<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Hoe cultuurgoederen      Adviescommissie   Raad voor Cultuur
                         Bescherming
en verzamelingen         Cultuurgoederen
onder de Erfgoedwet
adequaat te beschermen
van
terug -
     naar
houdend
     betrok
     ken
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>   Aanbiedingsbrief                              3
   Samenvatting		                                5
1. Inleiding                                    18
   Aanleiding                                   18
   De adviesvraag                               19
   Een brede opvatting van de adviesvraag       20
   Onderzoeksmethoden                           20
   Opbouw van het advies                        21
2. Juridische analyse van de Erfgoedwet		       22
   Inleiding                                    22
   De belangrijkste vijf constateringen		       23
   Tussenconclusie                              36
3. De Erfgoedwet in de praktijk                 38
   Inleiding                                    38
   Betrokken actoren                            39
   Knelpunten rond de bescherming
   van cultuurgoederen		                        40
   Tussenconclusie                              53
4. Aanbevelingen                                57
   Inleiding                                    57
   Urgente aanbevelingen voor op korte termijn  58
   Aanbevelingen voor nieuwe beleidsregels		    62
   Aanbevelingen voor de middellange
   en langere termijn                           66
   Conclusie                                    70
   Slotwoord                                    73
   Bijlagen		                                   75
   Adviesaanvraag                               76
   Samenstelling commissie                      78
   Overzicht gesprekspartners                   80
   Juridische analyse		                         82
   Literatuur en bronnen                       120
   Colofon                                     122
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>          Bescherming Cultuurgoederen / Aanbiedingsbrief
          Aanbiedingsbrief
Den Haag, 30 september 2019
Betreft: Rapport adviescommissie bescherming cultuurgoederen
Geachte minister Van Engelshoven,
Hierbij treft u het door u gevraagde advies aan over de bescherming van cultuurgoederen in het
kader van de Erfgoedwet. Op 19 februari 2019 heeft u de raad verzocht een onafhankelijke
adviescommissie in te stellen met als opdracht te onderzoeken of de huidige wettelijke
regelingen en de daarop gebaseerde beleidsregels adequaat zijn om belangwekkend erfgoed in
particulier bezit voor Nederland te kunnen behouden, en om waar nodig voorstellen te doen voor
aanpassing van deze regelingen. Bijgaand advies is de weerslag van dit onderzoek.
De raad is verheugd over het gedegen rapport dat de onafhankelijke commissie onder
voorzitterschap van Alexander Pechtold heeft opgesteld. De situatie die de commissie blootlegt
baart ons zorgen. Wij onderschrijven ten volle de analyse en de aanbevelingen van de commissie.
Wij menen dat u met bijgaand rapport een bruikbaar advies in handen heeft om het effect van de
Erfgoedwet voor cultuurgoederen en verzamelingen in particulier bezit te versterken, zonder dat
daar al te grote wetsaanpassingen voor nodig zijn.
In haar advies ‘Van terughoudend naar betrokken. Hoe cultuurgoederen onder de Erfgoedwet
adequaat te beschermen’ toont de commissie-Pechtold aan dat de minister met de Erfgoedwet op
papier een goed instrument in handen heeft om cultuurgoederen en verzamelingen zorgvuldig te
beschermen. De wet kent elf regelingen die aan deze bescherming bijdragen. Toch blijkt uit de
analyse van de commissie dat cultuurgoederen in particulier bezit met de huidige interpretatie
en werking van de wet nog onvoldoende worden beschermd.
Zo signaleert de commissie dat het terughoudend aanwijzingsbeleid van de minister niet strookt
met andere actuele omstandigheden, zoals het recht op vrij verkeer van goederen in de EU en het
feit dat de Erfgoedwet geen werking heeft voor goederen die zich eenmaal buiten Nederland
bevinden. Daarmee kunnen niet-aangewezen cultuurgoederen die belangwekkend zijn voor het
Nederlands erfgoed gemakkelijk voor Nederland verloren gaan. Op dit moment wordt enkel tot
aanwijzing overgegaan wanneer belangrijke cultuurgoederen uit Nederland dreigen te
verdwijnen, maar eenmaal over de grens is ons (niet-aangewezen) cultuurgoed vogelvrij.
In samenhang hiermee kritiseert de commissie de visie van de minister op de Collectie
Nederland, ofwel ‘het totaal van de publiek toegankelijke geregistreerde collecties en de
niet-toegankelijke, particuliere collecties waarvoor de overheid verantwoordelijkheid heeft
genomen’. [ 1 ] De minister stelt zich op het standpunt dat deze collectie ‘af’ is; een van de redenen
voor haar terughoudend aanwijzingsbeleid. De commissie onderstreept echter dat een collectie
onmogelijk af kan zijn; onder invloed van een wisselende kijk op onze geschiedenis en onze
cultuur verandert onze blik op wat we willen bewaren en wat onderdeel uitmaakt van onze
culturele identiteit voortdurend. Dat vraagt juist om een doorlopende, kritische actualisatie en
herijking van de collectie.
De commissie adviseert de minister allereerst daarom een steviger visie te (laten) ontwikkelen op
de dynamische Collectie Nederland, gepaard aan een actiever, minder van toeval afhankelijk
aanwijzingsbeleid. Hiertoe dient een onafhankelijke, vaste deskundigencommissie in het leven te
worden geroepen met als taak het cultuurgoed in Nederland te inventariseren, hierover aan de
minister te adviseren en met het veld hierover te communiceren. De commissie roept hiermee op
                                                                                                       3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>tot een terugkeer van de commissie die onder de Wet tot behoud van cultuurbezit (Wbc) deze
functie vervulde. Een dergelijke commissie zou bijvoorbeeld kunnen worden ondergebracht bij
de Raad voor Cultuur. De raad herbergde destijds ook de Wbc-commissie en is desgevraagd
bereid die rol opnieuw op zich te nemen.
In samenwerking met deze deskundigencommissie dienen ook nieuwe beleidsregels te worden
opgesteld om meer duidelijkheid te scheppen rond de Erfgoedwet en haar werking, in het
bijzonder met betrekking tot de aanwijzingsregeling. De commissie signaleert dat er in de
praktijk veel onduidelijkheid leeft over het bestaan en de interpretatie van de wet en haar
regelingen, onder andere doordat de wet niet duidelijk omschrijft wat wordt verstaan onder
‘particulier bezit’.
De commissie komt daarnaast met een aantal aanbevelingen om de bekendheid en de werking
van de Erfgoedwet op middellange en lange termijn te verbeteren. Zo moet de voorlichting rond
de wet worden aangescherpt en zou de minister liefst bij wet moeten waarborgen dat er altijd
voldoende overheidsmiddelen aanwezig zijn voor eventuele aankopen van beschermde
cultuurgoederen en verzamelingen die uit Nederland dreigen te verdwijnen (het Nationaal
Aankoopfonds). Ook moet bij een actiever aanwijzingsbeleid meer zorg worden besteed aan de
inbreuk die een aanwijzing maakt op het eigendomsrecht van particuliere eigenaren,
bijvoorbeeld door hun een passende compensatie te bieden in de vorm van een bijdrage voor
beveiliging en verzekering van het cultuurgoed en/of door fiscale tegemoetkomingen.
De commissie die bijgaand advies heeft opgesteld bestond naast Alexander Pechtold uit
Tom Barkhuysen, Fusien Bijl de Vroe, Sabine Gimbrère en, namens de Raad voor Cultuur,
Lennart Booij. De commissie werd bijgestaan door jurist Machteld Claessens. Secretaris was
Rebecca Roskam. Graag maakt de raad hierbij van de gelegenheid gebruik om commissie en
secretaris van harte te bedanken voor hun werk. Hun expertise en kundigheid heeft in onze ogen
bijgedragen aan een adequate beantwoording van uw adviesvraag, die de raad volledig
kan onderschrijven.
Met vriendelijke groet,
Marijke van Hees, voorzitter
Jakob van der Waarden, directeur
  1
Bron: museumbrief ‘Samen werken, samen sterker’,
juni 2013.
                                                                                               4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>         Bescherming Cultuurgoederen / Samenvatting
         Samenvatting
De wet- en regelgeving rond de Erfgoedwet biedt op papier voldoende bescherming aan
cultuurgoederen en verzamelingen in particulier bezit. Echter, om belangwekkend erfgoed
daadwerkelijk te kunnen beschermen, zijn meer samenwerking, kennisdeling, expertise en
transparantie nodig in de uitvoering van de wet. Ook is in de ogen van de commissie een
scherpere, actuele visie op de Collectie Nederland onontbeerlijk. Daarnaast dient de minister
actiever gebruik te maken van haar bevoegdheid om belangwekkende cultuurgoederen aan te
wijzen als ‘beschermd’.
Inleiding
Nederland kent een rijk en divers bezit aan cultuurgoederen en erfgoedverzamelingen, die
nationaal en internationaal van grote betekenis zijn. Veel daarvan is in de loop der eeuwen
verzameld door particulieren. Hoeveel waarde Nederlanders hieraan hechten, blijkt keer op keer
uit het debat dat oplaait als een belangwekkend cultuurgoed uit Nederland dreigt te verdwijnen
(of blijkt te zijn verdwenen), terwijl het in de ogen van betrokkenen tot ons vaste erfgoed
behoort. De verkoop van een tekening van Rubens in januari 2019 op de veiling van Sotheby’s in
New York is hier een goed voorbeeld van.
De ophef rond de veiling van deze tekening vormde voor de minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap aanleiding om aan de Raad voor Cultuur te vragen een onafhankelijke commissie in
te stellen. Deze kreeg als opdracht zich te buigen over de vraag ‘of de huidige wettelijke
regelingen en daarop gebaseerde beleidsregels adequaat zijn om belangwekkend erfgoed in
particulier bezit voor Nederland te kunnen behouden’ en waar nodig voorstellen te doen tot
aanpassing van deze regelingen. Een commissie onder voorzitterschap van Alexander Pechtold
heeft zich over deze vragen gebogen.
De commissie heeft de aan haar voorgelegde adviesvraag breed opgevat. Zij stelt dat particulier
bezit niet op zichzelf te beschouwen is, maar altijd in relatie moet worden gezien tot de
cultuurgoederen in publiek bezit. De Collectie Nederland wordt immers gevormd door ‘het totaal
van de publiek toegankelijke geregistreerde collecties en de niet-toegankelijke, particuliere
collecties waarvoor de overheid verantwoordelijkheid heeft genomen’. De commissie heeft
daarom alle regelingen in de Erfgoedwet die de bescherming van cultuurgoederen en
verzamelingen tot doel hebben in samenhang bekeken. Door middel van een juridische analyse
en een praktijkonderzoek (bureauonderzoek en gesprekken met deskundigen en betrokkenen) is
zij tot haar advies gekomen.
Hieronder volgen eerst de belangrijkste constateringen uit de juridische analyse van de
commissie (hoofdstuk ‘Juridische analyse van de Erfgoedwet’), gevolgd door een aantal
knelpunten met betrekking tot de uitvoering van de Erfgoedwet in de praktijk (hoofdstuk
‘De Erfgoedwet in de praktijk’). Ten slotte volgen een tiental aanbevelingen (hoofdstuk
‘Aanbevelingen’) en een ‘slotwoord’.
                                                                                                5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Anoniem, Bernulfuscodex, boekband, ca. 1200 – 1210 en handschrift, ca. 1040 – 1050.
(dossiernummer register 122, in langdurige bruikleen aan Museum Catharijneconvent in Utrecht)
De Bernulfuscodex is een van de belangrijkste handschriften van Nederland. Deze maakt deel uit van de eerste groep
aanwijzingen in 1985.
Juridische analyse
De commissie presenteert in het advies haar vijf belangrijkste constateringen op basis van een
juridische analyse van de Erfgoedwet:
Constatering 1
De Erfgoedwet bevat op papier een scala aan potentiële waarborgen voor de bescherming van
cultuurgoederen en verzamelingen.
De Erfgoedwet bevat elf beschermingsregelingen die van toepassing zijn op cultuurgoederen en
verzamelingen. De regeling die het meest relevant is voor particuliere eigenaren, is de ‘regeling
tot aanwijzing als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling’ (de aanwijzingsregeling).
De minister van OCW heeft de bevoegdheid om cultuurgoederen en verzamelingen die aan
bepaalde criteria voldoen aan te wijzen als ‘beschermd’, waarmee ze niet mogen worden
vervreemd of verplaatst zonder dit eerst bij de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed te
melden. Bij elk voornemen om een aangewezen cultuurgoed of verzameling buiten Nederland te
brengen, moet daarmee in elk geval tot zes weken na de melding worden gewacht.
Deze ‘wachttijd’ geeft de minister van OCW de gelegenheid eventuele bedenkingen te uiten tegen
de uitvoer wanneer het gevaar bestaat dat het beschermd cultuurgoed voor het Nederlandse
cultuurbezit verloren gaat. De bedenkingen worden in de Staatscourant gepubliceerd.
Aansluitend krijgen andere potentiële kopers slechts zes weken bedenktijd om een bod uit te
brengen. Hierna gelden de geuite bedenkingen van de minister als aanbod van de Staat tot koop
van het cultuurgoed of de verzameling. De minister heeft ervoor gekozen alléén gebruik te maken
van deze regeling als een belangwekkend cultuurgoed of verzameling op het punt staat
Nederland te verlaten.
                                                                                                                   6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Behalve voor particuliere eigenaren zijn er op papier beschermingsregelingen voor:
– cultuurgoederen in bezit van overheden (of andere publiekrechtelijke rechtspersonen);
– openbare collecties in musea, archieven en bibliotheken (in eigendom van de Staat of in
    overwegende mate gefinancierd door de Staat);
– kerkelijke collecties van cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis;
– de Rijkscollectie;
– cultuurgoederen die (tevens) op grond van het UNESCO-verdrag zijn beschermd.
Ook deze regelingen worden in de praktijk nauwelijks toegepast.
Er zijn verder regelingen voor in- en uitvoer van cultuurgoederen, zoals de exportregeling of het
verbod om cultuurgoederen Nederland in te voeren die onrechtmatig zijn verkregen in andere
regimes of uit bezette gebieden komen. Ten slotte regelt de wet dat de Staat verplicht is
belangwekkende cultuurgoederen of verzamelingen aan te nemen die voldoen aan de
aanwijzingscriteria en die om niet en zonder belastende voorwaarden aan de Staat
worden overgedragen.
Constatering 2
De Erfgoedwet kent geen expliciete regeling voor cultuurgoederen ‘in particulier bezit’.
De minister vraagt de commissie in het bijzonder of de huidige regelingen en de daarop
gebaseerde beleidsregels adequaat zijn om belangwekkend erfgoed ‘in particulier bezit’ voor
Nederland te kunnen behouden. Algemeen wordt aangenomen dat de aanwijzingsregeling
(alleen) van toepassing zou zijn op cultuurgoederen in particulier bezit. In de Erfgoedwet wordt
echter nergens gesproken van ‘particulier’ bezit, waardoor verwarring bestaat over deze term.
Uit de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet blijkt bijvoorbeeld dat musea de ene keer wel en de
andere keer niet tot het particuliere domein worden gerekend. De Inspectie Overheidsinformatie
en Erfgoed schrijft dat ‘het privaat eigendom (…) kan berusten bij kerken, kloosters, stichtingen
en natuurlijke personen.’ Deze onduidelijkheid over de duiding van ‘particulier bezit’ draagt bij
aan de ophef die geregeld ontstaat rond de (voorgenomen) verkoop van cultuurgoederen
en verzamelingen.
Constatering 3
In de Erfgoedwet staat niet omschreven wat wordt bedoeld met ‘particulier bezit’.
Omdat in de Erfgoedwet niet staat omschreven wat wordt bedoeld met particulier bezit, hanteert
de commissie in haar advies de volgende definitie van particulier bezit: ‘cultuurgoederen en
verzamelingen die in eigendom zijn van privépersonen en privaatrechtelijke rechtspersonen
zoals stichtingen’. Met andere woorden, alle andere denkbare eigenaren dan de Staat, provincies,
gemeenten of andere publiekrechtelijke rechtspersonen.
Volgens deze definitie zijn particuliere eigenaren dus: privaatrechtelijke overheidsorganisaties,
commerciële bedrijven (BV’s en NV’s), stichtingen die louter als doelstelling het houden en
beheren van belangwekkend cultuurgoed hebben, stichtingen met een bredere of meervoudige
doelstelling, private rechtspersonen die met overheidsmiddelen worden gefinancierd, en
privéverzamelaars. De commissie benadrukt dat er met betrekking tot de bescherming van het
cultuurgoed relevante verschillen (kunnen) bestaan tussen deze soorten eigenaren in het
particuliere domein.
                                                                                                  7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Constatering 4
De aanwijzingsregeling is cruciaal voor de bescherming van cultuurgoederen
(in particulier bezit).
Cultuurgoederen in eigendom van privépersonen en van veel private rechtspersonen worden op
grond van de regelingen in de Erfgoedwet niet automatisch in enige mate beschermd.
De aanwijzingsregeling is immers pas op een cultuurgoed of verzameling van toepassing als de
minister van OCW dat cultuurgoed of die verzameling heeft ‘aangewezen’. Tegelijk is de
aanwijzingsregeling cruciaal voor deze categorie van cultuurgoederen, omdat alleen deze
regeling bescherming kan bieden aan het behoud van belangwekkende cultuurgoederen
in particulier bezit.
Constatering 5
De beschermende functie van de aanwijzingsregeling komt onvoldoende tot haar recht (en kan
onvoldoende tot haar recht komen), om vier samenhangende redenen:
Reden 1: De minister voert een meer dan terughoudend aanwijzingsbeleid, mede omdat de
Collectie Nederland als ‘af’ wordt beschouwd.
De minister hanteert onder de Erfgoedwet expliciet een ‘terughoudend aanwijzingsbeleid’. Dit
houdt in dat een cultuurgoed of een verzameling louter ‘in een spoedeisend geval’ als beschermd
wordt aangewezen: wanneer het op het punt staat Nederland te worden uitgevoerd. Redenen
voor deze terughoudendheid zijn in de eerste plaats het gebrek aan financiële middelen,
waardoor de Staat niet altijd een bod tot aankoop kan doen als een beschermd cultuurgoed uit
Nederland dreigt te verdwijnen. Als tweede reden wordt genoemd dat de Collectie Nederland al
een goede kerncollectie zou zijn en er geen noodzaak voor nieuwe aanwijzingen bestaat. De
minister ziet dus geen inhoudelijke redenen om cultuurgoederen en verzamelingen aan te wijzen
en dus te verzekeren van behoud voor Nederland. Het begrip cultuur is naar het oordeel van de
commissie echter niet statisch, maar dynamisch: opvattingen hierover veranderen per tijd en
plaats. De collectie kan aldus nooit ‘af’ zijn.
Reden 2: De aanwijzingsbevoegdheid van de minister is ‘ambtshalve’.
De bevoegdheid van de minister tot aanwijzing van een beschermd cultuurgoed is in de
Erfgoedwet als ‘ambtshalve’ aangemerkt. Dat betekent dat de minister niet formeel hoeft te
besluiten op een eventueel verzoek van een derde tot aanwijzing van een cultuurgoed.
De rechterlijke toets ontbreekt daarvoor. Het is dus lastig voor de ‘gewone burger’ of
belangenorganisaties om de minister te overtuigen van het belang een cultuurgoed als
beschermd aan te wijzen. Dit is des te zorgwekkender omdat over dit ambtshalve karakter nooit
echt een politiek of maatschappelijk debat is gevoerd.
Reden 3: De aanwijzingscriteria en de discretionaire bevoegdheid laten de minister veel ruimte
voor een eigen beoordeling, hetgeen te meer klemt nu met de Erfgoedwet de Wbc-commissie
is verdwenen.
De Erfgoedwet kent enkele ‘aanwijzingscriteria’ op basis waarvan wordt bepaald of een
cultuurgoed beschermwaardig is: een cultuurgoed dient onvervangbaar en onmisbaar te zijn
voor het Nederlands cultuurbezit en moet daarnaast een bijzondere cultuurhistorische óf
wetenschappelijke betekenis hebben óf van uitzonderlijke schoonheid zijn. Deze
‘aanwijzingscriteria’ houden zogenaamde ‘open normen’ in, die de minister veel ruimte laten
voor een eigen beoordeling. Dit klemt omdat er geen deskundigencommissie meer is die de
minister adviseert over al dan niet aan te wijzen cultuurgoederen. Een dergelijke, onmisbare
commissie was er wel onder de Wet tot behoud van cultuurbezit (Wbc). Deze Wbc-commissie
was ondergebracht bij de Raad voor Cultuur en adviseerde onafhankelijk. Onder de Erfgoedwet
                                                                                                8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>kan de minister weliswaar voorstellen tot aanwijzing krijgen van de Rijksdienst voor Cultureel
Erfgoed (RCE), maar die maakt onderdeel uit van het ministerie en is dus niet onafhankelijk.
Reden 4: De aanwijzingsregeling uit de Erfgoedwet is (in de interpretatie van het ministerie)
niet van toepassing op cultuurgoederen die zich buiten Nederland bevinden, hetgeen te meer
problematisch is gelet op het vrije verkeer van goederen in de Europese Unie.
De minister stelt dat de Erfgoedwet niet van toepassing is op cultuurgoederen die zich buiten
Nederland bevinden. De wet voorziet volgens haar niet in mogelijkheden om cultuurgoederen en
verzamelingen die rechtmatig buiten Nederland zijn gebracht op een later moment terug te halen
naar Nederland. Dit is te meer problematisch, aangezien binnen de Europese Unie het recht op
vrij verkeer van goederen geldt. Dit betekent dat een mogelijk belangwekkend, maar (nog) niet
aangewezen cultuurgoed op eenvoudige en snelle wijze buiten Nederland kan worden gebracht,
waarna het wettelijke beschermingsregime van de aanwijzingsregeling niet langer kan worden
ingeroepen. In de context van dit vrije verkeer van goederen is nooit de vraag gesteld of
cultuurgoederen niet tevens voor aanwijzing in aanmerking zouden moeten komen indien ze zich
in een andere EU-lidstaat bevinden.
Knelpunten rond de bescherming van cultuurgoederen en verzamelingen
De commissie signaleert een aantal knelpunten rond de bescherming van cultuurgoederen en
verzamelingen in Nederland:
Knelpunt 1
Met de veronderstelling dat de Collectie Nederland ‘af’ zou zijn, wordt geen recht gedaan aan het
generatie-overstijgende en representatieve belang van deze collectie.
De commissie ziet op basis van de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet en de bijbehorende
beleidsregels een (grote) mate van terughoudendheid bij de overheid in de verdere vorming van
zowel het publieke deel als het (erkende) particuliere deel van de Collectie Nederland. Voor het
particuliere deel geldt een ‘terughoudend aanwijzingsbeleid’, gebaseerd op de stelling dat de
Collectie Nederland al een goede kerncollectie is. De opvatting dat de Collectie Nederland ‘af’ zou
zijn, wordt echter niet onderschreven door de maatschappij en het veld en stuit op twee
bezwaren. Ten eerste leidt het terughoudend aanwijzingsbeleid tot onduidelijkheid onder
betrokkenen en veroorzaakt het regelmatig maatschappelijke onrust in situaties rond verkopen
van werken die mogelijk belangrijk zijn voor Nederland (denk aan de tekening van Rubens die
aanleiding vormde voor dit advies). Ten tweede vertoont de collectie volgens vele betrokkenen
hiaten op bijvoorbeeld het terrein van moderne en hedendaagse kunst, mode/textiel, fotografie,
design/vormgeving en maritiem en mobiel erfgoed, en op het gebied van hedendaagse
ontwikkelingen rond globalisering, multiculturaliteit, diversiteit en digitalisering. De commissie
wijst op het essentiële belang van een toekomstbestendige Collectie Nederland, die ook voor
volgende generaties van belang is.
Knelpunt 2
De vorming en het behoud van de Collectie Nederland berusten sterk op toeval, omdat een
overkoepelende visie op deze collectie ontbreekt.
Het grote belang van het Nederlands roerend erfgoed verlangt dat als het ware met een
helikopterblik wordt bezien wat er in Nederland allemaal is (en niet is), en dat met een
doordachte visie wordt beoordeeld wat daarvan in elk geval deel zou moeten uitmaken van de
Collectie Nederland. Met name de generatie-overstijgende representatieve aspecten van het
erfgoed verdienen meer reflectie. De commissie signaleert dat elk overzicht op dit moment
ontbreekt en dat er geen weldoordachte visie ten grondslag ligt aan de samenstelling van de
Collectie Nederland. Dit staat het noodzakelijke dynamische karakter van de collectie in de weg.
                                                                                                    9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Bovendien berust het daardoor sterk op ‘hobby en lobby’ welke cultuurgoederen deel uitmaken
van de Collectie Nederland en welke zaken een beschermde status krijgen, vooral waar het gaat
om particulier bezit. Er is gemis aan een onafhankelijke deskundigencommissie die kan
adviseren met betrekking tot de aanwijzingsregeling en contacten kan onderhouden met
het veld.
Knelpunt 3
Er bestaat een disbalans in de bescherming van cultuurgoederen in particulier versus
publiek bezit.
Het valt het de commissie op dat een aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling een grotere
inbreuk maakt op het eigendomsrecht van particuliere eigenaren dan toepassing van de
beschermende regelingen doet voor de Staat, provincies, gemeenten of andere publiekrechtelijke
rechtspersonen. De mogelijkheid tot uitvoer van het beschermde cultuurgoed in particulier bezit
buiten Nederland wordt met een aanwijzing bijvoorbeeld bij voorbaat sterk beperkt, waar dat
voor de publieke regeling niet geldt. Dit terwijl een inbreuk op het eigendomsrecht voor
particulieren zwaarder weegt dan voor bijvoorbeeld de Staat.
Knelpunt 4
Het is onder de Erfgoedwet onvoldoende duidelijk wat onder het begrip ‘particulier bezit’ wordt
verstaan en voor welke soort eigenaren de aanwijzingsregeling wel of juist niet zou
moeten gelden.
Het begrip ‘particulier bezit’ doet geen recht aan het onderscheid tussen de vele soorten
particuliere bezitters. De commissie vindt bepaalde omstandigheden van belang voor de vraag in
welke mate een publiekrechtelijke bescherming nodig is. Te denken valt aan de vraag of een
stichting al dan niet een fiscale ANBI-status heeft, wat er via de statuten van een private
rechtspersoon is geregeld ter bescherming van de cultuurgoederen in eigendom, of de private
eigenaar al dan niet een commerciële doelstelling nastreeft, of de Leidraad Afstoten Museale
Objecten (LAMO) van toepassing is, et cetera. Deze omstandigheden garanderen echter geen
volledige bescherming op lange termijn; alleen een aanwijzing kan deze bescherming bieden.
Knelpunt 5
Het register van aangewezen cultuurgoederen en verzamelingen is onvoldoende representatief
en toekomstbestendig.
In het register op de website ‘collectienederland.nl’ (beheerd door de RCE) staan alle
163 aanwijzingsbesluiten vermeld; 116 aanwijzingen uit de jaren tachtig van de vorige eeuw,
47 van recenter datum. De evaluatiecommissie Wbc adviseerde in 1998 om dit register (toen nog
‘de lijst’) eenmaal per tien jaar te laten actualiseren door de Wbc-commissie. Een dergelijke
actualisatie zou kunnen leiden tot nieuwe aanwijzingen van cultuurgoederen, het intrekken van
eerdere aanwijzingen of tot aanpassing van de motivering tot aanwijzing van een cultuurgoed.
De toenmalige regering nam deze aanbeveling over, maar er is sindsdien geen gehoor aan
gegeven. De commissie signaleert dat op dit moment geen sprake is van een verantwoorde
samenstelling; er ontbreken in het register belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen,
andere zaken staan juist onnodig in het register vermeld. Door het verweesde karakter van het
register wordt ook de status van werken die wel reeds aangewezen zijn (of worden) juridisch
gemakkelijker aanvechtbaar.
                                                                                                10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Knelpunt 6
Het terughoudend aanwijzingsbeleid van de minister is risicovol gezien een aantal
omstandigheden, zoals het recht op vrij verkeer van goederen in de Europese Unie, het gebrek
aan inzicht in hiaten in het register en het ontbreken van contact met particuliere eigenaren om
belangwekkend cultuurgoed in kaart te brengen.
In theorie past het terughoudend aanwijzingsbeleid van de minister binnen de doelstelling van
de Erfgoedwet om ongewenste uitvoer van cultuurgoederen en verzamelingen te voorkomen.
De commissie constateert echter dat met deze uitleg van de Erfgoedwet in de praktijk een te
groot risico wordt gelopen. Volgens het ministerie kan een belangrijk cultuurgoed dat al naar het
buitenland is verdwenen immers niet meer op grond van de Erfgoedwet worden beschermd.
Zodra het cultuurgoed is uitgevoerd, is de minister te laat. Tegelijk is uitvoer met de open
grenzen binnen de Europese Unie en het recht op vrij verkeer van goederen heel gemakkelijk;
enige controle ontbreekt.
Daar komt bij dat er noch via de aanwijzingsregeling noch anderszins waarborgen bestaan dat de
minister überhaupt bekend kan zijn met de aanwezigheid van mogelijk belangwekkende
cultuurgoederen en verzamelingen in particulier bezit. Er bestaat geen goede relatie tussen
ministerie en particuliere eigenaren, en er is geen deskundigencommissie meer zoals destijds de
Wbc-commissie die in deze contacten voorzag.
Voor cultuurgoederen die niet of nauwelijks publiek toegankelijk zijn, zoals cultuurgoederen van
privéverzamelaars, private musea of bijvoorbeeld waterschappen of universiteiten, vormt dit een
groot risico.
Knelpunt 7
Het terughoudend aanwijzingsbeleid leidt tot rechtsonzekerheid onder betrokkenen en de open
aanwijzingscriteria vergroten deze rechtsonzekerheid alleen maar door het ontbreken van een
uitwerking daarvan.
De open aanwijzingscriteria laten de minister veel ruimte voor een eigen interpretatie ervan. Dat
leidt ertoe dat de aanwijzingsprocedure in de praktijk als rechtsonzeker wordt ervaren;
aanwijzing lijkt te berusten op toeval en de omstandigheden van een bepaald moment.
De minister heeft er tot op heden niet voor gekozen om de criteria nader te duiden in beleid of
anderszins uit te werken voor de beslispraktijk. De formele aanwijzingsbesluiten, voorzien van
een motivering, worden niet openbaar gemaakt; de redengevingen van de reeds aangewezen
cultuurgoederen en verzamelingen op ‘collectienederland.nl’ zijn beknopt en geanonimiseerd
geformuleerd. Deze praktijk mag stukken beter.
Knelpunt 8
De aanwijzing van een cultuurgoed wordt als een te grote inbreuk op het eigendomsrecht van
particulieren ervaren.
De commissie signaleert dat eigenaren de beschermde status van hun cultuurgoed als gevolg van
de aanwijzing geregeld als een te grote inbreuk op hun eigendomsrecht ervaren. Drie
omstandigheden dragen hieraan bij:
– Het wordt als een gemis ervaren dat er tussen de particuliere eigenaar en de overheid geen
    wederkerige (vertrouwens)relatie of dialoog bestaat. De bestaande contacten tussen
    particuliere eigenaren en overheidsorganisaties zijn voornamelijk van controlerende en
    fiscale (belastende) aard.
                                                                                                  11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>– De overheid levert onvoldoende tegenprestatie (op maat) aan particuliere eigenaren wier
    cultuurgoed is aangewezen. Zo compenseert de overheid eigenaren niet voor extra te maken
    kosten voor zaken als beveiliging en verzekering van het beschermde erfgoed, en zijn de
    fiscale voordelen bij vererving zoals geregeld in de Successiewet niet anders voor eigenaren
    van een aangewezen cultuurgoed dan voor eigenaren van niet-aangewezen cultuurgoederen.
– Er ontbreekt een passende, algemeen bekende regeling tot bepaling van de waarde van
    beschermde cultuurgoederen en verzamelingen. Prijsonderhandelingen tussen de Staat en
    eigenaren (waarbij zo nodig de rechtbank Den Haag wordt betrokken) worden door
    particuliere eigenaren als ondoorzichtig ervaren, onder meer omdat onduidelijk is welke
    criteria bij het bepalen van de prijs worden gehanteerd.
Knelpunt 9
Er bestaan geen wettelijke waarborgen dat de staat voldoende middelen tot zijn beschikking
heeft voor aankoop van belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen die uit Nederland
dreigen te verdwijnen.
De directe beschikbaarheid van voldoende financiële middelen om een cultuurgoed te kunnen
aankopen, zodat dit voor Nederland kan blijven behouden, is van evident belang. Toch is het in
het verleden voorgekomen dat de Staat niet bereid of in staat was een prijs te betalen die recht
deed aan de marktwaarde van een belangwekkend cultuurgoed en dat de minister daarom zijn
bedenkingen tegen de uitvoer van dit cultuurgoed heeft ingetrokken. De Staat bekostigt de
aankoop van een cultuurgoed in principe uit het Nationaal Aankoopfonds. Dit fonds wordt
gelukkig tussen 2018 en 2020 aangevuld, maar er bestaan volgens de commissie onvoldoende
(wettelijke) waarborgen dat het Nationaal Aankoopfonds op elk moment de nodige middelen
zal bevatten.
Knelpunt 10
Bekendheid met en adequate voorlichting over de regelingen uit de Erfgoedwet en de benodigde
expertise over de belangwekkendheid van cultuurgoederen ontbreken, in het bijzonder ook bij de
betrokken overheidsorganisaties.
Het valt de commissie op hoe groot de onbekendheid met de diverse regelingen uit de
Erfgoedwet is, in het bijzonder de reikwijdte en de (on)mogelijkheden van die regelingen. Deze
onbekendheid met de regelingen en het ontbreken van de vereiste expertise zijn ook bij de
betrokken overheidsorganisaties aan de orde. De informatie op de websites van het ministerie
van OCW, de RCE, de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed en de Belastingdienst (Douane)
over de Erfgoedwet is summier en slecht vindbaar.
Knelpunt 11
Het is onvoldoende kenbaar welke (mogelijk) belangwekkende cultuurgoederen uit Nederland
dreigen te verdwijnen, als gevolg waarvan de samenleving geen reële kans heeft om
belangwekkend cultuurgoed voor Nederland te behouden.
De mening wordt breed gedragen dat belangwekkende cultuurgoederen bij voorkeur voor
Nederland worden behouden. Toch wordt over voorgenomen verplaatsingen naar het buitenland
maar beperkt gecommuniceerd. Alleen als een aangewezen cultuurgoed uit Nederland dreigt te
verdwijnen en de minister daartegen bedenkingen heeft, worden deze bedenkingen in de
Staatscourant gepubliceerd om anderen dan de Staat de gelegenheid te geven hun interesse in
aankoop van dat cultuurgoed te uiten. Ook wordt in de Staatscourant (en in de
‘Afstotingsdatabase’ van de Stichting Museum Register) een eventueel voornemen gepubliceerd
van de Staat, een provincie of een gemeente om een cultuurgoed in zijn of haar eigendom
te vervreemden.
                                                                                                 12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Verder kennen de regelingen geen kenbaarheidsvereiste. Dat betekent dat niemand ervan op de
hoogte kan zijn dat bijvoorbeeld een exportvergunning wordt aangevraagd, verleend of
geweigerd, dat een ander publiekrechtelijke rechtspersoon dan genoemde overheden
voornemens is een (belangwekkend) cultuurgoed te vervreemden aan het buitenland, of dat een
openbare collectie in publiek of privaat eigendom uit Nederland dreigt te verdwijnen.
Aanbevelingen
Op basis van voorgaande analyse doet de commissie de volgende tien aanbevelingen.
Zij adviseert de eerste drie aanbevelingen op korte termijn op te volgen; aanbevelingen 4 tot en
met 10 betreffen de middellange en langere termijn.
Aanbeveling 1
Ontwikkel een visie op de dynamische Collectie Nederland.
De commissie adviseert de minister een integrale visie te (laten) ontwikkelen op erfgoed in het
algemeen en op de dynamische Collectie Nederland in het bijzonder. Hiervoor is de vraag
cruciaal wat we in Nederland willen hebben en houden en wat er ontbreekt. De commissie vraagt
in dit verband in het bijzonder aandacht voor (de bescherming van) moderne/hedendaagse
kunst en voor cultuurgoederen die hedendaagse ontwikkelingen als globalisering,
multiculturaliteit, diversiteit en digitalisering vertegenwoordigen, alsmede voor erfgoed van
regionaal en lokaal belang. Dit leidt er ook toe dat de overheid het register voortdurend zal
moeten actualiseren.
Aanbeveling 2
Benoem een onafhankelijke, vaste deskundigencommissie met de taak het cultuurgoed in
Nederland verder te inventariseren en te actualiseren, hierover aan de minister te adviseren en
hierover met het bredere netwerk van betrokkenen te communiceren.
Het is onmogelijk een visie als hierboven omschreven te ontwikkelen zonder onafhankelijke
deskundigen. De commissie acht het (opnieuw) instellen van een onafhankelijke en vaste
deskundigencommissie daarom noodzakelijk voor het ontwikkelen van deze visie. Deze
commissie dient daarnaast te zorgen voor een effectiever bescherming van het cultureel erfgoed
en voor een betere relatie tussen overheid, de museale sector en (particuliere) eigenaren van
cultuurgoederen. Deze commissie kan bijvoorbeeld worden ondergebracht bij
de Raad voor Cultuur.
Aanbeveling 3
Stel in nauwe samenspraak met de nieuwe deskundigencommissie nieuwe beleidsregels op die
leiden tot meer rechtszekerheid voor betrokkenen en tot een minder
terughoudend aanwijzingsbeleid.
Een belangrijk knelpunt bij de huidige implementatie en toepassing van de Erfgoedwet is de
onduidelijkheid over een aantal zaken met betrekking tot de aanwijzingsregeling. Deze
onduidelijkheden kunnen volgens de commissie eenvoudig worden weggenomen in nieuw op te
stellen beleidsregels. De commissie adviseert de minister om deze beleidsregels in nauwe
samenspraak met de in te stellen deskundigencommissie tot stand te brengen.
In de nieuwe beleidsregels moeten in elk geval de volgende onderwerpen aan de orde komen:
– Verduidelijking van de verhouding tussen de verschillende regelingen in de Erfgoedwet, in
    het bijzonder ten aanzien van de aanwijzingsregeling en de wijze waarop die zich verhoudt tot
    de andere regelingen in de Erfgoedwet (aanbeveling 3.1).
                                                                                                  13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>– Verduidelijking over de vraag of de aanwijzingsregeling alleen voor ‘particulier bezit’ geldt of
    ook voor publiek bezit (aanbeveling 3.2), inclusief een definiëring van ‘particulier bezit’.
– Nadere invulling van de aanwijzingscriteria met inachtneming van de huidige tijdsgeest
    (aanbeveling 3.3).
– Een minder terughoudend aanwijzingsbeleid en voor particuliere eigenaren van een
    aangewezen cultuurgoed of verzameling een passende tegenprestatie op maat
    (aanbeveling 3.4).
Aanbeveling 4
Bied de particuliere eigenaar van een aangewezen cultuurgoed of verzameling een tegenprestatie
op maat.
Tegenover een actiever, meer betrokken aanwijzingsbeleid moet volgens de commissie staan dat
de eigenaar van een aangewezen cultuurgoed of verzameling zoveel mogelijk wordt ontlast en de
inbreuk op zijn eigendom zoveel mogelijk wordt verzacht. Te denken valt aan een
overheidsbijdrage aan de beveiliging en verzekering van het cultuurgoed of een gunstige
toepassing van de fiscale kwijtscheldingsregeling op grond van de Successiewet.
Aanbeveling 5
Vergroot de kenbaarheid over de regelingen uit de Erfgoedwet en het nieuw op te stellen beleid
door middel van aangescherpte, duidelijke voorlichting.
De Rijksoverheid dient volledige en gedetailleerde informatie over de diverse regelingen uit de
Erfgoedwet en in het bijzonder de aanwijzingsregeling online en offline beschikbaar te stellen.
Enkel publicatie in de Staatscourant volstaat hiervoor niet.
Aanbeveling 6
Neem in de wet een bekendmakingsregeling op om betrokkenen op de hoogte te stellen wanneer
belangwekkende cultuurgoederen uit Nederland dreigen te verdwijnen, en verleng de termijn
waarop potentiële kopers zich kunnen melden bij de minister.
De wetgever wil meer en vaker een beroep doen op het museale veld en het particulier initiatief
om cultuurgoederen voor Nederland te behouden. Zij moeten dan wel kunnen weten dat
belangwekkend cultuurgoed uit Nederland dreigt te verdwijnen, en er moet voldoende tijd
bestaan om aan dit particulier initiatief uitvoering te kunnen geven. De commissie adviseert een
bekendmakingsregeling op te nemen die voor alle regelingen van de Erfgoedwet geldt.
De commissie vindt daarnaast de huidige wettelijke termijn waarbinnen potentiële kopers zich
bij de minister kunnen melden (zes weken) te krap. Zij adviseert een wetswijziging op dit
onderdeel voor die gevallen waarin partijen niet vrijwillig willen meewerken aan verlenging van
de termijn. Daarnaast adviseert de commissie de minister te onderzoeken of binnen de huidige
wetgeving een nieuwe fiscaliteit kan worden ontwikkeld ter bevordering van dit particulier
initiatief. Deze zou ten dele tegemoet kunnen komen aan het gebrek aan financiële middelen die
een van de redenen vormt voor het terughoudend aanwijzingsbeleid.
                                                                                                   14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Aanbeveling 7
Ontwikkel een model of protocol om de (internationale) marktwaarde van een cultuurgoed of
verzameling te bepalen bij een aanbod tot koop door de Staat.
Dit model of protocol dient te worden opgesteld in samenspraak met deskundigen en dient in de
basis een aantal richtlijnen te bevatten op grond waarvan een prijs kan worden vastgesteld.
Het moet in het bijzonder aandacht hebben voor het internationale aspect van de kunsthandel en
de waardebepaling daarbinnen.
Aanbeveling 8
Waarborg, liefst bij wet, dat er altijd voldoende overheidsmiddelen aanwezig zijn in het
Nationaal Aankoopfonds, voor eventuele aankoop van (beschermde) cultuurgoederen en
verzamelingen die uit Nederland dreigen te verdwijnen.
De commissie adviseert het Nationaal Aankoopfonds te voorzien van een wettelijke grondslag en
een minimumbedrag vast te leggen dat in het fonds beschikbaar moet zijn voor de aankoop van
(beschermde) cultuurgoederen en verzamelingen. Daarmee samenhangend adviseert de
commissie een regeling te ontwerpen die voorziet in een structurele toekenning van middelen
aan het fonds.
Aanbeveling 9
Voeg aan het College van Rijksadviseurs een Rijksadviseur toe.
Het College van Rijksadviseurs bestaat momenteel uit de Rijksbouwmeester (architectuur) en
twee Rijksadviseurs voor de fysieke leefomgeving. De Rijksadviseur voor cultureel erfgoed werd
de laatste jaren niet herbenoemd. De commissie adviseert de minister om in overleg te gaan met
het College van Rijksadviseurs om een Rijksadviseur toe te voegen, die zich in elk geval ook richt
op het roerend erfgoed. Met deze extra functie kan het College van Rijksadviseurs het roerend
erfgoed in de fysieke leefomgeving beter waarderen dan nu het geval is. De aan te stellen
Rijksadviseur dient in nauw contact te staan met de nieuwe deskundigencommissie.
Aanbeveling 10
Er moet een jaarlijkse informatieplicht aan de Tweede Kamer komen over de toepassing van de
regelingen uit de Erfgoedwet, door middel van een jaarverslag gekoppeld aan
de begrotingsbehandeling.
De commissie adviseert de minister om jaarlijks de Tweede Kamer te informeren over de
toepassing van de Erfgoedwet in de praktijk. Een ‘jaarverslag Erfgoedwet (roerend goed)’,
desgewenst met daaraan toegevoegd de rijksmonumenten en archeologische vondsten, is volgens
de commissie hiervoor een geschikt (openbaar) instrument.
                                                                                                   15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Conclusie
De commissie concludeert dat er in de kern voldoende wettelijke regels zijn om particulier
erfgoed te kunnen beschermen. In de praktijk echter is er aanwijsbaar onvoldoende aandacht
voor de implementatie van het bestaande instrumentarium. Daarmee schiet de daadwerkelijke
bescherming van belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen in Nederland tekort.
De commissie acht de tijd rijp voor een betrokken beleid. Dit sluit ook aan bij actuele discussies
in de Nederlandse samenleving, zoals het discours rond onze geschiedenis en onze identiteit.
De Collectie Nederland is niet ‘af’ en kan per definitie niet af zijn. Er komen telkens nieuwe
cultuurgoederen en verzamelingen tot stand, en daarbij is onze geschiedenis voortdurend
onderhevig aan herijking en herwaardering. Een verzameling cultuurgoederen is nooit statisch,
zij is dynamisch en reflecteert de samenleving die haar voortbrengt – en zij doet dat op elk
moment, vroeger, vandaag en in de verre toekomst.
De commissie kritiseert in haar advies de opvatting van de minister dat de Collectie Nederland
‘af’ zou zijn, en haar daaruit voortvloeiende terughoudende aanwijzingsbeleid. Er ontbreekt een
gefundeerd beeld van wat we in Nederland aan cultuurgoed hebben en niet (meer) hebben, mede
omdat er geen onafhankelijke deskundigencommissie meer is om de minister en het veld te
adviseren bij de uitvoering van de wet. Al deze factoren steken spaken in de wielen van de
Erfgoedwet. Meer kennisdeling, expertise en transparantie en een scherper vizier op de collectie
zijn nodig om de bescherming van cultuurgoederen in de toekomst beter te garanderen.
                                                                                                   16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Dit advies gaat niet over de vraag of de verkoop van de tekening van Rubens in januari 2019, die
de aanleiding vormde voor dit gevraagde advies, voorkomen had moeten worden. Dat was ook
overigens niet de opdracht van de commissie. Wel geeft het een antwoord op de vraag hoe de
commotie rond dergelijke situaties in de toekomst voorkomen kan worden. De commotie
ontstond doordat er zo veel vragen werden opgeworpen waar geen duidelijk antwoord op te
geven was, omdat niemand kon teruggrijpen op een helder gevoerd beleid op basis van
de Erfgoedwet.
Als de aanbevelingen in dit advies worden overgenomen, kan bij een volgende situatie worden
gehandeld volgens een algemeen gekend beleid, waarin iedereen kan volgen hoe besluiten tot
stand komen. Het oordeel of een cultuurgoed beschermwaardig is, zal tot stand komen op basis
van kennis, expertise en ervaring. Er zal een duidelijk beeld bestaan van wat we in Nederland
hebben aan cultuurgoederen en verzamelingen en in welke mate dit al voldoende beschermd is,
of aanwijzing verdient. Een dergelijk transparant proces, waarbij alle relevante partijen worden
betrokken en weten waar ze aan toe zijn, zal de gemoederen minder hoog doen oplopen.
