<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>           Advies Muziektheater
 Later
 is al lang
 begonnen
Het muziektheater
van de toekomst
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>   Voorwoord                                                       4
1. Inleiding                                                       7
   Genres binnen het muziektheater                                 8
   Opera                                                           9
   Hedendaags muziektheater                                        9
   Musical                                                        10
   De infrastructuur voor muziektheater                           11
   De subjectieve waarde van muziektheater                        13
   Leeswijzer                                                     14
2. Doelstellingen van cultuurbeleid                               16
   1. Bevorderen van talentontwikkeling en professionaliteit      16
   2. Bevorderen van de toegankelijkheid van het aanbod           16
   3. Bevorderen van de pluriformiteit van het aanbod             17
   4. Bewaken van de vrijheid van de kunst                        17
3. Het huidige muziektheaterbestel                                19
   Rijksgesubsidieerd muziektheater                               19
   Gemeentelijk en provinciaal gesubsidieerd muziektheater        22
   Ongesubsidieerd (commercieel) muziektheater                    23
   Organisatie van de sector                                      25
4. De gewenste rol van de overheid		                              27
   1. De BIS is op het gebied van muziektheater
		 te eenzijdig samengesteld                                      28
   2. De twee reizende operagezelschappen moeten
		 werken met te beperkte budgetten en er is onvoldoende
		 afstemming tussen de subsidiërende overheden                   29
   3. Overheidsbeleid ten aanzien van het genre musical ontbreekt 30
   4. De internationale positie van De Nationale Opera
		 moet worden verstevigd                                         33
5. Verbeterpunten in het muziektheater                            36
   Opleiding en talentontwikkeling                                36
   Toegankelijkheid en pluriformiteit                             44
   Publiek en diversiteit                                         48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>6. Zicht op nieuw beleid                                   53
   Ideologisch antwoord                                    53
   Efficiencyslag                                          54
   Samenwerking                                            55
7. Hoofdaanbevelingen		                                    56
   1. Uitbreiding van de landelijke infrastructuur         56
   2. Meer maatwerk en financiële armslag		                57
   3. Functies voor talentontwikkeling
		 in landelijke subsidiesystematiek                       57
   4. Versterking van infrastructuur in stedelijke regio’s 58
   5. Geïntenviseerde samenwerking
		 tussen theaters en bespelers                            58
   6. Publieksdiversiteit als speerpunt van beleid         59
   Bijlagen		                                              60
   Adviesaanvraag                                          61
   Samenstelling commissie                                 72
   Overzicht gesprekspartners                              73
   Literatuur                                              75
   Colofon                                                 76
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>          Toekomst Cultuurbeleid / Muziektheater / Voorwoord
           Voorwoord
En later, later is al lang begonnen.
En vandaag komt nooit meer terug.
– Klein Orkest
Dit advies over muziektheater is een van de tien sectoradviezen die de Raad voor
Cultuur tussen november 2017 en januari 2019 uitbrengt. Met deze adviezen wil de
raad trends en ontwikkelingen binnen disciplines beschrijven, knelpunten en kansen
duiden en beleidsopties voor de korte en lange termijn verkennen.
De sectoradviezen vormen, samen met onder meer onze verkenning ‘Cultuur voor
stad, land en regio’, de bouwstenen voor een discussie over de herziening
van het cultuurbestel. [ 1 ]
In dat licht heeft voormalig minister Bussemaker ons gevraagd uitspraken te doen
over de artistieke, maatschappelijke en economische stand van zaken in de
Nederlandse muziektheatersector, zowel binnen als buiten het gesubsidieerde veld
(‘zie Adviesaanvraag’).
De afgelopen periode heeft de raad zich aan de hand van gesprekken met
uitvoerende en scheppende muziektheaterkunstenaars, programmeurs,
gezelschappen, podia, festivals, productiehuizen, fondsen, opleidingen,
belangenverenigingen en koepels uit de muziektheatersector een beeld gevormd van
de stand van zaken en van de kansen en knelpunten waarmee de sector zich op dit
moment geconfronteerd ziet. [ 2 ] Dit advies is tot stand gekomen op basis van die
gesprekken en een groot aantal rapporten en beschikbare data over de
muziektheatersector, zoals de speellijstenapplicaties van het ministerie van OCW en
het Fonds Podiumkunsten.
Eerder publiceerde de raad al adviezen over de theatersector, de danssector en de
muzieksector, respectievelijk ‘Over grenzen’, ‘Alles beweegt’ en
‘De balans, de behoefte’ [ 3 ] Veel daarin besproken thema’s gelden in gelijke mate
voor het muziektheater, zoals onze analyse met betrekking tot de arbeidsmarkt,
educatie, aanbod-afnameproblematiek, de roep om meer diversiteit et cetera. In dit
advies gaan we specifiek in op de dilemma’s die specifiek het muziektheater
aangaan.
Muziektheater is een geliefde podiumkunstdiscipline, waar vaak grote aantallen
bezoekers plezier aan beleven, of het nu om de opera gaat of om de grotere musical.
Deze publieke belangstelling is niet vrijblijvend: elke muziektheaterproducent en elk
podium moet zijn verantwoordelijkheid nemen om te zorgen voor het publiek, de
makers en het repertoire van de toekomst. De sector is het aan zichzelf en zijn
publiek verplicht om de discipline blijvend te ontwikkelen in termen van artistieke
innovatie, publieksbereik en fair practice.
                                                                                      4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Tegelijkertijd is muziektheater door de versmelting van vele disciplines ook een
complexe en dikwijls dure kunstvorm, waar veel makers en producenten zich
financieel gezien weinig risico’s kunnen veroorloven – met soms ‘veilige’
programmakeuzes als gevolg. Veel gesubsidieerde én ongesubsidieerd (vrije)
producenten kunnen het zich in de praktijk niet permitteren een nieuw werk te laten
schrijven of componeren, een nog onbekende of beginnende maker uit te nodigen of
te experimenteren met nieuwe publieksgroepen.
Bestaande subsidieregelingen zijn sterk gericht op producties. Voor andere aspecten
van het vak, zoals innovatie, educatie, talentontwikkeling, reflectie,
publieksontwikkeling en onderzoek, is daardoor weinig ruimte. Dat is
problematisch, omdat gezelschappen zich juist met zulke zaken kunnen
onderscheiden en de kunstvorm kunnen voorbereiden op de toekomst. Omdat de
druk op slagen vaak te hoog is, schiet het nadenken over later er nogal eens bij in. In
dit advies vragen we aandacht voor deze problematiek. We doen enkele
aanbevelingen aan het Rijk, andere overheden, fondsen en de sector zelf om de
positie en de kwaliteit van het muziektheater te versterken.
We hebben dit advies tot stand gebracht in samenwerking met een commissie die
een goede afspiegeling vormde van de Nederlandse muziektheatersector. Kennis van
opera, musical, urban arts, hedendaags muziektheater en jeugdmuziektheater waren
in de commissie vertegenwoordigd. De commissie bestond uit Gable Roelofsen
(voorzitter), Annett Andriesen, Marjorie Boston, Willem Bruls, Koen van Dijk,
Rajae El Mouhandiz, Gusta Teengs Gerritsen en Flora Verbrugge. Namens de raad
waren de leden Thomas Steffens en Erwin van Lambaart betrokken bij de
totstandkoming van dit advies.
Wij bedanken de commissieleden zeer voor hun professionele en bevlogen inbreng
en hun bereidwilligheid om ook gevoelige thema’s met elkaar te bespreken. Het
laatste woord over veel opgeworpen thema’s is nog niet gezegd. We hopen de
komende periode intensief met elkaar in gesprek te blijven over wat er nu nodig is
voor de juiste vervolgstappen.
Marijke van Hees, voorzitter
Jakob van der Waarden, directeur
                                                                                        5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  1
‘Cultuur voor stad,
land en regio’
Raad voor Cultuur, 2017
  2
‘Overzicht gesprekspartners’
  3
‘Over grenzen’, ‘Alles beweegt’;
2018; ‘De balans, de behoefte’
Raad voor Cultuur, 2017
                                 6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Muziektheater / Inleiding
         Inleiding
Over publieke belangstelling heeft het muziektheater in Nederland anno 2019 niet te
klagen. De discipline roert zich actief in het artistieke en maatschappelijke debat en
dat wordt opgepikt. Zomaar een greep uit de media-aandacht van het
afgelopen halfjaar:
    Musical ‘Soldaat van Oranje’, over verzet in de Tweede Wereldoorlog, viert
    achtjarig bestaan en wordt nogmaals verlengd, tot mei 2019.
    Pierre Audi neemt na drie decennia afscheid als artistiek directeur van
    De Nationale Opera; hij heeft de opera in Nederland in die periode
    sterk vernieuwd.
    De finale van de internationale competitie Music Theatre Now van het
    International Theatre Institute vindt vanaf het jaar 2019 plaats in Nederland,
    tijdens de Operadagen in Rotterdam.
    Het Noord Nederlands Toneel, dansgezelschap Club Guy & Roni en de
    muziekensembles Asko | Schönberg en Slagwerk Den Haag lanceren NITE, het
    ‘Nationaal Interdisciplinair Theater Ensemble’, dat er in zijn oprichtingsmanifest
    voor pleit om alleen nog maar te creëren met drie of meer disciplines, waarbij
    elke discipline gelijkwaardig is aan de andere. [ 1 ]
    Recente producties van de drie rijksgesubsidieerde operagezelschappen
    –‘Die tote Stadt’ van de Nederlandse Reisopera, ‘Oedipe’ van De Nationale Opera
    en ‘A Quiet Place’ van Opera Zuid – krijgen vier- en vijfsterrenrecensies en
    krijgen allemaal het predicaat ‘Keuze van de Criticus’ opgeplakt op
    Theaterkrant.nl. Eenzelfde enthousiaste ontvangst kregen onder andere de
    doorgecomponeerde muziektheatervoorstelling ‘Jabber’ (6+) van Kwatta, ‘Alles
    van waarde’ van de Veenfabriek, ‘Zauberflöte Requiem’ van Holland Opera,
    ‘Madam Koo’ van de Diamantfabriek en de musical ‘She Loves Me’
    van De Kernploeg.
    De Nederlandse Reisopera en Theater Sonnevanck slaan voor het eerst de
    handen ineen voor een bewerking van Monteverdi’s ‘Orfeo’ voor kinderen
    vanaf 8 jaar. De voorstelling speelt zo’n vijftig keer op scholen in het oosten
    van het land.
    Sanne Thierens promoveert als eerste Nederlandse op het gebied van
    musicaltheater, met een proefschrift over de musicals van Annie M.G. Schmidt
    en Harry Bannink. Haar proefschrift ‘The Dutch Don’t Dance’ schreef ze aan de
    universiteit van Winchester, waar musical een volwaardig onderdeel van studie
    is binnen de theaterwetenschappen. Nederlandse universiteiten namen Thierens’
    onderwerp niet serieus.
                                                                                       7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>    Weliswaar over de grens, maar toch het vermelden waard: de Komische Oper
    Berlin publiceerde een boek over hoe je kinderen kunt bereiken met opera. Het
    boek ‘Oper Jung!’ laat zien hoe met producties en educatieprogramma’s de
    drempel naar de opera voor kinderen kan worden verlaagd.
    De Theateralliantie, een samenwerkingsverband van Nederlandse theaters die
    kwaliteitsaanbod op hun podia willen bevorderen, werpt vruchten af: zo is de
    productie ‘The Addams Family’ van TEC Entertainment in samenwerking met de
    alliantie met elf nominaties het best vertegenwoordigd op de
    Musical Awards Gala 2019.
En ook de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zijn tekenend
voor de positieve wind die door het muziektheater waait: deze cijfers toonden aan
hoezeer muziektheater in 2017 groeide ten opzichte van het jaar ervoor. Het aantal
muziektheatervoorstellingen op de professionele podia steeg met 13 procent tot in
totaal 5.300, waarvan 3.300 musicals en 2.000 operavoorstellingen. [ 2 ] [ 3 ] Samen
waren zij goed voor 2,9 miljoen bezoeken, 12 procent meer dan in 2016. (Vergelijk:
het bezoek voor toneel nam in hetzelfde jaar met 8 procent af tot 1,9 miljoen
bezoeken voor 11.500 voorstellingen, het bezoek aan dans nam met 7 procent af tot
700.000 bezoeken voor 2.600 voorstellingen. Aanbod en bezoek aan theater en dans
waren sinds de jaren negentig niet zo laag.) Hoewel het hier slechts gegevens over
één jaar betreft, staven de cijfers onze indruk dat het muziektheater in omvang en
zichtbaarheid toeneemt. Steeds meer makers willen multidisciplinair werken, en
publiek wordt aangetrokken door de combinatie van muziek en verhaal, of dat nu
het verhaal van ‘Jenůfa’ of van ‘Evita’ is.
Genres binnen het muziektheater
In dit advies bekijken we het muziektheater in Nederland in zijn diversiteit:
hedendaags muziektheater (experimenteel en populair), musical en opera.
Hieronder beschrijven we kort het veld waarop we ons richten.
    Afbakening
    We hanteren in dit advies de volgende werkbare definitie van muziektheater: een
    podiumkunstdiscipline waarin compositie, tekst, regie, dramaturgie en
    scenografie gelijkwaardige pijlers zijn, tot uiting gebracht door middel van
    muziek (zang en instrumentaal/elektronisch), spel (acteren en/of dans) en
    vormgeving. Muziek is hierbij een dramaturgische component, die
    medeverantwoordelijk is voor de inhoud. Hiermee onderscheidt muziektheater
    zich van bijvoorbeeld toneel, waar muziek afwezig, illustratief of meer op de
    achtergrond is, of van muziek, waar er meestal geen sprake is van een
    verhaal(lijn) of acteerspel.
    Het is goed ons te realiseren dat de grenzen rond het muziektheater in de
    praktijk minder scherp zijn te trekken. Makers van cabaret of kleinkunst met
    muziek, circustheater, muzikaal poppen- of objecttheater, theatrale concerten,
    concertante opera’s en danstheater begeven zich soms op het grensvlak tussen
    muziektheater en andere podiumkunsten en zullen zich daarom gedeeltelijk ook
    in onze analyse herkennen. Onze voornaamste focus ligt in dit advies echter op
    de drie belangrijkste genres in het muziektheater: opera, musical en
    hedendaags muziektheater.
                                                                                     8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Opera
Met De Nationale Opera, een van de poten van Nationale Opera & Ballet, heeft
Nederland een toonaangevend operagezelschap in huis, dat behoort tot de
internationale top en jaarlijks vele bezoekers naar het Waterlooplein in Amsterdam
trekt. Reizende operagezelschappen als Opera Zuid, De Nederlandse Reisopera,
Holland Opera en Opera2Day zorgen voor interessant opera-aanbod op andere
plekken in het land. Opera Spanga maakt een jaarlijkse buiten-opera in een tent in
het gelijknamige Friese dorp, en daarnaast is er nog een klein aantal gezelschappen
en productiehuizen dat zich met het operagenre bezighoudt. In sommige theaters in
het land zijn ook goedkoop geïmporteerde opera’s te zien uit Oost-Europa, waarvan
de kwaliteit echter geen gelijke tred houdt met die van het nationale aanbod (het
gaat om zo’n vier producties per seizoen). De programmering van dit soort
internationaal werk legt de behoefte van theaters bloot aan grootschalige opera voor
een breed publiek, maar is tegelijkertijd problematisch, omdat de arbeids- en
productieomstandigheden in de betreffende landen naar verwachting beneden de
gewenste standaard is.
Opera mag zich daarnaast verheugen in een vernieuwde belangstelling onder een
aantal onafhankelijke jonge makers, die experimenteren met opera om te zien wat
dit genre voor hen en hun publiek voor betekenis kan krijgen. De resultaten van hun
inspanningen zien we bijvoorbeeld op de jaarlijkse Operadagen Rotterdam, op het
Opera Forward Festival (OFF) in Amsterdam of op November Music
in ’s-Hertogenbosch.
Blijkens onze analyse is de grootste uitdaging voor het brede operaveld op dit
moment om de kwaliteit te bewaken en om talent goed te begeleiden bij vaak krappe
budgetten van overheden en fondsen. Voor De Nationale Opera is het daarnaast
zaak de internationale positie intact te houden en waar nodig te verstevigen. Ook de
vraag hoe het publiek voor opera meer een afspiegeling kan gaan vormen van de
bevolking verdient de komende jaren een stevige nadere beschouwing, zowel van het
veld als van subsidieverstrekkers en van de raad.
Hedendaags muziektheater
Zo’n dertig gezelschappen houden zich op landelijk niveau bezig met hedendaags
muziektheater, gebruikmakend van vernieuwingen uit bijvoorbeeld virtual reality,
film, gaming, kleinkunst of popcultuur. Gezelschappen als Orkater, Silbersee, Urban
Myth, Het Rosa Ensemble, Via Berlin of De Veenfabriek hebben zich inmiddels
bewezen als eigenzinnige, innovatieve krachten in het muziektheaterveld. Het
hedendaags muziektheater houdt de vinger aan de pols van de tijd en zoekt ook
aansluiting bij andere domeinen, zoals wetenschap, technologie en e-cultuur.
Zo gingen twee Dutch Game Awards eind 2017 naar de interactieve virtual-reality-
opera ‘Weltatem’ van de Nederlandse Reisopera, Het Geluid Maastricht,
WildVreemd en Monobanda. Onder invloed van urban arts ontstaan daarnaast
nieuwe uitingsvormen van muziektheater waarin hiphop, breakdance en spoken
word versmelten tot totaalvertellingen voor een veelal jong, grootstedelijk publiek.
                                                                                     9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>De grootste uitdaging voor gezelschappen en onafhankelijke makers in het
hedendaags muziektheater is om zich te blijven ontwikkelen onder de zeer hoge
productie- en prestatiedruk die op dit moment gepaard gaat met de subsidiëring
door overheden en fondsen, tezamen met de moeizame afzetmarkt bij theaters.
Het is lastig een balans te vinden tussen de wens om experimenteel of complex werk
te maken en de behoefte om daarmee publiek te bereiken. Voor urban
muziektheatermakers, maar ook voor nieuwe makers die voor nieuwe wegen kiezen,
is het daarnaast moeilijk om het gesubsidieerde veld in te stromen, omdat de
artistieke kwaliteit van hun werk nog te weinig wordt herkend en erkend door
overheden, maar ook omdat de vorm die hun werk aanneemt en de gekozen
werkwijze vaak niet passen bij de bestaande subsidie-instrumentaria. Bij fondsen,
zoals het Fonds Podiumkunsten en het Fonds voor Cultuurparticipatie, zien we hier
de laatste jaren al grotere verschuivingen plaatsvinden dan bij het Rijk,
provincies en gemeenten.
Naast het experimenteler hedendaagse muziektheaterwerk zien we een toenemende
aanwas aan grootschaliger, populaire muziektheatervoorstellingen. Vaak komen zij
tot stand naar aanleiding van regionale historische gebeurtenissen die herdacht
worden; denk aan ‘Het Pauperparadijs’ in Veenhuizen, ‘Het Verzet Kraakt’ in
Almelo, ‘Stork’ in Hengelo, ‘De Stormruiter’ in Leeuwarden of recent ‘Het Mysterie
van Alkmaar’. Deze producties worden vaak breed gedragen door regionale
overheden en fondsen, en vaak wordt hier naast een team van professionals ook de
plaatselijke amateurscene bij betrokken. Het publiek weet deze voorstellingen
massaal te vinden.
Hoewel het producenten vaak veel tijd kost om de benodigde financiering bij elkaar
te krijgen, vormen deze producties een voorbeeld van hoe producenten, financiers
en presentatieplekken kunnen samenwerken om iets kwalitatiefs te creëren dat een
groot publiek op de been kan brengen.
Musical
Een veld dat nog nauwelijks wordt gezien door overheden en fondsen is de musical.
Het musicalaanbod in Nederland is groot, maar omvat voornamelijk uit het
buitenland overgenomen succestitels, aangevuld met een handvol oorspronkelijk
Nederlandse producties (‘Soldaat van Oranje’, ‘Was getekend, Annie M.G. Schmidt’).
De meeste musicals zijn grootschalig, commercieel en gericht op een groot publiek
(hoewel ze dat publiek lang niet altijd binnenhalen door een gebrek aan aansluiting
tussen aanbod en afname). Uit financiële zorgen grijpen producenten voor ‘nieuw’
werk vaak naar bestaande liedjes of verhalen uit films of populaire boeken, die ze
hertalen naar het musicalpodium. Een enkele musicalproducent probeert
kleinschalig, experimenteel werk te ontwikkelen met behulp van incidentele
subsidies, zoals Het Zonnehuis en Stichting Putting it Together, maar dit bracht tot
nu toe geen rijk experimenteerklimaat voor de musical op gang.
