureel ondernemerschap is een goede bespeling
van het subsidielandschap. Dit is echter tijdsintensief en vergt een langdurige
opbouw van expertise en ervaring, iets waarover met name de kleine spelers en
jonge toetreders in de ontwerpsector nog niet beschikken. Anderzijds profiteren juist
de kleinschalige bureaus en initiatieven van het gemeentelijke broedplaatsenbeleid
dat zich inmiddels ook buiten Amsterdam sterk begint te manifesteren. Door een
verlaging van de huisvestingslasten, neemt het verdienvermogen in de sector toe.
Om te kunnen groeien en om de overlevingskansen bij economisch slechte tijden te
vergroten, is een internationaliseringsstrategie noodzakelijk. De Nederlandse markt
is klein; de ontwerpsector is mede daarom internationaal georiënteerd.
                                                                                      43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   1
‘Monitor Creatieve
Industrie 2016’
iMMovator, 2017
   2
‘modint.nl’
   3
Dit is de waarde die een sector zelf toevoegt en die wordt gebruikt voor
de betaling van salarissen, winst, belasting, afschrijvingen, dividend.
iMMovator, 2017
   4
‘Monitor Creatieve
Industrie 2016’
iMMovator, 2017
pagina 43
   5
‘Monitor Creatieve
Industrie 2016’
iMMovator, 2017
pagina 39
   6
‘dreamoutloud.stedelijk.nl’
   7
De Nederlandse ontwerpsector in beeld en getal.
BNO Branchemonitor 2018, pagina 7
   8
‘stimuleringsfonds.nl’
   9
‘clicknl.nl’
   10
‘Kansrijke beroepen.
Waar ligt de krapte op de arbeidsmarkt?’ (pdf)
UWV, 2017
   11
Alleen bij de TU Delft meer vrouwen dan mannen ingeschreven als
student bij Bouwkunde.
‘universitairemasters.nl’
   12
Niet-westerse allochtonen werken minder vaak in de
kunstenaarsberoepen (circa 6 procent). Er is in die periode wel een
groter aandeel van westerse migranten in de kunstopleidingen
vertegenwoordigd dan in andere opleidingen.
‘Kunstenaars in breder perspectief.
Kunstenaars, kunstopleidingen en arbeidsmarkt’
CBS, 2011, pagina 15
   13
‘Creative Diversity.
The state of diversity in the UK’s creative industries, and what we can
do about it’ (pdf)
Creative Industries Federation, juni 2017
                                                                         44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Ontwerpsector / Maatschappelijk perspectief / 5.
         Maatschappelijk perspectief
         5. Maatschappelijk perspectief
Het maatschappelijk perspectief op de ontwerpsector staat hier centraal.
We belichten hoe ontwerpers bijdragen aan de verkenning, analyse en (soms ook)
oplossing van maatschappelijke vraagstukken. Ook beschrijven we de relatie die
ontwerpers hebben met hun publiek en partners. Die is anders dan in andere delen
van de culturele sector waar het publiek bijvoorbeeld een kaartje voor het theater of
een museum moet kopen. Ontwerpers hebben ook te maken met ‘gebruikers’,
‘belanghebbenden’, ‘deelnemers’ of ‘co-creators’. In die context is de inclusiviteit van
de sector een belangrijke uitdaging.
Ontwerp en samenleving
In alle sectoren van de samenleving is inmiddels doorgedrongen dat voor nieuwe
plannen, ontwikkelingen, projecten en programma’s de inbreng van ontwerpers van
groot belang kan zijn. Dit uit zich om te beginnen in een veelheid van initiatieven
van ontwerpers zelf om maatschappelijke uitdagingen via hun werk te agenderen, te
bevragen en te bekritiseren.
Kritisch ontwerp
In het veld is de term critical design geïntroduceerd om een praktijk te benoemen
waarin ontwerpers eerder vragen oproepen of discussies uitlokken dan oplossingen
bieden. [ 1 ] De Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam programmeert
bijvoorbeeld al vanaf het begin rondom een urgent stedelijk thema, zoals mobiliteit,
milieu of macht. De jaarlijkse conferentie ‘What design can do’ (in Amsterdam,
Mexico Stad en Sao Paulo) faciliteert en programmeert vanuit de gedachte dat de
grote maatschappelijke transities niet zonder de inbreng van ontwerpers kunnen.
In publicaties als ‘Cross Over Works’ staan domeinoverschrijdende ontwerpen die
onder meer gericht zijn op een betere hygiëne in crisisgebieden, op het hergebruik
van plastic in denim of op traumaverwerking door gameontwerp. [ 2 ] Ook de
tentoonstelling ‘Change the System’ in museum Boijmans Van Beuningen liet de
enorme diversiteit aan maatschappelijk geëngageerd design zien en het belang van
(bèta)wetenschappelijke ontwikkelingen: Next Nature presenteerde bijvoorbeeld de
mogelijkheid om laboratoriumvlees te consumeren door ‘gekweekte hamburgers’ te
serveren die het milieu minder belasten dan traditioneel geproduceerd vlees.
Transitieontwerp
Ook vanuit de samenleving wordt bij de verkenning van transitiethema’s, zoals
klimaatadaptatie, circulaire economie, mobiliteit, gezonde verstedelijking, voedsel,
zorg, water, veiligheid en ruimtelijke ordening, veel verwacht van de ontwerpsector.
[3]
    De Raad voor Cultuur en de Raad voor de Leefomgeving constateerden in hun
gemeenschappelijke advies ‘Brede blik op erfgoed’ (over de rol van erfgoed in
maatschappelijke transities) dat er steeds vaker gebruik wordt gemaakt van de
verbindende en vernieuwende kracht van ontwerpers om tot een betere
gebiedsontwikkeling en herbestemming te komen. [ 4 ] De raden stelden voor om de
                                                                                         45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>stedelijke cultuurregio’s hierbij te faciliteren door onder meer ontwerpcapaciteit ter
beschikking te stellen. [ 5 ] Zo’n benadering wordt ook gestimuleerd vanuit het nieuwe
topsectorenbeleid, waarin sterk ingezet wordt op kruisbestuiving en waarin onder
meer de topsectoren Energie, Logistiek en Gezondheid de noodzaak van de
specifieke benaderingen (‘design thinking’), kennis en vaardigheden uit de
ontwerpsector hebben erkend. [ 6] De tendens om vanuit de culturele en creatieve
sector maatschappelijke waarde te creëren, is in omringende landen ook aan de
orde. De Engelse Design Council richt zich bijvoorbeeld uitdrukkelijk op de grote
maatschappelijke uitdagingen. [ 7 ]
Ontbrekende voorwaarden
Het is duidelijk dat ontwerpers en een reeks van potentiële opdrachtgevers de kracht
van de sector erkennen om oplossingen voor complexe maatschappelijke
vraagstukken te verkennen en te ontwerpen. We onderschrijven deze opvatting van
harte, maar we hebben ook geconstateerd dat de praktijk weerbarstig is en de
voorwaarden voor een optimale inzet van ontwerpers nog ontbreken. In onze
gespreksrondes bleek dat dit vooral te maken heeft met de beperkte beeldvorming
over ontwerp, met ontbrekende kennis en inzicht over hoe ontwerpkracht het beste
kan worden benut en met ontbrekende vaardigheden bij de ontwerpers zelf.
Het heersende beeld van een ontwerper is iemand die producten of in ieder geval
concrete dingen maakt. Het idioom van de ‘individuele maker, de kunstenaar’ is
dominant. Maar ontwerp gaat juist over een speculatieve bezigheid, waarin de
ontwerper als onderzoeker centraal staat, waar er in collectieven wordt
samengewerkt en per project wordt gezocht naar weer nieuwe vormen van
verbeelding en bemiddeling. Dat zou bijvoorbeeld een aanpak kunnen zijn tegen
jeugdwerkloosheid, of een ontwerp voor een nieuw type onderwijssysteem. Zolang
opdrachtgevers dit onvoldoende herkennen als mogelijke ontwerpresultaten,
of verwachten dat de ontwerper het vraagstuk met een concreet product gaat
oplossen, blijft de rol van ontwerp voor maatschappelijke vernieuwing onderbenut.