En belangrijker nog: het garandeert dat goede beslissingen worden genomen op de juiste
momenten. Van een papieren wet wordt de Erfgoedwet zo een bruikbaar instrument.
Het opvolgen van dit advies zal een verschil maken in de relatie tussen de Rijksoverheid en
particuliere eigenaren, en in de verhouding tussen particulier en publiek bezit. De relatie van de
overheid met particuliere eigenaren zal meer wederkerig worden. En eigenaren van
cultuurgoederen en verzamelingen, publiek of particulier, zullen zich dankzij dit beleid gesterkt
weten in het doel waarvoor zij zich inzetten: de zorg voor de grote veelzijdigheid van
het Nederlands erfgoed.
                                                                                                   17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>           Bescherming Cultuurgoederen / Inleiding / 1. Inleiding
           1. Inleiding
Aanleiding
Wanneer komt een cultuurgoed of een erfgoedverzameling in Nederlands bezit in aanmerking
voor bescherming door de overheid? Hoe gaan we om met cultuurgoederen die reeds beschermd
zijn, en hoe komt de keuze wat te beschermen tot stand? Hoe is die bescherming geregeld?
Door wie? En stel, er komt iets op de markt dat wellicht beschermd zou moeten worden, welke
wegen staan daar dan voor open (en welk effect heeft het vrije verkeer van goederen in Europa
daarop)? Worden beschermwaardige cultuurgoederen of verzamelingen alleen aangewezen als
zij in particulier bezit zijn? Wat wordt eigenlijk precies onder ‘particulier’ verstaan: vallen daar
bijvoorbeeld ook stichtingen onder? Een particuliere eigenaar die wil weten of een cultuurgoed
of verzameling in aanmerking komt voor bescherming, waar kan hij met zijn vragen terecht?
En wat zijn voor een eigenaar eigenlijk de consequenties van zo’n aanwijzing?
Veel van deze vragen kwamen op naar aanleiding van de verkoop van een tekening van
Peter Paul Rubens uit Nederlands bezit op de veiling van Sotheby’s in New York in januari 2019.
En antwoorden bleken niet duidelijk te geven. De ophef die naar aanleiding van deze
onduidelijkheid ontstond, deed niemand goed. Die ophef was dan ook de aanleiding voor de
minister van OCW om de Raad voor Cultuur om een advies te vragen over de wijze waarop
particulier bezit in Nederland onder de Erfgoedwet is beschermd.
Andries Grill, schaal, 1649, Amsterdam
(dossiernummer register 214, aangewezen in 1986, in langdurige bruikleen aan Rijksmuseum Amsterdam)
Door de bepalingen in het testament van Agneta Deutz werd voorkomen dat het zilveren ensemble in het ‘Deutzenhofje’
niet in de smeltkroes verdween. De kan en schaal zijn al sinds 1925 in bruikleen bij het Rijksmuseum.
                                                                                                                    18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>De adviesvraag
Sinds 1 juli 2016 geldt in Nederland de Erfgoedwet. [ 1 ] Deze wet beoogt bescherming te bieden
aan het vele en belangwekkende cultureel erfgoed dat Nederland rijk is.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft per brief van 19 februari 2019
de Raad voor Cultuur gevraagd een onafhankelijke adviescommissie ‘bescherming
cultuurgoederen’ in te stellen om zich te buigen over de vraag ‘of de huidige wettelijke regelingen
en daarop gebaseerde beleidsregels adequaat zijn om belangwekkend erfgoed in particulier bezit
voor Nederland te kunnen behouden’ en om, voor zover daar naar haar oordeel aanleiding toe
bestaat, voorstellen te doen tot aanpassing van deze regelingen. [ 2 ]
De minister vroeg de commissie bij de beantwoording van die vraag een aantal zaken in
ogenschouw te nemen:
– de huidige wettelijke aanwijzingscriteria;
– de samenloop van publiekrechtelijke bescherming en het privaatrechtelijk eigendom bij
    cultuurgoederen in particulier bezit;
– de huidige beleidslijn om slechts in spoedgevallen tot aanwijzing over te gaan;
– de consistentie en volledigheid van de huidige lijst; [ 3 ]
– de mogelijkheden die de exportvergunningen in dezen bieden;
– voorbeelden van beschermingsregimes in andere Europese landen;
– de mogelijkheden voor culturele instellingen om middelen te verwerven voor aankoop
    van beschermd erfgoed.
Alexander Pechtold is benoemd tot voorzitter van de commissie. Commissieleden zijn
Tom Barkhuysen, Fusien Bijl de Vroe, Sabine Gimbrère en, namens de Raad voor Cultuur,
Lennart Booij. Secretaris van de commissie is Rebecca Roskam. Korte biografieën van voorzitter
en commissieleden zijn als bijlage opgenomen bij dit advies. Machteld Claessens heeft de
commissie bijgestaan met juridische expertise en redactie.
Coenraed van Norenberch, oksaal van de Sint Janskathedraal ’s-Hertogenbosch, 1600 – 1613,
Victoria & Albert Museum, Londen
Hoe een Nederlands renaissance-meesterwerk in het Victoria & Albert Museum terechtkwam
Coenraad van Norenborch kreeg in 1610 de opdracht om een koorafsluiting (oksaal) te realiseren. Het oksaal is een
ongekend Nederlandse uitdrukking van de contrareformatie en is tegelijkertijd een van de belangrijkste hoogtepunten
van de renaissance in Nederland. Het werd ongemoeid gelaten nadat de kerk in protestantse handen overging.
                                                                                                                    19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>In 1860 werd gestart met een restauratie, waarbij architect P.J.H. Cuypers was betrokken. Besloten werd om de kerk
terug te brengen naar de gotische stijl. Het oksaal vormde daarin een te grote stijlbreuk. Het slopen ervan kostte
2.000 gulden en het oksaal werd in de kranten aangeboden als sloopmateriaal. Een Engelse handelaar kocht het voor
1.200 gulden en verkocht het direct voor 900 Britse pond door aan het Victoria & Albert Museum in Londen.
In zijn artikel ‘Holland op zijn smalst’ (De Gids, 1873) behandelde Victor de Stuers dit topstuk uitvoerig. Hij schreef over
zijn bezoek aan het museum: ‘Ik kon bijna niet gelooven, dat hetgeen ik zag in werkelijkheid voor mij stond, en toen een
opzichter naar mij toetrad, en mij een catalogus (kosteloos nog wel) aanbood, waarin ik een beschrijving kon vinden van
het “most magniﬁcent Dutch monument”, gevoelde ik mij diep vernederd, en was ik angstig dat men mij vragen zou of
ik Nederlander was.’
Een brede opvatting van de adviesvraag
De minister vraagt de commissie om een advies over de bescherming van cultuurgoederen in
‘particulier bezit’. De commissie vat de adviesvraag breder op. Zij meent namelijk dat
cultuurgoederen en erfgoedverzamelingen in particulier bezit niet op zichzelf zijn te beschouwen,
maar enkel in relatie kunnen worden gezien tot cultuurgoederen in publiek bezit.
De minister geeft de commissie ook de ruimte voor deze brede opvatting van de adviesvraag. In
de Tweede Kamer heeft zij te kennen gegeven tevens geïnteresseerd te zijn in een onderzoek naar
de bescherming van cultuurgoederen in publiek bezit. [ 4 ]
In het vervolg van dit advies licht de commissie toe wat zij precies verstaat onder de begrippen
particulier en publiek bezit. Om verwarring rond begrippen en definities te voorkomen, hanteert
de commissie in dit advies voor het overige de begrippen zoals die ook in de Erfgoedwet
zijn opgenomen.
Het onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de regelingen uit de Erfgoedwet inzake
(beschermde) cultuurgoederen en verzamelingen. De Erfgoedwet bevat daarnaast regels voor de
bescherming van andere vormen van cultureel erfgoed, namelijk rijksmonumenten en
archeologische vondsten. Op deze andere (eveneens belangrijke) onderdelen van het
omvangrijke cultureel erfgoed in Nederland heeft dit advies geen betrekking. De Erfgoedwet
bevat ook regels voor ensembles. Een ensemble is een combinatie van een rijksmonument met
een interieur. Dit interieur kan ook belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen
omvatten, zodat op die kunst diverse regelingen uit de wet van toepassing kunnen zijn.
Deze complexiteit behoeft bijzondere aandacht, die de commissie vanwege het korte tijdsbestek
van haar onderzoek niet heeft kunnen bieden. Daarom adviseert zij om bij de evaluatie van de
gehele Erfgoedwet dit vraagstuk integraal te bekijken.
Onderzoeksmethoden
Het voorliggende advies berust op drie pijlers van onderzoek:
Juridische analyse
Bestudering van de Erfgoedwet en bijbehorende lagere (beleids)regelgeving, een en ander tevens
bezien in historisch en internationaal perspectief. Ten behoeve van dit onderzoek heeft de
commissie de volgende (juridische) bronnen bestudeerd: wet- en (beleids)regelgeving,
parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en (rechtswetenschappelijke) literatuur.
Praktijkonderzoek
Een onderzoek naar de toepassing van het juridisch kader in de praktijk. Ten behoeve hiervan
heeft de commissie een groot aantal betrokkenen geïnterviewd over het functioneren van de
Erfgoedwet in de praktijk en over hun suggesties tot verbetering. [ 5 ]
Bureauonderzoek
De commissie heeft eigen bureauonderzoek verricht op basis van beschikbare openbare bronnen,
waaronder informatie over soortgelijke regelingen in de ons omringende landen.
                                                                                                                             20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode maart-september 2019.
Opbouw van het advies
Het advies bestaat uit een analyserend gedeelte (hoofdstukken ‘Juridische’ en ‘Praktijk analyse’)
en een adviserend gedeelte (hoofdstuk ‘Aanbevelingen’), gevolgd door een ‘slotwoord’.
Hoofdstuk ‘Juridische analyse’ bevat de belangrijkste constateringen van de juridische analyse
die de commissie heeft verricht. Hier staat dus het ‘papieren systeem’ van regels ter bescherming
van cultuurgoederen centraal.
Hoe dit systeem in de praktijk werkt, komt aan bod in hoofdstuk ‘Praktijk analyse’. Hierin
belicht de commissie op basis van haar interviews en bureauonderzoek een aantal knelpunten
rond de omgang met het register van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen, en met de
veel bredere collectie cultuurgoederen in publiek en particulier bezit (‘Collectie Nederland’).
Beide analyses monden uit in een aantal aanbevelingen voor een effectiever systeem van
bescherming in hoofdstuk ‘Aanbevelingen’). In het ‘slotwoord’ presenteert de commissie haar
algemene conclusie op basis van de adviesvraag van de minister.
  1
Stb. 2015, 511.
  2
Brief d.d. 19 februari 2019, kenmerk 1484151 (Bijlage bij Kamerstukken II
2018/19, 32820, nr. 283).
  3
Met deze lijst doelt de minister op het register waarin beschermde
cultuurgoederen en verzamelingen staan vermeld. In het vervolg van dit advies
gebruikt de commissie hiervoor de term ‘register’.
  4
Kamerstukken II 2018/19, 32820, nr. 300, p. 37: ‘De commissie heeft van mij
een brede opdracht gekregen om te kijken naar de wijze waarop wij kunstwerken
in Nederland die wij van nationale betekenis vinden, in publiek dan wel in
particulier bezit, kunnen beschermen. (…).’
  5
Een lijst van ‘gesprekspartners’ is opgenomen als bijlage.
                                                                                                  21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>          Bescherming Cultuurgoederen / Juridische analyse / 2. Juridische analyse van de Erfgoedwet
          2. Juridische analyse van de Erfgoedwet
In dit hoofdstuk deelt de commissie op basis van een juridische analyse van de Erfgoedwet de
vijf belangrijkste constateringen die leiden tot haar advies. [ 1 ]
Inleiding
Cultureel erfgoed is een breed begrip. De Erfgoedwet bevat regels over de omgang met vier
vormen van cultureel erfgoed in Nederland: cultuurgoederen en verzamelingen (kunst),
rijksmonumenten, ensembles (combinaties van rijksmonumenten en kunst) en archeologische
vondsten (overigens kan zo’n archeologische vondst ook een cultuurgoed zijn). [ 2 ] De
voorliggende adviesvraag heeft betrekking op de toepassing en het functioneren van de regels
over cultuurgoederen en verzamelingen. Andere delen van de Erfgoedwet laat de commissie in
dit advies daarom buiten beschouwing.
Om de adviesvraag van de minister te beantwoorden, heeft de commissie allereerst de regelingen
uit de Erfgoedwet bestudeerd en bekeken hoe deze worden geïnterpreteerd en geïmplementeerd.
Daarvoor heeft zij gebruikgemaakt van de Erfgoedwet zelf en van andere juridische bronnen: de
parlementaire behandeling, de historische context van de Erfgoedwet en de jurisprudentie.
Zij heeft een juridische analyse gemaakt van de Erfgoedwet en de bijbehorende (beleids)regels.
Maximiliaan van der Gught, wandtapijten, 1642, Bartholomeus Gasthuis, Utrecht
(dossiernummer register 43, aangewezen in 1985)
In de regentenkamer van het Bartholomeus Gasthuis, dat nog steeds een instelling voor ouderenzorg is, hangen vier
wandtapijten. Dit zijn de belangrijkste en vroegst bewaard gebleven exemplaren van het atelier van Maximiliaan
van der Gught, die van ontstaan tot op heden op de oorspronkelijke plaats bewaard zijn gebleven. De wandtapijten
worden gerestaureerd met een bijdrage uit het Fonds voor Beschermd Cultuurgoed van het Mondriaan Fonds.
De commissie heeft daarbij ook bekeken hoe de regels luidden vóór de Erfgoedwet. Dit laatste is
in het bijzonder van belang, omdat de wetgever met deze wet geen grote wijziging heeft beoogd
van de eerder geldende regels op grond van de Wet tot behoud van cultuurbezit (Wbc). Deze wet
had tot doel te voorkomen dat voorwerpen van bijzondere cultuurhistorische of
                                                                                                                  22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>wetenschappelijke betekenis voor het Nederlands cultuurbezit verloren zouden gaan. Deze
doelstelling werd met de Erfgoedwet gecontinueerd.
    Historie: vóór de Erfgoedwet
    De Wbc trad in 1985 in werking en werd eind jaren negentig van de vorige eeuw uitvoerig
    geëvalueerd door de daartoe ingestelde adviescommissie Wet tot behoud van cultuurbezit
    (hierna: de evaluatiecommissie). Deze commissie concludeerde dat de Wbc in het algemeen
    naar tevredenheid functioneerde, maar adviseerde in de uitvoering van de wet enige
    verbeteringen aan te brengen. Een aantal van haar aanbevelingen leidde tot aanpassing
    van de Wbc.
    Overigens bestonden er vóór de Wbc ook al (beperkte) regels met als doel belangwekkende
    kunst voor Nederland te behouden, op grond van het naoorlogs ingevoerde Deviezenbesluit
    en de bijbehorende Deviezenbeschikking. In dit Deviezenbesluit werd geregeld dat de in- en
    uitvoer van kunstvoorwerpen uitsluitend was toegestaan nadat, kort gezegd, daarvoor een
    vergunning was afgegeven. Deze regeling werd later gespecificeerd in de
    Deviezenbeschikking. Het Deviezenbesluit was in Nederland de eerste concrete
    overheidsregeling tot bescherming van roerend cultureel erfgoed, na een lange periode
    waarin er nauwelijks overheidsaandacht voor dit onderwerp bestond. Omslagpunt in het
    denken was de publicatie ‘Holland op zijn smalst’ van Victor de Stuers in 1873, waarin het
    gebrek aan betrokkenheid van de Staat bij de bescherming van cultureel erfgoed en de
    gevolgen daarvan aan de kaak werd gesteld. Uiteindelijk duurde het dus nog tot (ruim) na de
    Tweede Wereldoorlog voordat er met het Deviezenbesluit enige overheidsregels kwamen ter
    bescherming van cultuurgoederen.
De commissie presenteert in dit hoofdstuk haar belangrijkste vijf constateringen op basis van
een juridische analyse van de Erfgoedwet:
1.  De Erfgoedwet bevat een scala aan potentiële waarborgen voor de bescherming van
    cultuurgoederen en verzamelingen.
2.  De Erfgoedwet kent echter geen expliciete regeling voor cultuurgoederen ‘in particulier bezit’.
3.  In de Erfgoedwet staat niet omschreven wat wordt bedoeld met ‘particulier bezit’.
4.  De aanwijzingsregeling is cruciaal voor de bescherming van cultuurgoederen
    in particulier bezit.
5.  De beschermende functie van de aanwijzingsregeling komt onvoldoende tot haar recht (en
    kan onvoldoende tot haar recht komen), om vier samenhangende redenen.
Hieronder volgt een toelichting op deze constateringen.
De belangrijkste vijf constateringen
Constatering 1
De Erfgoedwet bevat een scala aan potentiële waarborgen voor de bescherming van
cultuurgoederen en verzamelingen.
De Erfgoedwet bevat elf regelingen die van toepassing zijn op cultuurgoederen en
verzamelingen. De commissie constateert dat de vraag welke regeling van toepassing is,
afhankelijk is van de betekenis van het cultuurgoed, de locatie waar het cultuurgoed zich bevindt,
de herkomst van het cultuurgoed (dus hoe het op zijn locatie of bij zijn eigenaar is gekomen),
en/of van de vraag in wiens eigendom het cultuurgoed is.
                                                                                                    23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Hieronder volgt een (juridische) uitleg van de elf regelingen. Bij elke regeling wordt vermeld
welk criterium (betekenis, locatie, herkomst of eigendom) leidend is of welke criteria leidend zijn
voor de vraag wanneer die desbetreffende regeling wel of niet van toepassing is. Dit overzicht
laat zien dat op één cultuurgoed meerdere regelingen uit de Erfgoedwet van toepassing
kunnen zijn.
 1. De regeling tot aanwijzing als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling
    (de ‘aanwijzingsregeling’)
De minister van OCW heeft de bevoegdheid om cultuurgoederen, verzamelingen en ensembles
die aan bepaalde criteria voldoen aan te wijzen als ‘beschermd’ (over deze criteria later in dit
advies meer). De minister heeft ervoor gekozen om een cultuurgoed of verzameling alleen aan te
wijzen als dit belangwekkende cultuurgoed of die belangwekkende verzameling op het punt staat
Nederland te verlaten.
Alle aangewezen cultuurgoederen en verzamelingen staan vermeld in een ‘register beschermde
cultuurgoederen en beschermde verzamelingen’ (hierna: het register). Dit register is online
raadpleegbaar en voor eenieder toegankelijk.
Het belangrijkste gevolg van de aanwijzing is dat elk voornemen om het aangewezen cultuurgoed
of verzameling op enige wijze te vervreemden of te verplaatsen eerst bij de Inspectie
Overheidsinformatie en Erfgoed moet worden gemeld. [ 3 ]
Als het voornemen bestaat om het aangewezen cultuurgoed of de verzameling buiten Nederland
te brengen, dan moet daarmee in elk geval nog zes weken tot na de melding worden gewacht.
Deze ‘wachttijd’ geeft de minister van OCW de gelegenheid eventuele bedenkingen te uiten tegen
de uitvoer wanneer het gevaar bestaat dat het beschermd cultuurgoed voor het Nederlandse
cultuurbezit verloren gaat.
Indien de minister bedenkingen uit, dan is uitvoer van het cultuurgoed buiten Nederland
verboden. (Zijn er geen bedenkingen, dan is uitvoer voor een bepaalde periode toegestaan.)
De bedenkingen gelden ultimo als een aanbod van de Staat tot koop van het cultuurgoed. Eerst is
er echter weer een (nieuwe) periode van zes weken, waarin aan anderen dan de Staat
gelegenheid wordt geboden om het cultuurgoed te kopen (de ‘meldtijd’). Hiermee wil de
wetgever het particulier initiatief stimuleren.
Om de mogelijkheid tot aankoop kenbaar te maken, publiceert de minister zijn bedenkingen in
de Staatscourant. Zijn er geen potentiële kopers of leiden die niet tot (ver)koop, dan starten
tussen de Staat en de eigenaar van het cultuurgoed de (prijs)onderhandelingen. Zo nodig kan de
rechtbank Den Haag worden gevraagd de koopprijs vast te stellen; de rechtbank kan hiervoor
ook deskundigen aanwijzen. De minister heeft tot kort daarna de gelegenheid het aanbod tot
koop in te trekken. In dat geval is uitvoer van het beschermde cultuurgoed alsnog toegestaan.
De eigenaar heeft ook tot kort na vaststelling van de (rechterlijke) koopprijs de mogelijkheid om
het cultuurgoed toch in Nederland te behouden en dus niet over te gaan tot verkoop van het
cultuurgoed aan de Staat.
Bepalend voor toepassing van deze regeling zijn de betekenis van het cultuurgoed (want er wordt
voldaan aan de aanwijzingscriteria) en de locatie ervan.
                                                                                                    24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Piet Mondriaan, ‘Ruitvormige compositie met twee lijnen’, 1931,
(Photo Courtesy: Stedelijk Museum Amsterdam)
 2. De regeling voor cultuurgoederen in bezit van overheden (of andere publiekrechtelijke
     rechtspersonen)
Als de Staat, een provincie of een gemeente een cultuurgoed uit zijn of haar eigendom wil
vervreemden, dient dit te worden bekendgemaakt. Deze bekendmakingsplicht geldt niet voor
andere publiekrechtelijke rechtspersonen dan de genoemde drie overheden (te denken valt aan
waterschappen en een aantal universiteiten).
Zo nodig dient de Staat, een provincie, een gemeente of (ook) een andere publiekrechtelijke
rechtspersoon een onafhankelijke commissie om advies te vragen over de vraag of een
cultuurgoed onvervangbaar of onmisbaar is. De Toetsingscommissie Beschermwaardigheid van
de Stichting Museumregister is door de minister in een aantal gevallen gevraagd om een advies
uit te brengen. De Erfgoedwet geeft een aantal criteria voor de vraag of vervreemding van het
cultuurgoed in publiek bezit is toegestaan. Als de overheid bij een negatief advies het
cultuurgoed toch wil vervreemden, dient hierover de minister van OCW te worden geïnformeerd.
Deze informatieplicht geeft de minister de mogelijkheid om desgewenst het besluit tot verkoop
van het cultuurgoed te vernietigen of het cultuurgoed alsnog als beschermd aan te wijzen. In het
verleden (voordat de Erfgoedwet in werking trad en deze regeling voor overheden bestond) heeft
de minister een aantal keren gebruikgemaakt van dit recht tot vernietiging van een besluit tot
verkoop van een cultuurgoed door een decentrale overheid. Dat gebeurde bijvoorbeeld in 1987,
toen de gemeenteraad van Hilversum had besloten het schilderij ‘Compositie met twee lijnen’
van Piet Mondriaan te verkopen tegen het hoogste bod. Met de opbrengst zou de gemeentelijke
schouwburg worden gerestaureerd. Het besluit tot verkoop werd echter door de toenmalige
minister Brinkman vernietigd omdat hij dit in strijd achtte met de Wet tot behoud van
                                                                                                 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>cultuurbezit. Daarna werd het schilderij alsnog verkocht aan het Stedelijk Museum te
Amsterdam (dat het tot dan toe in bruikleen had), mede met behulp van particuliere giften,
tegen een veel lager bedrag dan gehoopt door Hilversum.
Bepalend voor toepassing van deze regeling is het eigendom.
 3. De regeling voor openbare collecties in musea, archieven en bibliotheken, die in eigendom
    zijn van de Staat of een ander openbaar lichaam
Deze regeling is van toepassing op zogenaamde ‘openbare collecties’ die staan vermeld op een
inventarislijst van een museum, een archief of een bibliotheek. Voor toepassing van deze regeling
dient de collectie van het museum, het archief of de bibliotheek in eigendom te zijn van de Staat
of een ander openbaar lichaam. De regeling houdt in dat het niet is toegestaan een cultuurgoed
uit zo’n openbare collectie buiten Nederland te brengen zonder toestemming van de eigenaar.
Mocht de eigenaar niet in staat zijn deze toestemming te geven (bijvoorbeeld omdat de eigenaar
onbekend is), dan moet in plaats daarvan de minister van OCW om toestemming worden
gevraagd. Deze regeling is een implementatie van Europese regels over de teruggave van
cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn
gebracht. Als bijvoorbeeld het Gemeentemuseum Den Haag het schilderij ‘Victory Boogie
Woogie’ van Piet Mondriaan naar het buitenland zou willen brengen, heeft het hiervoor
toestemming nodig van de Staat, als eigenaar van dat schilderij.
Bepalend voor toepassing van deze regeling zijn het eigendom en de locatie van het cultuurgoed.
 4. De regeling voor openbare collecties in musea, archieven en bibliotheken, die in eigendom
    zijn van door de minister aangewezen private rechtspersonen, die in overwegende mate
    door de Staat of een andere overheid worden gefinancierd
Deze regeling is vergelijkbaar met de regeling die hiervoor werd toegelicht, met dat verschil dat
het museum, het archief of de bibliotheek in eigendom is van een private rechtspersoon
(bijvoorbeeld een stichting). Deze rechtspersoon dient wel in overwegende mate door de
overheid te worden gesubsidieerd om de regeling van toepassing te kunnen laten zijn. Ook hier
geldt het verbod om een cultuurgoed uit zo’n collectie buiten Nederland te brengen zonder
toestemming van de eigenaar. Mocht de eigenaar niet in staat zijn deze toestemming te geven
(bijvoorbeeld omdat de eigenaar onbekend is), dan moet in plaats daarvan de minister van OCW
om toestemming worden gevraagd. Dit verbod geldt echter alleen als de minister de
desbetreffende openbare collectie waartoe het cultuurgoed behoort voor deze regeling heeft
aangewezen. De commissie is niet bekend met dergelijke aangewezen openbare collecties (ook
niet na navraag te hebben gedaan bij het ministerie). Dat is opmerkelijk, gezien het volgende
citaat uit de wetsgeschiedenis: ‘Het ligt voor de hand dat alle door de Minister van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur gesubsidieerde musea zullen worden aangewezen. Aangewezen
zullen dus – bijvoorbeeld – ook worden de verzelfstandigde rijksmusea die een collectie in
beheer hebben die eigendom is van een privaatrechtelijke rechtspersoon, zoals bij
Het Scheepvaartmuseum het geval is.’ [ 4 ]
Bepalend voor toepassing van deze regeling zijn (naast de aanwijzing) het eigendom en de
locatie van het cultuurgoed.
 5. De regeling voor kerkelijke collecties van cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis
Voor een cultuurgoed dat deel uitmaakt van een kerkelijke collectie en een cultuurhistorische of
wetenschappelijke betekenis heeft, geldt het verbod dit buiten Nederland te brengen zonder
toestemming van de eigenaar. Mocht de eigenaar niet in staat zijn deze toestemming te geven
(bijvoorbeeld omdat de eigenaar onbekend is), dan moet in plaats daarvan de minister van OCW
om toestemming worden gevraagd. Een cultuurgoed behoort tot een kerkelijke collectie als dit
staat vermeld op een inventarislijst van cultuurgoederen (bijvoorbeeld gemaakt door het
                                                                                                  26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>kerkgenootschap) die in eigendom zijn van een kerkgenootschap of een genootschap op
religieuze grondslag.
Bepalend voor toepassing van deze regeling zijn het eigendom, de betekenis van het cultuurgoed
en de locatie van het cultuurgoed.
 6. De regeling voor de Rijkscollectie
Voor een cultuurgoed dat deel uitmaakt van de Rijkscollectie geldt het verbod dit buiten
Nederland te brengen zonder toestemming van de eigenaar, of als hij zich daarover niet kan
verklaren door een vergunning van de minister van OCW. Welke cultuurgoederen behoren tot de
Rijkscollectie (niet te verwarren met de veel bredere Collectie Nederland, waarover later meer) is
vastgelegd in een lijst die door het ministerie van OCW wordt bijgehouden en beheerd. Tot de
Rijkscollectie behoren de cultuurgoederen die aan de zorg van de Staat zijn toevertrouwd.
Bepalend voor toepassing van deze regeling is de locatie van het cultuurgoed.
 7. De regeling voor cultuurgoederen die (tevens) op grond van het UNESCO-verdrag
    zijn beschermd
De aangewezen beschermde cultuurgoederen en de cultuurgoederen die behoren tot een
openbare of een kerkelijke collectie of tot de Rijkscollectie, zijn met deze regeling tevens
beschermd op grond van het mondiale UNESCO-verdrag van 1970 en de Europese
richtlijn 2014/60/EU (samenhangend met Verordening 1024/2012). Voor deze categorieën van
cultuurgoederen gelden ten eerste tevens de regels van het UNESCO-verdrag, die tot doel
hebben het voorkomen van onrechtmatige in- en uitvoer of eigendomsoverdracht en de
teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een
lidstaat zijn gebracht. De Europese richtlijn bevat regels over de teruggave van cultuurgoederen
die op grond van nationale regels niet zonder meer het grondgebied van die lidstaat uit de
Europese Unie hadden mogen verlaten.
Bepalend voor toepassing van deze regeling is de betekenis van het cultuurgoed.
 8. De regeling met betrekking tot het uitvoeren van cultuurgoederen buiten de Europese Unie:
    een exportvergunning
Het is op grond van Verordening 116/2009 van de Europese Unie verboden om cultuurgoederen
die ouder zijn dan een bepaald aantal jaar (bijvoorbeeld schilderijen ouder dan vijftig jaar en niet
meer in het bezit van de maker) en/of meer dan een bepaalde financiële waarde hebben
(bijvoorbeeld 150.000 euro voor schilderijen), zonder vergunning van de minister van OCW
buiten de Europese Unie te voeren. [ 5 ] (vergunningen kunnen ook worden afgegeven door de
autoriteit in een andere EU-lidstaat namens de betreffende verantwoordelijke minister). In de
Uitvoeringsverordening 1081/2012 zijn regels ter uitwerking van deze vergunningplicht
opgenomen.
De exportvergunning moet altijd worden aangevraagd voor cultuurgoederen die aan de criteria
van de Verordening voldoen en waarvan de wens bestaat deze buiten de Europese Unie te
brengen. In Nederland wordt de aanvraag voor zo’n vergunning ingediend bij de Douane of bij
de Belastingdienst of de Centrale Dienst In- en Uitvoer. Op de website van de Belastingdienst
staat vermeld dat de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed de benodigde vergunning
afgeeft. [ 6 ] Uit het ‘Besluit verlenen mandaat aan algemeen directeur Douane inzake uitvoer
cultuurgoederen’ blijkt dat de minister zijn bevoegdheid tot het verlenen of weigeren van een
exportvergunning aan de algemeen directeur van de Douane heeft gemandateerd. [ 7 ] De website
van de Inspectie toont dat een exportvergunning in beginsel binnen twee weken
wordt verleend. [ 8 ]
                                                                                                     27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Bepalend voor toepassing van deze regeling zijn de betekenis (uitgedrukt in ouderdom en/of
waarde) en de locatie van het cultuurgoed.
9. De regeling inzake het verbod cultuurgoederen in Nederland in te voeren wanneer die in
    strijd met de regels van een andere verdragsstaat daaruit zijn verdwenen of overgedragen,
    waaronder door diefstal
Er geldt op grond van de Erfgoedwet een verbod tot het in Nederland brengen van een
cultuurgoed dat in strijd met de regels van een andere verdragsstaat (op grond van het
UNESCO-verdrag) daaruit is verdwenen.
Bepalend voor toepassing van deze regeling zijn de locatie en de herkomst van het cultuurgoed.
10. De regeling inzake het verbod om een cultuurgoed uit bezet gebied binnen Nederland te
    brengen of in Nederland onder zich te houden
De Erfgoedwet kent, eveneens op basis van het UNESCO-verdrag van 1970, een soortgelijke
regeling voor cultuurgoederen die afkomstig zijn uit bezet gebied. [ 9 ] Het is verboden een
dergelijk cultuurgoed Nederland binnen te brengen of in Nederland onder zich te houden.
Bepalend voor toepassing van deze regeling zijn de locatie en de herkomst van het cultuurgoed.
11. De regeling inzake de aanvaardingsplicht van de Staat
De minister van OCW heeft namens de Staat de plicht cultuurgoederen of verzamelingen te
aanvaarden die voldoen aan de aanwijzingscriteria en die om niet en zonder belastende
voorwaarden aan de Staat worden overgedragen. Deze regeling beoogt te voorkomen dat
belangrijk cultuurbezit waarvoor niemand zorgdraagt en dat daarom verweesd dreigt te raken,
verloren gaat. De minister hanteert geen actief beleid om via deze aanvaardingsplicht
cultuurgoederen voor de rijkscollectie te verwerven. Navraag leert de commissie dat deze
regeling tot nu toe nog niet is toegepast.
Bepalend voor toepassing van deze regeling is de betekenis van het cultuurgoed.
    Leidraad Afstoten Museale Objecten
    Het voorgaande houdt een overzicht van wettelijke regelingen in. Naast de Erfgoedwet kent
    de museumsector tevens een eigen ‘Leidraad Afstoten Museale Objecten’ (LAMO) voor
    musea die in het Museumregister zijn geregistreerd. De LAMO bevat een procedure die deze
    musea dienen te volgen als zij ‘objecten’ willen afstoten door herplaatsing bij of buiten een
    ander geregistreerd museum. Het maakt voor de LAMO niet uit of deze musea al dan niet
    eigenaar zijn van het af te stoten object. Is het museum geen eigenaar, dan is volgens de
    LAMO in beginsel toestemming nodig van de eigenaar om het object te mogen afstoten, tenzij
    niet bekend is wie de eigenaar is (en sprake is van bulkafstoting). Deze vorm van
    zelfregulering heeft niet eenzelfde (rechts)kracht als de regelingen uit de Erfgoedwet. Met het
    overtreden van de LAMO handelt een museum bijvoorbeeld niet onrechtmatig of strafbaar;
    er volgen dus geen wettelijke sancties. Wel wordt het museum met het schenden van de eisen
    van het Museumregister uit het Museumregister verwijderd en verliest het zijn lidmaatschap
    van de Museumvereniging.
                                                                                                    28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Mark Rotkho, ‘Grey, Orange on Maroon, No. 8’, 1960, Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam.
De voorgenomen verkoop van Rothko
In 1999 besloot de directie van Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam tot afstoting van een topstuk, het in 1970
verworven schilderij ‘Grey, Orange on Maroon, No. 8’ van Mark Rothko. De directie beschouwde het als ‘een zwerfkei’ in
de collectie. Het museum verkeerde in ﬁnanciële problemen en leed onder een vacaturestop en bevriezing van het
aankoopbudget. Tegelijkertijd lagen er vergaande plannen voor vernieuwing en uitbreiding.
Bij de bekendmaking van het besluit tot verkoop was al bekend dat er een koper was die er acht miljoen gulden voor
over had. De gemeente Rotterdam stond niet onwillend tegenover de verkoop, maar intern stuitte het voornemen op
groot verzet. Ook daarbuiten klonk protest. Er werd gewezen op de LAMO, die later dat jaar zou verschijnen. Uiteindelijk
blokkeerde de wethouder voor cultuur de verkoop.
Constatering 2
De Erfgoedwet kent geen expliciete regeling voor cultuurgoederen ‘in particulier bezit’.
De minister vraagt de commissie in het bijzonder of de huidige regelingen en de daarop
gebaseerde beleidsregels adequaat zijn om belangwekkend erfgoed ‘in particulier bezit’ voor
Nederland te kunnen behouden. Uit de juridische analyse volgt dat in de Erfgoedwet nergens
wordt gesproken van ‘particulier bezit’ of een equivalent ervan. Echter, algemeen wordt
aangenomen dat de aanwijzingsregeling alleen van toepassing zou zijn op cultuurgoederen in
particulier bezit. Deze conclusie kan ook worden getrokken op basis van de wetsgeschiedenis van
de Erfgoedwet en de al oudere wetsgeschiedenis van de Wbc (die ook al de
aanwijzingsregeling kende).
De begrippen ‘particulier bezit’ en ‘privaat bezit’ en de (tegenovergestelde) begrippen
‘overheidsbezit’ en ‘publiek bezit’ zijn niet door de wetgever geduid. Hierdoor bestaat verwarring
over de vraag wat wordt bedoeld met ‘particulier’ of ‘privaat’ versus ‘publiek’. Illustratief is de
wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet, waarin musea de ene keer wel en de andere keer niet tot
het particuliere domein worden gerekend. De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed schrijft
in haar Toezichtskader dat ‘het privaat eigendom (…) kan berusten bij kerken, kloosters,
stichtingen en natuurlijke personen.’ [ 10 ]
                                                                                                                         29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Constatering 3
In de Erfgoedwet staat niet omschreven wat wordt bedoeld met ‘particulier bezit’.
Gelet op het voorgaande acht de commissie het voor een goed begrip van haar advies nodig hier
expliciet te benoemen wat zij verstaat onder ‘particulier bezit’. Zij neemt in dit advies aan dat
met particulier bezit telkens is bedoeld cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn
van privépersonen en privaatrechtelijke rechtspersonen zoals stichtingen. Met andere woorden,
niet de Staat, provincies, gemeenten of andere publiekrechtelijke rechtspersonen maar wel alle
andere denkbare eigenaren hebben cultuurgoederen ‘in particulier bezit’ (eigendom).
De commissie benadrukt dat het belangrijk is in ogenschouw te nemen dat er met betrekking tot
de bescherming van het cultuurgoed relevante verschillen (kunnen) bestaan tussen deze soorten
eigenaren in het particuliere domein. Cultuurgoederen en verzamelingen in het particulier
domein zijn in eigendom van privaatrechtelijke overheidsorganisaties, van commerciële
bedrijven (BV’s en NV’s), van stichtingen met een bredere of meervoudige doelstelling, van
stichtingen die louter als doelstelling het houden en beheren van belangwekkend cultuurgoed
hebben, van private rechtspersonen die mede met overheidsmiddelen worden gefinancierd en
van privéverzamelaars.
Frans Hals, ‘De Regenten van het St. Elisabeth Gasthuis’, 1641, Frans Hals Museum,
met dank aan Elisabeth van Thüringenfonds (foto: Rene Gerritsen)
Johannes Verspronck, ‘De Regentessen van het St. Elisabeth Gasthuis’, 1641, Frans Hals Museum,
met dank aan Elisabeth van Thüringenfonds (foto: Margareta Svensson)
                                                                                                  30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>De regenten en regentessen van het St. Elisabeth Gasthuis
De groepsportretten van de regenten en regentessen van het Sint Elisabeth Gasthuis door Frans Hals en Johannes
Cornelisz Verspronck hingen al ruim een eeuw in bruikleen in het Frans Hals Museum. De eigenaar van de schilderijen,
de Stichting Elisabeth van Thüringenfonds, besloot de schilderijen in 2011 aan dit museum te schenken.
Beide groepsportretten behoorden tot de eerste groep aanwijzingen in 1985. Sinds die tijd werden objecten die
overgingen naar het publieke domein afgevoerd van de Wbc-lijst. Staatssecretaris Halbe Zijlstra wilde de schilderijen
van de lijst schrappen omdat de Wbc zich primair richtte op particulier bezit en omdat er andere mogelijkheden waren tot
bescherming (zoals vernietiging van een besluit door de Kroon). De Raad voor Cultuur werd in deze kwestie om advies
gevraagd. De raad gaf aan dat de bescherming van erfgoed onder spanning staat door het nadrukkelijke stimuleren van
cultureel ondernemerschap en de bezuinigingen in de cultuursector. Hij adviseerde beide schilderijen daarom op de lijst
te handhaven. Dit advies werd echter niet opgevolgd.
Constatering 4
De aanwijzingsregeling is cruciaal voor de bescherming van cultuurgoederen
(in particulier bezit).
Voor negen van de elf regelingen uit de Erfgoedwet geldt dat als aan de wettelijke criteria wordt
voldaan, de regeling van rechtswege van toepassing is op een cultuurgoed. [ 11 ] Cultuurgoederen
in eigendom van privépersonen en van veel private rechtspersonen worden op grond van deze
regelingen niet automatisch in enige mate beschermd. De aanwijzingsregeling is immers pas op
een cultuurgoed of verzameling van toepassing als de minister van OCW dat cultuurgoed of die
verzameling met een schriftelijk besluit heeft ‘aangewezen’.
De wetssystematiek is dus dat de facto alleen de aanwijzingsregeling bescherming kan bieden
aan het behoud van belangwekkende cultuurgoederen in particulier bezit. Deze wetssystematiek
maakt dat de aanwijzingsregeling cruciaal is voor deze categorie van cultuurgoederen. Gelet
daarop is de aanwijzingsregeling volgens de commissie van cruciaal belang voor daadwerkelijke
bescherming van belangrijke cultuurgoederen. Het nut en de noodzaak van de
aanwijzingsregeling mogen daarom niet worden onderschat.
Overigens fungeert de aanwijzingsregeling ook als een vangnet voor cultuurgoederen in publiek
bezit, in een kerkelijke of openbare collectie. Als een cultuurgoed niet op basis van een andere
overheidsregeling de benodigde bescherming geniet, is het namelijk altijd nog mogelijk dat
cultuurgoed aan te wijzen. De Erfgoedwet sluit immers niet uit dat als er al een (andere) regeling
op het desbetreffende cultuurgoed van toepassing is, de aanwijzingsregeling óók kan worden
ingeroepen ter behoud van dat cultuurgoed voor Nederland. Verder sluit de tekst van de
Erfgoedwet niet uit dat een cultuurgoed in publiek bezit (toch) ook als beschermd cultuurgoed
kan worden aangewezen, ondanks dat in het algemeen wordt aangenomen dat deze regeling
alleen geldt voor particulier bezit. Voor cultuurgoederen in publiek bezit, kerkelijke en openbare
collecties kan de aanwijzingsregeling in theorie dus net zo goed als vangnet fungeren, al bestaat
daartoe juridisch gezien minder noodzaak.
Constatering 5
De beschermende functie van de aanwijzingsregeling komt onvoldoende tot haar recht (en kan
onvoldoende tot haar recht komen), om vier samenhangende redenen.
De commissie meent dat de beschermende functie van de aanwijzingsregeling in de praktijk niet
voldoende tot haar recht kan komen en komt, om de volgende vier samenhangende redenen met
betrekking tot de aanwijzingsregeling:
1.   De minister voert een meer dan terughoudend aanwijzingsbeleid.
2.   De aanwijzingsbevoegdheid van de minister is ‘ambtshalve’.
3.   De aanwijzingscriteria en de discretionaire bevoegdheid laten de minister veel ruimte voor
     een eigen beoordeling, hetgeen te meer klemt nu met de Erfgoedwet de Wbc-commissie
     is verdwenen.
                                                                                                                         31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>4.  De Erfgoedwet is volgens de minister niet van toepassing op cultuurgoederen die zich (reeds)
    buiten Nederland bevinden, hetgeen te meer een belangrijke omstandigheid is gelet op het
    vrije verkeer van goederen in de Europese Unie.
Hieronder volgt een toelichting op deze redenen.
Reden 1: De minister voert een meer dan terughoudend aanwijzingsbeleid, mede omdat de
Collectie Nederland als ‘af’ wordt beschouwd.
De minister hanteert onder de Erfgoedwet expliciet een ‘terughoudend aanwijzingsbeleid’; er
geldt een daartoe strekkende beleidsregel. Dit beleid houdt in dat een cultuurgoed of een
verzameling louter ‘in een spoedeisend geval’ als beschermd wordt aangewezen. Met een
spoedeisend geval wordt volgens de minister in ieder geval een situatie bedoeld waarin een
belangrijk cultuurgoed of een belangrijke verzameling op het punt staat uit Nederland te worden
uitgevoerd (voor de EU-buitengrenzen ligt dit anders, waarover hierna meer). In de
wetsgeschiedenis wordt gesproken van een ‘noodgeval’ waarin de minister van zijn
aanwijzingsbevoegdheid gebruik kan maken.
In de wetsgeschiedenis worden grofweg twee redenen genoemd voor het terughoudende
aanwijzingsbeleid van de minister. In de eerste plaats wordt het gebrek aan voldoende financiële
middelen genoemd. Als een beschermd cultuurgoed uit Nederland dreigt te verdwijnen, zal de
Staat namelijk ultimo een bod tot aankoop ervan moeten doen. De middelen die in het mede
daarvoor ingestelde Nationale Aankoopfonds beschikbaar zijn, zijn beperkt (opgemerkt zij wel
dat dit fonds tussen 2018 en 2020 wordt aangevuld).
Als tweede reden wordt genoemd dat de Collectie Nederland al een goede kerncollectie zou zijn
en er geen noodzaak voor nieuwe aanwijzingen bestaat. [ 12] Met andere woorden, de minister ziet
geen inhoudelijke redenen om cultuurgoederen en verzamelingen aan te wijzen en dus te
verzekeren van behoud voor Nederland. Daarbij wordt ook vertrouwd op particulier initiatief; de
commissie komt hierop later in dit advies terug.
Het begrip cultuur is naar het oordeel van de commissie echter niet statisch, maar dynamisch:
opvattingen hierover veranderen per tijd en plaats. Hiermee dient volgens de commissie
rekening te worden gehouden bij het aanwijzen van cultuurgoederen (onder de Wbc nog geduid
als ‘voorwerpen’), ook ten behoeve van toekomstige generaties.
Het terughoudend aanwijzingsbeleid wordt in de praktijk zo mogelijk nog stringenter toegepast,
in die zin dat dit beleid op zich al reden is om niet eens in overweging te nemen of een bepaald
cultuurgoed bescherming zou moeten genieten. Althans, zo leidt de commissie dit af uit de
volgende schriftelijke vraag op 6 februari 2019 van het Tweede Kamerlid Geluk-Poortvliet (CDA)
en het daarop gegeven antwoord op 21 februari 2019 door de minister van OCW (nummer 1681):
– Vraag: ‘Hebt u overwogen de bedoelde tekening alsnog op te nemen in het register van
    beschermde cultuurgoederen en verzamelingen? Zo ja, wat is de reden dat de tekening
    niet is opgenomen?
    Zo nee, waarom niet?’
– Antwoord: ‘Nee. Op dit moment geldt een terughoudend aanwijzingsbeleid.’
Reden 2: De aanwijzingsbevoegdheid van de minister is ‘ambtshalve’.
De tweede reden waarom volgens de commissie de beschermende functie van de
aanwijzingsregeling in de praktijk niet voldoende tot haar recht kan komen en/of komt, vloeit
voort uit de omstandigheid dat de bevoegdheid van de minister tot aanwijzing van een
beschermd cultuurgoed in de Erfgoedwet als ‘ambtshalve’ is aangemerkt. Dat betekent dat er
door derden (zoals organisaties die zich beijveren voor bescherming van cultuurbezit) geen
formele aanvraag tot aanwijzing van een cultuurgoed bij de minister kan worden ingediend,
                                                                                                 32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>althans dat de minister op zo’n aanvraag niet formeel hoeft te besluiten. De minister zal
weliswaar altijd op een dergelijke aanvraag moeten reageren, aangezien hij daartoe uit hoofde
van de Grondwet is verplicht. Maar door het ambtshalve karakter van de
aanwijzingsbevoegdheid is het sinds de inwerkingtreding van de Erfgoedwet niet langer mogelijk
de minister tot een formeel besluit uit te lokken waarover desgewenst bij de bestuursrechter kan
worden geprocedeerd. Het is de ‘gewone burger’ met andere woorden lastig(er) gemaakt om de
minister te overtuigen van het belang een cultuurgoed als beschermd aan te wijzen, omdat de
laagdrempelige bestuursrechtelijke toetsing als stok achter de deur is komen te vervallen.