Zowel de kleinschalige als de grootschalige musical heeft het in het huidige klimaat
zeer lastig. Er is behoefte aan ruimte voor talentontwikkeling en
repertoireontwikkeling voor kleinschalig musicalwerk, evenals aan
ontwikkelbudgetten voor een risicovoller aanbod van vrije producenten. Maar ook
en vooral is er behoefte aan een serieuzer discours in pers, beleid en wetenschap
                                                                                     10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>rond het genre musical. Interessant in dit kader is de verwachte publicatie
‘De Nederlandse musical. Emancipatie van een fenomeen’ van International Theatre
& Film Books in januari 2019. In dit boek, onder redactie van theaterwetenschapper
en dramaturg Bart Dieho, wordt voor het eerst uitvoerig ingegaan op geschiedenis,
theorie, dramaturgie, educatie en kritiek omtrent de musical in ons land.
De infrastructuur voor muziektheater
In dit advies bekijken we hoe de infrastructuur voor muziektheater eruitziet en waar
deze naar onze opvatting verbetering behoeft, hetzij door nieuw of verbeterd beleid,
hetzij door veranderingen binnen de muziektheaterpraktijk. Bij het overzien van de
infrastructuur voor muziektheater hebben we in gedachten een piramide getekend.
De brede basis vormt de humuslaag: hier maken mensen op regionaal niveau kennis
met muziektheater, als beoefenaars (in de amateursector), als studenten (aan
vooropleidingen en kunstvakopleidingen) of als kijkers (in theaters, buurthuizen,
scholen). Daarboven bevindt zich een professioneel veld van spelers op regionaal en
landelijk niveau: gezelschappen, productiehuizen, talenthubs, festivals en
onafhankelijke makers die, veelal met structurele of projectmatige subsidies,
kwalitatief goed muziektheater maken voor een breed en divers publiek. Daarnaast
is er een kleinere top van instellingen die het regionale belang overstijgen en van
landelijke betekenis zijn: instellingen met meer financiële en artistieke armkracht
die een voorbeeldfunctie vervullen voor het muziektheater in Nederland, en ook een
werking hebben over de grens. Ten slotte zijn er enkele plekken nodig die gelden als
experimenteertuin voor opera, muziektheater en musical, met een groot belang voor
het landelijke muziektheater, maar niet per se met een landelijke
publieke zichtbaarheid.
Hieronder werken we de verschillende lagen van deze piramidestructuur uit en
lopen we kort vooruit op onze analyse.
Laagdrempelige kennismaking
De eerste kennismaking met muziektheater voor bezoekers vindt vaak plaats via
school of educatieve programma’s van gezelschappen, maar ook via
amateurverenigingen of via laagdrempelig aanbod in de eigen regio. Het is wezenlijk
dat er scholen (docenten), theaters (programmeurs) en bemiddelingsorganisaties
zijn die het als hun missie zien om een zo groot mogelijk publiek te laten
kennismaken met muziektheater en andere kunstvormen, en dat er makers en
gezelschappen zijn die toegankelijk werk en educatieprogramma’s creëren. Vaak
vindt deze kennismaking plaats in de eigen stad of regio.
In onze adviezen over muziek, theater en dans signaleerden we al problemen op het
gebied van muziekscholen, educatief aanbod en educatiebeleid bij scholen et cetera.
In dit advies werken we dit niet nader uit. Veel Nederlanders doen in hun vrije tijd
aan opera of musical, en veel landelijk gesubsidieerde muziektheatergezelschappen
maken aantrekkelijke educatieprogramma’s voor scholen en voor andere
doelgroepen. Toch zijn er nog altijd meer scholen die hun leerlingen niet laten
kennismaken met muziektheater en zijn er veel theaters die geen nieuw publiek voor
muziektheater binnenhalen. Voor aanbevelingen op dit terrein verwijzen we naar
onze eerdere sectoradviezen, omdat deze niet muziektheaterspecifiek zijn.
Met betrekking tot de opleidingen zien we dat er gaten vallen in het aanbod aan
                                                                                     11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>opleidingen voor librettisten, regisseurs en tekstschrijvers, en dat de opleidingen
voor zangers niet altijd aansluiten op de vraag vanuit gezelschappen.
Kwalitatief, toegankelijk aanbod in het hele land
Om te zorgen voor een goed, rijk aanbod aan muziektheater is het belangrijk dat
door het hele land een flexibele infrastructuur bestaat van gezelschappen,
productiehuizen, talenthubs en festivals die creërend en uitvoerend kunstenaars
(beginnend, midcareer en ervaren) kansen geven om werk te maken en te tonen aan
publiek. In dit ecosysteem moeten makers een plek vinden die experimenteren met
manieren om (nieuw) publiek te bereiken met aansprekend, toegankelijk werk. [ 4 ]
Het is belangrijk dat er werk beschikbaar is in uiteenlopende genres, van een divers
palet aan makers: kleinschalig, grootschalig, met een lage of een hoge
instapdrempel, populair of juist meer experimenteel – een gevarieerd aanbod
waarin publiek door het land heen zich kan vinden.
Blijkens onze analyse vertoont juist deze laag een groot hiaat. Veel
regioschouwburgen tonen commercieel, goedkoop aanbod, en programmeren
nauwelijks gesubsidieerd muziektheater. Er is enerzijds experimenteel, kwalitatief
hoogstaand hedendaags muziektheater beschikbaar, zoals gesubsidieerd door het
Fonds Podiumkunsten, en anderzijds grootschalig, gewild aanbod voor de grote zaal,
zoals de grote opera’s of musicals. Maar een middenlaag van kleinschaliger, goed
gemaakt, toegankelijk aanbod dat aansluit op de wensen en interesses van publiek in
de uiteenlopende stedelijke cultuurregio’s ontbreekt. Er ontstaat bij veel theaters en
gezelschappen behoefte aan een betere onderlinge samenwerking, maar de huidige,
vaak contrasterende subsidieafspraken met verschillende overheden werken dat
tegen. Er lijkt een betere afstemming nodig tussen rijks- en regionaal beleid, zoals
ook bepleit in onze verkenning ‘Cultuur voor stad, land en regio’. Ook wordt in de
toekenning van aanbodsubsidies nog te weinig rekening gehouden met de afname
van het geproduceerde aanbod en dan met name de context waarbinnen
die afname plaatsvindt.
Instellingen van landelijk belang
Daarnaast zijn er enkele grotere gezelschappen, productiehuizen en festivals nodig
die eerder een landelijke functie vervullen (onafhankelijk van de plek in het land
waar ze gevestigd zijn). Zij zijn idealiter in staat grootschaliger werk te maken, de
beste makers en uitvoerenden aan zich te verbinden, wat meer tijd te nemen voor
het produceren van voorstellingen, en daarmee de zichtbaarheid van het genre in
landelijk opzicht te vergroten. Zij vervullen niet alleen een functie in de
totstandkoming van nieuw werk en de ontwikkeling van talent, maar zijn bij
voorkeur ook actief in zaken als educatie, reflectie en debat. Deze instellingen slaan
ook een brug naar wat er in het buitenland gebeurt, door internationaal te spelen of
juist door internationale makers of voorstellingen naar Nederland uit te nodigen.
We zien dat deze laag er wel is, met bijvoorbeeld de drie rijksgesubsidieerde
operagezelschappen en een festival als het Holland Festival, maar dat dit landelijke
bestel beperkt is samengesteld in termen van genres en dat de instellingen
bovendien middelen ontberen om hun landelijke functie optimaal te kunnen
vervullen. Hun zichtbaarheid is daardoor te beperkt, alsmede de
verantwoordelijkheid die ze op zich kunnen nemen om goede makers binnen te
halen, nieuw talent te begeleiden, een scherp discours over het vak aan te jagen, hun
                                                                                       12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>educatiebeleid aan te scherpen en andere specialismes te ontwikkelen die van
essentieel belang zijn voor de gezondheid van het muziektheater.
Experimenteerruimtes
Voor de ontwikkeling van de discipline muziektheater en de verschillende genres
daarbinnen ten slotte, is het van belang dat er een klein aantal landelijke instellingen
is waar artistiek experiment kan plaatsvinden, waar dingen kunnen worden
uitgeprobeerd (waar ook ruimte is om te mislukken), waar zogezegd de research and
development van het muziektheater kan plaatsvinden. Op zulke plekken kan
bijvoorbeeld met nieuwe vormen worden geëxperimenteerd, of kan aansluiting
worden gezocht bij andere domeinen als technologie, wetenschap of e-cultuur.
Muziektheater kan hier steeds opnieuw worden ge(her)definieerd door en met
nieuwe makers, makers uit andere domeinen of kunstdisciplines, of makers die
zichzelf na een aantal jaren werken opnieuw willen uitvinden. Het gaat hier niet om
‘experimenteren om het experimenteren’; vanuit een vruchtbare experimenteertuin
zal een gezonde doorstroom plaatsvinden van geslaagd onderzoek naar de meer
publieksgerichte gezelschappen en festivals.
Aan deze experimenteerruimte constateren we een groot gebrek. Na het wegvallen
van de productiehuizen uit de Basisinfrastructuur per 2013 stierven veel van deze
huizen een stille dood en er kwamen geen andere voor in de plaats. Er ontbreken
onafhankelijke instellingen waar makers zich met de ontwikkeling van de discipline
kunnen bezighouden in plaats van zich volledig te moeten focussen op het (snel)
produceren van voorstellingen. Dit geldt het muziektheater in den brede: opera,
hedendaags muziektheater en musical.
De subjectieve waarde van muziektheater
Het muziektheater levert een belangrijke bijdrage aan het kunst- en cultuurklimaat
in Nederland, op regionaal, nationaal en internationaal niveau. Het is belangrijk ons
ervan te vergewissen dat niet op elk niveau dezelfde behoefte bestaat op artistiek
vlak en dat vakmanschap, oorspronkelijkheid en zeggingskracht – maatstaven voor
artistieke kwaliteit – niet overal dezelfde betekenis hebben. Ons veranderende
kwaliteitsoordeel heeft de verhouding tussen deze drie waarden op losse schroeven
gezet. Met de democratisering van de kunstbeleving zijn er evenveel oordelen
gekomen als er toeschouwers of doelgroepen zijn; er bestaat geen ‘gelijk’ meer als
het gaat om kwaliteit of smaak.
Een recensieplatform als Theaterkrant.nl vermeldt bij elke recensie ook de oordelen
van andere kranten, omdat een goed geïnformeerd oordeel rust in een veelheid aan
perspectieven, niet langer in een consensus of een gedeeld gelijk. Zo ook zien we een
steeds sterkere weerstand ontstaan tegen beoordelingscommissies die te eenzijdig
zijn samengesteld op het gebied van expertise, denkniveau en sociale, culturele,
artistieke, politieke en economische achtergrond. We raken er immers steeds meer
van doordrongen dat elk artistiek product naast een autonome, intrinsieke waarde
ook een maatschappelijke, extrinsieke waarde heeft, en dat die waarden niet los van
elkaar te beschouwen zijn: de betekenis van een kunstwerk ontstaat in de
confrontatie met zijn publiek.
                                                                                         13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Dat geldt in het bijzonder in de podiumkunsten, waar de voorstelling letterlijk in de
aanwezigheid van het publiek ontstaat. De voorstelling zelf wordt mede bepaald
door de wijze waarop het publiek is samengesteld, de manier waarop het publiek
zich verhoudt ten opzichte van de performers, de mate waarop het publiek al dan
niet bij de handeling wordt betrokken, of door de bagage die elke toeschouwer
meeneemt naar de voorstelling. Het is derhalve niet mogelijk om in Den Haag of
Amsterdam te beoordelen welke voorstelling in Twente of in Groningen van
kwaliteit zal zijn, net zomin als we kunnen verwachten dat een voorstelling die in de
ene zaal, voor het ene publiek werkt dat automatisch in een ander soort zaal, voor
een andere doelgroep ook zal doen. Een voorstelling die misschien van groot
vakmanschap getuigt, kan een lage zeggingskracht hebben wanneer die wordt
uitgevoerd voor een publiek dat nooit eerder een muziektheatervoorstelling heeft
bezocht; een voorstelling die een zaal vol pubers op zijn kop zet, kan een publiek van
ervaren kijkers bijzonder vervelen (of omgekeerd); en een experimentele
voorstelling die ingevoerde kijkers als het summum van oorspronkelijkheid beleven,
kan een nieuw publiek vol onbegrip achterlaten.
Elke voorstelling bewijst zijn waarde enkel voor zijn daadwerkelijke publiek. Het is
daarom belangrijk dat we het muziektheater zien in de vele kwaliteiten waarin het
zich aandient, zonder vooringenomen standpunt over wat volgens ons kwaliteit
behelst. Met deze blik hebben we het muziektheater in dit advies bekeken.
Leeswijzer
Dit advies laat zich lezen als een pleidooi voor de verdere versterking van het
muziektheater. De tekst is als volgt opgebouwd. Het eerste gedeelte heeft betrekking
op het huidige overheidsbeleid. In ‘Doelstellingen van cultuurbeleid’ gaan we kort in
op de cultuurpolitieke doelen waaraan volgens de raad een effectief cultuurbeleid
moet bijdragen. Vervolgens geven we een feitelijke weergave van ‘Het huidige
muziektheaterbestel’, waarin we de nadruk leggen op het meerjarig landelijk
gesubsidieerde aanbod. In ‘De gewenste rol van de overheid’ zetten we uiteen op
welke punten het huidige landelijke overheidsbeleid op het gebied van
muziektheater verbetering behoeft.
In het tweede gedeelte van dit advies benoemen we de stand van zaken en
‘Verbeterpunten in het muziektheater’ in een aantal facetten van de praktijk,
achtereenvolgens opleiding en talentontwikkeling; toegankelijkheid en
pluriformiteit; en publiek en diversiteit. De aanbevelingen in deze hoofdstukken zijn
gericht aan het ministerie, fondsen en andere overheden maar ook aan het veld,
inclusief de opleidingen en de theaters.
In het derde en laatste deel van dit advies geven we ‘Zicht op nieuw beleid’ en
formuleren we een beknopt aantal ‘Hoofdaanbevelingen’ om de muziektheatersector
in de toekomst te verstevigen. In het stelseladvies dat de raad het eerste kwartaal
van 2019 opstelt, werken we deze waar nodig en mogelijk verder uit. Wij betrekken
de muziektheatersector graag bij deze vervolgstap en nodigen de sector dan ook
graag uit een reactie te formuleren op voorliggend sectoradvies.
                                                                                       14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>  1
‘nite.nl’
  2
Het onderzoek heeft betrekking op het aanbod op de theaters die zijn
aangesloten bij de Vereniging van Schouwburg- en
Concertgebouwdirecties (VSCD), en laat dus nog een groot deel van de
podia (zoals vlakkevloerpodia of festivalpodia) buiten beschouwing.
  3
Onder opera valt in deze cijfers ook (hedendaags) muziektheater
omdat dit genre in dit onderzoek niet apart werd gecategoriseerd.
  4
Bij het gebruik van het woord ‘toegankelijk’ deinzen makers en
gezelschapsdirecties weleens terug; alsof we hiermee een kunstklimaat
voor ogen zouden hebben dat constant op de knieën gaat voor het
publiek en dat publiek nooit meer prikkelt of uitdaagt uit de eigen
comfortzone te komen. Dit is echter niet wat we hiermee bedoelen;
wel ligt de grens waarop iemand uit zijn eigen comfortzone stapt en
het onbekende in wordt getrokken, voor elke doelgroep anders. Vooral
jonge makers tonen zich hier al heel expliciet van bewust. Zij kijken
niet neer op een publiek dat nog nooit een theater heeft bezocht, maar
laten zich door de reacties en vragen van dit publiek eerder positief
inspireren, met verrassende, laagdrempelige maar hoogstaande
voorstellingen als resultaat. We hebben wat dit betreft dan ook een
groot vertrouwen in de nieuwe generaties makers. Ook bij jeugd
(muziek)theatergezelschappen zien we deze attitude terug.
                                                                       15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Muziektheater / Doelstellingen van cultuurbeleid
         Doelstellingen van cultuurbeleid
In dit advies analyseren we ontwikkelingen in het muziektheater in relatie tot
bestaand en gewenst beleid. De raad heeft onlangs vier cultuurpolitieke doelen
geformuleerd waaraan volgens ons een effectief cultuurbeleid moet voldoen.
Hieronder schetsen we kort deze doelstellingen. Wanneer we in dit advies
aanpassingen van beleid aanbevelen, doen we dat tegen de achtergrond van
onderstaande doelstellingen.
1. Bevorderen van talentontwikkeling en professionaliteit
De raad vindt het ten eerste, vanuit het perspectief van de maker, belangrijk dat
creatief talent in staat is zich optimaal artistiek te ontplooien. Dat maakt het Rijk en
andere overheden er medeverantwoordelijk voor dat Nederland beschikt over de
juiste faciliteiten en begeleidingsmogelijkheden voor elke fase van de culturele
loopbaan, voor elke vorm van creatief talent, waar ook in het land. Wezenlijke
aspecten van een carrière in de kunsten waarvoor de overheid kan (helpen) zorgen,
zijn bijvoorbeeld opleiding en talentontwikkeling, een goed productie- en
presentatieklimaat en een gezonde arbeidsmarktpositie voor kunstenaars.
    Voor het muziektheater betekent dit bijvoorbeeld dat de overheid moet bekijken
    hoe de faciliteiten voor talentontwikkeling kunnen worden verbeterd en hoe het
    gat tussen opleiding en beroepspraktijk kan worden gedicht. De instroom van
    nieuwe makers en genres tot het professionele muziektheaterveld verdient een
    extra stimulans. Ook dient te worden gekeken naar innovatieve ontwikkelingen
    die zich buiten de traditionele podia afspelen, bijvoorbeeld waar makers
    aansluiting zoeken bij wetenschap, technologie, clubleven, e-cultuur of
    andere domeinen.
2. Bevorderen van de toegankelijkheid van het aanbod
Een tweede doelstelling is dat iedereen in Nederland, ongeacht leeftijd, culturele
achtergrond, inkomen of woonplaats, optimaal toegang heeft tot kunst en cultuur.
Dat betekent dat de overheid erop moet toezien dat er voldoende mogelijkheden zijn
voor kinderen en volwassenen om hiermee kennis te maken en dat er een breed,
door het land gespreid cultuuraanbod is voor iedereen. Belangrijk is ook dat het
gezamenlijke publiek van gesubsidieerd (maar ook van niet-gesubsidieerd) aanbod
een afspiegeling vormt van de maatschappij, wat vraagt om een breed scala aan
genres, stijlen en aanbiedingsvormen. Waar de markt tekortschiet, dient de overheid
actief te participeren.
    Voor het muziektheater geldt, net als voor de overige podiumkunstdisciplines,
    dat het publiek voor de gesubsidieerde kunsten een eenzijdig beeld te zien geeft
    van de Nederlandse bevolking. Veel muziektheaterinstellingen en onafhankelijke
    makers slagen er nog niet in een inclusief beleid te voeren en hun kennis en
                                                                                         16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>    kwaliteit verder te laten dragen dan het reeds gekende publiek. Hierin moeten zij
    worden aangemoedigd en worden geholpen. Tegelijkertijd vraagt het
    gesubsidieerde aanbod om verrijking met nieuwe genres en makers met cultureel
    diverse achtergronden. Er is een goede balans nodig tussen enerzijds
    publieksontwikkeling voor bestaande vormen en anderzijds aanpassing
    van aanbod.
3. Bevorderen van de pluriformiteit van het aanbod
Ten derde vinden we het belangrijk dat de overheid zich bekommert om een
pluriform aanbod van kunst en cultuur, waarin het bestaande wordt gekoesterd en
het nieuwe wordt omarmd. Dit brengt voor de overheid de verantwoordelijkheid met
zich mee om een veelzijdig cultureel aanbod te ondersteunen, met gevestigd én
nieuw aanbod, en om te zorgen voor het bewaren, onderhouden en ontsluiten van
– en steeds opnieuw betekenisgeven aan – tradities. Daarvoor is zowel het kunnen
blijven uitvoeren van de canon van belang, als het confronteren van die canon met
nieuwe interpretaties, vormen, genres, stijlen en uitvoeringswijzen. Hoewel de
landelijke overheid niet alles kan ondersteunen, is het belangrijk dat ze topkwaliteit
in diverse genres erkent, koestert en beloont; toonaangevende ontwikkelingen met
nationaal of internationaal aanzien, die het culturele veld verder kunnen helpen
door hun voorbeeldfunctie of voortrekkersrol. Evenzo verdienen initiatieven en
ontwikkelingen die kleur en kwaliteit geven aan provincies of steden de aandacht.
    Het staat buiten kijf dat opera en hedendaags muziektheater hun plek binnen het
    landelijke gesubsidieerde bestel verdienen. In deze genres is het op dit moment
    vooral belangrijk om de mogelijkheden te vergroten tot het ontwikkelen van
    nieuw werk en het aantrekken van nieuwe makers, en om de bereikte kwaliteit te
    consolideren. Daarnaast is het belangrijk dat het subsidiestelsel toegankelijker
    wordt voor nieuwe vormen (zoals musical, urban arts of innovatief werk) en voor
    makers met andere culturele of artistieke achtergronden.