Een tweede constatering is dat veel gemeenten interesse hebben om
maatschappelijke thema’s creatief aan te pakken, maar dat er onvoldoende kennis
en knowhow is om dit succesvol te organiseren. Er wordt volop geëxperimenteerd,
maar weinig van geleerd. Een ontwerpproces heeft pas een goede kans van slagen als
er een organisatorische inbedding is en als er bewust een leertraject van wordt
gemaakt, voor alle betrokkenen: de ontwerper, de professional, de burger,
de beleidsmaker, de wetenschapper. Dit soort ontwerpprocessen vraagt om nieuwe
vaardigheden, om een kritische houding, om verbindende kwaliteiten en om
strategisch inzicht. Deze vaardigheden hebben ontwerpers niet altijd in huis en
tijdens de opleiding wordt hieraan onvoldoende aandacht besteed.
Samen ontwerpen
Wat uit de bestaande initiatieven naar voren komt, is de noodzaak om allianties te
smeden tussen ontwerpers, overheden, bedrijven, investeerders, burgers en
kennisinstellingen. Deze ‘multistakeholder’-samenwerking is complex en vraagt om
nieuwe organisatorische vormen en rollen; zo zijn bijvoorbeeld regisseurs en
ambassadeurs nodig, maar ook nieuwe manieren om kennis te delen en samen te
werken. We zien overal in Nederland de invloed van het design denken terugkomen;
in de vorm van labs bijvoorbeeld en als onderdeel van concrete beleidsinstrumenten
                                                                                       46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>(city deal, regio-envelop). Onduidelijk is echter of en hoe ontwerpers of
ontwerpbureaus hier een centrale rol spelen.
Labs
In de ontwerpsector wordt in zogenaamde stadslabs, living labs, fieldlabs of fablabs
intensief samengewerkt. Deze labs zijn net zo divers als de sector zelf, maar hebben
met elkaar gemeen dat er egalitair geëxperimenteerd wordt, dat experimenten
mogen mislukken en dat het proces net zo belangrijk is als de uitkomst. Het
Rathenau Instituut constateerde onlangs dat er landelijk 120 living labs zijn die zich
vooral in de Randstad en rond een paar grote provinciale steden bevinden. [ 8 ] Het
Stimuleringsfonds Creatieve Industrie ondersteunt zo’n 51 stadslabs die de energie
en kracht van de lokale gemeenschap rond concrete praktijkexperimenten
mobiliseren. De waarde en betekenis van stadslabs voor nieuwe vormen van
samenwerking tussen overheid, markt en maatschappij zijn groot volgens het fonds.
De ‘Atlas Onderzoek met Impact’, een coproductie van de Vereniging Hogescholen
en regieorgaan SIA, laat weer een andere verzameling labs zien, namelijk die waarin
hogescholen praktijkonderzoek doen met een samenstel van verschillende
partijen. [ 9]
City deals en regio­enveloppen
Sinds de vorige kabinetsperiode wordt er in het kader van ‘Agenda Stad’ ingezet op
het sluiten van zogenaamde city deals, die moeten leiden tot innovatieve oplossingen
voor maatschappelijke vraagstukken en/of maatregelen bevatten die het
economische ecosysteem van stedelijke cultuurregio’s versterken. In veel van de city
deals is de invloed van ‘design thinking’ duidelijk: zo is ‘Zorg voor veiligheid in
de Stad’ bedoeld als ‘leertuin’ voor een ‘lerende overheid’, en moeten uit de lokale
experimenten in zeven steden betere manieren van samenwerking voortkomen. [ 10 ]
Het in deze kabinetsperiode gestarte beleidsinstrument van de ‘regio-envelop’ biedt
vergelijkbare kansen voor ontwerpers, omdat ook hier de nadruk ligt op
alliantievorming en integraliteit in de context van de nieuwe omgevingswet en ten
behoeve van maatschappelijke transities. [ 11 ]
Regie gevraagd
Hoewel labs, city deals, regio-enveloppes en hun concrete invullingen de geest van
ontwerpdenken ademen, blijkt dat bij de grote transitievraagstukken ontwerpkracht
onvoldoende tot zijn recht komt. Men leert te weinig van de bestaande experimenten
en er is (mede daardoor) te weinig herkenning van wat de ontwerpsector kan
betekenen voor de maatschappij. In klimaat en energie wordt de komende jaren
miljarden euro’s geïnvesteerd zonder dat het culturele perspectief op de ruimtelijke
consequenties een belangrijke plaats aan tafel heeft. Dat geldt ook voor de toekomst
van de zorg, de duurzame stad en andere relevante thema’s. De culturele, creatieve
kant van de ontwerpsector kan en moet bij veel grotere projecten en trajecten in de
stedelijke cultuurregio’s betrokken worden; er moet worden geëxperimenteerd,
geleerd (ook van wat er fout gaat) en kennis gedeeld.
Dat vraagt volgens de raad om een programmatische, lerende aanpak waarin de
ontwerpsector integraal benaderd wordt en waar actief aansluiting wordt gezocht bij
ontwikkelingen in de stedelijke cultuurregio’s. Andersom zijn ook die regio’s aan zet
om de ontwerpsector actief te betrekken bij maatschappelijke uitdagingen.
Een instrument, vergelijkbaar met bijvoorbeeld de Actieagenda Ruimtelijke
                                                                                       47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Ordening, biedt goede kansen om een gezamenlijke innovatieagenda op te stellen,
waarin het ‘wat’ en het ‘hoe’ centraal staan. Dit zou het mogelijk maken om
nieuwe coalities, ‘communities of practice’, op te zetten tussen de overheid,
particulieren, het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de ontwerpsector rond
specifieke thema’s en concrete locaties.
Publiek, diversiteit en inclusiviteit
‘Het publiek’ is voor de ontwerpsector een diffuus begrip. Hoewel er wel degelijk een
klassieke publieksrol is, zoals bezoekers van festivals, biënnales, design weeks
of musea, is er een minstens even belangrijke rol voor publiek als ‘co-creator’ omdat
het ontwerpproces de gelegenheid biedt om in samenspraak met de (eind)gebruiker
producten, gebieden of systemen te ontwikkelen. [ 12 ]
Bezoekers
De publieksbelangstelling voor ontwerpinstellingen en -evenementen is groot. Het
Nieuwe Instituut rapporteert in zijn jaarverslag van 2016 dat er 700.000 nationale
en internationale bezoekers zijn geweest, waarvan 10 procent betalend. De Dutch
Design Week in Eindhoven is sinds het begin alleen maar gegroeid en trekt naast
professionele ontwerpers ook een steeds groter algemeen publiek. In 2017 stopte de
teller bij 335.000, bijna 40.000 per dag. De IABR in Rotterdam rapporteert
eveneens een indrukwekkend bezoekersaantal van meer dan 130.000 voor
de laatste editie.
De raad vindt de samenstelling van het publiek misschien wel belangrijker dan de
omvang. Hoewel er geen betrouwbare cijfers zijn, is het niet waarschijnlijk dat het
publiek heel divers is qua opleiding, inkomen of migratieachtergrond. In andere
culturele sectoren heeft de raad geconstateerd dat het publiek inclusiever wordt als
de samenstelling van de beroepsgroep en het type product diverser is.
De ontwerpsector moet hier net zo’n inhaalslag maken als de andere sectoren, en zal
vooral buiten de eigen circuits moeten zoeken naar goede voorbeelden. Zo is in het
social media-circuit van influencers een beweging van jonge ‘hijabistas’ gaande rond
het ontwerp van de hoofddoek, waarbij het niet alleen om de esthetische aspecten
gaat, maar ook om materiaalvernieuwing. [ 13 ]
In het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten is een aantal ‘black in design-
platforms’ opgericht. Niet speciaal omdat ontwerpers met een migratieachtergrond
een andere aanpak of stijl zouden hebben, maar vooral om te laten zien dat
ontwerpopgaven rond dringende maatschappelijke problemen (zoals politiegeweld
in de VS) niet zonder de inbreng van de direct betrokkenen kunnen. [ 14 ]
Co­creatie
Er zijn van oudsher talloze methoden en technieken ontwikkeld om professionele
ontwerpers en beleidsmakers in gesprek te brengen met eindgebruikers. Zo zijn er
inspraakprocedures, interviewmethodieken en participatietechnieken ontwikkeld
om in samenspraak ruimtelijke ontwerpvoorstellen te maken. Een ontwikkelproces
dat van onderop wordt georganiseerd, geeft de grootste kans op een zogenaamd
‘inclusief ontwerp’, waarin zowel de wensen als ervaringen van buurten, groepen en
andere eindgebruikers mede sturend zijn voor het proces.