Overigens kan een eenmaal genomen aanwijzingsbesluit (of de intrekking of wijziging daarvan)
wel altijd aan de bestuursrechter worden voorgelegd, door bijvoorbeeld de eigenaar van het
aangewezen cultuurgoed of een belangenorganisatie.
Laurens Verwey, miniatuur landbouwmodellen, eerste helft negentiende eeuw
(dossiernummer register 185, aangewezen in 1995)
Redengeving Verzameling modellen van landbouwwerktuigen
‘De enig overgebleven materiële getuigenissen van de landbouwkabinetten die in de negentiende eeuw in Nederland
een grote rol hebben gespeeld bij de modernisering van de landbouw. Zij tonen landbouwwerktuigen in een vorm die
soms niet ‘op ware grootte’ meer bestaat. Binnen Nederland zijn de modellen uniek. Zij geven een indruk van de manier
van werken in een modelboerderij van vóór 1850. Belangrijkste onderdeel van de collectie vormt de verzameling van 41
door de timmerman Laurens Verwey in opdracht van F.L.W. Baron Brakell van den Engh vervaardigde
miniatuurmodellen van de werktuigen en gereedschappen die op zijn landgoed ‘De Eng’ gebruikt werden. Van Brakell
(1788 – 1865) heeft op dit landgoed de grondslagen gelegd van de moderne landbouwtechnieken die wij tegenwoordig
cultuurtechnische werken noemen.’
Reden 3: De aanwijzingscriteria en de discretionaire bevoegdheid laten de minister veel ruimte
voor een eigen beoordeling, hetgeen te meer klemt nu met de Erfgoedwet de Wbc-commissie
is verdwenen.
De Erfgoedwet kent enkele criteria op basis waarvan moet worden bepaald of een cultuurgoed
beschermwaardig is. Deze criteria noemt de commissie in het vervolg de ‘aanwijzingscriteria’.
Zij luiden in het kort als volgt:
– Het cultuurgoed is van bijzondere cultuurhistorische betekenis óf het cultuurgoed is van
     bijzonder wetenschappelijke betekenis óf het cultuurgoed is
     van uitzonderlijke schoonheid; én
– het cultuurgoed dient als onvervangbaar voor het Nederlands cultuurbezit te worden
     beschouwd; én
                                                                                                                      33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>– het cultuurgoed dient als onmisbaar voor het Nederlands cultuurbezit te worden beschouwd.
Een cultuurgoed dient dus onvervangbaar en onmisbaar voor het Nederlands cultuurbezit te
zijn en moet daarnaast een bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis hebben
of van uitzonderlijke schoonheid zijn. Deze criteria – met uitzondering van het criterium
‘uitzonderlijke schoonheid’ – golden ook al op grond van de oude Wbc, de voorganger van
de Erfgoedwet.
De aanwijzingscriteria laten zich als volgt uitleggen:
– Er is sprake van een onvervangbaar cultuurgoed als er geen ander of nagenoeg geen ander of
    soortgelijk cultuurgoed in Nederland aanwezig is, dat in goede staat verkeert.
– Er is sprake van een onmisbaar cultuurgoed als het cultuurgoed in kwestie een
    ‘symboolfunctie’, ‘schakelfunctie’ of ‘ijkfunctie’ heeft. Met de symboolfunctie wordt bedoeld
    dat het cultuurgoed een duidelijke herinnering biedt aan personen of gebeurtenissen die voor
    de Nederlandse geschiedenis van overtuigend belang zijn (geweest). Met de schakelfunctie
    wordt bedoeld dat het cultuurgoed een wezenlijk element is in de ontwikkeling van de
    wetenschapsbeoefening of de cultuurgeschiedenis, die voor Nederland van overtuigend
    belang is. Met de ijkfunctie wordt bedoeld dat een cultuurgoed een wezenlijke bijdrage in het
    onderzoek of de kennis van andere belangrijke cultuurgoederen heeft geleverd of levert.
– Het criterium ‘Nederlands cultuurbezit’ wordt wisselend uitgelegd, zo valt de commissie op.
    Onder de Wbc werd het criterium van het ‘Nederlands cultuurbezit’ op meer materiële wijze
    uitgelegd. In de Wbc speelde dit criterium een centrale rol en moe(s)t het breed worden
    opgevat. In de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet wordt dit criterium vooral als een
    juridisch-technisch aspect uitgelegd: een cultuurgoed kan alleen als beschermd worden
    aangewezen als het zich in Nederland bevindt.
– De criteria inzake ‘bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis’ en
    ‘uitzonderlijke schoonheid’ krijgen eigenlijk geen tot nauwelijks aandacht in de parlementaire
    behandeling van (het voorstel inzake) de Erfgoedwet. De commissie verwijst daarom terug
    naar de wetsgeschiedenis behorende bij de Wbc. Echter, net als in de wetsgeschiedenis van
    de Erfgoedwet is de toelichting op deze begrippen in de wetsbehandeling van de Wbc
    summier. Als voorbeeld van ‘wetenschappelijke betekenis’ wordt genoemd: verzamelingen op
    het gebied van de natuurlijk historie die in de wereld hun weerga niet hebben en die tot de
    Nederlandse traditie behoren. De betekenis in wetenschappelijke of cultuurhistorische zin
    kan zich door de tijd heen wijzigen.
– Het criterium ‘uitzonderlijke schoonheid’ is nieuw met de Erfgoedwet. Met ‘uitzonderlijke
    schoonheid’ is beoogd de esthetische waarde van een cultuurgoed als reden voor aanwijzing
    te kunnen gebruiken.
De aanwijzingscriteria houden zogenaamde ‘open normen’ in, die de minister veel ruimte laten
voor een eigen beoordeling. De keuze van de wetgever voor open criteria is enerzijds begrijpelijk,
omdat het belang van een cultuurgoed in een bepaalde tijd of op een bepaalde plaats moeilijk is
te vatten in een aantal concreet geformuleerde criteria. Anderzijds is het ook zo dat open criteria
de minister van OCW sneller de ruimte laten om een cultuurgoed of verzameling niet aan te
wijzen. Onder de oude Wbc bestond nog de waarborg dat de criteria door deskundigen werden
uitgewerkt en toegepast (middels de Wbc-commissie). Hiermee werd de eigen
beoordelingsruimte van de minister in enige mate beperkt. Deze plicht van de minister om
advies bij deskundigen in te winnen, is met de Erfgoedwet komen te vervallen. De commissie ziet
het terughoudend aanwijzingsbeleid mede als een resultante daarvan, waarbij ook kan worden
gewezen op het discretionaire karakter van de aanwijzingsbevoegdheid (de minister
‘kan’ aanwijzen).
                                                                                                    34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Die relatief grote discretionaire ruimte van de minister om een cultuurgoed of verzameling wel of
niet aan te wijzen, is zoals gezegd welbewust door de wetgever gekozen. Echter, met dien
verstande dat de Wbc-wetgever daarbij destijds de kanttekening maakte dat de belangrijkste
waarborg voor het stelsel van aangewezen ‘voorwerpen’ was de deskundigheid en de
zorgvuldigheid van de commissie die de minister adviseert over de al dan niet aan
te wijzen cultuurgoederen.
Onder de oude Wbc adviseerde de Wbc-commissie van de Raad voor Cultuur de minister over de
beschermwaardigheid van ‘voorwerpen’. De Raad voor Cultuur is een wettelijk verankerd
adviescollege dat een onafhankelijke positie heeft ten opzichte van de Staat en de minister
van OCW. Het is de minister toegestaan anders te beslissen dan het eerder gegeven
onafhankelijke advies, maar die beslissing dient dan wel te zijn voorzien van een stevige,
adequate motivering. De discretionaire ruimte voor de minister was met die adviesverplichting
dus op een procedurele manier alsnog beperkt.
In de Erfgoedwet is deze adviesverplichting komen te vervallen. In plaats daarvan kan nu de
Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE) voorstellen doen aan de minister van OCW. En meer
dan dat, want na de inwerkingtreding van de Erfgoedwet is de bevoegdheid tot aanwijzing van
cultuurgoederen door de minister aan de RCE gemandateerd. De RCE heeft anders dan de Raad
voor Cultuur geen wettelijk onafhankelijke positie; zij maakt onderdeel uit van het ministerie en
beslist de facto dus zelf naar aanleiding van een eigen voorstel. Bovendien is het doen van
voorstellen anders (lichter) van aard dan het geven van een advies, zodat ook de eisen aan de
motivering bij een afwijkende beslissing minder zwaar zijn dan bij de eerder
bestaande adviesverplichting.
Reden 4: De aanwijzingsregeling uit de Erfgoedwet is (in de interpretatie van het ministerie)
niet van toepassing op cultuurgoederen die zich buiten Nederland bevinden, hetgeen te meer
problematisch is gelet op het vrije verkeer van goederen in de Europese Unie.
De minister stelt dat de Erfgoedwet niet van toepassing is op cultuurgoederen die zich buiten
Nederland bevinden. Dit leidt de commissie af uit de uitleg die de minister geeft aan het
aanwijzingscriterium ‘Nederlands cultuurbezit’ (zie de criteria hierboven). In de
wetsgeschiedenis leest de commissie verder nadrukkelijk terug dat de Erfgoedwet volgens de
minister niet voorziet in mogelijkheden om cultuurgoederen die rechtmatig zijn uitgevoerd op
een later moment terug te halen naar Nederland.
Dit is problematisch als wordt bedacht dat binnen de Europese Unie het recht op vrij verkeer van
goederen geldt (dus ook voor cultuurgoederen die niet zijn beschermd). Dit betekent dat een
mogelijk belangwekkend, maar (nog) niet aangewezen cultuurgoed op eenvoudige en snelle wijze
buiten Nederland kan worden gebracht, waarna het wettelijke beschermingsregime van de
aanwijzingsregeling niet langer kan worden ingeroepen.
Dit recht op vrij verkeer van goederen bemoeilijkt ook een effectieve toepassing van de regeling
inzake de exportvergunning voor het buiten de Europese Unie brengen van cultuurgoederen.
Voor bepaalde cultuurgoederen is een exportvergunning nodig wanneer de wens bestaat deze
buiten de Europese Unie te brengen. De gedachte achter deze exportvergunning is dat de
vergunningaanvraag het bevoegde gezag van een lidstaat erop attendeert dat een mogelijk
belangwekkend cultuurgoed buiten de Europese Unie wordt gebracht en dat dit mogelijk
aanleiding geeft een nationale beschermingsregeling toe te passen (zoals in Nederland de
aanwijzingsregeling). Een eigenaar van een cultuurgoed kan echter ook eerst zijn (niet
aangewezen) cultuurgoed naar een andere lidstaat van de Europese Unie brengen, bijvoorbeeld
van Nederland naar Frankrijk. De eigenaar kan dan in dat andere land de exportvergunning
aanvragen voor het buiten de EU brengen ervan. De bevoegde autoriteit in Frankrijk zal dan bij
haar Nederlandse collega’s navragen of het cultuurgoed rechtmatig buiten Nederland is
gebracht. Als dit rechtmatig is gebeurd, kan dit in principe de verlening van een
                                                                                                  35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>exportvergunning niet weerhouden. Het belang van het cultuurgoed voor dat andere land kan
echter van andere aard zijn en/of de wet in dat land ter bescherming van cultuurgoederen kan
minder verstrekkend van aard zijn [ 13 ]
Tussenconclusie
Op basis van een juridische analyse van de Erfgoedwet doet de commissie een aantal
constateringen die leidend zijn voor haar advies, waarvan de belangrijkste vijf zijn:
1. De Erfgoedwet bevat op papier een scala aan waarborgen voor de bescherming
   van cultuurgoederen.
2. De Erfgoedwet kent geen expliciete regeling voor cultuurgoederen ‘in particulier bezit’.
3. In de Erfgoedwet staat niet omschreven wordt bedoeld met ‘particulier bezit’.
4. De aanwijzingsregeling is cruciaal voor de bescherming van cultuurgoederen
   (in particulier bezit).
5. De beschermende functie van de aanwijzingsregeling komt onvoldoende tot haar recht (en
   kan onvoldoende tot haar recht komen), om vier samenhangende redenen:
   – De minister hanteert een meer dan terughoudend aanwijzingsbeleid, mede omdat de
       Collectie Nederland als ‘af’ wordt beschouwd.
   – De aanwijzingsbevoegdheid van de minister is ‘ambtshalve’.
   – De aanwijzingscriteria van de minister laten veel ruimte voor een eigen beoordeling.
   – De Erfgoedwet is (in de interpretatie van het ministerie) niet van toepassing op
       cultuurgoederen die zich buiten Nederland bevinden.
                                                                                             36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>  1
De volledige ‘juridische analyse’ van de wet is als bijlage opgenomen.
  2
Zoals een interieur behorend bij een rijksmonument.
  3
Deze regeling geldt niet voor aangewezen ensembles. Dat betekent dat
cultuurgoederen die tot een rijksmonument behoren (en in samenhang met dat
monument een beschermwaardig ensemble vormen) toch mogen worden
vervreemd of verplaatst zonder melding aan de Inspectie en/of toestemming van
de minister. De commissie gaat hier in dit advies niet op in; zij adviseert de
commissie die de Erfgoedwet als geheel gaat evalueren dit vraagstuk te
behandelen.
  4
Kamerstukken II 1993/94, 23657, nr. 3, p. 9. De collectie van Het
Scheepvaartmuseum is grotendeels eigendom van de Vereeniging Nederlandsch
Historisch Scheepvaart Museum. De collectie van de Vereeniging is sinds 1975 in
bruikleen genomen door de Staat der Nederlanden.
  5
In de bijlage van de Europese Verordening 116/2009 is opgenomen voor welke
categorieën van cultuurgoederen een uitvoervergunning nodig is.
‘eur-lex.europa.eu’ (pdf)
  6
‘Voor de uitvoer van cultuurgoederen (zoals kunst en antiek) uit de EU gelden
strenge regels. Hiervoor hebt u meestal een vergunning nodig. De Inspectie
Overheidsinformatie en Erfgoed van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap geeft deze af. (…).’
‘belastingdienst.nl’
  7
Het lijkt erop dat in de praktijk de genoemde Inspectie de aanvraag beoordeelt,
waarna de Douane de vergunning afgeeft.
  8
Uit de interviews die de commissie heeft gehouden blijkt dat vaak met een
langere periode rekening moet worden gehouden, wat als een obstakel voor de
handel wordt beschouwd. Handelaren zouden hier kunnen worden
tegemoetgekomen door meer uitzonderingen op de exportvergunning op te
nemen. Dat vereist echter een wijziging van de Verordening op Europees niveau.
  9
Zie ook Resoluties 1483 (2003), 2199 (2015) en 2347 (2017) van de
Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Deze zijn in Nederland
geïmplementeerd middels de Sanctieregelingen Irak en Syrië.
  10
Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed, Toezichtskader, pagina 8
  11
Uitzonderingen vormen de aanwijzingsregeling en de regeling inzake de
aanvaardingsplicht van de Staat.
  12
In de museumbrief ‘Samen werken, samen sterker’ (juni 2013) legt de minister
van OCW het begrip ‘Collectie Nederland uit als ‘het totaal van de publiek
toegankelijke geregistreerde collecties en de niet-toegankelijke, particuliere
collecties waarvoor de overheid verantwoordelijkheid heeft genomen
(bijvoorbeeld Wbc).’
  13
In de bijlagen worden enkele ‘regimes in Europa’ besproken.
                                                                                37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>         Bescherming Cultuurgoederen / Praktijkanalyse / 3. De Erfgoedwet in de praktijk
         3. De Erfgoedwet in de praktijk
In dit hoofdstuk presenteert de commissie de bevindingen van haar onderzoek naar de
toepassing van de Erfgoedwet in de praktijk.
Inleiding
De commissie heeft voor haar onderzoek gesproken met betrokken privépersonen,
rechtspersonen en overheidsorganisaties. Daarnaast heeft zij bureauonderzoek verricht en een
scala aan openbare bronnen geraadpleegd, onder meer ten aanzien van het register met
geregistreerde beschermde cultuurgoederen en verzamelingen, alsmede buitenlandse regelingen
tot bescherming van cultuurgoederen. [ 1 ]
Allereerst benoemt de commissie welke actoren zijn betrokken bij de totstandkoming en het
beheer en behoud van de Collectie Nederland in relatie tot de uitvoering van de Erfgoedwet.
Vervolgens behandelt de commissie elf knelpunten rond de toepassing van de Erfgoedwet
in de praktijk.
Augustinus Terwesten, Renaissance-goudleerkamer ‘Rozijnkorf’, Dordrecht, 1686.
                                                                                             38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Betrokken actoren
Bij de totstandkoming en het beheer en behoud van de Collectie Nederland en bij de uitvoering
van de Erfgoedwet zijn vele actoren betrokken. Hun verschillende taken en belangen bij de
uitvoering van de Erfgoedwet liggen aan de basis van de praktijkanalyse door de commissie.
De betrokken actoren laten zich in twee categorieën onderbrengen:
1.  Degenen met cultuurgoederen in hun bezit of eigendom:
    – privéverzamelaars, stichtingen en andere private rechtspersonen;
    – professionele private rechtspersonen zoals veel musea;
    – publiekrechtelijke rechtspersonen zoals de Staat, waterschappen en
        de meeste universiteiten.
2.  Overheden en overheidsorganisaties in een uitvoerende rol met betrekking tot de Erfgoedwet
    (dus niet als eigenaar van cultuurgoederen):
    – de wetgever;
    – de minister van OCW als primair verantwoordelijke voor de toepassing
        van de Erfgoedwet;
    – de Tweede Kamer in de controlerende functie en als (mede)beleidsmaker;
    – de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, onderdeel van het ministerie van OCW, die onder
        directe verantwoordelijkheid van de minister uitvoering geeft aan de Erfgoedwet;
    – de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed als wettelijk aangewezen toezichthouder op
        de naleving van de Erfgoedwet;
    – de Raad voor Cultuur, als wettelijk adviesorgaan voor de regering en het parlement op het
        gebied van kunst, cultuur en media;
    – het Mondriaan Fonds, het publieke stimuleringsfonds voor beeldende kunst
        en cultureel erfgoed;
    – de Belastingdienst/Douane, waar een aanvraag kan worden ingediend voor een
        vergunning tot uitvoer van cultuurgoederen buiten de Europese Unie en die in Nederland
        bij de (EU-buiten)grenzen controleert of de uitvoer van cultuurgoederen conform de
        regels verloopt. De algemeen directeur van de Douane is door de minister van OCW
        gemandateerd om namens de minister van OCW besluiten te nemen en overige
        handelingen te verrichten die verband houden met het verlenen van vergunningen op
        grond van de Verordening 116/2009. De Douanetaken op het gebied van cultuurgoederen
        zijn vastgelegd in het convenant tussen de minister van OCW en de
        minister van Financiën;
    – de minister van Financiën, als primair verantwoordelijke voor de (uitvoering van) in het
        bijzonder de Successiewet. Op basis van deze wet wordt (een deel van) de erfbelasting
        kwijtgescholden als erfgenamen bereid zijn een cultuurgoed van nationaal cultuur- of
        kunsthistorisch belang te schenken aan de overheid;
    – de ‘Adviescommissie beoordeling aangeboden cultuurbezit uit nalatenschappen’
        (de Successiecommissie), die door de minister van Financiën is ingesteld en de minister
        adviseert of aan de criteria van de hiervoor genoemde kwijtscheldingsregeling
        wordt voldaan;
    – Overige betrokkenen zoals belangenorganisaties, kunsthandelaren en veilinghuizen,
        wetenschappers en deskundigen.
                                                                                                39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Betrokken actoren bij de Erfgoedwet
Knelpunten rond de bescherming van cultuurgoederen
De commissie stelt vast dat er consensus bestaat over het grote belang van cultuurgoederen en
verzamelingen. De wetgever brengt dit belang in de toelichting op de Erfgoedwet als volgt
onder woorden:
    ‘Cultureel erfgoed is belangrijk voor onze sociale en fysieke leefomgeving. Het is de bron van
    het verhaal over de geschiedenis van Nederland: het maakt het verleden zichtbaar en
    versterkt zo ons cultureel en historisch besef. We voelen ons door ons cultureel erfgoed
    verbonden met elkaar en met het verleden en daardoor ontlenen we er ook in belangrijke
    mate onze identiteit aan. Cultureel erfgoed biedt ankerpunten om het heden te begrijpen en
    om over de toekomst na te denken. Het genereert herinneringen, vertelt verhalen en maakt
    deze tastbaar.’ [ 2 ]
De overheid heeft een primaire verantwoordelijkheid voor het behoud en beheer van cultureel
erfgoed in brede zin, waartoe onder meer cultuurgoederen en verzamelingen behoren. [ 3 ] Deze
verantwoordelijkheid heeft niet alleen een morele grondslag; de overheid is hier ook toe
verplicht op grond van bijvoorbeeld geldende internationale en Europese afspraken.
                                                                                                   40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>De commissie signaleert een aantal knelpunten rond de bescherming van cultuurgoederen en
verzamelingen in Nederland:
1.  Met de veronderstelling dat de Collectie Nederland ‘af’ zou zijn, wordt geen recht gedaan aan
    het generatie-overstijgende en representatieve belang van deze collectie.
2.  De vorming en het behoud van de Collectie Nederland berusten sterk op toeval, omdat een
    overkoepelende visie op deze collectie ontbreekt.
3.  Er bestaat een disbalans in de bescherming van cultuurgoederen in particulier
    versus publiek bezit.
4.  Het is onder de Erfgoedwet onvoldoende duidelijk wat onder het begrip ‘particulier bezit’
    wordt verstaan en voor welke soort eigenaren de aanwijzingsregeling wel of juist niet
    zou moeten gelden.
5.  Het register van aangewezen cultuurgoederen en verzamelingen is onvoldoende
    representatief en toekomstbestendig.
6.  Het terughoudend aanwijzingsbeleid van de minister risicovol gezien een aantal
    omstandigheden, zoals het recht op vrij verkeer van goederen in de Europese Unie, het
    gebrek aan inzicht in hiaten in het register en het ontbreken van contact met particuliere
    eigenaren om belangwekkend cultuurgoed in kaart te brengen.
7.  Het terughoudend aanwijzingsbeleid leidt tot rechtsonzekerheid onder betrokkenen en de
    open aanwijzingscriteria vergroten deze rechtsonzekerheid alleen maar door het ontbreken
    van een uitwerking daarvan.
8.  De aanwijzing van een cultuurgoed wordt als een te grote inbreuk op het eigendomsrecht van
    particulieren ervaren.
9.  Er bestaan geen wettelijke waarborgen dat de Staat voldoende middelen tot zijn beschikking
    heeft voor aankoop van belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen die uit
    Nederland dreigen te verdwijnen.
10. Bekendheid met en adequate voorlichting over de regelingen uit de Erfgoedwet en de
    benodigde expertise over de belangwekkendheid van cultuurgoederen ontbreken, in het
    bijzonder ook bij de betrokken overheidsorganisaties.
11. Het is onvoldoende kenbaar welke (mogelijk) belangwekkende cultuurgoederen uit
    Nederland dreigen te verdwijnen, als gevolg waarvan de samenleving geen reële kans heeft
    om belangwekkend cultuurgoed voor Nederland te behouden.
Hieronder worden deze knelpunten toegelicht.
Knelpunt 1
Met de veronderstelling dat de Collectie Nederland ‘af’ zou zijn, wordt geen recht gedaan aan het
generatie-overstijgende en representatieve belang van deze collectie.
Het valt de commissie op dat de wetgever en de minister van OCW ervan uitgaan dat de collectie
van cultuurgoederen en verzamelingen in Nederland ‘af’ is. In dit verband wordt ook wel
gesproken van de Collectie Nederland. In de museumbrief ‘Samen werken, samen sterker’
(juni 2013) legt de minister van OCW dit begrip uit als ‘het totaal van de publiek toegankelijke
geregistreerde collecties en de niet-toegankelijke, particuliere collecties waarvoor de overheid
verantwoordelijkheid heeft genomen (bijvoorbeeld Wbc).’ [ 4 ] Volgens de commissie moeten dit
particuliere en publieke bezit steeds in samenhang met elkaar te worden bezien. [ 5 ]
                                                                                                  41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>De commissie ziet op basis van de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet en de bijbehorende
beleidsregels een (grote) mate van terughoudendheid bij de overheid in de verdere vorming van
zowel het publieke deel als het (erkende) particuliere deel van de Collectie Nederland.
Met betrekking tot het publieke deel hiervan legt de wetgever nadrukkelijk de prioriteit bij het
toegankelijker maken van de huidige rijkscollectie; hij richt zich veel minder op
uitbreiding daarvan.
Voor het particuliere deel geldt een ‘terughoudend aanwijzingsbeleid’, gebaseerd op de stelling
dat de Collectie Nederland al een goede kerncollectie is. De minister meent daarom dat er ‘geen
noodzaak’ bestaat voor nieuwe aanwijzingen (zie de toelichting op de beleidsregel). Er is volgens
de minister ten tijde van de totstandkoming van de Erfgoedwet ‘geen reden om actief het register
te gaan aanvullen (…)’. [ 6] Het valt daarnaast overigens op dat in sommige documenten (zoals op
de website van de RCE) het begrip Collectie Nederland beperkter wordt opgevat, als alleen
cultuurgoederen die in beheer of bezit zijn van de Staat en andere overheden.
De opvatting dat de Collectie Nederland ‘af’ zou zijn, wordt niet onderschreven door de
maatschappij en het veld en stuit op twee bezwaren. Ten eerste leidt het terughoudend
aanwijzingsbeleid tot onduidelijkheid onder betrokkenen en veroorzaakt het regelmatig
maatschappelijke onrust in situaties rond verkopen van werken die mogelijk belangrijk zijn voor
Nederland. De (voorgenomen) verkoop van de tekening van Rubens die medeaanleiding vormde
voor dit advies, illustreert dit duidelijk. De vraag of dit werk voor Nederland behouden had
moeten blijven, werd niet tijdig en niet zorgvuldig genoeg beantwoord door de overheid – ten
onrechte, en niet voor het eerst. Een vergelijkbare onrust ontstond eerder rond de verkoop van
het schilderij ‘Boschbrand’ van Raden Saleh in 2014 door het Koninklijk Huis.
De maatschappelijke onrust rond deze werken was volgens de commissie niet ontstaan als er een
duidelijke visie over de Collectie Nederland had bestaan, op basis waarvan de vraag had kunnen
worden beantwoord of de werken voor Nederland behouden hadden moeten blijven. In het geval
van de Rubens-tekening reageerde de overheid vrijwel direct afwijzend met een verwijzing naar
het terughoudend aanwijzingsbeleid.
Peter Paul Rubens (1577 – 1640), ‘Naaktstudie van een jongeman met opgeheven armen’, privé-eigendom
                                                                                                    42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Op een later moment stelde de minister (toch) budget uit het Nationaal Aankoopfonds
beschikbaar voor aankoop van de Rubens op de veiling van Sotheby’s in New York.
De commissie ziet hierin gestaafd dat de minister toch (na nader beraad) het mogelijke belang
tot behoud van deze tekening voor Nederland inzag. Als de minister echter eerder in overweging
had genomen de tekening al dan niet aan te wijzen, had zij voor zichzelf en anderen (zoals
particuliere belangenorganisaties) tijd gecreëerd om de hiervoor gestelde vraag over het belang
van de tekening zorgvuldiger te kunnen beantwoorden.
Een tweede bezwaar tegen de overheidshouding dat de Collectie Nederland ‘af’ zou zijn, is dat
deze afbreuk doet aan het belang van die collectie. Dit komt allereerst als breed gedragen beeld
naar voren uit de gehouden interviews. Vaak werd daarin gewezen op wezenlijke hiaten in het
publieke deel van de Collectie Nederland op het terrein van bijvoorbeeld moderne en
hedendaagse kunst. Deze categorie ontbreekt ook in het register voor cultuurgoederen in
particulier bezit. Ook zijn cultuurgoederen op het gebied van mode/textiel, fotografie,
design/vormgeving en maritiem en mobiel erfgoed nauwelijks vertegenwoordigd, net als
cultuurgoederen die hedendaagse ontwikkelingen rond globalisering, multiculturaliteit,
diversiteit en digitalisering vertegenwoordigen.
Ook wordt in diverse publicaties aandacht gevraagd voor de noodzaak tot verdere vorming van
de Collectie Nederland. Zo constateerde de Raad voor Cultuur recent in zijn advies ‘Cultuur
dichtbij, dicht bij cultuur’ over het cultuurbestel 2021 – 2024 dat de publieke (rijks)collectie ‘in
het oog springende lacunes bevat. Vanwege de ontstaansgeschiedenis ervan bevat zij weinig
moderne en hedendaagse (toegepaste) kunst, naast het RCE heeft slechts een enkel Erfgoedwet-
museum veel van dergelijke kunstwerken in zijn kerncollectie. De Raad vindt het belangrijk dat
de beweging van vernieuwing en verbreding ook zijn weerslag krijgt in het
rijkscollectiebeleid.’ [ 7 ] In de op dit advies gevolgde ‘Uitgangspunten Cultuurbeleid 2021 – 2024’
van de minister van OCW leest de commissie echter geen uitgangspunt of actiepunt dat op deze
concrete aanbeveling van de Raad voor Cultuur aansluit. [ 8 ]
Op basis van bovenstaande bezwaren wijst de commissie op het essentiële belang van een
toekomstbestendige Collectie Nederland, die ook voor volgende generaties van belang kan zijn
– opdat die volgende generaties ook het verhaal over de geschiedenis van Nederland kunnen
lezen, het heden beter kunnen begrijpen en over de toekomst kunnen nadenken. Niet alleen de
Rembrandt van 350 jaar geleden, ook de huidige en de toekomstige ‘Rembrandt’ moeten
daarvoor hun plek in de Collectie Nederland kunnen krijgen. De maatschappij heeft er recht op
dat nieuwe cultuurgoederen op eenzelfde overheidsbescherming kunnen rekenen als de
cultuurgoederen die reeds zijn opgenomen de huidige Collectie Nederland.
Knelpunt 2
De vorming en het behoud van de Collectie Nederland berusten sterk op toeval, omdat een
overkoepelende visie op deze collectie ontbreekt.
Het grote belang van de Collectie Nederland, in het bijzonder de generatie-overstijgende
representatieve aspecten daarvan, verlangt dat als het ware met een helikopterblik wordt bezien
wat in elk geval deel zou moeten uitmaken van die collectie. In zo’n helikopterblik moeten ook de
hiaten worden opgemerkt en benoemd. De commissie signaleert dat een dergelijke integrale kijk
op de bestaande en wenselijke samenstelling van de collectie op dit moment ontbreekt. Dit staat
het noodzakelijke dynamische karakter van de collectie in de weg.
Door het gebrek aan een goed overzicht van wat de collectie omvat en wat eraan ontbreekt,
gepaard aan het ontbreken van een visie op de nodige ontwikkeling van de collectie, berust het
op dit moment te sterk op willekeur en toeval welke cultuurgoederen en verzamelingen
onderdeel uitmaken van de Collectie Nederland en welke zaken een beschermde status krijgen,
vooral waar het gaat om particulier bezit.
                                                                                                     43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Er bestaat sinds de invoering van de Erfgoedwet geen onafhankelijke deskundigencommissie
meer die uitvoering geeft aan de aanwijzingsregeling. Het ministerie van OCW zelf stelt zich
passief op in de uitvoering van die aanwijzingsregeling. Dat heeft negatieve consequenties voor
de aanwijzing van cultuurgoederen waarvan het ministerie het bestaan niet kent, en voor de
bescherming van nog niet aangewezen cultuurgoederen die uit Nederland dreigen te verdwijnen.
Daarvoor is het immers noodzakelijk dat er iemand opstaat die de minister of de RCE wijst op
het belang van een dergelijk cultuurgoed of op zo’n dreigende verdwijning.
Als zo iemand er al is, en weet bij wie hij zich kan melden (waarover later in dit advies meer),
dan is de minister niet verplicht om op zo’n suggestie formeel te beslissen. Met de invoering van
de Erfgoedwet heeft de aanwijzingsbevoegdheid van de minister een ambtshalve karakter
gekregen, zodat de minister geen (afwijzend) besluit op een aanvraag hoeft te nemen dat
desgewenst door de onafhankelijke bestuursrechter kan worden kan worden beoordeeld. Het
resultaat is, tot grote zorg van de commissie, een register dat vooral uit ‘hobby en lobby’ lijkt
voort te komen en niet is gevormd op basis van een weloverwogen visie.
Knelpunt 3
Er bestaat een disbalans in de bescherming van cultuurgoederen in particulier versus
publiek bezit.
Ervan uitgaande dat de Collectie Nederland wordt beschouwd als een samenhang tussen publiek
en particulier bezit, is het van belang de wettelijke bescherming van beide soorten bezit eveneens
in samenhang te bezien.
De commissie valt in dit verband een aantal zaken op. Ten eerste maakt een aanwijzing van een
cultuurgoed of verzameling een grotere inbreuk op het eigendomsrecht van particuliere
eigenaren dan toepassing van de regeling doet voor de Staat, provincies, gemeenten of andere
publiekrechtelijke rechtspersonen. De mogelijkheid tot uitvoer van het beschermde cultuurgoed
in particulier bezit buiten Nederland wordt met een aanwijzing reeds bij voorbaat sterk beperkt,
althans in de huidige uitvoering van die regeling. Op grond van de publieke regeling echter
worden cultuurgoederen niet bij voorbaat aangemerkt als zodanig belangwekkend dat in
beginsel uitvoer buiten Nederland niet is toegestaan. Bij een concreet voornemen tot
vervreemding van een cultuurgoed in eigendom van een overheid, bepaalt die overheid voor een
belangrijk deel zelf of dat cultuurgoed in kwestie mogelijk belangwekkend is en voor Nederland
zou moeten worden behouden. (Daar komt nog eens bij dat de regeling voor publiek bezit voor
andere publiekrechtelijke eigenaren dan de Staat, provincies en gemeenten nog minder
betekenis heeft, omdat de bekendmakingsverplichting op grond van deze regeling voor hen niet
geldt.) Verder is overtreding van de regeling voor particulier bezit een strafbaar feit, anders dan
overtreding van de regeling door publieke eigenaren. Uit juridisch oogpunt valt het de commissie
dus op dat een regeling voor particulieren een grotere inbreuk op het eigendomsrecht maakt dan
een soortgelijke regeling voor overheden. Echter, een inbreuk op het eigendomsrecht van een
overheid is in een gelijk geval eerder toelaatbaar dan een inbreuk op het eigendomsrecht van
een particulier.
Ten tweede is in de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet te lezen dat het particulier bezit
complementair is aan het publiek bezit. [ 9] Dit veronderstelt dat de overheid aan beide evenveel
belang hecht. De praktijk wordt daarentegen anders ervaren, wat ook blijkt uit de voor dit advies
afgenomen interviews. Diverse betrokkenen maken zich bezorgd over de terugloop van het
aantal conservatoren bij musea, waardoor hun inhoudelijke kennis en hun signaalfunctie
verslechtert. Dit speelt met name bij middelgrote en kleinere musea en wordt mede veroorzaakt
door de toenemende nadruk op bezoekersaantallen als gevolg van subsidieregels. [ 10 ]
                                                                                                    44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Mede door dit verlies aan kennis en signaalfunctie bij musea zijn de hiaten in het publieke deel
van de Collectie Nederland minder bekend en minder zichtbaar. Hierdoor neemt het belang van
het particulier bezit ten behoeve van de Collectie Nederland toe, omdat die hiaten eerder uit dit
bezit kunnen worden ‘opgevuld’ dan wanneer het publieke bezit deze hiaten in de collectie niet
zou kennen. Daardoor ontstaat er een groter risico tot aanwijzing van deze cultuurgoederen. [ 11 ]
Dit heeft tot gevolg dat er sneller een inbreuk op een particulier eigendomsrecht moet worden
gemaakt ten behoeve van het algemeen belang tot bescherming van voor Nederland
belangwekkende cultuurgoederen dan nodig zou zijn als het publieke deel van de Collectie
Nederland representatiever en toekomstbestendiger zou zijn. Dit kan worden bereikt door een
actiever en museum(profiel)overstijgend aankoopbeleid van de (Rijks)overheid, maar ook door
goed relatiemanagement met particulieren met het oog op het creëren van vertrouwen voor
onder meer schenkingen.
Het gesignaleerde knelpunt wordt nog eens versterkt omdat in de praktijk de overheid ten
behoeve van de vorming van de Collectie Nederland onnodig leunt op het bestaande particuliere
cultuurbezit. Kortom, er is een juridische disbalans tussen de regelingen tot bescherming van het
particulier bezit en het publiek bezit, die in de praktijk verder wordt versterkt.
Knelpunt 4
Het is onder de Erfgoedwet onvoldoende duidelijk wat onder het begrip ‘particulier bezit’ wordt
verstaan en voor welke soort eigenaren de aanwijzingsregeling wel of juist niet
zou moeten gelden.
In ‘Juridische analyse van de Erfgoedwet’ constateerde de commissie al dat de Erfgoedwet geen
expliciete regeling kent voor cultuurgoederen in particulier bezit en dat op grond van de wet en
de wetsuitleg onduidelijk is wat met ‘particulier bezit’ wordt bedoeld. De commissie signaleert
dat deze onduidelijkheid ook leeft in de praktijk. Zoals reeds toegelicht legt de commissie in dit
advies het begrip ‘particulier bezit’ uit als alle cultuurgoederen en verzamelingen die in
eigendom zijn van privépersonen en privaatrechtelijke rechtspersonen. Met andere woorden:
alle andere denkbare eigenaren dan de Staat, provincies, gemeenten of andere publiekrechtelijke
rechtspersonen kunnen volgens de commissie cultuurgoederen ‘in particulier bezit’
(eigendom) hebben.
Het begrip ‘particulier bezit’ doet echter geen recht aan het onderscheid tussen de vele soorten
particuliere bezitters. De commissie vindt bepaalde omstandigheden van belang voor de vraag in
welke mate een publiekrechtelijke bescherming nodig is. Te denken valt aan de vraag of een
stichting al dan niet een fiscale ANBI-status heeft, wat er via de statuten van een private
rechtspersoon is geregeld ter bescherming van de cultuurgoederen in eigendom, of de private
eigenaar al dan niet commerciële doelstelling nastreeft, of de LAMO van toepassing is, et cetera.
In de wetsgeschiedenis is over deze verscheidenheid aan particuliere eigenaren geen uitleg te
vinden, wat in de praktijk als onduidelijk wordt ervaren. De commissie signaleert daarom dat
niet voldoende duidelijk is wat met het begrip ‘particulier bezit’ wordt bedoeld en voor welke
soort eigenaren de aanwijzingsregeling wel of juist niet zou moeten gelden.
Knelpunt 5
Het register van aangewezen cultuurgoederen en verzamelingen is onvoldoende representatief
en toekomstbestendig.
De RCE beheert de website van de Collectie Nederland: ‘collectienederland.nl’. Hier is het
volledige register te raadplegen. De website geeft 723 resultaten van beschermde
cultuurgoederen en verzamelingen. De database van de RCE telt 166 ‘dossiernummers’. [ 12 ]
                                                                                                   45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Volgens informatie van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed staan er van de
aanwijzingsbesluiten uit de jaren tachtig van de vorige eeuw nog 116 aanwijzingen in het huidige
register. Daarna is het aantal aanwijzingsbesluiten fors gedaald. Op dit moment zijn er in totaal
166 besluiten tot aanwijzing van beschermde cultuurgoederen of verzamelingen. Naar de
commissie heeft begrepen zijn de oude(re) aanwijzingsbesluiten niet meer volledig beschikbaar.
Aanwijzingen van beschermde cultuurverzamelingen of verzamelingen
(in aantallen)
De evaluatiecommissie Wbc adviseerde al in 1998 om de lijst (nu ‘register’ geheten) eenmaal per
tien jaar te laten actualiseren door de Wbc-commissie. Een dergelijke actualisatie kan leiden tot
nieuwe aanwijzingen van cultuurgoederen, het intrekken van eerdere aanwijzingen of tot
aanpassing van de motivering tot aanwijzing van een cultuurgoed, aldus die commissie.
De toenmalige regering nam deze aanbeveling destijds over: ‘Gezien het streven naar een
verantwoorde samenstelling van de lijst is een periodieke actualisatie derhalve noodzakelijk.’ [ 13 ]
Aan dit actiepunt is vervolgens echter geen vervolg gegeven. Althans, er vindt sindsdien in elk
geval geen periodieke actualisatie van het register plaats en ook de hiervoor weergegeven
aantallen van aanwijzingen per decennium duiden niet op een actualisatie van het register.
Van een ‘verantwoorde samenstelling’ als in de hiervoor bedoelde zin is volgens de commissie
met het huidige register geen sprake. Ook uit de interviews volgt de gedeelde mening dat in het
register belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen ontbreken of juist onnodig in het
register staan vermeld, en dat de samenstelling ervan niet consistent is. Nog los van de
samenstelling van het register merken de geïnterviewde betrokkenen verder op dat het register
statisch is en mede daardoor niet van deze tijd is. Het register is niet meegegroeid met de
ontwikkelingen in de samenleving en veranderende opvattingen over cultuur.
Dit is ook in breder verband zorgwekkend, omdat door het verweesde karakter van het register
ook de status van werken die wel reeds aangewezen zijn (of worden) juridisch gemakkelijker
aanvechtbaar wordt.
                                                                                                      46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Knelpunt 6
Het terughoudend aanwijzingsbeleid van de minister is risicovol gezien een aantal
omstandigheden, zoals het recht op vrij verkeer van goederen in de Europese Unie, het gebrek
aan inzicht in hiaten in het register en het ontbreken van contact met particuliere eigenaren om
belangwekkend cultuurgoed in kaart te brengen.
De commissie constateert dat de samenstelling van het register niet representatief is en dat
daarin belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen ontbreken. Het terughoudend
aanwijzingsbeleid was en is er niet zozeer op gericht om in het register cultuurgoederen en
verzamelingen op te nemen die als zodanig belangwekkend (onvervangbaar en onmisbaar) zijn,
maar om belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen aan te wijzen die anders uit
Nederland dreig(d)en te verdwijnen. De doelstelling van de Wbc en later de Erfgoedwet is het
voorkomen van ongewenste uitvoer van cultuurgoederen en verzamelingen. [ 14 ]
Het van oudsher terughoudende aanwijzingsbeleid is door de minister van OCW na
inwerkingtreding van de Erfgoedwet nog terughoudender gemaakt. Sindsdien is het beleid dat
louter cultuurgoederen en verzamelingen (mogelijk) worden aangewezen die ‘op het punt’ staan
‘voorgoed naar het buitenland te worden uitgevoerd’ (aldus de beleidsregels). In theorie past dit
beleid binnen de doelstelling van de Erfgoedwet.
Echter, de commissie constateert dat met deze uitleg van de Erfgoedwet in de praktijk een (te)
groot risico wordt gelopen. De bescherming die met de Erfgoedwet op papier wordt geboden,
verwezenlijkt zich namelijk niet in de praktijk. Volgens de minister kan een belangrijk
cultuurgoed dat al naar het buitenland is verdwenen immers niet meer op grond van de
Erfgoedwet worden beschermd. Zodra het cultuurgoed is uitgevoerd, is de minister dus te laat.
Tegelijk is uitvoer met de open grenzen binnen de Europese Unie en het recht op vrij verkeer van
goederen heel gemakkelijk; enige controle ontbreekt. Bij de buitengrenzen van de Europese Unie
wordt alleen getoetst of iets in een lidstaat is beschermd zodat bijvoorbeeld daarom een
exportvergunning nodig zou zijn, zo blijkt uit de praktijk. En bovendien, het cultuurgoed is dan
hoe dan ook al in het buitenland. De regeling van de exportvergunning biedt dus ook niet
de benodigde bescherming.
Daar komt nog bij dat er noch via de aanwijzingsregeling noch anderszins waarborgen bestaan
dat de minister überhaupt bekend kan zijn met de aanwezigheid van mogelijk belangwekkende
cultuurgoederen en verzamelingen in particulier bezit. Het ontbreken van goede relaties met
particulieren draagt bij aan de onbekendheid van de minister met mogelijk belangwekkende
cultuurgoederen. De praktijk van de Wbc voorzag nog in een Wbc-commissie, die onder de
verantwoordelijkheid van de Raad voor Cultuur handelde. Deze Wbc-commissie was
benaderbaar voor particulieren en onderhield zelf intensief contacten met dit veld.
De Wbc-commissie bestaat sinds 2014, twee jaar voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet,
niet meer. Evenmin is door het ministerie een andere externe commissie aangewezen om deze
taak uit te voeren. Voor zover de commissie bekend is, heeft het ministerie op dit moment
evenmin een team binnen haar eigen gelederen of binnen de RCE (tevens behorend tot het
ministerie) dat (ontwikkelingen rond) cultuurgoederen signaleert en contacten met particulieren
onderhoudt. Wellicht is dit een logisch gevolg van het terughoudend aanwijzingsbeleid en de
passieve houding van de overheid die daaruit spreekt. In de praktijk wordt dit echter als een
gemis ervaren en leidt het tot onbekendheid van wat er zich in aan cultuurgoederen in particulier
bezit bevindt. Nu is er geen sprake van het onderhouden van een relatie maar louter van
‘toezicht’: de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed bezoekt periodiek de eigenaar of
beheerder van een beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling ter invulling van haar
toezichthoudende functie op grond van de Erfgoedwet. [ 15 ]
                                                                                                  47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Op basis van de interviews constateert de commissie dat op dit moment voor particulieren (en
ook voor handelaren, veilingmeesters, belangenorganisaties et cetera) niet duidelijk is bij wie zij
zich kunnen melden met vragen over hun cultuurbezit of over de vraag of een cultuurgoed of
verzameling – dat al dan niet uit Nederland dreigt te verdwijnen – vanwege de
beschermwaardigheid niet (toch) zou moeten worden aangewezen. Het stellen van deze vraag
wordt bovendien ontmoedigd, zo ervaren de geïnterviewde personen, door het nieuwe
ambtshalve karakter van de aanwijzingsbevoegdheid. De terughoudende, passieve houding van
de overheid leidt in de praktijk klaarblijkelijk tot een onzichtbaar en slecht benaderbaar
ministerie van OCW en RCE. Ook signaleert de commissie dat samenwerking tussen de diverse
betrokken actoren hier niet altijd goed verloopt.
Knelpunt 7
Het terughoudend aanwijzingsbeleid leidt tot rechtsonzekerheid onder betrokkenen en de open
aanwijzingscriteria vergroten deze rechtsonzekerheid alleen maar door het ontbreken van
een uitwerking daarvan.