4. Bewaken van de vrijheid van de kunst
De vierde doelstelling waaraan het cultuurbeleid volgens ons moet bijdragen, is dat
de samenleving fungeert als een veilige haven voor cultuur, waar kritische reflectie
kan plaatsvinden op de maatschappij en haar inwoners, en waar via kunst elk debat
mag worden gevoerd zonder ten prooi te vallen aan beknotting van vrijheid of
censuur. Dit betekent dat de overheid goed zal moeten bekijken wat er in de
maatschappij leeft aan artistieke krachten, zonder te redeneren vanuit een
vooringenomen standpunt over welke kunst van grotere waarde is. Het betekent
eveneens dat de overheid de kunst soms moet beschermen tegen toenemende
taboeïsering, intolerantie en maatschappelijk protest – ook als dat soms tot een
complex maatschappelijk debat lijdt.
    Deze doelstelling is voor het muziektheater bijzonder relevant. Het is zaak dat
    het complexe en het ongemakkelijke werk naast het lichte en het amusante kan
    bestaan. Nieuwe artistieke vormen en onafhankelijke makers hebben ruimte
    nodig om te groeien en te experimenteren. Er moet ruimte zijn voor een scherp
    inhoudelijk debat over muziektheater, in de pers, in de media, in de foyer, in
    commissievergaderingen bij fondsen. En tenslotte is artistieke vrijheid een
                                                                                       17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>voorwaarde voor de totstandkoming van artistiek en maatschappelijk relevant
werk. Onder de huidige productie- en prestatiedwang gaan gezelschappen en
makers gevoelige thema’s in hun werk vaak uit de weg, waar het podium bij
uitstek een plek is om zulke thema’s bespreekbaar te maken.
                                                                            18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Muziektheater / Het huidige muziektheaterbestel
         Het huidige muziektheaterbestel
In dit advies bekijken we hoe het huidige subsidiestelsel voor muziektheater
functioneert, waarbij we ons oog ook richten op ontwikkelingen buiten dat stelsel.
Zoals al in eerdere sectoradviezen is geconstateerd en zoals ook het Sociaal en
Cultureel Planbureau onlangs weer signaleerde in zijn beschrijving van de kunst- en
cultuursector, is het nagenoeg onmogelijk om de sector geheel in beeld te brengen;
informatie is versnipperd en data van producenten en makers die buiten het
gesubsidieerde stelsel opereren, zijn moeilijk vindbaar of moeilijk toegankelijk. [ 1 ]
Daarbij spreken gegevens van subsidiënten, producenten/gezelschappen, theaters
en onderzoeksbureaus elkaar vaak tegen of overlappen gegevens door verschillende
wijzen van meten.
Het is nog relatief eenvoudig om de stand van zaken bij het ministerie van OCW en
de cultuurfondsen in beeld te krijgen, maar wie probeert de situatie in elke
Nederlandse gemeente of provincie in detail te bekijken, zal al snel moeten opgeven.
De cultuurprofielen die stedelijke regio’s onlangs hebben ingediend bij de minister
van OCW geven wat dat aangaat enig extra inzicht in beleid en spelers per regio. We
proberen in dit advies daarom geen compleet overzicht te geven van spelers in het
muziektheaterveld. Wel schetsen we hieronder globaal hoe de sector is ingericht om
de lezer enige context te verschaffen bij onze analyse.
Rijksgesubsidieerd muziektheater
Spreiding rijksgesubsidieerde muziektheaterinstellingen 2017 – 2020
(in aantallen)
                                                                                        19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Rijksgesubsidieerde muziektheaterinstellingen 2017 – 2020
(aantallen x 10.000 euro)
• Aanvankelijk op de B-lijst van het Fonds Podiumkunsten (positief advies, onvoldoende budget) maar
kreeg door een extra impuls van het kabinet alsnog een meerjarige activiteitensubsidie voor
de periode 2017 – 2020.
Culturele Basisinfrastructuur
Drie operagezelschappen maken deel uit van de BIS: De Nationale Opera (onderdeel
van Nationale Opera & Ballet), de Nederlandse Reisopera en Opera Zuid. Daarnaast
zijn er enkele BIS-theatergezelschappen die (ook) muziektheater maken, zoals
Theater Sonnevanck in Enschede en Het Filiaal in Utrecht (voor jeugd), Toneelgroep
Maastricht en het Noord Nederlands Toneel, dat zich steeds meer toelegt op
combinaties van toneel met dans en muziek.
De Nationale Opera (DNO) maakt samen met Het Nationale Ballet sinds 2013
onderdeel uit van Nationale Opera & Ballet, gevestigd in het Muziektheater in
Amsterdam. Dit gezelschap heeft een eigen koor en een eigen kostuumatelier.
DNO kreeg bij de bezuinigingen van 2013 een korting op de rijkssubsidie van
5 procent te verwerken en ontvangt nu op jaarbasis 24,4 miljoen euro subsidie
vanuit de BIS (voor de operataak); daarnaast financiert de gemeente Amsterdam
DNO met 6,9 miljoen euro per jaar. De totale baten van Nationale
Opera & Ballet (NO&B) waren in 2017 63,7 miljoen euro. DNO werkt samen met het
Nederlands Philharmonisch Orkest | Nederlands Kamer Orkest, dat het verzorgen
van opera-aanbod als hoofdtaak heeft, en met enkele andere
rijksgesubsidieerde symfonieorkesten.
                                                                                                    20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>De Nederlandse Reisopera in Enschede en Opera Zuid in Maastricht spelen vooral in
hun eigen regio’s en reizen, voor zover budget en capaciteit het toelaten, daarnaast
beperkt door het land. De Nederlandse Reisopera verloor bij de bezuinigingen van
2013 60 procent van zijn subsidie en ontvangt nu een jaarlijks subsidiebedrag van
het Rijk van 3,6 miljoen euro. De provincies Overijssel en Gelderland geven
sinds 2017 samen 300.000 euro aan de Reisopera. Sinds 2013 heeft het gezelschap
geen koor meer in dienst, maar huurt het artistieke teams per productie in.
Het werkt samen met het Orkest van het Oosten en Het Gelders Orkest (momenteel
in fusie) en met het Noord Nederlands Orkest, die hiervoor binnen hun subsidies
een opera-opdracht hebben. Het maakt twee tot drie grote producties per jaar en
organiseert daarnaast activiteiten als kleinschaliger voorstellingen of
de ‘Meezing Messiah’.
Opera Zuid verloor bij de bezuinigingen van 2013 400.000 euro subsidie en
ontvangt nu 1,0 miljoen euro. Het gezelschap krijgt daarnaast 78.000 euro van
Maastricht en in totaal 650.000 euro van de provincies Limburg en Noord-Brabant.
Opera Zuid heeft een eigen kostuumatelier, maar ook hier zijn geen zangers in
dienst. Met zijn beperkte budget kan Opera Zuid twee producties per jaar maken,
plus enkele kleinere samenwerkingsprojecten met conservatoria of kleinere
gezelschappen. Het vaste orkest waarmee Opera Zuid samenwerkt is
philharmonie zuidnederland.
Fonds Podiumkunsten
Zo’n dertig kleinere muziektheatergezelschappen en -initiatieven maken
muziektheater met ondersteuning van het Fonds Podiumkunsten. Dit fonds
verstrekt meerjarige subsidies, projectsubsidies en (op beperkte schaal)
nieuwemakers-subsidies aan muziektheaterorganisaties en -makers, waarbij het
geen onderscheid maakt tussen opera, muziektheater en musical. Hier vinden we
een belangwekkend deel van het veld, in een brede mix aan vormen. In de
meerjarige activiteitensubsidies vinden we gezelschappen terug die vaak stevig zijn
geworteld in het veld en waar nieuwe makers kunnen in- en uitstromen, terwijl de
projectenregelingen kansen geven aan makers die nog zoekende zijn of specifieke
dingen willen uitproberen. Ook verstrekt het FPK geregeld opdrachtsubsidies voor
nieuwe opera’s aan instellingen binnen en buiten de BIS. Het betreft zowel groot- als
kleinschalige composities, die sterk variëren in vorm; denk aan experimenteel
muziektheater, jeugdopera’s of meer klassiek operarepertoire. Ook worden er
werkbijdragen verleend aan makers voor het ontwikkelen van kleinschalige,
vaak experimentele muziektheaterprojecten.
Het valt op dat musicalproducenten en -makers in de toekenningen (net als in de
aanvragen) zijn onderbelicht. Ook urban muziektheater krijgt in de praktijk nog
weinig voet aan de grond. Het FPK werkt inmiddels nauw samen met het Fonds voor
Cultuurparticipatie om de juiste wegen te vinden om urban arts de komende tijd
intensiever te gaan ondersteunen. Hier hebben we goede verwachtingen van, mits
hiervoor reële budgetten ter beschikking zullen worden gesteld (en mits podia bereid
zijn mee te werken).
                                                                                      21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>In de huidige subsidieperiode ondersteunt het FPK vijftien
muziektheatergezelschappen meerjarig, waaronder twee operagezelschappen:
Holland Opera en Opera2Day. [ 2 ] (Hoewel de naam anders doet vermoeden, maakt
Het Volksoperahuis theater op de grens van muziektheater en kleinkunst). Verder
varieert het meerjarig gesubsidieerde muziektheateraanbod sterk in vorm: van het
ongepolijste muziektheater met zelfgebouwde instrumenten van BOT, het
bewegingsmuziektheater met live elektronica en virtual reality van Project
Wildeman, muziektheater op het snijvlak van pop en hedendaagse muziek van het
Rosa Ensemble of het met klassieke musici gemaakte verhalende werk van
Via Berlin.
Grotere FPK-gezelschappen zijn Orkater, De Veenfabriek en Silbersee, die het
muziektheater vooruit willen brengen met interdisciplinaire producties. Voor de
jeugd is er Tafel van Vijf, dat muzikale verhalen over nu brengt in het licht van
historische gebeurtenissen. Ook Oorkaan, gesubsidieerd als muziekensemble voor
kinderen, maakt werk op het snijvlak met muziektheater. Daarnaast ontvangen zo’n
tien gezelschappen per jaar ondersteuning van het Fonds Podiumkunsten voor
specifieke muziektheaterproducties. Hier is het aanbod eveneens breed, van de one-
man-operettes van Steef de Jong en het liedjesprogramma ‘De vogel in mijn borst’
van Kik Productions/Frans van Deursen tot jeugdmuziektheater van Pro Pro
Producties of de muziektheaterproductie ‘Leo & Hassan! De eeuwige vluchteling’ van
het Amsterdams Andalusisch Orkest. Of van de kleinschalige opera’s van Sjaron
Minailo tot het werk van het World Opera Lab van Miranda Lakerveld.
Het FPK verstrekt daarnaast meerjarige festivalsubsidies, onder andere aan
Operadagen Rotterdam. Omdat de druk op het budget voor muziektheater groot is,
moest het FPK voor de periode 2017 – 2020 zes aanvragers voor meerjarige
activiteitensubsidie afwijzen. Ook binnen de projectenregelingen kan een groot
aantal aanvragen niet worden gehonoreerd; het budget van 700.000 euro per jaar
voor deze regeling wordt doorgaans drie tot vier keer overvraagd.
Gemeentelijk en provinciaal gesubsidieerd muziektheater
Op gemeentelijk niveau worden enkele muziektheatergezelschappen meerjarig of
projectmatig ondersteund en is er ook aandacht voor amateurverenigingen en
-initiatieven op het gebied van muziektheater. Zo geeft de gemeente Amsterdam een
vierjarige subsidie aan Max Tak (muziektheater voor kinderen), Oorkaan (theatrale
concerten voor kinderen) en Silbersee. Rotterdam ondersteunt
performancecollectief Urland, Arnhem subsidieert De Plaats en Amersfoort
subsidieert Holland Opera. De provincie Friesland en de gemeente Weststellingwerf
ondersteunen Opera Spanga, dat jaarlijks een professionele, toegankelijke opera
maakt in een tent in de open lucht. De provincie Limburg subsidieert Het Geluid
Maastricht. Veel amateurverenigingen krijgen ook gemeentelijke subsidie.
Opvallend is het grote aantal amateur-opera- en -musicalverenigingen dat door het
land heen actief is.
Regionale cofinanciering voor bijzondere projecten
De laatste jaren is er in het hele land een nieuw soort muziektheater in opmars dat
een antwoord lijkt op het ontbreken van goed gemonteerd, laagdrempelig aanbod
voor een breed publiek. Dit muziektheater vindt vaak plaats op speciale locaties en
                                                                                    22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>vertelt historische verhalen die het publiek in de desbetreffende stad of regio
rechtstreeks raken, vaak gebruikmakend van elementen uit de opera of musical.
Dit soort muziektheater vindt dikwijls ad-hoc-financiering bij gemeenten en
(publiek-)private fondsen.
Het lokale en regionale draagvlak voor dit soort muziektheaterprojecten is
onbetwist; zo ontvingen de producenten van ‘Het Verzet Kraakt, de grootste
bankroof aller tijden’ (2017) financiering van alle betrokken gemeenten (Almelo,
Hellendoorn, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand en Wierden), aangevuld met
subsidies van zeven private fondsen. Deze productie kostte in totaal 1,7 miljoen euro,
trok 28.000 bezoekers naar Almelo en won een Musical Award voor
beste kortlopende musical.
Andere voorbeelden van dit soort grote muziektheaterprojecten rond een historisch
verhaal zijn de rockopera ‘Dirk III Superstar’ rond de Slag bij Vlaardingen en
‘De Stormruiter’, een voorstelling met honderd Friese paarden, tijdens
Leeuwarden-Friesland Culturele Hoofdstad van Europa 2018. Ook de vrije
(ongesubsidieerde) productie ‘Soldaat van Oranje’ is een voorbeeld van een
dergelijk, op de Nederlandse historie geënt verhaal; met acht jaar looptijd, meer dan
2.500 voorstellingen tot nu toe en al ruim 2,7 miljoen bezoekers is het de
succesvolste oorspronkelijke Nederlandse musical aller tijden. Deze productie kwam
echter geheel ongesubsidieerd tot stand.
Ongesubsidieerd (commercieel) muziektheater
Een heel ander speelveld dan voor opera en hedendaags muziektheater zien we voor
de productie van musicals. Hier gaat slechts heel incidenteel overheidsgeld naartoe.
Op rijksniveau gaat het om uitzonderingen; zo verleende het Fonds Podiumkunsten
onder andere Theater Terra, Het Zonnehuis en Stichting Putting it Together
sinds 2010 incidenteel subsidies voor musicals. Op gemeentelijk niveau is er iets
meer duurzame ondersteuning voor musicalinitiatieven, maar vooral wanneer
daarin ook amateurs een rol spelen.
De hoofdmoot van alle musicalproducties komt echter voor rekening van
ongesubsidieerde of ‘vrije’ producenten. Zij opereren zonder overheidssubsidie, ook
als het gaat om kleinschaliger initiatieven met een onderzoekend of vernieuwend
karakter. Deze observatie contrasteert met wat we zien in het theater, waar
grootschalig populair aanbod doorgaans door vrije producenten wordt verzorgd,
terwijl kleinschaliger experiment, artistiek onderzoek en artistiek risicovoller
aanbod voor de grote zaal dankzij overheidssubsidies tot stand kunnen komen.
Dertien musicalproducenten zijn aangesloten bij de Vereniging van Vrije
Theaterproducenten (VVTP). Een eigen inventarisatie laat zien dat daarnaast nog
minstens twintig andere vrije producenten musicals produceren. In 2015 en 2016
brachten alle producenten samen in totaal 54 professionele musicals in première.
Deze varieerden in schaal van producties met twee acteurs, zoals ‘Louis!’
(INCROWD Entertainment) tot creaties met tientallen acteurs in grote producties
van Stage Entertainment. Het ging om 21 vertaalde musicals en om 33 nieuwe
Nederlandse musicals, waarvan 9 voor kinderen of jongeren.
                                                                                       23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>De schoolmusical
Voor veel kinderen is hun eerste kennismaking met muziektheater de
traditionele schoolmusical, aan het einde van groep 8 van het basisonderwijs.
Voor het schrijven van script en liedjes voor de schoolmusical bestaat inmiddels
een serieuze branche. Cijfers uit 2007 laten zien dat destijds 7 op de 10 scholen
(in totaal 6.500 scholen) een eindmusical maakten; de grootste drie aanbieders
van schoolmusicals verkopen hun musicals samen aan 4.000 scholen per jaar. [ 3 ]
De organisatie War Child kwam in 2011 met een gratis schoolmusical waarmee
scholen geld konden ophalen voor een goed doel; hierbij werd meer dan
200.000 euro gedoneerd. Het schoolmusicalgenre kent ook vernieuwingen, zoals
de musical van De Ontdekfabriek in Eindhoven, waar kinderen met virtuele
technieken en het samplen van muziek zelf een musical in elkaar zetten.
Dit project ontvangt ondersteuning van stichting Cultuur Eindhoven, het
ministerie van OCW, het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, het Fonds voor
Cultuurparticipatie en de gemeente Eindhoven. In de schoolmusical zien we ook
kansen voor de BIS-gezelschappen in hun educatiebeleid; door bijvoorbeeld
musicals te maken (en aan scholen aan te bieden) op basis van de opera’s die dat
seizoen op het repertoire staan, kunnen zij aansluiting vinden
bij het basisonderwijs.
Waar is de operette gebleven?
Het genre operette ontstond halverwege de negentiende eeuw in reactie op de
steeds ernstiger wordende opéra comique en bood toeschouwers een wat
luchtiger vorm van vermaak. Lange tijd maakte het genre onderdeel uit van het
landelijk bestel. Sinds de stopzetting van de subsidie voor Hoofdstad Operette in
2001 ondersteunt het Rijk echter geen professionele operettegezelschappen
meer. Hieraan lijkt een tanende belangstelling vanuit makers en gezelschappen
ten grondslag te liggen; anders dan de opera bewoog de operette niet mee met de
nieuwe tijd en kwamen er geen nieuwe producenten op. De rol van de
professionele operette lijkt inmiddels grotendeels overgenomen te zijn door de
musical. Van 2004 tot en met 2011 had de Nederlandse Reisopera de
subsidieverplichting om eens per jaar een operette te maken – zo kwam onder
andere de nieuwe operette ‘Snow White’ (2008) van Micha Hamel tot stand –
maar deze verplichting werd beëindigd. De enige professionele
muziektheatermaker die zich op dit moment losjes laat inspireren door operette
is Steef de Jong met zijn gezelschap Groots en Meeslepend; hij wordt hiervoor op
projectbasis ondersteund door het Fonds Podiumkunsten (bijvoorbeeld voor
‘Orfeo, een drama van karton’). In het amateurcircuit zijn nog zo’n
70 verenigingen actief die het woord ‘operette’ in hun naam dragen, maar een
snelle inventarisatie leert dat vele daarvan inmiddels zijn overgegaan tot de
enscenering van musicals.
                                                                                  24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Organisatie van de sector
Het muziektheater kent tot nog toe een zeer lage organisatiegraad.
De BIS-gezelschappen werken in beperkte mate met elkaar samen maar er is tot nog
toe weinig kruisbestuiving, samenwerking of overleg tussen de BIS- en de
FPK-gezelschappen, tussen theaters en producenten, of tussen gesubsidieerde
en vrije producenten.
Zeven muziektheatergezelschappen (zes FPK-gezelschappen plus Nationale Opera &
Ballet/DNO) zijn aangesloten bij de Nederlandse Associatie voor
Podiumkunsten (NAPK). Dertien musicalproducenten zijn aangesloten bij de
Vereniging van Vrije Theaterproducenten (VVTP). De NAPK, de VVTP en de
Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD) hebben de
afgelopen periode geprobeerd gezamenlijk één organisatie te gaan vormen, die
echter (nog) niet van de grond is gekomen. Tot nu toe bestaat er geen georganiseerd,
structureel gesprek tussen deze partijen. Dat is jammer, omdat samen optrekken
geboden lijkt voor de verdere ontwikkeling van de podiumkunsten en voor het
vinden van meer maatschappelijk draagvlak en nieuwe publieksgroepen. De
gezamenlijke inspanningen om op korte termijn te komen tot een gedeelde digitale
infrastructuur voor de podiumkunsten juichen we toe.
De harde scheiding tussen het gesubsidieerde en vrije (musical)circuit lijkt niet
alleen in stand te worden gehouden door overheden en fondsen, maar ook door de
spelers in deze circuits zelf; het muziektheater zou erbij gebaat zijn als zij elkaar
meer zouden opzoeken voor debat en gesprek over onderwerpen die hen beiden
aangaan: van ‘hoe waarborgen we de aanwas van nieuw talent’ tot ‘hoe ontwikkelen
we interessant repertoire’ en ‘hoe vernieuwen we ons publiek’. Door zich op
bepaalde vlakken strategisch te organiseren, kan de muziektheatersector de
discipline voorbereiden op een nieuw tijdgewricht en een waardevolle
gesprekspartner gaan vormen voor overheden en fondsen. De muziektheatersector
kan hier bijvoorbeeld een voorbeeld nemen aan de recent opgerichte Klassieke
Muziek Coalitie, de Jazz, World & Contemporary Coalitie en de (al langer bestaande)
Popcoalitie. Zij zitten inmiddels gezamenlijk bij elkaar aan tafel om een agenda voor
de muziek vanaf 2021 op te stellen.