                                                                                      48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Wij zien dat bij sommige maatschappelijke thema’s en ontwerpdisciplines hier al
grote stappen zijn gemaakt. Zo opereert Architectuur Lokaal al decennialang als
bemiddelaar tussen overheid, opdrachtgevers en ontwerpers. Anderzijds is ook in de
sector zelf geconstateerd dat sommige maatschappelijke uitdagingen nauwelijks op
de ontwerpagenda staan. De ambassadeur van de Dutch Design Week 2017
constateerde bijvoorbeeld dat vragen rond economische macht, democratie en
migratie achterblijven ten opzichte van ‘groen ontwerp’. [ 15 ] Van de living labs is
eveneens bekend dat zij qua thematiek en aanpak vooral hoogopgeleide, overwegend
witte deelnemers trekken. [ 16 ]
Ontwerp en cultuureducatie
In het basis- en voortgezet onderwijs is een vernieuwingsbeweging ontstaan rond de
gedachte dat de nieuwe eeuw ook nieuwe vaardigheden vereist. Onder het motto
21st century skills worden belangrijke elementen van het ontwerpdenken vertaald
naar nieuwe onderwijspraktijken. Het gaat onder andere om kritisch denken,
samenwerken, probleemoplossend denken, creatief denken, mediawijsheid en
computervaardigheden. Voor scholen en leerkrachten die hiermee verder willen, zijn
er diverse scholingsmogelijkheden. Daarmee wordt ontwerp niet zomaar zichtbaar
als een specifiek proces of product. Initiatieven als ‘haal een ontwerper in de klas’ of
‘DesignWeek@School’ houden de sector op dit punt herkenbaarder. [ 17 ] [ 18 ]
De raad ziet hier zowel kansen als risico’s. Enerzijds wordt ontwerponderwijs
geïntegreerd in het aanbod van cultuureducatie en draagt het bij aan de
ontwikkeling van nieuwe curricula. [ 19 ] Anderzijds verdwijnt het onderscheidende
karakter van ontwerpdenken in een algemene herziening van didactische principes
en curriculuminrichting.
Conclusie
We zien dat de zowel de sector als de samenleving bij de grote maatschappelijke
transities een belangrijke rol toedicht aan ontwerp(ers). Dit uit zich in
ontwerponderzoek en concepten (kritisch ontwerp), maar ook in de vraag naar
ontwerpkracht. Daarnaast zijn er in de sector ook belangrijke methodieken zoals
labs en co-creatie ontwikkeld om tot een gedeelde en integrale ontwerpinspanning te
komen. We zien aan de opkomst van ontwerpdenken in het onderwijs (21st century
skills) dat dit soort methodieken overal aan belang winnen.
Tegelijkertijd moeten we constateren dat het nog ontbreekt aan inzicht in de actuele
transitieopgaven en programma’s waarvoor ontwerpers nodig zijn. Er is geen sprake
van kennisuitwisseling en opschaling op basis van eerdere ervaringen. Met de brede
acceptatie van het ontwerpdenken ontstaat ook het risico dat de specifieke expertise
en aanpak die de ontwerpsector levert in een algehele procesverandering verdwijnt,
waar weinig ruimte is voor de scherpe randjes van de sector, in artistiek en
kritisch opzicht.
We constateren ook dat niet alle maatschappelijke opgaven en transities even
populair zijn in de sector. Inclusiviteit en sociale cohesie bijvoorbeeld, komen
nauwelijks voor in de lijstjes en overzichten van wat ontwerp ‘kan doen’.
De ontwerpsector heeft hier nog wel wat grote stappen te zetten.
                                                                                         49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   1
Deze ‘video’ is onderdeel van de expositie Designing Critical Design.
Fiona Raby, Anthony Dunne, U.K., 2007
   2
Vanaf 2013 tot 2015 werden vijf publicaties gepresenteerd, waarmee
de crosssectorale bijdrage van de ontwerpdisciplines werden
geïllustreerd op initiatief van betrokkenen bij de Topsector Creatieve
Industrie.
   3
‘Een brede blik
op Erfgoed’ (pdf)
Raad voor Cultuur,
Raad voor Leefomgeving
en Infrastructuur, 2017
   4
idem
pagina 9
   5
idem
pagina 10
   6
Kennis- en Innovatieagenda Creatieve Industrie,
2016 – 2018
‘clicknl.nl’
   7
‘Designing a better Britain’
Design Council, 2015, U.K.
   8
De inventarisatie van Nederlandse living labs hebben we gebaseerd op
twee criteria:
1. De kennisproductie is gezamenlijk (co-creatief).
Er werken ten minste twee partijen uit de ‘quadruple helix’ van
overheid, kennisinstellingen, bedrijven en maatschappelijke partijen
(bewoners) samen.
2. De kennisproductie is gericht op het ontwikkelen van innovatieve
oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen.
‘rathenau.nl’
   9
Atlas onderzoek met impact
‘vereniginghogescholen.nl’
   10
City deal om criminaliteit en overlast voorkomen
‘agendastad.nl’
   11
‘Omgevingsvisie Rijk.’
‘Wat is de omgevingsvisie?’
‘aandeslagmetdeomgevingswet.nl’
   12
De rol van het publiek als consument van ontwerpproducten laten we
hier achterwege
   13
Hijab fashion
‘facethis.nl’
   14
Black design still matters
‘citylab.com’
                                                                       50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>  15
Ontwerpers, red de wereld
‘nrc.nl’
  16
The defining characteristics of urban living labs.
Technology Innovation Management Review
Steen, K., Van Bueren, E., 2017
  17
‘TOOL’ (pdf)
Handvatten om samen met een technisch, grafisch of industrieel
ontwerper onderwijsactiviteiten te ontwikkelen op het gebied van
ontwerpend leren.
‘ktwt.nl’
  18
‘designweekatschool.nl’
  19
‘curriculum.nu’
                                                                 51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Ontwerpsector / Conclusies en aanbevelingen / 6. Conclusies
         en aanbevelingen
         6. Conclusies en aanbevelingen
In dit advies hebben we een beeld gegeven van de stand van zaken en
ontwikkelingen in de ontwerpsector. We zien een veelkleurige sector: rijk aan
tradities en uiteenlopende praktijken. Ontwerpers zijn werkzaam als zzp’er, in dienst
van bedrijven of van ontwerp- en architectenbureaus. Ze manifesteren zich lokaal en
internationaal, individueel en collectief. Ze werken in opdracht en autonoom, ze
ontwerpen al onderzoekend en onderzoeken ontwerpend. Ze veranderen vormen,
ketens en systemen. Ze verbinden hun creativiteit aan vele domeinen: van cultuur
tot gezondheidszorg, van defensie tot stedelijke vernieuwing, van mobiliteit tot
duurzame leefomgevingen. Ze werken disciplinair, multidisciplinair
en transdisciplinair.
De kleinschaligheid en hybriditeit van de sector zijn enerzijds een kracht, omdat die
de sector flexibel en wendbaar maken. Maar aan de andere kant maakt met name de
kleinschaligheid, vooral door de lage organisatiegraad, de sector ook kwetsbaar,
bijvoorbeeld voor schommelingen in de conjunctuur. Relatief kleine spelers blijven
bovendien gemakkelijk onzichtbaar, zijn onvoldoende opgenomen in
kennisnetwerken en hebben een zwakke onderhandelingspositie. Hierdoor blijft de
potentie van de sector om bij te dragen aan maatschappelijke transitievraagstukken
nog grotendeels onbenut.
Om een beter beeld te krijgen van de ontwerpsector heeft de minister aan ons
gevraagd om in te gaan op de rol van de instellingen, de afbakening van de e-cultuur
en de verbintenis met de maatschappelijke uitdagingen. Op basis van de voorgaande
hoofdstukken komen we hieronder tot een antwoord op deze vragen. Daarna vatten
wij ons advies samen in een aantal aanbevelingen, waarmee wij hopen dat de positie
van de ontwerpsector versterkt zal worden.
De rol van instellingen in de ontwerpsector
Tijdens onze rondgang hebben we gesproken met vertegenwoordigers van
instellingen en met ontwerpers, die al dan niet een klein, middelgroot of groot
bureau hebben. De sector kent brancheverenigingen, fondsen, kennisinstellingen,
festivals, presentatie-instellingen, veel prijzen en ondersteunende instellingen.