Mede met inachtneming van het voorgaande wordt de aanwijzingsprocedure in de praktijk als
rechtsonzeker ervaren; het al dan niet aanwijzen van een cultuurgoed of verzameling lijkt te
berusten op toeval en op de omstandigheden van een bepaald moment. Volgens de commissie is
dit haast een inherent – nadelig – effect van het gekozen beleid om pas over aanwijzing te gaan
denken als een cultuurgoed of verzameling op het punt staat uit Nederland te verdwijnen.
De commissie stelt vast dat de in de Erfgoedwet gekozen systematiek van open
aanwijzingscriteria deze rechtsonzekere uitwerking van het terughoudend aanwijzingsbeleid in
de praktijk niet wegneemt en mogelijk zelfs versterkt.
De open aanwijzingscriteria laten de minister van OCW namelijk relatief veel ruimte voor een
eigen interpretatie ervan. De minister heeft er tot op heden niet voor gekozen om de criteria
nader te duiden in beleid of anderszins uit te werken voor de beslispraktijk. De formele
aanwijzingsbesluiten, voorzien van een motivering, worden niet openbaar gemaakt; de
redengevingen van de reeds aangewezen cultuurgoederen en verzamelingen die op de website
van de Collectie Nederland (‘collectienederland.nl’) staan vermeld, zijn beknopt en
geanonimiseerd geformuleerd. Met andere woorden, het is haast niet mogelijk om uit de
inmiddels ontstane aanwijzingspraktijk de open aanwijzingscriteria nader uit te leggen. Hierdoor
is het voor een eigenaar onmogelijk om op basis van de aanwijzingscriteria bij voorbaat zelf de
kans (of het risico) op aanwijzing van zijn of haar cultuurgoed of verzameling in te schatten.
Knelpunt 8
De aanwijzing van een cultuurgoed wordt als een te grote inbreuk op het eigendomsrecht van
particulieren ervaren.
Op basis van haar praktijkonderzoek signaleert de commissie dat eigenaren de beschermde
status van hun cultuurgoed of aanwijzing geregeld als een te grote inbreuk op hun
eigendomsrecht ervaren. Drie omstandigheden dragen hieraan bij:
– Het wordt als een gemis ervaren dat er tussen de particuliere eigenaar en de overheid geen
    wederkerige relatie of dialoog bestaat.
– De overheid levert onvoldoende tegenprestatie op maat aan particuliere eigenaren wier
    cultuurgoed is aangewezen.
– Er ontbreekt een passende, algemeen bekende regeling tot bepaling van de waarde van
    beschermde cultuurgoederen en verzamelingen.
De commissie licht elk van deze omstandigheden hierna verder toe.
                                                                                                    48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Allereerst wordt het als een gemis ervaren dat tussen de particuliere eigenaar en de overheid
geen wederkerige, inhoudelijke relatie of dialoog bestaat. De Collectie Nederland wordt
weliswaar voor een groot deel gevormd door publieke collecties, maar dit laat onverlet dat ook
het particulier bezit een essentieel deel van deze collectie vormt. Daarmee bestaat er een relatie
tussen de Rijksoverheid (de minister van OCW) en de particuliere eigenaren van erkende
(aangewezen) cultuurgoederen en verzamelingen. Eerder al signaleerde de commissie dat er bij
de Rijksoverheid geen duidelijk aanspreekpunt bestaat voor vragen over deze particuliere
collectie. De bestaande contacten tussen particuliere eigenaren en overheidsorganisaties zijn
voornamelijk van controlerende en fiscale (belastende) aard. Het gemis aan een toegankelijk
aanspreekpunt wordt, blijkens de afgenomen interviews, ook ervaren door particuliere eigenaren
en andere betrokkenen, zoals belangenorganisaties van de kunsthandel en het veilingwezen.
Onder hen leeft de behoefte aan een aanspreekpunt bij de Rijksoverheid waar in
vertrouwelijkheid zaken en vragen over particulier bezit kunnen worden besproken. Een
dergelijke mogelijkheid zou een passende invulling geven aan het wederkerige karakter van de
relatie tussen de (Rijks)overheid en de particuliere eigenaar van een beschermd cultuurgoed of
beschermde verzameling, waarin beide actoren onmisbaar zijn. Het feit dat de huidige contacten
voornamelijk controlerend en fiscaal van aard zijn, geeft volgens velen een gebrek aan
waardering weer voor de onmisbare rol die particuliere eigenaren spelen in het aankopen en
beheren van belangwekkende cultuurgoederen in Nederland.
Ten tweede levert de overheid onvoldoende tegenprestatie op maat aan particuliere eigenaren,
wat onder eigenaren de ervaring versterkt dat de inbreuk op hun eigendomsrecht met een
aanwijzing van een cultuurgoed te groot is. Zo compenseert de overheid eigenaren niet voor
extra te maken kosten voor zaken als beveiliging en verzekering van het beschermde erfgoed, en
zijn de fiscale voordelen bij vererving zoals geregeld in de Successiewet niet anders voor
eigenaren van een aangewezen cultuurgoed dan voor eigenaren van niet-aangewezen
cultuurgoederen.
De aanwijzing heeft onder meer tot gevolg dat de vrijheid van de eigenaar tot vooral verkoop van
het cultuurgoed in grote mate wordt beperkt, te meer daar de kunsthandel internationaal is.
Deze inbreuk op het eigendomsrecht wordt gerechtvaardigd geacht vanwege het algemeen
belang tot behoud van belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen in Nederland.
In de praktijk leidt een aanwijzing er dikwijls toe dat de kosten voor zaken als beveiliging en
verzekering van het beschermde erfgoed stijgen, overigens ondanks het feit dat de Erfgoedwet
geen eisen stelt aan de beveiliging, verzekering en het onderhoud van het beschermde
cultuurgoed of de beschermde verzameling. (De eigenaar dient het cultuurgoed desgevraagd wel
te tonen aan de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoedwet.) In deze extra kosten komt de
overheid de eigenaar niet tegemoet.
Daarnaast kunnen eigenaren van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen aanspraak
maken op bepaalde rechten, in de vorm van een restauratiesubsidie en mogelijk een fiscaal
voordeel bij vererving. [ 16 ] Dit laatste is de kwijtscheldingsregeling op grond van de
Successiewet, op grond waarvan erfgenamen (een deel van) de te betalen erfbelasting
kwijtgescholden kunnen krijgen als zij een cultuurgoed van nationaal cultuur- of kunsthistorisch
belang aan de Staat schenken. De kwijtschelding bedraagt 120 procent van de waarde van het te
schenken cultuurgoed. Deze regeling geldt echter niet exclusief voor eigenaren (en hun
erfgenamen) van beschermde cultuurgoederen of verzamelingen; ook niet-aangewezen
cultuurgoederen kunnen hiervoor in aanmerking komen, in gelijke mate als reeds aangewezen
cultuurgoederen. Eigenaren ervaren de kwijtscheldingsregeling daarom niet als een compensatie
voor de belastende aanwijzing van hun cultuurbezit. Zij ervaren het als een gemis dat er geen
ruimte is voor maatwerk of individuele afspraken om de belasting van de aanwijzing op enigerlei
wijze (deels) te mitigeren.
                                                                                                   49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>Een derde omstandigheid waarom eigenaren een aanwijzing van een cultuurgoed als een te grote
inbreuk op het eigendomsrecht ervaren, is het ontbreken van een passende, algemeen bekende
regeling tot bepaling van de waarde van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen.
Als de eigenaar een beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling buiten Nederland wil
brengen, bijvoorbeeld bij eigendomsoverdracht, is daarvoor toestemming nodig van de
minister van OCW. Indien de minister bedenkingen heeft bij de uitvoer, gelden deze
bedenkingen ultimo als een aanbod van de Staat tot koop. Naar aanleiding daarvan starten
tussen de eigenaar en de Staat prijsonderhandelingen, waarbij zo nodig de rechtbank Den Haag
kan worden gevraagd de prijs van het cultuurgoed of de verzameling te bepalen. De rechtbank
zal zich in zo’n situatie laten adviseren door externe deskundigen.
Particuliere eigenaren ervaren dit onderhandelingsproces als ondoorzichtig, onder meer omdat
onduidelijk is welke criteria bij het bepalen van de prijs worden gehanteerd. De indruk bestaat
dat het internationale aspect van de kunsthandel niet voldoende bij die prijsonderhandeling
wordt betrokken om een reële(re) (internationale) marktwaarde en koopprijs te kunnen bepalen.
Daarnaast wordt de lange duur als problematisch ervaren.
Knelpunt 9
Er bestaan geen wettelijke waarborgen dat de Staat voldoende middelen tot zijn beschikking
heeft voor aankoop van belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen die uit Nederland
dreigen te verdwijnen.
De commissie signaleert dat er geen wettelijke waarborgen bestaan dat de Staat voldoende
middelen tot zijn beschikking heeft voor aankoop van belangwekkende cultuurgoederen en
verzamelingen die uit Nederland dreigen te verdwijnen. De directe beschikbaarheid van
voldoende financiële middelen om een belangwekkend cultuurgoed te kunnen aankopen, zodat
dit voor Nederland kan blijven behouden, is van evident belang. Het belang van voldoende
financiën is altijd er- en onderkend (zie hierover al het rapport van de evaluatiecommissie Wbc).
Toch is het in het verleden voorgekomen dat de Staat niet bereid was een prijs te betalen die
recht deed aan de marktwaarde van een belangwekkend cultuurgoed en dat de minister daarom
zijn bedenkingen tegen de uitvoer van dit cultuurgoed heeft ingetrokken. Dit had bijna geleid tot
het verdwijnen van het schilderij ‘Paysage près d’Aix avec la tour César’ van Paul Cézanne uit
Nederland, ware het niet dat destijds een Nederlandse particulier het schilderij aankocht en het
werk daarmee voor Nederland werd behouden.
De Volkskrant, 5 februari, 1998 [ 17 ]
De Staat bekostigt de aankoop van een cultuurgoed in principe uit het Nationaal Aankoopfonds.
Dit fonds wordt tussen 2018 en 2020 aangevuld na de aankoop door de Staat van twee
Rembrandtportretten van Marten en Oopjen. In 2018 werd het fonds aangevuld met
25 miljoen euro, in 2019 met 15 miljoen euro en in 2020 volgt nog een aanvulling van
10 miljoen euro. Daarmee zou kunnen worden gezegd dat op dit moment het fonds voldoende
is gevuld.
                                                                                                  50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Echter, omdat het fonds geen wettelijke grondslag kent en de Erfgoedwet of een andere wet geen
financiële regeling ter zake kent, bestaan er volgens de commissie onvoldoende waarborgen dat
het Nationaal Aankoopfonds op elk moment de nodige middelen zal bevatten. Het gebrek aan
deze wettelijke waarborgen leidt bij veel betrokkenen tot de zorg of de Staat indien nodig in staat
is om een belangwekkend cultuurgoed aan te kopen ter behoud van het Nederlandse erfgoed.
Dat is te meer problematisch nu er anderzijds wel zwaar geleund wordt op particuliere bijdragen.
Knelpunt 10
Bekendheid met en adequate voorlichting over de regelingen uit de Erfgoedwet en de benodigde
expertise over de belangwekkendheid van cultuurgoederen ontbreken, in het bijzonder ook bij
de betrokken overheidsorganisaties.
Mede met inachtneming van al het voorgaande valt het de commissie op hoe groot de
onbekendheid met de diverse regelingen uit de Erfgoedwet is, in het bijzonder de reikwijdte en
de (on)mogelijkheden van die regelingen. Dit knelt te meer omdat feitelijke kennis en expertise
ontbreken over de vraag of een cultuurgoed al dan niet belangwekkend is. Het baart de
commissie zorgen dat deze onbekendheid met de regelingen en het ontbreken van de vereiste
expertise ook bij de betrokken overheidsorganisaties aan de orde zijn. Verder is er veel onbekend
over de toepassing van de regelingen in het verleden, zo blijkt vaak uit navraag bij bijvoorbeeld
het ministerie van OCW en de RCE.
Daarmee hangt samen het gegeven dat het voor andere betrokkenen lastig is om in openbare
bronnen volledige en heldere voorlichting over de diverse regelingen te vinden. Ter illustratie
wijst de commissie op de volgende overheidswebsites en de daarop beschikbare informatie:
– De website van het ministerie van OCW kent een aparte webpagina over ‘erfgoed’.
    De hoofdpagina hiervan bevat verschillende kopjes inzake monumenten en archeologie, maar
    niet over roerend cultureel erfgoed. [ 18 ]
Ook de vraag- en antwoordpagina bevat alleen informatie over monumenten. [ 19 ]
Onder het kopje ‘Zie ook’ verwijst de webpagina van OCW onder meer naar ‘Erfgoed telt
(‘cultureelerfgoed.nl’)’ en naar de webpagina van de ‘RCE’ (beide zijn dezelfde webpagina). Het is
niet vanzelfsprekend dat men ermee bekend is dat de RCE als onderdeel van het ministerie van
OCW zorgdraagt voor uitvoering van de regelingen inzake cultuurgoederen van de Erfgoedwet.
– De website van de RCE is onderverdeeld in een aantal domeinen. [ 20 ] Er bestaat een domein
    ‘Collecties en musea’, maar dit domein lijkt alleen over de collecties in openbare instellingen
                                                                                                    51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>    te gaan. Onder het kopje ‘Alle onderwerpen’ is te vinden ‘Collectie Nederland’. [ 21 ] De uitleg
    die daarover wordt gegeven verwijst opnieuw alleen naar collecties van musea en andere
    ‘collectiebeherende instellingen’. [ 22 ] Pas via de ‘Zie ook’-knop naar ‘Collectie Nederland’
    – onder aan de webpagina – komt men terecht op de website ‘collectienederland.nl’. Ook hier
    wordt op het eerste oog alleen informatie over collecties van musea en andere
    cultuurinstellingen gegeven. Echter, onderaan in kleine letters wordt verwezen naar: [ 23 ]
De (onduidelijke benaming) ‘Beschermde collectie’ verwijst door naar een webpagina waarop het
register van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen is te raadplegen. [ 24 ] Op die
webpagina wordt globaal enige uitleg over de aanwijzingsregeling gegeven. Er is geen informatie
te vinden over alle andere regelingen van de Erfgoedwet. Voor zover de commissie heeft kunnen
overzien, is informatie daarover ook niet op andere webpagina’s van de RCE beschikbaar gesteld.
Voor ‘meer informatie’ verwijst de webpagina van de RCE door naar de website van de ‘Inspectie
Overheidsinformatie en Erfgoed’.
– De website van de ‘Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed’ bevat al meer informatie dan
    de websites van het ministerie van OCW en de RCE, maar volgens de commissie nog niet
    voldoende om afdoende bekend te kunnen raken met de precieze betekenis van alle
    regelingen in de Erfgoedwet. [ 25 ] Daarvoor is de Erfgoedwet nog te veel op hoofdlijnen
    beschreven en ontbreekt de praktische uitwerking van de regelingen uit de Erfgoedwet.
    Daar komt bij dat niet bij eenieder bekend is (kan zijn) dat (een deel van de) relevante
    informatie op de website van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed moet
    worden gevonden.
– De website van de ‘Inspectie’ is ingedeeld in een aantal domeinen/deelonderwerpen,
    waaronder ‘Collecties’ en ‘Cultuurgoederen’. Op de webpagina’s van deze onderwerpen is dus
    enige informatie over de toepasselijke wet- en regelgeving te vinden, maar bijvoorbeeld
    ontbreekt informatie over de aanvaardingsplicht van de Staat. De Inspectie heeft een
    brochure online beschikbaar gesteld over de uitvoer van goederen buiten Nederland, maar
    ook deze bevat slechts informatie op hoofdlijnen (en dezelfde tekst als die op de website
    is weergegeven). [ 26 ]
– De website van de ‘Belastingdienst (Douane)’ ten slotte bevat ook enige informatie over de
    Erfgoedwet, in het bijzonder over de exportvergunningen die zo nodig moeten worden
    aangevraagd. [ 27 ] Evengoed geldt ook hier dat deze informatie niet direct voor handen is,
    maar pas via een aantal ‘subkopjes’ van de webpagina. Dit valt te verklaren doordat er
    namens acht verschillende ministeries uitvoering wordt gegeven aan de douanetaken.
Bovendien geldt ook hier dat niet bij voorbaat bij eenieder bekend is (en hoeft te zijn) dat deze
informatie – uitsluitend – op de website van de Belastingdienst is te vinden.
Kortom, de commissie signaleert dat bekendheid met en adequate voorlichting over de
regelingen uit de Erfgoedwet en de benodigde expertise over de belangwekkendheid van
cultuurgoederen ontbreken, in het bijzonder ook bij de betrokken overheidsorganisaties. Het is
voor betrokkenen (te) lastig in openbare (overheids)bronnen heldere informatie over de diverse
                                                                                                     52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>regelingen te vinden. Er wordt haast louter informatie op hoofdlijnen gegeven, deze informatie is
slechts gefragmenteerd vindbaar en bovendien ontbreekt nagenoeg informatie over de
praktische toepassing van de Erfgoedwet.
Knelpunt 11
Het is onvoldoende kenbaar welke (mogelijk) belangwekkende cultuurgoederen uit Nederland
dreigen te verdwijnen, als gevolg waarvan de samenleving geen reële kans heeft om
belangwekkend cultuurgoed voor Nederland te behouden.
De mening wordt breed gedragen dat belangwekkend cultuurgoed bij voorkeur voor Nederland
wordt behouden. Er zijn elf regelingen in de Erfgoedwet die dat tot doel hebben (of negatiever
geformuleerd: die tot doel hebben te voorkomen dat belangwekkend cultuurgoed uit Nederland
verdwijnt). Desalniettemin waarborgen maar twee van de elf regelingen in enige mate dat
betrokkenen ermee bekend kunnen zijn dat een cultuurgoed in particulier of publiek bezit
belangwekkend is én mogelijk uit Nederland dreigt te verdwijnen. Dit staat daadwerkelijke
bescherming van deze cultuurgoederen in de weg.
De énige kenbaarheidsvereisten uit de Erfgoedwet zijn de volgende:
– Als een aangewezen cultuurgoed uit Nederland dreigt te verdwijnen en de minister daartegen
    bedenkingen heeft, dan geeft hij eerst anderen de gelegenheid hun interesse in aankoop van
    dat cultuurgoed te uiten, voordat de Staat zelf een aanbod tot koop doet. De minister maakt
    daarom zijn bedenkingen in de Staatscourant bekend.
– Als de Staat, een provincie of een gemeente voornemens is een cultuurgoed in zijn of haar
    eigendom te vervreemden, dient dit voornemen te worden bekendgemaakt in de
    Staatscourant en in de ‘Afstotingsdatabase’ van de Stichting Museum Register. Dit stelt
    anderen in staat te bepalen of het te vervreemden cultuurgoed mogelijk belangwekkend is en
    daarom voor Nederland zou moeten worden behouden.
Verder kennen de regelingen geen enkel kenbaarheidsvereiste. Een exportvergunning kan
worden aangevraagd, verleend of geweigerd zonder dat iemand daar weet van heeft. Hetzelfde is
mogelijk als een ander publiekrechtelijke rechtspersoon dan de Staat, een provincie of een
gemeente voornemens is een (belangwekkend) cultuurgoed te vervreemden (aan het
buitenland), of als een openbare collectie in publiek of privaat eigendom uit Nederland dreigt te
verdwijnen. In al deze gevallen bestaat er geen reële kans om het cultuurgoed voor Nederland te
behouden (tegen een reële marktprijs voor de eigenaar). Voor zover er al wel kenbaarheidseisen
gelden, houden die publicatie in de Staatscourant in. Deze publicatie wordt lang niet door iedere
(potentiële) betrokkene gelezen.
Tussenconclusie
Resumerend signaleert de commissie de volgende knelpunten in de implementatie en uitvoering
van de Erfgoedwet in de praktijk:
1.  Met de veronderstelling dat de Collectie Nederland ‘af’ zou zijn, wordt geen recht gedaan aan
    het generatie-overstijgende en representatieve belang van deze collectie. Cultuur en
    cultuurgoederen zijn dynamische begrippen, die vragen om een voortdurende herijking van
    wat we belangwekkend vinden.
2.  De vorming en het behoud van de Collectie Nederland berusten sterk op toeval, omdat een
    overkoepelende visie op deze collectie ontbreekt. Het register komt vooral voort uit ‘hobby en
    lobby’, in plaats van uit een stevige visie en bewuste keuzes.
3.  Er bestaat een disbalans in de bescherming van cultuurgoederen in particulier versus publiek
    bezit. Particuliere eigenaren ondervinden meer nadelen van een aanwijzing dan publieke
                                                                                                   53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>    eigenaren ondervinden van de regeling die voor publiek bezit geldt. Zo is de inbreuk op
    hun eigendomsrecht groter.
4.  Het is onder de Erfgoedwet onvoldoende duidelijk wat onder het begrip ‘particulier bezit’
    wordt verstaan en voor welke soort eigenaren de aanwijzingsregeling wel of juist niet
    zou moeten gelden.
5.  Het register van aangewezen cultuurgoederen en verzamelingen is onvoldoende
    representatief en toekomstbestendig, vooral vanwege zijn statische karakter.
6.  Het terughoudend aanwijzingsbeleid van de minister is risicovol gezien een aantal
    omstandigheden, zoals het recht op vrij verkeer van goederen in de Europese Unie, het
    gebrek aan inzicht in hiaten in het register en het ontbreken van contact met particuliere
    eigenaren om belangwekkend cultuurgoed in kaart te brengen. De minister neemt daarom
    met haar terughoudend aanwijzingsbeleid een te groot risico dat belangwekkende
    cultuurgoederen en verzamelingen uit Nederland verdwijnen.
7.  Het terughoudend aanwijzingsbeleid leidt tot rechtsonzekerheid onder betrokkenen en de
    open aanwijzingscriteria vergroten deze rechtsonzekerheid alleen maar door het ontbreken
    van een uitwerking daarvan.
8.  De aanwijzing van een cultuurgoed wordt als een te grote inbreuk op het eigendomsrecht van
    particulieren ervaren, vanwege drie omstandigheden: het ontbreken van een relatie of
    dialoog tussen particuliere eigenaren en de overheid; het gebrek aan een tegenprestatie op
    maat; het ontbreken van een passende, algemeen bekende regeling tot bepaling van de
    waarde van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen.
9.  Er bestaan geen wettelijke waarborgen dat de Staat voldoende middelen tot zijn beschikking
    heeft voor aankoop van belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen die uit
    Nederland dreigen te verdwijnen.
10. Bekendheid met en adequate voorlichting over de regelingen uit de Erfgoedwet en de
    benodigde expertise over de belangwekkendheid van cultuurgoederen ontbreken, in het
    bijzonder ook bij de betrokken overheidsorganisaties.
11. Het is onvoldoende kenbaar welke (mogelijk) belangwekkende cultuurgoederen uit
    Nederland dreigen te verdwijnen, als gevolg waarvan de samenleving geen reële kans heeft
    om belangwekkend cultuurgoed voor Nederland te behouden.
De commissie concludeert dat de Erfgoedwet al veel regelingen kent ter bescherming van het
Nederlands cultuurbezit, maar dat de uitvoering van de wet tekortschiet. De regels zijn niet
voldoende duidelijk en bekend; het is onvoldoende duidelijk wie welke rol vervult bij de
toepassing van de wet in de praktijk; en er wordt onvoldoende verantwoordelijkheid genomen
voor het bieden van de vereiste, effectieve bescherming die de Erfgoedwet op papier biedt.
Verbetering van de implementatie en uitvoering van de Erfgoedwet is volgens de commissie
daarom dringend noodzakelijk. De wet zelf behoeft daarvoor niet tot nauwelijks aanpassing, zij
het dat een aantal kleinere wijzigingen zou bijdragen aan een grotere effectiviteit. In het
volgende hoofdstuk doet de commissie een aantal concrete aanbevelingen voor het wegnemen
van bovengenoemde knelpunten en het verbeteren van de bescherming van cultuurgoederen
en verzamelingen.
                                                                                               54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>   1
Lijsten van ‘gesprekspartners’ en ‘bronnen’ zijn opgenomen in de bijlagen.
   2
Memorie van toelichting bij de Erfgoedwet, pagina 1
   3
Zie ook paragraaf 1.6 van de Memorie van toelichting bij de Erfgoedwet.
   4
Bijlage bij Kamerstukken II 2012/13, 32820, nr. 77, p. 12
   5
Zie ook: Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 53-54: ‘Het register van
aangewezen cultuurgoederen en verzamelingen moet niet losstaand, op zichzelf,
worden beschouwd, maar moet altijd in samenhang worden bezien met het
cultuurbezit dat door de overheid of overheidsmusea wordt beheerd.’
   6
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 54
   7
Raad voor Cultuur, ‘Cultuur dichtbij, dicht bij cultuur’, april 2019, p. 107 (bijlage
bij Kamerstukken II 2018/19, 32820, nr. 281)
   8
Bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 32820, nr. 290
   9
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 54
   10
Zie ook het advies van de Raad voor Cultuur, ‘In wankel evenwicht’ van 19 april
2018.
   11
Opgemerkt moet worden dat veel particuliere eigenaren een aanwijzing ook als
een (positieve) erkenning ervaren; de commissie spreekt hier van een risico in
het licht van de inbreuk op het eigendomsrecht die ermee gepaard gaat.
   12
Een aantal dossiernummers is in de database opgesplitst om de samenstelling
van een dossier nader te kunnen duiden.
   13
Kamerstukken II 1999/00, 26591, nr. 20, p. 5
   14
Zie ook Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 17
   15
Toezichtskader Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed, maart 2019, p. 8: ‘De
Inspectie ziet primair toe op de verblijfplaats van de beschermde
cultuurgoederen. Daartoe inspecteert de Inspectie periodiek alle voorwerpen en
verzamelingen. De eigenaren en beheerders worden daarbij ook ingelicht over de
plichten en rechten die verbonden zijn aan de beschermde status van de
cultuurgoederen, zoals de mogelijkheid tot het verkrijgen van
restauratiesubsidie. Ook wordt tijdens de inspecties geattendeerd op eventuele
risico’s wat betreft beveiliging of bewaaromstandigheden.’
   16
De Deelregeling Beschermd Cultuurgoed of Beschermde Verzameling (Stcrt.
2016, 65476). De regeling biedt de eigenaar van een beschermd cultuurgoed of
beschermde verzameling een bijdrage in de kosten voor bijvoorbeeld restauratie.
Een aanvraag kan worden ingediend bij het Mondriaan Fonds. De bijdrage kent
wel de vereiste dat het gerestaureerde cultuurgoed publiek toegankelijk wordt
gemaakt. Dit is voor een aantal particulieren een onoverkomelijke eis.
   17
‘Onmisbare’ Cézanne gaat verloren voor Nederland.
‘volkskrant.nl’
   18
‘rijksoverheid.nl’
                                                                                      55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>   19
‘rijksoverheid.nl’
   20
‘cultureelerfgoed.nl’
   21
‘cultureelerfgoed.nl’
   22
‘www.cultureelerfgoed.nl’
   23
‘collectienederland.nl’
   24
‘data.collectienederland.nl’
   25
‘inspectie-oe.nl’
   26
‘inspectie-oe.nl’
   27
‘belastingdienst.nl’
                             56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>         Bescherming Cultuurgoederen / Aanbevelingen / 4. Aanbevelingen
          4. Aanbevelingen
In dit hoofdstuk presenteert de commissie haar aanbevelingen voor een adequate bescherming
van het Nederlands (particulier) cultuurbezit. De aanbevelingen hebben betrekking op
wetgeving, beleidsvoering en uitvoering en zijn onderverdeeld in urgente aanbevelingen voor
korte termijn en enkele verdiepende aanbevelingen voor de midden- en lange termijn.
Inleiding
Met de Erfgoedwet heeft de minister volgens de commissie op papier een goed instrument in
handen om cultuurgoederen en verzamelingen zorgvuldig te beschermen. De wet kent elf
regelingen die aan deze bescherming bijdragen. Toch blijkt uit de analyse van de commissie dat
cultuurgoederen en verzamelingen in Nederland in de praktijk (lang) niet voldoende
bescherming genieten. Door problemen rond de uitvoering van de wet en onduidelijkheid over
het bestaan en de interpretatie van sommige regelingen, bestaat steeds de dreiging dat
belangwekkend cultuurgoed uit ons land verdwijnt. Reële mogelijkheden om cultuurgoederen en
verzamelingen voor het Nederlands cultuurbezit te verwerven of te behouden ontbreken, en
bestaande mogelijkheden zijn onder betrokkenen onvoldoende bekend.
Met haar aanbevelingen pleit de commissie voor een beleid waaruit meer visie, ambitie,
maatschappelijk bewustzijn en gevoel van urgentie spreekt dan uit het huidige beleid. De
commissie ziet dit als wezenlijke voorwaarden voor een actieve, effectieve bescherming van
belangwekkend cultuurgoed. De commissie spreekt hiermee zowel de overheid en de minister
aan, als de vele andere betrokkenen bij de uitvoering van de Erfgoedwet.
Rembrandt van Rijn, ‘Portret van Jan Six’, 1654, Collectie Six, Amsterdam
(dossiernummerregister 16, aangewezen in 1985)
                                                                                               57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>Juist omdat erfgoed midden in de maatschappij staat en het iedere Nederlander aangaat, zijn
zovele partijen betrokken bij de bescherming ervan. Het is daarom noodzakelijk dat al die
partijen bekend zijn met de Erfgoedwet en de mogelijkheden die deze biedt om cultuurgoederen
en verzamelingen te beschermen. Eveneens vraagt een dusdanig belangrijk aspect van de
Nederlandse cultuur om een juiste (betere) toepassing van de regelingen uit de wet, kortom om
een ruimhartig, betrokken beleid.
Hieronder doet de commissie in totaal tien aanbevelingen. Zij onderscheidt deze in:
– Drie urgente aanbevelingen die de commissie op korte termijn noodzakelijk acht om een
     adequate bescherming van cultuurgoederen en verzamelingen in Nederland te garanderen
     (aanbevelingen 1 tot en met 3), waaronder vier suggesties tot nieuwe beleidsvorming
     aangaande de regelingen in de Erfgoedwet (aanbevelingen 3.1 tot en met 3.4);
– Zeven aanbevelingen die volgens de commissie nodig zijn om de bescherming van
     cultuurgoederen en verzamelingen in Nederland op middellange en langere termijn te
     verbeteren (aanbevelingen 4 tot en met 10).
Urgente aanbevelingen voor op korte termijn
Drie zaken zijn volgens de commissie in eerste instantie, en op korte termijn, noodzakelijk om
een adequate bescherming van cultuurgoederen en verzamelingen in Nederland te garanderen:
1.   Ontwikkel een visie op de dynamische Collectie Nederland.
2.   Benoem mede daartoe opnieuw een onafhankelijke, vaste deskundigencommissie met de taak
     het cultuurgoed in Nederland verder te inventariseren en te actualiseren, hierover aan de
     minister te adviseren en hierover met het bredere netwerk van particulieren
     te communiceren.
3.   Stel in samenspraak met bovengenoemde deskundigencommissie nieuwe beleidsregels op die
     leiden tot meer rechtszekerheid voor betrokkenen en tot een minder
     terughoudend aanwijzingsbeleid.
Hieronder worden deze aanbevelingen nader toegelicht.
Marlene Dumas, ‘The Schoolboys’, 1986 – 1987, Copyright werk en courtesy image Marlene Dumas
(foto: Peter Cox)
                                                                                               58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>The Schoolboys van Marlène Dumas
Om de restauratie van altaarstukken en de herinrichting te kunnen bekostigen, nam Museum Gouda in 2011 het besluit
om het schilderij ‘The Schoolboys’ van Marlene Dumas te verkopen. Het verzamelbeleid van het museum was
veranderd en het werk paste niet in het nieuwe collectieproﬁel. De gemeenteraad van Gouda ging akkoord met de
verkoop. De kunstenaar was gechoqueerd door het voornemen, dat ook een ﬂinke commotie teweegbracht in de
museumwereld. Niet alleen vanwege de verkoop, maar ook het museum hiermee de LAMO niet volgde. Het schilderij
werd in Londen op de veiling gekocht door een Aziatische verzamelaar.
Nu kan beargumenteerd worden dat werk van Dumas al in verschillende musea hangt, maar zoals Hendrik Driessen, tot
voor kort directeur van Museum de Pont, het stelde: ‘Het gaat niet om dat je een Dumas hebt, maar om welke Dumas
je hebt.’
Aanbeveling 1
Ontwikkel een visie op de dynamische Collectie Nederland.
De commissie adviseert de minister een integrale visie op de dynamische Collectie Nederland te
(laten) ontwikkelen en hieraan uitvoering te geven. Deze visie dient bij te dragen aan de
verwezenlijking van de ambitie om de Collectie Nederland daadwerkelijk te beschermen en te
behouden voor toekomstige generaties in Nederland.
Om een dergelijke visie te ontwikkelen is de vraag cruciaal wat we in Nederland willen hebben en
houden en wat er ontbreekt. De commissie vraagt in dit verband in het bijzonder aandacht voor
(de bescherming van) moderne/hedendaagse kunst en voor cultuurgoederen die hedendaagse
ontwikkelingen als globalisering, multiculturaliteit, diversiteit en digitalisering
vertegenwoordigen, alsmede voor erfgoed van regionaal en lokaal belang.
Aanbeveling 2
Benoem een onafhankelijke, vaste deskundigencommissie met de taak het cultuurgoed in
Nederland verder te inventariseren en te actualiseren, hierover aan de minister te adviseren en
hierover met het bredere netwerk van betrokkenen te communiceren.
Met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet heeft de wetgever (de minister) ervoor gekozen zich
niet langer door een onafhankelijke derde te laten adviseren over de vraag of een cultuurgoed al
dan niet als beschermd moet worden aangewezen. In plaats daarvan doet sindsdien
de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed voorstellen tot aanwijzing van cultuurgoederen en
neemt namens de minister van OCW ook de besluiten hierover. De commissie vindt dit
problematisch, omdat de RCE een onderdeel vormt van het ministerie van OCW. Hiermee neemt
de RCE geen onafhankelijke positie in en daarbij is de deskundigheid
onvoldoende gegarandeerd.
De commissie acht het (opnieuw) instellen van een onafhankelijke en vaste
deskundigencommissie noodzakelijk om een gedegen aanwijzingsbeleid te kunnen voeren.
Deze commissie dient de belangrijke taak te krijgen te inventariseren welk belangwekkend
cultuurgoed zich momenteel in publiek en particulier bezit in Nederland bevindt. Vooral waar
het cultuurgoederen en verzamelingen in particulier bezit betreft, dient de commissie zich de
vraag te stellen of dit cultuurgoed in voldoende mate is beschermd. Is dit niet het geval, dan
dient te worden onderzocht of het cultuurgoed alsnog, via een aanwijzing, kan of moet worden
opgenomen in het register.
Om een proactief, betrokken, gefundeerd beleid te kunnen voeren, dient de minister de
genoemde deskundigencommissie te belasten met een vierledig takenpakket:
Inventariseren
De commissie dient te inventariseren welk belangwekkend cultuurgoed zich momenteel in
publiek en particulier bezit in Nederland bevindt. Deze inventarisatie zal allereerst bijdragen aan
een beter beeld van de collectie die zich in Nederland bevindt, wat tevens bijdraagt aan het
ontwikkelen van een visie op de Collectie Nederland. De gewenste inventarisatie is daarnaast van
                                                                                                                   59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>belang om te voorkomen dat belangwekkende cultuurgoederen of verzamelingen buiten
Nederland dreigen te worden gebracht zonder dat hun bestaan en/of hun belang gekend is.
Actualiseren
De hiervoor genoemde inventarisatie en de te ontwikkelen visie zullen een beter beeld doen
ontstaan van het geheel aan cultuurgoederen die voor Nederland beschermwaardig zijn, zowel in
publiek als in particulier bezit. Zo zal een scherper beeld bestaan rond moderne en hedendaagse
kunst, vormgeving en mobiel erfgoed. Indien het nodig is overheidsbescherming te bieden door
toepassing van een of meer van de elf regelingen uit de Erfgoedwet, dient de commissie dat
vast te leggen.
Adviseren
Op basis van haar beeld van wat zich aan belangwekkend cultuurgoed in Nederland bevindt in
particulier en publiek bezit kan de commissie de minister weloverwogen adviseren over het
aanwijzen van cultuurgoederen en verzamelingen als beschermwaardig. Verder kan de
commissie de minister adviseren over de vraag of een reeds aangewezen cultuurgoed of
verzameling nog steeds moet worden beschermd, en of een aangewezen cultuurgoed of
verzameling buiten Nederland mag worden gebracht.
Informeren en communiceren (loketfunctie)
Tot de taak van de nieuw in te stellen deskundigencommissie hoort ook het aanleggen en
onderhouden van contacten met (particuliere) eigenaren van (mogelijk) belangwekkende
cultuurgoederen. Deze taak gaat voor een groot deel samen met de hiervoor genoemde taken.
Onder particuliere eigenaren bestaat vaak de behoefte om in vertrouwen te overleggen over
bijvoorbeeld de status en het belang van hun bezit. Het ministerie van OCW (als bevoegd gezag)
en de in te stellen deskundigencommissie (als adviseur van OCW) lenen zich onvoldoende voor
een dergelijke vertrouwensfunctie. De commissie adviseert deze functie daarom te beleggen bij
een aan de commissie verwante afvaardiging van deskundigen, die formeel geen deel uitmaakt
van de commissie maar daarmee wel directe banden onderhoudt en waar nodig en gewenst de
kennis en kunde van de commissie kan inroepen.
De commissie adviseert in dit verband tevens een (informele) overlegstructuur op te zetten
tussen de nieuwe deskundigencommissie en de Successiecommissie, die beoordeelt of een
cultuurgoed van nationaal cultuur- of kunsthistorisch belang is en daarom in aanmerking komt
voor de fiscale kwijtscheldingsregeling.
Tot slot is wenselijk dat aan het programma ‘Zeer vermogende personen’ van het ministerie van
Financiën een lid met kennis van de culturele sector en de Erfgoedwet wordt toegevoegd.
Het voorgaande kan als volgt zijn neerslag krijgen in wet- en (beleids)regelgeving. Op grond van
de Erfgoedwet is het de minister die de besluiten neemt. De bevoegdheid tot aanwijzing is
gemandateerd aan de RCE. De wet kan op dit punt ongewijzigd blijven. De mandaatregeling
moet volgens de commissie worden ingetrokken. De commissie adviseert de minister om in
plaats daarvan in een beleidsregel vast te leggen dat er een onafhankelijke
deskundigencommissie is, bijvoorbeeld onder verantwoordelijkheid van de Raad voor Cultuur,
met de hiervoor beschreven taken. Het is volgens de commissie nu niet direct nodig de
Erfgoedwet te wijzigen, hoewel het op termijn raadzaam is de deskundigencommissie van een
wettelijke grondslag te voorzien. Dit zou kunnen gebeuren naar aanleiding van de evaluatie van
de Erfgoedwet die in 2020 van start gaat.
Naar verwachting kan de in te stellen deskundigencommissie met stevig onderbouwde adviezen
aan de minister komen, tot stand gekomen vanuit haar onafhankelijke positie en vanuit de in de
commissie belegde deskundigheid. De minister is verplicht de adviezen zorgvuldig in overweging
te nemen en er alleen met een deugdelijke motivering van af te wijken.
                                                                                                 60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>De commissie drukt de minister op het hart bovenstaande aanbevelingen over te nemen. Ze
benadrukt dat haar overwegingen zwaarwegender zijn dan die van de wetgever destijds om de
wettelijke plicht van de minister af te schaffen om zich door (de vroegere commissie van) de
Raad voor Cultuur te laten informeren. Volgens de wetgever had de adviesrol van de
Raad voor Cultuur geen ‘meerwaarde’, omdat de Raad voor Cultuur niet zozeer adviseert over
individuele gevallen maar meer over strategische aangelegenheden. De commissie meent dat de
wetgever met deze motivering is voorbijgegaan aan het feit dat de advisering voorheen
geschiedde door een door de raad speciaal voor deze taak ingestelde commissie, die juist wel
beoogde over individuele gevallen te adviseren.
Aanbeveling 3
Stel in samenspraak met bovengenoemde deskundigencommissie nieuwe beleidsregels op die
leiden tot meer rechtszekerheid voor betrokkenen en tot een minder
terughoudend aanwijzingsbeleid.
Een belangrijk knelpunt bij de huidige implementatie en toepassing van de Erfgoedwet is de
onduidelijkheid over een aantal zaken met betrekking tot de aanwijzingsregeling.
Deze onduidelijkheden kunnen volgens de commissie eenvoudig worden weggenomen in nieuw
op te stellen beleidsregels. De commissie adviseert de minister om deze beleidsregels in nauwe
samenspraak met de in te stellen deskundigencommissie tot stand te brengen.
In de nieuwe beleidsregels moeten in elk geval de volgende onderwerpen aan de orde komen:
De verhouding tussen de verschillende regelingen in de Erfgoedwet, in het bijzonder ten
aanzien van de aanwijzingsregeling (aanbeveling 3.1).
Het is op dit moment onduidelijk wanneer welke regeling uit de Erfgoedwet van toepassing is of
kan zijn. In het bijzonder is onduidelijk hoe de aanwijzingsregeling zich verhoudt tot de andere
regelingen uit de Erfgoedwet.
Toepassing van de aanwijzingsregeling op publiek versus particulier bezit
(aanbeveling 3.2).
Vanwege bovengenoemde onduidelijkheid bestaat eveneens onduidelijkheid over de vraag voor
wie de aanwijzingsregeling nu precies geldt. In de tekst van de aanwijzingsregeling komt geen
verwijzing naar ‘particulier bezit’ voor, maar er wordt algemeen aangenomen dat de regeling
primair op particulier bezit van toepassing zou zijn. Als dat al het geval is, waarover de
beleidsregel verduidelijking kan bieden, is de vraag wat dan precies wordt verstaan
onder ‘particulier bezit’.
Nadere invulling van de aanwijzingscriteria met inachtneming van de huidige tijdsgeest
(aanbeveling 3.3).
De criteria van de aanwijzingsregeling geven (particuliere) eigenaren van cultuurgoederen
onvoldoende houvast om zelf te kunnen beoordelen of hun cultuurgoederen voor aanwijzing in
aanmerking kunnen komen.
Een minder terughoudend aanwijzingsbeleid en voor particuliere eigenaren van een
aangewezen cultuurgoed of verzameling een tegenprestatie op maat (aanbeveling 3.4).
De commissie stelt vast dat het terughoudend aanwijzingsbeleid om alleen bij spoedeisende
gevallen tot aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling over te gaan, niet past binnen de
omstandigheden zoals het recht op vrij verkeer van goederen binnen de Europese Unie en het
feit dat de Erfgoedwet geen werking heeft voor cultuurgoederen die zich in het buitenland
bevinden. Het terughoudend aanwijzingsbeleid staat een daadwerkelijke bescherming van
cultuurgoederen en verzamelingen daarom in de weg. Een actief, betrokken aanwijzingsbeleid is
geboden om het cultuurgoed in Nederland beter te beschermen. Daar staat tegenover dat aan de
                                                                                                 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>particuliere eigenaar van een aangewezen cultuurgoed of verzameling voor de inbreuk op zijn
eigendom sneller een tegenprestatie op maat moet kunnen worden geleverd.
Deze vier concrete aanbevelingen werkt de commissie in de volgende paragraaf nader uit.
Aanbevelingen voor nieuwe beleidsregels
Aanbeveling 3.1
Veranker de verhouding tussen de verschillende regelingen in de Erfgoedwet in beleid, in het
bijzonder ten aanzien van de aanwijzingsregeling.
Zoals in dit advies al meermalen aangetoond, bevat de Erfgoedwet al veel regelingen ter
bescherming van cultuurgoederen. Dat deze regelingen in de praktijk onvoldoende effectief zijn
om te bepalen welke cultuurgoederen al dan niet aangewezen worden als beschermd erfgoed is
voornamelijk te wijten aan de grote onbekendheid met (het bestaan van) de verschillende
regelingen en aan onduidelijkheid rond de vraag wanneer welke regeling concreet van toepassing
is of kan zijn. Dit zijn belangrijke aandachtspunten voor een correcte implementatie van de
Erfgoedwet in de praktijk.
De commissie beveelt de minister daarom aan om in beleid een nadere uitleg vast te leggen van
de regels van de Erfgoedwet, zoals hij die hanteert bij het gebruik van zijn bevoegdheden op
grond van die wet. [ 1 ] Uit het beleid zou, duidelijker dan nu op grond van de Erfgoedwet, moeten
blijken in welke situatie welke regeling of regelingen van toepassing zijn. Dit kan bijvoorbeeld
door enkele denkbare scenario’s (zie de voorbeelden hieronder) uit te werken in beleid, en
hierover verder adequate voorlichting te verschaffen.
Een voorbeeld dat nadere uitwerking behoeft in beleid, is dat de Erfgoedwet de mogelijkheid
kent om openbare collecties aan te wijzen, waarna werken daaruit alleen vervreemd mogen
worden met toestemming van de eigenaar. De commissie heeft dergelijke aanwijzingen niet
aangetroffen, terwijl het wel de bedoeling was van de wetgever om van deze
aanwijzingsmogelijkheid gebruik te maken. Dat doel zou in beleid moeten worden vastgelegd.
Een ander voorbeeld is de verhouding tussen de aanwijzingsregeling en de regeling inzake de
exportvergunning voor het buiten de EU brengen van een cultuurgoed. Is een cultuurgoed
aangewezen als beschermd cultuurgoed maar heeft de minister geen bedenkingen geuit tegen
uitvoer van dit cultuurgoed buiten Nederland, en wordt de verplichte exportvergunning
aangevraagd, dan zal dit de verlening van de vergunning niet tegenhouden. Is een cultuurgoed
niet aangewezen maar valt het wel binnen een van de categorieën van de Europese Verordening,
dan zal toch ook een exportvergunning moeten worden aangevraagd. In beginsel zal die
vergunning worden verleend, tenzij de minister alsnog meent dat het cultuurgoed (met spoed)
moet worden aangewezen ter behoud ervan in Nederland. De daarmee gepaard gaande
bureaucratische last zou mogelijk kunnen afnemen wanneer op Europees niveau kon worden
bereikt dat er meer uitzonderingen worden toegestaan op de eis van een exportvergunning.
Aanbeveling 3.2
Veranker de toepasselijkheid van de aanwijzingsregeling voor particulier versus publiek bezit
in beleid.
Algemeen wordt aangenomen dat de aanwijzingsregeling primair bedoeld is voor
cultuurgoederen en verzamelingen in ‘particulier bezit’. In haar onderzoek heeft de commissie
gesignaleerd dat dit zo vaak gebruikte begrip ‘particulier bezit’ geen recht doet aan het
onderscheid tussen de vele soorten particuliere bezitters van cultuurgoederen en verzamelingen.