Een aantal operagezelschappen, de meeste in de BIS en de meerjarige
FPK-subsidieregeling, heeft zich onlangs informeel verenigd in het ‘Operagilde’;
daar bespreken zij gezamenlijk prangende problemen in de sector, zoals rond
repertoirevernieuwing, publieksverbreding, talentontwikkeling, financiering,
behoud, beheer en reflectie. De raad juicht dit initiatief toe, mede omdat dit er
mogelijk toe leidt dat kleinere spelers meer gebruik kunnen gaan maken van de
expertise en faciliteiten van DNO. Daarmee kan deze instelling veel meer als
aanjager voor de gehele operasector gaan gelden, naast haar internationale focus.
                                                                                      25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>  1
Het Culturele leven.
10 culturele domeinen bezien vanuit
14 kernthema’s,
SCP, 2018
  2
Acht van deze ensembles kregen in eerste instantie geen subsidie door
ontoereikend budget (zij stonden op de zogenoemde ‘B-lijst’), maar
hebben in 2016 (één ensemble) en 2017 (zeven ensembles) alsnog
subsidie gekregen door een impuls van het kabinet.
  3
‘volkskrant.nl’
                                                                      26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Muziektheater / De gewenste rol van de overheid
         De gewenste rol van de overheid
In onze adviezen over de muziek- en theatersector constateren we dat het huidige
overheidsbeleid voor de podiumkunsten niet goed functioneert. We benoemen in
deze adviezen een aantal factoren in het bestaande beleid dat contraproductief is
voor de bevordering van kwaliteit (creativiteit, vernieuwing, professionaliteit),
draagvlak (toegankelijkheid) en pluriformiteit van het aanbod. We kritiseren
met name:
– Het weinig adaptieve vermogen van het subsidiestelsel (waartoe nieuwe genres,
    nieuwe makers en makers met andere achtergronden niet
    tot nauwelijks toegang vinden).
– De maakdwang voor meerjarig gesubsidieerde ensembles en gezelschappen en
    het gebrek aan maatwerk in subsidiëring.
– De nadrukkelijke focus in subsidiëring op productie en presentatie, ten koste van
    andere wezenlijke factoren die de kwaliteit, het draagvlak en de pluriformiteit
    van het kunstlandschap kunnen vergroten, zoals educatie, talentontwikkeling,
    publieksontwikkeling, eerlijke bedrijfsvoering (fair practice), behoud en beheer,
    onderzoek en reflectie, et cetera.
– Het gebrek aan inspanningen vanuit overheden om aanbod (voorstellingen,
    concerten, bijzondere programma’s) af te stemmen op de vraag vanuit theaters,
    concertzalen en festivals.
– Het gebrek aan afstemming tussen BIS- en fondsregelingen.
– Het gebrek aan afstemming tussen rijksoverheidsbeleid en beleid van provinciale
    en lokale overheden (stedelijke cultuurregio’s) bij het bevorderen van kwaliteit,
    draagvlak en pluriformiteit van de kunsten.
– De onevenredige nadruk in het stelsel op kunst- en cultuuraanbod voor een
    hoogopgeleid, stedelijk, van oorsprong westers publiek.
– Het gebrek aan beleidsinstrumenten ter bevordering van vrije
    (ongesubsidieerde) productie, zoals leningen om meer artistiek en financieel
    risico te kunnen nemen bij het ontwikkelen van nieuw aanbod.
                                                                                      27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>We bepleiten in genoemde adviezen daarom voor een beleid dat:
– Gemakkelijker toegang biedt aan nieuwe genres, ontwikkelingen en makers.
– Maatwerk toepast in de subsidiëring van gezelschappen en bij het aangaan van
    subsidierelaties niet alleen kijkt naar de productie van aanbod, maar ook naar
    maatschappelijke inbedding, educatie, talentontwikkeling, publieksontwikkeling,
    fair practice, behoud en beheer, onderzoek en reflectie et cetera.
– Niet alleen regisseurs, dirigenten en uitvoerend artiesten faciliteert, maar ook
    een gezond maakklimaat creëert voor componisten en schrijvers.
– Zich meer inspant om de afstemming tussen producenten/gezelschappen en
    theaters/concertgebouwen te verbeteren.
– Subsidieregelingen en -voorwaarden op rijksniveau afstemt met
    subsidieregelingen en -voorwaarden van fondsen en van provinciale
    en gemeentelijke overheden.
– De toegang tot gesubsidieerde kunst en cultuur voor publieksgroepen die nu
    ondervertegenwoordigd zijn, vergroot.
– De kloof tussen gesubsidieerd en ongesubsidieerd aanbod verkleint door
    stimulerende beleidsmaatregelen, waardoor een gelijker speelveld ontstaat voor
    vrije en gesubsidieerde producenten.
Deze kritiek en aanbevelingen gelden onverkort ook voor de muziektheatersector.
Daarnaast signaleren we een aantal problemen met betrekking tot de bestaande
subsidiesystematiek die we hier specifiek voor het muziektheater willen uitlichten:
1. De BIS is op het gebied van muziektheater te eenzijdig samengesteld.
Binnen de BIS worden slechts drie operagezelschappen gesubsidieerd, terwijl het
muziektheater inmiddels veel meer behelst. Alle overige muziektheaterorganisaties
en -makers kunnen voor subsidiëring alleen een beroep doen op een meerjarige
activiteitensubsidie of projectsubsidies van het Fonds Podiumkunsten. Die zijn beide
gericht op het maken van producties en blijken in de praktijk minder geschikt te zijn
voor zaken als:
– Het verduurzamen en professionaliseren van de organisatie (onder andere
    fair practice).
– Het ontwikkelen van een onderscheidend profiel in relatie met zalen
    en andere partners.
– Het ontwikkelen van beleid en activiteiten op het gebied van educatie,
    talentontwikkeling, publieksontwikkeling, beheer en behoud, et cetera.
Om een relevante representatie te omvatten van de brede mix aan
muziektheatervormen, moet de landelijke infrastructuur behalve voor opera ook
toegankelijk worden voor kwalitatief hoogstaand hedendaags muziektheater,
musical, urban muziektheater of innovatief muziektheater dat ontstaat in de
ontmoeting met andere domeinen, zoals wetenschap, technologie, e-cultuur,
storytelling of clubcultuur.
                                                                                      28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Voor de ontwikkeling en duurzaamheid van het muziektheater is het noodzakelijk de
discipline een steviger positie in het landelijke bestel te geven, hetzij in de BIS, hetzij
door middel van een meerjarige instellingssubsidie (in plaats van
activiteitensubsidie) bij het Fonds Podiumkunsten.
De raad adviseert een aantal muziektheatergezelschappen, -platforms of
-productiekernen, naast de operagezelschappen, op te nemen in
de landelijke subsidiesystematiek.
2. De twee reizende operagezelschappen moeten werken met te
    beperkte budgetten en er is onvoldoende afstemming tussen de
    subsidiërende overheden.
Per 2013 bezuinigde het Rijk sterk op de operagezelschappen. De Nederlandse
Reisopera verloor 60 procent van zijn subsidie en ontvangt nu een jaarlijks
subsidiebedrag van het Rijk van 3,55 miljoen euro. Sinds 2013 heeft het gezelschap
geen koorzangers meer in dienst, maar huurt het koorzangers samen met artistieke
teams per productie in. Opera Zuid verloor bij de bezuinigingen van 2013
400.000 euro subsidie en ontvangt nu 1,02 miljoen euro. Ook hier zijn geen
koorzangers en artistieke teams in dienst.
Deze instellingen kunnen elk maar twee volwaardige producties per jaar maken, wat
hun zichtbaarheid als reisgezelschap niet ten goede komt. Daarbij hebben zij allebei
te weinig vlees op de botten om alle gewenste activiteiten op het vlak van educatie,
talentontwikkeling, publieksopbouw en samenwerking met culturele partijen binnen
de eigen regio op te pakken. Ook is het lastig de gezondheid van de organisaties op
lange termijn te bewaken; dit geldt in sterkere mate voor Opera Zuid. Dit is
zorgwekkend, omdat zichtbaarheid in het land en maatschappelijke inbedding twee
van de voorwaarden zijn om de opera vitaal te houden.
    De maatschappelijke voetafdruk van de reisgezelschappen
    De twee reisgezelschappen verbinden zich binnen hun regio steeds sterker aan
    maatschappelijke, culturele en educatieve partners. De Nederlandse Reisopera
    loopt op dit vlak voorop, met onder andere zeer intensieve
    samenwerkingsverbanden met theater-, -dans- en -muziekinstellingen in de
    eigen regio en met andere culturele en maatschappelijke organisaties, en met de
    recente verhuizing naar de binnenstad van Enschede.
    Voor Opera Zuid is het met zijn recente directiewisseling en beperkte budget nog
    te vroeg om de worteling in de regio centraal te stellen; dit gezelschap heeft eerst
    en vooral ruimte nodig om orde op zaken te stellen en zijn artistieke
    handtekening te ontplooien.
    De belangstelling voor het werk van deze gezelschappen is groot, maar zij lopen
    tegen de grenzen van hun capaciteiten aan en hun werk kan minder door het
    land reizen dan wenselijk is. Ook hebben deze gezelschappen te lijden onder de
    dubbele boodschap die uitgaat van het huidige overheidsbeleid, dat enerzijds
    nieuwe programma’s, nieuw publiek en talentontwikkeling verlangt en
    anderzijds de gezelschappen afrekent op bezoekersaantallen en eigen inkomsten.
    Deze twee doelstellingen zijn met elkaar in tegenspraak en de strenge
    afrekeneisen beletten de gezelschappen tot het nemen van artistieke
    of maatschappelijke risico’s.
                                                                                            29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Sinds 2017 ontvangt de Nederlandse Reisopera behalve van de provincie Overijssel
ook ondersteuning van de provincie Gelderland, in totaal 300.000 euro per jaar.
Opera Zuid ontvangt krijgt 78.000 euro van Maastricht en in totaal 650.000 euro
van de provincies Limburg en Noord-Brabant. Bijdragen en prestatie-eisen van het
Rijk, provincies en gemeenten lijken niet op elkaar afgestemd.
De raad adviseert de overheden hun bijdragen en prestatie-eisen voor de periode
vanaf 2021 op elkaar af te stemmen en hierbij goed te bekijken wat de gezelschappen
aan subsidieafspraken en -budgetten nodig hebben om duurzaam en volwaardig te
kunnen functioneren op landelijk en regionaal niveau.
De raad adviseert daarnaast om muziektheatergezelschappen in de landelijke
infrastructuur meer af te rekenen op hun maatschappelijke betekenis, zoals ook
bepleit in het muziekadvies ten aanzien van de symfonieorkesten.
3. Overheidsbeleid ten aanzien van het genre musical ontbreekt.
Het is opvallend dat één genre binnen het muziektheater, namelijk de musical, voor
zijn ontwikkeling nagenoeg geheel aan de vrije markt wordt overgelaten, terwijl ook
binnen dat genre behoefte bestaat aan artistieke verdieping, vernieuwing en
talentontwikkeling. Gedeeltelijk kunnen (vrije) musicalproducenten gebruikmaken
van makers en uitvoerenden die zich hebben kunnen ontwikkelen in het
(gesubsidieerde) theater of kleinschalige muziektheater, maar het genre musical
beschikt ook over kenmerken in zang, spel en dramaturgie die heel eigen
ontwikkeltrajecten vragen; niet elke muziektheaterstem kan musical zingen (zoals
andersom musicalstemmen zelden worden gecast voor opera). Zo is ook het
regisseren van muziektheater een ander metier dan theaterregie.
De veel geventileerde kritiek (vaak vanuit gesubsidieerde hoek) dat musicals te
gemakkelijk inspelen op de smaak van de grote massa en dat producenten te vaak
kiezen voor eenvoudig te behalen succes in plaats van voor originele
kwaliteitsverhalen, vindt zijn wortels én zijn continuüm in het ontbreken van een
experimenteerveld voor de musical, zoals dat wel bestaat voor het toneel. Het is voor
musicalproducenten steeds moeilijker geworden om te experimenteren met nieuwe
verhalen en nieuwe composities, omdat zalen sinds de bezuinigingen voorzichtiger
zijn gaan programmeren. De wenselijke begeleiding van nieuwe zangers, schrijvers,
componisten en regisseurs kunnen ongesubsidieerde producenten evenmin voor
hun rekening nemen. Tegelijk ontbreekt er sinds het sluiten van het M-Lab in 2013
een productiehuis voor musical en is er nooit een gesubsidieerd, experimenteler
musicalcircuit tot stand gekomen dat werkelijk durft te breken met geijkte vormen
en nieuwe paden durft in te slaan.
De optelsom van deze factoren heeft ertoe geleid dat de ontwikkeling van de musical
in Nederland in artistiek opzicht nagenoeg stilstaat. Dit vormt een contrast met de
jaren zeventig en tachtig, toen er voor amusementsaanbod (waaronder musical)
subsidies vanuit het Rijk beschikbaar waren, mits het nieuw Nederlandstalig aanbod
betrof. In deze periode kwam het gros van het musicalaanbod van Nederlandse
bodem, en schrijvers als Jos Brink (met Frank Sanders), Annie M.G. Schmidt (met
Harry Bannink), Dick Nooy (met Ivo de Wijs), Lennart Nijgh, Guus Vleugel en
Seth Gaaikema trokken volle zalen met oorspronkelijke verhalen, liedjes en muziek.
                                                                                      30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Op dit moment vervullen Stichting Putting it Together en Het Zonnehuis in
Amsterdam de functie van experimentele, ‘off-Broadway’ producent (zij ontvangen
incidenteel projectsubsidies van het FPK). [ 1 ] Het Zonnehuis boekte veel succes met
producties als ‘Sweeney Todd’ of ‘The Color Purple’, maar ook deze producent is niet
bij machte om grote risico’s te nemen op het gebied van talent- en
repertoireontwikkeling. Aan de vraag ‘hoe vernieuwen we nu echt de musical en wat
is daarvoor nodig’ komt de musicalsector op dit moment niet toe.
Volgens onze analyse lijkt steun van de overheid op sommige vlakken gewenst om de
musicalsector veerkrachtiger en toekomstbestendig te maken en om een verdere
ontwikkelslag te slaan.
    De noodlijdende musical
    Musical heeft de naam populair, succesvol en winstgevend te zijn. Dit imago
    dankt het genre vooral aan enkele grote successen, zoals de oorspronkelijk
    Nederlandse producties ‘Soldaat van Oranje’ over verzetsstrijder Erik Hazelhoff
    Roelfzema (NEW Productions, 2,7 miljoen bezoekers tot nu toe en meer dan
    2.500 voorstellingen op de teller) en ‘Hij gelooft in mij’ over volkszanger
    André Hazes (Joop van den Ende Theaterproducties), of Nederlandse versies van
    wereldwijde kaskrakers als ‘The Lion King’ of ‘Mamma Mia!’ (Stage
    Entertainment). Deze musicals komen door lange speelseries en slim prijsbeleid
    (gekoppeld aan grote marketinginspanningen) ruim uit de kosten.
    Hun succes ontneemt echter het zicht op de veel grotere hoeveelheid
    producenten die moeite hebben voldoende financiering, speelplekken of
    bezoekers voor hun musicals te vinden. De musicalsector worstelt met
    financieringstekorten en met afnemende programmeringsbudgetten bij
    theaters. [ 2 ] De bezuinigingen op cultuur treffen indirect ook producenten van
    ongesubsidieerd aanbod. De druk op succes is dermate hoog dat producenten
    zich nauwelijks artistieke of financiële risico’s kunnen veroorloven, met als
    gevolg dat de artistieke ontwikkeling van de musical op een laag pitje is komen te
    staan. De druk om veel publiek te trekken is hoog, producenten kunnen het zich
    niet veroorloven verlies te lijden.
    Dit leidt ertoe dat het musicalaanbod vaak bestaat uit bewezen succestitels uit
    (meestal) de Verenigde Staten, en dat in het geval van nieuwe musicals wordt
    gekozen voor producties die bij voorbaat populariteit garanderen en goedkoop te
    produceren zijn. Veel nieuwe musicals zijn bijvoorbeeld gecentreerd rond
    bestaande liedjes van een bekende figuur (Annie M.G. Schmidt, Ramses Shaffy,
    André Hazes, Wim Sonneveld, Liesbeth List), of ze lenen verhalen van bekende
    films of boeken (‘De tweeling’, ‘Het meisje met het rode haar’); componisten en
    librettisten hoeven zo maar beperkt te worden ingehuurd en de titels spelen in
    op sentimenten die reeds leven onder het beoogde publiek. Ook komt het voor
    dat bekende popartiesten worden gevraagd liedjes te schrijven, zoals
    Ilse de Lange of Thomas Acda; volle zalen gegarandeerd. Een ander voorbeeld is
    de recente productie van ‘My Fair Lady’ met muziek op band in plaats van met
    het liveorkest waaraan de titel juist een deel van haar kracht ontleent. Wie risico
    neemt, loopt de kans te falen: zo werd in 2016 de producent van de Nederlandse
    musical ‘Sky’ (een musical met 3D-effecten) failliet verklaard nadat de productie
    vroegtijdig had moeten stoppen wegens tegenvallende kaartverkoop.
                                                                                        31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>    Het ontbreken van musical bij het FPK
    Hoewel het FPK geen onderscheid maakt tussen muziektheater en musical en
    alle subsidieregelingen openstaan voor elke vorm van muziektheater, komen er
    nauwelijks musicals tot stand met FPK-subsidie. Enerzijds lijken deze makers
    het FPK onvoldoende te kunnen vinden, anderzijds sluit hun werk mogelijk
    onvoldoende aan op de gehanteerde beoordelingscriteria. In de jaren
    2014 – 2018 ontving het FPK in totaal slechts 26 ontvankelijke aanvragen voor
    musicalproducties, waarvan er in totaal 4 werden gehonoreerd. Daarnaast
    worden er soms muziektheaterproducties ondersteund die in spel, muziek of
    vormgeving nauw raken aan musical, maar door de makers onder de noemer
    muziektheater worden geafficheerd. Reden voor afwijzing is vaak dat er al een
    groot musicalaanbod bestaat in Nederland. Het FPK heeft vanuit het Rijk de
    opdracht aanvullend te zijn op het reeds bestaande aanbod in de BIS en in de
    vrije sector. De meeste musicalaanvragen worden door het FPK als onvoldoende
    innovatief of zeldzaam beoordeeld.
    In het veld bestaat de indruk dat commissies bij overheden en fondsen musical
    bewust of onbewust nog altijd niet als een volwaardige kunstvorm zien die even
    serieus te nemen is als bijvoorbeeld opera, toneel of klassieke muziek. Aanvragen
    met het label ‘musical’ zouden eerder worden afgewezen dan wanneer makers
    hun productie bijvoorbeeld een ‘gospelopera’ noemen. Hier zien we hetzelfde als
    voor popmuziek, urban kunstvormen en andere later ontstane, niet-canonieke
    vormen waarmee het bestaande subsidiestelsel zich niet goed raad weet, omdat
    deze vormen zich anders gedragen, misschien niet passen in bestaande
    subsidieregelingen en wellicht vragen om een ander kwaliteitsoordeel waarmee
    men zich onvoldoende vertrouwd voelt. De komende periode is het zaak hier
    vanuit overheden en fondsen oplossingen voor te bedenken, zoals ook betoogd in
    onze eerdere sectoradviezen over muziek, theater en dans. Daarbij kan
    bijvoorbeeld worden gekeken naar de samenstelling van adviescommissies: zijn
    zij divers samengesteld en beschikken ze over de juiste expertise om aanvragen
    uit een bepaalde sector op waarde te kunnen schatten? Zijn ze voldoende in staat
    het overheids- of fondsbeleid te vertalen naar de toekenningspraktijk? Wat is er
    nodig voor een onbevangen weging van aanvragen?
De raad adviseert een functie voor talentontwikkeling (zoals een productiehuis of
talenthub) met specialisatie musical op te nemen in
de landelijke subsidiesystematiek.
Daarnaast adviseert de raad opnieuw, net als in onze adviezen over de theater- en
danssector, om een garantiefonds of revolving fund in het leven te roepen voor vrije
producenten, te bekostigen door de sector met een startsubsidie van de
Rijksoverheid. Uit dit fonds kunnen producenten bijvoorbeeld voorfinanciering
krijgen of compensatie voor tegenvallende inkomsten/verlies, wat ze in staat stelt
meer financiële risico’s te nemen (zoals voor het schrijven en componeren van
nieuwe musicals). Dit zou een waardevolle aanvulling kunnen zijn op het
Blockbusterfonds dat al bestaat voor potentieel (zeer) grote publiekstrekkers. [ 3 ]
Gekeken kan ook worden naar het Vlaamse model van de tax shelter; een fiscaal
voordeel voor bedrijven die investeren in Europese audiovisuele werken of
                                                                                      32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>podiumkunsten. De raad besteedt hier ook aandacht aan in zijn binnenkort uit te
brengen advies over de financiering van cultuur.