Slechts een enkele instelling of fonds heeft een rijksopdracht en heeft zowel een
agenderende als faciliterende rol. De rijksinstellingen hebben de taak om zowel de
culturele als economische en maatschappelijke bijdrage van de sector te versterken.
Allemaal met beperkte budgetten, waardoor er nauwelijks financiële armslag is om
de rol te pakken die de samenleving voor de ontwerpsector, als een van de
toonaangevende topsectoren, in gedachten heeft.
                                                                                              52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>Mede door deze financiële schaarste is er in de sector continu discussie over de rol
en functie van instellingen. De sector heeft moeite zichzelf te organiseren, met name
op het terrein van presentaties, kennisdeling, internationalisering en onderzoek.
Spelers in de sector ervaren hier leemtes in de bestaande infrastructuur. Er is
behoefte aan festivals, platforms en manifestaties, niet alleen om Nederlands en
internationaal ontwerp te kunnen presenteren of resultaten van onderzoek te delen,
maar ook om (internationale) contacten aan te knopen met producenten en
potentiële opdrachtgevers.
De sector kan sterker worden als bestaande instellingen en initiatieven
samenwerken, beter op elkaar afstemmen en waar mogelijk samen optrekken. Zo is
in het zuiden van Nederland een aantal ontwerpinstellingen, festivals en een archief
gevestigd. De raad ziet in deze stedelijke cultuurregio kansen om ambities te
verwezenlijken op het gebied van de promotie en presentatie van ontwerp. Hier is
een potentieel netwerk dat kan worden geactiveerd voor een gezamenlijke agenda.
Het percentage van het rijksbudget dat naar de ontwerpsector gaat is beperkt en
wordt met name gefinancierd vanuit culturele middelen. De bijdragen van andere
ministeries zijn zeer bescheiden, terwijl ook zij met vraagstukken worden
geconfronteerd waarvoor ontwerpkracht nodig is. Wil men dat de ontwerpsector,
naast zijn artistiek-culturele bijdrage, ook meer waarde toevoegt op economisch en
maatschappelijk terrein, dan zullen andere departementen hierin ook moeten
investeren. De raad roept de ministeries op de potentie van de ontwerpsector voor
de aanpak van maatschappelijke opgaven beter te benutten en hieraan bij te dragen.
De afbakening van e­cultuur
De minister heeft ons gevraagd in te gaan op de afbakening van e-cultuur. Deze term
is overigens stof voor menig discussie en onnodige controverse. Het begrip
‘e-cultuur’ is afkomstig uit een tijd, ruim twintig jaar geleden, waarin digitale en
internettechnologie om nieuwe vormen van ontwerp en creativiteit vroegen. Hierbij
werd e-cultuur als expliciete tegenhanger van e-commerce geïntroduceerd, voor en
door een nieuwe generatie kritische ontwerpers. Aangezien de term ‘e-cultuur’
internationaal geen weerklank krijgt, zijn sindsdien twee andere begrippen in
omloop: digitale cultuur en artscience. Zowel het Nieuwe Instituut als
het Stimuleringsfonds gebruiken sinds kort het begrip ‘digitale cultuur’, aangezien
dit internationaal de meeste herkenning oplevert en als de meest gangbare definitie
wordt gehanteerd.
De raad constateert echter dat het begrip ‘digitale cultuur’ niet volledig de lading
dekt: ten eerste zijn er andere vormen van cultuur die vrijwel geheel digitaal zijn
geworden, zoals bepaalde muziek- en audiovisuele genres; ten tweede gebeurt er in
dit deel van de ontwerpsector veel meer dan alleen met digitaal ontwerp kan
worden geduid.
De focus in de jaren negentig op de nieuwe technologische ontwikkelingen van
internet en digitalisering is uitgebreid met een grote kritische interesse voor de
betekenis van andere wetenschappelijke doorbraken en nieuwe technologieën op het
gebied van onder meer genetisch onderzoek, artifical intelligence, robotica en
biotechnologie. Internationaal wordt deze ontwikkeling onder andere als ‘artscience’
bestempeld, maar hoewel die term hier en daar in Nederland opkomt, bijvoorbeeld
                                                                                      53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>in de interfacultaire samenwerking tussen de Universiteit van Leiden, het Haagse
conservatorium en de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten, is er van een
algemeen gebruik hiervan nog geen sprake.
De raad verwacht dat verschillende termen en aanduidingen voorlopig nog wel naast
elkaar zullen bestaan. Van groter belang dan deze definitiekwestie vinden wij dat er
waardering en erkenning is voor de ontwerpkracht en het kritisch vermogen van
deze sector. Hoewel e-cultuur steeds meer verweven raakt met de andere disciplines,
is ook geconstateerd dat juist op het snijvlak van wetenschappelijke doorbraken,
technologie en kunst zeer aansprekende, creatieve ontwerpexperimenten
plaatsvinden die de politieke en ethische consequenties hiervan verkennen,
onthullen en bekritiseren. Goede randvoorwaarden voor e-cultuur houdt Nederland
in de voorhoede van de internationale ontwerpsector. De raad hecht er daarom aan
dat dergelijke ontwerpambities voldoende ondersteund worden, ook al omdat ze zo
direct verbonden zijn met de veranderingen in onze samenleving. Initiatieven,
instellingen en programma’s die zich op dit terrein begeven, verdienen volgens ons
dus erkenning en ondersteuning.
Aanbevelingen
De kracht van de ontwerpsector is niet alleen afhankelijk van ontwerpers en het veld
zelf, maar ook van diverse overheden, instellingen en opdrachtgevers. Wij pleiten
niet voor top-down beleid, stelselwijzigingen of nieuwe structuren, maar voor het
stimuleren en verstevigen van de aanwezige basis. De sector heeft een overheid
nodig die de bottom-up dynamiek versterkt rondom de artistiek-culturele,
economische en maatschappelijke waarden die de sector produceert. Dat vraagt van
de kant van de sector dat hij zich sterker maakt, onder meer door zich beter te
organiseren. We hebben door het advies heen in algemene termen
oplossingsrichtingen aangereikt. Hieronder vatten wij deze samen in
zes aanbevelingen.
                                                                                     54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>1. Versterk de infrastructuur
De ontwerpsector kent een uitgebreid netwerk actoren die actief zijn in diverse
maatschappelijke domeinen en ondersteund worden op verschillende schaalniveaus
door kennisinstellingen, ondersteunende instellingen en brancheorganisaties.
Er zijn echter weinig instellingen met een rijkstaak in de culturele
basisinfrastructuur opgenomen. Er is behoefte aan meer en ook andersoortige
presentatiemogelijkheden zoals manifestaties en een variëteit in festivals. Dit soort
manifestaties of presentatieplekken zijn cruciaal voor de sector, mede omdat de
ontwerpsector hier in aanraking komt met potentiële partners; overheden,
kennisinstituten en ondernemers, of producenten. Ook voor het publiek is het
belangrijk om tijdens manifestaties kennis te kunnen nemen van
innovatieve ontwikkelingen.
Aanbevelingen aan de ontwerpsector
– Versterk het eigen netwerk in de sector, onder meer door kennisdeling en door
   beleid beter op elkaar af te stemmen, gezamenlijke agenda’s te maken en waar
   mogelijk samen op te trekken.
– Betrek de stedelijke cultuurregio’s bij de gezamenlijke agenda’s en speel een rol
   in de profilering van deze regio’s.
Aanbevelingen aan de Rijksoverheid
– Verruim de middelen en schep plaatsen in de culturele basisinfrastructuur voor
   manifestaties en festivals.
– Onderzoek met regionale cultuurregio’s hoe hun profilering versterkt kan
   worden. Zo is in het zuiden een groot potentieel netwerk dat kan worden
   geactiveerd voor een gezamenlijke, nationale ontwerpagenda, gericht op
   talentontwikkeling, promotie, presentatie en internationalisering van ontwerp.
   Wijs deze regio expliciet aan om te werken aan een nationaal design platform,
   waar makers, opdrachtgevers en de industrie bijeenkomen en
   die gezamenlijk een bijdrage leveren aan het programma, de presentatie en het
   onderzoek ter versterking van het Nederlands design.
Aanbevelingen aan stedelijke cultuurregio’s
– Versterk de infrastructuur door ruimte te geven aan initiatieven en
   aan broedplaatsen.