                                                                                                   62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>De commissie acht het daarom ten eerste van wezenlijk belang dat de minister in de op te stellen
beleidsregel specificeert voor wie de aanwijzingsregeling geldt en wat in dat verband wordt
verstaan onder ‘particulier bezit’. De vraag dient te worden beantwoord voor welke type
(particuliere) bezitter de aanwijzingsregeling van toepassing is. De commissie adviseert de
minister om de door haar in dit advies aangedragen definitie van particulier bezit over te nemen:
‘cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van privépersonen en privaatrechtelijke
rechtspersonen zoals stichtingen. Met andere woorden, niet de Staat, provincies, gemeenten of
andere publiekrechtelijke rechtspersonen maar wel alle andere denkbare eigenaren hebben
cultuurgoederen “in particulier bezit” (eigendom).’ [ 2 ]
De commissie constateerde reeds dat er een grote verscheidenheid bestaat aan particuliere
bezitters. Cultuurgoederen en verzamelingen in het particulier domein zijn in eigendom van
privaatrechtelijke overheidsorganisaties, van commerciële bedrijven (BV’s en NV’s), van
stichtingen met een bredere of meervoudige doelstelling, van stichtingen die louter het houden
en beheren van belangwekkend cultuurgoed als doelstelling hebben, van private rechtspersonen
die mede met overheidsmiddelen worden gefinancierd en van privéverzamelaars. Ook dit
gegeven zou haar weerslag in het beleid moeten krijgen.
De aanwijzing van een belangwekkend cultuurgoed of verzameling biedt de meest verstrekkende
bescherming. Uitvoer van een aangewezen cultuurgoed of verzameling buiten Nederland zonder
de vereiste toestemming van de minister van OCW is in dat geval strafbaar en biedt tevens grond
voor een internationale vordering tot teruggave aan Nederland.
Vaas met decor van drie-tenige draak, China, 1403 – 1424, Keramiekmuseum Princessehof, Leeuwarden,
bruikleen Ottema-Kingma Stichting
                                                                                                   63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Men reist er vanuit China voor naar Leeuwarden
Deze vaas uit de Ming-periode is één van de topstukken van het Keramiekmuseum Princessehof. Er zijn ter wereld nog
drie vazen bekend van deze kwaliteit en in China is de waardering voor dit object zo groot dat men ervoor naar
Leeuwarden reist. De vaas is eigendom van de Ottema-Kingma Stichting (OKS).
De naamgever van de OKS, Nanne Ottema, was notaris, verzamelaar, kunsthistoricus, publicist, bestuurder, politicus,
strijder voor natuur- en cultuurbehoud, museumstichter en ﬁlantroop. Zijn grote kunstcollectie, bestaande uit onder
andere (Friese) kunst en kunstnijverheid en Aziatica, en zijn vermogen liet hij na aan de OKS. Deze stichting bracht de
collectie onder bij verschillende musea in Friesland. De collectie is statutair beschermd. Wanneer het bestuur besluit tot
ophefﬁng van de stichting, is daarvoor eerst toestemming nodig van het Koninklijk Fries Genootschap. Deze bepaling in
de statuten kan niet gewijzigd worden.
Enkele omstandigheden kunnen de minister volgens de commissie nopen tot een andere
afweging van belangen, en het besluit een cultuurgoed of verzameling niet op grond van de
Erfgoedwet aan te wijzen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de volgende omstandigheden,
waarvan per concreet geval zal moeten blijken of zij daadwerkelijk de vereiste waarborgen
bieden tot bescherming van een cultuurgoed:
– Statutaire waarborgen
      In de statuten van de privaatrechtelijke eigenaar van belangwekkend cultuurgoed kan zijn
      vastgelegd dat de cultuurgoederen in eigendom van die stichting niet (zonder meer) definitief
      buiten Nederland mogen worden gebracht. Dit kan zijn geregeld via de statutaire doelstelling
      van de privaatrechtelijke rechtspersoon, of via statutaire waarborgen in de besluitvorming
      door de interne organen van die privaatrechtelijke rechtspersoon.
– Toepasselijkheid van de LAMO
      Als op het cultuurgoed of de verzameling in kwestie de beschermwaardigheidsregeling van
      de LAMO van toepassing is, kan dat reden zijn die stukken niet te hoeven aanwijzen
      voor bescherming.
– (Subsidie)voorwaarden van de overheid
      Als een (privaatrechtelijke rechts)persoon subsidie ontvangt van een overheidsorgaan en in
      de toepasselijke regels als voorwaarde is gesteld dat alleen een recht op die subsidie bestaat
      bij behoud van het cultuurgoed voor Nederland, kan dat reden zijn om af te zien
      van een aanwijzing.
– (Culturele) ANBI-status
      De commissie meent dat een eventuele ANBI-status (waarbij een stichting door de fiscus is
      aangemerkt als een ‘algemeen nut beogende instelling’) in samenhang met andere
      omstandigheden aanleiding kan geven cultuurgoederen of verzamelingen in eigendom van
      die stichting niet te hoeven aanwijzen.
– Het betreft een cultuurgoed dat in het kader van het restitutiebeleid (WO II) aan de
      rechtmatige eigenaar is teruggegeven.
De minister moet hierbij wel beseffen dat wanneer cultuurgoederen in strijd met
bovengenoemde waarborgen toch buiten Nederland worden gebracht, die cultuurgoederen niet
naar Nederland kunnen worden teruggehaald op grond van de internationale regels inzake de
onrechtmatige uitvoer van cultuurgoederen en het recht op teruggave ervan, en dat evenmin
sprake is van een strafrechtelijk delict. Als een cultuurgoed bijvoorbeeld in strijd met de
subsidievoorwaarden buiten Nederland is gebracht, leidt dat hooguit tot terugvordering van de
subsidie. De minister zal zich bij de afweging van belangen bewust moeten zijn van dit risico.
Wanneer op andere waarborgen dan een aanwijzing wordt vertrouwd, is de bescherming minder
waterdicht. Daar staat tegenover dat de inbreuk op het recht op eigendom van de eigenaar moet
zijn geoorloofd, wat pas aan de orde is als in de afweging van belangen expliciet rekening is
gehouden met dit soort buitenwettelijke waarborgen. De commissie adviseert verder bij de
voorgenomen evaluatie van het restitutiebeleid een definitief oordeel te vellen over de vraag of
gerestitueerde kunst in aanmerking zou kunnen komen voor aanwijzing.
                                                                                                                           64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>Aanbeveling 3.3
Veranker een nadere invulling van de aanwijzingscriteria in beleid, met inachtneming van
de huidige tijdgeest.
De open aanwijzingscriteria zorgen voor rechtsonzekerheid onder betrokkenen. Deze
rechtsonzekerheid is tot op heden niet weggenomen met een nadere uitwerking van die criteria
in beleid. De commissie adviseert de minister daarom de aanwijzingscriteria nader te (laten)
uitwerken en deze nadere uitwerking periodiek te actualiseren, naar de dan geldende tijdgeest en
de ontwikkelingen die op dat moment gaande zijn in de samenleving.
De minister zou aan deze aanbeveling gevolg kunnen geven door de aanwijzingscriteria nader toe
te lichten in de op te stellen beleidsregel, of door in de beleidsregel vast te leggen dat de nieuwe
deskundigencommissie in een eigen richtlijn de aanwijzingscriteria nader uitwerkt.
Ongeacht voor welke methode wordt gekozen, is de betrokkenheid van de
deskundigencommissie bij de uitwerking van de aanwijzingscriteria essentieel. (Zo was de
voormalige Wbc-commissie ook nauw betrokken bij de totstandkoming van de huidige
aanwijzingscriteria die destijds al onder de Wbc golden.)
De minister kan ter inspiratie een voorbeeld nemen aan hoe in het Verenigd Koninkrijk een
nadere invulling wordt gegeven aan de daar geldende, tevens open geformuleerde
‘Waverley-criteria’ voor export van belangwekkend cultuurgoed, en hoe deze invulling periodiek
wordt heroverwogen. Het Britse Department for Culture, Media & Sport stelt elke vijf jaar een
‘Statutory guidance’ op met een uitwerking van de Waverley-criteria voor ‘export controls on
objects of cultural interest’. Deze uitwerking wordt verder ter controle voorgelegd aan
het parlement.
De commissie beveelt de minister sterk aan uitvoering te geven aan het voorgaande, bijvoorbeeld
onder auspiciën van de Raad van Cultuur. De open aanwijzingscriteria geven (particuliere)
eigenaren onvoldoende houvast om in te schatten of hun cultuurgoed of verzameling voor
aanwijzing in aanmerking komt.
Een uitwerking van de open aanwijzingscriteria is verder van belang met het oog op de
aanbevolen actualisatie van het register van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen.
Deze actualisatie is van groter nut als eerst preciezer wordt vastgesteld wat onder de
aanwijzingscriteria in de huidige tijdgeest wordt verstaan.
Aanbeveling 3.4
Hanteer een minder terughoudend aanwijzingsbeleid.
In hoofdstuk 3 signaleerde de commissie dat de minister met haar (meer dan) terughoudend
aanwijzingsbeleid een te groot risico neemt dat belangwekkende cultuurgoederen en
verzamelingen uit Nederland verdwijnen. Het terughoudende aanwijzingsbeleid wringt vanwege
drie omstandigheden:
– het ontbreken van rechtskracht van de Erfgoedwet buiten de Nederlandse grenzen;
– het bestaande recht op vrij verkeer binnen de Europese Unie;
– het gegeven dat de minister onvoldoende bekend is met de cultuurgoederen en
    verzamelingen in Nederland die (mogelijk) belangwekkend zijn.
De tweede omstandigheid was nog niet aan de orde ten tijde van de inwerkingtreding van de
Wbc, toen er namelijk nog controles aan de Nederlandse grens bestonden.
                                                                                                     65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>In Duitsland leidde de afschaffing van zulke grenscontroles tot het instellen van een
exportvergunningseis ten aanzien van (Duits) roerend erfgoed; na bestudering vindt de
commissie dit voor Nederland geen goede oplossing vanwege de hoge administratieve lasten die
ermee gepaard gaan en de verstrekkende gevolgen hiervan. [ 3 ] Zij meent dat de huidige
aanwijzingsregeling zonder grenscontrolesysteem alsnog naar behoren kan functioneren, maar
dat het vrije verkeer van goederen binnen de Europese Unie wel vraagt om een (veel) actiever
aanwijzingsbeleid. Immers, zodra een werk eenmaal buiten Nederland is, treft een
spoedaanwijzing geen doel meer.
De commissie heeft in dit hoofdstuk reeds aanbevolen het aanwezige cultuurgoed in Nederland
te inventariseren en op basis daarvan het register te actualiseren. Nog beter zou zijn om de
hiaten in het publieke deel van het Nederlands kunstbezit op te vullen, waarmee de noodzaak
afneemt tot aanwijzing van cultuurgoederen en verzamelingen in particulier bezit.
Met de aanbeveling tot inventarisatie en actualisatie van het register wordt het huidige,
terughoudende aanwijzingsbeleid ingeruild voor een actief, betrokken aanwijzingsbeleid. De
commissie beveelt verder aan het register van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen
up-to-date te houden. [ 4 ] De inventarisatie en actualisatie laten immers onverlet dat de eerste
twee hierboven genoemde omstandigheden blijven gelden. Het op dat moment opnieuw
hanteren van een terughoudend aanwijzingsbeleid zou dan tot dezelfde risico’s leiden als die
thans door de minister worden genomen.
Aanbevelingen voor de middellange en langere termijn
Naast de drie aanbevelingen voor op korte termijn adviseert de commissie voor de middellange
en langere termijn het volgende om de balans tussen de bescherming van publiek en particulier
cultuurbezit te verbeteren en de regelingen uit de Erfgoedwet effectiever in te zetten:
4.  Bied de particuliere eigenaar van een aangewezen cultuurgoed of verzameling een
    tegenprestatie op maat.
5.  Vergroot de kenbaarheid over de regelingen uit de Erfgoedwet en het nieuw op te stellen
    beleid door middel van aangescherpte, duidelijke voorlichting.
6.  Neem in de wet een bekendmakingsregeling op om betrokkenen op de hoogte te stellen
    wanneer belangwekkende cultuurgoederen uit Nederland dreigen te verdwijnen, en verleng
    de termijn waarop potentiële kopers zich kunnen melden bij de minister.
7.  Ontwikkel een model of protocol om de (internationale) marktwaarde van een cultuurgoed of
    verzameling te bepalen bij een aanbod tot koop door de Staat.
8.  Waarborg, liefst bij wet, dat er altijd voldoende overheidsmiddelen aanwezig zijn in het
    Nationaal Aankoopfonds, voor eventuele aankoop van (beschermde) cultuurgoederen en
    verzamelingen die uit Nederland dreigen te verdwijnen.
9.  Voeg aan het College van Rijksadviseurs een Rijksadviseur toe.
10. Er moet een jaarlijkse informatieplicht aan de Tweede Kamer komen over de toepassing van
    de regelingen uit de Erfgoedwet, door middel van een jaarverslag.
Hieronder worden deze aanbevelingen nader toegelicht.
Aanbeveling 4
Bied de particuliere eigenaar van een aangewezen cultuurgoed of verzameling tegenprestatie
op maat.
Tegenover een actiever, meer betrokken aanwijzingsbeleid moet volgens de commissie staan dat
de eigenaar van een aangewezen cultuurgoed of verzameling zoveel mogelijk wordt ontlast en de
inbreuk op zijn eigendom zoveel mogelijk wordt verzacht, meer dan momenteel het geval is.
Een wederkerige relatie tussen overheid en particuliere eigenaren is daarvoor van essentieel
belang. In het kader van die relatie moeten overheid en eigenaar afspraken (op maat) maken om
                                                                                                  66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>de inbreuk op het eigendomsrecht voor de eigenaar te verzachten. Te denken valt aan een
overheidsbijdrage aan de beveiliging en verzekering van het cultuurgoed of een gunstige
toepassing van de fiscale kwijtscheldingsregeling op grond van de Successiewet. Voor dit soort
tegemoetkomingen op maat zou te meer ruimte moeten zijn als met de particuliere eigenaar
wordt overeengekomen dat hij het aangewezen cultuurgoed voor publiek in Nederland
toegankelijk maakt of houdt, zoals door bruikleen aan een museum. [ 5 ]
De commissie adviseert in het bijzonder te onderzoeken of de huidige kwijtscheldingsregeling op
grond van de Successiewet voor een eigenaar van een aangewezen cultuurgoed verdere
voordelen kan bieden dan de huidige kwijtschelding van 120 procent van de waarde van het
cultuurgoed. Dit percentage geldt immers voor elk belangwekkend cultuurgoed (ook het niet
aangewezene). De commissie meent dat eigenaren van een aangewezen cultuurgoed aanspraak
zouden moeten kunnen maken op een hoger percentage dan 120, als weerslag van het verschil
tussen hun situatie en die van eigenaren van niet-aangewezen cultuurgoederen.
Aanbeveling 5
Vergroot de kenbaarheid over de regelingen uit de Erfgoedwet en het nieuw op te stellen beleid
door middel van aangescherpte, duidelijke voorlichting.
Een grotere kenbaarheid over en bekendheid met de regelingen uit de Erfgoedwet en het nieuw
op te stellen beleid draagt bij aan een betere bescherming van het Nederlands cultuurbezit
in de praktijk.
De commissie constateert dat op het vlak van voorlichting nog veel terrein is te winnen, en dat
dit zonder al te grote inspanningen te realiseren zou moeten zijn. De rijksoverheid dient daartoe
volledige en gedetailleerde informatie over de diverse regelingen uit de Erfgoedwet en in het
bijzonder de aanwijzingsregeling online en offline beschikbaar te stellen, en deze via een centrale
(online) plek toegankelijk te maken. De nieuw in te stellen deskundigencommissie kan
belangstellenden hiernaar verwijzen.
Aanbeveling 6
Neem in de wet een bekendmakingsregeling op om betrokkenen op de hoogte te stellen wanneer
belangwekkende cultuurgoederen uit Nederland dreigen te verdwijnen, en verleng de termijn
waarop potentiële kopers zich kunnen melden bij de minister.
In het hoofdstuk ‘De Erfgoedwet in de praktijk’ heeft de commissie gesignaleerd dat
onvoldoende bekend is (en kan zijn) welke (mogelijk) belangwekkende cultuurgoederen uit
Nederland dreigen te verdwijnen. Als gevolg hiervan heeft de samenleving geen reële kans om
belangwekkend cultuurgoed voor Nederland te behouden. De commissie ervaart dit als een
wezenlijk knelpunt. Het vormt een groot risico in het geval van cultuurgoederen die niet of
nauwelijks publiek toegankelijk zijn, zoals cultuurgoederen van privéverzamelaars, private
musea of bijvoorbeeld waterschappen of universiteiten. Deze laatste twee publiekrechtelijke
rechtspersonen hebben immers, anders dan de Staat, provincies of gemeenten, geen
bekendheidmakingsplicht bij het voornemen een cultuurgoed uit hun eigendom te vervreemden.
Volgens de commissie is aanpassing van de diverse regelingen uit de Erfgoedwet nodig, door in
die wet een algemene bekendmakingsregeling op te nemen die voor alle regelingen geldt.
Een dergelijke regeling staat verder ten dienste van de nieuwe koers van de wetgever in de
Erfgoedwet om meer en vaker een beroep te doen op het museale veld en het particulier initiatief
om die cultuurgoederen voor Nederland te behouden. Het museale veld en particulieren moeten
dan wel kunnen weten dat belangwekkend cultuurgoed uit Nederland dreigt te verdwijnen, en er
moet voldoende tijd bestaan om aan dit particulier initiatief uitvoering te kunnen geven.
De commissie vindt daarom de huidige wettelijke termijn waarbinnen potentiële kopers zich bij
                                                                                                    67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>de minister kunnen melden (zes weken) te krap. Zij adviseert een wetswijziging op dit onderdeel
voor die gevallen waarin partijen niet vrijwillig willen meewerken aan verlenging van de termijn.
Naast het uitbreiden van de zeswekentermijn is het volgens de commissie het overwegen waard,
te meer daar als reden van terughoudend aanwijzingsbeleid het gebrek aan voldoende financiële
middelen wordt genoemd, te bezien of een nieuw te ontwikkelen fiscaliteit binnen de huidige
wetgeving, uitsluitend in te zetten in het kader van het roerend erfgoed in de Erfgoedwet, ten
dele tegemoet kan komen aan dit genoemde gebrek aan financiële middelen.
De commissie adviseert verder dat bedenkingen (in het kader van de aanwijzingsregeling) en
voornemens tot vervreemding (in het kader van de publieke regeling) behalve in de
Staatscourant ook worden gepubliceerd op een (centraal) platform dat gemakkelijker is te
vinden. Te denken valt aan de website van de nieuwe deskundigencommissie. Bij voorkeur wordt
deze publicatieplicht in de Erfgoedwet verankerd, door vast te leggen dat op tijd kenbaar wordt
gemaakt welk (belangwekkend) cultuurgoed uit Nederland dreigt te verdwijnen. De nieuwe
deskundigencommissie of een aanspreekpunt binnen het ministerie van OCW kan vervolgens
eventuele interesse van een potentiële (particuliere of publieke) koper uit Nederland
bekendmaken bij de eigenaar van het desbetreffende cultuurgoed. Met een dergelijke regeling
hoeft geen uitzondering te worden gemaakt op de privacyregels.
Aanbeveling 7
Ontwikkel een model of protocol om de (internationale) marktwaarde van een cultuurgoed of
verzameling te bepalen bij een aanbod tot koop door de Staat.
Voor betrokken particuliere eigenaren bestaat tot op heden onduidelijkheid over de
totstandkoming van een eventueel prijsaanbod tot koop door de Staat. Van eerdere voorbeelden
is bekend dat de Staat zich mede baseert op waardebepalingen door deskundigen. De rechtbank
Den Haag past eenzelfde soort procedure toe als door betrokken partijen wordt gevraagd in een
gerechtelijke procedure de prijs vast te stellen.
Met deze aanpak is de hoogte van de (geboden) prijs sterk afhankelijk van de deskundige(n) die
voor de vaststelling daarvan worden gevraagd. Dit leidt tot onzekerheid bij eigenaren van
beschermde cultuurgoederen en verzamelingen.
De commissie adviseert de minister deze onzekerheid weg te nemen door, in samenspraak met
deskundigen, een model of protocol op te stellen voor het bepalen van de (internationale)
marktwaarde van een cultuurgoed of verzameling. Dit model of protocol dient in de basis een
aantal richtlijnen te bevatten op grond waarvan een prijs kan worden vastgesteld. Het moet
daarbij in het bijzonder aandacht hebben voor het internationale aspect van de kunsthandel en
de waardebepaling daarbinnen. Ook dient een dergelijk model of protocol enige flexibiliteit toe
te laten om te kunnen handelen naar de tijdsgeest en relevante, actuele ontwikkeling in de
kunsthandel mee te kunnen wegen in de prijsbepaling.
Het model of protocol dient tevens enige procedurele richtlijnen te bevatten, zoals door hoeveel
personen en met welke deskundigheid de prijs moet worden bepaald.
Aanbeveling 8
Waarborg, liefst bij wet, dat er altijd voldoende overheidsmiddelen aanwezig zijn in het
Nationaal Aankoopfonds, voor eventuele aankoop van (beschermde) cultuurgoederen en
verzamelingen die uit Nederland dreigen te verdwijnen.
                                                                                                  68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>Aankoop door de Staat van belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen geschiedt in de
regel uit het Nationaal Aankoopfonds. In hoofdstuk 3 heeft de commissie gesignaleerd dat dit
aankoopfonds geen wettelijke grondslag kent en er geen regeling bestaat op basis waarvan dit
fonds structureel wordt gevuld. Er bestaan daarmee geen wettelijke waarborgen om situaties te
voorkomen als die rond het schilderij ‘Paysage près d’Aix avec la tour César’ van Cézanne,
waarbij de Staat niet bereid was de internationale marktwaarde te bieden en de minister daarom
zijn bedenkingen tegen de uitvoer moest intrekken. [ 6 ]
De commissie adviseert daarom ten eerste het Nationaal Aankoopfonds te voorzien van een
wettelijke grondslag, bijvoorbeeld in hoofdstuk 7 van de Erfgoedwet. Ten tweede adviseert de
commissie om in die wettelijke regeling een minimumbedrag vast te leggen dat in het Nationaal
Aankoopfonds beschikbaar moet zijn voor de aankoop van (beschermde) cultuurgoederen en
verzamelingen. Daarmee samenhangend adviseert de commissie, ten derde, een regeling te
ontwerpen die voorziet in een structurele toekenning van middelen aan het fonds.
Peter Struycken, 1995, kleurontwerp voor hekwerk De Nederlandse Bank.
Kunst in de openbare ruimte: Peter Struycken
In 1967 werd om veiligheidsredenen een hekwerk geplaatst naast het gebouw van De Nederlandsche Bank, wat tegen
de zin was van architect Marius Duintjer. In 1995 gaf DNB aan kunstenaar Peter Struycken de opdracht een
kleurontwerp voor het hek te maken. Daarbij werd overeengekomen dat DNB het hekwerk na tien jaar mocht laten
overschilderen. Met het overbrengen van de goudvoorraad naar een andere locatie is de noodzaak tot het hekwerk
verdwenen en wil DNB het hek verwijderen. Dit tot spijt van de kunstenaar. Momenteel onderzoekt DNB de
mogelijkheden om (delen van) het hekwerk elders een bestemming te geven als kunstwerk.
Aanbeveling 9
Voeg aan het College van Rijksadviseurs een Rijksadviseur toe.
Het College van Rijksadviseurs bestaat momenteel uit de Rijksbouwmeester (architectuur) en
twee Rijksadviseurs voor de fysieke leefomgeving. De Rijksadviseur voor cultureel erfgoed werd
de laatste jaren niet herbenoemd. De commissie adviseert de minister om in overleg te gaan met
het College van Rijksadviseurs om een Rijksadviseur toe te voegen, die zich in elk geval ook richt
op het roerend erfgoed. Met deze extra functie kan het College van Rijksadviseurs het roerend
erfgoed in de fysieke leefomgeving beter waarderen dan nu het geval is. De aan te stellen
Rijksadviseur dient in nauw contact te staan met de nieuwe deskundigencommissie.
Aanbeveling 10
Er moet een jaarlijkse informatieplicht aan de Tweede Kamer komen over de toepassing van de
regelingen uit de Erfgoedwet, door middel van een jaarverslag gekoppeld aan
de begrotingsbehandeling.
                                                                                                               69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>In de vorige paragrafen deed de commissie een aantal aanbevelingen die volgens haar leiden tot
een betere toepassing van de regels uit de Erfgoedwet in de praktijk. De Tweede Kamer heeft
hierin een belangrijke controlerende taak. Een dergelijke taak komt – meer informeel –
eveneens toe aan de maatschappij, in het bijzonder vertegenwoordigd door
belangen- en ledenorganisaties.
Om aan deze controlerende taak effectiever uitvoering te kunnen geven, beveelt de commissie de
minister van OCW aan om de Tweede Kamer jaarlijks over de toepassing van de Erfgoedwet in
de praktijk te informeren. Een ‘jaarverslag Erfgoedwet (roerend goed)’ (en desgewenst met
daaraan toegevoegd de rijksmonumenten en archeologische vondsten) is volgens de commissie
hiervoor een geschikt instrument, bij voorkeur gekoppeld aan de begrotingsbehandeling.
Door toezending van dit jaarverslag aan de Tweede Kamer is dit tevens raadpleegbaar voor ieder
ander. Het jaarverslag zou verder moeten worden gepubliceerd op de nieuwe
voorlichtingswebsite van de in te stellen deskundigencommissie.
Tussenconclusie
Resumerend doet de commissie tien aanbevelingen voor een adequate bescherming van
het Nederlands cultuurbezit.
De commissie adviseert de minister op korte termijn het volgende:
1.  Ontwikkel een visie op de dynamische Collectie Nederland.
2.  Benoem mede daartoe opnieuw een onafhankelijke, vaste deskundigencommissie met de taak
    het cultuurgoed in Nederland verder te inventariseren en te actualiseren, hierover aan de
    minister te adviseren en hierover met het bredere netwerk van particulieren
    te communiceren.
3.  Stel in samenspraak met bovengenoemde deskundigencommissie nieuwe beleidsregels op die
    leiden tot meer rechtszekerheid voor betrokkenen en tot een minder
    terughoudend aanwijzingsbeleid.
Deze beleidsregels moeten antwoorden verschaffen op de volgende vragen:
– Hoe verhouden de verschillende regelingen uit de Erfgoedwet zich tot elkaar, in het bijzonder
    ten aanzien van de aanwijzingsregeling?
– Voor wie geldt primair de aanwijzingsregeling, (hoe) wordt die regeling toegepast op publiek
    versus particulier bezit (en wat wordt bedoeld met ‘particulier bezit’)? Op basis van welke
    andere waarborgen dan een aanwijzing kan worden vertrouwd dat een belangwekkend
    cultuurgoed voldoende is beschermd?
– Wat wordt precies verstaan onder de open aanwijzingscriteria van de Erfgoedwet, rekening
    houdend met de huidige tijdgeest en ontwikkelingen in de samenleving?
De commissie adviseert de minister om in plaats van een terughoudend aanwijzingsbeleid een
actief, betrokken aanwijzingsbeleid te ontwikkelen.
                                                                                                70
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>Deze aanpak op de kortere termijn leidt de facto tot de volgende beslisboom:
De commissie meent dat opvolging van bovengenoemde aanbevelingen om twee redenen profijt
oplevert voor zowel de minister als voor particuliere en publieke eigenaren.
Ten eerste blijft de (Rijks)overheid aan zet. Zij blijft verantwoordelijk voor een zorgvuldige
vorming van en omgang met het Nederlands cultuurbezit. De minister wordt meer dan nu
geprikkeld om eventuele hiaten in het publieke deel van het Nederlands cultuurbezit op te
vullen. Op die manier worden particuliere eigenaren zoveel als mogelijk ontzien van maatregelen
die inbreuk maken op hun eigendomsrecht. Immers, aanwijzing van een cultuurgoed in
particulier bezit is niet langer nodig als een vergelijkbaar goed in de publieke collectie is
opgenomen of daaraan alsnog wordt toegevoegd, danwel als er al voldoende andere waarborgen
bestaan ter bescherming van die cultuurgoederen.
Ten tweede vergroot het instellen van een deskundigencommissie, in samenhang met het voeren
van een actiever, meer betrokken aanwijzingsbeleid, de weerbaarheid van de minister. Immers,
op dit moment heeft de minister plotseling en razendsnel te beslissen of een cultuurgoed
beschermwaardig is, op het moment dat het reeds op het punt staat uit Nederland te verdwijnen.
De commissie ziet dit als een schier onmogelijke positie, mede omdat met dit beleid het risico op
maatschappelijke onrust groot is.
Voor een optimale uitwerking van het bovenstaande, doet de commissie daarnaast een aantal
aanbevelingen voor middellange en langere termijn om de balans tussen de bescherming van
publiek en particulier cultuurbezit te verbeteren en de regelingen uit de Erfgoedwet effectiever
in te zetten:
4.  Bied de particuliere eigenaar van een aangewezen cultuurgoed of verzameling een
    tegenprestatie op maat, bijvoorbeeld van fiscale aard.
5.  Vergroot de kenbaarheid over de regelingen uit de Erfgoedwet en het nieuw op te stellen
    beleid door middel van aangescherpte, duidelijke voorlichting.
6.  Neem in de wet een bekendmakingsregeling op om betrokkenen op de hoogte te stellen
    wanneer belangwekkende cultuurgoederen uit Nederland dreigen te verdwijnen, en verleng
    de termijn waarop potentiële kopers zich kunnen melden bij de minister. Dit vergroot hun
    mogelijkheden om middelen te verwerven voor aankoop, en dus om belangrijk werk voor
    Nederland te behouden.
7.  Ontwikkel een model of protocol om de (internationale) marktwaarde van een cultuurgoed of
    verzameling te bepalen bij een aanbod tot koop door de Staat.
                                                                                                  71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>8.   Waarborg, liefst bij wet, dat er altijd voldoende overheidsmiddelen aanwezig zijn in het
     Nationaal Aankoopfonds, voor eventuele aankoop van (beschermde) cultuurgoederen en
     verzamelingen die uit Nederland dreigen te verdwijnen.
9.   Voeg aan het College van Rijksadviseurs een Rijksadviseur toe.
10.  Er moet een jaarlijkse informatieplicht aan de Tweede Kamer komen over de toepassing van
     de regelingen uit de Erfgoedwet, door middel van een jaarverslag gekoppeld aan
     de begrotingsbehandeling.
Door het opvolgen van bovenstaande aanbevelingen kan de minister in de ogen van de
commissie komen tot een daadwerkelijke, adequate bescherming van het Nederlands
cultuurbezit vanuit een actief en betrokken beleid. Een beleid dat rechtdoet aan de vele
uiteenlopende belangen en posities van al diegenen die, publiek of particulier, betrokken zijn bij
de Collectie Nederland en daarmee garant staan voor de grote meerstemmigheid van het
Nederlands cultureel erfgoed.
   1
Artikel 1:3 lid 4 Algemene wet bestuursrecht: ‘Onder beleidsregel wordt
verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen
verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van
feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een
bevoegdheid van een bestuursorgaan.’ (cursivering door de commissie)
   2
‘Juridische analyse van de Erfgoedwet’, constatering 3.
   3
De commissie vindt dat het Franse en het Britse systeem niet passen bij de
Nederlandse traditie van vrije (kunst)handel.
Bijlage: ‘Wet- en regelgeving in de ons omringende landen’.
   4
Onder het ‘up-to-date houden’ verstaat de commissie overigens niet alleen het
nieuw aanwijzen van cultuurgoederen, maar nadrukkelijk ook het indien
mogelijk intrekken van eerdere aanwijzingen. Dit laatste kan aan de orde zijn als
een vergelijkbaar cultuurgoed in publiek bezit is gekomen.
   5
In dit geval draagt overigens het museum de zorg voor beveiliging en
verzekering van het cultuurgoed.
   6
‘De Erfgoedwet in de praktijk’, knelpunt 9.
                                                                                                   72
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>         Bescherming Cultuurgoederen / Slotwoord
          Slotwoord
‘Van terughoudend naar betrokken’, zo heeft de commissie haar advies over de bescherming van
belangwekkend erfgoed in particulier bezit genoemd. Op basis van haar analyse en onderzoek
concludeert de commissie dat er in de kern voldoende wettelijke regels zijn om dit erfgoed te
kunnen beschermen. In de praktijk echter is er aanwijsbaar onvoldoende aandacht voor de
implementatie van het bestaande instrumentarium. Daarmee schiet de daadwerkelijke
bescherming van belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen in Nederland tekort. De
commissie roept de minister vooral op een veel actiever aanwijzingsbeleid te voeren, om te
voorkomen dat waardevolle cultuurgoederen en verzamelingen voor Nederland verloren gaan.
De misvatting dat de Collectie Nederland ‘af’ zou zijn, het gemis aan een gefundeerde kijk op wat
we in Nederland aan cultuurgoederen en verzamelingen willen beschermen, het ontbreken van
een onafhankelijke deskundigencommissie om de Erfgoedwet vleugels te geven: de factoren die
een adequate werking van de Erfgoedwet belemmeren zijn legio. Een gefundeerder beeld van de
collectie, meer samenwerking, kennisdeling, expertise en transparantie zijn nodig om de
bescherming van cultuurgoederen niet langer te laten afhangen van ‘hobby en lobby’, maar deze
bescherming te baseren op een gedegen, onderbouwde visie. Particulier verzamelen ligt aan de
basis van een zeer groot deel van het Nederlands cultuurbezit en particuliere eigenaren
verdienen een zorgzamer overheid, die hen steunt in het onderhouden van cultuurgoederen, en
die hun waar mogelijk tegemoetkomt in het behoud daarvan voor Nederland.
Wouter Crabeth, detail van carton 8, ‘De bestrafﬁng van tempelrover Heliodorus’, 1565. Sint-Janskerk, Gouda
(dossiernummer register 195, aangewezen in 1990)
                                                                                                            73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>De commissie acht de tijd rijp voor een actiever, betrokken omgang met de Erfgoedwet. Een
ruimhartiger beleid sluit aan bij actuele discussies in de Nederlandse samenleving. Daarmee
doelt de commissie niet alleen op de concrete discussies rond cultuurgoederen die dreigen te
verdwijnen, maar ook over de breder gevoerde discussie rond onze geschiedenis en onze
identiteit, rond de verhalen die we over onszelf vertellen, en de verhalen die we nog te weinig
vertellen. De Collectie Nederland is niet statisch. Een verzameling cultuurgoederen is nooit af, zij
is dynamisch en reflecteert de samenleving die haar voortbrengt – en zij doet dat op elk moment,
vroeger, vandaag en in de verre toekomst. Nieuw overheidsbeleid zou dit dynamische
erfgoedbegrip tot uitgangspunt moeten nemen voor de Collectie Nederland, in zowel particulier
als publiek bezit.
Dit advies gaat niet over de vraag of de verkoop van de tekening van Rubens in januari 2019, die
de aanleiding vormde voor dit gevraagde advies, voorkomen had moeten worden. Dat was ook
overigens niet de opdracht van de commissie. Wel geeft het advies een antwoord op de vraag hoe
de commotie rond dergelijke situaties in de toekomst voorkomen kan worden. De commotie
ontstond doordat er zoveel vragen werden opgeworpen waar geen duidelijk antwoord op te
geven was, omdat niemand kon teruggrijpen op een helder gevoerd beleid op basis van
de Erfgoedwet.
Als de aanbevelingen in dit advies worden opgevolgd, zal het oordeel of een cultuurgoed
beschermwaardig is, tijdig en op transparante wijze tot stand kunnen komen op basis van
kennis, expertise en ervaring. Een oordeel kan en mag tot discussie leiden. Maar een transparant
proces, waarbij alle relevante partijen worden betrokken en weten waar ze aan toe zijn, zal de
gemoederen minder hoog doen oplopen. En belangrijker nog: het garandeert dat weloverwogen
beslissingen worden genomen op de juiste momenten.
De gedane aanbevelingen zullen ook ten goede komen aan de relatie tussen de Rijksoverheid en
particuliere eigenaren, en aan de verhouding tussen particulier en publiek bezit. De relatie van
de overheid met particuliere eigenaren zal meer wederkerig worden. Eigenaren van
cultuurgoederen en verzamelingen, publiek of particulier, zullen zich, mede door het instellen
van een onafhankelijke deskundigencommissie, meer gezien en gewaardeerd voelen, en zich
gesterkt weten in het doel waarvoor zij zich inzetten: de zorg voor de veelzijdigheid van
het Nederlands cultuurgoed.
Graag dankt de commissie de Raad voor Cultuur voor de faciliteiten die hij de commissie heeft
geboden om in onafhankelijkheid aan haar advies te werken. De commissie is evenzeer verheugd
over de grote mate van medewerking die zij kreeg van betrokkenen in het veld. Zonder hun
kundige inbreng en hun vaak openhartige verhalen had zij dit advies niet tot stand kunnen
brengen. Ook past een groot woord van dank aan Machteld Claessens voor haar juridisch
onderzoek en redactie.
De Erfgoedwet is jong, ze is van kracht sinds 2016. De commissie vindt het een wijs besluit van
de minister om drie jaar na invoering een onafhankelijke commissie uit te nodigen een deel van
het daadwerkelijk functioneren van deze jonge wet te evalueren. De commissie hoopt dat haar
advies verder aanzet tot een heldere en breed gedragen bescherming van de cultuurgoederen en
verzamelingen die in Nederland met liefde en zorg verzameld zijn.
                                                                                                     74
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>Bijlagen
         75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>76</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>77</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>        Bescherming Cultuurgoederen / Bijlagen / Samenstelling commissie
         Samenstelling commissie
Commissie                           Juridisch advies                     Bureau
Alexander Pechtold                  en redactie                          Raad voor Cultuur
(voorzitter)                        Machteld Claessens                   Rebecca Roskam
Tom Barkhuysen                                                           (secretaris)
Fusien Bijl                                                              Lonneke Kok
de Vroe-Verloop                                                          (eindredactie)
Lennart Booij
Sabine Gimbrère
Biografieën
Tom Barkhuysen
Advocaat-partner bij Stibbe in Amsterdam. Tot zijn specialismen behoren publiekrechtelijke
geschillen, publiekrechtelijk organisatierecht, mensenrechten, staatssteun, Europees
bestuursrecht en cultuur- en onderwijsrecht. Hij treedt als advocaat op voor diverse
ondernemingen, ontwikkelaars en publieke instellingen zoals gemeenten, provincies, onderwijs,
cultuur en andere openbare instellingen. Hij is verbonden aan de Universiteit Leiden als
deeltijd-hoogleraar staats- en bestuursrecht. Daarnaast is hij lid van onder meer het bestuur van
de Nederlandse Vereniging voor Bestuursrecht en lid van de redactie van
het Nederlands Juristenblad.
Fusien Bijl de Vroe-Verloop
Directeur (sinds 2011) van de Vereniging Rembrandt – een vereniging van particulieren die zich
inzet voor de verrijking en bescherming van de Nederlandse openbare kunstcollecties – waar zij
vanaf 2001 werkt. Eerder was zij werkzaam bij de Rijksvoorlichtingsdienst. Zij studeerde
kunstgeschiedenis in Utrecht en publiceerde onder andere over de Dordtse kunstenaar Jan Veth.
Als directeur van de Vereniging Rembrandt, met 16.000 leden het grootste collectieve mecenaat
in Nederland, mengt zij zich regelmatig in het publieke debat rond kwesties die het openbaar
kunstbezit raken.
Lennart Booij
Lid van de Raad voor Cultuur, strategisch adviseur, tentoonstellingsmaker, moderator en
ondernemer in de culturele sector. Hij is artistiek directeur bij het Amsterdam Light festival en
betrokken bij Museumnacht Amsterdam, de Veerstichting en de Sikkens Foundation. Hij was
medeoprichter van het campagnebureau BKB en promoveerde als kunsthistoricus in 2013 op het
werk van de Franse glaskunstenaar Lalique. Eerder presenteerde hij
radio -en televisieprogramma’s.
Alexander Pechtold (voorzitter)
Tweede Kamerlid (vanaf 2006) en tot en met 2018 fractievoorzitter en politiek leider van D66.
Hij studeerde kunstgeschiedenis in Leiden en is in deze stad vanaf 1994 betrokken als raadslid
en wethouder. Voor hij in 2005 minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties
werd, bekleedde hij de functie van burgemeester in Wageningen.
Sabine Gimbrère
Hoofd Internationale Betrekkingen bij de gemeente Amsterdam. Daarvoor was ze 20 jaar
werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waar internationale
regelgeving ter bescherming van cultureel erfgoed en de bestrijding van illegale handel in
                                                                                                  78
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>cultuurgoederen tot haar verantwoordelijkheid behoorden. Zij studeerde Nederlands en
Internationaal Recht aan de Universiteit van Amsterdam en aan het
European University Institute.
                                                                                     79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>        Bescherming Cultuurgoederen / Bijlagen / Overzicht gesprekspartners
        Overzicht gesprekspartners
Ger Abbring                      Jan Maarten Boll                      Sjarel Ex
Douane Centrale Dienst           Voormalig lid Raad van                Directeur Boijmans
In- en Uitvoer                   State, voormalig                      van Beuningen
                                 voorzitter Vereniging
Hester Alberdingk Thijm          Rembrandt                             Emilie Gordenker
Directeur AkzoNobel                                                    Directeur Mauritshuis
Art Foundation                   Johan Bosch
                                 van Rosenthal                         Elwin Hendriks
Robert Aronson                   Art Consult                           Voormalig secretaris
Aronson Antiquairs,                                                    Wbc-commissie
bestuur Vereniging               Ruud Boudewijn
Handelaren in                    Douane Landelijk                      Marja van Heese
Oude Kunst                       Kantoor                               Inspectie
                                                                       Overheidsinformatie
Irene Asscher-Vonk               Cees Broekhof                         en Erfgoed
Voorzitter                       Cees Broekhof Taxaties,
Museumvereniging                 lid sectiebestuur                     Willem Jan Hoogsteder
                                 Federatie TMV                         Hoogsteder &
Justus Becker                                                          Hoogsteder
Douane Landelijk                 Joop van Caldenborgh
kantoor/Handhavingsbeleid        Verzamelaar                           Ad de Jong
                                                                       Voormalig lid
Sander Bersee                    Paulina Cramer                        Wbc-commissie
Voormalig directeur              Christie’s
Erfgoed & Kunsten,                                                     Kris Callens
Ministerie van OCW               Ilse Daatselaar                       Directeur Fries Museum
                                 Daatselaar Fine Art
Niels de Boer                    & Antique, bestuur                    Paul Kerckhoffs
Kunsthandel P. de Boer           VHOK                                  Notaris Loyens & Loeff,
                                                                       voorzitter Federatie
Piet de Boer                     Hendrik Driessen                      TMV
Kunsthandel P. de Boer           Voormalig directeur
                                 Museum De Pont                        Ralph Keunig
Ted de Boer                                                            Directeur Museum
Emeritus hoogleraar              Nina Duggen                           de Fundatie
Internationaal                   Inspectie
privaatrecht en                  Overheidsinformatie                   Jan Jaap Knol
privaatrechtelijke               en Erfgoed                            Directeur
rechtsvergelijking UvA                                                 Boekmanstichting
                                 Frits Duparc
Chris Breedveld                  Voormalig directeur                   Anique de Kruyff
Voormalig directeur              Mauritshuis                           Museum
Kabinet van de Koning                                                  Catharijneconvent
                                 Joseph Estié
                                 Salomon Stodel                        Susan Lammers
                                 Antiqués                              Directeur Rijksdienst
                                                                       voor Cultureel Erfgoed
                                                                                               80
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>Iris Looman           Marianne Rutters       Jan Six
Rijksdienst voor      Beleidsadviseur        Jan Six Stichting
Cultureel Erfgoed     (beschermde)
                      cultuurgoederen        Cas Smithuijsen
Mirjam Moll           (tot 2018)             Voormalig directeur
Waarnemend directeur                         Boekmanstichting
Museumvereniging      Martijn Sanders
                      Verzamelaar, voormalig Frans Sonneveldt
Arnoud Odding         voorzitter Vereniging  Mazars Private Clients,
Directeur Rijksmuseum Rembrandt              hoogleraar Successiewet
Twenthe                                      en estate planning
                      Marjan Scharloo        Universiteit Leiden
Antoon Ott            Directeur Teylers
Artilaw               Museum                 Hans Stefels
                                             Verzamelaar
Jaap Polak            Marieke van Schijndel
Polak Works of Art    Directeur Museum       Cees van ’t Veen
                      Catherijneconvent      Voormalig directeur
Charlotte van Rappard                        Rijksdienst voor
Voormalig             Arda Scholten          Cultureel Erfgoed
hoofdinspecteur       Inspectie
Erfgoedinspectie      Overheidsinformatie    Inge van der Vlies
                      en Erfgoed             Emeritus hoogleraar
Paul Russell                                 bestuursrecht
Russel Advocaten      Stijn Schoonderwoerd   Universiteit Amsterdam,
Amsterdam             Directeur Nationaal    voormalig voorzitter
                      Museum                 Wbc-commissie
                      voor Wereldculturen
                                                                     81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>          Bescherming Cultuurgoederen / Bijlagen / Juridische analyse
          Juridische analyse
 1.1. Introductie
(1) Deze bijlage van het advies bevat de juridische analyse, die ten grondslag ligt aan de
bevindingen als beschreven in hoofdstuk ‘Juridische analyse van de Erfgoedwet’ van dit advies.
(2) Met het oog op het juridische karakter van de adviesvraag geeft de commissie in deze bijlage
ten eerste een overzicht van de huidige wet- en (beleids)regelgeving ter zake (paragraaf 1.2).
Voor een beter begrip van de huidige regels schetst de commissie in de daarop volgende
paragraaf 1.3 op hoofdlijnen – maar uitgebreider dan in het advies zelf – de historische
ontwikkeling van de wet- en beleids)regelgeving inzake cultuurgoederen. Mede conform het
verzoek van de minister om aandacht te besteden aan een aantal nader genoemde specifieke
zaken, licht de commissie in paragraaf 1.4 een aantal elementen van de huidige
aanwijzingsregeling verder toe. In deze bijlage wordt niet separaat ingegaan op de fiscale en
douanerechtelijke kaders, omdat deze in dit advies niet centraal staan.
 1.2. De Erfgoedwet
 1.2.1. Introductie
(3) De Erfgoedwet bevat regels op het terrein van het cultureel erfgoed. Het begrip ‘cultureel
erfgoed’ is in de Erfgoedwet gedefinieerd als ‘uit het verleden geërfde materiële en immateriële
bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking
tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een
weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen,
kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden.’ [ 1 ]
Hoewel de definitie van dit wettelijke begrip breed is, [ 2 ] richten de regels van de Erfgoedwet zich
kort en goed tot de volgende vier vormen van dit cultureel erfgoed: cultuurgoederen en
verzamelingen (hoofdstukken 2-4), monumenten (hoofdstuk 3), ensembles (hoofdstuk 3) en
archeologische monumentenzorg (hoofdstuk 5).