Ten slotte adviseert de raad overheden en fondsen om te bekijken hoe kleinschalige
musicalproducenten beter in aanmerking kunnen komen voor reguliere subsidies
voor innovatief of zeldzaam musicalaanbod, dat afwijkt van wat er al aan musical in
de vrije sector wordt gemaakt.
4. De internationale positie van De Nationale Opera moet worden
    verstevigd.
De Nationale Opera is in internationaal perspectief een van de culturele
vlaggenschepen van Nederland. Samen met Het Nationale Ballet maakt het
sinds 2013 onderdeel uit van Nationale Opera & Ballet, gevestigd in het
Muziektheater in Amsterdam. Dit gezelschap heeft een eigen koor en een eigen
rekwisieten- en kostuumatelier. De afgelopen dertig jaar stond DNO, onder leiding
van Pierre Audi, bekend om zijn innovatieve insteek en gedurfde keuzes voor
opera’s, waarmee het gezelschap zich in internationaal opzicht sterk onderscheidend
heeft ontwikkeld. DNO coproduceert veelvuldig met grote andere huizen. Hierdoor
vergroot het huis zijn actieradius (producties spelen hierdoor ruim 30 keer in heel
Europa in plaats van zo’n zes keer in Amsterdam), kan het vaak zeer grote regisseurs
en solisten aan zich verbinden en speelt de instelling bovendien middelen vrij op de
begroting om te besteden aan talentontwikkeling of educatie.
Met zijn totale baten bevindt NO&B zich ten opzichte van de veertien grootste
operahuizen in Europa zo’n 20 miljoen euro onder het gemiddelde. Het aandeel
subsidie van Rijk en gemeente op het totale budget is bij NO&B 67 procent,
vergelijkbaar met huizen in Duitsland en België. We zien dat bij deze operahuizen,
waar de subsidie na de bezuinigingen van 2008 (Europa) en 2013 (Nederland)
redelijk op niveau is gebleven, de kaartprijs gemiddeld wat lager is gebleven dan in
landen waar sterker werd bezuinigd en operagezelschappen meer zijn aangewezen
op het binnenhalen van inkomsten uit kaartverkoop, sponsoring, fondsenwerving en
mecenaat, zoals de operahuizen in Parijs, Londen en Milaan. Kaartprijzen variëren
van gemiddeld 41 euro (Deutsche Staatsoper) tot 105 euro (Opernhaus Zürich),
waarbij Nationale Opera & Ballet met 48 euro een van de betaalbaarder huizen is.
De gemiddelde prijs per operakaart ligt hier op 75 euro, balletten zijn in de regel iets
goedkoper. Dit verschil geldt ook voor de andere huizen.
Anders dan de meeste andere Europese operagezelschappen beschikt DNO niet over
een eigen orkest; het Nederlands Philharmonisch Orkest|Nederlands Kamer Orkest
(NedPhO|NKO) heeft de expliciete taak om samen te werken met de opera.
Daarnaast wordt van elk ander symfonieorkest in de BIS gevraagd tenminste
eenmaal per jaar een BIS-operaproductie te begeleiden ‘om niet’. [ 4 ] De
samenwerking tussen DNO en NedPhO|NKO verloopt goed, waarbij het belangrijk
blijft planning, repertoirekeuze en benodigde bezetting steeds goed en tijdig
onderling af te stemmen.
Met het oog op de internationale werking van DNO adviseren wij de internationale
positie van Nationale Opera & Ballet te verstevigen. Door de internationale aard en
de complexiteit van het genre is opera in hoge mate afhankelijk van internationale
                                                                                         33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>spelers en medewerkers. Net als bij het Koninklijk Concertgebouworkest of het
Rotterdams Philharmonisch Orkest worden bij DNO ook volop medewerkers buiten
de landsgrenzen aangetrokken, voor vast of per productie. De vijver in Nederland is
voor deze kunstvormen te klein. Om een zinvolle en professionele programmering te
realiseren, zijn internationale samenwerking en coproducties vereisten.
Vergelijking van de 14 grootste Europese operahuizen over het jaar 2015 [ 5 ]
(in miljoenen euro’s per jaar)
● Totaalbudget
●● Overheidssubsidie
●●● Merk op dat er drie grote operahuizen zijn gevestigd in Berlijn (afgezien van de twee genoemde ook
nog de Komische Oper), waarmee de overheidssteun voor opera in die stad opgeteld bijna vergelijkbaar
is met de overheidssteun aan de Opéra National de Parijs.
bron: Revopéra
                                                                                                       34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>   1
Het Zonnehuis ontving in de periode 2017 – 2018 een tweejarige
subsidie van de gemeente Amsterdam; voor 2019 – 2020 werd de
subsidieaanvraag afgewezen vanwege de wankele financiële positie
van het huis.
   2
Ditzelfde geldt overigens voor alle ongesubsidieerde, ‘vrije’
producenten, ook zij die theater- en dansvoorstellingen maken.
   3
Het Blockbusterfonds is een samenwerking tussen VandenEnde
Foundation, BankGiro Loterij, Prins Bernhard Cultuurfonds en
VSBfonds. Het fonds verstrekt renteloze leningen en garanties aan
culturele producties met ‘blockbusterpotentie’. Sinds 2012 verstrekten
de fondsen voor een totaalbedrag van 6,4 miljoen euro aan renteloze
leningen en garanties aan 34 culturele projecten.
   4
Uitgezonderd van deze voorwaarde zijn Het Balletorkest en het
Metropole Orkest voor pop- en jazzmuziek.
   5
De cijfers zijn niet één op één vergelijkbaar. Zo zijn er
repertoirehuizen en stagionehuizen met elk een eigen kostenplaatje
(NO&B is een stagionehuis, net als de huizen in Milaan, Brussel,
Madrid, Barcelona en Venetië. Deze huizen maken elk seizoen een
aantal nieuwe producties met een nieuwe cast, in plaats van een aantal
opera’s op repertoire te houden zoals de andere huizen.) Daarnaast
hebben veel huizen hun eigen orkest, terwijl NO&B samenwerkt met
BIS-orkesten die daarvoor een expliciete taak hebben vanuit OCW.
Toch geeft de tabel een goede indruk van de budgetten van de
operahuizen waarmee NO&B/DNO concurreert.
‘revopera.com’
                                                                       35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>        Toekomst Cultuurbeleid / Muziektheater / Verbeterpunten in het muziektheater
         Verbeterpunten in het muziektheater
Opleiding en talentontwikkeling
Muziektheater is een complexe kunstvorm door het samengaan van heel
uiteenlopende disciplines die gezamenlijk één verhaal vertellen (muziek, theater,
soms ook dans, vormgeving), vaak met grotere casts van uitvoerenden met
verschillende expertise en, in het geval van een nieuw gecomponeerd en geschreven
werk, een groot aantal makers (regisseur, componist, schrijver, vormgever).
Dit vraagt van elke betrokkene een goede educatieve basis en voldoende ruimte om
het talent te ontplooien.
In onze eerdere sectoradviezen over de podiumkunsten wezen we al op de mismatch
die her en der optreedt tussen de opleidingen en het werkveld. Ons valt op dat de
opleidingsmogelijkheden, alsmede de mogelijkheden voor talentontwikkeling
daarna, in Nederland voor sommige genres onvoldoende toereikend zijn. Soms is dit
geen probleem, als casts bijvoorbeeld uit een internationaal circuit kunnen worden
betrokken. Maar als de wens leeft om nieuw Nederlands werk te laten schrijven of te
componeren, of om getalenteerde Nederlandstalige (of in Nederland opgeleide)
zangers, dansers of regisseurs te vinden die uit de voeten kunnen met de discipline,
dan signaleren we een mismatch. Gezelschappen voor hedendaags muziektheater en
opera geven aan dat de zoektocht naar het juiste creatieve team en de juiste cast
vaak bemoeilijkt wordt, omdat zij niet te vinden zouden zijn in Nederland, of al bezet
zijn. De curricula van bestaande opleidingen lijken niet overal aan te sluiten op de
vraag vanuit het veld. Omgekeerd geldt: studenten die met goede resultaten
afstuderen aan Nederlandse opleidingen, vinden lang niet altijd een baan
in hun vakgebied.
Om het muziektheater nu en in de toekomst gezond te houden, is er behoefte aan
een blijvende aanwas van nieuw werk en nieuw talent. Er zijn goede regisseurs,
componisten, schrijvers/librettisten, dirigenten, koorzangers, solisten, musici en
vormgevers nodig. Een klimaat waarin jong talent kan ontkiemen onder begeleiding
van ervarener professionals is van wezenlijk belang om het muziektheater, van opera
tot musical, nu en in de toekomst actueel te houden en te blijven aansluiten op
veranderingen in de kunst, politiek en maatschappij. Hieronder signaleren we de
belangrijkste knelpunten ten aanzien van de bestaande opleidingsmogelijkheden en
de huidige mogelijkheden voor talentontwikkeling.
                                                                                       36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>1. Het aantal zangopleidingen en -specialisaties is divers, maar sluit
    onvoldoende aan op de vraag van gezelschappen.
In de regel volgen zangers een zangopleiding aan een conservatorium.
De specialisaties zijn hier divers: klassieke zang, nieuw muziektheater, nieuwe
muziek, oude muziek en musical. Performers die in hedendaags muziektheater of in
musicals staan, komen daarnaast ook van acteeropleidingen of
muziektheateropleidingen. Musici volgen een vakopleiding voor hun instrument.
Muziektheateropleidingen en -specialisaties
In de praktijk vinden in Nederland opgeleide zangers wel hun weg naar koren. Zo is
twee derde van het Koor van De Nationale Opera van Nederlandse komaf en
studeerde een deel van de buitenlandse koorleden in Nederland. Veel solisten die
worden gecontracteerd bij Nederlandse operagezelschappen komen echter van
internationale opleidingen. Hetzelfde geldt voor de musici van de orkesten waarmee
de operagezelschappen samenwerken (26 nationaliteiten in een Nederlands
symfonieorkest is geen uitzondering). Hoewel het hier om kunstorganisaties gaat die
op een internationaal speelveld opereren, is het geringe aandeel Nederlandse (of in
                                                                                    37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Nederland opgeleide) solisten en musici opvallend. De Nationale Opera heeft
onlangs met de oprichting van de Nationale Opera Studio de begeleiding van
Nederlands talent (DNO Talent) juist losgelaten, omdat de kwaliteit van de zangers
volgens het gezelschap te zeer uiteen zou lopen en de zangers in opleiding niet het
niveau bereikten dat DNO beoogde. Ook andere gezelschappen kiezen bij audities
eerder voor internationaal opgeleid talent dan voor oud-studenten aan Nederlandse
opleidingen. Hier lijkt onvoldoende gebruik te worden gemaakt van de kwaliteit van
de opleidingen, waarmee er een gat valt tussen in Nederland opgeleid talent
en de werkpraktijk.
Zangers die afstuderen aan de Dutch National Opera Academy (DNOA) vinden vaak
hun plek in het (internationale) werkveld. Van de drie eindexamenkandidaten in
2018 vonden er twee een plek bij Duitse operahuizen (Hannover en Stuttgart). Ook
komen studenten onder andere terecht in programma’s van diverse podia, zoals het
Muziekgebouw aan het IJ of de NTR ZaterdagMatinee, en dringen ze door tot
concoursen als het Internationaal Vocalisten Concours.
    De rol van vooropleidingen en mbo’s
    In toenemende mate komen er ook vooropleidingen en mbo-opleidingen van de
    grond om jongeren voor te bereiden op werk in de podiumkunsten, waaronder
    het muziektheater. Zo is er de Frank Sanders Akademie voor Musical en
    Muziektheater aan het ROC van Amsterdam en kennen ook Rijn IJssel in
    Arnhem, de Noorderpoort in Groningen en de Landstede-groep in Zwolle
    mbo-opleidingen tot musicalperformer. De doorstroom van jongeren die een
    mbo-opleiding tot artiest hebben gevolgd naar het professionele veld is in het
    algemeen echter klein; wel bieden mbo-opleidingen jongeren een mogelijke
    opstap naar een hbo-opleiding. Zoals we in ons sectoradvies over dans (‘Alles
    beweegt’) lieten zien, is ook deze doorstroom zeer bescheiden. Mbo-opgeleide
    artiesten vinden in de praktijk eerder hun weg naar het
    amateur- en entertainmentcircuit.
De raad signaleert een mismatch tussen opleidingen en gezelschappen en is van
mening dat de curricula van de kunstvakopleidingen toe zijn aan een herijking op
basis van het huidige muziektheaterklimaat. Tevens bepleit hij een steviger rol voor
de gezelschappen om afgestudeerd talent de stap te helpen maken van opleiding
naar beroepspraktijk. Hij adviseert de sector en de opleidingen hierover nader in
gesprek te gaan en zich hier nader op te beraden.
2. Er ontbreken opleidingen en goede specialisaties voor opera-,
    musical- en muziektheaterregisseurs, muziektheatercomponisten,
    operalibrettisten en musicalschrijvers.
Dit gemis is in de muziektheatersector goed voelbaar; gezelschappen en
producenten hebben over de hele breedte van het muziektheater moeite om makers,
componisten en auteurs/librettisten te vinden die uit de voeten kunnen met de
combinatie muziek, spel en vormgeving. Zo is de enige manier om als
librettist/liedtekstschrijver opgeleid te worden, om eerst aan een opleiding
geaccepteerd te worden als uitvoerend kunstenaar; liedtekstschrijven vormt
onderdeel van de opleiding tot performer/zanger. Studenten die zich hierin willen
bekwamen, moeten uitwijken naar internationale opleidingen of hopen dat een
                                                                                     38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>gezelschap ze het vak al doende wil laten leren. Dit gebrek aan
opleidingsmogelijkheden is des te problematischer omdat ook productiehuizen die
zich specialiseren in muziektheater dun zijn gezaaid en vaak opereren met
zeer beperkte budgetten.
De raad doet een appel op de opleidingen en de sector om hierover met elkaar
in gesprek te gaan.
    De rol van genre-overstijgende opleidingen
    Enkele kleinere opleidingen richten zich op innovatie in de kunstpraktijk, zoals
    MediaMusic in Enschede, (Music for) New Audiences and Innovative Practice in
    Den Haag en Groningen, Performing Public Space in Tilburg en de Master
    Crossover Creativity in Utrecht. Steeds vaker komen afgestudeerde studenten
    van deze opleidingen in het muziektheaterveld terecht. De master die volgens
    veel geraadpleegde experts kansrijk was voor de toekomstige artistieke
    ontwikkeling van het muziektheater, T.I.M.E. (This Is Music Theater Education,
    een samenwerking tussen het Koninklijk Conservatorium en
    muziektheatergezelschap de Veenfabriek) werd echter per september 2018 na
    acht jaar stopgezet. Volgens het Koninklijk Conservatorium was hiervoor de
    reden dat de opleiding zich vooral ontwikkeld zou hebben als een opleiding voor
    theatermakers en te weinig met muziek te maken zou hebben. Dit strookt niet
    met onze observaties; deze opleiding was juist zo interessant omdat ze boven op
    de tijdgeest zat en diverse makers afleverde die van grote betekenis zijn
    geworden voor de innovatie van het hedendaagse muziektheater.
3. Productiehuizen of talenthubs waar getalenteerde
    muziektheatermakers zich na hun opleiding verder kunnen
    ontwikkelen, zijn zeer schaars. De verantwoordelijkheid voor
    talentontwikkeling is versnipperd onder partijen die er zelf
    onvoldoende voor zijn uitgerust; coördinatie ontbreekt.
Net als in de muziek- en theatersector geldt ook voor het muziektheater dat
talentontwikkeling beperkt is belegd en dat coördinatie en afstemming hier
ontbreken. Tot en met 2012 werden het M-Lab (voor musical) en Silbersee (voor
muziektheater, toen nog VocaalLab geheten) nog als productiehuis ondersteund
vanuit de BIS en had Opera Studio Nederland een plek in de BIS als
postacademische instelling. Mede als gevolg van het stopzetten van deze subsidies
werd M-Lab opgeheven, waarmee een belangrijke plek voor de talentontwikkeling
van musicalmakers en -performers in Nederland wegviel. Ook Opera Studio
Nederland hield per 2013 op te bestaan. Daarmee viel het doek voor een effectief
talentprogramma voor jonge operazangers. Silbersee bestaat nog altijd, maar is
inmiddels omgevormd tot productiekern met een meerjarige activiteitensubsidie van
het Fonds Podiumkunsten.
Voor jonge muziektheatermakers zien we dat ze zich vaak van freelance opdracht
naar freelance opdracht bewegen, waarbij hun ontwikkeling niet zozeer een gekozen
ontwikkelpad volgt, maar toevalligerwijs vorm krijgt, afhankelijk van de
werkplekken die hun onderweg worden geboden. Sommige getalenteerde makers
trekken om die reden naar het buitenland, waar ze meer kansen krijgen
om structureel te werken.
                                                                                     39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Enkele organisaties die specifiek muziektheatermakers helpen in hun ontwikkeling
zijn het Kameroperahuis (meerjarig ondersteund door de gemeente Zwolle en de
provincie Overijssel) en de (niet- gesubsidieerde) Diamantfabriek in Amsterdam,
waar kleinschalige hedendaagse opera’s en muziektheater kunnen rijpen – het gaat
hier echter om minder dan één productie per jaar. Soms krijgen makers van
hedendaags muziektheater ook een plek bij productiehuizen voor theater of muziek,
zoals De Nieuwe Oost, Paradiso-Melkweg Productiehuis of Rightaboutnow.inc.
Daarnaast zijn theaters en vooral festivals een steeds grotere rol gaan spelen in de
ontwikkeling en doorstroming van jong talent; zo nodigen de Operadagen
Rotterdam nieuwe muziektheater- en operamakers uit hun werk te komen tonen en
staan ook bijvoorbeeld Oerol, het Holland Festival, het Over het IJ Festival,
Theaterfestival Boulevard, November Music en het Grachtenfestival open voor jonge
muziektheatermakers. Een nadeel van de werkpraktijk van veel festivals is dat ze
sterk zijn georiënteerd op premières, wat het voor jonge en onafhankelijke makers
lastig maakt om hun voorstelling daarna op een festival elders door te spelen.
Een interessant subsidie-instrument is de subsidie nieuwe makers van het Fonds
Podiumkunsten; hier vonden sinds de ‘ontschotting’ binnen de projectbudgetten van
het FPK ook meer muziektheatermakers hun weg naartoe (in het jaar 2017 ging het
om drie makers, in de vorige kunstenplanperiode om één per jaar). Binnen deze
regeling kan elke organisatie, zowel productiehuizen als gezelschappen en theaters,
de taak op zich nemen om een talent in huis te nemen. Zo werden de afgelopen jaren
onder anderen Mart van Berckel (bij het Kameroperahuis), Luke Deane (bij het
Grachtenfestival), Nineties Productions (bij Paradiso Melkweg Productiehuis) en
Club Gewalt (bij Operadagen Rotterdam) begeleid. De regeling verdient voortzetting
en mogelijk uitbreiding (rekening houdend met de mate waarin het veld nieuwe
makers kan opnemen). Ook het internationale ontwikkelingsprogramma
Fast Foward voor zogenaamde midcareer makers met internationale ambities
verdient herhaling. In de eerste editie werden hier vier muziektheatermakers
ondersteund: Jorinde Keesmaat, Sjaron Minailo, Wende Snijders en
Project Wildeman.
    Survival of the fittest
    De problematiek rond het ontbreken van ontwikkelplekken voor nieuwe makers
    en zangers is niet geheel door de overheid of inspanningen uit de sector te
    ondervangen. Hoewel het aantal opleidingen klein is, studeren er nog altijd meer
    makers af dan er werkplekken beschikbaar zijn; niet elke beginnende
    muziektheatermaker of -zanger kan direct terecht bij een fonds- of
    rijksgesubsidieerd gezelschap. Wel is het belangrijk het kaf van het koren te
    scheiden en die makers een platform te geven die straks in staat zijn het
    muziektheater een eigentijdse stem te geven. Hier liggen mogelijkheden in de
    stedelijke cultuurregio’s, waar een productielaag kan ontstaan waar
    muziektheatermakers werk kunnen maken voor een publiek ter plaatse,
    gecreëerd vanuit de artistieke drijfveren van de makers en aansluitend op de
    samenstelling en interesses van dat publiek. Deze laag wordt nu gemist
    in het muziektheaterveld.
                                                                                     40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>De raad adviseert een functie voor talentontwikkeling (zoals een productiehuis of
talenthub) met specialisatie opera en hedendaags muziektheater terug te brengen in
de landelijke subsidiesystematiek.