– Profileer en versterk potentiële regionale netwerken.
Aanbevelingen aan opdrachtgevers
– Breng ontwerp- en onderzoeksopdrachten in bij, bijvoorbeeld, broedplaatsen in
   de stedelijke cultuurregio’s.
                                                                                      55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>2. Faciliteer en financier ontwerponderzoek
Gelet op de cruciale betekenis van autonoom onderzoek en experiment adviseren wij
daarvoor extra financiën, faciliteiten en ruimte beschikbaar te stellen. Voor de
verspreiding van kennis zijn platforms voor reflectie en debat van belang. De sector
is gebaat bij een breed scala aan onderzoekspraktijken: van hightech academisch tot
ambachtelijk materieel. Ontwerpers zouden dan ook beter aansluiting moeten
krijgen bij de financieringsbronnen, zoals NWO en SIA. De raad moedigt de sector
óók aan zijn eigen onderzoekstraditie te versterken, bijvoorbeeld door in de
kunstvakopleidingen een onderzoekspraktijk te stimuleren. De raad vindt het
belangrijk te benadrukken dat het experimentele onderzoek thuishoort bij het beleid
van het ministerie van OCW. Het ministerie van OCW kan een initiërende en
sturende rol spelen om het ontwerponderzoek dat ten behoeve van maatschappelijke
opgaven gedaan wordt onder te brengen bij de betreffende ministeries en
de topsector.
Aanbevelingen aan de ontwerpsector
– Pas op met een vergaande academisering van het onderzoek. Onderzoek hoeft
    niet altijd volgens de wetenschappelijke methode te verlopen. Ontwerpend
    onderzoek of ontwerponderzoek heeft unieke kenmerken door zijn verwevenheid
    met ambachtelijke tradities en vaardigheden en speculatieve praktijken.
– Sluit onderzoek naar nieuwe én oude materialen, nieuwe én oude ambachten
    en technieken in.
– Sluit aan bij bestaande onderzoeksagenda’s, met name de agenda’s die gericht
    zijn op de grote maatschappelijke vraagstukken, en maak veel sterkere
    verbindingen met andere kennisdomeinen, onder andere met de technische, de
    sociale wetenschappen en de humanities.
– Sluit structurele en strategische coalities met universitaire en hbo-
    onderzoeksgroepen om aanspraak te maken op NWO- en SIA gelden, in plaats
    van te proberen een zelfstandige status binnen deze fondsen te verwerven.
– Neem expliciet onderzoek en experiment op in begrotingen voor projecten voor
    overheden en opdrachtgevers, en gebruik hierbij de Fair Practice Code
    als onderbouwing.
Aanbevelingen aan de Rijksoverheid
– Verruim de middelen uit de cultuurbegroting door geoormerkte financiering voor
    artistiek, kritisch, ontwerpend onderzoek beschikbaar te stellen.
– Coördineer de vraag naar ontwerponderzoek tussen de verschillende ministeries
    en maak deze vraag op periodieke basis bekend.
Aanbevelingen aan stedelijke cultuurregio’s
– Maak ontwerpend onderzoek onderdeel van regionale en gemeentelijke
    transitieopgaven.
                                                                                     56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>– Gebruik de bestaande overlegstructuren (VNG, koepels en IPO) als platform om
    kennis over de rol die ontwerp heeft gespeeld in concrete transitieopgaven uit te
    wisselen, over te dragen en te bundelen.
– Coördineer via deze kanalen de vraag naar ontwerponderzoek in de verschillende
    gebieden en maak deze vraag periodiek bekend.
Aanbevelingen aan opdrachtgevers
– Maak ruimte voor ontwerpend onderzoek in opdrachten.
– Accepteer dat onderzoek en experiment noodzakelijk zijn om een groot en
    kostbaar traject voor te bereiden; las onderzoeksfasen in als onderdeel van
    de kwaliteitscontrole.
3. Stimuleer de in­ en doorstroom van startend talent
Wij adviseren de in- en doorstroom op de arbeidsmarkt voor met name startende,
getalenteerde ontwerpers te verbeteren. Voor hen is het moeilijk om door te breken.
Zij vinden het lastig om hun weg te vinden in het bos van
financieringsmogelijkheden en -voorwaarden. De gedachte aan een enkel
financieringsloket voor de sector is verleidelijk maar onrealistisch. Toch moet de
toegankelijkheid ervan worden vereenvoudigd. Daarnaast heeft de sector nog een
inhaalslag te maken rondom de toegang en mogelijkheden van ontwerpers met een
migratieachtergrond of zonder hbo- of wo-opleiding. Ook hier ligt een gedeelde
verantwoordelijkheid voor alle betrokkenen in de sector.
Aanbevelingen aan ontwerpsector
– Ondersteun starters met het vinden van verschillende
    financieringsmogelijkheden en regelingen. Met name het Stimuleringsfonds en
    de Topsector Creatieve Industrie kan hierbij een belangrijke taak vervullen.
– Gebruik de Code Culturele Diversiteit bij de invulling van nieuwe bestuurlijke of
    uitvoerende functies in de sector.
– Zie toe op een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen, en van
    ontwerpers met verschillende achtergronden op festivals, discussieplatforms en
    andere presentatiemomenten.
– Scout de maakfestivals en maakplaatsen voor ontwerptalent met
    een andere achtergrond.
– Maak gebruik van de brancheorganisaties die veel praktische en inhoudelijke
    kennis en expertise hebben opgebouwd en deze beschikbaar stellen
    voor de sector.
– Onderzoek hoe in andere landen de diversiteit van de ontwerpsector wordt
    gestimuleerd. In het bijzonder in het Verenigd Koninkrijk, maar ook in de
    Scandinavische landen en Frankrijk.
– Entameer met de brancheorganisaties een gezamenlijke campagne om meer
    aandacht voor ontwerp te vragen bij overheden en particuliere opdrachtgevers.
                                                                                      57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>Aanbevelingen aan de Rijksoverheid
– Hanteer stringenter de Code Culturele Diversiteit bij de gunning van
    ontwerpopgaven; bij het overleg met de sectorvertegenwoordigers en de
    beoordeling van de sectorinstellingen; bij de nationale inzendingen voor
    internationale biënnales en festivals, en bij selectie van ontwerpers
    voor handelsdelegaties.
– Ontwikkel nieuwe financieringsconstructies en trek er extra financiële middelen
    voor uit om startende ontwerpers in de vorm van vouchers, goedkope leningen,
    prijsvragen of revolverende fondsen, in samenwerking met het
    Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, ministeries en organisaties zoals
    Cultuur + Ondernemen.
– Pas de aanbestedingsregels ruimhartiger en ruimer toe om ook jong talent een
    kans te geven en om meer ontwerpmeters te maken.
– Leg in navolging van het buitenland vast dat deelname aan ontwerpprijsvragen
    vergoed wordt.
– Stimuleer innovatief opdrachtgeverschap en zorg ervoor dat de
    aanbestedingsregels innovatie niet in de weg staan.
Aanbevelingen aan stedelijke cultuurregio’s
– Hanteer de Code Culturele Diversiteit bij de gunning van ontwerpopgaven.
– Stimuleer, faciliteer en financier de makersbeweging door nieuwe gemeentelijke
    maakplaatsen te creëren en/of aan te sluiten bij bestaande activiteiten.
– Stimuleer de vraag, bijvoorbeeld door vouchers te introduceren en aandacht te
    vragen voor goed opdrachtgeverschap.
Aanbevelingen aan opdrachtgevers
– Hanteer de Code Culturele Diversiteit bij de gunning van ontwerpopgaven.
– Ga actief op zoek naar ontwerpers met een diverse achtergrond, of naar
    ontwerpinbreng vanuit een diverse achtergrond.
4. Benut de potentie van de ontwerpsector bij de aanpak
    van maatschappelijke vraagstukken
In onze analyse stellen we vast dat de kracht van de ontwerpsector nog te weinig
wordt benut bij de aanpak van maatschappelijke vraagstukken. Wel zien wij
veelbelovende initiatieven in stedelijke cultuurregio’s, waar ontwerpers betrokken
worden bij sociale, digitale en ruimtelijke vraagstukken. Het Rijk kan dit versnellen
en versterken door met behulp van thematische actieprogramma’s in te spelen op
kansen in de stedelijke cultuurregio’s en ervoor te zorgen dat ontwerpers en/of
ontwerpbureaus hierbij betrokken worden.