(4) Dit advies beperkt zich tot de regeling inzake cultuurgoederen en verzamelingen. Het advies
gaat niet in op het belang van ensembles, maar behandelt ensembles wel in deze bijlage voor een
totaalbeeld van de regeling. De overige delen uit de Erfgoedwet blijven in dit advies
buiten beschouwing.
(5) Wie de Erfgoedwet bestudeert, ziet dat er in die wet vier soorten regelingen (met daaronder
weer subregelingen) zijn opgenomen ter bescherming van cultuurgoederen, verzamelingen en/of
ensembles. Dit zijn:
1.  de regeling inzake (beschermde) cultuurgoederen, verzamelingen en ensembles, hierna aan
    te duiden als de ‘aanwijzingsregeling’ (paragraaf 1.2.3);
2.  de regeling inzake cultuurgoederen die in eigendom zijn van de Staat, een provincie,
    gemeente of andere publiekrechtelijke rechtspersoon (paragraaf 1.2.4);
3.  de regeling inzake cultuurgoederen in openbare of kerkelijke collecties (paragraaf 1.2.5); en
4.  overige regelingen in de Erfgoedwet tot bescherming van cultuurgoederen (paragraaf 1.2.6).
                                                                                                       82
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>(6) Alvorens hierna de wettelijke regelingen verder te bespreken, benoemt de commissie hierna
eerst kort hetgeen de wetgever verstaat onder de begrippen cultuurgoederen, verzamelingen en
ensembles (paragraaf 1.2.2).
 1.2.2. (Beschermde) cultuurgoederen, verzamelingen en ensembles
(7) Het begrip ‘cultuurgoed’ is door de wetgever in de Erfgoedwet gedefinieerd als een ‘roerende
zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed’. [ 3 ] Wanneer sprake is van ‘cultuurgoederen die uit
cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen’ wordt in de Erfgoedwet
gesproken van een ‘verzameling’. [ 4 ] Een ensemble is een combinatie van een rijksmonument
en cultuurgoederen. [ 5 ]
(8) Cultuurgoederen en verzamelingen kunnen op grond van de Erfgoedwet zijn beschermd. Van
een ‘beschermd cultuurgoed’ is blijkens de Erfgoedwet sprake als dit ‘a. als zodanig is
aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid; b. voorkomt in een opsomming als bedoeld in
artikel 3.7, derde lid; of c. in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond
van artikel 3.8, eerste lid, zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld,
redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt.’ [ 6 ] Van een
‘beschermde verzameling’ is sprake als deze ‘is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede
lid.’ [ 7 ] Met een ensemble bedoelt de wetgever ‘een op grond van artikel 3.13 aangewezen
rijksmonument met cultuurgoederen.’ [ 8 ]
 1.2.3. De aanwijzingsregeling inzake (beschermde) cultuurgoederen, verzamelingen
         en ensembles
(A) Introductie en reikwijdte
(9) Cultuurgoederen in zowel particulier als publiek bezit kunnen op grond van de Erfgoedwet
worden beschermd. Het betreft bescherming in die zin, dat het cultuurgoed in kwestie in
beginsel bewaard blijft voor Nederland. In de Erfgoedwet wordt overigens nergens gesproken
van ‘particulier bezit’, dan wel van een andere bewoording met gelijke betekenis. Dit is anders
voor de bescherming van een deel van het publiek bezit van cultuurgoederen, waarvoor in de
Erfgoedwet met naam en toenaam een (andere) regeling is getroffen. In de praktijk wordt
daarentegen aangenomen dat de aanwijzingsregeling primair van toepassing is op
cultuurgoederen in particulier bezit. Nogmaals, dit blijkt dus niet als zodanig uit de Erfgoedwet
zelf en ook de minister lijkt aanwijzing van cultuurgoederen in publiek bezit niet geheel
uit te sluiten.
(B) De aanwijzing van beschermd cultuurgoed of verzameling
(10) Beschermwaardige cultuurgoederen kunnen als zodanig door de minister van OCW
‘ambtshalve’ bij besluit worden aangewezen. [ 9] De minister heeft ook de ambtshalve
bevoegdheid tot wijziging of intrekking van een dergelijke aanwijzing en om feitelijke
verbeteringen in de omschrijving van het cultuurgoed door te voeren. [ 10 ] Het ambtshalve
karakter van deze ministeriële aanwijzingsbevoegdheid en het juridisch karakter van het
aanwijzingsbesluit worden nader toegelicht in paragraaf 1.4.3. Als een cultuurgoed reeds als
beschermd is aangewezen, gelden er bepaalde regels die de eigenaar van het beschermde
cultuurgoed in acht heeft te nemen, waarover hierna onder (E) meer. Hierna licht de commissie
eerst de aanwijzingsbevoegdheid toe.
(11) Aanwijzing van een cultuurgoed als beschermd is aan de orde als dat goed ‘van bijzondere
cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als
onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het Nederlands
cultuurbezit (…).’ [ 11 ]De criteria ‘onvervangbaar’ en ‘onmisbaar’ zijn door de wetgever in de
Erfgoedwet enigszins geduid, namelijk als dat een cultuurgoed onvervangbaar is ‘indien er geen
of nagenoeg geen ander of gelijksoortig cultuurgoed in goede staat in Nederland aanwezig is.’ [ 12]
Een cultuurgoed is onmisbaar ‘indien het een symboolfunctie, schakelfunctie of ijkfunctie
                                                                                                    83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>heeft.’ [ 13 ] In de wetsgeschiedenis is enige verdere duiding van de toepasselijke
aanwijzingscriteria gegeven, hoewel voorop staat dat bewust gekozen is voor vage en open
normen, die de minister een discretionaire ruimte laten in de beoordeling van de al dan niet
beschermwaardigheid van een bepaald cultuurgoed (zelfs al wordt aan de criteria voldaan, dan
nog steeds heeft de minister de ruimte om een cultuurgoed niet aan te wijzen op grond van de
‘kan’-bepaling) (zie ook randnummer (40) van deze bijlage). De parlementaire toelichting op de
aanwijzingscriteria wordt weergegeven in paragraaf 1.4.6.
(12) De aanwijzingsbevoegdheid en -criteria gelden in soortgelijke zin voor te beschermen
verzamelingen. [ 14] Het besluit tot aanwijzing bevat in dat geval een algemene omschrijving van
de te beschermen verzameling en geeft een opsomming van de cultuurgoederen die tot die
verzameling behoren. [ 15 ] Naast deze reguliere aanwijzingsbevoegdheid, kan de minister van
OCW tevens ‘in een spoedeisend geval’ een verzameling als beschermwaardig aanwijzen. [ 16 ] De
minister krijgt van de wetgever in het geval van een dergelijke spoedaanwijzing van een
verzameling, de gelegenheid om pas na het nemen van het besluit, maar wel ‘zo spoedig
mogelijk’ daarna, de cultuurgoederen die tot die verzameling behoren, vast te stellen.
Desalniettemin zijn die cultuurgoederen wel reeds vanaf het moment van het genomen
aanwijzingsbesluit beschermd, op basis van de algemene omschrijving van de verzameling in dat
besluit. Via de band van een verzameling kunnen dus ook individuele cultuurgoederen als
beschermd zijn aangewezen.
(13) Anders dan voor verzamelingen kent de Erfgoedwet geen nadrukkelijke bepaling voor een
spoedaanwijzing van een te beschermen cultuurgoed (die bestond er wel in de Wbc). Uit de door
de minister van OCW vastgestelde ‘Beleidsregel aanwijzing beschermde cultuurgoederen 2016’
(de ‘Beleidsregel’) is evenwel op te maken dat de minister een cultuurgoed ‘uitsluitend aan[wijst]
als beschermd cultuurgoed in een spoedeisend geval.’ [ 17 ] [ 18 ] Dit beleid is eveneens vastgelegd
ten aanzien van verzamelingen. [ 19 ] De Beleidsregel verduidelijkt dat met ‘een spoedeisend geval’
in ieder geval wordt bedoeld ‘de situatie dat een cultuurgoed of verzameling die voldoet aan de
inhoudelijke criteria, bedoeld in artikel 3.7, vierde lid van de wet, op het punt staat voorgoed
naar het buitenland te worden uitgevoerd.’ [ 20 ] Het valt de commissie op dat hier alleen naar
lid 4 van artikel 3.7 van de Erfgoedwet wordt verwezen, waarin uitsluitend de criteria
‘onvervangbaar’ en ‘onmisbaar’ worden genoemd en niet tevens de criteria van ‘bijzonder
cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid’.
(14) In beginsel is voor de aanwijzing als beschermd cultuurgoed geen toestemming van de
eigenaar nodig. Op deze hoofdregel bestaan twee uitzonderingen. De eerste uitzondering is aan
de orde als de eigenaar tevens de vervaardiger of kort gezegd een erfgenaam van de vervaardiger
van het cultuurgoed is. [ 21] De tweede uitzondering is aan de orde indien de eigenaar het
cultuurgoed zelf in Nederland heeft gebracht of het binnen vijf jaar nadien heeft verworven (al
dan niet door het cultuurgoed te erven). [ 22 ]
(15) De Erfgoedwet bepaalt ook nadrukkelijk dat voor een aantal in de wet omschreven situaties
niet tot aanwijzing als beschermd cultuurgoed of verzameling mag worden overgegaan. [ 23 ] Dit
‘verbod tot aanwijzing’ geldt in drie omstandigheden. Ten eerste indien het cultuurgoed (of:
verzameling) ‘berust onder iemand die tijdelijk zijn woonplaats naar Nederland verplaatst.’ Ten
tweede geldt er een verbod in de situatie dat een cultuurgoed is uitgeleend voor een tijdelijke
tentoonstelling in Nederland. Ten derde als ‘wegens hiermee vergelijkbare omstandigheden’ het
cultuurgoed naar het oordeel van de minister van OCW niet in Nederland thuishoort.
Samengevat zijn deze omstandigheden te duiden als een situatie waarin ‘duidelijk is dat zonder
de beperking van de ministeriële aanwijzingsbevoegdheid de invoer achterwege zou blijven.’ [ 24 ]
De Erfgoedwet bepaalt verder dat de minister ‘niet eerder dan een jaar nadat de [hiervoor
genoemde] omstandigheden (…) zich niet meer hebben voorgedaan over tot aanwijzing als
beschermd cultuurgoed of als beschermde verzameling.’ [ 25 ]
                                                                                                     84
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>(C) Plaatsing op de lijst van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen
(16) Een feitelijk gevolg van de aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als
beschermwaardig, is dat beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen in een
‘register beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen’ worden ingeschreven en
vermeld. [ 26 ] In de volksmond wordt vaak nog gesproken van een ‘lijst’ in plaats van een
‘register’, indachtig de oude regeling uit de Wbc.
(17) De minister heeft als wettelijke taak deze lijst bij te houden. [ 27 ] In de lijst zijn ‘in ieder geval’
een beschrijving en motivering van de aanwijzing van beschermde cultuurgoederen en een
algemene omschrijving, een opsomming van de bijbehorende cultuurgoederen en een motivering
van de aanwijzing van beschermde verzamelingen opgenomen. [ 28 ] De lijst is voor een ieder
raadpleegbaar, met uitzondering van informatie over de eigenaren ‘of’ verblijfplaats van de
beschermde cultuurgoederen en verzamelingen. [ 29 ]
(18) De ‘roerende zaken’ en verzamelingen die al als ‘beschermde voorwerpen’ onder de
inmiddels vervallen Wbc waren aangewezen en daarom op de lijst stonden vermeld, zijn nog
steeds aangewezen en staan nog steeds op de lijst onder de nieuwe Erfgoedwet. [ 30 ] De status van
deze reeds beschermde cultuurgoederen is met de Erfgoedwet dus niet veranderd. [ 31 ]
(D) Een bijzondere, afwijkende regeling voor beschermde ensembles
(19) Naast cultuurgoederen en verzamelingen kunnen ook ensembles als beschermwaardig
worden aangewezen. De Erfgoedwet kent hiervoor een afwijkende regeling. De achtergrond
hiervan is dat de wetgever geen aanwijzingsregeling voor ensembles wilde opnemen in de
Erfgoedwet, maar dat een dergelijke regeling alsnog via amendering door de Tweede Kamer in
de wet is gekomen. [ 32 ]
(20) De minister van OCW ‘kan ambtshalve besluiten een rijksmonument tezamen met
cultuurgoederen aan te wijzen als ensemble, indien het geheel van rijksmonument en de
cultuurgoederen in onderlinge samenhang van bijzondere cultuurhistorische of
wetenschappelijke betekenis is.’ [ 33 ] De criteria ‘onvervangbaar’ en ‘onmisbaar’ die voor de
aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling gelden, gelden blijkens deze wettekst
niet voor ensembles.
(21) Feitelijk gevolg van de aanwijzing van een beschermd ensemble, is dat deze wordt vermeld
in een ‘informatiesysteem’ dat aan het rijksmonumentenregister is gekoppeld. [ 34 ] Dit systeem is,
net als de hiervoor genoemde lijst, voor een ieder raadpleegbaar. [ 35 ] In het informatiesysteem
wordt over een ensemble opgenomen ‘in ieder geval een algemene omschrijving, een opsomming
van het rijksmonument en, voor zover de eigenaar daarmee heeft ingestemd, de cultuurgoederen
die behoren tot het ensemble en de motivering van de aanwijzing van het ensemble.’ [ 36 ]
(22) Om te beginnen zijn er twee verschillen op te merken tussen dit informatiesysteem van
beschermde ensembles in vergelijking met de lijst voor beschermde cultuurgoederen en
verzamelingen. Ten eerste zijn blijkens de wettekst eventuele gegevens over eigenaren en de
verblijfplaats van ensembles niet afgeschermd, anders dan geldt bij beschermde cultuurgoederen
en verzamelingen. Daarnaast is voor vermelding van de cultuurgoederen die bij een ensemble
behoren in het informatiesysteem, toestemming van de eigenaar ervan nodig. Deze verplichting
bestaat niet voor vermelding van de beschermde cultuurgoederen en verzamelingen in de
daarvoor dienende lijst.
(23) Verder is een ander verschil tussen de aanwijzingsregeling voor cultuurgoederen en
verzamelingen en de aanwijzingsregeling voor ensembles dat aan de aanwijzing tot beschermd
ensemble verder geen regeling tot bescherming is gekoppeld. De hierna toe te lichten regeling tot
bescherming van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen geldt namelijk niet voor
ensembles. Dat roept nadrukkelijk de vraag op of het bijvoorbeeld vervreemden van een
roerende zaak uit een beschermd ensemble zonder toestemming mogelijk is. De minister
                                                                                                              85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>beantwoordt deze vraag bevestigend in de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet. [ 37 ] De roerende
zaken die deel uitmaken van een beschermd ensemble zijn dus niet op individuele basis
beschermd; anders dan de individuele cultuurgoederen die deel uitmaken van een beschermde
verzameling, zo stelt de commissie vast.
(E) De bescherming van beschermde cultuurgoederen
(24) De aanwijzing van cultuurgoederen als beschermd bewerkstelligt dat een aantal
handelingen met het betreffende beschermde cultuurgoed is verboden, tenzij die handeling tijdig
is gemeld en/of dat toestemming van de inspecteur of minister van OCW is verkregen. De regels
hieromtrent zijn neergelegd in paragraaf 4.1 van de Erfgoedwet. Deze regels spreken overigens
alleen van beschermde cultuurgoederen en niet ook van verzamelingen of ensembles.
Desalniettemin volgt uit de wijze waarop een verzameling als beschermd wordt aangewezen, dat
de cultuurgoederen die tot die verzameling behoren tevens op individuele basis zijn beschermd.
De commissie ziet dit bevestigd in de wetsgeschiedenis: ‘Wanneer een verzameling eenmaal als
beschermde verzameling is aangewezen, is elk cultuurgoed uit de verzameling een beschermd
cultuurgoed, ook al is dat cultuurgoed op zichzelf bezien niet onvervangbaar en onmisbaar.’ [ 38 ]
Deze uitleg is niet van toepassing op cultuurgoederen die deel uitmaken van een
(beschermd) ensemble.
(25) Stapsgewijs geldt het volgende regime voor een beschermd cultuurgoed:
1.  Verbod zonder melding: het is ‘verboden’ om ‘zonder voorafgaande schriftelijke melding aan
    de inspecteur’ een beschermd cultuurgoed ‘te verplaatsen, in veiling te brengen, te
    vervreemden, te bezwaren, te verhuren, in bruikleen te geven; of bij boedelscheiding aan een
    niet-ingezetene toe te delen.’ [ 39 ] Deze handelingen worden hierna gezamenlijk aangeduid als
    de ‘Handelingen’. Overtreding van dit verbod levert een strafrechtelijk economisch delict
    op. [ 40 ] De Erfgoedwet regelt niet wanneer en op welke wijze de handeling schriftelijk moet
    worden gemeld. Dit is evenmin vastgelegd in onderliggende (beleids)regelgeving.
2.  Wachttijd en vereiste toestemming: na het moment waarop de melding is gedaan, geldt er
    een ‘wachttijd’ van zes weken waarin het verboden is om de betreffende Handeling zonder
    toestemming van de inspecteur (de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed) of de minister
    van OCW te verrichten. [ 41] Als het beschermde cultuurgoed louter binnen Nederland wordt
    verplaatst, geldt dit verbod niet en is daarvoor dus geen toestemming nodig. [ 42 ] Bestaat het
    voornemen om een beschermd cultuurgoed buiten Nederland te brengen, dan kan alleen de
    minister van OCW daarvoor de vereiste toestemming verlenen. [ 43 ]
3.  Als uitkomst van de wachttijd zijn er vervolgens twee scenario’s denkbaar:
    – De minister heeft bedenkingen bij de voorgenomen Handeling: de hiervoor toegelichte
        wachttijd biedt de minister de gelegenheid schriftelijke bedenkingen tegen de
        voorgenomen handeling te uiten. Als er bedenkingen zijn, blijft de handeling verboden,
        tenzij aan de door de minister eventueel gestelde bijkomende voorschriften wordt voldaan
        (als dergelijke voorschriften worden gegeven, zijn de stappen (4) en (5) als hierna
        toegelicht niet aan de orde). [ 44 ] [ 45 ] [ 46 ] De minister is beperkt in het uiten van
        bedenkingen. Deze mogen namelijk alleen worden gegeven ‘op de overweging dat er
        gevaar is voor het verlies van het beschermd cultuurgoed voor het in Nederland aanwezige
        cultuurbezit.’ [ 47 ] Dit criterium geldt ook voor het stellen van voorschriften aan
        de Handeling. [ 48 ]
    – De minister heeft geen bedenkingen bij de voorgenomen Handeling: in het geval de
        minister geen bedenkingen uit, ‘is een handeling na een jaar na de verzending van de
        melding opnieuw verboden.’ [ 49 ] Met andere woorden, de Handeling is in deze situatie
        binnen een jaar na de gedane melding toegestaan. De omstandigheid dat er geen
        bedenkingen bestaan, bevestigt de minister van OCW desgevraagd schriftelijk binnen acht
                                                                                                    86
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>       dagen. [ 50 ] Zijn er eerder wel bedenkingen geuit, maar worden deze ingetrokken, dan
       geldt dezelfde regel: de Handeling is dan voor de duur van een jaar na de intrekking van
       de bedenkingen toegestaan. [ 51]
1. Publicatieplicht in de Staatscourant bij bedenkingen: de geuite bedenkingen worden
   openbaar gemaakt, in ieder geval door plaatsing ervan in de Staatscourant en op een (andere)
   geschikte wijze. Deze publicatieplicht geldt alleen indien het gaat om de vervreemding,
   toedeling aan een niet-ingezetene of de verplaatsing van het beschermd cultuurgoed naar de
   buiten Nederland gelegen vaste woonplaats van de eigenaar. [ 52 ]
2. Meldtijd potentiële kopers: na de hiervoor genoemde publicatie in de Staatscourant van de
   voorgenomen vervreemding krijgen potentiële kopers van het cultuurgoed zes weken de
   gelegenheid zich in dat verband bij de minister van OCW aan te melden. [ 53 ]
3. Aanbod van de Staat: na afloop van de periode waarin potentiële kopers zich kunnen melden,
   gelden de bedenkingen van de minister van OCW als een aanbod van de Staat het beschermd
   cultuurgoed aan te kopen. [ 54 ] Dit aanbod geldt drie maanden, maar wordt opgeschort als er
   bij de rechtbank Den Haag een procedure over de koopprijs aanhangig is of indien er een
   overeenkomst tot arbitrage tussen de Staat en de eigenaar van het beschermd cultuurgoed
   bestaat. [ 55 ] [ 56 ] De driemaandentermijn kan worden verlengd. [ 57 ] Op verzoek van de
   eigenaar kan het moment van de aanvang van het aanbod worden uitgesteld. [ 58 ]
4. Onderhandeling minister van OCW en eigenaar: na aanvang van de termijn waarin de
   bedenkingen van de minister van OCW moeten worden beschouwd als een aanbod tot
   aankoop door de Staat van het beschermd cultuurgoed, treedt de minister ‘onverwijld’ met de
   eigenaar van het cultuurgoed in kwestie in onderhandeling ‘over de koopprijs en de overige
   verkoopvoorwaarden.’ [ 59 ]
   – (a) Gerechtelijke procedure tot vaststelling van de koopprijs: indien de betrokken partijen
       niet tot overeenstemming van de prijs komen, wordt deze ‘op verzoek van een van de
       partijen’ door de rechtbank Den Haag vastgesteld. Uitzondering is daar, indien de
       eigenaar ‘te kennen geeft af te zien van de handeling of Onze Minister de daartegen
       aangevoerde bedenkingen intrekt.’ [ 60] Het komt de commissie voor dat dergelijke
       omstandigheden bij alle stappen van het beschermingsregime hebben te leiden tot
       beëindiging ervan. De rechtbank vraagt eerst ter zake advies aan deskundigen, alvorens de
       prijs te bepalen, waarop partijen kunnen reageren. [ 61 ] [ 62 ] Tegen deze gerechtelijke
       beslissing staat zo nodig beroep in cassatie bij de Hoge Raad open. [ 63 ]
   – (b) Afzien van bedenkingen of de voorgenomen handeling: de wet bepaalt nadrukkelijk
       dat binnen een maand na gerechtelijke vaststelling van de koopprijs de eigenaar kan
       afzien van de voorgenomen handeling respectievelijk de minister kan afzien van de eerder
       geuite bedenkingen. [ 64 ] Als van deze mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt, ‘geldt de
       vastgestelde koopprijs als overeengekomen tussen partijen.’ De Erfgoedwet geeft in dit
       verband geen duiding van wat de status van eventuele andere verkoopvoorwaarden is (die
       de rechtbank niet tevens vaststelt, blijkens de wettekst).
5. Belanghebbenden – vergoeding uitgaven: in het laatste wetsartikel van de
   aanwijzingsregeling wordt over eventuele belanghebbenden gesproken. Eventuele uitgaven
   van een belanghebbende vergoedt de minister van OCW namelijk desgevraagd ‘voor zover het
   nut daarvan is teniet gedaan door bedenkingen die zijn aangevoerd op grond van artikel
   4.6.’ [ 65 ] Dit recht op vergoeding van uitgaven vervalt als de bedenkingen hebben geleid tot
   aankoop van het beschermde cultuurgoed door de Staat of een derde. [ 66 ] Evenmin worden
   uitgaven vergoed die ‘redelijkerwijs achterwege hadden moeten blijven.’ [ 67 ]
                                                                                                  87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>(26) Tot slot, los beschouwd van het hiervoor weergegeven regime bij het voornemen tot een
Handeling, geldt hoe dan ook dat de eigenaar van een beschermd cultuurgoed bij vervreemding
of als hij rechten ten aanzien van dat cultuurgoed aan een ander verleent, de plicht heeft het
bestaan van de beschermde status aan die ander mee te delen. [ 68 ] Verder heeft de eigenaar een
meldingsplicht bij de inspectie in het geval van een vermissing of het tenietgaan van het
beschermde cultuurgoed. Dit dient dan ‘onverwijld’ te worden gemeld. [ 69 ] Tot slot is de eigenaar
verplicht het beschermde cultuurgoed aan de inspecteur te tonen, als daarom wordt
gevraagd. [ 70 ] Overtreding van al deze verplichtingen is strafbaar. [ 71 ]
 1.2.4. De regeling inzake (beschermde) cultuurgoederen in eigendom van Staat, provincie,
        gemeente (of andere publiekrechtelijke rechtspersoon)
(27) In de vorige paragraaf heeft de commissie de aanwijzingsregeling toegelicht. Anders luidt de
regeling voor cultuurgoederen die in eigendom zijn van de Staat, en provincie, een gemeente (of
een andere publiekrechtelijke rechtspersoon). De toevoeging ‘of een andere publiekrechtelijke
rechtspersoon’ tussen haakjes heeft als reden dat de hierna toe te lichten regeling voor de Staat,
provincies en gemeenten helemaal geldt en voor andere publiekrechtelijke rechtspersonen (zoals
een publiekrechtelijke universiteit) slechts voor een deel geldt. [ 72 ] De commissie licht dat hierna
verder toe. Deze regeling is opgenomen in paragraaf 4.2 van de Erfgoedwet.
(28) Ook organen van een publiekrechtelijke rechtspersoon kunnen besluiten een cultuurgoed of
verzameling in eigendom te vervreemden. Een dergelijk besluit is trouwens niet
bestuursrechtelijk appellabel en daarover kan dus niet bij de bestuursrechter door
belanghebbenden worden geprocedeerd. Wanneer de Staat, een provincie of een gemeente een
voornemen tot zo’n besluit tot vervreemding heeft, dient dit voornemen te worden
bekendgemaakt ‘op een door Onze Minister aangewezen wijze.’ [ 73 ] In het onderliggende ‘Besluit
aanwijzing wijze bekendmaken voorgenomen besluiten tot vervreemding cultuurgoed of
verzameling’ is bepaald dat bekendmaking geschiedt in de ‘Afstotingsdatabase’ van het Museum
Register ‘of’ (dus niet én) in de Staatscourant. [ 74 ] De bekendmaking van een voorgenomen
besluit tot vervreemding van een cultuurgoed houdt ‘in elk geval’ in een ‘beschrijving van het
cultuurgoed of de verzameling, een motivering van de voorgenomen vervreemding en een
mededeling of advies wordt gevraagd als bedoeld in artikel 4.18.’ [ 75 ]
(29) Vervolgens onderscheidt de beschermingsregeling zich in twee sporen: (1) een spoor waarin
het verantwoordelijke orgaan van de publiekrechtelijke rechtspersoon niet om advies aan een
deskundigencommissie vraagt en (2) een spoor waarin wel om een dergelijk advies wordt
gevraagd. Dit procedurevoorschrift tot het vragen om advies geldt niet alleen voor de Staat,
provincie of gemeente, maar ook voor ‘het bevoegde orgaan van een andere publiekrechtelijke
rechtspersoon’. [ 76 ] Maar voor die andere publiekrechtelijke rechtspersonen geldt niet de
bekendmakingsverplichting.
1.  Er wordt niet om een deskundigenadvies gevraagd: als er geen advies wordt gevraagd, dan
    kan ‘een ieder’ binnen zes weken na bekendmaking van het voornemen tot vervreemding een
    zienswijze indienen ‘over de vraag of het cultuurgoed of de verzameling van bijzondere
    cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is en onvervangbaar en onmisbaar voor
    het Nederlands cultuurbezit.’ [ 77 ] Deze criteria zijn gelijkelijk aan de criteria die gelden voor
    de aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling in particulier bezit als beschermwaardig.
    De genoemde zeswekentermijn geldt de facto als een wachttijd, want het is in die periode
    namelijk niet toegestaan tot vervreemding van het cultuurgoed of de verzameling in kwestie
    over te gaan. [ 78 ] Ná de zeswekentermijn worden de eventueel ingediende zienswijzen
    beoordeeld door het aangewezen orgaan van de betreffende publiekrechtelijke rechtspersoon.
    Zo nodig wordt er dan alsnog om advies gevraagd. [ 79 ] Afgaande op de wettekst is het dus sec
    beschouwd mogelijk reeds het cultuurgoed of de verzameling in kwestie te vervreemden,
    alvorens de binnengekomen zienswijzen zijn beoordeeld, zo constateert de commissie.
                                                                                                        88
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>2.  Er wordt wel om een deskundigenadvies gevraagd: de Erfgoedwet bepaalt dat het
    verantwoordelijke orgaan van de Staat (Onze Minister), provincie (gedeputeerde staten),
    gemeente (college van burgemeester en wethouders) of een andere publiekrechtelijke
    rechtspersoon om advies vraagt ‘aan een commissie van onafhankelijke deskundigen’ indien
    aan twee in de wet opgesomde criteria wordt voldaan. [ 80] Het is dus het orgaan dat tot
    vervreemding van het betreffende cultuurgoed of de verzameling wil overgaan, zelf dat beslist
    of om een onafhankelijk en deskundig advies over die vervreemding wordt gevraagd. De
    wettelijke cumulatieve criteria objectiveren deze vrijheid van het verantwoordelijke orgaan in
    (slechts) enige mate. Die criteria luiden als volgt:
    – ‘indien redelijkerwijs kan worden vermoed dat het cultuurgoed of de verzameling
          bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis heeft en onvervangbaar en
          onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit;’ [ 81 ]
    – indien vervreemding wordt overwogen aan een andere partij dan de Staat, een provincie,
          een gemeente, of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon.’ [ 82 ]
De Erfgoedwet bepaalt voorts dat de commissie die om advies wordt gevraagd ‘adviseert over de
vraag of de voorgenomen vervreemding een cultuurgoed of verzameling betreft van bijzondere
cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of dat die onvervangbaar en onmisbaar is voor
het Nederlands cultuurbezit.’ [ 83 ]
De commissie is als gezegd onafhankelijk en deskundig. De commissie bestaat uit ten minste drie
leden, inclusief de voorzitter. [ 84 ] De eis van deskundigheid van de commissie wordt
gewaarborgd, omdat die ‘mede’ heeft te zien ‘op de specifieke eigenschappen van het cultuurgoed
of de verzameling waarover om advies wordt gevraagd.’ [ 85 ] De eis van een onafhankelijke
commissie wordt gewaarborgd met het verbod voor de leden dat zij ‘anders dan uit hoofde van
het lidmaatschap van de commissie geen werkzaamheden voor de betrokken rechtspersoon’
mogen verrichten. ‘Ook anderszins hebben deze leden geen belangen of functies waardoor de
onafhankelijkheid van hun inbreng of het vertrouwen in die onafhankelijkheid in het geding kan
zijn.’ [ 86 ] Volgens de wetgever wordt in ieder geval aan de eisen van onafhankelijkheid en
deskundigheid voldaan, als het orgaan de zogenaamde ‘beschermwaardigheidscommissie’ van de
Museumvereniging voor advies inschakelt. [ 87 ]
In het geval er om een advies is gevraagd en dit advies luidt dat het cultuurgoed of de
verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is of dat die
onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit, dan kent de Erfgoedwet de
regeling dat daarvan melding wordt gedaan aan de minister van OCW, tevens met toezending
van het advies, ‘ten minste dertien weken voordat wordt overgegaan tot vervreemding aan een
andere partij dan de Staat, een provincie, gemeente of andere publiekrechtelijke
rechtspersoon.’ [ 88 ] Volgens de wetgever wordt hiermee de minister van OCW in staat gesteld
‘indien gewenst tijdig (…) te kunnen [over]gaan tot vernietiging van het besluit of aanwijzing als
beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling.’ [ 89 ] Vernietiging van het besluit tot
vervreemding van het cultuurgoed vindt zijn juridische grondslag in artikel 268 Gemeentewet of
artikel 261 Provinciewet. Dat bij wijze van alternatief ook zou kunnen worden overgegaan tot
aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als beschermd, toont aan dat de
aanwijzingsregeling ‘inzake particulier bezit’ niet volledig tot dat soort bezit is beperkt maar die
regeling zo nodig ook op bezit in het publiek domein kan worden toegepast.
(30) De bepalingen inzake de regeling voor cultuurgoederen die in eigendom zijn van de Staat,
een provincie, een gemeente (of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon) zijn niet
opgenomen in de Wet economische delicten, anders dan bepalingen inzake de
aanwijzingsregeling. Dit betekent dat overtreding van de hiervoor genoemde bepalingen inzake
het cultuurgoed in publiekrechtelijk bezit geen strafbaar feit oplevert.
                                                                                                     89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre> 1.2.5. De regeling inzake cultuurgoederen in openbare of kerkelijke collecties
(31) De Erfgoedwet kent een afzonderlijke regeling voor cultuurgoederen die zich in openbare of
kerkelijke collecties bevinden. De Erfgoedwet definieert niet expliciet het begrip ‘collectie’. Uit de
wetsgeschiedenis is daarentegen op te maken dat een ‘collectie’ iets anders is dan bijvoorbeeld
een ‘verzameling’. Een ‘collectie’ kenmerkt zich ‘door de plaats waar de cultuurgoederen zijn
samengebracht of door de persoon of rechtspersoon die de cultuurgoederen heeft
samengebracht. Een collectie kan meerdere verzamelingen omvatten.’ [ 90 ]
(32) Er geldt een verbod tot het ‘buiten Nederland brengen’ van cultuurgoederen die tot een van
de volgende collecties behoren, als er geen toestemming van de eigenaar is gegeven of als er geen
vervangende vergunning door de minister van OCW is verleend (bijvoorbeeld als de eigenaar
onbekend is). Andere vormen van vervreemding zijn op basis van deze regeling inzake openbare-
en kerkelijke collecties blijkbaar niet aan een toestemming of vergunning onderhevig. De in de
Erfgoedwet onderscheiden openbare- en kerkelijke collecties zijn de volgende:
1.  Openbare collectie in eigendom van de Staat of een openbaar lichaam: het is verboden een
    cultuurgoed ‘dat deel uitmaakt van een openbare collectie die is vermeld in de inventarislijst
    van een museum, een archief of een vaste collectie van een bibliotheek, en waarvan de Staat
    of een ander openbaar lichaam eigenaar is, buiten Nederland te brengen zonder dat de
    eigenaar daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven.’ [ 91 ] Deze toestemming van de
    eigenaar kan worden vervangen door een vergunning van de minister van OCW, indien de
    eigenaar zich over het brengen van het cultuurgoed buiten Nederland niet verklaart. [ 92 ] Er
    gelden de facto dus twee eisen om te kunnen spreken van een cultuurgoed dat zich in een
    openbare collectie bevindt: (1) het cultuurgoed moet staan vermeld op een inventarislijst van
    een museum, een archief of in een vaste collectie van een bibliotheek, en (2) de Staat of een
    ander openbaar lichaam is eigenaar van die openbare collectie.
2.  Openbare collectie in eigendom van een privaatrechtelijke rechtspersoon die in overwegende
    mate wordt gefinancierd door subsidie die door de Staat of een ander overheidslichaam
    wordt verstrekt en die door de minister van OCW voor de toepassing van dit verbod is
    aangewezen: een openbare collectie ‘die is vermeld in de inventaris van een museum, een
    archief of een vaste collectie van een bibliotheek’ kan ook in private eigendom zijn. Als deze
    eigendom ‘berust bij een privaatrechtelijke rechtspersoon die in overwegende mate wordt
    gefinancierd door subsidie die door de Staat of een ander overheidslichaam wordt verstrekt,
    en die door Onze Minister voor de toepassing van dit verbod is aangewezen’ geldt hetzelfde
    verbod als hiervoor onder (1) beschreven. [ 93 ]
3.  Kerkelijke collectie van cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis: het hiervoor
    genoemde verbod geldt verder voor cultuurgoederen die deel uitmaken van ‘een
    inventarislijst van cultuurgoederen van cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis
    waarvan een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, of een ander genootschap
    op religieuze grondslag eigenaar is.’ [ 94 ] Het valt de commissie op dat het criterium als hier
    omschreven, niet tevens bevat de eisen van onmisbaar en onvervangbaar voor het
    Nederlands cultuurbezit. Verder is het de commissie niet duidelijk wie bepaalt of een
    cultuurgoed al dan niet een cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis toekomt,
    als hiervoor bedoeld.
4.  De Rijkscollectie: het verbod geldt tot slot ook voor ‘de lijst van museale cultuurgoederen van
    de Staat als bedoeld in artikel 2.6, tweede lid’, van de Erfgoedwet. Deze verwijzende bepaling
    schrijft voor dat de minister van OCW een lijst bijhoudt ‘van alle museale cultuurgoederen
    van de Staat die aanwezig zijn bij Onze Ministers wie het aangaat, de colleges van staat en de
    instellingen aan wie museale cultuurgoederen van de Staat in beheer zijn gegeven.’ Het gaat
    hier, met andere woorden, kort gezegd om cultuurgoederen die behoren tot de rijkscollectie
                                                                                                       90
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>    en die zich binnen de organisatie van de Staat bevinden of bij instellingen aan wie museale
    cultuurgoederen in beheer zijn gegeven. [ 95 ]
(33) Het verbod tot het buiten Nederland brengen van cultuurgoederen uit een openbare of
kerkelijke collectie geldt ook voor bijvoorbeeld rijksmonumenten en onderdelen ervan of
onrechtmatig opgegraven archeologische vondsten, maar deze verboden vallen buiten de
reikwijdte van het onderhavige advies en komen daarom verder niet aan de orde. [ 96 ]
 1.2.6. Overige regelingen in de Erfgoedwet tot bescherming van cultuurgoederen
(34) Tot slot kent de Erfgoedwet een aantal overige regelingen tot bescherming van
cultuurgoederen, die een Europeesrechtelijke of internationaalrechtelijke achtergrond hebben.
Deze regelingen zijn de volgende:
1.  De aangewezen beschermde cultuurgoederen en de cultuurgoederen die deel uitmaken van
    een openbare of kerkelijke collectie (zie de vorige deelparagraaf) zijn tevens beschermd op
    basis van het Unesco-verdrag 1970 en de Europese Richtlijn 2014/60/EU (samenhangend
    met Verordening 1024/2012). [ 97 ] Het Unesco-verdrag bevat bepalingen om de
    onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden of
    te verhinderen. De genoemde Europese richtlijn bevat regels inzake de teruggave van
    cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van de lidstaat van de
    Europese Unie zijn gebracht, die met de Erfgoedwet in de Nederlandse rechtsorde zijn
    geïmplementeerd. Op grond van het Unesco-verdrag en als overgenomen in de Erfgoedwet
    verricht de minister van OCW verder ten eerste een aantal feitelijke handelingen, ‘zoals het
    organiseren van toezicht op oudheidkundige opgravingen, het zorgen voor het geven van
    voldoende bekendheid aan elke verdwijning van culturele goederen en het in kennis stellen
    van een verdragsstaat van het aanbod van culturele goederen die onrechtmatig uit de
    verdragsstaat zijn verwijderd.’ Ten tweede verricht de minister op basis van het Unesco-
    verdrag rechtshandelingen ‘zoals overeenkomsten of besluiten die kunnen bijdragen om het
    doel te bereiken.’ [ 98 ]
2.  Op basis van de Europese Verordening (EG) 116/2009 betreffende uitvoer van
    cultuurgoederen is het verboden om cultuurgoederen die behoren tot een categorie als
    vermeld in bijlage I van deze verordening zonder vergunning van de minister van OCW uit te
    voeren buiten – kort gezegd – de Europese Unie. [ 99 ] [ 100 ] De algemeen directeur van de
    Douane is door de minister van OCW gemandateerd tot het verlenen van
    uitvoervergunningen. [ 101] Het gaat om cultuurgoederen boven een bepaalde leeftijd (zoals
    schilderijen ouder dan 50 jaar en niet meer in het bezit van de maker) of boven een bepaalde
    financiële waarde (zoals schilderijen met een waarde hoger dan 150.000 euro). De minister
    kan een uitzondering op dit verbod maken voor ‘oudheidkundige voorwerpen ouder dan
    honderd jaar, die afkomstig zijn van opgravingen en vondsten op het land en in de zee dan
    wel van oudheidkundige locaties, indien deze cultuurgoederen’ aan bepaalde in de wet
    genoemde criteria voldoen. [ 102] In de Uitvoeringsverordening 1081/2012 zijn regels ter
    uitwerking van deze vergunningplicht opgenomen.
3.  Er geldt op grond van de Erfgoedwet een verbod tot het in Nederland brengen van een
    cultuurgoed dat in strijd met de regels van een andere verdragsstaat (op grond van het
    Unesco-verdrag)daaruit is verdwenen of is overgedragen of dat het om gestolen
    cultuurgoederen gaat, op grond van de regels van het Unesco-verdrag. [ 103 ] Bestaat er een
    vermoeden dat in Nederland sprake is van een cultuurgoed dat in strijd met het hiervoor
    beschreven verbod is ingevoerd, dan kan de minister dat cultuurgoed in bewaring
    nemen. [ 104 ] De verdragsstaat waaruit het cultuurgoed afkomstig is, kan de teruggave ervan
    vorderen. [ 105 ] Overigens kent het begrip ‘cultuurgoed’ in het kader van deze regeling en de
    regeling als hiervoor genoemd onder (3) een andere definitie, namelijk als vermeld in
    artikel 6.1, aanhef en sub c van de Erfgoedwet. [ 106 ]
                                                                                                   91
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>4.   De Erfgoedwet kent een soortgelijke regeling voor cultuurgoederen die afkomstig zijn uit
     bezet gebied. Het is verboden een dergelijk cultuurgoed Nederland binnen te brengen of in
     Nederland onder zich te houden. [ 107 ] Ook in deze situatie heeft de minister van OCW de
     bevoegdheid tot inbewaringneming van het cultuurgoed en kan het cultuurgoed worden
     teruggevorderd. [ 108 ] [ 109 ] Overigens kent het begrip ‘cultuurgoed’ in het kader van deze
     regeling een andere definitie, namelijk als vermeld in artikel 6.9, aanhef en sub c van
     de Erfgoedwet. [ 110]
5.   Tot slot dient hier genoemd te worden de plicht van de minister van OCW namens de Staat te
     aanvaarden cultuurgoederen of verzamelingen die voldoen aan de aanwijzingscriteria en om
     niet en zonder belastende voorwaarden aan de Staat worden overgedragen. [ 111] Deze
     aanvaardingsplicht is nieuw ten opzichte van de Wbc. Met deze regeling ‘wordt voorkomen
     dat belangrijk cultuurbezit waarvoor niemand de zorg voor het beheer op zich neemt,
     verloren gaat.’ [ 112] Volgens de wetgever gaat het hier om een juridische aanvaardingsplicht
     en kunnen er zo nodig afspraken over de transport- of uitvoeringskosten (anders dan
     uitgaven voor beheer en behoud) worden gemaakt, die met een dergelijke aanvaarding
     mogelijk gepaard gaan. [ 113 ] De minister hanteert geen actief beleid om via deze
     aanvaardingsplicht cultuurgoederen voor de rijkscollectie te verwerven.
 1.2.7. De Leidraad Afstoten Museale Objecten (zelfregulering museale domein)
(35) In de voorgaande deelparagrafen is een overzicht van de wettelijke regelingen uit de
Erfgoedwet geschetst. De museumsector kent naast de toepasselijkheid van deze regels uit de
Erfgoedwet tevens een eigen ‘Leidraad Afstoten Museale Objecten’ (de ‘LAMO’). Deze vorm van
zelfregulering heeft niet eenzelfde (rechts)kracht als de regels uit de Erfgoedwet, want
overtreding van de LAMO leidt bijvoorbeeld niet tot een onrechtmatig of strafbaar handelen.
Overtreding leidt volgens de LAMO tot de constatering dat niet langer aan de eisen van het
Museumregister wordt voldaan en dat ultimo het museum uit het Museumregister wordt
verwijderd en het lidmaatschap van de Museumvereniging komt te vervallen. De LAMO bevat
een procedure die musea hebben te volgen als zij ‘objecten’ willen afstoten, door herplaatsing bij
of buiten een ander geregistreerd museum. Onder museum verstaat de LAMO een in het
Museumregister geregistreerd museum. Dit museum hoeft volgens de LAMO niet tevens de
eigenaar van het af te stoten object te zijn. Is het museum geen eigenaar, dan is volgens de
LAMO in beginsel toestemming van de eigenaar nodig om het object te mogen afstoten ((anders
wanneer niet bekend is wie de eigenaar is (en sprake is van bulkafstoting). Deze zelfregulering
geldt dus naast de regels van de Erfgoedwet, die altijd geldende rechtskracht heeft.
 1.3. Een historische kenschets
 1.3.1. Introductie
(36) Met uitzondering van de regeling voor de Staat, een provincie, gemeente of een ander
publiekrechtelijke rechtspersoon zijn de andere regelingen uit de Erfgoedwet grotendeels
overgenomen uit de Wbc. Aan de totstandkoming van de Wbc is destijds een lange
voorbereidingstijd vooraf gegaan. In deze paragraaf wordt een historische kenschets gegeven van
de wet- en regelgeving – of juist het gebrek daaraan – inzake met name de bescherming van
cultuurgoederen in particulier bezit. Deze historie schetst de commissie in drie tijdsperken, te
bespreken in chronologische volgorde:
1.   Het vooroorlogse tijdperk, waarin nog geen overheidsregeling bestond ter bescherming van
     cultuurgoederen (paragraaf 1.3.2);
2.   Het naoorlogse tijdperk waarin centraal staat het Deviezenbesluit 1945 en de Deviezen
     beschikking 1977, die allebei zijn vervallen met inwerkingtreding Wet inzake de financiële
     betrekkingen met het buitenland op 1 mei 1981 (paragraaf 1.3.3); en
                                                                                                   92
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>3.   Het ‘Wbc-tijdperk’, medio jaren ’80 van de vorige eeuw tot 1 juli 2016
     (inwerkingtredingsdatum van de Erfgoedwet) waarin de Wbc het geldend recht behelsde
     (paragraaf 1.3.4).
 1.3.2. Het vooroorlogse tijdperk
(37) De zorgen omtrent de bescherming van cultureel erfgoed zijn niet alleen van recente datum.
Toch kenmerkt het vooroorlogse tijdperk, tot het einde van de Tweede Wereldoorlog, zich wat
deze bescherming betreft met name door het gebrek aan wet- en regelgeving op dit gebied.
(38) Een eerste stap in de richting van verandering in denken wordt gezet wanneer Victor de
Stuers in 1873 de noodklok luidt met zijn publicatie ‘Holland op zijn smalst’, waarin hij het
gebrek van betrokkenheid van de Staat bij de bescherming van cultureel erfgoed en de gevolgen
daarvan aan de kaak stelt. [ 114 ] Hij schrijft onder meer:
‘De oude kiem van moreele en intellectueele superioriteit leeft nog, maar zij is lang verstikt
geweest, niet het minst door zorgeloosheid en door te uitsluitende bezorgdheid voor meer
materieele belangen.
De regeering kan door doeltreffende maatregelen de impulsie geven tot een verjongd leven; de
tegenwoordige Minister, die zich zelf een groot voorstander noemde van alles wat kunst en
wetenschap betreft, heeft ons reeds reden gegeven om te vertrouwen, dat hij het zich tot een taak
zal stellen het wandalisme te beteugelen en aan de kunst te geven wat haar toekomt. Mogen de
Kamers, moge het geheele Nederlandsche volk tot dat streven medewerken.’