De raad adviseert daarnaast voortzetting en eventueel uitbreiding van de subsidie
nieuwe makers van het FPK. Ook het internationale ontwikkelingsprogramma
Fast Foward voor zogenaamde midcareer makers met internationale ambities
verdient herhaling. Ook adviseren we de rol van festivals bij talentontwikkeling
nader te bekijken en enkele festivals beter uit te rusten voor het begeleiden
van muziektheatertalent.
4. Voor componisten en librettisten/schrijvers zijn er nagenoeg geen
    mogelijkheden om hun talent te ontwikkelen of om nieuwe stukken
    te schrijven.
Voor componisten en librettisten/schrijvers is het aanbod aan begeleidingsplekken
nog lastiger dan voor makers en zangers. Zij kunnen bij het FPK weliswaar een
werkbeurs aanvragen voor het verder ontwikkelen van hun artistieke kwaliteit en
gezelschappen kunnen subsidies aanvragen voor compositie- of libretto-opdrachten,
maar deze subsidies zijn beperkt en er ontbreken plekken waar componisten en
librettisten kunnen leren samenwerken met elkaar of met regisseurs. Voor het
verkrijgen van een componeer- of schrijfopdracht zijn componisten en
librettisten/schrijvers in hoge mate afhankelijk van producenten, die hier in de regel
(noodgedwongen) onvoldoende middelen tegenoverstellen. Dit bemoeilijkt het
ontwikkelen van nieuw repertoire, omdat gezelschappen de begeleiding van
componisten en het verstrekken van compositieopdrachten niet uit hun bestaande
middelen kunnen betalen.
De raad adviseert de subsidieregelingen van het FPK voor componisten en
librettisten/schrijvers uit te breiden en enkele gesubsidieerde instellingen de
expliciete opdracht te geven nieuwe werken te laten schrijven en/of componeren, en
ze daarvoor voldoende te financieren.
Om de talentontwikkeling van componisten te bevorderen zouden enkele
muziekensembles, productiehuizen of talenthubs de taak kunnen krijgen om nieuwe
werken concertant uit te (laten) voeren om ze vervolgens bij een
muziektheatergezelschap uit te (laten) werken tot voorstelling.
5. Twee van de drie BIS-gezelschappen hebben onvoldoende middelen
    om hun talentontwikkeltaak in te vullen; De Nationale Opera
    ontplooide enkele kansrijke initiatieven die nog meer in het hart van
    de organisatie zouden mogen staan.
Sinds het wegvallen van de productiehuizen uit de BIS per 2013 hebben de BIS-
instellingen een expliciete opdracht van het ministerie van OCW om aan
talentontwikkeling te doen. De Nationale Opera heeft enkele initiatieven ontplooid
op het vlak van talentontwikkeling van zangers, makers en (onder anderen)
coupeurs. [ 1 ] Zo is in september 2018 de Nationale Opera Studio voor zangtalent van
start gegaan; hier worden internationale, uitblinkende zangers die al een goede start
hebben gemaakt met hun loopbaan verder begeleid in hun operacarrière. Per jaar is
                                                                                       41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>er plek voor zes zangers en een pianist/repetitor (talenten blijven maximaal twee
jaar in het programma). Ook organiseert DNO sinds enkele jaren het Opera Forward
Festival (OFF), een soort ‘off-Broadway’ voor de opera met vijf grote voorstellingen,
talentenproducties en debat. Hier kunnen jonge operamakers korte producties van
vijftien minuten tonen; DNO werkt hiervoor samen met vijftien onderwijspartners
(waaronder alle Nederlandse conservatoria). In 2019 staat het programma in het
teken van het thema ‘identiteit en confrontatie’.
Waar jong talent na de opleiding of na een plek op OFF terechtkan, is ongewis.
Het ecosysteem biedt voor hen te weinig voorzieningen en DNO heeft gezien zijn
focus op internationaal toptalent in de eigen hoofdprogrammering geen ruimte om
pril maaktalent een groot podium te bieden. Vooralsnog is er geen mogelijkheid
gevonden om deze voostellingen te laten reizen of langer door te spelen, al ziet de
raad kansen in samenwerking met andere festivals. Mogelijk komt in dit laatste ook
enige verandering met de voorgenomen bestemming van de Boekmanzaal (een tot
nog toe niet voor voorstellingen gebruikte zaal in het Muziektheater), waar onder
andere beginnend muziektheatertalent een plek moet krijgen om dingen uit te
proberen onder de vleugels (maar artistiek onafhankelijk) van DNO.
De afgelopen subsidieperiodes heeft de raad in zijn adviezen DNO enkele malen
aangespoord talentontwikkeling meer tot speerpunt te maken van de
bedrijfsvoering, omdat dit instituut bij uitstek de jonge makers en zangers van de
toekomst kan helpen ‘kweken’. We kijken met het oog hierop met grote
belangstelling uit naar de verdere ontwikkeling van de Nationale Opera Studio en
het Opera Forward Festival, waarvan we hopen dat het onder de nieuwe artistiek
directeur wordt voortgezet – ook waar het gaat om de begeleiding van zangers en
makers in hun vervolgstappen ná deze programma’s.
De twee reisgezelschappen participeren in beperkte mate in de Nationale Opera
Studio, zoals door de zangers (betaald) te contracteren voor hun opera’s.
De Nederlands Reisopera liet zijn jaarlijkse (derde) grotezaalproductie met jong
talent per 2017 noodgedwongen vallen wegens een gebrek aan middelen.
Wel proberen de twee reisgezelschappen jong talent op te nemen in hun casts en te
begeleiden in hun ontwikkeling; zij hebben daarvoor bescheiden talentprogramma’s
ontwikkeld. We merken op dat beide reisgezelschappen te krap zijn uitgerust om de
taak om talent te begeleiden duurzaam op te nemen in hun bedrijfsvoering. Bij het
maken van nieuwe subsidieafspraken met deze gezelschappen voor de periode
na 2020 is het noodzakelijk hiervoor een oplossing te vinden.
De raad adviseert de talentontwikkeltaak opnieuw te beleggen bij een onafhankelijke
postacademische instelling of productiehuis, of de twee reisgezelschappen hier een
extra (geoormerkt) budget voor toe te kennen waarmee zij deze functie gezamenlijk
kunnen ontwikkelen.
We zouden daarnaast de drie operagezelschappen willen uitnodigen zich nader te
buigen over de vraag of, op welke wijze en onder welke voorwaarden, zij een
gezamenlijk programma kunnen ontwikkelen om jonge talenten na hun opleiding de
stap te helpen maken naar de opera, waarbij er ook aandacht is voor in Nederland
opgeleide zangers.
                                                                                      42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>6. Een infrastructuur voor talentontwikkeling voor musicalregisseurs,
    -componisten, -schrijvers en -artiesten ontbreekt volledig.
Voor musical lijkt de situatie het nijpendst. Omdat hier een infrastructuur van
rijksgesubsidieerd aanbod ontbreekt, is geen enkele organisatie van overheidswege
belast met de taak om aan talentontwikkeling te doen. Vrije (ongesubsidieerde)
producenten kunnen weliswaar met jonge mensen werken en hen in de praktijk
begeleiden, maar zij hebben niet als missie om talent te ontwikkelen; dit past ook
niet bij hun winstoogmerk en hun bedrijfsvoering. Logischerwijs contracteren zij
liever talent dat zich al enigszins bewezen heeft. Het feit dat veel
musicalproducenten moeite hebben uit de kosten te komen, draagt er nog eens aan
bij dat vooral bekende namen worden gecast.
Sinds de opheffing van het M-Lab is er geen productiehuis meer waar nieuw
repertoire kan worden ontwikkeld en waar jonge makers, zangers en musici zich
kunnen bekwamen in het maken van musicals. Ook ontbreekt er een gesubsidieerd
circuit van musicalmakers of -gezelschappen waar nieuwe dingen kunnen worden
uitgeprobeerd zonder winstoogmerk.
    Musicalvernieuwing in de Verenigde Staten
    In de Verenigde Staten, waar veel succesmusicals vandaan komen, bestaat een
    bloeiende musicalpraktijk waar enerzijds grote, succesvolle titels avond na avond
    volle zalen trekken in het Broadway-circuit, en daarnaast kleinschaliger
    onderzoek en experiment plaatsvinden in het off-Broadway-circuit, de
    zogenaamde ‘kraamkamer’ van de succesmusical. [ 2 ] Hier vindt het veldwerk
    plaats; hier kunnen nieuwe verhalen en vertelwijzen worden uitgeprobeerd en
    kunnen beginnende componisten, librettisten en regisseurs hun talent
    ontwikkelen. Hoewel ook in de Verenigde Staten veel producenten hun bestaan
    niet voor de lange duur zeker zijn, kunnen we wel stellen dat zo’n kraamafdeling
    een voorwaarde lijkt voor het ontstaan van nieuw, oorspronkelijk werk, dat
    uiteindelijk ook het werk in de grote zalen voedt.
    In Nederland ontbreekt er zo’n ontwikkelklimaat. Enkele gesubsidieerde
    muziektheatergezelschappen maken weliswaar ook musicals of aan musical
    verwante producties (zoals Orkater), maar er bestaat geen infrastructuur waarin
    kleine ontwikkelaars de grote producenten voeden. Dit heeft zijn weerslag op de
    producties van vrije producenten, die massaal blijven kiezen voor vertaald
    aanbod waarvan het succes al op Broadway in New York of West-End in Londen
    is bewezen, of voor nieuw aanbod dat goedkoop te produceren is.
Zoals al bepleit adviseert de raad een functie voor talentontwikkeling (zoals een
productiehuis of talenthub) met specialisatie musical op te nemen in
de landelijke subsidiesystematiek.
                                                                                      43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Toegankelijkheid en pluriformiteit
Het muziektheater in Nederland is voelbaar in beweging. Meer makers lijken te
kiezen voor muziektheater, zoals bij gelegenheidsprojecten rond bijzondere
historische gebeurtenissen, en bij het Fonds Podiumkunsten wint de discipline aan
terrein. De recente cijfers van het CBS die we in de inleiding aanhaalden, tonen
eveneens een verhoogde productie en belangstelling voor muziektheater aan.
Speelplekken van meerjarig rijksgesubsidieerd muziektheateraanbod 2013 – 2016
(aantal voorstellingen per jaar)
● FPK meerjarig
    Toename muziektheater bij Fonds Podiumkunsten
    Bij het Fonds Podiumkunsten nam per 2017 het aantal subsidietoekenningen
    voor muziektheater licht toe, nadat het fonds zijn bedragen ‘ontschotte’. [ 3 ] Dat
    vertaalt zich vooral in het aantal toekenningen aan onafhankelijke en ad-hoc
    gesubsidieerde makers. Binnen de nieuwemakersregeling van het FPK werd in
    de periode 2013 – 2016 jaarlijks gemiddeld nog slechts een van de vijf aanvragen
    op het gebied van muziektheater gehonoreerd; in 2017 was dat de helft
    (3 in totaal). [ 4 ] Het FPK-budget voor projectsubsidies muziektheater steeg in
    2017 ten opzichte van het gemiddelde in de periode 2013 – 2016 met
    12,9 procent, van 907.902 euro tot 1.024.770 euro. [ 5 ] Daarnaast worden door
    een extra impuls van het kabinet in de periode 2017 – 2020 15
    muziektheatergezelschappen meerjarig gesubsidieerd door het FPK, terwijl dat
    er in de periode daarvoor maar 7 waren. Dit laatste vloeit echter niet voort uit
    FPK-beleid, maar uit de beslissing van het kabinet om de gehele B-lijst te
    subsidiëren. [ 6 ]
                                                                                        44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Toch laten de zichtbaarheid en de toegankelijkheid van het muziektheater voor
(potentieel) publiek te wensen over. We bespreken hieronder vier factoren waarin
dat zich uit.
1. Landelijk bereik van rijksgesubsidieerd aanbod is onvoldoende.
Allereerst zien we dat op veel plekken in het land weinig opera of muziektheater is te
zien. Hoewel het landelijke cultuurbeleid een goede geografische spreiding van
aanbod nastreeft, bereikt het geringe aantal gesubsidieerde opera- en
muziektheatergezelschappen lang niet het hele land. Door de complexiteit en de
hoge kosten van de kunstvorm – er zijn veel makers en vaak ook veel uitvoerenden
bij betrokken en er worden hoge eisen gesteld aan de vormgeving – is het aantal
producties dat muziektheatergezelschappen maken klein in vergelijking met andere
podiumkunsten, en voeren zij die producties ook minder vaak uit. Reizende
muziektheateraanbieders hebben vaak moeite hun werk af te zetten in theaters door
het land heen. Enerzijds door de hoge kosten die ermee gemoeid zijn, anderzijds
vanwege het soms experimentele karakter van hun werk dat voornamelijk publiek
trekt in de grootste steden (waar de concentratie vakgenoten en cultuurliefhebbers
ook het grootst is). Ook zijn veel zalen in regioschouwburgen niet groot genoeg of
onvoldoende technisch geoutilleerd om voorstellingen te kunnen boeken.
Gemiddeld geven FPK-muziektheatergezelschappen elk 67 uitvoeringen per jaar
(vergelijk: theatergezelschappen geven 132 uitvoeringen per jaar,
dansgezelschappen 171, muziekensembles 88). De drie BIS-operagezelschappen
geven elk gemiddeld 75 uitvoeringen per jaar (DNO 92, de Nederlandse
Reisopera 76, Opera Zuid 59). De Nationale Opera speelt door de grote schaal van
zijn werk zijn gehele aanbod in Amsterdam, de Nederlandse Reisopera en
Opera Zuid kunnen door krappe budgetten maar in beperkte mate toeren.
Hier speelt ook mee dat het uitvoeren van grote opera’s in de regel meer kost dan het
oplevert door het grote aantal uitvoerenden op het podium en de vaak grote decors
en complexe techniek; operagezelschappen kunnen hun werk daarom maar een
beperkt aantal keer uitvoeren.
    De zichtbaarheid van rijksgesubsidieerd muziektheater door het land heen
    In de periode 2013 – 2016 werden 7 muziektheaterorganisaties meerjarig
    ondersteund door het Fonds Podiumkunsten. [ 7 ] Deze gezelschappen maakten in
    die periode gemiddeld elk 5,6 producties per jaar, in totaal 39 producties.
    Daarmee namen ze 5,5 procent van het totale meerjarig gesubsidieerde FPK-
    aanbod voor hun rekening. De 7 gezelschappen samen gaven in totaal gemiddeld
    517 voorstellingen per jaar door het hele land (ofwel 13 uitvoeringen per
    productie), waarvan 42 procent (218 uitvoeringen) in Amsterdam, Rotterdam,
    Utrecht en Den Haag en 46 procent (230 uitvoeringen) in de rest van het land;
    12 procent, ofwel 69 uitvoeringen, in het buitenland. De gemiddelde
    bezettingsgraad was 55 procent (in de vier grote steden lag die op 60 procent).
    De BIS-operagezelschappen gaven in deze periode samen gemiddeld
    225 uitvoeringen per jaar, waarvan 53 procent (119 uitvoeringen) in Amsterdam,
    Rotterdam, Den Haag en Utrecht, 28 procent (63 uitvoeringen) in de andere vijf
    grote cultuursteden Eindhoven, Maastricht, Enschede, Groningen en Arnhem,
    4 procent (8 uitvoeringen) in het buitenland en 15 procent (35 uitvoeringen) in
                                                                                       45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>    de rest van het land. Hier was de gemiddelde bezettingsgraad 72 procent (in de
    vier grote steden lag die op 86 procent; bij DNO op 92 procent).
    In de periode 2017 – 2020 ondersteunt het FPK 15 muziektheatergezelschappen
    door de toekenning van een meerjarige subsidie aan de eerdergenoemde B-lijst;
    dit zijn er 8 meer dan in de voorgaande periode. Het FPK monitort in
    2017 – 2020 of deze gezelschappen voldoende speelmogelijkheden vinden om te
    voldoen aan hun prestatieafspraken. De indruk bestaat dat gezelschappen om
    aan voldoende speelbeurten te komen eerder uitwijken naar festivals en dat ze
    daarnaast minder voorstellingen gaan spelen per productie (kortere tournees),
    wat de duurzaamheid van hun bedrijfsvoering noch de opbouw van bekendheid
    onder het (potentiële) publiek ten goede komt.
De raad adviseert bij het herinrichten van het subsidiestelsel te bekijken of in elke
regio gesubsidieerd muziektheater te zien is, enerzijds door gesubsidieerde
gezelschappen de middelen te geven om meer te reizen, anderzijds door een
gevarieerder palet aan muziektheaterinstellingen toe laten tot een landelijke
infrastructuur (in afstemming met stedelijke cultuurregio’s). De aanwezigheid en
zichtbaarheid van kwalitatief hoogstaand muziektheater draagt bij aan de kwaliteit
van podia en festivals, de opbouw van publiek en de aanwas van nieuw, regionaal
talent dat zich door dit aanbod kan laten inspireren.
2. Er ontbreekt een infrastructuur voor kwalitatief, laagdrempelig
    muziektheateraanbod voor een breed en divers publiek, als brug
    tussen groot gemonteerd aanbod en kleinschalig,
    experimenteel werk.
Bij het overzien van het muziektheaterveld springt de leegte in het oog tussen
enerzijds de grote opera in de BIS (en de grootschalige musicals) en anderzijds het
kleinschalige, eigentijdse muziektheater met een relatief hoge instapdrempel (vaak
projectmatig of meerjarig gesubsidieerd door het Fonds Podiumkunsten). Beide
velden zijn door nieuwe toeschouwers moeilijk te betreden, omdat er een
‘middenveld’ ontbreekt met goed gemaakt, laagdrempelig(er) aanbod voor
geïnteresseerden die hun weg naar de grote opera of naar het
muziektheaterexperiment (nog) niet weten te vinden; een aanbod dat geschikt is
voor de middenzalen.
Als gevolg hiervan blijft een groot deel van Nederland verstoken van kwalitatief,
toegankelijk, aansprekend muziektheateraanbod. Slechts een handvol
gesubsidieerde gezelschappen probeert deze kloof te dichten. Voorbeelden zijn
Holland Opera, Orkater of voor de jeugd Theater Sonnevanck of Het Filiaal (BIS).
Ook musicalproducenten maken aanbod voor dit publiekssegment, maar het
ontbreekt hun doorgaans aan de middelen om artistiek risico te kunnen nemen, juist
in de middenzalen, waardoor dit aanbod in de regel minder spannend is.
                                                                                      46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Er is een grote behoefte waarneembaar onder theaters en publiek naar toegankelijke
verhalen in aansprekende muziektheatrale vormen, terwijl juist dit soort aanbod
ondervertegenwoordigd is in het landschap. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de successen
van op regionaal niveau tot stand gebrachte gelegenheidsproducties als ‘Het verzet
kraakt’ of ‘Het pauperparadijs’. Voor dit soort aanbod bestaat op dit moment
geen infrastructuur.
Het ontbreken van toegankelijk, goed gemaakt muziektheateraanbod geldt zowel in
regionaal opzicht (niet op alle plekken is goed muziektheater te zien) als in
etnografisch opzicht. Het bestaande muziektheateraanbod is niet inclusief; het
bereikt maar een beperkt segment van alle Nederlanders in termen van culturele
herkomst, opleidingsniveau, inkomen, leeftijd et cetera. Hoewel het aanbod in de
grote steden beter zijn weg vindt naar de theaters en in het algemeen ook meer
publiek trekt dan in veel regiotheaters, geldt ook hier dat het publiek voornamelijk
wordt gevormd door hoger opgeleide, beter ingevoerde bezoekers.
Het bestaande aanbod, vaak buiten de stedelijke cultuurregio’s gemaakt (veel
FPK-gezelschappen zijn immers gevestigd in de Randstad), houdt vaak onvoldoende
rekening met verschillen in cultuur, smaak, traditie en interesse onder
bevolkingsgroepen in de verschillende regio’s. Oplossingen voor deze problematiek
moeten naar onze opvatting worden gezocht in drie richtingen: er moet aanbod op
maat worden gecreëerd; er is een samenhangende, continue programmering nodig
om publiek vertrouwd te maken met de discipline, en overheden moeten bij het
subsidiëren van muziektheater veel meer kijken naar de pluriformiteit en
diversiteit van het aanbod.
De raad adviseert het Rijk in afstemming met andere overheden en fondsen te
bekijken wat elke stedelijke cultuurregio nodig heeft aan aanbod en hoe dit, in
afstemming met theaters, kan worden gecreëerd.
3. Nieuwe makers en genres krijgen geen voet tussen de deur.
We zien dat de huidige sector en het huidige subsidiestelsel onvoldoende ruimte
(kunnen) geven aan de stemmen van nieuwe makers. Zoals we ook in onze adviezen
over de muziek-, theater- en danswereld schreven, staat er een nieuwe maker op die
zich niet beperkt tot een enkel genre of een enkel samenwerkingsverband, maar zich
vrij beweegt door het veld en switcht tussen gesubsidieerd en vrij, tussen opera en
musical, tussen spelen en regisseren, tussen avant-gardistisch en institutioneel.