                                                                                      58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>Een actieprogramma is volgens de raad een kansrijk instrument om doelen te
stellen, bruggen te slaan, partijen met elkaar te verbinden, kennis te delen en
eventueel op te schalen of te verspreiden. Een ‘actieagenda’ is een gezamenlijke
innovatieagenda waarin het ‘wat’ en het ‘hoe’ centraal staan.
Een kansrijke mogelijkheid zou zijn om in lijn met de Actieagenda voor Ruimtelijk
Ontwerp parallel hieraan een Sociale en een Digitale Actieagenda te ontwikkelen,
waarin grote maatschappelijke thema’s dragend zijn. Zo kan de kracht van ontwerp
worden benut voor ruimtelijke, sociale en digitale vraagstukken in ons land, kunnen
er coalities ontstaan tussen kennisinstellingen, particulieren, het bedrijfsleven, de
overheid en de ontwerpsector en kan er kennisdeling en kenniscreatie plaatsvinden,
zodat de impact kan worden verhoogd.
De raad ziet de noodzaak voor vruchtbare integratie van bestaande initiatieven.
De bovengenoemde actieagenda’s zouden dan ook complementair moeten zijn aan
bijvoorbeeld een initiatief als de Kennis- en Innovatieagenda van de Topsector
Creatieve Industrie 2018 – 2020, waarin een agenda met maatschappelijke opgaven
voor de ontwerpsector is opgenomen.
Aanbevelingen voor de sector zelf
– Zoek actief aansluiting bij initiatieven rond de grote maatschappelijke
    vraagstukken in stedelijke cultuurregio’s.
– Benut de ontwikkeling in hogescholen rond ‘werkplaatsleren’ en labs.
– Breng gedetailleerd in kaart wat op regionaal niveau plaatsvindt aan ontwerpend
    onderzoek in bestaande citylabs, fablabs, design labs, etc.
– Vergroot de vaardigheden van ontwerpers om succesvol verbindingen aan te
    gaan met andere sectoren.
Aanbevelingen aan de Rijksoverheid
– Neem een aantal grote maatschappelijke uitdagingen als uitgangspunt en
    formuleer, in navolging van de Actieagenda voor Ruimtelijk Ontwerp, met
    andere betrokken ministeries en stedelijke cultuurregio’s een
    meerjarenprogramma, waarin diverse partijen en instellingen kunnen
    participeren. Stel hierin de doelen voorop. Naast urgente maatschappelijke
    thema’s kunnen hier sectorale invalshoeken een rol spelen. De raad denkt aan
    een Sociale en een Digitale Actieagenda, waarin maatschappelijke thema’s
    centraal staan.
– Zorg ervoor dat de programma’s bekend zijn bij zowel de actoren uit de
    ontwerpsector als de bestuurders en particulieren en dat de programma’s extern
    worden vertegenwoordigd, zodat er verbinding gelegd wordt met de
    samenleving. Zie er ook op toe dat de interne regie wordt geregeld en dat de
    verbinding tot stand komt tussen de organisaties, overheden en instellingen die
    samenwerken ten behoeve van een bepaald actieprogramma.
                                                                                      59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Aanbevelingen aan stedelijke cultuurregio’s
– Zorg ervoor dat er aansluiting komt bij initiatieven die in beeld brengen waar
    ontwerpers actief zijn en hoe daarvan gebruik gemaakt kan worden. Zoek contact
    met lokale netwerken van instellingen, professionals, brancheorganisaties en
    maak daar gebruik van om de ontwerpsector te versterken en beter in te bedden.
Aanbevelingen aan opdrachtgevers
– Betrek ontwerpkracht in een vroeg stadium van projectontwikkeling die raakt
    aan maatschappelijke vraagstukken. Het gaat hier om overheden en ook andere
    grote opdrachtgevers, zoals bijvoorbeeld zorginstellingen, bedrijven
    en woningbouwverenigingen.
5. Zorg voor een beter beheer en behoud van het ontwerperfgoed
Het is niet goed gesteld met het geheugen van de sector. Er is geen beleid voor het
ontwerperfgoed. De geschiedenis van digitale cultuur is nauwelijks te bestuderen,
simpelweg omdat er geen partijen zijn die zich toeleggen op behoud, beheer en
openbaarmaking ervan. Het vormgevingserfgoed is versnipperd en incompleet.
De oprichting van een erfgoedinstelling kan hier werken als een vliegwiel of als een
opstap om de omgang met waardevolle collecties en archieven te doordenken, en
hiervoor beleid en nieuwe praktijken te ontwikkelen.
Aanbevelingen voor de sector zelf
– Koppel de kennis uit de erfgoedsector aan de behoeften van de ontwerpsector om
    tot bruikbare richtlijnen te komen voor een beleidsvisie op ontwerparchieven.
– Activeer een potentieel netwerk van instellingen en organisaties die zich
    bezighouden met behoud, beheer en presentatie van ontwerperfgoed.
Aanbevelingen aan de Rijksoverheid
– Maak er werk van om de (beleids)opties voor het bewaren, ontsluiten en
    tentoonstellen van ontwerperfgoed te verkennen. Onderzoek bijvoorbeeld op
    welke wijze het erfgoedbeheer en –behoud het beste kan worden ondersteund; al
    dan niet door de oprichting van een instelling.
– Onderzoek ook of bestaande instellingen met een erfgoedtaak de handen ineen
    kunnen slaan om samen met stedelijke cultuurregio’s een plan van aanpak te
    maken voor het behoud en beheer van Nederlands ontwerperfgoed.
6. Bouw voort op internationalisering
Het internationaliseringsbeleid van de ministeries van OCW, EZ en BZK heeft de
afgelopen jaren in vele opzichten zijn vruchten afgeworpen. De ontwerpsector is
steeds actiever aanwezig op het wereldtoneel, de opleidingen en het
ontwerponderzoek zijn internationaal toonaangevend en er vinden volop
internationale uitwisselingen plaats. Dit uit zich ook in de groei van aanvragen voor
subsidiemogelijkheden en in de toename van internationale podia zoals festivals,
biënnales en beurzen.
                                                                                      60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Helaas kan maar een beperkt deel van de ontwerpers financieel en inhoudelijk bij
hun internationaliseringspraktijken worden ondersteund.
Wij adviseren dat er meer middelen beschikbaar komen voor
internationaliseringsambities, bijvoorbeeld in de vorm van reis- en studiebeurzen.
Er zijn zowel artistiek-inhoudelijke als economische motieven om stevig te willen
internationaliseren. Met name startende ontwerpers en makers zijn gebaat bij
presentaties en goede ingangen, en streven ernaar om snel ingebed te raken in een
buitenlands netwerk. Voor mid­career makers liggen er kansen op het gebied van
samenwerkingen en voet aan de grond krijgen in het buitenland via residencies,
maar ook via incubators of accelerators, waarvan coaching en ontsluiting van een
lokaal netwerk vaste onderdelen zijn. Om de bestaande internationaliseringspraktijk
te versterken, doen we de volgende aanbevelingen.
Aanbevelingen voor de sector
– Ondersteun jonge en mid­career ontwerpers bij het ontwikkelen van een
    internationaliseringsstrategie, zorg voor kennisuitwisseling, coaching
    en professionalisering.
– Verken welke internationale podia, festivals, biënnales etc. van waarde zijn voor
    de Nederlandse ontwerper om te zorgen dat er geen kansen onbenut blijven.
– Zorg voor een heldere visie op het gebied van internationalisering en een betere
    afbakening tussen de verschillende instellingen via het netwerk Creative Holland.
Aanbevelingen voor de Rijksoverheid
– Vergroot de internationaliseringsmiddelen, bijvoorbeeld in de vorm van beurzen,
    met name voor startende en mid­career ontwerpers om hun culturele en
    artistieke praktijk te versterken.
– Ontwikkel een internationaliseringsagenda samen met de diplomatieke posten,
    waarmee programmatisch en thematisch samenwerken tussen landen mogelijk
    wordt gemaakt en sluit hiermee tevens aan op de geadviseerde actieagenda’s.
– Zorg voor een heldere afstemming tussen de internationaliseringsmiddelen
    vanuit de verschillende departementen (OCW, BUZA en EZ), want het is
    belangrijk dat er een duidelijke overlegstructuur is, zodat het
    internationaliseringsbeleid, met name van de fondsen, beter binnen het
    algemene beleidskader past van het internationale cultuurbeleid.