(39) De roep van De Stuers wordt gehoord: in de periode na 1873 groeit de overheidsaandacht
voor de bescherming van cultureel erfgoed en het voorkomen van de uitvoer van
kunstvoorwerpen van nationaal belang. [ 115 ] Een regeling met als onderwerp de bescherming van
cultuurgoederen bestond in die tijd niet, maar wel de mogelijkheid om bij koninklijk besluit een
beslissing van een decentrale overheid te schorsen en/of te vernietigen. [ 116] Een structurele
overheidsregeling zal echter nog geruime tijd op zich laten wachten.
 1.3.3. Het naoorlogse tijdperk
(40) Daar komt na de Tweede Wereldoorlog enige verandering in. Net als op zo vele andere
gebieden, had de oorlog ook zijn weerslag op het cultureel erfgoed in Nederland. Gedurende de
oorlog werden door roof en vernieling grote verliezen aan het kunstbezit toegebracht en de vrees
voor verliezen bleef ook aan en na het einde van de oorlog bestaan. Men vreesde bijvoorbeeld
voor verdere pogingen om onrechtmatig verkregen kunstobjecten naar het buitenland te sluizen.
Bovendien was de economie in Nederland aan het einde van de oorlog wankel: de
deviezenpositie van Nederland was krap, de belastingen waren hoog. Deze omstandigheden
deden kunstobjecten tot een geliefd beleggingsobject groeien, waarmee bovendien tijdens de
oorlog verkregen winsten konden worden gecamoufleerd of strenge regels die aan het
internationaal geldverkeer worden gesteld, konden worden ontdoken. [ 117 ] De behoefte aan een
overheidsregeling over de uitvoer van cultuurgoederen groeide daarom sterk.
(41) Het was tegen deze – met name economische – achtergrond dat het Deviezenbesluit 1945
tot stand kwam, waarin onder meer een regeling over de in- en uitvoer van kunstschatten werd
opgenomen. [ 118 ] In het Deviezenbesluit werd geregeld dat de in- en uitvoer van
kunstvoorwerpen uitsluitend was toegestaan nadat – kort gezegd – daarvoor een vergunning was
afgegeven. Deze regeling is later gespecificeerd in de op het Deviezenbesluit 1945 gebaseerde
Deviezenbeschikking uitvoer kunstschatten 1977. [ 119 ] In de Deviezenbeschikking werd geregeld
dat de vergunning uitsluitend nodig was voor de uitvoer van schilderijen met een waarde van
meer dan f 80.000,00 en van alle overige kunstschatten met een waarde van
meer dan f 20.000,00.
                                                                                                  93
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>(42) Werd een aanvraag tot uitvoer gedaan, dan werd onder meer door de minister van
Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (‘OK&W’) bij het Adviesbureau In- en Uitvoer
Voorwerpen van Geschiedenis en Kunst van de Stichting voor den Kunsthandel een
‘rijksdeskundige’ aangewezen. Deze rijksdeskundige diende binnen een periode van zestien
dagen, na overleg met directies van musea en bibliotheken, vast te stellen of het kunstvoorwerp
van nationaal cultureel belang was. Indien dat het geval was, diende de deskundige in die
periode te proberen het voorwerp voor Nederland te behouden – dat wil zeggen: het in
Nederland te koop aan te bieden. Was er geen koper te vinden, dan werd de vergunning alsnog
verleend. De taken van de deskundige werden later toebedeeld aan de Rijksinspecteur voor
roerende monumenten. [ 120 ]
(43) Hoewel de uitvoer van een aantal cultuurgoederen, nadat als gevolg van het Deviezenbesluit
contact met de overheid werd opgenomen over de vermeende uitvoer, kon worden voorkomen,
bleek het Deviezenbesluit al spoedig voor verbetering vatbaar. [ 121 ] [ 122 ] De controle op de
naleving van de regeling bleek moeilijk. Bovendien groeide met de verbetering van de
deviezenpositie van Nederland de overtuiging dat een regeling over de uitvoer van
cultuurvoortbrengselen niet in een – op financiële waarde gebaseerde – deviezenregeling
opgenomen diende te zijn, maar in een eigen wettelijke regeling vervat moest worden. [ 123]
(44) De weg naar een eigen regeling over cultuurgoederen bleek echter lang. In 1956 werd door
de minister van OK&W een commissie ingesteld onder voorzitterschap van jhr. D.C. Roëll, de
toenmalige hoofddirecteur van het Rijksmuseum. Bij het rapport dat de commissie-Roëll in 1958
uitbracht, was een voorontwerp van wet gevoegd, waarin een systeem werd voorgesteld van
‘algemeen toezicht vooraf, met de mogelijkheid van weigering van een uitvoervergunning en
controle daarop door de douane’. [ 124 ] Het ontwerp stuitte op bezwaren, met name vanwege het
ontbreken van praktische uitvoerbaarheid ervan. Het kwam uiteindelijk niet tot
een wetsvoorstel.
(45) In 1973 werd er een nieuw rapport uitgebracht, ditmaal door de commissie-Langelaan. Deze
commissie was in 1969 door minister Klompé ingesteld, onder het voorzitterschap van
D.F.W. Langelaan, de toenmalige voorzitter van de Vereniging Rembrandt. Dit rapport leek
hetzelfde lot te treffen als het eerdere rapport van de commissie-Roëll.
(46) Volgens de ‘Proeve van een wet tot behoud van cultuurbezit’, in welke vorm de commissie-
Langelaar haar rapport uitbracht, zou de vergunningsmethodiek worden losgelaten en zou er een
lijst komen van beschermde voorwerpen van kunst en wetenschap. Aan de eigenaar van een
beschermd voorwerp zou een beschermingscertificaat worden verstrekt, dat het kunstvoorwerp
altijd diende te vergezellen. Voor uitvoer van een beschermd kunstvoorwerp was ontheffing van
de minister nodig, die door de minister niet kon worden geweigerd indien de aanvrager kon
aantonen dat de uitvoer vanwege zijn persoonlijk of zakelijk belang nodig was. Die noodzaak
werd dan in ieder geval geacht te ontbreken indien binnen drie maanden bleek dat de Staat of
een derde, binnen Nederland, bereid was het kunstvoorwerp voor een redelijke prijs te kopen.
De commissie-Langelaan vulde – hoewel niet unaniem – het advies een jaar later aan met
aanvullende voorstellen, die zagen op het toevoegen van een bepaalde lijst met kunstvoorwerpen
van zulk uitzonderlijk belang dat daarvoor een absoluut uitvoerverbod zou gelden. [ 125 ] Ook dit
rapport stuitte op de nodige bezwaren, met name vanwege het feit dat toenemende liberalisering
van de markt controle op uitvoer nauwelijks toeliet en een verbod op uitvoer daarom weinig
effectief werd geacht.
(47) De wens om tot een eigen wettelijke regeling omtrent de bescherming van cultuurbezit te
komen, verdween echter niet. Het komen tot een regeling werd zelfs meer dringend
noodzakelijk: met de inwerkingtreding van de Wet inzake de Financiële Betrekkingen met het
Buitenland op 1 mei 1981, zouden het Deviezenbesluit 1945 en de Deviezenbeschikking uitvoer
kunstschatten 1977 – en daarmee de daarin opgenomen enige regeling tot beperking van de
uitvoer van cultuurbezit die Nederland destijds kende – komen te vervallen. Ook werd in
                                                                                                  94
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>januari 1971 de grenscontrole tussen de Benelux-landen afgeschaft, als gevolg waarvan tussen de
Benelux-landen overleg plaatsvond over de bescherming van onwettige uitvoer van
cultuurgoederen. Daarbij werd aangedrongen op de invoering van een wettelijke regeling in
Nederland. Bovendien was door Nederland in de Unesco-vergadering van november 1970 een
conventie aanvaard inzake de in- en uitvoer en eigendomsoverdracht van
cultuurvoortbrengselen. Als gevolg hiervan was Nederland verplicht maatregelen te treffen ter
bescherming van het eigen cultuurbezit. [ 126 ]
 1.3.4. Het ‘Wbc-tijdperk’
(48) Het kwam in april 1981 dan ook tot een wetsvoorstel dat uiteindelijk in 1985 in werking is
getreden als de Wbc. [ 127 ] Nadat in 1999 een evaluatie van de Wbc plaatsvond door de
Adviescommissie Wet tot behoud van cultuurbezit (de ‘Evaluatiecommissie’), is de Wbc in 2002
op een aantal gebieden nog aangepast.
(49) Hoewel het rapport van de commissie-Langelaan destijds op bezwaren stuitte, heeft het
‘lijstenstelsel’ als voorgesteld door die commissie uiteindelijk de basis gevormd voor het
beschermingsstelsel in de Wbc en – sinds de integratie van de Wbc in de Erfgoedwet – voor de
aanwijzingsregeling in de Erfgoedwet. Gelet op de overeenkomsten die de Wbc en de Erfgoedwet
dankzij deze integratie hebben, en de beschrijving van de Erfgoedwet die reeds in dit hoofdstuk
is gegeven, volstaat de commissie in deze paragraaf met een beschrijving van de belangrijkste
verschillen tussen de Wbc en de Erfgoedwet en de achtergrond daarvan. Het gaat daarbij om de
hierna genoemde belangrijkste verschillen. Overigens is de terminologie in de Erfgoedwet ten
opzichte van de Wbc enigszins aangepast. In de Wbc werd een cultuurgoed bijvoorbeeld
aangeduid als een voorwerp. Deze onderscheidenlijke terminologie houdt de commissie hierna
ook aan, bij de bespreking van de belangrijkste verschillen tussen beide wetten:
1.   Advies van de Raad voor Cultuur over een voorgenomen (wijziging of intrekking van een)
     aanwijzing: anders dan onder de Wbc, hoeft de minister sinds de inwerkingtreding van de
     Erfgoedwet niet langer de Raad voor Cultuur advies te vragen over een voorgenomen
     aanwijzing van een cultuurgoed, of de wijziging of intrekking van die aanwijzing. Sinds de
     inwerkingtreding van de Erfgoedwet kan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
     voorstellen doen en ligt de adviesfunctie van de Raad voor Cultuur, zo volgt uit de memorie
     van toelichting bij de Erfgoedwet, meer op het strategische vlak. [ 128 ]
2.   Onder de Wbc niet enkel de ‘ambtshalve’ bevoegdheid tot aanwijzing van een voorwerp:
     anders dan onder de Wbc, heeft de minister in de Erfgoedwet de ‘ambtshalve’ bevoegdheid
     tot aanwijzing van een cultuurgoed, verzameling of ensemble als beschermd. Voor een
     bespreking van de beperking tot ‘ambtshalve’ aanwijzing in de Erfgoedwet en het verschil met
     de Wbc, verwijst de commissie naar paragraaf 1.4.4 van dit advies.
3.   Een eerste aanbod tot koop: onder de Wbc werd een aanbod tot koop van een beschermd
     voorwerp dat voor Nederland dreigde te verdwijnen, als eerste gedaan door de Staat. Daar is
     met de Erfgoedwet verandering in gekomen. De wetgever heeft er onder de Erfgoedwet voor
     gekozen eerst ruimte te laten voor ‘particulier initiatief’, in die zin dat eerst wordt onderzocht
     of anderen dan de Staat bereid zijn het beschermde cultuurgoed dat uit Nederland dreigt te
     verdwijnen, aan te kopen. [ 129 ] Daarmee heeft de wetgever de mogelijkheden om deze
     goederen voor Nederland te behouden, willen uitbreiden. [ 130 ] Voor een beschrijving van het
     aanbod tot koop door particuliere kopers, verwijst de commissie naar paragraaf 1.2.3 van
     dit advies.
4.   Bescherming van emsembles: nieuw sinds de inwerkingtreding van de Erfgoedwet is dat ook
     ensembles als beschermd kunnen worden aangewezen, bestaande uit een rijksmonument
     tezamen met cultuurgoederen. Deze vorm van bescherming kende de Wbc niet. Voor een
                                                                                                        95
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>     beschrijving van de aanwijzing van beschermde ensembles, verwijst de commissie naar
     paragraaf 1.2.3 (D) van dit advies.
 1.4. Een aantal elementen van de aanwijzingsregeling onder
        de Erfgoedwet uitgelicht
 1.4.1. Introductie
(50) In deze paragraaf licht de commissie een aantal aspecten van de aanwijzingsregeling uit.
Voor een goed begrip van deze regeling en de toepassing daarvan in de praktijk, acht de
commissie het namelijk noodzakelijk om bij de hierna aan de orde te komen onderdelen langer
stil te staan. Het gaat om de onderdelen:
1.   Het begrip ‘particulier bezit’ en het gegeven dat de Erfgoedwet naar dit soort bezit geen
     expliciete verwijzing maakt (paragraaf 1.4.2);
2.   Het karakter van de aanwijzingsbevoegdheid en het aanwijzingsbesluit (paragraaf 1.4.3);
3.   De inzet van de aanwijzingsbevoegdheid en het ministeriële beleid hieromtrent
     (paragraaf 1.4.4);
4.   De Erfgoedwet heeft geen toepasselijkheid op niet aangewezen cultuurgoederen die zich
     inmiddels in het buitenland bevinden en binnen de Europese Unie geldt het recht op vrij
     verkeer van goederen (paragraaf 1.4.5);
5.   De criteria tot aanwijzing van een cultuurgoed, verzameling of ensemble als
     beschermwaardig (paragraaf 1.4.6);
6.   De lijst van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen (paragraaf 1.4.7); en
7.   Financiële aspecten inzake de aanwijzingsregeling (paragraaf 1.4.8).
(51) Hierna wordt elk van deze onderdelen door de commissie verder toegelicht.
 1.4.2. Het begrip ‘particulier bezit’ en het gegeven dat de Erfgoedwet naar dit soort bezit geen
        expliciete verwijzing maakt
(A) Introductie
(52) In deze bijlage heeft de commissie reeds geconstateerd dat strikt genomen de Erfgoedwet de
aanwijzingsregeling niet beperkt tot het particuliere bezit. Desalniettemin wordt aangenomen
dat die regeling primair van toepassing is op cultuurgoederen, verzamelingen en ensembles in
particulier bezit. [ 131 ]
(B) De reikwijdte van de aanwijzingsregeling
(53) Dat de aanwijzingsregeling de facto is bestemd voor ‘particulier bezit’ kan ten eerste worden
opgemaakt uit de meest recente parlementaire geschiedenis van de Erfgoedwet. De regeling tot
aanwijzing van cultuurgoederen wordt in de memorie van toelichting van de Erfgoedwet
namelijk toegelicht onder het kopje ‘4.2 Cultuurgoederen in privaat bezit’, te onderscheiden van
bijvoorbeeld het kopje ‘4.3 Cultuurgoederen in bezit van overheden’. [ 132] [ 133] Op vragen van de
Tweede Kamer antwoordt de minister dat ‘[c]ollecties in publiek bezit (…) niet als beschermd
[zijn] aangewezen. Het register richt zich louter op objecten in particulier bezit.’ [ 134 ] Anders dan
in de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet, spreekt overigens de parlementaire geschiedenis van
de oude Wbc minder nadrukkelijk van privaat of particulier bezit. Daarin komt wel nadrukkelijk
naar voren dat ‘[o]verheidsbezit (…) bij voorkeur niet op de lijst [zal] worden geplaatst.’ [ 135] De
Eerste Kamer en de minister hebben ten tijde van de parlementaire behandeling van de Wbc
overigens wel nog kort gediscussieerd over de vraag of de Wbc-regeling niet beter uitsluitend van
toepassing zou moeten zijn op voorwerpen die in eigendom zijn van rechtspersonen en niet
                                                                                                        96
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>tevens van privépersonen. De destijds verantwoordelijke minister heeft een dergelijke beperking
van het wetsvoorstel echter niet wenselijk geacht. [ 136 ] Uit deze toelichtingen leidt de commissie
af dat de aanwijzingsregeling slechts is bedoeld voor cultuurgoederen die bij anderen dan de
overheid in bezit zijn, zij het dat aanwijzing van overheidsbezit niet geheel is uitgesloten.
(54) Ten tweede blijkt uit beantwoording van recente Kamervragen dat de minister van OCW
ook nu nog de aanwijzingsregeling bestemd acht voor (primair) cultuurgoederen in particulier
bezit: ‘De Erfgoedwet bevat een kader ter bescherming van bijzondere cultuurgoederen in
particulier bezit.’ [ 137 ]
(55) Kortom, hoewel de Erfgoedwet de aanwijzingsregeling niet nadrukkelijk (uitsluitend) van
toepassing acht op cultuurgoederen in ‘particulier bezit’ is het wel telkens de bedoeling van de
wetgever geweest om deze regeling te beperken tot cultuurgoederen (en verzamelingen en
ensembles) in particulier bezit, althans in niet-overheidsbezit. De begrippen ‘particulier bezit’,
‘privaat bezit’ en de tegenovergestelde begrippen van ‘overheidsbezit’ en ‘publiek bezit’ zijn
echter verder niet door de wetgever geduid. Hierdoor kan verwarring ontstaan over de vraag wat
wordt bedoeld met ‘privaat’ versus ‘publiek’. Illustratief is de wetsgeschiedenis van de
Erfgoedwet. In de memorie van toelichting schaart de wetgever ‘professionele beheerders zoals
musea’ onder de noemer ‘particulier’. [ 138 ] Echter, in antwoord op vragen van de Tweede Kamer
over verzamelingen van musea, schrijft de minister dat ‘collecties in publiek bezit (…) niet als
beschermd [zijn] aangewezen. Het register richt zich louter op objecten in particulier bezit. De
regels over beschermde verzamelingen zijn dus in beginsel niet van toepassing op musea.’ [ 139 ]
De ene keer worden musea dus als particulier geduid, de andere keer als publiek. Verder schrijft
bijvoorbeeld de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed in haar Toezichtskader, pagina 8 dat
‘het privaat eigendom (…) kan berusten bij kerken, kloosters, stichtingen
en natuurlijke personen.’
(C) Definiëring van het begrip ‘particulier bezit’ door de commissie en de
aanwijzingsregeling als vangnet van de Erfgoedwet
(56) Gelet op het voorgaande acht de commissie het voor een goed begrip van haar advies nodig
in dit advies expliciet te benoemen wat zij verstaat onder het begrip ‘particulier bezit’. Zij neemt
in dit advies aan dat met particulier bezit telkens is bedoeld cultuurgoederen, verzamelingen en
ensembles die in eigendom zijn van privépersonen en privaatrechtelijke rechtspersonen. Met
andere woorden, alle andere denkbare personen dan de Staat, een provincie, een gemeente of
een andere publiekrechtelijke rechtspersoon kunnen cultuurgoederen ‘in particulier bezit’
(eigendom) hebben. Voor cultuurgoederen in eigendom van deze laatstgenoemde categorie geldt
immers een andere, bijzondere regeling tot bescherming ervan. In zoverre kan de
aanwijzingsregeling volgens de commissie als een cruciale regeling van de Erfgoedwet
worden beschouwd.
(57) Het is volgens de commissie overigens belangrijk in ogenschouw te nemen dat er verschillen
tussen deze soorten overige eigenaren in het particuliere domein (kunnen) bestaan, bijvoorbeeld
een stichting die een collectie van een museum ondersteunt versus een privépersoon.
 1.4.3. Het karakter van de aanwijzingsbevoegdheid en het aanwijzingsbesluit
(58) Onder de Erfgoedwet kan de aanwijzing van een cultuurgoed, verzameling of ensemble als
beschermwaardig, net als een wijziging of intrekking van zo’n aanwijzing, uitsluitend door de
minister van OCW worden genomen. [ 140 ] [ 141 ] Een dergelijke beslissing wordt in een besluit
vervat. [ 142 ] Dit besluit is bestuursrechtelijk appellabel. Dit betekent dat belanghebbenden –
zoals in ieder geval de eigenaar van het beschermde cultuurgoed, verzameling of ensemble –
tegen het besluit bezwaar kunnen maken bij de minister van OCW en daarna zo nodig in beroep
kunnen gaan bij de bestuursrechter. [ 143] [ 144 ]
                                                                                                     97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>(59) De bevoegdheid van de minister om een cultuurgoed aan te wijzen, is in de Erfgoedwet
gekarakteriseerd als ‘ambtshalve’. Deze ambtshalve bevoegdheid ten aanzien van
cultuurgoederen, verzamelingen en ensembles is nieuw sinds de inwerkingtreding van de
Erfgoedwet. De Wbc kende deze toevoeging namelijk nog niet, maar de Monumentenwet 1988
sinds 2011 al wel voor de soortgelijke aanwijzing van roerende zaken als
rijksmonumenten. [ 145 ] [ 146 ] Dat de aanwijzing louter nog ambtshalve kan geschieden, betekent
dat er geen aanvragen tot (intrekking of wijziging van) een aanwijzing kunnen worden gedaan,
althans dat de minister niet op een dergelijke aanvraag formeel hoeft te beslissen en er zo geen
bestuursrechtelijke rechtsingang ontstaat om over de al dan niet af- of toewijzing van die
aanvraag tot aanwijzing van een cultuurgoed te procederen. [ 147 ] Hoewel de Wbc hiertoe geen
nadrukkelijke bepaling kende, was het onder de Wbc nog wel mogelijk om bij de minister een
formeel verzoek tot het aanwijzen van een cultuurgoed als beschermd in te dienen. [ 148 ] Daarop
had de minister van OCW dan een bestuursrechtelijk appellabel (afwijzings)besluit te nemen. Zo
kon ook worden verzocht tot intrekking van een aanwijzing, waarop de minister dan een
bestuursrechtelijk appellabel besluit had te nemen. [ 149 ] Door de aanwijzingsbevoegdheid in de
Erfgoedwet te beperken tot een ambtshalve bevoegdheid (alsook de bevoegdheid tot intrekking
of wijziging van de aanwijzing), is deze verplichting voor de minister dus komen te vervallen.
Daarmee is beoogd de administratieve lasten voor de minister te beperken. [ 150 ] Wel blijft gelden
dat als een suggestie van een ieder tot het aanwijzen van een cultuurgoed als beschermd wordt
gedaan, de minister hierop gemotiveerd heeft te reageren. [ 151 ] Als wordt gevreesd dat een niet-
beschermd cultuurgoed voor Nederland dreigt verloren te gaan, kan dit net zo goed altijd bij de
minister worden gemeld, zo licht de wetgever in de parlementaire behandeling van de
Erfgoedwet dan ook toe. ‘Zo nodig kan de Minister overwegen op grond van artikel 3.7 van het
wetsvoorstel over te gaan tot aanwijzing als beschermd cultuurgoed.’ [ 152 ]
 1.4.4. De inzet van de aanwijzingsbevoegdheid en het ministeriële beleid hieromtrent
(60) De Erfgoedwet laat de minister ruimte om naar eigen beoordeling al dan niet van de
aanwijzingsbevoegdheid gebruik te maken. De aanwijzingscriteria, waarover hierna in
paragraaf 1.4.6 van deze bijlage meer, bieden de minister daartoe een kader. En bovendien gaat
het om een ‘kan’-bepaling. Dat biedt de minister de ruimte om zelfs al zouden de criteria hebben
te leiden tot aanwijzing van een cultuurgoed, dit alsnog achterwege te laten.
(61) Uit de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet wordt reeds duidelijk dat er sprake is van ‘een
terughoudend aanwijzingsbeleid.’ [ 153 ] Als reden voor deze terughoudendheid noemt de wetgever
dat immers uiteindelijk de Staat ultimo een aankoop zal moeten doen als bij de eigenaar de wens
bestaat een beschermd cultuurgoed te vervreemden als gevolg waarvan het cultuurgoed uit
Nederland zou verdwijnen. De middelen in het daarvoor beschikbare aankoopfonds zijn beperkt,
aldus de wetgever. ‘Het beleid is daarom meer gericht op het vergroten van de toegankelijkheid
van de huidige rijkscollectie dan op uitbreiding daarvan.’ [ 154 ]
(62) Op een later moment in de parlementaire behandeling wordt het ‘terughoudend
aanwijzingsbeleid’ scherper neergezet door de minister, namelijk in antwoord op Kamervragen.
Dat antwoord luidt namelijk dat ‘[h]et wetsvoorstel [erin] voorziet (…) dat de Minister van OCW
in noodgevallen een belangrijk cultuurgoed dat onvervangbaar en onmisbaar is voor het
Nederlands cultuurbezit, kan aanwijzen als beschermd cultuurbezit. Als een beschermd
cultuurbezit naar het buitenland dreigt te verdwijnen, kan de Minister van OCW daartegen
bedenkingen aanvoeren.’ [ 155 ] Naar de interpretatie van de commissie is de inzet van de
aanwijzingsbevoegdheid bij (louter) ‘noodgevallen’ een nog terughoudender gebruik van de
bevoegdheid dan de wetgever in de memorie van toelichting bij de Erfgoedwet
heeft geformuleerd.
                                                                                                    98
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>(63) Wellicht dat dit hiervoor geciteerde antwoord reeds kon worden beschouwd als een opmaat
naar het later bekendgemaakte ministeriële beleid inzake de aanwijzingsbevoegdheid. Dit beleid
is neergelegd in de ‘Beleidsregel aanwijzing beschermde cultuurgoederen 2016’. [ 156 ] Deze
Beleidsregel heeft de commissie al kort aangestipt in randnummer (13) van deze bijlage. Blijkens
dit beleid wijst de minister een cultuurgoed of verzameling louter als beschermd aan ‘in een
spoedeisend geval’. In de bijbehorende toelichting wordt vermeld dat het terughoudende beleid
dat reeds onder de Wbc bestond, nu wordt vastgelegd. Er is volgens de minister niet sprake van
een ‘koerswijziging, maar voortzetting van de praktijk.’
(64) In de toelichting behorende bij de Beleidsregel wordt een aantal ‘overwegingen’ genoemd
dat aan de terughoudendheid van de inzet van de aanwijzingsbevoegdheid ten grondslag ligt.
Deze overwegingen zijn kort en goed de volgende:
1.  De Collectie Nederland is al een goede kerncollectie. ‘Er is geen noodzaak voor nieuwe
    aanwijzingen door de minister.’ Daarbij noemt de minister de omstandigheid dat
    professionele verzamelaars reeds actief zijn in het verwerven van cultuurgoederen, zodat de
    overheid ‘verder kan terugtreden’.
2.  Een sterk acterende overheid kan volgens de minister het proces om de geefcultuur in
    Nederland te stimuleren, belemmeren. ‘De overheid wil juist ruimte geven aan
    burgerparticipatie en particulier initiatief bij het behouden en beschermen van
    cultureel erfgoed.’
3.  De prioriteit ligt bij het toegankelijk maken van de reeds bestaande rijkscollectie en niet bij
    het vergroten ervan.
4.  Het onderhavige beleid betreft geen koerswijziging; reeds onder de Wbc was het
    aanwijzingsbeleid reactiever geworden.
(65) Het terughoudend aanwijzingsbeleid wordt in de Beleidsregel dus uitgelegd als dat hij
‘feitelijk alleen aanwijst in spoedeisende gevallen, waaronder in elk geval wordt verstaan de
situatie dat een belangrijk Nederlands cultuurgoed of een belangrijke verzameling op het punt
staat om naar het buitenland te worden uitgevoerd.’ De minister licht toe dat ‘tijdelijke uitvoer
ten behoeve van een buitenlandse tentoonstelling waarover afspraken zijn gemaakt tussen
bruikleengever en bruikleennemer’ hieronder niet valt.
(66) Het in beleid neergelegde terughoudend aanwijzingsbeleid wordt in de praktijk zo mogelijk
nog stringenter toegepast, althans zo begrijpt de commissie de combinatie van de volgende vraag
van een Tweede Kamerlid en het daarop gegeven antwoord van de minister:
– Vraag: ‘Hebt u overwogen de bedoelde tekening [van Rubens, toev. commissie] alsnog op te
    nemen in het register van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen? Zo ja, wat is de
    reden dat de tekening niet is opgenomen? Zo nee, waarom niet?’
– Antwoord: ‘Nee. Op dit moment geldt een terughoudend aanwijzingsbeleid.’ [ 157 ]
(67) In de Beleidsregel komt niet nadrukkelijk als overweging terug dat de terughoudendheid
van het aanwijzingsbeleid ook de rechten van de eigenaar als reden kan hebben. Een
eigendomsrecht is het meest verstrekkende denkbare recht, dat in beginsel dient te worden
gerespecteerd tenzij het echt nodig is op dat recht een inbreuk te maken.
(68) Hoe dan ook, de commissie stelt vast dat de wetgever een terughoudend aanwijzingsbeleid
voor ogen heeft gezien bij de invoering van de Erfgoedwet en dat de uitvoerende minister deze
terughoudendheid inderdaad in de praktijk betracht. Eenzelfde lijn bestaat nadrukkelijk ook
voor verzamelingen.
                                                                                                    99
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre> 1.4.5. De Erfgoedwet heeft geen toepasselijkheid op niet aangewezen cultuurgoederen die zich
        inmiddels in het buitenland bevinden en binnen de Europese Unie geldt het recht op vrij
        verkeer van goederen.
(69) Hierna in randnummer (83) komt nog aan de orde dat het aanwijzingscriterium
‘Nederlands cultuurbezit’ door de wetgever wordt uitgelegd als dat de aanwijzingsregeling
uitsluitend van toepassing kan zijn op cultuurgoederen die zich in Nederland bevinden. Op
vragen van de Tweede Kamer heeft de minister een soortgelijke reactie gegeven, namelijk dat
‘[i]n op een later moment terughalen naar Nederland van cultuurgoederen die rechtmatig zijn
uitgevoerd, is niet voorzien.’ [ 158 ] Uit deze uitlatingen leidt de commissie af dat volgens de
minister de Erfgoedwet niet van toepassing is op cultuurgoederen die zich buiten
Nederland bevinden.
(70) De commissie acht dit een belangrijke vaststelling, mede omdat binnen de Europese Unie
het recht op vrij verkeer van goederen bestaat. Dit betekent dat een mogelijk belangwekkend,
maar (nog) niet aangewezen cultuurgoed op eenvoudige en snelle wijze buiten Nederland kan
worden gebracht en het wettelijke beschermingsregime van de aanwijzingsregeling dan niet
langer kan worden ingeroepen.
 1.4.6. De criteria tot aanwijzing van een cultuurgoed, verzameling of ensemble
        als beschermwaardig
(A) Introductie
(71) De Erfgoedwet kent vijf criteria op basis waarvan een cultuurgoed, een verzameling of
ensemble door de minister van OCW als beschermd cultuurgoed kan worden aangewezen. Deze
criteria noemt de commissie in het vervolg van dit advies de ‘aanwijzingscriteria’.
(72) Deze criteria luiden als volgt:
1.  het cultuurgoed is van bijzondere cultuurhistorische betekenis; óf
2.  het cultuurgoed is van bijzonder wetenschappelijke betekenis; óf
3.  het cultuurgoed is van uitzonderlijke schoonheid; én
4.  het cultuurgoed dient als onvervangbaar voor het Nederlands cultuurbezit te worden
    beschouwd; én
5.  het cultuurgoed dient als onmisbaar voor het Nederlands cultuurbezit te worden beschouwd.
(73) Het betreffende cultuurgoed dient dus in ieder geval onvervangbaar en onmisbaar voor het
Nederlands cultuurbezit te zijn en moet daarnaast een bijzondere cultuurhistorische of
wetenschappelijke betekenis hebben of van uitzonderlijke schoonheid zijn. Ook andere ‘meer
concrete factoren’ kunnen volgens de Wbc-wetgever een rol spelen, namelijk ‘de staat waarin het
voorwerp zich bevindt, de mogelijkheid om het – zonder al te grote kosten – te behouden, de
mogelijkheid om het zonder gevaar voor achteruitgang aan het publiek te tonen.’ [ 159 ]
(74) In deze paragraaf onderzoekt de commissie in hoeverre de aanwijzingscriteria verder te
duiden zijn. Wat wordt er meer precies door de wetgever en de uitvoerende minister bedoeld met
deze aanwijzingscriteria? Daarvoor is niet alleen bestudering van de wetsgeschiedenis van de
Erfgoedwet nuttig, maar met name die van de oude Wbc. De aanwijzingscriteria golden namelijk
ook al onder deze oude wetgeving. In de memorie van toelichting behorende bij die wet worden
deze criteria samengevat geduid als dat het gaat om die ‘voorwerpen’ (de Wbc sprak van
voorwerpen in plaats van cultuurgoederen) ‘waarvan de aanwezigheid hier te lande onmisbaar
wordt geacht voor allen die zich hier een beeld van Nederlands cultureel erfgoed willen
vormen.’ [ 160 ] De Erfgoedwetgever merkt op dat er geen (inhoudelijke) wijziging met de aloude
criteria is beoogd; in de memorie van () toelichting behorende bij de Erfgoedwet wordt in zoverre
dan ook slechts summier op de aanwijzingscriteria ingegaan. Dit is overigens anders voor de
regeling tot bescherming van cultuurgoederen die in eigendom zijn van de Staat, een provincie,
een gemeente of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon. Over de toepassing van de
                                                                                                  100
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>aanwijzingscriteria op deze (in de Erfgoedwet nieuwe) regeling is wel inhoudelijke discussie
gevoerd. Echter niet zozeer over de betekenis van de criteria als meer over de vraag of er niet
stringentere criteria voor cultuurgoederen in publiek bezit zouden moeten gelden en in het
bijzonder over de vraag of met de criteria voldoende aandacht bestaat voor het eventueel
belangrijke lokaal of regionaal belang van een cultuurgoed. [ 161]
(75) Overigens komen de aanwijzingscriteria in belangrijke mate overeen met de criteria die
gelden voor aanwijzing van een onroerende zaak als rijksmonument. [ 162 ] Van deze criteria die
gelden voor onroerende zaken, merkt de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet op dat deze
‘voldoende algemeen [zijn] om vernieuwingen in het denken over de waardering van cultureel
erfgoed in het aanwijzingsbeleid niet in te perken.’ [ 163 ] Vervolgens wordt een aantal voorbeelden
van rijksmonumenten opgesomd waaruit zou blijken dat dergelijke vernieuwingen binnen de
criteria tot aanwijzing als rijksmonument passen. De commissie meent dat een soortgelijke
uitleg ook kan gelden voor de aanwijzingscriteria met betrekking tot cultuurgoederen
en verzamelingen.
(76) Hierna gaat de commissie eerst op het open karakter van de aanwijzingscriteria als zodanig
in (onder (B)) en daarna op elk van de aanwijzingscriteria (onder (C) tot en met (E)).
(B) De aanwijzingscriteria zijn open normen
(77) In deze bijlage stipte de commissie al kort aan dat de aanwijzingscriteria open normen zijn,
die de minister een discretionaire ruimte laten om een cultuurgoed al dan niet als beschermd
aan te wijzen. De wetsgeschiedenis van de Wbc toont aan dat de wetgever welbewust voor dit
open karakter heeft gekozen: ‘Evenmin als in de Monumentenwet, wordt hier [met de
aanwijzingscriteria, toev. commissie] een nauwkeuriger maatstaf voor de samenstelling van de
lijst gegeven, omdat culturele waarde nu eenmaal niet te meten is.’ [ 164 ] Uit het vervolg van deze
parlementaire uitleg blijkt evengoed tevens dat de vraag of een cultuurgoed aan de
aanwijzingscriteria voldoet, hoofdzakelijk aan deskundigen wordt overgelaten, die als het ware
de discretionaire ruimte die de minister toekomt invullen: ‘De belangrijkste waarborg voor een
verantwoorde samenstelling zal liggen in de deskundigheid en de zorgvuldigheid van de leden
der commissie, in hun onderlinge gedachtewisseling en in het streven de lijst beperkt te
houden.’ [ 165 ] Uit de wetsgeschiedenis blijkt dan ook dat de criteria zoals die anno nu ook nog
gelden, in samenspraak met experts zijn gekozen: ‘Al is het niet mogelijk in de wet een
nauwkeuriger maatstaf te bepalen, wel kunnen verschillende aspecten worden genoemd die de
Commissie en de minister in aanmerking zullen moeten nemen. Met een aantal deskundigen op
verschillende terreinen van cultuur is uitvoerig van gedachten gewisseld over deze hierna te
noemen aspecten.’ [ 166 ] Deze opdracht aan een deskundigencommissie komt mede voort vanuit
de gedachte dat het niet tot de overheidstaak behoort om ‘voortbrengselen van onze
hedendaagse samenleving tot cultuurgoederen te bestempelen.’ Die taak is ‘eerder voorwaarden
scheppend en beschermend.’ [ 167 ]
(C) De criteria ‘onvervangbaar’ en ‘onmisbaar’
(78) Zoals de commissie al eerder opmerkt in dit advies, zijn de criteria ‘onvervangbaar’ en
‘onmisbaar’ op wetsniveau in enige mate verder uitgewerkt, in tegenstelling tot
de overige criteria.
(79) Er is sprake van een onvervangbaar cultuurgoed als er geen ander, nagenoeg geen ander of
soortgelijk cultuurgoed in Nederland aanwezig is, dat in goede staat verkeert. [ 168 ]
(80) Met ‘onmisbaar’ wordt blijkens de Erfgoedwet bedoeld dat het cultuurgoed in kwestie een
‘symboolfunctie’, ‘schakelfunctie’ of ‘ijkfunctie’ heeft. Deze functies zijn verder niet in de
Erfgoedwet gedefinieerd. Dit was anders in de Wbc, waarin de functies wel waren voorzien van
een definitie. [ 169 ] Onder de Erfgoedwet biedt de memorie van toelichting behorende bij de
Erfgoedwet enig inzicht in de betekenis van de drie functies, die overigens overeenkomt met de
oude tekst van de Wbc: [ 170 ]
                                                                                                     101
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>‘Onmisbaar is een cultuurgoed dat een symboolfunctie, schakelfunctie of ijkfunctie heeft. Ten
minste een van die functies moet aanwezig zijn, wil het cultuurgoed voldoen aan het criterium
‘onmisbaar’. Daarbij wordt onder symboolfunctie verstaan de functie van een cultuurgoed als
duidelijke herinnering aan personen of gebeurtenissen die voor de Nederlandse geschiedenis van
overtuigend belang zijn. Met schakelfunctie wordt gedoeld op de functie van een cultuurgoed als
wezenlijk element in een ontwikkeling die voor de wetenschapsbeoefening, met inbegrip van de
beoefening van de cultuurgeschiedenis, in Nederland van overtuigend belang is. De ijkfunctie ten
slotte is de functie van een cultuurgoed als wezenlijke bijdrage in het onderzoek of de kennis van
andere belangrijke cultuurgoederen.’ [ 171 ]
(81) De Wbc-wetgever duidt de criteria ‘onvervangbaar’ en ‘onmisbaar’ aan als ‘richtlijnen.’ Of
een cultuurgoed onvervangbaar en onmisbaar is, wordt ‘mede bepaald door de plaats die een
voorwerp of een verzameling in de loop der historie in onze samenleving heeft ingenomen.’ Zo
zal voorwerp dat altijd op een voor publiek toegankelijke locatie te bezichtigen is geweest
‘dikwijls van grotere betekenis zijn’ dan een voorwerp dat ‘altijd bij particulieren thuis, of tot
voor kort in het buitenland heeft verbleven.’ [ 172]
(D) Het criterium ‘Nederlands cultuurbezit’
(82) De verwijzing naar het ‘Nederlands cultuurbezit’ wordt in de wetsgeschiedenis van de
Erfgoedwet uitgelegd als dat een cultuurgoed alleen als beschermd kan worden aangewezen
indien zich dat in Nederland bevindt. ‘Cultuurgoederen die aan de criteria voldoen, maar zich in
het buitenland in particulier bezit bevinden, worden niet aangewezen. Zij behoren immers niet
(meer) tot het in Nederland aanwezige cultuurbezit.’ [ 173 ] Verder noemt de minister als reden dat
de aanwijzing van een cultuurgoed dat zich in het buitenland bevindt ‘geen functie [zou] hebben
omdat deze Nederlandse wetgeving geen rechtskracht heeft in het buitenland.’ [ 174 ] Als een
dergelijk cultuurgoed uit het buitenland in Nederland terecht zou komen, is bovendien de eerste
vijf jaar toestemming van de eigenaar nodig. [ 175 ] ‘Deze bepaling heeft als achtergrond de handel
in kunst niet te veel te belemmeren.’ [ 176 ]
(83) Het criterium ‘Nederlands cultuurbezit’ had onder de Wbc een bredere betekenis, aldus de
wetsgeschiedenis ervan. Dit criterium is volgens de Wbc-wetgever een centraal begrip van de
Wbc. Het zo duidelijk mogelijk duiden van dit begrip is echter niet goed mogelijk en ook niet
verstandig, zo stelt de Wbc-wetgever. ‘Het begrip cultuur wordt immers op zeer verschillend en
uiteenlopende manieren omschreven. In feite is dit begrip nog steeds onderwerp van discussie
voor historici, antropologen, sociologen, filosofen, etc. Vandaar dat in het wetsontwerp en de
memorie van toelichting is gekozen voor een open formulering, waardoor deze discussie niet
bevroren wordt.’ [ 177 ] Om deze reden benoemt de Wbc-wetgever dat het begrip ‘cultuur’ in ruime
zin moet worden opgevat. [ 178 ] De Wbc-wetgever licht toe dat het begrip ‘cultuur’ ‘niet statisch’ is,
maar iets ‘dat verandert en groeit, zoals ook een gemeenschap van mensen verandert en
groeit.’ [ 179 ] Het is niet de taak van de rijksoverheid het begrip ‘nationaal cultuurbezit’ – dat door
de Wbc-wetgever als synoniem van Nederlands cultuurbezit wordt gebruikt – duidelijk en
ondubbelzinnig te omschrijven. Mede ter voorkoming dat toekomstige generaties die
omschrijving ‘te eenzijdig’ zouden vinden. [ 180 ] Al met al zal de samenstelling van de lijst met
beschermde voorwerpen (cultuurgoederen) een steeds duidelijker gestalte geven aan het begrip
Nederlands cultuurbezit, zo is de verwachting van de Wbc-wetgever.
(84) Het begrip ‘Nederlands’ (dan wel ‘nationaal’) kan volgens de Wbc-wetgever slechts ‘op één
wijze (…) worden geïnterpreteerd.’ Echter, ‘tegelijkertijd [is dat begrip] zó veelomvattend (…),
dat het gebruik van dat woord veelal plaatsvindt uit een beperkte gezichtshoek op
dat begrip.’ [ 181]
                                                                                                         102
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>(E) De criteria ‘bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis’ en
‘uitzonderlijke schoonheid’
(85) De criteria inzake ‘bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis’ en
‘uitzonderlijke schoonheid’ krijgen eigenlijk geen tot nauwelijks aandacht in de parlementaire
behandeling van (het voorstel inzake) de Erfgoedwet. De commissie verwijst daarom terug naar
de wetsgeschiedenis behorende bij de Wbc. Daarbij zij opgemerkt dat de aanwijzingscriteria tot 1
juni 2002 niet in de Wbc stonden vermeld, maar in het onderliggende Besluit behoud
cultuurbezit (‘Bbc’). [ 182] De hierbij behorende Nota van toelichting geeft verder evenmin duiding
van de afzonderlijke aanwijzingscriteria.
(86) Het criterium ‘uitzonderlijke schoonheid’ kende de Bbc, en ook later de Wbc, niet. Dit
criterium is nieuw met de Erfgoedwet door amendering van het oorspronkelijke
wetsvoorstel. [ 183 ] Met ‘uitzonderlijke schoonheid’ is beoogd de esthetische waarde van een
cultuurgoed als reden voor aanwijzing te kunnen gebruiken. [ 184 ] In het Wbc-tijdperk is
meermalen discussie gevoerd over de vraag of als criterium zou moeten gelden de ‘artistieke
kwaliteit’ van een voorwerp. Dit criterium is nimmer in de Wbc opgenomen, maar kent wel
gelijkenissen met het huidige criterium ‘uitzonderlijke schoonheid’ dat dus staat voor de
esthetiek. Opvattingen over deze artistieke kwaliteit kunnen in de loop der tijd verschuiven,
aldus de Wbc-wetgever, ‘maar op de lange duur ontstaat dikwijls een algemene waardering.’
Overigens betekent dit niet dat een voorwerp van matige kwaliteit niet op de lijst kan worden
geplaatst, zo benadrukt de Wbc-wetgever daarna. [ 185 ] De Evaluatiecommissie inzake de Wbc
beval aan om de artistieke kwaliteit van een voorwerp als ‘complementair criterium’ toe te
voegen aan de (huidige) functies die vallen onder het criterium ‘onmisbaar’. [ 186 ] Deze
aanbeveling werd destijds echter ontraden door de Raad voor Cultuur en dit werd door de Wbc-
wetgever overgenomen. Dit criterium zou volgens de Wbc-wetgever namelijk ‘niet goed werkbaar
(…) zijn. Ik onderschrijf de opvatting van de Raad voor Cultuur dat het begrip ‘artistieke waarde’
een niet te objectiveren begrip is. Bovendien wordt met het begrip al voldoende rekening
gehouden bij de toetsing aan de hand van de functies die thans al met het
onmisbaarheidscriterium samenhangen, waarbij vooral kan worden gewezen op
de ‘ijkfunctie’.’ [ 187 ]
(87) De criteria ‘bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis’ golden al wel in
het Wbc-tijdperk. Echter, net als in de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet is de toelichting op
deze begrippen in de wetsbehandeling van de Wbc summier. Als voorbeeld van
‘wetenschappelijke betekenis’ wordt genoemd verzamelingen op het gebied van de natuurlijk
historie ‘die in de hele wereld hun weerga niet hebben en die geheel tot de Nederlandse traditie
behoren.’ [ 188 ] De betekenis in wetenschappelijke of cultuurhistorische zin kan zich door de tijd
heen wijzigen. [ 189 ]
 1.4.7. Het register met beschermde cultuurgoederen en verzamelingen
(88) Zoals al genoemd in deze bijlage is een feitelijk gevolg van de aanwijzing van
cultuurgoederen en verzamelingen als beschermwaardig, dat zij worden ingeschreven en
vermeld in een ‘register beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen’.
(89) Een belangrijke reden om te kiezen voor een register waarin aangewezen cultuurgoederen
worden vermeld, is volgens de (Wbc-)wetgever dat daarmee wordt voorkomen ‘onzekerheid over
de vraag of een voorwerp onder de werking van de wet valt. Elke algemene omschrijving zou tot
onzekerheid leiden.’ [ 190 ] Deze onzekerheid zou de internationale kunsthandel namelijk niet ten
goede komen, aldus de wetgever. Bovendien kon met een lijstenstelsel (onder de Wbc heette het
register nog een ‘lijst’) worden aangesloten bij de verplichtingen van Nederland onder het
Unesco-verdrag 1970. Onder dat verdrag zijn staten namelijk verplicht om één of meer nationale
diensten in te stellen ten behoeve van de bescherming van het cultureel erfgoed, om onder meer
de volgende taak naar behoren te kunnen verrichten:
                                                                                                    103
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>‘(…) het opstellen en bijhouden, op basis van een nationale inventarisatie van te beschermen
goederen, van een lijst van belangrijke culturele goederen in openbaar of particulier bezit,
waarvan de uitvoer een aanzienlijke verarming van het nationale culturele erfgoed
zou betekenen.’