Makers afkomstig uit andere genres, van andere opleidingen of uit andere culturen
kunnen met hun nieuwe blik de lakens opschudden en het muziektheaterveld een
nieuw, eigentijds elan geven. Vaak staan zij al met hun neus naar het publiek, zich
voortdurend bewust van de vraag voor wie zij iets maken. Deze makers vinden
echter moeilijk aansluiting bij de bestaande gezelschappen en producenten, terwijl
plekken voor talentontwikkeling op het gebied van muziektheater
nagenoeg ontbreken.
Behalve de ruimte voor nieuwe makers is ook de ruimte voor nieuwe genres en voor
nieuwe ontwikkelingen binnen genres in het gedrang. We benoemden dit probleem
al uitvoerig ten aanzien van de musical. Sinds lange tijd heeft de overheid zich niet
met dit genre bemoeid, met als gevolg dat het musicalaanbod in Nederland
                                                                                      47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>hoofdzakelijk bestaat uit vertaalde succesnummers of relatief goedkope producties.
Een stimulans vanuit de overheid voor nieuwe verhalen, nieuwe schrijvers, nieuwe
makers of nieuwe vormen binnen de musical ontbreekt bijna volledig. Gezien de
brede publieksbelangstelling voor dit genre en ook gezien de successen die de
Nederlandse musical doormaakte toen er in de jaren zeventig en tachtig wel subsidie
voor beschikbaar was, is dit een hiaat in het beleid dat zich moeilijk laat begrijpen.
Ook de urban arts, met muziektheater als een van de pijlers, trekken nog maar
relatief kort de aandacht van subsidiërende overheden en fondsen; hiervoor vroegen
wij al aandacht in onze sectoradviezen en die oproep onderstrepen wij graag op deze
plek. Hopelijk leidt de vergrote focus die het Fonds voor Cultuurparticipatie en het
Fonds Podiumkunsten onlangs legden op de urban arts tot de gewilde inhaalslag;
het is belangrijk dat deze fondsen hiertoe goed worden geoutilleerd in
de volgende subsidieperiode.
Wellicht nog moeilijker onder de aandacht te brengen van overheden en de sector,
omdat het hier geen afzonderlijk genre betreft, is de moeizame instroom tot het
gesubsieerde kunstenveld van makers met een andere culturele achtergrond (zoals
een migratieachtergrond) die zich niet vertegenwoordigd voelen door de huidige
kunstpraktijk. In ons sectoradvies over muziek lieten we zien: deze makers zijn er, ze
timmeren aan de weg, ze zijn artistiek en maatschappelijk actief, maar hun werk
begeeft zich grotendeels buiten de zichtlijnen van overheden en van gesubsidieerde
gezelschappen. Het Fonds Podiumkunsten en de andere cultuurfondsen tonen zich
hier op dit moment voorloper; bij het FPK worden enkele van deze makers begeleid
(zoals binnen de nieuwemakersregeling) en de fondsen hebben diversiteit onlangs
uitgroepen tot speerpunt in alle advisering. [ 8 ] Enkele theaters zetten daarnaast
bewust hun deuren open voor andere culturele invloeden (zoals Zuidplein en Luxor
in Rotterdam). Voor de komende periode is het van het grootste belang dat
diversiteit en inclusiviteit in de gehele cultuursector gemeengoed worden.
De raad adviseert nieuwe genres en nieuwe makers toe te laten tot het landelijke en
regionale cultuurbeleid en onderstreept het belang van inclusiviteit en diversiteit in
de gehele sector.
Door een extra impuls van het kabinet kregen zij alsnog een meerjarige
activiteitensubsidie voor de periode 2017 – 2020.
Publiek en diversiteit
De geringe zichtbaarheid en pluriformiteit van muziektheater door het land heen,
zoals hiervoor besproken, leidt ertoe dat het (gesubsidieerd) muziektheater veel
potentiële publieksgroepen nog niet weet te bereiken. Net als de andere
podiumkunsten kent ook het gesubsidieerde muziektheater het probleem dat het
publiek voor een groot deel van het (gesubsidieerde) aanbod vergrijst en dat dit
publiek vrij eenzijdig is samengesteld qua opleidingsniveau en culturele herkomst.
Jongere publieksgroepen, kinderen en jeugd, potentiële bezoekers met gemengde
culturele achtergronden, mensen met lagere opleidingsniveaus, kleinere budgetten
of mentale of fysieke beperkingen weten onvoldoende hun weg te vinden naar de
bestaande theaterzalen met het bestaande aanbod.
                                                                                       48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Mogelijke verklaringen zijn legio: bestaand aanbod kent een te hoge (fysieke of
mentale) drempel, het ligt buiten het vizier van (potentieel) publiek of een deel van
het (potentiële) publiek voelt zich niet aangesproken door dit aanbod of door de
wijze waarop dit wordt aangeboden (denk aan marketing maar ook kaartprijs,
speellocatie, tijdstip, atmosfeer). Er lijkt behoefte aan toegankelijker aanbod, aan
manieren om laagdrempelig kennis te maken met de kunstvorm, en vervolgens aan
mogelijkheden, voor wie wil, om door te stromen naar complexer vormen.
Minister Van Engelshoven heeft de raad in 2018 gevraagd een advies uit te brengen
over publiek en diversiteit, daarbij ook rekening houdend met de vraag en
voorkeuren van mensen die op dit moment geen gebruikmaken van gesubsidieerde
kunstvormen (het zogenaamde niet-publiek). Deze problematiek zullen wij in
voorliggend advies daarom niet uitvoerig bespreken; wij beantwoorden de vraag van
de minister in een eigenstandig advies met betrekking tot alle kunstdisciplines,
inclusief muziektheater. Wel herhalen we in dit advies graag de verbeterrichtingen
die we reeds aanwezen in onze adviezen over muziek, theater en dans om de
mismatch tussen het huidige (gesubsidieerde) aanbod en het publiek op te lossen.
Ter vergroting van de aansluiting tussen aanbod en publiek:
– Een intensiever samenwerking tussen producenten en zalen bij het produceren
    en verkopen van voorstellingen (waarbij de vragen ‘wat maken we’ en ‘voor wie
    maken we dat’ intrinsiek met elkaar verbonden raken).
– Geïntensiveerde inspanningen vanuit de sector om een band op te bouwen met
    het publiek in stedelijke cultuurregio’s, bijvoorbeeld door te creëren op de plek
    van uitvoeren in plaats van enkel een avond langs te komen met een voorstelling,
    of door langere series te spelen in één theater (met ruimte
    voor contextprogramma’s).
Ter diversificatie van het publiek voor gesubsidieerd aanbod:
– Meer aandacht vanuit overheden en fondsen voor kunstvormen die een ander
    publiek aanspreken maar nog onvoldoende vertegenwoordigd zijn in het
    gesubsidieerde veld, zoals urban arts en pop- en wereldmuziek. In dit advies
    kunnen we daar musical aan toevoegen.
– Een scherpere naleving van de Code Culturele Diversiteit door zowel overheden
    en fondsen (in hun beoordeling van subsidieaanvragen) als door gezelschappen,
    festivals en theaters (bij het creëren en verkopen van hun producties).
– Meer aandacht (en middelen) voor educatieprogramma’s door gesubsidieerde
    instellingen om kinderen en jongeren, maar ook instromende volwassenen, te
    laten kennismaken met kunst en cultuur.
Ter vergroting van het bewustzijn over de noodzaak van inclusiviteit:
– Biastrainingen voor medewerkers van culturele instellingen, fondsen en
    overheden (inclusief de raad) om het bewustzijn te vergroten over impliciete
    uitsluitingsmechanismes en vooroordelen in beoordeling en samenwerking.
                                                                                      49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>– Het instellen van diversiteitsquota bij bijvoorbeeld het samenstellen van
   beoordelingscommissies bij fondsen en subsidiërende overheden om te zorgen
   dat zij een goede representatie vormen van de bevolking. Het zou hier niet alleen
   moeten gaan om etnische diversiteit maar ook om diversiteit op grond van sekse,
   leeftijd, geaardheid, religie, opleidingsniveau et cetera.
De cultuurfondsen hebben onlangs aangekondigd diversiteit tot criterium te gaan
verheffen in hun beoordeling van subsidieaanvragen van culturele instellingen, wat
positieve gevolgen kan hebben voor de publiekssamenstelling van de
fondsgesubsidieerde gezelschappen. Dit is ook voor het ministerie te overwegen.
Daarnaast kunnen de BIS-operagezelschappen een voorbeeld nemen aan de negen
BIS-theatergezelschappen die samen met dertien standplaatstheaters het project
Theater Inclusief hebben opgezet, om gezamenlijk te komen tot een inclusief beleid
ten aanzien van hun programma’s, personeel, publiek en partners. Wij wijzen erop
dat we dit alleen kansrijk achten als diversiteit niet als cosmetische
buitenboordmotor aan de organisatie wordt geschroefd, maar als tegelijkertijd wordt
gewerkt aan het vergroten van het bewustzijn over de noodzaak van
een inclusiviteitsbeleid.
    Aantal muziektheaterbezoekers
    Het bezoek aan muziektheater is groot in vergelijking met andere kunstvormen,
    deels omdat het vaker om grote-zaalvoorstellingen gaat, deels ook omdat
    muziektheater een geliefde uitgaansvorm is. Volgens een onderzoek van het SCP
    bezoekt jaarlijks 5 procent van de Nederlandse bevolking minimaal één opera;
    uitgaande van de huidige bevolking van 17,28 miljoen inwoners zou dat gaan om
    ruim 860.000 Nederlanders. Musical wordt bezocht door 28 procent van de
    bevolking. Per hoofd van de bevolking worden jaarlijks 0,2 bezoeken aan opera
    afgelegd en 0,4 bezoeken aan musical. [ 9 ]
    De drie BIS-gezelschappen trokken in de periode 2013 – 2016 gezamenlijk
    197.834 bezoekers per jaar, voor 225 voorstellingen (zo’n 10 procent van het
    totale aantal bezoekers aan de 35 BIS-podiumkunstgezelschappen). De zeven
    meerjarig gesubsidieerde muziektheatergezelschappen bij het FPK ontvingen in
    deze periode in totaal gemiddeld 99.450 bezoekers per jaar, voor
    517 voorstellingen. Het bezoek aan opera en hedendaags muziektheater bleef de
    afgelopen twee subsidieperiodes ongeveer gelijk, met een lichte dip in het
    bezuinigingsjaar 2013. Om ook een indruk te krijgen van opera en muziektheater
    buiten het meerjarig rijksgesubsidieerde circuit kunnen we kijken naar de recent
    gepubliceerde cijfers van het CBS; volgens die cijfers groeide het aantal
    operaproducties van 2016 op 2017 met 13 procent naar 2.000 voorstellingen en
    steeg het publiek eveneens met 13 procent naar 571.000. [ 10 ]
    Het is niet bekend hoeveel bezoekers de vrije musicalprocenten in 2013 – 2016
    trokken. De recent bekendgemaakte cijfers van het CBS – met een significante
    stijging van het aantal musicals en musicalbezoekers van 2016 of 2017 – geven
    wel een indruk van het huidige musicalbezoek in Nederland: 2,3 miljoen
    bezoekers voor 3.300 voorstellingen in 2017.
                                                                                     50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Totaal aantal voorstellingen, 2017
● niet-gesubsidieerd of overige subsidievormen
Totaal aantal bezoekers, 2017
(aantallen x 1.000)
● niet-gesubsidieerd of overige subsidievormen
                                               51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>  1
DNO is medeoprichter van de Meester Coupeur Opleiding en begeleidt
daarnaast 100 stagiairs per jaar op verschillende afdelingen.
  2
De Broadway-musical is grootschalig, commercieel, gericht op
amusement. De off-Broadway-musical is kleinschalig, intellectueel en
gericht op vernieuwing.
  3
Voorheen stelde het Fonds Podiumkunsten vooraf budgetten vast per
discipline, waarbinnen het projectsubsidieaanvragen behandelde.
Deze vastgestelde budgetten per discipline liet het FPK per 2017 los.
Alle aanvragen worden sindsdien behandeld in dezelfde pool, waarbij
het toegekende bedrag per discipline per aanvraagronde kan wisselen,
afhankelijk van het aantal aanvragen en de kwaliteit van de
ingediende plannen.
  4
Het toegekende budget voor nieuwe muziektheatermakers steeg van
(gemiddeld) 125.850 euro in de periode 2013 – 2016 naar
236.123 euro in 2017. Aangemerkt moet wel worden dat drie makers
per jaar een klein aantal blijft. Het betreft hier een kleinschalige
regeling: binnen alle genres werden in 2017 17 makers ondersteund
(dans 4 van de 12 aanvragen, muziek 3 van de 14, theater 7 van de 25;
het aandeel toekenningen bij muziektheater is met 50 procent het
hoogst).
  5
Met dit bedrag kon 20,4 procent van de aanvragen (22 van de 108)
worden gehonoreerd (gemiddeld per genre is dat 23,3 procent).
  6
Een aantal gezelschappen belandden na beoordeling door het FPK op
de zogenaamde ‘B-lijst’; het FPK beoordeelde hun aanvragen positief
maar het beschikbare budget was (deels) ontoereikend om ze te
honoreren.
  7
Door honorering van de B-lijst zijn dat in de periode 2017 – 2020
13 gezelschappen; het is nog onduidelijk of zij hun werk in voldoende
mate krijgen afgezet bij theaters en festivals.
  8
Het FPK voert ook zelf als organisatie een diversiteitsbeleid, waarmee
het in enkele jaren veel representatiever is geworden voor het veld
waarover het adviseert.
  9
Het is niet uit het onderzoek op te maken of respondenten bezoeken
aan hedendaags muziektheater onder opera, musical of onder toneel
hebben gerapporteerd; toneel wordt jaarlijks door 25 procent van de
bevolking bezocht, met 0,5 bezoeken per jaar per hoofd van de
bevolking.
SCP, 2016
  10
Dit onderzoek onderscheidt op het gebied van muziektheater alleen
musical en opera; hedendaags muziektheater wordt hier onder opera
geschaard.
                                                                       52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Muziektheater / Zicht op nieuw beleid
         Zicht op nieuw beleid
De in dit advies gesignaleerde problemen tonen aan dat het speelveld voor
muziektheatermakers en -producenten de afgelopen decennia is veranderd.
Dit vraagt om aanpassingen in bestaand beleid. Sinds het cultuurbeleid tot stand
kwam, zijn onder invloed van vele maatschappelijke, economische en technologische
ontwikkelingen nieuwe verschijningsvormen van muziektheater ontstaan en gerijpt,
zoals het hedendaags muziektheater, de musical en de urban arts.
De toenemende roep om inclusieve verhalen, voor een inclusief publiek, door nieuwe
stemmen verteld, verandert het muziektheater van buitenaf én van binnenuit.
Op sommige plekken botsen bestaande en nieuwe stemmen op elkaar. Wie de opera
de afgelopen dertig jaar heeft gevolgd, is zich ervan bewust dat zich hier grote
ontwikkelingen hebben voltrokken rondom repertoireontwikkeling, regiekeuzes,
vormelementen en onderwerpkeuzes (denk bij dit laatste aan opera’s als ‘The Death
of Klinghoffer’, ‘Nixon in China’ of ‘A Dog’s Heart’). Tegelijkertijd kloppen er nieuwe
makers op de deur van het bestel die hun inspiratie uit andere vormen halen en
ruimte claimen voor het vertellen van hún verhaal.
Ideologisch antwoord
Tijdens de voorbereiding van dit advies is de vraag vaak over tafel gegaan hoe we
nieuwe impulsen de ruimte kunnen geven zich te ontwikkelen zonder bewezen
succesvolle partijen de pas af te snijden, en zonder onze ogen te sluiten voor de
ontwikkeling die net zozeer bínnen de gevestigde genres plaatsvindt.
Het ideologische antwoord vinden we in onze derde cultuurpolitieke doelstelling, die
oproept tot pluriformiteit: in de confrontatie van gevestigde en nieuwe kunst gaat
het er niet om dat de tweede de eerste van zijn plek verdringt, maar dat beide in
staat worden gesteld van elkaar te leren, elkaar aan te vullen en vervolgens een
nieuwe, eigen positie in te nemen in een veranderd landschap – een landschap
waarin iedereen zich senang, latif of comfortabel kan voelen.
Vanuit praktisch oogpunt is de vraag complexer. De vraag luidt al gauw: hoe kan een
overheid, bij gelijkblijvend budget, nieuwe genres, makers en ontwikkelingen
toelaten zonder dat gevestigde instellingen daarvan de dupe worden? Toch sluit ook
hier het een het ander niet uit. Door binnen het bestel zaken als vernieuwing,
talentontwikkeling, educatie en publieksontwikkeling actiever te stimuleren – de
activiteiten op het gebied van talentontwikkeling bij De Nationale Opera zouden
bijvoorbeeld meer in het centrum van de bedrijfsvoering kunnen worden geplaatst –
en tegelijk de opdracht aan fondsen zodanig aan te passen dat zij meer ruimte
kunnen bieden aan nieuwe genres, ontwikkelingen en makers, kan het speelveld
voor nieuwe en bestaande genres al dichter naar elkaar toeschuiven.
                                                                                        53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>De door ons al meerdere malen bepleite toename aan maatwerk lijkt ook een sleutel
tot verandering; het is wenselijk om gesubsidieerde instellingen niet langer
financieel te ondersteunen op basis van een afgesproken aantal speelbeurten voor
een afgesproken hoeveelheid publiek, maar op basis van inspanningen op het gebied
van repertoireontwikkeling, innovatie, publieksontwikkeling, fair practice,
maatschappelijke betekenis et cetera, waarbij een kwantitatieve afrekening
(ten dele) plaatsmaakt voor een kwalitatieve toets. Een muziektheatergezelschap dat
het risico neemt een productie te maken voor nieuwe publieksgroepen zou hierbij
niet moeten worden afgerekend op het aantal toeschouwers in de zaal, maar op de
vraag of en hoe het deze gewenste publieksgroepen daadwerkelijk heeft weten te
bereiken, en hoe het daar in de toekomst een vervolg aan wil geven.
De subsidierelatie tussen overheden en fondsen enerzijds en gezelschappen en
makers anderzijds zou dan meer een vertrouwensrelatie kunnen worden, waarbij
subsidiegever en subsidieontvanger zich gezamenlijk inspannen voor een
gezamenlijk bepaalde stip aan de horizon, in plaats van, zoals nu, een afrekenrelatie
waarin de producent of de maker binnen een gestelde termijn moet voldoen aan
door de subsidiegever opgelegde voorwaarden.
Efficiencyslag
Daarnaast zijn we van mening, op een meer praktisch niveau, dat er een
efficiencyslag kan worden behaald door beleid van de Rijksoverheid beter af te
stemmen met dat van fondsen, provincies en gemeenten (stedelijke cultuurregio’s),
en in gezamenlijkheid een aantal beleidsspeerpunten vast te stellen. De in de jaren
tachtig ontstane scheiding in verantwoordelijkheden tussen overheden, waarbij het
Rijk zich ontfermt over de productie van aanbod en gemeenten verantwoordelijk
worden gehouden voor afname, werkt eerder contraproductief.
Het is daarom wenselijk, zoals ook reeds betoogd in onze verkenning ‘Cultuur voor
stad, land en regio’ en in eerder gepubliceerde sectoradviezen, dat overheden,
fondsen, producenten en aanbieders van muziektheater (en andere kunstvormen)
een gezamenlijk belang formuleren en nastreven, zonder dat subsidieregelingen
elkaar tegenwerken of in de weg staan. Door een integraal, gezamenlijk gedragen
kunstbeleid te voeren, zullen naar verwachting minder financiële middelen
‘weglekken’ ten koste van het realiseren van de cultuurpolitieke doelstellingen, en
kunnen gelden effectiever worden aangewend.
Ook voor de sector zelf is het van het grootste belang dat hij niet langer vasthoudt
aan de strikte scheiding tussen aanbod en afname, tussen producenten en theaters,
maar dat ze gezamenlijk nadenken over het product dat ze hun potentiële publiek
willen verkopen en hoe ze zich daarvoor willen inspannen. Dat begint bij het kiezen
van de juiste titels en eindigt bij het ontvangen van de bezoekers in het theater.
De verantwoordelijkheid van een producent kan niet ophouden bij het monteren van
een voorstelling, die van een theater kan niet beginnen bij de kaartverkoop.
Op plekken waar producenten en theaters/programmeurs de handen ineenslaan,
zien we dat er duurzaam publiek wordt opgebouwd voor werk dat anders misschien
niet zo snel de weg van producent naar bezoeker zou weten te vinden. We zien hier
bijvoorbeeld successen bij initiatieven als De Theateralliantie, waar enkele
                                                                                      54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>schouwburgen en producenten gezamenlijk hun schouders zetten onder de creatie
van kwalitatieve, aansprekende voorstellingen voor een breed publiek, rekening
houdend met artistieke kwaliteitseisen én publiekstoegankelijkheid. Hier kwamen
onlangs zowel de productie ‘The Color Purple’ in samenwerking met Het Zonnehuis
als de musical ‘The Addams Family’ in samenwerking met TEC Entertainment tot
stand; een bewijs dat door gezamenlijke inspanningen een groot publiek voor zowel
gesubsidieerd als ongesubsidieerd aanbod op de been kan worden gebracht.