– Onderzoek welke belemmeringen er zijn voor Nederlandse ontwerpers om in het
    buitenland te acteren, en omgekeerd ook naar de belemmeringen voor
    buitenlandse ontwerpers om naar Nederland te komen voor de ontwikkeling en
    uitvoering van projecten.
                                                                                      61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>– Versterk het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie om programma’s en
  regelingen voor de internationaliseringsbehoefte in de sector te ontwikkelen.
  Vergroot de financiële armslag hiervoor.
– Onderhoudt contact met buitenlandse ministeries; alle grote maatschappelijke
  thema’s zijn elders ook aan de orde. Maak hiervoor ook gebruik van gezanten,
  zoals de watergezant.
Aanbevelingen voor de stedelijke cultuurregio’s
– Zoek actieve samenwerking tussen culturele platforms in stedelijke
  cultuurregio’s en lokale fondsen (zoals Brabant C) met landelijke
  kennisinstellingen op het gebied van internationalisering om kennisdeling
  mogelijk te maken.
                                                                                62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Bijlagen
         63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>64</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>65</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>66</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>67</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>68</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>69</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>70</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>71</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>72</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>73</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>74</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>        Toekomst Cultuurbeleid / Ontwerpsector / Bijlagen / Samenstelling commissie
        Samenstelling commissie
Kerncommissie ontwerpsector
Chris Sigaloff                Hicham Khalidi                   Stephan Petermann
Voorzitter,                   Associate curator                OMA/AMO
Mede-oprichter                Lafayette Anticipations,
Spring House                  directeur Van Eyck,              Angelique Spaninks
                              vanaf 1 oktober 2018             Directeur/curator MU,
Jeroen van den                                                 directeur/artistiek
Eijnde                        Jeroen van Mastrigt              leider
Lector ArtEZ                  Freedomlab Future                STRP Biënnale
                              Studies,
Anne Hoogewoning              mede-oprichter                   Saskia van Stein
Mede-oprichter                Dutch Gamegarden                 Directeur
AB Cultural                                                    Bureau Europa
Producers,                    Sebastian Olma
docent KABK                   Lector Avans                     Martine Zoeteman
                              Hogeschool,                      Oprichter
                              schrijver en adviseur            STADvogels,
                                                               schrijver
                                                               en programmamaker
Bureau Raad voor Cultuur
Klazien Brummel               Lodewijk Reijs
Senior                        Beleidsadviseur,
beleidsadviseur               tot 15 januari 2018
                                                                                     75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>        Toekomst Cultuurbeleid / Bijlagen / Overzicht gesprekspartners
         Overzicht gesprekspartners
De commissie heeft ‘tafellakensessies’ en expertmeetings georganiseerd over
verschillende onderwerpen.
Vormgeving 23 oktober 2017
Danielle Arets                Pascale Gatzen                   Yassine Salihine
Design Academy                ArtEZ                            Ontwerper
Eindhoven
                              Mieke Gerritzen                  Nadine Sterk
Bas van Beek                  Image Society                    Atelier NL
Ontwerper
                              Joost Grootens                   Yuri Veerman
Jurgen Bey                    Studio                           Atelier Yuri
Sandberg Instituut,           Joost Grootens                   Veerman
Studio Makkink & Bey
                              Roosje Klap                      Elmo Vermijs
Max Bruinsma                  Studio Roosje Klap               Studio Elmo Vermijs
Design criticus
                              Frank Kresin                     Henriette Waal
Thomas Castro                 TU Twente                        Ontwerper
ArtEZ
                              Christien                        Joanna van der
Dagan Cohen                   Meindertsma                      Zanden
What Design Can Do            Ontwerper                        Throwing Snowballs
Jeroen van Erp                Branko Popovic                   Hozan Zangana
Fabrique                      FASHIONCLASH.nl                  Hozan Zangana
                                                               Studio
Architectuur 31 oktober 2017
René Boer                     Erik Frijters                    Marc Koehler
Failed Architecture           FABRICations                     Marc Koehler
                                                               Architects
Aslı Çiçek                    Cilly Jansen
Ontwerper                     Architectuur Lokaal              Marieke Kums
                                                               Studio MAKS
Simon Franke                  Wilma Kempinga
Trancity                      Mevrouw Meijer                   Aura Melis
                                                               Inside Outside
                                                                                   76
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>Renske van der          Peter Veenstra        Catherine Visser
Stoep                   LOLA                  DaF-architecten
KCAP
                        Gabriel Verheggen     Sjors de Vries
Gerjan Streng           ABC                   RUIMTEVOLK
The Cloud Collective    Architectuurcentrum
                                              Jeroen de Willigen
                                              De Zwarte Hond
E-cultuur 6 november 2017
Alex Adriaanse          Ward Janssen          Marleen Stikker
V2_                     Cinekid               Waag Society
Paulien Dresscher       Adriaan de Jongh      Willem Velthoven
Cultural                Game designer         Mediamatic
Technologies
& Beyond                Sara Kolster          Jann de Waal
                        Digital storyteller   Topteam
Gert Franke                                   Creatieve Industrie
CLEVER°FRANKE           Geert Lovink
                        Institute of          Gaby Wijers
Steye Hallema           Network Cultures      LIMA
WildVreemd
                        Alessandra van
Claas Hille             Otterlo
Impakt festival         Control Magazine
Jeroen Hofs             Tijmen Schep
Eboman                  SetUp
Ook is er op 18 september 2017 een brainstormsessie
georganiseerd met:
Guus Beumer             Fred Schoorl          Gerbrand Bas
Directeur               Directeur BNA         Bestuur Federatie
Het Nieuwe Instituut                          Creatieve Industrie
                        Horst Streck
Syb Groeneveld          Voorzitter Dutch      Carolien Gehrels
Directeur               Games Association     Lid Dutch
Stimuleringsfonds                             Creative Council
Creatieve Industrie     Bart Ahsmann
                        Directeur CLICKNL
Madeleine van
Lennep                  Rens Tap
Directeur BNO           Modint
Verder vonden er interviews plaats met:
                                                                  77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>Bart Lootsma           Elma van Boxel           Victor van der Chijs
Architectuurtheorie,   Directeur ZUS            Voorzitter college
Universiteit                                    van bestuur,
van Innsbruck          Henk Ovink               universiteit Twente
                       Watergezant,
Bert Mulder            Ministeries van          Martijn Paulen
Informatietechnologie, Infrastructuur en        Directeur Dutch
Haagse Hogeschool      Waterstaat,              Design Week
                       Buitenlandse Zaken
Timo de Rijk           en                       Tim Vermeulen
Directeur Stedelijk    OntwikkelingssamenwerkingProgrammadirecteur
Museum Den Bosch       en Economische           Dutch Design Week
                       Zaken en Klimaat
Caroline Hummels                                Jann de Waal
Professor Design       Joana Ozorio             Topteam Creatieve
and Theory for         Gastdocent Design,       Industrie
Transformative         Faculteit der
Qualities at the       Geesteswetenschappen,    Jeroen van Erp
department of          Academie                 Directeur Fabrique
Industrial Design,     der kunsten
TU/e en                                         Gert Staal
interdepartmental      Nannet van der           Docent Master
TU/e Theme Leader      Kleijn                   Information Design,
Participatory          Bestuur                  Design Academy Eindhoven
Health & Wellbeing     meestersopleiding
                       coupeur                  George Brugmans
Dick Rijken                                     Directeur
Directeur STEIM,       Ruben Jacobs             Internationale
Lector Informatie,     Cultuursocioloog         Architectuur
Technologie en                                  Biënnale Rotterdam
Samenleving,
Haagse Hogeschool
                                                                         78
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>        Toekomst Cultuurbeleid / Ontwerpsector / Bijlagen / Literatuur
         Literatuur
Amsterdamse                   Boomen, T. van de,                 Creative Europe
Kunstraad                     Frijters, E.,                      Desk NL,
De stad is nooit af.          Assen, S. van,                     Dutch Culture
Bouw aan de                   Broekman, M.                       Feiten & cijfers
toekomst en behoud            Urban Challenges,                  Creative Europe
het verleden                  Resilient Solutions.               Cultuur 2015
Amsterdam, 2017               Design Thinking fort               Amsterdam, 2016
                              he Future of
Ape en Dialogic               Urban Regions                      Creative Industries
in opdracht van het           Amsterdam, 2017                    Federation
ministerie van OCW                                               Creative Diversity.