(90) Een andere belangrijke reden voor de (Wbc-)wetgever om te kiezen voor een lijstenstelsel,
is geweest de verwachting van de wetgever dat met een dergelijk lijstenstelsel aangesloten kon
worden bij de dynamiek van het begrip ‘nationale cultuur’. Het was de bedoeling van de wetgever
dat de lijst een dynamische lijst zou zijn. [ 191]
(91) Wanneer de Wbc in het jaar 2000 wordt geëvalueerd, en later wanneer de Wbc in 2016 in de
Erfgoedwet wordt geïntegreerd, blijkt dat het concept van een lijstenstelsel functioneert, hoewel
er telkens aandacht is gevraagd voor actualisatie van voorwerpen/cultuurgoederen die op die
lijst staan vermeld (zie hierover verder paragraaf 3.6 van dit advies). [ 192 ]
(92) Op de samenstelling van de lijst is dan ook nogal eens forse kritiek geuit, met name op de
vermeende onevenwichtigheid ervan. Evenwichtigheid van cultuurgoederen die op de lijst staan
vermeld worden door de Evaluatiecommissie Wbc, en later de Erfgoedwet-wetgever,
daarentegen niet als een na te streven doel gezien. [ 193 ] De lijst wordt geacht een aanvulling te
zijn op het cultuurbezit dat door de overheid in musea in stand wordt gehouden. De relatief
sterke vertegenwoordiging van bepaalde categorieën zoals kerkelijk kunstbezit, valt daarom te
verklaren uit het feit dat deze categorie kunstbezit zich weinig in eigendom van musea
bevindt. [ 194 ] Daarbij wordt met name bescherming beoogd van belangrijk cultuurbezit waarvan
te vrezen valt dat het verloren gaat voor Nederland, en zal de lijst dat reflecteren. Meer recent
laat de wetgever in de memorie van toelichting op de Erfgoedwet weten dat de ‘lijst
rechtszekerheid biedt aan de eigenaren en geen onevenredige belemmering vormt van de
internationale kunsthandel’. [ 195 ]
(93) Het voorgaande wil overigens niet zeggen dat in de loop der jaren geen suggesties zijn
gedaan ter verbetering van de lijst. Zo komt de Evaluatiecommissie Wbc tot de conclusie dat het
evident is dat ‘door veranderde cultuurhistorische inzichten en of veranderingen in de collectie
Nederland op de [lijst] redengevingen voor plaatsing aan actualiteitswaarde inboeten’. Om deze
dynamiek, alsook hiervoor besproken, goed te (kunnen) reflecteren, heeft de Evaluatiecommissie
Wbc aanbevolen om de lijst van beschermde cultuurgoederen periodiek, bijvoorbeeld eenmaal
per tien jaar, te actualiseren. Voor zover de commissie bekend is hieraan verder geen
toepassing gegeven.
 1.4.8. Financiële aspecten inzake de aanwijzingsregeling
(94) Om zo nodig een (beschermd) cultuurgoed voor Nederland te kunnen behouden, is er het
Nationaal Aankoopfonds (tevens genoemd het Museaal Aankoopfonds). Uit dit fonds kunnen in
het bijzonder aankopen van nationaal belang door musea worden ondersteund en aankopen van
beschermde cultuurgoederen die uit het Nederlands cultuurbezit dreigen te verdwijnen. [ 196 ] [ 197 ]
Het Mondriaan fonds fungeert als loket voor verzoeken voor een bijdrage uit dit
Nationaal Aankoopfonds. [ 198 ]
(95) De Erfgoedwet kent niet nadrukkelijk een bepaling inzake het Aankoopfonds of enig ander
aspect van financiën, met het oog op een goede werking van de aanwijzingsregeling. [ 199 ] Uit de
toelichting bij de wet volgt dat het feit dat de financiële middelen in het Aankoopfonds beperkt
zijn, dit reden (te meer) is voor een terughoudend aanwijzingsbeleid. De beperkte middelen zijn
volgens de wetgever tevens reden om aan de aanwijzingsregeling de stap toe te voegen dat
behalve de Staat ook anderen (particulieren) een beschermd cultuurgoed kunnen aankopen. [ 200 ]
                                                                                                      104
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>(96) In de Eerste Kamer is in het kader van het voorstel voor de Erfgoedwet gesproken over het
belang van voldoende financiële middelen voor een effectieve werking van de
aanwijzingsregeling. Aan de minister is destijds de vraag gesteld of hij ‘in het kader van
hoofdstuk 7 van het wetsvoorstel, het hoofdstuk dat betrekking heeft op de financiële aspecten,
mogelijkheden [ziet] om opnieuw – want het is er wel geweest – een substantieel nationaal fonds
voor het cultureel erfgoed in te richten?’ Ter beantwoording van deze vraag verwijst de minister
naar het Aankoopfonds. Volgens de minister zitten daarin nog middelen ‘voor het geval dat er
iets heel bijzonders zou gebeuren. Vanzelfsprekend hecht ik eraan dat het museaal
Aankoopfonds weer wordt aangevuld.’ [ 201 ]
(97) De huidige stand van zaken met betrekking tot dit Nationaal Aankoopfonds is dat dit fonds
opnieuw moe(s)t worden aangevuld na de aankoop door de Staat van twee Rembrandt-
portretten van Marten en Oopjen. In 2018 is dit fonds met 25 miljoen euro, aangevuld, in 2019
met 15 miljoen euro en in 2020 nog eens met 10 miljoen euro. [ 202 ]
(98) Het belang van voldoende financiële middelen is altijd er – en onderkend, maar tot een
expliciete juridische grondslag in de Wbc respectievelijk de Erfgoedwet voor een speciaal fonds is
het nimmer gekomen. In het kader van het voorstel van de Wbc merkte de Raad van State al op
dat een voldoende aankoopfonds ‘beslissend’ is voor de aanwijzingsregeling. ‘De Raad vraagt
zich af of de wet niet dient te voorzien in de vorming van een fonds.’ [ 203 ] De Wbc-wetgever vond
het idee van een fonds destijds ‘minder wenselijk, omdat de uitgaven van een fonds onvoldoende
worden betrokken in de onderlinge afweging van de verschillende rijksuitgaven. Ik geef er dan
ook de voorkeur aan (…) de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk maximaal
vier maanden de gelegenheid heeft via de normale ruimte die de rijksbegroting biedt, middelen
te vinden.’ [ 204 ] Ondanks het feit dat deze uitleg destijds door leden van de Tweede en Eerste
Kamer niet overtuigend werd geacht, is er in de Wbc geen grondslag voor een fonds
gekomen. [ 205 ] Ook niet na evaluatie van de Wbc eind jaren ’90 van de vorige eeuw, waarin de
evaluatiecommissie opnieuw op het belang van voldoende financiële middelen heeft gehamerd:
‘De adviescommissie beschouwt het als een cruciale tekortkoming dat de WBC niet voorziet in
een fonds voor aankopen.’ [ 206 ] De commissie constateerde destijds dat onder meer ‘met name
het gebrek aan financiële middelen voor aankopen in het verleden’ van beschermde
cultuurgoederen tekortkomingen in de aanwijzingsregeling zijn. [ 207 ] De Erfgoedwet kent, als
gezegd, thans evenmin een grondslag voor een (voldoende gevuld) fonds of een andere soort
financiële vangnetbepaling.
 1.5. Tot slot
(99) In deze juridische analyse heeft de commissie de huidige wet- en regelgeving inzake de
bescherming van cultuurgoederen beschreven. Voor een beter begrip van deze Erfgoedwet en
bijbehorende (beleids)regels heeft de commissie vervolgens de historische ontwikkeling van de
bescherming door de overheid van cultuurgoederen op hoofdlijnen geschetst. Dit historische
overzicht toont aan dat de bescherming van cultuurgoederen steeds meer de aandacht van de
overheid heeft gekregen, uitmondend in wet- en regelgeving. De vrees voor verdwijning van voor
Nederland belangrijk cultuurbezit heeft altijd bestaan. Met de Erfgoedwet is gekozen voor
nagenoeg bestendiging van het Wbc-tijdperk, met uitzondering van een paar wijzigingen.
                                                                                                    105
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>   1
Artikel 1.1, aanhef, Erfgoedwet.
   2
Ter illustratie: recente moties in de Tweede Kamer gaan bijvoorbeeld over het
muzikaal erfgoed (Kamerstukken II 2018-19, 32820, nrs. 314) en het
fotografisch erfgoed (nr. 315).
   3
Artikel 1.1, aanhef, Erfgoedwet.
   4
Artikel 1.1, aanhef, Erfgoedwet.
   5
Artikel 1.1, aanhef, Erfgoedwet: ‘een op grond van artikel 3.13 aangewezen
rijksmonument met cultuurgoederen.’
   6
Artikel 1.1, aanhef, Erfgoedwet.
   7
Artikel 1.1, aanhef, Erfgoedwet.
   8
Artikel 1.1, aanhef, Erfgoedwet.
   9
Artikel 3.7 lid 1 Erfgoedwet.
   10
Artikel 3.12 Erfgoedwet.
   11
Artikel 3.7 lid 1 Erfgoedwet.
   12
Artikel 3.7 lid 4 sub a Erfgoedwet.
   13
Artikel 3.7 lid 4 sub b Erfgoedwet.
   14
Met dien verstande dat ‘niet ieder onderdeel van de verzameling op zich aan de
aanwijzingscriteria voor een beschermd cultuurgoed behoeft te voldoen.’
(Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 19).
   15
Artikel 3.7 lid 2 Erfgoedwet.
   16
Artikel 3.8 lid 1 Erfgoedwet.
   17
Stcrt. 2016, 45418 (1 september 2016).
   18
Artikel 3 lid 1 Beleidsregel.
   19
Artikel 3 lid 2 Beleidsregel.
   20
Artikel 3 lid 3 Beleidsregel.
   21
Artikel 3.9 lid 1 Erfgoedwet. Enkele nuances zijn bepaald in leden 2 en 3 van
artikel 3.9 Erfgoedwet. ‘De band tussen de maker en zijn schepping moet
zwaarder wegen dan de band tussen het cultuurgoed en Nederland. De
vervaardiger dient daarom niet te worden beperkt in zijn beschikkingsvrijheid.’
(Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 74).
   22
Artikel 3.9 lid 2 Erfgoedwet.
Zie voor enkele nuances leden 4 en 5 van artikel 3.9 Erfgoedwet.
   23
                                                                                106
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>  23
Artikel 3.10 lid 1 Erfgoedwet.
  24
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 74.
  25
Artikel 3.10 lid 2 Erfgoedwet.
  26
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 75: ‘Opneming in het register voor de
beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen is een feitelijke
handeling.’
  27
Artikel 3.11 lid 1 Erfgoedwet.
  28
Artikel 3.11 lid 3 Erfgoedwet.
  29
Artikel 3.11 lid 2 Erfgoedwet.
  30
Artikel 9.2 lid 2 Erfgoedwet.
  31
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 105.
  32
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 41.
  33
Artikel 3.13 Erfgoedwet. De aanwijzing kan tevens worden gewijzigd of
ingetrokken of in de omschrijving kunnen feitelijke verbeteringen worden
doorgevoerd (artikel 3.15 Erfgoedwet).
  34
Artikel 3.14 lid 1 Erfgoedwet.
  35
Artikel 3.14 lid 2 Erfgoedwet.
  36
Artikel 3.14 lid 3 Erfgoedwet.
  37
Kamerstukken I 2015/16, 34109, C, p. 5: ‘De aanwijzing van een ensemble heeft
geen rechtsgevolg voor de eigenaar; er geldt geen wettelijke bescherming.’
  38
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 19. Zie ook p. 59-60.
  39
Artikel 4.4 Erfgoedwet.
  40
Artikel 1, aanhef en onder 2°, van de Wet economische delicten (‘Wed’).
  41
Artikel 4.5 lid 1 Erfgoedwet.
  42
Artikel 4.5 lid 1, laatste zinsdeel, Erfgoedwet.
  43
Artikel 4.5 lid 2 Erfgoedwet.
  44
Artikel 4.6 lid 1 Erfgoedwet.
  45
Artikel 4.11 Erfgoedwet.
  46
Artikel 4.7 lid 1 Erfgoedwet.
  47
Artikel 4.6 lid 2 Erfgoedwet.
  48
Artikel 4.7 lid 2 Erfgoedwet.
                                                                                107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>  49
Artikel 4.8 lid 1 Erfgoedwet.
  50
Artikel 4.8 lid 2 Erfgoedwet.
  51
Artikel 4.8 lid 3 Erfgoedwet.
  52
Artikel 4.9 lid 1 Erfgoedwet.
  53
Artikel 4.10 lid 1 Erfgoedwet.
  54
Artikel 4.10 lid 3 Erfgoedwet.
  55
Artikel 4.10 lid 4 Erfgoedwet.
  56
Artikel 4.12 Erfgoedwet.
  57
Artikel 4.10 lid 6 Erfgoedwet.
  58
Artikel 4.10 lid 5 Erfgoedwet.
  59
Artikel 4.13 Erfgoedwet.
  60
Artikel 4.14 lid 1 Erfgoedwet.
  61
Artikel 4.14 lid 2 Erfgoedwet.
  62
Artikel 4.14 lid 3 Erfgoedwet.
  63
Artikel 4.14 lid 4 Erfgoedwet.
  64
Artikel 4.15 Erfgoedwet.
  65
Artikel 4.16 lid 1 Erfgoedwet. Zie voor een voorbeeld onder de Wbc: Rb. ’s-
Gravenhage 22 november 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AJ0162, over het
schilderij ‘Paysage près d’Aix avec la tour César’ van Paul Cézanne. De minister
heeft na vaststelling door de rechtbank van de koopprijs zijn bedenkingen
ingetrokken omdat de beschikbare middelen ontoereikend waren om de
aankoop te verwezenlijken. Het schilderij is vervolgens verkocht, overigens
binnen Nederland (zie r.o. 1.8 en 1.9 van de uitspraak).
  66
Artikel 4.16 lid 2 Erfgoedwet.
  67
Artikel 4.16 lid 3 Erfgoedwet.
  68
Artikel 4.2 Erfgoedwet.
  69
Artikel 4.3 Erfgoedwet.
  70
Artikel 4.3 Erfgoedwet.
  71
Artikel 1, aanhef en onder 2°, van de Wed.
  72
‘Artikel 4.17 over het bekendmaken van voorgenomen besluiten tot
vervreemding is blijkens de inhoud alleen van toepassing op het Rijk, provincies
en gemeenten. De verplichting tot het vragen van advies aan een onafhankelijke
commissie uit artikel 4.18 is wel van toepassing op andere publiekrechtelijke
rechtspersonen.’ (Kamerstukken I 2015/16, 34109, C, p. 8).
                                                                                 108
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>  73
Artikel 4.17 lid 1 Erfgoedwet.
  74
Stcrt. 2016, 33595.
  75
Artikel 4.17 lid 2 Erfgoedwet.
  76
Zie artikel 4.18, aanhef, Erfgoedwet.
  77
Artikel 4.17 lid 3 Erfgoedwet.
  78
Artikel 4.17 lid 4, eerste zin, Erfgoedwet.
  79
Artikel 4.17 lid 4, tweede zin, Erfgoedwet.
  80
Artikel 4.18, aanhef, Erfgoedwet.
  81
Artikel 4.18, aanhef en onder a, Erfgoedwet.
  82
Artikel 4.18, aanhef en onder b, Erfgoedwet.
  83
Artikel 4.19 Erfgoedwet.
  84
Artikel 4.20 lid 1 Erfgoedwet.
  85
Artikel 4.20 lid 2 Erfgoedwet.
  86
Artikel 4.20 lid 3 Erfgoedwet.
  87
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 24.
  88
Artikel 4.21 Erfgoedwet.
  89
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 83.
  90
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 84.
  91
Artikel 4.22 lid 1 Erfgoedwet.
  92
Artikel 4.22 lid 2 Erfgoedwet.
  93
Artikel 4.22 lid 3 sub b Erfgoedwet.
  94
Artikel 4.22 lid 3 sub a Erfgoedwet.
  95
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 65. Een voorbeeld dat in de
wetsgeschiedenis wordt genoemd zijn de ‘portretten van de Ministers van
onderwijs in de hal van het ministerie’. (Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7,
p. 16).
  96
Artikel 4.22 lid 4 Erfgoedwet.
  97
Artikel 3.18 Erfgoedwet.
  98
Artikel 6.2 Erfgoedwet en Kamerstukken II 2014/15, 34109,
nr. 3, p. 93.
                                                                                 109
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>   99
Of van een andere bevoegde autoriteit op grond van artikel 2 lid 2 van de
Verordening EG 116/2009.
   100
Artikel 4.23 lid 1 Erfgoedwet.
   101
Artikel 2 lid 1 van het Besluit verlenen mandaat aan algemeen directeur Douane
inzake uitvoer cultuurgoederen.
   102
Artikel 4.23 lid 2 Erfgoedwet.
   103
Artikel 6.3, aanhef, sub a en sub b, Erfgoedwet. Het gaat om schendingen die na
1 juli 2009 hebben plaatsgevonden (artikel 6.8 Erfgoedwet).
   104
Artikelen 6.4 t/m 6.6 Erfgoedwet.
   105
Artikel 6.7 Erfgoedwet.
   106
‘Cultuurgoed: zaak die door elke verdragsstaat om godsdienstige of wereldlijke
redenen is aangewezen als belangrijk voor de oudheidkunde, de prehistorie, de
geschiedenis, de letterkunde, de kunst of de wetenschap en derhalve van
wezenlijk belang is voor zijn cultureel erfgoed en die behoort tot de in artikel 1
van het Unesco-verdrag 1970 opgesomde categorieën.’
   107
Artikel 6.10 Erfgoedwet.
   108
Artikelen 6.11 t/m 6.14 Erfgoedwet.
   109
Artikel 6.15 Erfgoedwet.
   110
Deze definitie is gebaseerd op het Verdrag inzake de bescherming van culturele
goederen in geval van een gewapend conflict.
   111
Artikel 2.6 lid 5 Erfgoedwet.
   112
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 5.
   113
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 42.
   114
V.E.L. de Stuers, ‘Holland op zijn smalst’, De Gids 1873, Jaargang 37.
   115
Zie in brede zin: F.J. Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed,
Staatsuitgeverij: Den Haag 1975, te raadplegen via www.dbnl.org.
   116
T. Pronk, ‘Wet tot behoud van cultuurbezit’, Boekmancahier nr. 10, p. 2. In
Duparc 1975, op pagina 15 wordt beschreven dat in 1881 en 1883 tot tweemaal
toe besluiten van de gemeenteraad van Veere tot vervreemding van de beker van
Keizer Maximiliaan van Bourgondië wegens strijd met het algemeen belang zijn
vernietigd.
   117
Kamerstukken II 1981/82, 16749, nr. 6, p. 3 en 4.
   118
Stb. 1945, F222.
   119
Stcrt. 1977, 95.
   120
F.J. Duparc 1975, p. 38.
   121
Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3-4, p. 19 (MvT Wbc) vermeldt zes zilveren
                                                                                   110
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>                     9 /       749       34 p 9
kandelaars van de Utrechtse meester Nicolaas Verhaer, een tekening van
Rembrandt getiteld Toren Swijght Utrecht, een Tulpenboek met 50 gekleurde
tekeningen van tulpen van de hand van Judith Leyster, een bloemstilleven van
Vincent van Gogh, en een werk van Rembrandt getiteld Tobias, Anna en het
bokje.
  122
Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3-4, p. 23.
  123
Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3-4, p. 23.
  124
T. Pronk, ‘Wet tot behoud van cultuurbezit’, Boekmancahier nr. 10, p. 2.
  125
Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3-4, p. 7.
  126
Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3-4, p. 4 en 6 en Kamerstukken II 1981/82,
16749, nr. 6, p. 3
  127
Aan de komst van dit wetsvoorstel is een lange voorbereidingstijd vooraf gegaan,
onder meer met een Nota kunst en beleid (28 juli 1976, Kamerstukken II
1975/76, 13981, nrs. 1-2). Gelet op de beperkte relevantie hiervan voor dit advies,
wordt een toelichting hierop verder buiten beschouwing gelaten.
  128
Kamerstukken II 2014/15, 34109, 3, p. 8.
  129
Artikel 4.10 Erfgoedwet.
  130
Kamerstukken II 2014/15, 34109, 3, p. 5 en 6.
  131
Overigens is een (kleine) aanwijzing tegen deze stellingname dat voor het geval
dat een publiekrechtelijke rechtspersoon een cultuurgoed uit haar bezit wenst te
vervreemden ondanks het negatieve advies van de ingeschakelde
deskundigencommissie daartoe, de minister zelf noemt de mogelijkheid te
hebben dit cultuurgoed dan aan te wijzen als beschermd, zodat het voor
Nederland blijft behouden (zie ook paragraaf 1.5.4 van deze bijlage).
  132
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 22.
  133
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 23.
  134
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 33. Zie ook Kamerstukken II 2014/15,
34109, nr. 3, p. 82: ‘Cultuurgoederen of verzamelingen in het bezit van
overheden zijn traditioneel niet aangewezen als beschermde voorwerpen of
verzamelingen op grond van de Wbc.’
  135
Kamerstukken II 1980/81, 16749, nrs. 3-4, p. 10. Zie ook het antwoord op
Kamervragen II 2016/17, 879, beantwoording op 23 december 2016, waarin de
minister schrijft dat onder de Wbc ‘[d]e aanwijzingen (…) beperkt [zijn]
gebleven tot particulier bezit of bezit van kerkgenootschappen (…).’
  136
Kamerstukken I 1983/84, 16749, nr. 78a, p. 1-2.
  137
Kamervragen II 2018/19, 3420, beantwoording op 11 juli 2019, p. 2.
  138
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 22.
  139
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 33.
  140
Artikel 3.12 Erfgoedwet.
  141
Artikel 3.7 lid 1 Erfgoedwet.
                                                                                    111
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>  142
Artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  143
Artikel 1:2 Awb.
  144
Zie voor een voorbeeld op grond van de oude Wbc, ARRvS 30 juni 1992, nr.
R01907321, AB 1994, 90 (over drie objecten van het Kerkgenootschap de
Nederlands Israelitische Hoofdsynagoge te Amsterdam, te weten een Machzor,
een Heilige Ark met podium en de Rintel Menora).
  145
Vgl. artikelen 2, 3 en 3d Wbc.
  146
Stb. 2011, 330. De ambtshalve bevoegdheid tot aanwijzing van onroerende zaken
als rijksmonument is neergelegd in artikel 3.1 Erfgoedwet.
  147
Vgl. artikel 1:3 lid 3 Awb. Zie ook ABRvS 30 september 2015,
ECLI:NL:RVS:2015:3040, r.o. 5.2: ‘Uit de hiervoor vermelde wetsgeschiedenis
volgt dat artikel 3, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 [oud recht, toev.
commissie] zo moet worden uitgelegd dat de minister uitsluitend ambtshalve
onroerende monumenten kan aanwijzen als beschermd monument. Het is niet
mogelijk een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. De mededeling van de
minister, dat geen mogelijkheid bestaat de kapel alsnog aan te wijzen als
beschermd monument, is daarom, gelet ook op het bepaalde in het tweede lid
van artikel 1:3 van de Awb, geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van
de Awb.’
  148
Een dergelijk verzoek kwalificeert als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 lid 3
Awb. Zie voor een voorbeeld waar is verzocht om aanwijzing van een collectie,
bestaande uit tekeningen en schilderijen die volgens de eigenaresse aan Vincent
van Gogh zijn toe te schrijven, welk verzoek is afgewezen en waarover vervolgens
bestuursrechtelijk is geprocedeerd, ABRvS 10 september 2003,
ECLI:NL:RVS:2003:AJ3289.
  149
Een voorbeeld waar om een dergelijke intrekking werd verzocht en hierop
afwijzend is beslist en waartegen de (nieuwe) eigenaar bestuursrechtelijke
rechtsmiddelen heeft aangewend, is te vinden in ARRvS 20 november 1992, nr.
R01910679, AB 1993, 368 (over het schilderij ‘Groot bouquet in houten kuip’ van
Jan Brueghel).
  150
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 55.
  151
Deze plicht volgt uit artikel 5 Grondwet.
Zie ook Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 69.
  152
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 43.
  153
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 19.
  154
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 19.
  155
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 32.
  156
Stcrt. 2016, 45418.
  157
Kamervragen II 2018/19, 1681,
beantwoording op 21 februari 2019, p. 1.
  158
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 32.
  159
Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 10.
  160
           kk            /
                                                                                    112
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 7.
Zie soortgelijk Kamerstukken I 1982/83, 16749, nr. 104a, p. 2.
  161
Zie o.m. Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 30-31, 46-47, 51, 54,
Kamerstukken I 2015/16, 34109, C, p. 7 en 8.
  162
Artikel 3.1 Erfgoedwet: ‘Onze Minister kan ambtshalve besluiten een monument
of archeologisch monument dat van algemeen belang is vanwege zijn
schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te
wijzen als rijksmonument.’
  163
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 19.
  164
Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 9.
  165
Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 9.
  166
Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 9.
  167
Kamerstukken II 1981/82, 16749, nr. 6, p. 3 en p. 12.
  168
Zie ook Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 9 (Wbc):
‘Een andere factor is de zeldzaamheid: een voorwerp dat uniek is in zijn soort zal
eerder in aanmerking komen voor de lijst dan een voorwerp dat weliswaar op
zich zelf belangrijk is, maar niet behoort tot een soort waarvan er vele andere in
ons land zijn.’
  169
Artikel 2 lid 3 Wbc.
  170
Artikel 2 lid 3 Wbc. Het hierna weergegeven citaat is ook letterlijk terug te lezen
in Kamerstukken II 2000/01, 27812, nr. 3, p. 8 (MvT wijziging Wbc n.a.v.
wetsevaluatie).
  171
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 73.
  172
Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 10.
  173
Kamerstukken I 2015/16, 34109, C, p. 4. Zie soortgelijk Kamerstukken II
2014/15, 34109, nr. 7, p. 32: ‘In op een later moment terughalen naar Nederland
van cultuurgoederen die rechtmatig zijn uitgevoerd, is niet voorzien.’
  174
Kamerstukken I 2015/16, 34109, C, p. 4.
  175
Artikel 3.9 lid 1 sub b Erfgoedwet.
  176
Kamerstukken I 2015/16, 34109, C, p. 4.
  177
Kamerstukken II 1981/82, 16749, nr. 6, p. 1-2.
  178
Zie ook Kamerstukken II 1980/81, 16749, C, p. 19.
  179
Kamerstukken II 1981/82, 16749, nr. 6, p. 2.
  180
Kamerstukken II 1981/82, 16749, nr. 6, p. 2.
  181
Kamerstukken II 1982/83, 16749, nr. 9, p. 1-2.
  182
Stb. 1985, 262.
  183
                                                                                    113
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>  183
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 42.
  184
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 42.
  185
Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 10.
  186
Kamerstukken II 1999/00, 26591, nr. 20, p. 4.
  187
Kamerstukken II 2000/01, 27812, nr. 3, p. 9.
Zie ook Kamerstukken II 1999/00, 26591, nr. 20, p. 4.
  188
Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 10.
  189
Kamerstukken II 1982/83, 16749, nr. 9, p. 2.
  190
Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3-4, p. 8.
  191
Kamerstukken II 1981/82, 16749, nr. 6, p. 2.
  192
Zie hiervoor het rapport van de Evaluatiecommissie. Vgl. verder Kamerstukken
II 1999/00, 26591, nr. 20 (inzake de evaluatie van de Wbc) en Kamerstukken II
2014/15, 34109, nr. 7, p. 31-32 (Erfgoedwet).
  193
Rapport Evaluatiecommissie p. 28 en Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p.
31-32.
  194
Rapport Evaluatiecommissie p. 28 en Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p.
31-32.
  195
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 31-32.
  196
Een voorbeeld is de aankoop van het schilderij ‘De burgemeester van Delft’ van
Jan Steen door het Rijksmuseum, Kamerstukken II 2003/04, 29200 VIII, nr.
164.
  197
Een ander fonds betreft het Mondriaanfonds, dat in opdracht van het ministerie
‘hét publieke stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed in
Nederland’ is (mondriaanfonds.nl).
  198
Kamervragen II 2018/19, 174 (beantwoording 5 oktober 2018), zie vraag en
antwoord 4.
  199
In het bijzonder hoofdstuk 7 van de Erfgoedwet, inzake ‘Financiële bepalingen’.
  200
Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 19 resp. p. 22.
  201
Kamerstukken II 1980/81, 16749, C, p. 20
  202
Kamerstukken II 2018-19, 35000 VIII, nr. 2, p. 18 en p. 100 (begrotingsstaat
OCW 2019).
  203
Kamerstukken II 1980/81, 16749, C, p. 20.
  204
Kamerstukken II 1980/81, 16749, C, p. 20.
  205
Kamerstukken II 1982/83, 16749, nr. 9, p. 4 en Kamerstukken I 1982/83, 16749,
nr. 104a, p. 1 en p. 4.
  206
                                                                                114
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>p. 33 van het advies.
  207
Kamerstukken II 1999/00, 26591, nr. 20, p. 3. Zie soortgelijk: Kamerstukken II
2000/01, 27812, nr. 3, p. 7.
                                                                               115
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>         Bescherming Cultuurgoederen / Bijlagen / Wet- en regelgeving in de ons omringende landen
         Wet- en regelgeving in de ons
         omringende landen
Onderstaand overzicht is grotendeels gebaseerd op een eerder verschenen rapport van de
Vereniging Rembrandt, ‘Zorgvuldige omgang met kunst in het publieke domein’. [ 1 ]
België
Topstukkendecreet
In België hebben de Duitse, Waalse en Vlaamse Gemeenschappen elk een eigen decreet.
De decreten van de Duitse en Franse Gemeenschap (2017 en 2002) zijn een uitwerking van
Verordening (EG) 116/2009. De Franstalige Gemeenschap kent een ‘Commission consultative du
patrimoine culturel mobilier’, die beoordeelt of een cultuurgoed een ‘trésor’ is.
Deze cultuurgoederen krijgen alleen een tijdelijke exportvergunning. Cultuurgoederen die niet
als ‘trésor’ zijn aangemerkt kunnen desgevraagd een permanente exportvergunning krijgen. Er is
geen specifieke procedure; aanvragers doorlopen de procedure voor
een Europese exportvergunning.
Het Topstukkendecreet (2003) van de Vlaamse Gemeenschap kent aan cultuurgoederen die als
zeldzaam en onmisbaar voor de Vlaamse Gemeenschap worden beschouwd de status van topstuk
toe. Topstukken kunnen zowel particulier bezit als overheidsbezit zijn. Topstukken die door de
Vlaamse regering in de Topstukkenlijst worden opgenomen gelden als beschermd voorwerp.
Een door de minister benoemde ‘Raad voor het behoud van het roerend cultureel erfgoed van
uitzonderlijk belang’, kortweg de Topstukkenraad, adviseert de Vlaamse regering over de
toepassing van het decreet (in het bijzonder over de vaststelling van de lijst) en tevens over het
beleid inzake het cultureel erfgoed.
Voor de in de lijst opgenomen topstukken kunnen restauratiesubsidies aangevraagd worden.
Die subsidies kunnen maximum 80 procent van de kosten voor conservatie
en restauratie bedragen.
Voor het buiten de Vlaamse Gemeenschap brengen van in de lijst opgenomen topstukken is een
voorafgaande toestemming vereist van de Vlaamse overheid. Die toestemming is ook vereist voor
topstukken die níet in de lijst zijn opgenomen. Eigenaren die duidelijkheid willen over de status
van hun cultuurgoed kunnen aan de Vlaamse overheid een certificaat van niet-bescherming als
topstuk aanvragen. Dit certificaat garandeert dat het roerend goed of de verzameling waarvoor
het certificaat werd afgeleverd vrij buiten Vlaanderen gebracht kan worden.
De weigering van de gevraagde toestemming verplicht de Vlaamse overheid om het topstuk aan
te kopen tegen de internationale marktwaarde. Om de aankoop van topstukken mogelijk te
maken is een fonds opgericht, het Topstukkenfonds geheten.
                                                                                                   116
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>Verenigd Koninkrijk
UK Export Licensing for Cultural Goods
In het Verenigd Koninkrijk (VK) is de bescherming van cultuurgoederen gebaseerd op
exportcontrole. Voor goederen ouder dan vijftig jaar en afhankelijk van het soort cultuurgoed
van een bepaalde waarde is zowel bij export naar een andere lidstaat, als bij export buiten de EU
een exportvergunning vereist: ‘The purpose of the export control system is to provide an
opportunity for the UK to retain cultural goods judged to be of outstanding national importance
that would otherwise be exported.’ Voorafgaand aan een vergunningaanvraag is dus niet
duidelijk of een cultuurgoed tot het nationale erfgoed van het VK behoort.
Op basis van de aanvraag beoordeelt een Expert Adviser of het object vanwege het uitzonderlijke
nationale belang ervan voor het VK mogelijk een ‘national treasure’ is. Luidt dat oordeel positief,
dan wordt de aanvraag doorgestuurd naar de ‘Reviewing Committee on the Export of Works of
Art and Objects of Cultural Interest’ (RCEWA). Deze commissie adviseert de staatssecretaris van
Culture, Media and Sport over het verstrekken van exportvergunningen voor cultuurgoederen.
Daarbij toetst de RCEWA de aanvraag aan de zogenaamde Waverley criteria.
Deze luiden als volgt:
– History
    Is the item closely connected with our history and national life?
– Aesthetics
    Is it of outstanding aesthetic importance?
– Scholarship
    Is it of outstanding significance for the study of some particular branch of art,
    learning or history?
De commissie adviseert de ‘Secretary of State’ om de vergunning te verlenen of deze nog aan te
houden. Dit advies wordt in de regel gevolgd.
De lengte van de periode waarin een aanbod tot aankoop kan worden gedaan wordt door de
RCEWA van geval tot geval bepaald en hangt onder meer af van de waarde van het object en van
de verwachte mogelijkheid om fondsen te werven.
Gemiddeld worden tussen de 25 en 50 vergunningen aangehouden, op ongeveer
20.000 aanvragen.
De RCEWA brengt jaarlijks een rapport uit dat samen met een rapport van de Secretary of State
naar het parlement wordt gestuurd.
Duitsland
Kulturgüterschutzgesetz (KGSG)
Op 6 augustus 2016 werd in Duitsland een nieuwe federale wet van kracht voor de bescherming
van cultuurgoederen: de Kulturgüterschutzgesetz (KGSG). Daarin zijn drie eerdere wetten
samengebracht en zijn nieuwe bepalingen toegevoegd. De wet beoogt Duitse cultuurgoederen
beter te beschermen. Daarnaast maakt de wet het voor andere landen eenvoudiger de toepassing
van internationaal rechtelijke regelgeving, zoals het UNESCO-verdrag van 1970, in te roepen.
De Duitse wetgeving gaat nog altijd uit van een ‘lijstensysteem’. In Duitsland zijn de deelstaten
verantwoordelijk voor cultuur- en erfgoedbeleid en dus ook voor het bijhouden van de lijsten van
‘cultuurgoederen van nationale betekenis’, die met het opnemen op de lijst als beschermd
worden beschouwd. Cultuurgoederen die op een lijst zijn opgenomen komen voor bepaalde
belastingvoordelen in aanmerking.
                                                                                                    117
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>De KGSG introduceert een voor Duitsland nieuw begrip: Nationaal Cultuurbezit (Nationales
Kulturgut). Daartoe worden gerekend:
– de cultuurgoederen in particulier bezit die op een lijst zijn opgenomen;
– cultuurgoederen in publiek bezit die onderdeel zijn van een collectie van een publieke
    instelling die cultuurgoederen beheert;
– cultuurgoederen die in bezit zijn van en beheerd worden door een instelling die met publieke
    middelen wordt gefinancierd;
– cultuurgoederen die in bezit zijn van de Federale Staat of de Deelstaten.
Met de invoering van deze nieuwe categorie Nationaal Cultuurbezit beoogt de Duitse regering
alle cultuurgoederen in publiek bezit een beschermde status te geven, ook als ze niet zijn
opgenomen op een lijst. Daarmee vallen ze onder de werking van de relevante Europese en
mondiale regelgeving.
Een majeure verandering is ook dat de wet bepaalt dat voor alle cultuurgoederen die vallen
binnen een bepaalde categorie (ouder dan 75 jaar en meer dan 300.000 euro waard) een
exportvergunning moet worden aangevraagd als zij Duitsland verlaten, dus ook als de export
naar een land binnen de EU plaatsvindt. Deze exportvergunning wordt verstrekt door de federale
autoriteit (Beauftragte der Bundesregierung für Kultur und Medien) na consultatie van de
deelstaatautoriteiten. Wordt een exportvergunning geweigerd, dan kent de wet een procedure
voor mogelijke aankoop van het cultuurgoed door een publiek toegankelijke instelling. Een
aankoopverplichting door de staat is er niet.
Nieuw in de wet is ook dat de federale overheid verantwoordelijk wordt voor het opzetten en
onderhouden van een website inzake de bescherming van cultuurbezit. Dit met het oogmerk om
transparantie en kennis over de regelgeving te vergroten.
Frankrijk
Code du Patrimoine
Frankrijk heeft een wettelijke regeling tot bescherming van het openbaar kunstbezit, waarmee
het in beginsel verboden is om dit over de grens te brengen dan wel het aan een particulier
te verkopen.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:
– nationale schatten (trésors nationaux)
    Cultureel erfgoed dat tot de collecties van musea en tot publieke collecties behoort,
    cultuurgoederen die als zodanig zijn aangemerkt op basis van boek II en IV van de Code
    Patrimoine en alle andere goederen van bijzonder belang voor het nationale cultureel erfgoed
    vanuit historisch, artistiek of archeologisch oogpunt.
– cultureel erfgoed (biens culturels, autres que les trésors nationaux)
    Dit wordt door het Federale Antiquiteiten en Monumenten Bureau en de Nationale
    Bibliotheek gedefinieerd.
Het is verboden om nationale schatten definitief buiten Frankrijk te brengen en voor tijdelijke
uitvoer is toestemming nodig van bevoegde autoriteit.
Voor een cultuurgoed dat geen trésor national is, altijd cultuurgoed in particulier bezit, moet een
certificaat worden aangevraagd dat vaststelt dat het geen nationale schat betreft. Het certificaat
wordt in elk geval verstrekt als het object in de afgelopen vijftig jaar rechtmatig is ingevoerd.
In het geval de minister voornemens is om het certificaat niet af te geven, moet er een zienswijze
komen van de ‘Commission consultative des trésors nationaux’. Deze commissie bestaat uit elf
leden, onder wie vijf ambtenaren van de staat.
                                                                                                    118
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>Bij het niet verlenen van het certificaat volgt er een periode van dertig maanden waarin het
bevoegde overheidsorgaan de eigenaar van het object een voorstel doet tot aankoop van het
cultuurgoed. Een aanbod van de overheid moet de eigenaar binnen twee maanden afwijzen of
accepteren. Doet deze dat niet, dan wordt een volgende aanvraag voor een certificaat
opnieuw afgewezen.
Daarnaast kent Frankrijk een voorkeursrecht, ‘Droit de préemption’. Dit betekent dat de Franse
staat een optie tot aankoop heeft als een belangrijk cultuurgoed geveild wordt en na de laatste
hamerslag op de veiling het betreffende cultuurgoed tegen betaling van de gerealiseerde
veilingprijs kan verwerven.
  1
Vereniging Rembrandt, 2014
                                                                                                119
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>        Bescherming Cultuurgoederen / Bijlagen / Literatuur en bronnen
         Literatuur en bronnen
Literatuur                       Belder, L.P.C.                        Ethische Codecommissie
                                 The legal protection of               voor Musea
Abeling, R.P., Coene             cultural heritage in                  Advies inzake afstoting
S.A., Harmanni, R.               international law.                    van beschermwaardige
Onroerend/roerend.               And it’s implementation               objecten bij sluiting
Een indicatieve                  in Dutch law (dissertatie             van een museum.
inventarisatie van het           Universiteit Utrecht).                2018
aantal ensembles                 2013
in Nederland.                                                          Goede, P. de,
Zeist, 2000                      Boer, T. de                           Schrijvers, E.,
                                 editors:                              Visser, M. de (red.)
Adviescommissie Wet              Groenhuijsen, E.,                     Filantropie op de grens
tot behoud                       Hondius, A.,                          van overheid en markt
van cultuurbezit                 Soeteman, A.                          (Verkenningen WWR)
Wet tot behoud van               Van Wie is de                         Den Haag, 2018
cultuurbezit.                    Mona Lisa?
Een evaluatie van de             Over culturele identiteit             Inspectie Cultuurbezit
werking van de wet.              en globalisering.                     Beheer Rijkscollectie
Den Haag, 1999                   In: Recht in geding,                  1994 – 1999.
                                 (pagina 161-174),                     Den Haag, 2000
Barkhuysen, T.,
                                 Den Haag, 2014
Claessens, M.                                                          Inspectie Cultuurbezit
Zorgvuldige omgang met           Boll, J.M.                            Intern rapport
kunst in het publiek             ‘Compositie met twee                  Wet tot behoud
domein.                          lijnen’ ofwel ‘het                    van cultuurbezit.
Bouwstenen voor een              eigenaardige karakter                 Korte geschiedenis,
toekomstbestendige               van het eigendomsrecht                betekenis in
regeling.                        van overheidslichamen                 international verband,
Houten, 2014                     op kunstvoorwerpen’ en                belang van
                                 de ‘Wet Cultuurbezit’                 het Nederlands
Barkhuysen, T.,                                                        Cultuurbehoud,
                                 In: RM Themis
Claessens, M.                                                          evaluatie van procedures
                                 (pagina 125-135), 1989
Naar een zorgvuldige                                                   en functioneren.
omgang met particulier           Bruijn, I. de                         2004
en openbaar kunstbezit           Intern rapport
via de nieuwe                    i.o.v. Elst, D. van                   Inspectie
Erfgoedwet.                      Wet tot behoud van                    Overheidsinformatie en
In: Nederlands                   cultuurbezit.                         Erfgoed
Juristenblad, afl. 39            Ontwikkeling van de wet               Toezichtskader Inspectie
(pagina 2731-2738),              sedert 2000.                          Overheidsinformatie en
2015                             Den Haag, 2014                        Erfgoed.
                                                                       ‘www.inspectie-oe.nl’
                                 Duparc, F.J.                          2019
                                 Een eeuw strijd voor
                                 Nederlands cultureel
                                 erfgoed.
                                 Den Haag, 1975
                                                                                                120
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>Kunsten Limburg,         Raad voor Cultuur           Code de Patrimoine
Monumentwacht Limburg    Advies Cultuurbestel        ‘legifrance.gouv.fr’
Eindrapport pilotproject 2021 – 2024.
Een waakzaam oog voor    Cultuur dichtbij,           Decreet houdende
het religieuze erfgoed   dicht bij cultuur.          bescherming van het
in Limburg.              Den Haag, 2019              roerend cultureel
2013                                                 erfgoed van uitzonderlijk
                         Raad voor Cultuur           belang
Ministerie van OCW,      Sectoradvies Musea.         ‘kunstenenerfgoed.be’
Boekmanstichting         In wankel evenwicht.
Cultuurbeleid in         Den Haag, 2018              Erfgoedinspectie
Nederland,                                           Brochure
Den Haag/Amsterdam,      Stuers, V.E.L. de           Wet tot behoud van
2007                     Holland op zijn smalst.     cultuurbezit.
                         In: De Gids (blz 320-       2007
Peters, Th.              403)
Is het enthousiasme over 1872                        Inspectie Cultuurbezit
de nieuwe Erfgoedwet                                 Ministerie van OCW
terecht?                 Vlies, I.C. van der (red.), Brochure
In: Gst 2015/121.        De kunst en het recht       Inspectie rijkscollecties.
2015                     Den Haag, 2005              Wet Behoud
                                                     Cultuurbezit, EU
Pots, R.                 Vlies, I.C. van der (red.)  regelingen
Cultuur, Koningen en     Kunst, recht en geld        Cultuurgoederen,
democraten.              Den Haag, 2012              Risicobeheer rijksmusea.
Overheid & cultuur                                   2003
                         Vlies, I.C. van der (red.)
in Nederland.
                         Kunst, recht en beleid      Kamerstukken
Amsterdam, 2000
                         Den Haag, 2012
Pronk, T.                                            Kulturgutschutz
                         Werkgroep                   ‘kulturgutschutz-
Wet tot behoud van
                         onroerend/roerend           deutschland.de’
cultuurbezit.
                         Rapport opgesteld i.o.v
Boekmancahier jrg. 3,
                         Directeurenoverleg          Staatsblad
nr. 10
                         Cultuurdiensten.
(pagina 388-406), 1991                               Staatscourant
                         Van object naar
Raad voor Cultuur        samenhang.
                                                     UK Export Licensing for
Advies Actualisering     De instandhouding van
                                                     Cultural Goods
WBC-lijst, wet tot       ensembles van
                                                     Procedures and guidance
behoud van cultuurbezit. onroerend en roerend
                                                     for exporters of works of
Den Haag, 2001           cultureel erfgoed.
                                                     art and other cultural
                         Den Haag, 2004
                                                     goods, An Arts Council
                         Bronnen                     England Notice.
                                                     ‘artscouncil.org.uk’
                         Archief Commissie Wet       2018
                         tot Behoud Cultuurbezit,
                         Archief RCE (RCE-167)
                                                                                121
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>           Bescherming Cultuurgoederen / Colofon
           Colofon
‘Van terughoudend naar betrokken’
is een uitgave van de Raad voor Cultuur.
Leden
Marijke van Hees voorzitter
Brigitte Bloksma
Lennart Booij
Özkan Gölpinar
Erwin van Lambaart
Cees Langeveld
Thomas Steffens
Liesbet van Zoonen
Jakob van der Waarden directeur
Raad voor Cultuur
Prins Willem Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
070 – 3106686
‘info@cultuur.nl’
‘www.cultuur.nl’
Ontwerp
‘High Rise’
Alle adviezen van de raad zijn ook te vinden op ‘cultuur.nl’.
Wilt u op de hoogte blijven van de activiteiten van de raad?
Dan kunt u zich aanmelden voor de ‘nieuwsbrief’.
Volg ons ook op ‘Twitter’.
Het is toegestaan (delen van) de inhoud van het advies
te citeren of te verspreiden, mits daarbij de Raad voor Cultuur
en het advies als bronnen worden vermeld.
Aan de adviezen kunnen geen rechten worden ontleend.
© Raad voor Cultuur, september 2019
                                                                122
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>De Raad voor Cultuur is het wettelijke
adviesorgaan van de regering en
het parlement op het terrein van kunst,
cultuur en media.
De raad is onafhankelijk en adviseert,
gevraagd en ongevraagd, over actuele
beleidskwesties en subsidieaanvragen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>