Samenwerking
De tendens dat theaters en bespelers dichter naar elkaar toeschuiven, en zich
daarmee veel intensiever kunnen bezighouden met de vraag ‘wat maken wij voor
welke plek en voor wie?’ zien we ook elders in het landschap, zoals in de fusie
in 2013 van het Muziektheater, De Nederlandse Opera en Het Nationale Ballet tot
Nationale Opera & Ballet, en ook in de meer recente fusies tussen de Rotterdamse
Schouwburg, het RO Theater en Productiehuis Rotterdam, tussen Het Nationale
Toneel, de Koninklijke Schouwburg en Theater aan het Spui en dit jaar tussen
Toneelgroep Amsterdam en Stadsschouwburg Amsterdam. De eerste resultaten van
deze vier fusiehuizen lijken positief.
Gezelschappen die op deze manier hun samenwerking met theaters intensiveren,
hebben meer kennis van hun publiek en zien publieksontwikkeling als een
vanzelfsprekender onderdeel van hun artistieke werk. Ook combineren zij
vanzelfsprekender activiteiten op het gebied van artistiek experiment of
talentontwikkeling met activiteiten die vooral gericht zijn op publieksvergroting,
zoals toegankelijke avonden voor een breed publiek in de grote zaal.
In het stelseladvies dat de raad het eerste kwartaal van 2019 opstelt, werken wij
bovenstaande vraagstukken concreter uit.
                                                                                   55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Muziektheater / Hoofdaanbevelingen
         Hoofdaanbevelingen
In de afgelopen hoofdstukken hebben we aanbevelingen gedaan met betrekking tot
huidig en nieuw te ontwikkelen beleid op het gebied van muziektheater. Doel van
elke aanbeveling is de infrastructuur voor muziektheater completer en gezonder te
maken, voor makers en uitvoerenden én voor publiek. De aanbevelingen dragen bij
aan de realisatie van de vier cultuurpolitieke doelen die de raad heeft opgesteld en
die een toegankelijk, pluriform, professioneel, artistiek hoogwaardig en open
cultuurklimaat willen bevorderen. Het mag inmiddels duidelijk zijn dat de raad een
integraal en inclusief muziektheaterbeleid voorstaat: een beleid dat alle functies in
het culturele ecosysteem in samenhang beziet, en dat niets of niemand buitensluit
– een lijn die we inzetten met ons eerste sectoradvies over muziek en die we
doortrekken tot dit laatste podiumkunstenadvies over muziektheater.
Ter bevordering van de professionaliteit en kwaliteit van de sector:
1. De raad adviseert de minister de landelijke infrastructuur uit te
    breiden met enkele muziektheatergezelschappen, -platforms of
    -productiekernen op het gebied van hedendaags muziektheater,
    musical, urban arts, jeugdmuziektheater of vormen van innovatief
    muziektheater die ontstaan in de ontmoeting met andere domeinen,
    zoals wetenschap.
Het muziektheater behelst vandaag de dag veel meer dan enkel opera. Toch maken
alleen operagezelschappen deel uit van de huidige BIS. Andere gezelschappen
kunnen weliswaar meerjarige activiteitensubsidies aanvragen bij het Fonds
Podiumkunsten, maar deze verstrekken grotere instellingen met een duurzamer
karakter onvoldoende speelruimte om hun rol in het muziektheaterlandschap
volledig te spelen. Deze subsidievorm beperkt zich immers tot het financieren van
productie/aanbod en kan minder rekening houden met de potentiële waarde van
gezelschappen voor het overige muziektheaterveld, bijvoorbeeld doordat deze
gezelschappen nieuwe artistieke ontwikkelingen aanjagen, verantwoordelijkheid
nemen voor de in- en doorstroom van nieuw talent, nieuwe vormen van
publieksontwikkeling exploreren of een voorbeeld of spreekbuis vormen voor
(kleinere) spelers in het veld. Voor gezelschappen die draaien om een maker of
groep makers is genoemde vorm van subsidiëring daarom meer geschikt dan voor
instellingen die met wisselende makers werken en meer fungeren als boegbeeld voor
hun genre of discipline. Een aantal van dit soort instellingen is nodig in een
landelijke basisinfrastructuur om de all-over kwaliteit van de discipline te
waarborgen en toekomstbestendig te maken. Hier zijn instellingssubsidies of
instandhoudingssubsidies gewenst. Om een relevante representatie te omvatten van
de brede mix aan muziektheatervormen, bepleiten we een landelijke infrastructuur
die naast opera ook ruimte biedt kwalitatief hoogstaand hedendaags muziektheater,
musical, urban muziektheater of innovatief muziektheater dat ontstaat in de
                                                                                      56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>ontmoeting met andere domeinen, zoals wetenschap, technologie, e-cultuur,
storytelling of clubcultuur.
De vraag of een dergelijke infrastructuur rechtstreeks door het Rijk, door de
cultuurfondsen of in een gecombineerd verband dient te worden gesubsidieerd,
beantwoordt de raad in 2019 in zijn stelseladvies.
2. De raad adviseert de minister en het Fonds Podiumkunsten om meer
    maatwerk toe te passen in subsidiëring en om instellingen meer af te
    rekenen op hun rol en betekenis voor de artistieke en
    maatschappelijke ontwikkeling van het muziektheater. Eerder dan
    speelbeurten, bezoekersaantallen en eigen inkomsten zouden
    artistieke keuzes en de vraag in hoeverre gezelschappen hun nek
    uitsteken voor de toekomst van hun genre leidend moeten zijn voor
    subsidiëring. Daarnaast dienen eerlijke honorering en fair practice
    subsidievoorwaarden te gaan vormen. De raad roept de sector op hier
    meer verantwoordelijkheid voor te nemen.
Gesubsidieerde gezelschappen hebben meer vrijheid en financiële armslag nodig om
het muziektheater op professioneel en artistiek hoog niveau te laten functioneren en
om ruimte te scheppen voor nieuwe publieksbenaderingen. Meer maatwerk in
subsidiëring is een vereiste om de gezondheid van muziektheatergezelschappen
duurzaam te waarborgen. Activiteiten op het gebied van educatie, talentbegeleiding,
publieksvergroting en -diversificatie en (waar van toepassing) internationalisering
dragen bij aan de kwaliteit, de toegankelijkheid en de pluriformiteit van de
discipline. Hoewel zij minder eigen inkomsten opleveren en niet direct optellen naar
een groter aantal speelbeurten, vormen ze wel degelijk de motor voor ontwikkeling.
Hetzelfde geldt voor activiteiten die bijdragen aan het artistieke discours of aan
kennisvermeerdering, zoals reflectie, dataverzameling en ontsluiting. Hier zijn meer
financiële middelen voor nodig. Bij gelijkblijvende budgetten zal van gezelschappen
minder productie moeten worden verlangd ten gunste van
deze overige inspanningen.
In dit kader is het ook noodzakelijk dat eerlijke honorering en fair practice
voorwaarden gaan vormen voor subsidiëring en dat de sector hier meer
verantwoordelijkheid voor neemt. Ook hier geldt dat de eventuele consequentie dat
de productie of het aantal speelbeurten daalt, moet worden aanvaard. Hierbij moet
rekening worden gehouden met het gegeven dat een afname in productie of
speelbeurten ook leidt tot minder eigen inkomsten; subsidiebedragen moeten
daarom waar nodig worden gecompenseerd en prestatieafspraken moeten hierop
worden afgestemd.
3. De raad adviseert de minister om functies voor talentontwikkeling op
    te nemen in een landelijke subsidiesystematiek voor hedendaags
    muziektheater/opera, musical en (disciplinebreed) urban arts.
    Hij spreekt provincies en gemeenten aan verantwoordelijkheid te
    nemen voor talentontwikkeling in de eigen stedelijke cultuurregio.
                                                                                     57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>Daarnaast adviseert hij ontwikkelbudgetten in het leven te roepen in de
vorm van een revolving fund die musicalproducenten in staat stellen
meer risico’s te nemen en te experimenteren met nieuw werk, nieuwe
makers en nieuwe publieksbenaderingen.
Om een klimaat te creëren dat talent doorlopend laat in- en doorstromen en dat
artistieke innovatie aanmoedigt en mogelijk maakt, zijn functies voor
talentontwikkeling (zoals productiehuizen en talenthubs) geen luxe maar noodzaak.
Makers die willen experimenteren met nieuwe werkvormen, publieksbenaderingen,
kunstuitingen en genres hebben daarvoor ondersteuning en een veilige plek nodig
waarin dat experiment kan gedijen (maar waarin dingen ook mogen mislukken).
Daarnaast moet er zowel bij gesubsidieerde als bij vrije producenten ruimte zijn om
risicovol werk te creëren en nieuwe makers ontwikkelkansen te bieden.
We adviseren ontwikkelbudgetten in het leven te roepen in de vorm van een
revolving fund die vrije musicalproducenten in staat stellen meer risico’s te nemen
en te experimenteren met nieuw werk, nieuwe makers
en nieuwe publieksbenaderingen.
Ter bevordering van de toegankelijkheid en pluriformiteit
van het aanbod:
4. De raad adviseert de minister, gemeentes en provincies om de
    infrastructuur voor toegankelijk, kwalitatief aanbod door het land
    heen (stedelijke cultuurregio’s) te versterken, door naast het
    landelijke aanbod ook structureel en op projectbasis ruimte te bieden
    aan producenten die regionaal of lokaal werken.
Het is belangrijk dat er naast landelijk opererende (reizende) gezelschappen ook
gezelschappen zijn die zich wortelen in stedelijke cultuurregio’s om aanbod te
creëren dat meer de verbinding zoekt met het publiek in de betreffende regio,
rekening houdend met de bevolkingssamenstelling en de cultuur aldaar. De
samenstelling van de culturele infrastructuur per regio dient te worden afgestemd
tussen Rijk, gemeentelijke en provinciale overheden.
5. De raad adviseert de minister en het Fonds Podiumkunsten de
    samenwerking tussen theaters en bespelers te verstevigen door de
    regelingen voor afnamesubsidies uit te breiden en door te bekijken
    hoe samenwerkingstrajecten tussen theaters en bespelers kunnen
    worden gehonoreerd. Daarnaast roept de raad gemeenten en
    provincies op om programmeringsbudgetten of risicosubsidies te
    verstrekken aan theaters.
Een betere afstemming tussen theaters en bespelers kan bijdragen aan een aanbod
dat een groter en diverser publiek aanspreekt. Afnamesubsidies zijn interessante
manieren om deze samenwerking te vergroten. Gemeenten en stedelijke
cultuurregio’s sporen we aan niet alleen de exploitatie van theaters te faciliteren,
maar ook programmeringsbudgetten of risicosubsidies te verstrekken om theaters
meer bewegingsvrijheid te geven in het samenstellen van op de regio afgestemde
programma’s, waarvan ook artistiek experimenteler of onbekender werk deel
uitmaakt. Interessant kan zijn om plannen van theaters en van bespelers
                                                                                     58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>(gezelschappen/producenten) in samenhang te bezien en waar mogelijk gebundelde
aanvragen mogelijk te maken van theaters met hun bespeler(s).
Bij het ontwikkelen van een betere uitwisseling van publieksgegevens en data rond
de kaartverkoop tussen theaters en bespelers is de sector zelf aan zet. Het plan dat
de werkgroep Digitale Infrastructuur Podiumkunsten van NAPK, VSCD en VVTP
hiervoor ontwikkelt, ziet de raad als kansrijk.
6. De raad adviseert de minister, de cultuurfondsen, theaters en
    gezelschappen om publieksdiversiteit tot speerpunt te maken van
    beleid. Hij adviseert hiertoe de minister om een breder palet aan
    genres te ondersteunen: naast opera en hedendaags muziektheater
    ook bijvoorbeeld musical en urban arts. Daarnaast roept de raad
    gesubsidieerde instellingen op hun publiek te diversifiëren.
Daarbij gaat het niet alleen om etnisch-culturele diversiteit maar ook om diversiteit
in termen van sekse, leeftijd, geaardheid, opleidingsniveau, inkomen, woonplaats,
fysieke gezondheid et cetera. Het gesubsidieerde bestel moet een betere afspiegeling
gaan vormen van de Nederlandse bevolking, wat zowel op het podium als in de zalen
terug te zien moet zijn. Dat betekent dat enerzijds een breder palet aan genres moet
worden ondersteund, zoals musical en urban arts, en dat anderzijds het aanbod en
het publiek van bestaand aanbod moet worden gediversifieerd. Aanscherping en
naleving van de Code Culturele Diversiteit, diversificatie van
beoordelingscommissies en meer nadruk op educatie- en marketingprogramma’s
voor nieuw publiek moeten een prioriteit vormen in elk cultuurbeleid, zowel van
overheden en fondsen als van culturele instellingen. Biastrainingen en
diversiteitsquota voor beoordelingscommissies kunnen daaraan bijdragen.
                                                                                      59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Bijlagen
         60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>61</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>62</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>63</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>64</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>65</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>66</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>67</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>68</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>69</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>70</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>71</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>        Toekomst Cultuurbeleid / Muziektheater / Bijlagen / Samenstelling commissie
        Samenstelling commissie
Commissie
Gable Roelofsen               Marjorie Boston                   Rajae El Mouhandiz
voorzitter                    Theatermaker en                   Zanger en
Acteur en                     artistiek leider                  (muziek)theatermaker
muziektheatermaker,           Rightaboutnow Inc.
dagelijks leider                                                Gusta Teengs
Het Geluid Maastricht         Willem Bruls                      Gerritsen
                              Operadramaturg en                 Regisseur en
Annett Andriesen              -publicist                        dramacoach
Mezzosopraan,                                                   voor operazangers
operaproducent,               Koen van Dijk
zangdocent                    Musicalvertaler en                Flora Verbrugge
                              -regisseur,                       (muziek)Theatermaker
                              voormalig artistiek               en artistiek leider
                              leider M-Lab                      Theater Sonnevanck
Bureau Raad voor Cultuur
Lonneke Kok
Senior                        Merel Vercammen
beleidsadviseur               Beleidsadviseur
                                                                                     72
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Muziektheater / Bijlagen / Overzicht gesprekspartners
          Overzicht gesprekspartners
Erwin Aarts                    Guy Coolen                        Waut Koeken
De Kernploeg                   Operadagen                        Opera Zuid
                               Rotterdam
Pierre Audi                                                      Tobias Kokkelmans
Nationale Opera &              Iris Daalder                      Operadagen
Ballet/De Nationale Opera NAPK                                   Rotterdam
Mart van Berckel               Susanne van Els                   Gusta Korteweg
Regisseur                      European Opera                    Rosa Ensemble
                               Academy
Matthijs                                                         Simone Kratz
Bongertman                     Wilma Franchimon                  Wilmink Theater
Senf                           Codarts
Theaterpartners                                                  Miranda Lakerveld
                               Erik-Ward Geerlings               World Opera Lab
Fred Boot                      Regisseur en
NEW Productions                schijver                          Arnon Luijten
en VVTP                                                          Codarts en ArteZ
                               Jappe Groenendijk
Arnoud Breitbarth              AHK                               Sander van Maas
Musical- en                                                      Musicoloog
liedschrijver                  Boris van der Ham
                               VVTP                              Nicolas Mansfield
Ulrike Bürger-Bruijs                                             Nederlandse
Cook A Dream                   Lieke van                         Reisopera
                               Hoogenhuijze
Shane Burmania                 Dramaturg                         Yolande Melsert
Korzo en                                                         NAPK
Muziekgebouw                   Anne-Marie
aan ’t IJ                      Hoogland                          Sjaron Minailo
                               Nationale Opera &                 Regisseur
Frédérique Chauvet             Ballet/De Nationale Opera
Barokopera                                                       Nienke Nasserian
Amsterdam                      Niek Idelenburg                   Nillesen
                               Holland Opera                     Mezzosopraan en
Daniel Cohen                                                     muziektheatermaker
Regisseur en                   Jorinde Keesmaat
schrijver                      Regisseur                         Karin Netten
                                                                 Kameroperahuis
                                                                                        73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>Michael           Ines van der Scheer       Jochem Valkenburg
Nieuwenhuizen     T.I.M.E.,                 Holland Festival
Klassieke Muziek  Koninklijk Conservatorium
Coalitie                                    Serge van Veggel
                  Bas Schoonderwoerd        Opera2Day
John van Oostrum  Parkstad Limburg
Touki Delphine    Theaters                  Maarten Verhoef
                                            ArtEZ
Bert Palinckx     Paul Slangen
November Music    T.I.M.E.                  Hedwig Verhoeven
                                            VSCD
Els van der Plas  Carlijn Sonneveldt
Nationale Opera & Oude en Nieuwe            Ron Visser
Ballet            Luxor                     Fonds
                                            Podiumkunsten
Henriëtte Post    Karen van der Spek
Fonds             Rotterdam Uitdagen        Jort Vlam
Podiumkunsten                               VVTP
                  Maarten de Splenter
Annemarie Reitsma Componist en              Maarten Voogel
Kameroperahuis    performer                 Opus One
Maria Riccarda    Pam de Sterke             Joeri Vos
Wesseling         Waag technology &         de Veenfabriek
DNOA              society
                                            Harm Witteveen
Kati Röttger      Renée Trijselaar          Via Berlin
Universiteit van  HipHopHuis
Amsterdam
                                                              74
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>         Toekomst Cultuurbeleid / Muziektheater / Bijlagen / Literatuur
         Literatuur
Centraal Bureau                Raad voor Cultuur                  Sociaal en Cultureel
voor Statistiek                De balans, de                      Planbureau
Musicals en opera              behoefte.                          Het Culturele leven.
trekken                        Pleidooi voor een                  10 culturele
meer publiek                   integraal,                         domeinen bezien
‘cbs.nl’                       inclusief muziekbeleid             vanuit 14 kernthema’s
geraadpleegd                   Den Haag, 2017                     Den Haag, 2018
18 december 2018
                               Raad voor Cultuur,                 Sociaal en Cultureel
Ministerie van                 Sociaal-Economische Raad           Planbureau
Onderwijs,                     Passie gewaardeerd.                Sport en Cultuur.
Cultuur en Wetenschap          Versterking van de                 Patronen in
Cultuur in een                 arbeidsmarkt in de                 belangstelling
open samenleving               culturele                          en beoefening
Den Haag, 2018                 en creatieve sector                Den Haag, 2016
                               Den Haag, 2017
Raad voor Cultuur                                                 Vereniging
Alles beweegt                  Raad voor Cultuur,                 Hogescholen
Den Haag, 2018                 Sociaal-Economische Raad           Statistisch
                               Verkenning                         supplement
Raad voor Cultuur              arbeidsmarkt                       HBO Monitor 2016.
Over grenzen                   culturele sector                   KUO_2016
Den Haag, 2018                 Den Haag, 2016                     2017
                                                                  ‘hbomonitor.nl’
Raad voor Cultuur              Revopéra
Cultuur voor stad,             Le financement des                 Vereniging van
land en regio.                 plus grandes                       Schouwburg-
De rol van stedelijke          maisons d’Opéra en                 en Concertgebouwdirecties
regio’s                        Europe:                            Podia 2017,
in het cultuurbestel           subventions,                       cijfers & kengetallen
Den Haag, 2017                 mécénat, recettes                  Amsterdam, 2018
                               propres
                               ‘revopera.com’
                               geraadpleegd
                               18 december 2018
                                                                                            75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>           Toekomst Cultuurbeleid / Muziektheater / Colofon
           Colofon
‘Later is al lang begonnen.
Het muziektheater van de toekomst’
is een uitgave van de Raad voor Cultuur.
Leden
Marijke van Hees voorzitter
Brigitte Bloksma
Lennart Booij
Özkan Gölpinar
Erwin van Lambaart
Cees Langeveld
Thomas Steffens
Liesbet van Zoonen
Jakob van der Waarden directeur
Raad voor Cultuur
Prins Willem Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
070 – 3106686
‘info@cultuur.nl’
‘www.cultuur.nl’
Ontwerp
‘High Rise’
Alle adviezen van de raad zijn ook te vinden op ‘cultuur.nl’.
Wilt u op de hoogte blijven van de activiteiten van de raad?
Dan kunt u zich aanmelden voor de ‘nieuwsbrief’.
Volg ons ook op ‘Twitter’.
Het is toegestaan (delen van) de inhoud van het advies
te citeren of te verspreiden, mits daarbij de Raad voor Cultuur
en het advies als bronnen worden vermeld.
Aan de adviezen kunnen geen rechten worden ontleend.
© Raad voor Cultuur, januari 2019
                                                                76
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>De Raad voor Cultuur is het wettelijke
adviesorgaan van de regering en
het parlement op het terrein van kunst,
cultuur en media.
De raad is onafhankelijk en adviseert,
gevraagd en ongevraagd, over actuele
beleidskwesties en subsidieaanvragen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>