Economische                   Bureau                             The state of diversity
ontwikkelingen in de          Architectenregister                in the UK’s creative
cultuursector,                Jaarverslag 2014                   industries, and what
2009 – 2016                   Den Haag, 2015                     we can do about it
Utrecht, 2017                                                    Londen, 2017
                              Centraal Bureau
Architectuur Lokaal           voor de Statistiek                 Domus
Competition Culture           Kunstenaars in                     Europe’s Top 100
in Europe                     breder perspectief.                Schools of
2013 – 2016                   Kunstenaars,                       Architecture and
Amsterdam, 2017               Kunstopleidingen                   Design 2017
                              en Arbeidsmarkt                    ‘domusweb.it’
Architectuur Lokaal           Den Haag, 2011
Kompas light Design                                              Douma, I.,
Build.                        Centraal Bureau                    Jansen, P.
Praktische                    voor de Statistiek                 De makerbeweging.
toelichting op het            Monitor                            Broedplaatsen voor
aanbesteden van               Topsectoren                        cultuurparticipatie
UAV-GC 2005                   Den Haag, 2017                     in: Zicht op actieve
opdrachten                                                       cultuurparticipatie
Amsterdam, 2016               College van                        LKCA, FCP
                              Rijksadviseurs                     Utrecht, 2016
                              Over de
                              vermaatschappelijking              Planbureau voor de
                              van                                Leefomgeving
                              het architectuurbeleid             Evaluatie City Deals
                              Den Haag, 2016                     – vervolg
                                                                 Den Haag, 2017
                                                                                        79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>Heebels, B.,               Meroz, J.              Ministeries van
Kloosterman, R.C.          Dutchnesses of         WVC en VROM
Van binnen naar            Dutch Design.          Nota: Ruimte voor
buiten.                    The construction of    Architectuur
Een onderzoek naar         a national practice at Den Haag, 1991
de rol van de              the intersection of
wettelijke                 national and           Ministerie van EZ
titelbescherming           international dynamics Gids
voor Interieurarchitecten. 2016                   Proportionaliteit,
2016                                              eerste herziening
                           Ministerie van OCW     Den Haag, 2016
Hendriques, L.             Cultuur in Beeld
(Waag Society, Ams         Den Haag, 2017         Nationaal Archief,
Institute)                                        Koninklijke
Smart Citizens Lab.        Ministerie van OCW     Bibliotheek, e.a.
Towards a towards          Cultuur beweegt.       Collectie Digitaal:
community driven           De betekenis van       born digital.
data collection            cultuur in een         Eindrapport van het
Amsterdam, 2015            veranderende           NCDD-project
                           samenleving            Collectie Digitaal
iMMovator                  Den Haag, 2012         Den Haag, 2015
Monitor Creatieve
Industrie 2016             Ministerie van OCW     Raad voor Cultuur
Hilversum, 2017            Cultuur als            ‘Cultuur voor stad,
                           confrontatie           land en regio.
Interactieve               Den Haag, 1999         De rol van stedelijke
Producenten                                       regio’s in
Nederland                  Ministerie van OCW     het cultuurbestel’
Position Paper             Uitgangspuntennotitie  Den Haag, 2017
Amsterdam, 2017            voor cultuurbeleid:
                           Pantser                Raad voor Cultuur
International              of ruggengraat         ‘Advies Culturele
Architecture               Den Haag, 1995         Basisinfrastructuur
Biennale Rotterdam                                2017 – 2020’
2018+2020                  Ministerie van IenM    Den Haag, 2016
Our future in the          De opgaven voor de
Delta, the Delta of        Nationale              Raad voor Cultuur
the future.                Omgevingsvisie         Advies Actieagenda
Catalogus bij The          Den Haag, 2017         voor Architectuur en
Missing Link                                      Ruimtelijk Ontwerp
                           Ministeries van        2017 – 2020
Rotterdam, 2018
                           OCW en IenM            Den Haag, 2016
Kraaijeveld, J.            Nota: Samen werken
De                         aan ontwerpkracht.     Raad voor Cultuur
architectenbranche         Actieagenda            ‘Agenda Cultuur.
in beweging                Ruimtelijk Ontwerp     2017 – 2020 en
in: FuturA white           2017 – 2020            verder’
paper                      Den Haag, 2016         Den Haag, 2015
2017
                                                                        80
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>Raad voor Cultuur    Raad voor Cultuur,       Steen, K., Van
‘De                  Sociaal-Economische Raad Bueren, E.
Cultuurverkenning.   ‘Passie gewaardeerd.     The defining
Ontwikkelingen en    Versterking van de       characteristics of
trends in het        arbeidsmarkt in de       urban living labs.
culturele leven      culturele en             Technology
in Nederland ’       creatieve sector’        Innovation
Den Haag, 2014       Den Haag, 2017           Management Review
                                              2017
Raad voor Cultuur    Raad voor Cultuur,
‘Goed                Sociaal-Economische Raad Stichting Fonds
opdrachtgeverschap.  ‘Verkenning              Architectenbureaus
Vragen naar de       arbeidsmarkt             Opstap naar een
onbekende weg’       culturele sector’        betere toekomst.
Den Haag, 2012       Den Haag, 2016           Sectorplan
                                              Architectuurbureaus
Raad voor Cultuur    Rathenau Instituut       2014 – 2016
‘eCultuur van i naar Living labs in           Amsterdam, 2015
e:                   Nederland.
over implicaties     Van open                 The Beach
digitalisering       testfaciliteit tot       In het landschap van
in cultuurbeleid’    levend lab               creatieve innovatie.
Den Haag, 2003       Den Haag, 2017           Sporen,
                                              ontmoetingen &
Raad voor Cultuur    Royal Haskoning          uitzichten
‘Rapport Advies      DHV                      Amsterdam, 2008
Tijdelijke           Werken aan
Vormgeving           Ontwerpkracht.           TNO
Commissie’           Evaluatie                Vormgeving in de
Den Haag, 2001       Actieagenda              Creatieve Economie
                     Architectuur en          Delft, 2005
Raad voor Cultuur,   Ruimtelijk Ontwerp
Raad voor de         2013 – 2016              Topsector Creatieve
Leefomgeving         Amersfoort, 2016         Industrie
en Infrastructuur                             Kennis- en
‘Brede blik op       Simon Thomas, M.         Innovatieagenda
Erfgoed.             Goed in vorm.            Den Haag, 2018
Over de              Honderd jaar
wisselwerking        ontwerpen                Vereniging
tussen erfgoed en    in Nederland             Deltametropool
transities in        Rotterdam, 2008          Energie & Ruimte.
de leefomgeving’                              Een nationaal
Den Haag, 2017                                perspectief
                                              Rotterdam, 2017
                                                                   81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>           Toekomst Cultuurbeleid / Bijlagen / Colofon
           Colofon
‘Ontwerp voor de toekomst.
Pleidooi voor creatieve reflectie op maatschappelijke vraagstukken’
is een uitgave van de Raad voor Cultuur.
Leden
Marijke van Hees voorzitter
Brigitte Bloksma
Lennart Booij
Özkan Gölpinar
Erwin van Lambaart
Cees Langeveld
Thomas Steffens
Liesbet van Zoonen
Jakob van der Waarden directeur
Raad voor Cultuur
Prins Willem Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
070 – 3106686
‘info@cultuur.nl’
‘www.cultuur.nl’
Ontwerp
‘High Rise’
Alle adviezen van de raad zijn ook te vinden op ‘cultuur.nl’.
Wilt u op de hoogte blijven van de activiteiten van de raad?
Dan kunt u zich aanmelden voor de ‘nieuwsbrief’.
Volg ons ook op ‘Twitter’.
Het is toegestaan (delen van) de inhoud van de jaarverslagen
te citeren of te verspreiden, mits daarbij de Raad voor Cultuur
en het jaarverslag als bronnen worden vermeld.
Aan de jaarverslagen kunnen geen rechten worden ontleend.
© Raad voor Cultuur, september 2018
                                                                    82
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>De Raad voor Cultuur is het wettelijke
adviesorgaan van de regering en
het parlement op het terrein van kunst,
cultuur en media.
De raad is onafhankelijk en adviseert,
gevraagd en ongevraagd, over actuele
beleidskwesties en subsidieaanvragen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>